Page 1

O n a f h a n k e l i j k v a k b l a d v oo r e r f g o e d p r o f e s s i o n a l s Archeologie | Cultuurlandschap | Monumenten | Immaterieel erfgoed | Volkscultuur

Jaargang 8 | Numme r 29 | Oktober 2 0 1 4

Het nieuwe Huis Moerenburg in Tilburg

Park Matilo

VITRUVIUS_Oktober2014_v3.indd 1

Erfgoedlijnen

Wanneer inspireert archeologisch erfgoed tot ruimtelijke kwaliteit?

24-07-14 12:31


Uw speciaal Erfgoed verdient een Special in Vitruvius Steeds meer Steeds meer gemeenten gemeentenzetten zetten zich zichactief actiefininvoor voorhun huneigen eigencultuurcultuurhistorie, monumenten, musea, musea,bodemvondsten bodemvondstenen enander andererfgoed. erfgoed. voor Erfgoed spreekt inwoners inwonersaan: aan:talloze tallozevrijwilligers vrijwilligerszetten zettenzich zichinin voor het behoud van van een eenmonument, monument,of ofzijn zijnactief actiefinin een historische verhet behoud een historische vereniging. Cultuurhistorie draagt draagtbovendien bovendien sterk sterkbij bijaan aaneen eengevoel gevoel eniging. Cultuurhistorie van locale identiteit. identiteit. Erfgoed leeft! van locale Erfgoed leeft! Presenteer uw gemeentelijk erfgoedbeleid in vakblad Vitruvius met Presenteer uwInformeer gemeentelijk in vakblad Vitruvius met een ‘special’. naarerfgoedbeleid de plaatsingsmogelijkheden. een ‘special’. Een eerste voorbeeld hiervan vindt op pag. 22-27. Bovendien ontvangt u kosteloos 500 exemplaren uvoor promotionele Bovendien ontvangt u kosteloos 500 exemplaren voor promotionele doeleinden. Meer weten? Mail: info@uitgeverijeducom.nl Of bel de uitgever op 010-425 44. doeleinden. Meer weten? Mail:65info@uitgeverijeducom.nl Of bel de uitgever op 010-425 65 44.

VITRUVIUS_Oktober2014_v3.indd 2

Educom BV Drukwerk Investeringen Marketing Internet www.uitgeverijeducom.nl

24-07-14 12:31


Jaargang 8 Nummer 29 Oktober 2014

8

5 Erfgoedlijnen

13

Het nieuwe Huis Moerenburg in Tilburg

De Deltawerken: Doorontwikkelen vanuit bestaande kwaliteiten

14 Loolaan te Apeldoorn

16

21 Park Matilo. Een park waar het verleden zichtbaar en beleefbaar is gemaakt

Wanneer inspireert archeologisch erfgoed tot ruimtelijke kwaliteit? 3

VITRUVIUS_Oktober2014_v3.indd 3

24-07-14 12:31


colofon

Vitruvius nummer 29 Oktober 2014

Vitruvius is een informatief, promotioneel, onafhankelijk vaktijdschrift dat beoogt kennis en evaring uit te wisselen, inzicht te bevorderen en belangstelling te kweken voor de vakgebieden archeologie, cultuurlandschap, monumenten, immaterieel erfgoed en volkscultuur.

Onafhankelijk vakblad vOOr erfgOedprOfessiOnals archeOlOgie | cultuurlandschap | MOnuMenten | iMMaterieel erfgOed | vOlkscultuur

ja a r ga n g 7 | n u M M er 2 8 | j u l i 2 0 1 4

denken aan de dOden

Naoorlogse moNumeNteN vaN herdeNkiNg biedeN eeN iNtrigereNd tijdsbeeld 1940-1965

van kOetshuis naar architectenkantOOr

MOnuMentale energietransitie

Vitruvius komt tot stand m.m.v. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

de rOMeinse liMes

Sub-Sponsor

Een uitgave van

Uitgeverij Educom BV Mathenesserlaan 347 3023 GB Rotterdam Tel. 010-425 6544 Fax 010-425 7225 info@uitgeverijeducom.nl www.uitgeverijeducom.nl

Muurhuizen 104 3811 EL Amersfoort Tel. 033-422 77 90 info@shmn.nl www.shmn.nl Joint venture van de Alliantie en Mitros

Mede-ondersteuners

Colofon Vakblad Vitruvius werkt met een onafhankelijke

Lange Haven 9 3111 CA Schiedam Tel. 010 273 25 11 mail@steenhuismeurs.nl www.steenhuismeurs.nl

redactie en redactieraad Uitgever/bladmanager

Robert Diederiks

Redactie

Ruurloseweg 83 7251 LC Vorden Tel. 0575-519 455 Fax 0575-519 550 www.frisowoudstra.nl

S.A. Muller

Drs. E. Raap

mw. Drs. S.M. van Roode

mw. Drs. F.M.E. Snieder

R.P.H. Diederiks

Redactieraad

mw. Drs. (Margreeth) W. Bangert Res nova Monumenten

Dr. C.H.M. (Chris) de Bont Paganellus Minor

Drs. H.M.P. (Jeroen) Bouwmeester RCE

Dr. R.J. (Reinout) Rutte TU Delft

mw. Drs. F.M.E. (Francien) Snieder

ABONNEMENTEN 4 nrs/jaar: Nederland E 45.- /BelgiĂŤ E 55.-. Voor betaling wordt een factuur verzonden. Vermeld bij correspondentie altijd het abonneenummer (zie de factuur). Tijdige betaling garandeert regelmatige toezending. Abonnementen lopen automatisch door. Opzeggingen (uitsluitend schriftelijk per aangetekend schrijven) dienen uiterlijk twee maanden voor afloop van de abonnements periode in ons bezit te zijn.

Afdeling Archeologie gemeente Amersfoort Prof.Dr.Ir. M. (Theo) Spek Rijksdienst voor het Cultureel erfgoed, RU Groningen mw. Ir. G.A. (Gerdy) Verschuure-Stuip TU Delft

LEZERSSERVICE / NABESTELLINGEN Adresmutaties/abonnementen en nabestellingen doorgeven via info@uitgeverijeducom.nl. Š Copyrights Uitgeverij Educom BV Oktober 2014 ISSN 1874-5008 Niets uit deze uitgave mag worden gereproduceerd met welke methode dan ook, zonder schriftelijke toestemming van de uitgever.

4

VITRUVIUS_Oktober2014_v3.indd 4

24-07-14 12:31


Vitruvius

nummer 29 Oktober 2014

Thema: De verbeelding van het verleden

Erfgoedlijnen Dr. Joost H.L. Vorst Programmamanager Erfgoedlijnen bij de provincie Zuid-Holland

E

rfgoed is van nut voor de samenleving. Het maakt de omgeving mooier, je ontleent er je identiteit aan en als je het slim aanpakt kun je er nog aan verdienen ook. Maar dan moet je wel weten dat het er is, je moet er bij kunnen komen en – het meest belangrijke – er moet wat te beleven zijn. Vaak ontbreekt het daaraan en dan laat je veelbelovende kansen liggen. Een voorbeeld Meestal beginnen wij een presentatie over de erfgoedlijnen met onderstaande foto. De voor de hand liggende vragen aan de toehoorders zijn dan: weet iemand wat dit is? Weet iemand waar dit is? En vindt u dat hier veel te beleven valt? In negen van de tien gevallen is het antwoord daarop: nee. Duidelijk een geval dus van onbenut erfgoed. Het gaat hier om het enige zichtbare Romeinse fort in Zuid-Holland: Nigrum

Zo maakt men in Zuid-Holland van erfgoed erfgoud

Pullum (Zwarte Aarde, een verwijzing naar de donkere veengrond ter plaatse). Het maakt onderdeel uit van de Romeinse rijksgrens, de Limes, het grootste archeologische monument van Nederland en in Europa (de rijksgrens liep van Schotland tot de Zwarte Zee). Deze tot maaiveld opgemetselde resten bevinden zich op het terrein van een grote instelling voor mensen met een verstandelijke beperking te Zwammerdam. Het ligt daar onopvallend tussen enkele paviljoens en de spoorlijn Leiden en Utrecht. MoMo De provincie Zuid-Holland vindt dit een gemiste kans en wil dit graag veranderen. De decentralisatie naar de provincies van de monumentenzorg in het kader van ‘MoMo’ (= Modernisering Monumentenzorg, OCW, 2012) was het startsein voor modern, ontwikkelingsgericht erfgoedbeleid, waarbij ook

echt iets te beleven valt. Het erfgoed is ten slotte van ons allemaal. Door het erfgoed voor iedereen bekend, bereikbaar en beleefbaar te maken gaat het in feite om de democratisering van ons erfgoed. Want velen in de samenleving zijn daarin geïnteresseerd en staan klaar om mee te doen en bij te dragen. Met die decentralisatie van taken en middelen (voor Zuid-Holland € 3 miljoen per jaar) kwam natuurlijk wel een verantwoordelijkheid mee. Het Rijk verwacht van de provincies dat zij de restauratie van rijksmonumenten gebruiken als hefboom voor veel omvangrijker gebiedsontwikkeling en daarnaast geld met geld maken, dus zorgen voor ruime cofinanciering. Daarmee is het Rijk bij de provincies aan het goede adres, want die kunnen de ontwikkeling van monumenten koppelen aan hun ruimtelijke ordeningstaken. Bovendien bevinden zich bij de provincie tal van beleidsterreinen

1 - Resten van het Romeinse fort Nigrum Pullum te Zwammerdam. Onbekend, weinig te beleven, dus onbenut. 5

VITRUVIUS_Oktober2014_v3.indd 5

24-07-14 12:31


Vitruvius

Bollenstreek

Overzichtskaart cultureel erfgoed provincie Zuid-Holland

Vrieschekoopse en Wassenaarsche Polder Kaag/Oude Rijn

Den Haag/ Wassenaar

Topgebied

Landgoederenzone

Aarlanderveen/ Nieuwkoopsche Plassen/ Meije

Zoeterwoude/ Stompwijk

Goeree-Overflakkee

Boskoop/ Reeuwijk-Dorp

Limes Waterdriehoek

Tweemanspolder

Atlantikwall

Reeuwijkse Plassen/ Oude Hollandse Waterlinie

Oude Hollandse Waterlinie Trekvaarten Midden-Delfland

Krimpenerwaard Alblasserwaard/ Vijfheerenlanden

Voorne/ Brielle/Bernisse

Kop van Goeree

Hoeksche Waard

Dordsche Biesbosch

12.1189/1

2 -Kaart van Zuid-Holland met de 7 erfgoedlijnen. onder één dak, als groen, water, mobiliteit en economie. De ontwikkeling kan daarmee dus integraal worden aangepakt. Van stippen naar strepen De verdeling van de restauratiemiddelen ging voorheen naar individuele monumentale objecten; losse stippen op de kaart. Voor de helft gaat dat in Zuid-Holland nog zo. Maar de andere helft gaat naar grote monumentale structuren en ensembles, die het verhaal vertellen van Holland, die over gemeentegrenzen heen gaan en op het raakvlak liggen van meerdere beleidsterreinen. Zuid-Holland wil kortom meerdere stippen met elkaar verbinden tot strepen of lijnen op de kaart, of anders gezegd erfgoedlijnen. Daarvoor legt ze boven op de rijksmiddelen nog € 2,5 miljoen per jaar aan eigen middelen voor ontwikkeling en benutting. Erfgoedlijnen De erfgoedlijn wordt als volgt gedefinieerd. Het betreft een geografische structuur (kust, trekvaart, oude duinenrij, eiland, etc.), die meerdere monumentale stippen met één gemeenschappelijk historisch verhaal met elkaar verbindt tot één streep of lijn op de kaart. De erfgoedlijnen zijn ensembles van erfgoed, landschap en water, die kwaliteit verschaffen aan de ruimte en beschikken over groot recreatief-toeristisch potentieel. De erfgoedlijnen zijn dus op twee manieren begrensd: qua geografie en qua verhaal. Aan beide voorwaarden moet tegelijk zijn voldaan. De provincie onderscheidt op dit moment zeven erfgoedlijnen. Zeven lijnen

die nauw verbonden zijn met de provinciale geschiedenis. Van Limes tot Atlantikwall 1.  De Limes is het verhaal van de Romeinen. De Oude Rijn (geografie) vormde de rijksgrens en was tevens een druk bevaren handelsroute. De Limes bestond uit militaire forten en uitkijktorens, verbonden door een verharde heerbaan. Bij de forten treffen we ook vaak een burgernederzetting aan. Van de Limes maakt ook de Vliet (Fossa Corbulonis) en Voorburg (Forum Hadriani) uit, alsmede de Zwammerdamschepen. 2.  De Waterdriehoek wordt gevormd door UNESCO werelderfgoed Kinderdijk, de Biesbosch en Dordrecht. De grote stromen verbinden deze iconen (geografie) en water vormt ook het verhaal. De Sint Elisabethvloed schiep de Biesbosch, het Eiland van Dordrecht en is naamgever van Kinderdijk (daar spoelde een wiegje met kind aan). Dit gebied staat voor watermanagement, grote baggerwerkzaamheden, scheepsbouw en offshore technologie. 3.  De Oude Hollandse Waterlinie is een verdedigingslinie rond Holland. De linie (geografie) bestaat vooral uit het onderwater zetten van grote stukken polderland. Waar accessen waren werden steden versterkt tot vestingsteden (bijvoorbeeld Gorinchem), forten (Wierickerschans) en andere verdedigingswerken aangelegd (schansen, posten, redoutes). De linie is het verhaal van

nummer 29

Oktober 2014

het Rampjaar 1672, toen we aangevallen werden door de Fransen, de Engelsen en enkele Duitse bisdommen. 4.  De Landgoederenzone is een grote, min of meer aaneengesloten verzameling landgoederen, die loopt over de oude duinenrij (geografie) van Monster naar Haarlem. De Landgoederenzone is het verhaal van de Gouden Eeuw en Pruikentijd. De Landgoederenzone vormt de landschappelijke tegenhanger van de grachtengordels van de Hollandse steden. Nu vormen zij groene oases in de Randstad. 5.  De trekvaarten Schie, Vliet en Haarlemmertrekvaart (geografie) vormen de verbinding tussen de opkomende Hollandse steden. Het is het verhaal van het massapersonenvervoer over water vóór de komst van de trein. De trekschuit ging langzaam, maar was stipt op tijd en comfortabel. Aan de vaarten liggen tal van monumenten als sluizen, tolen commissarishuizen, wisselplaatsen voor de paarden en herbergen. Nu zijn de trekvaarten weer interessant voor de recreatievaart, zeker in combinatie met de parallel lopende Landgoederenzone. 6.  Het eiland (geografie) Goeree-Overflakkee is het verhaal van tradities en de zee. Door inpoldering kwamen de vissersdorpen steeds verder van de zee af te liggen. Elk dorp komt zo aan zijn langgerekt havenkanaal. Van de strijd tegen de zee, de laatste maal in 1953, getuigen de dijken, oude en nieuwe tot de Deltawerken aan toe. 7.  De Atlantikwall in de duinen langs de kust (geografie) is het verhaal van de Tweede Wereldoorlog. De Duitsers hebben hem gebouwd om een geallieerde invasie te voorkomen. De verdedigingslinie, die liep van de Noordkaap tot Biarritz in de Pyreneeën, bestond uit kustbatterijen, versperringen en ondersteuningsbunkers. Nu wordt hij weer onder het zand uitgehaald en gebruikt door mens en vleermuis. Framen Door de erfgoedlijnen als sterrenbeelden te onderscheiden (‘framen’) uit een verder indifferente sterrenhemel, worden ze herkend. En doordat ze worden herkend maken ze stromen los. Stromen van ideeën, energie en geld. Dat geldt zowel binnen het provinciehuis als daarbuiten. Ze zijn inmiddels opgenomen in de Visie Ruimte en Mobiliteit (voorheen de provinci-

