PEER HULTBERG
Preludes Uit het Deens vertaald door Gerard Cruys Met een nawoord van Henk van der Liet
Watervis
De vertaler ontving voor dit project een werkbeurs van de Deense Kunstraad (Statens Kunstråds Litteraturudvalg).
De vertaler is veel dank verschuldigd aan Tove Dueholm, die het manuscript van de vertaling kritisch heeft doorgenomen, en aan Willem Ouwerkerk voor diens bevlogen, collegiale en buitengewoon kundige redactionele begeleiding.
Oorspronkelijke titel Præludier © 1989 Peer Hultberg & Gyldendal, Kopenhagen Published by agreement with the Gyldendal Group Agency Nederlandse editie © 2012 Gerard Cruys & Uitgeverij Watervis, Nieuwegein Omslagillustratie Narodowy Instytut Fryderyka Chopina, Warschau Omslagontwerp Studio WMO Eerste druk 2012 ISBN 978 94 90035 00 6 NUR 302
dat is echt schoonschrift dat in onze tijd zijn weerga niet kent moet je je vaders schrift eens zien verheug je over je vaders schrift je vaders schrift is een genot voor het oog.
Want mijn moeder is dol op kinderen. Mijn moeder houdt zoveel van kinderen. En als mijn moeder kinderen ziet. Wat verheugt mijn moeder zich toch. En het zijn de kleine en de pasgeborene van mevrouw Kolberg. En mijn moeder heeft vier kinderen op de wereld gezet en eigenlijk vijf. Kinderen hebben, mijn moeder weet er alles van. En ze kan mevrouw Kolberg vertellen. En ik luister naar mijn moeder terwijl ze mevrouw Kolberg vertelt. Hoewel mevrouw Kolberg ook kinderen op de wereld heeft gezet. Want mijn moeder is dol op kinderen. En bestaat er iets verrukkelijkers. En ook als ze groter worden. Kinderen schenken je vreugde. Kinderen schenken je de grootste vreugden in het leven. Mijn kinderen zijn voor mij de grootste vreugde in het leven. Ik zou ze niet willen missen. Ik weet niet wat ik zou moeten beginnen. Maar kinderen moeten natuurlijk ook lief zijn. En kinderen dienen te weten hoe kinderen moeten zijn, daar is geen ontkomen aan. En hoe moeten kinderen zijn. Zeg me hoe kinderen moeten zijn. Ja, kinderen moeten lief zijn. Want mijn moeder is dol op kinderen. Maar dat is duidelijk. Stoute kinderen. Daar heeft ze geen boodschap aan.
Hij moet gemarteld worden en hij moet doodgemarteld worden want het is maar een muis en als je ziet hoe de poes met de muis speelt en hij is klein en wij hebben hem van de poes afgepikt en de poes is beledigd moet je zien hoe beledigd de poes is en hij kan niet meer rennen en hij moet gemarteld worden en hij moet doodgemarteld worden en dan kan de poes hem weer terugkrijgen want hier is een 103
stokje en het is hard en we boren het erdoorheen en wie heeft er een naald is er niemand die een stopnaald op de kop kan tikken en als je er nu hier op drukt en je hoeft niet bang te zijn om hem aan te raken want hij kan niks beginnen en moet je zijn ogen zien hij lijdt maar het is maar een muis hoor en moet je zien hoe hij beeft zou hij bang zijn zou een muis bang kunnen zijn en als we hem nu hier aan beide pootjes trekken en zouden die dan uit de kom kunnen schieten zouden de ledematen van een muis uit de kom kunnen schieten en hij piept wat piept hij grappig en stel je niet zo aan en probeer hem in het hart te raken maar waar zit het hart van een muis een sabel moet door het hart gaan en hij siddert en nu hebben we hem en moet je zien hoe hij zijn bek opendoet en moet je zijn tanden zien moet je zijn kleine hoektandjes zien en moet je zien hoe zijn staart heen en weer zwiept en nu is hij dood we hebben hem doodgemarteld en waar is de poes de poes moet hem komen opeten probeer de poes te vangen zeg dat die moet komen er valt wat te eten voor hem.
Een boerenvrouw had een allerbeste akker en gezond vee als niemand anders in het dorp, en toch was ze afgunstig op iedereen. Als het vee ’s avonds naar huis werd gedreven ging ze in de deuropening van haar huis staan en ergerde zich als er een goede koe langsliep die van een buurman was. Als ze goed vlas op het veld zag dat niet van haar was, zei ze: “Ik weet niet wat die mensen doen, alles lukt ze en mij lukt niets.” Door zo te denken won ze niet alleen niets, maar ze berokkende zichzelf zelfs schade. Want omdat ze zo ontevreden was en zich voortdurend ergerde was ze steeds ziek. Ze stierf in haar beste jaren aan galkoorts nadat haar ter ore gekomen was dat een buurman van een verre verwant 100 złoty geërfd had.
104
Slechte lucht, wat verbeeldt hij zich wel zegt Baśka, slechte lucht, en mijn moeder vindt ook dat hij het te bont maakt, ja meer dan dat, mijn moeder is verontwaardigd, en dan mag hij nog zo veel dokter zijn als hij wil, Dokter Malcz, slechte lucht, alsof er bij haar in huis slechte lucht is, alsof er niet voor gezorgd wordt, alsof er bij haar in huis niet behoorlijk wordt schoongemaakt, en midden in de winter, wat bedoelt hij eigenlijk, natuurlijk moeten de ramen afgedicht worden, maar hij is misschien zo rijk dat hij het zich kan veroorloven voor de mussen te stoken, ja met de honoraria waar hij de laatste tijd mee begonnen is, slechte lucht, hoe haalt hij het in zijn hoofd, en weet hij niet wat tocht is, wat tocht wil zeggen, wat tocht betekent, een verkoudheid eer je er erg in hebt, reuma, maar hij is ook zo jong, eigenlijk is Dokter Malcz te jong, hij kan natuurlijk wel wat, maar het helemaal begrijpen dat doet hij niet, slechte lucht, wat verbeeldt hij zich eigenlijk zegt mijn moeder, luchten, luchten, ja dat is al dat nieuwerwetse gedoe, maar toen mijn moeder kind was, en toen Baśka kind was, en het heette zuinig zijn met warmte, zo heet dat, en een professor die nog kostgangers moet nemen ook, en elk huis heeft zijn geur hoor, zijn eigen geur, en een pispot riekt nu eenmaal dat is niet te vermijden, en is het niet erger om het koud te hebben, om op de tocht te zitten, weet hij eigenlijk wel wat tocht wil zeggen die goede Dokter Malcz, hoe gevaarlijk het is om op de tocht te zitten, de ramen wijdopen te laten staan, en midden in de winter, wil hij dat soms, sterven van de kou, en slechte lucht, alsof er ooit iemand is gestorven omdat je ervoor zorgt dat het niet tocht bij je in huis, wat verbeeldt hij zich wel, slechte lucht, gevaarlijk voor de gezondheid, wierook branden wil hij dat soms, ja zeg dat wel Baśka zegt mijn moeder.
