Page 1

direct de functie betrokken wordt. De informatie die wordt gegeven is erop gericht om meer inzicht te krijgen in de mens als totaliteit. De tien te onderscheiden orgaanstelsels van de mens vinden in deze totaliteit een logische plaats; in deel 1 worden ze geïntroduceerd, in deel 2 worden ze één voor één uitvoerig besproken en in deel 3 staat de ontwikkeling centraal. Tekst en illustraties in dit boek gaan hand in hand; deze samenhang bevordert het leerproces. Anatomie en fysiologie geven fundamentele informatie over de mens. En dus ook over jezelf.

Anatomie en fysiologie van   de   mens

Dit boek bespreekt de bouw van het menselijk lichaam waarbij

Anatomie en fysiologie van   de   mens Ludo Grégoire Agnes van Straaten-Huygen Rogier Trompert


Inhoudsopgave Deel 1 Fundament 1

2

3

4

5

Terreinverkenning 1.1

Doelstelling en plaatsbepaling

1.2

Anatomie + fysiologie = functionele anatomie

1.3

Structuur van het boek

1.4

Bestuderen van de leerstof

1.5

De mens is meer dan de som der delen

Cellen 2.1

Metabolisme

2.2

Bouw van de cel

2.3

De levenscyclus van de cel

Weefsels 3.1

Epitheel

3.2

Steunweefsel

3.3

Spierweefsel

3.4

Zenuwweefsel

TopograďŹ e 4.1

De anatomische houding

4.2

Doorsneden en lichaamsvlakken

4.3

Plaatsaanduidingen

4.4

Richtingaanduidingen

4.5

Indeling in hoofd, romp en ledematen

4.6

Bouwelementen, holten en vliezen

Orgaanstelsels 5.1

Orgaanstelsels en hun functies

5.2

Regulatie van de vegetatieve functies

5.3

Regulatie van de animale functies

5.4

Voortplanting

5.5

De totale mens

Deel 2 Orgaanstelsels 6

Circulatiestelsel

7

6.1

Het hart

7

6.2

Hartfunctie

6.3

Hartcirculatie

6.4

Bloedvaten 23

16 22

5


7

8

9

10

11

6.5

Bloeddruk in het lichaam

6.6

Bloed 39

6.7

Uitwisseling van stoffen tussen bloed en weefselvocht

6.8

Lymfevatenstelsel

6.9

Immuniteit

6.10

Bloedgroepen

50

55 64

Spijsverteringsstelsel 7.1

Voedingsstoffen

7.2

Spijsverteringskanaal

7.3

Spijsverteringsklieren en galwegen

7.4

Peritoneum

Urinewegstelsel 8.1

Nieren

8.2

Urine

8.3

Transport, opslag en verwijdering van urine

8.4

Mictie

Ademhalingsstelsel 9.1

Luchtwegen

9.2

Gaswisseling

9.3

Ademhalingsbewegingen

9.4

Longfunctie

Huid 10.1

Functies van de huid

10.2

Bouw van de huid

10.3

Bloedvoorziening van de huid

10.4

Temperatuurregulatie via de huid

Hormonale stelsel 11.1

Algemene werking van hormonen

11.2

Het hypothalamus-hypofysesysteem

11.3

Hypofyse

11.4

Pijnappelklier

11.5

Schildklier

11.6

Bijschildklieren

11.7

Eilandjes van Langerhans

11.8

Bijnieren

11.9

Geslachtsklieren

11.10 Weefselhormonen 12

35

Zenuwstelsel 12.1

Algemene functies

48


12.2

Algemene werking

12.3

Indelingen

12.4

Zenuwweefsel

12.5

Grote hersenen

12.6

Tussenhersenen

12.7

Hersenstam

12.8

Kleine hersenen

12.9

Ruggenmerg

12.10 Reflexen 12.11 Vegetatieve zenuwstelsel 12.12 Hersenvliezen 12.13 Ventrikels en liquor 12.14 Doorbloeding van de hersenen 13

14

15

Sensorisch stelsel 13.1

Sensoren

13.2

Reukzintuig

13.3

Smaakzintuig

13.4

Huidzintuigen

13.5

Gezichtszintuig

13.6

Gehoorzintuig

13.7

Propriosensoren

13.8

Interosensoren

Motorisch stelsel 14.1

Skelet

14.2

Botverbindingen

14.3

Botten en botverbindingen van het hoofd

14.4

Botten en botverbindingen van de romp

14.5

Botten en botverbindingen van de extremiteiten

14.6

Spieren

Voortplantingsstelsel 15.1

Geslachtskenmerken

15.2

Vrouwelijke geslachtsorganen

15.3

Mannelijke geslachtsorganen

15.4

Ontwikkeling van geslachtscellen

15.5

Hormonale beïnvloeding

15.6

Coïtus

15.7

Bevruchting


Deel 3 Levensloop 16

17

18

Voor de geboorte 16.1

Overerving van eigenschappen

16.2

Embryonale ontwikkeling

16.3

Foetale ontwikkeling

16.4

Aanleg, groei en ontwikkeling van de orgaanstelsels

Zwangerschap, bevalling en geboorte 17.1

Zwangerschap

17.2

Aanpassingen in de orgaanstelsels

17.3

Bevalling

17.4

Geboorte

17.5

De kraamvrouw

Na de geboorte 18.1

Ontwikkeling

18.2

Levensfasen

18.3

De orgaanstelsels

18.4

Sterven en dood

Uitleiding


Deel 2

Orgaanstelsels Inleiding

circulatiestelsel. Hoofdstuk 6 eindigt dan ook met de behandeling van de afweer.

In het nu volgende deel van het boek vind je de

Hoofdstuk 7 gaat over het spijsverteringsstelsel. Het

systematische en gedetailleerde bespreking van de

spijsverteringsstelsel bewerkt het voedsel zodanig

tien orgaanstelsels. De volgorde die daarbij is ge-

dat allerlei stoffen kunnen worden opgenomen in

kozen komt overeen met de presentatie van de

het bloed. Eerst wordt ingegaan op de samenstel-

orgaanstelsels in hoofdstuk 5. In de hoofdstukken 6

ling van het voedsel en daarna worden de bouw en

tot en met 10 worden de orgaanstelsels behandeld

functie van het spijsverteringskanaal, de alvleesklier,

die de vegetatieve functies vervullen. Het zijn

de lever en de galwegen besproken.

functies die ten dienste staan van het levenson-

In hoofdstuk 8 volgt de beschrijving van de func-

derhoud van de cellen. De hoofdstukken 11 tot en

tionele anatomie van het urinewegstelsel. Het uri-

met 15 gaan over de integratie van de vegetatieve

newegstelsel speelt een belangrijke rol bij de

functies, de interactie met de buitenwereld en de

handhaving van de homeostase, doordat het de

instandhouding van de soort door middel van de

samenstelling en het volume van het bloed helpt

voortplanting.

reguleren.

In hoofdstuk 6 wordt het circulatiestelsel beschre-

In hoofdstuk 9 wordt het ademhalingsstelsel be-

ven. De belangrijkste taak van het circulatiestelsel is

handeld. Bij de ademhaling wordt zuurstof in het

transport. Eerst komt de functionele anatomie van

bloed opgenomen en wordt het afvalgas koolstof-

het hart en de bloedvaten aan de orde, gevolgd

dioxide aan de buitenwereld afgegeven. De be-

door de samenstelling en functie van de transport-

schikbaarheid van zuurstof in de cellen maakt een

vloeistof, het bloed. Vervolgens wordt de circulatie

efďŹ ciĂŤnte energievoorziening mogelijk.

in het lymfatische systeem besproken. De mecha-

In hoofdstuk 10 komen de bouw en functies van de

nismen waarmee het lichaam zich beschermt tegen

huid aan de orde. De huid vormt de begrenzing

ziekteverwekkers staan in nauw verband met het

van het lichaam met de buitenwereld. Daarnaast

5


Deel 2 Orgaanstelsels

heeft de huid een aantal andere belangrijke functies. In hoofdstuk 11 wordt het hormoonstelsel besproken. Het hormoonstelsel reguleert allerlei lichaamsfuncties door middel van hormonen die via de bloedbaan getransporteerd worden. Eerst wordt de algemene werking van de hormonen besproken, daarna de verschillende hormoonklieren en de functies van de geproduceerde hormonen. Hoofdstuk 12 beschrijft het zenuwstelsel. Het zenuwstelsel is het belangrijkste orgaanstelsel voor de regulatie, sturing, coรถrdinatie, integratie en interactie. In hoofdstuk 13 volgt de behandeling van het sensorische stelsel. Dit orgaanstelsel verschaft de mens informatie over zijn omgeving en over het inwendige functioneren van het lichaam zelf. Eerst worden de algemene mechanismen van de sensoriek besproken, daarna de zintuigen en de overige sensoriek waarover het lichaam beschikt. Hoofdstuk 14 gaat over het motorische stelsel. Motoriek omvat alle vormen van beweging die in en door de mens plaatsvinden. In dit hoofdstuk wordt met name aandacht geschonken aan het bewegingsapparaat: het skelet, de gewrichten en het spierstelsel. In hoofdstuk 15 komt het voortplantingsstelsel aan de orde. Voortplanting is gericht op het behoud van de soort. In dit hoofdstuk worden de voortplantingsorganen van beide seksen, de paring en de bevruchting beschreven.

6


Hoofdstuk 6 Circulatiestelsel

6

Circulatiestelsel

Inleiding

6.1

Het hart

Waar levende cellen zijn, is uitwisseling van stoffen

Er bestaan veel spreekwoorden en gezegden waar

noodzakelijk. Voedingsstoffen gaan de cel in en

het hart in voorkomt, zoals ‘met hart en ziel voor

afvalstoffen gaan de cel uit. De afvalstoffen zijn

iets ijveren’ en ‘waar het hart vol van is, loopt de

meestal giftig en moeten zo snel mogelijk uit het

mond van over’. En wie heeft niet ooit zijn ver-

inwendige milieu rondom de cellen verwijderd

liefdheid kenbaar gemaakt door een hart met een

worden. Gebeurt dit niet of niet snel genoeg, dan

pijl erdoorheen te tekenen? Het hart is voor velen

raakt de homeostase al gauw verstoord. Vanwege

het symbool voor de liefde en de ziel.

zijn transportfunctie neemt het circulatiestelsel een

Het hart (cor) is inderdaad onmisbaar voor het le-

centrale plaats in bij het handhaven van de ho-

ven, maar het orgaan ziet er allesbehalve roman-

meostase. Het circulatiestelsel bestaat uit twee

tisch uit. Het is een dikke holle spier, die dag in dag

buizenstelsels: het bloedvatenstelsel en het lymfe-

uit, gedurende je hele leven, met elke hartslag een

vatenstelsel. Hart en bloedvaten vormen samen het

hoeveelheid bloed in het gesloten circuit van

bloedvatenstelsel. Het lymfevatenstelsel bestaat uit

bloedvaten pompt. In rust is dat ongeveer vijf liter

de lymfevaten en het lymfatisch weefsel, en het

bloed per minuut, bij inspanning veel meer. Ge-

speelt ook een grote rol bij de immuniteit van het

middeld gaat het om 7.200 liter per 24 uur. Het

lichaam.

hart bestaat functioneel uit twee zuigperspompen:

In dit hoofdstuk worden eerst de bouw en functie

de rechterharthelft en de linkerharthelft. Deze twee

van het hart besproken, gevolgd door de bouw, de

zuigperspompen werken tegelijkertijd. De harthelf-

functie en de topografie van de bloedvaten. Ver-

ten persen het bloed aan de ene kant weg en zui-

volgens komen de bloeddruk, het bloed en de uit-

gen het bloed aan de andere kant aan. In de

wisseling van stoffen tussen bloed en weefselvocht

bloedvaten ontstaat daardoor een drukverschil dat

aan de orde. Het hoofdstuk eindigt met de be-

stroming van het bloed tot gevolg heeft. Elke

handeling van het lymfevatenstelsel en de immu-

harthelft is verdeeld in twee holtes. De bovenste

niteit van het lichaam.

holte is het atrium (kamer) en daaronder ligt het ventrikel (kamer). In totaal heeft het hart dus vier holtes: rechteratrium, rechterventrikel, linkeratrium

7


Deel 2 Orgaanstelsels

en linkerventrikel. Het bloed circuleert in twee gescheiden systemen, die in het hart bij elkaar komen.

6.1.2

Bouw van het hart

Het zijn de lichaamscirculatie (grote bloedsomloop)

Het hart is opgebouwd uit twee holle spieren, de

en de longcirculatie (kleine bloedsomloop).

atriumspier en de ventrikelspier. Deze twee holle

De route van het bloed in de lichaamscirculatie is

spieren zijn van elkaar gescheiden door twee

als volgt: linkerventrikel → aorta → slagaders → or-

bindweefselringen: de anuli fibrosi cordis (enkel-

ganen en weefsels → aders → holle aders → rech-

voud: anulus fibrosus cordis). De anuli hebben elk

teratrium (→ rechterventrikel; aansluiting op long-

twee openingen, die afsluitbaar zijn door middel

circulatie).

van vliezige kleppen die aan de randen vastzitten.

De route van het bloed in de longcirculatie is als

De linker- en rechterharthelft worden van elkaar

volgt: rechterventrikel → longslagaders → longen →

gescheiden door het septum cordis (harttussen-

longaders → linkeratrium (→ linkerventrikel; aan-

schot). Het septum interatriale cordis is vrij dun en

sluiting op lichaamscirculatie).

bestaat uit bindweefsel. Het verdeelt de atriumspier

Dit dubbele circulatiesysteem noem je de dubbele

in het rechter- en linkeratrium. Het septum

bloedsomloop.

interventriculare cordis is veel dikker en bestaat uit hartspierweefsel. Het verdeelt de ventrikelspier in

6.1.1

Ligging van het hart

het rechter- en linkerventrikel. Aan het hart kun je de aansluitingen met de grote

Het hart ligt in de borstholte, direct achter het

bloedvaten onderscheiden. In het rechteratrium

sternum (borstbeen) in het mediastinum. Het me-

monden twee grote vaten uit. Dit zijn de v. cava

diastinum is de ruimte tussen de longen, waarin

inferior (onderste holle ader) en de v. cava superior

behalve het hart ook de slokdarm en de grote

(bovenste holle ader). Via beide aders stroomt

bloedvaten liggen. Verder is de ruimte gevuld met

zuurstofarm bloed het rechteratrium in. Aan het

losmazig bindweefsel en lymfatisch weefsel. Het

rechterventrikel ontspringt de truncus pulmonalis,

hart is zo groot als een vuist en ligt enigszins ge-

die al snel opsplitst in de linker en rechter a.

kanteld op het diafragma. De apex (hartpunt) wijst

pulmonalis (longslagader). Deze slagaders vervoe-

naar links. De ventrikels liggen linksonder, de atria

ren zuurstofarm bloed naar de longen. In het lin-

rechtsboven. De ventrale kant van het hart wordt

keratrium monden vier venae pulmonales (long-

grotendeels gevormd door het rechterventrikel, de

aders) uit, twee uit elke long, met zuurstofrijk

dorsale kant door het linkerventrikel. Het hart ligt

bloed. Aan het linkerventrikel ontspringt de aorta

weliswaar midden achter het sternum, maar door-

(grote lichaamsslagader), die zuurstofrijk bloed be-

dat het linkerventrikel van het hart een veel dikkere

vat.

wand heeft dan het rechterventrikel, steekt het hart naar de linkerkant verder uit en kun je het links van het sternum voelen kloppen. De asymmetrische bouw van het hart gaat gepaard met een grootteverschil tussen de longen: de linkerlong met twee kwabben is kleiner dan de rechterlong, die drie kwabben heeft.

8

De lichaamscirculatie en de longcirculatie vor-

men samen de dubbele bloedsomloop. Arte-

riën voeren bloed van het hart weg; venen

voeren bloed naar het hart terug.

Dus:

!


Hoofdstuk 6 Circulatiestelsel

anuli fibrosi cordis liggen tussen de atria en de

ventrikels.

6.1.3

Hartkleppen

Aan de binnenranden van de twee anuli fibrosi zitten bindweefselvliezen vast. Dat zijn de hartkleppen. In gesloten toestand verhinderen ze 5

6

dat het bloed tegen de eerdere stroomrichting in

longen

terugstroomt. De twee hartkleppen tussen atria en ventrikels heten atrioventriculaire kleppen. Tussen 9

3 7

1

de ventrikels en de grote slagaders (aorta en longslagaders) zitten de twee arteriële kleppen.

2

8

Atrioventriculaire kleppen

4 10

De atrioventriculaire klep tussen rechteratrium en rechterventrikel heeft drie bindweefselslippen en milt

11 lever

heet valva tricuspidalis (drieslippige klep) of tricuspidalisklep. De atrioventriculaire klep tussen

darmen

linkeratrium en linkerventrikel heeft twee bindweefselslippen en wordt valva bicuspidalis (twee-

nieren

slippige klep) genoemd. Een andere naam voor deze klep is valva mitralis (mitralisklep). De basis van elke atrioventriculaire klep zit vast aan het bindweefsel van de anulus fibrosus cordis. Aan de andere kant zijn de slippen door middel van

1 bovenste holle ader

7

linker atrium

dunne peesdraden, de chordae tendineae, verbon-

2 onderste holle ader

8

linker ventrikel

den met kleine spierbundels. Deze spierbundeltjes

3 rechter atrium

9

aorta

4 rechter ventrikel

10 leverslagader

5 longslagader

11 poortader

6 longader

steken uit in de ventrikelholte en worden musculi papillares (papillaire spieren) genoemd. De atrioventriculaire kleppen worden opengeduwd door het bloed zelf op het moment dat het vanuit

Figuur 6.1

Hart en bloedsomloop (schematisch)

Het hart bestaat uit het linker- en rechteratri

um en het linker- en rechterventrikel. Het

septum verdeelt het hart in links en rechts. De

de atria naar de ventrikels stroomt. Wanneer de ventrikels dit bloed vervolgens met kracht in de grote vaten pompen, slaan de kleppen door de hoge bloeddruk weer dicht, zodat het bloed ook echt in de aorta en de longslagaders terechtkomt en niet terugstroomt in de atria. Hierbij wordt de

9


Deel 2 Orgaanstelsels

8 10

11

9

1

2

12

3

13

4 7

6 5

Figuur 6.2

1 rechter ondersleutelbeenslagader

6

diafragma

11 linker halsader

2 rechter ondersleutelbeenader

7

borstbeen

12 aorta (achter borstbeen)

3 ribben

8

slokdarm

13 hart

4 rechter long

9

luchtpijp

5 longvlies

10 linker halsslagader

Ligging van het hart in het mediastinum

functie van de chordae tendineae duidelijk: ze

Wanneer bloed vanuit de ventrikels de longslaga-

verhinderen dat de slappe kleppen door de hoge

ders respectievelijk aorta ingepompt wordt, slaan

druk te ver teruggeslagen worden en het bloed

de slippen open. Als de ventrikels zich ontspannen,

alsnog in de atria terugstroomt. De papillaire

dreigt het bloed naar het hart terug te stromen. Dit

spieren helpen hierbij, doordat ze met de ventrikels

wordt verhinderd doordat de slippen zich vullen

mee samentrekken en de peeskoordjes strak trek-

met bloed, en in gevulde toestand tegen elkaar aan

ken.

vallen. Op dat moment sluiten ze de opening naar de ventrikels af. De valvulae semilunares tussen het

ArteriĂŤle kleppen

rechterventrikel en de longslagader worden samen de valva trunci pulmonalis (pulmonalisklep) ge-

De arteriĂŤle kleppen zitten aan de basis van de

noemd; die tussen het linkerventrikel en de aorta

truncus pulmonalis en van de aorta. Elke klep be-

heten de valva aortae (aortaklep).

staat uit drie kleine zakvormige vliezen, ook hier slippen genoemd. Deze slippen hebben de vorm van een halve maan, vandaar dat ze valvulae semilunares (halvemaanvormige slippen) heten.

