Page 1

O n a f h a n k e l i j k v a k b l a d v oo r e r f g o e d p r o f e s s i o n a l s Archeologie | Cultuurlandschap | Monumenten | Immaterieel erfgoed | Volkscultuur

Jaargang 7 | Numme r 2 7 | a pril 2 0 1 4

Fort Rammekens, de consolidatie van een geheimzinnig fort

Gras upt werp

VITRUVIUS april 2014.indd 1

Huize Granville

Onderzoeksagenda van leiden

18-02-14 15:40


Uw speciaal Erfgoed verdient een Special in Vitruvius Steeds meer Steeds meer gemeenten gemeentenzetten zetten zich zichactief actiefininvoor voorhun huneigen eigencultuurcultuurhistorie, monumenten, musea, bodemvondsten en ander musea, bodemvondsten en andererfgoed. erfgoed. voor Erfgoed spreekt inwoners inwonersaan: aan:talloze tallozevrijwilligers vrijwilligerszetten zettenzich zichinin voor het behoud van van een eenmonument, monument,of ofzijn zijnactief actiefinin een historische verhet behoud een historische vereniging. Cultuurhistorie draagt bovendien sterk bij aan een gevoel eniging. Cultuurhistorie draagt bovendien sterk bij aan een gevoel van locale identiteit. identiteit. Erfgoed leeft! van locale Erfgoed leeft! Presenteer uw gemeentelijk erfgoedbeleid in vakblad Vitruvius met Presenteer uwInformeer gemeentelijk in vakblad Vitruvius met een ‘special’. naarerfgoedbeleid de plaatsingsmogelijkheden. een ‘special’. Een eerste voorbeeld vindt uvoor op pag. 22-27. Bovendien ontvangt u kosteloos 500hiervan exemplaren promotionele Bovendien ontvangt u kosteloos 500 exemplaren voor promotionele doeleinden. Meer weten? Mail: info@uitgeverijeducom.nl Of bel de uitgever op 010-425 44. doeleinden. Meer weten? Mail:65info@uitgeverijeducom.nl Of bel de uitgever op 010-425 65 44.

VITRUVIUS april 2014.indd 2

Educom BV Drukwerk Investeringen Marketing Internet www.uitgeverijeducom.nl

18-02-14 15:40


Jaargang 7 Nummer 27 april 2014

Kort

5

11

Fort Rammekens, de consolidatie van een geheimzinnig fort

Huize Granville Het laadvermogen van plek en stad

14 Gras upt werp

De integrale bouwhistorische en archeologische onderzoeksagenda van Leiden

6

12

19

3

VITRUVIUS april 2014.indd 3

18-02-14 15:40


colofon Onafhankelijk vakblad vOOr erfgOedprOfessiOnals archeOlOgie | cultuurlandschap | MOnuMenten | iMMaterieel erfgOed | vOlkscultuur

ja a r ga n g 7 | n u M M er 2 7 | a p r il 2 0 1 4

Vitruvius

nummer 27

april 2014

Vitruvius is een informatief, promotioneel, onafhankelijk vaktijdschrift dat beoogt kennis en evaring uit te wisselen, inzicht te bevorderen en belangstelling te kweken voor de vakgebieden archeologie, cultuurlandschap, monumenten, immaterieel erfgoed en volkscultuur.

fOrt raMMekens, de consolidatie van een geheiMzinnig fOrt

Vitruvius komt tot stand m.m.v. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. gras upt werp

huize granville

OnderzOeksagenda van leiden

Sub-Sponsor

Een uitgave van

Uitgeverij Educom BV Mathenesserlaan 347 3023 GB Rotterdam Tel. 010-425 6544 Fax 010-425 7225 info@uitgeverijeducom.nl www.uitgeverijeducom.nl

Muurhuizen 104 3811 EL Amersfoort Tel. 033-422 77 90 info@shmn.nl www.shmn.nl Joint venture van de Alliantie en Mitros

Mede-ondersteuners

Colofon Vakblad Vitruvius werkt met een onafhankelijke

Lange Haven 9 3111 CA Schiedam Tel. 010 273 25 11 mail@steenhuismeurs.nl www.steenhuismeurs.nl

redactie en redactieraad Uitgever/bladmanager

Robert Diederiks

Redactie

Ruurloseweg 83 7251 LC Vorden Tel. 0575-519 455 Fax 0575-519 550 www.frisowoudstra.nl

S.A. Muller

Drs. E. Raap

mw. Drs. P.J. Braaksma

mw. Drs. F.M.E. Snieder

R.P.H. Diederiks

Redactieraad

mw. Drs. (Margreeth) W. Bangert Res nova Monumenten

Dr. C.H.M. (Chris) de Bont Paganellus Minor

Drs. H.M.P. (Jeroen) Bouwmeester RCE

Dr. R.J. (Reinout) Rutte TU Delft

mw. Drs. F.M.E. (Francien) Snieder

ABONNEMENTEN 4 nrs/jaar: Nederland E 45.- /BelgiĂŤ E 55.-. Voor betaling wordt een factuur verzonden. Vermeld bij correspondentie altijd het abonneenummer (zie de factuur). Tijdige betaling garandeert regelmatige toezending. Abonnementen lopen automatisch door. Opzeggingen (uitsluitend schriftelijk per aangetekend schrijven) dienen uiterlijk twee maanden voor afloop van de abonnements periode in ons bezit te zijn.

Afdeling Archeologie gemeente Amersfoort Prof.Dr.Ir. M. (Theo) Spek Rijksdienst voor het Cultureel erfgoed, RU Groningen mw. Ir. G.A. (Gerdy) Verschuure-Stuip TU Delft

LEZERSSERVICE / NABESTELLINGEN Adresmutaties/abonnementen en nabestellingen doorgeven via info@uitgeverijeducom.nl. Š Copyrights Uitgeverij Educom BV April 2014 ISSN 1874-5008 Niets uit deze uitgave mag worden gereproduceerd met welke methode dan ook, zonder schriftelijke toestemming van de uitgever.

4

VITRUVIUS april 2014.indd 4

18-02-14 15:40


Vitruvius

nummer 27

kort

april 2014

Symposium Culturele draagkracht op de TU Delft

O

p de laatste vrijdag van november 2013 stond op de faculteit Bouwkunde culturele draagkracht centraal . Het doel van deze bijeenkomst was om te onderzoeken of een term als culturele draagkracht, de veranderkracht van een gebouw of omgeving, zou kunnen bijdragen om tijdens transformatieprocessen beter de essentie van het gebouw en haar omgeving uit te drukken. Waar liggen niet alleen maar de (cultuurhistorische) waarden, maar waar liggen de kansen en mogelijkheden? Want, zoals Professor Marieke Kuiper en universitair docent Wido Quist, beide werkzaam bij RMIT (TU Delft) dit formuleerden, nu in de erfgoedwereld het adagio ‘behoud gaat voor vernieuwen’ heeft plaatsgemaakt voor ‘behoud door ontwikkeling’ moeten ook het bijbehorende begrippenkader tegen het licht worden gehouden en aangevuld. Cultuurhistorische waarden en authenticiteit,

die tot op heden de boventoon voerden, gaan nu hand in hand met gebruik, energiebesparing en duurzaamheid. Hoe kan per project uitgedrukt worden hoe al deze aspecten zich tot elkaar verhouden? Het beeld van een vierarmige weegschaal verbeelde de zoektocht naar deze balans, waarin het algemene erfgoedbelang staat tegenover de kracht van het object en de behoeft aan behoud staat tegenover de behoefte tot transformatie (zie G. Boissevain).

tijdens het symposium is uitgedeeld. Deze is te downloaden via: http://widoquist.nl/ images/Culturele_draagkracht_klein.pdf. Mocht u nog meer geprinte exemplaren van het boekje willen bestellen, dan kan dat via: http://www.1boek.nl/index.php/catalog/ product/view/id/129247/s/culturele-draagkracht/ of via de reguliere (internet) boekhandel (16,50 euro). n

Onder leiding Marieke Kuiper en Wido Quist, beide werkzaam bij de afdeling RMIT van de TU Delft, werd met enkele sprekers en de zaal nagedacht hoe culturele draagkracht kan gedefinieerd met termen als tolerantie, bezwijklast, belang van het ‘verhaal’ en de rol van een goede opdrachtgever en tal van andere aspecten. Deze bijdragen zijn gebundeld in een publicatie, die

Nieuwe archeologische verwachtingskaart rivierengebied komt eraan

O

p initiatief van Rijkswaterstaat en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed is vorig jaar gestart met het vervaardigen van een archeologische verwachtingskaart rivierengebied. In het voorjaar van 2014 is de kaart beschikbaar. Bij Rijkswaterstaat Ruimte voor de Rivier bleek dat er behoefte is aan een actueel en gedetailleerd overzicht waarop staat welke archeologische resten er zijn en worden verwacht in de uiterwaarden. De bestaande archeologische verwachtingskaart van de

uiterwaarden dateert al weer uit 1998 en geeft een gedateerd beeld. De verwachtingskaart is een instrument om in een vroeg stadium archeologische risico’s te herkennen. Zo waarborgen we een zorgvuldige omgang met belangrijke vondsten in de bodem van de uiterwaarden. Sinds het begin van deze eeuw is heel veel kennis opgedaan op het gebied van landschapsontwikkeling en archeologie binnen de uiterwaarden. De verwachting is dan ook dat de nieuwe kaart een belangrijk

Twee grote Nederlandse natuurorganisaties fuseren

D

e fusie tussen de organisaties 12Landschappen en Landschapsbeheer Nederland is een feit. 12Landschappen heeft het grootste gebied van de Nederlandse natuur in handen. De

organisatie Landschapsbeheer Nederland bezit geen eigen terrein, maar is met 67.000 mensen wel de grootste vrijwilligersorganisatie in Nederland. Op dat punt sluiten de organisaties goed op elkaar aan. De landschappen in bezit, krijgen in de

instrument gaat vormen bij toekomstige uiterwaardprojecten. De resultaten van de archeologische onderzoeken tijdens Ruimte voor de Rivier-werkzaamheden worden erin verwerkt. De kaart wordt vervaardigd door een team van fysisch geografen van de Universiteit Utrecht en Deltares en archeologen van de Rijksuniversiteit Groningen. De kaart beslaat de uiterwaarden van alle Rijntakken en de uiterwaarden van de Maas stroomafwaarts vanaf Mook. n

nieuwe organisatie beschikking over de vele vrijwilligers. Bijkomend voordeel is dat beide organisaties zijn opgebouwd uit provinciale afdelingen. Doordat het natuurbeleid in Nederland gedecentraliseerd is, moeten organisaties nu ook op provinciaal niveau onderhandelen en samenwerken. n

5

VITRUVIUS april 2014.indd 5

18-02-14 15:40


Vitruvius

Ma, R.P. (Robert) Timmer Erfgoedspecialist en projectleider fort Rammekens, Staatsbosbeheer

ir. E.J. (Erik Jan) Brans Architect, Rothuizen Erfgoed Architecten Stedenbouwkundigen

nummer 27

april 2014

Fort Rammekens, de consolidatie van een geheimzinnig fort

1 - Luchtfoto

I

nleiding Op de meest zuidelijke punt van Walcheren, iets ten zuidoosten van Vlissingen, schuilt achter de hedendaagse deltadijk een vesting. Al eeuwenlang staat deze aangegeven op topografische-en navigatiekaarten. Het zicht vanaf het hoofdbastion over de Westerschelde verraadt nog steeds het strategische belang van het fort. Waar ooit handelsschepen langs voeren, varen nu enorme containerschepen voorbij. Het fort kent een lange geschiedenis van zowel militair als civiel gebruik, afgewisseld

met leegstand, verval, intensief opknappen en aanpassen, en weer verval. De vesting en het natuurgebied eromheen vormen in die zin een symbiose en vertellen het verhaal over hoe het fort en haar omgeving is ontstaan. De kreken om het fort zijn bijvoorbeeld gevormd doordat de geallieerden in 1944 de dijk bombardeerden om de vijand op Walcheren uit hun schuilplaatsen te verjagen. In het voorjaar van 2011 ontving Staatsbosbeheer subsidie om het fort te restaureren. Dat was hard nodig want grote delen van

de bekleding van de buitenmuur waren ingestort en het fort werd overwoekerd door begroeiing. Regenwater drong overal tussen de muren en droop via de gewelven in de kazematten. Hoe neem je maatregelen tegen verval zonder de bijzondere historische gelaagdheid van het fort geweld aan te doen? Hoe ga je om met waardevolle en deels beschermde begroeiing, die juist bestaat bij gratie van het verval? Kenmerkend voor het fort vóór de opknapbeurt is dat er veel verborgen is. Je weet niet goed wat je onder een enorme hoeveelheid braamstruiken aantreft. Om bij de gewelven te komen

6

VITRUVIUS april 2014.indd 6

18-02-14 15:40


Vitruvius

nummer

27

april

2014

Fort Rammekens is in de periode 2011-2013 gerestaureerd. De aanpak, een zogeheten consolidatie, was zeer behouden en toont respect voor alle levensfases van het gebouw. Vooraf was moeilijk in te schatten hoe slecht de muren waren en welke restanten zich onder de grond bevonden; daar kom je in het werk pas echt achter. Dit heeft om veel maatwerk

oplossingen gevraagd. Een nauwe samenwerking tussen archeoloog en bouwhistoricus en korte communicatielijnen hebben bijgedragen aan een succesvolle consolidatie. Het beeld na de consolidatie laat zien dat natuur en cultuur elkaar op een bijzondere manier kunnen versterken.

3 - Onderbouw voor tankkoepel fort Rammekensvan fort Rammekens

2 - De imposante Renaissancepoort van fort Rammekens

moet je vervolgens een dikke laag aarde verwijderen. Welke verborgen geschiedenis bevindt zich hier? En het is ook lastig om in te schatten hoe slecht de muren echt zijn. Welke gebreken gaan er achter schuil? De groei van houtige gewassen is een indicator dat er vocht en holle ruimte achter de muur aanwezig is. Maar je komt er pas achter als je één voor één de stenen los haalt. Sprekende tijdlagen Fort Rammekens is, in opdracht van Maria van Hongarije, in 1547 in een aantal jaren gebouwd om de toegang tot Middelburg en Antwerpen beter te kunnen verdedigen tegen de Fransen. Hiervoor werd de Italiaanse vestingbouwkundige Donato de Boni aangetrokken, die een voor die tijd revolutionair vormgegeven gebastioneerd stelsel ontwierp volgens de laatste Italiaanse inzichten. Daarnaast is het een zeer vroeg voorbeeld van een verdedigingswerk dat puur als zeefort ontworpen is en niet ook een adellijke (representatieve) woonfunctie had (Kruijf, 2004). Het voormalige verdedigingswerk bestaat uit een hoofdbastion en twee halfbastions en werd deels buitendijks gebouwd. De imposante toegangspoort is een imposant onderdeel uit de oorspronkelijke bouwperiode. In de 16de en 17de eeuw, waarin het fort nauwelijks nog een militaire functie heeft, vervult het een belangrijke rol in de havenfunctie van Middelburg. Schepen wachten

op de Rede op een gunstige wind om uit te varen. Na de landing en aftocht van de Engelsen in 1809 zag Napoleon de noodzaak om Vlissingen als marinehaven beter te verdedigen. Hij liet een masterplan maken en ziet daarbij ook de strategische ligging van Rammekens in. De verbouwing in zijn opdracht, is grondig. Om het fort aan de eisen van zijn tijd te laten voldoen worden kwetsbare kanonspoorten dichtgemetseld en verkleind voor handvuurwapens. Alle bebouwing op het fort wordt met de grond gelijk gemaakt. Het fort wordt opgehoogd met een dikke laag aarde, en er worden met grond afgedekte kazematten gebouwd. Tweehonderd jaar later is het handschrift van Napoleon nog duidelijk zichtbaar. Na de Belgische opstand in 1830 raakt Fort Rammekens in de vergetelheid. Verval treedt langzaam in en er ontstaan bijzondere natuurwaarden. Het zal tot de Tweede Wereldoorlog duren voordat Fort Rammekens weer een militaire betekenis krijgt. Na de Duitse inname van Nederland worden er in 1941 in het gebied rondom Vlissingen een aantal luchtafweerkanonnen en verschillende zoeklichten opgesteld, om het luchtruim boven de stad en de aanvliegroutes te bestrijken. Als hoog punt in het landschap is het fort een geschikte plek. Verschillende opstellingen en restanten van loopgraven getuigen van

deze periode (Vlaander, 2013). In 1972 werd het fort overgedragen aan Staatsbosbeheer. Aanpak met respect voor de ziel van het gebouw “Bij restauraties houd ik altijd mijn hart vast. Te vaak gaat het om renovaties waarbij ook de ziel van een gebouw er vakkundig wordt uitgeslagen. Dat is gelukkig niet gebeurd bij Fort Rammekens, dat vorige week ‘heropend’ werd. Het betreft daar dan ook geen restauratie in de traditionele betekenis van het woord, maar een consolidatie. Daarbij streef je er niet naar een gebouw ‘in zijn oorspronkelijke staat’ te brengen, of ‘terug te restaureren’ naar zijn glorietijd. Nee, je toont alle levensfases van het gebouw, min of meer zoals je het aantrof. De ingrepen die je wel doet zijn erop gericht schade aan de constructie te herstellen en te voorkomen.” (Ool, van, 17 sept. 2013) In 2007 is de eerste aanzet voor een plan gegeven, toen duidelijk werd dat de staat van het fort wel eens gevaar zou kunnen opleveren voor bezoekers. Het was belangrijk om eerst een indruk van de aanwezige waarden te krijgen. Dan pas kan de discussie over de aanpak en over het spanningsveld tussen natuur en cultuur, voor zover dat er is, goed gevoerd worden. De voorbereiding was bijzonder. Vooronderzoek gaf slechts een globaal beeld van de bouwkundige staat 7

