Page 1

In the Heart of the Forest

Vincent Jongman


In the Heart of the Forest


Schrijver: Vincent Jongman Coverontwerp: Vincent Jongman Š Vincent Jongman 2013


Waar vogels boven oorlog zweven, daar zal de vrede neder dalen en kwade doen vervliegen, als veren in de wind.

5


Proloog 21 december 1933 Het ruiste door de okergele bladeren aan de bomen, mijn voetstappen op het aarden pad. De stilte van de wereld leek eindeloos. Er leek niets meer te leven, niets meer te voelen. Geen geluid, geen geur. De kleur ebde weg bij het verstrijken van de tijd. De vogels vlogen zonder te klapperen en streken neer op een onaanwijsbaar punt op de horizon. Ik versnelde mijn pas. Het linnen tasje wiegde zachtjes in een vast ritme. De etenswaren in de tas schoven alle kanten op. Mijn maag knorde, maar ik wist dat het niet de tijd was om te eten. Sterker nog, het kon best wel eens zo zijn dat we pas over enkele weken aan deze maaltijd konden beginnen. Het voedsel was al zo schaars, en ook gevaarlijk om te gaan halen. Als de soldaten hun dag niet hadden kon je zo opgepakt, of zelfs doodgeschoten worden. Ik rilde bij de gedachte. Met mijn kleine handjes omklemde ik het tasje nog steviger en besloot een sprint te trekken. De zwarte, donkere aarde maakte plaats voor een verhard kiezelpad dat naar een kleine boerderij leidde. De ramen van de boerderij waren dichtgespijkerd en voorzien van een groot rood kruis. Papa zei dat het kruis betekende dat er geen mensen meer in het huis woonden. En dat was ook zo. We woonden er niet meer, we waren gevlucht. We waren uit ons eigen huis verjaagd. De soldaten kwamen een jaar geleden naar paps en mams toe om met ze te praten. Eén van die soldaten had een apart wit gewaad aan. Hij had een grote capuchon met een zilveren cirkel met een streep erdoor heen. Ook de gesp van zijn riem had hetzelfde symbool. De man gaf een boek aan paps en wilde dat mams en ik met hem mee gingen naar zijn huis. Alle meisjes moesten mee naar zijn huis. Dat was ook met mijn vriendinnen gebeurd. De meisjes moesten voor hem werken en allemaal dingen voor hem doen. ’s Avond moesten ze één voor één in zijn slaapkamer verschijnen. Wat ze daar allemaal deden weet ik niet, maar ik heb ze een keer horen schreeuwen en huilen toen we in de stad waren. Papa zei dat het een slechte man was. Een paar dagen na het bezoek moesten we weg. Mama zei dat we moesten vluchten voor de witte man. Ze wilde niet voor hem werken en papa was het niet eens met alles

6


wat er in het boek stond. En als je niet deed wat de witte man zei, dan werd je gelijk ter dood veroordeeld. Dus vluchtten we. Papa richtte een nieuw huis voor ons in. Het huis was bedolven onder de grond. Het was de kelder van de oude aardappelschuur. Papa had de schuur afgebroken en er een huisje van gemaakt. Hij was klein, maar het was er altijd lekker warm. En niemand kon je horen wanneer je in de grond zat. Soms ging paps of mams uit het huis om eten te halen of olie voor het kookstel en de lampen. Dat was een heel gevaarlijk karwei. De soldaten wisten precies wie wel geloofden in het boek en wie niet. De gelovigen hadden vaak een witte zakdoek om hun nek en een ketting met het symbool van de doorgestreepte cirkel. Voor ons het symbool van de dood. Gelukkig was er vandaag niemand op straat, dus kon ik veilig eten gaan halen. Paps en mams waren stro gaan halen om de dekens en de kussens mee op te vullen, zodat we het deze winter niet zo koud hadden. Ik hield niet van de winter. Het was een periode waar iedereen ziek werd en kou leed. Het eten was altijd op en het water bevroren. En we konden niet eens in de sneeuw spelen. Sinds we ondergedoken zijn ben ik niet meer buiten geweest om te spelen. Alleen soms wat eten halen. Het was vaak heel saai in het huis onder de grond. Ik had alleen een popje waar ik geregeld mee speelde. En verder lazen we allemaal boeken. Maar na drie keer dezelfde boeken lezen wil je ook wel eens iets anders. Daarom had ik, met gevaar voor eigen leven, een nieuw boek gekocht in de winkel van Ome Sam. Hij was geen echte oom, maar mijn ouders kwamen er vaak en ik speelde met zijn kinderen. Ze waren mijn beste vrienden. Ome Sam verkocht heel veel spullen. Boeken, schriften, pennen, potloden en heel veel kaarten. Heel stiekem verkocht hij ook eten, maar alleen aan mensen die niet geloofden in het boek van de witte man. Ome Sam geloofde er ook niet in, maar deed net alsof om de ongelovigen te helpen. Dat was een heel gevaarlijke taak. Zonder Ome Sam waren al heel veel mensen dood gegaan door de honger, waaronder wij. Ik zuchtte en keek naar een wit vogeltje dat tussen de bladeren op zoek was naar eten. Hij tsjilpte zacht in de hoop op een korreltje brood of een verse rups. Maar zelfs de dieren waren weggevlucht voor de oorlog. Zelfs voor hen was er geen eten meer. Ik brak een klein stukje brood af en wierp het in drie stukjes naar het vogeltje. Verrast maakte het een hupje en at een stukje van het brood op. Met een schuin hoofdje

7


keek hij naar mij. Een gevoel van liefde vulde mijn hart. De andere twee stukjes brood werden zachtjes opgepakt. Met een zachte gedempte wiekslag vloog het vogeltje ermee de bossen in. Dankbaar tsjilpend. ’Eet smakelijk’ mompelde ik, terwijl ik mijn weg naar huis vervolgde. Er kwamen kleine, bijna onzichtbare, wolkjes damp uit de aarde. Een teken dat mama aan het koken was. Voorzichtig stapte ik naar een verborgen luik in de aarde. Een klein stukje touw, dat leek op een boomwortel, lag in het verdorde gras. Ik trok eraan en het luik ging open. Het schimmige daglicht toonde een houten trapje, dat verdween in een donkere schaduw. Ik zette mijn voet op de trap. Hij kraakte jammerend onder het gewicht. Tijdens het afdalen hoorde ik de houtworm van de trap knagen. Het zou vast niet lang meer duren of de trap zou bezwijken onder de lasten die hij elke dag te verduren kreeg. Ik was halverwege de trap toen ik een schelle stem hoorde. Van schrik maakte ik een sprongetje en miste een trede. Ik kon nog net op tijd het stukje touw grijpen, waarmee de deur kon worden open gemaakt. Met een harde klap sloeg het luik dicht. Er brak een klein stukje hout af. Zilveren zonnestalen boorden door het kleine gat de zwartgeblakerde ruimte binnen. Ik zwiepte zachtjes terug naar de trap. Met een bonzend hart keek ik door het kleine gaatje om te zien wat er buiten gebeurde. Er klonk een geweerschot. De kogel kwam in het dak van het verborgen huis terecht. Ik slaakte een gedempte gil en viel haast weer achterover. Er klonk een nieuw geweerschot. Een jongen met zwart haar en oude, gescheurde kleren kwam uit het bos rennen. Zijn ogen stonden groot van angst. Opnieuw klonk er een schot. Van schrik viel de jongen ter aarde. Het scheelde niet veel of hij was op het luik gevallen. De jongen was nu zo dichtbij dat hij het touw van de deur zou kunnen vinden. Er verscheen nog iemand uit het bos. Het was een soldaat. Luid brommend strompelde hij richting de jongen. Hij schold in een vreemde taal en tilde de jongen aan zijn haren op. Ik zag de zilte tranen putjes in de sneeuw maken. De damp van het gehijg drong zowat de ruimte binnen, zo dichtbij waren ze. Ik hield mijn adem in. De jongen smeekte om vergiffenis en probeerde zich los te rukken. De man liet de jongen in de sneeuw vallen en laadde zijn geweer. Het angstaanjagende getik van het smeedijzeren gevaarte echode door de

8


ruimte. De jongen sloeg zijn handen in elkaar en preekte naar de hemel. Toen werd het stil. Ik hoorde de knal niet. Als een lappenpop zakte de jongen in elkaar. Zijn zwarte haren waaierden uit over de grond. De sneeuw kleurde rood. Zijn blauwe ogen staarden levenloos in de mijne. Als hij nog leefde, had hij mij gezien. De soldaat keerde zich om en rende terug het bos in, zijn witte gewaad in de wind wapperend. Ik strompelde de trap af met tranen in mijn ogen. Mams en paps stonden achter me, gewekt uit hun slaap. Met hysterische, verloren snikken viel ik in mams armen. Ik drukte mijn hoofd in haar zachte buste. ’Hij is dood mam, die soldaat heeft hem gedood. Waarom heeft hij hem gedood?’ Ik keek haar aan met mijn betraande blauwe ogen die afschuw, spijt en verdriet toonden. ’En hij was mijn beste vriend.’

9


10


Hoofdstuk 1 Het verborgen huisje onder de smeltende sneeuw werd al snel te klein. Hij was niet gebouwd om er met zijn zessen in te leven. We deelden de twee bedden met drie personen. Mams, ik en Julia, de dochter van Ome Sam, sliepen in ĂŠĂŠn bed. Ome Sam en zijn vrouw Marie in de andere. Paps sliep op een jutezak tussen de twee bedden in. Er heerste een sombere sfeer in het huis. De warmte was verdwenen en had plaats gemaakt voor kou. Zelfs nu de lente in aantocht was. Sinds de dood van Isaac, de zoon van Ome Sam, was alles anders geworden. Ome Sam was niet veilig meer en moest vluchten. De enige mogelijkheid was de aardappelschuur aan de rand van het bos. Voor de rest waren alle schuilplaatsen gevonden en geruimd. Ome Sam was dankbaar, ondanks zijn verdriet. Hij lag soms hele nachten te huilen. Dan ging ik bij hem zitten, verhalen vertellen. Laten horen wat een goede vriend Isaac was. Mijn beste vriend. Maar het ergste was nog dat Ome Sam zijn zoon niet eens heeft kunnen begraven. Hij kon geen afscheid nemen. De soldaten hadden zijn lichaam opgehaald en meegenomen. Ze hadden zelfs de bebloede sneeuw opgeruimd, zodat niemand erachter zou komen wat voor een drama hier was gebeurd. Maar ik wist het. Ik had het gezien! En dat was gelijk ook het laatste wat ik van de buitenlucht had beleefd. Paps vond het te gevaarlijk nu nog naar buiten te gaan. En waarvoor gingen we ook nog. Er was niemand bij wie nog wat te halen viel. Ome Sam leverde ons altijd eten en andere goederen. Nu stond zijn hele voorraad bij ons in het kleine huisje. Daardoor werd het hier nog krapper. Sommige dagen was de enige ruimte die ik had het bed. Zelfs de po moest op de kist achter het bed staan, de stank de ruimte vullend. De lente was in aantocht, maar het sneeuwde. Het vroor in ieders hart. Een donkere sluier mist hing in het verborgen huisje, diep onder de grond. Elke dag leek hij verder in de grond te zakken. Steeds verder verwijderd van de buitenwereld. Zonlicht werd schimmiger, schaduwen donkerder, en de hoop op een goede afloop steeds kleiner. De dagen vervlogen. Ze kropen traag voorbij. Toch liepen ze over in de volgende. Een jaar verstreek. Seizoenen gingen voorbij. Sneeuw werd sneeuw. Winter werd winter. De kou verliet het huisje niet. Maar mama zei dat het

