Page 1

ONAFHANKELIJK VAKBLAD VOOR ERFGOEDPROFESSIONALS ARCHEOLOGIE | CULTUURLANDSCHAP | MONUMENTEN | IMMATERIEEL ERFGOED | VOLKSCULTUUR

JAARGANG 10 | NUM M E R 3 7 | OKTOBER 2 0 1 6

‘WIJ

WILLEN MEER!’

EEN BEZOEKERSEVALUATIE VAN DE NATIONALE ARCHEOLOGIEDAGEN

RECENT VERSCHENEN

VITRUVIUS_Oktober2016_v1.indd 1

ERFGOEDSPECIAL GEMEENTE ’S-HERTOGENBOSCH

ATLAS VAN DE VERDWENEN SPOORLIJNEN IN NEDERLAND

26/08/16 13:11


colofon

VITRUVIUS NUMMER 37 OKTOBER 2016

ONAFHANKELIJK VAKBLAD VOOR ERFGOEDPROFESSIONALS ARCHEOLOGIE | CULTUURLANDSCHAP | MONUMENTEN | IMMATERIEEL ERFGOED | VOLKSCULTUUR

JAARGANG 10 | NUMMER 37 | OKTOBER 2016

Vitruvius is een informatief, promotioneel, onafhankelijk vaktijdschrift dat beoogt kennis en evaring uit te wisselen, inzicht te bevorderen en belangstelling te kweken voor de vakgebieden archeologie, cultuurlandschap, monumenten, immaterieel erfgoed en volkscultuur. Vitruvius komt tot stand m.m.v. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

‘WIJ

WILLEN MEER!’

EEN BEZOEKERSEVALUATIE VAN DE NATIONALE ARCHEOLOGIEDAGEN

ERFGOEDSPECIAL GEMEENTE ’S-HERTOGENBOSCH

RECENT VERSCHENEN

ATLAS VAN DE VERDWENEN SPOORLIJNEN IN NEDERLAND

ONDERSTEUNERS

COLOFON Vakblad Vitruvius werkt met een onafhankelijke

Hoofdweg 255 9765 CH Paterswolde Tel. 050 308 01 00 mail@steenhuismeurs.nl www.steenhuismeurs.nl

redactie en redactieraad UITGEVER/BLADMANAGER

Robert Diederiks

REDACTIE

Mathenesserlaan 347 3023 GB Rotterdam Tel. 010-425 6544 info@uitgeverijeducom.nl www.uitgeverijeducom.nl

S.A. Muller

Drs. E. Raap

mw. Drs. S.M. van Roode

R.P.H. Diederiks

REDACTIERAAD

Dr. C.H.M. (Chris) de Bont Paganellus Minor

Drs. H.M.P. (Jeroen) Bouwmeester RCE

Prof.Dr.Ir. M. (Theo) Spek Rijksdienst voor

ABONNEMENTEN 4 nrs/jaar: Nederland E 45.- /België E 55.-. Voor betaling wordt een factuur verzonden. Vermeld bij correspondentie altijd het abonneenummer (zie de factuur). Tijdige betaling garandeert regelmatige toezending. Abonnementen lopen automatisch door. Opzeggingen (uitsluitend schriftelijk per aangetekend schrijven) dienen uiterlijk twee maanden voor afloop van de abonnements periode in ons bezit te zijn.

het Cultureel erfgoed, RU Groningen mw. Ir. G.A. (Gerdy) Verschuure-Stuip TU Delft

LEZERSSERVICE / NABESTELLINGEN Adresmutaties/abonnementen en nabestellingen doorgeven via info@uitgeverijeducom.nl. © Copyrights Uitgeverij Educom Oktober 2016 ISSN 1874-5008 Niets uit deze uitgave mag worden gereproduceerd met welke methode dan ook, zonder schriftelijke toestemming van de uitgever.

2

VITRUVIUS_Oktober2016_v1.indd 2

26/08/16 13:11


JAARGANG 10 NUMMER 37 OKTOBER 2016

4 ‘WIJ WILLEN MEER!’ EEN BEZOEKERSEVALUATIE VAN DE NATIONALE ARCHEOLOGIEDAGEN

10 RECENT VERSCHENEN

13 ERFGOEDSPECIAL GEMEENTE ’S-HERTOGENBOSCH

3

VITRUVIUS_Oktober2016_v1.indd 3

26/08/16 13:11


VITRUVIUS

Monique van den Dries Hoofddocent archeologisch erfgoedmanagement, Faculteit Archeologie, Universiteit Leiden.

NUMMER 37 OKTOBER 2016

Krijn Boom Promovendus (Faculteit Archeologie), onderzoekt de sociale impact van publieksactiviteiten.

‘Wij willen meer!’ Roel Kramer Masterstudent archeologisch erfgoedmanagement (Faculteit Archeologie) en docent Saxion Hogeschool (Deventer).

H

et bevorderen van actieve participatie door het publiek staat al jaren hoog op de agenda van de cultuur- en erfgoedsector. Dit is mede ingegeven door het Europees cultuurbeleid, dat veronderstelt dat actieve cultuurparticipatie bijdraagt aan het welzijn van de burger. Actieve burgerdeelname is echter makkelijker gevraagd dan verwezenlijkt, vooral in het domein van de archeologie. Zo toont een evaluatie door vertegenwoordigers van de Europese rijksdiensten bijvoorbeeld dat ze juist op het vlak van valorisatie en communicatie van archeologisch onderzoek (artikel 9 van het Verdrag van Valletta, Raad van Europa 1992) in heel Europa nog (te) weinig vooruitgang zien (Olivier en Van Lindt 2014). Het bevorderen van de betrokkenheid van het publiek is dan ook een belangrijke reden voor de Stichting Nationale Archeologiedagen om in Nederland een grootschalig jaarlijks evenement te organiseren. In navolging van een aantal ons omringende landen wordt het evenement, na een succesvolle aftrap in oktober 2015, in 2016 nog veel groter en grootser aangepakt, opdat het evenement kan uitgroeien tot het belangrijkste landelijke archeologiefestijn. Met het oog op deze ambitie hebben de leerstoelgroep Archaeological Heritage Management van de Leidse Faculteit Archeologie, de Stichting Nationale Archeologiedagen en onderzoeksbureau Qrius een evaluatieon-

Een bezoekersevaluatie van de nationale archeologiedagen derzoek uitgevoerd. In dit artikel vatten we de hoofdpunten daar van samen en zoeken we het antwoord op de vraag of dit de participatie is die het publiek wil. Het onderzoek De Nationale Archeologiedagen 2015 was het grootste archeologische festijn dat tot nu toe in Nederland heeft plaatsgevonden. Rond de tachtig archeologische organisaties boden op zo’n zeventig locaties in de provincies Noord-Holland, Zuid-Holland en Utrecht tal van publieksactiviteiten aan (figuur 1). Naar schatting trok het evenement circa 23.000 bezoekers. Om de toekomstige deelnemers aan de archeologiedagen zo goed mogelijk te kunnen bedienen is op 25 van deze locaties een enquête afgenomen onder de bezoekers. Het belangrijkste doel was om een beeld te krijgen van het demografische profiel van de bezoekers en van hun waardering voor de activiteiten, zodat eventueel de programmering en promotie van de volgende editie kan worden aangepast. In aanvulling daarop is een online vragenlijst uitgezet met vooral vragen over de gevoels- en belevingsaspecten. Het onderzoek is uitgevoerd met behulp van 19 vrijwilligers, waaronder studenten en amateurarcheologen, en ook aan hen is gevraagd hun observaties en waardering via een vragenlijst weer te geven.

De vrijwilligers hebben 401 [1] mensen bereid gevonden de enquête in te vullen. Daarmee is dit een representatieve steekproef (met een foutenmarge van 5% en betrouwbaarheids-niveau van 95% zouden minimaal 378 personen moeten meedoen) en geven de resultaten een betrouwbaar inzicht in de bevindingen van de bezoekers. Van de respondenten hebben er 58 ook de moeite genomen de extra 18 vragen op internet te beantwoorden. Ten slotte hebben ook de enquêteurs hun eigen bevindingen gemeld over de 25 locaties waar zij enquêtes hebben verzameld. Bezoekersprofiel Per locatie varieerden de aangeboden activiteiten sterk; sommige waren vooral gericht op kinderen, andere meer op volwassenen. Ook de bezoekersaantallen liepen per activiteit sterk uiteen. Een aantal locaties zag een tiental bezoekers verdeeld over twee tot drie dagen langskomen, andere hadden in een dag het tienvoudige aantal over de vloer. Dit komt ook uit de enquête naar voren; op sommige locaties deden beduidend meer mensen mee aan het onderzoek dan op andere. Over het algemeen kan worden gezegd dat een breed publiek de archeologiedagen heeft bezocht, van jong tot oud is er op afgekomen. Zoals we vaker zien bij archeologische activiteiten, bijvoorbeeld bij open dagen en tentoonstellingen, waren de wat oudere leeftijdscategorieën wel wat

4

VITRUVIUS_Oktober2016_v1.indd 4

26/08/16 13:11


VITRUVIUS

NUMMER 37 OKTOBER 2016

Opvallend is dat best veel mensen aangaven bij toeval op een activiteit te zijn gestuit, al verschilde dit sterk per locatie. Sommige hadden uitsluitend bezoekers die er bewust op afgekomen waren. Van de online respondenten heeft 73% het bezoek niet met iets anders gecombineerd, zij kwamen dus specifiek voor de aangeboden activiteit. Op zich is het positief dat mensen zich spontaan laten verleiden aan een activiteit deel te nemen, aan de andere kant geeft het aan dat er nog meer aan de naamsbekendheid van de archeologiedagen kan worden gewerkt. Het betekent ook dat voor activiteiten op plaatsen waar veel mensen langskomen de kans groot is dat er spontaan een groot aantal mensen deelneemt. Voor een grote meerderheid van de deelnemers aan de enquête (78%) [3] geldt dat zij een bezoek hebben gebracht aan een activiteit in hun eigen woonplaats (50%) of in de regio (binnen een straal van 25 km). Dit sluit aan bij de algemene tendens dat mensen voor hun vrijetijdsbesteding doorgaans dicht bij huis blijven en gemiddeld maar 14,5 km afleggen, voor culturele activiteiten is dat 15,8 km (Harms 2006). Het sluit ook aan bij de bevinding uit andere onderzoeken dat vooral lokale informatiebronnen (lokale radio/tv, lokale kranten en huis-aan-

Foto: Den Haag/Stichting Nationale Archeologiedagen

meer vertegenwoordigd dan de jongere (figuur 2). Het percentage mensen tot 50 jaar was 39, meer dan de helft (55%) van de bezoekers was ouder dan 50. Het aantal jongeren onder de 20 jaar dat aan de enquête heeft deelgenomen geeft echter geen getrouwe weergave van de daadwerkelijke samenstelling van het bezoekerspubliek, omdat de enquête niet bedoeld was voor kinderen. Sommige hebben hem echter wel ingevuld. Er lijkt geen groot verschil te zijn geweest in het aantal vrouwelijke (47%) en mannelijke (50%) bezoekers, voor zover we dat uit de deelnemers aan de enquête mogen afleiden (de ontbrekende 3% heeft de vraag niet beantwoord). Van bezoekers aan de Faculteit Archeologie hebben we de man/ vrouwverhouding precies bijgehouden en daar kwam een vergelijkbaar beeld uit naar voren (49% vrouw, 51% man). Van de bezoekers geeft 54% aan een hogere beroepsopleiding of een universitaire opleiding te hebben gevolgd. Dit is een bekend fenomeen bij cultuurparticipatie (zie bijvoorbeeld Van den Broek, Huysmans en De Haan 2005; Fujiwara, Cornwall en Delon 2014; Kraaykamp, Notten & Bekhuis 2014).