VITRUVIUS april 2014.indd 7

18-02-14 15:40


Vitruvius

4 - Inventarisatie van de wettelijk beschermde muurbloem (Erysimum cheiri), die in grote getale op de muur van het fort floreert.

en van de aanwezige waarden. Veel delen van het fort waren simpelweg niet zichtbaar of waren slecht toegankelijk. Het fort was aan de buitenzijde totaal overwoekerd met bramen, er was geen zicht op de kwaliteit van de onderste drie meter van de muurwerken. De uitvoering was bij de eerste vooropnamen nog onzeker. Mede daardoor kon de begroeiing niet zomaar verwijderd worden. Ook de bovenzijden van de gewelven konden niet tot zeer beperkt onderzocht worden. Deze zijn bedekt met een dikke laag aarde, soms wel meer dan vier meter dik. Er moest een globaal plan gemaakt worden op basis van aannames en steekproeven, want het was veelal onmogelijk om specifieke technische uitwerkingen voor te schrijven. Op basis van de beschikbare informatie zijn een aantal principiële afwegingen gemaakt. Er is een vooronderzoek gedaan naar aanwezige flora en fauna. In situ archeologisch en bouwhistorisch onderzoek is in de planvormingsfase van verkennende aard. De verkenning en –indien mogelijk- waardering hiervan is in deze fase in grote mate gebaseerd op aanwezige literatuur. In het plan zijn verschillende zoneringen aangebracht. Een zonering in de belangrijkste tijdlagen en in de natuur- en belevingswaarde. Het fort is als het ware ontleed in logische, conceptuele identiteiten. De buitenkant van het fort was sinds de bouw ongewijzigd en bevatte de meeste sporen van de 16e eeuwse periode. De binnenplaats had de uitstraling van een 19de eeuws fort en bovenop bevonden zich de meeste restanten uit de periode van de Tweede Wereldoorlog. De essentie van de consolidatie De invloed van vocht en vorst zijn de

voornaamste oorzaken die het bouwkundige verval versnellen. Dit uitte zich in het loskomen van de natuurstenen bekleding en het verkruimelen van de in het zicht gekomen bakstenen kern. Vocht en vorst zorgde ook voor het verlies aan samenhang in de gewelven, door uitlogen van het bindmiddel uit de voegen. De kern van de consolidatie moest zich dus richten op deze problematiek. Vanuit een bouwkundige benadering spreken we hier dus over problematiek. De ontstane natuur heeft zich juist kunnen ontwikkelen door het rijkelijk aanwezige vocht en de slechte bouwkundige staat van de muren. Muurbegroeiing floreert en het afbrokkelend muurwerk biedt nest- en schuilgelegenheid voor tal van diersoorten. Het treffen van maatregelen die maximaal ten dienste staan van het behoud van het gebouw, zou er voor zorgen dat de voedingsbodem en habitat verdwijnt en het ruïneuze karakter zou worden aangetast. Er is gekozen voor een consolidatie, een behouden vorm van restaureren die voorziet in een respectvolle omgang met alle cultuurhistorische waarden (tijdlagen). Geen harde afweging tussen het gebouw of de bijzondere natuurwaarden, maar een behouden aanpak met respect voor de ziel van het monument. Dit vraagt gedurende de uitvoering om kennis van- en aandacht voor- de aanwezige waarden. Hierop is in het werk geanticipeerd door professionele archeologische en bouwhistorische begeleiding enerzijds en een communicatie- of opleidingstraject voor iedereen die op het fort kwam werken. Er is bijvoorbeeld een instructievideo gemaakt en op het werk zijn diverse waarde- of

nummer 27

april 2014

herkenningskaarten opgehangen. Kenmerkend voor de buitenmuren is het ruïneuze, doorleefde karakter met muurbegroeiing en de natuurstenen bekleding, die op veel plekken ingestort- of niet meer aanwezig was. Er is gekozen om op plekken waar de kenmerkende natuurstenen schil nog grotendeels aanwezig was, al dan niet ingestort, deze zo te consolideren dat hier het verval maximaal geremd is. Bij de aanpak van de bakstenen kern ligt de nadruk op natuurwaarden. De scheiding is niet zwart-wit. Niet alle begroeiing hoefde uit technisch oogpunt verwijderd te worden uit de natuurstenen schil en er worden plaatselijk maatregelen genomen om de erosie van de bakstenen kern wat te remmen. Waar bouwkundig herstel niet strikt noodzakelijk was, is niet ingegrepen. Kenmerkend voor deze aanpak is een grote scheur in het muurwerk van één van de halfbastillions. Door continue monitoring over meerdere jaren was te zien dat de scheur bewoog met de dagelijkse opwarming en afkoeling, maar deze beweging lag gemiddeld op ongeveer 0,7mm per dag. Verdere groei van de scheur is niet waargenomen. De scheur bleek geen bouwkundig risico en er is hier niets aan herstel gedaan. Indien mogelijk is er om waardevolle muurbegroeiing heen gewerkt. Voor de wettelijk beschermde muurbloem, die zo kenmerkend is voor fort Rammekens, gold dit nadrukkelijk. Niet altijd kon natuur voorrang krijgen, soms waren bouwkundige ingrepen écht noodzakelijk. Er zijn, in samenwerking met experts, experimenten uitgevoerd met het uithalen en op andere plekken terugplaatsen van de muurbloem. Ook is er voor de tijdelijke ‘opslag’ van de muurbloem een proefopstelling gemaakt met drie verschillende grondsoorten. Ondanks herkenningskaarten en instructievideo blijft dit een kwetsbaar aspect. Metselploegen wisselen in samenstelling en hebben een andere focus. Goede monitoring van gemaakte afspraken en dito terugkoppeling hiervan is van belang gebleken. Tijdens de uitvoering moest er dus op verschillende fronten ingespeeld kunnen worden op onvoorziene omstandigheden. De buitenmuur is zorgvuldig ontleed. Bijna steen voor steen is gekeken wat er los zat en hoe, in relatie tot de aanwezige waarden, de aanpak hierop afgestemd kon worden. Er

8

VITRUVIUS april 2014.indd 8

18-02-14 15:40


Vitruvius

nummer

27

april

2014

5 - Foto voor- en na de consolidatie van de buitenmuur

Voor

zijn hierbij een aantal oplossingen te onderscheiden. Op plekken waar de natuurstenen bekleding niet meer aanwezig was is zo min mogelijk gedaan. Op plaatsen met overkragend metselwerk, waar het risico van verdere erosie groot was, zijn consolestenen aangebracht. Dit is een oplossing met respect voor ruïnevorming en nauwelijks van invloed op de aanwezige natuurwaarden. De consolestenen, of vaste punten, zijn nauwelijks zichtbaar en vormen een logisch geheel met de ruïneuze muur. Na een aantal experimenten is een blok ontwikkeld, gemaakt van gekleurd beton, met rood marmer granulaat als vulstof, in de vorm van een rijtje van 4 koppen. Door de koppen op maat af te hakken toont het ruwe oppervlak zich als een afgebrokkelde baksteen kop. De blokken zijn met een ingestort anker aan de muur bevestigd. Op sommige plekken bevonden zich grote holle ruimtes achter de buitenschil. Deze plekken zijn zoveel mogelijk met een speciale mortel geïnjecteerd en verankerd. Als er stenen verwijderd moesten worden, zijn deze zorgvuldig genummerd en op dezelfde plek teruggeplaatst.

Na

6 - Situatieschets oorspronkelijke situatie flankmuur

Om het afbrokkelen van de muurtoppen te vertragen is een afdekking noodzakelijk. Dit kan op vele manieren, zoals het aanbrengen van een afsmeerlaag, opofferingslagen of een ventilerende afdekking met bijvoorbeeld lood. Een minder harde of kunstmatige mogelijkheid is het aanbrengen van een bufferende “groene” afdeklaag. Vanwege de goede ervaring bij andere projecten is gekozen voor een afdekking met kleiachtige plaggen. De met een nylonnet gewapende plaggen worden gestapeld met er tussen een laag vochtbufferende gel. Het principe berust op de opname van hemelwater in de afdeklaag, die door zijn kleiachtige karakter zelf niet snel water door laat. Het overtollige water loopt er gewoon af. Belangrijk is dat de afdekking in een voldoende dikke laag wordt aangebracht, ook met het oog op de vorstgevoeligheid. Een dikke afdekking buffert naast fluctuaties in vocht, ook de verschillen in temperatuur. Bij te steile afdekkingen is, aansluitend aan het bestaande, gekozen om gebruik te maken van een afsmeerlaag. Archeologisch en bouwhistorisch reservaat Ook het grondwerk kende tal van verrassingen. Het bleek één groot archeologisch en bouwhistorisch reservaat, met vondsten 9

VITRUVIUS april 2014.indd 9

18-02-14 15:40


Vitruvius

nummer 27

april 2014

7 - Detail afdekking archeologische zone

uit verschillende tijdlagen. Uit de oorspronkelijke bouwfase zijn bijvoorbeeld de flankmuren of oreillions blootgelegd. Noemenswaardig zijn ook diverse fundamenten van de oorspronkelijke bebouwing bovenop het fort, zoals een gave kelder met aanzetten van de gewelven er nog aan. Voorts zijn er kneppels (kanonskogels met staven er tussen) opgegraven, twee vermoedelijk Napoleontische skeletten, loopgraven en geschutsopstellingen uit de Tweede Wereldoorlog. Bij iedere vondst was het zaak om spoedig in situ waardestellend onderzoek te doen. De bouwhistoricus en archeoloog werkten nauw met elkaar samen en verzorgden integrale opnamedocumenten. Indien nodig werd het plan hierop aangepast. Goede communicatielijnen zijn hierbij van groot belang evenals nauw contact met de Gemeentelijke Monumentencommissie en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. De gewelven van de kazematten zijn van bovenaf waterdicht gemaakt met leem en plaatselijk, waar dit al aanwezig was, met bitumen. Een goede af- en ontwatering is van substantieel belang.

Het afdekken met een folie of andere waterdichte laag heeft bij projecten in het verleden niet altijd geleid tot succes. Het probleem is, dat wanneer er een lek zit in de folie er zeer geconcentreerd veel water doorlekt. Dit leidt plaatselijk tot grote overlast en schade. Bij een aantal andere projecten is een goed resultaat bereikt met een afdekking met een dikke laag leem. Leem is niet helemaal, maar redelijk waterdicht. De combinatie met een goede afwatering is van belang. Het leempakket volgt de loop van de gewelven en op het laagste punt zijn drainageleidingen geplaatst. Leem wordt gekozen omdat dit bij droging veel minder krimpt dan klei, waar zich bij droging door scheuren en tussen muurwerk en klei watervoerende openingen ontstaan. De af- en ontwatering bij archeologische en bouwhistorische resten vroeg steeds weer om maatwerk. In situ behoud stond hierbij voorop. Op de afbeelding is een voorbeeld te zien van de conceptuele opbouw die bij de afdekking van archeologische resten is toegepast.

Levend monument Vanuit onze eigen expertise –restauratiearchitect bij Rothuizen en erfgoedspecialist bij Staatsbosbeheer- hebben we elkaar goed aangevuld. Natuur en cultuur hebben elkaar op een bijzondere en sprekende manier versterkt. De belevingswaarde van geschiedenis en natuur is door de integrale aanpak alleen maar versterkt. Veel bijzondere restanten uit het verleden zijn blootgelegd. Nu is het meeste weer netjes afgedekt, maar het verhaal dat fort Rammekens vertelt is intens beleefbaar en springlevend. Literatuur -  Kruijf, T. de (red), (2004) Atlas van Historische Vestingwerken in Nederland, Zeeland, Uitgever Walburg Pers; -  Ool, M. van, (2013) ‘De mooiste muren’, artikel op weblog http://buitenplaatsen.wordpress.com/tag/muurbloem 17-10-2013; -  Rothuizen erfgoed (2011), Consolidatie fort Rammekens (consolidatieplan / bestek); -  Vlaander, J. (2013), Fort Rammekens, een poort naar de toekomst. In opdracht van Staatsbosbeheer. n

10

VITRUVIUS april 2014.indd 10

18-02-14 15:41


Vitruvius

nummer 27

april 2014

nieuws

uit het werkveld

Het laadvermogen van plek en stad omgang met cultuurhistorie bij bouwplannen, bestemmingsplannen en gebiedsontwikkeling. Daarmee verdwijnt Haarlem beslist niet onder een kaasstolp, maar vormen identiteit en eigenheid de vertrekpunten om voort te bouwen aan een vitale, aantrekkelijke stad met een geheugen.

Haarlemse visie

D

e afgelopen vijftien jaar is het werkveld van de erfgoedsector sterk veranderd. Dat kwam niet alleen door maatschappelijke ontwikkelingen en de crisis in de bouw. Ook het vakgebied maakt een cultuuromslag door met ‘Behoud door Ontwikkeling’, ‘Culturele Planologie’, ‘Erfgoed en Ruimte’ en de ‘Modernisering van de Monumentenzorg’. Dat deze ontwikkeling steeds andere eisen aan de erfgoedprofessionals stelt, moge duidelijk zijn. We gaan van sectoraal naar integraal, van objecten naar gebieden, van restricties naar inspiratie, en van behoud naar ontwikkeling. Steeds opnieuw worden erfgoedprofessionals gedwongen tot een heroriëntatie op doelstelling, maatschappelijke legitimatie, instrumentarium en strategie. De krimp van de overheid laat de sector niet ongemoeid, maar tegelijk schuift erfgoed op naar het hart van de ruimtelijke opgave en is er een immens draagvlak. Het behoud van de topmonumenten (de denkbeeldige ‘Collectie Nederland’) blijft een belangrijke opgave voor de erfgoedsector, maar daar is een heel andere opgave bijgekomen: bijdragen aan het versterken van de gebiedsidentiteit en ruimtelijke kwaliteit in Nederland. Daarmee richt de erfgoedsector zich

www.spoorbeeld.nl/beleid/station www.steenhuismeurs.nl

meer en meer op de ontwikkel- of vernieuwingsopgave: het bepalen van het stedenbouwkundige ‘laadvermogen’ van een plek, alsmede het definiëren van randvoorwaarden voor architectuur en beeldkwaliteit. Met de gemeente Haarlem en NS Stations werkten we aan projecten met een gebiedsgerichte benadering en ontwikkelingsgerichte strategie. De Haarlemse Visie Ruimtelijke Kwaliteit en de Nota Erfgoed en Ruimte richten zich vooral op het onbeschermde erfgoed en een aanpak om nieuwe ontwikkelingen zoveel mogelijk vanuit de bestaande kwaliteiten op te starten. Erfgoed en ruimtelijke kwaliteit zijn belangrijke vestigingsfactoren voor een stad en een troef om bewoners, bedrijven en bezoekers aan te trekken. Samen met MARC Erfgoed, stadsbouwmeester Van Aerschot en een interdisciplinaire ambtelijke projectgroep werkte SteenhuisMeurs een gebiedsgerichte aanpak uit. Centrale elementen zijn het inbrengen van kennis over de stad in ontwikkelingsprocessen en duidelijke keuzen en prioritering vanuit het perspectief van ruimtelijke kwaliteit en beleving. Het beleid krijgt een weerslag in een protocol voor de

Iets vergelijkbaars speelt op de schaal van gebouwen en ensembles. Zo horen stationsgebieden tot de meest dynamische plekken van het land en is het eigenlijk verbazingwekkend om te zien hoeveel erfgoed hier is te vinden, beschermd en onbeschermd. De spoorsector is zich van deze rijkdom bewust en ziet erfgoed als toegevoegde waarde voor de stationslocaties en de reizigersbeleving. Voor tientallen stations zijn waardestellingen opgesteld, volgens een door SteenhuisMeurs ontwikkelde richtlijn. Uiteraard gaat veel aandacht uit naar beschrijving en waardering, maar daarnaast ligt de nadruk op het ontwikkelperspectief. Hoe kunnen onvermijdelijke veranderingen de kwaliteit en herkenbaarheid van een station versterken? Daarbij gaat het om architectuur en beeld, reizigersbeleving en ontwerpthema’s waarmee materieel en immaterieel erfgoed kan worden omgezet in nieuwe architectonische uitdrukking. Met behoud, transformatie en vernieuwing worden de stations doorlopend geactualiseerd erfgoed.

Station Dordrecht

STEENHUISMEURS rubriek 11

VITRUVIUS april 2014.indd 11

18-02-14 15:41


nieuws

uit het werkveld

Vitruvius

nummer 27

april 2014

Huize Granville

Revitalisatie van een historische tuin torische tuin verdwijnen, vaak omdat zij als arbeidsintensief worden beschouwd. De bebouwing in de tuin dateert deels uit 1916 (het prieel bij de tennisbaan) en deels van latere datum, maar sluit wat betreft typologie en locatie aan bij het oorspronkelijke ontwerp en de typologie van de gemengde tuin. De garage is gebouwd in 1919, eveneens naar ontwerp van Joseph Cuypers, de oranjerie (inmiddels verdwenen) en het berghokje in de moestuin dateren uit de jaren twintig.