11


altijd erger kon, en dat we vol moesten houden. We deden onze uiterste best, maar toen een strenge vorst voor een erge griep zorgde en iedereen, behalve ik, velde, was de sombere sfeer voorbij. Het veranderde in een hel. Elk uur leek het gehoest en gekreun erger te worden. Zo erg dat ik het niet meer uit kon houden. Ze moesten beter worden. Er moest een medicijn komen, anders zouden ze dood gaan. En wat moest ik zonder hen. Er was verder niets, alleen hun gezelschap maakte het leven dragelijk. Dus waagde ik het erop. Met gevaar voor eigen leven verliet ik het verzakte huisje onder de grond. Terwijl iedereen sliep kroop ik richting de trap die naar de wereld boven leidde. Met veel moeite klom ik op de half vermolmde trap. Het koord was inmiddels afgebroken. Tot stof vergaan door het weinige gebruiken. Een klein straaltje licht kroop door het kogelgat in het houten dak van het huisje. Worteltjes klimop slopen door de naden om een glimp van de geheime wereld op te vangen. Met een ontmoedigend gekraak kwam er beweging in het luik. Ik had moeite om de vastgegroeide grassen en kruiden los te drukken. Het luik leek één te zijn geworden met de natuur. Verzegeld. Met al mij kracht duwde ik tegen het luik. Na grote tegenstand ging hij eindelijk open. Een baken van verblindend zonlicht vulde mijn bleke gezicht. Mijn ogen zagen een moment niets. Het duurde wel een kwartier voordat ik gewend was aan het licht. Zo lang had ik het zonlicht al niet meer aanschouwd, op het straaltje uit het kogelgat na. Op handen en voeten kroop ik het gat uit en baande me een weg door het nieuwe gras. Het deed een poging op te komen, ondanks het koude weer. Ook de sneeuwklokjes staken hun kopje al boven het gras uit. De kamperfoelie schoot bladeren. Een teken dat de lente wederom naderde. Met kleine, stramme passen liep ik door het gras richting het bos. De bomen bogen onder het grote gewicht van knoppen. Het gras golfde zilver in de bries. Door al de misère was ik vergeten hoe mooi het hier buiten was. Het pad kronkelde langs de oude boerderij. Hij was van ellende in elkaar gezakt. Het was een ruïne geworden. Een verlaten plek met verloren herinneringen. Vlagen van een oud verleden. Een verleden zonder oorlog. Maar dat verleden was, net als het huis, ingezakt. Even twijfelde ik nog om door de gebroken ramen naar binnen te kijken. Misschien was er nog iets van het verleden over. Maar ik verzette me. Er moest een medicijn gevonden worden. Het bos ging over in een serie

12


weilanden. Aan het eind daarvan lag het kleine dorp met in het midden de kerktoren. Het geschubde dak met de glimmende verguldde haan was al vanaf een afstand te zien. Onder dat dak bevonden zich koperen klokken. Maar die hadden al jaren niet meer geluid. Normaal gingen we vaak naar de kerk, maar sinds het verdwijnen van de pastoor was het gebouw gesloten. Paps vertelde dat de pastoor in zijn eigen kerk was vermoord door de witte man. Hij was gewurgd met een witte sjaal. Het verhaal gaat dat de pastoor er nog steeds zou liggen. Maar niemand is nog in het gebouw geweest om dat verhaal te controleren. Het was verzegeld en verboden gebied. Iedereen die erin zou gaan, zou gedood worden. Het dorp lag er verlaten bij. Het was net een spookstad. De meeste huizen waren vervallen. Alleen de winkel van Ome Sam stond nog recht op. Ik keek door de besmeurde ramen, en zag overal rode kruisen. De schappen waren leeggeroofd, er was hier niets te vinden. Angstig liep ik verder. Achter de kerk moest zich een oude kruidenier bevinden. Die verkocht ook vaak allerlei kruidenmengsels tegen diverse ziekten. Misschien was daar nog een medicijn te vinden. Voorzichtig passeerde ik de statige kerk. Duiven vlogen op uit de gebroken glas-in-lood ramen. Het kruidenierswinkeltje was, net als de andere gebouwen, vervallen. Ik baande me een weg tussen het puin en vermolmd hout. Ook hier had de houtworm een groot festijn beleefd. Achter in de winkel was een stalen kast te vinden. Daar bewaarde de kruidenier altijd zijn medicijnen. Met mijn kleine vingers wist ik het slot open te peuteren. Gepaard met een luid geschraap ging de kast open. Tot mijn grote verbazing was het gevuld met allerlei doosjes. De inhoud was verdroogd, maar misschien nog wel bruikbaar. Mams gebruikte ook altijd gedroogde kruiden om hoestdrankjes te maken. Eén voor één verdwenen de doosjes in de linnen tas. Ik liet de kast leeg achter. Om geen argwaan te wekken sloot ik de kast en prutste het slot weer vast. Tijd om te gaan. Ik keerde mij om en beende me een weg terug door de scherven glas en houtmolm. Plots botste ik tegen een obstakel op. Twee blinkende zwarte schoenen contrasteerden met de ondergrond. Mijn hart stond even stil. Heel voorzichtig keek ik omhoog, in de hoop niemand te ontdekken. Maar helaas. Een donker geklede gestalte stond tussen het puin. Een zwaar geweer

13


hing aan een leren riem rond zijn buik. De riem werd gesierd door een opvallende cirkelvormige gesp met een streep erdoorheen. Zijn borst telde verscheidene onderscheidingen en om zijn hals hing een witte satijnen sjaal. Met een verwrongen blik keek hij op mij neer. Woorden in een vreemde taal verlieten zijn mond. De man tilde mij aan mijn haren omhoog en greep zijn geweer. Het linnen tasje met de kostbare kruidendoosjes slingerde gewichtloos in de lucht. Ik voelde mijn keel samenknijpen, wist geen woord uit te brengen. Ik sloot mijn ogen en bereidde me voor op de knal, die pas na een eeuwigheid wachten volgde.

14


15


Hoofdstuk 2 Het leven leek uiteen te spatten, als de scherven van een ruit. Maar ditmaal brachten ze geluk. Uit het niets was een klein wit vogeltje uit een wolkenbreuk opgedoken. De man was van schrik achterover gedeinsd en gestruikeld over een balk waarop houtwormen dansten. Nu lag hij daar, tussen scherpe scherven glas. Spartelend. Bloed vloeide rijkelijk uit zijn wonden. Het contrasteerde tegen de donkere gebroken grond eronder. De witte sjaal toonde vlekken. Ik twijfelde geen moment en trok een sprint. Het was misschien niet goed om de man daar achter te laten. Maar blijven zou het einde betekenen. Ik vluchtte door het puin richting de oude kerk. Het witte vogeltje vloog tjilpend voor mij uit. Ik herkende hem uit een ver verleden toen Isaac nog leefde. Het geurende brood in de linnen tas. Plots week het vogeltje uit en vloog de kerk binnen, nog steeds luid tjilpend. Iets vertelde mij dat ik het beestje moest volgen, al deed mijn instinct mij beven van angst. De kerk was vooralsnog verboden terrein en onbegaanbaar. Ik keek naar de grote gegraveerde eikenhouten deur, waarvan de letters grotendeels versleten waren. Vreemd genoeg was de verzegeling van de deur verdwenen. In de ban van nieuwsgierigheid sloop ik naar binnen. De kerk zag er nog precies hetzelfde uit als vroeger, alleen ietwat vervallen. Een marmeren pad leidde de weg naar het altaar. Ik herinnerde me de vele vrouwen in hun mooie jurken die deze weg beliepen. Op naar het altaar waar bossen bloemen lagen. Daar waar hun toekomstige echtgenoot, bevend van de zenuwen, stond te wachten het jawoord te geven. Nu waren de bloemen verwelkt. Een wit laken lag gedrapeerd over het stenen altaar. Twee grote kaarsen in glazen stolpen flankeerden het bewerkte graniet. Oneindig fakkelend en marmeren tranen huilend. Met kleine passen liep ik richting het altaar. De lege banken staarden me aan. In alle afwezigheid had de kerk toch iets vertrouwds. Alsof het een hart had met herinneringen die deze plek vulden. En iets vertelde mij dat ik hier nu behoorde te zijn. Met schrijdende passen liep ik de verhoging van het altaar op. Ik streelde het witte laken, dat lichtelijk opbolde door de tocht. Er leek zich iets onder het doek te bevinden. Voorzichtig trok ik het witte kleed weg. Van ontsteltenis en schrik ontsnapte er een gedempte gil uit mijn keel. Onder het

16


kleed bevonden zich de resten van een menselijk lichaam. Twee diepzwarte holle kassen, waar zich ooit eens de poorten van de ziel bevonden, staarden mij aan. Om zijn nekwervels hing een rozenkrans met een houten crucifix. Ik voelde een vlaag maaginhoud omhoog komen en deinsde naar achteren. Ik wilde wegrennen. Vluchten voor dit schouwspel. Maar een klein glinsterend object, dat zich tussen de ruggenwervels bevond, trok mijn aandacht. Heel voorzichtig stak ik mijn hand uit. Zonder de botten aan te raken wist ik het object te pakken. Het was een rijkelijk versierd kokertje van ivoor. Er waren bladmotieven en bloemen in gegrift. Nieuwsgierig naar meer schroefde ik de dop van het kokertje af. Er zat een papier in. Een klein opgerold vergeeld stukje perkament. Het verging bijna bij het uitrollen, zo oud was het. Het perkament toonde een kaart van het dorp, de weilanden en het bos. Ook onze boerderij stond erop. De kaart leidde de weg naar een kruis, ver weg in het bos verscholen. Ik vroeg me af wat het was. Vroeger was ik met paps dikwijls in het bos geweest om hout te zoeken of bramen voor de jam. Maar ik was nooit iets speciaals tegen gekomen. In ieder geval niet iets wat zo belangrijk was dat het op een kaart moest staan. Er klonk een diep gerommel in de verte. Onweer. Het geluid echode na in het grote volume van de kerk. Het was tijd om te gaan. In vaste pas snelde ik over het marmeren pad terug naar de deur. Donkere wolken zweefden over het landschap. Plotseling weerklonk er nog een donder. Dit keer veel dichterbij. Een grote rookpluim steeg op uit de verte, nog voorbij de weilanden. Misschien zelfs in het bos. Twee donders. Er verscheen een vliegtuig aan de hemel. Tegelijkertijd vloog het witte vogeltje langs, angstig tjilpend. Hij vluchtte richting de bossen waar het gevaarte vandaan kwam. Zonder een moment te twijfelen volgde ik hem. Wederom rende ik. Bijna mijn benen voorbij. Het vliegtuig vloog rakelings over. Een klein zwart projectiel verliet het glimmende aluminium beest. Geruisloos zweefde het door de lucht op weg naar zijn doel. Ik drukte mijn handen tegen mijn oren en dook in de dichtstbijzijnde greppel. Maar het geluid was niet te doven. Metaal knarste, graniet scheurde. Glasscherven blonken zwevend door de lucht als regendruppels die de zwaartekracht trotseerden. En met een buiging tordeerde de massieve toren om zijn as. Zijn koperen klokken luidden terwijl hij zich richting de aarde bewoog. Ik voelde zijn schaduw over mij bewegen. Op een