1 - Tijdens de Nationale Archeologiedagen werden er op zo’n 70 locaties in Noord-Holland, Zuid-Holland en Utrecht activiteiten aan een breed publiek aangeboden. Een meerderheid (57%) van het publiek vindt het belangrijk om net als deze kinderen in Den Haag - plezier te hebben tijdens hun bezoek.

2 - De leeftijdsverdeling van de bezoekers. 5

VITRUVIUS_Oktober2016_v1.indd 5

26/08/16 13:11


NUMMER 37 OKTOBER 2016

Foto: Universiteitsmuseum Utrecht/Stichting Nationale Archeologiedagen

VITRUVIUS

3 - Bijna de helft van de mensen gaf aan dat ze veel tot heel veel tijdens de archeologiedagen hebben geleerd. huis-bladen) gebruikt worden om informatie te vergaren over de (lokale) archeologie (o.a. Wasmus 2010; NEARCH). De bezoekers van binnen een regio (en buiten de eigen woonplaats) legden voor de archeologiedagen gemiddeld 11 km af, bezoekers van buiten de regio gemiddeld 63 km. Hoewel de meeste locaties dus vooral mensen uit de eigen woonplaats/ regio aantrokken, maakten enkele hierop een uitzondering. Voor het Allard Pierson Museum (Amsterdam) bijvoorbeeld reisde men gemiddeld 49 km, voor het Castellum Hoge Woerd (De Meern) 46 km en voor het Huis van Hilde (Castricum) 43 km. De Faculteit Archeologie (Leiden) had zelfs amper bezoekers uit de eigen woonplaats, wel kwamen ze allemaal uit de eigen provincie. Veel bezoekers hadden de gelegenheid aangrepen om zich te oriënteren op de studiekeuze, wat in het licht van de afnemende studentenaantallen in het hoger onderwijs als een belangrijke functie van de archeologiedagen kan worden beschouwd. De sterke focus op de lokale archeologie blijkt ook uit de online ingevulde vragen-

lijst. Na afloop van het bezoek gaf 50% aan zich veel tot heel veel meer verbonden te voelen met de lokale archeologie. Ter vergelijking: een veel kleinere groep (29%) voelde zich na afloop meer verbonden met de algehele archeologie van Nederland. Hoewel de helft van de ge-enquêteerden dus niet heel ver reisde, was voor 52% [4] de auto (of motor) het meest populaire middel van vervoer. De fiets/brommer volgde op flinke afstand (door 23% gekozen) en het openbaar vervoer werd het minst gebruikt (11%). Het veelvuldige gebruik van de auto is opvallend omdat de meeste activiteiten zich niet op een afgelegen plaats afspeelden, maar in stedelijk gebied. Zelfs voor de mensen die een activiteit in hun eigen woonplaats bezochten was de auto meer favoriet (36%) dan de fiets/brommer (34%). Dit is een indicatie dat de organisatoren rekening zouden kunnen houden met parkeergelegenheid, maar ook dat activiteiten in rurale gebieden kansrijk zijn om bezoekers uit de buurt te trekken (Harms 2006). Het sluit ook aan bij andere onderzoeken uit Engeland waaruit blijkt dat het hebben

van een auto een sterke stimulans is voor het bezoeken van een erfgoedsite (o.a. Fujiwara, Cornwall en Dolan 2014). Nieuwe ervaring Een andere interessante uitkomst is dat meer dan de helft (51%) [5] van de geenquêteerden aangaf nog nooit eerder een archeologische activiteit te hebben bezocht. Voor de mensen in de leeftijd onder de 50 lag dit percentage nog hoger, tot zelfs 62,5% voor de jongste deelnemers (0-19). Voor de mensen vanaf 50 jaar lag dit percentage lager; van de 80+-ers had driekwart al eens eerder een archeologische activiteit bezocht. Het zijn dus vooral de jongere mensen (tot 50 jaar) voor wie de archeologiedagen de gelegenheid voor een nieuwe ervaring hebben geboden. Het betrof iets meer mannen (51,8%) dan vrouwen (48,2%). Dit zou betekenen dat het evenement een schot in de roos is geweest voor wat betreft de doelstelling van de organisatoren, maar ook van de beleidsmakers, om een zo breed mogelijk publiek te interesseren voor

6

VITRUVIUS_Oktober2016_v1.indd 6

26/08/16 13:11


VITRUVIUS

NUMMER 37 OKTOBER 2016

leren? Wat wel weer opvalt is dat bijna de helft van de respondenten (47%) [6] heeft aangegeven het belangrijk tot heel belangrijk te vinden dat een activiteit ‘het verleden tot leven brengt’. Dit komt na ‘leren’ (51%) op de tweede plaats van zaken die men heeft aangemerkt als zijnde belangrijk. Het gaat dus kennelijk toch om meer dan alleen het cognitieve (leren), het gaat ook om het gevoel, het zich kunnen inleven. Dit komt eveneens terug in de resultaten van de online vragen. Ook hierin gaf 57% aan het ‘hebben van plezier’ belangrijk tot heel belangrijk te vinden bij een archeologische activiteit, tegen 55% die educatie van belang vond.

4 - De dingen die men het leukst vond om te doen. erfgoed en cultuur. Niettemin is het dan toch opvallend dat de groep respondenten gedomineerd wordt door mensen met de typische kenmerken van bezoekers van archeologische evenementen en andere culturele activiteiten, dat wil zeggen mensen van middelbare leeftijd (45+), meest mannen, met een hogere opleiding [2] (zie o.a. NIPO/AIC 1996; Van den Broek, Huysmans en De Haan 2005; TNS Opinion & Social 2013; Fujiwara, Cornwall en Dolan 2014). Dit lijkt er op te wijzen dat er vooral meer van hetzelfde soort publiek is aangetrokken. Van de mensen die aangaven nog nooit eerder een archeologische activiteit te hebben bezocht, heeft bijna de helft (47%) - naar eigen zeggen - toch veel tot heel veel interesse in de archeologie. Dit kan een aanwijzing zijn dat er zich weinig gelegenheden voordoen om vaker dergelijke activiteiten te bezoeken, of dat tijdgebrek mensen weerhoudt om te participeren. Dit laatste wordt regelmatig als belangrijkste reden genoemd om niet te participeren in erfgoedactiviteiten (zie TNS Opinion & Social 2013; Fujiwara, Cornwall en Dolan 2014). Mogelijk heeft men bij deze vraag ook een politiek correct antwoord willen geven. Niettemin komt het beeld wel overeen met dat uit andere onderzoeken die enerzijds bij het publiek een grote interesse, positieve houding en sympathie voor de archeologie laten zien, met aan de andere kant een sterk achterblijvende actieve participatie (o.a. NIPO/AIC 1996; NEARCH ).

Tijd goed besteed? Op de vraag wat men van de activiteit verwachtte gaven 60 personen aan dat ze geen verwachting hadden (17% van de personen die de vraag hebben beantwoord). Een grote groep van 176 personen (50%) wilde zich laten informeren, 71 mensen (20%) kwamen om iets te leren. Van de 60 mensen die geen verwachting had, gaf bijna een derde (19 personen) aan dat ze bij toeval op de activiteit waren gestuit en dat ze er niet vanaf wisten. De meeste bezoekers gaven aan primair te zijn gekomen om uitleg te krijgen, om kennis op te doen en om informatie te vergaren. In de online vragenlijst geeft 48% aan ook inderdaad veel tot heel veel te hebben geleerd (figuur 3). Ook dit komt overeen met de resultaten van andere publieksonderzoeken, waarin het publiek de archeologie vooral associeert met termen als ‘wetenschap’, ‘kennis’, ‘leren’ (NIPO/AIC 1996; NEARCH). De verklaring hiervoor is een ‘kip of ei’-vraagstuk. Komt dit doordat de sector van oudsher vooral inspeelt op een kennisgerelateerde interesse en vraag, of heeft een educatieve focus van het disseminatieaanbod dit imago doen ontstaan? Het is in elk geval opvallend dat niemand aangaf primair voor vermaak te zijn gekomen. Misschien zit het zodanig ingebakken in onze cultuur, deze focus op educatie, dat het ‘not done’ is om de archeologie primair als een gezellige, ongedwongen vrijetijdsbesteding te zien waar je niet per se iets van hoeft te

Op de vraag of de bezochte activiteit aansloot bij hun verwachtingen antwoordde maar liefst 87% positief. Een aantal mensen gaf zelfs spontaan aan dat het boven verwachting was geweest. Het is dan ook niet verbazingwekkend dat 89% tevreden tot zeer tevreden was met hun bezoek. Slechts 2% was (zeer) ontevreden. De bevindingen van de enquêteurs sluit hier aardig bij aan: zij gaven een 7,7 als gemiddelde rapportcijfer voor de aantrekkelijkheid van de activiteiten. In aanvulling hierop antwoordde meer dan driekwart (79%) in de online vragen tevreden te zijn geweest met de voorlichting over de bezochte activiteit. Er bleek geen verschil in tevredenheid tussen de mensen die al eens eerder een archeologische activiteit hadden bezocht (gemiddelde waardering van 4,4 op een 5-puntsschaal) en zij die dat niet hadden gedaan (gemiddelde waardering van 4,3). Er was eveneens amper een verschil in tevredenheid tussen de mannelijke en vrouwelijke bezoekers. De mannen hadden een gemiddelde tevredenheid van 4,4, de vrouwen 4,3. Echter, van de 6 mensen (1,5%) die hebben aangegeven in het geheel niet tevreden te zijn geweest, waren er 5 een vrouw (uit diverse leeftijdscategorieën). Niettemin waren deze 5 dames wel iets langer gebleven (of van plan te blijven) dan gemiddeld, namelijk 78 minuten (tegen 75 minuten gemiddeld). Over het algemeen zijn de dames sowieso langer gebleven: 39,6% [7] van hen heeft langer dan een uur bij de activiteiten doorgebracht, tegen 36,6% van de mannen. Van de mensen die langer dan 2 uur heeft deelgenomen was 60% vrouw. Het betrof 11,6% van de dames, tegen 6,6% van de heren die dit geduld kon opbrengen.

7

VITRUVIUS_Oktober2016_v1.indd 7

26/08/16 13:11


Foto: Faculteit Archeologie/Monique van den Dries

VITRUVIUS

5 - Creatief zijn in het bedenken van activiteiten kan de aantrekkelijkheid voor nieuwe publieksgroepen vergroten: in Leiden viel het met behulp van Minecraft nabouwen van Castellum Matilo in de smaak bij jongeren. ‘Wij willen meer!’ Als we de antwoorden op de vraag wat de bezoekers het leukst vonden onderverdelen in actieve en passieve dingen, dan valt op dat 89 keer iets actiefs is genoemd, 151 [8] keer iets passiefs, 7 keer een combinatie van beide. Passief kijken en luisteren waren veruit favoriet (figuur 4), op flinke afstand gevolgd door het meer actief ‘met mensen praten’ en ‘vragen stellen’. Het is niet vast te stellen of deze voorkeur gestuurd is door de mogelijkheden om tijdens de activiteiten iets actief of passief te doen, of dat het echt aangeeft wat iedereen het liefst doet. Dit zou in een volgend onderzoek nader kunnen worden onderzocht, omdat uit andere onderzoeken naar voren is gekomen dat een deel van het publiek juist ook graag eens wat actiever bij dingen betrokken zou willen worden (o.a. Lampe 2010; Wasmus 2010; Van den Dries, Boom en Van der Linde 2015; NEARCH).

dat men aangeeft in maar liefst 86% van de aangedragen ‘zwakke punten’ die niet over de organisatorische aspecten gaan maar over de inhoudelijke aspecten, dat ze nog meer hadden gewild, meer vondsten, meer uitleg, meer achtergrondinformatie, meer variatie aan activiteiten en meer van dit soort evenementen.