Het huidige Huize Granville en haar herstelde achtertuin

E

ven ten oosten van het centrum van Eindhoven ligt het als beschermd stadsgezicht aangewezen Villapark Tongelre. Deze groene zone binnen de stedelijke bebouwing van de stad heeft haar oorsprong in de jaren tien van de vorige eeuw en werd bewoond door de welvarende inwoners van Eindhoven. De Parklaan was de voornaamste straat van de wijk, waarlangs, naar ontwerp van vooraanstaande architecten, de villa’s van

Ontwerp van J. Juchem

Friso Woudstra rubriek

grote industriëlen werden gebouwd. Gelegen aan deze Parklaan ligt ook het kapitale Huize Granville. Het pand, in 1916 gebouwd in opdracht van industrieel Remi Mignot, is gesitueerd in een ruime tuin die gelijktijdig met de villa is ontworpen. De tuin bij het door Joseph Cuypers ontworpen Huize Granville is aangelegd volgens de principes van de ‘gemengde stijl’, waarbij de landschappelijke stijl werd gecombineerd met geometrische elementen. Het tuinontwerp was van de hand van tuinarchitect Joannes Theodorus Benedictus (John) Juchem (1881-1947) en was in 2012 onder de verwildering en achterstallig onderhoud nog enigszins herkenbaar. Door de aanwezige ‘landschappelijke’ elementen, zoals de lobben met daarom heen de paden, de locatie van solitaire bomen en clusters begroeiing, in combinatie met de geometrische onderdelen, zoals een traditionele moestuin achter een bakstenen muur en de resten van de contour van een tennisbaan, was de tuin nog representatief voor een tuin in ‘gemengde stijl’. Oorspronkelijk lag in de directe nabijheid van het huis een aantal geometrische bloemperken. Helaas zijn dat de eerste elementen die in een his-

Het afgelopen decennium kwam de belevingswaarde van de historische tuinaanleg door achterstallig onderhoud en de daardoor ontstane verwildering onder druk te staan. In het kader van een herbestemming en restauratie van het hoofdhuis werd ook de aandacht gericht op de tuin. Vanwege de monumentale status van de tuin, werd Res nova Monumenten in 2007 voorafgaande aan de planvorming voor de tuin, gevraagd een cultuur- en tuinhistorische analyse met waardenstelling uit te voeren. Op basis van de analyse en aanbevelingen heeft het bureau voor landschaps- en tuinarchitectuur Bangert en Van Hagen een revitalisatieplan voor de tuin van Granville opgesteld. Een van de oprichters van Res nova Monumenten, Margreeth Bangert, ligt tevens aan de wieg van Bangert en Van Hagen. De verwevenheid tussen historisch onderzoek en ontwerp voor zowel het gebouwde als het groene erfgoed draagt bij aan de kracht van een ontwerp waarbij de kwaliteiten en waarden van een historische ensemble van huis en tuin worden gerevitalisseerd. Revitalisatieplan De keuzes die zijn gemaakt in het kader van het opstellen van het revitalisatieplan voor de tuin van Granville zijn gebaseerd op verschillende aspecten die zijn samen-

info@frisowoudstra.nl Telefoon 0575-519 455 www. frisowoudstra.nl

12

VITRUVIUS april 2014.indd 12

18-02-14 15:41


Vitruvius

nummer 27

nieuws

april 2014

uit het werkveld

Wandelpad achterin de tuin houding van groot belang dat rekening wordt gehouden met het huidige gebruik en het gewenste onderhoudsprofiel.

Voor

Na

Het ketelhuis op de hoek van de moestuin

Voor gebracht om een verantwoord herstelplan voor de tuin samen te stellen. De aspecten die in dit proces een rol hebben gespeeld zijn: • aanwezige cultuurhistorische, tuinhistorische en historische waarden o  oorspronkelijke hoofdstructuur van de tuin o  aspecten van de tuinarchitectuur en plantenkeuze (zover bekend) van J. Juchem o  aspecten van de tuinarchitectuur en plantenkeuze uit het begin van de twintigste eeuw in het algemeen o  mogelijkheden om de verdwenen aspecten van de tuinarchitectuur en plantenkeuze in deze tuin in ere te herstellen o  de wens van eigenaresse de tuin zo onderhoudsvriendelijk mogelijk te maken. • aanwezige ecologische waarden: o  bodemtype en PNV (potentieel natuurlijk vegetatie) ter plaatse ten behoeve van een verantwoorde beplantingskeuze o  hoofdstructuur en beplanting (al dan niet passend in het oorspronkelijke ontwerp van J. Juchem) die

info@resnovamonumenten.nl Telefoon 06 - 11454247 www.resnovamonumenten.nl

Na

een eigen ‘microklimaat’ hebben bewerkstelligd in de tuin (flora en fauna) o  vitaliteit van aanwezige bomen en heesters.

Met name het onderzoek naar de destijds in Nederland woonachtige en werkende Belgische tuinarchitect J. Juchem bracht verassend nieuwe inzichten aan het licht. Over deze tuinarchitect is tot op heden heel weinig bekend en door een bijzondere samenloop van omstandigheden kon onder andere een bezoek worden gebracht aan Kasteel Borrekens te Vorselaar in België. De tuin van het kasteel was door Juchem ontworpen in 1911. De originele tekeningen waren nog aanwezig en konden ter plekke worden bestudeerd. In samenhang met de kennis van de huidige eigenaar van het kasteel over Juchem en het tuinontwerp van Borrekens bracht dit deel van het onderzoek waardevolle informatie in de zoektocht naar de achtergrond van Juchems ontwerpen en beplantingsplannen. Een historische tuin in éénentwintigste eeuw Bij het opstellen van een revitalisatieplan van een historische tuin is voor de instand-

Zo was vanwege de nieuwe kantoorfunctie van de villa een parkeerfaciliteit op het terrein noodzakelijk. De locatie voor dit parkeerterrein bevindt zich in het revitalisatieplan op de positie van de voormalige besloten moestuin. In deze noordwestelijke hoek van de tuin is ten opzichte van het oorspronkelijke ontwerp van Juchem en de bestaande toestand van de tuin een aantal onderdelen aangepast. De aanpassing is echter zeer terughoudend opgezet. Zo is het pad naar de parkeerplaats in een iets wijdere bocht gelegd rond een grote eik om haar wortels te beschermen tegen verdichting van de bodem door het verkeer van en naar de parkeerplaats. De aan weerszijden van de toegangsweg gelegen lobben zijn om die reden iets aangepast. Dit is echter niet merkbaar voor de bezoeker van de tuin. Bij Granville was het (zoals bij de meeste historische tuinen) de wens van de eigenaresse om een onderhoudsarme tuin te creëren. Een goede afstemming van de plantenkeuze met de bodemsoort is echter niet voldoende bij een monumentale tuin. Omdat de beplanting van een tuin een groot deel van de uitstraling bepaalt is het van belang soorten en combinaties te kiezen die binnen het oorspronkelijk ontwerp passen en aansluiten bij historische beplanting uit de periode waarin de monumentale tuin is ontworpen. Soms is dit een spannende zoektocht naar soorten en cultivars die aan beide ‘eisen’ voldoen. Het resultaat van de zoektocht naar de juiste keuzes is uiteindelijk gericht op het herstel, de versterking van de monumentale waarden en de instandhouding van de historische tuin.

drs Margreeth Bangert drs Don Rackham Res nova Monumenten

Res nova Monumenten Res nova Monumenten

rubriek 13

VITRUVIUS april 2014.indd 13

18-02-14 15:41


Vitruvius

nummer 27

april 2014

Gras upt werp M. Vroom Ecoloog en landschapshistoricus

E

moties in de Friese kwelder “Sinds vijftien jaar is het oorlog buitendijks,” zei boer Schelte Hoogland in het gemeentehuis van Ferwerderadiel op 7 maart 2013 in een gloedvol betoog. Hij vertegenwoordigde de particuliere grondeigenaren van een stuk buiitendijks land met de naam ‘NoordFriesland buitendijks’ en richtte zich vooral tegen de natuurbeheerder in de kwelder: “It Fryske Gea heeft het totaal verkeerd aangepakt.” De gemeente had voor deze bijzondere commissievergadering drie sprekers uitgenodigd om informatie te geven over hun plannen met het kweldergebied. Wethouder Talsma wilde leiding geven aan een goed debat, zodat er buitendijks beter wordt samengewerkt om het gebied verder te kunnen ontwikkelen. Nog nooit eerder was er zoveel belangstelling van het publiek voor een commissievergadering. In de zaal was de spanning te snijden. Een buitenstaander

Fries buitendijks erfgoed en de invloed van haar historie op het actuele natuurontwikkelingsdebat zal zich afvragen waar deze emotie vandaan kwam en wat dit te maken heeft met het Werelderfgoed Waddenzee en de cultuurhistorie van de kwelder? Het antwoord hierop ligt in een lang en rijk verleden. Werelderfgoed ‘Noord-Friesland Buitendijks’ is met meer dan vierduizend hectare de grootste kwelder van West Europa. De helft van het gebied bestaat uit slikken: vijftienhonderd hectare is kwelder met een bijzondere ecologie van zouttolerante planten en dieren. Zevenhonderd hectare bestaat uit zomerpolders, met lage dijkjes die het grasland in de zomer tegen de vloed beschermen. Tweemaal per dag komt namelijk door het getij het zeewater op de kwelder. Meestal blijven grote oppervlakken dan droog, maar bij een stevige stormvloed staat de hele kwelder onder water, zoals bleek toen in november 2007 honderdzeventig paarden in het water ston-

den. Onlangs kwam het zeewater tijdens de Sinterklaasstorm ook over de zomerdijken heen. De kwelder is onderdeel van de Waddenzee en daarmee ook UNESCO Werelderfgoed. Bezoekers van de kwelder genieten van de rust en weidsheid van het landschap, van de gigantische aantallen ganzen in de winter, de vele steltlopers die hier voedsel en rust zoeken en de duizenden broedvogels die er hun jongen grootbrengen. Het gebied is grotendeels in eigendom van natuurbeheerder It Fryske Gea. Een deel is van Staatsbosbeheer en ongeveer 165 hectare is nog in bezit van particulieren. Tien eeuwen geleden waren er nog zeer uitgestrekte kwelders in de Waddenzee. Ongeveer de helft van Friesland bestond toen uit kweldergebied. Door de bedijkingen is daar nu nog maar een fractie van over.

1 - De kwelder Noord-Friesland Buitendijks. (Kadaster 2011, topografisch basisbestand Top10NL) 14

VITRUVIUS april 2014.indd 14

18-02-14 15:41


Vitruvius

nummer

27

april

2014

2 - Het kwelderlandschap van Noord-Friesland Buitendijks gezien vanaf de zeedijk naar het noorden. (Foto M.Vroom) Voor een gezonde ecologische toestand van de Waddenzee streeft men daarom naar vergroting van het kwelderoppervlak. Eén van de manieren om dit te bereiken is de dijkjes van de zomerpolders door te steken, zodat het zeewater er weer kan komen. Maar er is veel verzet tegen deze zogenaamde verkweldering, niet alleen van de laatste grondeigenaren, maar ook andere streekbewoners. Waar komt dit verzet vandaan? Leven op de dynamische kwelder In de IJzertijd woonden de mensen in Friesland al op terpen. Ze weidden hun vee

3 -Paleografische kaart van noord-Friesland 1100 na Chr. Groen is het kweldergebied waarin de terpen (geel en rood), donkergroen de hogere kwelderwallen. (Huisman, 2008)

op de kwelder, legden kleine zomerdijken aan en maakten zoetwaterbekkens voor het vee (figuur 3). Toen de kwelder later steeds verder werd ingedijkt hadden de grondeigenaren bij de dijk recht op het aangrenzende buitendijkse land. De oudste zeedijk langs Noord-Friesland Buitendijks is ongeveer in de twaalfde eeuw aangelegd. Men legde toen de dijk hoog op de kwelder, dus weten we dat er toen ook al een strook kwelder aan de zeezijde van de dijk heeft gelegen. Het is zeer aannemelijk dat die kwelder toen al werd gebruikt voor het weiden van vee of om te hooien.

Gras upt werp De eerste directe bewijzen van agrarisch gebruik van deze kwelder vinden we in 1511, in het “Register van den Aanbreng”. In dit belastingregister wordt het grondgebruik van de dorpen langs de zeedijk beschreven. Hierbij komt vaak de term “gras upt werp” voor (figuur 4). “Werp” komt van aangeworpen land en betekent kwelder. Een gras is een oude oppervlaktemaat en staat voor een stuk grasland dat een koe in de zomer nodig had, ongeveer een halve hectare. Uit het “Register van den Aanbreng” blijkt dat er in 1511 in totaal 428 hectare “gras upt werp” in gebruik was door 93 boeren. Eén van de eigenaren van de kwelder was ridder Jancke Unema. Hij woonde in Blija op de Unemastate en had twintig gras op de kwelder in eigendom. Hij vocht in 1516 samen met andere edelen tegen de Bourgondische troepen die Friesland bezet hielden, met als gevolg dat zijn state door hen in brand werd gestoken. Jancke overleed in 1540 en liet zich begraven in de kerk van Blija, waar zijn grafzerk nog is te zien .

4 - Een pagina uit het Register van den Aanbreng uit 1511, waarin voor de dorpen langs de zeedijk de term “gras upt werp” voorkomt. (Friesch Genootschap 1880)

Recht op de aanwas De kwelder was ingedeeld in percelen, hier kegen genoemd, met sloten haaks op de zeedijk van Ferwerderadeel. Soms waren de keegeigenaren zelf boer, maar vaak waren 15

VITRUVIUS april 2014.indd 15

18-02-14 15:41


Vitruvius

5 - De loop van de Rijd met de afbuiging naar het noordwesten in de atlas van Eekhoff uit 1849-1859. (Digitaal archief Tresoar). ze grootgrondbezitters en verhuurden ze de kwelder. Voor deze huurders was het gebruik van de kwelder een belangrijk onderdeel van hun bedrijf, met zomerbeweiding en extra hooi. Het westelijke deel van Noord-Friesland Buitendijks kreeg vorm nadat de laatste zeedijk van Het Bildt in 1754 was aangelegd. De eigenaren beheerden gezamenlijk de kwelder die er voor lag. Ze stelden een zogenaamde polhoeder aan voor de dagelijkse werkzaamheden en verhuurden de kwelder elk jaar opnieuw aan boeren die hun vee konden inscharen. Door dit type beheer kregen de kwelderpercelen een onregelmatige vorm en waren ze groter dan de kegen. De conflicten in de kwelder zijn niet van de laatste tijd. Al in de achttiende eeuw woedde een zes jaar durende juridische strijd om het recht op de nieuw aangegroeide kwelder. De nieuwe zeedijk vormde namelijk een haakse hoek met de oude Zeedijk van

Ferwerderadeel, waardoor de eigenaren van de kwelders elk meenden rechten te hebben. Uiteindelijk werd vastgesteld dat de oude kweldergeul de Rijd de grens vormde. Op oude kaarten is te zien hoe deze Rijd naar het noordoosten in de Waddenzee uitmondde. Maar de eigenaren van de kegen maakten rond 1800 een dam in het slik zodat de Rijd naar het noordwesten afboog. Ze konden daardoor profiteren van de nieuwe kwelder die hier aangroeide (figuur 5). Deze bocht in de Rijd is nog steeds een prominent element in het landschap (figuur 6). Landaanwinning en inpolderingsplannen In de negentiende eeuw werd landaanwinning steeds belangrijker voor de eigenaren. Tussen 1840 en 1880 bloeide de landbouw, de prijzen waren hoog en de vraag naar nieuwe landbouwgrond steeg. Van oudsher werden de greppels jaarlijks uitgediept om met het slib de kwelder te verhogen. Bovendien zorgde de ontwatering voor een goede vegetatie die ook veel slib kon vasthouden. Op cruciale plekken werden dammen gelegd om de stroming af te buigen. Die dammen werden gemaakt van takken en aarde, bedekt met stro of riet. Later werden voor dit doel palen en stenen gebruikt. Door de kwelder in te polderen zou er ook akkerbouw mogelijk zijn op de vruchtbare klei en de waarde van de grond zou dan natuurlijk veel hoger worden. In de jaren zestig van de negentiende eeuw ontstonden daardoor serieuze plannen om de kwelder in te polderen. In 1863 wilden de eigenaren in de kwelder een “kapitale zeedijk” van zes kilometer lengte aanleggen om een polder van zeshonderd hectare. Maar in 1864 waren

nummer 27

april 2014

de plannen van Jonkheer Teding van Berkhout nog ambitieuzer. Hij wilde het hele Wad tussen de kwelder en Ameland inpolderen. Omdat de kweldereigenaren dit plan ondersteunden verdween hun eigen plan in het archief. De techniek die was bedacht om dijken in de Waddenzee te maken faalde echter. Na elke storm moesten de gaten in de dijk naar Ameland worden hersteld en op den duur kon de financiering van de herstelkosten niet meer worden opgebracht. Nog steeds zijn in de Waddenzee de sporen te vinden van deze dam uit 1880. Toen in 1891 eindelijk werd besloten dat de inpoldering niet doorging, maakten de kweldereigenaren meteen plannen om zomerpolders aan te leggen. Hierdoor zou het vee veilig zijn en konden ze de grond intensiever beweiden. Tussen 1892 en 1930 zijn twaalf zomerpolders aangelegd met een gezamenlijk oppervlak van 1079 hectare. Tientallen unieke drinkdobben Een andere manier om de kwelder meer efficiënt agrarisch in te richten was het maken van drinkdobben. Dit zijn zoetwaterbekkens met een dijkje er omheen, zodat in de zomer het vee hier kon drinken en eventueel een vluchtplaats kon vinden bij extreem hoge waterstand. Op de Topografische kaart uit 1930 zien we 62 drinkdobben in de kwelder (figuur 8). De ouderdom van deze drinkdobben is niet bekend. In historische kaarten duiken ze namelijk pas op als na 1832 de kaarten veel nauwkeuriger worden voor het Kadaster. In het archief van Noorderleegs Buitenveld, de westelijke kwelder die pas in de achttiende eeuw in gebruik kwam, is een voorstel gevonden uit 1777 om een grote ronde drinkdobbe aan te