17


gegeven moment was het geluid zo hard dat het zichzelf trotseerde. Het leek even niet meer te bestaan. Het laatste wat ik zag was de weerkaatsing van het zonlicht in de gouden haan dat ooit het hoogste punt van het dorp sierde, slechts enkele meters van mij verwijdert. Daarna werd alles in stof gehuld. Rookpluimen, zo zwart dat het met gesloten ogen nog lichter was, doken voorbij. Ze kringelden omhoog, samen met de laatste herinneringen aan een verre wereld dat nu op een sprookje leek. Iets dat te mooi was om te kunnen bestaan. Op handen en voeten kroop ik door de mist, weg van de onbewoonde wereld, naar het bos, welke in alle verlatenheid nu de meest welkome plaats ter wereld was geworden. Maar zelfs in het dichtbegroeide bos was de rook nog te vinden. Als een slang bewoog ik me door het gras, dat nog nat was van de gesmolten sneeuw. Er was nog net een klein reepje zicht boven het grasdek dat me hielp te oriĂŤnteren. Maar zo dicht bij de grond leek alles op elkaar. De geluiden leken overal vandaan te komen. Ver weg was dichtbij. Tranen biggelden over mijn wangen. Wanhopig riep ik naar mams en paps, in de hoop dat ze me zouden vinden. Maar het was tevergeefs. Er was niemand in het bos te bekennen. Geen soldaat, geen boze witte man. Geen dieren, geen vogels en geen hoop. Ik ging liggen in een hoopje sterremos dat dauwdruppels ving. Kleine snikjes verdriet echoden weg in de verte. Ze deden er slechts een paar meter over om de oude aardappelschuur te bereiken. Het kleine huisje onder de grond, waarvan het versplinterde hout van de oude trap zelfs in de bomen te vinden was. De grote dozen etenswaar, die rond een gapend gat verspreid lagen. En een klein verkoold popje dat de plek markeerde waar ooit leven had gehuisd.

18


Hoofdstuk 3 Het verdriet werd zelfs in het bos gevoeld. De lucht weerspiegelde tranen. Er brak een hevige regenbui los. De sluiers rook sloegen neer en lieten zwarte as-deeltjes na op het gras. De laatste sneeuw loste op. Kou vertrok door de warme lenteregen. De druppels maskeerden de plekken waar het onheil had gehuisd. De plek waar verhalen waren verdampt en verleden was gesmolten in de vlammen en de dichte rook. Het getik van de regen op de bladeren deed me ontwaken uit zelfmedelijden. Mams had me geleerd er altijd voor te gaan en nooit op te geven. Huilen mag, maar wel voor eventjes. Daarna dep je de tranen weg en sta je op om de oneindige berg voor je te beklimmen. Dat lijkt een onbegaanbare weg. Maar de top is voor iedereen te bereiken, voor iedereen die niet opgeeft. En dan, als je er eenmaal bent, zal er iets moois op je wachten. Iets, zo kostbaar doch zo fragiel en klein, dat de waarde ervan niet kenbaar is op deze aarde. Ik glimlachte bij de gedachte en stond op. Het was tijd om te beginnen aan die beklimming, nu het pad weer zichtbaar was. Gesterkt door de diamanten regen stapte ik het bos in om te vinden. Te zoeken en te vinden wat ik zocht. Mijn huis, mijn familie en misschien de vrede. Er verscheen een zonnestraal uit een goudomrande regenwolk. Het brak kleur in de vallende druppels. Een vlaag van geluk en zekerheid vulde mijn hart. Mijn voeten vonden zijn bestemming, en stapten volhard in het soppige zand en het doorweekte gras. Onwetend liep ik steeds verder verwijderd van het verborgen huis onder de grond. Maar toch, steeds dichter bij de plek waar ik behoorde te zijn. Na een paar uur was de regen opgehouden. De wolken waren voorbij geschoven en had een prachtige blauwe hemel onthuld, waaraan de zon stond te prijken. Zijn warme stralen verdampten de druppels op de witte veren van het vogeltje, dat mij nog steeds op de voet volgde. Alsof hij in de gaten probeerde te houden of ik wel de juiste richting op ging. Het bos verdunde zich met elke stap die ik zette, en maakte plaats voor uitgestrekte heidevlakten, die insecten lokten. Het gewas krioelde van het leven. Overal doken hazen en konijnen weg, schoten herten achter bomen en rolden kevers bolletjes zand vooruit. Behendig de obstakels ontwijkend.

19


Zover het oog kon reiken was er leven. Tot op dat ene punt. Ver weg, achter de bloesems van de fruitbomen en het groen van de heidevlakte was iets waar alles in verdween. Een punt waar de wereld oploste. Ieder hert of haas dat zich naar dat punt bewoog verdween als sneeuw voor de zon. En het meest vreemde was dat er geen horizon te zien was. Geen eindpunt of begin. Het leek een leegte. Een verborgen leegte. Het wenkte me om te komen, maar ik durfde er niet heen te gaan. Wie weet lag er daar iets engs te wachten. Wie weet waren er monsters of andere wezens. Wie weet schuilden daar de soldaten van de witte man. Ik rilde bij de gedachte en besloot een andere richting op te gaan. Een afwijkend dor pad dat weer richting het dichtbegroeide bos leidde. Maar het witte vogeltje was iets anders van plan. Hij vloog, zonder angst, de leegte in en verdween. Zijn getjilp wegebbend in de verte. Ik keek hem na. Overpeinsde om hem achterna te gaan. Maar een huisje in de verte trok mijn aandacht. Verblijd door de waarschijnlijke aanwezigheid van mensen sprintte ik ernaar toe. Het was een stenen huisje. Vermoedelijk al honderden jaren oud. Het huisje was rijkelijk versierd met ornamenten en guirlandes. Alle ramen waren gemaakt van glas-in-lood, met taferelen van rituelen en geheime genootschappen. Het huisje had iets mystieks. Heel voorzichtig liep ik de veranda op, en maakte gebruik van een vergulden klopper in de vorm van een leeuwenkop. Een gedempt gebonk galmde achter de dikke muren. De deur viel uit het slot en ging jammerend open. Verbazend genoeg was er geen huis achter de deur te vinden, alleen maar een verkoolde mahonie houten vloer omringt met bos, brokken steen en spaanders hout. Op de grond was een groot rood kruis geschilderd. Ook hier was de witte man haar voor geweest. Ook hier had iemand gewoond die het niet eens met hem was. En die persoon was nu waarschijnlijk dood. Teleurgesteld verliet ik het huisje. De hoop om iemand te vinden die mij kon helpen vervloog. Maar plots viel me iets op. Op de achterkant van de deur hing een doek, die nog grotendeels intact was gebleven. Het doek toonde een kaart van het bos en het dorp. Een uitgestippeld pad leidde naar een kruis, een bestemming, midden in het bos. Ik herinnerde me de koker met de kaart die ik in de kerk had gevonden. Vlug haalde ik hem tevoorschijn en vergeleek hem met het doek. Het was identiek. Alleen was de bestemming op het doek beklad met een rood kruis. Alsof het niet gevonden mocht worden. Minutenlang bleef ik kijken

20


naar de beide kaarten, tot ik een tekst ontdekte op het stukje perkament uit de koker. Er stond Huize Veritas. Onmiddellijk stormde ik naar buiten en keek naar de versierde gevel, waar in sierlijke letters precies hetzelfde geschreven stond. Huize Veritas, het huis van de waarheid. Gevuld door nieuwsgierigheid bestudeerde ik de kaart nader. Het kruis, de bestemming, lag vlak bij Huize Veritas. Het was omhuld door klein struikgewas. Maar voorbij het kruis was niets getekend, alsof de inkt op was. Opeens begreep ik waar de kaart naartoe leidde. De plek waar de herten heen gingen, de hazen en het witte vogeltje. De uiteindelijke bestemming van mijn reis. Opnieuw sprintte ik naar de plek die me eerst zo had beangstigd. Het perkament wapperde fier in de wind. De leegte achter de heide lonkte nog steeds. Met kleine behoedzame pasjes liep ik richting de mist, die het zicht op de horizon ontnam. Het bos achter mij verbleekte bij iedere pas die ik zette. De spanning gierde door mijn lichaam. Plotseling leek het alsof de grond van textuur veranderde. De vaste aarde met zijn grassen en heide was verdwenen. Een hard spiegelend oppervlak kwam in plaats van de humus. Als ijs. Maar het voelde niet koud aan. Er heerste geen winter. Schuifelend bewoog ik mij over het ijs en had het idee dat ik over mist liep. Als in een droom. Hier en daar werd het smetteloze ijs onderbroken door wakken. Een zwarte peilloze diepte kolkte eronder. Maar ik besloot er niet langer naar te kijken. Te lang stilstaan bij je angst kan je bevriezen. Dat is wat mama altijd zei. Dus ik ontweek de wakken. Volgde een stroom dikkopjes die zich onder het ijs bevonden. De warmte achterna. En bij iedere stap die ik zette voelde ik me lichter, vrolijker en gelukkiger. Alsof het doel van mijn leven zich openbaarde. Het verdriet loste op, samen met de mist van eenzaamheid en de oorlog die mijn hart al die tijd had omhuld. De horizon achter de leegte werd weer zichtbaar. Het ijs veranderde in humus, en vormde de basis voor bloemen die kleur vlamden en rijkelijk geurden. En hetgeen wat ik voor me zag was prachtig, in al zijn minuscule tederheid. Onmetelijk kostbaar, onberekenbaar. Elke materiĂŤle waarde voorbij.

21


Een verwaterd verlaten tovert dauw als kleine glinsteringen. een ver verleden.