Het feit dat er in mindere mate actief is meegedaan komt ook tot uitdrukking in de online vragen, waarbij de helft van de respondenten zegt dat de bezoeken niets tot vrij weinig hebben bijgedragen aan hun creativiteit. Bijna driekwart (72%) gaf ook aan geen nieuwe vaardigheid te hebben geleerd. Niettemin had 62% wel het gevoel dat ze actief hebben meegedaan.

Meer van hetzelfde? Naar aanleiding van deze bevindingen kunnen we ons met z’n allen afvragen of we tijdens de volgende editie van de archeologiedagen meer van hetzelfde moeten aanbieden of juist ook eens verrassende, creatieve en totaal onverwacht nieuwe dingen moeten proberen. Willen we als sector meer van hetzelfde publiek blijven aantrekken of kunnen we juist ook nieuwe publieksgroepen aanspreken, zoals jongeren (figuur 5), mensen met een beperking, migranten? Hoe we dit kunnen doen is niet duidelijk, er is helaas geen kant en klaar recept. Maar wel-

Een gebrek aan mogelijkheden om iets actief te doen is wel een aantal keer als zwak punt genoemd in de evaluaties van de archeologiedagen. Maar wat vooral opvalt is

Andere zwakke punten hadden vooral betrekking op de manier waarop dingen organisatorisch waren geregeld; dit betrof 53% van alle zwakke punten. Toch was het maar een relatief een gering aantal mensen dat een zwak punten heeft aangegeven; 73% heeft deze vraag niet beantwoord of heeft aangegeven geen zwak punt te kunnen noemen. Ook de enquêteurs waren over het algemeen vrij positief over het organisatorisch verloop van de activiteiten die zij hadden bezocht. Zij beoordeelden dit met een gemiddeld rapportcijfer van 7,8.

NUMMER 37 OKTOBER 2016

licht kunnen we proberen iets af te wijken van het traditionele pad. Er is bijvoorbeeld niet naar de nationaliteit van de bezoekers gevraagd, maar het vermoeden is dat bijna alle bezoekers een Nederlandse nationaliteit en oorsprong (autochtoon) hadden. Aangezien de meeste informatie doorgaans uitsluitend in het Nederlands wordt aangeboden tijdens dit soort evenementen, kan er een flinke drempel zijn voor mensen die de taal (nog) niet machtig zijn om dergelijke activiteiten te bezoeken. Dat valt te ondervangen door een deel van de activiteiten bijvoorbeeld (mede) in het Engels aan te bieden. We kunnen de toegankelijkheid ook vergroten door zelf naar de mensen te gaan en het erfgoed naar ze toe te brengen. Een mooi voorbeeld daarvan is het Limesbezoekerscentrum NIGRVM PVLLVM in Zwammerdam (Hazenberg 2015), dat op het terrein van zorginstelling Ipse de Bruggen is gerealiseerd en waarbij de gehandicapte bewoners participeren in het centrum en ‘hun erfgoed’ mede de inspiratie vormt voor hun dagbesteding. Het is zonde om dergelijke kansen op het vergroten van de toegankelijkheid niet te benutten, omdat het meedoen aan culturele en kunstactiviteiten en het bezoeken van erfgoedlocaties een grote sociale betekenis kan hebben en een positief effect lijkt te hebben op het welzijnsgevoel (zie bijvoorbeeld Arts Council England 2014; Dodds en Jones 2014; Fujiwara, Cornwall en Dolan 2014; Van den Dries, Boom en Van der Linde 2015), mogelijk meer nog dan sportbeoefening (Fujiwara, Cornwall en Dolan 2014, 17). Juist bij de huidige nietdeelnemers, zoals mensen met een beperking, hoogbejaarden of sociaal zwakkeren, verwacht men het grootste positieve effect (Fujiwara, Cornwall en Dolan 2014, 18). Dit is mede de reden voor beleidsmakers om meer actieve cultuurdeelname bij met name sociaal kwetsbare groepen te bevorderen. Ook voor het meedoen aan archeologische activiteiten hebben we dergelijke positieve effecten gemeten. Het kan bij deelnemers onder meer het gevoel van betrokkenheid versterken en de onderlinge sociale cohesie (Van den Dries, Boom en Van der Linde 2015). Verder kan het betrekken van vrijwilligers bij het organiseren van een activiteit een sterke impuls geven aan hun levensvreugde (Boom in prep.). De vragen over de archeologiedagen die online zijn beantwoord tonen vergelijkbare effecten: aan 43% van de respondenten gaf het

8

VITRUVIUS_Oktober2016_v1.indd 8

26/08/16 13:11


NUMMER 37 OKTOBER 2016

Foto: Faculteit Archeologie/Monique van den Dries

VITRUVIUS

6 - Bijna negentig procent van de bezoekers zou opnieuw deelnemen en 83% heeft een honger naar meer bezoek een positief gevoel, het gaf energie aan 62% en 83% [9] voelde zich tijdens het bezoek enigszins tot heel erg vrolijk. Bij 40% droeg het sterk bij aan hun gevoel van betrokkenheid en bij 41% aan hun algehele motivatie. Dat het bezoeken van de Nationale Archeologiedagen in elk geval een sociaal gebeuren is, blijkt uit het feit dat tweederde van de respondenten samen met een andere persoon is gekomen. Het samen met een partner naar een activiteit kunnen gaan wordt zelfs gezien als een belangrijke stimulans voor cultuurparticipatie (Fujiwara, Cornwall en Dolan 2014). Conclusie Hoewel de bezoekersevaluatie van de Nationale Archeologiedagen 2015 kleinschalig was opgezet en bedoeld was als een eerste pilot, heeft het een aantal nuttige inzichten opgeleverd. De belangrijkste is dat de activiteiten hebben voorzien in een behoefte van de bezoekers. Dat blijkt onder meer uit het feit dat de gemiddelde waardering voor de activiteiten zeer hoog was en dat men doorgaans behoorlijk lang is gebleven of van plan was te blijven. Op de vraag wat ze het leukst hadden gevonden antwoordden 18 mensen spontaan met ‘alles’. Bovendien trok het evenement veel mensen die niet eerder een archeologische activiteit hadden bezocht. Het was wel voornamelijk een lokaal publiek, dat als vanouds qua leeftijd, geslacht en opleidingsniveau de bekende kenmerken vertoonde. De overwegend lokale herkomst van de bezoekers zou een stimulans kunnen zijn voor de ambitie van de Stichting Nationale Archeologiedagen

om het activiteitengebied verder te verruimen naar andere provincies. Het zou de plaatselijke organisatoren kunnen aanmoedigen om het netwerk aan locaties met activiteiten te verdichten, waardoor ook mensen in plattelandsregio’s aangemoedigd kunnen worden om te participeren. Het is tot slot ook zeer motiverend te weten dat 83% van de online respondenten naar aanleiding van hun bezoek aan de archeologiedagen nog meer over de archeologie wil weten, dat 88% de archeologiedagen wederom wil bezoeken en dat eveneens 88% een bezoek aan anderen zou aanraden (figuur 6). Niemand gaf aan niet nog een keer te zullen komen! Niettemin blijft het een uitdaging om ook de mensen aan te (blijven) spreken die net iets meer willen of waar we iets meer inspanning voor moeten verrichten om ze mee te kunnen laten genieten van al het moois en spannends dat de archeologie te bieden heeft. Referenties -  Arts Council England, 2014. The value of arts and culture to people and society. An evidence review. Manchester: Arts Council England. -  Boom, K.H.J., in prep. Imprint of Action. (dissertation Faculty of Archaeology, Leiden University). -  Dodd, J. en C. Jones, 2014. Mind, body, spirit: How museums impact health and wellbeing. Leicester: Research Centre for Museums and Galleries. -  Fujiwara, D, T. Cornwall en P. Dolan, 2014. Heritage and wellbeing. English Heritage. Online beschikbaar: http://

hc.historicengland.org.uk/content/ pub/2190644/heritage-and-wellbeing.pdf. -  Harms, L., 2006, Op weg in de vrije tijd. Context, kenmerken en dynamiek van vrijetijdsmobiliteit. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP-publicatie 2006/9). -  Hazenberg, T., 2015. Crossing borders along the Dutch Limes. How the famous Roman barges of Zwammerdam support people with multiple disabilities. In: M.H. van den Dries, S.J. van der Linde en A. Strecker (eds.), Fernweh. Crossing borders and connecting people in archaeological heritage management. Essays in honour of prof. Willem J.H. Willems. Leiden: Sidestone Press, 164-168. -  Lampe, S., 2010. ‘‘Liever zelf fantaseren over vroeger.’’ In Brabant 1(5), 60-65. -  NIPO/AIC. 1996. Samenvatting Bevolkingsonderzoek ‘archeologie’. Leiden: Archeologisch Informatie Centrum (Archeologisch Informatie Cahier 10). -  Olivier, A. en P. van Lindt, 2014. Valletta Convention perspectives: an EAC survey. In: V.M. van der Haas en P.A.C. Schut (eds.), The Valletta Convention: Twenty Years After - Benefits, Problems, Challenges. Brussel: Europae Archaeologiae Consilium (EAC Occasional Paper no. 9), 165-176. -  TNS Opinion & Social 2013. Special Eurobarometer 399 - Cultural Access and Participation. Brussel: European Commission, Directorate-General for Education and Culture. Online beschikbaar: http://ec.europa.eu/public_opinion/ archives/ebs/ebs_399_en.pdf. -  Van den Broek, A., F. Huysmans en J. de Haan, 2005. Cultuurminnaars en cultuurmijders. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP-publicatie 2005/7). -  Van den Dries, M.H., K.H.J. Boom en S.J. van der Linde, 2015. Exploring archaeology’s social values for present day society. Analecta Prehistorica Leidensia 45, 221-234. -  Wasmus, F., 2010. The Past is Alive: An Analysis of Public Opinion about Archaeology in The Hague. In: A. Degenhardt en S. Lampe (eds.), Out in the Field, Internships Master Students Archaeological Heritage Management 2009-2010. Leiden: Sidestone Press (Graduate School of Archaeology Occasional Papers 5), 49-55. n

9

VITRUVIUS_Oktober2016_v1.indd 9

26/08/16 13:11


recent

VITRUVIUS NUMMER 37 OKTOBER 2016

VERSCHENEN

Op zand, veen en klei. AUTEURS

Guido van den Eynde en Lauran Toorians (red.) UITGAVE

Verloren D E TA I L S

Paperback, 336 pagina’s, geïllustreerd in kleur, ISBN 978-90-8704-591-3 PRIJS

€ 35,00

D

e historische geografie en de geschiedenis van het gebied tussen de mondingen van de Maas en de Schelde vormen het onderzoeksgebied van Karel Leenders. Met elf artikelen

Kerkinterieurs in Nederland. AUTEURS

Albert Reinstra, Marc de Beyer en Pia Verhoeven (red.) UITGAVE

WBooks i.s.m. Museum Catharijneconvent en RCE D E TA I L S

Gebonden, 400 pagina’s, geïllustreerd in kleur en zw/w, ISBN 978-94-6258-126-5 PRIJS