6 - De bocht in de Rijd. (foto M.Vroom) 16

VITRUVIUS april 2014.indd 16

18-02-14 15:41


Vitruvius

nummer

27

april

2014

7 - Drinkdobbe gezien vanaf de zeedijk: een ringvormige verhoging met waterbassin. (foto M.Vroom) leggen. Maar in de kegen langs de Zeedijk van Ferwerderadiel, die toen al vele eeuwen in gebruik waren, kunnen de drinkdobben veel ouder zijn. Uit archeologische opgravingen bleek namelijk dat het principe van de drinkdobbe al sinds het begin van de jaartelling bekend was in het noorden van Friesland. In de twintigste eeuw maakte een waterleiding in de kwelder de dobben overbodig, waardoor er nu nog 32 over zijn. Ze vormen uniek cultureel erfgoed, ze zijn goed zichtbaar vanaf de zeedijk en ze hebben ook een hoge ecologische waarde voor bijvoorbeeld amfibieën en eendensoorten. Agrarische ambities versus natuurbeleid In de twintigste eeuw werd aan de zeezijde van de hele kwelder een systeem van rijs-

9 - Het monument voor de slikwerkers. (foto M.Vroom)

8 - De 62 drinkdobben in de Topografische kaart van 1930, de kleuren geven aan in welke kaarten de dobben voor het eerst zijn weergegeven.

houtdammen met greppels aangelegd van wel een kilometer breed . Tijdens de crisis van de dertiger jaren hebben honderden werklozen hier in het slik geploeterd in het kader van de werkverschaffing. Na de Tweede Wereldoorlog werden ook machines ingezet, maar het werken in de slappe klei bleef heel zwaar. De kwelder groeide door deze landaanwinningswerken met bijna duizend hectare. De slikwerkers worden geëerd met een monument aan de zeedijk bij Zwarte Haan (figuur 9). Na de watersnoodramp van 1953 was de noodzaak voor een veilige dijk op deltahoogte de aanleiding tot een nieuw plan om een polder aan te leggen. Maar het natuurbeleid kantelde in de tweede helft van de vorige eeuw volledig. Men kwam tot het inzicht dat kwelders zeldzaam zijn en een essentieel onderdeel van de Waddenzee vormden en daarom moesten worden beschermd. De gemoederen liepen hoog op in de streek. Agrariërs stonden tegenover natuurliefhebbers en de Waddenvereniging werd opgericht. Uiteindelijk kreeg de natuur van de Waddenzee prioriteit en daarmee verloren de kweldereigenaren hun perspectief op waardevermeerdering van de grond. Bijna alle eigenaren verkochten hun grond aan natuurbeschermingsorganisatie It Fryske Gea. Om het kwelderareaal van de Waddenzee te vergroten zouden enkele zeedijken kunnen worden doorgestoken. Maar zoals we zagen bij de discussie rond de Hedwigepolder: een dergelijke maatregel is nauwelijks bespreekbaar in Nederland. In Noord-Friesland Buitendijks ligt wel een eenvoudige mogelijkheid om het kwelderareaal met duizend

hectare te vergroten, door de zomerpolders weer aan het normale getij bloot te stellen. Voorzichtig werden enkele zomerpolders bij wijze van experiment “verkwelderd”, door de klepduikers open te zetten of gaten in de zomerdijken te maken. De typische kweldervegetatie keerde hier terug en weidevogels maakten plaats voor wadvogels, zodat de biodiversiteit toenam. Historische band van de streek met de kwelder Maar het verkwelderen van de zomerpolders stuit tot op de dag van vandaag op veel protest van de omwonenden. De nieuwe plannen wekken veel emotie op en hebben weinig draagvlak in de streek. Heeft dit te maken met “oud zeer”, omdat de inpoldering van de kwelder rond 1980 niet is uitgevoerd? Zijn agrariërs sowieso tegen natuurmaatregelen? De oorzaak van deze tegenstand is recent onderzocht met een belevingsonderzoek onder twintig mensen die betrokken zijn bij de kwelder. Hieruit bleek dat het geringe draagvlak voor de verkweldering is gebaseerd op esthetische aspecten (verruiging van de vegetatie) en op onbegrip voor de noodzaak ervan. Bovendien zijn de streekbewoners gefrustreerd omdat ze geen invloed hebben op het beheer. Ze hebben haast allemaal voorouders die hier ook al in deze streek leefden. Het gebruik van de buitendijkse grond was eeuwenlang een onderdeel van het landbouwsysteem in het kustgebied en de zomerpolders zijn de meest efficiënte vorm van deze landbouwmethode. Deze sterke cultuurhistorische band van agrariërs en bewoners verklaart hun voorkeur voor het behoud van de zomerpolders in Noord-Friesland Buitendijks. De kwelder

17

VITRUVIUS april 2014.indd 17

18-02-14 15:41


Vitruvius

10 - Historische elementen die nog zichtbaar zijn in Noord-Friesland Buitendijks. (Kadaster 2011, topografisch basisbestand Top10NL)

Noord-Friesland Buitendijks is in hun ogen veel meer een eeuwenoud cultuurlandschap dan een modern natuurlandschap. Boer Schelte Hoogland die in maart 2013 zijn vurige betoog hield voor de gemeente Ferwerderadiel is één van de laatste particuliere eigenaren (in 1993 waren er nog tachtig) van kweldergrond. Hij bezit kegen in een deel van de kwelder dat in de Middeleeuwen in bezit van kloosters was. Hier maakte men meer dan een eeuw geleden de eerste zomerpolders. Nog maar enkele tientallen jaren geleden zat op haast elke keeg een boer te melken en hielp het hele dorp mee bij het binnenhalen van het hooi. Het feit dat hij onderdeel is van deze historie bepaalt zijn sterke band met het gebied. Ook zijn waardering van het landschap, met een voorkeur voor de door de mens gecreëerde en onderhouden zomerpolders, heeft hier mee te maken. Versterking van het cultureel erfgoed It Fryske Gea heeft onlangs besloten enkele zomerpolders in stand te houden. Daarmee is het mogelijk om in de grootste kwelder van West-Europa nog te beleven hoe men tweeduizend jaar geleden op de kwelders in Friesland en Groningen het vee weidde, drinkdobben gebruikte voor het opslaan van zoet water en lage dijkjes aanlegde om in de zomer veilig te zijn voor het zeewater. In Noord-Friesland Buitendijks zijn nog veel relicten aanwezig, die de lange historie van het gebied zichtbaar maken. De bocht in de Rijd, die rond 1800 ontstond is hiervan een voorbeeld. Het toponiem “Rijd” verwijst naar een kronkelende waterstroom die deels is vergraven. De Zeedijk van Ferwerderadeel stamt ongeveer uit 1200 en onderscheidt zich met zijn vele bochten duidelijk van de modernere rechte zeedijken. De percelen langs deze Zeedijk zijn de

kegen (toponiem voor beweidbare kwelder) waarin nog veel drinkdobben aanwezig zijn. Het reliëf in het landschap wordt ook gevormd door de lage dijken om de zomerpolders die vanaf 1892 werden aangelegd. Langs de Waddenzee getuigen vele dammen en sloten van de landaanwinningswerken uit de vorige eeuw. Midden in de kwelder staat een bunker uit de Tweede Wereldoorlog, nu een prachtig uitkijkpunt (figuur 10). Door het verhaal van de kwelder te vertellen en mensen de gelegenheid te geven de historie te beleven zal men zich meer bewust worden van de bijzondere historie van de kwelder van Friesland. Naast de verbetering van de biodiversiteit betekent dit een belangrijke meerwaarde voor de beleving van de cultuurhistorie in het terpen- en wierdenland en in die zin kan deze beleving verder toeristisch worden ontwikkeld. Misschien kunnen de heer Hoogland en de streekbewoners hieruit toch een beetje genoegdoening putten. Literatuur -  Blauw, M.J.E., 1995: Van Friese grond. Agrarische eigendoms- en gebruiksverhoudingen en de ontwikkelingen in de Friese landbouw in de negentiende eeuw. Fryske Akademy, Ljouwert. -  Dijkema, K. W.E. van Duin, E.M. Dijkman, A. Nicolai, H. Jongerius, H. Keegstra, L. van Egmond, H.J. Venema, en J.J. Jongsma, 2011: Vijftig jaar monitoring en beheer van de Friese en Groninger kwelderwerken: 1960-2009. Wot-werkdocument 229, Wageningen UR. -  Eekhoff, W. 1849-1859: Nieuwe Atlas van Friesland. Tresoar, digitale kaartcollectie. -  Eekhoff, W. 1874: Noordwestblad Friesland. Tresoar, digitale kaartcollectie. -  Elands, B. H. M., E.Turnhout, 2009: Burgers, beleid en natuur: tussen draagvlak en betrokkenheid. Wageningen UR Wet-

nummer 27

april 2014

telijke Onderzoekstaken Natuur & Milieu -  Friesch Genootschap van geschied- oudheid en taalkunde, 1880: Register van den aanbreng van 1511 en verdere stukken tot de Floreenbelasting. Vier delen. Kuipers, Leeuwarden. -  Gerrets, D. A., 2010: Op de grens van land en water: dynamiek van landschap en samenleving in Frisia gedurende de Romeinse tijd en de Volksverhuizingstijd. Barkhuis, Eelde. Groningen University. -  Hosper, U.G. en J. de Vlas, 1994: NoordFriesland Buitendijks. Beschrijving en toekomstvisie. Rapport van de Werkgroep Noord-Friesland Buitendijks. -  Huisman, K, K.Bekkema, J.Bos, H.de Jong, E.Kramer, R.Salverda, 2008: Diggelgoud. 25 Jaar Argeologysk Wurkferbân: archeologisch onderzoek in Fryslân. Fryske Akademy -  Leest, A. van der, 2006: Grote Historische Topografische Atlas Friesland 1926-1934. Nieuwland, Tilburg. -  Mazure, J.P., 1974: Rapport van de Waddenzeecommissie. Advies inzake de principiële mogelijkheden en de voor- en nadelen van inpolderingen in de Waddenzee. Rijkswaterstaat, ‘s-Gravenhage -  Sannes, H. and H.S.Buwalda, 1951: Geschiedenis van Het Bildt, deel 1 en 2. Franeker. -  Schroor, M., 2009: Van Keeg en Leeg. Geschiedenis van het Noorderleegs Buitenveld. Olterterp. -  Versfelt, H.J. en M. Schroor, 2005: De atlas van Huguenin: militair-topografische kaarten van Noord-Nederland: 1819-1829. Heveskes, Groningen. - Vries, H. de, 2012: Kwelders herstellen: nutteloos of zinvol? In: Vakblad natuur, bos, landschap 10-2012. Archieven -  Tresoar, archief Zeedijken Ferwerderadeel 372-10 -  Tresoar, archief Noorderleegs Buitenveld 95 n Marjan Vroom heeft onlangs de masterstudie Landschapsgeschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen afgesloten met dit onderzoek. De masterscriptie “Gras upt werp” is in zijn geheel te raadplegen op de website van het Kenniscentrum Landschap: h ttp://www.rug.nl/research/kenniscentrumLandschap/MScripties/Gras_upt_ werp_Marjan_Vroom_aug_2013.pdf.

18

VITRUVIUS april 2014.indd 18

18-02-14 15:41


Vitruvius

nummer

27

april

Chrystel Brandenburgh Senior adviseur archeologie, Erfgoed Leiden en Omstreken

Edwin Orsel Bouwhistoricus, Erfgoed Leiden en Omstreken

2014

De integrale bouwhistorische en archeologische onderzoeksagenda van Leiden

Vorig jaar verscheen in Leiden voor het eerst in Nederland een geĂŻntegreerde archeologische en bouwhistorische onderzoeksagenda. Bouwhistorici en archeologen hebben in Leiden altijd nauw samengewerkt. Dit ligt voor de hand omdat het archeologisch onderzoek onder de grond doorloopt in het bouwhistorisch onderzoek boven de grond. De onderzoeksagenda is een nieuwe stap om beide disci-

orig jaar verscheen in Leiden voor het eerst in Nederland een geĂŻntegreerde archeologische en bouwhistorische onderzoeksagenda. Bouwhistorici en archeologen hebben in Leiden altijd nauw samengewerkt. De onderzoeksagenda is een nieuwe stap om beide disciplines verder bijeen te brengen. Waarom een onderzoeksagenda? De erfgoedsector heeft de afgelopen jaren grote ontwikkelingen doorgemaakt. De meest belangrijke is wel de democratisering van het erfgoed. Door de gewijzigde wetgeving is de zorg voor erfgoed breed verankerd en zijn de taken en verantwoordelijkheden van overheden en initiatiefnemers duidelijker vast komen te liggen. Het opdrachtgeverschap voor archeologisch en bouwhistorisch onderzoek ligt hierbij steeds vaker bij private partijen. Tegelijkertijd is er een marktwerking ontstaan waardoor - in tegenstelling tot vroeger - steeds meer onderzoek in de stad door verschillende onderzoeksbureaus wordt uitgevoerd. Dat was al een aantal jaren zo voor het archeologisch werk, maar sinds MoMo (Modernisering Monumentenzorg) geldt dit ook voor bouwhistorisch onderzoek. Deze bedrijven hebben niet altijd dezelfde achtergrond, waardoor de onderzoeken sterk van elkaar kunnen verschillen in diepgang en reikwijdte.

plines verder bijeen te brengen. Onderzoeksvragen hebben doorgaans een geografische reikwijdte. Om die reden is de onderzoeksagenda ook via een digitale kaart toegankelijk gemaakt. Dit is niet alleen handig voor degenen die de onderzoeksagenda beroepshalve raadplegen. Ook inwoners van de stad komen op deze manier op een toegankelijke manier meer te weten over (hun deel van) de stad.

In een dergelijke situatie is het goed om voorafgaand aan elk onderzoek te bepalen welke onderzoeksvragen beantwoord moeten worden en welke niet. Er is immers al vrij veel bekend van de geschiedenis van Leiden en het onderzoek moet erop gericht zijn om aan het licht te brengen wat we nog niet weten. Door de juiste vragen te stellen wordt het onderzoek effectiever, maar ook efficiĂŤnter uitgevoerd. Een tweede ontwikkeling waar de erfgoedsector mee te maken heeft, is de toenemende behoefte aan transparantie in het uitoefenen van de overheidstaken. De zorg voor erfgoed is algemeen geaccepteerd, juist ook vanwege de economische waarde van erfgoed. Met de verschuiving van het opdrachtgeverschap naar de private sector hebben de gemeenten steeds meer een regierol gekregen. Zij sturen en toetsen de plannen en leggen de bescherming van de archeologische of bouwhistorische waarden in de omgevingsvergunning vast. Het is in ieders belang dat overheden hierbij heldere instrumenten en afwegingskaders hanteren. Instrumenten die daarvoor in de archeologie al jaren gebruikt worden zijn de waarden- of verwachtingenkaart en het programma van eisen. Ook Leiden heeft dergelijke kaarten: in 2003 verscheen de eerste archeologische waardenkaart, in 2009 gevolgd door een

bouwhistorische verwachtingenkaart. Het programma van eisen is al jaren in gebruik in de archeologie. Dit instrument wordt nu voor het eerst toegepast in de bouwhistorie: onlangs is in Leiden het eerste programma van eisen voor een bouwhistorisch onderzoek opgesteld, waarmee vooraf wordt vastgelegd welke onderzoeksvragen beantwoord moeten worden en welke werkwijze de onderzoekers daartoe moeten hanteren. De onderzoeksagenda is een instrument dat inspeelt op bovengenoemde ontwikkelingen. Het maakt op transparante wijze inzichtelijk welke onderzoeksvragen beantwoord moeten worden en is daarmee bruikbaar voor elke partij die in de stad onderzoek doet, ongeacht hun kennis en ervaring in de stad. Bovendien brengt het focus aan in het onderzoek in de stad en draagt daarmee bij aan de kwaliteit van de opbrengst van archeologisch en bouwhistorisch onderzoek. De uitgangspunten: integraal denken en werken De samenwerking tussen bouwhistorici en archeologen werpt zijn vruchten af, zo is onze ervaring. In Leiden werken archeologen en bouwhistorici al ruim 10 jaar samen. Dit ligt voor de hand omdat het archeologisch onderzoek onder de grond doorloopt in het bouwhistorisch onderzoek boven de 19

