2020-01-VL-Voka Paper

Page 1

Een maandelijkse uitgave van Voka vzw | Verschijnt niet in juli en augustus | Jaargang 4- januari 2020 Koningsstraat 154-158, 1000 Brussel P912687

VOKA

PAPER JANUARI 2020

FISCAAL DIGITAAL Naar een internationale taxatie voor de 21e eeuw

S I FCA L A


FI

FISCAAL DIGITAAL INHOUD

Fiscaal digitaal Naar een internationale taxatie voor de 21e eeuw

De essentie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 3 `Intangible capital’: kapitaal van de 21e eeuw

. . . . . . . . . . .

6

Herziening internationaal fiscaal kader . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 10 Oplossingen in de maak . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 14 Evaluatie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 19 Geraadpleegde werken . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 23

colofon Voka-kenniscentrum Niko Demeester | Secretaris-generaal Bart Van Craeynest | Hoofdeconoom Sonja Teughels | Arbeidsmarkt Veronique Leroy | Arbeidsmarkt en arbeidsverhouding Jonas De Raeve | Onderwijs Goedele Sannen | Mobiliteit en logistiek Katelijne Haspeslagh | Milieu en klimaat Klaas Nijs | Energie en klimaat Steven Betz | Ruimtelijke ordening en milieu Johan Guldix | Innovatie en ondernemen Karl Collaerts | Fiscaliteit en begroting Pieter Van Herck | Welzijns- en gezondheidsbeleid Gilles Suply | EU en internationaal ondernemen Dieter Somers | Digitale transformatie

2 VOKA PAPER JANUARI 2020

Eindredactie Sandy Panis, Katrien Stragier, Zoë Vandekerckhove Foto’s Dann en Shutterstock Vormgeving Capone Druk INNI Group, Heule

‘Fiscaal Digitaal’ is een brochure van Voka, Vlaams netwerk van ondernemingen. De overname of het citeren van tekst uit deze Voka Paper wordt aangemoedigd, mits bronvermelding. Verantwoordelijke uitgever Hans Maertens i.o.v. Voka vzw Burgemeester Callewaertlaan 6 8810 Lichtervelde info@voka.be - www.voka.be


I

VOKA.BE

De essentie

I

n de zomer van 2020 willen onderhandelaars van 137 landen binnen de OESO, waaronder België, een consensus bereiken over nieuwe internationale taxatieregels voor grote, multinationale ondernemingen. De focus ligt daarbij op B2C-ondernemingen met een digitaal bedrijfsmodel zoals bijvoorbeeld Google, Apple of Facebook. Daarmee zal het internationale fiscale systeem hopelijk eindelijk mee zijn met de 21e eeuw. Het bestaande internationale fiscale stelsel – bestaande uit meer dan 10.000 bilaterale belastingverdragen die tot doel hebben de heffingsrechten tussen twee landen te verdelen – kraakt al decennialang in al zijn voegen. Het is ontwikkeld in het begin van de 20e eeuw waarbij heffingsrechten worden verdeeld tussen landen op basis van hun fysieke aanwezigheid. Deze benadering is onvoldoende geschikt voor mondiale bedrijven met een digitaal bedrijfsmodel. Het belang van techondernemingen in ons economisch weefsel nam de voorbije decennia nochtans sterk toe: zeven van de tien grootste ondernemingen naar marktkapitalisatie zijn techondernemingen.

“Het voorbije decennium is de maatschappelijke gevoeligheid voor wereldwijde fiscale planning sterk toegenomen.”

Tegelijk steeg ook het belang van zeer mobiele immateriële activa in vele landen. Het bbp-aandeel van de bedrijfsinvesteringen in O&O, computerprogramma’s en overige intellectuele eigendommen verdubbelde de voorbije 25 jaar in ons land van 2,3% naar 4,6%. Immateriële activa vormen in zekere zin dan ook het kapitaal van de 21e eeuw. Die ‘intangibles’ zijn relatief gemakkelijk te delokaliseren naar zeer laag belaste locaties, wat het belang van doorgedreven internationale fiscale planning versterkte. De globalisering en digitalisering van onze economie hebben multinationale ondernemingen meer vrijheidsgraden gegeven om hun wereldwijde fiscale planning te optimaliseren. Het voorbije decennium is de maatschappelijke gevoeligheid daarover sterk toegenomen. Overheden en de bevolking uitten hun ongenoegen hierover. Bedrijven zoals Apple, Amazon, Facebook en Google komen regelmatig onder vuur te liggen voor hun fiscale ontwijkingsgedrag. Dit heeft geleid tot een fundamenteel debat over de bestaande internationale fiscale regels. Zijn die nog ‘fit for purpose’? Prominent agendapunt De taxatie van ‘de digitale economie’ is in quasi alle landen een prominent agendapunt. De OESO tracht hierover een wereldwijde consensus uit te werken. Sinds de financiële crisis dreef de OESO – op aansturen van de G20 – haar werkzaamheden hieromtrent aanzienlijk op. Het ‘Base Erosion and Profit Shifting’ (BEPS)- project mondde in 2015 uit in vijftien concrete actieprogramma’s, geïmplementeerd door tientallen landen. Die damden enkele van de meest opvallende ontwijkingsmechanismen in, zoals ➜

WIE? Structurele partner:

KARL COLLAERTS Senior adviseur fiscaliteit en begroting

karl.collaerts@voka.be Karl Collaerts volgt op het Voka-kenniscentrum dossiers op rond begroting en fiscaliteit.

JANUARI 2020 VOKA PAPER 3


FISCAAL DIGITAAL DE ESSENTIE

‘intra-groepsleningen’ die belastbare grondslagen verschuiven in de richting van laag belaste landen. Er kwam toen echter geen fundamentele doorbraak in de taxatie van grote ondernemingen met een digitaal bedrijfsmodel. Twee factoren kunnen mogelijk leiden tot een doorbraak in de volgende maanden. Ten eerste heeft de VS zijn principiële veto tegen een mondiale herziening van enkele basisregels in de vennootschapsbelasting opgegeven. Ten tweede zetten landen zoals India en Frankrijk druk op het proces door de invoering van eigen nationale ‘digitaksen’.

“Een multilateraal, wereldwijd akkoord over de digitale taxatie is nuttig en nodig.” Een proliferatie van nationale digitaksen leidt tot welvaartsverlies voor iedereen: er zijn al dertien landen met een digitaks en nog eens zoveel overwegen er een in te voeren. In reactie op de invoering van de digitaks in Frankrijk kondigde de VS al gerichte handelsrestricties aan op de invoer van onder meer champagne en kaas. Indien andere landen het Franse voorbeeld volgen, valt te verwachten dat de handelsschade verder 4 VOKA PAPER JANUARI 2020

zal oplopen. Deze heilloze weg brengt ons in een negatieve spiraal. Een multilateraal, wereldwijd akkoord over de digitale taxatie is daarom nuttig en nodig. Het OESO-secretariaat is ervan overtuigd dat haar ‘tweepijler’-benadering het meest beloftevolle model daartoe is: 1. De eerste pijler voorziet in een herallocatie van de belastbare winst. Ze laat toe een deel van de groepswinst van grote, op de consument gerichte ondernemingen te belasten in een land op basis van de verkopen, ook zonder dat die onderneming daar een fysieke aanwezigheid heeft. Het vergt een volledig nieuw afsprakenkader om ‘economische activiteit’ te definiëren en die te belasten. Die activiteit valt in een wereld waar immateriële activa sterk aan belang winnen, niet meer te herleiden tot het vaststellen van de fysieke aanwezigheid alleen (personeelsleden, machines, andere tastbare activa). 2. De tweede pijler voorziet in een minimale effectieve belastingheffing op de wereldwijde activiteiten van nader te bepalen multinationale ondernemingen. Het vormt een vangnet voor multinationale ondernemingen die ondanks pijler 1 toch nog een te lage belastingdruk zouden kennen. Een gedeeltelijke herziening van de winstverdeling van multinationale ondernemingen met een


VOKA.BE

digitaal bedrijfsmodel – met een grotere focus op de gebruikerszijde – is op zich een legitieme piste in de mate dat gebruikersparticipatie bijdraagt aan de waardecreatie. Het kan ertoe leiden dat deze ondernemingen hun ‘fair share’ bijdragen in landen waar zij actief zijn, mede op basis van hun verkopen of aantal gebruikers. Gebruikers zijn – in tegenstelling tot immateriële activa – ook veel minder mobiel, wat de efficiëntie van de belastingheffing ten goede komt. Daar komt bij dat gebruikers van een digitaal platform daar veelal gratis gebruik van maken. Een beperkte verdeling van deze winst in functie van de verkopen zal het gedrag van die gebruikers dus niet beïnvloeden.