€ 49,95

E

en vast onderdeel van onze vakantie in het buitenland is voor velen een bezoek aan een kerk. Maar waarom doen we dat in eigen land niet? Kerkinterieurs in Nederland laat zien dat de rijkdom van het Nederlandse kerkinterieur

haken specialisten uit verschillende disciplines aan bij zijn interesses: historische geografie, cartografie, geschiedenis, archeologie, erfgoedzorg, ecologisch erfgoed en naamkunde. De bundel opent met twee artikelen die Karel Leenders voorstellen als persoon en als wetenschapper. De artikelen bieden een nieuwe kijk op de occupatiegeschiedenis van de kwelders in de delta, op de archeologie van de haven van Bergen op Zoom en van het kasteel van Breda, de omgang met oude en nieuwe kaarten als bronnen voor de historisch geograaf en de historicus en de omgang met erfgoed in het landschap. Drie bijdragen belichten aspecten van de middeleeuwse geschiedenis in Noord-Brabant die ook in een breder kader relevant zijn en een naamkundig artikel werpt nieuw licht op het oude ‘apa-probleem’. n

minstens zo indrukwekkend en divers is. Kenmerkend is de middeleeuwse kerk met een protestantse inrichting. Maar we hebben ook barokke schuilkerken, uitbundig gedecoreerde negentiende-eeuwse katholieke kerken, en strakke naoorlogse kerkinterieurs. In alle perioden van onze bewogen geschiedenis zijn de beste kunstenaars, interieurarchitecten, beeldhouwers, houtsnijders en schilders ingeschakeld om onze kerken van binnen te verfraaien. Museum Catharijneconvent, de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en vele wetenschappelijke en kerkelijke partners geven deze schoonheid nu de aandacht die het verdient. In Kerkinterieurs in Nederland worden de honderd meest opmerkelijke kerkinterieurs belicht, verspreid over het land en alle gezindten. De kerkinterieurs worden door meer dan vijftig specialisten beschreven en zijn door fotograaf Arjan Bronkhorst subliem in beeld gebracht. Het Nederlandse kerkinterieur is het nieuwe standaardwerk over Kerkinterieurs in Nederland. n

H

Het Den Haag Boek. AUTEURS

Kees Stal en Maarten van Doorn UITGAVE

WBooks i.s.m. Haags Gemeentearchief

et Den Haag Boek vertelt over Den Haag, een stad met een rijke historie, als residentie en regeringscentrum, als ambtenarenstad en stad van demonstraties, als woonplaats van ons koningshuis, als stad van ‘hoeden en petten’, van militairen en kolonialen, van haring en hopjes en van kerken en moskeeën.

D E TA I L S

Gebonden, 416 pagina’s, geïllustreerd in kleur en zw/w, ISBN 978-94-6258-135-7 PRIJS

€ 14,95

Aan bod komen onder meer Romeinse mijlpalen, kloosters in de stad, bekende politici, voetballende Duitse soldaten in het Zuiderparkstadion, beroemde Hagenaars en de wederopbouwtijd. Elk verhaal gaat vergezeld van een afbeelding uit de collectie van het Gemeentearchief. n

10

VITRUVIUS_Oktober2016_v1.indd 10

26/08/16 13:11


Theekoepels Theekoepels Theekoepelsen en enpriëlen priëlen priëlen

TUINHUIZEN TUINHUIZENIN INFRYSLÂN FRYSLÂN N NÂLSYRF NI NEZIUHNIUT

VITRUVIUS

NUMMER 37

recent

OKTOBER 2016

VERSCHENEN

W .J floduR aaagggnnniiillleeeiiiW W ..JJ fflloodduuR R MP 90:75:6 5102/92/7 1 fdp.5102neziuhniut_gnineketdnab MP 90:75:6 5102/92/7 1 fdp.5102neziuhniut_gnineketdnab

aganginlielieW iW.J.JflfoldoudR uR

Theekoepels en priëlen

TUINHUIZEN TUINHUIZEN NÂLSYRF NIIN NEFRYSLÂN ZIUHNIUT

TUINHUIZEN IN FRYSLÂN

N NÂÂLLSSYYRRFFN NIIN NEEZZIIUUH HN NIIUUTT

Rudolf J. Wielinga Wielinga Rudolf Rudolf J. J. Wielinga

Tuinhuizen in Fryslân.

Rudolf J. Wielinga

neevnereeH tiu agnileiW .J floduR tcetihcrA neevnereeH tiu agnileiW .J floduR tcetihcrA raan keozredno neraj nellatneti deed raan keozredno neraj nellatneti deed kjir tid rooV .nâlsyrF ni neziuhniut kjir tid rooV .nâlsyrF ni neziuhniut nav dnah ed naa jih fteeh keob edreertsullïeg nav dnah ed naa jih fteeh keob edreertsullïeg ne negnineketsgntiempo ,negnidleefba eduo ne negnineketsgntiempo ,negnidleefba eduo ednaatseb ne nenewdrev s'otof etnecer ednaatseb ne nenewdrev s'otof etnecer .neverhcseb ne dreesiratnevnïeg neralpmexe .neverhcseb ne dreesiratnevnïeg neralpmexe

AUTEUR

Rudolf J. Wielinga UITGAVE

Friese Pers Boekerij/Uitgeverij Noordboek

ruetua ed niraaw ,keob egtihcarp tid teM ruetua ed niraaw ,keob egtihcarp tid teM nee jih fteeh ,tsiurkrood nâlsyrF leeh nee jih fteeh ,tsiurkrood nâlsyrF leeh roov deogfre leerutluc seirF kuts kjirgnaleb roov deogfre leerutluc seirF kuts kjirgnaleb .dgelegtsav dnevjilb tsmokeot ed .dgelegtsav dnevjilb tsmokeot ed

agnileiW .J floduR

nneellëëiirrpp nnee sslleeppeeookkeeeehhTT

Theekoepels Theekoepels Theekoepelsen en enpriëlen priëlen priëlen

PRIJS

€ 24,95

aag gn niilleeiiW W ..JJ ffllo od du uR R

Rudolf Rudolf RudolfJ.J.J.Wielinga Wielinga Wielinga

A

D E TA I L S

Gebonden, 160 pagina’s, rijk geïllustreerd, N H NÂ ÂL LS SY YR RF FN NII N NE EZ ZIIU UISBN HN NIIU UT T 978-90-3300-424-7

TUINHUIZEN TUINHUIZENIN INFRYSLÂN FRYSLÂN

Met name in de achttiende en de negentiende, maar in een enkel geval ook in de twintigste eeuw, werden in de tuinen van buitenplaatsen en voorname huizen onder andere theekoepels en priëlen gebouwd. Zij hadden vooral een versierende en recreatieve functie. De achttiende-eeuwse theekoepels waren meestal opgetrokken in baksteen, hadden een koepelvormig dak en stonden vaak aan een weg, vaart of bolwerk. De negentiende-eeuwse waren meestal van hout, hadden een met riet gedekt tentvormig dak en stonden op een heuvel aan een vijver of aan de weg. Later in deze eeuw werd op in het oog springende plekken in de romantisch aangelegde tuinen vaak een prieel geplaatst. De oude foto’s en tekeningen laten u dit allemaal zien.

ed ne ednettihca ed ni eman teM ed ne ednettihca ed ni eman teM ni koo laveg lekne nee ni raam ,ednetinegen ni koo laveg lekne nee ni raam ,ednetinegen nav neniut ed ni nedrew ,wuee etsgtiniwt ed nav neniut ed ni nedrew ,wuee etsgtiniwt ed redno neziuh emanroov ne nestaalpnetiub redno neziuh emanroov ne nestaalpnetiub jiZ .dwuobeg nelëirp ne slepeokeeht eredna jiZ .dwuobeg nelëirp ne slepeokeeht eredna ne ednereisrev nee laroov neddah ne ednereisrev nee laroov neddah eswuee-ednettihca eD .eticnuf evetiaercer eswuee-ednettihca eD .eticnuf evetiaercer ni nekkortegpo latseem neraw slepeokeeht ni nekkortegpo latseem neraw slepeokeeht ne kad gimrovlepeok nee neddah ,neetskab ne kad gimrovlepeok nee neddah ,neetskab .krewlob fo traav ,gew nee naa kaav nednots .krewlob fo traav ,gew nee naa kaav nednots neraw eswuee-ednetinegen eD neraw eswuee-ednetinegen eD tem nee neddah ,tuoh nav latseem tem nee neddah ,tuoh nav latseem ne kad gimrovtnet tkedeg teir ne kad gimrovtnet tkedeg teir nee naa levueh nee po nednots nee naa levueh nee po nednots ezed ni retaL .gew ed naa fo revjiv ezed ni retaL .gew ed naa fo revjiv ednegnirps goo teh ni po drew wuee ednegnirps goo teh ni po drew wuee edgelegnaa hcstinamor ed ni nekkelp edgelegnaa hcstinamor ed ni nekkelp eD .tstaalpeg leeirp nee kaav neniut eD .tstaalpeg leeirp nee kaav neniut tid u netal negnineket ne s'otof eduo tid u netal negnineket ne s'otof eduo .neiz laamella .neiz laamella

5/24/2016 5:11:37 PM

rchitect Rudolf J. Wielinga uit Heerenveen deed tienjaren onderzoek naar tuinhuizen in Fryslân. TUINHUIZEN TUINHUIZEN TUINHUIZENIN IN INFRYSLÂN FRYSLÂN FRYSLÂN Voor dit rijk geïllustreerde boek heeft hij aan de hand van oude afbeeldingen, opmetingstekeningen en recente foto’s verdwenen en bestaande exemplaren geïnventariseerd en beschreven. Rudolf Rudolf RudolfJ.J.J.Wielinga Wielinga Wielinga

Theekoepels Theekoepels Theekoepelsen en enpriëlen priëlen priëlen tallen

N ÂL NÂ LS SY YR RF FN NII N NE EZ ZIIU UH HN NIIU UT T

Met dit prachtig geïllustreerde boek, waarin de auteur heel Friesland doorkruist, heeft hij een belangrijk stuk Fries cultureel erfgoed voor de toekomst blijvend vastgelegd. n

aaggnniilleeiiW W ...JJJ fffllloooddduuuR R agnileiW R

Rotterdam onbewolkt.

kende luchtfoto’s van de tweede grootste stad van Nederland.

AUTEURS

Peter Elenbaas en Paul van de Laar UITGAVE

Bas Lubberhuizen D E TA I L S

Hardcover, 144 pagina’s, geïllustreerd met ca. 140 foto’s, ISBN 978-90-5937-447-8 PRIJS

€ 32,50

N

a de succesvolle fotoboekenreeks Amsterdam onbewolkt, publiceert Peter Elenbaas nu Rotterdam onbewolkt, met indrukwek-

Verrassend is dat juist de vele hoogbouw in de stad echt tot zijn recht komt in dit fotoboek, want het vogelvluchtperspectief maakt architectonische details zichtbaar die vanaf de grond nauwelijks opvallen. De foto’s van Elenbaas tonen een stad van contrasten, waarin de Sint Laurenskerk, het enige middeleeuwse gebouw dat de stad nog heeft, zijn oude vertrouwde plaats inneemt naast de nu al beroemde Markthal uit 2014. We zien de Nieuwe Maas met de iconische Erasmusbrug en de kubuswoningen van Piet Blom boven de Blaak, maar Rotterdam onbewolkt is natuurlijk niet compleet zonder de wijken Charlois, Spangen en Katendrecht. n

Het Nederlandse Kunst Boek. AUTEURS

Din Pieters, Merel van den Nieuwenhof, Nicky Louise van Banning en Rozanne de Bruijne UITGAVE

WBooks D E TA I L S

Gebonden, 360 pagina’s, geïllustreerd met ca. 330 afbeeldingen in kleur, ISBN 978-94-6258-110-4

H

et Nederlandse Kunst Boek biedt een overzicht van de hoogtepunten van zes eeuwen beeldende kunst in ons land. Werk van ruim 300 Nederlandse schilders, beeldhouwers en fotografen wordt erin afgebeeld en beschreven – van Jeroen Bosch tot Karel Appel, van Hendrick de Keyser tot Joep van Lieshout en Rineke Dijkstra. Alle geselecteerde werken zijn ook in musea te zien. Maar het boek gaat zeker niet alleen over Nederland. Weidse polders en ‘Hollands licht’ vormen maar een deel van het verhaal. n

PRIJS

€ 24,95

11

VITRUVIUS_Oktober2016_v1.indd 11

26/08/16 13:11


recent

VITRUVIUS NUMMER 37 OKTOBER 2016

VERSCHENEN

Amsterdam! Oude foto’s 1947-1970. AUTEUR

Ed van der Elsken UITGAVE

Bas Lubberhuizen D E TA I L S

Hardcover, 240 pagina’s, geïllustreerd met ca. 260 foto’s, ISBN 978-90-5937-379-2

PRIJS

€ 39,95

‘M

ijn Amsterdam. Mijn Amsterdammers’. Dat wilde Ed van der Elsken vastleggen, het liefst van lekker dichtbij. ‘Mensen uit fatsoenlijke buurten, de Nieuwmarkt, de

Holland-Amerika Lijn.