VITRUVIUS april 2014.indd 19

18-02-14 15:41


Vitruvius

Aalmarkt: een voorbeeld van integraal onderzoek in Leiden In 2007 vond aan de Aalmarkt in het hart van de stad een ingrijpend nieuwbouwproject plaats. Uit archiefonderzoek was bekend dat op dit terrein lange tijd een gasthuis heeft gestaan. Delen hiervan waren nog aanwezig in de gebouwen die ten behoeve van de nieuwbouw gesloopt moesten worden. Om deze reden is voorafgaand aan en tijdens de sloop eerst bouwhistorisch onderzoek gedaan, gevolgd door een archeologisch onderzoek van de te slopen funderingen en de vijf meter diepe bouwkuip voor de nieuwbouw (afb. 1a-b en 2a-c). Een bouwhistoricus was hierbij een vast lid van het opgravingsteam voor het documenteren van de funderingsresten. Op basis van oud kaartmateriaal was bekend welke gebouwvleugels van het gasthuis binnen het onderzoeksgebied zouden vallen en door gezamenlijk onderzoek was het mogelijk om volledig te reconstrueren hoe deze vleugels geconstrueerd en ingedeeld waren (afb.3). Van het gasthuis zijn uitgebreide archieven bewaard gebleven. Deze archieven bevatten

nummer 27

april 2014

1a, 1b - Tijdens de bouwhistorische documentatie van het te slopen gebouw en het pand ernaast werden delen van het oorspronkelijke houtskelet van de vleugel van het Catharinagasthuis aangetroffen.

veel rekeningen van bouwwerkzaamheden in het gasthuis, naar jaar geordend vanaf het einde van de 14e eeuw tot ver in de 17e eeuw. Op zich vormen deze rekeningen al een informatiebron van onschatbare rijkdom voor iedereen die zich bezighoudt

met bouwprocessen in de middeleeuwen. De enige beperking van deze bronnen is dat nergens in de archieven staat vermeld om welke gebouwen het precies gaat. Hiermee hangen de rekeningen nog los in de ruimte. Het gecombineerde archeologische

2a, 2b - Tijdens de opgraving werden de funderingen van de gebouwen van het gasthuis opgegraven. In de diepere delen van de 5 meter diepe opgravingsput documenteerden de archeologen afvallagen uit de 12e eeuw en later. 20

VITRUVIUS april 2014.indd 20

18-02-14 15:41


Vitruvius

nummer

27

april

2014

3 - Deze maquette geeft weer hoe de panden aan de Aalmarkt gebouwd en gebruikt waren. De maquette is gebaseerd op zowel bouwhistorische als archeologische gegevens. en bouwhistorische onderzoek maakte het mogelijk om een koppeling te leggen tussen de archieven en de locatie van handelen. De funderingen van de opgegraven gasthuisvleugels konden middels dendrochronologisch onderzoek namelijk heel exact gedateerd worden, waarmee ineens rekeningen uit een specifiek jaar in context geplaatst konden worden. Hiermee waren de onderzoekers in staat om heel gedetailleerd te reconstrueren hoe het bouwproces van een groot middeleeuws bouwproject verliep. Wie liep er wanneer op de werkplaats? Hoe was de bouwploeg georganiseerd? Hoe snel ging het werk? Waar werden de bouwmaterialen gekocht en hoe werden ze de stad in vervoerd? Welke problemen ondervond men in deze hele logistiek? Het staat allemaal in de rekeningen en nu kunnen we deze informatie precies koppelen aan een gebouw. De vragen die binnen dit onderzoeksproject beantwoord konden worden overstegen hiermee het niveau van de kale vondsten en fasering. Door integraal werken tussen drie historische disciplines viel een complexere set onderzoeksvragen binnen het bereik van de onderzoekers, namelijk de vragen die over de mensen en de organisatie van werkprocessen gaan.

grond. Het maaiveld is daarbij slechts een kunstmatige scheiding. Het onderzoeksdoel van beide disciplines is uiteindelijk hetzelfde: zowel de archeoloog als de bouwhistoricus onderzoekt de fysieke resten uit het verleden en probeert aan de hand daarvan het verhaal van het verleden te reconstrueren en te vertellen. De bouwhistoricus legt daarbij uiteraard vooral de nadruk op de (resten van) gebouwen, terwijl de archeoloog ook andere vondsten onderzoekt. Op deze manier zijn de disciplines complementair en kunnen ze gezamenlijk een veel rijker beeld geven van het verleden dan wanneer ze los van elkaar zouden werken. De meerwaarde van die samenwerking komt echter niet alleen voort uit het feit dat beide disciplines samen meer data bijeen brengen. Samenwerking zorgt ook voor kruisbestuiving waarbij de ene discipline gegevens aanlevert voor het beantwoorden van vragen van de ander. Zo blijken er vanuit bouwhistorisch perspectief veel vragen te zijn over bijvoorbeeld de funderingsmethoden van huizen door de eeuwen heen. De doorsnee archeoloog heeft geen weet van het feit dat dit een belangrijke bouwhistorische vraag is, maar dit is vanzelfsprekend goed te onderzoeken tijdens een archeologische opgraving. Ook

hebben bouwhistorici veel vragen over de bouwwijze van gebouwen in recentere perioden zoals de 18e en 19e eeuw. Archeologen komen dergelijke funderingen vaak tegen, documenteren ze, maar weten vervolgens eigenlijk niet welke informatiewaarde aan deze resten kleeft. Door al deze vragen op te nemen in de onderzoeksagenda worden de mogelijke kruisverbanden tussen beide disciplines zichtbaar en wordt het bereik van de vakgebieden groter. Daarnaast zijn archeologen en bouwhistorici in toenemende mate gebruik gaan maken van elkaars methoden en dateringstechnieken. Gezamenlijk blijkt het mogelijk om complexere vraagstukken over de geschiedenis te behandelen dan de individuele vakdisciplines los van elkaar zouden kunnen, omdat als het ware door verschillende brillen naar dezelfde data wordt gekeken. Bouwhistorici denken vanuit de bouwprocessen en het gebruik van een huis. Archeologen zijn meer gericht op de fasering van een locatie en kunnen, vanwege het feit dat ze vaak alleen de funderingen zien, zich geen beeld vormen van hoe het opgaande werk eruit heeft gezien en hoe de ruimtes die ze opgraven benut kunnen zijn. Door gebruik te maken van elkaars kennis worden de resultaten van het onderzoek betekenisvol21

VITRUVIUS april 2014.indd 21

18-02-14 15:41


Vitruvius

nummer 27

april 2014

4 - De geïntegreerde onder-

5 - De onderzoeksagenda is via een GIS-kaart op de website van Erfgoed Lei-

zoeksagenda van Leiden.

den en Omstreken raadpleegbaar. Wanneer op een plaats op de kaart wordt geklikt, verschijnt een korte samenvatting van de onderzoeksthema’s die op deze plaats van toepassing zijn. Een muisklik verder brengt de bezoeker bij de

Naam Enzo

ler: we kunnen veel beter begrijpen hoe de geschiedenis van (een stuk van) de stad is verlopen. De overeenkomsten tussen archeologie en bouwhistorie zijn al vaak benadrukt. Toch moeten we ook rekening houden met de verschillen tussen deze twee disciplines. Deze verschillen worden vooral veroorzaakt door de leeftijd van de vakgebieden. Archeologie heeft een lange traditie: al meer dan 100 jaar wordt archeologisch bodemonderzoek uitgevoerd. Hierdoor is er veel informatie bijeengebracht over de ontwikkeling van allerlei gebruiksvoorwerpen door de eeuwen heen. Deze kennis is hard nodig: het is het kader waarbinnen we allerlei vondsten in de tijd kunnen plaatsen. Bouwhistorie als gestructureerde onderzoeksdiscipline bestaat veel korter en heeft wat dit betreft een enorme inhaalslag te maken. Het inzicht in de ontwikkelingen van allerlei bouwmaterialen is langzaamaan aan het groeien. Hierdoor moeten we in de onderzoeksagenda ten aanzien van bouwhistorie veel vragen opnemen die gericht zijn op het creëren van dergelijke chronologische overzichten, terwijl dat ten aanzien van archeologie veel minder nodig is. De opbouw van de onderzoeksagenda De onderzoeksagenda bestaat uit twee delen (afb. 4). Het eerste deel van de agenda bestaat uit een beschrijving, per tijdsperi-

onderzoeksvragen zelf en de aanbevolen methoden en technieken.

ode, van de bekende ontwikkelingen van de stad (of het gebied van Leiden voordat er sprake was van een stad). In dit deel wordt ook in verhalende vorm aangegeven welke onderzoeksvragen of thema’s per periode van toepassing zijn. Het tweede deel wordt gevormd door een database met meer dan 200 onderzoeksvragen. Per vraag is vermeld waarom de vraag gesteld wordt, welke onderzoeksmethoden kunnen helpen om hem te beantwoorden en of het een archeologische, bouwhistorische of integrale vraag is. Deze database is een levend iets: vragen zullen afvallen wanneer ze beantwoord zijn, maar onderzoek werpt vaak ook weer nieuwe vragen op, die kunnen worden toegevoegd. De database is daarom alleen digitaal beschikbaar, via de website http:// erfgoed.leiden.nl/producten/onderzoek/ Zo kan iedereen eenvoudig opzoeken welke onderzoeksvragen van toepassing zijn op een bepaald deel van de stad. Dit betekent overigens niet dat alle vragen bij elk onderzoek gesteld en beantwoord kunnen en moeten worden. De onderzoeksagenda vormt een inspiratiebron en er zal per project bekeken moeten worden welke vragen daadwerkelijk van toepassing zijn. De onderzoeksagenda in kaart Onderzoeksvragen hebben doorgaans een geografische reikwijdte: sommige vragen zijn van toepassing op (een deel van) de his-

torische stad, andere op de gebieden buiten de 17e-eeuwse singels etcetera Om die reden is de onderzoeksagenda ook via een digitale kaart toegankelijk gemaakt. Dit is niet alleen handig voor degenen die de onderzoeksagenda beroepshalve raadplegen. Ook inwoners van de stad komen op deze manier op een toegankelijke manier meer te weten over (hun deel van) de stad. Wanneer op een plaats op de kaart van Leiden wordt geklikt, verschijnt een informatievenster met de onderzoeksvragen die specifiek op die plaats van toepassing zijn (afb. 5). Op deze wijze kan onderzoek helemaal worden toegespitst op de vragen en kennislacunes voor dat deel van de stad. Hiermee zet Erfgoed Leiden en Omstreken een nieuwe stap in het digitaal ontsluiten van informatie. Over de auteurs Erfgoed Leiden en Omstreken is een gemeentelijke instelling die voor Leiden en omliggende gemeenten diensten verricht op het gebied van archiefbeheer, monumentenzorg en archeologie. Chrystel Brandenburgh (1975) is sinds 2003 gemeentelijk archeoloog van Leiden. Edwin Orsel (1969) is sinds 2001 bouwhistoricus bij de gemeente Leiden. Beiden waren betrokken bij het archeologisch en bouwhistorisch onderzoek aan de Aalmarkt en zijn auteurs van de archeologische en bouwhistorische onderzoeksagenda. n

22

VITRUVIUS april 2014.indd 22

18-02-14 15:41


Vitruvius

nummer 27

april 2014

voor u

gelezen

De laatste boer - De onstuitbare run op schaarse vierkante meters Auteurs

E. Smaling, F. Meslier en J. Iding Uitgave

Van Gennep, Amsterdam Recensent

Frits Niemeijer D e ta i l s

Paperback, 191 pagina’s ISBN 978-94-6164-242-4 Prijs

€ 17,90

W

ie vorig ‘TV-seizoen’ de VPRO-serie ‘De slag om Nederland’ volgde, zal veel van wat toen aan de orde kwam in dit boek herkennen. Niet allen omdat de onderwerpen elkaar deels overlappen, maar zeker ook omdat de thematiek vergelijkbaar is. In het verlengde van de eerdere documentaire serie ‘Nederland van Boven’ verscheen intussen ook de gelijknamige Bosatlas - een rijk met fraaie foto’s en (nogal kleine) kaarten geïllustreerd boekwerk. Voor wie van de schoonheid van het beeld houdt en ook voor wie een boek op tafel wil leggen dat tot discussie aanleiding kan geven, is dat een fraaie keuze. Minder tot de verbeelding sprekend en dus ook veel soberder van vorm, is de uitgave ‘De laatste boer’. De auteurs zijn respectievelijk hoogleraar duurzame landbouw - tevens lid van de Tweede Kamer voor de SP - jurist (journalistieke neventaken) en landschapsarchitect. De laatste met als bijzonderheid dat hij in Oss wethouder was voor ruimtelijke ordening, mobiliteit en natuur en landschap – ook voor de SP. Politiek neutraal kan het boek dus nauwelijks zijn, maar dat is uw recensent – en wie wel? – evenmin. Voorop het omslag van ‘De laatste boer’ staat – behalve de ondertitel - dat het om een ‘rondreis door groeiend en krimpend Nederland’ gaat en juist díe toevoeging maakte uw recensent het meest nieuwsgierig. Met plastic boekenbon kwam een transactie tot stand en opgewekt kon de nieuwe eigenaar van het geschrift aan een (papieren) reis beginnen. Die tocht voerde door alle provincies en langs tientallen plaatsen, maar daarvan kan hier natuurlijk niet in extenso verslag worden gedaan. Het begin was echter simpel: de start – aangepast aan deze recensie – kon plaatsvinden in de eigen gemeente: het uitgestrekte en zeer landelijke Bronckhorst, in de Achterhoek. Wat zeggen de auteurs allemaal over Bronckhorst, dat enkele jaren geleden ontstond uit de niet door de bevolking gedragen fusie van vijf afzonderlijke gemeenten? Het klopt dat er 44 kernen en buurtschappen zijn en het is ook waar dat de oppervlakte ca. 28.000 ha bedraagt en

het inwonertal ongeveer 38.000. Maar of het ook klopt dat de gemeente aan de bevolking vraagt wat er móét gebeuren in plaats van te vertellen wat er gáát gebeuren? En dat ze een nadrukkelijk beroep op participatie van de burger doet (het staat er echt, p. 167), daar kun je zo je gedachten over hebben. In elk geval zijn duizenden (overigens veel te laat verzamelde en overhandigde) handtekeningen van inwoners die tegen dorpsplannen in enkele van de grotere kernen waren, stelselmatig genegeerd door de gemeente. En ook wordt nu de maaimachine van de voetbalvereniging nu ingezet om het gras van het van bomen ontdane plantsoen kort te houden. En van enig voorafgaand overleg in de landelijk geruchtmakende affaire rond de Duitse oorlogsgraven te Vorden was ook al geen sprake. Dus hoezo: participatie? Wat echter nog het meest verbaast, is dat de auteurs bij de gesprekken of het onderzoek te Bronckhorst er kennelijk niet op stuitten dat deze krimpgemeente voor tientallen miljoenen het schip inging bij de afkoop van gesneefde nieuwbouwprojecten (12 miljoen), door grootschalige boekhoudfraude (23 miljoen) en in dezelfde tijd ook nog eens een nieuw gemeentehuis (20 miljoen) liet neerzetten – om maar een paar zaken te noemen. Bronckhorst is dus allerminst een voorbeeldgemeente, maar hoort dus eigenlijk thuis in het rijtje Apeldoorn, Amersfoort en Almere. Wat zegt dit over de rest van het boek? Vermoedelijk níet wat u nu denkt. Maar het zegt wél: het is allemaal nog véél erger. De auteurs laten namelijk slechts het topje van de spreekwoordelijke ijsberg zien. In Apeldoorn (ruim 120 miljoen tekort) moesten alle wethouders hun biezen pakken omdat de verliezen op de megalomanie niet meer beheersbaar waren. Met als gevolg dat de stad de Artikel 12-status kreeg: dus in feite onder curatele kwam te staan. Tot de absurdste ruimtelijke blunders behoorde de bouw van een meer dan 20 bouwlagen tellende kantoortoren op de open vlakte van de Noord- Veluwe. De schandpaal is van kilometers ver te zien. Iets vergelijkbaars gebeurde in Amersfoort, waar