“De fundamentele hervorming zal winnaars en verliezers opleveren.” Op basis van de huidige stand van zaken in het OESO-proces resten echter nog tal van knelpunten: onder meer over een faire minimale belastingvoet of een resolutiemechanisme om fiscale disputen tussen landen op te lossen. Ook de cruciale vraag naar de impact van deze hervorming op de verdeling van belastingopbrengsten tussen landen onderling is nog niet duidelijk. Wel duidelijk is dat deze fundamentele hervorming winnaars en verliezers zal opleveren. Naar alle waarschijnlijkheid zullen niet enkel kleine belastingparadijzen inkomsten derven, maar ook een aantal EU-lidstaten zoals Ierland en Nederland. De kans bestaat ook dat landen die in het verleden een gunstig fiscaal kader ontwierpen om reële investeringen in R&D aan te trekken, voortaan minder belastingontvangsten innen. Een deel van hun belastbare winst verschuift dan immers naar marktlanden, landen waar deze ondernemingen verkopen realiseren. Dit kan mogelijks nationale inspanningen ondermijnen om innovatie te stimuleren. De netto-impact van het OESO-voorstel voor de Belgische schatkist blijft vooralsnog onduidelijk. De FOD Financiën en de OESO zelf werken nog aan impactanalyses. De eerste pijler zal ons land wellicht wat bijkomende belastingopbrengsten opleveren via de taxatie van digitale operatoren. Dit effect zal wellicht echter niet zo groot zijn, omdat we een kleine consumentenmarkt zijn. We zijn daarentegen wel de vestigingsplaats van enkele belangrijke multinationale ondernemingen die zeer exportgericht zijn. Een deel van die winst zal naar het buitenland verschuiven, met een belastingderving tot gevolg.

Voka doet daarom de volgende vijf aanbevelingen op hoofdlijnen met betrekking tot de impact van digitalisering op het internationaal fiscaal rechtskader: 1. Een multilateraal akkoord valt veruit te verkiezen boven de invoering van nationale adhocoplossingen. Een proliferatie van nationale digitaksen moet vermeden worden, omwille van de rechtsonzekerheid, de administratieve overlast en de risico’s op dubbele taxatie. 2. De ontwikkeling van een nieuwe fiscale architectuur vergt doordachte beslissingen. De nieuwe regels moeten voorspelbaar, toepasbaar en afdwingbaar zijn. Ze moeten ook compatibel zijn met het Europees recht en dubbele belasting vermijden. Zo niet zullen ze betwist worden en niet duurzaam blijken. Beleidsmakers mogen zich dus niet onder druk laten zetten om op korte termijn overhaaste beslissingen te nemen. 3. Zowel de OESO als de federale overheid moeten transparante impactassessments maken en publiceren. Die assessments moeten zowel de verwachte impact op de fiscale ontvangsten, op de bedrijfsmodellen als op de verwachte compliance-kosten in kaart brengen. Een goede opvolging van dit proces door het federale parlement is aangewezen. 4. De scope van pijler 1 leunt best zo goed mogelijk aan bij sterk gedigitaliseerde activiteiten die een beperkte fysieke aanwezigheid kennen in marktlanden. De herverdeling van belastbare grondslagen (pijler 1) blijft zoals het er nu naar uitziet beperkt. Daar staan echter een aanzienlijke bijkomende complexiteit en compliance-verrichtingen voor ondernemingen tegenover. Zelfs indien ze relatief weinig grensoverschrijdende transacties verrichten. 5. Het pijler 2-GloBE-voorstel (Global Anti-Base Erosion) moet er in eerste instantie op gericht zijn artificiële fiscale constructies die de belastbare grondslag uithollen of winst verschuiven, te corrigeren. Zulks in overeenstemming met het beoogde doel van dit GloBEvoorstel: een reeks maatregelen met het oog op het voorkomen van winstverschuiving naar jurisdicties waar deze winst niet of heel laag wordt belast. In de filosofie van een minimale belasting op de wereldwijde winst van een multinationale onderneming opteren we voor een minimumtarief op groepsniveau. Dus niet land per land of entiteit per entiteit. Multinationale ondernemingen opereren immers ook globaal.

JANUARI 2020 VOKA PAPER 5


‘INTANGIBLE CAPITAL’: KAPITAAL VAN DE 21E EEUW

1. ‘Intangible capital’: kapitaal van de 21e eeuw De opmars van de digitaliserende economie vertaalt zich ook in de klassieke bedrijfsrankings. Onder de top 10 van grootste beursgenoteerde ondernemingen vinden we liefst zeven techgiganten terug.1 Met een duidelijk overwicht van Microsoft, Apple, Amazon en Alphabet (het bedrijf achter Google).2 ‘Intangible’ kapitaal is duidelijk het nieuwe kapitaal van de 21ste eeuw.

D

e digitaliserende economie omringt ons leven van langsom meer. Een decennium geleden was het internet enkel toegankelijk via de pc. Vandaag is het mobiel toegankelijk via heel wat andere toestellen zoals tablet, digitale televisie of auto. Ook het Internet of Things verspreidt zich razendsnel. 6 VOKA PAPER JANUARI 2020

Digitalisatie verkort daardoor afstanden. Het breekt grenzen open. In vergelijking met twintig jaar geleden is het nu veel gemakkelijker om goederen en diensten rechtstreeks aan te kopen in quasi elk ander land. Ook kmo’s opereren veel gemakkelijker internationaal.


VOKA.BE

“Het is verkeerd de digitale economie af te bakenen als een afzonderlijke sector, gescheiden van de rest van de economie.” Digitale technologieën worden ook van langsom meer in alle sectoren toegepast. Het is daarom verkeerd de digitale economie af te bakenen als een afzonderlijke sector, gescheiden van de rest van de economie. We zien een proliferatie van nieuwe, innovatieve businessmodellen. Technische bouwstenen daarvan zijn e-commerce, online betalingsdiensten, app stores, online adverteren, cloud computing, en participatieve netwerkplatformen. Ze vormen vaak een bedreiging voor ondernemingen die op de bestaande manier blijven werken.

Techondernemingen domineren bedrijfsrankings Marktkapitalisatie top 10 ondernemingen op 31 maart in 2019, in miljard dollar 1000 900 800 700 600 500 400 300 200 100 0

905

896

875

817

494

476

472

438

372

342

Bron: PWC

Aard bedrijfsinvesteringen wijzigt snel Tangibles

Om de mondiale fiscale uitdagingen van deze digitaliseringstendens te kunnen vatten, is het essentieel enkele eigenschappen van deze businessmodellen in ogenschouw te nemen. •

De ontwikkeling en exploitatie van immateriële activa (intangibles) is essentieel om waarde te creëren in een gedigitaliseerde economie. Het B2C ecommercemodel bijvoorbeeld vergt heel wat investeringen in reclame, logistiek en klantenzorg. Digitale ondernemingen zijn uiteraard ook sterk afhankelijk van software. Ze investeren substantiële R&Dbedragen om hun bestaande software te upgraden of nieuwe te ontwikkelen. Het belang van immateriële investeringen in de investeringsmix van ondernemingen neemt dan ook sterk toe. Dat is het duidelijkst zichtbaar in de VS, het land waarvoor het meeste data beschikbaar zijn. In de voorbije veertig jaar verdubbelde het aandeel van de intangibles in de bruto toegevoegde waarde van ondernemingen. Het aandeel ‘tastbare investeringen’ nam daarentegen licht af.

R&D

MARKETING

Intangibles

Toename investeringen intangibles vertoont langetermijntendens Investeringsaandeel VS Aandeel in % bruto toegevoegde waarde ondernemingen 18% 15,2%

16% 14% 12,9% 12% 10%

10,6% 8%

8,4%

77

2.

www.pwc.com/gx/en/audit-services/publications/ assets/global-top-100-companies-2019.pdf Vermeldenswaardig is ook dat in deze top-10 acht Amerikaanse en twee Chinese ondernemingen voorkomen. De grootste Europese onderneming (Nestlé) bekleedt slechts de dertiende positie.

19

19

1.

79 19 81 19 83 19 85 19 87 19 89 19 91 19 93 19 95 19 97 19 99 20 01 20 03 20 05 20 07 20 09 20 11 20 13 20 15 20 17

6%

Aandeel intangibles

Aandeel tangibles

Bron: Intan-invest Definitie intangibles: software, R&D, minerale exploratierechten, copyright, industrieel design, merkrechten, training, organisatiekapitaal, productontwikkeling in finance en verzekeringen

JANUARI 2020 VOKA PAPER 7


‘INTANGIBLE CAPITAL’: KAPITAAL VAN DE 21E EEUW

Groei bedrijfsinvesteringen in België in belangrijke mate via extra investeringen in intellectuele eigendom Evolutie componenten bedrijfsinvesteringen in % bbp 1995 = 100 220 200

Toegenomen mobiliteit van ondernemingsfuncties. Betere telecomverbindingen, in formatiemanagementsof tware en computerrekenkracht maken bedrijfsrelevante informatie en communicatie in real time mogelijk. Complexe coördinatietaken lukken daardoor gemakkelijker, zelfs vanop grote afstand.