10

Dus:

Atrioventriculaire kleppen = AV-kleppen =

kleppen tussen atria en ventrikels; rechts: valva

!


Hoofdstuk 6 Circulatiestelsel

bevruchte eicel

ZENUWCELLEN

zenuwcel

SPIERCELLEN

STEUNCELLEN

DEKCELLEN

VOORTPLANTINGSCELLEN

stamcel

stamcel

stamcel

gladde spiercel bindweefselcel dekcel eicel kraakbeencel dwarsgestreepte spiercel trilhaarcel

zintuigcel

zaadcel

botcel

hartspiercel

Figuur 6.3

bloedcellen

kliercelcel

De anuli ďŹ brosi cordis en de kleppen

tricuspidalis (drieslippige klep) en links: valva

card), myocardium (myocard) en het dubbelwan-

bicuspidalis (tweeslippige klep).

dige pericardium (pericard).

ArteriĂŤle kleppen = valvulae semilunares = kleppen tussen atria en grote slagaders; rechts: valva trunci pulmonalis (pulmonaalklep) en links: valva aortae (aortaklep).

Endocard Het endocardium bestaat uit eenlagig plaveiselepitheel, versterkt met een dun laagje elastisch bind-

6.1.4

Hartwand

De hartwand bestaat uit drie lagen. Van binnen

weefsel. Endotheel zorgt voor een heel glad oppervlak waar de bloedcellen langs glijden zonder kapot te gaan.

naar buiten zijn dat: endocardium (kortweg: endo-

11


Deel 2 Orgaanstelsels

2 3

5

6 6

5

1

4

1 bicusbidaalklep tussen linker atrium en linker ventrikel 2 truncus pulmonalis met pulmonaalklep 3 aorta met aortaklep 4 tricusbidaalklep tussen rechter atrium en rechter ventrikel 5 kransslagaders 6 kransaders

Figuur 6.4

Bovenaanzicht van de hartkleppen

Myocard

de functie: de atria pompen het bloed naar de ventrikels en daar is – vanwege de geringe afstand

Het myocardium (hartspier) is de dikste laag van de

– weinig kracht voor nodig. De ventrikels hebben

hartwand en bestaat uit hartspierweefsel, waarvan

veel meer spierkracht nodig om het bloed in de

de spiervezels in drie lagen zijn gerangschikt, elke

grote slagaders te stuwen.

laag met een andere richting. Deze rangschikking

Ook tussen beide ventrikels is er verschil in dikte:

maakt een efficiënte samentrekking van het myo-

de hartspier van het linkerventrikel is drie keer zo

cardium mogelijk. Opvallend is het verschil in

dik als die van het rechterventrikel. Dat is ook nodig

spierdikte van de verschillende hartdelen. Het

want het linkerventrikel moet het bloed met zoveel

myocard van beide atria is vrij dun in vergelijking

kracht de aorta in pompen dat het vervolgens alle

met die van de ventrikels. Dat heeft te maken met

delen van het lichaam kan bereiken. Dat vereist

12


Hoofdstuk 6 Circulatiestelsel

4

2 1

5

6

3

1 ventrikelholte 1

7

2 endocard 7

3 myocard 4 epicard

8

(viscerale blad) 5 pericardholte 6 pariĂŤtale blad van het pericard

9

7 pericard

2

11 3

10

4

12

6 5

13

1 v. cava superior

6

rechter ventrikelmyocard

11 linker ventrikelmyocard

2 rechter atrium

7

aorta

12 spierbalkjes

3 chordae tendinae

8

truncus pulmonalis

13 apex, gevormd door linker ventrikel

4 musculi papillares

9

linker atrium

5 v. cava inferior

10 septum cordis

Figuur 6.5

Het hart

veel spierkracht; sommige lichaamsdelen, bijvoor-

voor de bloedvoorziening van de hartspier zelf. We

beeld de voeten, liggen immers op grote afstand

komen er later op terug.

van het hart. Het rechterventrikel hoeft het bloed alleen maar naar de dichtbijgelegen longen te stuwen; hier is minder spierkracht voor nodig.

Pericard

Aan de binnenkant van het ventrikelmyocard be-

Rondom het hart zitten de beide sereuze vliezen,

vinden zich de musculi papillares en een groot

die samen het pericardium (hartzakje) vormen. Het

aantal spierbalkjes. Sommige spierbalkjes lopen

binnenste vlies, het viscerale blad , wordt

dwars door de ventrikelholte. Aan de buitenkant

epicardium (epicard) genoemd en is vergroeid met

van het myocard zie je een groot aantal sterk ver-

het hartoppervlak. Het pariĂŤtale blad is vergroeid

takte bloedvaten lopen. Dit zijn de arteriĂŤn en ve-

met weefsels die het hart omgeven, zoals de

nen van de hartcirculatie. De hartcirculatie zorgt

peesplaat van het diafragma en het borstvlies

13


Deel 2 Orgaanstelsels

(buitenblad van de pleura). Tussen beide vliezen zit

noemd. Bij iemand in rust bedraagt het sinusritme

de pericardholte, die gevuld is met sereus vocht. De

echter niet 100, maar ongeveer 75 impulsen per

functie van het hartzakje is het opheffen van de

minuut. Dat komt doordat de intrinsieke frequentie

wrijvingskrachten tussen het altijd bewegende hart

vertraagd wordt door de nervus vagus (zwervende

enerzijds en de omringende weefsels anderzijds.

zenuw), waarvan een vertakking naar de sinusknoop loopt. De nervus vagus, de tiende hersenzenuw, is een hele belangrijke zenuw van het pa-

6.1.5 Hartprikkelgeleidingssysteem

rasympathische zenuwstelsel. Bij lichamelijke inspanning kan het sinusritme boven de 130 per minuut uitkomen. Dit is het gevolg van de stimu-

In het hart bevinden zich tussen de normale harts-

lerende invloed van een aantal zenuwen van het

piercellen ook gespecialiseerde hartspiercellen, die

orthosympathische systeem, de nervi accelerantes.

een prikkelvormend of prikkelgeleidend vermogen hebben. Ze vormen samen het hartprikkelgeleidingssysteem. De delen van het

Atrioventriculaire knoop

prikkelgeleidingssysteem zijn: sinusknoop, atrio-

De impulsen van de sinusknoop worden snel van

ventriculaire knoop, bundel van His en purkinjeve-

cel tot cel doorgegeven aan alle cellen van het

zels.

myocardium van het rechter- en linkeratrium. De impulsen veroorzaken de contractie van beide atria

Sinusknoop

(bloed stroomt daardoor naar de ventrikels) en prikkelen tegelijkertijd de tweede zenuwknoop, de

De sinusknoop ligt in het myocardium van het

atrioventriculaire knoop (AV-knoop). Deze ligt ook

rechteratrium, tussen de uitmondingen van de v.

in de wand van het rechteratrium, vlak naast de

cava inferior en de v. cava superior. De sinusknoop

kruising van de rechter anulus ďŹ brosus en het

bestaat uit een klein netwerk van hartspiercellen die

atriumseptum. De atrioventriculaire knoop ont-

impulsen kunnen opwekken, met een gemiddelde

vangt de impulsen van de sinusknoop en vertraagt

frequentie van 100 per minuut. Dit is de intrinsieke

deze ongeveer 0,1 seconde. Zonder prikkeling van

(eigen) frequentie en wordt het sinusritme ge-

de sinusknoop genereert de AV-knoop zelf impulsen met een ritme van gemiddeld 50 per minuut, het atrioventriculaire ritme genoemd. Dit ritme wordt door de sinusknoop versneld naar 75 impulsen per minuut.

Bundel van His Vanaf de atrioventriculaire knoop loopt een bundel prikkelgeleidende cellen door het atriumseptum en vervolgens omlaag het ventrikelseptum in. Dit is de Figuur 6.6

14

Hartgeleidingssysteem

bundel van His, die zich even verderop splitst in


Hoofdstuk 6 Circulatiestelsel

hartfrequentie 100 120 60 80 140 40 160

N.

vag

us

Purkinjevezels 180

nn. a

cc e

intrinsieke frequentie

200/min.

ler

an

te

s

De bundeltakken dragen de impulsen over op de purkinjevezels. Deze prikkelgeleidende cellen hebben de functie van zenuwvezels. Ze liggen verspreid over het hele ventrikelmyocard, inclusief de musculi papillares. De prikkelingen door de purkinjevezels activeren de hartspiercellen en veroorzaken de feitelijke contracties van beide ventrikels, waardoor het bloed in de grote arteriën wordt gestuwd. Uiteindelijk gaan de afzonderlijke purkinje-

2

vezels op in ‘gewone’ myocardvezels. De myocardvezels van de ventrikels hebben, net als de si-

1

nusknoop en de atrioventriculaire knoop, een eigen impulsopwekkend vermogen. Dit ventrikelmyocardritme bedraagt 40 prikkels per minuut. Onder normale omstandigheden komen zowel de AV-knoop als het ventrikelmyocard niet toe aan

1 parasympathische beïnvloeding 2 sympathische beïnvloeding

hun eigen ritme. Ze worden door de sinusknoop ‘opgejaagd’ tot 75 prikkels per minuut. De sinusknoop wordt daarom wel de pacemaker (gangmaker) genoemd.

Hormonale beïnvloeding Behalve de bovenbeschreven neurale beïnvloeding van het hartritme is er een hormonale beïnvloeding door het hormoon adrenaline. Dit bijniermerghorFiguur 6.7

Beïnvloeding van het sinusritme door het vegetatieve zenuwstelsel

moon wordt vooral tijdens lichamelijke en geestelijke inspanning geproduceerd en heeft via het bloed een vergelijkbare stimulerende invloed op het

een linker- en een rechterbundeltak. Beide bundeltakken lopen naar de apex toe, buigen daar om en waaieren uit in het hartspierweefsel van de ventrikels.

hartritme als de nervi accelerantes.

Dus:

De hartwand is van buiten naar binnen op

gebouwd uit: pericard of hartzakje (bestaand

uit het epicard (parietale blad) en het viscerale

blad), myocard (hartspier) en endocard.

15

!


Deel 2 Orgaanstelsels

Het linkerventrikel wordt veel zwaarder belast

beide atria gelijktijdig actief zijn en dat de beide

dan het rechterventrikel en heeft een drie keer

ventrikels even daarna ook tegelijkertijd samen-

dikker myocard.

trekken. Beide ventrikels pompen per minuut

Het hartpikkelgeleidingssysteem bestaat uit de

evenveel bloed in de bijbehorende arteriën. Als het

sinusknoop, de atrioventriculaire knoop, de

rechterventrikel bijvoorbeeld meer bloed per mi-

bundel van His en de purkinjevezels.

nuut zou wegpompen dan het linkerventrikel, zou

Het hartritme wordt bepaald door een sa-

het bloed zich in de longcirculatie ophopen. Ook de

menspel van neurale en hormonale invloeden.

totale gemiddelde stroomsnelheid van het bloed in beide circulaties is gelijk. Alleen de totale hoeveel-

6.2

heid bloed in de longcirculatie is kleiner dan die in

Hartfunctie

de lichaamscirculatie. In de longcirculatie is tien tot

De functie van het hart is ervoor te zorgen dat het

twintig procent van het totale volume aanwezig.

bloed dag in dag uit in het lichaam rondgepompt

Dit komt doordat de lengte van de vaten en de

wordt, via de lichaamscirculatie en de longcirculatie.

gezamenlijke vaatdoorsnede in de longcirculatie

De hartkleppen zorgen daarbij voor een strikt

kleiner zijn.

eenrichtingsverkeer. Via het linkerventrikel pompt het hart het bloed in de arteriën van de lichaamscirculatie naar de capillairnetwerken in de periferie

6.2.1

Hartcyclus

van het lichaam. Via de venen keert het bloed te-

Bij een persoon in rust is het hart, onder invloed

rug naar het hart, in het rechteratrium. Van hieruit

van het sinusritme, ongeveer 75 keer per minuut

gaat het bloed naar de longcirculatie, waarna het

actief. Daarbij wordt een systole (actiefase) steeds

vervolgens terugstroomt in het linkeratrium. De

gevolgd door een diastole (rustfase). Elke hartactie

cirkel is gesloten. Je moet je goed realiseren dat de

(systole + diastole) duurt 0,8 seconde en bestaat uit drie fasen: passieve vullingsfase (0,0 – 0,4 seconde), actieve vullingsfase (0,4 – 0,5 seconde) en

hart

ventrikelsystolische fase (0,5 – 0,8 seconde).

9% grote venen

long

25%

12%

Passieve vullingsfase

grote arteriën 8% klein

e art er

ca

iën e n arter iolen

lla

7%

ire n

34%

pi

kleine venen

5%

De passieve vullingsfase is de rustfase van het hele hart. Deze begint aan het eind van de ventriculaire systole (t = 0,0 seconde). De atria en ventrikels zijn ontspannen. Nu is de bloeddruk overal in het hart heel laag; er heerst een onderdruk ten opzichte van de bloeddruk in de bloedvaten. Hierdoor heeft het hart een aanzuigende werking en stroomt het bloed vanuit de holle aders en de longaders de beide atria

Figuur 6.8

16

Gemiddelde bloedvolumeverdeling tijdens rust

binnen. Van daaruit stroomt het bloed de ventrikels in, waarbij de atrioventriculaire kleppen openge-


Hoofdstuk 6 Circulatiestelsel

duwd worden. De arteriële kleppen zijn nog dicht,

bloeddruk in de grote arteriën. De arteriële kleppen

door de hoge bloeddruk die na de systole in de

blijven dus nog even dicht. Het volume in het hart

arteriën heerst. Aan het einde van de hartrustfase (t

verandert een fractie van een seconde niet (isovo-

= 0,4 seconde) zijn de atria en de ventrikels gevuld

lumetrisch), omdat het bloed niet weg kan. De druk

met bloed.

neemt toe naarmate de ventrikels zich verder samentrekken. Door de grote druk zouden de – ge-

Actieve vullingsfase

sloten – AV-kleppen kunnen ‘doorslaan’ richting atria, maar de chordae tendineae verhinderen dat.

In de actieve vullingsfase (0,4 – 0,5 seconde)

Ze worden strakgetrokken door de met het ventri-

contraheren beide atria (atriale systole) onder in-

kelmyocard mee contraherende musculi papillares.

vloed van de impulsen uit de sinusknoop, die zich

Zodra de bloeddruk in de ventrikels hoger is dan

nu over het hele atriummyocard verspreid hebben.

die in de aorta en de truncus pulmonalis, wordt

Deze impulsen kunnen het ventrikelmyocard nog

bloed met grote kracht de slagaders ingeperst. Dit

niet bereiken, doordat de atrium- en ventrikelspier

is de ejectiefase, die van 0,55 tot 0,7 seconde

elektrisch volledig van elkaar gescheiden zijn door

duurt. Hierna volgt de relaxatiefase (0,7 – 0,8 se-

de anuli fibrosi (bindweefsel geleidt geen prikkels).

conde). In deze fase ontspant het myocardium van

Bovendien wordt het sinusritme door de AV-knoop

de ventrikel en daalt de bloeddruk in de ventrikels.

iets vertraagd. Door de atriale systole worden de

De bloeddruk in de aorta respectievelijk truncus

holle aders en de longaders dichtgeknepen, waar-

pulmonalis is juist heel hoog, waardoor de arteriële

door het bloed in de goede richting ─ naar de

kleppen dichtslaan. Dit is te horen als de tweede

ventrikels ─ geduwd wordt. Dit veroorzaakt een

harttoon. De ventrikels zijn nu leeg, de ventriculaire

extra vulling van elk ventrikel van ongeveer 10%.

systole is voltooid (t = 0,8 seconde). Eén hartcyclus

De ventrikelwand wordt daarbij uitgerekt.

is nu doorlopen, de volgende kan beginnen. Uit bovenstaande kun je afleiden dat, hoewel het

Ventrikelsystolische fase

hart schijnbaar voortdurend in touw is, de rustfase voor de afzonderlijke hartgedeelten steeds langer

De ventrikelsystolische fase is weer onder te ver-

duurt dan de actiefase. Het hart krijgt daardoor

delen in drie fasen. Als eerste is er de kortdurende

voldoende rust en kan een heel leven lang door-

isovolumetrische fase (0,5 – 0,55 seconde). In deze

gaan met ‘kloppen’.

fase ontspannen de beide atria zich (atriale diastole) en worden de sinusprikkels via de AV-knoop, de bundeltakken en de purkinjevezels over de ventri-

6.2.2

Bloeddruk in het hart

kelwand verspreid. De ventrikels beginnen zich sa-

De bloeddruk of tensie in het hart is de druk die

men te trekken en het bloed in de ventrikels komt

het bloed daar ondervindt. De eenheid van bloed-

onder druk te staan. Op dat moment slaan de AV-

druk is mmHg (millimeterkwik). Dit is een verou-

kleppen dicht. Dit is hoorbaar (met een stethoscoop

derde eenheid, want tegenwoordig wordt de pascal

of gewoon met je oor op iemands borst) als de

(Pa) als eenheid van druk gebruikt. De eenheid

eerste harttoon. De bloeddruk in het ventrikel

‘mmHg’ is in de medische wereld echter zo inge-

neemt verder toe, maar is nog niet hoger dan de

17


Deel 2 Orgaanstelsels

Figuur 6.9

Rustfase en ventriculaire systole

burgerd dat deze ook in dit boek gebruikt wordt (1

â– 

Tijdens de passieve vullingsfase van het hart is

mmHg = 133 Pa = 0,133 kPa).

de bloeddruk overal in het hart erg laag: tussen

De bloeddruk in het hart is niet overal gelijk. De

de 0 en de 5 mmHg. Er heerst echter een hoge

waarde hangt af van het moment in de hartcyclus.

bloeddruk in de aorta en de truncus pulmonalis:

Aan de hand van de verschillende fasen in de

120 respectievelijk 30 mmHg. In deze fase

hartcyclus worden hieronder de variaties van de

vullen atria en ventrikels zich met bloed en rekt

bloeddruk in het hart beschreven.