23

VITRUVIUS april 2014.indd 23

18-02-14 15:41


voor u

gelezen

op de wijk Vathorst een tekort van 70 miljoen dreigde, terwijl ook elders in de stad miljoenenverliezen werden geleden. Net als op veel plaatsen in het land ging de gemeente zwaar het schip in met grondspeculatie. Een vergelijkbare, schaamteloze schandpaal – deze keer 20 verdiepingen met woningen - staat in Amersfoort aan de rand van de bijzonder open Eemvlakte - dus op een al net zo kwetsbare plaats. Hij is vanaf het IJsselmeer goed te zien. De auteurs noemen de beide torens niet, maar juist dít geeft aan dat de feiten vaak nog ernstiger zijn dan hun tekst doet vermoeden. Dat de luchtfietserij die zij aan de kaak (= schandpaal) stellen zich niet beperkt tot stedelijke gebieden, is genoegzaam bekend. Nadat ruilverkaveling en landinrichting in de loop van de 20ste eeuw in toenemende mate zorgvuldigheid in de omgang met het bestaande (cultuur)landschap inhielden, is juist in de laatste jaren de mot erin gekomen. Net toen de zgn. Ecologische Hoofdstructuur (EHS), het flora- en faunabeheer en maatregelen tegen vervuiling goed op de rails stonden en Den Haag greep leek te hebben op de ruimtelijke ordening in ons land, ging het veel geprezen beleid de prullenbak in. ‘Decentralisatie’ werd de mantra en van een relatief doelbewust en koersvast beleid ging het land naar een gefragmenteerd ad hoc sturen. ‘Centraal wat moet, decentraal wat kan’ hoorde je vanaf ca. 2004 steeds vaker vanuit Den Haag, maar de schrijvers constateren dat er voor deze weg heel weinig draagvlak werd en wordt gecreëerd. Met alle gevolgen van dien. Ze stellen daarop (blz. 128-129) dat ‘ze hartstikke voor aaneengesloten natuurgebieden zijn en voor de bescherming van biodiversiteit.’ En verder dat het acceptabel is dat een Europese richtlijn dienaangaande wordt omgezet in nationale wetgeving. Maar als vervolgens topdown wordt besloten welke gebieden onder het nieuwe regime gaan vallen, dan vinden ze dat niet de manier om boeren en natuurbeschermers dichter bij elkaar te brengen. Ander gezegd: dat moet wel fout gaan. Een vergelijkbaar voorbeeld deed zich recent voor met de discussie over het al dan niet winnen van schaliegas; de beslissing bleek al genomen en prompt hadden ze Boxtel in de gordijnen. De auteurs van ‘De laatste boer’ hebben op hun rondreis door het land vele centra en uithoeken bezocht en er ‘schandalen’, inconsequenties en onvolkomenheden over te boek gesteld. Soms zijn het lokale akkefietjes, soms grote zaken, maar hierdoor blijft er één ding zeuren bij de recensent: het is wel erg vaak ‘meer van hetzelfde’, zonder dat er een analyse volgt. Het is een beetje als een hedendaagse actualiteitenrubriek: veel (overgebleven) beeldmateriaal, maar te weinig commentaar dat voor duiding van de brij aan feiten zorgt. De beide laatste hoofdstukken (Aan welke knoppen kun je draaien? En: Een andere koers?) veranderen daar niet veel meer aan en daarvoor staan ze ook te los van de andere teksten. In deze laatste hoofdstukken lijken zij ook op twee benen te hinken: enerzijds zetten ze kaarten op de kracht van inspraak, initiatieven en beslissingen van onderop – het hierboven reeds genoemde Bronckhorst is één van hun voorbeelden. Maar anderzijds is de uitsmijter van hun boek: “Het zou onze keuze zijn om op de rijksbegroting ruimte te maken om de kwaliteit van de samenleving in ere te houden.” Eigenlijk zijn hun duidelijkste stellingnamen die waarin (het kapitaal van) de alleen op eigen gewin beluste projectontwikkelaar naar een

Vitruvius

nummer 27

april 2014

bescheidener plaats wordt verwezen en die waarin op regionale samenwerking wordt aangedrongen. Tegelijkertijd wordt gevraagd om meer kennis bij de gemeenten: “Het vakmanschap op het gebied van ruimtelijke ordening en projectontwikkeling binnen gemeenten moet weer in ere hersteld worden.” (citaten resp. blz. 188, 187) De auteurs pleiten dus om een pastiche van invloed van bevolking, gemeente, regio en centrale overheid. Het sturen door de provincies achten ze als gevolg van de decentralisatiepolitiek intussen te weinig eenduidig: wat in de ene mag, is in de andere juist uit den boze. Overigens hebben nogal wat (ook provinciale) bestuurders zich in pakken van projectontwikkelaars laten naaien en/of hebben ze zich jaren laten verwennen met limousines, door dure hoeren en/of zichzelf de zakken gevuld of laten vullen. Dit komt kwaliteit niet ten goede, maar is van Limburg tot Groningen intussen schering en inslag. Op de dag van schrijven van dit stuk staat er toevallig een uit Noord-Holland voor de rechter. (De schrijvers zullen een hoge mate van persoonlijke integriteit als een van de belangrijkste – zo niet dé belangrijkste – voorwaarde voor bestuurders en inrichters van ons land beschouwen, al ligt dat er niet bovenop. Pech voor ze, dat uitgerekend hún partij nu ook al niet smetvrij bleek te zijn.) Wanneer uw recensent terugkijkt op zijn papieren reis, dan komt hij tot de conclusie dat deze een reeks waardevolle signaleringen bracht - nuttig voor wie zich met (mislukkingen in) de ruimtelijke ordening bezig houdt - maar dat hij geen ‘handboek’ las. En dat kan ook niet in de vorm waarin het is gegoten: het heeft geen notenapparaat en de bronnen en literatuur zijn op amper te verifiëren wijze weergegeven. En wetenschappelijke bronvermelding zou toch wel moeten, ook gezien de achtergrond van de drie auteurs en de voor (politieke) kleur vatbare weergave van feiten. Verder had een register eigenlijk niet mogen ontbreken, omdat dezelfde ruimtelijke onderwerpen meer dan eens worden aangesneden. Een nuttig, verrassend en onderhoudend, maar niet onmisbaar boek. n

24

VITRUVIUS april 2014.indd 24

18-02-14 15:41


Vitruvius

nummer 27

april 2014

voor u

gelezen

Atlas van historische verdedigingswerken in Nederland; Groningen, Friesland, Drenthe Auteurs

T. de Kruijf, E.J. Brink, e.a. (red.) Uitgave

Matrijs i.s.m. Stichting Menno van Coehoorn Recensent

Frits Niemeijer D e ta i l s

Gebonden, 304 pagina’s, foto’s en kaarten in kleur, registers, termenlijst, bronnenopgave, literatuur ISBN 978-90-5345-465-7 Prijs

€ 34,95 vervening vrijwel allemaal op de schop genomen en in het ongunstigste geval daarna in rook opgegaan. Conclusie: zuinig zijn op de weinige resterende historische verdedigingswerken in Drenthe.

C

oevorden wordt door velen als één van de meest typerende Nederlandse vestingen beschouwd. Niet voor niets prijkt het Plan der Fortresse Coevorden fraai op het omslag. (maar getekend door wie en wanneer?) Naast Naarden en het grotendeels gereconstrueerde Heusden wordt Coevorden veel genoemd als voorbeeld van een goed ontwikkelde vesting van het Nieuw-Nederlands Stelsel. Er staan dan prachtige 18de-eeuwse plattegronden bij, die de indruk wekken dat die toestand nog steeds in het veld herkenbaar is. Welnu: kijk op Google Earth en huiver: juist van Coevorden is minder dan 1/4 deel in redelijke staat bewaard gebleven en de rest is ten onder gegaan in meer of minder vergaande verjonging. Tussen 1860 en 1900 zijn de eerste grote klappen uitgedeeld, maar vanaf de jaren ’30 was er geen houden meer aan. Jammer, maar Vesting Coevorden is vanaf die tijd een ‘gepasseerd station’. Voornaamste oorzaak: de verkeers-strategische en waterstaatkundige positie maakten Coevorden na 1858 – toen de vestingstatus werd opgeheven – (ook) van belang voor andere dan defensieve doeleinden. Het werd een belangrijk knooppunt van water- en land- en spoorwegen, dus juist datgene wat het eeuwenlang níet had mogen zijn. Want Coevorden moest – samen met een aantal andere, minder bekende werken de doorgang door het aangrenzende veengebied afsluiten. Hetzelfde veengebied dat in de tweede helft van de 19de eeuw aan snee kwam voor de turfwinning en vervolgens verdween. Is de vesting hiermee als voorbeeld minder interessant? Nee, niet minder interessant, maar als je een indruk wilt hebben van de omvang van zo’n werk, dan bieden de beide andere genoemde toch echt meer waar voor je retourtje. In de omgeving zijn vanaf de 16de eeuw nog verscheidene andere, kleinere werken aangelegd, de meeste bekend geworden als schansen. Deze gebastionneerde aardwerken zijn bij de

En hoe zit dat in de beide andere noordelijke provincies? Wat is daar nog aanwezig van de hier besproken vestingwerken? Soms lijkt het wel of er – bewust of onbewust – een voorschot wordt genomen op die door velen vermaledijde provinciale herindeling: ze worden vaak in één adem genoemd, maar is dat terecht? Er wordt wel gezegd dat Groningers en Friezen elkaar niet liggen en dat Drenthe een beetje het nakomertje is. Het is dus niet vreemd dat er van binnenuit oppositie klinkt wanneer ze over één kam worden geschoren. Het is goed dat Stichting Menno van Coehoorn in de enige maanden geleden verschenen atlas van historische verdedigingswerken in Groningen, Friesland en Drenthe nuchter bleef en zich niet heeft laten verleiden eventuele veenbranden aan te wakkeren. Keurig nevengeschikt zijn de provincies - en behandeld volgens identiek stramien. Natuurlijk kom je hier en daar wat conflicten tegen, maar veel meer dan wat laatmiddeleeuwse, individuele, adellijke pogingen tot machtsuitbreiding bevatten de teksten niet. Integendeel: als er al sprake is van grote inbreuken op de status quo van de regionale of lokale soevereiniteit, dan betreft het bijna altijd offensieve acties vanuit andere ‘Nederlandse’ gewesten of uit het buitenland. En dat vindt zijn weerslag in de fraaie historische cartografie van deze uitgave. ‘Historische’ staat hier echter niet voor niets cursief, want de hedendaagse kaartjes die het globaal lokaliseren van de genoemde objecten ten doel hebben, en de hierbij behorende teksten, laten zich onvoldoende gemakkelijk correleren. En dit ongemak doet zich ook nog eens op twee schaalniveaus voor: de drie provinciale kaarten bevatten helemaal geen nummers, terwijl de nummers die op de deelkaarten staan, niet terugkeren bij de beschrijvingen. Dan is nummering zinloos en dat mag de vormgever / eindredacteur worden aangerekend. We mogen er immers niet meer van uitgaan dat iedereen Coevorden, Franeker of Win-

25

VITRUVIUS april 2014.indd 25

18-02-14 15:41


voor u

gelezen

schoten zelfs maar bij benadering op de kaart kan aanwijzen. Er is echter een simpele remedie: pak een potloodje en voeg de nummertjes zelf toe. Maar verder kan worden gesteld dat we hier te maken hebben met de zoveelste prachtige uitgave in de reeks van overzichten van historische vestingen. Waarom voor een andere uitgever is gekozen dan bij de vorige delen, doet voor de koper / verzamelaar en/of gebruiker natuurlijk niet ter zake, maar dat de band er dan ook gelijk zo anders uitziet – alsof het om een andere reeks gaat – is wel jammer. En dan vooral jammer voor de koper / verzamelaar natuurlijk. Maar genoeg gemopperd. Het is opnieuw een prachtige uitgave van de stichting en de meeste erin opgenomen afbeeldingen laten – al dan niet met loep – voldoende detail zien om onderzoek aan de hand van de kaart te doen. Zeker voor wat betreft de tientallen niet of nauwelijks eerder in druk of digitaal toegankelijk gemaakte manuscriptkaarten, is dit een uitkomst. Het gaat in totaal om vele tientallen, al dan niet als permanent bedoelde werken, waarvan vaak de complete aanleg of resten nog aanwezig zijn, maar soms ook om in de loop der tijd verdwenen (aarden) verdedigingswerken. Dit betekent dat de atlas ook een reisgezel kan zijn: met de atlas en de (topografische) kaart in de hand, moet je heel wat werken in het terrein kunnen vinden. Nuttig (en uitdagend) is ook dat ‘niet beschreven werken’ zijn opgenomen, wat wil zeggen verdedigingswerken waarvan (nog) te weinig gegevens bekend zijn om er een lemma over op te nemen. Alleen in Groningen zijn dat er al zo’n 25. De duidelijke inleidende en toelichtende teksten in de atlas zijn voor het merendeel geschreven door historici en (historisch-)geografen en hiernaast zijn archeologen behoorlijk vertegenwoordigd. Enkele van de 13 auteurs hebben aantoonbare militaire / historisch-vestingbouwkundige affiniteit, andere zijn kennelijk om uiteenlopende redenen ín (of juist uít) het project gestapt. Dat de

Vitruvius

nummer 27

april 2014

redactie - die deels uit anderen bestond en die zelf ook de nodige tekstdelen voor zijn rekening nam – deze 13 ‘veldheren’ de baas bleef, mag een wonder heten. Maar misschien zijn enkele opmerkingen in de inleiding wel eufemismen voor wrijving op de achtergrond. Iedere auteur heeft immers zijn ‘schatjes’, en het is vaak moeilijk die aan de dijk te zetten, alleen omdat het aantal beschikbare bladzijden / woorden beperkt is. Hoe dan ook: anno nu ligt er een prachtig naslagwerk dat voor velen een voldoende basis kan zijn voor conclusies of voor verder onderzoek. De uitgave gaat in ieder geval veel verder dan de voorganger uit 1956, die eigenlijk een samengeraapt zootje is. Met name de opname van jongere defensiewerken, zoals Nederlandse betonnen werken uit het interbellum en Duitse uit de Tweede Wereldoorlog, en het veel ruimer toepassen van afbeeldingen, maken dat de vorige, losbladige versie van de atlas op slag verouderd is. Dit betekent dat dit desondanks gezochte verzamelaarswerk (richtprijs € 75) in de nabije toekomst wel in waarde zal dalen. De conclusie mag zijn dat de nieuwe Atlas van historische verdedigingswerken in Nederland; Groningen, Friesland, Drenthe in een behoefte voorziet en dat voorlopig geen enkele onderzoeker mag zeggen dat hij nog nooit van Schans De Opslag bij Kommerzijl heeft gehoord, of van de Klinkenberg bij Gees. Om natuurlijk nog maar te zwijgen van het Retranchement Gorredijk. Nee, serieus – dit is een bijzonder waardevolle bijdrage aan de vestinghistorische reeks van Stichting Menno van Coehoorn, die doet uitzien naar voltooiing van de serie. O ja, u hebt nog recht op antwoord op een eerder gestelde vraag. Welnu: veruit de meeste aarden werken zijn tegenwoordig (onherkenbaar) verdwenen, maar van de vestingsteden en de weinige in dit boek genoemde gebouwde vestingen zijn er nog vele te zien en te bezoeken. De kastelen / burchten, enz. vielen grotendeels buiten het doel van deze uitgave, dus daarnaar moet u dan zelf maar op zoek gaan. n

26

VITRUVIUS april 2014.indd 26

18-02-14 15:41


Vitruvius

nummer 27

april 2014

voor u

gelezen

Atlas van de wederopbouw Nederland 1940-1965, ontwerpen aan stad en land Auteur

Anita Blom (red.) Uitgave

NAI 010 Uitgevers i.s.m. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed Recensent

Edwin Raap D e ta i l s

Paperback, 304 pagina’s, rijk geïllustreerd ISBN 978-94-6208-092-8 Prijs

€ 49,50

D

e wederopbouwperiode is sinds het verschijnen van de Visie Erfgoed en Ruimte hot & trending. Jarenlang was het een onderwerp waartegen iedereen een beetje aanhikte, zowel in de monumentenzorg als in de landschapsarchitectuur en historische geografie. Maar er komt een moment dat we er ons mee moeten verstaan. Aarzelende initiatieven uit het begin van deze eeuw waren er, ook van de toenmalige Rijksdienst Monumentenzorg, maar tot iets groots kwam het niet. De voortekenen waren rond 2009 echter al goed, toen als uitvloeisel van een Belvedereproject het kloeke boekwerk “Maakbaar Landschap” verscheen. Toen in 2011 dan de Visie Erfgoed en Ruimte verscheen, was het onderwerp definitief op de kaart gezet. De Wederopbouw, nu met een hoofdletter, beslaat de periode 1940-1965 en omspant de tijd die ingezet werd na de bombardementen, dus al tijdens de oorlog tot aan het moment dat de Welvaartsstaat zijn intrede doet. De opgave waar Nederland voor stond in 1945 was enorm. Veel schade viel te herstellen, maar geld ontbrak aanvankelijk. De Marshallhulp uit Amerika loste dat laatste probleem op, maar daarmee was de materiaalschaarste bijvoorbeeld nog niet voorbij. Een innovatieve en centraal geleide aanpak van de problemen was noodzakelijk. De rijksoverheid trok op allerlei gebieden de regie naar zich toe en koos voor zoveel mogelijk standaardisatie. Dit resulteerde erin dat ons land zo’n 20 jaar na de beëindiging van de oorlog er een heel stuk beter voorstond. Het land had enkele ingrijpende veranderingen doorgemaakt. De meest zichtbare waren enerzijds de forse groei van de steden volgens planmatige en grootschalige uitbreidingen. Anderzijds veranderde het uiterlijk van het agrarisch cultuurlandschap ook enorm onder invloed van de Ruilverkavelingen. Over beide ontwikkelingen zijn de laatste goede studies verschenen. Een overzicht van wat er op dit moment nog resteert en de moeite van het behouden waard is ontbrak nog.