Jodenbuurt, de Pijp, Kattenburg. Mensen die nooit op de Apollolaan komen of op de Goudkust, nou ja misschien als melkboer, of als inbreker.’ Ed van der Elsken hield van reuring, van actie. Hij fotografeerde demonstraties, de markt, de kermis, het verkeer. Maar ook werklui, rebelse jongeren en mooie meiden. En ‘vuile knolsmerissen’ die bij relletjes vaak hardhandig ingrepen. De foto’s die hij tussen 1947 en 1970 in ‘zijn stad’ maakte bundelde hij in het fotoboek Amsterdam!, waarvan de eerste druk verscheen in 1979. Zijn vernieuwende stijl maakte het boek tot een klassieker. Nu verschijnt een heruitgave, waarvoor nieuwe scans zijn gemaakt van alle originele negatieven waardoor de foto’s mooier zijn dan ooit. n

dijk, nam in de loop der tijd een hoge vlucht en droeg sterk bij aan de groei van de rederij en de welvaart van ons land.

AUTEUR

Nico Guns UITGAVE

WalburgPers D E TA I L S

Gebonden, 144 pagina’s, rijk geïllustreerd, ISBN 978-94-6249-041-3 PRIJS

€ 29,95

D

e geschiedenis van de Holland-Amerika Lijn is een verhaal vol ups en downs, dat zich laat lezen als een spannende roman. Rotterdam was meer dan een eeuw de trotse thuishaven van deze rederij; aan de Wilhelminakade bepaalden de drijvende paleizen met hun geel-groen-witte schoorstenen het beeld van de Maasstad. Vanaf de oprichting in 1873 tot ver in de twintigste eeuw verscheepte de Nederlandse HAL-vloot miljoenen passagiers en een kleine miljard ton aan lading. Nog steeds spreekt de legendarische rederij, die uitgroeide tot een internationaal vermaard cruisebedrijf, tot de verbeelding van velen. Iedereen kent de beroemde schepen als de Statendam en de Rotterdam. Legendarisch is het geallieerde troepentransport van deNieuw Amsterdam, die zó snel voer, dat geen enkele U-boot haar te pakken kreeg. Vele emigranten staken met de HAL de Atlantische Oceaan over, om een nieuw bestaan op te bouwen in het land van de onbegrensde mogelijkheden. Het vrachtvervoer tussen West-Europa en Amerika, met schepen als de Diemerdijk en de Kinder-

In het Maritiem Museum Rotterdam bewonderen belangstellenden uit binnen- en buitenland tal van schitterende scheepsmodellen en prachtige affiches uit de HAL-historie. In het Stadsarchief Rotterdam verrijken historici en vorsers van familiehistorie zich aan de rijkdom aan gegevens over bemanningsleden en emigranten in scheepsjournalen en bemannings- en passagierslijsten. In Hotel New York, in het glorieuze voormalige HAL-hoofdkantoor op de kop van de Wilhelminakade, beleeft men de rederijgeschiedenis bij een voortreffelijke consumptie. Op de Rotterdam, het wereldberoemde passagiersschip uit 1959, dat ligt afgemeerd aan het 3e Katendrechtschehoofd, is de koopvaardijhistorie voor iedereen tast- en zichtbaar nog springlevend. En bovenal: in dít rijk geïllustreerde en met vele details verlevendigde geschiedenisboek kan iedereen volop genieten van de grandeur, de luxe en de nostalgie van de gerenommeerde HAL-rederij. De geschiedenis van de onderneming heeft vele hoogteen dieptepunten gekend. Zij komen in dit boek uitgebreid en boeiend aan de orde, samen met tal van afbeeldingen die nooit eerder werden gepubliceerd. Het werk bevat een groot aantal full-colour illustraties, alsmede een schepenlijst, waarop alle in het boek genoemde HAL-schepen – met nadere bijzonderheden – zijn terug te vinden. Een compleet naslagwerk voor iedereen die belangstelling heeft voor de uitermate boeiende historie van de glorierijke Nederlandse koopvaardij. n

12

VITRUVIUS_Oktober2016_v1.indd 12

26/08/16 13:11


ERFGOEDSPECIAL

GEMEENTE ’S-HERTOGENBOSCH

’Een bundeling van krachten ten behoeve van het behoud van ons erfgoed.‘

De historische binnenstad van ’s-Hertogenbosch die dit najaar onthuld zal worden in de vorm van een stadsmaquette van ca. 2m² en geplaatst zal worden midden in de binnenstad. De maquette geeft de stad weer zoals die er omstreeks 1550 uitzag. Binnen de gemeente ’s-Hertogenbosch hebben twee afdelingen de krachten gebundeld voor dit project, waarbij de afdeling Erfgoed verantwoordelijk is voor een juiste reconstructie en de afdeling Maatschappelijk Vastgoed zich richt op het technisch ontwerp en het uiteindelijke beheer van het kunstobject.

VITRUVIUS_Oktober2016_v1.indd 13

26/08/16 13:11


VITRUVIUS

NUMMER 37 OKTOBER 2016

Foto: Erfgoed ’s-Hertogenbosch.

De stad van Jheronimus Bosch in 3D

1 - Virtueel model (reconstructie) van de stad anno 1500 .

I

n het ‘jubeljaar’ 2016 staat ’s-Hertogenbosch op grootse wijze stil bij de herdenking van de 500ste sterfdag van haar bekendste inwoner, Jheronimus Bosch. Al jaren is gewerkt aan de voorbereiding en het opstellen van een uitgebreid programma dat de stad als cultuurstad op de kaart moet zetten. Vanuit de nieuw gevormde afdeling Erfgoed van de gemeente ’s-Hertogenbosch (een samenvoeging van de afdelingen Bouwhistorie, Archeologie en Monumenten, Stadsarchief en Vestingwerken) was er een groot belang om ook de cultuurhistorie van de stad ingebed te krijgen in het programma. Op voorhand was er eigenlijk alleen belangstelling voor het opnemen van de Sint-Janskathedraal in het programma. Dit gebouw was immers het enige dat nog herinnert aan de tijd van Bosch? Dat in feite vrijwel de gehele middeleeuwse stad nog overeind staat en dat er nog ongelooflijk veel te zien in van de stad van Bosch, zat blijkbaar niet tussen de oren van beleid- en programmamakers.

De stad van Bosch Het lag voor de hand om als bijdrage van de afdeling Erfgoed aan het Boschjaar te kiezen voor een tentoonstelling over “de stad van Bosch”. De gemeente ’s-Hertogenbosch kent immers een lange traditie van bouwhistorisch en archeologisch onderzoek in het stadshart en in de afgelopen veertig jaar is een schat aan gegevens verzameld over de middeleeuwse stad. Veel van wat nu achter jongere gevels schuilgaat, blijft voor het publiek verborgen, maar is wel bekend bij de Bossche bouwhistorici. Er is in feite zelfs heel veel meer bekend over gebouwen van de stad waarin de zo tot de verbeelding sprekende kunstenaar woonde, dan over Bosch zelf… Het zou toch zonde zijn om die kennis niet te benutten in het Boschjaar 2016! De ontsluiting van de bouwhistorische onderzoeksgegevens is, in tegenstelling tot de archeologische, altijd moeizaam geweest. Het doel van de bouwhistorisch onderzoeker is ten slotte om zoveel moge-

lijk vondsten in het betreffende pand, ter plaatse te bewaren. Er zijn dan ook geen interessante zaken die in een vitrine aan het publiek kunnen worden getoond. De nieuwste 3d-technieken bieden hierbij een uitkomst. Door het bouwhistorisch onderzoek uit te werken in de vorm van een virtuele reconstructie, kunnen voor eenieder aantrekkelijke beelden worden gemaakt. Ingewikkelde bouwtechnische tekeningen, worden plots voor een ieder begrijpelijk en de verschijningsvorm van bijvoorbeeld een middeleeuws huis wordt voorstelbaar. Een prettige bijkomstigheid is dat het driedimensionaal werken ook de bouwhistorici een beter inzicht geeft in de ruimtelijke ontwikkeling van een gebouw. Met name voor hen is dit een nieuwe manier om verzamelde onderzoeksgegevens op geheel andere manier uit te werken en toegankelijk te maken. De 3d-modellen bieden de mogelijkheid om een tot dusver ingewikkeld over te brengen verhaal voor een breed publiek

14

VITRUVIUS_Oktober2016_v1.indd 14

26/08/16 13:11


VITRUVIUS

NUMMER 37 OKTOBER 2016

op aansprekende wijze te presenteren. Het Jheronimus-Boschjaar was een mooie aanleiding, maar vooral een uitgelezen kans om dit project op te tuigen.

De eerste gedetailleerde gebouwen die aan het virtuele model werden toegevoegd, waren de stadsmuren en stadspoorten. Deze zo beeldbepalende onderdelen van de

Foto: Erfgoed ’s-Hertogenbosch.

Stadsmodel en vestingwerken Allereerst is er een model van de hele stad anno 1500 gemaakt. Op basis van zoveel mogelijk accuraat kaartmateriaal en kadastrale kaarten, en met gebruikmaking van de huidige coördinaten van gebouwen en bouwblokken die nog steeds aanwezig zijn, werd een nauwkeurig stedenbouwkundig

model gemaakt (afb. 1). Dit model is uiteraard niet erg gedetailleerd en bestaat feitelijk alleen uit volumes, bouwmassa’s, maar is een prachtig uitgangspunt voor meer gedetailleerde reconstructies. Er omheen draaiend geeft het een boeiend inzicht in hoe die middeleeuwse stad nu eigenlijk in elkaar zat.

De Markt De keuze om de gehele Markt in vroeg zestiende-eeuwse vorm te reconstrueren lag wellicht het meest voor de hand. Op dit plein immers was het woonhuis van Bosch, waar hij een groot deel van zijn leven woonde met zijn vrouw Aleid van der Meervenne, en waar hij in 1516 vermoedelijk ook is overleden. Bovendien bevond zich schuin tegenover dit huis het familieatelier van de Van Akens, waar zonder veel twijfel de wereldberoemde panelen werden geschilderd. Van het woonhuis resten nu alleen nog de kelders, maar we zijn redelijk goed op de hoogte van hoe het huis er verder uit heeft gezien. Van het huis waarin het atelier was gevestigd, is het gehele casco, tot en met de nok en de spiltrappen aanwezig. In feite staat het middeleeuwse huis op de

Foto: Erfgoed ’s-Hertogenbosch.

2 - Reconstructie van de Pieckepoort of Vughterpoort omstreeks 1500.

stad zijn niet alleen goed te reconstrueren omdat er veel kaart- en beeldmateriaal van bewaard is gebleven. Het al bijna twintig jaar durende restauratieproject van de Bossche vestingwerken werd al die jaren voorafgegaan door archeologisch en bouwhistorisch onderzoek. De planvorming en vormgeving werd zelfs geheel op dit onderzoek gebaseerd en de restauratie heeft daardoor een uniek gezicht gekregen. Door de vele verzamelde onderzoeksgegevens is er zoveel bekend geworden van de vesting en haar poorten, dat dit materiaal ook kon worden gebruikt voor de 3d-reconstructies. Dit leverde prachtige beelden op van een vestingstad die tot dan voor velen moeilijk was voor te stellen (afb. 2).