“De digitale technologie biedt ondernemingen een grotere flexibiliteit in hun vestigingsbeleid.”

180 160 140 120 100

Niet-residentiële gebouwen en overige bouwwerken

Machines en IT-infrastructuur

vervoermiddelen, machines en IT-infrastructuur en intellectuele eigendommen Definitie Intellectuele eigendommen: O&O, computerprogramma’s en databanken en overige intellectuele eigendom

Ook in België neemt het belang van intellectuele rechten in de investeringsmix van ondernemingen sterk toe. Uit de Nationale Rekeningen3 blijkt dat het bbp-aandeel van de bedrijfsinvesteringen in O&O, computerprogramma’s en overige intellectuele eigendommen de voorbije 25 jaar in ons land verdubbelde van 2,3% naar 4,6%. Deze immateriële investeringen vormen veruit de belangrijkste verklaring voor de toegenomen bedrijfsinvesteringen sinds 1995. Ook bij ondernemingen in traditionele activiteiten is het belang van immateriële investeringen toegenomen. Fitnessgroepen bijvoorbeeld investeren nu ook meer in marketing, softwaretoepassingen en gestandaardiseerde groepslessen. Intangibles zijn zeer mobiel. Ze kunnen relatief gemakkelijk worden toegewezen aan een specifieke verbonden onderneming. Ook transfers van het ene naar het andere filiaal zijn eenvoudig te regelen. Het fiscaal-juridische eigendomsrecht van immateriële activa is soms gescheiden van de plaats waar ze tot stand kwamen.

8 VOKA PAPER JANUARI 2020

17

18

20

20

15

16

20

20

13

Vervoermiddelen

Definitie bedrijfsinvesteringen: Niet-residentiele gebouwen & overige bouwwerken,

14

20

Intellectuele eigendommen

Bron: berekeningen op basis van NBB

20

11

12

20

10

20

09

20

20

07

08

20

20

05

06

20

20

03

04

20

20

01

02

20

20

99

00

19

20

97

98

19

19

95 19

19

96

80

Groepsfilialen voeren hun functies uit binnen de contouren die de ‘group policy’ voorschrijft, met centrale monitoring. Het gevolg is dat ondernemingen gemakkelijker een globale, geïntegreerde bedrijfsvoering inplannen vanop een centrale locatie. Die hoeft zich bovendien niet noodzakelijk in de nabijheid van exploitatiezetel(s), van klanten of leveranciers te bevinden. Niet-productiefuncties worden eerder gecentraliseerd in een (regionaal) hoofdkantoor in plaats van opgedeeld per land zoals vroeger. Het productieproces daarentegen wordt vaak opgesplitst in verschillende productiestappen. Ze worden uitgevoerd in verschillende landen, vaak door een mix van eigen productie-eenheden en onafhankelijke outsourcers. De digitale technologie biedt ondernemingen zo een grotere flexibiliteit in hun vestigingsbeleid. 4 Dit gevolg van digitalisering versterkte ook het belang van wereldwijde fiscale planning.


VOKA.BE

In sterk gedigitaliseerde businessmodellen vormen data en gebruikersbijdragen belangrijke grondstoffen. De baten van data-analyse voor de onderneming nemen toe in functie van de hoeveelheid verzamelde informatie die kan gelinkt worden aan een specifieke gebruiker. Zonder data, netwerkeffecten en door de gebruikers gegenereerde

inhoud zouden sociale netwerken niet bestaan. Conclusie: In sterk gedigitaliseerde bedrijfsmodellen vindt de waardecreatie in belangrijke mate plaats via beschermd intellectueel eigendom en gebruikersdata.

Evolutie ICT-en telecomdiensten Het aandeel van de internationale handel in ICT- en telecomdiensten in de totale dienstenuitvoer van de OESO-landen verdubbelde quasi tussen 2000 en 2016: van 5,7% in 2000 tot 10,1% in 2016 (OESO,2017). Tien landen vertegenwoordigen liefst twee derde van die totale ICT-uitvoer. Ierland is met 14% van de totale ICT-wereldhandel de grootste exporteur, gevolg door India (11%). Ook het relatief kleine Nederland is met een aandeel van 7,6% een ongeveer even belangrijke exporteur van ICT-diensten als de VS. België kent een marktaandeel van iets meer dan 2%. De prominente aanwezigheid van enkele kleine, open economieën doet vermoeden dat het fiscale gunstklimaat een belangrijke vestigingsfactor is in de IT-dienstensector.

Belangrijke karakteristieken van gedigitaliseerde businessmodellen

1. GLOBALE SCHAAL ZONDER MASSA

• Verschillende stappen

2. AFHANKELIJK VAN INTANGIBLES

• Toenemende investeringen

in productieproces op

in immateriële activa

verschillende plaatsen

(vooral IP)

• Groter bereik klanten

• In eigendom of in lease

• Sterke lokale

• Intens gebruik ervan

aanwezigheid zonder significante fysieke

centraal in business model

3. DATA EN GEBRUIKERSPARTICIPATIE

• Netwerkeffecten maken performantere dataanalyse mogelijk • Grondstoffen sociale netwerken: data en actieve gebruikersparticipatie

aanwezigheid (schaal zonder massa)

3. 4.

Merk op dat de Nationale Rekeningen een beperkte definitie van immateriële activa hanteren. Zo worden investeringen in training er bijvoorbeeld niet in vervat. Andere factoren zoals het groeiend belang van de dienstencomponent in de economie en de vrijmaking van handels- en investeringsstromen versterkten deze globaliseringstendens. Er zijn wel limieten aan deze vestigingsflexibiliteit. Bijvoorbeeld de aanwezigheid van goedkope en betrouwbare energiebevoorrading (bijvoorbeeld voor investeringen in cloud-infrastructuur).

JANUARI 2020 VOKA PAPER 9


HERZIENING INTERNATIONAAL FISCAAL KADER

2. Herziening internationaal fiscaal kader Op welke manier tasten de eigenschappen van de nieuwe digitale businessmodellen de toepassing van de bestaande internationale fiscale spelregels aan? Dit hoofdstuk biedt antwoord op deze vraag. Eerst beschrijven we de hoofdlijnen van de huidige internationale fiscale spelregels. Daarna schetsen we hoe digitalisering dit rechtskader verder onder druk zet. Essentie van het internationaal fiscaal rechtskader

H

oe worden multinationale ondernemingen vandaag belast op basis van het bestaande internationale fiscale rechtskader? Het internationale fiscale rechtskader kijkt daartoe naar de ‘residentie van de onderneming’ en de ‘bron van het inkomen’. Net als bij een natuurlijk persoon/inwoner van België wordt een multinationale onderneming die hier haar hoofdkwartier (residentie) heeft, in principe in België belast op haar wereldwijd verdiend inkomen. Maar ook andere landen waar de Belgische onderneming een deel van haar inkomen verdient (bronlanden) zullen een deel van dat inkomen willen belasten. Het gevolg is een verhoogd risico op dubbele belastingheffing. Vandaar dat er meer dan 10.000 bilaterale belastingverdragen bestaan tussen landen die deze dubbele belastingheffing moeten vermijden. Daartoe kennen zij belastingrechten toe aan ofwel het land van residentie (het land waar de onderneming inwoner is ) ofwel het bronland (het land waar ondernemingsactiviteit plaatsvindt). 10 VOKA PAPER JANUARI 2020

“Er bestaan meer dan 10.000 bilaterale belastingverdragen tussen landen om dubbele belastingheffingen te vermijden.” De bestaande verdeling van fiscale heffingsrechten tussen bronland en land van residentie dateert van de jaren 20 in de vorige eeuw. In de toenmalige Volkerenbond – de voorloper van de Verenigde Naties – bereikten de leden toen het compromis dat het bronland heffingsrecht kreeg op het actieve inkomen (bijvoorbeeld de winst), terwijl het land van residentie passieve inkomsten – zoals dividenden, royalties en interesten – mag belasten. Er werden ook afspraken gemaakt over de waardering van transacties tussen groepsentiteiten binnen de multinationale onderneming. Die worden zo marktconform mogelijk gewaardeerd, alsof ze zouden plaatsvinden tussen onafhankelijke


VOKA.BE

ondernemingen. Het is een belangrijk afsprakenkader. Multinationale ondernemingen kunnen immers vrij gemakkelijk dochtervennootschappen en vaste inrichtingen oprichten waar ook ter wereld. Ze kunnen ook het aantal en de aard van de transacties tussen deze inrichtingen bepalen.

winst in het land waar de productie-eenheid gevestigd is. Veronderstel echter dat deze dochtervennootschap in het land met een productieeenheid een royalty betaalt voor het gebruik van intellectueel eigendomsrecht aan de dochtervennootschap in het land waar de immateriële activa zich bevinden. Het resultaat van deze betaling is dat een deel van de winst van het land met de productie-eenheid verschuift naar het land waar de immateriële activa zijn ondergebracht: de royalty-vergoeding is immers fiscaal aftrekbaar in het land met de productie-eenheid en belastbaar in het land waar de immateriële activa zijn gelokaliseerd. In theorie kan de multinationale onderneming deze winstverschuiving in principe verhogen via een hogere royalty-betaling van het land met de productie-eenheid aan het land waar de immateriële activa zijn ondergebracht.