6

VITRUVIUS_Oktober2014_v3.indd 6

24-07-14 12:31


Vitruvius

E

nummer 29 Oktober 2014

(financiële) bijdrage daaraan. De tafels staan permanent open voor nieuwe partijen, met nieuwe belangen en nieuwe ideeën. De wensbeelden worden niet door een overheid vastgesteld, maar blijven van de tafel (waar de provincie deel van uitmaakt om haar specifieke belangen te behartigen) en zijn steeds aanpasbaar al naar gelang de situatie dat vraagt qua kansen en bedreigingen. De tafels vormen als het ware een levend model van de samenleving met al zijn belangen en krachten rond een erfgoedlijn. Het is een ongoing thing, dat zichzelf regisseert.

rcill n

3 - De restauratie van landgoed Berbice te Voorschoten begint met het weer wind en water dicht maken, voorjaar 2014.

Succes Samen hebben de tafels in 2013 gezorgd voor ruim 50 geschikte projecten en datzelfde geldt voor 2014. Gezamenlijk is in ‘onze’ erfgoedlijnen (want ze zijn niet exclusief eigendom van de provincie, maar van ons allemaal) in 2013 bijna € 15 miljoen en in 2014 zelfs bijna € 18 miljoen geïnvesteerd. Daarvan is slechts € 3,5 à € 4 miljoen per jaar van de provincie afkomstig (dat is exclusief de bijdrage via Groen, Water en Mobiliteit). Vooralsnog lijken de erfgoedlijnen een succes. Zeker als je bedenkt dat we pas eind 2012 begonnen zijn. Maar de proof of the pudding is 2020, staan ze er dan goed voor? Weet men ervan, kan men er komen en vooral: valt er dan ook wat te beleven? n

Voor meer informatie zie:

4 - Mr. Han Weber, gedeputeerde van Zuid-Holland voor erfgoed, groen en water, bij de opening van archeologisch park Matilo. ale Structuurvisie) en de daarbij horende Kwaliteitskaart. Vanuit sector Groen komt een aanmerkelijke bijdrage variërend van restauratie van monumentaal groen tot toeristische opstappunten (TOP’s). De sector Water kan overtollig rivierwater bergen in de voormalige inundatiekommen van de Oude-Hollandse Waterlinie. En de Landgoederenzone en Limes worden door Lange Afstand Wandel- en Fietspaden verbonden. De provinciale Dienst Beheer Infrastructuur pakt de oevers aan van de trekvaarten en zorgt voor passend watermeubilair. Ook worden nieuwe passantenhavens aangelegd. Dit naast de restauratie en reconstructie van (verdwenen of onzichtbare) monumenten, zoals het Archeopark Matilo van de gemeente Leiden, die voor rekening van de sector erfgoed blijven.

Tafels Ook de wereld buiten het provinciehuis herkent de erfgoedlijnen. Rond elke erfgoedlijn hebben zich permanente ‘tafels’ gevormd (variërend in grootte van 20 tot 50 partijen), waaraan iedereen, die zich voor de erfgoedlijn interesseert of er belang bij denkt te hebben, aanzit. Het gaat om overheden, eigenaren, ondernemers, vrijwilligers, stichtingen, verenigingen en fondsen. Elke tafel heeft een onafhankelijk voorzitter (burgemeester, wethouder, bankdirecteur, generaal buiten dienst) die waakt over het algemeen belang en de voortgang. Elke tafel heeft voor zijn lijn een gezamenlijk gedragen wensbeeld 2020 gemaakt, zeg maar de stip aan de horizon. En een agenda met projecten en activiteiten om dat wensbeeld te realiseren, alsmede ieders

Beleidsmatig: de Beleidsvisie Cultureel Erfgoed Zuid-Holland 2013-2016, Erfenis, erfgoed en erfgoud, en het Uitvoeringsprogramma Erfgoed Zuid-Holland 2013-2016 http://www.zuid-holland.nl/overzicht_ alle_themas/c_landschap/c_cultureel_erfgoed_en_erfgoedlijnen.htm Voor het Maatregelenpakket 2014, de Wensbeelden 2020 en erfgoedlijnen in de pers in 2013: http://www.zuid-holland.nl/bestuur_ en_politiek/Statencommissies%20 e.a.//apps_sis-single.htm/Statencommissie_-_Ruimte_en_Leefomgeving_ (R&L)/2014/05_maart_2014/CIE_-_ Bespreekstukken/apps_sis-single. htm?llpos=437793016&llvol=-2000 Inhoudelijk: http://www.erfgoedhuis-zh.nl/ wat-doen-wij-voor/erfgoedlijnen

7

VITRUVIUS_Oktober2014_v3.indd 7

24-07-14 12:31


Vitruvius

nummer 29

Oktober 2014

Thema: De verbeelding van het verleden

Guido van den Eynde Gemeentelijk archeoloog bij de gemeente Tilburg

Lauran Toorians Freelance historicus en taalkundige, onderzoeker en publicist

Het nieuwe Huis Moerenburg in Tilburg

I

Lieu de mémoire Het Huis Moerenburg leende niet alleen zijn naam aan het gebied, maar in het verhaal van de plek kruisen belangrijke lijnen van de historie van Tilburg elkaar. Daardoor ontstond al snel de ambitie om dit erfgoed in het landschapspark Moerenburg zichtbaar te maken en op deze wijze een lieu de mémoire te creëren voor de geschiedenis van de stad. Het gebied Moerenburg is ruim 200 ha groot en ligt aan de oostzijde van Tilburg (figuur 2). Gescheiden van het centrum van de stad door het Wilhelminakanaal is Moerenburg voor veel van de stedelijke ontwikkelingen van de voorbije anderhalve eeuw gespaard gebleven. Daardoor bezit het

Foto: Norbert van Onna, Eindhoven

n 2012 werd de inrichting van het landschapspark Moerenburg in Tilburg afgerond en inmiddels vormt het voor bewoners van de stad een groen uitloopgebied met recreatiemogelijkheden te midden van natuur en cultuur. Een belangrijk onderdeel van het project was de reconstructie van het Huis Moerenburg (figuur 1). In 2005 werden bij graafwerkzaamheden geheel onverwacht de resten aangetroffen van het oude Huis Moerenburg, een buitenplaats waarvan het bestaan goed bekend was, maar de exacte ligging niet. Archeologisch onderzoek volgde en snel werd duidelijk dat een groot deel van het bodemarchief hier goed bewaard was gebleven en bovendien intact zou kunnen worden bewaard, terwijl het opgegraven gedeelte veel informatie leverde over de geschiedenis van deze plek.1 1 -Het nieuwe Huis Moerenburg met daarachter de helofytenfilters als ‘tuin’ en op de achtergrond de hoogbouw van Tilburg. gebied nog de charmes van een stukje open Brabants landschap met akkers, weiden en boerderijen gelegen op een hoge zandrug op de rand van het beekdal van de Leij en Voorste Stroom. De belangrijkste ‘moderne’ ingreep in het gebied was de bouw van de Rioolwaterzuivering-Oost in het begin van de jaren vijftig. Deze installatie kende een lange en bewogen voorgeschiedenis en behoorde bij zijn ingebruikname in 1954 tot de modernste in zijn soort.2 Eind jaren negentig werd besloten dat deze waterzuiveringsinstallatie op termijn zijn functie zou verliezen en grotendeels buiten

gebruik zou worden gesteld. Sindsdien hebben de gemeente Tilburg en het Waterschap De Dommel samengewerkt aan een nieuwe inrichting van het terrein en van het grotere gebied Moerenburg daaromheen. Aanvankelijke plannen voor woningbouw verdwenen van tafel en vervolgens viel de keuze op een inrichting waarbij het behoud van het waardevolle landschap met natuur en cultuurhistorische waarden vooropstond. De toevallige vondst van de resten van Huis Moerenburg in 2005 zorgde daarbij voor een verrassende nieuwe invalshoek in de discussie over de herinrichting van het terrein van de voormalige Rioolwaterzuivering-Oost en

8

VITRUVIUS_Oktober2014_v3.indd 8

24-07-14 12:31


nummer 29 Oktober 2014

Bron: MTD Landschapsarchitecten, ’s-Hertogenbosch

Vitruvius

hoeve betrokken geweest. Met deze verwerving werd de hoeve Moerenburg bestemd als pastorie voor de beide parochies Tilburg en Enschot waarvan juist in deze periode de bediening werd samengevoegd. Daarnaast lijkt de verwerving te kaderen in een plan om het abdijbezit in Tilburg op grotere schaal te gaan exploiteren en om Tilburg – en daarmee de nieuwe pastorie Moerenburg – uit te bouwen tot een administratief centrum voor de streek.5 Deze ambitie lijkt niet te zijn waargemaakt. Wel zou Moerenburg tot aan de invoering van de reformatie in 1648 blijven fungeren als pastorie.

BerkelEnschot

Tot 1502 resideerden de norbertijner pastoors zelden of nooit in hun parochie en werd de hoeve Moerenburg verpacht. Er is weinig aanleiding om te veronderstellen dat de functie van pastorie gedurende de vijftiende eeuw grote invloed had op het karakter van het landbouwcomplex. Wel zal er zoiets als een herenkamer zijn geweest die ter beschikking stond van de pastoor, mocht die zijn parochie willen bezoeken. Dit alles veranderde in het begin van de zestiende eeuw toen de kerkelijke regels over het resideren van parochieherders werden aangescherpt en Moerenburg effectief ging functioneren als pastoorswoning, al bleven ook toen de agrarische functies gehandhaafd.

TILBURG

2 -Het landschapspark Moerenburg bij Tilburg met het Huis moerenburg op het terrein van de waterzuiveringsinstallatie aan het Wilhelminakanaal. bood een boeiende mogelijkheid om een deel van de cultuurhistorie van het gebied Moerenburg te visualiseren.3 Moerenburg in de middeleeuwen De geschiedenis van Huis Moerenburg gaat in elk geval terug tot de vroege veertiende eeuw. In die tijd moet hier een ontginningshoeve zijn gesticht in de moerassige omgeving nabij de plaats waar de Korvelse Waterloop uitmondt in de Leij. De ontginningshoeve ontstond vlakbij de plaats van een mogelijk toen reeds verdwenen watermolen en langs een aftakking van de Oisterwijksebaan die hier de Leij overstak en een verbinding bood naar Moergestel en Hilvarenbeek. De deels nog steeds onverharde Oisterwijksebaan zelf bevindt zich iets hogerop op een dekzandrug en vormde

0

1 km

eeuwenlang de verbinding tussen Tilburg en Oisterwijk. Uit het archeologisch onderzoek blijkt dat Moerenburg in de veertiende eeuw was gebouwd op een groot rechthoekig terrein van circa 80 bij130 meter dat werd omgeven door een gracht van zes tot acht meter breedte. Dergelijk omgrachte hoeven staan in de literatuur bekend als moated site en komen in Brabant voor vanaf de dertiende tot de zestiende eeuw, vaak in de beekdalen.4 In 1384 verwierf de abdij van Tongerlo (provincie Antwerpen) de hoeve Moerenburg in eigendom. De norbertijnenabdij bezat al vanaf de dertiende eeuw belangrijke rechten en bezittingen in het Tilburgse, waaronder de parochies van Enschot en van Tilburg, en was wellicht ook al bij de stichting van deze

Van pastorie tot buitenplaats Vanaf dat moment werden andere eisen gesteld aan het wonen en aan de representatie van Moerenburg en zullen de nodige aanpassingen hebben plaatsgevonden.6 De vondst in de opgraving van een fragment van een groengeglazuurde kacheloventegel uit de jaren 1500-1540 suggereert dat de eerste aanpassingen al in deze periode plaatsvonden. Niet toevallig is dat de periode waarin de eerste pastoor van Tongerlo ook daadwerkelijk zijn intrek nam. Het beeld van Moerenburg dat we voor deze periode kunnen reconstrueren uit latere bronnen is dat van een voor de zestiende en zeventiende eeuw vertrouwde L-vormige woning met representatieve vertrekken voor de pastoor op de eerste verdieping. Hiermee veranderde het geheel van een ‘simpele’ boerderij in een complex met een residentieel karakter. Nadat de laatste pastoor in 1648 zijn parochies had moeten verlaten, stond de pastorie enige tijd leeg. Bronnen uit die tijd beschrijven het huis als een bouwval. Hierin kwam verandering nadat de 9

VITRUVIUS_Oktober2014_v3.indd 9

24-07-14 12:32


Vitruvius

Bron: Collectie Het Noordbrabants Museum

3 -Anoniem, ’t Huys Moerenburgh, olieverf op paneel, begin achttiende eeuw.