22


Hoofdstuk 4 De mist veranderde in dauw en toverde een glinstering. Tussen de groene vlaggen en het koren van het gras lag een klein popje. Zelfgemaakt van lapjes stof, stro als gouden haar en de kleinste madeliefjes als een ketting. Twee, bijna doorzichtige kiezels vormden haar ogen en een fijn borduurwerk haar lachende mond. De hereniging was een magisch moment. Als in een roman rende ik naar het kleine popje toe en sloeg haar in mijn armen. Ze voelde warm door de zon en de liefde de ze altijd van mij kreeg. Ik cirkelde een vreugdedansje door het koren. Eindelijk weer een herinnering aan thuis. En het woord was nog maar net uitgesproken, of er glinsterde weer iets. Ver weg aan de horizon. Een huis, een boerderij met op de veranda een gestalte. Onmiddellijk herkende ik mijn thuishaven en sprintte erheen. Het popje nog steeds strak omklemt. ‘Mam, pap, ik ben hier. Ik ben er weer.’ Zonder op de gestalte te letten stormde ik het huis binnen. Maar er was niets. Er was geen huis. De boerderij had alleen maar een voorgevel, net als huize Veritas. De witte man was haar opnieuw en opnieuw voor geweest. Ik huilde op het gras achter de gevel. Waar waren mams, paps, ome Sam, zijn vrouw Marie en hun kinderen Isaac en Julia gebleven? Maar toen begon het weer te dagen. De oorlog. Het onderduiken. De aardappelschuur en de dood van Isaac. Ik rende naar buiten, richting de plek waar de aardappelschuur stond. Ik tastte de grond af. Zoekend naar het verborgen koord tussen de hoge halmen. Maar het was er niet. Dit was allemaal maar een droom. Teleurgesteld liep ik terug naar de boerderij, waar de gestalte nog steeds op de veranda zat. De oude man glimlachte toen ik langs liep. ‘’Daar ben je eindelijk’’, riep hij terwijl hij een glas limonade voor me in schonk. Onzeker liep ik naar de man toe en ging zitten op een houten stoel met versierde knoppen. De man rookte zijn pijp. ‘Wie bent u eigenlijk?’ vroeg ik argwanend zonder mijn blik van de man af te wenden. De oude man legde zijn gerimpelde handen op de tafel. Hij droeg een brede gouden ring met een afbeelding van een uil erop. ‘’Mijn naam is Samuel, Samuel Bruere. Ik ben de eigenaar van huize Veritas waar je bent geweest’’ Mijn ogen werden zo groot als schoteltjes. ‘Is dat uw huis? Hoe weet u dat ik daar was. Maar wat doet u dan hier, u bent hier niet veilig.

23


Stel dat de witte man u vindt.’ Ik wilde opstaan om de man mee te nemen, diep het bos in. De man lachte breed, zijn witte tanden reflecteerden in de zon. ‘’Wees niet bang kind. Hij kan ons hier niets doen. Die witte man waar jij het over hebt kan hier niet komen. Hij is veel te zwaar.’’ Ik liet me weer in de stoel zakken. ‘Wat bedoelt u met de zwaar. Ik weet dat de witte man dik is, maar waarom zou hij hier niet kunnen komen.’ De man lachte met lange uithalen. ‘’Nee mijn kind, dat is het niet. Het heeft helemaal niets met dik zijn te maken. De dikste mensen kunnen zelfs heel licht zijn. Nee, het gaat om een ander gewicht. Het gewicht van de ziel. ’’De man veegde een paar vreugdetranen uit zijn ogen, en vouwde toen zijn handen op tafel. ‘’Laat mij je wat over deze plek vertellen, maar je moet beloven goed te luisteren.’’ Ik knikte hevig en ging dichter bij de man zitten om het hele verhaal goed te kunnen horen. ‘’In tijden van oorlog’’, begon de man, ‘’lijkt er geen hoop te bestaan. Ieder klein sprankje hoop op een gelukkig einde lijkt te vervliegen. De heersers blijven heersen en trekken steeds meer mensen in hun kwaad. De mensen proberen te vluchten, maar kunnen dat niet. Uiteindelijk moeten ze zich over geven en een keuze maken. De slechterik bijstaan of een wisse dood sterven. Voor velen is dit een makkelijke keuze, omdat ze het leven te waardevol vinden. Ze willen het niet weggooien. Maar juist op dat ene moment, wanneer al hun hoop vervlogen is en ze zich bij het kwaad voegen sterven ze alsnog. Hun leven die ze ooit leidden vergaat.’’ De man sloeg zijn ogen neer en wreef mijn zijn vingers over de knoesten in de eikenhouten tafel. ‘’Toch zijn er mensen die kiezen voor het tweede. Sterven om hunzelf te blijven. Een heldendaad. Maar het is eigenlijk meer, sterven om het kwaad tegen te gaan is, naast het redden van iemands leven voor jouw leven, het meest ultieme wat je kunt doen. Je zult vast denken; wat hebben die mensen eraan. Ze sterven alsnog. Maar eigenlijk is dit niet waar. Mensen die sterven voor een ander of om iets heiligs te beschermen sterven niet. Nee, ze leven juist. Ze krijgen de kracht om verder te leven in een plek weg van oorlog. Een plaats waar kwaad niet kan komen. En dat is hier.’’ De man keek rond het koren en al het moois wat daar achter lag. ‘Maar betekend dat….’, haperde ik, ‘betekend dat dan dat u dood bent, en ik ook?‘ Er welden tranen op in mijn ogen. ‘Maar dat kan niet. Ik moet naar mams en paps om ze het medicijn te geven.’ Ik haalde de doosjes uit het linnentasje en liet de verse groene

24


kruiden zien aan de man. Hij glimlachte. ‘’Nee meisje. Luister goed. Gij die sterven voor een ander sterven niet. Dus wij zijn niet dood. We zijn alleen niet zichtbaar voor de anderen, die deze plek nog niet gevonden hebben. En we zijn ook niet zichtbaar voor het kwade. ‘’ ‘Mm… maar kan ik nog terug naar mama en papa’ stotterde ik, in de worsteling de woorden van de man te begrijpen. Maar de man schudde met zijn hoofd. ‘’Nee, helaas niet. Wij kunnen niet terug, maar we kunnen ze wel naar ons toe brengen.’’ Er gloeide een sprankje hoop in mijn ogen. ‘En hoe breng ik ze hier meneer.’ De man zakte terug in zijn schommelstoel en wiegde een paar keer. ‘’Dat is iets wat jij moet oplossen, daarvoor ben je hier. Alleen jij zult de kennis vergaren die nodig is om iedereen waarvan we houden hier te krijgen’’ Hij sloot zijn ogen van vermoeidheid en wiegde nog een paar keer heen en weer. ‘Maar ik weet het ook niet’, riep ik. ‘Ik heb geen flauw idee hoe ik de mensen hier moet krijgen. Ik ben hier gekomen door de kaart te volgen, die ik heb gevonden in de kerk.’ Ik wapperde een paar keer met het fragiele perkament. Maar de man was inmiddels in een diepe slaap gevallen. Kleine snurkjes ontsnapten uit zijn keel. Ik keek naar het oude vergeelde perkament, waarvan de inkt op een of andere magische manier was opgelost. Alsof de dauwdruppels ieder bewijs van de wereld achter de mist hadden weggevaagd om plaats te maken voor al het moois dat hier lag. Met trage passen liep ik de veranda af, in de hoop de man niet wakker te maken. Gelukkig kraakten de treden niet. De man had verteld dat ik moest uitzoeken hoe mams en paps hier konden komen. En als zij hier konden komen, dan konden anderen dat ook. Het antwoord op deze ‘’hoe’’ vraag moest hier vindbaar zijn. Ik liep rond in de prachtige wereld. Toch was er iets vreemds aan deze plek. Er was geen horizon. Achter de bomen, het verse koren en al het prachtige lag een wit obstakel. Een wit leeg doek dat vanuit de grond de onpeilbare diepte van de hemel probeerde te evenaren. Ik streek met mijn hand langs het obstakel. Het voelde koud en levenloos aan. Als ijs. Overal waar ik keek eindigde de wereld in een witte muur. Alsof we allemaal gevangen zaten in een doos. Ik volgde de barrière in de hoop ergens een doorgang te vinden, maar er was niets te vinden. De eindeloze muur van wit ging door en door als een oneindige cirkel. Na minutenlang lopen kwam ik aan

25


bij een open plek in het koren. Het vlak was kaal. De aarde was gebroken. In het midden stond een tekentafel, waar een man stond te werken. Ik liep op hem af, in de hoop dat hij mij verder kon helpen. Toen de man mij zag lichten zijn ogen op. ‘’Daar ben je, eindelijk’’ riep hij terwijl hij op mij af rende. Even beangstigde de man mij, maar toen ik zag wie het was kon ik niets anders doen dan naar hem toe rennen. Sprinten van blijdschap. ‘Pastoor Eboris, u bent het!’

26


27


Hoofdstuk 5 De omhelzing duurde minutenlang. Een tijdelijke eeuwigheid. Het was fijn een oude bekende te zien, na al die tijd alleen. Pastoor Eboris was altijd een goede vriend geweest en had ons tijdens de oorlog dikwijls geholpen. We hadden met zijn allen een wake gehouden, toen het nieuws naar buiten kwam dat hij was vermoord door de witte man. Dat was ook gelijk het einde van de religie in het dorp. Het gerucht ging dat zijn alternatieve manier van ‘’geloven’’ niet bij de witte man zijn dictatuur paste. Dat was vast de reden waarom de pastoor moest verdwijnen. ‘’Ik ben zo blij dat je er bent, we hebben lang gewacht’’, fluisterde de pastoor in mijn oor. ‘’Je hebt de kaart gevonden die ik voor je heb achtergelaten.’’ Ik deed een stap naar achteren. ‘Heeft u die kaart voor mij achter gelaten, maar hoe wist u dan dat ik hem zou vinden?’ De pastoor glimlachte en schoof mij zijn stoel toe. ‘’Wel mijn kind, dat is zo voorbestemd. Het kon niet anders. Vroeg of laat zou jij de kaart vinden.’’ Ik keek hem met vragende ogen aan. ‘Kunt u de toekomst lezen pastoor, is dat de reden dat de witte man u heeft verm… dat u moest sterven?’ Ik sloeg mijn ogen neer. De pastoor grinnikte. ‘’Niemand wil de toekomst kunnen lezen, het zou het leven ondragelijk maken. Nee, de witte man heeft mij gedood doordat hij doorhad wat ik aan het doen was. Het plan om de oorlog en al het kwade op deze wereld te bestrijden.’’ Hij ademde diep in. ‘’Samen met je vader, jouw ome Sam en Samuel Bruere hebben we een genootschap opgericht en iets wonderlijks ontdekt.’’ Hij keek even rond de velden, alsof hij zeker wou weten of er niemand meeluisterde. ‘’We hebben ontdekt dat de wereld, het heelal, altijd op zoek is naar evenwicht. En dat evenwicht is er niet op dit moment, door al het kwaad dat op de aarde heerst. De wereld is een tegenpool geworden, een vijand van het heelal. Daarom heeft het heelal iets gestuurd om de wereld te bestrijden. Om het heelal weer in evenwicht te krijgen. Maar het heeft niet genoeg kracht om tegen het kwade te vechten. Het kan het niet alleen. En daarom zijn wij er om een handje te helpen.’’ Ik ging zitten op de hoge stoel achter de tekentafel. ‘En vormt deze wonderlijke wereld dat evenwicht?’, vroeg ik nadenkend. Pastoor Eboris keek verrast op. ‘’Juist mijn