We illustreren de fiscale planning in een multinationale onderneming aan de hand van een fictief voorbeeld. De focus op een fictief, vereenvoudigend voorbeeld laat toe de voor deze paper relevante aspecten van de fiscale planning te beklemtonen. De multinationale onderneming in ons voorbeeld heeft verschillende activiteiten in vier landen: 1. Waar het hoofdkwartier en de moedervennootschap zich bevindt. 2. Waar ze een productiefiliaal heeft. 3. Waar ze immateriële activa heeft gelokaliseerd. 4. Waar ze haar producten verkoopt aan consumenten en haar marketingteam heeft.

Om artificiële winstverschuivingen tussen vennootschappen van een multinationale onderneming tegen te gaan werkte de OESO ‘winstverrekeningsregels’ (transferpricing-regels) uit. Deze regels leggen ondernemingen op hun intragroepsverrichtingen te beprijzen alsof ze zouden plaatsvinden tussen onafhankelijke partijen. Marktconform dus. Deze transferpricing-regels zijn echter zeer complex. De oplossing die ze bieden voor het probleem van winstverschuivingen geeft soms geen voldoening. Bijvoorbeeld in het geval van de waardering van het intellectuele eigendomsrecht. Het intellectueel eigendom is per definitie uniek. Het handelsmerk van Apple is niet vergelijkbaar met dat van andere ondernemingen. Er bestaan dan ook geen vergelijkbare aanknopingspunten (comparables) om deze transacties marktconform te waarderen.

Onze multinationale onderneming zal in principe vennootschapsbelasting verschuldigd zijn in het land met haar hoofdkwartier, in het land met de productie-eenheid, in het land waar de immateriële activa zijn gelokaliseerd en tot slot in het land waar de consumenten zitten.1 Die vestigingen zijn immers aparte dochtervennootschappen of – in het land van consumptie – een vaste inrichting van de multinationale ondernemingen. Ze worden in het betrokken land belast op de aldaar gerealiseerde winst. 1. Winsttoewijzing aan land met productiefiliaal en land met immateriële activa

2. Winsttoewijzing aan marktland (land van consumptie)

De productievennootschap betaalt dus in beginsel vennootschapsbelasting op de gerealiseerde

De mate waarin winsten worden toegewezen aan het land van consumptie – het marktland – hangt af van de fysieke aanwezigheid van het

Fictieve organisatiestructuur van een multinationale onderneming

1.

Moedervennootschap

Dividend

Dividend

Royalty

Dochtervennootschap

Verkoop

Dochtervennootschap

Vaste inrichting

We gaan er hierbij vanuit dat er een vaste inrichting – en dus een significante reële economische aanwezigheid – is in het land van consumptie. Een vaste inrichting vergt de naleving van bepaalde fysieke minimale drempelwaarden. Die objectieve criteria zijn de reflectie van economische aanwezigheid in een land. Zonder dat wordt verondersteld dat de onderneming onvoldoende economisch geïntegreerd is in dat land om er winstbelasting te verantwoorden. In tegenstelling tot een dochtervennootschap heeft een vaste inrichting geen aparte rechtspersoonlijkheid. Bij rechtstreekse verkoop vanuit een ander land is geen vennootschapsbelasting verschuldigd in het land van verkoop. De winst uit die verkopen wordt dan in principe belast in het land van waaruit de rechtstreekse verkopen plaatsvinden.

JANUARI 2020 VOKA PAPER 11


HERZIENING INTERNATIONAAL FISCAAL KADER

bedrijf in dat land. Indien die vennootschap in dat laatste land voldoende fysieke aanwezigheid etaleert is er sprake van een vaste inrichting. Veronderstel in ons fictief voorbeeld dat dit het geval is voor het marketingteam dat opereert in het land waar de consumenten wonen. In dat geval zal een deel van de winst van de productievennootschap in het land met de productieentiteit vanuit fiscaal oogpunt toekomen aan het land waar de consumenten wonen. Dit laatste land belast dit deel van de winst dan in hoofde van de vaste inrichting. Belastingheffing in het marktland is dus afhankelijk van de manier waarop de dochtervennootschap in het land waar de productieeenheid is gevestigd, haar operationele werking in het land waar de consumenten wonen, vorm geeft. Opnieuw vergde de uitwerking van dit principe complexe regels. Ditmaal om een vaste inrichting te definiëren en om er winst aan toe te wijzen.

“Digitalisering heeft de problemen met de huidige internationale fiscale regels niet veroorzaakt, maar ze wel versterkt.” 3. Winsttoewijzing aan moedervennootschap De dochtervennootschappen kennen een dividend toe aan de moedervennootschap in het land van het hoofdkwartier. Hier stelt zich een groot risico op dubbele belasting: de gerealiseerde winst is immers al eens belast in de landen van de dochtervennootschappen en in het land van de vaste inrichting. Vandaar dat het land van het hoofdkwartier van de multinationale onderneming voorziet in een vorm van belastingkrediet of -vrijstelling voor reeds afgedragen vennootschapsbelasting in andere landen. België voorziet bijvoorbeeld een vrijstelling voor het Definitieve Belaste Inkomen (de DBI-aftrek). Dit voorbeeld is niet specifiek voor sterk gedigitaliseerde ondernemingen. Digitalisering heeft de problemen met de huidige internationale fiscale regels dus niet veroorzaakt, maar ze wel versterkt. In welke mate bespreken we in het volgende deel van dit hoofdstuk. 12 VOKA PAPER JANUARI 2020

Impact van digitalisering op de internationale fiscaliteit De toenemende digitalisering van onze economie zet de internationale fiscale regels bijkomend onder druk. Dat wordt op drie manieren zichtbaar. 1. Belastbare winsten worden verdeeld tussen meer landen dan voorheen. Een belangrijke vaststelling uit het eerste hoofdstuk was dat digitalisering de internationalisatie van zowat alle aspecten van de bedrijfsvoering vergemakkelijkt. Digitalisering maakt het inderdaad veel gemakkelijker voor aandeelhouders, activiteiten en klanten om zich wereldwijd te vestigen. Dit is het meest zichtbaar in een volledig digitale omgeving. Een app bijvoorbeeld wordt geproduceerd en getest in een samenwerkingsverband tussen verschillende programmeurs, allemaal inwoners van verschillende landen. Die wereldwijde spreiding van ondernemingsactiviteiten vergt dan ook een coherente opsplitsing van de belastbare winst over deze landen. 2. Winsten kunnen gemakkelijker verschoven worden naar landen met een relatief lage belastingdruk. De immaterialisering van de economie heeft het gemakkelijker gemaakt om allerlei betalingen te verrichten aan dochtervennootschappen in relatief laag belaste landen. Dat kunnen royalties zijn voor intellectueel eigendom (zoals in ons voorbeeld), maar ook interesten op leningen of andere betalingen. Al die betalingen produceren kostenaftrekken in landen met een relatief hoge belastingdruk. Het BEPS-project van de OESO (2015) heeft deze problematiek wel al aangepakt. 3. Een multinationale onderneming kan haar producten/diensten door die immaterialisering van de economie ook gemakkelijker verkopen aan consumenten in verschillende landen en dit met minimale (of zelfs zonder) fysieke aanwezigheid. Dit is uiteraard duidelijk voor rechtstreekse internationale verkopen van zuiver digitale producten zoals e-boeken. De digitalisering verschaft multinationale ondernemingen meer vrijheidsgraden in de locatiekeuze van hun marketingteams. Moderne communicatietools laten immers toe om alle advertentieopties – inclusief via sociale media – te laten beheren door personeel uit een ander land dan dat waar de consument woont. Bijvoorbeeld vanuit het productieland. Er is dan geen vaste inrichting meer in het land waar de consument woont. Die tendens leidt er


VOKA.BE

op zijn beurt weer toe dat marktlanden het moeilijker krijgen om een deel van de ondernemingswinst te belasten. De noodzakelijke minimale fysieke aanwezigheid – noodzakelijk voor een vaste inrichting – ontbreekt immers. De in het vorige hoofdstuk besproken digitaliserings- en internationaliseringstendens stelt overheden dus ook voor fundamentele vragen met betrekking tot de taxatie van vennootschapswinsten. •