Zo triest, want eigenlijk had de gravin de mooiste tanden die je je kunt voorstellen, en toen is er een voortand uitgevallen. Maar de gravin heeft helemaal geen mooie tanden want ze is al haar kiezen kwijt en dat kan ik zien. En achter het gat 106
na haar voortand is het zwart en het stinkt walgelijk als ze me wil zoenen en knuffelen. En ze heeft om de haverklap kiespijn. Maar mijn moeder, die heeft mooie tanden en mijn moeder heeft sterke tanden, en die zijn breed en kort. En ze laat me haar tanden zien en ze heeft ze allemaal zelfs de verstandskiezen. Afgezien van. Ja helaas. Ze viel. Als kind. Negenjarig. Buitenste snijtand rechtsboven. Weg. Maar het valt haast niet op. Niet zoals bij de gravin. En mijn moeder stinkt niet als ze me zoent. En mijn moeder kan noten kraken met haar tanden. Dat is meer dan mijn vader. Want mijn vader heeft slechte tanden. Die zitten veel te dicht op elkaar. En als ze toch al niet uitvielen, hij zou er een paar hebben moeten laten weghalen. Daar hadden zijn ouders voor moeten zorgen. Dat soort dingen moet gedaan worden als je nog kind bent. Maar wat kun je verwachten van een wielmaker in Frankrijk.
Er zijn goede en er zijn slechte getallen, maar er zijn ook heel kwade getallen. Baśka weet alles over wat de getallen betekenen. Twee kan best gevaarlijk zijn vertelt ze, je moet altijd op je hoede zijn voor tweelingen, die kunnen iets goeds betekenen maar ze kunnen ook ongeluk brengen, dat kun je niet van tevoren zeggen. Drie dat gaat, maar mag verder geen naam hebben. Daarentegen is Baśka altijd opgelucht als ze op vier of iets met vier stuit, bijvoorbeeld acht wat twee keer vier is. Acht is een heel gewichtig getal zegt Baśka gewichtig. En vijf kan ook uitstekend zijn, in bepaalde gevallen meent Baśka dat vijf zelfs een buitengewoon gelukbrengend getal is, dat hangt helemaal van jezelf af, want er was een vrouw niet ver van waar Baśka vandaan komt en die kreeg een vijfling en niet één overleefde het en zijzelf ook niet, dus je moet toch een beetje uitkijken. En zes dat is een fijn getal zegt Baśka, het is goed zoals wanneer je zes gooit met een dobbelsteen. Maar zeven, er is geen getal dat zoveel ongeluk brengt als zeven, het is erger dan elf en het is zelfs nog erger dan dertien. Zeven is het getal van het grote ongeluk. 107
zelf gebeden die hij hardop zei en hij leerde psalmen bij alle feestdagen en zong ze altijd voor me of het nu Kerstmis, Pasen of een andere feestdag was. Tegen laarzen dragen kon hij niet; dus ’s zomers vlocht hij schoenen van wilgenbast, en ’s winters naaide hij ze zelf van hazenvel. Toen zijn moeder dood was redde hij het niet alleen maar verliet het bos en verhuurde zich als knecht. Hij was vlijtig en eerlijk maar een echte lekkerbek; ze lieten hem houtskool branden, en als hij een gans of een eend, een speenvarken of een kip te pakken kreeg draaide hij die stilletjes de nek om, zoutte ze, braadde ze op de houtskool en at ze op; verder kwam hij nergens aan, en als hij geld vond gaf hij het dubbel terug.
Het is Wiluś van de Wiluśbende, en ze zitten me achterna, en zo zie je maar dat het je eigen schuld is, want je weet dat je de straat niet op mag, en op een keer toen ik daar met mijn vader liep kreeg ik een heel harde steen op mijn rug, en, lummels, en mijn vader draaide zich om en dreigde met zijn stok, maar weg was hij, lummels, maar ik weet dat het Wiluś was, want Wiluś van de Wiluśbende is klein, en hij is smerig en hij is lelijk en hij is bijna mismaakt, maar ondanks dat hij klein is is hij toch de leider van de Wiluśbende, want hij is sterk, en hij durft, en hij zit me achterna, en hij roept me na elke keer als ik de straat op kom, en de andere leden van de Wiluśbende die roepen me na, en het engeltje, en mama’s kleine honneponnie, en ze plagen me, als ze ermee weg kunnen komen, en er is tumult op straat, en ik loop daar met mijn vader, en eigenlijk geeft het geen pas om zo te hoop te lopen zegt mijn vader, het is idiote nieuwsgierigheid, maar misschien moeten we toch even het zou kunnen zijn zegt mijn vader, iets belangrijks, en ze roepen, en het is een jongen, en hoe is het gebeurd, en onder de paarden terechtgekomen, en de koetsier kon er niets aan doen, het 117
was godsonmogelijk, hij had ze niet kunnen stoppen, tussen de paarden door, een kotertje, niet groter dan, en hij had zeker geprobeerd, gewoon om te plagen, laten zien dat hij durfde, en tussen de paarden, en toen kon de koetsier er niets aan doen, ze waren schichtig geworden, hij had ze niet in bedwang kunnen houden, en meegesleurd, doodgesleurd, en Wiluś, en het is Wiluś, en hij is dood, en er is niets aan hem te zien, gewoon zo stil en levenloos, met slappe ledematen, en geen bloed, alleen zijn kleren wat gescheurd, maar die zijn altijd gescheurd, niet meer dan anders, mijn plaaggeest, en hij is levenloos, meegesleurd door de paarden, dood, het is Wiluś van de Wiluśbende, die met scherpe stenen gooide, Wiluś, en kom we lopen door, zoals ik zei zegt mijn vader, zo zie je maar, het geeft ook geen pas om zo te hoop te lopen, je moet nooit ergens heen gaan waar een oploop is, dat is niets voor jou om naar te kijken, maar zo zie je maar, die arme jongen, en arme ouders, maar het was zijn eigen schuld, en in zekere zin ook hun schuld voegt mijn vader eraan toe, en het wil er bij mij niet helemaal in dat het werkelijk Wiluś kan zijn, en zo vredig, zo stil, en zo klein, en ik zal nooit meer scherpe stenen tegen mijn rug krijgen, nee dank jij God maar dat jij uit een net gezin komt zegt mijn vader.