Bron: MTD Landschapsarchitecten

4 -Het definitieve ontwerp voor het nieuwe Huis Moerenburg met de ‘tuin’ op de plaats van de helofytenfilters.

voormalige pastorie was verkocht en de functie van buitenplaats kreeg. In 1691 en 1692 kocht kolonel Charles Graham eerst het landgoed en daarna het huis. Hij zal het geheel een eerste opknapbeurt hebben gegeven. In 1697 verkocht hij zijn bezit door aan zijn neef Philippe Claude de Saint Amant, wederom een hoge officier in het Staatse leger. In handen van deze Philippe Claude de Saint Amant en diens echtgenote Elisabeth de Clair kreeg de buitenplaats het aanzien dat we kennen van een anoniem schilderij uit deze periode (figuur 3).7 Het enigszins naïeve schilderij toont een omgracht landhuis met twee naar voren springende vleugels waarvan er een als koetshuis fungeerde en de andere als dienstvleugel. Achter het huis heeft de schilder een siertuin weergegeven met beelden en houten latwerken.

Een historische datum voor de bouw van het landhuis Moerenburg is niet overgeleverd, maar een literaire bron wijst erop dat dit gebeurde door het echtpaar De Saint Amant-De Clair. Wanneer we de opzet en de bouwhistorische details van het gebouw op het schilderij vergelijken met historisch bekende of nog bestaande landhuizen uit de periode dan komen we tot de conclusie dat het huis rond 1700 of kort daarna is gebouwd. Of het nieuwe landhuis op Moerenburg het resultaat was van een grootschalige en ingrijpende verbouwing van een bestaand bouwvolume van de oude pastorie, of een complete nieuwbouw, is niet vast te stellen. Na het overlijden van het echtpaar De Saint Amant-de Clair in 1716-1717 werd Moerenburg waarschijnlijk door de erven niet meer

nummer 29

Oktober 2014

permanent bewoond. Uiteindelijk werd het huis en het landgoed in 1749 te koop gezet en kort daarop, in 1750, werd het huis door de nieuwe eigenaar gesloopt. Reconstructie Huis Moerenburg Zoals gezegd vormde de ontdekking van de resten van het Huis Moerenburg in 2005 aanleiding om de herinrichtingsplannen voor het gebied opnieuw te bezien en de mogelijkheid te onderzoeken om het huis op enige manier weer zichtbaar te maken. Voor het presenteren van archeologisch erfgoed konden de betrokken planologen en ontwerpers kiezen uit verschillende strategieën.8 In het geval van Huis Moerenburg ontstond al snel het inzicht dat alleen een gedenkzuil of informatiepaneel de rijke bewoningsgeschiedenis te kort zou doen en dat bovendien zo’n zuil of paneel zou wegvallen tegen de achtergrond van het landschap en de gebouwen van de waterzuivering. Wat daarna volgde was een ingewikkelde zoektocht naar de meest geschikte presentatiestrategie en naar het antwoord op de vraag welke periode uit de bewoningsgeschiedenis van Moerenburg zich daarvoor het best leende. Uiteindelijk werd gekozen voor een reconstructie van het vroeg achttiende-eeuwse landhuis, mede omdat dit de enige periode is waaruit een afbeelding van het huis beschikbaar is. De volgende stap was het uitdenken en uitwerken van het ontwerp. Een eerste idee om het huis in zijn geheel op de oorspronkelijke plaats te laten herrijzen werd al snel afgewezen. Nog afgezien van de bestemming die deze nieuwbouw dan zou moeten krijgen, zou dit een al te letterlijke herrijzenis zijn en bovendien een te grote ingreep in het landschap. Na meerdere mogelijkheden te hebben onderzocht, werd besloten tot een opbouw op ware grootte van de gevel van het Huis Moerenburg.9 De enige visuele referentie hiervoor vormde het achttiende-eeuwse schilderij van de buitenplaats. Grondig onderzoek van alle beschikbare gegevens maakte aannemelijk dat het schilderij een bouwhistorisch betrouwbaar beeld geeft en daarmee als visuele basis kon dienen voor het nieuwe inrichtingsplan voor het gebied.10 De zoektocht naar het juiste ontwerp was hiermee echter niet voorbij. Na lang ‘stoeien’ met verschillende partijen, waarbij meerdere mogelijkheden werden bekeken, werd ervoor gekozen de beoogde

10

VITRUVIUS_Oktober2014_v3.indd 10

24-07-14 12:32


nummer 29 Oktober 2014

Foto: Beeldveld / Wilfried Scholtes, Tilburg

Vitruvius

7 -Een selectie van archeologische vondsten is afgebeeld op natuurstenen tegels in de vloer van de reconstructie.

Foto: Beeldveld / Wilfried Scholtes, Tilburg

Foto: Wim Hoogveld, Oisterwijk

5 -De toegangspoort met hardstenen, wapendragende leeuwen. Door de oplopende vloer kijkt de bezoeker niet meteen in de ‘tuin’.

6 -De zonnewijzer in cortenstaal zoals die ook is weergegeven op het anonieme schilderij van het Huis Moerenburg. reconstructie uit te kleden tot de essentie om zo een balans tussen abstractie en werkelijkheid te bereiken (figuur 4). Het uiteindelijke resultaat is een reconstructie op ware grootte van de gevel van het Huis Moerenburg in een balkenconstructie van cortenstaal (figuur 5). Slechts de meest essentiële lijnen van het huis zijn op deze wijze zichtbaar gemaakt. Daarmee is het huis – zoals afgebeeld op het schilderij – in het landschap teruggebracht zonder dat het landschap op enigerlei manier achter deze reconstructie verdwijnt. Enkele belangrijke onderdelen en sprekende details, zoals de stijlkenmerken van de voordeur, een zogenaamd fenêtre à terre met Frans balkon en een zonnewijzer, kregen extra aandacht

(figuur 6). Ook de monumentale toegangspoort is in cortenstaal teruggebracht, met als bekroning kopieën van twee hardstenen, wapendragende leeuwen op de zuilen aan weerszijde daarvan (figuur 5). Behalve het schilderij en de nu gevonden archeologische objecten vormen de originelen van deze leeuwen de enige tastbare delen van het Huis Moerenburg die nooit uit beeld zijn verdwenen. Een selectie van de archeologische vondsten is nu afgebeeld op natuurstenen tegels in de vloer van de reconstructie van Huis Moerenburg (figuur 7). De formele tuin die het schilderij laat zien is niet één op één gereconstrueerd, maar het lijnenspel is vertaald

en ingepast in het helofytenfilter achter het huis en de parkinrichting daaromheen. De reconstructie van de voormalige buitenplaats en de latere waterzuiveringsinstallatie gaan zo naadloos in elkaar over. Multidisciplinair ontwerpen Om de inpassing van dit nieuwe monument in het bestaande industriële park met de helofytenfilters mogelijk te maken en het historische lijnenspel van de tuin in het huidige terrein te laten terugkomen, was een ingreep nodig die hevig is bediscussieerd. De oriëntatie van de Waterzuivering-Oost – en daarmee van de helofytenfilters – en die van het oude Huis Moerenburg vallen namelijk niet exact samen. Historisch zijn 11

VITRUVIUS_Oktober2014_v3.indd 11

24-07-14 12:32


Vitruvius

is dat al in een vroeg stadium een multidisciplinair ontwerpteam wordt samengesteld waarin zowel landschapsarchitecten, kunstenaars als cultuurhistorici zitting hebben die elkaars taal willen spreken. Op deze wijze kan een lastig maar boeiend proces van presentatie van archeologisch erfgoed tot een fraai resultaat leiden zoals dat is gebeurd in het geval van het nieuwe Huis Moerenburg in Tilburg. Als sluitstuk van dit hele proces is zowel de weg naar het resultaat als het archeologisch, bouwhistorisch en historisch onderzoek waarmee dit alles gepaard ging, samengevat in een publieksboek met de titel Moerenburg in veelvoud.11 Tot slot werd bij het nieuwe Huis Moerenburg een informatiebord geplaatst, ontworpen en gemaakt door Kelvin Wilson en Marc Kocken. (figuur 8). 8 -Het informatiepaneel voor bezoekers bij het nieuwe Huis Moerenburg. Drawing on the Past / Kelvin Wilson, Ridderkerk en MARC erfgoed adviseurs / Marc Kocken, Bemmel er goede argumenten om deze ruimtelijke discrepantie zichtbaar te maken en daarmee te benadrukken dat hier twee in tijd niet op elkaar aansluitende inrichtingen van het landschap als een palimpsest over elkaar heen liggen. Anderzijds lag er een streven om oud en nieuw juist met elkaar te verenigen en letterlijk met elkaar in lijn te brengen. Dit vormgeversargument gaf uiteindelijk de doorslag, zodat het nieuwe Huis Moerenburg enkele graden is gedraaid ten opzichte van zijn historische voorganger. Het terrein waarop nu de cortenstalen constructie staat, is opgehoogd om zo het daaronder liggende intacte bodemarchief te beschermen en ongeschonden te behouden. Fraai is dat het vloerniveau van het huis nu een helling heeft. Wie op het voorplein staat, kijkt daarmee dwars door het huis heen, maar heeft niet meteen een volledig zicht op de tuin die erachter ligt. De gracht die het huis oorspronkelijk omgaf, is als een droge gracht in het landschap teruggebracht. Natte grachten bleken niet mogelijk omdat deze zouden interfereren met de overstortbekkens en het helofytenfilter die nog steeds functioneel zijn. Wat het hele proces van idee tot realisatie duidelijk heeft gemaakt, is dat het bij een dergelijke onderneming van groot belang

Literatuur - Anoniem (2008). Objet Trouvé. Herinrichtingsplan RWZI-terrein Moerenburg. Tilburg. -  Aarts, B. (2012). Omgrachte woningen. Wonen op stand. In: Van den Eynde & Toorians (red.), Moerenburg in veelvoud. Tilburg, 30-33. -  Kocken, M. (2012). Het verleden herleeft. Erfgoed presenteren. In: Van den Eynde & Toorians (red.), Moerenburg in veelvoud. Tilburg, 68-71. - Olde Meierink, B. (2012). Verbeelding of werkelijkheid. Moerenburg geschilderd. In: Van den Eynde & Toorians (red.), Moerenburg in veelvoud. Tilburg, 52-55. - Op ’t Hoog, J. (2012). Rioolwaterzuivering-Oost. Een bijzonder industrieel monument. In: Van den Eynde & Toorians (red.), Moerenburg in veelvoud. Tilburg, 64-67. - Peters, S. (2006). Tilburg. Huis Moerenburg. Waarderend archeologisch onderzoek. BAAC-project 05.238. ’s-Hertogenbosch. - Toorians, L. (2012a). Een ambitieus centrum. Tongerlo in Tilburg. In: Van den Eynde & Toorians (red.), Moerenburg in veelvoud. Tilburg, 14-17. - Toorians, L. (2012b). Van pastorie tot officierswoning. Predikanten, rentmeesters en militairen. In: Van den Eynde & Toorians (red.), Moerenburg in veelvoud. Tilburg, 42-45. - Toorians, L. (2012c). De bewoners van de buitenplaats. Bouw en sloop in de achttiende eeuw. In: Van den Eynde &

nummer 29

Oktober 2014

Toorians (red.), Moerenburg in veelvoud. Tilburg, 46-49. - Van den Eynde, G. (2012a). Huis Moerenburg teruggevonden. Opgraving in 2005. In: Van den Eynde & Toorians (red.), Moerenburg in veelvoud. Tilburg, 25-29. - Van den Eynde, G. (2012b). Tussen boerderij en buitenplaats. Norbertijner pastorie. In: Van den Eynde & Toorians (red.), Moerenburg in veelvoud. Tilburg, 34-37. - Van den Eynde, G. & L.Toorians (red.) (2012). Moerenburg in veelvoud. Een historische buitenplaats in Tilburg herleeft. Tilburg Historische Reeks 17. Tilburg Noten  Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd door BAAC bv (’s-Hertogenbosch). Zie Peters 2006; Van den Eynde 2012a. 2 Op ‘t Hoog 2012. 3 De plannen voor de herinrichting van het terrein van de voormalige waterzuiveringsinstallatie kreeg in 2006 de status van Belvedereproject met de naam Objet Trouvé. 4 Aarts 2012, Aarts in voorbereiding. 5 Toorians 2012a. 6 Van den Eynde 2012b. 7 Toorians 2012b; Toorians 2012c. 8 Kocken 2012. 9 MTD landschapsarchitecten in ’s-Hertogenbosch tekende voor het ontwerp van het nieuwe Huis Moerenburg. 10 Olde Meierink 2012. 11 Van den Eynde & Toorians 2012. n 1

12

VITRUVIUS_Oktober2014_v3.indd 12

24-07-14 12:32


Vitruvius nummer 29 Oktober 2014

nieuws

uit het werkveld

De Deltawerken: Doorontwikkelen vanuit bestaande kwaliteiten

De Deltawerken behoren met de Afsluitdijk, de Zuiderzeepolders, de Rotterdamse haven en de Ecologische Hoofdstructuur tot de ‘big five’ van 20e eeuwse iconische projecten die ons waterland hebben gevormd. Met de Deltabeslissingen van 2014 is de vraag naar de culturele waardering en toekomst van de dammen en keringen urgenter geworden. In opdracht van de RCE en Rijkswaterstaat presenteerde SteenhuisMeurs in april het onderzoek 50 jaar Deltawerken - de Deltawerken bekeken vanuit cultuurhistorisch perspectief. Het is een cultuurhistorische analyse en waardering van zestien werken in de delta in hun ruimtelijke context en een project in het kader van de VER (Visie Erfgoed en Ruimte), de structuurvisie voor Cultureel Erfgoed. We onderzochten de historische waarde (het achterliggende verhaal), het planologisch kader (hoe zijn de waarden nu geborgd/beschermd) en formuleerden essentiële karakteristieken (wat kan je er mee in de toekomst). De Deltawerken als verdedigingssysteem zijn beroemd, de hele wereld

www.steenhuismeurs.nl

kwam en komt kijken naar ons waterbouwkundig wonder dat na de Watersnoodramp van 1953 versneld gestalte kreeg. De betekenis van de Deltawerken gaat veel verder dan de bescherming tegen de gevaarlijke zee. In dit nationale, culturele project kwamen politiek en wetenschap, wiskunde en waterbouw, ruimtelijke planning en organisatiekunde op sublieme wijze samen. Het oogmerk van de coördinerende Deltadienst, opgericht in 1956, was om de Deltawerken naast hun rol als waterkerende kunstwerken een landschappelijke en recreatieve meerwaarde te geven en verzilting van de landbouw een halt toe te roepen. Nieuwe landbouwlandschappen, recreatiestranden, eilanden, bossen en recreatiehavens werden in het kielzog van de Deltawerken aangelegd. Zeeland kwam uit z’n isolement en werd een vrijetijdsbestemming van de naoorlogse welvaartsstaat. Nu, 55 jaar na de bouw van het eerste Deltawerk, zijn veranderingen aan de objecten onvermijdelijk: de veiligheid van onze delta zal altijd voorop staan. De leidende ontwerpvisie achter het landschap van de Deltawerken

heeft echter nog niets van zijn kracht en poëzie verloren en ligt in de verbondenheid van geomorfologie en beplanting en, essentieel, het voelen en ervaren van de overgangen tussen zee en land, polder en dam. Begrippen als schaal, grote lijnen, eenheid, afleesbaarheid en het accentueren van overgangsmomenten zijn hierin cruciaal. Deze pilotstudie biedt de inhoudelijke voorzet om techniek, landschap en programma van de Deltawerken opnieuw integraal te benaderen, zoals dat bij de totstandkoming van de werken zo sterk het geval was. Hier toont zich het nieuwe gezicht van de erfgoedsector; niet het aansturen op behoud van objecten, maar het doorontwikkelen vanuit bestaande kwaliteiten tot nieuwe ruimtelijke kwaliteit. De RCE draagt met dit onderzoek bij aan een meer integrale, gebiedsgerichte manier van werken waarin de belangen van economie,milieu en erfgoed samen op gaan.