18


Hoofdstuk 6 Circulatiestelsel

de hartwand mee, waardoor de bloeddruk nauwelijks toeneemt. ■

6.2.3

Elektrocardiogram

Tijdens de actieve vullingsfase trekken de atria

De impulsen die zich over de hartspier verspreiden,

samen en krijgen de ventrikels nog 10% extra

veroorzaken elektrische verschijnselen. Deze zijn

bloed. De hartwand rekt nog meer uit, waar-

aan de buitenkant van het lichaam te meten. De

door de bloeddruk nog steeds niet echt stijgt.

meetmethode is betrekkelijk eenvoudig: een tiental

In de isovolumetrische fase wordt de ventri-

elektroden (stroomgeleiders) wordt op de huid van

keldruk opgevoerd. Inmiddels is de bloeddruk

de borst, polsen en enkels geplaatst. De elektroden

in de aorta gedaald tot 80 mmHg en die in de

zijn aangesloten op een versterker met een monitor

truncus pulmonalis tot 10 mmHg.

of een draaiende papierrol met een schrijvertje. Op

In de ejectiefase is de druk in het linkerventrikel

de monitor of op het papier worden de elektrische

120 mmHg en die in het rechterventrikel 30

verschijnselen in de vorm van een diagram zicht-

mmHg. Het bloed wordt in de slagaders ge-

baar. Dit is het elektrocardiogram (ECG), ook wel

stuwd, waardoor ook daar de druk stijgt naar

hartfilmpje genoemd.

120 respectievelijk 30 mmHg.

De belangrijkste gegevens van een standaard elektrocardiogram zijn:

Tijdens de hartrustfase en de atriale systole zijn de

P-top; deze piek is het resultaat van de impul-

bloeddrukwaarden in de aorta en truncus pulmo-

sen van de sinusknoop in het atriummyocard,

nalis steeds hoger dan in de bijbehorende ventri-

waardoor de atria gaan samentrekken;

kels. Deze grote arteriën raken immers niet ‘leeg’,

bloeddrukwaarden van aorta en truncus pulmonalis

Q-dal; dit is de verspreiding van de impulsen over het ventrikelseptum;

gelijk op met die in de bijbehorende ventrikels. Hierbij worden deze arteriën sterk opgerekt. Aan

PQ-segment; dit weerspiegelt de vertraagde prikkelgeleiding in de atrioventriculaire knoop;

zoals de ventrikels. Tijdens de ejectiefase lopen de

QRS-complex; deze piek representeert de

het eind van de ejectiefase houdt de uitstroom van

prikkelinvasie van het ventrikelmyocard. Daarbij

bloed op. De ventrikels ontspannen, waardoor de

worden eerst, via de bundel van His, de bun-

bloeddruk in de ventrikels daalt. Onmiddellijk wil

deltakken bereikt (Q), vervolgens de purkinje-

het bloed, dat zich in de grote arteriën bevindt,

vezels (R) en zo omhoog het gehele ventrikel-

terugstromen; het bloed ‘stuitert’ als het ware terug

myocard (S) tot aan de anuli fibrosi. Gedurende

op de arteriële kleppen. De zakvormige slippen

het QRS-complex komt het atriummyocard

vullen zich daardoor met bloed en de slipranden

weer in de (elektrische) rusttoestand.

slaan tegen elkaar. De kleppen zijn gesloten.

Doordat vervolgens de opgerekte arteriën in ‘rustpositie’ terugveren, treedt na het sluiten van de

ST-segment; dit geeft het wegebben van de prikkeltoestand van het ventrikel weer.

T-top; deze hangt samen met het tot (elektri-

arteriële kleppen een korte drukstijging in de grote

sche) rusttoestand komen van het ventrikel-

arteriën op.

myocard, wat ook gepaard gaat met elektrische verschijnselen.

19


Deel 2 Orgaanstelsels

actie

rust

rust

rust

actie

druk (mm Hg)

hartrustfase

ventrikels

hartactiefase

16

120

druk (kPa)

1

atria

14 aorta

100

12 80 10 8

60 linkerventrikel

6

40 4 20 2

linkeratrium 2

0

0 harttonen

druk (mm Hg)

1

4

2

truncus pulmonalis

30

4

rechterventrikel

20

3

druk (kPa)

3

2 10

rechteratrium

0

1 0

R

1 actie-rustcyclus 2 drukverloop in de linker

T

P

ECG

harthelft 3 harttonen Q

5 0

Figuur 6.10

20

0,1

0,2

0,3

Hartdiagrammen

0,4

0,5

S

4 drukverloop in de rechter 0,6

0,7

0,8 tijd (sec)

harthelft 5 elektrocardiogram (ECG)


Hoofdstuk 6 Circulatiestelsel

Het in de afbeelding 6.11 weergegeven ECG heeft dezelfde tijdschaal als de registraties van het druk-

In formule: HMV = fH × VS

verloop. Duidelijk is te zien dat de elektrische verschijnselen aan de mechanische verschijnselen Bij de standaardmens in rust geldt: fH ≈ 70-75/mi-

voorafgaan.

!

nuut en VS ≈ 70 ml . Hieruit volgt dat het HMV

Dus:

ongeveer 5 liter is. De standaardmens heeft in to-

Een hartcyclus duurt 0,8 seconde. Hierin wis-

taal ongeveer 5 liter bloed. In rust wordt deze

selen systolen en diastolen van atria en ven-

hoeveelheid dus één keer per minuut rondge-

trikels elkaar af.

pompt. Het hartminuutvolume geldt per ventrikel.

De eerste harttoon is het dichtslaan van de

Het hartminuutvolume van het rechterventrikel is

AV-kleppen; het dichtvallen van de arteriële

vanzelfsprekend gelijk aan dat van het linkerven-

kleppen veroorzaakt de tweede harttoon.

trikel, want de ventrikelspier contraheert als één

Tijdens de hartcyclus varieert de bloeddruk in

geheel (met andere woorden: voor links en rechts

het hart. De hoogste bloeddruk (120 mmHg)

geldt dezelfde fH-waarde) en ook de ventrikelin-

wordt gemeten tijdens de systole van het lin-

houd (V) links en rechts is gelijk. Het hartminuut-

kerventrikel. De laagste bloeddruk (0 mmHg)

volume van het rechterventrikel (zuurstofarm

treedt op bij de passieve vullingsfase.

bloed) gaat steeds in zijn geheel naar de longen.

De elektrische activiteit van het hart is door

Eenzelfde hoeveelheid (zuurstofrijk bloed) arriveert

middel van een elektrocardiogram (ECG,

even later in het linkeratrium.

hartfilmpje) zichtbaar te maken. Dat geeft in-

Het hartminuutvolume van het linkerventrikel

formatie over de hartfunctie.

wordt volgens twee principes over de organen verdeeld: 1) het ‘levensbelang’ van de betreffende

6.2.4

Hartcapaciteit

organen en 2) de behoefte aan bloed op een willekeurig moment.

De hartcapaciteit is het vermogen van een ventrikel om per tijdseenheid een bepaalde hoeveelheid bloed weg te pompen. Hiervoor wordt de eenheid

Levensbelang

hartminuutvolume (HMV) gebruikt; het HMV is de

De hersenen – met hun voor het leven vitale

hoeveelheid bloed die het hart per minuut, per

functies – krijgen bij de bloedvoorziening steeds

ventrikel wegpompt.

een voorkeursbehandeling. Zuurstofgebrek is na-

Twee factoren bepalen het HMV:

melijk snel fataal voor zenuwcellen. Ook het hart

fH = hartfrequentie = het aantal ventrikelcon-

zelf wordt met voorrang van bloed voorzien: steeds

tracties per minuut;

ongeveer 5% van het hartminuutvolume. Een ver-

VS = slagvolume per ventrikel = het aantal

storing van de homeostase in de hartspier als ge-

milliliter bloed dat per contractie weggepompt

volg van een gestoorde doorbloeding leidt meteen

wordt.

tot ernstige circulatiestoornissen voor het gehele lichaam. De nieren krijgen gemiddeld 20% van het hartminuutvolume. Dit betrekkelijk grote aandeel

21


Deel 2 Orgaanstelsels

R

hangt niet samen met de zuurstofbehoefte van de

Het standaard ECG

nieren zelf, maar met hun bloedzuiveringsfunctie. T P

Behoefte Q S

De relatie tussen het ECG en de prikkelgeleiding door het hart

Wanneer je hard rent of fietst loopt de hartfrequentie gemakkelijk op tot 130 slagen/minuut en kan het slagvolume tot 120 milliliter toenemen. Hieruit kun je berekenen dat het HMV ruim drie keer zo groot wordt, namelijk 15,5 liter! Bij inspanning neemt het hartminuutvolume niet alleen toe, het wordt ook anders over de organen verdeeld. De skeletspieren kunnen wel 60% van het hartminuutvolume aangeboden krijgen. Tijdens de spijsvertering krijgt juist het spijsverteringsstelsel zo’n groot percentage. Het aandeel van de huiddoorbloeding in het hartminuutvolume hangt sterk samen met de temperatuurregulerende functie van de huid.

Het hartminuutvolume (HMV) is de hoeveel-

heid bloed die per minuut per kamer wegge-

pompt wordt. Het HMV wordt bepaald door

de hartfrequentie en het slagvolume.

Per hartslag pompen beide ventrikels evenveel

bloed weg.

De bloedverdeling in het lichaam hangt af van

het levensbelang van de organen en de mo-

mentane behoefte aan bloed in de weefsels.

Dus:

6.3

Hartcirculatie

Wanneer je minstens een kwartier lang zo’n 75 keer per minuut in een rubberen balletje knijpt, begin je een idee te krijgen van de arbeid die de hartspier dag in dag uit moet verrichten. De Figuur 6.11

Elektrocardiogram

voortdurende contracties van de hartspier vragen veel zuurstof en voeding.

22

!


Hoofdstuk 6 Circulatiestelsel

Het endocard (niet-doorbloed dekweefsel) wordt

slippen van de arteriĂŤle kleppen worden tijdens de

verzorgd door het langsstromende bloed in de

uitdrijving van het bloed immers tegen de aorta-

hartholten. Het myocardweefsel heeft een zeer in-

wand aangedrukt, waardoor de toegang tot de

tensieve stofwisseling en heeft dan ook een eigen

kransslagaders geblokkeerd wordt. Wanneer ver-

doorbloeding nodig. Deze is aanwezig in de vorm

volgens het ventrikelmyocard ontspant, gaan alle

van een uitgebreid netwerk van bloedvaten rond-

capillairnetwerken open en komt de bloedstroming

om het hart, de hartcirculatie (coronaire circulatie).

weer op gang. Op dat moment stuitert het bloed in

De hartcirculatie is onderdeel van de lichaamscir-

de aorta terug, worden de halvemaanvormige

culatie en begint met de arteriae coronaria (krans-

slippen tegen elkaar aan geslagen en is de toegang

slagaders). Deze twee slagaders zijn vertakkingen

tot de kransslagaders weer geopend. Het bloed

van de aorta. Ze ontspringen in de aortawand net

wordt nu onder maximale druk de beide kranssla-

voorbij de aortaklep. De beide arteriĂŤn bedekken

gaders binnengedreven en vult het openstaande

het hart als een krans, op de grens van de atria en

capillairnetwerk van het myocardium.

de ventrikels. De linkerkransslagader verspreidt zich rondom de

Dus:

linkerharthelft. Takken hiervan verzorgen het lin-

De hartcirculatie (coronaire circulatie) voorziet

kerventrikel, het grootste deel van het ventrikel-

het myocardium van zuurstof en voedings-

septum en het linkeratrium. De rechterkransslaga-

stoffen.

der is kleiner en voorziet het rechterventrikel, een

De arteriae coronariae takken net voorbij de

klein deel van het ventrikelseptum en het linker-

aortaklep van de aorta af. Onder maximale

atrium van bloed. In het myocardium lopen de

druk wordt bloed in deze slagaders gepompt.

talrijke vertakkingen van de kransslagaders uit in een uitgebreid haarvatennetwerk. Alle myocardcellen worden royaal van bloed voorzien. De ca-

6.4

Bloedvaten

pillairen verversen het inwendige milieu van de

Het hart is een dubbele zuigperspomp die ervoor

spiercellen en vervoeren het bloed vervolgens naar

zorgt dat bloed continu door de bloedvaten circu-

de venae coronaria (kransaders). Deze komen sa-

leert. Het bloedvatenstelsel is een uitgebreid bui-

men in een vrij wijd bloedvat, de sinus coronarius,

zenstelsel die met de allerkleinste vertakkingen het

die aan de achterkant van het hart ligt, tussen

inwendige milieu van alle weefsels bereikt. ArteriĂŤn

atrium en ventrikel. Dit wijde verzamelvat mondt

(slagaders) voeren het bloed van het hart af; ze

rechtstreeks uit in het rechteratrium.

vertakken zich in arteriolen (kleine slagaders) en

De manier waarop de doorbloeding van de krans-

vervolgens binnen de weefsels in uiterst dunne

slagaders plaatsvindt, is opvallend en bijzonder

bloedvaten, de capillairen (haarvaten). In totaal

functioneel. Wanneer het ventrikelmyocard con-

zitten er naar schatting tien tot veertig miljard ca-

traheert, wordt het capillairnetwerk van het harts-

pillairen in je lichaam. Ze vormen vrijwel altijd een

pierweefsel leeg geperst en komt de bloedstroming

dicht netwerk, daarom wordt er gesproken van

in de hartcirculatie even tot stilstand. Doordat de

capillairnetwerken. In de capillairnetwerken rond-

kransslagaders net boven de hartkleppen ontsprin-

om de weefselcellen vindt de uitwisseling van

gen, krijgen ze op dat moment ook geen bloed. De

stoffen tussen het bloed en het weefselvocht plaats.

23

!


Deel 2 Orgaanstelsels

1

2

1 linker a. pulmonalis

7

aorta

2 linker atriumwand

8

v. cava superior

3 linker a. coronaria

9

rechter a. pulmonalis

4 sinus coronariaus

10 vv. pulmonales

5 linker ventrikelmyocard

11 rechter atriumwand

6 rechter a. coronaria

7 8

3 9

7

4

6 5

8

1 9

2

10

10

1

snijrand van het pericard

2

vetweefsel

3

rechter atriumwand

4

rechter a. coronaria

5

rechter ventrikelmyocard

6

vertakking van de rechter v. coronaria

7

linker atriumwand

8

linker v. coronaria

9

linker a. coronaria

3

11 4

5

10 apex

Figuur 6.12

a Vooraanzicht

Figuur 6.12

Buitenkant van het hart

Figuur 6.12

6

b Achteraanzicht

De capillairnetwerken convergeren tot venulen

bevatten juist de venen zuurstofrijk bloed en de

(kleinere aders), die op hun beurt samenkomen tot

arteriĂŤn zuurstofarm bloed.

venen (aders). Deze vervoeren het bloed in de

Wanneer je spreekt over arterieel bloed, dan be-

richting van het hart.

doel je meestal zuurstofrijk bloed, en heb je het

De arteriĂŤn van de lichaamscirculatie bevatten

over veneus bloed, dan is er sprake van zuurstof-

zuurstofrijk bloed, de stroomrichting is van het hart

arm bloed. Voor de kleine circulatie zijn deze be-

weg en naar de organen toe. De venen van de li-

gripsaanduidingen niet juist. Daar geldt immers

chaamscirculatie vervoeren zuurstofarm bloed naar

precies het omgekeerde.

het hart toe, van de organen af. Bij de longcirculatie

24


Hoofdstuk 6 Circulatiestelsel

6.4.1

Bouw en functie van de bloedvaten

behoorlijke portie bloed in de grote arteriën gepompt, waardoor de vaatwand uitrekt. Tijdens de ventriculaire diastole veert de uitgerekte vaatwand

De wand van een bloedvat is in principe opge-

als een elastiek weer terug en daardoor wordt de

bouwd uit drie lagen. Van binnen naar buiten zijn

portie bloed verder gestuwd. Ook daar rekt de

dat: tunica intima, tunica media en tunica externa.

vaatwand weer uit en veert hij vervolgens terug. Zo

De tunica intima grenst aan het lumen van het

verplaatst het bloed zich in golven steeds verder het

bloedvat. Het is een laagje endotheel, omgeven

bloedvatenstelsel in. De elastische arteriën hebben

door een dun laagje collagene vezels. Door de

op deze manier een egaliserende transportfunctie.

gladheid van de binnenwand kan het bloed er

Het bloed golft verder de arterie in terwijl het uit-

vrijwel wrijvingsloos langs stromen.

rekken en terugveren steeds minder heftig worden.

De tunica media bestaat uit twee componen-

Het bloed gaat steeds gelijkmatiger stromen. Het

ten, namelijk elastisch bindweefsel en glad

met golven verplaatst worden van het bloed wordt

spierweefsel. De gladde spieren zorgen voor de

polsgolf genoemd. Op enkele plaatsen liggen ar-

bloedvatvernauwing en bloedvatverwijding.

teriën direct onder de huid, zoals aan de onderkant

Het elastische bindweefsel maakt de vaatwand

van de pols, aan de zijkant van de hals en in de lies.

rekbaar.

Daar kun je de polsgolf voelen, soms zelfs zien, en

De tunica externa of tunica adventitia bestaat

kun je de hartfrequentie tellen.

uit losmazig bindweefsel. Deze laag heeft een opvulfunctie die van pas komt omdat bloedvaten vaak om en tussen andere orgaanstruc-

Kleine arteriën en arteriolen

turen liggen. In deze laag liggen kleine bloed-

Bij de geleidelijke overgang van de grote arteriën

vaatjes die de bloedvatwand zelf van voedsel

naar kleinere arteriën zie je de bouw van de tunica

en zuurstof voorzien.

media veranderen. Het elastische bindweefsel maakt meer en meer plaats voor glad spierweefsel.