3 - Reconstructie van de noordzijde van de Markt, omstreeks 1500. 15

VITRUVIUS_Oktober2016_v1.indd 15

26/08/16 13:11


Foto: Erfgoed ’s-Hertogenbosch.

VITRUVIUS

4 - Reconstructie van de Sint-Jan met hoge middentoren, omstreeks 1530.

NUMMER 37 OKTOBER 2016

De Sint-Jan De virtuele reconstructie van de SintJanskathedraal was een project op zichzelf. In de tijd van Jheronimus Bosch, de periode die we willen laten zien, was de kerk nog niet helemaal voltooid en nog volop in aanbouw. Om een inzicht te kunnen geven van de vordering van de bouw omstreeks 1500, was het noodzakelijk om die bouwgeschiedenis nader te bestuderen. Die ontstaansgeschiedenis was ook het onderwerp van een ander lopend project, en daarom zijn voor dit uitzonderlijke gebouw alle bouwfasen vanaf de stichting van de kerk, virtueel nagebouwd (afb. 4). Hierdoor is het mogelijk om de bijzonder ingewikkelde bouwgeschiedenis van de Sint-Jan te verbeelden voor een breed publiek. Bovendien levert dit project het complete materiaal voor een animatiefilm over de bouw van dit voor Nederland belangrijke gotische gebouw.

Foto: Erfgoed ’s-Hertogenbosch.

Publieksbereik Ten behoeve van de tentoonstelling “De stad van Bosch” werden nog tientallen andere plekken in de stad virtueel gereconstrueerd. Het gaat daarbij om veelal verdwenen kloosters, kapellen en kerken. Maar ook het stadhuis en enkele woonhuizen werden in 3d gebouwd. Omdat ook enkele interieurs werden gemaakt, kunnen op de tentoonstelling ook gereconstrueerde kamers met muurschilderingen worden getoond. Dit soort vondsten die per definitie niet voor publiek toegankelijk zijn, zouden op conventionele wijze maar moeizaam kunnen worden getoond. Nu kan het publiek letterlijk rondkijken in een middeleeuwse kamer.

5 - Schermafbeelding van de website ‘Erfgoed op de kaart’, met de interactieve 3d-reconstructie van de Bethaniekapel. voorgevel na nog overeind, maar het kon tot op heden niet bouwhistorisch worden onderzocht. Door de gehele Markt anno 1500 in 3d na te bouwen, kunnen geïnteresseerden en bezoekers van de stad zich nu een beeld vormen van het driehoekige plein, dat zich door de vele houten gevels destijds geheel anders manifesteerde dan tegenwoordig. Het levert een spectaculair, bijna exotisch beeld op dat bij bezoekers ook verbazing oproept (afb. 3). Hoewel de gevels totaal veranderden, bleef de parcellering in 500 jaar precies gelijk, waardoor de huidige en toenmalige situatie heel goed met elkaar is te vergelijken.

Juist dit vergelijkend effect is fascinerend en roept nieuwe historische belangstelling op bij de bezoekers van de stad en geïnteresseerden. Vanaf het moment dat in februari twee monumentale huizen op de Markt instortten, en de (bouw)historie van de plek op een heel andere wijze in het nieuws kwam, is de belangstelling voor de virtuele reconstructie alleen maar toegenomen. Het bouwhistorisch onderzoek naar de puinhopen dat volgde, wordt nu ook driedimensionaal uitgewerkt en zal te zijner tijd ook op die manier worden gepresenteerd.

De bezoekers van de tentoonstelling kunnen op grote touch-screens niet alleen opgegraven voorwerpen uit de tijd van Bosch bekijken, maar ook ronddraaien rond of in de gereconstrueerde gebouwen. Uiteraard is er aan die reconstructies nadere inhoudelijke informatie gekoppeld. Samen met de archeologische vondsten, archiefstukken en minutieus gereconstrueerde kleding, tonen de virtuele reconstructies hoe die middeleeuwse stad er uit zag. Informatie over de tentoonstelling wordt eveneens verspreid via Facebook en websites. Nadat het op Facebook werd geplaatst, werd het eerste uit de 3d-reconstructies gegenereerde filmpje, waarbij een rondvlucht wordt gemaakt rond de middeleeuwse vestingwerken, in twee dagen tijd maar liefst 22.000

16

VITRUVIUS_Oktober2016_v1.indd 16

26/08/16 13:12


NUMMER 37 OKTOBER 2016

Foto: Erfgoed ’s-Hertogenbosch.

VITRUVIUS

6 - Schermafbeelding van de app ‘Bosch Expierence Route’, met de interactieve reconstructie van de zuidzijde van de Markt. keer bekeken. Zoveel aandacht had de afdeling Erfgoed nog nooit gehad. Ook latere posts hadden een vergelijkbare uitwerking. Op de website ‘Erfgoed op de kaart’ s-hertogenboschopdekaart.nl) zijn de 3d-reconstructies eveneens te bekijken en via een viewer kun je er ook omheen draaien (afb. 5). De gratis bezoekers-app die speciaal werd voor het Boschjaar werd ontwikkeld voor de bezoekers van de stad, bevat ook alle 3d-reconstructies. Met deze interactieve “Bosch Experience Route” die je op de smartphone of tablet kunt downloaden, is het mogelijk om routes door de stad te volgen en plekken te bezoeken die iets met Bosch of het Boschjaar te maken hebben. Het leuke van de de 3d-reconstructies op de telefoon bekijken, is dat je dit kunt doen op de plek waar het ooit daadwerkelijk heeft gestaan. De 3d-bestanden zijn door GPS gekoppeld aan de plek en wanneer je dus op de Markt staand rondkijkt, kun je de telefoon ernaast houden en draait de reconstructie met je mee (afb. 6). Deze techniek, die nu een sensationeel effect geeft, zal in de toekomst snel gemeengoed worden. Met de app kun je ook bijvoorbeeld rondkijken vanaf de toren van de Sint-Jan en zien hoe de stad er rond 1500 uit zag, of rondkijken in het gereconstrueerde interieur van de Sint-Jacobskerk.

Het maken of bouwen van de 3d-objecten vergt een relatief grote inspanning. Het bouwen kost op zich zelf al veel tijd, maar de redactie en het publieksvriendelijk maken nog veel meer. Bovendien heeft de afdeling Erfgoed bewust de lat hoog gelegd als het gaat om de betrouwbaarheid en verantwoording. Wanneer je echter eenmaal de reconstructie hebt gemaakt, zijn de toepassingsmogelijkheden ongekend en zij nemen ook snel toe. Zo zijn enkele virtuele modellen inmiddels geschikt gemaakt om te bekijken door 3d-brillen. Dit levert weer een heel andere ervaring op, omdat je dan voor het eerst diepte ziet, die op een scherm achterwege blijft. Het 3d-project kende ook andere interessante ‘spin-offs’. Zo werden de 3d-modellen van de vesting, de Markt en de Sint-Jan gebruikt bij het tekenen van een nieuw album van Suske en Wiske, ‘De bibberende Bosch’, dat zich afspeelt in de stad ten tijde van Jheronimus Bosch. Op deze wijze krijgen de lezertjes bijna ongemerkt wat bouwhistorische informatie mee over de historische bebouwing van ’s-Hertogenbosch. Een ander project dat voortvloeide uit het 3d-project is de vervaardiging van een bronzen stadsmaquette die in het najaar op het Kerkpleintje zal worden geplaatst. Deze publieksmaquette verbeeldt de stad omstreeks 1500 en wordt uitgevoerd op

schaal 1:400. Voor het ontwerp was de digitale reconstructie van de stad van de afdeling Erfgoed het uitgangspunt, waardoor het eindresultaat ook echt ‘Erfgoed-proof ’ zal zijn. Terugblikkend kunnen we spreken van een geslaagd project, dat weliswaar bloed, zweet en tranen heeft gekost, maar dat de historische beleving van de historische stad dichter bij de bezoekers heeft gebracht. De tentoonstelling “De stad van Bosch”, die in de eerste maanden na de opening al ruim 26.000 bezoekers kreeg te verwerken, is nog tot 8 januari 2017 te bezoeken in het Groot Tuighuis, Bethaniestraat 4 in ’s-Hertogenbosch. n

17

VITRUVIUS_Oktober2016_v1.indd 17

26/08/16 13:12


VITRUVIUS

NUMMER 37 OKTOBER 2016

Onderhoud aan de hemelwaterafvoer van de Toren Sint Jan EIGENAAR

UITVOERDERS

Gemeente ’s-Hertogenbosch, afdeling Maatschappelijk Vastgoed

Monumentenwacht en Nico de Bont

TECHNISCH BEHEERDER

AUTEUR

Leon van Dijk, afdeling Maatschappelijk Vastgoed, gemeente ’s-Hertogenbosch

Kelly Dost, vastgoedbeheerder, afdeling Maatschappelijk Vastgoed, gemeente ’s-Hertogenbosch

Foto: Marketing Drones.

D

1 - Luchtfoto van ’s-Hertogenbosch en de Toren Sint Jan tijdens de uitvoering van de werkzaamheden.

e gemeente ’s-Hertogenbosch bezit een grote hoeveelheid aan erfgoed. De afdeling Erfgoed gaat voorop als het gaat om het behoud van het erfgoed in de stad en de kennis en kunde op het terrein van cultuurhistorie, maar buiten de rol en taken van deze afdeling houdt ook de afdeling Maatschappelijk Vastgoed van de gemeente ’s-Hertogenbosch zich bezig met erfgoed. Eén van de taken die de afdeling Maatschappelijk Vastgoed vervuld is het eigendomsbeheer en technisch beheer van kunstwerken, carillons en uurwerken, fonteinen en onverhuurbare objecten. Voorbeelden van onverhuurbare objecten zijn torens en molens, zo ook de Toren van de Sint-Janskathedraal en de standerdmolen in Rosmalen. Bij beide objecten is dit jaar op een bijzondere wijze onderhoud uitgevoerd, waarbij het behoud van erfgoed centraal heeft gestaan.

Foto: Marketing Drones.

De Sint-Janskathedraal gelegen aan de Parade midden in de Binnenstad van ’s-Hertogenbosch is volledig in eigendom bij het kerkbestuur St. Johannes Evangelist, met uitzondering van de toren en het torenportaal. Deze zijn eigendom van de afdeling Maatschappelijk Vastgoed van de gemeente ’s-Hertogenbosch en zij zijn dan ook verantwoordelijk voor het onderhoud en instandhouding van deze onderdelen.

2 - Luchtfoto van ’s-Hertogenbosch en de Toren Sint Jan tijdens de uitvoering van de werkzaamheden.

In een inspectierapport van de Monumentenwacht van april 2016 is vastgesteld dat de vergaarbakken van de hemelwaterafvoeren aan de toren gescheurd zijn en lekken. Het advies was om deze vergaarbakken te vervangen of te herstellen. De technisch beheerder van de toren, Leon

18

VITRUVIUS_Oktober2016_v1.indd 18

26/08/16 13:12


NUMMER 37 OKTOBER 2016

Foto: Afdeling Maatschappelijk Vastgoed van de gemeente ’s-Hertogenbosch.

VITRUVIUS

was nu waarom zij dan ook geen aandeel zouden kunnen leveren bij de herstelwerkzaamheden en de Monumentenwacht stemde hier positief mee in. Vervolgens werd er al vrij snel een team met deskundigen gevormd, bestaande uit de gemeente, Monumentenwacht en aannemer.

Foto: Afdeling Maatschappelijk Vastgoed van de gemeente ’s-Hertogenbosch.

Foto: Afdeling Maatschappelijk Vastgoed van de gemeente ’s-Hertogenbosch.