STEENHUISMEURS rubriek 13

VITRUVIUS_Oktober2014_v3.indd 13

24-07-14 12:32


nieuws

uit het werkveld

Vitruvius nummer 29 Oktober 2014

Loolaan te Apeldoorn

Voorbeeld van synergie tussen onderzoek en inspiratie Loolaan in de negentiende eeuw De villa’s die in de negentiende eeuw en rond de vorige eeuwwisseling aan de Loolaan zijn gebouwd zijn opgetrokken in (neo)classicistische en Hollandse renaissancestijl.

De voormalige, aan de Loolaan gelegen, villa ‘Swinemunde’

D

e Loolaan in Apeldoorn is één van de oude lanen van Paleis het Loo en vormt een historische verbinding tussen het paleis en Apeldoorn. De Loolaan kent een grote variatie aan bebouwing, zowel in bouwstijl als bouwmassa, geplaatst in een lommerrijke omgeving. Negentiendeen vroeg-twintigste-eeuwse landhuizen en woonhuizen worden afgewisseld met appartementencomplexen en publieke gebouwen voornamelijk uit de laatste decennia van de twintigste eeuw. Aan deze allee stond tot enkele jaren geleden de in 1957 opgerichte Auto Technische School. Op het terrein dat na sloop van de wederopbouwschool braak lag ontstond de mogelijkheid om drie appartementencomplexen te bouwen. Voor de plannen hiervoor heeft Ter Steege Bouw Vastgoed Apeldoorn de combinatie Friso Woudstra architecten, Res nova Monumenten en Bangert en Van Hagen gevraagd een projectplan op te stellen inclusief ontwerpen en onderbouwing. Res nova Monumenten heeft het onderzoek en de onderbouwing van de ontwerpen uitgevoerd, Friso Woudstra architecten heeft de appartementencomplexen ontworpen, en het ontwerp en de onderbouwing van de parkaanleg is verzorgd door Bangert en Van Hagen.

Een van de grootste panden, de rond 1845 gebouwde buitenplaats ‘Swinemünde’, bevond zich op de beoogde nieuwe bouwlocatie. Het was een groot tweelaags volume, geplaatst onder een schilddak en voorzien van een breed middenrisaliet en was opgetrokken in een sobere classicistische vormentaal. Het pand was net als de andere aan de straat gelegen villa’s en buitenplaatsen gelegen in een parkachtige tuin, aangelegd in een late landschapsstijl. De tuin was ruim 2 hectaren groot. Nieuwbouw Friso Woudstra Architecten heeft voor de projectlocatie Loolaan 346 drie appartementenblokken ontworpen. Bij het ontwerp heeft de architect zich laten inspireren door de geschiedenis van de plek. Woudstra heeft de karakteristieke historische dimensionering en detaillering vertaald zodat deze ingezet kan worden voor volumes van een dergelijk grote omvang. De drie gebouwen hebben elk een eigen karakteristiek. De twee linker gebouwen zijn geïnspireerd op de architectuur uit de periode 1880-1920: de Hollandse renaissance en de vroege Engelse landhuisstijl. Ze zijn in hoofdopzet grotendeels gelijk en

vormen elkaars spiegelbeeld. Het rechter bouwblok is uitgevoerd in een (neo)classicistische vormgeving. Het is geïnspireerd op de kenmerkende negentiende-eeuwse landhuisarchitectuur rond de Veluwe. Waar bij laat-negentiendeeeuwse huizen vaak sprake was van smallere, maar hogere huizen, ligt bij de classicistische architectuur de nadruk op de horizontale lijn. Parkaanleg Bij het ontwerpproces voor het park zijn verschillende aspecten onderzocht voordat de aandacht kon worden gevestigd op de planvorming zelf. Hierbij staan aan de ene kant de ‘eisen en wensen’ die het projectgebied zelf stelt aan het plan, aan de andere kant de‘eisen en wensen’ die de verschillende belanghebbenden aan het plan stellen. Globaal kunnen de volgende door de locatie bepaalde aspecten worden genoemd: •  historie, cultuur- en tuinhistorie •  landschap/stedelijk weefsel en geomorfologie • ecologie en duurzaamheid. Hierbij behelsde het onderzoek zowel het projectgebied zelf als de omgeving (in ruimte als in periode). Bij het tuinonderzoek is gebruik gemaakt van diverse bronnen. Op basis van foto’s van kort vóór en na 1900, maar ook tekeningen die rond 1860-1880 zijn gemaakt door Arie Lie-

Impressie appartementencomplexen door Friso Woudstra architecten

Friso Woudstra rubriek

info@frisowoudstra.nl Telefoon 0575-519 455 www. frisowoudstra.nl

14

VITRUVIUS_Oktober2014_v3.indd 14

24-07-14 12:32


nieuws

Vitruvius nummer 29 Oktober 2014

man kon een gedetailleerd beeld worden geschetst van de late landschapsstijl in Apeldoorn. Kennis over het specifieke lokale soortengebruik kon verder worden verdiept door de aanwezigheid van een uitgebreide omschrijving van het soortengebruik in een vlakbij de Loolaan gelegen parktuin. Op basis hiervan zijn onder meer de volgende waarden en kwaliteiten vastgesteld, die zijn verwerkt in het ontwerp: vrij zicht op de voorzijde van de bebouwing, doorkijkjes naar het parkachtige groen in de “achtertuin”, een laag transparant smeedijzeren hekwerkje aan de voorzijde, halfronde “op- en afrittypologie” aan de voorzijde, meanderende paden, lobvormen, coniferen en bloeiende heesters. Van de zijde van de belanghebbenden zijn de eisen en wensen van Ter Steege Vastgoed, de toekomstige bewoners en de gemeente verwerkt. Ook zijn praktische en esthetische aspecten meegenomen

die voor een goed en duurzaam ontwerp noodzakelijk zijn, zoals: •  een goede en heldere logistiek (auto’s, fietsers en wandelaars) •  een verzonken parkeerruimte die gedeeltelijk open blijft •  verblijfsplekken voor bewoners •  een onderhoudsvriendelijk, hoogwaardige afwerking en duurzaam profiel. Deze randvoorwaarden en uitgangspunten vormden de bouwstenen voor het ontwerp dat Bangert en Van Hagen voor de Loolaan heeft opgesteld. De grootste uitdaging lag er in de ogenschijnlijk conflicterende aspecten te verenigen in een oplossing die het ontwerp sterker maakt. Bij deze locatie zijn bijna alle kwaliteiten van het terrein zelf verloren gegaan. De kwaliteiten van de omgeving zijn deels bewaard gebleven en konden uitstekend worden benut om op aan te sluiten en zo mogelijk te versterken.

uit het werkveld

Verloren kwaliteiten zijn teruggebracht op een eigentijdse wijze. Hierbij is de beplantingskeuze bepaald door: •  de aanwezige bodemsoort en omgevingsvegetatie • de historische karakteristieke soorten • de gewenste uitstraling van het park • het gewenste onderhoudsprofiel. De planvorming is nog in ontwikkeling, maar het uiteindelijke totaalontwerp van architectuur, stedenbouw en park zal een samenhangend geheel vormen dat van grote toegevoegde waarde is voor de ruimtelijke structuur en de uitstraling van de Loolaan. Dit resultaat wordt bereikt door de nauwe samenwerking tussen alle betrokken partijen en door architectuur-, cultuur- en tuinhistorie al in een vroeg stadium bij het ontwerpproces te betrekken.

Impressie parkaanleg door Bangert en Van Hagen

info@resnovamonumenten.nl Telefoon 06 - 11454247 www.resnovamonumenten.nl

Res nova Monumenten Res nova Monumenten

rubriek 15

VITRUVIUS_Oktober2014_v3.indd 15

24-07-14 12:32


Vitruvius

nummer 29

Oktober 2014

Thema: De verbeelding van het verleden

Chrystel Brandenburgh Gemeentelijk archeoloog van Leiden

Park Matilo. Een park waar het verleden zichtbaar en beleefbaar is gemaakt.

Frank Kalshoven Groenontwerper bij de gemeente Leiden

Joyce Langenacker Gemeentelijk projectmanager

I

n het zuidoosten van Leiden, ingeklemd tussen woonwijken en de A4, ligt een gebied waar de tijd stil lijkt te hebben gestaan. Vanaf 2009 werkte de gemeente hier met een groot aantal maatschappelijke partners aan de realisatie van een archeologisch park. In het park is het Romeinse verleden van deze plek bovengronds zichtbaar gemaakt. Hoge aarden wallen en wachttorens markeren de plaats waar vroeger het Romeinse castellumMatilo lag. In 2013 is dit bijzondere park geopend. Hieronder beschrijven de betrokkenen hoe het park tot stand is gekomen en welke factoren het project zo succesvol hebben gemaakt. Wat vooraf ging Dat er resten uit het verre verleden in de bodem van de Roomburgerpolder liggen, is al decennia bekend. In 1927 had J.H. Holwerda, de toenmalige directeur van het Rijksmuseum voor Oudheden, al aangetoond dat het Romeinse castellumMatilohier gelegen moest hebben. Dit castellum is in het midden van de 1e eeuw na Christus gebouwd op de kruising van de Rijn en het kanaal van Corbulo. Een strategische plaats, die tot in het midden van de derde

1 - De ingangen van het castellum zijn voorzien van cortenstalen wachttorens. Vanuit de wachttorens heb je een goed overzicht over het hele park. eeuw door de Romeinen gehandhaafd bleef en plaats bood aan ten minste 480 soldaten. Talloze archeologische onderzoeken hebben sindsdien plaatsgevonden op en rond het castellum. In 1978 leidde dit tot het verlenen van de monumentenstatus aan het terrein. Want niet alleen bevonden zich hier in de grond de resten van een compleet Romeins castellum, het terrein bevatte ook de resten van een grote vicus, een deel van het kanaal van Corbulo en de overblijfselen van het laatmiddeleeuwse St. Margarethaconvent. Toen de gemeente Leiden aan het begin van de jaren ’90 van de vorige eeuw overging tot het bouwen van een woonwijk in de Roomburgerpolder, leidde dit tot een heldere keuze. Het monument moest gespaard worden, hier kon niet worden gebouwd. De woningen, 1000 in totaal, werden vrij dicht op elkaar gebouwd en de groenvoorzieningen geclusterd aan weerszijden van de wijk op het reeds bestaande park De Bult en op het archeologische monument. Dit monument

had tot dat moment een kleinschalige agrarische functie: er stonden kassen en delen van het gebied waren in gebruik als moestuin en weidegrond. De realisatie van het park verliep echter niet zo snel als de bouw van de woonwijk. Dit leidde tot problemen: er was immers veel behoefte aan groen en speelvoorzieningen onder de bewoners met vaak jonge kinderen. De roep om een park werd groter en groter. In 2009 besloot de Leidse gemeenteraad daarom extra budget vrij te maken om het park alsnog te realiseren. Daarmee ging een project van start dat in totaal 5 jaar zou duren en uiteindelijk leidde tot het park dat er nu ligt. Ambities en programmering Vanaf het begin van het project was duidelijk: park Matilo zou een archeologisch park worden waar het rijke verleden zichtbaar, voelbaar en beleefbaar moest worden gemaakt. De direct omwonenden hadden vooral behoefte aan een wijkpark met speel-

16

VITRUVIUS_Oktober2014_v3.indd 16

24-07-14 12:32


Vitruvius

nummer 29 Oktober 2014

2 - Impressie van het park. Het castellum is bovengronds zichtbaar gemaakt met metershoge aarden wallen en twee droge grachten. De hoogte van de wallen wordt extra benadrukt doordat er bomen op zijn geplant. Op de wallen loopt ook een wandelpad. De drie belangrijkste ingangen zijn voorzien van wachttorens. en recreatievoorzieningen voor de nieuwe woonwijk. Matilo vroeg echter om een bredere ambitie. Leiden is een vrij dichtbebouwde gemeente met weinig groen en de gemeente wilde het park daarom een groter bereik geven: het zou een stadspark moeten worden en mogelijk zelfs een regiofunctie gaan vervullen. Wil een dergelijk park echter slagen en optimaal gebruikt gaan worden, dan moet je vanaf het begin zorgen dat er mensen naar toe komen. Om dit te bereiken is tijdens het ontwerp de metafoor van het spiegelei geïntroduceerd. De parkrand – oftewel het eiwitis met allerlei wijkvoorzieningen vooral gericht op de direct omwonenden van de twee aanliggende wijken. Dit zorgt er voor dat de randen van het park worden ‘ingenomen’ door de lokale bewoners en er continu leven is. De dooier heeft een stedelijke en regionale functie. Park Matilo zal op termijn uit moeten groeien tot het nieuwe ‘forum’ van Leiden. Een open podium waar kunst, geschiedenis en cultuur elkaar zullen ontmoeten. Deze evenementenplek ligt vlakbij de binnenstad, maar is bereikbaar en aantrekkelijk voor de hele regio. Mede

daarom is het park onderdeel van stedelijke en regionale fietsverbindingen.

tiele gebruikers betrokken moesten worden bij de ontwerpfase van het park.