Alle bloedvaten hebben deze drie lagen, behalve de

We noemen ze musculaire arteriën (gespierde ar-

capillairen die alleen de tunica intima hebben.

teriën). De gladde spieren in de vaatwand staan

Vooral de tunica media kan in dikte en samenstel-

onder invloed van het vegetatieve zenuwstelsel. Als

ling variëren, afhankelijk van het type bloedvat.

de spiertjes aangespannen worden, treedt vasoconstrictie (bloedvatvernauwing) op. Ont-

Grote arteriën

spannen de spiertjes, dan wordt het lumen (opening) van het bloedvat wijder; dit noem je

Bij de grote arteriën, zoals de aorta en de truncus

vasodilatatie (bloedvatverwijding) Musculaire arte-

pulmonalis, bestaat de tunica media hoofdzakelijk

riën hebben hierdoor een distribuerende functie; ze

uit elastisch bindweefsel. Je noemt ze daarom

verdelen het bloed naar behoefte. Bij spierarbeid

elastische arteriën. Door de elasticiteit is de vaat-

bijvoorbeeld zal de bloedtoevoer naar de skelet-

wand van deze bloedvaten heel rekbaar en dat

spieren groot zijn, terwijl op dat moment de

heeft een belangrijke functie bij de verplaatsing van

bloedvoorziening in de darmen verminderd wordt.

het bloed. Bij elke ventriculaire systole wordt er een

25


Deel 2 Orgaanstelsels

1 2

3

10 11

4

1 diafragma

5

2 lien (milt)

12

3 truncus coeliacus

6

4 a. lienalis

13

5 pancreas 6 linker a. renalis 7 a. mesenterica superior

1

14

7

3

8

4

15

2 5

6

9

16 17

7

18 19 20

1 slokdarm

8

a. hepatica

15 linker a. gastrica

2 rechter a. carotis communis

9

rechter nier

16 rechter a. gastrica

3 luchtpijp

10 linker a. carotis communis

17 aorta abdominalis

4 rechter a. subclavia

11 linker a. subclavia

18 linker a. iliaca communis

5 truncus brachiocephalicus

12 arcus aortae

19 linker a. iliaca interna

6 aorta ascendens

13 aorta descendens

20 linker a. iliaca externa

7 hepar (lever)

14 gaster (maag)

Figuur 6.13

Verschillende soorten bloedvaten en hun bouw

De arteriolen, de kleinste vertakkingen van de arteriĂŤn, hebben rond de tunica intima slechts een

Capillairen

enkele laag gladde spiervezels en zijn hierdoor bij-

De bouw van capillairen is gericht op de uiterst

zonder geschikt voor vasoconstrictie en vasodilata-

belangrijke functie van uitwisseling van stoffen met

tie. Ze zijn in staat hun lumen zelfs vrijwel af te

de weefselvloeistof, het inwendige milieu van de

sluiten.

weefsels. Van de drie lagen is nog maar weinig te zien: de tunica externa en de tunica media ontbreken. De tunica intima bestaat uit een laag endotheelcellen en een dunne bindweefselmembraan

26


vv. cavae

grote venen

kleine venen

venulen

capillairen

arteriolen

kleine arteriën

grote arteriën

aorta

Hoofdstuk 6 Circulatiestelsel

Venulen en venen De capillairnetwerken gaan over in venulen (diameter kleiner dan 50 µm) en deze op hun beurt in venen. Bij de geleidelijke overgang naar deze vaattypen verschijnt eerst weer de tunica media en vervolgens, bij de grotere venen, ook de tunica

250

900

1550

550

300

125

250

250

180

plaats in de circulatie

externa. Wat betreft de bouw ligt in de tunica media het accent op het bindweefsel. Hierin bevinden zich vrij veel collagene vezels. De spiervezels zijn losser gerangschikt dan in de overeenkomstige arteriën. De venen hebben een veel dunnere wand en het lumen is groter. Het grotere lumen hangt

18

30

100

2700

3500

500

20

20

5,3

3) bloedvolumeverdeling (cm

samen met het feit dat de bloeddruk in venen erg laag is, maar er toch evenveel bloed terug naar het hart moet als er in dezelfde tijd uit weggepompt wordt. Vergelijk het met een brede, traag stromende rivier, die per tijdseenheid evenveel water vervoert als een smalle, zeer snel stromende berg-

(cm/sec)

2) gezamenlijk vlak van dwarsdoorsnede (cm

beek.

50

Nadat de bloeddruk in de haarvatennetwerken

40

vrijwel tot nul is gereduceerd, dragen vijf mecha-

30

nismen ertoe bij dat het bloed terugstroomt naar

20

het hart. Allereerst is dat gewoon de zwaartekracht,

10

maar dat geldt alleen voor de weefsels en organen

0 stroomsnelheid

boven het niveau van het hart. In de wand van de kleinere venen van de ledematen en de organen

Figuur 6.14

Transportfunctie van grote arteriën

beneden het niveau van het hart zitten kleppen. Deze lijken in bouw en werking op de halve-

(basaalmembraan). De doorsnede van een capillair

maanvormige slippen van de arteriële kleppen. De

is gemiddeld 7 ─ 8 µm; er kan net een rode

kleppen zorgen ervoor dat het bloed alleen in de

bloedcel doorheen. De capillairwand heeft de ei-

richting van het hart – en dus vaak tegen de

genschappen van een semipermeabele membraan,

zwaartekracht in – kan stromen. Je kunt bij jezelf de

waardoorheen water en opgeloste stoffen diffun-

kleppen in de oppervlakkige arm- of handvenen

deren. Op bepaalde plaatsen (bijvoorbeeld in de

gemakkelijk aantonen.

nieren) zitten spleten tussen aan elkaar grenzende endotheelcellen waar grotere moleculen doorheen kunnen.

27


Deel 2 Orgaanstelsels

verschil tussen de vaten in het mediastinum en die in de buikholte nog vergroot. Dit mechanisme heet Aantonen van kleppen

de adempomp.

Druk met je wijsvinger een vene in bijvoor-

Een arterie en bijbehorende vene (en een zenuw)

beeld de handrug dicht en strijk tegelijkertijd

liggen op veel plaatsen naast elkaar in een

met de duim over deze vene in proximale

vaatzenuwstreng. Deze wordt omgeven door een

richting (naar het hart toe). Hierdoor duw je

bindweefselkoker die niet meegeeft met de druk

de vene leeg. Haal je nu je duim weg, dan

van de polsgolf. De verwijding van de arterie die

loopt het bloed terug tot de plek waar de

met elke hartslag plaatsvindt, heeft vernauwing van

kleppen zitten. Til je vervolgens je wijsvinger

het lumen van de ernaast gelegen vene tot gevolg,

op, dan stroomt het bloed van distaal de lege

waardoor de bloedstroom naar het hart bevorderd

vene binnen.

wordt. Dit noem je de arteriële pomp.

Dus: De grotere venen in armen en benen, en die in de

De standaardbouw van de vaatwand is van

romp, zoals de v. cava inferior, hebben geen klep-

binnen naar buiten: tunica intima, tunica me-

pen. Wel zit er bij de uitmonding van de v. cava

dia en tunica externa.

inferior in het rechteratrium een op een klep lij-

Grote arteriën met hun elastische tunica media

kende bindweefselslip, die verhindert dat het bloed

hebben een transportfunctie. Door het uitrek-

uit het rechteratrium in de v. cava inferior terug-

ken en terugveren van de vaatwand ontstaat

stroomt.

de polsgolf.

In armen en benen bevorderen de spiercontracties

De wand van kleinere arteriën en arteriolen

het terugstromen van het bloed. Dit wordt de

bestaat voornamelijk uit glad spierweefsel.

spierpomp genoemd. Als je te lang stilzit of -staat,

Deze vaten hebben een distribuerende functie.

kan het ontbreken van de spierpomp vochtopho-

Haarvaten hebben alleen een tunica intima,

ping in de voeten veroorzaken.

bestaande uit een laag endotheelcellen. De

Ook het hart zelf veroorzaakt terugstroming van

dunne wand maakt uitwisseling van stoffen

het bloed, door middel van de zogeheten

tussen bloed en weefselvocht mogelijk.

hartpomp. Tijdens de ventriculaire systole worden

In de venen is de bloeddruk laag. Terugstro-

de anuli fibrosi naar beneden getrokken, waardoor

men van het bloed naar het hart gebeurt met

de atria uitgerekt worden. Dit brengt een drukda-

behulp van: zwaartekracht, kleppen, spier-

ling teweeg, waardoor het bloed aangezogen

pomp, hartpomp, adempomp en arteriële

wordt.

pomp.

Tijdens inademing wordt het thoraxvolume vergroot en wordt de druk in het mediastinum aanmerkelijk lager dan buiten de thorax. Door deze onderdruk worden atrium en holle aders openge-

6.4.2

Topografie van de bloedvaten

trokken. Bovendien wordt bij inademing de buik-

Je hoeft niet alle arteriën en venen in het menselijk

holte verkleind, waardoor het veneuze bloeddruk-

lichaam te kennen. De kleinste bloedvaten hebben

28

!


Aorta en truncus pulmonalis

grote venen en vv. cavae rechter atrium

Uit het hart ontspringen twee grote arteriën: de 16

120

14

100

bloeddruk (kPa)

kleine venen

capillairen

arteriolen

klein arteriën

bloeddruk (mm Hg)

linker vertikel aorta en grote arteriën

Hoofdstuk 6 Circulatiestelsel

truncus pulmonalis en de aorta (hoofdslagader). Je onderscheidt aan de aorta een aantal delen, elk met een eigen naam: ■

12

aorta ascendens, het omhoog lopende deel, dat aansluit op het linkerventrikel;

80 10

boog, loopt schuin naar dorsaal en ligt voor en

8

60

arcus aortae (aortaboog); dit deel vormt een

opzij van het onderste deel van de luchtpijp; 6

40

aorta descendens, het omlaag lopende deel, vervolgt zijn weg achterlangs het hart en distaal

4

achter de slokdarm tot in de buikholte; het deel

20 2

tot aan het diafragma wordt aorta thoracica (borstaorta) genoemd en het deel in de buik-

0

0

4

30

3

20

bloeddruk (kPa)

De truncus pulmonalis schroeft als het ware om de

linker atrium

kleine venen vv. pulmonales

capillairen

arteriolen

rechter vertikel longslagader kleine arteriën

bloeddruk (mm Hg)

holte heet aorta abdominalis (buikaorta).

aorta heen en vertakt zich direct onder de aortaboog in de twee korte arteriae pulmonales (longslagaders), naar elke long één.

2 10

1

0

0

Figuur 6.15

Spierpomp

Grote arteriën Aftakkingen van de aorta ascendens Aan de aorta ascendens ontspringen alleen de

door hun aantal en variatie vaak niet eens een

arteriae coronaria (kransslagaders) van de hartcir-

naam. Tot de leerstof behoren de grootste en be-

culatie.

langrijkste bloedvaten. Hun namen en de topografie worden hier besproken. Bij de bespreking van de

Aftakkingen van de arcus aortae

diverse orgaanstelsels zal de doorbloeding verder

De arcus aortae heeft een aantal aftakkingen, die

aan de orde komen.

hoofd en armen van bloed voorzien. Rechts is dat

De namen van de meeste arteriën zijn gebaseerd

de truncus brachiocephalicus, die al snel splitst in

op hun doelorgaan of hun ligging. De venen zijn

de a. subclavia dextra (rechterondersleutelbeensla-

meestal genoemd naar hun ‘bijbehorende’ arterie.

gader) en de a. carotis communis dextra (rechter gemeenschappelijke halsslagader). Aan de linkerkant ontspringen uit de arcus aortae de a. subclavia sinistra (linkerondersleutelbeenslagader) en de a.

29


Deel 2 Orgaanstelsels

carotis communis sinistra (linker gemeenschappe-

van bloed voorzien, en de arteria bronchiales, die

lijke halsslagader). De twee halsslagaders lopen

naar de luchtpijp en het longweefsel gaan.

langs de luchtpijp omhoog en vertakken zich elk in de arteriae carotis externa (uitwendige halsslagaders) en de arteriae carotis interna (inwendige

Let op!

halsslagaders). De beide arteriae carotis externa

De a. bronchialis is niet dezelfde als de a.

zorgen voor de bloedvoorziening van de schildklier,

pulmonalis (longslagader). De a. bronchialis

het aangezicht en de zijkant van het hoofd, door

voorziet het longweefsel van zuurstofrijk bloed

middel van aftakkingen die zich tussen de schedel

en behoort tot de grote bloedsomloop. De a.

en het harde hersenvlies bevinden. De beide arte-

pulmonalis maakt deel uit van de kleine

riae carotis interna gaan de schedel binnen, elk via

bloedsomloop en bevat zuurstofarm bloed.

een opening in de schedelbasis, en geven takken af voor de bloedvoorziening van de ogen en de hersenen. Nog twee andere arteriën voorzien de her-

Aftakkingen van de aorta abdominalis

senen van bloed. Dat zijn de twee arteriae

Direct onder het diafragma ontspringt de truncus

vertebrales (wervelslagaders), die beiderzijds ont-

coeliacus, die vrijwel direct splitst in de a. gastrica

springen aan de arteriae subclavia, langs de wer-

sinistra (maagslagader), de a. lienalis (miltslagader)

velkolom omhoog lopen en via het achterhoofdsgat

en de a. hepatica (leverslagader). Ook de pancreas

de schedel binnengaan.

(alvleesklier) en het duodenum (twaalfvingerige

Aan elke kant buigt de a. subclavia over de eerste

darm) worden door vertakkingen van deze drie

rib heen en komt in de okselholte te liggen. Vanaf

arteriën van bloed voorzien.

hier heet de slagader a. axillaris (okselarterie). Aan

Iets onder de truncus coeliacus takt de a.

de binnenkant van de bovenarm loopt de arterie

mesenterica superior van de aorta af. Deze ver-

verder naar distaal en wordt dan a. brachialis

zorgt de dunne darm en de eerste helft van de

(armslagader) genoemd. Deze splitst in de elleboog

dikke darm. Daaronder ontspringen beiderzijds de

in de a. radialis (spaakbeenslagader) en de a.

arteriae renales (nierslagaders). Deze slagaders

ulnaris (ellepijpslagader), die respectievelijk aan de

hebben een relatief wijd lumen, in verband met de

duimzijde en de pinkzijde in de onderarm naar

filterfunctie van de nieren: per minuut stroomt er

distaal lopen. Deze hebben hun verloop tot in de

ongeveer één liter bloed door de nieren.

handpalm, waar ze met elkaar in verbinding staan

Onder de nierslagaders splitst beiderzijds een kleine

door middel van enkele boogvormige arteriële

slagader van de aorta af naar de voortplantingsor-

verbindingen. Deze worden handpalmarcaden ge-

ganen. Bij de man is dat de a. testicularis, die via

noemd. Aftakkingen van de handpalmarcaden

het lieskanaal naar de bijbehorende testis (zaadbal)

vormen de vingerarteriën.

loopt. Bij de vrouw is het de a. ovarica, die naar de bijbehorende eierstok gaat.

Aftakkingen van de aorta thoracica

Ten slotte takt van de aorta de a. mesenterica

Aan de aorta thoracica ontspringen de arteriae

inferior af, die de tweede helft van de dikke darm

intercostales (tussenribslagaders), die de rompwand

van bloed voorziet.

30


Hoofdstuk 6 Circulatiestelsel

Distaal, ter hoogte van de derde lendenwervel, treedt een splitsing (bifurcatio) van de aorta op in twee takken: de a. iliaca communis dextra (rechter a

gemeenschappelijke bekkenslagader) en a. iliaca communis sinistra. Elke a. iliaca communis splitst zich vervolgens in een voorste tak en een achterste tak. De achterste tak, de a. iliaca interna, verzorgt

b

de bekkenorganen (vooral de blaas) en de spieren en huid van de bilstreek. De voorste tak, de a. iliaca externa, verlaat over de voorste bekkenrand de

c

bekkenholte en vervolgt zijn weg door het bovenbeen als a. femoralis (dijbeenslagader). Analoog aan de topografie van de bloedvaten in de arm d

splitst deze slagader zich in de knieholte in de a. tibialis (scheenbeenslagader) aan de mediale zijde en de a. fibularis (kuitbeenslagader) aan de laterale zijde. In de voet bevinden zich de arteriële arcaden met de aftakkingen naar de tenen.

e

f

Arteriolen, capillairnetwerken, venulen Aangekomen bij de organen die ze van bloed voorzien, vertakken de arteriën zich in arteriolen, die het orgaanweefsel verder binnengaan en ver-

g

volgens uitlopen in capillairnetwerken. Vanuit de capillairnetwerken wordt het onderhoud van het

a eindarterie b arteriële portale circulatie

inwendige milieu van het orgaanweefsel verzorgd.

c veneuze portale circulatie

De capillairnetwerken verenigen zich tot venulen,

d collaterale circulatie

de kleine bloedvaten die het orgaanweefsel verla-

e arteriële anastomose f eindarterie

ten.

g arterioveneuze anastomose

Venen De venulen convergeren tot venen en deze verlaten het orgaan meestal op dezelfde plaats (in het hilum) als waar de arteriën zijn binnengetreden. De Figuur 6.16

Arteriën van hals en hoofd

kleine venen zijn meestal talrijker dan de kleine arteriën. Bovendien liggen ze in de ledematen en de rompwand meer aan de oppervlakte.

31


Deel 2 Orgaanstelsels

Figuur 6.17

a Aftakkingen van de aorta

Figuur 6.17

De aorta

Figuur 6.17

b Detail, zonder lever en maag

De topografie en de nomenclatuur van de grote

Daarbij verzorgt één arteriole steeds één capillair-

venen zijn over het algemeen vergelijkbaar met die

netwerk. De bloedvoorziening van het betreffende

van de arteriën. In de lichaamscirculatie vervoeren

weefsel is daardoor kwetsbaar. Bij afsluiting van het

de venen het bloed van de organen af en dus naar

toevoerende vat dreigt direct afsterving van het

het hart toe. Een uitzondering daarop vormen de

achterliggende weefsel. Dit type vaatsysteem komt

venen uit het grootste gedeelte van de darmen en

zelfs voor in het hart en de hersenen. Dat is op-

een aantal andere buikorganen. Deze convergeren

merkelijk, aangezien je juist bij deze vitale organen

namelijk tot v. portae (poortader), die uitmondt in

een minder kwetsbare bloedvoorziening zou ver-

de lever. De functie en het belang hiervan worden

wachten. Op meerdere plaatsen in het lichaam

besproken bij het spijsverteringsstelsel. De v. cava

wijkt het vaatsysteem af van de normale situatie. Je

inferior (onderste holle ader) vervoert bloed uit de

kunt drie bijzondere vaatsystemen onderscheiden:

benen, het bekken en de buikorganen naar het

portale circulaties; collaterale circulaties en anasto-

hart. De v. cava superior (bovenste holle ader)

mosen.

bevat bloed uit de armen, het hoofd, de hals en de

Bij portale circulaties zijn twee capillairnetwerken in

borstorganen. In het rechteratrium mondt behalve

serie geschakeld. Bij de arteriële portale circulatie is

v. cava superior en v. cava inferior ook de sinus

het eerste capillairnetwerk arterieel, het tweede

coronarius uit. Uit elke long lopen de twee venae

‘gewoon’. Dit systeem vind je in de filtratie-een-

pulmonales naar het hart toe. In het linkeratrium

heden in de nieren. Bij de veneuze portale circulatie

monden dus vier venae pulmonales uit.

is het eerste capillairnetwerk arterieel en het tweede veneus. Deze situatie zie je in het poortadersysteem

6.4.3

Vaatsystemen

tussen de darmen en de lever en in het poortadersysteem tussen hypothalamus en hypofyse.