28


kind, dat is precies waar deze wereld voor is. Het vormt een tegenpool voor het kwade dat de witte man op de wereld heeft gebracht. Een kwaad dat zich met de dag verspreid. Daarom moeten wij het slechte bestrijden met het goede, door deze wereld uit te breiden.’’ De pastoor liep naar zijn tekentafel en liet mij een schets zien. ‘’Kijk, dit is een schets van hoe deze plek er straks uit moet komen te zien.’’ Ik keek naar de grove lijnen die op het papier stonden. Ik herkende duidelijk de contouren van de kerktoren met zijn blinkende verguldde haan. De pastoor was nog bezig de omringende gebouwen te tekenen, waaronder het kruidenierswinkeltje en de winkel van ome Sam. ‘’Dit is slechts een schets van een toekomstig schilderij die ik straks op deze wand schilder.’’ De pastoor liep naar de grote witte blokkade die de horizon van de wereld ontnam. Heel vaag waren er al grijze contouren zichtbaar. ‘’Maar het is een hels karwei om een schilderij te voltooien.’’ zei hij. ‘’Het moet heel precies gebeuren en ook volledig van kleur worden voorzien. Pas wanneer het schilderij af is zullen de dauwdruppels de verf doen oplossen en zal het geschilderde werkelijkheid worden. Dan wordt de wereld weer een stukje verder uitgebreid.’’ De pastoor zuchtte diep. ‘’Maar voordat het klaar is zijn we zeker weer een tijd verder.’’ Ik had medelijden met het monnikenwerk van de pastoor. ‘Dus wat u doet is een wereld scheppen. Maar hoe kan dat dan het kwaad bestrijden?’, zei ik, nog steeds verbazend over de plek waar ik was. ‘’Wel’’, zei de pastoor. ‘’De verf voor het doek moet ergens vandaan komen. Wanneer ik iets schilder, verdwijnt het uit de echte wereld. Het wordt vernietigd. Stukje bij beetje halen we de wereld bij de witte man weg, zodat hij straks niets meer heeft om over te regeren.’’ Ik keek de oude pastoor sceptisch aan. ‘Maar als alle dingen uit de echte wereld verdwijnen, dan hebben de onschuldige mensen ook niets meer. Dat kunnen we ze toch niet aandoen?’ Ik zette mijn handen in mijn zij. ‘Heeft u daar wel over na gedacht?’ De pastoor glimlachte breeduit. ‘’Natuurlijk mijn kind. En daarom hebben wij jou hierheen gehaald. Jij bent diegene die dat probleem kan oplossen. Door je onschuldigheid, onmetelijke fantasie en verstand zal jij ervoor zorgen dat de mensen hier kunnen komen, bij ons.’’ De pastoor streek over zijn rozenkrans. ‘’Maar voordat de mensen hier kunnen komen moet de wereld groot genoeg zijn. En ook daarmee kun jij helpen.’’ De pastoor liep weer naar zijn schetstafel en streek het papier glad.

29


‘’Wij volwassenen doen er een eeuwigheid over om van een gedachte werkelijkheid te maken, omdat we niet meer de onschuldigheid en de fantasie van het kind bevatten. Maar jij, in combinatie met je uitzonderlijke verstand en doorzettingsvermogen, kunt de wereld scheppen in een fractie van de tijd waarover wij normaal zouden doen.’’ Ik keek naar de witte muren om mij heen. ‘Hoezo bevat ik die kennis? Ik heb echt geen idee hoe ik een wereld moet scheppen. Ik denk niet dat ik het kan.’ Verdrietig plukte ik aan het vergeelde papier. ‘Ik heb die kennis niet pastoor Eboris.’ De pastoor sloeg een arm om mij heen en fluisterde; ‘’Dat heb je wel mijn kind, je hebt de kennis tot je genomen zonder dat je het doorhad. Het staat allemaal in een boek dat ome Sam je heeft gegeven.’’ Plotseling herinnerde ik me het weer. Het boek dat ik had gekocht in de winkel van ome Sam, een boek dat ome Sam mij aanraadde te lezen. Maar hij zei wel dat ik het aan niemand moest laten zien, omdat het eigenlijk een verboden boek was. Met gevaar voor eigen leven had ik het meegenomen in het linnen tasje. Thuis was ik er onmiddellijk aan begonnen en had het boek in één teug uitgelezen. Verwonderd keek ik de pastoor aan. ‘Het boek ging over twee kinderen die als wees waren afgestaan en moesten overleven in een wereld van kwaad en geweld. Helemaal alleen. Maar op de een of andere manier wisten ze zich staande te houden door vast te houden aan hun hoop en de kracht van hun vriendschap. Ze creëerden een parallelle wereld. Een fantasiewereld, die hen in staat stelde de meest moeilijke problemen op te lossen. Daarmee wisten ze uiteindelijk de oorlog te verbannen uit hun land.’’ Mijn ogen fonkelden. ‘Dus ik moet ook een parallelle wereld creëren door te fantaseren?’ Pastoor Eboris hield zijn hoofd schuin. ‘’Dat is iets wat ik niet weet mijn kind, ik ken het boek, noch de theorie ervan niet. Ik weet alleen dat jij het kan. Wij zijn te oud, hebben teveel meegemaakt. We zijn ons kinderlijke onschuld kwijt. Maar jij, jij bezit het nog. Ondanks de oorlog heb jij de kracht er iets moois en wonderlijks van te maken. Een wonderlijke wereld.’’ De pastoor keek naar de lucht waar enkele zwaluwen vlogen. Spelend met de zuchten van de wind die blies. Ik ging bij de muur staan en probeerde uit wat ik in het boek had gelezen. Ik fantaseerde de muur die langzaam oploste. In het midden van de leegte toverde ik een grote leeuwenkop met een zwaar hengsel tussen zijn scherpe tanden. De kop hing aan een

30


grote houten deur, omringt met guirlandes en ornamenten. Ik sneed zelf de figuren van de mystieke taferelen uit het hout en bewerkte het steen, waarvan de zuilen gemaakt waren. Ik doopte de woning tot het huis van de waarheid, Huize Veritas. Een kronkelende stroom rook verliet de hoge schoorsteen en verspreidde de lucht van verse groentesoep met veel selderij en bieslook. De geur vulde de ruimte. Ik plaveide de grond met een mahoniehouten vloer. De meubels maakte ik zelf en stopte de zware boekenkast vol met de boeken die ik tijdens mijn verblijf in de aardappelschuur had gelezen. Toen opende ik mijn ogen. De witte barrière was een mist van dauwdruppels geworden. De zon gaf ze kleur en mijn gedachten de vorm. De mist steeg langzaam op en toonde het prachtige oude huis, geflankeerd door dikke oude bomen. Ik voelde een warme hand op mijn schouder. Samuel Bruere stond met tranen in zijn ogen te kijken naar zijn huis waar hij zijn hele leven had gewoond. ‘’Dank je wel mijn kind’’ zei hij met een zware trillende stem, terwijl hij langzaam naar zijn huisje schuifelde. ‘’Mijn prachtige huis. Je bent er weer’’, zuchtte hij terwijl hij ging zitten bij zijn oude vertrouwde haardvuur. Verenigd. Voorbij de mist, aan de andere kant van het ijs, stond de witte man naar de voetstappen in de heide te kijken. Volgens bronnen had er een meisje door het bos gelopen met de lang verloren Wegwijzer. Een ivoren buisje met daarin een kaart dat leidde naar de schuilplaats van de Veritas, een genootschap dat zich bezig hield met alchemie en verzonnen werelden. Een van de vele verdoemde pogingen zijn macht te ondermijnen. Iets dat volgens de witte man onmogelijk was. Maar het gehele genootschap was inmiddels al uitgeroeid. Hoe kon een klein onbekend meisje er dan van weten. Ergens zat het hem niet lekker. Ze moesten dat meisje vinden en elimineren. Er mocht geen spoor overblijven van het genootschap. Ze moesten en zouden hun plannen vernietigen. Verbeten en vol woede keek hij naar het huize Veritas, waarvan nog maar een klein hoopje smeulend as over was. Gewikkeld in een mist van rook en dauwdruppels. De witte man stak zijn hand in de lucht en gaf orders om ook de rest van het bos in brand te steken. Het kleine meisje had geen schijn van kans.

31


32


Hoofdstuk 6 De dichte rook die het bos omringde zweefde op. De frisgroene bladeren in lente kleurden de omgeving rond huize Veritas, het huis, de aardappelschuur en de mysterieuze heide die nu mijn thuis was geworden. Met het schilderen van het bos op de witte muur was de horizon een stuk groter geworden. Het bos zou het nodige eten verschaffen en de ruimte van voldoende zuurstof voorzien. De eerste mensen konden de wereld nu betreden. Maar eerst was het tijd om uit te rusten. Ik plantte mijzelf tussen het pas getoverde stro en keek rond de wereld die zich vulde met dieren. Vogels, herten, konijnen. Allemaal verschenen ze alsof deze wereld slechts een verlengde was van de aarde. Ik miste mams en paps. Wat zou ik ze graag weer bij me hebben. Maar ik had geen enkel idee hoe ik ze hier moest krijgen. Het antwoord stond waarschijnlijk wel in het boek. Maar die lag nog thuis in de oude aardappelschuur onder de grond. De enige mogelijkheid was het boek te vinden. Maar daarvoor moest ik de wereld uit. Ik sprintte naar Pastoor Eboris die, samen met Samuel Bruere, bezig was met het schilderen van het dorp op de wand. ‘Pastoor Eboris, ik moet terug naar de echte wereld.’ vertelde ik, deels buiten adem. De pastoor keek verschrikt om. ‘’Hoezo kindje, je kunt niet terug. Er is alleen een doorgang, geen uitgang.’’ Ik keek de pastoor met verdrietige ogen aan. ‘Maar ik weet niet hoe ik de mensen hier moet krijgen. Het staat vast in het boek van ome Sam. Maar die ligt thuis.’ De pastoor opende zijn mond om iets te zeggen maar Samuel was hem voor. ‘’Meisje, als je denkt dat je naar de wereld terug moet, dan moet je dat doen. Wij kunnen je daar niet bij helpen, wij weten de weg niet. Maar misschien dat iemand anders je kan helpen.’’ Samuel floot op zijn vingers. Uit een van de bomen vloog een witte uil op. Zijn wiekslagen veroorzaakten een windzucht die het gras liet buigen. Zonder gewicht daalde hij neer op de schouder van Samuel. Pastoor Eboris en ik keken hem verwonderd aan. ‘’Dit is Hibou. Hij heeft mij hierheen gebracht toen de witte man mijn huis plunderde.’’ De sneeuwuil verschool zich schamend onder zijn vleugel. Kleine geluidjes koerend. ‘’Hij heeft me de weg laten zien. Zonder hem was ik hier nooit gekomen.’’ Samuel aaide over de veren van Hibou, die