En nu moeten jullie lief zijn en jullie moeten laten zien wat jullie kunnen en jullie moeten je van je beste kant laten zien. Want er is bezoek. En Izabelka wil zich niet van haar beste kant laten zien en Izabelka heeft geen zin om een reverence te maken, want waarom zou Izabelka een reverence maken enkel omdat er bezoek is. Maar bezoek dat is juist iets waarvoor je reverences maakt. Maar Izabelka wil het niet en Izabelka is stout. En Ludwika maakt een reverence, want als Izabelka het niet wil en ze weet juist. En dan zit er voor Izabelka ook niets anders op dan een reverence te maken. En Ludwika zegt het gedicht aan de lente op, Het Hart zwelt bij ’t zien van Gods Natuur, Kort geleên nog waren de Bomen 118
Maar hoe groot waren haar blijdschap en geluk toen ze zag dat de tulpen er mooier bij stonden dan vorig jaar! Ze wierp zich in haar vaders armen en riep: “O, lieve vader, dank u wel dat u die vieze bolletjes hebt opgegraven en in plaats daarvan de mooie tulpen hebt geplant waar ik zo dol op ben.” “Je moet mij niet bedanken,” antwoordde haar vader; “want die lieve bloemen waar jij zo dol op bent zijn uit niets minder ontsproten dan uit die vieze bolletjes.” De koppige Petronella wilde er geen woord van geloven, waarop haar vader zorgvuldig een van de mooiste tulpen uit de grond trok samen met de knolvormige wortel (die eruitziet als een doodgewone ui) waaraan de stengel groeide en die aan haar gaf. Petronella was helemaal in de war en excuseerde zich tegenover haar vader, dat ze zo koppig en onhandelbaar was geweest. “Ik vergeef je, mijn lieve kind, van ganser harte,” antwoordde haar vader, “op voorwaarde dat je toegeeft hoe gemakkelijk kinderen zichzelf voor de gek houden als ze in hun onwetendheid de handelingen trachten te beoordelen van mensen die ervaring hebben.” “O ja, Papa,” antwoordde Petronella, “daar ben ik van overtuigd en in de toekomst zal ik mijn eigen ogen niet vertrouwen; en telkens als ik ertoe verleid word te geloven dat ik ergens meer van weet dan de volwassenen, zal ik aan De tulpen en de bollen denken.” Het verheugt me zeer, lieve vrienden, dat ik jullie dit voorval kan vertellen; want als jullie het verhaal over De aardbeien en de aalbessen op bladzijde 130 hebben gelezen, zullen jullie hebben gezien wat er gebeurde met een kind dat deze vertelling niet kende.
147
wat wil je. Zoiets kan nu eenmaal gebeuren. En wat viel er aan te doen. Je kunt het nu eenmaal niet maken. Stel je voor dat ik. Ook al had ik eigenlijk met Fryc te doen. Maar wat moest ik doen. Want een echte moeder verdedigt haar kinderen als een leeuwin. Als het er werkelijk op aan komt.
Vorige zomer toen Henrjetta op het land was werd er bij het diner een kip geserveerd en mevrouw P. die uitsluitend in gezelschap was van haar dochters gaf haar oudste dochter er een stuk van en offreerde toen Henrjetta. “Nee, lieve moeder,” antwoordde zij met een zucht; “ik kan er niets van eten.” “En waarom niet, lieverd?” “Omdat, lieve moeder, de kip en ik elkaar elke dag hebben gezien en we bevriend waren geraakt.” “Maar je zus eet ervan.” “Ach, mijn zus kan dat, zij kende de kip immers niet zo goed als ik.” Welke hoge verwachtingen kan men niet hebben van een kind met zulke simpele en sympathieke manieren en met zoveel teerheid van gemoed. Ach, dat zij toch in steeds hogere mate op haar moeder moge gaan lijken, dat wens ik vurig en van ganser harte.
Mijn vader is ziek, mijn vader heeft longontsteking, en we wachten op de crisis, en zal hij de crisis doorkomen, en we moeten allemaal stil zijn en heel stil, en de kostgangers begrijpen dat zij ook stil moeten zijn, en mijn vader, en wat gaat er met ons gebeuren als mijn vader, en na de negende dag, en als je de negende dag doorkomt, en het is de negende dag, en mijn vader heeft longontsteking en mijn moeder 152
alleen maar aangekeken en toen had ze haar hand genomen en ze had naar mijn moeders hand gekeken en toen had ze gezegd niet alleen dat mijn moeders man maar ook hoeveel kinderen en wanneer en zelfs dat met de jongen v贸贸r mij en dat is anders iets wat bijna niemand weet en mijn moeders ouders en de gravin zelfs over de gravin had ze iets geweten en is dat niet raar en toen had ze iets over mij gezegd maar dat wil mijn moeder beslist aan niemand vertellen en zeker niet aan mij maar toch is het stel je voor om familie te zijn van zo iemand en in mijn jeugd hoewel je eigenlijk niet kunt zeggen dat ze iemand kwaad doet maar griezelig is het toch wel het gaat haast de kant op van een heks en als het in mijn jeugd was geweest en je moet er niet aan denken wat er zou zijn gebeurd als het in mijn moeders jeugd was geweest maar iets moet er toch wel waar van wezen de wijsneuzen kunnen zeggen wat ze willen.