Het vaatsysteem zoals dat tot nu toe besproken is,

Bij collaterale circulaties is er sprake van een pa-

komt het meest voor. Het bestaat uit respectievelijk

rallel lopend bloedvat (een collateraal), vergelijk-

arteriën, arteriolen, capillairnetwerk, venulen en

baar met een ventweg naast een belangrijke auto-

venen. Dit is het systeem van de eindarteriën.

weg. Een collaterale circulatie maakt bloedtransport

32


Hoofdstuk 6 Circulatiestelsel

Figuur 6.18

a Topografie van de grote arteriën

Figuur 6.18

Topografie van de bloedvaten

Figuur 6.18

b Topografie van de grote venen

naar of van een bepaald weefsel extra zeker. Een

Anastomosen zijn dwarsverbindingen tussen be-

voorbeeld is de v. azygos, een collateraal van de v.

paalde vaten. De veneuze anastomose heeft

cava inferior. Deze vene ontspringt uit de v. iliaca,

dwarsverbindingen tussen twee gelijksoortige ve-

loopt langs de wervelkolom naar boven in de

nen, bijvoorbeeld het onderhuidse venennetwerk in

borstholte en mondt uit in de v. cava superior.

armen en benen. De arteriële anastomose heeft

33


Deel 2 Orgaanstelsels

Dus: Het hart pompt zuurstofrijk bloed in de aorta. Vanuit de aorta ontspringen de grote arteriën. Deze vertakken zich tot kleinere arteriolen die

1

verder vertakken in de capillairnetwerken in de 2

weefsels. De capillairen verlaten de weefsels en verenigen zich in venulen, die samenkomen in venen. Via de onderste en bovenste holle ader stroomt het bloed terug in het hart.

Figuur 6.19

Onderhuids venennetwerk in de rechterarm

a

Figuur 6.20

b

Studiehulp De grote arteriën

dwarsverbindingen tussen twee gelijksoortige arteriën, bijvoorbeeld de handpalmarcaden. Bij de arterioveneuze anastomose vormt de dwarsverbinding een ‘kortsluiting’ tussen een arterie en een vene. Het tussenliggende capillairnetwerk wordt als het ware overgeslagen. Dit laatste type anastomosen zie je vooral in de huid. Figuur 6.21

34

Vaatsystemen

!


Hoofdstuk 6 Circulatiestelsel

De wand van arteriën en venen bestaat tunica

3

De elasticiteit van de vaatwand bepaalt de

externa, tunica media en tunica interna.

veerkracht van het bloedvat. Wanneer de ar-

Mogelijke vaatsystemen zijn: eindarterie, por-

teriewand soepel is, zal deze bij oplopende druk

tale circulatie, collaterale circulatie en anasto-

gemakkelijk uitrekken. Het arteriële vaatvolume

mose.

neemt dus toe en als gevolg daarvan zal de arteriële druk minder stijgen dan wanneer het

6.5

Bloeddruk in het lichaam

vat minder elastisch zou zijn. 4

De perifere weerstand, de weerstand die de bloedstroom ondervindt, onder meer door de

De bloeddruk of tensie in het lichaam is de druk die

viscositeit (stroperigheid) van het bloed en de

het bloed uitoefent op de wand van een bloedvat.

wrijving tegen de vaatwanden. Het bloed on-

De hoogte van de bloeddruk hangt af van de plaats

dervindt bovendien meer of minder perifere

van het bloedvat in het bloedvatenstelsel. Zo is de

weerstand, doordat distribuerende arteriën en

bloeddruk in de aorta abdominalis veel hoger dan

arteriolen respectievelijk vernauwen (vasocon-

die in de v. cava inferior. Door de drukverschillen

strictie) of verwijden (vasodilatatie).

gaat het bloed in de bloedvaten stromen van de plaats met de hoogste druk naar de plaats met de laagste druk. Afhankelijk van de plaats in het bloedvatenstelsel spreek je over de arteriële druk

6.5.2

Bloeddruk in de lichaamscirculatie

(bloeddruk in de slagaders), de capillaire druk

De grote arteriën ondervinden ritmische bloed-

(bloeddruk in de capillairen) en de veneuze druk

drukwisselingen ten gevolge van de activiteit van

(bloeddruk in de aders).

het ventrikelmyocard. De hoogste druk wordt bereikt tijdens de systole, de laagste druk tijdens de

6.5.1

Bloeddrukbepalende factoren

De hoogte van de arteriële bloeddruk wordt be-

diastole. De systolische bloeddruk of bovendruk bedraagt gemiddeld 120 mmHg, de diastolische bloeddruk of onderdruk is gemiddeld 80 mmHg. Het verschil tussen de bovendruk en de onderdruk

paald door vier factoren.

noem je de polsdruk. Deze is in de grote slagaders

1

De vullingstoestand van het bloedvat, vergelijk

dus gemiddeld 40 mmHg. Hoe verder het bloed in

2

dit met het oppompen van een fietsband: de

het bloedvatenstelsel komt, hoe gelijkmatiger het

druk neemt toe naarmate er meer lucht inge-

bloed gaat stromen. Dat komt doordat de polsgolf

pompt wordt.

in kracht afneemt. Wanneer het bloed bij de arte-

Het slagvolume: de hoeveelheid bloed die per

riolen aankomt, is de arteriële druk dan ook gezakt

hartslag weggepompt wordt. Naarmate er per

tot gemiddeld 35 mmHg. Met die druk stroomt het

hartslag meer bloed in de arteriën gestuwd

bloed de haarvaten in. Aan de arteriële kant van

wordt, neemt de bloeddruk toe. Bij inspanning

het haarvatennetwerk is de capillaire druk dus 35

neemt het slagvolume toe en stijgt de arteriële

mmHg. Aan de andere kant van het haarvaten-

druk.

netwerk, de veneuze kant, is de bloeddruk nog maar 15 mmHg. In venulen en aders neemt de

35


Deel 2 Orgaanstelsels

veneuze druk nog wat af, tot een gemiddeld minimum van 5 mmHg. Ter hoogte van de holle aders

6.5.3

is de bloeddruk vrijwel tot 0 mmHg gezakt. Voor

Bloeddruk in de longcirculatie

het bloed dat zich boven hartniveau bevindt is deze

In de longcirculatie zijn de systolische en diastoli-

lage druk , geholpen door de zwaartekracht, nog

sche bloeddruk heel wat lager dan in de lichaams-

voldoende om naar het hart terug te keren. De

circulatie, respectievelijk 25 en 10 mmHg. Dit komt

druk is echter te laag om het bloed vanuit de li-

doordat het rechterventrikel veel minder krachtig

chaamsdelen beneden hartniveau, tegen de

pompt dan het linkerventrikel en doordat de peri-

zwaartekracht in, naar het hart te voeren. De ve-

fere weerstand in de longcirculatie vrijwel te ver-

neuze terugstroom wordt daar ondersteund door

waarlozen is. De arteriolen en capillairnetwerken in

de aanwezigheid van kleppen, gecombineerd met

de longen staan namelijk voortdurend open. De

de eerder beschreven spierpomp, hartpomp,

capillaire druk daalt dan ook tot ongeveer 7 mmHg.

adempomp en arteriĂŤle pomp.

In de venae pulmonales daalt de druk verder tot bijna 0 mmHg.

1 2

3

5

6

b

c

4

a 1 capillairwand

4 erytrocyt

2 trombocyt

5 propvorming door trombocyten

3 beschadiging

6 fibrinedraden

Figuur 6.22

a Bloeddrukverloop in de lichaamscirculatie

Figuur 6.22

Bloeddruk in het circulatiestelsel

36

Figuur 6.22

b Bloeddrukverloop in de longcirculatie


Hoofdstuk 6 Circulatiestelsel

6.5.4

Stroomsnelheid van het bloed

Venen voeren dezelfde hoeveelheid bloed naar het hart toe als de arteriën afvoeren, maar de stroomsnelheid in de venen is veel lager. Dit komt door de grotere gezamenlijke dwarsdoorsnede van de venen, vergeleken met de gelijksoortige arteriën. Hoe

mmHg, de capillaire druk is 35 mmHg, en de

veneuze druk is 5 tot 0 mmHg.

Factoren die de bloeddruk (en dus de

stroomsnelheid van het bloed) bepalen zijn:

vullingstoestand van het bloedvat, slagvolume,

elasticiteit van de vaatwand en perifere weer-

stand.

bloedvatenstelsel. De arteriële druk is 120/80

kleiner de gezamenlijke opening is, des te groter is de stroomsnelheid. Denk weer aan de stroomsnelheid van een bergbeek, vergeleken met die in een

6.5.5

Regulatie van de bloeddruk

brede rivier.

De regulatie van de bloeddruk is vooral gericht op

Aan de stroomsnelheidscurve in figuur 6.23 kun je

het in stand houden en eventueel aanpassen van

zien dat het bloed in de capillairen heel langzaam

de arteriële bloeddruk. Een bloeddrukverhoging in

stroomt. Dit bevordert de mogelijkheden van uit-

het arteriële systeem is bijvoorbeeld nodig om extra

wisseling van stoffen met het inwendige milieu. Dat

bloed naar actieve weefsels te laten stromen. De

is immers een van de belangrijkste functies van het

arteriële druk wordt enerzijds bepaald door de

circulatiestelsel. Je kunt het bloed in de capillairen

werking van het hart en anderzijds door de eigen-

vergelijken met een vrachtauto die heel langzaam

schappen van de arteriën. Dit betekent dat de re-

langs een fabriek rijdt. Al rijdend worden uit de

gulatie van de bloeddruk zowel via een veranderde

vrachtauto grondstoffen gelost en afvalstoffen en

hartfunctie als via een verandering van de vaatei-

producten ingeladen. Een grotere snelheid van de

genschappen kan plaatsvinden. De regulatie ge-

vrachtauto zou de laadmogelijkheden verminderen.

beurt via het hormoonstelsel en via het zenuw-

Hoewel de diameter van elk afzonderlijk capillair

stelsel.

heel klein is, is de gezamenlijke dwarsdoorsnede erg groot. Dat komt door het enorme aantal (tientallen miljarden) capillairen in het hele lichaam.

!

Hormonale regulatie

De gezamenlijke capillairnetwerken hebben een

Hormonale regulatie van de bloeddruk gebeurt

veel grotere diameter dan de gezamenlijke arteriën

door een aantal hormonen.

en venen. Toch blijkt uit de bloedvolumeverdeling

Het antidiuretisch hormoon (ADH) of vasopressine

dat het meeste bloed zich in de venulen en de

wordt in de hypothalamus geproduceerd en via de

venen bevindt. Deze vaten dienen dan ook als

hypofyse aan het bloed afgegeven. Het bevordert

bloedreservoir.

in de nieren de reabsorptie van water, waardoor er

minder water in de urine terechtkomt. Hierdoor

Dus:

neemt het bloedvolume toe en stijgt de bloeddruk.

De bloeddruk in een bloedvat is de druk die

Aldosteron is een bijnierschorshormoon. Het regu-

het bloed op de wand van dat bloedvat uit-

leert de natrium-kaliumbalans, doordat het in de

oefent. De hoogte van de bloeddruk hangt af

nieren de terugresorptie van Na+-ionen naar het

van de plaats waar gemeten wordt in het

bloed en tegelijkertijd de uitscheiding van K+-ionen

37


Deel 2 Orgaanstelsels

bloedafname

volle reageerbuis centrifugeren

100 ml

plasma 55% bestanddelen

functies

water

oplosmiddel warmtebuffer

elektrolyten (kalium, natrium, calcium,

handhaving kristalloïd-osmotische waarde

magnesium, chloor, bicarbonaat)

pH-buffer spier- en zenuwwerking

plasma-eiwitten

plasma

passageaire stoffen

albumine

handhaving colloïd-osmotische waarde

fibrinogeen

bloedstolling

globulinen

afweer

glucose, vetzuren, voeding aminozuren afbraakproducten stofwisseling; homeostase vitamines

stofwisseling

zuurstof

gaswisseling

koolstofdioxide

50 ml

hormonen

regeling

cellen 45% celtype

aantal (per mm3 bloed)

functies

erytrocyten (rode bloedcellen)

5 – 6 miljoen

zuurstoftransport

leukocyten (witte bloedcellen)

5.000 – 10.000

afweer en immuniteit

250.000 – 400.000

bloedstolling

bloedcellen lymfocyt

10 ml

Figuur 6.23

38

monocyt

granulocyt

trombocyten (bloedplaatjes)

Stroomsnelheid van het bloed in verband met vaattype, bloedvolume en vaatdoorsnede


Hoofdstuk 6 Circulatiestelsel

naar de urine stimuleert. Natrium bindt meer water

bewerkstelligen. Ook dit gebeurt via het vegeta-

aan zich dan kalium, met als gevolg dat er meer

tieve zenuwstelsel (vegetatieve motoriek).

water in het bloed wordt vastgehouden. Het

Om de bloeddruk te kunnen reguleren ontvangen

bloedvolume stijgt en daarmee de bloeddruk.

deze centra continu informatie over de bloeddruk,

Renine is een hormoon dat in het nierweefsel ge-

de zuurgraad (pH) en de zuurstofspanning van het

produceerd wordt. Dit hormoon bevordert in het

bloed. Voor deze vegetatieve sensoriek zorgen

bloed de vorming van angiotensine. Deze stof

barosensoren (bloeddrukreceptoren),

veroorzaakt vasoconstrictie in de arteriolen en sti-

chemosensoren en sensoren die de zuurstofspan-

muleert tevens de bijnierschors tot de productie van

ning waarnemen. Ze liggen in de wand van de

aldosteron. Beide effecten leiden tot bloeddrukver-

aortaboog en van de halsslagaders.

hoging. Adrenaline en noradrenaline zijn bijniermerghor-

Dus:

monen. Adrenaline stimuleert zowel de hartactivi-

Het hartregulatiecentrum en het vasomoto-

teit als vasoconstrictie in de meeste arteriolen, be-

risch centrum in het verlengde merg be誰n-

halve in die van de skeletspieren en het hartspier-

vloeden de hartactiviteit. Barosensoren

weefsel, waar het juist vasodilatatie bewerkstelligt.

(bloeddruk), chemosensoren (pH) en sensoren

Toch is het netto-effect bloeddrukverhogend. No-

voor de zuurstofspanning informeren deze

radrenaline lijkt op adrenaline maar geeft ook in het

centra. Via vegetatieve zenuwen wordt het

spierweefsel vasoconstrictie, waardoor een nog

hart geremd (n. vagus) of gestimuleerd (nervi

sterkere bloeddrukstijging plaatsvindt.

accelerantes).

Histamine wordt geproduceerd door beschadigde

Belangrijkste hormonen die invloed hebben op

weefselcellen. Histamine zorgt juist voor vasodila-

de bloeddruk zijn: antidiuretisch hormoon, al-

tatie van de arteriolen in het beschadigde gebied,

dosteron, renine, adrenaline, noradrenaline en

waardoor de bloeddruk daalt.

histamine. Het vasomotorisch centrum reguleert de peri-

Neurale regulatie

fere weerstand van bloedvaten door vasoconstrictie/vasodilatatie te bewerkstelligen.

Neurale regulatie vindt plaats vanuit twee zenuwcentra van het centrale zenuwstelsel, het hartregulatiecentrum en het vasomotorisch

6.6

Bloed

centrum. De centra zijn functioneel nauw verbon-

Bloed is een vloeibaar weefsel. We rekenen bloed

den en liggen in de medulla oblongata (verlengde

tot de steunweefsels omdat het bestaat uit bloed-

merg). Vanuit het hartregulatiecentrum worden

cellen in een waterige vloeibare matrix, het bloed-

impulsen via zenuwbanen van het vegetatieve ze-

plasma.

nuwstelsel naar de hartspier gestuurd.

De hoeveelheid bloed van de standaardmens van

Het vasomotorisch centrum kan de perifere weer-

70 kg bedraagt ongeveer 7,5% van zijn lichaams-

stand verhogen of verlagen, door respectievelijk

gewicht. Dit komt neer op ruim 5 liter. Bloed is een

vasoconstrictie of vasodilatatie van de arteriolen te

roodgekleurde, enigszins stroperige vloeistof. In onstolbaar gemaakt bloed dat een tijdje in een re-

39

!


Deel 2 Orgaanstelsels

1

bloeddruk (35 mm Hg)

netto druk naar buiten (10 mm Hg)

osmotische druk (25 mm Hg)

2

3

3

2

bloeddruk (15 mm Hg)

netto druk naar binnen

osmotische

(10 mm Hg)

druk (25 mm Hg)

4

1 arteriĂŤle kant van het capillair 2 weefselcellen 3 weefselvocht 4 veneuze kant van het capillair

Figuur 6.24

Bloedsamenstelling

ageerbuis staat of gecentrifugeerd wordt, zakken

40

de zwaardere bloedcellen en bloedfragmenten naar


Hoofdstuk 6 Circulatiestelsel

beneden. Erboven bevindt zich het bloedplasma,

Door de platte, concave vorm van de erytrocyt is de

een heldere, lichtgele vloeistof. Ongeveer 45% van

diffusieafstand (hemoglobine ↔ zuurstof) overal

het bloed bestaat uit de bloedcellen en celfrag-

klein. Bovendien zijn de schijfvormige erytrocyten

menten, de rest is bloedplasma.

vervormbaar, waardoor ze tot in de nauwste capillairen kunnen komen om zuurstof en koolstofdi-

6.6.1

Bloedcellen

oxide met het inwendige milieu uit te wisselen. De gasuitwisseling in longen en weefsels komt aan de

In het bloedplasma zweven twee soorten bloed-

orde bij de behandeling van het ademhalingsstelsel.

cellen rond: de erytrocyten (rode bloedcellen) die

Erytrocyten hebben gedurende hun ontwikkeling

zuurstof vervoeren en de leukocyten (witte bloed-

hun celkern verloren en leven dan ook niet langer

cellen) die de afweer regelen. Tot de bloedcellen

dan gemiddeld 120 dagen. Dat betekent dat er

worden ook de trombocyten (bloedplaatjes) gere-

voortdurend grote aantallen erytrocyten geprodu-

kend, hoewel hier geen sprake is van cellen.

ceerd moeten worden, namelijk enkele miljoenen

Trombocyten zijn uiterst kleine celfragmenten die

per seconde. Dat gebeurt in het rode beenmerg. De

een functie hebben bij de bloedstolling.

dode erytrocyten worden in de lever en de milt afgebroken. Daarbij ontstaat het giftige bilirubine,

Erytrocyten

het afbraakproduct van hemoglobine. Bilirubine ondergaat nog enkele bewerkingen voordat het via

Een man heeft gemiddeld 5,5 miljoen erytrocyten

de ontlasting of de urine uitgescheiden wordt. De

per µl bloed (microliter = 1 miljoenste liter); bij een

afbraak van erytrocyten levert ook veel ijzeratomen

vrouw zijn het er minder: gemiddeld 3,5 miljoen per

op. Deze worden zoveel mogelijk hergebruikt voor

µl. Zo’n 95% van de totale hoeveelheid bloedcellen

de inbouw in nieuwe erytrocyten.

bestaat uit erytrocyten. In dit verband wordt ook wel de term hematocriet gebruikt. Dat is het relatieve erytrocytenvolume in het bloed. Bij mannen is

Leukocyten

de hematocriet 40-50%, bij vrouwen 35-45%. Een

De leukocyten zijn aanzienlijk minder talrijk dan de

erytrocyt ziet eruit als een plat rond schijfje en is

erytrocyten: 5.000 tot 10.000 per µl bloed. Er zijn

concaaf, dat wil zeggen dat de cel in het centrum

meerdere typen leukocyten, maar alle hebben ze te

van onder en van boven ingedeukt is. Erytrocyten

maken met de immuniteit van het lichaam. Ze zijn

hebben geen kern en geen mitochondriën, waar-

relatief groot en hebben een kern en organellen.

door ze nauwelijks stofwisselingsactiviteit vertonen.