Het onderscheid tussen land van residentie en bronland staat sterk onder druk. De reden is dat een onderneming resident kan zijn van een land zonder er echt economisch actief te zijn. In sommige landen is het voldoende dat de onderneming er conform de plaatselijke vennootschapsregelgeving opgericht wordt. Een zuiver formeel juridisch criterium dus dat in een sterk geïntegreerde wereld steeds meer afwijkt van de economische realiteit. Vandaar de vraag van de G20 in 2013 om een economisch aanknopingscriterium te vinden dat beter aansluit bij de plaats waar effectief waarde wordt gecreëerd. 2

Effectief tarief vennootschapsbelasting digitale bedrijfsmodellen substantieel lager dan bij traditionele bedrijfsmodellen Gemiddeld effectief tarief vennootschapsbelasting digitaal versus traditioneel bedrijfsmodel in 2018, in %

Effectief gemiddeld tarief vennootschapsbelasting traditioneel bedrijfsmodel

19,8% 24,8%

8,9%

Effectief gemiddeld tarief vennootschapsbelasting digitaal bedrijfsmodel

12,6% 0%

5% 10% 15% 20% 25% 30%

Gemiddelde 33 landen

België

Methodologie: op basis van gemiddelde van binnenlandse en grensoverschrijdende (B2C en B2B) digitale bedrijfsmodellen. Bron: PwC & ZEW (2018), Digital Tax Index. Executive Summary en Effective tax Levels Using the Devereux/Griffith Methodology, 2018

Het bestaande kader voldoet niet meer in een digitaal tijdperk omdat de creatie van welvaart in digitale bedrijfsmodellen in toenemende mate afhankelijk is van data, gebruikers en immateriële activa. Het bestaande fiscale rechtskader verdeelt de winsten van digitaliserende ondernemingen tussen landen in essentie op basis van fysieke aanwezigheid. Door te kijken naar de plaats waar de server staat, de locatie van de intellectuele eigendommen, … Het aanvoelen bestaat dat men zo in sterk gedigitaliseerde businessmodellen een belangrijke productiefactor uit het oog verliest: de gebruiker. Het verklaart ook de zoektocht naar een herdefiniëring van het concept ‘vaste inrichting’. Weg van enkel fysieke aanknopingspunten, in de richting van een ‘significante digitale aanwezigheid’ of ‘reële economische activiteit’.

Er zijn heel wat moeilijkheden om de omvang van het aan de verschillende landen

2.

De studie bestudeert meer in het bijzonder voor 33 landen de gemiddelde effectieve belastingvoet voor investeringen in specifieke activa die een bepaald soort inkomen opleveren. De studie kan dus niet aangewend worden om de fiscale druk te berekenen en te vergelijken tussen `digitale’ en `traditionele’ ondernemingen. Uit deze studie kan dus niet afgeleid worden dat de digitale sector in zijn geheel te weinig belastingen betaalt.

toe te wijzen inkomen te bepalen. Traditioneel kijkt men voor de allocatie van groepswinsten tussen verschillende landen naar drie elementen: het soort van ‘ondernemingsfunctie’ (bijvoorbeeld distributie of productie), de verdeling van de ondernemingsrisico’s tussen de verschillende entiteiten van de multinationale onderneming en de aangewende activa. Gedurende vele jaren werkte dat systeem vrij goed. Het toenemend belang van immateriële activa heeft deze winstverdelingsregels echter onder druk gezet. Daar komt bij dat ondernemingen met een digitaal bedrijfsmodel vaak meer gebruik kunnen maken van belasting-incentives, zoals versnelde afschrijvingsregimes en R&D-belastingkredieten. Traditionele ‘brick-and-mortar’-ondernemingen kunnen er minder gebruik van maken. Een benchmark uit 2018 van PWC en ZEW kwam tot de conclusie dat het gemiddelde effectieve belastingtarief bij digitale bedrijfsmodellen 8,9% bedroeg. Dat is ongeveer 11%-punt minder dan het gemiddelde effectieve tarief in traditionele bedrijfsmodellen.2 Het volgende hoofdstuk bespreekt oplossingsrichtingen die momenteel voorwerp van discussie uitmaken.

JANUARI 2020 VOKA PAPER 13


OPLOSSINGEN IN DE MAAK

3. Oplossingen in de maak Het terugdringen van belastingvermijding en winstverschuiving tussen landen vormt al enkele jaren de belangrijkste uitdaging voor het internationale fiscale rechtskader. De G20 en de OESO lanceerden hiertoe in 2013 een gezamenlijk initiatief: het ‘Base Erosion and Profit Shifting’-project (BEPS). Dit project resulteerde in 2015 in een vijftiental uitgebreide rapporten en enkele gevalideerde acties. Ondertussen gaat er ook steeds meer aandacht naar voorstellen voor de gedeeltelijke reallocatie van fiscale heffingsrechten tussen landen onderling.

H

et BEPS-project heeft tot doel enkele van de belangrijkste internationale fiscale planningsroutes te elimineren of in te perken. De algemene analyse beklemtoont de nood aan “een betere afstemming tussen de belastingheffing en relevante substantie om zo de beoogde baten van de internationale afspraken effectief te kunnen realiseren”. Een aantal BEPS-acties hanteren equivalente begrippen als ‘economische activiteit’, ‘substantiële activiteit’ of ‘waardecreatie’.

Geen of lage belastingheffing is volgens de OESO op zich niet het probleem. Wel fiscale planning die het belastbaar inkomen artificieel scheidt van de activiteiten die het inkomen genereren.1 De acties bevatten concrete maatregelen om de belastingheffing beter te doen aansluiten bij de economische activiteit. Zo mogen landen de door verhandeling van intellectuele eigendomsrechten gegenereerde winst fiscaal gunstig behandelen, maar enkel in de mate dat de intellectuele eigendom ook in het land zelf tot stand kwam.2 Naar verwachting verdwijnen na implementatie in nationale regelgeving van deze BEPS-acties de belangrijkste winstverschuivingsoperaties. De initiële BEPS-rapporten leidden echter niet tot een fundamentele bezinning over de allocatie van fiscale heffingsrechten tussen landen onderling. Het besef groeide de voorbije jaren wel dat

1.

2.

14 VOKA PAPER JANUARI 2020

Het BEPS-project is hoofdzakelijk gericht op de eliminatie van fiscale schema’s waarbij de interactie tussen verschillende nationale fiscale regels leidt tot een dubbele non-taxatie of een zeer beperkte belastingheffing (base erosion). Het richt zijn pijlen ook op fiscale schema’s die dezelfde lage belastingheffing realiseren door winsten te verhuizen, weg van de landen waar de winstgenererende activiteiten plaatsvinden (profit shifting). BEPS, actie 5.


VOKA.BE

de uitwerking van voorstellen daartoe in een sterk digitale context aan de orde is. Het risico van digitaksen Het uitblijven van een fundamentele herziening van het internationaal fiscaal rechtskader in een sterk digitaliserende maatschappij heeft er een aantal landen toe aangezet op eigen houtje actie te ondernemen. Enkele voorbeelden: • India voerde in 2016 een ‘egalisatiebijdrage’ in op online advertenties.3 • Het VK voerde dan weer in 2015 een ‘Diverted Profit Tax’ in. 4 Deze nationale heffingen zijn niet exclusief gericht op sterk gedigitaliseerde ondernemingen, maar de bedoeling is wel zeker die ondernemingen te belasten. • O mdat de EU-lidstaten geen consensus konden bereiken over een Europese Digitale Dienstenbelasting voerde Frankrijk in juli jongstleden een eigen variant in. De toepassing van de taks blijft beperkt tot grote ondernemingen. Daaronder verstaat men ondernemingen met een wereldwijde omzet van 750 miljoen euro of meer en een gerealiseerde winst – in Frankrijk – van 25 miljoen euro of meer. Zij zijn dan 3% op hun bruto-inkomen uit digitale diensten verschuldigd. E-commerceplatformen vallen binnen de scope van deze belasting. Een aantal producten en diensten zijn vrijgesteld.

“Er dreigt een ongecoördineerde wildgroei van nationale digitaksen te ontstaan.” Zonder gemeenschappelijke benadering van de problematiek zullen ook heel wat andere landen wellicht op korte termijn gelijkaardige nationale digitaksen invoeren. Een recent overzicht van KPMG leert dat dertien landen al een nationale digitaks kennen5 (de landen in donkeroranje in de figuur). Ongeveer even veel landen overwegen de invoering ervan. Het vorige hoofdstuk kwam tot de conclusie dat bepaalde internationale fiscale regels in een sterk gedigitaliseerde context aan herziening toe zijn. De dreiging van een ongecoördineerde wildgroei van nationale digitaksen voert ons nog verder van een goede langetermijnoplossing. Vandaar dat de OESO in 2017 in overleg met – ondertussen – 137 landen waaronder België het zogenaamde BEPS-project 2.0 opstartte. Die multilaterale aanpak zou moeten vermijden dat ondernemingen geconfronteerd worden met al die verschillende nationale digitaksen. 3.