3 - Team van uitvoering, v.l.n.r. Fred van de Huygevoort en Maurice van der Kaa, de twee abseilers van de monumentenwacht, Leon van Dijk de technisch beheerder van de toren Sint Jan, werkzaam bij de afdeling Maatschappelijk Vastgoed van de gemeente ’s-Hertogenbosch, Toon Weijters van Nico de Bont.

4 - Abseiler bezig met demonteren van de vergaarbak hangend boven de SintJanskathedraal. van Dijk, heeft het advies aangenomen en heeft de werkzaamheden in gang gezet. Bij de planning van de uitvoering zijn meerdere opties overwogen. In een dergelijke situatie op grote hoogte is het plaatsen van een kraan de meest voor de hand liggende optie, echter is dit wel zeer kostbaar en tijdrovend. In dit geval gaat het slechts

5 - Abseiler bezig met het terugplaatsen van de afvoer en vergaarbak.

om kleine herstelwerkzaamheden, waarbij de kosten voor een kraan al snel uit verhouding zullen zijn met de kosten voor het daadwerkelijke herstel. In overleg met de Monumentenwacht is ervoor gekozen om met abseilers aan de slag te gaan. De monumentenwacht werkt al vaker met abseilers, maar nog voornamelijk bij het uitvoeren van inspecties. De vraag

Nico de Bont was ingeschakeld om de herstelwerkzaamheden aan de afvoeren en vergaarbakken uit te voeren. De abseilers zouden het demonteren en terugplaatsen van de onderdelen op zich nemen. De abseilers zijn op 43m hoogte langs de gevel van de toren van de Sint-Janskathedraal naar beneden gegaan om de vergaarbakken en afvoeren te demonteren. Ter plaatste heeft Nico de Bont (op de grond) de herstelwerkzaamheden uitgevoerd, waarna de abseilers de herstelde afvoeren en vergaarbakken weer konden terug plaatsen. Normaal gesproken zouden dit soort onderhoudswerkzaamheden alleen uitgevoerd kunnen worden met een kraan, maar dat kost enkele duizenden euro’s. Op deze manier, met uitstekend teamwork, zijn de herstelwerkzaamheden goedkoop en snel uitgevoerd. n 19

VITRUVIUS_Oktober2016_v1.indd 19

26/08/16 13:12


VITRUVIUS

NUMMER 37 OKTOBER 2016

Conditiemeting standerd van de molen in Rosmalen EIGENAAR

UITVOERDERS

Gemeente ’s-Hertogenbosch, afdeling Maatschappelijk Vastgoed

Kees van Hal en Ronald van den Brink, De Bomenwacht

TECHNISCH BEHEERDER

AUTEURS

Leon van Dijk, Gemeente ’s-Hertogenbosch, afdeling Maatschappelijk Vastgoed

Paul Groen, Directeur Erfgoed Advies Groen B.V. Kelly Dost, vastgoedbeheerder, afdeling Maatschappelijk Vastgoed, gemeente ‘s-Hertogenbosch

ADVISEUR

Paul Groen, Directeur Erfgoed Advies Groen B.V.

2 - Onderzijde van de standerd.

1 - Bovenzijde van de standerd.

A

anleiding Een standerdmolen is één van de meest bijzondere bouwwerken die Nederland kent. Het is in feite een levensgrote houten kast waar allerlei tandwielen en molenstenen in zitten en waar aan de voorkant de wiekenas met wieken uit steken. Die 40 ton zware kast hangt rond één zware paal, de standerd genaamd, zodat die 360 graden rond gedraaid kan worden en de wieken dus naar de wind kunnen worden gekeerd. Aan de achterzijde steekt een lange staart uit waarmee de molen op de wind gezet kan worden. Nederland heeft nog maar 40 van deze standerdmolens over en een zeer fraai en oud exemplaar is de standerdmolen van Rosmalen (1732).

van Dijk van de afdeling Maatschappelijk Vastgoed, had enige twijfels over de conditie van de standerd. Zo waren er uitvliegopeningen van enkele bonte knaagkevers in knoesten te zien en was de bovenzijde van de standerd in het grijze verleden al een keer gerepareerd. Als in een zware storm deze boom het zou begeven, dan valt deze letterlijk om en blijft van het monumentale bouwwerk geen spaan meer heel. Dit is in 2007 de nabij gelegen standerdmolen in Geffen overkomen.

De molen in Rosmalen draait nog iedere zaterdag dankzij de vrijwillige molenaars.

Het preventief vervangen van een standerd is “not done”. Niet alleen om praktische redenen omdat dan tijdelijk de gehele kast afgenomen moet worden, maar ook om redenen van het behoud van historisch materiaal. De standerd dateert immers ook uit 1732 en is een monument op zich.

De technisch beheerder van de molen, Leon

Ook het destructief testen of controleren

van de balk is eeuwig zonde omdat deze bij elke test verder beschadigd zou worden. De eigenaar van de molen, gemeente ‘s-Hertogenbosch, schakelde daarom Erfgoed Advies Groen in om de standerd niet-destructief te onderzoeken, samen zijn zij tot de innovatieve onderzoeksmethodiek gekomen die normaal gesproken alleen bij levende bomen wordt toegepast. De methodiek Een oude balk is lang geleden vervaardigd uit een boom. Het klinkt logisch, maar als je zo voor die balk staat, dan zou je niet direct denken dat de 284 jaar oude balk nog altijd de eigenschappen van die oorspronkelijke boom heeft. Zo is het topeind waterdicht en het worteleind open en kan de balk vanwege de celstructuur nog altijd in beperkte mate water uit het worteleind opzuigen. Het kernhout is hard, al zitten er soms onvolkomenheden als losse jaarringen

20

VITRUVIUS_Oktober2016_v1.indd 20

26/08/16 13:12


VITRUVIUS

E

NUMMER 37 OKTOBER 2016

rcill n

4.1

3 - Technisch beheerder van de molen, Leon van Dijk, afdeling Maatschappelijk Vastgoed, gemeente ‘s-Hertogenbosch. en ingegroeide takken in. De buitenzijde van het kernhout geeft de sterkte aan de balk. De kern van het hout is vaak niet zo best omdat hier nog altijd het kleine twijgje waar de boom uit is ontstaan, in zit. De schademechanismen aan een levende boom en een balk zijn min of meer hetzelfde. De kern wordt vaak aangetast door schimmels en opgegeten door wormen en kevers, al zijn die bij een levende boom van een andere soort dan die van een balk. Bij monumenten is het wel gebruikelijk om visuele inspecties uit te voeren. Ook wordt er wel eens her en der met een hamer tegenaan geklopt om te kijken of ergens holle ruimten zitten, maar goed niet-destructief onderzoek wordt bij monumenten zelden uitgevoerd. In de wereld van de levende bomen is dit echter anders. Hier mogen bomen langs wegen bijvoorbeeld niet zomaar omvallen omdat dit levensgevaarlijke verkeersituaties kan opleveren. Naast visuele inspecties worden in deze wereld regelmatig de Picusmeter en de Resistograaf gehanteerd. Bij de Picusmeter worden 3 of meer spijkertjes in de buitenzijde van de boom geslagen. Door op het ene spijkertje geluidsgolven te zetten en die bij de andere spijkertjes te meten, kan nagegaan worden in hoeverre het signaal door de jaarringen wordt doorgegeven en in hoeverre de jaarringen dus aan elkaar vast zitten. Vanwege meerdere spijkertjes wordt een tweedimensionaal beeld gevormd over de doorsnede van de stam. Om

4.2

4.3

4 - Foto’s boringen met de resistograaf. een driedimensionaal beeld te verkrijgen is het zaak om deze methode op meerdere hoogtes te herhalen.

in Rosmalen inderdaad een aantal zwakke plekken heeft. De geuite twijfel over de conditie van de standerd was dus terecht.

Bij de standerd van de molen te Rosmalen (en het meeste andere monumentenhout) is deze methode ongeschikt omdat er ijzeren banden om de standerd zitten. Deze banden geven interferentie en verstoren zo de golven.

Op de cruciale punten is het hout van de standerd echter nog geheel gaaf en daarmee is de standerd nog altijd voldoende sterk om ook in zware stormen de molen overeind te houden. De conditie van de standerd zal de komende jaren wel stabiel blijven en zal geen risico vormen, maar de boringen in de standerd zullen in de toekomst toch met een bepaalde cyclus opnieuw uitgevoerd worden om de conditie te blijven monitoren.

De Resistograaf is een zeer dunne roterende boor die nauwelijks schade veroorzaakt. Met deze boor, wordt in de balk geboord en de kracht die het daarbij kost om de houtvezel aan de kant te duwen wordt in relatie tot de indringdiepte gemeten. Op deze wijze kan een beeld gevormd worden van de hechtheid en daarmee de sterkte van het hout. Deze methode is bij de molen in Rosmalen voor het eerst op een standerd van een molen toegepast. Er zijn in totaal 14 boringen verricht zodat een totaalbeeld van de standerd is verkregen.

Bronnen -  Onderzoeksrapport Erfgoed Advies Groen B.V. -  Gemeente ’s-Hertogenbosch, afdeling Maatschappelijk Vastgoed Copyright foto’s: Gemeente ’s-Hertogenbosch, afdeling Maatschappelijk Vastgoed. n

Resultaat en Conclusie Bij de boringen met de resistograaf is er vastgesteld dat de standerd van de molen 21

VITRUVIUS_Oktober2016_v1.indd 21

26/08/16 13:12


VOOR U

gelezen

VITRUVIUS NUMMER 37 OKTOBER 2016

Atlas van de verdwenen spoorlijnen in Nederland. AUTEURS

V.M. Lansink en J.M. ten Broek UITGAVE

WBooks RECENSENT

A.F.J. Niemeijer D E TA I L S

Gebonden, hard cover, 207 pagina’s, rijk geïllustreerd in zwart-wit en kleur, kaarten, literatuur, ISBN 978-94-6258-138-8 PRIJS

€ 34,95

I

n een iets eerdere levensfase deden ondergetekende en een bevriende - en misschien nog wel fanatiekere terreinverkenner dan hijzelf - een poging het boek te schrijven dat in deze bijdrage wordt gerecenseerd. Het kwam er uiteindelijk niet van, maar vele van de locaties die in dit boek zijn afgebeeld, zien er bekend uit. Uw recensent ontving de uitgave enkele maanden terug als verjaardagscadeau van zijn vriend, met een wikkeltje eromheen waarop hun beider namen als auteurs prijkten. (Een grapje - maar Tim: nogmaals dank.) Lansink en Ten Broek hebben letterlijk kruipdoor-sluipdoor moeten doen om tot deze uitgave te komen en menig maal hebben ze zelfs in het struikgewas of onder het bodemoppervlak gezocht naar resten of sporen van spoorwegen. Zo is in enkele gevallen alleen nog het stortebed van keien aangetroffen waarop voorheen de duizenden houten dwarsliggers of biels en de stalen rails (beide meervoud!) waren aangebracht. Maar meestal bleken er veel meer resten te zijn: baanwachtershuizen, stations, (resten van) bruggen, complete, maar inmiddels overwoekerde baanvakken en vooral kleine herinneringen. De auteurs zijn wat dit betreft uit het geode hout gesneden. Ze stimuleren lezers zélf op pad te gaan en zélf relicten op te sporen. Dat kan op verschillende niveaus. Resterende halteplaatsen vinden is ‘kinderspel’, maar de kinderen zoet houden met het terugvinden van kilometerpaaltjes in de berm van een op een oude spoorweg aangelegd wandelpad vergt behoorlijk wat van hun begeleiders. Gelukkig staat de Atlas van de verdwenen spoorlijnen in Nederland niet vol met dit soort raadseltjes, maar zo af en toe word je hiermee als lezer toch even gekieteld naar buiten te gaan. Per slot van rekening waren spoorwegen een verkeersmodaliteit en geen thuisblijfvoorziening. Hoewel: de doelstelling van de onderneming en de werkelijkheid spoorden lang niet altijd met elkaar. Veel spoorlijnen bleken niet, of maar kort te voorzien in een veronderstelde behoefte, terwijl andere werden weggeconcurreerd door opkomende verkeersmiddelen als vrachtwagen, autobus, fiets, brommer en uiteindelijk ook de