33


zijn kop stevig tegen zijn hand aan drukte. ‘’Misschien kan Hibou je de weg terug wijzen, als hij er zin in heeft. Mij heeft hij nooit verteld waar de uitgang is. Hij is nogal koppig, maar misschien kun jij beter met hem omgaan.’’ De uil vloog op en landde op mijn hoofd. Hij danste, en maakte kriebelende bewegingen met zijn pootjes. Ik giechelde luid. Toen vloog hij op en verdween in het bos. Ik twijfelde geen moment en rende, al wuivend, achter Hibou aan. ’Ik ben zo snel mogelijk weer terug, hopelijk met meer mensen’, schreeuwde ik terug. De pastoor rende achter het meisje aan om haar tegen te houden, maar zijn oude botten konden het lenige en behendige meisje niet bijhouden. ‘’Maar je kunt niet naar huis’’ riep hij met vermoeide uithalen. ‘’Het is er niet meer. Je huis is hier!’’ Na wel een half uur rennen door het grote bos hield Hibou eindelijk op met vliegen. Hij ging zitten op een heel dun berkentakje dat gevaarlijk ver doorboog onder zijn gewicht. Met zijn vleugel wees hij naar een frisgroene plek in het zand. Het was een perfect rond stukje sterremos dat kleine druppeltjes dauw had gevangen. Vreemd genoeg was het al laat in de middag. Tegen deze tijd zou het dauw al moeten zijn opgelost. Ik streek met mijn vinger over het sterremos en proefde een van de dauwdruppels. Het smaakte zilt. Voorzichtig ging ik in het zachte bed zitten. Hibou had zijn ogen gesloten en stond op één poot op het gevaarlijk dunne takje. Kleine zoete geluidjes verlieten zijn keel. Ik keek om mij heen. De bomen en het bos keken mij aan, alsof ze me wilden vertellen waar ik was. Alsof ze alles deden om een bepaalde herinnering naar boven te brengen. Plotseling viel er een glazen parel uit de lucht en belandde in het sterremos. Het leek een traan of regendruppel. Opeens herinnerde ik me waar ik was. Dit was het bankje sterremos waar ik had gelegen en bijna de hoop had verloren. Maar op de een of andere manier werd ik gesterkt en kon ik verder. De warme lenteregen had me ontwaakt. Er vielen meer tranen uit de hemel. Eén voor één landden ze op het sterremos, dat voor elke druppel een buiging maakte. Een sluier van dauw daalde neer over het markante plekje in het bos, dat altijd groen was. Een dun laagje water glinsterde op mijn huid, en doorweekte mijn kleren. Ook Hibou kreeg de volle laag. Hij had zich heel dun gemaakt om het water zoveel mogelijk te ontwijken. Met een oog open keek hij om zich heen, alsof hij wilde controleren of ik nog steeds op de plaats

34


zat. De waas van tranendruppels werd steeds dichter. Het bos om mij heen vervaagde in strepen, met lange druipende uithalen. Een uitgelopen schilderspalet. Het verloor zijn kleur in de schittering van de druppels, die net diamanten leken. In hun onbreekbaarheid slepen ze de kleurrijke huid van de wereld weg en lieten zwartgrijze littekens over. Plotseling verdween de regen, zo snel als het gekomen was. Een verhulde zon probeerde door het verkoolde bladerdek te kijken. Maar wat hij zag was niet fraai. Het eens zo mooie bos was verbrand. Zwartgeblakerd. De bladeren van smaragd lagen na te smeulen op de grond. En de prachtige stammen, die het pad door het bos markeerden, hadden iets van hun dominantie verloren. Het leven was eruit. ‘Hibou’, zei ik angstig. ‘Wat is hier gebeurd?’ Ik keek in de richting van het berkentakje. Maar de grote wijze witte sneeuwuil was verdwenen. In zijn plaats zat er een klein wit vogeltje luid te tsjilpen. Het vloog op en beschreef ellipsen. ‘Hibou, ben jij dat?’, vroeg ik aan het kleine beestje. Het witte vogeltje landde op mijn hoofd en trappelde met zijn pootjes. Het was hem! ‘Dus jij hebt mij al die tijd gevolgd, jij hebt me naar de wereld gebracht.’ Hibou verschool zich onder zijn vleugels, alsof hij zich geneerde voor zijn undercover actie. Ik stond op en zette hem op mijn schouder. Voorzichtig aaide ik het kleine witte vogeltje over zijn kopje. ‘Bedankt Hibou, voor je hulp. Zonder jou had ik al dat moois nooit gevonden.’ Hij floot luid. ‘Nu moeten we eerst het boek van Ome Sam vinden, en snel. Aan deze resten te zien is de witte man bezig. Er mogen niet meer mensen worden vermoord.’ Plotseling moest ik aan Isaac denken. Voor hem was het al te laat. Als ik eerder was geweest had ik hem misschien nog kunnen redden. Ik huiverde en probeerde die gedachte weg te wuiven. Het was nu geen tijd om aan de dingen te denken die niet meer konden. Het was tijd om verder te gaan. Het dal uit. Met grote passen stapte ik door de as. Het kraakte jammerlijk onder mijn voeten. Ik ploeterde door de dood, onbewust zoekend naar leven. Het pad was niet meer te onderscheiden van de rest van het bos. De vernietiging had alles getroffen. Zelfs de horizon leek verdwenen achter het rokende grijze scherm. Toch verschenen hier en daar, deels verhuld door zand en as, de kiezels van het verhardde pad dat naar het huis liep. Ik had er dikwijls hele mooie tussen gevonden. Sommigen bevatten glazen deeltjes, zodat je er doorheen kon kijken. Dan legde ik ze op de vensterbank in de zon. Er verscheen

35


dan een kleurenspel van licht in de woonkamer van de oude boerderij. Maar van het huis was niet veel meer over. Het likkende vuur had de laatste resten van het huis weggenomen en veranderd in stof. Ik moest even slikken. Dit was de plek waar ik was opgegroeid. Nu was het vernietigd. Plotseling schoot de schrik mij door het hart. Als het vuur het huis al had bereikt, dan was ook vast de aardappelschuur… Alsof ik werd opgejaagd door een roedel wolven rende ik naar het huisje onder de grond. Eenmaal aangekomen leek het alsof mijn hart even stil stond. Op de plaats waar eerst het luik verscholen zat, was nu een gapend gat te vinden. Het werd omzoomd door verkoolde planken en verschroeide lakens. De po hing hoog in de boom. Maar tussen die rotzooi zat een vrouw te zoeken naar overblijfsels. Ze had een wit schort aan vol grijze strepen van de as. Op blote voeten liep ze door de scherven, het haar bijeengehouden door een rode zakdoek. De zweetdruppeltjes parelden op haar huid, toen ze een blik bonen uit het zand viste. Ik herkende haar meteen en rende erheen. Het was Marie, de vrouw van Ome Sam. De tranen stroomden over mijn wangen toen ik de vrouw omhelsde van blijdschap. Ze schrok zo dat ze achterover viel. Even verscheen er een verschrikte blik op haar gezicht, maar dat veranderde in ontzetting en geluk toen ze mijn gezicht zag. ‘’Hoe kan dat, waar ben je geweest? O God, dank U’’ riep ze terwijl ze mij innig omhelsde. ‘’Je ouders waren zo ongerust. Ze dachten dat je was gegrepen door soldaten.’’ Ik keek haar aan. ‘Waar zijn mijn ouders nu?’, zei ik met een trillerige snik. ‘Ze hebben toch niets?’ ‘’Nee’’, zei Marie. ‘’Ze hebben niets, maar zijn nog wel erg ziek. Er is niets te eten of te drinken. En we zijn telkens op onze hoede voor de witte man.’’ Marie zuchtte en pakte mijn arm zacht vast. ‘’Kom, ik breng je snel naar je ouders terug.’’ Ik volgde haar gedwee en opgewonden, blij dat ik eindelijk mijn ouders weer zag. Ze zaten rond een klein kampvuurtje, samen met Ome Sam. Mams kookte zoals altijd het eten, en paps besprak iets met Ome Sam. Maar zo gauw ze Marie en mij in het oog kregen veranderde de stemming. Er weerklonk een luide gil door het bos toen mama me zag. Ze stootte haast de pan omver in haar sprint naar mij. Tranen van blijdschap en woorden van geluk galmden door het bos, terwijl ik omhoog werd gehouden en bijna plat werd gedrukt tussen mams en paps. Maar het was geweldig. Eindelijk, na die lange, lange tijd zag ik ze weer terug. Nadat ik ze al die tijd had

36


moeten missen. De verwelkoming kon mij niet lang genoeg duren. Maar opeens werd het ruw onderbroken door een schot. Een kogel schoot rakelings langs hen heen en plantte zich diep in de beschadigde stam van de verkoolde boom. We doken onmiddellijk op de grond. Een grote groep soldaten kwam, vanuit alle windrichtingen, aanstormen. Hibou floot schel en vloog op. Seinend naar de plek waar ik vandaan kwam. ‘Mams, paps, we moeten rennen. Snel.’ Ik trok hard aan hun kleding en gebood ze mee te gaan in het bos. ‘’Maar kindje, we kunnen het bos niet in gaan. Het krioelt daar van de soldaten. Als we nu willen vluchten, dan moeten we naar het dorp’’, riep papa uit. Ome Sam knikte, terwijl hij beschermend over Marie boog. ‘Nee, papa, we moeten het bos in. Ik weet… Ik weet een plek waar we heen kunnen, waar het veilig is.’ Hibou vloog gevaarlijk spiraliserend in de lucht, en floot dat de mannen dichterbij kwamen. Er luidde een tweede schot. ‘Alsjeblieft, vertrouw me. We moeten echt het bos in.’ Plotseling brak de wolkenlucht open. Een zonnestraal ontsnapte uit de rook. De ivoren koker spiegelde zijn inscripties. Ome Sam keek met grote ogen op. Opeens leek hij overtuigd. ‘We moeten naar haar luisteren, we volgen haar het bos in. Kom vlug.’ Een regen van kogels doorzeefde het verloren bos, terwijl iedereen het weifelend op het lopen zette. Met Hibou aan kop rende ik door de as, met mams hand nog steeds in de mijne geklemd. Aan alle kanten waren de soldaten nu verschenen en achtervolgden hen. ‘We moeten het bos in’, riep ik naar paps. ‘Naar het sterremos!’ Paps keek verbaasd op. ‘’Sterremos? Wat moeten we bij het sterremos schat.’’ Hij ontweek behendig een kogel. ‘Vertrouw me papa, ik leg het straks wel uit wanneer we er zijn.’ We passeerden in ongekende snelheid de ruïnes van de aardappelschuur en schoten, langs de boerderij, het bos in. De soldaten maakten bij iedere pas een inhaalslag, terwijl de totale munitie op ons werd afgevuurd. De ondergrond leek te bezwijken onder het gewicht van de mensen. Marie, Ome Sam en mams konden het tempo waarop gesprint werd haast niet bijhouden. Maar ze moesten door. ‘We zijn er bijna.’ In de verte verscheen het frisgroene sterremos, met zijn gevangen dauwdruppels. Ik dook er zowat op. ‘Snel, ga allemaal op het sterremos staan’, riep ik luid, terwijl ik het dauw over het oppervlak verspreidde. Maar er gebeurde niets. Er viel geen regen, geen traan. De wereld loste niet op. De soldaten gingen in een cirkel rond ons