Het betreft een taks van 6% op betalingen voor online-advertenties aan buitenlandse ondernemingen zonder vaste inrichting in India (KPMG,2019). De heffing is verschuldigd indien de totale advertentiebetalingen een bepaald bedrag overschrijden. 4. KPMG (2015) Diverted ProfitTax | Navigating your way https://assets.kpmg/content/dam/kpmg/ pdf/2015/09/diverted-profits-tax-navigating-your-way.pdf. Deze belasting wordt onder meer geheven op buitenlandse ondernemingen die een vaste inrichting in het VK ontlopen en er zo geen vennootschapsbelasting verschuldigd zijn, terwijl ze er wel economische activiteiten verrichten. De taks bedraagt 25% op de aan de vaste inrichting toe te schrijven winst. 5. KPMG (2019), Taxation of the digitalized economy. Developments Summary: https://tax.kpmg. us/content/dam/tax/en/pdfs/2019/digitalized-economy-taxation-develo ments-summary.pdf

Status nationale digitaksen, medio 2019

Publieke aankondiging verworpen

Ontwerpregelgeving/Publieke consultatie

Wetgeving aanvaard

Publieke aankondiging/Intentie om te implementeren

Publieke aankondiging verworpen

Ontwerpregelgeving/Publieke consultatie

Wetgeving aanvaard

Publieke aankondiging/Intentie om te implementeren

Bron: KPMG

Wacht op globale oplossing

Wacht op globale oplossing

JANUARI 2020 VOKA PAPER 15


OPLOSSINGEN IN DE MAAK

De multilaterale aanpak van de OESO

Pijler 1: herverdeling heffingsrechten

Het voorstel van het OESO-secretariaat bestaat uit twee pijlers die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn.

De bedoeling van pijler 1 bestaat erin voor bepaalde gevallen een nieuw heffingsrecht te geven aan een land waar een onderneming fysiek niet aanwezig is, maar wel verkopen realiseert. Daartoe stelt het OESO-voorstel een nieuw aanknopingspunt voor in functie van de verkopen in een marktjurisdictie. Voorts tracht men verrekenprijsregels in bepaalde gevallen te herzien en geschillen te voorkomen en te beslechten.

De eerste pijler voorziet in nieuwe regelgeving die ook moet toelaten winsten te belasten die ondernemingen zonder fysieke aanwezigheid realiseren. Pijler 1 creëert op zichzelf geen bijkomende belastbare grondslag. Hij herverdeelt de bestaande belastbare grondslag wel gedeeltelijk tussen landen, met als doel de fiscale opbrengsten van een multinationale onderneming in een land beter te laten aansluiten bij de reële economische activiteit van dat bedrijf aldaar. Op groepsniveau kan de effectieve belastingvoet daardoor wel stijgen. De tweede pijler voorziet daarbovenop in een ‘globale benadering’ om grondslaguitholling tegen te gaan (het GLoBE-voorstel). Dit zou zich vertalen in een minimale effectieve belastingheffing op de wereldwijde activiteiten van nader te bepalen multinationale ondernemingen. Het vormt een vangnet voor multinationale onderneming die ondanks pijler 1 een te lage belastingdruk zouden kennen. 16 VOKA PAPER JANUARI 2020

De zogenaamde ‘Eengemaakte benadering’ deelt de bestaande winst van de multinationale groep op in drie bedragen: A, B en C. •

Bedrag A is een ‘veronderstelde restwinst’ die gedeeltelijk en pro rata zou worden toegewezen aan landen waar een minimale verkoop plaats vindt. Ook indien geen vaste inrichting aanwezig is. Het is een nieuw heffingsrecht voor deze landen dat uitzonderlijke winsten moet vergoeden die in die landen worden gerealiseerd. De omvang van dit nieuwe heffingsrecht moet nog worden vastgesteld.


VOKA.BE

Bedrag B heeft tot doel om te complexe verrekenprijsregels te vereenvoudigen in het geval van de routine-activiteiten distributie en marketing. Vandaag krijgt de verlener van deze diensten vaak een vergoeding die gelijk is aan de door hem gemaakte en te bewijzen kosten, verhoogd met (vaak) een opslag van 8%. Dit leidt tot heel wat discussies. De intentie bestaat erin de huidige transferpricing-regels op dit punt te herzien en deze vergoeding vast te klikken (bijvoorbeeld tot kost plus 10%).6 Gedifferentieerd volgens sector en/of regio. In een sector waar de groepswinstgevendheid doorgaans hoog is, zal bedrag B wellicht dus ook wat hoger zijn. Bedrag C ten slotte blijft afgeleid via toepassing van de bestaande verrekenprijsregels. Dit deel komt toe aan een land dat meer winst genereert dan de routine-activiteiten voor marketing en distributie. Maar voor wat hoort wat. Een land dat aanspraak maakt op bedrag C – en dus meer wil belasten – moet ook adequate geschillenvoorkomende en geschillenbeslechtende procedures aanvaarden7: bindende arbitrage dus.

De doelgroep van deze aangepaste winstverdeling zijn grote multinationale ondernemingen gericht op de consument. Deze regeling zou dus niet gelden voor een Belgische vennootschap met een klein filiaal in Frankrijk. De beoogde doelgroep is wel ruimer dan de ondernemingen met een sterk gedigitaliseerd businessmodel. Wellicht zal de geconsolideerde groepsomzet als dimensieparameter worden gehanteerd. Een exact grensbedrag is nog niet vastgesteld. Om de coherentie met andere regelgeving te vrijwaren wordt gedacht aan een grensbedrag van 750 miljoen euro. 8 Het is ook nog niet duidelijk of een grensbedrag wordt vastgesteld op groepsniveau of op het niveau van de afzonderlijke business units. Een open vraag blijft ook hoe ruim men ‘op de consument gerichte ondernemingen’ precies zal definiëren. Sectoren die ver af staan van de consument, zoals ‘ontginning en verhandeling van grondstoffen’, bevinden zich out of scope. Dat zou mogelijk ook gelden voor de financiële dienstensector. Het nieuwe aanknopingspunt (nexus) dat een

heffingsrecht verleent op een deel van bedrag A zou niet langer gebaseerd zijn op de fysieke aanwezigheid in een land, maar op de gerealiseerde verkopen en plus-factoren zoals het aantal gebruikers.9 Per land zou een minimaal bedrag aan verkopen moeten gerealiseerd worden. Dat bedrag zou variëren in functie van de omvang van het land: in grotere landen zou deze minimumdrempel hoger liggen dan in kleinere landen.10 Landen waar de multinationale onderneming eenmalige verkopen realiseert, zullen geen heffingsrecht bekomen op een deel van bedrag A. De multinationale onderneming zou dit

6.

Gedifferentieerd volgens sector en/of regio. In een sector waar de groepswinstgevendheid doorgaans hoog is zal bedrag B wellicht dus ook wat hoger zijn. 7. Deze procedures zullen overigens niet alleen betrekking hebben op bedrag C, maar ook op de bepaling van bedragen A en B. 8. De OESO-lidstaten hebben er zich enkele jaren geleden toe verbonden om automatisch gestandaardiseerde financiële bedrijfsgegevens met elkaar te delen: de Common Reporting Standard (CRS). Bedoeling is om fiscale transparantie te bevorderen. Enkel voor ondernemingen met een geconsolideerde omzet van minstens 750 miljoen euro geldt deze gegevensuitwisseling. 9. In het Werkprogramma van de OESO (voorjaar 2019) zijn deze plus-factoren vermeld. Vandaar dat ze onderdeel uitmaken van bespreking. Het enthousiasme ervoor lijkt echter niet groot te zijn, omdat ze de complexiteit van de regeling nog zouden verhogen. 10. Er wordt bijvoorbeeld gedacht aan een bepaald percentage van het bbp.