En daar moeten jullie voor zorgen, dat is het enige waar ik jullie om vraag, daar moeten jullie voor zorgen, en vooral jij Fryc, want jij zult me waarschijnlijk overleven, en jij bent mijn zoon, en het zal wel op jou neerkomen, daar moet je voor zorgen, daar moeten jullie allemaal voor zorgen, dat is het enige waar ik mijn kinderen om wil vragen, mijn enige verzoek, en mijn vader is ziek geweest, maar mijn vader is weer beter geworden, en gelukkig is mijn vader nu helemaal hersteld, en dankzij Dokter Malcz, en het is het schemeruur, en we zitten bij elkaar, winter, zondag, en ik hoor mijn vaders stem, en die beeft, en mijn vaders stem mag niet beven, die mag niet beven als die mij ergens om vraagt, en daar vraag ik jullie om, maar mijn vader hoeft ons nergens om te vragen, en vooral jij, maar het is niets bijzonders waar mijn vader me om wil vragen, en mijn vader is bang, en opeens ontdek ik dat mijn vader bang is, mijn vader bang, maar mijn vader kan niet bang zijn, en daar vraag ik jullie om, en waarom zegt mijn moeder niet dat Zuzia binnen moet komen met de lampen, waarom moeten 235
we zitten, en hier in de schemering zitten, en mijn vaders stem, en ik kan zijn gezicht niet zien, want hij zit met zijn rug naar het raam, en ik ben bang dat ik per ongeluk zijn gezicht zie, ik hoor alleen maar, mijn vaders stem, en huiverend, en trillend, maar mijn vader mag niet bang zijn, mijn vader mag me niet vragen, en vooral jou, mijn zoon, en het zal wel op mij neerkomen, en wat zal er op mij neerkomen, hij mag niet bang zijn, en vooral jou, jou mijn zoon, en mijn vaders stem beeft, want jullie moeten me beloven, jullie moeten me verzekeren, jij mijn zoon, jij moet garanderen, jij die mijn ogen zal sluiten, dat ik niet levend word begraven.
Je bent nu oud genoeg, zegt mijnheer Żywny, je bent oud genoeg om de fuga in As-groot te spelen. Want de prelude in As-groot speel ik al een hele tijd, maar dat is natuurlijk niet hetzelfde. Die is gemakkelijk, en ik heb er eigenlijk helemaal niet aan gedacht dat er ook een fuga in As-groot was. Er zijn zoveel andere fuga’s. En ik heb niet eens een poging gedaan. Want mijnheer Żywny heeft niets gezegd, en hij is er gemakkelijk overheen gestapt. Ze zag er ook een beetje saai uit. En hij heeft als het ware doorgebladerd. Maar nu ben je er oud genoeg voor. En de fuga in As-groot. Het is het hoogste wat Bach voor de piano heeft geschapen, het is een kathedraal, een kathedraal van tonen. En je moet de fuga in As-groot benaderen als was het het grootste heiligdom want het is het grootste heiligdom. En nu ben ik er rijp voor. En mijnheer Żywny kan haar nu aan me toevertrouwen. En hij zegt het. En ik moet me waardig tonen. De fuga in As-groot. En langzaam en plechtig. Alsof je piano een orgel was. Laat het klinken als een orgel. En misschien zal ik zelf ooit een fuga in As-groot kunnen schrijven. Het grootste heiligdom. De kathedraal. En het is een robijn, zegt mijnheer Żywny, die op het altaar straalt.
236
En heeft Mevrouw het gehoord zegt Baśka. En mijn moeder heeft gehoord. Maar dat is ongehoord zegt mijn moeder. Heb je ooit zoiets gehoord. En voordat het rouwjaar voorbij is. Dat doe je niet. Dat doe je domweg niet. Een verloving aankondigen. Maar dat is typisch hoor. Hoe wagen ze het. Het is gewoon een profanatie zegt mijn moeder. Ze hebben geen respect voor God of de Boze. En daarom zijn ze ook op die manier gestraft. Want het is een straf van God. Dat ze een idioot kind hebben gekregen. En ze weten niet van ophouden. Voordat het rouwjaar voorbij is. Je reinste blasfemie. Hoe wagen ze het. Maar die verloving. Het zal waarschijnlijk gaan zoals het destijds met de verloving van de jonge juffrouw Szczepański ging. En daar weten we alles van hoor. Maar het kan natuurlijk niet snel genoeg gaan. Want als je eruit ziet als zij moet je de eerste de beste nemen, dat spreekt. En als de wiedeweerga. Zodra hij in de val is gelopen. En die arme jongeman. Wie het dan ook mag zijn. Nee mijn moeder heeft werkelijk te doen met die arme jongeman. Ongehoord. Ik kan niet anders zeggen.
Want mijnheer Leleu is helemaal uit Frankrijk gekomen, en hij blijft alleen maar in Warschau, ja een paar weken maar, en het is nogal wiedes dat hij moet worden uitgenodigd, landgenoot en alleen al om nieuws uit Frankrijk te horen, ook al is het zo lang geleden, maar ook gewoon om te praten, en het is te merken dat mijn vader, en helemaal opgevrolijkt, een Fransman, en hij komt, en we moeten in elk geval doen wat we kunnen, en een lamsbout precies zoals mijn moeder lamsbout klaarmaakt, want hij moet toch niet geloven, en niet iets met barszcz want wat zal hij wel niet denken als hij bietensoep kreeg, dat wij leven van ik weet niet wat, maar hij, en mijn moeder kan ook goed koken hoor, en een heerlijke uiensoep, precies met die heerlijke Poolse uien, zo vers, net zo fijn als je ze in Frankrijk krijgt, en de pasteien daar kan hij in elk geval niets op aan te merken hebben, en dan een vis, een snoekbaars, ja precies een snoekbaars, jawel 237
daar hoeven we ons niet over te schamen, en wil mijnheer Leleu misschien genoegen nemen, en mijnheer Leleu neemt genoegen, en het is goed te horen waar in Frankrijk U oorspronkelijk vandaan komt mijnheer Chopin zegt hij, en het lijkt waarachtig wel of hij aan het stroopsmeren is, en mijnheer Chopin het is goed te horen dat U al lang weg bent uit Frankrijk, en wat verbeeldt hij zich eigenlijk wel zegt mijn vader als hij weg is, en polonismen, alsof dat iets met Racine en Corneille te maken heeft, nee hij zet geen voet meer bij mij over de drempel, dat kan ik je verzekeren.