37


staan, en richtten hun geweren. Wanhopig zocht ik naar mogelijkheden. Ik betastte het mos, zocht de lucht af, maar er was niets. Het leek een gewoon bankje sterremos. Hibou keek mij aan met een schuin hoofdje, alsof hij zich afvroeg hoe lang het nog ging duren voordat ik iets deed. Maar ik wist het niet. In alle commotie was ik het werkelijke doel van deze reis vergeten. Het boek van Ome Sam vinden. Met tranen in mijn ogen keek ik ze aan. ‘Het werkt niet paps, het lukt me niet.’ De woorden ebden weg in de ruimte. Paps sloeg een arm om mij heen en keek bang naar de lopen van de geweren die hem in grote getale aanstaarden. Marie huilde zachtjes. ‘Ik, ik had het boek van Ome Sam moeten zoeken. Maar ik was zo blij jullie weer te zien, dat ik het ben vergeten’, snikte ik. Papa keek me vol medelijden aan. Ome Sam schudde met zijn hoofd. ‘’Het boek is er niet meer.’’, zei hij. ‘’Het is vergaan tijdens de brand.’’ Ik keek hem aan met ogen zo groot als schoteltjes. Daar vervloog de laatste hoop. Vluchten konden ze niet meer. Het enige wat hun restte was een wisse dood. Ik keek naar de soldaten die klaar waren om te vuren. Een van hen, zonder geweer, had een wit gewaad aan. Het was de witte man. Hij had een brede glimlach op zijn gezicht, terwijl hij naar voren liep. ‘’Zo. Hier hebben we ze. De laatste leden van het Veritas genootschap. Het genootschap van de waarheid, laat me niet lachen. Maar het lijkt er toch op dat jullie de waarheid niet hebben gevonden hé. Ik was jullie voor.’’ De witte man liep naar mij toe. ‘’En nu denken jullie dat ik zo’n klein beest mijn plannen laat dwarsbomen? Neeh, nooit niet.’’ Ik keek in zijn donkere ogen die geen enkele emotie toonden. Ze waren nog leger dan het niets. Boos keek ik hoe hij zijn tirade voortzette. ‘’Tsja, ik moet jullie helaas melden dat ik jullie toch uit moet roeien. Maar dat laat ik mijn mannen wel voor me doen.’’ Hij streek mijn zijn vinger over een van de blinkende lopen van het geweer, en bekeek het stof op zijn vinger. ‘’Hopelijk laten jullie niet al te veel rotzooi achter’’ De witte man stak zijn hand op, en de geweren werden geladen. Het angstaanjagende getik echode door het bos. Ik sloot mijn ogen voor de knal, voelde mama’s hand in de mijne en papa’s hand op mijn schouder. Ik greep Marie’s hand vast die, verstrengeld in Ome Sams armen lag te snikken en te beven. Hibou sliep op mijn hoofd. Ik dacht terug aan pastoor Eboris en Samuel Bruere, die daar zaten te wachten tot ik terug kwam. In de prachtige wereld, ver weg in de nevelen verscholen. Ik dacht aan Hibou die cirkelend door de lucht

38


vloog. Hij liet vanuit de lucht een penseel op de grond vallen. Ik pakte hem op en schilderde. Ik schilderde mijzelf, samen met mams, paps, ome Sam, Marie en Isaac in een korenveld. We dansten, plukten klaprozen en verzamelden granen om er vers brood van te maken. Ik schilderde ze op de witte wand aan de horizon. Al het moois dat ik had meegemaakt werd geschilderd. En de oorlog, de witte man en de vele soldaten, zoekend naar zichzelf tussen het puin van hun leven, schilderde ik niet. Die wilde ik niet. Ik liet ze simpelweg‌ weg. De blinkende geweren gingen omlaag toen de soldaten zagen wat er zich op het sterremos bevond. Namelijk niets. In ÊÊn enkele oogwenk was het groepje mensen plots verdwenen, en lieten de witte man luidkeels schreeuwend en jammerend achter. Alleen bij het sterremos.

39


Langzaam kringelt de nevel voor mijn ogen weg en tovert licht op de dingen die in vergetelheid zijn opgelost.

40


Hoofdstuk 7 Het was alsof de nevel ineens verscheen, alsof de wereld ineens werd opgelost door duizend druppels. We zweefden over de heide met springende herten en dansende vlinders die gewichtloos de dauwdruppels te lijf gingen. En zo gauw we vlogen, zo gauw kwamen we ook weer neer op een glinsterend laagje ijs dat haast niet te onderscheiden was van de dichte mist om ons heen. ‘’Waar zijn we.’’, vroeg paps geschrokken en opgelucht tegelijk. Hij probeerde heel voorzichtig op te staan terwijl hij het ijs inspecteerde. ‘Dit is de overgang tussen onze wereld en de andere.’, vertelde ik. ‘Je moet eerst dit ijs over. Mij is verteld dat alleen mensen met een puur hart het ijs over kunnen steken. De rest zal er doorheen zakken in de zwarte diepte.’ Ik wees naar een wak en de zwarte kolkende massa die erin huisde. ‘Het komt omdat de goede en slechte daden vast zitten aan een persoon zijn ziel. De goede daden maken een ziel licht en de slechte daden maken de ziel zwaar. Hoe meer slechte daden iemand heeft, hoe zwaarder diegene is. En als je te zwaar bent, dan kun je dit ijs niet over.’ ‘’Zielenzwaarte.’’, fluisterde ome Sam zacht, terwijl hij bedenkelijk naar het dunne ijs keek. ‘Ja ome Sam, het heet inderdaad zielenzwaarte’, zei ik verrast. ‘Maar wees niet bang, wij kunnen het ijs over zonder probleem. Wij zijn vast licht genoeg.’ Ik zette een paar stappen op het ijs en trok mama en Marie aan hun handen mee. Het ijs kraakte niet. Op een gegeven moment volgden ook paps en ome Sam. Zonder enkel geluid liet het ijs de vele personen toe. Al schuifelend liepen we over het glas. Het duurde niet lang of het ijs ging over in land met gouden koren en bloemen. Kevers en woelmuizen schoten onder de halmen weg en verscholen zich in hun holen. In de verte verscheen een boerderij met daarachter een uitgestrekt bos en een groot korenveld met hoge halmen, waar pastoor Eboris en Samuel Bruere bezig waren met de laatste hand aan hun schilderij van het dorp. ‘Pastoor Eboris, Samuel, hier ben ik’ Verrast keken de twee om terwijl ze naar ons toe kwamen rennen. Het gezelschap sloeg elkaar in de armen, een teken van een jarenlange hechte vriendschap. ‘’Mam…pap’’, klonk het opeens door het koren. Met een schok sloeg ik mijn hoofd opzij in de richting van het geluid. Er steeg een luid gegil op uit de halmen. In

41


een kakofonie van schreeuwen en miljoenen tranen stortte Marie zich op de herkomst van het geluid in het veld. Isaac. Vol ongeloof keek ik toe hoe daar, totaal ongeschonden, mijn vriend stond. Tranen sprongen in mijn ogen. Ook ik kon niets anders doen dan hysterisch naar hem toe rennen en hem omarmen. Het werd een gezamenlijke groepsknuffel. Zelfs Hibou, weer in de gestalte van de wijze witte sneeuwuil, deed mee. Maar toch voelde ik dat er iets niet klopte. Er miste iets. Plotseling besefte ik de leegte. ‘Waar is Julia?’ Meteen viel de omhelzing uiteen. De tranen in tante Marie haar ogen veranderden van geluk naar verdriet. ‘’Ze is meegenomen door de witte man. Ze moet voor hem werken.’’ Marie barstte in tranen uit. Ome Sam kwam gelijk bij haar om haar te troosten. Hibou gaf kopjes. ‘’We moeten haar vinden’’, zei Isaac, terwijl hij hoopvol naar mij keek. ‘Ik kan haar op de wand schilderen’, zei ik luid en greep snel een penseel van de grond. ‘’Dat heeft geen zin’’, riep Samuel. ‘’Je kunt geen mensen schilderen. Ze moeten zelf, op hun eigen houtje, de weg vinden.’’ Ik keek Samuel verbaasd aan. ‘Maar hoe is Isaac hier dan gekomen?.’ ‘’Nou, je vertelde mij toch dat hij was gedood door het leger van de witte man? Hij was hier dus al in de buurt. Alle zielen komen dicht bij deze wereld. Het is alleen de kunst om het te vinden. Jij toonde Isaac de weg door hem hier te wensen. Dus hij wist hier te komen, op zichzelf.’’ Onmiddellijk keek ik naar Isaac en knikte. ‘Dan moeten we Julia ook de weg wijzen’, zei ik en greep Isaac’s hand. Samen renden wij richting het bos, terwijl mams luid schreeuwend ons verbood om te gaan. Maar deze keer moest ik ongehoorzaam zijn. Julia moest terug en ik had een plan om de witte man te slim af te zijn. De reis naar de stad duurde niet lang. Het was niet ver van het bos en het dorp. In de verte doemde de grote vierkante toren op, welke de residentie van de witte man vormde. Het gebouw was gemaakt van grote keien en bekleed met grijsbruin leem, die het gebouw een massief uiterlijk gaf. De kleine ramen die, hier en daar, door de dikke wanden kwamen waren haast niet zichtbaar. Het leek een blok. Een ondoordringbare rots. Maar aan de andere kant van het gebouw was het aanblik heel anders. Daar leek het gebouw meer op een grote villa dan een fort. Voor het gebouw was een grote tuin ingericht met vele doolhoven. Een grote marmeren fontein met

42


metershoge waterspuwers rees boven het groen uit. Een partij trappen kroop naar boven en verschafte toegang tot twee smeedijzeren deuren met donkergrijze deurknoppen en een massief zilveren deurklopper. De deur stond op een kier. Met Isaac nog steeds aan de hand slopen we naar binnen. De deur gaf toegang tot een grote imposante foyer met twee houten trappen die naar een oneindige rij deuren liep. Achter een van die deuren was vast de witte man te vinden. Helaas stond bovenaan de trap een bewaker te ijsberen. Daar konden ze onmogelijk langs komen. Ik keek om me heen voor opties. ‘Wat moeten we doen Isaac? Hoe komen we boven?’ Ook Isaac inspecteerde de ruimte. In de hoek vond hij een kar met daarop een aantal dienbladen. Hij snelde ernaar toe en legde een paar overgebleven etenswaren op de borden. Hij greep een paar bloemen uit de vazen, die de trap flankeerden, en legde ze naast het bord. Vlug duwde hij een dienblad in mijn handen en snelde naar de trap. ‘’We doen alsof we zijn hulpjes zijn. Laat mij het woord doen.’’ Zonder te twijfelen volgde ik Isaac. Ik moest onmiddellijk denken aan de avonturen die we in het bos hadden beleefd. De hutten, tunnels en geheime schuilplaatsen die we hadden gemaakt. Isaac was altijd al bijzonder vindingrijk geweest. En dapper. Bijna zonder geluid liep ik de trap op. Isaac was inmiddels al bij de bewaker. Hij vertelde dat ze beide nieuw waren en de witte man eten moesten brengen. Het was een bevel, maar ze wisten de weg naar zijn kantoor niet. De bewaker keek twijfelend, maar liet ons toch door. Zonder een blik te wisselen werden wij een deur door geleid, waarachter zich het kantoor van de witte man bevond. Onmiddellijk werd mijn aandacht getrokken door een meisje dat de voeten van een man masseerde. Het was Julia. Ze keek op toen ze ons zag, maar zei niets. Het leek alsof ze doorhad dat wij iets van plan waren. De man draaide zich slaperig om toen hij de deur dicht hoorde gaan. Met een luid gekreun kwam hij overeind, de divan luid krakend onder het gewicht. Hij wreef over zijn buik en krabde aan zijn achterste. Met veel moeite deed hij zijn mond open om iets te zeggen. ‘’Jah?’’, was het enige woord dat hij kon uitbrengen. Isaac stapte naar voren en deed het woord. Ik keek rond in de ruimte. Het was een eenvoudig kantoor met grote ramen. Veel rijkdom was er eigenlijk niet. Het was overduidelijk het werkkantoor van de witte man. Het bureau was bezaaid met kaarten en geschriften. De wanden werden bekleed met geo-