personenauto. Meestal ging het bij de ondergang van spoorlijnen om een combinatie van factoren, waarvan vooral het tekort aan verladers / lading een voornaam punt was. Zeker wanneer het railverkeer was gebaseerd op één pijler – bijvoorbeeld het transport van steenkool naar een centrum van textielindustrie. Dan kon de opening van een route via ander spoor of via een kanaal direct bedreigend zijn. Ook veranderende afzetmarkten of een gewapend conflict konden dodelijk zijn. Dit laatste was vooral voor lijnen in het oosten en zuiden funest. Alle grensoverschrijdend verkeer was tijdens de Eerste Wereldoorlog problematisch, terwijl het spoorwegverkeer in het neutrale Nederland sowieso sterk terugliep als direct gevolg van een krimpende economie. In de crisisjaren – ingaande 1929 – speelde dit opnieuw en vanaf 1934 nam de totale lengte van het spoorwegennetwerk in Nederland hierdoor dan ook af. Om een dieptepunt te bereiken aan het einde van de Tweede Wereldoorlog, toen niet alleen bijna alle rijdend materieel gejat was, maar ook een groot deel van de rails afgevoerd was om te worden benut bij de Duitse aanval op en expansie in Rusland. Overigens nooit geweten dat het gedeeltelijk opbreken van dubbelspoor en van minder belangrijke lijnen het resultaat was van een bewust plan: het Kloevekornprogramm, genoemd naar ene Wilhelm Klövekorn – Abteilungspräsident der Deutsche Reichsbahn. (Nagekeken - het klopt. Zie: A.J.C. Rüter (1960), Rijden en staken; De Nederlandse Spoorwegen in oorlogstijd, p. 47. Waarvan akte) Dit boek voorziet in een behoefte. Althans dat verwacht de uitgever. Niet alleen vervult het een wens van vele liefhebbers van de romantiek van spoorwegen, treinen en transport, maar - gezien het feit dat er displays voor zijn verspreid om er in de boekhandel aandacht voor te vragen - ook van die van een breder publiek. Anders is het amper te verklaren dat in een dorp als Bennekom een stapel de deur uit vloog. Het is waar, er kwam in Bennekom een stoomtrammetje dat nog doorreed naar Wageningen. En er resteert zelfs nog fragmentje rail van in het hart van het dorp, met als gimmick een bronzen, wachtende reiziger. Maar dit tramspoortje maakte geen deel uit van het zogenoemde Kippenlijntje van Nijkerk, via Barneveld en Lunteren naar Ede. Bennekom komt terecht dan ook niet voor in het boek – echter, het verkoopt er wel. En het boek verkoopt zelfs zo goed dat op de website van de uitgever inmiddels reeds een derde druk wordt aangekondigd. Wat terecht is: het is een verrukkelijk boek. Het vergt niet veel leesinspanning, want het is prettig en toegankelijk geschreven in een luchtige en doordachte stijl. Terwijl uw recensent soms pijn in het hoofd krijgt van de fouten in drukwerken, kan hij de beide auteurs en eventuele redacteuren niet anders dan complimenteren. En hetzelfde geldt – in één moeite door – ook

22

VITRUVIUS_Oktober2016_v1.indd 22

26/08/16 13:12


VITRUVIUS NUMMER 37 OKTOBER 2016

voor de fotografen en de beeldredactie. Wát een prachtige foto’s zijn er verzameld. Het lijkt niet moeilijk een stukje vergane glorie in beeld te brengen, maar vaak is het precies het wachten op dat éne moment of die éne locatie die een kiekje tot een afbeelding van bovengemiddelde kwaliteit maken. Even door de knieën gaan, bijvoorbeeld, om onder een stootjuk door een paar fietsers op een voormalig spoortracé op beeld vast te leggen - dát maakt het verschil. Al lezend en foto’s bekijkend gingen af en toe de herinneringen met uw recensent aan de haal. Zo zag hij zichzelf in gedachten in en om de IJmuidense visafslag tegenover het inmiddels al lang niet meer bestaande eindstation ronddolen. Bij de afslag stonden vaak tientallen koelwagens voor transport van vis naar … ja waar naartoe eigenlijk? Het spoor waarlangs deze treinen reden was grotendeels hetzelfde als dat waarlangs ’s nachts zwaar beladen treinen met Belgische keien en betonblokken langs ons huis denderden op weg naar IJmuiden om de havenhoofden te verlengen. En het was ook dezelfde spoorlijn waarop jaren later de Amsterdamse rondvaartbotenrederij Lovers (gewoon uitspreken met een Nederlandse o) geprobeerd heeft forensen- en toeristenverkeer te trekken. Lovers was misschien wel de eerste ‘uitdager’ van NS, nadat bij een van onze ministers het onzalige idee was ontstaan dat het spoor geliberaliseerd moest worden. Lovers was hiermee ook een van de eerste slachtoffers. NS liet niet toe dat er op redelijke wijze een dienstregeling gereden kon worden en bemoeilijkte ook op andere manieren deze concurrentie op de al jaren niet meer bestaande verbinding van IJmuiden, via Santpoort en Haarlem naar Amsterdam. Het resultaat van de ministeriële uitglijder is dat we nu opnieuw – net als in de tijd waarover dit boek gaat – met circa 40 particuliere vervoersmaatschappijen opgescheept zitten. En met een NS die de andere vervoerders zo weinig mogelijk ruimte laat en zo weinig mogelijk communiceert. U kunt het dagelijks op de werkvloer vernemen van het personeel van Arriva, Syntus en al die andere maatschappijtjes. En u merkt het ook in de omroepberichten en op de borden van NS. Niet minder dan 29 verschillende spoorlijnen komen aan bod in dit boek. Waarvan sommige lijnen zich uitstrekten tussen plaatsen waarvan je misschien nog nooit hebt gehoord omdat ze geen deel uitmaakten van op te dreunen lijstjes plaatsnamen. Wat te denken van de spoorlijn Dinxperlo – Varsseveld (in de Achterhoek) of van Winsum – Zoutkamp in Groningen? (O, pardon, de laatste is bij de rijpere lezer wel bekend). Lansink en Ten Broek vertellen zakelijk over de opkomst, de bloei (vaak was die er niet) en de ondergang van de spoorlijnen. Het is opmerkelijk dat hetzelfde optimisme dat soms vandaag de dag nog opgeld doet, in het ver-

VOOR U

gelezen

leden schering en inslag was. Pogingen een graantje mee te pikken in een markt, kan alleen bij groeiende afzet – of in het geval van transport – bij een toenemend vervoersaanbod. Meer haringstalletjes leiden echter niet tot een groeiende verkoop van Hollandse Nieuwe tegen dezelfde prijs, maar wel tot lagere stuksprijzen bij een nauwelijks toenemende afzet: de vis wordt steeds goedkoper. Hetzelfde gold ooit voor de spoormaatschappijen: er werden niet méér kolen vervoerd omdat er meer spoorwegen naar dezelfde fabrieken waren. Alleen weer de hoeveelheid gevraagde kolen toenam, was er misschien ruimte voor een andere lijn. Maar het efficiënter gebruik van bestaand spoor zou verstandiger geweest zijn, vooral natuurlijk door een spoorverdubbeling uit te voeren. Maar die wijsheid hadden de meeste (kleine) spoorondernemers niet. Soms maakten verschillende maatschappijen zelfs gebruik van hetzelfde station en lagen hun enkel bereden sporen vlak naast elkaar. (In theorie konden twee treinen, naast elkaar, in dezelfde richting / naar dezelfde bestemming rijden. Een extreem voorbeeld hiervan was een spoorweg bij Elten (net over de bij grens bij Lobith, in Duitsland). Vele spoorwegmaatschappijen moesten concurreren om dezelfde verladers te verleiden hun goederen over hún lijn te vervoeren, maar het resultaat was dat ze een voor een omvielen of werden overgenomen. Dat proces, dat concentratie van spoorwegen wordt genoemd, leidde pas in 1938 (!) tot het ontstaan van het spoorbedrijf NS, door het samengaan van de twee grootste ondernemingen. Dat het hiervoor bedoelde optimisme in veel gevallen op een beperkt inzicht in economie berustte, wordt met de prachtige Atlas van de verdwenen spoorwegen in Nederland pijnlijk duidelijk. De ondernemers oriënteerden zich te weinig of staarden zich blind op winst (of op de gebakken lucht van hun kapitaalverstrekkers). Overigens is dat impliciet ook een puntje van kritiek op deze uitgave. Het is niet zeker dat de auteurs zich op alle fronten voldoende hebben georiënteerd. Een deugdelijke bronvermelding – behalve een vrij beknopte literatuurlijst - en een notenapparaat ontbreken namelijk. Zo mist uw recensent – niet voor het eerst - een gedrukte bron die op vele vragen een antwoord kan geven: de onvolprezen reeks Verslagen aan den Koning of de Koningen over de Openbare Werken, die is begonnen in het midden van de 19de eeuw en doorloopt tot 1940. Als dit punt door de vingers wordt gezien en het resultaat wordt beoordeeld, kan niet anders worden gezegd dan: nogmaals proficiat voor de beide schrijvers, de uitgever, de fotografen, de (beeld)redacteuren en voor allen die medewerking hebben verleend. U allen produceerde een prachtboek dat een mooi midden houdt tussen info en beeld. Van harte aanbevolen aan spoorliefhebbers en alle anderen met hart voor mobiel verleden. Uiteraard is het boek bij hen ook welkom als geschenk – een spoortocht als dank is dan wellicht op zijn plaats. n

23

VITRUVIUS_Oktober2016_v1.indd 23

26/08/16 13:12


Doe mee...en win!

LEZERSACTIE

Atlas van verdwenen spoorlijnen in Nederland laat zien dat een spoorlijn nooit helemaal verdwenen is. Door de uitgebreide infrastructuur blijven er altijd restanten over. Twee kenners hebben tientallen opgeheven spoorlijnen in Nederland systematisch onderzocht en de restanten in beeld gebracht. Daarnaast hebben zij archiefmateriaal en beelden uit het verleden opgespoord, waarmee de geschiedenis nog meer reliëf krijgt. Een beknopte geschiedenis van de opkomst en ondergang van deze spoorlijnen maakt het sfeervolle Atlas van verdwenen spoorlijnen in Nederland compleet.

3

Onder onze abonnees verloten wij x Atlas van de verdwenen spoorlijnen in Nederland. Alles wat u hoeft te doen is vóór 7 november 2016 een e-mail te sturen met uw naam en adres naar info@uitgeverijeducom.nl met als onderwerp ‘Atlas’. Let op! Verloting geschiedt alleen onder betalende abonnees van het vakblad Vitruvius. Heeft u nog geen abonnement? Wordt dan snel abonnee* om ook kans te maken op een gratis exemplaar van dit boekwerk.

Uitgeverij Educom BV

* Een abonnement op het vakblad Vitruvius bedraagt € 45,- per jaar/per 4 edities. * Alle prijswinnaars krijgen persoonlijk bericht voor 14 november 2016.

VITRUVIUS_Oktober2016_v1.indd 24

26/08/16 13:12

Vitruvius oktober 2016  

Onafhankelijk vakblad voor erfgoedprofessionals. Archeologie, Cultuurlandschap, monumenten, immaterieel erfgoed & volkscultuur

Vitruvius oktober 2016  

Onafhankelijk vakblad voor erfgoedprofessionals. Archeologie, Cultuurlandschap, monumenten, immaterieel erfgoed & volkscultuur

Advertisement