Kind van sterfelijkheid, waar kom je vandaan? Waarom is je gelaat zo bedroefd, en waarom zijn je ogen rood van het wenen? Ik heb de roos gezien in haar pracht; ze spreidde haar blaadjes naar de ochtendzon – ik keerde terug en ze lag stervend op haar stengel; haar bekoorlijke vorm was verdwenen; haar schoonheid was verwelkt; haar blaadjes lagen verspreid op de grond en niemand raapte ze op. Er stond een prachtige boom in het veld; zijn takken waren bedekt met groen lover; zijn kruin was reusachtig en gaf weldadige schaduw; de stam was als een sterke zuil; de wortels als krachtige klauwen – ik keerde terug en de oostenwind had het groene lover verschroeid; de bijl had de takken afgehakt; de worm zich een weg gebaand tot het binnenste van de stam en zijn hart was verrot; hij verging en viel ter aarde. Ik heb het mensenkind in zijn trots en kracht gezien; zijn wangen gloeiden van schoonheid; zijn ledematen waren vol beweging; hij sprong; hij liep; hij rende; hij verheugde zich erover de allerbeste te zijn – ik keerde terug, hij lag stijf en koud op de kale grond; zijn voeten bewogen niet meer, zijn handen lagen slap terneer; zijn leven had hem verlaten; en daarom ween ik want de dood is in de wereld; de vernieler onder Gods schepselen; alles wat 238
is geschapen zal te gronde gaan; alles wat is geboren zal sterven; laat me alleen, want ik wil nog een wijle wenen.
De mens is de heer der natuur, de natuur is de mens door God geschonken om erover te heersen, wat je verder ook mag vinden van het paradijsverhaal en mijn vader kijkt mijnheer Linde diep in de ogen, en mijnheer Linde knikt zo onmerkbaar dat ikzelf en mijn vader vermoedelijk de enigen zijn die het opmerken, en daarom is het ook volkomen krankzinnig, die nieuwe ideeën, maar die zullen natuurlijk op niets uitlopen, want het is als bij de wilden die een boom aanbidden, of onze heidense voorvaderen, en mijnheer Linde knikt, en waarom maakte God verschil tussen mens en dier als het niet was omdat de mens zou heersen over het dier, wekelijkheid zegt mijn vader, dat is misschien iets voor vrouwen en kinderen, en daarom wil ik ook niet zegt mijn vader, een vogel in een kooi dat is nog tot daar aan toe, maar al die wekelijkheid, de aarde is er om ontgonnen te worden, en het is een zonde jegens God om aarde onontgonnen te laten, God verheugt zich over elk bos dat wordt omgehakt elke boom zodat die plaats kan maken voor vruchtbare akkergrond, want wat zei God niet tegen Adam, of je nu gelooft in Adam of niet, dat doet niets ter zake, onontgonnen aarde, een zonde, wekelijk, ze kunnen zeggen wat ze willen.
Maar wat wil dat zeggen levend begraven te worden, en dat soort dingen mag je niet vragen, en niet aan je vader, in geen geval, want je vader, en wat wil dat zeggen, en er zijn dingen waar je niet naar vraagt, en hoe is dat mogelijk, maar het is mogelijk, en Baśka heeft ook gehoord, en Baśka heeft er gekend, maar jij mag niet luisteren naar al die onzin 239
die Baśka verzint, want het is je vader, en je vader heeft meegemaakt, en het ergste wat een mens kan overkomen is levend begraven te worden, dat is wakker te worden in een kist, en te weten dat je diep daar beneden bent, diep in de grond, en jij bent te klein, jij hebt niet gezien hoe diep een graf kan zijn, maar het graf is diep, en niets hoor je, je bent diep daar beneden, en helemaal opgesloten, en levend begraven worden, en je wordt wakker, en je weet dat het onmogelijk is, niemand hoort je, en je klopt en je klopt, maar je bent op het eenzame kerkhof, en je probeert het deksel open te krijgen, maar lijspond en lijspond van de zwaarste aarde, en je probeert te roepen, maar niemand hoort het, en je bent levend begraven, levend begraven, en niemand kan iets horen, en je wordt door niemand gehoord, er is niemand, je bent alleen, helemaal alleen, je schreeuwen, en geen kracht om het deksel van de kist te lichten, en niemand hoort het, niemand hoort iets, helemaal alleen, dat is levend begraven zijn, en op het laatst stik je.
Mevrouw Catalani, Uw zoon moet haar ontmoeten, het is niet genoeg dat hij haar enkel bij een openbaar concert hoort, het muziekleven van heel Warschau, en behoort Uw zoon zo langzamerhand niet tot het muziekleven van Warschau, U moet hem toestemming geven, en ik heb mijnheer Żywny nog nooit zo gezien, Uw zoon moet haar ontmoeten, en ik begrijp best, natuurlijk is het niet gezond voor hem om zo laat op te zijn, en het is ook niet juist want het kan nadelig zijn voor zijn gezondheid als hij voortdurend, maar één keer, en ik garandeer, het is bij vorstin Zamoyska, en ik garandeer, er is geen sprake van losbandig kunstenaarsleven, en mevrouw Catalani is toch zeker geen zigeunerin, mevrouw Catalani is mevrouw Catalani, en hoe zou zij anders ontvangen kunnen worden bij de voornaamste families thuis, en op het toneel, Uw zoon moet haar ontmoeten, Uw zoon moet haar horen, Uw zoon moet er ook bij zijn, liefdadigheid, het is maar een klein concert, en waarom niet goedvinden dat Uw zoon ook 240
een nummer ten beste geeft, zijn rondo, dat zou het prima doen, ik vind dat U het moet overwegen, zegt mijnheer Żywny tegen mijn vader, mijnheer Żywny garandeert.