De levensduur van leukocyten loopt uiteen van

De cellen zitten bijna helemaal vol met het eiwit

enkele dagen tot enkele weken. De leukocyten

hemoglobine (Hb). Dit eiwit, roodgekleurd door het

kunnen in drie grote groepen verdeeld worden:

ingebouwde ijzeratoom, heeft een groot zuurstof-

granulocyten, monocyten en lymfocyten. We be-

bindend vermogen in een zuurstofrijke omgeving

schrijven ze in het kort; meer informatie vind je

(longen) en laat in een zuurstofarme omgeving

verderop in dit hoofdstuk in de paragraaf over im-

(actieve weefsels) de gebonden zuurstof gemakke-

muniteit.

lijk los.

Granulocyten hebben een grote kern en opvallend veel korrels (granula) in hun cytoplasma. Granulo-

41


Deel 2 Orgaanstelsels

cyten zijn vooral specialisten in het opruimen van ziekteverwekkers en aangetaste of dode lichaams-

6.6.2

Hemopoëse

cellen. Ze wringen zich door de spleten van de

De hemopoëse (bloedcelvorming) gebeurt groten-

capillairwand en treden uit de bloedbaan. Dit wordt

deels in het rode beenmerg. Alle bloedcellen heb-

leukodiapedese genoemd. De leukocyten bewegen

ben een gemeenschappelijke afkomst, namelijk de

zich in de richting van de binnendringers en doden

hemopoëtische stamcellen (bloedstamcellen) die

ze door ze te fagocyteren. Er zijn drie typen gra-

continu door mitose in het rode beenmerg ont-

nulocyten, gebaseerd op kleuringseigenschappen

staan. Elke stamcel kan via een aantal celdelingen

van de korrels in het laboratorium: neutrofiele

uitrijpen (differentiëren) tot de voorloper van een

granulocyten, eosinofiele granulocyten en basofiele

bepaald soort bloedcel. De uitrijping verloopt in

granulocyten.

verschillende ontwikkelingsstadia. Deze zijn aan de

Monocyten zijn de grootste leukocyten, met een

celvorm in het beenmerg te herkennen. De onrijpe

vrij grote C-vormige kern. Net als de granulocyten

vormen noem je -blasten (bijvoorbeeld myeloblas-

worden ze aangemaakt in het rode beenmerg. Bij

ten), de rijpere worden aangeduid met -cyten (bij-

een infectie kunnen monocyten door middel van

voorbeeld erytrocyten). Lymfocyten kunnen be-

leukodiapedese de bloedbaan verlaten. Ze dringen

halve in het beenmerg ook in lymfatisch weefsel

binnen in geïnfecteerde weefsels waar ze verande-

uitrijpen en worden respectievelijk B- en T-lymfo-

ren in macrofagen (letterlijk ‘grote eters’), die

cyten genoemd.

ziekteverwekkende bacteriën en aangetaste li-

De productie van trombocyten is anders. De voor-

chaamscellen kunnen opruimen.

loper van de trombocyten, de megakaryocyt is een

Lymfocyten zijn relatief kleine cellen, met een grote

grote beenmergcel die zich niet verder deelt, maar

celkern. Hun aantal kan sterk toenemen, wanneer

uiteenvalt in duizenden stukjes, de trombocyten.

het lichaam bezig is een infectie te bestrijden. Lymfocyten zorgen voor de specifieke immuniteit van het lichaam.

Trombocyten

Dus:

Bloed bestaat uit bloedcellen (45%) en

bloedplasma (55%).

Tot de bloedcellen behoren erytrocyten (95%

van alle bloedcellen), leukocyten (granulocy-

Trombocyten zijn zeer kleine celfragmenten. Hun aantal bedraagt gemiddeld 250.000 – 400.000 per 3

mm bloed. Ze bestaan uit een beetje celplasma, omgeven door een grillig verlopende celmembraan. De trombocyten bevatten de zogeheten plaatjesfactor, een stof die een belangrijke rol speelt bij de bloedstolling. Bij beschadiging van het kwetsbare celmembraan komt deze stof vrij. Het bloedstollingsproces wordt verderop in dit hoofdstuk uitgebreid besproken. Figuur 6.25

42

Schema van de hemopoëse

!


Hoofdstuk 6 Circulatiestelsel

ten, monocyten, lymfocyten) en trombocyten (celfragmenten).

Lokale vasoconstrictie

Hematocriet is het percentage erytrocyten in

De gladde spiervezels in de wand van de arteriolen

het bloed.

(kleine slagaders) worden tot contractie aangezet,

Erytrocyten vervoeren zuurstof met behulp

vrijwel meteen na de beschadiging van de bloed-

van hemoglobine, een ijzerhoudend eiwit.

vatwand. Deze lokale vasoconstrictie beperkt het

Erytrocyten worden continu afgebroken (in

bloedverlies ter plaatse en kan tot dertig minuten

lever en milt). Bilirubine (afbraakproduct van

duren.

hemoglobine) wordt uitgescheiden en de ijzeratomen worden hergebruikt bij de aanmaak van nieuwe erytrocyten.

Propvorming

Leukocyten zorgen voor de immuniteit. De

Binnen enkele seconden na de beschadiging be-

drie groepen leukocyten zijn granulocyten,

ginnen trombocyten zich aan de wondranden en

monocyten en lymfocyten.

aan elkaar te hechten. Dit gebeurt onder invloed

Trombocyten zijn onmisbaar bij de bloedstol-

van de vonwillebrandfactor, een stollingsfactor in

ling.

het bloedplasma. Er is nu een vrij losse prop ont-

Hemopoëse vindt plaats in het rode beenmerg

staan, waardoor het gat in de bloedvatwand al min

(erytrocyten, trombocyten, leukocyten) en in

of meer gedicht is. De propvorming wordt primaire

lymfoïde organen.

hemostase genoemd.

6.6.3

Hemostase

Coagulatie

Wanneer er een bloeding ontstaat, treedt er een

De secundaire hemostase is het proces van de

reeks mechanismen in werking om bloedverlies te

coagulatie (vorming van een bloedstolsel). Hierbij

beperken. Dat wordt hemostase (bloedstolling)

wordt het bloed ter plaatse minder vloeibaar en

genoemd. Je moet hierbij niet alleen denken aan

gaat het uiteindelijk stollen. De coagulatie begint

grotere bloedingen, zoals van een meswond of bij

zo’n halve minuut na de bloedvatbeschadiging met

een botbreuk. Kleine inwendige bloedingen komen

het vrijkomen van twee stoffen. De eerste, de zo-

immers heel vaak voor, maar daar merk je meestal

geheten weefselfactor, is afkomstig uit beschadigde

niets van. Wanneer je ergens tegenaan stoot, gaan

weefselcellen. De tweede stof komt vrij uit kapotte

er in dieper gelegen weefsels al snel enkele kleine

trombocyten en wordt de plaatjesfactor genoemd.

bloedvaten kapot. Ook bij het kauwen van voedsel,

Het vrijkomen van deze stoffen brengt een com-

bij het tanden poetsen of bij de ontlasting ontstaan

plexe reeks enzymatische reacties op gang waarbij

vaak minieme bloedingen.

elke reactie telkens gekatalyseerd wordt door de

De hemostase bestaat uit drie opeenvolgende en

voorgaande. Je noemt deze keten van opeenvol-

elkaar gedeeltelijk overlappende processen: lokale

gende reacties de stollingscascade. Uiteindelijk

vasoconstrictie, propvorming en coagulatie. Er zijn

leidt de kettingreactie tot de vorming van fibrine,

meer dan tien stollingsfactoren bij betrokken,

een taai draderig eiwit, dat zich aan de wondran-

waarvan de meeste in het bloedplasma zitten.

den hecht. Hierdoor ontstaat een bloedstolsel dat

43


Deel 2 Orgaanstelsels

9

13

14

1

10

3 11

2 15

12

16

4

7

5 8

1

rechter lymfestam

2

lymfeknoop

3

thymus

4

ductus thoracicus

5

cisterna chyli

6

regionale lymfeknopen in de lies

7

lymfevat

8

milt

9

kapsel

6

10 aanvoerend lymfevat 11 randsinus 12 trabekel met bloedvaten 13 merg 14 hilus met arterie, vene en afvoerend lymfevat 15 mergsinus 16 lymfefollikel

Figuur 6.26

Hemostase. a capillair en trombocyten zijn beschadigd, b eerste propvorming door trombocyten, c ďŹ brinedraden vangen bloedcellen en veroorzaken bloedstolling

het gat in de bloedvatwand, mits niet al te groot,

Bij de hemostase zijn dertien stollingsfactoren be-

dichtmaakt.

trokken. De meeste hiervan bevinden zich als inactieve pro-enzymen in het bloed. Het zijn plasma-

44


Hoofdstuk 6 Circulatiestelsel

eiwitten die door de lever worden aangemaakt. Bij

wordt een begin gemaakt van de fibrinolyse, de

de aanmaak van vier stollingsfactoren is vitamine K

afbraak van de fibrinestolsels.

nodig. De stollingsfactoren worden met Romeinse cijfers aangeduid. Zo is de vonwillebrandfactor de stollingsfactor VIII. Ook het elektrolyt Ca

2+

is een

Weefselherstel

stollingsfactor (nummer IV) en onmisbaar voor het

Na de hemostase kan het lichaam aan weefselher-

goed verlopen van de stollingscascade.

stel beginnen. Onder invloed van het weefselhor-

Het gecompliceerde stollingsproces is hieronder

moon histamine, dat door de beschadigde weef-

vereenvoudigd weergegeven.

selcellen ter plaatse is gevormd, vindt nu vasodila-

Door kapotte weefselcellen en trombocyten

tatie plaats. Dit kan alleen als de wond goed dicht

komen de weefselfactor en de plaatjesfactor

zit. De vaatverwijding veroorzaakt meer bloedtoe-

vrij.

voer naar het te repareren gebied. Rondom een

Beide stoffen activeren proconvertine (stol-

herstellende wond is de huid dan ook altijd roder

lingsfactor VII), dat op zijn beurt het inactieve

gekleurd dan de omgeving. Door de extra toevoer

protrombine (stollingsfactor II) omzet in trom-

van zuurstof en voedingsstoffen worden celdeling

bine. Hiervoor is een aantal andere stollings-

en celstofwisseling gestimuleerd.

factoren en Ca2+ (stollingsfactor IV) nodig. ■

Op zijn beurt stimuleert trombine de omzetting van fibrinogeen (stollingsfactor I) in het onoplosbare en taaie eiwit fibrine.

Fibrinedraden vormen een dicht netwerk in de wondopening. In dit fibrinenetwerk worden bloedcellen gevangen en er ontstaat een stolsel.

Bij een huidwond krimpen de fibrinedraden door uitdroging aan de lucht. Hierdoor worden de wondranden naar elkaar toegetrokken. Het stolsel wordt daarbij als het ware uitgeknepen, waarbij wondvocht ontstaat. Wondvocht is bloedplasma zonder fibrinogeen (bloedserum). Het stolsel wordt dikker en droger en verandert in een korst.

Bijna tegelijk met de hemostase worden er stoffen in het bloed geactiveerd die ervoor zorgen dat het

Dus:

Hemostase is het complexe proces van de

bloedstolling. De drie opeenvolgende fasen

zijn: vasoconstrictie, primaire hemostase

(propvorming) en secundaire hemostase (coa-

gulatie).

Coagulatie komt tot stand door de stollings

cascade, een kettingreactie waarbij meer dan

tien stollingsfactoren (veelal plasma-eiwitten)

zijn betrokken. Bij de laatste reactie ontstaat

het taaie eiwit fibrine, dat rond en in de wond

een dicht netwerk en het stolsel vormt.

Het lichaam gaat overmatige bloedstolling te-

gen door al snel antistollingsstoffen te active-

ren. Zij breken de fibrine weer af.

6.6.4

Bloedplasma

stollingsproces niet doorschiet. Als er teveel bloed

Bloedplasma bestaat voor 90% uit water. De rest

stolt dreigt het gevaar dat bloedvaten door stolsels

bestaat uit elektrolyten, plasma-eiwitten, bloed-

afgesloten worden. Door dit antistollingsproces

gassen en tijdelijk aanwezige stoffen.

45

!


Deel 2 Orgaanstelsels

verandert, heeft dat invloed op het watergehalte

Water

van het bloed en daardoor op de bloeddruk. Enkele

Water komt vanuit het darmkanaal in het bloed

elektrolyten, zoals kalium, natrium en chloor, spelen

terecht. Afvoer van water uit de bloedbaan gebeurt

een belangrijke rol bij de spier- en de zenuwwer-

door uitscheiding via de nieren en de huid, en in

king. Calciumionen hebben een functie bij de

mindere mate via de ademhaling en de ontlasting.

bloedstolling en ook bij de spierwerking.

Het water functioneert als warmtebuffer: het kan

De pH (zuurgraad) van bloed is 7,4. Deze waarde

gemakkelijk overtollige warmte opnemen en (el-

schommelt tussen zeer nauwe grenzen. Het

ders) ook weer afgeven. Bovendien is water een

waterstofcarbonaation is de belangrijkste buffe-

uitstekend oplosmiddel voor veel stoffen die via de

rende elektrolyt (zie Extra info ‘Zuurgraad’).

bloedsomloop worden vervoerd, zoals voedings-

Extra info

stoffen en elektrolyten.

Zuurgraad

Elektrolyten

Alle vloeistoffen zijn in meerdere of mindere

In bloedplasma is een aantal elektrolyten opgelost.

mate zuur. De zuurgraad van een vloeistof

Elektrolyten zijn zouten die in water uiteenvallen in

hangt af van de hoeveelheid aanwezige wa-

negatieve en positieve deeltjes (ionen).

terstofionen (H+) in oplossing. Een vloeistof

De belangrijkste elektrolyten zijn:

met heel veel waterstofionen is zuur. Zitten er

+

natrium (Na );

weinig in, dan noem je de vloeistof basisch. De

kalium (K+);

zuurgraad wordt aangegeven met het sym-

2+

calcium (Ca );

bool pH. Een vloeistof die niet zuur en ook

magnesium (Mg2+);

niet basisch is, noem je neutraal. De pH van

-

chloor (Cl )

neutrale vloeistof is 7. Zuiver water is pH-

waterstofcarbonaat (HCO3

neutraal.

-

).

Een vloeistof is zuur als deze een pH heeft die lager is dan 7. Hoe lager de pH, hoe zuurder

De totale ionenconcentratie is belangrijk voor de

de vloeistof. Een pH van 0 is extreem zuur.

handhaving van de kristalloïd osmotische waarde

Boven een pH van 7 wordt de vloeistof

(KOW) van het bloed. Een zoution in oplossing

basisch. Een extreem basische vloeistof heeft

worden omgeven door watermoleculen, en het

een pH van 14.

hangt van de ionsoort af hoeveel water het om zich

Een pH-buffer is een stof die de zuurgraad tot

heen heeft. Een natriumion bijvoorbeeld heeft een

op zekere hoogte kan regelen. Wordt de

veel dikkere watermantel dan een kaliumion. Hoe

vloeistof te zuur, dan maakt deze stof de

meer zouten er in oplossing zijn, hoe hoger de

vloeistof minder zuur. Andersom gebeurt ook:

KOW is en hoe meer water door de oplossing

dreigt de vloeistof te basisch te worden, dan

+

wordt aangetrokken. Na vormt het overgrote deel

zorgt de pH-buffer ervoor dat de vloeistof

van de positieve ionen. Wanneer de verhouding

zuurder wordt. Waterstofcarbonaat is de be-

tussen natrium- en kaliumionen (de Na/K-balans)

46


Hoofdstuk 6 Circulatiestelsel

Tabel opnemen in kader

Plasma-eiwitten

(vloei)stof

zuurgraad (pH)

accuzuur

1,0

maagsap

1,5

voornamelijk door de lever aangemaakt. Plasma-

citroensap

2,3

eiwitten hebben, net als de opgeloste elektrolyten,

azijn

3,3

tomatensap

4,0

‘zure’ regen

4,3

waarde van het bloed. De plasma-eiwitten onder-

slijmvlies in de vagina

4,5

steunen de bufferwerking van de elektrolyten en

huidoppervlak

5

‘gewone’ regen

6,0

zuiver water

7

voorraad brandstof voor het lichaam. Bijvoorbeeld

Bloed

7,4

bij chronische ondervoeding worden de plasma-ei-

bakpoeder

8,2

witten omgezet in glucose. Drie belangrijke soorten

Zeep

8,5

bleekwater

9,7

Bijna de helft van alle plasma-eiwitten bestaat uit

ammonia

11,5

albumine. De colloïd-osmotische waarde en de

In het bloedplasma is een groot aantal eiwitten aanwezig. Je noemt ze plasma-eiwitten. Ze worden

een watermantel om zich heen, waardoor ze een colloïd-osmotische waarde (COW) veroorzaken. De KOW en COW samen bepalen de osmotische

dragen bovendien in grote mate bij aan de viscositeit (stroperigheid) van het bloed. Bij ernstig voedselgebrek zijn plasma-eiwitten een reserve-

plasma-eiwitten zijn: albumine, globulinen en de stollingsfactoren.

bufferende werking worden dan ook vooral door dit plasma-eiwit bewerkstelligd. Globulinen zijn een verzameling plasma-eiwitten langrijkste buffer van het bloed, waarin veel

met uiteenlopende functies. Er zijn meerdere typen:

koolstofdioxide als koolzuur opgelost is.

alfaglobulinen (α-globulinen), bè ètaglobulinen (β-

water + koolstofdioxide ↔ koolzuur ↔ water-

globulinen) en gammaglobulinen (γ-globulinen).

stofcarbonaat + waterstofion

De alfa- en bètaglobulinen hebben een transport-

In formule: H2O + CO2 ↔ H2CO3 ↔HCO3

functie. Ze kunnen onder andere suikers, vetten,

-

+

+H

ijzer, vitaminen en hormonen binden. De gamma-

Het buffersysteem is gebaseerd op een com-

globulinen, ook wel immunoglobulinen (antistof-

binatie van een zwak zuur (koolzuur) en de

fen) genoemd, spelen een belangrijke rol bij de

stoffen die ontstaan als het zuur uiteenvalt:

immuniteit van het lichaam.

een waterstofion en een negatief geladen ion

Stollingsfactoren spelen een rol bij de eerder be-

(waterstofcarbonaat). Naar omstandigheden

schreven hemostase. Een van de stollingseiwitten is

worden de waterstofionen weggevangen

fibrinogeen, het voorstadium van fibrine, dat uit-

(minder zuur) of ontstaan ze juist (zuurder).

eindelijk zorgt voor het ontstaan van het stolsel. Bloedplasma waaruit fibrinogeen is verwijderd heet

47


Deel 2 Orgaanstelsels

bloedserum. Bloedserum wordt gebruikt voor

Belangrijke groepen plasma-eiwitten zijn: al-

bloedtransfusies.

bumine, globulinen en stollingsfactoren.