JANUARI 2020 VOKA PAPER 17


OPLOSSINGEN IN DE MAAK

verkoopsvolume eerst enkele opeenvolgende jaren moeten realiseren alvorens het heffingsrecht zou ontstaan.11 Het is nu ook nog niet duidelijk wie dit drempelbedrag kan bepalen: de OESO of de landen zelf. Over de (eventuele) toerekening van verliezen aan landen die genieten van het nieuwe heffingsrecht, bestaat ook nog veel discussie. Bij een herallocatie van een deel van de groepswinst, stelt zich uiteraard ook de vraag naar een mogelijke equivalente herverdeling van een deel van het groepsverlies. Pijler 2: minimale effectieve belastingheffing Via pijler 2 ambieert het OESO-secretariaat een minimale effectieve belasting per onderneming. Het voorstel bestaat erin dat een onderneming steeds op groepsniveau, op landenniveau of op entiteitsniveau een minimaal belastingpercentage verschuldigd zou zijn. De filosofie van pijler 2 is relatief eenvoudig. Een onderneming (de moedervennootschap of een tussenholding) wordt op winst belast die elders te laag belast is. Het staat al vast dat men het mimimaal effectief belastingtarief wil uitdrukken als een vast percentage. Dat impliceert dat het minimumtarief dus niet zou uitgedrukt worden in relatieve termen (als een percentage van het gemiddelde tarief). De omvang van het minimale effectieve tarief is echter nog niet bekend. Duidelijkheid daarover zal er wellicht pas op het einde van het besluitvormingsproces komen. De concretisering van deze filosofie gebeurt via vier mogelijke technieken. Die beogen bijvoorbeeld de toevoeging van een te laag belast inkomen in een buitenlandse groepsvennootschap aan de belastbare grondslag van een bovenliggende groepsvennootschap in een ander land. Of de weigering als kostenaftrek van een betaling aan een buitenlandse groepsvennootschap indien het inkomen aldaar te laag belast wordt. De bepaling van de juiste volgorde van deze technieken moet nog vastgelegd worden.

menten. Mits consensus hierover zou het vervolgens de bedoeling zijn dit voorstel technisch uit te werken en te valideren tegen het begin van het zomerreces dit jaar. Indien dat tijdsschema aangehouden kan worden zou de G20-top van november 2020 het akkoord officieel bekrachtigen. Vervolgens zou dan een regelgevend implementatietraject volgen, waarbij het essentieel is dat alle landen gelijk oversteken.

G-20 tracht eind dit jaar te landen

JANUARI 2020 Uitwerking grote contouren/consensus

JULI 2020 Technische uitwerking/consensus

NOVEMBER 2020 Validering G20

VOLGENDE JAREN Implementatie traject

Verdere procedure Of dit voorstel op hoofdlijnen van het OESOsecretariaat zal uitmonden in een consensus tussen de 137 betrokken landen, is bij het ter perse gaan van deze tekst nog zeer onduidelijk. De grote contouren van het voorstel (zowel pijler 1 als pijler 2) zouden tegen eind januari 2020 verder uitgewerkt worden, rekening houdend met inzichten uit twee publieke consultatiemo18 VOKA PAPER JANUARI 2020

11. Een mogelijkheid zou kunnen zijn dat de multinationale onderneming gedurende drie jaren voorafgaand aan het belastbaar tijdperk in een bepaald land een bepaalde minimale verkoopsomvang moet realiseren.


VOKA.BE

4. Evaluatie Het huidige internationale fiscale kader is onvoldoende in staat om de winsten van ondernemingen met een sterke digitale voetafdruk op een faire wijze te belasten. Binnen de OESO trachten 137 landen dit probleem gezamenlijk aan te pakken door de ontwikkeling van een vernieuwde fiscale architectuur. Die zou de grondslag vormen voor de taxatie van multinationale ondernemingen gericht op consumenten. De uitdaging is zeer groot. De belangen voor ondernemingen en overheden ook.

D

e G20-leiders hebben deze 137 landen onder sterke tijdsdruk gezet. Reeds tegen het einde van 2020 willen ze deze nieuwe blauwdruk valideren. Dat is snel. Het riskeert dan ook te leiden tot overhaaste beslissingen. Ondernemingen en overheden hebben nood aan voorspelbare, toepasbare en afdwingbare internationale regels. Regels die ook in overeenstemming zijn met het bestaande Europese rechtskader.1 Zoniet dreigen inbreukprocedures en kan de moeizame zoektocht naar een globale consensus opnieuw beginnen.

Een gedeeltelijke herziening van de winstverdeling van multinationale ondernemingen met een digitaal bedrijfsmodel – met een grotere focus op de gebruikerszijde – is legitiem in de mate dat die gebruikers zelf ook een belangrijke productiefactor zijn in het bedrijfsmodel. Dus in het geval van gedigitaliseerde activiteiten met geen of slechts een zeer beperkte fysieke aanwezigheid in de marktlanden. Gebruikers zijn – in tegenstelling tot immateriële activa – bovendien niet mobiel, wat de efficiëntie van de belastingheffing ondersteunt. Daar komt bij JANUARI 2020 VOKA PAPER 19


FISCAAL DIGITAAL EVALUATIE

dat gebruikers van een digitaal platform daar veelal gratis gebruik van maken. De gedeeltelijke verdeling van de winst in functie van de verkopen zal het gedrag van die gebruikers dus niet beïnvloeden.2 Op basis van de huidige stand van zaken in het OESO-proces zijn we echter nog niet in veilig vaarwater beland. Men moet inspelen op de volgende risico’s en aandachtspunten: We vrezen dat het voorstel van het OESO-secretariaat veel complexiteit introduceert. De bedoeling van het voorstel bestaat er in winsten

“Ondernemingen en overheden hebben nood aan voorspelbare, toepasbare en afdwingbare internationale regels.”

van een multinationale onderneming die zich richt op de eindconsument te herverdelen, zodat elke onderneming haar fair share betaalt in die landen waar zij actief is. De herallocatie zelf (pijler 1) blijft zoals het er op het eerste gezicht naar uitziet beperkt. Daar staan echter aanzienlijke bijkomende compliance-verrichtingen voor grote ondernemingen tegenover. Zelfs indien ze relatief weinig grensoverschrijdende transacties verrichten. Ook de impact van pijler 1 op de economische structuur kan aanzienlijk zijn: bepaalde bedrijfsmodellen kunnen mogelijk minder interessant worden. De aangekondigde impactstudie moet daar ook aandacht aan besteden. Het voorstel om een deel van de geconsolideerde groepswinst toe te wijzen aan ‘marktjurisdicties’ houdt ook het risico in van dubbeltellingen en dus dubbele taxatie. Bindende arbitrage zal dus van essentieel belang zijn, alsook een simultane implementatie in nationale regelgeving van het te bereiken akkoord. Het voorstel blijft op heel wat domeinen ook nog onduidelijk. Er blijft bijvoorbeeld nog heel wat discussiestof over de verrekening van bestaande vorige verliezen. Zo is het ook nog onduidelijk hoe verliezen zullen verrekend worden met de winsten die toe te rekenen zijn aan marktlanden. We vragen dat de winst- en verliesverdeling symmetrisch plaats vindt: het kan niet dat winsten gedeeltelijk worden gealloceerd aan marktlanden zonder fysieke aanwezigheid, maar verliezen niet.

1.

2. 3.

20 VOKA PAPER JANUARI 2020

De verenigbaarheid van pijler 2 met het Europees rechtskader en bestaande rechtspraak van het Europees Hof van Justitie is twijfelachtig (De Broe, 2019). Het Europees Hof heeft in het verleden verschillende keren geoordeeld dat lidstaten soeverein hun eigen belastbare grondslag en tarief moeten kunnen bepalen. De minimumbelasting staat daar haaks op. Het draait immers een fiscaal voordeel dat de ene lidstaat toekent mogelijk terug. Bijvoorbeeld door het te laag belaste inkomen ook op te nemen in de fiscale aangifte van de moedervennootschap in een andere lidstaat. Koethenbuerger (2019), Belastingheffing op digitale platforms. Uit de mededeling van de secretaris-generaal van de OESO aan de G20 op 9 oktober 2019 blijkt dat landen met gemiddeld lage en gemiddelde inkomens ten gevolge van pijler 1 extra belastingontvangsten zouden genereren. De OESO verwacht tevens dat landen waarvan het aandeel buitenlandse directe investeringen meer dan 150% van het bbp bedraagt, ten gevolge van pijler 1 belastinginkomsten zullen derven. Dat zijn onder meer Ierland, Zwitserland, Luxemburg en Nederland. België behoort daar niet toe.