Met het oog op het aantrekken van deze veelzijdige doelgroepen is vanaf het begin aandacht besteed aan de mogelijkheden voor programmering. Het begrip programmering wordt hier in brede zin gebruikt en behelst naast te organiseren activiteiten ook belevingsaspecten. Wat is de betekenis van de plek (het verhaal) en wat kan de betekenis (van dit verhaal) zijn voor de stad? Hoe moeten we het verhaal vorm gaan geven zodat men het ook daadwerkelijk kan beleven en bezoekers hierdoor waarde gaan hechten aan de plek? Hoe kan het park gaan functioneren? Hoe en door wie zou het park gebruikt en bezocht kunnen gaan worden? Wat zou in het park georganiseerd kunnen worden zodat ook andere typen bezoekers de weg naar het park zullen vinden? Moest er ruimte zijn voor (grootschalige) evenementen? Welke voorzieningen zijn hiervoor nodig en wie zou die evenementen dan kunnen organiseren? Veel van deze vragen lijken vooral pas na realisatie van een park van toepassing te zijn, maar niets is minder waar. Het bepaalde namelijk welke poten-

Iedereen aan tafel Het slagen van het project begon en eindigde bij het feit dat er zowel bestuurlijk als ambtelijk verantwoordelijkheid werd genomen om het park te maken en de hoge ambities tot het einde toe vol te houden. De verantwoordelijke wethouder (Jan-Jaap de Haan) onderkende de mogelijkheden van het park en was bereid zich in te zetten voor de realisatie ervan. Hierdoor was en bleef het mogelijk de hoge ambities van dit kostbare project te blijven vasthouden in een tijd dat de gemeente ook regelmatig moest bezuinigen op stedelijke projecten. Een park maak je als gemeente echter niet alleen. Dat geldt voor elk park, maar in het bijzonder wanneer er sprake is van een archeologisch monument. Daarom werd in 2009 een intentieverklaring ondertekend door de gemeente, het rijk en de provincie om park Matilo te realiseren. Logischerwijs is gedurende het gehele proces van ontwerp en realisatie nauw samengewerkt met de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en de provincie. 17

VITRUVIUS_Oktober2014_v3.indd 17

24-07-14 12:32


Vitruvius

3 - Het kanaal van Corbulo is zichtbaar gemaakt in het park door middel van een flink hoogteverschil in het maaiveld. Hierdoor ontstaat er nattere begroeiing op de plaats waar vroeger het kanaal liep. Een knuppelpad en een replica van een Romeinse boot moeten het beeld van een natte zone verder versterken.

4 - In de schaduw van het castellum zijn stadstuinen aangelegd. De moestuinen zijn een belangrijke plaats in het park waar de bewoners van de wijken rondom het park samen komen.

Het project bleek bovendien in staat veel externe gelden te genereren. Zo leverde samenwerkingsverband Holland Rijnland een kwart van het benodigde budget voor de realisatie van het park, juist vanwege de rol die het park in het regionale toeristische netwerk kan gaan spelen. De ambtelijke projectgroep was vakkundig en multidisciplinair van samenstelling: ontwerpers, groenspecialisten, civieltechnische

werkvoorbereiders, een communicatiemedewerker, jurist, plantoetser en een archeoloog waren samen verantwoordelijk voor de kwaliteit van het ontwerp van het park. De samenwerking tussen al deze betrokkenen onder leiding van een enthousiasmerende en verbindende projectleider is een van de belangrijkste succesfactoren geweest van het project. Alle betrokkenen voelden zich verantwoordelijk voor het eindresultaat en waren bereid vanuit hun eigen vakdiscipline mee te denken aan het ontwerp. Dat

nummer 29

Oktober 2014

daarbij af en toe sprake was van tegenstrijdige belangen, ligt voor de hand. Zo bleek het onmogelijk om alle gewenste gebruikersfuncties in het park een plaats te geven: er waren simpelweg teveel wensen voor een park met de bescheiden omvang van Matilo. Het succes van een ontwerpproces is echter ook afhankelijk van het vermogen van de projectleden de ontwerpkaders te geven en daarna een stap terug te doen. Het duidelijkst was dit zichtbaar in de ontwerpfase van het park. Waar de archeologen de historische kennis leverden door het verleden van Matilo in al zijn details te vertellen, werd het ontwerp van het park vervolgens in handen gelegd van de ontwerper. Deze gebruikte de verhaallijnen om een heel eigentijds park te schetsen waarbij het verleden voelbaar en beleefbaar was. Dat gebeurde vaak op onverwacht praktische manier, begrijpelijk en bruikbaar voor de moderne bezoekers van het park en gebruik makend van moderne materialen. De burger aan het woord Ook de toekomstige gebruikers van het park hadden een rol in het project. Al vroeg in het proces was een structuurplan gemaakt waarin de hoofdlijnen van het park geschetst waren. De invulling van dit plan werd verder bepaald na een groot aantal inspraakavonden en ontwerpateliers. Tijdens deze ontwerpateliers konden bewoners - van jong tot oud - vertellen welke functies in het park moest komen. Zo werden ingrediÍnten aangedragen voor de inrichting van de randen van het park: het moest in ieder geval plaats bieden aan wijkvoorzieningen zoals speeltoestellen, een trapveldje, een hangplek, school- en moestuinen. Deze actieve betrokkenheid van omwonenden zorgde voor draagkracht voor het park voordat het was gerealiseerd. Het was duidelijk dat de inwoners van de nieuwe wijk graag bereid waren het Romeinse verleden van hun jonge wijk te omarmen en het versterkte de identiteit van en de verbondenheid met de jonge wijk. Ontwerpdilemma’s Het verleden van Matilo heeft een prominente plaats gekregen in het park. De grootste uitdaging bij het ontwerp van het park was allereerst de overweldigende veelheid aan verleden. De bodem van Matilo bevat immers resten uit de Romeinse tijd en uit de middeleeuwen. Al snel werd duidelijk dat het park pas een succes kon worden als het een heel sterk en duidelijk verhaal over

18

VITRUVIUS_Oktober2014_v3.indd 18

24-07-14 12:33


Vitruvius

nummer 29 Oktober 2014

het verleden zou vertellen. Dit leidde ertoe dat een keuze gemaakt moest worden voor een specifiek moment in de geschiedenis. De focus kwam hiermee te liggen op de Romeinse tijd, waardoor de middeleeuwse kloosterfase veel minder prominent aanwezig is in het park. Het verleden zichtbaar maken in de openbare ruimte kan op heel veel manieren. Het was uiteraard niet de bedoeling een archeologisch themapark zoals Archeon te maken. Wel zou het een plek moeten zijn die door zijn ontwerp moet verleiden het spannende verhaal achter de plek te willen weten. Het was daarbij ook duidelijk dat visualisaties vrij expliciet moesten zijn. Ervaringen in de nieuwe woonwijk hadden de Leidse ontwerpers namelijk geleerd dat subtiele verwijzingen naar het verleden in bijvoorbeeld straatnamen of ‘archeologisch gras’ bij de bewoners niet leidden tot een verhoogde beleving van het verleden. De ontwerpgrammatica van het park moest daarom duidelijk zijn en voor iedereen begrijpelijk,beleefbaar en aantrekkelijk. Dit leidde tot heel duidelijke en fysieke reconstructies die je als bezoeker van het park

niet over het hoofd ziet. Door de moderne materialen en gebruikstoepassingen is het park echter wel heel bruikbaar, ook voor degenen die geen interesse hebben in het verleden. Het ontwerp van het park Park Matilo is ontworpen rondom een aantal thema’s of sferen. Het centrale deel van het park wordt gevormd door een evenemententerrein in het voormalige castellum. Hieromheen zijn de vicus, het kanaal van Corbulo, de limes en de Rijn bepalend geweest voor de inrichting. De bomen in het park vormen als het ware het cement tussen deze deelgebieden. Overal zijn namelijk berken geplant (circa 1000 stuks) en dit zorgt ervoor dat het park toch als een geheel wordt ervaren. De kern van park Matilo wordt gevormd door het castellumterrein. Het fort is bovengronds zichtbaar gemaakt door 2,5 meter hoge aarden wallen met daar bovenop een wandelpad en een bomenhaag. Op deze manier kunnen bezoekers ervaren hoe groot een Romeins castellum was. Voorafgaand aan de inrichting van het park kreeg de

gemeente Leiden de gelegenheid onderzoek te doen naar de exacte begrenzing van het fort, zodat het castellum ‘plaats-echt’ gevisualiseerd kon worden in het park. In 1999 was al eens eerder onderzoek gedaan op het monument waarbij de noordwesthoek en de oriëntatie van het castellum waren vastgelegd. De zuidoosthoek was echter nog niet bekend en deze kennis is in 2009 aangevuld toen de Leidse archeologen samen met de Universiteit Leiden een kleinschalig onderzoek uitvoerden op het monument. De ingangen van het castellum worden gemarkeerd door zes torens, vrijelijk gebaseerd op reconstructies van Romeinse torens, en gemaakt van het goed beheerbare cortenstaal. Aan de noordzijde van het castellum lag het kanaal van Corbulo. Dit kanaal is zichtbaar gemaakt middels een hoogteverschil van 50 cm en een cortenstalen wand markeert de oever. Een replica van een Romeinse boot, een houten ‘Romeinse’ brug, ‘natte’ planten en een knuppelpad met her en der spannende stapstenen over smalle sloten versterken het gevoel dat we ons hier in een natte zone bevinden. Aan de westzijde van het castellum, tegen de nieuwe woonwijk aan, ligt de vicus van

5 - Waterkunstwerk in de stadstuinen. Het Waterkunstwerk Matilo Leiden is een initiatief van beeldend kunstenaars Ludy Feyen en Diana Lepelaar en is in 2012-2013, in het archeologisch park Matilo in Leiden aangelegd. 19

VITRUVIUS_Oktober2014_v3.indd 19

24-07-14 12:33


Vitruvius

het park. Doordat hier de wijkgerelateerde functies geclusterd zijn is dit deel van het park heel levendig. Er liggen o.a. een speeltuin, trapveldje, chill-plek en schooltuinen, maar ook een boomgaard (met vrije pluk) en picknickbanken zijn hier te vinden. Aan de oostzijde van het castellum is de inrichting bepaald door het landschap in de Romeinse tijd. In deze periode was de Rijn veel breder dan nu en werd het gebied grenzend aan het castellum doorsneden door allerlei waterlopen. Deze waterlopen zien we terug in de verkaveling van de stadstuinen in dit deel van het park. Bewoners van de omliggende wijken cultiveren hier elk een deel van een kavel. De stadstuinen zijn hiermee een ontmoetingsplaats geworden in het park en zorgen voor interactie tussen de oude wijk en de nieuwbouwwijk. De uitdagingen voor de toekomst Het park is inmiddels af en in ieders ogen prachtig gelukt, maar misschien volgt

nu nog wel de grootste uitdaging van het project: hoe garanderen we dat het park gebruikt gaat worden? De omwonenden zorgen voor een deel van dit succes. Vanaf de eerste oplevering zijn de bewoners van de wijken in het park te vinden. Speeltuinen en trapveld worden veel gebruikt en ook de stadstuinen dragen bij aan een continu gebruik van met name de randzones van het park. Inmiddels is een gebouw aan de rand van het park in gebruik genomen door een scoutingvereniging waardoor ook zij zorgen voor activiteiten. De ambities lagen bij aanvang van het project echter hoger en de investeringen die gedaan zijn om het castellumterrein als evenemententerrein in te richten vragen om een breed aanbod van activiteiten die meer en vooral een ander type bezoekers naar het park gaan trekken. De komende jaren zal dit verder vorm gegeven moeten worden door het organiseren van veelzijdige evenementen waardoor Matilo onder de aandacht gebracht wordt

nummer 29

Oktober 2014

bij diverse doelgroepen. Ook de routing naar het park zal nog verbeterd moeten worden: de komende jaren wordt geïnvesteerd in bewegwijzering en het aanhaken op bestaande recreatieve routes in de regio. Het moge duidelijk zijn dat dit alles niet in één jaar gereed is, maar een tijd nodig heeft om te groeien. Ook hierin trekt Leiden niet alleen op. De stad is namelijk in het kader van de voordracht van de Limes als UNESCO Werelderfgoed benoemd tot limes-knooppunt en dat betekent dat er de komende jaren budget is om deze plek nog aantrekkelijker te maken en de verbinding tussen de verschillende initiatieven rondom en in het park te leggen. Dat kan en wil de gemeente Leiden niet alleen maar met nieuwe partners zodat dit prachtige park een bruisende plek wordt die het verdient om bezocht te worden. n Foto’s: Buro JP

6 - De bewoners van de wijken rondom het park hadden grote behoefte aan speelvoorzieningen voor de kinderen. Daarom zijn de speeltoestellen in het park als eerste geplaatst. Ook hier is gekozen voor natuurlijke bouwmaterialen en een ontwerp dat bij kinderen en volwassenen tot de verbeelding spreekt. 20

VITRUVIUS_Oktober2014_v3.indd 20

24-07-14 12:33


Vitruvius

nummer 29 Oktober 2014

Thema: De verbeelding van het verleden

Wanneer inspireert archeologisch erfgoed tot ruimtelijke kwaliteit? Drs. M.H.J.M. (Marc) Kocken Regionaal archeoloog bij de Omgevingsdienst Achterhoek en zelfstandig erfgoedadviseur bij M A R C

Een essay over kansen pakken met resultaten uit het verleden1

1 -Museale inrichting in parkeergarage Castellum in Woerden.