43


grafische schilderingen en planken met een enorme boekencollectie. Ook lagen er kisten, waarvan enkele open stonden. Ze waren gevuld met juwelen. Waarschijnlijk allemaal gestolen van de mensen die onder zijn gezag waren bezweken. En daar, op de divan, zat de man de het allemaal veroorzaakt had. Ik stapte naar voren en legde het dienblad op de tafel. Het liefste wilde ik het, met glas en al, in zijn gezicht gooien. De man ging op het puntje van zijn stoel zitten. ‘’Ik heb al gegeten’’, zei hij luid. ‘’’Wat komen jullie doen?’’ Hij trok zijn ogen tot spleetjes en observeerde mij van top tot teen. ‘’Ken ik jou niet ergens van?’’ Plotseling stond hij op. ‘’Jij bent dat meisje van het genootschap!’’ Onmiddellijk kwam hij naar mij toe rennen. ‘’Bewakers!’’, gilde hij door de ruimte, terwijl hij mij bij mijn haren greep en omhoog trok. Twee soldaten kwamen de kamer binnen en grepen Isaac en Julia vast. Ik kon alleen maar glimlachen. ‘Isaac, Julia, grijp mijn hand’, schreeuwde ik terwijl ik mij los wist te schudden. Als in een reflex doken de soldaten op mij en lieten Isaac en Julia los. Onmiddellijk greep ik hun handen vast, terwijl ik tegen de grond werd gedrukt door de twee soldaten en de dikke witte man. Ik staarde naar het plafond en fantaseerde dat het één van de witte wanden was in de wonderlijke wereld. Ik schilderde ons allen erop. Ik, Julia, Isaac en de witte man met zijn soldaten. Allemaal schilderde ik ze. Het plafond begon verf te druipen. Kleine drupjes vocht dropen langs de wanden op de vloer. Van schrik liet de witte man mij los en stond op. ‘’Ze is een heks’’, gilde hij als een dikke keukenmeid. De wanden begonnen uit te lopen en het uitzicht naar buiten verging in strepen. De witte man vluchtte naar de deur, maar de toegang was verdwenen. Ik verwonderde mij hoe snel hij zich nog kon voortbewegen met al dat overtollige gewicht. Hij grabbelde in zijn broekzak en haalde er een groot geweer uit. Onmiddellijk schoot hij. Julia gilde. Het geluid echode door de ruimte vol mist. Ik voelde een warme vloeistof langs mijn lichaam stromen. Mijn adem stokte, maar mijn bewustzijn was helder. Helderheid in de mist. Het ijs kraakte jammerend en begon scheuren te vertonen. ‘Rennen’, riep ik naar Julia en Isaac, terwijl ik nog steeds tegen de ijzige grond werd gedrukt. Het plasje bloed werd steeds groter en droop door de scheuren van het ijs. Plotseling begaf het ijs het. Even voelde ik mij gewichtloos, maar stortte daarna, samen met de soldaten, in de donkere massa. Ook de witte man stortte omlaag, zich vastklampend aan een stuk ijs.

44


Gillend. Oorverdovend gillend. Het duistere water verzamelde zich rond mijn bloedend lichaam. Het kwam al tot mijn lippen. De soldaten verloren hun grip op mij in hun poging hun leven te redden. De doodsangst weerspiegelde in hun ogen. Maar er was geen weg terug. Ze gingen kopje onder en verdwenen. Opeens voelde ik een hand om mijn been. Het was de witte man. Met ogen zo groot als schoteltjes keek hij mij aan vanonder het wateroppervlak. Zijn bolle wangen bevatten lucht, maar te weinig om te bewegen. Zijn lichaam kon zich niet langer verzetten tegen de ademhalingsreflex. Hij sperde zijn grote hongerige mond open en zoog het water naar binnen. Zijn lichaam schokte, terwijl zijn grip kracht verloor. Twee halfdode ogen keken mij aan terwijl zijn lichaam verder naar beneden zakte. Het witte gewaad zweefde als een opbollend zeil in het gewichtloze. Het zwart omhulde zijn lijk. De grote zilveren ketting van de cirkel met de streep glom in het laatste licht, totdat het ook verdween in de zwarte diepte. Hij daalde snel af, terwijl ik, zonder al dat gewicht van te zware mensen, omhoog zweefde. Het water en het ijs voorbij. Zelfs de nevel passeerde ik. Ik zweefde hoger en hoger, naar een oogverblindend fel licht die mijn ogen deed samenknijpen. Maar opeens was het voorbij. Met een schok kwam ik terecht op vaste grond. Ik tastte het oppervlak af in de verwachting dat ik ijs zou vinden. Maar in plaats daarvan voelde ik iets donzigs. Iets zachts. Ik opende mijn ogen en vond mijzelf tussen het koren en het gras. Het zonlicht weerspiegelde in het groen. Ik streek over mijn buik. De schotwond was verdwenen, net als de pijn. Wie sterft voor een ander sterft niet. Verbaasd stond ik op en schuifelde door de halmen. In de verte zag ik een groepje mensen staan. Ze renden naar mij toe. ‘’Daar ben je, gelukkig’’, hoorde ik mama zeggen. Er volgde wederom een groepsknuffel. Maar ditmaal compleet. ‘’Wat is er gebeurd’’, vroeg paps terwijl hij mij stevig tegen zich aan drukte. ‘Het was de witte man. Ik heb hem de weg naar onze wereld gewezen.’, zei ik. Er verscheen paniek in de ogen van de pastoor. ‘Maar hij was te slecht. Hij was te zwaar. Hij is door het ijs gezakt.’ Er verscheen een glimlach op Samuels gezicht en opluchting op die van de pastoor. ‘’Heel goed mijn kind, verstandig’’, zei Samuel. ‘’Het is je gelukt.’’ Ik trok een grimas. ‘Ik weet hoe ik de mensen hier moet krijgen. Ik moet naar de wereld toe en ze in mijn fantasie hier schilderen. Dan verdwijnen ze naar onze wereld. Ze lossen op.’ Ik

45


keek vermoeid omhoog. ‘Maar voordat ze hier kunnen komen, moeten ze nog eerst het ijs over. Alleen goede en pure mensen zullen hier kunnen komen. Het kwaad bestaat hier niet.’ Ik sloeg mijn arm nog strakker om mams en paps heen. ‘Het is gelukt’’, fluisterde ik zacht. Gelukt. Ik zuchtte diep en keek rond in de prachtige gevulde wereld, terwijl ik genoot van de compleetheid, de liefde en het pure geluk achter nevel.

46


47


Epiloog Ik aaide over het sterremos, te midden tussen de verkoolde bomen waarvan enkele wortels al weer de eerste nieuwe loten begonnen te vormen. Sommige hadden zelfs al blad. Het was lang geleden dat ik voor het laatst op de aarde kwam, maar het aanblik was verrassend. De wereld herstelde zich weer na al dat kwaad. Nu de witte man weg was hadden de meesten het leven weer opgepakt. Het dorp werd herbouwd en de vrede in het land hersteld. Niemand begreep waar de witte man zo plotseling was gebleven. Het leek een wonder, en dat moest het ook blijven. Totdat ik, een klein meisje, naar hen toekwam met de vraag of ze de wereld wilden verlaten voor iets anders, iets mooiers. Waar kwaad niet kan leven en waar geen ziekte of pijn heerst. De meesten gingen mee onder de voorwaarde dat ze mensen mee mochten nemen. Anderen geloofden het niet en sommigen wilden niet weg van de aarde. Soms ging ik onverrichte zake weer terug. En het was erg vermoeiend. Er waren zoveel mensen op de wereld. Zelfs in een heel leven kon ik ze niet allemaal weg krijgen. Dus moest er een andere oplossing komen. Met een diepe zucht stopte ik het laatste papiertje in het kokertje. Op het perkament stond een kaart, welke de weg wees naar de mysterieuze plek in het bos, die toegang verschafte tot de wonderlijke wereld. Ik gaf het kokertje aan een witte sneeuwuil, genaamd Hibou. Hij zou gaan vliegen en het kokertje op een bepaalde plek laten vallen. De mensen zouden de kaart vinden en misschien de tocht naar de wonderlijke wereld maken. Ik aaide over de witte zachte veren van de sneeuwuil. Hij riep naar de rest om duidelijk te maken dat ze klaar waren voor de tocht rond de wereld. Duizenden uilen antwoorden opgewonden terug en stegen op. De start van de vlucht veroorzaakte een enorme windvlaag dat het bos uit zijn slaap ontwaakte. Mijn haren wapperden in de wind. Ik keek toe hoe de witte verenkleden de zon weerspiegelden. Als gouden vogels. Langzaam verdwenen ze aan de verre horizon. Ik glimlachte en wenste de uilen alle geluk en succes toe. ‘’Tot snel mijn vrienden, tot snel.’’ En terwijl ik mijn tocht terug naar de wonderlijke wereld vervolgde viel er een ivoren kokertje, ergens op de wereld, naar beneden.

48


Blinkend landde het op het zand, vlakbij de zee waar de zon onder ging. Een klein meisje, ongeveer net zo oud als mijzelf, wandelde met haar ouders op het strand. Het kokertje met de kaart trok onmiddellijk de aandacht. Met haar kleine vingertjes probeerde het meisje het ivoren kokertje te openen. Voorzichtig haalde ze het papiertje eruit. Het was een stuk fragiel perkament met een simpele kaart, leidend naar een kruis in het bos. Het papier ontrolde zich, tevreden zuchtend. ‘’Kijk mam, kijk pap. Wat is die plek in dat bos? Waar… leidt die kaart heen?’’

49


50

In the Heart of the Forest  

In donkere dagen, zwarte tijden, waar verdriet heerst en oorlog zich als een duistere schaduw over het land beweegt, zijn lichtpuntjes moeil...