Page 1


Nog niet. Gewoon maar wachten. Straks is het donker. Dan kan ik het proberen. Vóór de maan opkomt. Vóór het veld in het volle licht staat moet ik het gedaan hebben. Iets grijzigs daar tussen de bomen in de verte. Het donker dat er aan komt sluipen. En dat is nog maar het tipje van een hele nacht. Het duurt zo lang. Gewoon maar wachten. Ze hebben het nu vast over mij.

Ik hoor mamma al vragen: “Waar blijft onze Klumper toch?” Pappa zal zeggen: “O ja, Klumper. Die heb ik al heel lang niet gezien. Hoe lang zal het zijn, veertien uur?” Broertje zal zich verwonderd afvragen: “Veertien uur? Dat is bijna een jaar!” Broertje begrijpt maar weinig. Kan nog niet zo ver tellen. Maar hij doet z’n best. Vraagt je het hemd van je lijf en vergeet weer heel vlug. Gewoon maar wachten. Kan het nog niet proberen. Gewoon maar wachten.


Gewoon maar wachten. Kan het nog niet proberen. Het veld is veel te groot. De vos heeft vast honger. Pappa heeft het vaak over de vos en zijn honger. En hier vlakbij woont een uil. Die heeft ook al een hele tijd niet gegeten. En ik, Klumper, moet gewoon maar wachten. Me schuil houden en wachten. Als ik lang genoeg wacht, komt pappa me vast wel zoeken. Als hij durft tenminste. Hij is ook niet zo dapper. Een jaar geleden. Duizenden uren geleden. Jeetje, zo lang geleden al? Toen waren pappa en ik aan het hardlopen langs de rand van het veld. Helemaal tot waar ik nu zit. Het is hier zulk heerlijk gras. En toen werd het donker. We moesten naar huis. Net als nu. Maar nu ben ik alleen. ’t Was zo eenvoudig zoals pappa het deed. Keek om zich heen. Stond op z’n achterpoten. Stak z’n oren in de lucht. En toen rende hij. Als een pijl dwars het veld over. Veel sneller dan ik. Maar ik ben ook thuisgekomen. Toen. Nu is het niet zo makkelijk. Gewoon maar wachten. Kan het nog niet proberen. Wachten tot het donker is. Vóór de maan opkomt.


De boer heeft het koren gemaaid. Ik kan helemaal over het veld heen kijken. Hoef nergens op te springen. Nee, kan hiervandaan helemaal ons huis zien liggen. En het is zo ver. En de vos. En de uil. En twee dagen geleden was de boer aan het maaien. Een enorme herrie maakte het. Toen zat ik thuis in ons hol. Mamma en pappa waren er. En Broertje deed niks anders dan rennen en vliegen en de uren tellen. En de boer bleef maar z’n rondjes draaien, als een klok. Acht uur heeft hij er over gedaan. “Tsja,” zei pappa. “Zo’n beetje net als vorig jaar.” Tsja. Daar lagen we dan. Het is nog niet veel donkerder geworden. Dat gaat niet zo vlug. Gewoon maar volhouden en blíjven wachten. Je moet je weten te redden. Pappa komt vast niet. Hij zal eens in het rond kijken en zeggen: “Dat was onze Klumper dan. Niet erg oud geworden. Een jaar, iets ouder. Maar hij was lief. Ja, lief was-ie zeker. We hebben heel wat lieve kinderen gehad. Maar weggeraakt zijn ze allemaal.” En mamma zal zeggen: “Pappa toch! Klumper redt zich heus wel. Over een klein uurtje is hij weer thuis.” En Broertje: “Een klein uurtje?”


Ik wacht en ik wacht. Íets donkerder is het. Maar nog steeds kan ik helemaal over het veld heen kijken. En er is niet veel te horen. Als mamma had geroepen, had ik het moeten horen. Zo ver is het niet. Alleen maar recht het veld over. Misschien ligt de vos te luisteren. Of de uil. Die kan zo goed horen. Daarom roept er niemand. Pappa weet dat allemaal. Hij heeft vast wel een plan. Je moet de vos te slim af zijn. Of de uil. Of allebei. Allebei, ja. En daarom roept er niemand. Maar ze hebben er vast zo hun gedachten over. Pappa denkt er het zijne van. En mamma het hare. En Broertje? Ja, Broertje, die vindt het natuurlijk wel wat lang gaan duren. Straks moet hij naar bed.

Het is zo eenvoudig voor pappa. Of je bent weg, of je bent niet weg. Klaar. Hij is óók bang voor de vos. Maar hij zegt niks. Rent zo hard als hij kan. “De vos?” zegt pappa. “De vos, dat stelt niks voor. Nou ja, niks… Hij is er nou eenmaal. Hard rennen is de boodschap. En een beetje geluk moet je hebben.” Zo eenvoudig is het voor pappa. Maar hij is bijna kinderloos. Alleen ik en Broertje zijn er nog. Mamma is ook nog niet zo oud. Pappa heeft er al heel wat jaartjes opzitten. Daar is hij best een beetje trots op. “Wil je het redden in het leven, dan moet je hard rennen,” zegt pappa. Dus wachten is de boodschap. Gewoon maar wachten. En rennen vóór de maan er is.