A

rcheologie heeft inmiddels een vaste plek verworven in het ruimtelijk domein. Vooral de onderzoeksverplichting bij vergunningverlening springt daarbij in het oog. Maar hoe zit het met de bijdrage van het archeologisch erfgoed aan de inrichting van de openbare ruimte? Vanuit de gedachte dat historisch besef van de eigen leefomgeving een belangrijke kwaliteit is en bijdraagt aan de betekenis, beleving en gebruik van een plek, wordt in dit essay gepoogd een antwoord te vinden op de kernvraag: Wanneer inspireert archeologisch erfgoed tot ruimtelijke kwaliteit?2

Archeologie, een bijzondere ontwerpopgave In de aanloop naar de nota Belvedere, verscheen ‘Een inspirerend boek over archeologie en ruimtelijke ordening, met ideeën, schetsen en praktijkvoorbeelden voor planvorming, vormgeving en ontwerp in bouwlocaties’. 3 Projectleider Van Hunnik vroeg zich in het voorwoord af, of het niet “anders, beter, creatiever” kan wanneer archeologie bij een nieuwe gebiedsontwikkeling om de hoek komt kijken. “Door in voorkomende gevallen archeologie niet te zien als een belemmering, maar als een inspiratiebron, als een belangrijk uitgangspunt voor het

ontwerp, als een goede mogelijkheid om een locatie of object een eigen identiteit te geven. […] Maar helaas zie je nog al te vaak dat het verleden onnodig wordt gebruuskeerd en potenties niet worden benut.” 4 De notaperiode van Belvedere (1999- 2009) heeft vervolgens tot een stroom aan projecten, publicaties en aanbevelingen geleid, waarbij echter de oogst op het gebied van het archeologisch erfgoed beperkt is gebleven. Ook de Raad voor Cultuur laat zich in haar advies op de evaluatie van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) kritisch uit: “De vraag die de Raad anno 2011 wil stellen, is of de wet er daadwerke21

VITRUVIUS_Oktober2014_v3.indd 21

24-07-14 12:33


Vitruvius

nummer 29

Oktober 2014

2 -Het ‘nieuwe’ Huis Moerenburg in Tilburg. lijk toe heeft bijgedragen dat archeologische waarden in voldoende mate medebepalend zijn geweest voor de ruimtelijke kwaliteit en de culturele identiteit van een plek. Daarvan zijn weliswaar enkele goede voorbeelden te noemen, zoals de parkeergarage Castellum in Woerden, maar tot op heden ontbreekt een samenhangend overzicht. Er kan daarom niet zonder meer vanuit worden gegaan dat de nieuwe positie van archeologie in ruimtelijke ontwikkelingsprocessen er ook toe heeft bijgedragen dat archeologische waarden die gewenste rol in voldoende mate hebben gespeeld.” 5 Deze visie wordt door de auteur gedeeld, want in de huidige werkpraktijk worden veel kansen gemist om het archeologisch erfgoed als kwaliteitsfactor in te zetten bij

ruimtelijke ontwikkelingen in onze leefomgeving. Waar komt dit door? Zijn hier oorzaken voor aan te wijzen? Hoe kan hier mee worden omgegaan? In de navolgende paragrafen worden twee mogelijke oorzaken geanalyseerd en handreikingen geboden die zich hebben bewezen. Brede borging erfgoed Eén van de uitgangspunten van het Verdrag van Valletta (Malta) is het van meet af aan laten meewegen van archeologie in plannen voor de ruimtelijke ontwikkeling. Door de wijze van inbedden van de archeologie in het ruimtelijk beleid (bestemmingsplan) is de nadruk meer komen te liggen op het moment van vergunningverlening en de bij-

behorende onderzoeksverplichting(en) dan op de afweging vooraf over de inbreng die de archeologie in een project kan hebben. Goed rentmeesterschap dat het Verdrag verlangt en dat via de systematiek van de Wamz en de Wro bij gemeenten is belegd, vraagt om meer dan een zorgplicht via het bestemmingsplan. Gemeenten moeten een integrale visie op erfgoed ontwikkelen en deze beleidsmatig integreren in andere thema’s zoals natuur, duurzaamheid, wonen & werken, toerisme & recreatie, citymarketing en krimp. Deze beleidsmatige borging is noodzakelijk om zowel organisatorisch als maatschappelijk een langjarige basis te leggen van waaruit inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties kansen

22

VITRUVIUS_Oktober2014_v3.indd 22

24-07-14 12:33


Vitruvius

nummer 29 Oktober 2014

de voorwaardenscheppende rol die de lokale overheid hoort in te nemen.

3 -Een ontmoeting tussen de 17e en 20e eeuw in het Kazernekwartier in Venlo.

4 -Een wandeling op ‘-1’ langs het opgegraven zuidwestelijke bastion. kunnen benutten die de combinatie van erfgoed - in het bijzonder archeologie - en ruimtelijke ontwikkeling op tal van thema’s met zich meebrengt. Passend in dit verband is de volgende definitie van erfgoed: “erfgoed is datgene wat we vanuit het verleden hebben aangereikt

gekregen met de opdracht er iets mee te doen en het door te geven” 6 . Erfgoed brengt dus een morele opdracht tot goed beheer, gevoel van verantwoordelijkheid en tot continuïteit met zich mee. Ook fungeert het als reservoir voor historisch besef en zingeving alsmede voor overdracht ervan aan wie na je komen. Dit past bij uitstek in

Kwaliteitsadvisering In zijn essay over het bespreekbaar maken van ‘ruimtelijke kwaliteit’ waagt Sijmons, voormalig rijksadviseur voor het landschap, zich niet aan een harde definitie, omdat het begrip in zijn ogen te ‘glibberig’ is. 7 Hij concludeert dat kwaliteit mensenwerk is en dat de inzet van kwaliteitsadvisering tot goede resultaten heeft geleid. Kwaliteitsadvisering is een vorm van intercollegiale toetsing op basis van een vrij gesprek dat voorafgaand aan vergunningverlening plaatsvindt met als doel het optimaliseren van een plan binnen de mogelijkheden. Het gesprek leidt tot een advies aan de initiatiefnemers en aan het bevoegd gezag. Door het werken met kwaliteitsteams in gebiedsontwikkeling wordt gedurende het hele proces rekening gehouden “met de weerbarstige praktijk waarin het scherp aan de wind zeilen is om kwaliteit te bevechten”. De auteur ondersteunt deze aanpak maar mist in het rijtje van deskundigen die Sijmons noemt, de erfgoedspecialist. 8 Deze kan het ‘verhaal’ achter de cultuurhistorische informatie vertellen en meedenken in de vertaalslag van het nu en het verleden naar de toekomst. Dilemma’s bespreekbaar maken Voor het archeologisch erfgoed moet er zelfs nog een schepje bovenop worden gedaan. In het Belvedereproject Ontwerpen aan een Vreemd Land 9 zijn zeven dilemma’s onderscheiden die een cruciale rol spelen bij het ontwerpen met archeologie: behoud versus ontwikkeling, selectie versus uitsluiten, authenticiteit versus reconstructie, archeoloog versus ontwerper, willen versus kunnen, beleid versus realiteit en politiek versus macht. Vragen die hierbij werden gesteld, waren (niet uitputtend): Waar leg je het zwaartepunt, bij het behoud van archeologische waarden of bij de ontwikkeling van een plek? Welk verleden wil je presenteren? Aan wiens belang wordt rechtgedaan en in welke mate? Hoeveel authenticiteit mag verloren gaan? Welke rol kan erfgoedplanning spelen? Geconcludeerd werd dat deze dilemma’s aan het begin van een project besproken moeten worden om uiteindelijk tot een gedragen ontwerp te komen dat bijdraagt aan de ruimtelijke kwaliteit van een plek. 23

VITRUVIUS_Oktober2014_v3.indd 23

24-07-14 12:33


Vitruvius

Een project dat in dit perspectief als geslaagd mag worden beschouwd en waar kwaliteitsaspecten als betekenis, beleving en gebruik zowel materieel als overdrachtelijk aanwezig zijn, is de evocatie van Huis Moerenburg, een verdwenen historische buitenplaats op het terrein van de Rioolwaterzuivering-Oost in Tilburg (zie de bijdrage van Van den Eynde & L. Toorians elders in dit blad). Wat dit project heeft doen slagen, is het samenwerken van een multidisciplinair ontwerpteam, waarin zowel (landschaps) architecten, kunstenaars en cultuurhistorici zitting hadden. Zij wilden elkaars taal spreken en bleven gedurende het project samen op trekken. Cruciaal was bovendien een opdrachtgever met gevoel voor historische sensatie, die geen genoegen nam met een gemakzuchtig eerste ontwerp. Het voeren van discussie tijdens het proces blijft nodig om de gedachten aan te scherpen en het ontwerp kracht bij te zetten. Vooraf moeten de uitgangspunten en randvoorwaarden helder en toetsbaar zijn, het budget moet zijn afgestemd op de ambitie en de dilemma’s moeten bespreekbaar worden gemaakt, wil een project tot een gedragen resultaat leiden. Reflectie verplicht Een laatste, nog niet genoemde succesfactor is de ‘pauzestand’ 10 waarin een project af en toe moet worden gezet om te toetsen of alle informatie, zienswijzen en inzichten van alle betrokkenen en belanghebbenden adequaat zijn meegenomen. Dit betekent niet dat iedereen zijn opmerkingen terug moet zien, maar dat de keuzes door het ontwerpteam helder worden verantwoord. Dit was ook aan de orde in het project Moerenburg. Vooral in de discussies met de Monumentencommissie werd het ontwerpteam uitgedaagd om te reflecteren op de eigen werkgang en gemaakte keuzes. Uiteindelijk heeft dit geleid tot een ontwerp met ‘poëtische kwaliteit’, aldus de commissie. Druk vanuit gemeenteraad en samenleving hebben in de casus Venlo geleid tot reflectie op de gebiedsontwikkeling van het Kazernekwartier. Vanuit het principe van cradleto-cradle is een gedragen visie ontwikkeld met volledige inpassing en visualisatie van Fort Sint Michiel, dat ruimtelijke en programmatische verbindingen legt en het gebied identiteit verleent. 11

De noodzaak tot reflectie op de eigen (werk) praktijk is belangrijk. Jezelf in ‘pauzestand’ zetten in je denken, een stap terug doen en overzien waarmee je bezig bent, de samenhang der dingen ordenen…. Door de hectiek van alledag gebeurt dat te weinig. Dat is jammer, want daarmee halen we onvoldoende rendement uit eerder opgebouwde kennis en dreigt het vakmanschap van de erfgoedspecialist te verworden tot een kunstje. Op die momenten dat het wel lukt, kost het aardig wat energie omdat je volledig bent geprogrammeerd op instrumenteel denken, gefocust op het zo snel mogelijk vinden van (bij voorkeur snelle en goedkope) oplossingen binnen een politiek-bestuurlijk krachtenveld dat wordt geleefd door de waan van de dag en het gaan voor de korte termijn. Substantieel denken vraagt dan lef en een extra inspanning. Toeval of niet, Koningin Elisabeth II van Engeland stelde in haar kersttoespraak van 2013 ‘reflectie’ centraal. Ze benadrukte dat het belangrijk is om van tijd tot tijd even stil te staan en de balans op te maken. Het is nodig om de balans te vinden tussen handelen en reflectie. 12 Conclusie Samengevat spelen bij de beantwoording van de kernvraag ‘Wanneer inspireert archeologisch erfgoed tot ruimtelijke kwaliteit?’ de volgende aspecten een rol: 1.  brede, beleidsmatige borging van erfgoed door gemeenten, 2.  kwaliteitsadvisering door erfgoedspecialisten, 3.  vooraf bespreken van dilemma’s en samenwerken in multidisciplinaire teams en 4.  reflectiemomenten inbouwen tijdens het proces.

nummer 29

Oktober 2014

boeiende bijeenkomsten. 2 Voor de auteur is er sprake van ruimtelijke kwaliteit als op een plek de historische gelaagdheid zowel fysiek als mentaal beleefbaar is en deze bijdraagt aan de identiteit, sociale betekenis en het hedendaags gebruik. 3  Van Marrewijk, D., A. Haytsma, W. de Visser & J. Wychers (samenstelling en red.) (1998). Ruimtelijk ontwerpen en Archeologie. Den Haag. 4 Ibid., 5. 5 Raad voor Cultuur (2011). Advies evaluatie Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) en Besluit archeologische monumentenzorg (Bamz). Den Haag, 5. 6 Vrij naar Frijhoff, W. (2007). Dynamisch erfgoed. Amsterdam. 7 Sijmons, D. Bespreekbaar maken van ruimtelijke kwaliteit. Ongedateerd essay. Gepubliceerd op http://www. nlbw.net/nlbwikipedia-methodiekdeskundigenoordeel 8  Sijmons noemt vooral (landschaps) architecten, sociologen, ecologen, economen, rivierkundigen en fysisch-geografen. Alleen in het kwaliteitsteam van de NHW zit een architectuurhistoricus. 9  Van der Heijden, P., C. Matla, S. Mudde, A. Cruysheer & E. Ennen (2006). Ontwerpen aan een Vreemd Land. Een Belvedere kennisproject over ontwerpen met archeologie. ADC Heritage, Amersfoort. 10  Van der Vossen gebruikte deze term treffend in zijn artikel in Vitruvius, jrg. 6, nummer 22, januari 2013 11  Kocken, M., K. van den Berg & C. Visser (2013). C2C visie archeologie en cultuurhistorie Kazerneterrein Venlo. Bemmel, M A R C erfgoed adviseurs. 12  http://bigstory.ap.org/article/queenschristmas-message-time-reflect n

Als aan deze ‘voorwaarden’ wordt voldaan, zijn de omstandigheden gunstig om tot een geïnspireerd ontwerp te komen dat het archeologisch erfgoed zowel fysiek als mentaal beleefbaar maakt en bijdraagt aan de identiteit, sociale betekenis en het hedendaags gebruik van de plek. Noten 1 Dit (voor Vitruvius bewerkte) essay is geschreven als afsluiting, de ‘meesterproef ’, van de leergang Erfgoedfilosofie 2013 (Erfgoed Academie). Ik wil alle masters, begeleiders en medecursisten danken voor de inspirerende en

24

VITRUVIUS_Oktober2014_v3.indd 24

24-07-14 12:33


Vitruvius nummer 29 Oktober 2014

voo r u

Met levend materiaal. Copijn 17632013 - tweehonderdvijftig jaar tuinlieden, boomkwekers, boomverzorgers, tuin- en landschapsarchitecten Auteur