VOKA.BE

Ook de juiste afbakening van ‘ondernemingen die zich richten op de eindconsument’ is nog onduidelijk. Er is nog niet bepaald in welke mate er connectie vereist is met de eindconsument alvorens de onderneming in de scope van het voorstel komt. Op basis van de beperkte toelichting in het OESO-voorstel valt zelfs niet uit te sluiten dat men niet enkel focust op B2C-activiteiten, maar ook op bepaalde B2B-activiteiten. Het is in de verdere uitwerking essentieel dat de doelgroep nauw blijft aanleunen bij de doelgroep van sterk gedigitaliseerde bedrijfsmodellen en dat een voldoende hoge minimale verkoopsdrempel wordt gehanteerd. Ook het GloBE-voorstel (pijler 2) bevat potentieel veel complexiteit. Bijvoorbeeld in de afstemming tussen het boekhoud- en fiscaal recht. Of in de toepassing van de verschillende mogelijke winstverrekeningsregels. Ook in de uitwerking van deze pijler moet de inperking van nalevingskosten voor de belastingplichtige voorop staan. Een uitzondering voor werkelijke economische activiteiten zou aansluiten bij de fundamentele ratio van het BEPS-actieplan: dat een multinationale onderneming winstbelasting betaalt in het land waar ze waarde creëert. In de filosofie van een minimale belasting op de wereldwijde winst van een multinationale on-

derneming verkiezen we een minimale taxatie op het niveau van de controlerende moedervennootschap (global blending) boven een toepassing ervan per jurisdictie of per entiteit. Multinationale ondernemingen opereren immers ook globaal. De meting van de fiscale druk gebeurt best uniform op basis van de boekhoudregels van toepassing in het land van de moedervennootschap. Multinationale ondernemingen hebben deze regels al toegepast voor hun boekhoudkundige rapportering en de belastingadministratie is ermee vertrouwd. De netto-impact van de voorgestelde pijlers op de belastingontvangsten is nog onduidelijk. De meting daarvan is niet evident zolang de technische parameters niet bekend zijn. De impact van pijler 1 is bijvoorbeeld afhankelijk van de definitie van ‘routinewinsten’. Hoe hoger de routinewinsten worden verondersteld, hoe lager uiteraard het deel van de non-routinewinsten. Het is dit laatste deel dat gedeeltelijk zou worden geheralloceerd naar marktlanden. De OESO verwacht in globo een aanzienlijke meeropbrengst van de combinatie van pijler 1 en 23 , dus netto zou de belastingdruk voor de geviseerde ondernemingen zeker stijgen. JANUARI 2020 VOKA PAPER 21


FISCAAL DIGITAAL EVALUATIE

te wordt gegeven aan publieke consultatie. Er sijpelt echter nog te weinig van door naar de parlementen van de leden van de OESO. Nochtans is de impact potentieel zeer groot. Nadat consensus bereikt wordt binnen de OESO, zal de Europese Commissie die immers vertalen in een richtlijn die elke lidstaat zal binden. De aangekondigde impactassessments waren voorzien voor eind 2019. De kwaliteit ervan in deze fase is onzeker. Of ze publiek worden gemaakt ook. We vragen dat een zo kwalitatief mogelijke impactmeting voor ons land transparant wordt gemaakt. Er ligt dus nog veel werk op de plank om tot een gedragen en doordacht multilateraal akkoord te komen. De nieuwe regels moeten voorspelbaar, toepasbaar en afdwingbaar zijn. Ze moeten ook compatibel zijn met het Europees recht en dubbele belasting vermijden. Zo niet zullen ze betwist worden en niet duurzaam blijken. Beleidsmakers mogen zich dus niet onder druk laten zetten om op korte termijn overhaaste beslissingen te nemen.

De verwachte becijferde budgettaire netto-impact van dit voorstel voor ons land is nog niet bekend. De eerste pijler zal ons land wellicht wat bijkomende belastingopbrengsten opleveren via de taxatie van digitale operatoren. Dit effect zal wellicht echter niet zo groot zijn, omdat we een kleine consumentenmarkt zijn. 4 We zijn echter ook de vestigingsplaats van enkele belangrijke multinationale ondernemingen die zeer exportgericht zijn. Een deel van die winst zal naar het buitenland verschuiven, met een belastingderving tot gevolg.5

“Er is slechts een akkoord indien er een consensus bereikt wordt onder 137 landen.” Het blijft ook nog een open vraag of de landen die vandaag al een digitale dienstenbelasting hebben, dit voorstel zullen goedkeuren en vervolgens hun bestaande digitale dienstenbelasting zullen afschaffen. Dit is nochtans essentieel. Over dit alles wordt ten gronde en intensief gedebatteerd binnen de OESO, waarbij ook ruim22 VOKA PAPER JANUARI 2020

“Een multilaterale uniforme oplossing valt veruit te verkiezen boven het alternatief van een verdere proliferatie van nationale digitale taksen.” Het na te streven doel is echter duidelijk. Een multilaterale uniforme oplossing valt veruit te verkiezen boven het alternatief van een verdere proliferatie van nationale digitale taksen. Zonder multilateraal akkoord valt dit laatste scenario niet te ontlopen. Het zou ernstige negatieve gevolgen hebben, zowel rechtstreeks als onrechtstreeks. Rechtstreeks door de toegenomen complexiteit en dubbele taxatie. Onrechtstreeks door te verwachten tegenmaatregelen en oplopende handelsspanningen.

4. 5.

De Broe. Copenhagen Economics (2019) gaat er op basis van een macrobenadering van uit dat kleine, innovatieve economieën ten gevolge van pijler 1 het meeste verlies kunnen leiden.


VOKA.BE

Geraadpleegde werken •

• • • • •

• • •

• • • 1. 2.

Carpetnieri et al. (2019), “Overhauling corporate taxation in the digital economy”, CEPS Policy Insights. https://www.ceps.eu/ wp-content/uploads/2019/10/PI2019_15_Overhauling-corporate-taxation-in-the-digitaleconomy.pdf. CEPS (2019), Taxing the Digital Economy, Time for Pragmatism ; https://www.ceps.eu/ taxing-the-digital-economy/ Copenhagen economics (2019), Future taxation of company profits: What to do with intangibles? https://www.copenhageneconomics.com/ publications/publication/future-taxation-ofcompany-profits-what-to-do-with-intangibles De Broe (2019), OECD’s Global Anti-Base Erosion Proposal – Pillar Two Raises Fundamental Concerns of Compatibility with EU Law Devereux, M. P., & Vella, J. (2017), Implications of Digitalization for International Corporate Tax Reform, WP 17/07, Oxford Centre for Business Taxation, available online: http://eureka. sbs.ox.ac.uk/6809/1/WP1707.pdf Dondena, IHS et al (2017), Literature review on taxation, entrepreneurship and collaborative economy European Commission (2017), A Fair and Efficient Tax System in the European Union for the Digital Single Market. European Commission (2018), Fair Taxation of the Digital Economy https://ec.europa.eu/ taxation_customs/business/company-tax/ fair-taxation-digital-economy_en European Commission (2018), Proposal for a Council Directive on the common system of a digital services tax on revenues resulting from the provision of certain digital services, COM(2018) 148 final. European Commission (2018), Proposal for a Council Directive laying down rules relating to the corporate taxation of a significant digital presence, COM(2018) 147 final. Hadzhieva (2019) Impact of Digitalisation on International Tax Matters, Challenges and Remedies Haskel and Westlake (2018), Capitalism without Capital, the Rise of the Intangible Economy Koethenbuerger (2019), Belastingheffing op digitale platforms

• •

• • • • •

• • •

• • • •

KPMG (2019), Taxation of the digitalized economy. Developments Summary: https:// tax.kpmg.us/content/dam/tax/en/pdfs/2019/ digitalized-economy-taxation-developmentssummary.pdf Lauwers (2016), Internationaal Fiscaal Recht Lennard (2018), Act of creation: the OECD/G20 test of “Value Creation” as a basis for taxing rights and its relevance to developing countries, Transnational Corporations, Vol 25, No 3 Special Issue, https://unctad.org/en/pages/ PublicationWebflyer.aspx?publicationid=2273 Lev and Gu (2016), The End of Accounting McKinsey (2011) Big data: The next frontier for innovation, competition, and productivity OECD (2015) Addressing the Tax Challenges of the Digital Economy, Action 1, 2015, Final report OECD (2017) OECD Digital Economy Outlook 2017 OECD (2018), Tax Challenges Arising from Digitalisation – Interim Report 2018: Inclusive Framework on BEPS, OECD/G20 Base Erosion and Profit Shifting Project OECD (2018), Tax and digitalization https:// www.oecd.org/tax/beps/tax-and-digitalisation-policy-note.pdf OECD (2019), Unpacking E-commerce, Business Models, Trends and Policies OECD (2019), Productivity Growth and Finance: The Role of Intangible Assets – A Sector Level Analysis, Economics Department Working Papers, No 1547 OECD (oktober 2019), OECD Secretary-general Task Report to G20 Finance Ministers and Central Bank Governors https://www.oecd. org/tax/oecd-secretary-general-tax-report-g20-finance-ministers-october-2019.pdf PwC & ZEW (2018), Digital Tax Index. Executive Summary: http://ftp.zew.de/pub/zewdocs/gutachten/Digital_Tax_Index_2018.pdf PWC (2019), Global Entertainment and Media Oulook PWC (2019), Global Top 100 Companies by Market Capitalisation The Economist (2019) The World in 2020, Working Through the Tech-Tax Tangle

DAVIES, P (2009), From university lifelong learning (ULLL) to lifelong learning universities (LLU). SURSOCK, A. en SMIDT, H. (2010), Trends 2010: A decade of change in European Higher Education.

JANUARI 2020 VOKA PAPER 23


FISCAAL DIGITAAL Naar een internationale taxatie voor de 21e eeuw

24 VOKA PAPER JANUARI 2020


Issuu converts static files into: digital portfolios, online yearbooks, online catalogs, digital photo albums and more. Sign up and create your flipbook.