Bloedgassen

6.7

In het bloedplasma komen de bloedgassen voor: zuurstof, koolstofdioxide en stikstof in opgeloste

Uitwisseling van stoffen tussen bloed en weefselvocht

vorm. Zuurstof lost niet goed op in bloedplasma en

De belangrijkste functie van het circulatiestelsel is

de hoeveelheid is dan ook erg klein. Het overgrote

de uitwisseling van stoffen tussen het bloed en het

deel van de zuurstof wordt door de erytrocyten

weefselvocht, waardoor het inwendige milieu van

vervoerd. Koolstofdioxide wordt ─ als waterstof-

de weefsels continu ververst wordt. De uitwisseling

carbonaat ─ juist voornamelijk via het bloedplasma

gebeurt via de dunne wanden van de capillairen.

vervoerd. Lucht bestaat voor ongeveer 80% uit stikstof (N2). Stikstof doet weliswaar niet mee in de stofwisselingsreacties in je lichaam, maar diffundeert wel naar het bloedplasma.

6.7.1

Bloeddruk en osmotische druk

Verreweg de meeste stoffen worden met het bloed

Tijdelijk aanwezige stoffen

!

uitgewisseld via de poriën die zich tussen de endotheelcellen bevinden. Dit transportproces komt

In het bloedplasma zitten allerlei stoffen die tijdelijk

tot stand door drukverschillen. Twee soorten druk

en in meer of mindere mate aanwezig zijn. Dit zijn

zijn hier aan de orde: de bloeddruk en de

onder meer de voedingsstoffen (glucose, vetzuren

osmotische zuigkracht. Als gevolg van de bloed-

en aminozuren), afkomstig uit het spijsverterings-

druk wordt bloed als het ware door de wand van

kanaal. Ook afbraakproducten van de stofwisseling,

het capillair geduwd. De osmotische waarde van

op weg naar bijvoorbeeld de nieren voor verwij-

het bloed veroorzaakt een osmotische zuigkracht

dering, zijn tijdelijk aanwezige stoffen, evenals

waardoor vloeistof juist in het capillair getrokken

hormonen en vitaminen (uit de voeding of aange-

wordt. Het hangt van de plaats in het capillair af

maakt in het lichaam).

welke van de twee drukken overheerst.

Aan het begin van het capillairnetwerk is de

Dus:

bloeddruk 35 mmHg. Dat is hoger dan de osmoti-

Bloedplasma bestaat uit water, opgeloste

sche waarde van het bloed, die is namelijk 25

zouten, plasma-eiwitten, bloedgassen en tij-

mmHg. De netto druk is dus +10 mmHg, met als

delijk aanwezige stoffen.

resultaat dat er bloedvloeistof door de capillairwand

Belangrijke zouten in het bloedplasma zijn:

heen wordt geperst. De poriën tussen de endo-

natrium, kalium, chloor, calcium, magnesium

theelcellen laten alleen de kleinere stoffen door. De

en waterstofcarbonaat.

plasma-eiwitten en bloedcellen blijven in de

De zuurgraad van het bloed is 7,4. Deze

bloedbaan. Aan het eind van het capillair is de

waarde wordt constant gehouden (homeo-

bloeddruk gedaald tot 15 mmHg, terwijl de osmo-

stase) door de pH-buffer waterstofcarbonaat.

tische waarde nog steeds 25 mmHg is. Nu ontstaat

48


Hoofdstuk 6 Circulatiestelsel

1

4

2

5

3 6

1 tonsilla pharyngealis

4 tonsilla lingualis

2 neustussenschot

5 buis van Eustachius

3 tonsilla palatina

6 huig

Figuur 6.27

Stoffentransport tussen capillair en weefselvocht

door de netto druk van -10 mmHg juist een

Ongeveer 85% van de vloeistof die de capillairen

vochttransport naar het bloed toe.

verlaat en in het weefselvocht terechtkomt, wordt even later ook weer op in de bloedbaan opgeno-

49


Deel 2 Orgaanstelsels

men. De overgebleven 15% wordt in de lymfeca-

De samenstelling van het weefselvocht hangt sterk

pillairen opgenomen en komt via het lymfevaten-

af van de aard en de activiteit van het betreffende

stelsel uiteindelijk ook terug in de bloedbaan.

weefsel. Zo kan het weefselvocht in de darmen na een maaltijd relatief veel vetten, eiwitten en kool-

6.7.2

hydraten bevatten.

Weefselvocht

Het weefselvocht of interstitiële vocht vormt het inwendige milieu van de weefselcellen. De samenstelling van het weefselvocht moet constant gehouden worden (homeostase). Doordat de cellen voedingsstoffen en zuurstof opnemen en koolstofdioxide en andere afvalstoffen afgeven, wordt de homeostase voortdurend bedreigd. Het bloed handhaaft de homeostase door het weefselvocht continu te verversen. Ook de aan- en afvoer van vocht moeten op elkaar afgestemd zijn. Is de vochtaanvoer namelijk groter dan de afvoer, dan gaat het weefsel zwellen; als het omgekeerde het

Weefselvocht is bloedplasma zonder bloed

cellen, trombocyten en grote plasma-eiwitten.

Weefselvocht ontstaat aan het begin van het

capillairnetwerk waar de bloeddruk hoger is

dan de osmotische waarde van het bloed. Aan

het eind van het capillairnetwerk wordt het

weefselvocht met afvalstoffen terug gezogen

in de capillairen door de osmotische waarde,

die nu hoger is dan de bloeddruk.

Ongeveer 15% van het weefselvocht wordt

door de lymfecapillairen opgenomen.

Dus:

geval is, zal het weefsel juist verschrompelen. De hoeveelheid vocht in het inwendige milieu blijft binnen constante grenzen doordat de hoeveelheid

6.8

Lymfevatenstelsel

gefiltreerde bloedvloeistof per tijdseenheid gelijk is

Het lymfevatenstelsel is een gesloten buizensys-

aan het weefselvocht dat afgevoerd wordt.

teem dat de werking van het bloedvatenstelsel

Weefselvocht is kleurloos en bestaat grotendeels uit

ondersteunt. In de lymfevaten stroomt een heldere

water. Verder komen erin voor:

vloeistof, die lymfe heet. Lymfe ontstaat in de

+

-

+

2+

zouten in oplossing, zoals Na , Cl , K , Ca , 2+

Mg , en HCO3 -

;

weefsels wanneer een deel van het weefselvocht opgenomen wordt in de lymfevaten. Bij het lymfevatenstelsel horen de lymfoïde organen, zoals de

moleculair opgeloste stoffen, zoals glucose,

lymfeknopen en de milt. Lymfoïde organen bestaan

vetzuren, aminozuren, ureum;

uit lymfatisch weefsel (reticulair bindweefsel).

gassen: zuurstof, koolstofdioxide en stikstof;

Lymfoïde organen spelen een belangrijke rol bij de

een kleine hoeveelheid kleine plasma-eiwitten

afweer van het lichaam.

die door de poriën in de capillairwand naar het weefselvocht zijn geperst; ■

granulocyten, monocyten en soms lymfocyten;

6.8.1

Lymfe en lymfevaten

deze leukocyten kunnen zich door de poriën

Net als het bloedvatenstelsel vormt het lymfeva-

van de capillairwand heen wringen, zonder de

tenstelsel in alle organen en weefsels vatennet-

wand te beschadigen (leukodiapedese).

werken. De fijnste haarvaten noem je lymfecapillairen (lymfehaarvaten). De wand van

50

!


Hoofdstuk 6 Circulatiestelsel

het lymfehaarvat bestaat uit een laag endotheelcellen op een basaalmembraan, met vrij grote spleten tussen de cellen. De lymfecapillairen be-

1

3

ginnen ‘blind’ rondom de haarvatennetwerken. Ze

5

zijn het beginpunt van de afvoer van een deel 2

(ongeveer 15%) van het weefselvocht dat zich tussen de weefselcellen bevindt. Op het moment dat het weefselvocht in het lymfevatenstelsel te-

4

rechtkomt, noem je het lymfe. In totaal circuleert er ruim 3,5 liter lymfe door de lymfevaten. De samenstelling van de lymfe is grotendeels dezelfde als die van het weefselvocht van het weefsel waar het lymfevat zich bevindt. De samenstelling hangt af 1

van de plaats in het lichaam. In de dunne darmwand bijvoorbeeld heeft lymfe na een portie ‘frietmet-mayonaise’ een melkwitte kleur vanwege het hoge vetgehalte. De lymfecapillairnetwerken voeren de lymfe af naar kleine lymfevaten, die zich op hun beurt verenigen

1

tot grotere lymfevaten. Bij toename van de diameter van de lymfevaten verschijnen er in de wand

2 3

geleidelijk meerdere lagen glad spierweefsel. De grotere lymfevaten in armen en benen hebben kleppen. De grootste lymfevaten worden aangeduid met de termen ductus lymphaticus (lymfebuis) en truncus lymphaticus (lymfestam). De lymfe uit de benen en 5

bekkenorganen wordt afgevoerd via de rechter en de linker truncus lumbalis. Twee trunci intestinales vervoeren lymfe uit de buikorganen. Deze drie va-

4

ten komen samen op een punt die de cisterna chyli wordt genoemd. Vanaf daar loopt een grote lymfebuis naar boven. Dit is de ductus thoracicus (borstbuis). Deze loopt door het mediastinum ach-

1 haarvaten 2 weefselcellen 3 weefselvocht

4 endotheelcellen van het lymfehaarvat 5 lymfe

ter de aorta langs en mondt uit in de linker v. subclavia. Vlak vóór deze plaats komt er nog een groot lymfevat in de borstbuis uit. Hierin zit lymfe

Figuur 6.28

Lymfecapillairen

uit de linkerarm, de linkerhelft van hoofd en de hals en uit de linkerlong. Ook in de rechter v. subclavia

51


Deel 2 Orgaanstelsels

6.8.2

1 2

1

Lymfoïde organen

Lymfoïde organen zijn opgebouwd uit lymfatisch weefsel. Lymfatisch weefsel bestaat voornamelijk uit reticulair bindweefsel, lymfocyten vormend

3

weefsel en veel lymfocyten. De belangrijkste lym6

foïde organen zijn de lymfeknopen, de waldeyerring, de peyerplaques, de thymus en de milt.

4

Lymfeknopen

5 7

Op plaatsen waar kleine lymfevaten overgaan in een groter lymfevat bevinden zich de lymfeknopen, in de medische wereld vaker lymfeklieren ge1 lysozym in traanvocht, speeksel en slijm 2 trilhaarslijmvlies in luchtwegen

noemd, hoewel het geen klieren zijn. Lymfeknopen

3 epidermis, als fysische, bacteriële en chemische barrière

zijn een soort tussenstations in de lymfevaten. Op

4 dikkedarmflora

sommige plaatsen zie je een aantal lymfeknopen

5 urine spoelt urinewegen schoon 6 sterk zuur in de maag 7 zwak zuur en bacterieflora in de vagina

dichtbij elkaar liggen. Je noemt ze regionale lymfeknopen. De regionale lymfeknopen zitten heel strategisch op plaatsen waar de lymfe uit een groot achterliggend gebied verzameld wordt. Voorbeelden van deze plaatsen zijn de oksels en de liezen. Lymfeknopen zijn kleine boonvormige orgaantjes die in verschillende afmetingen voorkomen; de

Figuur 6.29

Het lymfevatenstelsel

grootste zijn zo’n 3 cm lang. Ze bestaan uit reticulair bindweefsel (merg) dat door bindweefsel-

mondt een ductus uit. Het is de rechter lymfestam

schotten (trabekels) verdeeld is in vakken. De tra-

die de lymfe afvoert uit de rechterarm, de rechter-

bekels staan in verbinding met het kapsel van de

helft van het hoofd en de hals en uit de rechter-

lymfeknoop. Het kapsel bestaat uit collageen en

long. Zo is vocht dat afkomstig was uit de bloed-

elastisch bindweefsel. Via openingen in dit kapsel

baan via een ‘omweg’ weer toegevoegd aan de

komen de lymfevaten het merg binnen. Via het

bloedbaan.

hilum aan de andere kant komt een arterie de

De manier waarop lymfe door de lymfevaten

lymfeknoop binnen en treden een of twee lymfe-

stroomt, is vergelijkbaar met de bloedstroom door

vaten en een vene naar buiten. Het uittredende

de aders. De lymfevaten bezitten kleppen en het

lymfevat voert de lymfe af uit het merg. De

lymfetransport wordt verder gestimuleerd door de

bloedcapillairnetwerken bevinden zich in de merg-

adempomp, de hartpomp, de spierpomp en arteri-

gedeelten. De grotere bloedvatvertakkingen lopen

ële pomp.

langs de trabekels. Tussen kapsel en merg zit een ruimte, de randsinus. Van hieruit stroomt aange-

52


Hoofdstuk 6 Circulatiestelsel

voerde lymfe door de hele lymfeknoop. Binnen het

dak en de achterwand van de neus-keelholte;

merg zijn eveneens ruimten te vinden. Dat zijn de

wordt ook adenoïd genoemd.

mergsinussen, die de lymfedoorstroming naar het afvoerende lymfevat toe vergemakkelijken.

Lymfatisch weefsel rond de ingang van de buis van Eustachius.

De lymfeknoop werkt als een filter. De eventueel in de lymfe aanwezige bacteriën, dode of geïnfec-

Het lymfatische weefsel van de waldeyerring

teerde cellen en andere lichaamsvreemde stoffen

‘vangt’ bacteriën en andere eventuele ziektever-

blijven in het merg steken. De reticulumcellen

wekkers uit de buitenlucht, het neusslijmvlies en het

kunnen zelf bepaalde stoffen onschadelijk maken

voedsel op. Hierdoor kan het afweersysteem ge-

door fagocytose. De aanwezigheid van ongerech-

activeerd worden. De ligging dichtbij de ‘buiten-

tigheden tussen de reticulumcellen is het startsein

wereld’ is gunstig; ziekteverwekkers krijgen minder

voor de activering van bepaalde typen lymfocyten

kans om diep het lichaam binnen te dringen.

in de lymfefollikels. Dat zijn bolvormige kiemcentra in het merg waar nieuwe lymfocyten worden bijgemaakt en waar antistoffen geproduceerd wor-

Peyerplaques

den. Sterk actieve lymfeknopen zwellen op. Op

De peyerplaques zijn ophopingen lymfatisch weef-

sommige plaatsen is dit dan goed te voelen bij-

sel die verspreid in de wand van de dunne darm

voorbeeld in de oksel, de lies en de hals.

liggen. Behalve deze vrij grote plaques komen er in de wand van het hele spijsverteringskanaal ook

Waldeyerring

kleinere ophopingen van lymfatisch weefsel voor. Overal kunnen bacteriën en lichaamsvreemde

De waldeyerring (lymfatische keelring) is een ver-

stoffen opgevangen worden, die vanuit de darm-

zameling verspreid liggende gebiedjes lymfatisch

holte (= uitwendige milieu) via de darmwand de

weefsel op de overgang van de mondholte en de

bloedbaan in dreigen te gaan.

neusholte naar de keelholte. Ze liggen als het ware in een ring. Tot de waldeyerring behoren: ■

Tonsillae palatinae (gehemelteamandelen).

Thymus

Deze zijn het meest bekend en worden in de

De thymus (zwezerik) speelt vooral een hele be-

volksmond keelamandelen genoemd. Ze liggen

langrijke rol in de eerste levensfasen van de mens,

links en rechts achterin de keel, zijn amandel-

tot ongeveer het begin van de puberteit. Dan heeft

vormig en één tot twee centimeter groot. Ze

dit orgaan zijn maximale grootte en weegt gemid-

kunnen bij een gewone verkoudheid behoorlijk

deld 35 gram. Na die tijd wordt de thymus gelei-

opgezet zijn en worden dan van achter de ge-

delijk weer kleiner en blijft uiteindelijk zichtbaar als

hemeltebogen zichtbaar.

een klein vetkwabje.

Tonsilla lingualis (tongamandel), aan de

De thymus bestaat uit twee of drie kwabben die

tongbasis.

achter het sternum op het hart liggen. De bouw en

Tonsilla pharyngealis (keelamandel), in de

werking is vergelijkbaar met die van een lymfe-

volksmond neusamandel genoemd, ligt in het

knoop. Het orgaan bestaat uit centraal gelegen reticulair bindweefsel, omgeven door een kapsel

53


Deel 2 Orgaanstelsels

1 3 2 4

5

7

6

8

9

1 antigeen

4 drie typen B-lymfocyten

7 geheugen-B-lymfocyten

2 antigeenreceptor

5 mitose en kloonvorming

8 immunoglobulinen (antistoffen)

3 antigeen ‘past’ op deze receptor

6 plasmacellen produceren immunoglobulinen

9 capillair

Figuur 6.30

Waldeyerring

met trabekels. In het reticulaire bindweefsel komen behalve reticulumcellen grote aantallen thymocyten

Milt

voor. Thymocyten zijn ongerijpte bloedstamcellen

De milt of lien ligt intraperitoneaal, links boven in

die zich kunnen ontwikkelen tot T-lymfocyten. T-

de buikholte, onder het diafragma, achter de maag.

lymfocyten zijn werkzaam bij de afweer van het

De staart van de alvleesklier (pancreas) raakt het

lichaam.

milthilum. De milt is boonvormig, ongeveer 10 × 7

54


Hoofdstuk 6 Circulatiestelsel

× 4 cm groot en is te vergelijken met een grote

bekende ‘steek in de zij’. Hierdoor kan extra bloed

lymfeknoop, echter niet als tussenstation in het

gemobiliseerd worden. Gezien de geringe afmeting

lymfevatenstelsel maar in het bloedvatenstelsel.

van de milt zal dit niet erg veel zijn. De functie als

Van de truncus coeliacus takt de a. lienalis (milt-

bloedreservoir wordt dan ook niet erg belangrijk

slagader) af, die via het hilum de milt binnentreedt.

geacht.

In de milt vertakt de arterie zich, waarbij er geen gebruikelijk capillairnetwerk ontstaat maar de arte-

Dus:

riolen eindigen in de miltsinussen, buisvorige

Het lymfevatenstelsel ondersteunt de trans-

ruimten in het merg. De uittredende v. lienalis

portwerking van de bloedsomloop en regelt de

(miltader) mondt uit in de v. portae (poortader), die

immuniteit van het lichaam. Delen zijn: lymfe,

naar de lever gaat.

lymfevaten en lymfoïde organen.

De bouw van de milt komt overeen met die van

De samenstelling van lymfe is grotendeels

een lymfeknoop (kapsel, trabekels en merg met

dezelfde als die van weefselvocht.

heel veel reticulumcellen) en ook de functie is ver-

Lymfe stroomt via enkele grote lymfevaten

gelijkbaar. Het merg, miltpulpa geheten, is ver-

naar het hart en komt via de linker en rechter

deeld in witte pulpa (20%) en rode pulpa (80%).

v. subclavia terug in de bloedbaan.

De witte pulpa bevindt zich rond de vertakkingen

Lymfoïde organen: lymfeknopen, waldeyer-

van de miltarteriën en bestaat uit lymfocyten. De

ring, peyerplaques, thymus en milt. Ze filteren

witte pulpa is vergelijkbaar met de lymfefollikels in

het bloed en de lymfe op pathogenen, ver-

de lymfeknopen. Dikkere gedeelten van de witte

ouderde erytrocyten (alleen de milt) en dode

pulpa worden dan ook miltfollikels genoemd. De

en aangetaste lichaamscellen.

uit reticulumcellen gevormde lymfocyten worden

De aanwezigheid van ziekteverwekkers acti-

aan de bloedbaan toegevoegd en werken mee aan

veert het lymfatisch weefsel vervolgens tot de

de afweer. De rode pulpa bestaat uit reticulair

vorming van lymfocyten, de leukocyten die de

bindweefsel dat door het bloed roodgekleurd is.

specifieke immuniteit van het lichaam verzor-

Volgens hetzelfde mechanisme als in de lymfe-

gen.

knoop wordt bloed in de milt gefilterd. Het bloed komt in de miltsinussen in nauw contact met de reticulumcellen. Deze fagocyteren niet alleen li-

6.9

Immuniteit

chaamsvreemde stoffen maar ook verouderde of

Virussen, bacteriën, schimmels, parasieten en gif-

verzwakte bloedcellen, met name veel erytrocyten.

tige stoffen kunnen het lichaam binnendringen en

Het ijzer uit de hemoglobine van de afgebroken

je ziek maken. Ook binnenin het lichaam zijn er

erytrocyten wordt teruggewonnen en gerecycled:

bedreigingen, want van tijd tot tijd worden er af-

het wordt door het bloedvormend weefsel weer

wijkende cellen gevormd. Als die niet opgeruimd

ingebouwd in jonge erytrocyten.

worden, kunnen ze ontaarden in kankercellen.

De milt heeft ook een functie als bloedreservoir. In

Het lichaam heeft twee samenwerkende verdedi-

het miltkapsel bevindt zich glad spierweefsel.

gingssystemen die de aanvallen van ziekteverwek-

Wanneer dat contraheert, wordt de miltpulpa als

kers meestal met succes afslaan. Het eerste systeem

een spons uitgeknepen. Dat voel je soms als de

is vanaf de geboorte aanwezig en richt zich tegen

55

!


Deel 2 Orgaanstelsels

alle mogelijke ziekteverwekkers, zonder onder-

slijmvliezen vormen samen een bijna onneembare

scheid te maken in het soort belager. Het wordt de

barrière voor micro-organismen. De fysieke barrière

niet-specifieke immuniteit genoemd. Het tweede

wordt gekenmerkt door een aantal verdedigings-

afweersysteem valt specifieke ziekteverwekkers aan

mechanismen. We noemen de belangrijkste hier-

zodra die in het lichaam binnengedrongen en her-

van.

kend zijn. Deze afweer is tijdens het leven ver-

De epidermis is ondoordringbaar doordat deze

worven en heet specifieke immuniteit.

bestaat uit een laag van aaneengesloten, dode,

Het vakgebied dat het menselijke afweersysteem

verhoornde cellen.

bestudeert heet immunologie. Immunologie houdt

Zweet- en talgklieren scheiden stoffen af (on-

zich ook bezig met het vermogen van het afweer-

der andere melkzuur en vetzuren) die voor een

systeem om lichaamseigen cellen te onderscheiden

relatief lage zuurgraad (pH = 5) van het hui-

van cellen die niet-lichaamseigen zijn. Dit houdt

doppervlak zorgen. Dit is te zuur voor veel

onder andere verband met afstotingsverschijnselen

soorten micro-organismen. Talg bevat boven-

bij bloedtransfusies en andere weefsel- of orgaan-

dien bepaalde stoffen die bacteriegroei rem-

transplantaties. Dat is de reden dat in deze para-

men.

graaf ook de bloedgroepen aan de orde komen.

Speeksel en slijm in de mondholte, slijm en traanvocht in de neusholte en ook het traan-

6.9.1

vocht in de ogen spoelen veel lichaamsvreemde

Niet-specifieke immuniteit

stoffen weg. Deze lichaamsvloeistoffen bevat-

Niet-specifieke immuniteit begint aan de buitenkant

ten bovendien een antibacterieel enzym,

van het lichaam, bij de huid en de slijmvliezen.

lysozym, dat veel soorten bacteriën vernietigt.

Deze vormen een fysieke barrière. Wanneer ziek-

Het kleverige slijm van het trilhaarslijmvlies in

teverwekkers toch binnengedrongen zijn komt een

de luchtwegen vangt veel mogelijke ziektever-

inwendige niet-specifieke immuniteit op gang.

wekkers weg.

Hierbij zijn fagocyterende witte bloedcellen en be-

Het maagslijmvlies produceert een sterke

paalde soorten lymfocyten actief. Andere mecha-

zoutzuuroplossing (pH = 1,5), waar veel pa-

nismen van de niet-specifieke immuniteit zijn de

thogenen niet tegen kunnen.

vorming van interferon, het complementsysteem en

Fysieke barrière

Urinewegen worden schoongespoeld met urine.

de ontstekingsreactie.

Het slijm in de vagina is licht zuur, wat het binnendringen van pathogenen verhindert.

Op de fysieke barrière leven heel veel ‘goede’

De fysieke barriè ère tussen het uitwendige en het

bacteriën. Ze vormen de zogeheten

inwendige milieu van het lichaam wordt gevormd

bacterieflora. Al snel na de geboorte bouwt

door de epidermis (opperhuid) en de slijmvliezen.

ieder individu zijn eigen bacterieflora op; het

De intacte epidermis sluit het onderliggende weef-

lichaam zit er vol mee. Zo leven er bijvoorbeeld

sel effectief af van de buitenwereld. Slijmvliezen

colibacteriën in de dikke darm (darmflora) en

vind je in de lichaamsopeningen zoals de neus,

bepaalde bacteriën in de vagina (vaginaflora).

mond, ogen, vagina en urinewegen. Epidermis en

Ook op de huid leven heel veel ‘eigen’ bacte-

56


Hoofdstuk 6 Circulatiestelsel

riën (huidflora): gemiddeld 8 miljoen per cm

2

worden ze ook wel microfagen genoemd. Meestal

onderverdeeld in ruim 180 soorten. De li-

gaan ze daarbij zelf ook dood. De gemiddelde le-

chaamseigen bacteriën helpen mee aan de

vensduur van dit type leukocyten is maar enkele

immuniteit van het lichaam, onder andere door

dagen.

bepaalde stoffen af te scheiden die schadelijk zijn voor vreemde bacteriën. Hoewel de bac-

Macrofagen

terieflora niet aangeboren is, rekenen we deze

Macrofagen (‘grote eters’) zijn grote leukocyten die

toch tot de niet-specifieke immuniteit.

zich uit monocyten ontwikkelen. Monocyten, ongeveer 5% van het totaal aantal leukocyten, cir-

Toch breken pathogenen soms door de eerste af-

culeren na rijping enkele uren in het bloed, waarna

weerlinie heen, bijvoorbeeld via een wondje in de

ze door leukodiapedese de weefsels in migreren.

huid. Ze komen dan in het inwendige milieu van

Daar ontwikkelen ze zich tot grote fagocyterende

het lichaam terecht. Dan treedt inwendige niet-

cellen die een tijdlang kunnen blijven leven. Ze

specifieke immuniteit in werking.

kunnen micro-organismen effectief opruimen, zonder daar zelf door te gronde te gaan. In bepaalde

Inwendige niet-specifieke immuniteit

weefsels en organen leven permanent macrofagen. Voorbeelden daarvan zijn de kupffercellen in de

De inwendige niet-specifieke immuniteit omvat

lever, de microgliocyten in het centrale zenuwstel-

een scala van mechanismen die het onheil proberen

sel en de macrofagen in de lymfeknopen, de milt

af te weren. Enerzijds zijn bepaalde bloedcellen di-

en het losmazig bindweefsel.

rect ter plaatse actief, anderzijds zenden eigen lichaamscellen alarmsignalen uit om afweercellen

Eosinofiele granulocyten

van elders uit het lichaam aan te trekken en te

Het aantal eosinofiele granulocyten (zichtbaar te

activeren. Bij inwendige niet-specifieke immuniteit

maken door de kleurstof eosine) bedraagt 2% van

spelen een rol: neutrofiele granulocyten, macrofa-

het totale aantal leukocyten. Eosinofiele granulo-

gen, eosinofiele granulocyten, naturalkillercellen,

cyten bevatten in hun granula celafbrekende en-

complementsysteem, interferon, ontsteking en fe-

zymen waarmee ze meercellige parasitaire ziekte-

bris.

verwekkers, zoals wormen, aanvallen. In grote aantallen bedekken ze de buitenkant van de para-

Neutrofiele granulocyten

siet en storten de enzymen hierover uit. Dit type

Ongeveer 65% van alle leukocyten wordt ingeno-

leukocyten vertoont nauwelijks fagocytose.

men door neutrofiele granulocyten. De term ‘neutrofiel’ houdt verband met het feit dat deze cellen

Naturalkillercellen

met bepaalde kleurstoffen zichtbaar gemaakt kun-

Naturalkillercellen (NK-cellen) zijn lymfocyten die

nen worden. Aangetrokken door chemische sig-

in de thymus gevormd zijn (zie hieronder). Ze ver-

naalstoffen die door pathogenen en beschadigde

nietigen niet de ziekteverwekker zelf, maar ze do-

weefselcellen worden afgegeven, verlaten neutro-

den de cellen die met virussen geïnfecteerd zijn.

fiele granulocyten de bloedbaan. Op de plaats van

Naturalkillercellen ruimen bovendien abnormale li-

de infectie fagocyteren ze de pathogenen. Daarom

chaamscellen op die zouden kunnen ontaarden in

57


Deel 2 Orgaanstelsels

tumorcellen. Ze komen af op bepaalde stoffen die

ren. Gamma-interferon activeert en stimuleert

door de afwijkende cellen worden afgegeven en

vooral de nabijgelegen macrofagen en naturalkil-

nemen in korte tijd sterk in aantal toe. De natu-

lercellen.

ralkillercel maakt contact met de cel en geeft vervolgens bepaalde eiwitten (porfirinen) af die de

Ontsteking

celmembraan afbreken. Hierdoor wordt de cel

Een ontsteking of inflammatio is een natuurlijke en

vernietigd.

nuttige reactie van een weefsel op een beschadiging. De beschadiging kan het gevolg zijn van een

Complementsysteem

uitwendig trauma (wond, kneuzing, verbranding,

Het complementsysteem is een groep van zestien

chemicaliën) of veroorzaakt zijn door ziektever-

plasma-eiwitten die bij een besmetting omgezet

wekkers. Een ontsteking wordt gekenmerkt door

worden in hun actieve vorm, vergelijkbaar met de

vijf verschijnselen: rubor (roodheid), tumor (zwel-

eerder besproken stollingscascade. De activatie

ling), calor (warmte), dolor (pijn) en ─ bij grotere

wordt dan ook vaak complementcascade genoemd.

trauma’s ─ functio laesa (gestoorde functie). Elk

Het complementsysteem ondersteunt en comple-

van de verschijnselen heeft een functie bij de im-

menteert zowel de niet-specifieke als de specifieke

muniteit, bij het opruimen van dode cellen en bij

immuniteit. Bij activatie worden fagocyten aange-

weefselherstel.

trokken en gestimuleerd, worden in samenwerking

Stel, er is sprake van een kleine huidwond. Even

met antistoffen celmembranen van pathogene cel-

nadat de huid en bloedvaten zijn beschadigd en

len afgebroken en wordt de ontstekingsreactie be-

virussen en bacteriën zijn binnengedrongen, gaat

vorderd.

ter plaatse als het ware ‘groot chemisch alarm’ af. Beschadigde lichaamscellen, bindweefselcellen, fa-

Interferon

gocyten en het bloed geven een groot aantal sig-

Interferonen zijn eiwitten die door allerlei li-

naalstoffen af. Deze stoffen worden

chaamscellen worden geproduceerd zodra zij wor-

ontstekingsmediatoren genoemd. Voorbeelden zijn

den geïnfecteerd door virussen. Interferonen zijn te

histamine, prostaglandine, interferon en cytokinen.

beschouwen als alarmstoffen die al heel snel door

Een belangrijke ontstekingsmediator is histamine,

de cel worden afgegeven, nog voordat de immu-

afgegeven door leukocyten en mastocyten (mest-

niteit op gang is gekomen. Je onderscheidt drie

cellen) in het bindweefsel. Mastocyten zijn bind-

typen: alfa-interferon (IFN-α), bèta-interferon (IFN-

weefselcellen die in het hele lichaam in het losma-

β) en gamma-interferon (IFN-γ). Alfa- en bèta-in-

zig bindweefsel voorkomen. Histamine veroorzaakt

terferon hebben dezelfde werking. Ze worden ge-

zeer plaatselijk vasodilatatie van de kleine bloed-

zamenlijk meestal type-1-interferon genoemd. Ze

vaten, waardoor de doorbloeding in het aangedane

remmen de vermenigvuldiging van de virusdeeltjes

gebied toeneemt. Dit veroorzaakt de roodheid en

in lichaamscellen, waardoor de virusverspreiding

warmte rondom de wond. Een tweede effect van

door het lichaam wordt vertraagd. Ze kunnen de

histamine en ook de andere ontstekingsmediatoren

geïnfecteerde cel niet redden, maar ze diffunderen

is verhoging van de permeabiliteit van de omrin-

naar naburige cellen. Deze nog gezonde cellen re-

gende capillairen. Hierdoor treedt meer weefsel-

ageren hierop door antivirale eiwitten te produce-

vocht uit de bloedbaan, wat de plaatselijke zwelling

58


Hoofdstuk 6 Circulatiestelsel

verklaart. In het weefselvocht zitten afweercellen

Febris

en stollingsfactoren, die hun werk kunnen gaan

Een weefselbeschadiging kan, behalve een plaat-

doen. De zwelling veroorzaakt een druk op de ze-

selijke ontsteking, ook een systemische reactie

nuwuiteinden. Dit heeft pijnsensatie tot gevolg. Pijn

veroorzaken, dat wil zeggen dat de reactie op het

is voor het lichaam het signaal om het aangedane

hele lichaam effect heeft. Dat is het geval met

gebied te ontzien. Het pijngevoel wordt versterkt

febris (koorts).

door vrijgekomen cytokinen. Cytokine is een hor-

Je spreekt van koorts als de lichaamstemperatuur

moonachtige stof die als boodschappermolecuul bij

hoger is dan 38 °C. Koortsveroorzakers worden

veel processen in het lichaam is betrokken. Het kan

pyrogenen genoemd. Pathogenen, bacteriële gif-

door elke lichaamscel geproduceerd worden, nadat

stoffen en stoffen die door de actieve granulocyten

de cel door een schadelijke prikkel hiertoe wordt

en macrofagen worden afgegeven werken in het

aangezet.

bloed als pyrogenen. Het temperatuurcentrum in

De belangrijkste fase van een ontsteking is de mi-

de hypothalamus reageert op de pyrogenen door

gratie van fagocyterende leukocyten naar de plaats

de instelwaarde (‘thermostaat’) van de lichaams-

van het onheil. Dit proces komt binnen een uur na

temperatuur te verhogen. Met opkomende koorts

de verwonding op gang. Ze komen mee met het

heb je het dan ook koud, want in het tempera-

extra weefselvocht en worden, zoals eerder be-

tuurcentrum wordt ‘vastgesteld’ dat je lichaam

schreven, aangetrokken door bepaalde signaalstof-

kouder is dan de ingestelde waarde. Er treden

fen. De neutrofiele granulocyten arriveren het eerst,

verschijnselen op als vasoconstrictie in de huid (je

gevolgd door monocyten die zich ter plekke tot

ziet bleek), rillen en klappertanden. De vasocon-

macrofagen transformeren. Dit neemt enige uren in

strictie gaat warmteverlies tegen; de spierbewegin-

beslag, zodat de macrofagen na gemiddeld acht

gen bij rillen en klappertanden proberen extra

uur de opruimwerkzaamheden over kunnen nemen

warmte op te wekken.

van de granulocyten.

Koorts heeft, mits niet al te hoog, een heilzame

Een bijkomend verschijnsel van een ontsteking is

invloed op het geïnfecteerde lichaam. De hogere

het ontstaan van pus (etter). Pus is een brijachtige

lichaamstemperatuur remt de groei van pathoge-

vloeistof en bestaat uit resten van dode leukocyten,

nen, versnelt het fagocytoseproces en stimuleert

dode weefselcellen, dode en nog levende bacteriën

weefselherstel. Bij koorts voel je je niet goed: de

en uitgetreden weefselvocht. De ophoping van pus

rust die je daardoor houdt bevorderd het herstel

in een afgesloten ruimte noem je een abces.

ook.

Wanneer de ongerechtigheden uit de weg zijn geruimd, kan weefselherstel plaatsvinden, dat bevorderd wordt door de plaatselijke bloedvatverwijding. Het vijfde ontstekingsverschijnsel, functio laesa, treedt op als de ontsteking een groter gebied betreft. Zwelling en pijn verhinderen de beweging, waardoor het aangedane gebied rust krijgt. Dit bevordert in veel gevallen de genezing.

Dus:

Niet-specifieke immuniteit is de aangeboren

afweer van het lichaam tegen alle mogelijke

ziekteverwekkers.

Niet-specifieke immuniteit komt tot stand door

de fysieke barrière (huid en slijmvliezen) en

een aantal inwendige mechanismen. Dat zijn:

neutrofiele granulocyten, macrofagen, eosino-

59

!


Deel 2 Orgaanstelsels

fiele granulocyten, naturalkillercellen, comple

mentsysteem, interferon, ontsteking en febris.

Het immuunsysteem heeft een geheugen. Antigenen die al eens aanwezig waren, worden herkend en de afweer komt hierdoor sneller op

6.9.2

Specifieke immuniteit

gang. De lymfocyten zijn in staat miljoenen binnendringers te herkennen.

Tijdens de niet-specifieke immuniteit komen de pathogenen vroeg of laat in contact met het immuunsysteem. Dit is gebaseerd op de verdedi-

Vorming van lymfocyten

ging door lymfocyten afkomstig uit de lymfoïde

Net als de andere bloedcellen ontstaan lymfocyten

organen. