Page 1

ONAFHANKELIJK VAKBLAD VOOR ERFGOEDPROFESSIONALS ARCHEOLOGIE | CULTUURLANDSCHAP | MONUMENTEN | IMMATERIEEL ERFGOED | VOLKSCULTUUR

JAARGANG 11 | NUM M E R 4 2 | JA NU A RI 2 0 1 8

DE VIER JAARGETIJDEN IN BEELD

NAAR EEN DUURZAME INSTANDHOUDING VAN HET GEBOUWDE ERFGOED

VITRUVIUS_Jan.2018 v2.indd 1

HET EXPRESSIONISTISCHE WEGKRUIS VAN LEEN DOUWES IN BREDA

VAN GRACHTENHUIS TOT VILLA IN HET GROEN

27/11/17 16:35


colofon

VITRUVIUS NUMMER 41 OKTOBER 2017

Vitruvius is een informatief, promotioneel, onafhankelijk vaktijdschrift dat beoogt kennis en evaring uit te wisselen, inzicht te bevorderen en belangstelling te kweken voor de vakgebieden archeologie, cultuurlandschap, monumenten, immaterieel erfgoed en volkscultuur. Vitruvius komt tot stand m.m.v. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

VAKBLAD VITRUVIUS IS EEN UITGAVE VAN

Uitgeverij Educom Mathenesserlaan 347 3023 GB Rotterdam Tel. 010-425 6544 info@uitgeverijeducom.nl www.uitgeverijeducom.nl

ABONNEMENTEN 4 nrs/jaar: Nederland € 45.- /België € 55.-. Voor betaling wordt een factuur verzonden. Vermeld bij correspondentie altijd het abonneenummer (zie de factuur). Tijdige betaling garandeert regelmatige toezending. Abonnementen lopen automatisch door. Opzeggingen (uitsluitend schriftelijk per aangetekend schrijven) dienen uiterlijk twee maanden voor afloop van de abonnements periode in ons bezit te zijn.

REDACTIE

Cramer, drs. M.A. Diederiks, R.P.H. Niemeijer, drs. A.F.J. Verschuure-Stuip, Mw. ir. G.A. Vreeze, ir. N. de FREQUENTE BIJDRAGEN

Van Hellenberg Hubar, Mw. dr. B.C.M.

LEZERSSERVICE / NABESTELLINGEN Adresmutaties/abonnementen en nabestellingen doorgeven via info@uitgeverijeducom.nl. © Copyrights Uitgeverij Educom Januari 2018 ISSN 1874-5008 Niets uit deze uitgave mag worden gereproduceerd met welke methode dan ook, zonder schriftelijke toestemming van de uitgever.

2

VITRUVIUS_Jan.2018 v2.indd 2

27/11/17 16:35


JAARGANG 11 NUMMER 42 JANUARI 2018

4 NAAR EEN DUURZAME INSTANDHOUDING VAN HET GEBOUWDE ERFGOED

8

14 HET EXPRESSIONISTISCHE WEGKRUIS VAN LEEN DOUWES IN BREDA

DE VIER JAARGETIJDEN IN BEELD

19 VAN GRACHTENHUIS TOT VILLA IN HET GROEN 3

VITRUVIUS_Jan.2018 v2.indd 3

27/11/17 16:35


VITRUVIUS

Jan van de Voorde Directeur/eigenaar Van de Voorde Monumentenadvies

NUMMER 42 JANUARI 2018

Naar een duurzame instandhouding van het gebouwde erfgoed Op 21 maart 2017 werd in Den Haag aan de toenmalige Minister van OCW, Jet Bussemaker, het rapport overhandigd door de voorzitters van de organisaties die

Het monumentenstelsel Nederland kende eind 2016 ca. 62.000 rijksmonumenten (bron: Erfgoedmonitor). Rondom deze rijksmonumenten is een stelsel actief, waarbinnen wetgeving en financiële regelgeving de belangrijkste elementen vormen. De bescherming van rijksmonumenten vindt zijn wettelijke basis in de Erfgoedwet 2016, terwijl voor het slopen of wijzigen van rijksmonumenten de Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht (WABO) van toepassing is. Voor de financiële ondersteuning van rijksmonumenten is een tweedeling zichtbaar: 1.  Voor woonhuismonumenten zijn er fiscale aftrekmogelijkheden en financieringsmogelijkheden via het Nationaal Restauratiefonds (NRF); 2.  Voor de andere rijksmonumenten zijn er onderhouds- en restauratiesubsidiemogelijkheden via het rijk en provincies en zijn er eveneens financieringsmogelijkheden via het NRF. Binnen het monumentenstelsel is een uiterst overzichtelijk speelveld herkenbaar. Een grote groep betreft de eigenaren, verder de overheden, de diverse organisaties en de marktpartijen (afbeelding 3). Het monumentenstelsel heeft zijn waarde in de afgelopen jaren decennia wel degelijk bewezen. Nadat in de zeventiger jaren toenmalig staatssecretaris Jan Schaefer de stadvernieuwing een grote stimulans bezorgde en daarmee binnensteden wist te herstellen, kwam er in de tachtiger jaren door de crisis weer de klad in de Nederlandse monumentenzorg. Dankzij het politiek testament van Minister Hedy d’Ancona, het Strategisch

de opdracht voor het rapport hadden gegeven (afbeelding 2). De Vereniging van Architecten Werkzaam in de Restauratie (VAWR) en de Vakgroep Restauratie (aannemers) waren eind 2015 de opdrachtgevers voor het rapport, waarbij zich in de loop van 2016 ook het GA Platform (Gespecialiseerde Aannemers) aansloot. Doel van het rapport was een onderzoek te verrichten naar de huidige stand van zaken van het monumentenstelsel in Nederland om vervolgens een lange termijnvisie en een plan van aanpak te kunnen ontwikkelen voor de uitvoerende restauratiesector ter verbetering van de kwaliteit en de continuïteit van het vakmanschap. Achtereenvolgens komen het huidige stelsel, de knelpunten per thema binnen dat stelsel, de omzetting van knelpunten naar opgaven en de ambities van de marktpartijen aan de orde. Tot slot worden de opgaven vanuit het rapport geprojecteerd op de ambities van het projectplan Erfgoed Telt van de Minister van OCW. Tijdens de 5e kennisbijeenkomst van de Nationale Monumenten Organisatie (NMO) is door de schrijver van dit artikel een presentatie hierover verzorgd.

NAAR EEN DUURZAME INSTANDHOUDING VAN HET GEBOUWDE ERFGOED INVENTARISATIE KNELPUNTEN 26 januari 2017

GA-PLATFORM RESTAURATIE

1 - Het rapport is online te lezen op www.vakgroeprestauratie.nl.

4

VITRUVIUS_Jan.2018 v2.indd 4

27/11/17 16:35


VITRUVIUS

NUMMER 42 JANUARI 2018

2 - Vlnr: Job Roos (VAWR), oud-minister Jet Bussemaker, Flip van de Burgt (Vakgroep Restauratie) en Wim van der Maas (GA-Platform)

3 - De Nederlandse monumentenzorg kent een eenvoudig “speelveld” Plan voor de Monumentenzorg (1994) , werd de monumentenzorg nieuw leven ingeblazen. Gedurende de periode 1997-2012 werd de restauratieachterstand van 40% terug gebracht naar ca. 10%, waarmee een voorraad bleef om het vakmanschap intact te houden. De rijksmonumenten in Nederland staan er goed bij. Er is, mede dankzij MoMo 2009, aandacht voor cultuurhistorie in het ruimtelijk beleid en ook het herbestemmen van leegkomende monumenten (kerken, industriële gebouwen en agrarisch erfgoed) krijgt veel aandacht. Mede dankzij organisaties als BOEi worden bijzondere herbestemmingen uitgevoerd, maar vooral ook volop in de publiciteit gebracht. Al tijdens de grote restauratie-inhaalslag werd begonnen met een instandhoudingsregeling voor monumenten, die na restauratie, in goede staat moesten worden gehouden. Voormalig staatssecretaris Rick van der Ploeg (1998-2002) vroeg tijdens de grote restauratiegolf hiervoor al de aandacht en gaf zijn ambtelijke ondersteuning opdracht

om hiervoor iets te bedenken. Het eerdere genoemde rijksbeleid MoMo (2009) voorzag ook in een kwaliteitsverbetering in de monumentenzorg. Het programma Restauratiekwaliteit van de Rijksdienst voor het Cultuur Erfgoed en de activiteiten van de Stichting Erkende Restauratiekwaliteit Monumentenzorg waren hiervan de belangrijkste resultaten. Er is dus heel veel bereikt, maar waar zitten nu nog knelpunten in het stelsel? Thema’s en knelpunten De belangrijkste thema’s en knelpunten binnen het monumentenstelsel worden hierna op een rijtje gezet. Daarbij is de auteur van mening dat als stelselverantwoordelijke voor de monumentenzorg de Minister van OCW moet worden gezien. a. Het rijksbeleid kent een aantal belangrijke elementen met knelpunten: 1.  Er is geen structureel budget voor het onderhoud van de grote(re) monumenten; 2.  Slechts 40% van de potentiële

doelgroep maakt gebruik van de Subsidieregeling instandhouding monumenten (Sim); 3.  Het jaarlijkse restauratiebudget van het rijk ad 20 miljoen is overgeheveld naar de provincies, waardoor het versnipperd en niet uniform besteed wordt. Tevens zijn 12 extra “monumentenzorgloketten” gecreëerd; 4.  Grote restauraties kunnen, mede door deze versnippering, niet worden gesubsidieerd; 5.  Restauratie en onderhoud kunnen niet gelijktijdig worden gepland en uitgevoerd door verschillende loketten. De instandhoudingsopgave van deze monumenten komt in gevaar (voorbeeld St. Jan in Den Bosch, afbeelding 4); 6.  Er is onvoldoende sturing op de kwaliteit bij de uitvoering van restauraties die door de provincies worden gesubsidieerd (geldt niet voor alle provincies!)

b. Gemeentelijke monumenten zijn een gevolg van de overheveling van taken van rijk aan gemeenten met de invoering van de Monumentenwet 1988. Positief effect hiervan zijn gemeentelijke verordeningen en gemeentelijke monumenten. Er is, na bijna 30 jaar, echter wel een belangrijk knelpunt ontstaan: 7.  Er is onvoldoende eenheid in de beoordeling van en de sturing op kwaliteit in de vergunningverlening en de uitvoering (hetgeen overigens ook geldt bij de uitvoering van vergunde werkzaamheden aan rijksmonumenten). Er is ook onvoldoende kennis bij veel (en dus niet alle) gemeenten. c. Bestuurlijke verhoudingen  De taakverdeling tussen rijk, provincies en gemeenten ligt redelijk vast. Helaas ontbreekt het aan voldoende sturing en toezicht op de eerder gemaakte afspraaken. Een rol voor de Erfgoedinspectie ontbreekt hierbij. De belangrijkste knelpunten: 8.  De bestuurlijke afspraken tussen rijk en provincies zijn, na een eerste evaluatie, aangepast. Twee onderwerpen hierbij zijn de voorraad grote restauraties en de sturing op kwaliteit. De uitkomsten moeten worden afgewacht, maar een duide5

VITRUVIUS_Jan.2018 v2.indd 5

27/11/17 16:35


VITRUVIUS

NUMMER 42 JANUARI 2018

ns de chre-

ericht nthult n het er de

4 - Sint Jan te ’s-Hertogenbosch: integrale instandhouding gewenst! lijke afstemming tussen provincies lijkt te ontbreken. 9.  De communicatie vanuit de diverse overheden is niet eenduidig door een grote hoeveelheid loketten (en soms te weinig kennis). Het omgaan met “vergunningsvrij” is hiervan een goed voorbeeld. d. Toekomst van de markt en financiering  Het aantal monumenten neemt nauwelijks toe, de markt van restauraties wordt kleiner en kleiner. De toekomst van de markt ligt op het gebied van instandhouding (onderhoud + deelrestauraties), herbestemming, verduurzaming en het herstel van de aardbevingsschade in Groningen. Mogelijk nemen de leningen van het NRF daarin een steeds belangrijker plaats in. Knelpunten daarbij zijn: 10. Bij de leningen van het NRF en de fiscale aftrek is onvoldoende sturing op kwaliteit; 11. Bij niet-gesubsidieerde werkzaamheden of vanwege de overheid gefinancierde werkzaamheden is ook onvoldoende sturing op kwaliteit.

e. Eigenaren en opdrachtgevers  Van de bijna 62000 rijksmonumenten is bijna 60% (ca. 36.000) een woonhuis en iets meer dan 10% (ca. 7500 agrarische objecten) in bezit van particuliere eigenaren. Deze groep organisaties is voor de marktpartijen (en ook voor andere eigenaren) een “onbekende” groep. Daarnaast is een groot aantal monumenten in bezit van overheden en grote(re) particuliere organisaties.  Als knelpunten bij dit thema kunnen worden genoemd: 12. Eigenaren kunnen moeilijk worden bereikt c.q. worden voorgelicht; 13. Grote opdrachtgevers zijn zich lang niet altijd bewust van hun “voorbeeldfunctie” als het gaat om kwaliteit. De laagste prijs is, bij aanbestedingen, vaak belangrijker dan de hoogste kwaliteit. 14. Er is onvoldoende contact met commerciële vastgoedpartijen. Gemeenten hebben hiervoor vaak onvoldoende capaciteit ; 15. Nieuwe ontwikkelingen, met als voorbeelden de verzelfstandiging van de rijksmusea, de overdracht van monumenten aan N.M.O., wor-

den op een te laat moment bekend bij de brancheorganisaties. f. Kwaliteit en vakmanschap  Dankzij MoMo is veel geïnvesteerd in het opstellen van beoordelings- en uitvoeringsrichtlijnen. De stichting ERM heeft hierin veel tijd gestoken en partijen bij elkaar aan tafel gekregen. De inspectie op kwaliteit laat veel te wensen over. Al met al zijn hierover de volgende knelpunten gesignaleerd: 16. Het effect van de investeringen in beoordelings- en uitvoeringsrichtlijnen is onvoldoende zichtbaar. Het onduidelijke profiel van de Monumentenwacht in een aantal provincies werkt bij de toetsing op kwaliteit niet bevorderend; 17. Marktpartijen maken onvoldoende zichtbaar dat zij conform de richtlijnen werken, bedrijven zien onvoldoende resultaat van hun inspanningen en potentiële bedrijven zien onvoldoende motieven voor certificering. g. Onderwijs en innovatie  In een redelijk klein vakgebied (1% van

6

VITRUVIUS_Jan.2018 v2.indd 6

27/11/17 16:35


VITRUVIUS

NUMMER 42 JANUARI 2018

de bouwsector) is sprake van een grote versnippering aan opleidingen. Ook de aansluiting van de verschillende opleidingsniveaus is nog niet op orde. De MoMo-acties moeten nog verder worden opgepakt. Overigens is het Nationaal Centrum Erfgoedopleiding een zeer lovenswaardig initiatief. Samenwerking en innovatie zijn de thema’s waaraan gewerkt zal moeten worden. De knelpunten: 18. Verder oppakken van MoMo-acties ontbreekt, met name op het terrein van de aansluiting van verschillende onderwijsniveaus; 19. Onderwijs, praktijk en beleid werken onvoldoende samen. Grote projecten moeten deze samenwerking stimuleren via ateliers/laboratoria. Kansen liggen voor het oprapen zoals bij Het Loo, Het Binnenhof en de aardbevingsopgave.  it dit hoofdstuk mag de conclusie worU den afgeleid dat er één hoofdknelpunt is: 20. Het monumentenstelsel is niet sluitend.

Van knelpunten naar opgaven Het allesomvattende knelpunt van een niet-sluitend monumentenstelsel moet in een overzichtelijk speelveld toch redelijk eenvoudig kunnen worden opgelost? Of is een totaal van 20 knelpunten een te grote opgave?

De knelpunten vertalen naar opgaven betekent dat er een vijftal opgaven zouden moeten worden opgepakt. In het rapport zijn deze als volgt benoemd: 1.  Duidelijkheid creëren in de bestuurlijke verhoudingen, afspraken maken en erop toezien dat de afspraken worden nagekomen. Een nieuwe rol voor de Erfgoedinspectie lijkt hierbij noodzakelijk; 2.  Stimuleren, sturen en toezien op kwaliteit. Investeren in capaciteit, kennis en kunde is hierbij van groot belang. De monumentenwereld is te klein voor de Wet op de Kwaliteitsborging, gemeenten zijn hierbij de meest logische partij, maar moeten dit wel willen en kunnen. Ook een duidelijk profiel voor de Monumentenwacht is nadrukkelijk gewenst. 3.  Zekerheid bieden over beschikbare middelen is een verantwoordelijkheid van de Minister van OCW. Schommelingen in de bestedingen moeten mogelijk zijn en de instandhouding van monumenten (onderhoud + -deel-restauraties) zou uitgangspunt moeten zijn. 4.  Goede voorlichting bieden aan eigenaren, waarbij vooral de particuliere eigenaren en vastgoedbedrijven prioriteit moeten hebben. Eén landelijk digitaal loket in samenwerking met een fysiek gemeentelijk loket biedt hiervoor de meeste kans. 5.  Kennisoverdracht en –ontwikkeling, stimuleren van innovatie. Naast een goede aansluiting van het dagonderwijs

5 - Schema van het projectteam Erfgoed Telt (OCW/RCE)

is ook de bijscholing van kenniswerkers belangrijk. Verder moet de samenwerking tussen onderwijs, praktijk en beleid vorm krijgen door het inrichten van ateliers of laboratoria bij de uitvoering van grote projecten (ook bij grote projecten in het kader van de energietransitie). Ambities van de marktpartijen Eigenlijk zijn de ambities samen te vatten in een tweetal punten: 1.  De marktpartijen willen gesprekspartner zijn van de overheid teneinde een goed functionerend stelsel te bewerkstelligen; 2.  De marktpartijen zullen in een veranderende monumentenwereld komen met een visie op inhoudelijke thema’s als innovatie, duurzaamheid, herbestemming en samenwerking. Erfgoed telt en de opgaven van de marktpartijen Erfgoed telt heeft in de overleggen met het veld een schets laten zien van de uitwerking van het project (afbeelding 5). Opvallend zijn daarbij de vier operationele doelen van Erfgoed Telt: Eigenaren ondersteunen, duurzamere monumenten, tegengaan van de leegstand en goede kwaliteit zijn doelen die eenvoudig in de opgaven van de marktpartijen passen. Dat geldt eveneens voor een aantal van de vijf resultaten: een goed financieel systeem en samenwerking met andere overheden. Hopelijk kunnen vanuit de vier opgaven nog een aantal resultaten in Erfgoed Telt een plaats krijgen. Ik denk daarbij aan: -  De kennisoverdracht en – ontwikkeling, die alles te maken hebben met kwaliteit -  Zekerheid bieden over de middelen, het regeerakkoord biedt voor de korte termijn al een behoorlijke ruimte! -  Concrete resultaten vanuit de operationele doelen zouden vorm moet krijgen met betrekking tot de ondersteuning van eigenaren en de goede kwaliteit. Mijn conclusie is dat de opgaven die de marktpartijen in het voorjaar van 2017 hebben geformuleerd redelijk aansluiten op datgene wat het project Erfgoed Telt ambieert. Mijn advies is dan ook: betrek die marktpartijen bij de verdere vormgeving van het beleid. Deze organisaties hebben namelijk dezelfde ambitie als de rijksoverheid: een duurzame instandhouding van het gebouwde erfgoed. n

7

VITRUVIUS_Jan.2018 v2.indd 7

27/11/17 16:35


VITRUVIUS

Bernadette van Hellenberg Hubar Erfgoedprofessional & schrijver vanhellenberghubar.org

Het expressionistische wegkruis van Leen Douwes in Breda Vooral niet als je bedenkt dat objecten als deze, die de meest barre weersomstandigheden moesten trotseren, vaak bestonden uit exemplaren die industrieel waren vervaardigd en dus in principe vervangbaar waren (afb. 4). Met name Frankrijk kende een ware massaproductie in devotionalia, bekend geworden onder de naam van ‘style saint­sulpicien’, vernoemd naar de winkels en magazijnen met heiligenbeelden rond de kerk van Saint Sulpice in Parijs.*

vooral bij de jonge katholieke voorhoede van het tijdschrift De Gemeenschap veel weerstand op, omdat het om ‘zielloze’ namaak ging. In 1929 klaagde een van de kopstukken, de kunstcriticus Jan Engelman, dat je vroeger onder de volkskunstenaars een gewone timmerman had: ‘die een goeden Christus voor den wegkant schiep. Saint­Sulpice, de Neo­Gothiek, Beuron en het Gesellschaft für Christliche Kunst: het is verder bijna alles cliché en verstarring’.*

Tussen afgietsels en unica De massaproductie riep in Nederland

Natuurlijk was dit gechargeerd, maar het lijkt wel direct te anticiperen op een actie

Foto Marjanne Statema 2014.

Foto Marjanne Statema 2014.

Van mei 2016 tot mei 2017 ben ik bezig geweest met het verrassende project #KunstinBreda: in opdracht van de gemeente heb ik waardestellingen gemaakt van een groot aantal religieuze kunstwerken in kerken, publieke gebouwen en de openbare ruimte, op basis van een inventarisatie van Marjanne Statema.* Een van de meest bijzondere kunstwerken die ik ben tegengekomen, is het wegkruis van Pieter Leendert Douwes (1879-1965), beter bekend als Leen Douwes (afb. 1-2). De combinatie van de woorden wegkruis, kunstwerk en bijzonder zal bij veel lezers ongerijmd overkomen. Dit type devote objecten wordt vaak als volkskunst afgedaan: cultuurhistorisch van belang, maar artistiek ... ho maar! Dat heb ik ook heel lang gedacht, totdat ik dit werk van Douwes moest waarderen. Met zijn opvallende dramatische corpus en persoonlijke signatuur is het zeker geen alledaags wegkruis.

NUMMER 42 JANUARI 2018

1 - Het wegkruis van Leen Douwes (1930) behoort tot de weinige expressionistische voorbeelden in dit genre van voor de oorlog.

2 - Leen Douwes (1879-1965) liet zich bij dit wegkruis inspireren door de Belgische expressionist Albert Servaes (1883-1966), wiens dramatische kruisweg in 1920 door het Vaticaan verboden werd voor de katholieke godsdienstuitoefening.

8

VITRUVIUS_Jan.2018 v2.indd 8

27/11/17 16:35


NUMMER 42 JANUARI 2018

Foto RCE Beeldbank-Sjaan van der Jagt/Pixelpolder.

VITRUVIUS

3 - Portret van Leen Douwes door Fiet van Dael-van der Stam (1960-1968). Herkomst Stedelijk Museum Breda.

Foto Marjanne Statema 2014.

5 - Albert Servaes, Christus aan het kruis (ca 1920), uit Clemens Meuleman, Hedendaagsche religieuse kunst (1936). Dat Clemens Meuleman dit werk van Servaes - dat haast een-op-een herinnert aan de twaalfde statie van zijn veroordeelde kruisweg - in zijn naslagwerk opnam, tekent de blijvende invloed van deze kunstenaar.

4 - Wegkruis met een gegoten corpus aan het Jagerspad, Leursebaan Breda (1931). Deze vorm van massaproductie maakte de dienst uit. in Brabant een jaar later om een alternatief te bieden in de vorm van nieuw ontworpen wegkruisen. Dit haalde de pers, waarin fel werd geageerd tegen fabrieksmatige corpussen en elkaar reproducerende afgietsels. De initiatiefnemers meenden: ‘Het beeld moet wèl voor zichzelf spreken. En dit zal het ook doen, wanneer het door een kunstenaar wordt vervaardigd, — door iemand die rekening houdt met de omgeving, met den aard der bevolking, met den achtergrond’.*

Het artikel daarover in ‘De Tilburgsche Courant’ blijkt geflankeerd te worden door een bericht dat P.L Douwes opdracht heeft gekregen om een wegkruis ‘geheel uit hout’ te maken. Het wordt ‘een oorspronkelijk kunstwerk [...] van een Nederlandschen beeldhouwer’.* Expressionisme Met de kwalificatie oorspronkelijk is niets miszegd, ook al is op dit moment nog niet helemaal duidelijk hoe oorspronkelijk. Wel bracht het onderzoek een recensie aan het licht die een karakteristiek beeld geeft van de kunstenaar. Collega-kunstenaar Gerrit de Morée vergelijkt hierin het werk van de autodidact Douwes met dat van de Belgische expressionist Albert Servaes (afb. 5). In 1920-1922 speelde de roemruchte affaire rond de kruisweg van Servaes die volgens Rome te menselijk en te smartelijk was, waardoor ze afbreuk deed aan de waar-

digheid van Christus als God, als Overwinnaar van de Dood en Verlosser. Hoewel dat eindigde met een veroordeling van dit kunstwerk – nog altijd de enige kruisweg die niet voor devotie gebruikt mag worden – heeft Douwes zich daar met zijn corpus niets van aangetrokken: Christus wordt met verwrongen gelaat en lichaam weergegeven, ontdaan van zijn waardigheid. Ook al waren er historische precedenten, zoals het beroemde Isenheimer altaar van Matthias Grünewald (1511-1517), Rome kon zich daar anno 1920 niet (meer) mee verenigen (afb. 6).* Gelet op de cause celêbre die de affaire Servaes vormde – tot ver in de jaren dertig heeft dit de katholieke kunstkritiek beïnvloed – heeft Douwes hiermee een veelzeggende boodschap afgegeven. Het moet de situatie in kerkelijke kringen te Breda tekenen, dat een openbaar religieus kunstwerk op deze manier vorm mocht 9

VITRUVIUS_Jan.2018 v2.indd 9

27/11/17 16:35


NUMMER 42 JANUARI 2018

Foto Marjanne Statema 2014.

VITRUVIUS

7 - Leen Douwes, Kruisbeeld in de Sacramentskerk te Breda (1930). 6 - Het Isenheimer altaar van Matthias Grünewald (1480–1528), Musée d’Unterlinden, Colmar. Herkomst Wikimedia Commons. Hoe groot de voorbeeldwerking van het Isenheimer altaar van Matthias Grünewald was, blijkt onder meer uit het naoorlogse expressionistische wegkruis (19551956) in Wanssum.

8 - Driemaal Ernst Barlach, de Duitse kunstenaar die hout als volwaardig artistiek materiaal rehabiliteerde. Let op het gebruik van de natuurlijke houtkleur, nerf en beitelslag als factuur. De lezende monniken rechts stonden op de namens Rome bekritiseerde tentoonstelling in Essen in 1932. Collage bvhh.nu met foto’s zoals bij de bronnen gespecificeerd.* krijgen. Volgens de overlevering vond de goegemeente het nogal progressief.* In dit verband is het opvallend dat een ander kruisbeeld van Leen Douwes, in de Sacramentskerk, uit hetzelfde jaar, heel anders

van opzet is (afb. 7). Qua schema doet het denken aan het werk van een tijdgenoot uit de Roomse Haagse School, Herman van Remmen (1932).* Hier gaat het om een Christusfiguur die op een gesublimeerde

manier lijdt, waardoor zijn rol als Overwinnaar en Verlosser niet in het gedrang komt. In die zin lijkt Douwes de regels van het kerkelijk decorum gevolgd te hebben, dat hij op de vooraanstaande liturgische plaats in een kerk veel terughoudender is, dan in de publieke ruimte. Het beeld van Douwes is gemaakt op een scharnierpunt in de kerkelijke kunst. Dat blijkt als we het vergelijken met een ander wegkruis in de collectie van Breda (Liesboslaan). Dit eveneens volledig houten exemplaar van een onbekende kunstenaar lijkt een robuust vertaalde, gedrongen variant van de gewraakte fabrieksproducten.* Van dat jaar dateert overigens ook het apert meer individuele werk van Albert Verschuuren in Udenhout, eveneens een kunstenaarskruis.* We schrijven dan 1933, één jaar nadat de R.K. Kerk alle expressionistische kunstvormen veroordeeld had als ‘arte blasfema’. Zelfs het behoorlijk ingetogen werk van de Duitse beeldhouwer Ernst Barlach ging in de ban (afb. 8). De actie van Rome leidde in Nederland tot het alternatief van het barokke expressionisme dat tot ver na de oorlog levenskrachtig bleef, zoals het werk van Charles Eyck, Joep Nicolas en Leen Douwes in Breda laat zien.* Wat Douwes vooral met zijn vakbroeders gemeen heeft, is de nadruk op het persoonlijke handschrift van de kunstenaar: de factuur, die hij net als Barlach in de beitelslag tot uitdrukking brengt. Ook

10

VITRUVIUS_Jan.2018 v2.indd 10

27/11/17 16:35


VITRUVIUS

NUMMER 42 JANUARI 2018

diens inspiratie had Douwes bereikt, wat niet vreemd is omdat er al vanaf 1910 artikelen in de pers verschijnen over het werk van deze Duitse beeldhouwer. Beide kunstenaars waren autodidact, maar wat Douwes vooral zal hebben aangesproken is dat Barlach hout als volwaardig artistiek medium in ere hersteld heette te hebben. Een prachtig voorbeeld van de beïnvloeding is Douwes’ Theresia van Lisieux in het stedelijk museum van Breda (na 1925), waarin niet de beitelslag, maar – eveneens vergelijkbaar met Barlach – de prachtige houtnerven de factuur bepalen (afb. 9).* Tot in het latere werk van Douwes, in de Sacramentskerk uit 1951, is het belang van de factuur groot. Daar ijlt overigens de nieuwe barok na in met name het heilig Hartaltaar, waarin opnieuw de smartelijke Christus centraal staat en wel in een opzet die herinnert aan een van de beroemde passievoorstellingen van Rubens. Tegelijkertijd houdt Douwes vast aan de lijdende Christusuitbeelding, die de kerk voor de oorlog uitgebannen had.

9 - Leen Douwes, Theresia van Lisieux (na 1925). De beeldhouwer heeft op een bijzondere manier gebruik gemaakt van het verloop van de houtnerven. Let op overeenkomsten met het beeld van Ernst Barlach in de collage links. Herkomst Stedelijk Museum Breda.

Positioneren: sociale media en big data De zeldzaamheidswaarde van het wegkruis van Douwes is vrij hoog. Een landelijke oproep via de erfgoednetwerken op de sociale media leverde maar een paar expressionistische voorbeelden van vóór de oorlog op: het wegkruis van Jos Rovers – ook uit 1930 – in Berlicum en dat van Charles Grips in Den Bosch (1939) (afb. 10).* Wel zijn er heel wat expressionistische exemplaren van na de oorlog, zelfs tot na 2000 toe. Wat betreft vergelijkbare beelden voor ín kerken en kapellen, kan gewezen worden op het expressionistische corpus van Mari Andriessen voor de kapel van het Canisiuscollege te Nijmegen (1936).* Interessant is bovendien het kruisbeeld van een onbekende kunstenaar dat in de kapel van de opdrachtgevers van Leen Douwes hing, de paters van de heilig Harten op Klein IJpelaar te Bavel. Daarvan is echter niet duidelijk of het van voor of na de oorlog is. Wel bestaat er een kopie van als wegkruis in Wanssum (1955-1956) dat geïnspireerd heet te zijn op het beroemde Isenheimer altaar van Matthias Grünewald (1511-1517). Het exemplaar van Klein IJpelaar is via een omweg herbestemd als Calvariekruis op de begraafplaats van Noordhoek.* Overigens bevindt zich in de kapel van het Missiehuis eveneens een crucifix die aan Leen Douwes toegeschreven kan worden. Hier hangt Christus met 11

VITRUVIUS_Jan.2018 v2.indd 11

27/11/17 16:35


VITRUVIUS

NUMMER 42 JANUARI 2018

kunstenaars, net als Douwes, de draad van voor de oorlog oppakten. Aparter is een tweetal wegkruisen van na 2000!* De lange adem van het expressionisme maakt het nog interessanter om via dit artikel meer vooroorlogse voorbeelden te vinden, waardoor het wegkruis van Leen Douwes beter gepositioneerd kan worden. Postscriptum Met dank aan Marij Coenen voor het redigeren van deze tekst en aan Marjanne Statema voor de collegiale toets van het betreffende item in het rapport (zie hierna onder Hubar, #KunstinBreda). Voorts dank ik Marjanne Statema en Regina van Beuningen van Stedelijk Museum Breda voor de foto’s die ze ter beschikking hebben gesteld. Een eerdere versie van dit artikel verscheen op internet als: Hubar, Bernadette van Hellenberg, ‘Wegkruis Leen Douwes (1930)’, VanHellenbergHubar.org (blog), 2016. http://bit.ly/2dS497B. Het is ook geplaatst in de rubriek #kerkverhalen op www.ifthenisnow.eu.

ns de chre-

Foto Joost van Hest.

ericht nthult n het er de

10 - Charles Grips, Expressionistisch wegkruis in Vught (1939). opgetrokken knieën en de armen tamelijk hoog vastgezet aan het kruis (afb. 11). De beitelslag verraadt de identiteit van de kunstenaar; de techniek is als het ware zijn signatuur. Net zoals bij het wegkruis wijkt de vormgeving af van de statische opvatting van het corpus en gaat ze richting expressionistische houtsnijkunst. De factuur of makelij draagt daar in hoge mate aan bij. Er is geen centrale database om wegkruisen systematisch te vergelijken. Jammer genoeg ontbreekt het begrip wegkruis in de indrukwekkende verzameling van René en Peter van der Krogt. Of dat geholpen zou hebben is de vraag, want kijken we naar de big data in deze sector op Wikimedia, dan blijkt opnieuw hoe moeilijk het zoeken (en vergelijken) is bij een teveel aan informatie en een tekort aan trefwoorden. De zoekterm ‘expressionistisch wegkruis’

bracht op Google als enige treffer het eerder genoemde wegkruis in Berlicum van docent van de Amsterdamse Rijksacademie, Jos Rovers (1893-1976).* Het resultaat met de zoektermen ‘wegkruis’ en ‘1930’ hield niet over, doordat een groot deel van het beeldmateriaal een te lage resolutie had. Naar het zich laat aanzien, bestaat het gros van de treffers uit de hiervoor genoemde serieproducten. Overigens verdienen ook deze nader onderzoek, want op dit moment is niet duidelijk, of dit soort corpussen inderdaad uit Frankrijk kwam. Er waren ook in Nederland, België en Duitsland heel wat kleine industrieën die zich hiermee bezighielden.* Wat in Limburg opvalt zijn enkele naoorlogse expressionistische wegkruisen, waaronder een van Cor van Geleuken. Op zich is dit fenomeen verklaarbaar, omdat veel

Bronnen De * in de bovenstaande tekst slaat op de volgende bronnen en notities: -  Algemeen wordt het begrip expressionisme hier gebruikt op de manier, zoals toegelicht in mijn boek: Hubar, Bernadette van Hellenberg, Angelique Friedrichs en Gerard van Wezel, De genade van de steiger, monumentale kerkelijke schilderkunst in het interbellum, Amersfoort-Zutphen 2013, in het bijzonder bij de waardenstellende termen en begrippen. Zie voorts aldaar de affaire rond de kruisweg van Albert Servaes; de regels van kerkelijke decorum; de katholieke kunstkritiek; Jan Engelman; Herman van Remmen: Saint Sulpice; de veroordeling van het expressionisme door Rome in 1932; de opkomst van het ‘barokke expressionisme’. Voor meer informatie volg: http://bit.ly/GevdS. -  Hubar, van Hellenberg, Bernadette, #KunstinBreda | Religieuze kunst, Waardestellingen van uitmonsteringen en clusters, Ohé en Laak, 2017. -  Hubar, van Hellenberg, Bernadette, ‘Kunst in Breda’, VanHellenbergHubar.org, 2016. http://bit.ly/ KunstinBreda-VHHorg. -  Wikipedia, ‘Style sulpicien’, op: wikiwand.com, http://bit.ly/2etaDs3, 2017. Hubar, De genade van de steiger, p.

12

VITRUVIUS_Jan.2018 v2.indd 12

27/11/17 16:35


NUMMER 42 JANUARI 2018

Foto bvhh.nu 2017.

VITRUVIUS

11 - Leen Douwes (toeschrijving), Kruisbeeld met een expressionistisch corpus in de kapel van het Missiehuis te Breda (na 1925). De toeschrijving vindt plaats op basis van de karakteristieke beitelslag. 133. -  Voor Engelman zie Hubar, De genade van de steiger, p. 155. -  Delpher, zoekterm: eenheidskruis (Tilburgsche courant, 17-07-1930). -  Delpher, zoektermen: Douwes kruisbeeld Breda (Tilburgsche courant, 17-07-1930). -  Delpher, zoektermen: Douwes kruisbeeld Breda (De Tijd, godsdienstig­ staatkundig dagblad, 12-07-1930, auteur Gerrit de Morée). -  Voor Albert Servaes zie Hubar, De genade van de steiger, pp. 133-135. -  Folkerts, Reina, ‘Albert Servaes’, op: kruiswegstaties.nl, http://bit.ly/2dcACWU, (l.b. 2016). -  Folkerts, Reina, ‘Kruisweg van Luithagen (1919)’, op: kruiswegstaties.nl, http://bit.ly/2d9Q9nF, (l.b. 2016). -  Dat het wegkruis als ‘nogal progressief ’ ervaren werd, schreef Guido ‘t Sas (per mail van 3 maart 2017). Zijn vader, Henri ‘t Sas, was een goede vriend van Leen Douwes. -  Over Herman van Remmen zie Hubar, De genade van de steiger, p. 324. -  Voor het wegkruis aan de Liesboslaan uit 1933 zie Hubar, #KunstinBreda,

p. 145. -  Voor Albert verschuuren zie Wiki Tilburg, ‘Kruis Biezenmortelsestraat’, op: wiki.regionaalarchieftilburg.nl, http:// bit.ly/2e5dnxu, (l.b. 2015). -  Over ‘arte blasfema’ zie Hubar, De genade van de steiger, pp. 324, 357, 379-380. Voor Charles Eyck, Joep Nicolas en Leen Douwes zie Hubar, #KunstinBreda, pp. 42, 62, 155, 162-163. -  Wikipedia, ‘Ernst Barlach’, op: wikiwand.com, http://bit.ly/2cLU34E, l.b. 2015. -  Wikimedia, ‘Category: Sculptures by Ernst Barlach’, wikimedia.org, http:// bit.ly/2e6zGDg (l.b. 2015). -  Delpher, zoektermen: Ernst Barlach (Algemeen Handelsblad, 08-02-1910). -  Eloesser, Arthur, ‘Ernst Barlach’, in: Elsevier’s Geïllustreerd Maandschrift 43, 1933, pp. 72-86. | http://bit. ly/2ew1E8Z -  Stedelijk Museum Breda, ‘Portret van de Heilige Theresia, Pieter Leendert  Douwes’, op: thuisinbrabant.nl, http:// bit.ly/2e60Gmj, z.j. -  Brouwers, Jan, Bea Hoeks-de Laat, Geert de Jong, Jan van der Kley, Marcel Rensen, Aula Dei, 75 jaar Sacraments-

kerk Breda, Breda 1996. -  Met dank aan Joost van Hest en Wies van Leeuwen die me op respectievelijk het wegkruis van Charles Grips en het corpus van Mari Andriessen attendeerden. -  Pinterest, ‘Wegkruisen en andere crucifixen in #KunstinBreda’, http:// pin.it/rFeUAmD. Hierop staan ook de foto’s met een verwijzing naar de krantenartikelen over het beeld van Charles Grips in Den Bosch, dat van de kapel van Klein IJpelaar en dat in Wanssum. -  Wols, Rien, ‘Christusbeeld aan de Groenstraat als dank’, op: bihc.nl, http://bit.ly/2e25etY, z.j. -  Krogt, René van der, en Peter van der Krogt. ‘Mens & Dier in Steen & Brons’. Vanderkrogt.net, 2010-2017. http://bit. ly/2iXMqNc. -  Dat de invloed van het Isenheimer altaar van Matthias Grünewald voort bleef duren, blijkt ook uit het naoorlogse expressionistische wegkruis (1955-1956) in Wanssum: ‘Koester uw Monument’, in: Digitaal krantenarchief Peel en Maas, weekblad voor Venray en omgeving, d.d. 9 april 2009, p. 19. | http://bit.ly/2ewfg3Y  e collage met de vergelijking van het D werk van Leen Douwes en Ernst Barlach is samengesteld uit het volgende beeldmateriaal: -  Ernst Barlach, De dansende vrouw uit ‘der Fries der Lauschenden, 1930-35, Eichenholz, Ernst Barlach Haus, Hamburg’. Foto Rufus46 (2006) op Wikimedia Commons: http://bit.ly/2efK8rS -  Ernst Barlach, Het bevriezende meisje, 1917, ‘Eichenholz, Ernst Barlach Haus, Hamburg’. Foto Rufus46 (2006) op Wikimedia Commons: http://bit. ly/2efOM9c -  Ernst Barlach, Lezende monniken III (Stuckskulptur 1932), ‘Güstrow (Mecklenburg-Vorpommern). Gertrudenkapelle - Barlachsammlung’. Oorspronkelijk was het beeld uit hout gesneden. Daarnaast heeft Barlach een ’Stuckskulptur’ gemaakt en een bronzen exemplaar. Van dit beeld zijn verschillende variaties en voorstudies bekend. Foto: Wolfgang Sauber (2014) Wikimedia Commons: http://bit. ly/2efJzOM n

13

VITRUVIUS_Jan.2018 v2.indd 13

27/11/17 16:35


VITRUVIUS

Dennis de Kool Onderzoeker verbonden aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.

NUMMER 42 JANUARI 2018

De vier jaargetijden in beeld De tuin was een ideale plaats om de vier jaargetijden te verbeelden. In achttiende eeuwse tuinen in ons land kwamen beelden met voorstellingen

Vier levensfasen van de mens De vier seizoenen lenen zich voor uiteenlopende bespiegelingen. De filosoof Michel de Montaigne (1533-1592) bracht de vier seizoenen in verband met de vier levensfasen van de mens, namelijk de kindertijd, de jeugd, de volwassenheid en de ouderdom.1 In de beeldende kunsten van de Noordelijke en de Zuidelijke Nederlanden werd het thema van de vier jaargetijden vooral na 1500 populair. In de literatuur is hier aandacht aan besteed, met name de verbeelding van het thema in de zeventiende-eeuwse schilderkunst.2 In de zeventiende-eeuwse (schilder)kunst ziet men af van personificaties en worden landschappen geïntroduceerd. Een tuin met bloemen verwijst naar het voorjaar, een korenveld verbeeldt de zomer, wijnbouw verwijst naar de herfst en de winter wordt voorgesteld als een sneeuwlandschap. Bij de uitbeelding van de jaargetijden in de schilderkunst heeft Pieter Bruegel de Oude een belangrijke rol gespeeld. Onderbelicht zijn echter de wijze waarop de vier jaargetijden in de beeldhouwkunst, en de achttiende-eeuwse tuinkunst in het bijzonder, werden verbeeld. De tuin was namelijk de ideale plaats om de vier jaargetijden te verbeelden. In de beeldhouwkunst lagen personificaties het meest voor de hand. Beeldhouwers konden onder meer inspiratie putten uit iconografische

van de vierjaargetijden veelvuldig voor. Helaas zijn veel van de oorspronkelijke beeldenseries in de loop der tijd verloren gegaan, verdwenen of verplaatst en dus niet meer compleet. Dit artikel verschaft een illustratief overzicht van de wijze waarop de vier seizoenen werden verbeeld in achttiende eeuwse tuinen in Nederland. De belichte marmeren of zandstenen mythologische beelden, putti en/of vazen werden vervaardigd door toonaangevende beeldhouwers onder wie Ignatius en Jan van Logteren, Jan Claudius de Cock, Jacobus Cressant en Jan Baptist Xavery.

Bron: Daniël Marot. Collectie Rijksmuseum.

De tuin was een ideale plaats om de vier jaargetijden te verbeelden. In achttiende-eeuwse tuinen in ons land kwamen beelden met voorstellingen van de vier jaargetijden veelvuldig voor. Helaas zijn veel van deze beelden in de loop der tijd verloren gegaan, verdwenen of verplaatst. Deze bijdrage brengt de jaargetijden letterlijk en figuurlijk in beeld. Het beoogde doel van deze bijdrage is niet om een uitputtend overzicht, maar om een illustratief beeld te verschaffen van de wijze waarop de vier seizoenen werden verbeeld in achttiende-eeuwse tuinen in Nederland.

1 - Prent tuinbeelden met vier jaargetijden. geschriften, prenten en beelden van tijdgenoten of voorgangers. Cesare Ripa Cesare Ripa’s Iconologia of Uytbeeldinghen des Verstants (1644) was destijds een belangrijke iconografische inspiratiebron voor kunstenaars. Over de vier seizoenen heeft hij het volgende geschreven. De lente wordt gepersonifieerd door een kind met bloemen en jonge ‘beesjens’. Ook wordt de lente in de persoon van Flora, die omringd is met bloemen, afgebeeld. De zomer wordt voorgesteld als een kind ‘met kooren-ayren

gekroont’ die een ontstoken fakkel in zijn handen houdt of als Ceres met een korenschoof. De herfst wordt gepersonifieerd door een vrouw met op haar hoofd een ‘krans van druyven met blaeders’ en in haar hand een ‘overvloets hooren met verscheyden vruchten’. De herfst kan ook worden afgebeeld in de persoon van Bacchus die in gezelschap kan zijn van een nimf, een bacchante of een tijger die opspringt om druiven uit zijn handen te bemachtigen. De winter wordt voorgesteld door een oude man of vrouw ‘die grauw en vol rimpels is’ en omwikkeld met doeken een maaltijd

14

VITRUVIUS_Jan.2018 v2.indd 14

27/11/17 16:35


VITRUVIUS

NUMMER 42 JANUARI 2018

nuttigt of ‘sich warmt by ’t vier’. De winter kan ook worden uitgebeeld als Vulcanus in zijn smederij of Aeolus, de god van de winden, ‘want dese veroorsaken het onweder, dat sich meer in den Winter, als op andere tijden, openbaert.’ Personificaties Beeldhouwers van konden de vier seizoenen in tuinen op verschillende manieren uitbeelden. De eerste mogelijkheid bestond uit een viertal levensgrote tuinbeelden. Doorgaans waren dit de mythologische figuren Flora (de lente), Ceres (de zomer), Bacchus (de herfst) en Hiems of Vulcanus (de winter). Deze mythologische figuren konden gezelschap hebben van kindertjes. Op een prent van de invloedrijke architect en ontwerper Daniël Marot (1661-1752) zijn ontwerpen van tuinbeelden met voorstellingen van de seizoenen afgebeeld met putti in hun nabijheid.3 Het voorjaar en de zomer zijn vrouwelijke figuren en de herfst en winter zijn mannelijke figuren. De tuinbeelden zijn gepositioneerd op massieve en bijpassende sokkels. De kindertjes naast hen houden bloemen (voorjaar), een korenschoof en een zeis (zomer), druiven (herfst) en een brandende vuurpot (winter) vast.

Rijksmuseum Het Rijksmuseum bezit drie levensgrote zandstenen tuinbeelden die worden toegeschreven aan (het atelier van) de Amsterdamse beeldhouwer Ignatius van Logteren (1685-1732). Deze tuinbeelden stellen Flora als de lente, Ceres als de zomer en een Bacchante als de herfst voor. Het beeld met de voorstelling van de winter ontbreekt. De beelden staan in de beeldentuin van het museum. De drie seizoenen, inclusief de herfst, zijn voorgesteld als een vrouw. Vermoedelijk is het ontbrekende beeld met de voorstelling van de winter ook een vrouwelijke figuur geweest. Deze keuze is opvallend, omdat doorgaans een evenwichtige verdeling werd gemaakt tussen mannelijke en vrouwelijke personages. Het

Foto: Daniël Marot.

Een alternatief was de vervaardiging van borstbeelden met passende voetstukken of hermen. De vier seizoenen konden ook worden gepersonifieerd door mollige kindertjes. Kindertjes met bloemen verbeelden de lente, kindertjes met sikkels en korenaren stellen de zomer voor, kindertjes met

druiven en ander herfstfruit staan voor de herfst en in doeken gehulde kindertjes bij brandende vuurpotjes verbeelden de winter. Destijds was er veel vraag naar deze zogeheten putti. Dankzij hun geringe formaat vonden ze ook hun weg naar relatief kleine stadstuinen. Ten slotte konden de vier seizoenen zijn verbeeld op reliëfs van tuinvazen. Gebeeldhouwde reliëfs, bijvoorbeeld de marmeren serie in het Voorhuis van Huize Hoevelaken, blijven in deze bijdrage buiten beschouwing, omdat deze fungeerden als interieurstukken. Helaas zijn veel oorspronkelijke series niet meer compleet, waardoor veel tuinornamenten wel als afzonderlijk object, maar vaak niet meer in onderlinge samenhang beschouwd kunnen worden.

2 - Tuinbeeld (atelier van) Ignatius van Logeren in Rijksmuseum.

3 - Beeld Pomona in Museum Willet Holthuysen.

Rijksmuseum bezit nog een incomplete serie bestaande uit drie marmeren putti met voorstellingen van de zomer, de herfst en de winter. De putto die de lente voorstelt ontbreekt. Deze putti werden in de zeventiende eeuw vervaardigd door Artus Quellinus de Jonge (1625-1700) en vallen daarom buiten de focus van dit artikel. In de tuin van Museum Willet-Holthuysen staan twee tuinbeelden die wel door Ignatius van Logteren zijn gesigneerd en gedateerd (1721). Deze beelden stellen Flora als lente en Pomona als herfst voor.4 Bij dit duo is de herfst eveneens weergegeven als een vrouwelijke figuur. Huize Frankendael Op het voorplein van Huize Frankendael (Amsterdam Zuidoost) staan twee anonieme zandstenen tuinbeelden. De twee tamelijk grof uitgevoerde beelden stellen vermoedelijk Bacchus en Ceres voor. Beide figuren kunnen als beeldenpaar zijn bedoeld en verwijzen naar de overvloed. De beelden kunnen echter ook deel hebben uitgemaakt van een omvangrijker beeldenprogramma, namelijk een kwartet met voorstellingen van de vier seizoenen, waarbij de mannelijke figuur een personificatie van de herfst en de vrouwelijke figuur een personificatie van de zomer is. De mannelijke figuur is weergegeven als een gespierde en vrijwel naakte jongeman. Op zijn hoofd is een krans van wingerdbladeren en druiven geplaatst. In zijn linkerhand houdt hij een wijnkelk vast. In zijn rechterhand, die leunt op een boomstronk, heeft hij een tros druiven vastgeklemd. Het beeld is niet gesigneerd of gedateerd, maar vertoont wel enige overeenkomsten met een Apollobeeld op het voorplein van Huis te Manpad in Heemstede. Dit beeld is evenmin voorzien van een signatuur of datering. Mogelijk werden ze vervaardigd door de beeldhouwer Michiel Emanuel Shee (1690-1739). Dit vermoeden is echter gebaseerd op stilistische gronden en niet op archiefmateriaal.5 In het kasboek van de beeldhouwer Michiel Emanuel Shee zijn beelden met voorstellingen van de vier jaargetijden vermeld.6 Beeldenlaan Aan de zogeheten ‘beeldenlaan’ van Oud-Amelisweerd in Bunnik waren tot medio jaren zeventig zes tuinbeelden opgesteld, namelijk beelden met voorstellingen van Bacchus, Apollo en de vier jaargetijden. Deze beelden waren afkomstig van Kas15

VITRUVIUS_Jan.2018 v2.indd 15

27/11/17 16:35


VITRUVIUS

4 - Bacchus Huize Frankendael. teel Beverweerd. De twee eerstgenoemde beelden werden in 1976 aan het Centraal Museum in Utrecht geschonken en zijn op een gegeven moment in het depot van het museum beland om ze te beschermen tegen vandalisme. Beide zandstenen beelden zijn niet gesigneerd of gedateerd. De vier jaargetijden werden in 1700 vervaardigd door een Italiaanse beeldhouwer. Tijdens de tentoonstelling ‘Zijdebalen – Lusthof aan de Vecht‘ die in 1981 werd georganiseerd door het Centraal Museum waren ze nog te bewonderen. De huidige verblijfplaats van dit beeldenkwartet is helaas niet bekend.7 Gemeenlandshuis Er zijn ook beelden van de vier jaargetijden waarvan de huidige locatie is getraceerd, maar de herkomst onbekend is. Op de binnenplaats van het Gemeenlandshuis in Edam staat bijvoorbeeld een viertal beelden die de vier jaargetijden voorstellen. De lente is voorzien van bloemen, de zomer houdt een bos korenaren in haar hand, de herfst houdt een wijnkelk vast en is voorzien van wingerdbladeren en druiven en de winter is weergegeven als een oude man die zich warmt bij een vuurtje. De herkomst van de vier beelden is niet bekend. Mogelijk werden ze in 1820 tweedehands aangeschaft uit de boedel van de gefortuneerde Edamse notaris mr. Thade de Vries. In de literatuur is ook gesuggereerd dat ze afkomstig zouden zijn van Broek in Waterland.8 Uit een schildersrekening van 1821 valt af te leiden dat ze vroeger wit waren geschilderd en dat de pedestallen een blauwsteenkleur kregen.9 Aan het begin van deze eeuw werden

Putti Beelden van kindertjes waren destijds gewild dus ook andere beeldhouwers hebben zich hier mede op toegelegd, bijvoorbeeld de beeldhouwer Jan Claudius de Cock (1667-1735). Teylers Stichting (Haarlem) bezit twee kindergroepjes (1710) van zijn hand met voorstellingen van de lente en de herfst.10 In 1959 werd een marmeren putto geschonken aan het Rijksmuseum. Het beeld is op de plint gesigneerd en gedateerd (1717) door Ignatius van Logteren. Dit beeldje heeft vermoedelijk deel uitgemaakt van een serie met voorstellingen van de vier jaargetijden en lijkt daarom te verwijzen naar de herfst. Het gevleugelde knaapje is voorzien van een mand met bloemen en vruchten. In zijn rechterhand houdt hij een tak met druiven vast. Zijn hoofd is omkranst met wijnranken.

wordt toegeschreven. Dit beeld stelt vermoedelijk de lente voor. Het kind leunt tegen een zuil waarop een vaas met bloemen is geplaatst. Het hoofd is getooid met een bloemenkrans en de blik is schuin naar boven gericht. Tuinvazen De vier jaargetijden konden ook als thema worden uitgebeeld op tuinvazen. Een voorbeeld betreft een tweetal vazen (1714) die David van Mollem op een veiling kocht om ze in de tuin van Zijdebalen (bij Utrecht) te plaatsen. Vermoedelijk waren de door Jacobus Cressant (ca. 1685–1759) vervaardigde vazen afkomstig van Elsenburg bij Maarssen.11 Na de ontmanteling van Zijdebalen in 1819 belandden de vazen op Enghuizen (bij Hummelo, Gld). Tegenwoordig zijn ze in bezit van het Rijksmuseum.

Ook zijn zoon Jan van Logteren (1709-1745) heeft putti met voorstellingen van de vier seizoenen vervaardigd. In de tuin van Huis Oostermeer (Ouderkerk a/d Amstel) staat een marmeren puttigroepje (1734) dat voorzien is van een signatuur van deze Amsterdamse beeldhouwer. Het groepje bestaat uit drie putti die de lente, de zomer en de herfst voorstellen. Alleen de winter is niet door een kindje, maar door een attribuut (een vuurkorf) weergegeven. Het groepje is vermoedelijk afkomstig van Meer-en-Berg in Heemstede. Het Rijksmuseum bezit een marmeren putto die aan Jan van Logteren

Een ander voorbeeld betrof een serie van vier tuinvazen met voorstellingen van de vier seizoenen die werden ontworpen door de Leidse schilder Willem van Mieris (16621747). De opdracht daarvoor werd verleend door de Leidse lakenhandelaar, kunstverzamelaar en tuinliefhebber Pieter de la Court van der Voort (1664-1739). De vazen waren bestemd voor diens stadstuin aan het Rapenburg 65 in Leiden. De voeten en deksels van de vazen werden gemodelleerd door Giovanni Battista Luraghi (1675-1736).12 De Leidse beeldgieter Philips van der Mij (1654-1721) goot de vrijwel manshoge vazen in letterspijs.13 Hier kwam dus geen beeldhouwer aan te pas. Tegenwoordig staan de vazen in de tuin van Windsor Castle.14 In

5 - De herfst (1717) door Ignatius van Logeren in Rijksmuseum.

6 - Putto Jan van Logteren (toeschrijving) in Rijksmuseum.

Bron: Collectie Rijksmuseum.

Foto: Daniël Marot.

de beelden gerestaureerd en wederom wit geschilderd.

NUMMER 42 JANUARI 2018

16

VITRUVIUS_Jan.2018 v2.indd 16

27/11/17 16:35


NUMMER 42 JANUARI 2018

Bron: Collectie Rijksmuseum.

VITRUVIUS

Bron: Collectie Rijksmuseum.

7a & 7b - Tuinvazen Cressant in Rijksmuseum.

8 - Groepje door Xavery in Rijksmuseum. deze ruimtelijke ambiance komen de beelden beter tot hun recht dan in de relatief kleine Leidse stadstuin. De vier jaargetijden konden ook op één vaas zijn afgebeeld. Een voorbeeld van zo’n vaas staat in de tuin van buitenplaats VreedenHoff in Nieuwersluis.

Deze zandstenen vaas werd vermoedelijk omstreeks 1700 vervaardigd. Terracotta modellen Het Victoria and Albertmuseum in Londen bezit een complete serie van terracotta

puttigroepjes (1726) die de vier jaargetijden voorstellen. Deze uit steeds drie figuren bestaande groepjes zijn allemaal voorzien van het monogram van de in Antwerpen geboren en naar Den Haag verhuisde beeldhouwer Jan Baptist Xavery (1697-1742). Uit beelddocumentatie van het Victoria and Albertmuseum blijkt dat minstens twee van de vier groepjes, namelijk de voorstellingen van het voorjaar en de zomer, hebben gefungeerd als model voor zandstenen beelden. Deze beelden hebben tot 1980 op Wingfield Castle gestaan.15 Daarna werden ze geveild en zijn ze buiten beeld geraakt. Het is dus zeer aannemelijk dat Xavery ook zandstenen exemplaren met de voorstellingen van de herfst en de winter heeft vervaardigd. Het Rijksmuseum bezit ook een terracottagroepje (1726) met Xavery’s monogram.16 Dit groepje bestaat eveneens uit drie figuren en verbeeldt de zomer. Ook het Hessisches Landesmuseum in Kassel bezat zes terracotta sculpturen van Xavery, waarvan er vier de seizoenen voorstelden.17 In het depot werd in 2013 slechts één beschadigde putto (de lente) aangetroffen. Het feit dat Xavery zijn terracotta modellen doorgaans voorzag van een monogram, is een indicatie dat sculpturen op klein formaat destijds voorzagen in de behoeften van verzamelaars.18 Observaties Verschillende achttiende-eeuwse beeldhouwers hebben de vier jaargetijden een gezicht gegeven in de toenmalige tuinen, onder wie Ignatius en Jan van Logteren, Jan Claudius de Cock, Jacobus Cressant en Jan Baptist Xavery. Veel tuinbeelden bevinden zich helaas niet meer op hun oorspronkelijke plek en zijn in een nieuwe (museale) context geplaatst. Daarnaast zijn veel ensembles in de loop der tijd uiteengevallen en dus niet meer compleet. De vier seizoenen werden door beeldhouwers op verschillende manieren verbeeld, namelijk als levensgrote mythologische figuren of putti. Evenwichtige combinaties van vrouwelijke en mannelijke personificaties lagen daarbij het meest voor de hand, maar uit de besproken voorbeelden blijkt dat beeldhouwers hier ook van konden afwijken. De jaargetijden konden ook zijn verbeeld in de vorm van reliëfs op tuinvazen. De belichte tuinornamenten werden vervaardigd van marmer of zandsteen. De terracotta modellen waren gewild als verzamelaarsobjecten en werden daarom ook vaak voorzien van een signatuur of monogram. Deze bijdrage beoogde een illustratief beeld te schetsen van de ver17

VITRUVIUS_Jan.2018 v2.indd 17

27/11/17 16:35


VITRUVIUS

schijningsvormen van de vier jaargetijden in ons land. De belichte beelden hebben allemaal wel hun bijzonderheden. De putti in het Rijksmuseum maken de verwevenheid van de artistieke loopbanen van vader en zoon Van Logteren zichtbaar. Het groepje op Oostermeer is bijzonder omdat de vier seizoenen in één groepje zijn verbeeld. Bovendien is dit het enige bekende grotere marmeren beeldhouwwerk van Jan van Logteren. De twee tuinvazen van Cressant zijn een vermelding waard, omdat dit tot op heden zijn enige marmeren werken zijn die zijn terug te voeren naar Zijdebalen. Deze buitenplaats was voor de ontmanteling in 1819 rijkelijk voorzien van tuinornamenten van zijn hand.19 Wat opvalt aan Xavery’s beeldjes met voorstellingen van de vier seizoenen is dat ieder seizoen wordt uitgebeeld met drie figuren, dat de modellen als complete serie bewaard zijn gebleven en dat ze aantoonbaar hebben gefungeerd als model voor tuinbeelden. De ‘Leidse’ vazen op Windsor Castle en de ‘Franse’ prenten van Marot tonen aan dat tuinornamenten konden zijn gebaseerd op ontwerpen van andere kunstenaars.20 Er zijn nog meer dan voldoende kwartetten geïnventariseerd of gedocumenteerd die nader onderzoek verdienen.21 Het lot van onderzoekers is daarmee te vergelijken met dat van hoveniers: hun werk is ondanks noeste arbeid nooit voltooid. Geraadpleegde bronnen -  Boschma-Aarnoudse, C. (1994) Het Westeinde van Edam. Armoede en welvaren van een stadsbuurt, Edam. -  Brinckmann, A.E. (1925) Barock-Bozzetti III: Niederländische und Französische Bildhauer, Frankfurter Verlags-Anstalt: Frankfurt am Main. -  Buitenhuis, E.V. (1982) Inventarisatie van de tuinsculptuur van Nederlandse buitenplaatsen, in opdracht van Rijksdienst voor de Monumentenzorg: Zeist. -  Catalogus Tentoonstelling (1981) Zijdebalen – Lusthof aan de Vecht: tuin- en tekenkunst uit het begin van de 18de eeuw, Centraal Museum: Utrecht. -  Dumas, Ch. (2012) “Getekende ontwerpen voor beeldhouwwerken door Jan Claudius de Cock” in: RKD Bulletin, No. 2, pp. 43-48. -  Fischer, P.M. (2005) Ignatius en Jan van Logteren: beeldhouwers en stuckunstenaars, Canaletto/Repro-Holland: Alphen aan den Rijn. -  Fock, 1973, ‘Willem van Mieris als ont-

werper en boetseerder van tuinvazen’, in: Oud Holland 87, pp. 27-48. -  Hulkenberg, A.M. (1969) “De grote verkoop van tuinbeelden, groepen en vazen op Keukenhof in 1746’ in: Leids Jaarboekje, pp. 181-197. -  Janssen, P.H. (eindred.) (2002) De vier jaargetijden in de kunst van de Nederlanden 1500-1750, Waanders, Zwolle. -  Jessen, P. (1892) Das ornamentwerk des Daniel Marot in 264 lichtdrucken nachgebildet, Ernst Wasmuth: Berlin. -  Jong, E. de (1993) Natuur en kunst: Nederlandse tuin- en landschapsarchitectuur 1650-1740, Uitgeverij Thoth: Bussum. -  Klinckaert, J. (1997) Beeldhouwkunst tot 1850. De verzamelingen van het Centraal Museum Utrecht, Centraal Museum, Utrecht. -  Kool, D. de (2011) “Vermiste jaargetijden: de zwerftocht van vier beelden uit Oud-Amelisweerd” in: Oud-Utrecht, Jaargang 84, Nummer 4, pp. 124-126. -  Kool, D. de (2014a) “Jan Claudius de Cock: een treflyk oud meester in de kunst?” In: Noordbrabants Historisch Jaarboek 2014, deel 31, Stichting Zuidelijk Historisch Contact i.s.m. Stichting Erfgoed Brabant en Historische Vereniging Brabant: Tilburg, pp. 89-107. -  Kool, D. de (2014b) “Apollo en Diana op Huis te Manpad” in: HeerlijkHeden, Jaargang 41, Nummer 161, pp. 16-18. -  Leeuwenberg, J. en W. Halsema-Kubes (1973) Beeldhouwkunst in het Rijksmuseum, Staatsuitgeverij/Rijksmuseum: ’s-Gravenhage/Amsterdam (catalogus). -  Lunsingh Scheurleer, Th.H., C.W. Fock & A.J. van Dissel (red.) (1992) Het Rapenburg: geschiedenis van een Leidse gracht, Rijksuniversiteit Leiden : Leiden (deel VIa : Het Rijck van Pallas). -  Montaigne, M. de (2016) De essays, Athenaeum – Polak & Van Gennep: Amsterdam. -  Mijnhardt, W.W. e.a. (1978) Teyler 17781978. Studies en bijdragen over Teylers Stichting naar aanleiding van het tweede eeuwfeest, Schuyt & Co: Haarlem/ Antwerpen. -  Muller, S. (1912) Zijdebalen, A. Oosthoek: Utrecht. -  Ripa, C. (1644) Iconologia of Uytbeeldinghe des Verstands, Amsterdam (vertaald door Dirck Pietersz. Pers). -  Staring, A. (1958) Jacob de Wit 16951754, P.N. van Kampen & Zoon: Amsterdam.

NUMMER 42 JANUARI 2018

Noten 1 Montaigne, de, 2016, p. 122. 2 Janssen, 2002. 3 Jessen, 1892, p. 48. 4 Fischer, 2005, pp. 170-171. 5 Kool, de, 2014b, pp. 16-18. 6 Fischer, 2005, p. 499, 500 en 502. 7 Kool, de, 2011, pp. 124-126. 8 Buitenhuis, 1982, p. 31. 9  Boschma-Aarnoudse, 1994, p. 59. 10  Hulkenberg, 1969, pp. 186-187; Mijnhardt e.a., 1978, p. 11; Dumas, 2012, p. 44. 11  Leeuwenberg en Halsema-Kubes, 1973, p. 57. 12  Fock, 1973, p. 27-48. 13  Lunsingh Scheurleer e.a., 1992, pp. 332335. Letterspijs is een metaalmengsel gebruikt voor het vervaardigen van drukletters. 14  Janssen, 2002, p. 70. 15  Beelddocumentatie van Victoria and Albertmuseum. Wingfield Castle ligt midden tussen Ipswich and Norwich. 16  Leeuwenberg en Halsema-Kubes, 1973, pp. 274-275. 17  Brinckmann, 1925, pp. 66-67. 18  Deze compacte beeldhouwer konden door verzamelaars worden getoond in hun kunstkabinetten. Om die reden worden ze ook wel kabinetsculpturen genoemd. 19  Muller, 1912, pp. 6-10; Jong, de, 1993, pp. 156-189. 20  Ook tekeningen of schilderijen konden fungeren als inspiratiebron. Jacob de Wit heeft bijvoorbeeld tekeningen vervaardigd waarop de vier seizoenen zijn voorgesteld als putti. Bron: Staring, 1958, p. 186, 188, 189, 190 en 194. 21  Enkele geïnventariseerde voorbeelden zijn beelden met voorstellingen van de vier jaargetijden in de tuinen van kasteel Twickel en een serie van drie (van de vier) jaargetijden in kasteel Huis Bergh. Gedocumenteerde voorbeelden zijn de in het kasboek en boedelinventaris van de beeldhouwer Michiel Emanuel Shee vermelde vazen met afbeeldingen van de vier seizoenen, borstbeelden en groepjes van kinderen die de vier seizoenen voorstellen. Bron: Fischer, 2005, p. 499, 500, 502 en 503.

18

VITRUVIUS_Jan.2018 v2.indd 18

27/11/17 16:35


VITRUVIUS

NUMMER 42 JANUARI 2018

Drs. Barbara Laan Zelfstandig interieurhistoricus en projectleider van de Stichting Historische Interieurs in Amsterdam.

Van grachtenhuis tot villa in het groen

Vanaf 10 november liggen drie rijk geïllustreerde boeken in de winkel (zie ook: de boekenrubriek). De boeken zijn het resultaat van een langlopend onderzoek naar woonhuisinterieurs in de grachtengordel van Amsterdam en in de omliggende gebieden het Gooi en Zuid-Kennemerland. De boeken bestrijken de periode waarin het mogelijk werd om niet alleen ‘s-zomers maar ook gedurende het hele jaar buiten te wonen. De economie kwam in die tijd in de hoofdstad tot ongekende bloei. Het onderzoek maakt deel uit van het interieurprogramma van de Rijksdienst van het Cultureel Erfgoed waarin aandacht wordt gevraagd voor het Nederlandse interieur, een bijzonder kwetsbaar onderdeel van onze monumenten. Digitaal delen of publiceren in druk Na twee en een half jaar gedegen onderzoek, fotograferen en schrijven ligt het resultaat te pronken in de winkel: drie prachtig uitgevoerde boeken over woonhuizen uit de periode 1875-1945 in Amsterdam, het Gooi en Zuid-Kennemerland. De boeken zijn verschenen in het kader van het onderzoeksproject Van grachtenhuis tot villa in het groen van de Stichting Historische Interieurs in Amsterdam. Het is een resultaat om trots op te zijn, zeker gezien het feit dat het een product is uit een periode dat de Nederlandse economie zich in een dal bevond. Toen het project medio 2015 van start ging was het dan ook nog bij lange na

niet zeker of de resultaten van het onderzoek in druk zouden kunnen verschijnen. Een briljante ingeving bleek effectief: we zouden eerst ons materiaal gaan delen: eerst geven dus en daarna pas de benodigde gelden gaan ophalen. Met andere woorden: we publiceerden onze vondsten gedurende meer dan twee jaar online en maakten het op deze manier mogelijk voor iedereen die daar belangstelling voor had om het onderzoeksproces van zeer nabij te volgen. We hanteerden een strak schema van korte, wekelijkse blogs en langere, maandelijkse artikelen en zetten om de paar dagen een leuke vondst of aantrekkelijk plaatje

online om de betrokkenheid van de volgers en lezers van de stukken te vergroten. Dit bleek te werken, want in de loop van deze periode raakten steeds meer fondsen en particuliere schenkers enthousiast en abonneerden zich bijna 700 mensen op de digitale nieuwsbrief waarin de artikelen en blogs werden aangekondigd. De artikelen vormden de kern van het onderzoek: per regio werden tien huizen geselecteerd die nader zijn onderzocht, gefotografeerd en beschreven. Het zijn de zogenaamde ‘huizenportretten’ waarin afgezien van het huis zelf en de materiële interieuronderdelen steeds een verhaal centraal staat over bewoners, opdrachtgevers of ontwerpers. Een strooptocht naar bijzondere, nog bewaard gebleven woonhuisinterieurs, die onbekend waren bij het grote publiek, zorgde voor een grote voorraad waaruit kon worden gekozen. Bij de selectie hielden we rekening met de gaafheid en kwaliteit van het interieur, met de spreiding over de onderzochte periode en de bijbehorende stijlvoorbeelden en met de spreiding binnen de regio’s.

1 - De covers van de drie boeken over interieurs in de grachtengordel van Amsterdam en gemeentes in het Gooi en Zuid-Kennemerland 19

VITRUVIUS_Jan.2018 v2.indd 19

27/11/17 16:35


VITRUVIUS

NUMMER 42 JANUARI 2018

Daarbij is gezocht naar overeenkomsten, verschillen en demografische verbanden tussen de drie gebieden.

2 - Een deel van de onderzoekersgroep op werkbezoek bij de gemeente Hilversum gefotografeerd tegen de achtergrond van de goudkleurige tegels in de raadzaal van het gemeentehuis van W.M. Dudok.

3 - De kunstschilder Geraldo Brender à Brandis in zijn atelier in het huis Van de Weg in Blaricum, gebouwd door de architect J.W. Hanrath in 1916. De blogs waren meer thematisch van opzet. Deed zich bij een huisbezoek of –onderzoek een vraag voor, dan werd het onderwerp uitgezocht door één van de onderzoekers of uitgezet bij een specialist in het veld. Zo verschenen er blogs over de herkomst van bepaalde betegelingen, de functie en werking van allerlei soorten woontechniek zoals de stofzuiger, de ijskast en de centrale verwarming, het ontstaan van een bepaald

type woonhuis of stijl (de atelierwoning, de Gooise landhuisstijl) en zo meer. In de drie publicaties vormen de huizenportretten het hart van de boeken. Ze zijn voorzien van uitgebreide inleidingen die een caleidoscopisch beeld geven van stedenbouwkundige, sociologische, technische, architectuur- en interieurhistorische thema’s die in de drie regio’s relevant zijn.

De boeken liggen nu, behalve in de winkels, op de tafels van alle betrokken eigenaren, financiers, onderzoekers, collega-erfgoedprofessionals en velen die het digitale verhaal hebben gevolgd. Ofschoon de website van de Stichting Historische Interieurs in Amsterdam wordt gedocumenteerd door de Koninklijke Bibliotheek zal over enkele decennia - misschien zelfs al binnen enkele jaren - de digitale informatie alleen nog zijn te vinden in de moeilijk - of helemaal niet toegankelijke digitale archiefpagina’s. Want digitale informatie veroudert snel. Boeken daarentegen hebben een veel minder kwieke omlooptijd. De boeken zullen tot in lengte van dagen behouden blijven in de Nederlandse bibliotheken en pas als ze oud genoeg zijn om integraal digitaal beschikbaar te worden gesteld (want niet meer als handelseditie verkrijgbaar) kunnen ze als historische bron beginnen aan een eeuwig digitaal leven. De brievenbusmethode Een jong team van circa 15 getalenteerde erfgoedprofessionals, aangevuld met enkele rotten in het vak, stortte zich op het tijdrovende werk van het verzamelen van literatuur en het samenstellen van een groslijst van potentieel belangwekkende huizen. Vooral dat laatste was een enorme klus die aanspraak maakte op de vaardigheid van de betrokkenen om waardevolle interieurs te vinden en te herkennen. Daarbij kunnen monumentenbeschrijvingen en literatuur een eerste aanwijzing geven, maar geregeld blijken bijzondere interieurs zich te bevinden in huizen die geen monument zijn of waarvan alleen de buitenkant is gefotografeerd of beschreven. Dan is rondfietsen en door ramen, deuren en brievenbussen gluren een heel bruikbare, zij het precaire, methode. Als een huis er enigszins shabby uitziet en de schilder al enige tijd niet is langs geweest is de kans aanwezig dat de eigenaar ook aan de binnenkant terughoudend is geweest in het groot onderhoud. Maar ook juist heel goed onderhouden huizen verbergen soms hele fraaie historische interieurs. In sommige gevallen hebben de bewoners het huis gerestaureerd en zelfs oude afwerkingen vrijgelegd of teruggebracht.

20

VITRUVIUS_Jan.2018 v2.indd 20

27/11/17 16:35


VITRUVIUS

NUMMER 42 JANUARI 2018

en legenda op basis van de oorspronkelijke bouwtekeningen. Daarbij zijn alle beschikbare bouwlagen meegenomen zodat een compleet beeld ontstaat van het woonprogramma en niet alleen van het representatieve deel daarvan dat zich meestal alleen op de begane grond of de bel etage afspeelt.

Foto BMBeeld 2016.

Wonen in een monumentaal huis Goed beschouwd zijn eigenaren die in een monument of in een monumentwaardig huis wonen en dat met plezier doen de beste ambassadeurs die het historische interieur zich wensen kan. Zij weten als geen ander hoe zeer het allerlei nadelen heeft om in een oud huis te wonen, maar zij hebben dat er graag voor over omdat ze het karakter van het huis hebben herkend, of de goede ‘aardstraal’ hebben gevoeld, met andere woorden: ze houden van het huis met zijn oude interieur inclusief de onvolkomenheden en zijn daardoor de beste ‘roeptoeters’ voor het behoud.

4 - De schildersezel van Brender à Brandis met daarop het schilderij van het huis opgesteld in het atelier. Het schilderij vormde het uitgangspunt voor het terugbrengen van de kleur van de raamkozijnen. Monumentenambtenaren, maar ook externen die in opdracht van gemeentes betrokken waren bij de inventarisatie die nodig was voor het aanwijzen van monumenten, zijn meestal goed op de hoogte van de aanwezigheid van bijzondere interieurs in de diverse gemeentes. Zij vormden voor ons een belangrijke bron tijdens de zoektocht. Daarnaast zijn eigenaren van historische huizen vaak zelf bekend met andere eigenaren van dergelijke huizen zoals de buren, de mensen in de wijk, het dorp of zelfs de hele regio. Het aanspreken van hun netwerken is gedurende onze werkzaamheden zeer waardevol gebleken. Om deze reden hebben wij in elke regio gezocht naar een ambassadeur die ons wilde helpen en introduceren bij andere huiseigenaren met een gaaf monumentaal interieur.

De methode van onderzoek is een combinatie van veldwerk, archief- en literatuuronderzoek, aangevuld met oral history (verhalen van (oud-)bewoners). Na een bezoek en opname ter plaatse wordt vervolgonderzoek gedaan; dat betreft het opzoeken van plattegronden in de bouwdossiers van de gemeente, het verzamelen van historisch fotomateriaal in collecties en bewonersgegevens in de diverse archieven (bevolkingsregister en adresboeken), aanvullend literatuuronderzoek (onder meer de krantensite Delpher) en indien mogelijk onderzoek van het bureau-archief van de architect. De plattegronden van de geselecteerde panden zijn opnieuw getekend op schaal en voorzien van een maatstok, noordpijl

De huiseigenaar van het huis Van de Weg in Blaricum bijvoorbeeld, een huis van de architect Hanrath uit 1916. Hij sprak begeesterd over het onderwerp ‘wonen in een monument’ tijdens de lezingenmiddag ter gelegenheid van de boekpresentatie op 9 november 2017. Financieel en in het praktische gebruik brengt het een hoop ‘gedoe’ met zich mee om erin te wonen, zoals krakende vloeren, donkere en koude kamers en een gebrek aan modern wooncomfort, zo bleek uit zijn verhaal. Maar de belofte die hij deed aan de vorige eigenares - de kleindochter van de bouwheer: kunstschilder Brender à Brandis - om goed voor het huis te zorgen is hem altijd bijgebleven. Zo is het kolenfornuis nog steeds in gebruik, ondanks het gesleep met kolen vanuit de kelder, en staan de meubelen van de schilder nog in de eetkamer waar vele dinertjes zijn gehouden, staan zijn boeken nog in de kast en hangen zijn schilderijen nog aan de muren van het atelier waar binnen het gezin van de huidige bewoners menig Sinterklaasfeestje heeft plaatsgevonden. Een unieke situatie als deze roert aan de problematiek van wat tien jaar geleden door de RCE het ‘interieurensemble’ is gedoopt. Het genoemde huis en de daarin aanwezige roerende zaken van de oorspronkelijke eigenaar en opdrachtgever is hiervan een sprekend voorbeeld. De meubelen, boeken, schilderijen, schildersezel, kolenfornuis enzovoorts: het zijn voorwer21

VITRUVIUS_Jan.2018 v2.indd 21

27/11/17 16:35


VITRUVIUS

Hoe kan een dergelijk huis, inclusief bepaalde objecten, voor de toekomst worden behouden? In dat verband wordt vaak gesproken over het vergroten van het bewustzijn van de waarden, of dat nu cultuurhistorische of emotionele waarden zijn. De Stichting Historische Interieurs in Amsterdam zet zich sinds de oprichting - zo’n tien jaar geleden – in om het enthousiasme voor het historische interieur over te brengen op zo veel mogelijk mensen. Enthousiasmeren vergt uitleg van de charme en de betekenissen van oude binnenruimtes en het vraagt overtuigingskracht en goede argumenten. Maar wat bovenal aanspreekt is het verhaal en de emotie; als mensen het gevoel krijgen deelgenoot te zijn van een verhaal of deel uit te maken van een groep gelijkgestemde liefhebbers is de verbinding gelegd. Verbondenheid voelen met het object en met elkaar, met een bepaalde plaats of bouwwijze en met de groep die daar plezier aan beleeft is een sterk mechanisme. Hierin schuilt tevens de kiem voor de wens tot behoud voor nu en later. Als mensen beseffen slechts een schakel te zijn in een lange ketting van eigenaren zijn zij eerder bereid om het interieur te willen doorgeven aan volgende generaties. Het is niet verbazingwekkend dat onze bewonersborrels bij eigenaren thuis en met huisbezoek goed werden bezocht. Een andere manier om de doelgroep van huiseigenaren aan te spreken is onze rubriek ‘The floor is yours’ waarin best practices van eigenaren voor het voetlicht worden gebracht. In een recent gestarte serie interviews vertellen eigenaren wat hen trekt in hun monumentale huis en hoe zij het hebben aangepakt om er prettig in te kunnen wonen met respect voor de oude ruimtes en materialen. De huidige bewoonster van het huis De Cranenburgh in Haarlem, dat voor haar grootouders werd gebouwd in 1929, is één van de geïnterviewden. Zij vertelde hoe zij het huis aantrof nadat het helemaal was uitgewoond door huurders en hoe zij het stap voor stap heeft opgeknapt en de interieurs in ere heeft hersteld. Zij vertelde dat zij

aanvankelijk heel erg moest wennen aan de grijze wandtegels, maar dat ze er van leerde houden naarmate ze er langer naar keek. De kleur van de tegels bleek zich op subtiele wijze aan te passen aan de rest van de kleuren in de ruimte zodat elke kamer zijn eigen karakter heeft. Amsterdam, het Gooi en Zuid-Kennemerland Sommige Amsterdammers hielden het stadshuis aan en bleven in de binnenstad wonen, anderen vertrokken permanent naar het Gooi, Zuid-Kennemerland of elders. Een deel van hen forensde op en neer naar het werk in Amsterdam. Anderen vonden werk in de nieuwe regio. Een enkeling vertrok naar nieuw aangelegde villawijken in de steden, zoals Amsterdam Zuid of de Plantage, of naar nieuw aangelegde straten zoals de Sarphatistraat. Daarnaast had een stad als Haarlem uiteraard de eigen inwoners die de nieuw aangelegde villaparken bevolkten, zoals het Staten Bolwerk, het Kenaupark en het Florapark. En ook zij trokken naar de omliggende gemeentes. Wat de drie regio’s van elkaar onderscheid is het type huizen dat we er aantreffen. In de Amsterdamse binnenstad zijn dit de oude grachtenhuizen die vaak in de negentiende en begin twintigste eeuw werden opgeknapt in neostijlen of in enkele gevallen ingrijpend verbouwd door negentiende-eeuwse architecten van naam, zoals C. Outshoorn (Paleis voor Volksvlijt en Amstelhotel), A.L. van Gendt (Centraal Station overkappingen, Concertgebouw), W. Springer (Stadsschouwburg) en A. Salm (woonhuizen voor de elite). Ook komt het voor dat architecten de opdracht kregen om interieurs in moderne stijlen uit te monsteren, zoals K.P.C. de Bazel (Kantoor Nederlandse Handelsmaatschappij aan de Vijzelstraat). In de regio’s bestaat dit fenomeen ook, maar het gros van de huizenvoorraad uit deze periode is nieuw gebouwd, soms opgenomen in het bestaande stedelijk weefsel, maar meestal langs de oude doorgaande wegen en de nieuw aangelegde straten, in de nieuwe villaparken en -wijken. Het aantal vrijstaande huizen is dan ook groot. Het aantal huizen dat door projectontwikkelaars is gebouwd is ongetwijfeld groter dan het aantal in opdracht gebouwde huizen. Maar het is wel opvallend hoeveel par-

ticuliere eigenaren zelf een architect in de armen namen voor het eigen woonhuis in de kleinere gemeentes zoals Laren, Blaricum, Bloemendaal en Aerdenhout. Zowel lokale architecten als landelijk werkende architecten bouwden talloze villa’s voor particuliere opdrachtgevers. Dat sommige hun architectenbureau in de regio hadden zal de regionale opdrachten hebben gestimuleerd. Voorbeelden van landelijk werkende architecten uit de regio’s zijn: K.P.C. de Bazel (Bussum), W. Hamdorff (Laren), J.W. Hanrath (Hilversum), J.B. van Loghem (Haarlem) en de architectenfamilie Van der Steur (Haarlem) en J. London (Haarlem, later Hilversum). Hij respecteerde de oude stucdecoraties in de gang en belegde deze opnieuw met marmeren platen. Pas bij nadere beschouwing blijkt zijn hand langs de tochtpui, lambriseringen, schouwen, plafonds en profileringen te zijn gegaan. Alleen in de eetkamer pakte hij grandioos uit met een zeer exuberant en consistent totaalontwerp van wanden, vloeren, plafonds én inrichting. Omdat we te maken hebben met nieuw gebouwde huizen en grachtenhuizen met een oudere oorsprong zijn de plattegronden van de huizen ook verschillend. In de nieuwe stads- en landhuizen is meestal een centrale hal aangebracht waarom-

Foto BMBeeld 2016.

pen die een relatie hebben met het huis en de ruimtes. Zij ontlenen een deel van hun betekenis aan die relatie. Omgekeerd ontlenen het huis en zijn kamers met de vaste interieurafwerkingen hun betekenis deels aan de relaties met die voorwerpen.

NUMMER 42 JANUARI 2018

5 - De badkamer in het huis De Cranenburgh in Haarlem, gebouwd voor de familie Cranenburgh door de architecten Thunnissen, Hendricks en Peper in 1929

22

VITRUVIUS_Jan.2018 v2.indd 22

27/11/17 16:35


NUMMER 42 JANUARI 2018

Foto BMBeeld 2016.

VITRUVIUS

6 - De eetkamer in het huis aan de Herengracht met de meubelen en het vloerkleed ontworpen door de architect K.P.C. de Bazel voor de familie Van Ogtrop in 1919 heen de vertrekken zijn gegroepeerd. Het twee-beukige type woonhuis met een smalle gang aan de ene kant en kamers en suite aan de andere kant komt nog maar weinig voor in dit segment. De grachtenhuizen vertonen dit nieuwe type plattegrond slechts een enkele keer, vooral wanneer het gehele huis werd verbouwd en er voldoende ruimte beschikbaar was. De verticale verdeling blijft in grote lijnen traditioneel in beide typen: dienst in het souterrain of in een aparte vleugel van de begane grond, wonen op de begane grond cq de beletage en slapen op de verdiepingen daarboven. Wel bestaan de grachtenhuizen in de regel uit meer bouwlagen dan de landhuizen en stadshuizen in de buitenwijken en landelijk gelegen dorpen. De stijl van de interieurafwerkingen en de toegepaste materialen zijn in grote lijnen

vergelijkbaar. In elke regio hebben we ĂŠĂŠn of enkele voorbeelden van neostijlen, van vernieuwing rond de eeuwwisseling (Jugendstil, invloeden Berlage, firma Van Wisselingh, De Bazel) en (verstrakte) Amsterdamse School. Wel is er een relatief grote concentratie neostijlen in de Amsterdamse voorbeelden en een grote concentratie van de zogenaamde Gooise landhuisstijl in het Gooi. In Zuid-Kennemerland zijn relatief veel hele grote huizen geselecteerd hetgeen kan samenhangen met het feit dat de regio meer de geldaristocratie aantrok (onder meer de familie Borski), terwijl in het Gooi meer de culturele elite neer streek (kunstenaars, wereldverbeteraars en vanouds onder meer de familie Six).

al digitaal is gaan profileren heeft ons werk de aandacht getrokken van een fonds dat ons volgende project structureel wil gaan steunen. De plannen zullen in de komende tijd nader worden uitgewerkt. Het zal een uitdaging zijn voor de stichting om een nieuw project van de grond te tillen. Het doel zal daarbij hetzelfde blijven: kennis en beeld te verzamelen over gaaf bewaard gebleven interieurs en deze in het zonnetje te zetten met de bedoeling om het bewustzijn van de waarde te versterken zodat mensen er uit eigen beweging zorgvuldig mee om zullen gaan. n

Toekomst Doordat de Stichting Historische Interieurs in Amsterdam zich aanvankelijk voor-

De boeken zijn met korting verkrijgbaar

www.historischeinterieursamsterdam.nl

via: www.stokerkade.nl

23

VITRUVIUS_Jan.2018 v2.indd 23

27/11/17 16:35


VOOR U

gelezen

VITRUVIUS

NUMMER 42

JANUARI 2018

De Populier. Onze volksboom in nieuw perspectief. AUTEUR

W. Huijser UITGAVE

KNNV RECENSENT

Frits Niemeijer D E TA I L S

Paperback, 256 pagina’s, afbeeldingen in kleur, kaderteksten, literatuur, websites, ISBN 978-90-5011-625-1 PRIJS

€ 24,95

H

et geboortehuis van uw recensent is een woning in Haarlem die aan de achterzijde uitziet op een complex geschakelde huizen van de bekende architect J.B. van Loghem (1881-1940). Het woningcomplex (ca. 1920) en de straat van waaruit je erop kon uitkijken (ca. 1900) kwamen tot stand ter plaatse van de vroegere buitenplaats Rosehaghe. Het geheel had het karakter van een tuinwijk, dus met veel groen. In de tuin van de buren stonden drie kolossale populieren, vlak naast elkaar; samen vormden ze een ellipsvormige ‘landmark’, die ver boven alle daken uitstak. Als het waaide ritselden de bladeren, als het stormde ruisten de takken en af en toe kwam er ook weleens een naar beneden; verder boden de drie populieren overnachtings- en nestelruimte. Op zekere dag – het zal ergens rond 1965 zijn geweest – werden de kanjers getopt en bleven er drie kale kolommen over, die er nog jaren hebben gestaan. Hoe oud de bomen zijn geworden? Geen idee, maar de doorsnede moet toch zeker zo’n 70 of 80 cm zijn geweest. Hadden ze ooit deel uitgemaakt van de buitenplaats? Geen idee, maar zeker is dat er op nog andere plaatsen kleine groepjes hoge populieren in de wijk stonden en ook enige grote parkbomen. Goede kans dat Van Lochem ze in zijn tuinstadontwerp heeft geïncorporeerd; net als de drie buurbomen hebben ze intussen het loodje gelegd. De bouwwerken in het wijkje van Van Loghem zijn intussen Rijksmonumenten; de aanleg van het complex maakt echter geen deel uit van de bescherming – en daarmee helaas ook de groenstructuur niet. (Het groen is in de inleiding van de omschrijving vermeld, maar niet als complexonderdeel) Dit is een verschijnsel dat zich veel voordoet en dat ten dele verklaard kan worden vanuit de gedachte dat afzonderlijke aanplant niet beschermd kon worden vanuit de Monumentenwetten van 1961, respectievelijk 1988. Groenstructuren en (groen)aanleg – op iets hoger niveau van abstractie - konden echter wel

worden beschermd, eventueel ook door toepassing van het instrument van het beschermde stads- of dorpsgezicht. Dit laatste wordt intussen niet meer toegepast, terwijl ook bescherming van objecten en structuren uit de vooroorlogse periode zo goed als onmogelijk is geworden. De cultuurhistorische betekenis is er evenwel niet minder om. Waarom dit geschreven in een recensie betreffende een boek over populieren? Het antwoord is simpel: de populier is een boomsoort die in uiteenlopende varianten is toegepast in diverse perioden, door een veelheid van partijen en in verschillende typen van aanleg en structuur. Zo zijn verschillende subrassen door de eeuwen heen benut als dijk- of wegbeplanting, andere als productiehout (van klompen tot lucifers en van pallets tot papier) en nog weer andere als snel groeiende bossen in kale droogmakerijen, in rampgebieden of ruilverkavelingen. De populier – of hoe de verschillende varianten mogen heten – was overal en hij was op veel plaatsen daarom een kenmerkende boom voor de inrichting van het Nederlandse landschap; het is bij uitstek een coulisseboom. In het bijzonder het feit dat de populier zo’n makkelijke boom is, maakt hem geschikt voor snelle toepassing: net als de wilg laat hij zich als een stok in de grond plaatsen – desgewenst machinaal, in duizendtallen per dag. Populierenbossen uit de tweede helft van de 20ste eeuw zijn dan ook vaak niet de bossen zoals Moeder Natuur ze voortbrengt: de stammen kunnen er strak in het gelid staan. Maar nergens ter wereld is ‘gemaakte natuur’ toch meer kenmerkend voor het landschap dan in Nederland? Laat de populierenbossen daarvan de ultieme, driedimensionale variant zijn: populierenbossen als moderne varianten van 17de-eeuwse formaties van piekeniers. Vanuit dit standpunt bezien, kan zo’n bostype – ook al is het relatief recent aangeplant – cultuurhistorische waarden

24

VITRUVIUS_Jan.2018 v2.indd 24

27/11/17 16:35


VITRUVIUS NUMMER 42 JANUARI 2018

vertegenwoordigen. Hetzelfde geldt voor de vele kilometers wegbeplanting in onze jonge zeekleipolders in de voormalige Zuiderzee of voor de lintbegroeiing in het zuidwesten van het land. De vier grote droogmakerijen in het huidige IJsselmeer zijn naar nauwkeurig getekende plannen uitgevoerd en de honderdduizenden bomen – veel populier – zijn er in een vooraf vastgesteld schema geplant. De schema’s waren hiërarchisch opgebouwd, met verschillende soorten langs de verschillende ontsluitingsniveaus en met erf- en terreinbeplanting die enige decennia vooruitliep op de gewenste ontwikkelingen in het landschap. De populier speelde daarbij een belangrijke rol, omdat die een functie van pioniersboom goed kon vervullen. Een goed voorbeeld is het Voorsterbos in het zuidoosten van de Noordoostpolder, dat vanaf 1944 is geplant als populieren- en sparrenbos en dat vanaf de jaren ’50 een functie kreeg als openluchtlaboratorium voor waterbouwkundige werken (nu: het ‘Waterloopbos’). De al snel dichte bebossing zorgde voor minimale verstoring van de proefnemingen door de invloed van weer en wind. De weg- en erfbeplanting in de IJsselmeerpolders kwam eveneens tot stand door weloverwogen beslissingen, waarbij de populier opnieuw een hoofdrol speelde, maar na enige tientallen jaren is een deel hiervan (in fasen) gekapt en vervangen door andere soorten, waardoor het beoogde, meer gevarieerde beeld ontstond. De geplande ontwikkeling in de polders en de resultaten daarvan zijn een cultuurhistorische kwaliteit waarvoor thans in het buitenland hoge waardering bestaat, maar die in eigen land nogal eens wordt genegeerd. Iets dergelijks geldt voor de door de inundaties van 1944/45 en de watersnoodramp van 1953 getroffen gebieden. Vooral de eilanden verloren veel van hun oorspronkelijke groen, maar bij het herstel van het landschap is (meestal) gepoogd iets van de waarden te laten terugkeren. Door her- en/of ruilverkaveling was dat lang niet altijd mogelijk en natuurlijk konden ook oude erfscheidingen hierbij niet overal in ere worden gehouden. Maar een groot deel van de binnendijken (al dan niet afgetopt) bleef wel intact en langs die dijken kon de pionierende populier weer goed van pas komen. Eerder was de streekeigen iep hier al ten onder gegaan aan de in het Interbellum woekerende iepziekte, dus een goed tegen wind en zout opgewassen boom – die ook nog eens in een groot aantal verschillende ondersoorten in massa geleverd kon worden – was hoogst welkom. Ook voor deze gebieden – en meer in het algemeen bij inrichting van terreinen (ruilverkavelingen, ontginningen) – gold, dat vanaf ongeveer 1945 een zogenoemd ‘landschapsplan’ werd

VOOR U

gelezen

gemaakt (en vanaf 1954 móest worden gemaakt). In zo’n plan (niet alleen in de betekenis van ‘ontwerp’, maar ook van ‘plattegrond’ of ‘toestand’) konden de reeds bestaande natuurlijke waarden worden vermeld en werd aangegeven hoe de inrichting nader vorm zou (kunnen) krijgen. Gedurende enige decennia was Staatsbosbeheer de opsteller van de landschapsplannen en was deze dienst ook een van de betrokkenen bij de realisatie. Zeker wanneer het om productiehout ging. Andere partijen waren bv. Heidemij, Grontmij, Rijkswaterstaat, Domeinen en verschillende waterschappen. Zij waren niet alleen uitvoerders, maar vaak ook eigenaren van de betrokken gronden. Dat zij elk met een eigen insteek de landschapsplannen uitvoerden, ligt voor de hand: een recreatiebos ziet er anders uit dan een bos dat is bestemd voor de productie van stamhout of lucifers. En verder lopen ook cultuurhistorische en natuurwaarden niet altijd parallel. Dat had in dit boek beter uit de verf kunnen komen wanneer de auteur zich meer had laten leiden door impliciete opmerkingen van zijn bronnen. Het valt bijvoorbeeld op dat noch Rijkswaterstaat, noch de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, noch Heidemij, etc. aan het woord komt. Alleen enkele medewerkers van Staatsbosbeheer mogen hun verhaal doen. Het gevolg is dat de omgang met de populier juist vanuit beleidsperspectief niet voldoende uit de verf komt. En het is precies op dit punt dat Huijser de lezer van zijn bundel ietsje tekortdoet. Dat niet alle punten uitvoerig aan de orde kunnen komen, spreekt vanzelf, maar het boek – het is feitelijk een gebundelde weergave van gesprekken met enige tientallen mensen die iets met populieren van doen hebben – mist een visie. Niet alleen zijn eigen visie, maar ook een visie op ‘de populier van de toekomst’. Het nieuw perspectief dat de ondertitel van het boek belooft, ontbreekt. De bijna 30 hoofdstukken zouden als afzonderlijke bijdragen aan dag- of weekbladen gelezen kunnen worden, want ze missen samenhang. De gesprekken die zijn aangegaan lijken een ad hoc karakter te kennen, met als gevolg: de betrokkenen lopen leeg over hun ergernis over het kappen van populieren van 25 of 50 jaar, terwijl ze best 100 of nog ouder kunnen worden. Of over Staatsbosbeheer en Rijkswaterstaat die geen kennis van zaken (meer) zouden hebben. Of over de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, die geen oog zou hebben voor ‘bomen en landschapselementen’. De desbetreffende klager weet echter zonder twijfel beter: de RCE (in de hoedanigheid van opvolger van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg) doet al meer dan een halve eeuw aan bescherming van op nationaal niveau van waarde geachte (gebouwde)

25

VITRUVIUS_Jan.2018 v2.indd 25

27/11/17 16:35


VOOR U

gelezen

elementen en ook van structuren. Maar niet aan bescherming van individuele bomen of boomgroepen – al was het maar vanwege hun levenscyclus. Wel zijn er enige honderden zogeheten beschermde stads- en dorpsgezichten waarin zowel groen binnen, als buiten de kernen veelal is vermeld. (Bij Rosehaghe in Haarlem is dat door een ‘vormfout’ misgegaan) Hiernaast zijn er honderden complexen van huizen, boerderijen, landgoederen, kastelen, begraafplaatsen, enz. beschermd - vaak inclusief hun groenaanleg. En de klager hoort ook te weten dat de verantwoordelijkheid voor de omgang met Rijksmonumenten en beschermde gezichten en de handhaving daarvan al sinds jaren bij de gemeentes rust. Voor wat betreft individueel groen moeten andere wegen worden bewandeld, maar ook deze wegen leiden naar de gemeentes. De meest genoemde gemeente in dit boek is Wageningen – en wel om twee redenen. Allereerst vormde het kappen van alle stammen langs een lange populierenlaan op het Wageningse Binnenveld indirect de aanleiding voor dit boek en ten tweede lag de zogeheten Dorschkamp tegen Wageningen. De Dorschkamp was een proefstation voor bosbouw, waar aan kweek en veredeling van bomen werd gedaan. De Dorschkamp was onderdeel van de latere Universiteit Wageningen (WUR). Het Binnenveld en de Dorschkamp zijn met enige goede wil op te vatten als de rode draad in het boek.

VITRUVIUS

NUMMER 42

JANUARI 2018

doende van overtuigd geraakt, maar dat neemt niet weg dat het boek prettig weglas in de najaarszon onder wuivende kale loofbomen en sparrentakken. In een gemengd bos bij Wageningen. Rest hem te vermelden dat een kwekerij in St. Oedenrode (NB) als compensatie voor het gebruikte papier, jonge boompjes leverde voor een beplantingsprojct in Het Groene Woud. Waarvoor dank. n

De geschiedenis en de gebruiksmogelijkheden van de verschillende populierensoorten komen in Huijsers boek ruim voldoende aan bod, mede dankzij het proefstation. Verder staat het vol met interessante weetjes over en toepassingen van de populier. Jonge loten aan de stam zijn het gebruik van de populier als basis voor surfplanken, boten, doodskisten en woningbouw. Tot het ‘oude hout’ behoort de al genoemde luciferfabricage, terwijl een klompenmakerij in Beltrum (Gld) gouden zaken doet in de toeristenbranche. Hun halfproduct van de wooden shoes wordt naar China gebracht – 120 containers per jaar heen en weer - om er te worden geschuurd, beschilderd en verpakt en om daarna in ons land onder meer te worden verkocht aan: Chinezen. De lezer doet via Huijsers boek veel wetenswaardigs op over de populier als natuurlijk fenomeen, als cultuurdrager en als volksboom. Vergelijkbare boeken zouden echter samengesteld kunnen worden over de kastanje, de eik, de beuk, de spar en noem maar op: het ad hoc karakter blijft een beetje kleven. Verdienen populieren het meer dan deze andere ‘Nederlanders’ dat ze vóór de coulissen gezet worden? Daar is uw recensent onvol26

VITRUVIUS_Jan.2018 v2.indd 26

27/11/17 16:35


UITGAVE

Uitgeverij IJzer D E TA I L S

Gebonden, 494 pagina’s, ISBN 978-90-8684-150-9 PRIJS

€ 39,50

I

n De geschiedenis van de katharen reconstrueert Michel Roquebert met ongeëvenaarde nauwgezetheid de kathaarse gemeenschap, haar geschiedenis en de geschiedenis van haar

Een buitenplaats in detail. VreedenHoff aan de Vecht. AUTEUR

Anthony Lisman UITGAVE

Stokerkade D E TA I L S

Gebonden, 188 pagina’s, rijkelijk geïllustreerd, ISBN 978-90-7915-637-5 PRIJS

€ 29,50

E

en ieder die weleens langs de Vecht tussen Loenen en Nieuwersluis loopt of rijdt zal het zijn opgevallen: het monumentale smeedijzeren inrijhek van VreedenHoff, met daarachter de achttiende-eeuwse buitenplaats. Het prachtige huis is omgeven door een landschappelijk park en vlakbij het kleine inrijhek staat een theehuisje.

Jan de Braij (1626/1627-1697). Schilder en architect.

JA N D E B R A I J (1626/1627–1697)

schilder en architec t

AUTEUR

Jeroen Giltaij UITGAVE

tect

er- en beeldhouw en was verantwoo ren catalogi van an de zestienden promoveerde nsionering stelde men.

AUTEUR

jeroe n giltai j

n de schilderkunst andacht krijgt die

recent

JANUARI 2018

Michel Roquebert

(1626/1627–1697) schild er en archi

gebaseerde biografie en beeld gegeven van en als architect. Dan van zijn schilderije n

NUMMER 42

De geschiedenis van de katharen.

JA N DE BR AI J

de-eeuwse Haarlemse iestukken. Ook was hij was hij een tegenhang er seeltoets. Jan was de had drie schilderen de

VITRUVIUS

WBooks D E TA I L S

Gebonden, 416 pagina’s, ca. 380 afbeeldingen in kleur en zwart-wit, ISBN 978-94-6258-206-4 jero en giltaij

PRIJS

€ 49,95

J

an de Braij was een belangrijk schilder van portretten en historiestukken in de zeventiende eeuw. Hij werd geboren

VERSCHENEN

onderdrukking. Hij heeft zich daarbij uitsluitend gebaseerd op de bronnen uit die tijd: kathaarse handleidingen en rituelen, kronieken, verhoren en veroordelingen van de inquisitie, briefwisselingen tussen pausen, koningen en hooggeplaatste personen, door concilies vastgestelde canons en allerhande openbare en particuliere akten. Deze Geschiedenis van de katharen, die zich uitstrekt over meer dan drie eeuwen, verhaalt van de ketterij, haar exacte aard, de hoge vlucht die ze neemt in heel Europa en de redenen van haar bijzondere ontwikkeling in de domeinen van de graaf van Toulouse en zijn vazallen, grofweg de regio Midi-Pyrénées en Languedoc-Roussillon; van de in 1209 door paus Innocentius III op gang gebrachte kruistocht tot de val van Montségur in 1244 en van de inquisitie, in 1233 in Toulouse opgericht om het afvallige christendom uit te roeien, waarin ze pas in het eerste kwart van de veertiende eeuw zal slagen. n

VreedenHoff heeft de intrigerende uitstraling van een andere wereld en een andere tijd. Het lijkt onbereikbaar, zelfs als de poort openstaat. Toch is het dat niet, want u wordt nu uitgenodigd om het huis en de bijgebouwen van binnen te bekijken, tot in de kleinste details. Sinds de aanleg in 1749 is het buitenhuis voorbeeldig ingericht en onderhouden door de opeenvolgende eigenaren. Na een uitbundig begin, waarvan veel achttiende-eeuws stucwerk nog getuigt, is de buitenplaats in de eeuwen erna steeds aan de tijd aangepast. De eigenaren waren in de gelegenheid om een beroep te doen op uitstekende architecten, vakmensen en leveranciers, wat heeft geleid tot een uitmuntend bewaarde staalkaart van eeuwen interieurkunst. De huidige bewoner en auteur van dit boek, Anthony Lisman, beschrijft het huis met kennis en passie, van de entree tot het kleinste kamertje. Jeroen van de Water illustreert dit verhaal met vele honderden foto’s. Niet eerder is een historische buitenplaats zo uitgebreid in beeld gebracht. Alle reden dus om eens achter het fraaie inrijhek te kijken. n

in Haarlem en leerde aanvankelijk bij zijn vader Salomon de Braij. Zijn stijl is zeer zorgvuldig, met scherpe contouren en heldere kleuren, waardoor zijn portretten het tegenovergestelde waren van de breed geschilderde portretten van Frans Hals. Zijn schilderijen met Bijbelse, historische en mythologische onderwerpen zijn originele en soms indrukwekkende composities. Jan de Braij was verder een voortreffelijk tekenaar. Hij was ook architect en ontwierp een kerk in Haarlem en een zoetwaterbassin voor Amsterdam. Jan de Braij (1626/1627-1697): Schilder en architect bevat een biografie van de familie De Braij, gebaseerd op archiefdocumenten, een overzicht van de ontwikkeling van Jan de Braij als schilder, tekenaar en architect en een volledig beredeneerde catalogus van zijn schilderijen en tekeningen. n

27

VITRUVIUS_Jan.2018 v2.indd 27

27/11/17 16:36


recent

VITRUVIUS

VERSCHENEN

De Toren van de Gouden Eeuw. AUTEUR

Gabri van Tussenbroek UITGAVE

Prometheus D E TA I L S

Paperback, 368 pagina’s, ISBN 978-90-4463-478-5

PRIJS

€ 24,99

H

et is het jaar 1645. Amsterdam verkeert op het hoogtepunt van zijn macht. Maar het centrum van de stad ligt er desolaat bij. Naast het oude, aftandse stadhuis staan de geblakerde resten van de Nieuwe Kerk, die in de ochtend van 11 januari in vlammen is opgegaan.

Kijk Amsterdam 1700-1800. De mooiste stadsgezichten. AUTEUR

Boudewijn Bakker, Bert Gerlagh, Maarten Hell, Erik Ariëns Kappers, Bianca du Mortier, Pieter Vlaardingerbroek en Ester Wouthuysen. UITGAVE

THOTH D E TA I L S

Paperback, 280 pagina’s, 300 illustraties in kleur, ISBN 978-90-6868-745-3 PRIJS

€ 29,95

D

e Dam, de grachten, de kerken en pleinen, deAmstel en het IJ: het is allemaal onmiskenbaar Amsterdam. De tekeningen uit de achttiende eeuw laten een bijzonder leven-

Over straatnamen met name. Waarom onze straten heten zoals ze heten. AUTEUR

René Dings UITGAVE

Nijgh & Van Ditmar D E TA I L S

Paperback, 272 pagina’s, ISBN 978-90-3880-352-4

NUMMER 42

JANUARI 2018

De wederopbouw begint direct. De ambities reiken letterlijk tot in de hemel. Burgemeester Willem Backer wil niet alleen het herstel van de kerk, maar ook een toren van meer dan honderd meter hoog. Na het heien van ruim zesduizend palen kan in 1647 de eerste steen van de toren worden gelegd. Maar een jaar later keert het tij. Backers tegenstrevers pleiten voor een nieuw stadhuis, dat al snel alle aandacht en financiële middelen voor zich opeist. Interne verdeeldheid en internationale spanningen leiden tot een verbeten machtsstrijd onder de Amsterdamse regenten. De toren wordt een speelbal in een conflict dat de verdeeldheid in de Republiek tot in zijn vezels blootlegt. De inzet is niets minder dan de macht over de rijkste stad ter wereld, een conflict tussen koopman en dominee, tussen gulden en God. n

dige stad zien. Kunstenaars als Jacob Cats, Reinier Vinkeles, H.P. Schouten en Jan de Beijer namen de tijd om hun omgeving tot in detail te vereeuwigen. Het getekende stadsgezicht maakte een ongeëvenaarde bloei door en geen andere plek werd zo vaak getekend als Amsterdam. We zien een stad waar wordt gehandeld en gewandeld, waar koetsen en karren ratelen over de keien en schuiten worden volgeladen. In de Eeuw van de Rede – een relatief welvarende tijd – groeide de behoefte om de stad en haar inwoners zo precies mogelijk te documenteren. Dat heeft geresulteerd in talloze tekeningen, vaak in prachtige kleuren. Het is voor het eerst dat een overzichtstentoonstelling over Amsterdamse topografische tekenkunst uit de periode 17001800 wordt gehouden. Kijk Amsterdam is een selectie van de mooiste werken in potlood, pen en penseel, veelal uit de eigen collectie van het Stadsarchief. De expositie is nog tot 14 januari 2018 te bezichtigen. n

wie bedenkt al die straatnamen? Wat zeggen straatnamen over onszelf en onze cultuur? Hoe komen straten als de Apendans, de Vliegende Koffer en de Dubbeleworststeeg aan hun naam? Dit boek geeft antwoord op deze en vele andere vragen. Waarom is er voor Jan Steen vaak geen plek in een schilderswijk? Welke straatnamen komen het vaakst voor? Wat moet je doen om een straat naar je vernoemd te krijgen? Wie heeft de straatnamen van het Monopolyspel gekozen? En hoe oud is de weg naar Kralingen nou precies?

PRIJS

€ 17,50

W

e hebben elke dag met straatnamen te maken. Als we post versturen, als we ergens op bezoek gaan, als we de weg zoeken in een vreemde stad. Achter veel van die namen schuilen bijzondere en interessante verhalen. Want

Over straatnamen met name is een vrolijk en informatief boek, waarin René Dings vertelt hoe straatnamen tot stand komen en wat daar allemaal bij komt kijken. Vol met verhalen, voorbeelden, feiten en fabels. Als je het uit hebt kun je nooit meer normaal naar een straatnaambord kijken. Maar dat is helemaal niet erg. n

28

VITRUVIUS_Jan.2018 v2.indd 28

27/11/17 16:36


d.

l

k

n elf

recent

JANUARI 2018

AUTEUR

Karel Tomeï UITGAVE

Scriptum D E TA I L S

Gebonden, 400 pagina’s, formaat 28,5 x 36,5 cm (staand), Nederlands/Engels, rijkelijk geïllustreerd, ISBN 978-90-5594-729-4

VERSCHENEN

daags verschijnsel. Juist nu we zo gewend raken aan de blik van boven, zoals we dat met een muisklik op ons beeldscherm eenvoudig kunnen realiseren en juist nu we zo vertrouwd zijn met het zelf dagelijks fotograferen van onze directe omgeving, is een zorgvuldig samengestelde serie beelden als van Karel Tomeï zo waardevol. Het sluit aan op een eeuwenoude traditie, die terugvoert op de zeventiende-eeuwse prentseries van Hollandse steden en het appelleert tegelijkertijd aan het verlangen naar landschappelijk schoon zoals dat door tal van fotografen telkens opnieuw wordt vastgelegd. In dit boek komen deze systematische en esthetische benadering samen.

PRIJS

€ 49,99

I

n dit nieuwe, prachtig uitgevoerde fotoboek laat Karel Tomeï ons Nederland zien zoals we het kennen maar nooit eerder hebben gezien. In onze tijd lijkt, mede door ontwikkelingen als satellietfoto’s, drones en Google Earth, de luchtfotografie haast een alle-

Jongkind & vrienden. Monet, Boudin, Daubigny en anderen. AUTEURS

Saskia de Bodt, Dominique Lobstein, Liesbeth van Noortwijk, John Sillevis, Alain Tapié en Gerrit Willems.

Tomeï maakte zijn eerste foto’s al op vijfjarige leeftijd en specialiseerde zich in 1973 als luchtfotograaf. Zijn fotografische beelden vormen de stille neerslag van eindeloze vluchten boven ons land, afhankelijk van de elementen, windvlagen, wisselende wolkenluchten en reflecties op de grond. Dit bijna 4 kilo wegende boek is een meesterproef van de fotograaf en een machtige aandachtstrekker. n

J

ohan Barthold Jongkind (1819-1891) is een sleutelfiguur in de schilderkunst van de negentiende eeuw. Een pionier van het impressionisme. Hij werd geboren in Nederland, maar woonde het grootste deel van zijn leven in Frankrijk. Daar raakte hij bevriend met kunstenaars als Monet, Sisley, Boudin, Daubigny en Pissarro.

UITGAVE

THOTH D E TA I L S

Paperback, 224 pagina’s, 275 illustraties in kleur, ISBN 978-90-6868-743-9 PRIJS

€ 24,95

Hollandse Meesters uit de Hermitage.

uit de Hermitage

g

NUMMER 42

NLXL Made in Holland.

Hollandse Meesters

e

VITRUVIUS

Hollandse Meesters

AUTEUR uit de Hermitage

Irina Sokolova, Cees Nooteboom, Everhard Korthals Altes, Bernard Vermet e.a. UITGAVE

WBooks (i.s.m. Hermitage Amsterdam) D E TA I L S

Gebonden, 216 pagina’s, 342 afbeeldingen in kleur en zwart-wit, ISBN 978-90-7865-368-4 PRIJS

€ 29,95

D

it najaar kwamen zestig Hollandse Meesters uit de Hermitage St. Petersburg terug naar hun geboortegrond. Veel van deze zeventiende-eeuwse schilderijen zijn voor het eerst sinds eeuwen weer in Nederland, want de liefde van

Geregeld keerde Jongkind terug naar Nederland waar hij de havens van Rotterdam en Dordrecht en het Hollandse rivieren polderlandschap schilderde. Jongkind vond Dordrecht de mooiste stad van Nederland en spoorde andere Franse kunstenaars aan om ook naar het schilderachtige Dordt af te reizen. n

de russen voor de Hollandse Meesters begon vroeg. Peter de Grote kocht in de zeventiende eeuw al Hollandse werken aan en zijn opvolgers deden er in hun verzamelwoede nog een schepje bovenop. Over de liefde van de Russen voor de Hollandse Meesters en de invloed ervan op hun eigen kunstontwikkeling is tot nu toe nog maar mondjesmaat gepubliceerd. Hollandse Meesters uit de hermitage brengt voor het eerst uitgebreid in kaart waarom de Russen zo van de ‘Hollanders’ hielden, hoe de collecties gevormd werden (en dat er ook wel eens wat misging bij het transport) en hoe de schilderijen de Russische kunst diepgaand hebben beïnvloed. Behalve veel achtergrondinformatie en nieuwe inzichten bevat dit boek een ongekende rijkdom aan beeldmateriaal. Kortom, een standaardwerk dat zowel voor de kenner als voor de minder ingewijde liefhebber veel te bieden heeft. n

29

VITRUVIUS_Jan.2018 v2.indd 29

27/11/17 16:36


recent

VITRUVIUS

VERSCHENEN

Erasmus, de ster aan Gutenbergs firmament. Een literair essay over Erasmus, het humanisme en de zestiende-eeuwse mediarevolutie. AUTEURS

Nina Burton (vertaald uit het Zweeds door Geri de Boer) UITGAVE

Ad. Donker D E TA I L S

Gebonden (met stofomslag), 352 pagina’s, geïllustreerd, ISBN 978-90-6100-728-9 PRIJS

€ 34,50

D

e uitvinding van de boekdrukkunst, halverwege de vijftiende eeuw, maakte het opeens mogelijk boeken in grote oplagen te verspreiden. Voor het eerst konden kennis en ideeën ongebreideld worden uitgedragen. Geïnspireerd door schrijvers uit de klassieke oudheid introduceerden de humanisten van de renaissance een revolutionair, onafhankelijk denken, waarbij de mens centraal stond in plaats

NUMMER 42

JANUARI 2018

van de kerk en de godsdienst. Met grote nieuwsgierigheid ontdekten ze de natuur en het menselijk lichaam. Wetenschappers, kunstenaars en schrijvers waren niet langer anoniem. Dankzij de boekdrukkers die zich overal in Europa vestigden, kon de mens zich bevrijden uit de greep van de middeleeuwen. De Zweedse Nina Burton beschrijft dit tijdperk van ‘de eerste mediarevolutie’ aan de hand van het leven van Erasmus (1466 - 1536). Hij was de ster aan Gutenbergs firmament, de eerste bestsellerauteur uit de geschiedenis, een man die zijn tijd ver vooruit was en in contact stond met tal van intellectuelen en kunstenaars uit zijn tijd: Thomas More, Albrecht Dürer, Hans Holbein de Jonge, Paracelsus, Maarten Luther. Burton roept in mooie zinnen en beknopte beelden – ze is ook dichteres – een schitterend tijdsbeeld op. Daarbij beperkt ze zich niet tot Erasmus’ ideeën, maar beschrijft ze ook zijn dagelijks leven: van een vervaarlijke bootreis naar Engeland in zijn jonge jaren, via een triomftocht over de Rijn als gevierd schrijver tot aan zijn oude dag boven de drukkerij in Bazel. Natuurlijk gaat ze ook in op de invloed die Erasmus nog tot eeuwen na zijn dood had. n

Friesland, het kleinste land op aarde. AUTEUR

Dolph Kessler UITGAVE

Wijdemeer D E TA I L S

Gebonden, 256 pagina’s, ca. 114 foto’s, taal Nederlands/Engels, ISBN 978-90-8263-091-6 PRIJS

€ 39,50

F

otograaf Dolph Kessler woont en werkt al meer dan 40 jaar in Friesland. Hij noemt zich een Fries ‘fan utens’. Iemand van ‘buiten’ Friesland die zich verbonden is gaan voelen met dit stukje Nederland. Hij typeert Friesland in dit boek als ongeveer de kleinst mogelijke geografische eenheid die je nog een land kunt noemen. Want hoe klein ook, het heeft alle kenmerken van een land zoals bijvoorbeeld een eigen taal, een eigen bestuur, een specifieke identiteit, een eigen sfeer, eigen culturele evenementen en sporten, eigen dierenrassen, meerdere type landschappen, steden in competitie en een eeuwenlange geschiedenis. Dit fotoboek is te beschouwen als een omzwerving door het Friese land of als een langjarige roadtrip. Er is geput uit eerdere, in opdracht gemaakte fotoboeken zoals Palingvissers en palingrokers (2007, Friese Pers), Tussen Dokkum en de zee (2008, gemeente Dongeradeel) en Sjoch dizze sted (2012, Friese Pers).

En er is veel nieuw werk te zien. Landschapsfoto’s overheersen. Het is gefotografeerd met de blik van de generalist, de beschouwer; observerend. Dolph Kessler staat in een fotografische traditie die met ‘New Topographics’ wordt aangeduid. In deze stroming krijgen landschappen die door de mens zijn beïnvloed de aandacht. Men fotografeert ogenschijnlijk onbeduidende plekken die veelal op een onopvallende wijze gefotografeerd toch bijzonder zijn. Het gaat hierbij om de unieke alledaagsheid. In het boek zijn drie boeiende essays opgenomen. • Dichter Peter van Lier gaat in op de vraag hoe het is om als relatieve buitenstaander in Friesland te wonen en te werken. • Historicus Bert Looper, directeur van Tresoar (het Fries Letterkundig en Historisch Centrum) beschrijft de ontwikkeling van de Friese identiteit, opgevat als een dynamisch proces van toe-eigening. Hij vermoedt interessante verschuivingen in de factoren die de Friese identiteit bepalen in de richting van het domein van water, landschap en sport. • Journalist Jantien de Boer vertelt over de schaalvergroting in de landbouw en de afnemende biodiversiteit met als gevolg dat er steeds minder planten, bloemen en vogels zijn. Al met al is dit een must voor iedereen die zich voor Friesland interesseert en / of er zich verbonden mee voelt. Prachtige foto’s om te zien, gecombineerd met spannende inzichten om te overdenken. Een aanrader ! n

30

VITRUVIUS_Jan.2018 v2.indd 30

27/11/17 16:36


VITRUVIUS

NUMMER 42

recent

JANUARI 2018

Mien Ruys. Zoeken naar de heldere lijn. De complete biografie. AUTEUR

Leo den Dulk (eindredactie Anne Mieke Backer) UITGAVE

de HEF D E TA I L S

Gebonden, 325 pagina’s, ca. 300 illustraties in kleur/zwart-wit, met uitgebreide Engelse Summary, ISBN 978-90-6906-051-4 PRIJS

€ 39,90

T

uinarchitecte Mien Ruys heeft gedurende een lange periode een belangrijke invloed gehad op de ontwikkeling van de tuinarchitectuur. Zij was een van de eersten in Nederland - en zeker de eerste vrouw - die het belang zagen van de integratie van haar vak met de architectuur. Ruys heeft daarin een actieve rol gespeeld, gemotiveerd door het socialistische en emancipatoire gedachtegoed dat zij zich in de dertiger jaren eigen maakte. De inzichten die zij formuleerde ten aanzien van functie en doel van de tuin- en landschapsarchitectuur bij het ontwerpen van privé-tuinen en openbaar groen lijken belangwekkend genoeg om ze nader te analyseren. Ze zijn van invloed geweest op het discours binnen haar vakgebied over deze onderwerpen, zoals onder meer blijkt uit de debatten binnen de 8 en OPBOUW. In Ruys’ werk is tevens van belang dat zij een aanzienlijke rol heeft gespeeld in de ontwikkeling van de - tot dan toe vaak ondergeschikt geachte - keuze van het plantmateriaal.

VERSCHENEN

Ruys leerde de tuinbezitter het ruimtelijk effect en de schoonheid zien van schaduwplanten, bladplanten, planten met decoratieve vruchten en zaaddozen, in een tijd dat kleurige bloemperkjes nog de boventoon voerden. Zij borduurde op eigen wijze voort op de Engelse ‘mixed border’ en kwam begin jaren ‘50 als eerste met het idee van standaard- of confectieborders, waardoor beplantingen van een hoge kwaliteit en consistentie voor een grotere laag van de bevolking bereikbaar zouden worden. Haar ideeën droeg Ruys uit in tal van publicaties, zoals het standaardwerk ‘Het vaste plantenboek’(1950), ‘Van vensterbank tot landschap’’ (1982) en in het nog steeds bestaande tijdschrift ‘Onze Eigen Tuin’, dat zij en haar echtgenoot Theo Moussault oprichtten in 1954. In haar proeftuinen te Dedemsvaart op het terrein van kwekerij Moerheim, opgericht door haar vader Bonne Ruys, heeft zij gedurende haar hele leven praktisch onderzoek verricht naar de toepassing van planten en materialen die geschikt waren voor toepassing in haar ontwerpen. Door haar vernieuwend gebruik van beide heeft zij de vormgeving van tuinen decennia lang sterk beïnvloed. Deze publicatie geeft een zo volledig mogelijk, geïntegreerd beeld van leven en werken van Mien Ruys. Hoofddoel is de verspreiding van kennis over het werk van Mien Ruys. Een begeleidende oeuvrelijst omvat alle bekende werken, waarvan een aantal representatieve projecten uitgebreider wordt beschreven. Ruys’ oeuvre wordt geïnterpreteerd met gebruikmaking van gegevens uit de toenmalige context en vanuit de hedendaagse vakinhoudelijke en historische inzichten. Het boek richt zich tot een breed publiek, dat zowel vakgenoten, studenten en vormgevers als niet beroepsmatig geïnteresseerden omvat. n

The Holland Handbook 2017-2018. AUTEUR

Stephanie Dijkstra UITGAVE

Scriptum

tionaal onderwijs, fiscale en juridische problemen, gezondheidszorg, connectiviteit en verzekeringen. De lezer kan ook meer vinden over de Nederlandse cultuur en gewoontes, toeristische informatie, het leren van de Nederlandse taal, internationale clubs, enz.

D E TA I L S

Paperback, 264 pagina’s, full-colour, Engels, rijkelijk geïllustreerd, ISBN 978-94-6319-064-0 PRIJS

€ 29,95

D

it rijk geïllustreerde handboek biedt meer dan 260 full-color pagina’s met essentiële informatie over alle aspecten van het leven en werken in Nederland, zoals: vergunningen en visa, carrière, huisvesting, financiën, interna-

Al deze onderwerpen worden benaderd vanuit het perspectief van zowel nieuwkomers als degenen die al enige tijd in Nederland wonen. Dit en de vele nuttige adressen, telefoonnummers en websites maken het Holland Handbook een onontbeerlijke gids voor internationale werknemers, hun partners die nog geen betaalde of vrijwillige baan hebben, buitenlandse ondernemers, de vele buitenlandse studenten die zijn gekomen naar Nederland om te trainen of te studeren, en professionals die op de hoogte blijven van de laatste ontwikkelingen in expat-zaken. n

31

VITRUVIUS_Jan.2018 v2.indd 31

27/11/17 16:36


RECENT / LEZERSACTIE

Doe mee...en win!

Amsterdam. Interieurportretten van grachtenhuizen 1875-1945.

I URS

Haan, Laan, Westra AVE

rkade

AILS

eerd, 639-9

RIJS

en uit 0,00)

n de periode rond 1900 beleefde Amsterdam een bloeitijd. De oude elite van kooplieden en regenten kreeg gezelschap van ondernemende burgers die deel gingen uitmaken van de economische bovenlaag. Een woning aan de befaamde grachten werd beschouwd als bekroning van het stijgen op de maatschappelijke ladder. In een nieuw verworven stadshuis hoorde een ‘modern’ interieur, vaak uitgevoerd in de toen populaire neostijlen, die teruggrepen op de zeventiende en achttiende eeuw: eetkamers kregen een stemmige Gouden Eeuw-sfeer, salons een wufte Franse uitstraling. Maar er werden ook interieurs op eigentijdse wijze ingericht, in art nouveau-stijl en iets later in Amsterdamse School-stijl. Daarnaast deden technologische snufjes als de vaste stofzuiger hun intrede. In de inleiding wordt een beeld geschetst van het wonen in de Amsterdamse grachtengordel, waarna tien prachtig gefotografeerde interieurs in detail worden beschreven. Dit boek is een juweeltje voor liefhebbers van historische interieurs en voor de vele geïnteresseerden in de geschiedenis van Amsterdam. n

Onder onze abonnees verloten wij

Zuid-Kennemerland. Interieurportretten van stadshuizen en villa’s 1875-1945.

R

ond 1900 werd Zuid-Kennemerland een aantrekkelijk woongebied voor rijke ondernemers en notabelen. De aanleg van trein- en tram¬verbindingen maakte het mogelijk in de stad te werken en tegelijkertijd buiten te wonen. De, veelal Amsterdamse, welgestelden die deze stap maakten lieten comfortabele villa’s bouwen in Bloemendaal, Aerdenhout, Heemstede of Overveen, dichtbij zee en duinen. Ook rijke Haarlemmers trokken naar de nieuwe villagebieden aan de rand en in de omgeving van de stad. In Zuid-Kennemerland kenmerken deze huizen zich door fraaie betegelingen en gebrandschilderde ramen, cosy corners en weelderige tuinen. De vraag naar wooncomfort leidde tot staaltjes van moderne woontechniek als centrale verwarming, ijskasten en inbouwmeubelen. Het boek biedt een exclusief inkijkje in de historische interieurs, die met oog voor detail worden beschreven en prachtig zijn gefotografeerd. Daarnaast wordt er aandacht besteed aan de oorspronkelijke bewoners en interieurontwerpers, aan de hand van uniek historisch materiaal. Voor zowel liefhebbers van historische interieurs als geïnteresseerden in de geschiedenis van dit gebied is dit een waardevol boek. n

Het Gooi. Interieurportretten van villa’s en landhuizen 1875-1945.

E

ind negentiende eeuw werd het permanent ‘buiten’ wonen aantrekkelijk voor een grote groep welgestelde burgers. Goede tram- en treinverbindingen maakten het mogelijk in de stad te werken en erbuiten te wonen. Velen trokken naar het Gooi, aangetrokken door het ongerepte coulissenlandschap en het artistieke milieu. Ze lieten er door befaamde architecten villa’s en landhuizen bouwen, die deels geïnspireerd waren door de landelijke bouwwijze. In het Gooi zijn veel van de toen gebouwde huizen nog in volle glorie te aanschouwen. Minder bekend is dat ook veel oorspronkelijke interieurs zijn bewaard, vaak gedecoreerd met kleurrijk glas in lood, rijke betimmeringen en een groot scala aan vloer- en wandtegels. Na een inleiding over het bijzondere karakter van het Gooi worden in dit boek tien interieurs geportretteerd, met hun trappenhuizen, salons, eetkamers, slaapkamers, badkamers en dienstvertrekken. De gedetailleerde beschrijving – met informatie over de opdrachtgevers en architecten – wordt ondersteund door prachtige fotografie. Voor liefhebbers van historische interieurs én voor geïnteresseerden in de geschiedenis van het Gooi is dit een bijzonder waardevol boek. n

5x de bovenste set van 3 boeken.

Alles wat u hoeft te doen is vóór 31 januari 2018 een e-mail te sturen met uw naam en adres naar info@uitgeverijeducom.nl met als onderwerp ‘Interieur’. Let op! Verloting geschiedt alleen onder betalende abonnees van het vakblad Vitruvius.

Uitgeverij Educom

Heeft u nog geen abonnement? Wordt dan snel abonnee* om ook kans te maken op een gratis exemplaar van dit boekwerk. * Een abonnement op het vakblad Vitruvius bedraagt € 45,- per jaar/per 4 edities. * Alle prijswinnaars krijgen persoonlijk bericht voor 15 februari 2018.

VITRUVIUS_Jan.2018 v2.indd 32

27/11/17 16:36

Vitruvius januari 2018  

Onafhankelijk vakblad voor erfgoedprofessionals. Archeologie, Cultuurlandschap, monumenten, immaterieel erfgoed & volkscultuur

Vitruvius januari 2018  

Onafhankelijk vakblad voor erfgoedprofessionals. Archeologie, Cultuurlandschap, monumenten, immaterieel erfgoed & volkscultuur

Advertisement