Mijnheer Żywny gaat achter de piano zitten en mijnheer Żywny speelt en zijn lange bruine vingers en zijn zwarte hoornige nagels en het is zijn nieuwste compositie en kijk eens mijn jongen hoor eens en zo moet een cadens zijn en hoor hoe dat moet en je moet luisteren alleen maar luisteren en dan moet je naar Bach luisteren want er is niemand die een cadens heeft kunnen schrijven als Bach en jij moet leren en jij kunt alleen maar leren en alleen bij Bach en luister naar me en hoor wat ik nu speel en dat is mijn eigen compositie maar die is uitsluitend geschreven voor mezelf en verder voor jou en voor de weinigen die haar begrijpen en ze zal nooit gedrukt worden want het is muziek die nooit begrepen wordt maar dat mag je nooit vergeten dat je altijd muziek zult kunnen schrijven die zo is en muziek die als Bach is en nooit zal worden begrepen en alleen gehoord zal worden door een kleine minderheid en jij bent een van degenen die haar zal horen en het is Bachs geest en het is een preludium zoals Bach dat zou hebben geschreven en ze zal met me sterven en ze zal sterven want ze zal nooit opgeschreven worden ze is gemaakt voor mij en voor jou want jij begrijpt het en de weinigen maar alle anderen die willen alleen maar polonaise en mazurka en wals en mars en rondo en oberek maar dit is een preludium en zoals Bach dat zou hebben geschreven.
Want het is heel belangrijk zegt Dokter Malcz dat de maaltijden regelmatig worden genuttigd. Hier geldt net als overal in het leven de oude zegswijze dat haastige spoed zelden goed is. Het voedsel dient grondig te worden gekauwd. Ook 241
al is het maar zogeheten lepelkost er kunnen toch klonten in zitten die een schadelijke invloed op de spijsvertering zullen krijgen als ze niet vóór het inslikken worden fijngemaakt door het werk van de tanden. Elke portie die in de mond komt dient in elk geval twintig keer te worden gekauwd, en vaker kan nooit kwaad. Experimenten hebben aangetoond dat roofdieren in gevangenschap die hun voedsel met grote brokken tegelijk inslikken onherroepelijk loom en ziekelijk worden. Ze raken hun haren kwijt, hun pels verliest zijn glans, en soms verliezen ze ook hun tanden. De mens is geen herkauwer zoals de koe die haar voedsel kan inslikken en dan later in alle rust herkauwen. Ook de hele gesteldheid van het gemoed dient tijdens de maaltijd in evenwicht te zijn. Elke onnodige opwinding dient te worden vermeden. Daarom is het ook een slechte gewoonte als ouders een gemeenschappelijke maaltijd gebruiken om zaken te bespreken die buiten het kader van de maaltijd behandeld zouden kunnen worden, om nog maar helemaal te zwijgen van ouders die onder een gemeenschappelijke maaltijd thema’s aansnijden die niet geschikt zijn voor kinderoren. Rust en stilte en harmonie dienen er te heersen tijdens de maaltijd. Elk affect is schadelijk voor de spijsvertering. Dat tonen niet alleen experimenten met dieren aan, maar eenieder die de moeite wil nemen kan het gadeslaan door een opmerkzame blik om zich heen te werpen. Wie heeft bijvoorbeeld ooit een gesarde poes melk zien oplikken, en welke hond zal zich in opgewonden toestand rustig naar zijn voer toekeren. En Dokter Malcz kijkt me diep in de ogen en dan aait hij mijn wang.
Maar we moeten meteen een inscriptie laten graveren in dat gouden horloge, met de datum, dat gouden horloge moet een inscriptie krijgen, drie januari achttienhonderdtwintig, want een gouden horloge en van mevrouw Catalani, denk je eens in, en onze zoon, en van mevrouw Catalani, en ze schonk het hem, schonk het hem zomaar, mevrouw Catalani 242
hoorde onze Fryc spelen de avond nadat ze zelf ter ere van de Grootvorst haar concert met de aria had gegeven, ze greep haar gouden horloge, en heel spontaan, want zo zijn Italianen hè, en zijzelf had gezongen, Superba Roma, ze greep haar gouden horloge en ze schonk het aan mijn Frycek, toen ze hem had horen spelen, en aan wie hier in Warschau schonk ze verder iets, en heeft ze ooit iemand iets geschonken, afgezien van het feit dat ze erg liefdadig is, maar dit was geen liefdadigheid dit was iets anders, en mijn Frycek, toen ze hem had horen spelen, en het is duidelijk dat er een inscriptie in moet komen, ik was er zelf bij, ik zag hoe aangedaan, hoe ontroerd ze was, die kleine jongen, dat grote instrument, en het was heel spontaan, ze kon niets zeggen, ze omhelsde hem alleen maar, natuurlijk moet er een inscriptie komen, en het is duidelijk dat hij te klein is om een horloge te dragen, maar als hij groot is, een prachtige herinnering, mijn echtgenote en ik wij bewaren het voor hem, tot hij groot is, een herinnering aan toen hij klein was, er moet een inscriptie in, geschonken door mevrouw Catalani, en dag, en jaartal, en verder zijn leeftijd, natuurlijk.
Zo gevoelig, onze Fryc is zo gevoelig, je hoeft maar één woord te zeggen, één streng woord, en onmiddellijk, onze Fryc, tranen in zijn lieve ogen, vlekken op zijn wangen, jullie hadden hem moeten zien, en het was niet eens mijn bedoeling hem iets te verwijten, maar die arme jongen, en in één keer, en hij werd rood en hij werd bleek, hij is zo gevoelig, en hij weet meteen, zowel wat zijn vader als wat zijn moeder en wat ze denken en wat ze voelen, het is niet hetzelfde als met de meisjes, want die zijn anders, die zijn niet gevoelig, niet op die manier, want Fryc is gevoelig, en zijn muziek, als hij speelt, je hoeft maar naar hem te luisteren, de gevoeligheid, ook al speelt hij dansmuziek, en mazurka’s en polonaises en contradansen, en je hoeft maar het minste strengste woord te zeggen, en Fryc, en mijn Fryc, en ja hij huilt niet meer 243
om een streng woord, maar een moeder ziet, hij staat op het punt in tranen uit te barsten, want mijn Fryc, een moeder weet, zo oneindig gevoelig, zo veel gevoeliger, zo gevoelig.