Pappa houdt van mamma. Hoewel hij al eens eerder getrouwd geweest is. Meer dan eens. Daar praat hij nooit over. “Luister, Klumperman,” zegt hij. “Je moet oppassen voor de vos.” Dat zegt hij heel vaak. En soms zegt hij: “Broertje, jij blijft hier. En mamma, jij blijft ook hier. Ik en Klumper gaan hardlopen. Een uurtje of zo. Misschien twee.” Vandaag zei hij dat nog. Eerder vandaag. Voor hij opeens het bos in verdween. Toen ben ik naar het veld gerend, hiernaartoe. Maar hij houdt van mamma. “Hou je haas, schatje,” zegt hij als hij van huis gaat. “Hazeboutje van me!” Nu is het iets donkerder. Ietsjes. En straks wordt het lichter, als de maan opkomt. Daarginds boven de heuvel. Lang voor de maan opkomt zie je daar al licht. En het is een echte maan. Hij zet het hele veld in het licht. Twee dagen geleden was de boer daar met zijn tractor. En zijn dorsmachine. Aan één stuk door reed hij zijn rondjes in het maanlicht. Pappa werd een beetje kwaad. “Voor ons is het nu avond, hoor! Het is al bijna nacht! Het wordt al haast weer licht! Nu is het genoeg! Meer dan genoeg!” En de boer bleef maar zijn rondjes draaien in het maanlicht. ’t Was best wel leuk om te zien. Maar ik werd er heel moe van. Ook pappa viel ten slotte in slaap.


Ze zit er nog, dat meisje. Zit weer te praten. Even later houdt ze op met praten en loopt de weg af. Al gauw hoor ik een auto. Die stopt. Een autodeur die dichtslaat. Hij rijdt weg en komt de bocht door, precies waar dat meisje zat te wachten. Pappa heeft geen auto. Komen zal hij ook wel niet. Je moet je zelf maar redden. Nog maar even wachten. Het is al bijna donker genoeg. Dan zet ik het op een lopen. Ren in één keer dwars het veld over. Het is niet zo ver. Maar het is de vos.

Had zo’n ding als dat meisje moeten hebben. Zo’n ding om aan je oor te houden en in te praten. Broertje was misschien wel aan de lijn. “Hé, Klumper,” zou hij zeggen. “Het is bijna zondag.” En pappa: “We zoeken ons een ongeluk.” En mamma: “Het eten wordt koud.” En ik: “Híer zit ik. Vlak aan de overkant.” En pappa: “Ren dan naar huis.” En ik: “De vos. Ik durf niet, voor de vos.” En pappa: “Ik ook niet.” En moeder: “Je moet, Klumper. Je zal tóch moeten.” En Broertje: “Ja, Klumper, je moet hoor.”


Sst! Riep daar iemand? Riep mamma van de overkant? Hoor niks meer. Was zeker niks. Nog maar even wachten. Nog steeds wordt het donkerder. Kan nog net het veld over kijken. Zodra de bomen aan de overkant één zwarte muur zijn, ga ik rennen. Reken maar. In één keer dwars het veld over. Als een pijl. Zo snel dat niemand me ziet. Enkel een schaduw ziet. En iemand die die schaduw ziet, die zal zeggen: “Hé, was dat Klumper niet?” Sst! Riep daar iemand? Nee.

Als ik nu nog langer blijf wachten, begint Broertje te huilen. En hij zal vragen hoe oud je eigenlijk kan worden. En pappa zal een poot opsteken, en nog een, nog een erbij, en de vierde. Dan zal hij weer van voren af aan beginnen. En Broertje maar tellen. “Tien jaar,” zegt Broertje. “Kan je tien jaar worden?” “Met een beetje geluk wel,” zegt pappa.


De vos is niet elke avond op het veld. Dat heeft pappa gezegd. Pappa weet zulke dingen. “Als de vos genoeg gegeten heeft, gaat hij een dutje liggen doen,” zegt pappa. Maar wie zal zeggen wanneer de vos genoeg gegeten heeft? En wanneer hij niet genoeg gegeten heeft? En wie weet wat hij gegeten heeft? Pappa schrijft iedereen op die verdwenen is. Het is een lange lijst. Heel wat goeie buren. Een stuk of wat familieleden. Halfbroertjes en -zusjes. Ooms en tantes. “Ze hebben te weinig getraind,” zegt pappa. “Als je wilt overleven, zul je regelmatig moeten trainen. Onthou dat, Klumper.”

Nu is het heel donker. Nu straalt er enorm veel licht boven de heuvel uit. En nog steeds is de maan er niet. Zodra die er is, is het te laat. Dan ligt het hele veld in het licht. Ik ben zo bang. Ik weet niet hoe dit gaat aflopen. Maar ik kan hier niet langer blijven. Dat gaat gewoon niet. En pappa komt maar niet opduiken. Zoals anders altijd. Als we in het bos zijn en zo. Dan is hij opeens weg. En dan duikt hij op het laatst weer op. Maar nu niet. Nu is er het veld. En het donker. En de vos.


Gewoon maar wachten  

Enkele bladen uit Gewoon maar wachten. Het verrassende einde moet natuurlijk een verrassing blijven... ISBN 978-94-90035-01-3. Nieuwe prijs:...

Gewoon maar wachten  

Enkele bladen uit Gewoon maar wachten. Het verrassende einde moet natuurlijk een verrassing blijven... ISBN 978-94-90035-01-3. Nieuwe prijs:...

Advertisement