Mariëtte Kamphuis Uitgave

de Hef Re c e n s e n t e n

Marinke Steenhuis en Lara Voerman D e ta i l s

Hardcover, 352 pagina’s, ca. 400 afbeeldingen, ISBN 978-90-6906-045-3 Prijs

€ 45,-

D

e ondertitel van Met levend materiaal. Copijn 1763-2013 van architectuurhistoricus Mariette Kamphuis geeft de cadans van deze imposante studie weer: de sociale stijging en het commerciële succes van een pionierende kwekersfamilie die in Groenekan sinds 1763 een kwekerij bezit. Het is een historische ervaring om de acht generaties Copijn te volgen in hun klim op de maatschappelijke ladder en het verhaal zou (Heimat, de Fabriek, maar ook de intriges van MadMen) niet misstaan als televisieserie. De eerste hoofdstukken confronteren je als lezer met de enorme moderniteit van de negentiende eeuw; via de kasboeken en het netwerk van kwekers dat het jonge bedrijf opbouwde, opent zich een wereld waarin tuinbouwgenootschappen internationaal tegen elkaar opbieden in de jacht en duiding van zeldzame exoten. Op tuinbouwtentoonstellingen, de TEFAF’s van die tijd, werden de nieuwste variëteiten getoond. Jan Copijn (1812-1885) dacht intussen al een stap verder en mikte met zijn kweekproducten op de zogeheten ‘liefhebbers’ (rijke particuliere parkbezitters met een passie voor botanie en veel tuinpersoneel) en op de tuinbazen . Hij startte in 1852 ook een eigen tijdschrift, Flora en Pomona, en bewoog mee met het succes van de immense ‘tuinbouw-industrie’ die rond 1900 in Nederland was ontstaan. Steeds was de firma er vroeg bij - elektrisch licht voor de kassen, kunstmest voor betere teelt – waardoor het aanzien en de efficiency groeide. Veertig procent van het sortiment werd rond 1880 geëxporteerd naar Duitsland en Engeland. En toen kwam Hendrik. Hendrik Copijn (1842-1923), de man die het bedrijf definitief op de kaart zette. Want hoewel het boek een grote rijkdom aan thema’s kent, identificeer je je als lezer toch met de leden van de dynastie. En het werd bij Hendrik ook letterlijk Dynasty.

gelezen

Hij was opgegroeid in een succesvolle start-up en maakte de volgende stap: werken voor de absolute upperclass die zijn rijkdom wilde etaleren. Haast onNederlands zijn de grote projecten: landgoed Hydepark in Doorn en het Park bij kasteel De Haar in Haarzuilens, waarvoor een heel dorp werd verplaatst. De conceptuele kracht van deze landschapsparken ten opzichte van die van tijdgenoten is in het boek lastig te achterhalen. Wel blijkt dat de Copijnen in ontwerpend opzicht niet zozeer vernieuwers waren, eerder bekwame navolgers van een mode. Ze maakten geen school, zoals de Zochers wel deden, evenals het omnitalent Joseph Paxton (1803-1865) die met zijn ontwerpen voor parken en gebouwen (Chrystal Palace) het grote voorbeeld voor de Amerikaanse landschapsarchitect F.L. Olmsted was. Copijn bediende voornamelijk midden-Nederland, zoals de Vroom-familie noord-Nederland bediende. De landgoederen (en later stadsparken) waren weelderig beplante werelden op zichzelf, aangelegd volgens een standaard set van sjablonen passend bij het budget en de smaak van de opdrachtgever. Daar wordt overigens niets negatiefs mee bedoeld; de landschapsstijl is om die reden juist zeer modern – omdat met prefab elementen werd gewerkt. Waar de Copijnen in uitblonken was de high-tech uitvoering. De ontwerpen zaten bomvol nieuwe technische snufjes. Voor Haarzuilens waren zevenduizend volwassen bomen nodig, die uit de hele provincie werden gehaald. Het vervoer geschiedde grotendeels ’s nachts, over de weg, dwars door de Utrechtse binnenstad op zogenaamde mallejans, speciale karren die de Copijnen zelf hadden aangepast aan het doel. Ook de presentatie naar de opdrachtgever was vernieuwend. Hendrik introduceerde maquettes van klei, om de effecten van zichtlijnen en hoogteverschillen te kunnen tonen en tekende prachtige artistimpressions. Het was ook Hendrik die zich als projectontwikkelaar bewees, met een slim oog voor lucratieve grondtransacties, waarop waardestijging volgde door de bouw van villa’s, en gemeenten een nieuw groen stadskwartier rijker werden. Met het verstrijken van de tijd veranderden de opgaven. Het bedrijf, vanaf 1900 bekend onder de naam H. Copijn & Zoon, ontwierp en beplantte in plaats van buitenplaatsen voor de elite steeds meer villatuinen en buitenplaatsen voor de gegoede middenklasse. De vormentaal veranderde noodgedwongen door de beperkte omvang van de tuinen, de ruimtelijke landschapsstijl was hier immers lastig toe te passen. Het was een omslag die zichtbaar moeite kostte. In de nieuwe mode van de rotstuin konden de Copijnen hun specialisatie – het maken van wonderschone composities met een veelheid aan plantsoorten – wel ten toon spreiden. Ook in hun ontwerpen voor golfbanen en recreatiegebieden

25

VITRUVIUS_Oktober2014_v3.indd 25

24-07-14 12:33


voor u

gelezen

herleefden de gloriedagen. Hier waren de Copijnen goed in, want het creëren van grootschalige parken in landschapsstijl sloot naadloos aan bij de gestileerde natuur op de golfbaan. Na 1945 brak een nieuwe fase aan. Het vakgebied professionaliseerde. Op de tentoonstelling ‘250 jaar Copijn in het groen’ die tot 1 augustus 2014 bij de afdeling Speciale Collecties in Wageningen hangt, is van Hendrik Hoghart Copijn (1909-1977) het certificaat van erkenning tot tuin- en landschapsarchitect te zien. Toen hij het verwierf was hij veertig, en had hij jarenlange ervaring. Toch moest ook hij examen doen om de titel ‘tuinarchitect’ te mogen dragen. Daarnaast kwam de particuliere, specialistisch opgeleide tuin- en landschapsarchitect in opkomst – vaak in dienst van de maakbare samenleving, zoals de ontwerpers van de Dienst Staatsbosbeheer, maar ook steeds meer georganiseerd in particuliere bureaus. Bureaus als dat van Copijn, maar ook Vroom in Glimmen werden enigszins verdacht, want de voorraad op de kwekerij zou leidend kunnen zijn voor de uitkomst van het ontwerp. En een moderne ontwerper dacht andersom; in doorgaans sobere, heldere concepten voor een plek, die vervolgens met streekeigen materiaal werden ingevuld. Ondanks dat zette de Hendrik Copijn vol vertrouwen de vooroorlogse allround traditie voort, zowel op de ontwerpafdeling als in de kwekerij. Dit bleek een misgreep. Net als tuinarchitecten specialiseerden ook kwekers zich, bijvoorbeeld in het leveren van planten aan gemeentelijke plantsoenendiensten of als tuincentrum. De Copijnen misten de boot en stopten met het kweken van vaste planten. Dat ook deze aspecten in de publicatie eerlijk beschreven worden, is een bijzondere kracht van het boek: de slagen van het professionele leven worden eerlijk getoond.

Vitruvius nummer 29 Oktober 2014

terug op de kernwaarden van het bedrijf. Het karakteriseert de tomeloze ondernemerszin en het steeds slim inspelen op veranderingen in de markt. In 1966 introduceerden J’ørn en Allrik Copijn de boomchirurgie in Nederland. Ze verspreiden hun missie – de herwaardering van bomen, ook ‘zieke’ exemplaren – op de radio en in tijdschriften. Hun boodschap sloot naadloos aan bij de milieubewuste tijdgeest van de jaren zeventig. Langzaamaan verbreedde hun rol zich – net als een eeuw daarvoor – tot adviseur en ontwerper. Eind jaren zeventig profileerde Loek Copijn zich met het kweken van vormbomen, een gat in de markt en direct succesvol. In 1980 werd opnieuw een ontwerpbureau opgericht, dat vanaf 1995 bekend stond als Copijn Utrecht. Copijn Utrecht bleef trouw aan zijn wortels. Met groot vakmanschap kon het bedrijf bijzondere projecten realiseren, zoals grootschalige daktuinen en binnenbeplantingen. Ze werkten samen met architecten als Alberts en Van Huut en met MVRDV, waarmee ze het Nederlands paviljoen op de EXPO 2000 vormgaven. Recentelijk maakten ze naam met de Copijn Wonderwall, een verticale tuin. Het past in deze tijd, waarin met Piet Oudolf en andere ontwerpers van ‘The Dutch Wave’ er juist weer heel veel respect is voor het ‘levend materiaal’ als drager van tuin- en parkontwerpen. In 2008 werd het bedrijf verkocht aan Heidemij/Arcadis. Dat lijkt toch jammer, de merknaam en reputatie blijft, maar de bedrijfscultuur verandert. Anderzijds: het past in deze tijd, en daarmee in de essentiële kracht van de Copijn-dynastie; het telkens wendbaar aanpassen aan de veranderende maatschappij. De kwekerij, onder leiding van Anne-Kim Copijn en haar broer Mark Copijn, is nog altijd gevestigd in Groenekan, op de plek waar de eerste Hendrik Copijn in 1763 een stuk grond pachtte. n

Twee takken van de Copijn-familie grepen in de jaren zeventig 26

VITRUVIUS_Oktober2014_v3.indd 26

24-07-14 12:33


Vitruvius nummer 29 Oktober 2014

voo r u

Het land van de zeerover en de kruidenier. Archeologisch onderzoek naar het ontstaan en de ontwikkeling van Oostzaan, een dorp in het Noord-Hollandse veen Auteur

Piet Kleij Uitgave

Uniepers Re c e n s e n t

Edwin Raap D e ta i l s

Gebonden, 128 pagina’s, deel 4 in de reeks Archeologie in Noord-Holland, ISBN 978-90-8741-028-5 Prijs

€ 17,90

O

ver de geschiedenis van de Zaanstreek zijn al heel wat boeken verschenen. Zowel de moderne tijd als de Middeleeuwen en de oudheid hebben al jaren de warme belangstelling van onderzoekers. Het hier besproken boek past in deze traditie. De auteur is een geboren Zaankanter en al jaren gemeentelijk archeoloog. Hij heeft zijn zaakjes goed op orde en heeft een zeer toegankelijk boek geschreven. Uw recensent is in 1993 afgestudeerd op de eierhandel en de landschappelijke gevolgen ervan voor het 19de en vroeg 20ste eeuwse Oostzaan en Landsmeer en ik was dus benieuwd wat daarover in het boek zou staan. Welgeteld twee zinnen op de laatste pagina, zo blijkt. Ietwat teleurgesteld begon ik dus het boek toch maar te lezen. Gelukkig viel het allemaal reuze mee, want in goed en vlot geschreven hoofdstukken wordt het ontstaan en de verdere ontwikkeling van Oostzaan uit de doeken gedaan. Veel illustraties en verhelderende kaartjes maken het geheel tot een prettig boek.

gelezen

aantrekkelijk is het wel. Ik beweer hier niet dat wat er geschreven is flauwekul is, maar ik weet wel dat de theorie van De Bont niet door alle vakgenoten voor 100% waterdicht gezien wordt en nader onderzoek zou ik toejuichen. Voor het doel van dit boek is dit allemaal niet zo belangrijk. Het publiek, ik vermoed dat het in Oostzaan goed verkoopt, krijgt een mooi boek voorgeschoteld waarin de oudste geschiedenis van het dorp gereconstrueerd wordt. Sterker nog: Oostzaan vormt de bakermat van de huidige Zaanstreek. Zaandam is weliswaar groter, Oostzaan is de oudste nederzetting. De ontginners begonnen als gezegd vanaf de Zaan naar het oosten te werken (en naar het westen trouwens, dat werd Westzaan) en eindigden uiteindelijk in het huidige dorp. Nadat in de Zaan een dam werd gelegd, ontstond daar een nieuwe nederzetting die uiteindelijk een eigen kerk kreeg: Zaandam dus. De archeologische reconstructies in de eerste hoofdstukken zijn het sterkste deel. Vanaf hoofdstuk 6, als de periode vanaf de late Middeleeuwen beschreven wordt, wordt het allemaal wat anekdotisch van karakter. Heel veel foto’s van aardewerkscherven en hun herkomst komen langs en moeten getuigen van het kosmopolitische Oostzaan. Het was mij een beetje te veel van het goede. De vanuit Oostzaans gezichtspunt wereldberoemde inwoners Klaas Compaen en Jocob van Oossanen moesten ook even vermeld worden en de onvermijdelijke Albert Heijn komt ook nog even aan bod. Het zal de verkoopcijfers in de regio ten goede komen, van mij had het niet gehoeven. Conclusie: geïnteresseerd in oudheid van de Zaanstreek? Kopen, prima publieksboek. Op zoek naar geschiedenis van recentere perioden? Liever niet. n

De meest recente inzichten uit het proefschrift van Chris de Bont over de “Grote Hollandse Waterscheiding” die in noord-zuid richting door het midden van het huidige Noord-Holland liep worden door Kleij prima verwerkt in het boek en als verklaringsmodel gebruikt voor het huidige landschap. De waterscheiding fungeerde namelijk als een soort van natuurlijke grens tussen Waterland en Zaanstreek. Vanaf de Zaan naar het oosten toe stuitten de ontginners op de mensen die vanuit het oosten juist naar het westen oprukten. En laat dat nu net de op die waterscheiding gebeurd zijn! Alsof er een enorm bult in het landschap lag, van waarachter de Waterlanders en de Zaankanters naar elkaar toewerkten. Die ‘bult’ is nu geheel verdwenen en alleen het Twiske, een gegraven water waarvan de naam ‘tussen’ betekent, herinnert ons aan die waterscheiding. Het klinkt allemaal te mooi om waar te zijn, maar

27

VITRUVIUS_Oktober2014_v3.indd 27

24-07-14 12:33


recent

Vitruvius nummer 29 Oktober 2014

verschenen

De Wadden. Nergens ter wereld

‘D

beschouwd nog piepjong en ontstond pas zo’n duizend jaar geleden als gevolg van een versnelde stijging van de zeespiegel. Het moerasachtige veengebied dat de duinen verbond met het vasteland, werd door het binnendringende zeewater weggeslagen en maakte plaats voor een ondiepe binnenzee die bij eb grotendeels droog viel; de huidige Waddenzee. Het nieuwe landschap kenmerkte zich door een uitgebalanceerd systeem van allerlei permanente, natuurlijke processen. Hierin spelen de getijden, de heersende windrichting en de aanwezigheid van een ondiepe (Noord) zee vol zand uiteraard een belangrijke rol. Wat het waddenlandschap voor de bezoekers zo aantrekkelijk maakt, is het feit dat deze natuurlijke processen zich nog steeds voor onze ogen afspelen. Anders gezegd: op de Wadden kun je de natuur aan het werk zien.

Het waddengebied zoals wij het kennen, is geologisch

‘De wadden. Nergens ter wereld.’ laat zich niet goed vergelijken met de meeste andere boeken over het waddengebied. Niet alleen dankzij de hoge kwaliteit van de foto’s en de bijzondere vormgeving, maar ook door de gekozen formule. De aaneengesloten reeks foto’s laat zich bekijken als een beeldverhaal dat de voortdurende afwisseling van opbouwende en afbrekende krachten door de natuur schitterend in beeld brengt. Het boek sluit af met enkele korte teksthoofdstukken waarin het ontstaan en uiterlijk van de diverse landschappen kort en bondig wordt uitgelegd. Het resultaat is een boek dat bij de liefhebbers vrijwel zeker het onmiskenbare ‘waddengevoel’ zal oproepen. n

Auteurs

Toon Fey, Karel Tomeï Uitgave

Scriptum D e ta i l s

Paperback, 204 pagina’s, in kleur, NL/Duits, ISBN 978-90-5594-779-9 Prijs

€ 29,95 e Wadden. Nergens ter wereld.’ als titel voor een boek over het waddengebied zal sommige mensen misschien wat overdreven in de oren klinken. Toch is die titel geheel terecht want in feite bestaat er nergens anders ter wereld een landschap dat gelijk is aan de kuststrook zoals die zich uitstrekt van Den Helder tot het Deense Esbjerg. Niet voor niets is de Nederlands-Duitse Waddenzee in 2009 door UNESCO uitgeroepen tot een Werelderfgoed. Hiermee komt het gebied op dezelfde lijst als bijvoorbeeld de Grand Canyon of het Great Barrier Reef in Australie. Dat is opmerkelijk, want de ontstaansgeschiedenis van het waddengebied verschilt wezenlijk van deze miljoenen jaren oude gebieden.

Atlas van de verstedelijking in Nederland. 1000 jaar ruimtelijke ontwikkeling. Auteur

Reinout Rutte, Jaap Evert Abrahamse (red.) Uitgave

THOTH D e ta i l s

Gebonden, 336 pagina’s, ruim 600 illustraties in kleur, ISBN 978-90-6868-615-9 Prijs

€ 69,50

N

ederland is een stedenland. In de loop van tien eeuwen ontstond een dicht patroon van kleine, grote, oude en nieuwe steden. Hoe is dat patroon ontstaan en hoe heeft het zich ontwikkeld? En waarom zien onze steden eruit zoals ze eruitzien? In de middeleeuwen werden van Friesland tot Limburg en van Groningen tot Zeeland tientallen steden gebouwd, de meeste aan waterwegen. Toen de Republiek in de Gouden

Eeuw uitgroeide tot een wereldmacht, vonden grote uitbreidingen plaats in Amsterdam, Leiden en Rotterdam. Na een periode van krimp in de 18de eeuw deed de industrialisatie vanaf 1850 een deel van de oude steden weer opbloeien. Dit leidde niet alleen tot enorme stadsuitbreidingen, maar ook tot nieuwe steden. Industriële centra als Tilburg en Hengelo en woonsteden als Apeldoorn en Hilversum ontstonden langs het nieuwe spoorwegnet. Onder regie van de rijksoverheid verrezen in de 20ste eeuw ook nieuwe steden, bijvoorbeeld Almere, Emmen en Zoetermeer. De naoorlogse welvaartsstaat zorgde ervoor dat snelwegen, woonwijken en bedrijventerreinen in hoog tempo werden uitgerold over Nederland. Deze monumentale atlas brengt 1000 jaar stedenbouw in Nederland voor het eerst samenhangend in beeld. Aan de hand van foto’s, schilderijen en nieuw getekende kaartreeksen worden groei en krimp van de Nederlandse steden inzichtelijk gemaakt. Ook worden enkele actuele thema’s uitgelicht, waaronder herbestemming, wederopbouw en de ontwikkeling van binnensteden en stadsranden. n

28

VITRUVIUS_Oktober2014_v3.indd 28

24-07-14 12:33


Vitruvius

nummer 29

recent

Oktober 2014

Mauritshuis – het gebouw. Auteur

Quentin Buvelot Uitgave

Waanders/de Kunst D e ta i l s

Gebonden, 304 pagina’s, 200 afbeeldingen in zw/w en kleur, ISBN 978-94-6262-002-5 Prijs

€ 39,95

E

en boek over de bouw- en gebruiksgeschiedenis van het Mauritshuis bestaat op dit moment nog niet. Deze rijk geïllustreerde uitgave biedt een compleet overzicht van de geschiedenis van het gebouw tot en met de onlangs voltooide renovatie en uitbreiding ervan. Het werk is chronologisch opgezet en opent met een

verschenen

hoofdstuk over de directe omgeving van het Mauritshuis vóór 1633. De bouw van het Mauritshuis vond plaats in de periode dat de Hofvijver en de bebouwing eromheen zijn tegenwoordige vorm kreeg. Daarna word de samenwerking tussen Johan Maurits, Jacob van Campen en Constantijn Huygens, buurman en mede-inspirator, behandeld. Hoofdstuk drie richt de blik naar binnen en beschrijft het originele interieur en de inrichting. Na roerige jaren open het Mauritshuis in 1822 haar deuren als museum, op woensdagen en zaterdagen van 10 tot één uur. In het zevende, en laatste, hoofdstuk staat de recente historie centraal. Het bevat een beschrijving van alle aspecten van de renovatie, de nieuwe ondergrondse foyer en de nieuwe vleugel in het pand van Sociëteit De Witte Naast bekende afbeeldingen, zoals de fraaie tekeningen de Pieter Post in 1652 maakte, werd ook niet eerder gepubliceerd historisch beeldmateriaal benut. n

Huisplattegronden in Nederland. Archeologische sporen van het huis. Auteur

Guus Lange Uitgave

Barkhuis D e ta i l s

Hardcover, 496 pagina’s, full-colour, ISBN 978-94-9143-164-7 Prijs

€ 74,95

I

n de Nederlandse bodem zijn de resten van oudtijdse bewoning zelden als opgaande structuren terug te vinden. De enige archeologisch herkenbare sporen zijn meestal uitsluitend verkleuringen van de grond die laten zien waar de palen en de wanden van het huis hebben gestaan. Zij laten zo een, afhankelijk van de omstandigheden meer of minder herkenbare, plattegrond in de bodem achter. Huisplattegronden komen vaak in opgravingen in Nederland te voorschijn en behoren daarmee tot een van de meest onderzochte en meest intrigerende archeologische fenomenen. In dit boek schetsen archeologen de ontwikkeling van de huizenbouw vanaf de komst van de eerste boeren zo’n 7000 jaar geleden op de löss in Zuid-Limburg tot aan de dertiende

eeuw in alle regio’s, met een uitstapje naar de huizenbouw in de Nieuwe Tijd. Het laat ook de lacunes van onze kennis zien op dit gebied en schetst de methodieken die wij willen gebruiken om het onderzoek verder te helpen. Huisplattegronden in Nederland is daarom in de eerste plaats een handboek voor archeologen. Maar ook studenten en liefhebbers van het archeologisch onderzoek zullen veel nieuwe kennis kunnen opdoen over de verschillende verschijningsvormen van gebouwen. We hopen dat ze worden gegrepen door deze bijzondere groep van archeologische gegevens en worden uitgedaagd mee te denken om de talloze vragen die nog resten te helpen onderzoeken. n

29

VITRUVIUS_Oktober2014_v3.indd 29

24-07-14 12:33


recent

Vitruvius nummer 29 Oktober 2014

verschenen

Wapenregister van de Nederlandse adel Auteurs

O.A. Coen, O. van der Schimmelpenninck, E. Wolleswinkel, J. van den Borne, C. Gietman (red.) Uitgave

WBooks D e ta i l s

Gebonden, 672 pagina’s, ca. 1.000 illustraties in kleur, ISBN 978-94-6258-000-8 Prijs

€ 99,50

Heritage as an Asset for Inner-City Development. Auteurs

Jean-Paul Corten, Ellen Geurts, Paul Meurs, Remco Vermeulen (red.) Uitgave

nai010 Uitgevers D e ta i l s

Paperback, 192 pagina’s, geïllustreerd in kleur, Engelse editie, ISBN 978-94-6208-116-1

H

et Wapenregister van de Nederlandse adel geeft een compleet overzicht van de families die gedurende tweehonderd jaar Koninkrijk zijn genobiliteerd. De erfelijke adeldom van alle personen die door de Koning zijn benoemd, verheven, ingelijfd en erkend in de 1814 ingestelde Nederlandse adel, wordt op basis van nieuw onderzoek en archiefmateriaal getoetst aan de adelsrecht en van deskundig commentaar voorzien. De kleurenafbeeldingen van de wapentekeningen uit het officiële register zijn voorzien van moderne beschrijvingen en toelichting. Voor het eerst worden ook de registertekeningen van de wapens van het Koninklijk Huis gepubliceerd. De wapentekeningen bieden een fraaie kijk op het artistieke werk van de verschillende heraldische tekenaars. n

toerisme. Tegelijk zet een ongebreidelde stedelijke groei de historische binnensteden onder steeds grotere druk. Het is dus tijd voor een nieuwe oriëntatie op de historische stad.
 Hoe benutten we de bestaande kwaliteiten van de stad voor een vitale toekomst? Hoe keren we de toenemende bedreigingen die zich in alle historische kernen laten voelen? Wat is de economische betekenis van erfgoed voor een stad die vooruit wil? Welke mogelijkheden en beperkingen biedt het erfgoed voor de ontwerpopgaven waar we voortdurend mee worstelen?

Prijs

€ 29,50

E

rfgoed speelt een steeds nadrukkelijker rol in de ontwikkeling van de hedendaagse stad. Het blijkt een belangrijke vestigingsfactor voor een nieuwe generatie stadsbewoners, voor opkomende bedrijven in de dienstverlening en creatieve industrie en ook voor recreatie en

Gezin XXL Auteur

Ad Rooms Uitgave

WBooks

Dit zijn de vragen die centraal staan in dit boek.
Heritage As an Asset for Inner City Development put uit de ruime ervaring van docenten en deelnemers aan de cursus Urban Heritage Strategies. Daarbij passeert een variatie aan steden de revue: Paramaribo, Recife, Accra, Pretoria, Moskou, Pulicat, Jaffna en Surabaya. Elke stad heeft op haar eigen wijze een historische band met Nederland. n

vroeger was dat wel anders; huishoudens met acht kinderen of meer waren geen uitzondering. Er kwamen zelfs families voor waar het kinderaantal de twintig passeerde. Maar hoe ging het er nu aan toe in zo’n kinderrijk gezin? Hoe hielden de ouders het huishouden gaande, en hoe beleefden de kinderen hun jeugd?

D e ta i l s

Gebonden, 672 pagina’s, ca. 1.000 illustraties in kleur, ISBN 978-94-6258-000-8 Prijs

€ 19,95

T

egenwoordig is het gemiddelde aantal kinderen per Nederlands gezin ongeveer 1,7. Als mensen vier of vijf kinderen hebben, noemen we dat al een groot gezin. Maar

Dit boek geeft een indruk van het leven in een kinderrijk gezin, aan de hand van verhalen van ervaringsdeskundigen – waaronder enkele bekende Nederlanders. Wat herinneren mensen zich aan het opgroeien met zovele broers en zussen? Hoe kregen vader en moeder bijvoorbeeld voor zoveel mensen eten op tafel, en waar sliep iedereen? Verder schetst Gezin XXL ook een beeld van de huidige situatie en werpt een blik op de toekomst; want grote gezinnen bestaan ook nu nog. n

30

VITRUVIUS_Oktober2014_v3.indd 30

24-07-14 12:33

Donat


Op de foto: “Exact weten we het niet, maar aangenomen wordt dat Slot Doddendael (Ewijk) stamt uit de jaren dertig van de 14e eeuw en haar naam te danken heeft aan de lisdodden die in de omgeving groeiden. De terrassen geven een prachtig zicht op het eeuwenoude Slot, de tuinen, boomgaard en slotgracht. Maar ook binnen waan je je in vroeger tijden. De muren van de vroegere wapenkamer, het Arsenaal, zijn beschilderd met wapens door de in trompe-l’oeil gespecialiseerde schilder Willem Rutgers. De voorwerpen zijn zo levensecht geschilderd, dat gasten ze soms van de muur willen pakken. Het hele huis is gerestaureerd met authentieke materialen. De lemen vloeren hebben we vervangen door oude plavuizen en een ingebouwde vide geeft meer ruimte. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de mensen hier graag vertoeven.” Dhr. H.A.J.M. Braam, eigenaar van Slot Doddendael te Ewijk

D

onatus verzekert vertrouwd

Monumenten worden met veel zorg omgeven door eigenaren en beheerders. Dat is belangrijk en nodig. Net als het kiezen van de juiste verzekering. Al sinds 1852 heeft Donatus ervaring in het verzekeren van monumentale kerken en gebouwen. Als onderlinge maatschappij werken wij zonder winstoogmerk. Wij hebben dan ook geen klanten, maar leden. Maak vrijblijvend kennis met Donatus. Onze expertise zal u verbazen en verrassen, evenals onze jaarlijkse premierestitutie.

sinds 1852

www.donatus.nl tel. 073 - 5221700

Donatus-Vitrivius-adv205x285_mag-FC-F.indd 1

VITRUVIUS_Oktober2014_v3.indd 31

13-03-14 12:32

24-07-14 12:33


VITRUVIUS_Oktober2014_v3.indd 32

24-07-14 12:33

Profile for Uitgeverij Educom

Vitruvius oktober 2014  

Onafhankelijk vakblad voor erfgoedprofessionals. Archeologie, Cultuurlandschap, monumenten, immaterieel erfgoed & volkscultuur

Vitruvius oktober 2014  

Onafhankelijk vakblad voor erfgoedprofessionals. Archeologie, Cultuurlandschap, monumenten, immaterieel erfgoed & volkscultuur