Mijnheer Żywny heeft een lied gecomponeerd, aan de rivier twee groene linden, want het klopt wat mijnheer Brodziński zegt, het is waar, de echte tongval der Slaven is die van de idylle, nijgen hun dorstige kronen, en mijnheer Żywny heeft het er vaak over met mijnheer Brodziński, op de trap op weg naar ons, om de oevers met elkaar te verbinden, en dat geldt niet alleen de Slaven als zodanig maar dat geldt vooral de Polen meent mijnheer Żywny want oorspronkelijk komt hij immers uit Bohemen, hun takken zij openlijk tonen, en daarom houdt mijnheer Żywny ook van dit gedicht een echt Slavisch gedicht, voor altoos doch wrede stromen, en hij speelt zijn lied voor ons maar hij heeft geen zangstem dus op een paar woorden neuriet hij alleen en reciteert de rest, houden hun wortels gescheiden, en hij geeft de muziek aan Ludwisia want haar stem is zacht en mooi, en slechts hun verlangen en lijden, maar Ludwisia kan niet van blad zingen en probeer jij het dan eens Fryc jouw stem is weliswaar niet zo mooi maar in elk geval kun je muziek lezen, verenigt vol droefheid hen beiden, maar dat soort dingen dat is toch helemaal niets voor een jongen om te zingen en op die leeftijd want ook al zegt mijnheer Brodziński zegt mijn vader, zo zond op zijn dwaalweg ook Koryl, nee ik wil beslist niet dat mijn zoon dat zingt, een zucht naar zijn trouwe Ismene, maar beste mevrouw Justyna U met uw prachtige sopraan ja maak je maar niet zo kostbaar probeer het maar je zingt zo prachtig doe ons toch een plezier mijnheer Żywny wordt zo blij, aan vreemden hij er niets over kwijt wil, en ook al zegt mijnheer Brodziński en hij woont onder ons, heel alleen draagt hij zijn lijden, maar mijn moeder voelt zich niet al te wel, ja de idylle is de ware tongval der Slaven zegt mijnheer Żywny daar heeft mijnheer Brodziński groot gelijk in, jammer dat hij niet boven kon komen om mijn nieuwe 244
lied te horen, maar als mijn moeder nu onwel is en dat moet je respecteren, want dat heeft mijnheer Żywny keer op keer meegemaakt, als kunstenaar, onwel, dat zijn kunstenaars vaak, heel alleen draagt hij zijn lijden, en mijnheer Żywny verlangt een prijs, en neemt genoegen met ons bescheiden avondmaal, in alle bescheidenheid, heel alleen draagt hij zijn lijden, zo is het om kunstenaar te zijn.
Ik heb verbeteringen aangebracht in mijn fuga, maar ze is nog steeds driestemmig, want vierstemmig daar waag ik me liever niet aan, dat is enkel iets voor Bach, maar kun je het niet bijna een dubbele fuga noemen, sommigen zouden misschien zeggen dat het contrapunt was, maar in zekere zin is het ook een thema, zelfstandig, een dubbele fuga, ik heb een driestemmige dubbele fuga gemaakt, en het was waar wat mijnheer Elsner erover zei, want er waren parallelle kwinten, en parallelle octaven, maar nu, nu durf ik ervoor in te staan, absoluut, en ik heb alle stemmen onderzocht, en natuurlijk kun je het horen als je goed luistert, maar mijnheer Elsner kan het zien, hij hoeft er maar een enkele blik op te werpen, en mijnheer Elsner komt, en hij moet mijn vader spreken, en ik ben helemaal opgewonden, want natuurlijk moet hij haar zien, en als eerste, en waar ik zijn raad heb opgevolgd, waar ik verbeteringen heb aangebracht, en hij moet niet denken dat het alleen maar rondo’s zijn, dat moet hij niet denken, want ik kan fuga’s schrijven, echte fuga’s, en een dubbele fuga, en wat is dat toch jongen, en je vader en ik praten met elkaar, mijnheer Elsner en ik praten met elkaar, en met zoiets komen aanzetten als je vader en ik belangrijke zaken bespreken, wat verbeeld je je wel, twee volwassenen, ze in de rede vallen in hun gesprek, je bent toch hopelijk geen verbeelding aan het krijgen, twee volwassenen storen die met elkaar praten, nu moet je oppassen dat je geen te hoge dunk van jezelf krijgt, het is ook niet gezond voor een kind met al die privé-concerten, dan mag het nog zozeer voor een goed doel zijn, het is niet gezond, zo denk ik er 245
ook over zegt mijn vader, verbeelding, en mijnheer Elsner verwaardigt me met geen blik, en mijn vader en mijnheer Elsner praten met elkaar, verbeelding hebben, verbeelding, jongen, denken dat hij Bach is, en ik haat mijnheer Elsner.
Ik worstel met de prelude in D-groot. Ik weet haar niet vloeiend te krijgen al oefen ik nog zo veel. Op het laatst doe ik een oefening, helemaal zelf verzonnen. Ik hou mijn eerste en tweede vinger vast op een terts en speel met mijn derde, vierde en vijfde. Over het hele klavier. Een vingeroefening voor de rechterhand. Een etude. En mijnheer Ĺťywny staat ervan te kijken. Zelf bedacht. Zelf gecomponeerd. Ik speel haar steeds weer overnieuw, hardnekkig, geconcentreerd, en de prelude in D-groot begint vloeiend te klinken. Dankzij mijn etude. Chromatisch. In a-klein.
En zodra je muziek hoorde, nee val me nu niet in de rede, want ik herinner het me, een moeder herinnert zich dat, want zodra Fryc muziek hoorde, en hij was nog geen twee jaar oud, en ik herinner het me duidelijk, een moeder herinnert zich zoiets, ja toen jij klein was, toen jij aan mijn borst lag, en ik hoefde maar een liedje te zingen, en onmiddellijk was Fryc, zo was het niet met de anderen, maar zo was het met Fryc, en toen hij iets ouder werd, een jaar of twee, dat hadden we wel door, als er iets was wat onze Fryc gelukkig kon maken, als er iets was wat je plezier kon doen, als Papa op zijn fluit speelde, als Mama achter de piano zat, ja voordat je kon lopen, als je je eigen blijdschap eens had gezien, hoe gelukkig je werd, als U zijn blijdschap had gezien, zoals zijn ogen schitterden, bij het horen alleen al, en later, toen je net kon lopen, de eerste wankele stapjes waarmee je naar de piano liep, je eerste tonen, je kon spelen voordat je kon lopen, ja onze Fryc kon spelen voordat hij 246
kon lopen, zoiets herinnert een moeder zich, en je eerste tonen, toen jij je eerste tonen speelde, zowel mijn man als ik, we wisten, toen we de eerste tonen hoorden, toen beseften we, iets buitengewoons, dat voelt een moeder, en je had je blijdschap eens moeten zien, U had zijn blijdschap eens moeten zien, U had eens moeten zien hoe Fryc zijn ogen straalden, bij het horen van de eerste tonen die hij zelf aansloeg op de piano, nee we wisten, mijn man en ik, op dat moment, een buitengewoon kind, we konden gewoon niet anders dan, zoiets heeft een moeder door, een moeder heeft dat door, en reken maar, zowel je vader als je moeder, Papa en Mama, die zeiden tegen zichzelf, mijn man en ik, dat begrijpt U wel, we zeiden tegen onszelf, Fryc moet muzikaal zijn, een buitengewone muzikaliteit, een moeder heeft dat door, een moeder bewaart het in haar hart.