In die leemte is nu voorzien. Eind 2013 verschenen tegelijk drie boeken over al het waardevolle erfgoed dat de Wederopbouwperiode heeft opgeleverd. Een boek over de monumentale wandkunst, een boek over de aangewezen bouwkundige monumenten en een atlas over de 30 aangewezen gebieden van bijzondere waarden. De boeken zouden in samenhang besproken kunnen worden, maar hier is ervoor gekozen alleen de atlas te bespreken. Deze gaat vooral in op de kwaliteit van de ontwerpen en niet op de individuele gebouwen of de daarop aangebrachte kunstwerken. In de Visie Erfgoed en Ruimte zijn in totaal 30 gebieden aangewezen als van bijzondere waarde, onderverdeeld in herstelde wederopbouwkernen, naoorlogse woonwijken en landelijke gebieden. In de atlas worden ze afzonderlijk toegelicht. Voorbeelden van herstelde kernen zijn de boulevardzone in Katwijk aan Zee en de binnenstad van Rhenen. Naoorlogse uitbreidingen zijn onder andere een deel van de Westelijke tuinsteden in Amsterdam, de wijken Angelso, Emmermeer en Emmerhout in Emmen en ‘t Hool in Eindhoven. De acht landelijke gebieden omvatten onder meer Walcheren, Vriezenveen en Maas en Waal-west. Zoals het in een atlas hoort, hebben kaarten de overhand. Er zijn per gebied ook enkele foto’s en een toelichtende tekst bijgevoegd. Hiermee krijg je als lezer een goed inzicht in de waarde van de gebieden. Ingegaan wordt op de keuzes die ontwerpers maakten bij het herstel, de uitleg of de herinrichting. In feite zijn het dus redengevende omschrijvingen bij de gemaakte keuzes. De kaarten zijn volgen een vast stramien: de situatie van rond 1930 – oorlogsschade (alleen bij de herstelde gebieden) – 1970 – 2010. Het zijn sobere kaarten die direct aangeven waar we het over hebben. Wat mij betreft een goede keus, hoewel het toevoegen van enkele straat- of wegnamen de leesbaarheid zou vergroten. Goed is ook de keus om voorafgaand aan de behandeling van de dertig gebieden een aantal essays op te nemen over bijvoorbeeld de opgaven waar Nederland voor stond, een beknopte geschiedenis van de ruimtelijke ordening en de achtergronden van de ruilverkavelingen. Ze geven de atlas hiermee de benodigde diepte en achtergrond die het geheel boven een set kaarten en foto’s uittillen. Wie zich in de Wederopbouwperiode wil verdiepen moet deze atlas in huis hebben. Wilt u meer weten over de kwaliteit van losse bouwwerken en/of kunstwerken, dan moet u ook de andere twee delen aanschaffen. Bij elkaar geen goedkope set boeken, maar dan heeft u wel wat! n

27

VITRUVIUS april 2014.indd 27

18-02-14 15:41


voor u

gelezen

Vitruvius

nummer 27

april 2014

Verborgen Schatten Auteurs

T. Duut, S. van Lochem en T. Stoker (red.) Uitgave

Natuurmonumenten Recensent

Edwin Raap D e ta i l s

Paperback ISBN 978-90-7009-953-4 Prijs

€ 18,50

D

e grote natuurorganisaties hebben sinds enkele jaren heel goed in de gaten dat het hun zaak erg goed doet als ze zich niet louter en alleen met natuur bezighouden. In de loop van de afgelopen decennia is hun bezit namelijk flink uitgebreid met gebouwen die een minstens zo grote aantrekkingskracht op het publiek uitoefenen als de prachtige natuurgebieden. Natuurmonumenten heeft de zorg voor monumenten zelfs expliciet opgenomen in haar statuten en geeft daar meer een meer uitvoering aan. Sterker nog: het blijkt zelfs dat Natuurmonumenten tot de grootste particuliere monumenteneigenaren in ons land behoort. Met alles wat je bezit moet je netjes omgaan en dat is Natuurmonumenten wel toevertrouwd. Dat ging traditioneel via de geëigende kanalen. De trom werd geroerd, maar beschaafd en een tikkeltje technocratisch. Het tijdperk Bleker deed de natuurorganisaties ruw uit hun positie ontwaken. De publieke opinie had zich voor een deel tegen hun gekeerd. De focus op alleen maar “beestjes en plantjes” en de al te technische benadering van de natuur in “natuurdoeltypen” kwamen als een boemerang terug in de vorm van rigoureuze kortingen op de natuursubsidies tot ruim 50%.

Het is opgezet als een thematische reisgids en heeft ook dat formaat. Je neemt het mee onderweg en kunt het bij wijze van spreken in je jaszak stoppen. Per type gebouw, denk dan aan tpyes als kastelen, woonhuizen, boerderijen en molens, wordt het bezit beschreven in 1 of 2 pagina’s. Een aangename systematiek en prettige opzet als je het mij vraagt. Wil je een kasteel van Natuurmonumenten bezoeken, dan zie je direct wat ze bezitten en de beknopte informatie is precies genoeg: in welke natuurgebied ligt het, wie ontwierp het, hou oud is het staat in een kader opgesomd. Nadere bouwhistorische en/of landschappelijke informatie volgt in de hoofdtekst, voorzien van kleurenfoto’s. Indien er bijzondere extra informatie vermeldenswaard is wordt die keurig aangegeven. Denk dan aan of het gebouw ook als (erfgoed) logies fungeert of een bijzonder bouwkundig detail dat de moeite waard is. Achterin het boek staat een index per provincie. Dit verhoogt de bruikbaarheid van de gids ook nog eens. Overzichtelijk, niet te uitgebreid en niet te beknopt: de auteurs zijn in hun opzet prima geslaagd. Zouden alle natuurbeheerders en natuurorganisaties toch maar de nadruk op erfgoed zo goed leggen als Natuurmonumenten, dan komt het toch nog een keer goed. Ik hou echter mijn hart vast met de terugtrekkende bewegingen op natuur die her en der al gesignaleerd zijn. n

Er moest iets gebeuren dus. Eén van de ontdekkingen van de natuurbeheerders vormde de interesse van het grote publiek voor de aanwezige cultuurhistorische objecten die ze beheren. Onbekend was het natuurlijk niet, maar men trad er niet groots mee in de openbaarheid. Dat is gelukkig veranderd. Om dit deel van het werk beter onder de aandacht van de eigen achterban en de rest van het land te brengen is het boek “Verborgen schatten” verschenen.

28

VITRUVIUS april 2014.indd 28

18-02-14 15:41


Vitruvius

nummer 27

recent

April 2014

Nieuwe kansen voor de galerijflat Auteurs

Ruud Brouwerds, Dick de Gunst, Hans van Heeswijk e.a. Uitgave

NDCC Publishers D e ta i l s

Paperback, 216 pagina’s, ca. 200 illustraties ISBN 978-90-8036-357-1 Prijs

€ 48,-

D

it boek gaat over optimisme in de volkshuisvesting, over architectuur en galerijflatgebouwen. Door de industrialisatie van het bouwproces konden er in de jaren zestig van de vorige eeuw in korte tijd grote aantallen nieuwe woningen gebouw worden. Dit betekende de oplossing voor de ellendige naoorlogse woningnood en een grote sprong vooruit in de kwaliteit van de sociale woning: ruime woningen, flinke badkamers, woningbrede balkons en riant uitzicht. Afhankelijk van goed beheer zijn de galerijflats geliefd bij de bewoners.

 Destijds zijn de galerijflatgebouwen snel neergezet in een

Sterke Verhalen, alle geheimen achter de gevels van de KLM-huisjes Auteur

Mark Zegeling Uitgave

De Vrije Uitgevers / MarkMedia & Art D e ta i l s

Paperback, 432 pagina’s, rijk geïllustreerd in kleur ISBN 978-90-8190-560-2 Prijs

€ 29,95 (+ verzendkosten)

V

anaf de jaren vijftig krijgen passagiers in de Royal Class (vanaf 1993 business Class) van de KLM een Delfts blauw miniatuurhuisje cadeau, gevuld met jenever. De huisjes (inmiddels gewilde verzamelobjecten) zijn replica’s van huizen in Nederland uit de 16e t/m 20e eeuw, met name de 17e eeuw. Meer dan de helft betreft panden in Amsterdam. Over de hele wereld worden de beroemde Delfts blauwe huisjes van KLM gezien als icoon van Nederland. Het zijn replica’s van echt bestaande huizen. De 93 huisjes en collector’s items vormen samen een eigenzinnig overzicht

verschenen

kale omgeving. Door uitbreiding van stedelijke gebieden staan ze nu vaak prominent in de stad, met voorzieningen en openbaar vervoer in de buurt. Meer dan vijftig jaar oud zijn ze toe aan renovatie. Dit is het moment voor stedenbouwkundige en architectonische verfijning. Slim ontworpen voorbeelden laten zien wat de architectonisch verrassende mogelijkheden zijn.

 De galerijflatgebouwen zijn in een nauwe samenwerking van overheid, corporaties, bouwondernemingen en architecten gemaakt. Eenzelfde vorm van eendrachtige samenwerking is nodig voor de nieuwe bouwopgave: het verbeteren van wijken, buurten en woningen. Het elan dat aan de galerijflat ten grondslag ligt vormt hiervoor een bron van inspiratie, terwijl het architectonisch perspectief verleidelijk is.

 Het eerste deel van het boek is thematisch en essayistisch van opzet. Ruud Brouwers geeft de herkomst en achtergronden weer van de galerijflatgebouwen in Nederland, aan het slot van het boek gevolgd door de weergave van gesprekken met ervaren gebiedsontwikkelaars over de kansen van galerijflatgebouwen. In het meest omvangrijke deel komt de praktijk van het vernieuwen en verrijken van galerijflatgebouwen aan de orde aan de hand van overtuigende voorbeelden van architecten Dick de Gunst en Hans van Heeswijk. n

van 500 jaar Dutch Design. Over het leven achter die gevels zijn de mooiste anekdotes en sterke verhalen verzameld. Bijna te mooi om waar te zijn, maar waargebeurd. Over de boezemvrienden van Willem van Oranje, de verkooptrucs van Rembrandt, het bed van Mata Hari, een goudschat in de tuin en mensenvet als wondermiddel. En op de muur van een van de huizen staat ook nog een code die bijna niet te kraken valt. Kortom, hoogtepunten uit de Nederlandse geschiedenis en architectuur, in koninklijk Delfts blauw. ‘Sterke Verhalen voor bij de borrel’ biedt een exclusief kijkje in het leven van de (oorspronkelijke) bewoners van de huizen, die model hebben gestaan voor de KLM-collectie. Het zijn portretten van pioniers, stoere avonturiers en andere kleurrijke landgenoten die hun stempel hebben gedrukt op ons land. Uitgebreid archiefonderzoek en interviews met (bouw)historici en de huidige bewoners leverden een schat aan mooie anekdotes op. De verhalen berusten allemaal op werkelijkheid, al lijken ze soms te mooi om waar te zijn. De titel ‘Sterke Verhalen’ verwijst ook naar de jenever van Bols, die in de KLM-huisjes zit. Het boek is rijk geïllustreerd met meer dan 1.700 (historische) foto’s en schilderijen van (inter)nationale musea. Een deel van het beeldmateriaal komt uit privé-collecties en is nooit eerder gepubliceerd. Het boek biedt een overzicht van 500 jaar geschiedenis en architectuur n

29

VITRUVIUS april 2014.indd 29

18-02-14 15:42


recent

Vitruvius

verschenen

Inheemse bomen en struiken in Nederland en Vlaanderen Auteur

Bert Maes Uitgave

BOOM D e ta i l s

Gebonden, 432 pagina’s, rijk geïllustreerd in kleur ISBN 978-90-8953-142-1 Prijs

€ 39,90

H

et Nederlandse en Vlaamse landschap wordt gedomineerd door Amerikaanse eiken, Douglassparren, Canada populieren en grove dennen die ook al niet uit deze streken komen. Nauwelijks bekend is dat minder dan vijf procent van de bomen en struiken in Nederland en Vlaanderen autochtoon zijn. Geen wonder dat de belangstelling toeneemt voor bomen en struiken die wél inheems zijn. Natuurbeheerders, landgoedeigenaren, ontwerpers van parken en zelfs tuinbezitters zijn steeds meer geneigd bomen te planten die oorspronkelijk uit de Lage Landen afkomstig zijn. Dit boek is de eerste en enige volledige inventarisatie van

De dorpen van Rotterdam Van ontstaan tot annexatie Auteur

Arie van der Schoor Uitgave

nummer 27

April 2014

alle bomen en struiken die van oudsher in Nederland en Vlaanderen voorkomen. Aan de hand van gedetailleerde kleurenillustraties, tekeningen en landkaarten worden meer dan veertig soorten en soortgroepen beschreven. Dat maakt Inheemse bomen en struiken in Nederland en Vlaanderen bij uitstek geschikt voor het herkennen van de beschreven soorten. Maar dit werk is veel meer. Het gaat uitvoerig in op de geschiedenis en archeologie van de autochtone bomen en struiken. Daarnaast bevat het beschouwingen over de toekomst van dit loof- en naaldhout in Nederland en Vlaanderen. Dit succesvolle boek is nu uitgebreid met een omvangrijk hoofdstuk over dwergstruiken. Hierin komt naast de rode bosbes, kraaihei, rijsbes en berendruif ook de maretak aan bod, een halfparasiet op bomen. Dwergstruiken worden in tegenstelling tot de bomen en grotere struiken weinig aangeplant in het landelijke gebied. Een aantal dwergstruiksoorten is door de grootschalige heide- en veenontginningen vanaf de negentiende eeuw zeldzaam geworden. Inheemse bomen en struiken in Nederland en Vlaanderen is het resultaat van vijftien jaar onderzoek, verricht in opdracht van het Nederlandse ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit en het Agentschap voor Natuur en Bos in Vlaanderen. n

respectievelijk ontginning en ontstaan van dorpen en steden, poldervorming en reorganisatie, vervening en landwinning, droogmaking en landwinning, urbanisatie en annexatie en tot slot de meest recente landschappelijke aanpassingen.

Ad. Donkers D e ta i l s

Gebonden, 324 pagina’s, geïllustreerd, ISBN 978-90-6100-681-7 Prijs

€ 29,50

D

e auteur behandelt de boeiende geschiedenis van de dorpen die nu deel uitmaken van Rotterdam, van het vroege begin in de Middeleeuwen tot hun annexatie eeuwen later, inclusief de meest recente samenvoeging van Rozenburg met Rotterdam in 2010. Voor de lange en complexe geschiedenis van de ‘Rotterdamse dorpen’ Cool, Delfshaven, Overschie, Schiebroek, Hillegersberg, Kralingen, IJsselmonde, Charlois, Katendrecht, Pernis, Hoogvliet, Rozenburg en Hoek van Holland is een indeling gemaakt in zes landschappelijke tijdvakken sinds het jaar 1000. Kenmerkende onderwerpen daarin zijn

Met de landschappelijke indeling als basis zijn per periode die maatschappelijke ontwikkelingen en landschappelijke gevolgen centraal gesteld die de geschiedenis van de dorpen ingrijpend hebben beïnvloed. Hoe dorpen ontstaan, groeien dan wel inkrimpen en omgaan met verandering zijn kernaspecten van dit onderzoek. De constante factor daarbij is de relatie tussen dorpen en steden, bezien vanuit het dorpsstandpunt. Een ander belangrijk onderwerp is het dorp als dorpsgemeenschap. Het ontstaan en functioneren van lokale gemeenschappen verheldert de manier waarop dorpelingen zich als verbonden beschouwden. Hoe gingen zij om met veranderingen en hoe reageerden zij op uitdagingen? De dorpen van Rotterdam. Van ontstaan tot annexatie is rijk geïllustreerd met (reconstructie)kaarten, infographics, prenten, tekeningen en foto’s. n

30

VITRUVIUS april 2014.indd 30

18-02-14 15:42


Vitruvius

nummer 27

recent

April 2014

Wat feesten ons vertellen Auteurs

Anite Haverkamp, Marcel Holl, Kees van Lent, Fons Litjens, Joke Spaans Uitgave

WBooks D e ta i l s

Gebonden, 166 pagina’s, ca. 100 illustraties ISBN 978-90-6630-540-3 Prijs

€ 17,95

I

n Wat feesten ons vertellen staan 7 feesten centraal: Advent, Kerstmis, Driekoningen, Veertigdagentijd en

Archeologie achter de duinen. Het rijke verleden van Den Haag Auteurs

Evert van Ginkel, Anne de Hingh Uitgave

Matrijs (i.s.m. gemeente Den Haag) D e ta i l s

Gebonden, 176 pagina’s, rijk geïllustreerd ISBN 978-90-5345-473-2

verschenen

Goede Week, Pasen, Hemelvaart en Pinksteren. Prachtige kunstwerken uit de collectie van Museum Catharijneconvent en beelden uit de Bijbelse tuin in Hoofddorp worden verbonden met de verhalen achter de feesten. De kleurrijke zoekplaatjes van Romeyn de Hooghe in een Statenbijbel uit 1715 vormen het uitganspunt van dit boek. Bij het boek wordt een dvd geleverd met alle afbeeldingen uit het boek, die gebruikt kan worden als inspiratiebron voor lezingen, liturgie- en studiegroepen. 
Voor iedereen die meer wil weten over de feesten die we vieren, bieden de boeiende Bijbelse verhalen en de prachtige kunstvoorwerpen informatie en context. De begeleidende teksten geven een aanzet tot bezinning en verdieping. n

Wind zette zand af, water liet klei achter en er ontstonden grote moerassen. Dit gebied trok zodra het bewoonbaar werd mensen aan. Die hebben overal hun sporen nagelaten, van vroege boeren op Ypenburg en prehistorische zoutzieders in het Wateringse Veld tot Romeinse soldaten aan de Scheveningseweg, vroegmiddeleeuwse krijgers bij Solleveld en nonnen aan het Westeinde. Wat zij in de Haagse bodem achterlieten, is de basis voor het verhaal van de vroegste geschiedenis van het gebied. Archeologen weten dat verhaal te vertellen en te illustreren.



Prijs

€ 29,95

A

chter de duinen ligt de stad Den Haag. Ze ligt voor een groot deel op de duinen, maar ook op brede stroken veen en een groot kleigebied in het zuidwesten. Het afwisselende natuurlijke landschap waar de stad op is gebouwd, is gevormd vanaf zesduizend jaar geleden.

Een knekelveld maakt geschiedenis Auteur

Nico Arts (red.) Uitgave

Matrijs (i.s.m. gemeente Eindhoven) D e ta i l s

Gebonden, 288 pagina’s, rijk geïllustreerd ISBN 978-90-5345-472-5 Prijs

€ 29,95 (na 01-07-2014 € 39,95)

I

n 2005 en 2006 vond in het centrum van Eindhoven een bijzondere opgraving plaats. Anderhalf jaar lang werden door een team van zo’n 85 medewerkers, bestaande uit archeologen, veldtechnici, studenten en vrijwilligers, de overblijfselen van meer dan 1050 individuen geborgen. De overblijfselen, die dateren van ongeveer 1200-1850, bevonden zich binnen en buiten de fundamenten van het koorgedeelte van de middeleeuwse Catharinakerk. Deze kerk werd in 1860 afgebroken om plaats

VITRUVIUS april 2014.indd 31

Archeologie achter de duinen is de tweede, geheel herziene en aangevulde uitgave van het succesvolle boek De archeologie van Den Haag. Het bevat veel nieuwe vondsten en ontdekkingen, maar ook nieuwe interpretaties van vroegere studies. Er zijn veel nieuwe illustraties en bijgewerkte kaarten opgenomen. Het vroegste verhaal van Den Haag is op een beeldende manier opnieuw verteld. n

te maken voor de huidige en veel grotere neogothische kerk. Voor het eerst in de wereld werden tijdens een archeologisch onderzoek op grote schaal en met forensische technieken DNAmonsters uit menselijke skeletten gehaald. Het was een opgraving met onder meer een medische vraagstelling, die veel publiek en regionale, nationale en zelfs internationale pers trok.

 Na jaren van intensief onderzoek zijn de resultaten nu voor iedereen beschikbaar. In deze rijk geïllustreerde publicatie wordt meer verteld over de organisatie en methode van de opgraving, de ligging, de geschiedenis van het kerkgebouw, de fundamenten van de kerk, dateringsmethoden, de bijna 70.000 gevonden voorwerpen, het grafritueel, de menselijke overblijfselen, het DNA-onderzoek, het isotopen-onderzoek, overblijfselen van parasieten, resten van dieren en het onderzoek onder de vloer van de huidige kerk. Stuk voor stuk leiden de verschillende onderzoeken tot fascinerende inzichten over de vroegere bewoners van Eindhoven. n

31

18-02-14 15:42


recent

Vitruvius

verschenen

De geest van Overijssel Auteurs

Saskia van Oostveen en Ineke Strouken (red.) Uitgave

Profiel D e ta i l s

Paperback, 112 pagina’s, rijk geïllustreerd ISBN 978-90-5294-538-5 Prijs

€ 17,95

De grote wetenschappers 500 jaar revolutionaire ontdekkingen Auteur

Andrew Robinson Uitgave

Fontaine D e ta i l s

Gebonden, 304 pagina’s, 220 illustraties ISBN 978-90-5956-483-1 Prijs

€ 29,95

De houten kampeerstad van Rotterdam aan zee - De geschiedenis van recreatieoord Hoek van Holland Auteur

Mario Bruijns Uitgave

Ad. Donker D e ta i l s

Paperback, 151 pagina’s, geïllustreerd, ISBN 978-90-6100-676-3 Prijs

€ 19,50

I

n de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw verlieten de arbeiders in het zomerseizoen hun woningen in de smalle, troosteloze straatjes van Rotterdam om te kamperen in de natuur van Hoek van Holland. Hier was vrolijkheid voor iedereen. Want jong of oud, zij die het Hoekse kampeerleven meemaakten

nummer 27

April 2014

D

e geest van Overijssel. Een spannende verhalentocht’ staat boordevol spannende, ontroerende en mooie volksverhalen. Het is geschreven door inwoners van Overijssel, naar aanleiding van de wedstrijd ‘Geef je woonplaats een eigen volksverhaal!’ De verhalen gaan over plekken in Overijssel, soms gebaseerd op waargebeurde verhalen, soms is het pure fictie. Over gewone mensen, valse molenaars en kasteleins, mythische personen en wezens en echte helden. Het boek schetst een prachtig beeld van de levende traditie van Overijsselse volksverhalen. De geest van Overijssel is rijk geïllustreerd en is een must-have voor alle inwoners van Overijssel en iedereen die van prachtige verhalen houdt. n

H

oe zou de wereld eruitzien zonder wetenschap? Die vraag is eigenlijk onmogelijk te beantwoorden. We staan er misschien niet iedere dag bij stil, maar wetenschap is overal om ons heen. Of u nu uw computer opstart om uw e-mail te checken (elektriciteit, internet!) of in een vliegtuig stapt op weg naar een zonnige bestemming (elektromotoren, zwaartekracht!); wetenschap is alomtegenwoordig. Dit boek geeft een verrassend kijkje in het leven van de personen achter de wetenschap. Aan de hand van portretten van 43 opmerkelijke wetenschappers, komt u te weten wat er nu eigenlijk voorafging aan de meest opzienbarende experimenten, ontdekkingen, theorieën en uitvindingen van de laatste 500 jaar. Niet alleen leuk voor wetenschappers in de dop, maar ook voor iedereen die graag wil weten hoe ontdekkingen uit het verleden invloed hebben op het heden. n

hadden één ding gemeen; er was iets van vrijheid en vreugde in hun leven geslopen. 
 De houten kampeerstad van Rotterdam aan zee vertelt het boeiende verhaal van het kampeerterrein in Hoek van Holland. In dit eerste deel (1921-1945) leest u over de veranderingen die het kamp onderging en hoe het zich vervolgens tot buiten de grens van Hoek van Holland uitbreidde. Over de tegenstand waarmee de kampeerders te maken kregen en hoe ze hun eigen kampeerstad in Rotterdam aan zee creëerden. 
 
 Auteur Mario Bruijns gebruikte talloze historische krantenartikelen, kampeergidsen, tijdschriften en raadpleegde verschillende archieven om het verhaal van het kampeerterrein tot leven te wekken. Ook interviewde hij ouderen die als kind op het recreatieoord verbleven. Hij verzamelde veel fraaie foto’s en ansichtkaarten die in het boek terugkomen. Samen geven zij een prachtig beeld van het kampeerleven in de eerste helft van de twintigste eeuw. n

32

VITRUVIUS april 2014.indd 32

18-02-14 15:42


Vitruvius

nummer 27

recent

April 2014

verschenen

Kerkkappen in Nederland 1800-1970 Auteur

Ronald Stenvert Uitgave

WBooks D e ta i l s

Paperback, 176 pagina’s, rijk geïllustreerd ISBN 978-90-6630-723-0 Prijs

€ 29,95

I

n een tijd waarin herbestemming van kerken aan de orde van de dag is, is kennis over de constructieve ontwikkeling van kerkkappen van groot belang. Kerkkappen in Nederland 1800-1970 geeft voor het eerst een blik op de schemerduistere ruimte tussen het imposante dak en het plafond van

De genade van de steiger - Monumentale kerkelijke schilderkunst in het Interbellum Auteur

Bernadette van Hellenberg Hubar Uitgave

Walburg Pers D e ta i l s

Gebonden, 400 pagina’s, rijk geïllustreerd, ISBN 978-90-5730-881-9 Prijs

€ 49,50

H

et onderzoek dat de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) in 2012 initieerde naar monumentale kerkelijke schilderkunst in het Interbellum resulteerde in de eerste studie over dit onderwerp, de genade van de steiger. De titel reflecteert de worsteling van

Industrieel Erfgoed - Van buitenbeentje binnen de monumentenzorg naar boegbeeld van de erfgoedzorg Auteur

Karel Loeff Uitgave

Primavera Pers D e ta i l s

Paperback, 88 pagina’s, rijk geïllustreerd ISBN 978-90-5997-158-5 Prijs

€ 12,50

D

it boek beschrijft hoe industrieel erfgoed een plaats heeft gekegen binnen de erfgoedzorg: de aandacht van de overheid, lokale

kerken. Naar aanleiding van een tiental pas gerestaureerde kerken beschrijft architectuur- en bouwhistoricus Ronald Stenvert in samenwerking met de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed de ontwikkeling van de kapconstructies in de periode vanaf de 19e eeuw tot aan 1970. Kerkkappen in Nederland 1800-1970 beschrijft de ontwikkeling van traditionele gestapelde houtconstructies tot modernere bouwvormen. Vanuit een bredere cultuurhistorische context wordt ingegaan op de ontwikkeling van de toegepaste hang-, schoor- en springwerken in de kapconstructies. Ook het gebruik van moderne materialen als ijzer, beton en gelamineerde spanten komt aan bod. Het boek bevat een uitgebreide bronnenlijst, een lijst met termverklaringen, een uitvoerig register en een samenvatting in het Engels. n

de kunstenaar die in allerlei houdingen hoog op de steiger zijn werk uitvoert en in zijn hoofd een berekening moet maken van hoe dit er vanaf de grond uit komt te zien. Een beetje genade was daarbij onmisbaar. De publicatie schetst hoe de academisch geschoolde kunstenaar aan het einde van de negentiende eeuw zijn entree maakte op de steiger. Dit leidde in het Interbellum tot een relatief kortstondige vlucht aan kerkelijke opdrachten voor specialistisch geschoolde muurschilders. Niet alleen de actoren en hun opleiding, maar ook de toegepaste technieken en de kunstkritiek passeren de revue. De publicatie wordt afgerond met een indeling in stromingen en karakteristieken met kopstukken en representanten, Einzelgänger en pluriforme kunstenaars. Deze opzet biedt een kader om in de toekomst de waarden van dit type werk te kunnen positioneren. Vanuit een wetenschappelijke benadering beoogt dit boek een handwerk te zijn voor een ieder die in de praktijk met beheer en behoud van monumenten en hun interieurs te maken heeft. n

stichtingen die zijn opgericht, gemeentelijke initiatieven, gezaghebbende publicaties etc. De laatste decennia vestigen zich creatieve bedrijven, horeca en soms particulieren in gerestaureerd industrieel erfgoed. Ondanks alle opgedane kennis en ervaring zijn er nog steeds veel vragen rond het behoud van de relicten van ons industrieel verleden. Is herbestemming nog steeds het toverwoord of mogen objecten ook langzaam vervallen? En hoe houden we de herinnering aan de productieprocessen levend? Deze en vele andere vragen komen in dit boek aan bod. Karel Loeff (1969) studeerde architectuurgeschiedenis aan de Universiteit Utrecht. Hij is thans directeur van de erfgoedvereniging Bond Heemschut. n

33

VITRUVIUS april 2014.indd 33

18-02-14 15:42


recent

Vitruvius

verschenen

nummer 27

April 2014

Geschiedenis van Scheveningen (deel 1) Vroegste tijd tot 1875 Auteurs

Maarten van Doorn, Henk Grootveld, Paul de Kievit en Kees Stal (red.) Uitgave

Walburg Pers D e ta i l s

Gebonden, 320 pagina’s, rijk geïllustreerd ISBN 978-90-5730-954-0

Prijs

€ 39,50

S

cheveningen is niet zomaar een plaatsje aan de Noordzee. In de loop der eeuwen ontstonden naast elkaar een vissersdorp en een mondaine badplaats. De laatste keer dat de geschiedenis van de ‘Parel aan de Noordzee’ in zijn geheel is beschreven, was in 1926: het standaardwerk van J.C. Vermaas. Het is daarom tijd voor een (nieuwe) Geschiedenis van Scheveningen!

Van herbestemming naar hergebruik Resultaten van het Jaar van de Boerderij 2013 Auteurs

Peter Bouwman, Gerard Hendrix, Piet den Hertog, Machteld Linssen, Hans Renes, Judith Toebast, Ineke de Visser (reportages: Ewoud van Arkel) Uitgave

Blauwdruk i.s.m. St. Agrarisch Erfgoed

Een team van deskundige auteurs heft nu een tweedelige uitgave geschreven, waarvan ‘Geschiedenis van Scheveningen. Vroegste tijd tot 1875.’ het eerste deel is. Het boek verscheen eind 2013, precies twee eeuwen na de landing van de Prins van Oranje bij Scheveningen. Met deze gebeurtenis begon de stichtingsfase van het Koninkrijk der Nederlanden. Het tweede deel ‘Geschiedenis van Scheveningen. Van 1875 tot heden.’ Verschijnt later dit jaar. In de rijk geïllustreerde boeken komt de hele geschiedenis van Scheveningen aan bod, van de prehistorie en de eerste menselijke activiteiten in de duinen, tot de aanleg van de nieuwe boulevard en de recente onthulling van het Vissersnamen Monument. Enkele belangrijke thema’s die aan de orde komen zijn: de ontwikkeling van de haringvangst, het bestuur van Scheveningen en verhouding tot de grote buurman Den Haag, de groei van de badplaats en het strandleven en, uiteraard, de bewogen periode van de Tweede Wereldoorlog. n

Prijs

€ 14,90

I

n Nederland staan 90.000 historische boerderijen. Meer dan tien procent daarvan
staat

De ommuurde stad - Langs de 17de-eeuwse bolwerken en stadspoorten van Amsterdam Auteurs

Rob van Reijn en Maarten Hell Uitgave

Bas Lubberhuizen D e ta i l s

Paperback, 176 pagina’s, ca. 60 afbeeldingen ISBN 978-90-5937-374-7 Prijs

€ 22,50

H

et is nu moeilijk voor te stellen, maar in 1663 was Amsterdam omsloten door een vijf meter hoge stadsmuur. De acht kilometer lange vestingwal telde 26 bolwer-

Herbestemming van historische boerderijen was het thema van het Jaar van de Boerderij 2013, een initiatief van de stichting Agrarisch Erfgoed Nederland. Het boek ‘Van herbestemming naar hergebruik’ zet de discussiepunten en onderzoeksresultaten op een rij en presenteert nieuwe inzichten en oplossingen. Voorbeelden van geslaagde transformaties van boerderij en erf illustreren dat respectvolle en inventieve omgang met gebouwd erfgoed wel degelijk helpen bij de hernieuwde ontwikkeling van het agrarische landschap. n

ken en 8 stadspoorten langs de huidige Singelgracht. Hier en daar zijn in de stad nog sporen te vinden. De muur diende als verdedigingslinie en werd omgeven door een zestig meter brede gracht. Op de bolwerken stonden zware kanonnen en vanwege de ligging aan de rand van de stad waren de meeste ook voorzien van een molen. In de 19de eeuw verloren de muur en de bolwerken hun militaire functie en vanwege de stadsuitbreiding werden ze één voor één afgebroken. Daarmee verdwenen ook de molens. De bekende mimespeler en amateur-historicus Rob van Reijn raakte gefascineerd door de verdwenen vestingwal en spande zich ervoor in dat er plaquettes werden gelegd op de plekken van de voormalige bolwerken. Hij legde samen met Maarten Hell de geschiedenis ervan vast in de vorm van een wandeling op de grens van de oude en de nieuwe stad. n

34

VITRUVIUS april 2014.indd 34

m w

w

H

s

g

leeg. Deze gebouwen zijn alleen te behouden door ze nieuwe bestemmingen
te geven. Maar hoe doe je dat in deze tijd van vastgoedcrisis, krimp en schaalvergroting? En zonder het karakter van de gebouwen en het landschap aan te tasten?


D e ta i l s

Paperback, 72 pagina’s, geïllustreerd in kleur ISBN 978-90-7527-168-3

Er d

18-02-14 15:42

D


Op de foto: “In het park van Huize Middenburg staan eeuwenoude kastanjes, eiken en beuken. Er zijn vijvers en aan de achterkant stroomt de Vliet. Het huis zelf staat hoger; dat geeft een statige, imposante aanblik.” “Mijn vader is gepensioneerd aannemer, met een voorliefde voor oude gebouwen. Hij wordt al lyrisch bij het zien van een authentieke steen of tegel. Na twee boerderijen in oude staat te hebben hersteld, kocht hij dit huis en restaureerde het. De groene luiken waren totaal verwaarloosd. Alle houtjes zijn stuk voor stuk door zijn handen gegaan. Het koetshuis, waarin ik zelf woon, hebben we samen verbouwd.” “Het eerste huis - Oud Middenburg - stamt uit 1659; het werd aangelegd door een schepen uit Delft. Huize Middenburg zoals we het nu kennen werd in 1917 grondig gerestaureerd. Aan het gebouw en het park is sindsdien nooit meer iets veranderd. Het gebouw vertoont een mix aan stijlen, wat het extra mooi maakt. Ik vind het een prachtig huis op een prachtige plek.” J.E. Vink, medebeheerder (46) Huize Middenburg

D

onatus verzekert vertrouwd

Monumenten worden met veel zorg omgeven door eigenaren en beheerders. Dat is belangrijk en nodig. Net als het kiezen van de juiste verzekering. Al sinds 1852 heeft Donatus ervaring in het verzekeren van monumentale kerken en gebouwen. Als onderlinge maatschappij werken wij zonder winstoogmerk. Wij hebben dan ook geen klanten, maar leden. Maak vrijblijvend kennis met Donatus. Onze expertise zal u verbazen en verrassen, evenals onze jaarlijkse premierestitutie.

sinds 1852

www.donatus.nl tel. 073 - 5221700

VITRUVIUS april 2014.indd 35

18-02-14 15:42


VITRUVIUS april 2014.indd 36

18-02-14 15:42

Profile for Uitgeverij Educom

Vitruvius april 2014  

Onafhankelijk vakblad voor erfgoedprofessionals. Archeologie, Cultuurlandschap, monumenten, immaterieel erfgoed & volkscultuur

Vitruvius april 2014  

Onafhankelijk vakblad voor erfgoedprofessionals. Archeologie, Cultuurlandschap, monumenten, immaterieel erfgoed & volkscultuur