En begrijp je dan niet, en kijk nu eens, en je snapt toch zeker wel, en probeer het nu te vertalen, en het is toch zo simpel als wat, de vogel die de dag aankondigt, en in welke naamval staat de dag, ja zie je dat niet, dat is zo simpel als wat de accusatief natuurlijk, wat anders, hoe heet dat in het Pools, ja dan is er misschien geen verschil tussen nominatief en accusatief maar dat is er ook niet in het Frans, de vogel die de dag aankondigt, en wat doet de vogel dan, de vogel vertelt ons dat het licht van de dag aanbreekt, en in welke naamval staat de dag, dat ligt toch voor de hand, vertelt ons dat het licht van de dag aanbreekt, en dan, verder, verder, Christus wekt onze slapende geest, ja geest, geest ja, Christus wekt onze slapende geest, en zoals de haan roept hij ons tot leven, en leven in welke naamval staat leven, juist ja, het is juist niet zoals in het Pools, tot leven, zoals de haan roept hij ons tot leven, “deze bedden”, schreeuwt hij, nee niet schreeuwt want wat doet een haan, juist ja een haan schreeuwt niet een haan kraait, de haan kraait, “deze bedden” kraait hij, “waren slechts gemaakt” en waarvoor waren ze gemaakt, ze waren gemaakt voor, “deze bedden waren slechts gemaakt 247
voor ziekte en slaap”, en wat dan, ja wat dan, “deze bedden waren slechts gemaakt voor ziekte en slaap en”, ja dat is juist, “deze bedden waren slechts gemaakt voor ziekte en slaap en lediggang”, ja en wat is lediggang, wat is lediggang, het is de wortel van alle kwaad, en hoe gaat het dan verder, ja precies, “wees rein, waarachtig, nauwgezet”, ja en dan, wat dan, zie je dat dan niet, wat betekent dat, denk nu eens eventjes na, “wees rein, waarachtig, matig”, ja inderdaad, matig, wees matig, “want ik”, want ik wat, “want ik ben nu tot je gekomen”, ja inderdaad, “ik ben nu tot je gekomen”, en dat zegt Christus, want de haan is hetzelfde als Christus, en was dat nou zo moeilijk.
En over twee jaar, in elk geval over twee jaar, op zijn laatst over twee jaar gaat Fryc naar het gymnasium, en Fryc moet als de kostgangers zijn, leren als de kostgangers, en dan moet hij het ook kunnen, want het zou immers blamabel zijn, en je wilt je ouders toch zeker niet blameren, dat zou blamabel zijn, stel je voor, als Fryc eens niet, de zoon van de professor, en dan niet te worden toegelaten, want je moeder heeft dan wel samen met je gestudeerd, maar toch, en ik heb dan wel, maar we kunnen immers niet alles, de kostgangers, het gymnasium, de artillerieschool en wat al niet, dus zouden we niet, en mijnheer Linde kent vast wel, het hoeft ook geen vermogen te kosten, er zijn immers jonge studenten genoeg, en een extra centje, en als het binnenkort zover is, mijnheer Hilczyński en mijnheer Gołuchowski en mijnheer Maciejowski, of misschien moeten we wel een vaste leraar in dienst nemen, dat zou ook je moeder ontlasten, de jonge Barciński, en de meisjes helpen, en voor de kostgangers zorgen, maar hij is misschien nog wat groen achter zijn oren, achttien jaar, nou ja we zien wel, want je moet begrijpen, je bent geen kind meer, onze Fryc moet begrijpen, het is één ding om te spelen voor vorstinnen bij liefdadigheidsconcerten en horloges te krijgen van Italiaanse zangeressen, iets anders is een behoorlijke opleiding, en er 248
komt een moment dat men ook iets moet presteren, dat moet je begrijpen, en mijnheer Żywny zal de eerste zijn, een behoorlijke opleiding, men moet zijn prioriteiten stellen, en mijnheer Żywny’s vader was fluitvirtuoos, zo zie je maar, en bijna onder Mozart, men moet zijn prioriteiten stellen, er komt een tijd dat er ook iets van iemand wordt verlangd, en uiteindelijk optreden voor geld, onze zoon.
En wie moet er een behoorlijke opleiding hebben, en moet Ludwisia niet, en moet Izabelka niet, en Emilka met haar gedichten, want Zuzia moet nu eenmaal op mijn vader en moeder passen als wij allemaal een behoorlijke opleiding hebben gekregen, maar je moet begrijpen, dat jij een jongen bent, en voor een jongen ligt dat anders, en je hebt ook veel te veel met de meisjes gespeeld, dat is niet gezond, en natuurlijk is het goed dat kinderen niet onder vreemde invloed komen, en dat ze zich niet met andere kinderen inlaten, want als onze kinderen zich hadden ingelaten, en danken jullie God dat jullie je niet hebben ingelaten maar een behoorlijke familie hebben, jullie zijn nette kinderen gebleven, maar een behoorlijke opleiding, dat is niet hetzelfde, en er is verschil, ook al heb je met elkaar gespeeld, en ook al ben je nog zo goed in toneelstukken maken en vertellingen schrijven en Frans lezen, een jongen is een jongen, en een meisje is een meisje, en er is geen sprake van dat ze geen behoorlijke opleiding krijgen, denk je werkelijk dat je ouders zouden nalaten hun dochters een behoorlijke opleiding te geven, aan Ludwisia, aan Izabelka, Emilka, ze zullen allemaal een behoorlijke opleiding krijgen, maar een meisje is een meisje en een jongen is een jongen, en denk jij dat het een behoorlijke opleiding voor een meisje is om zich met kostgangers in te laten, en op een gymnasium, behoorlijke opleiding, voor een meisje, wat denk je wel.
249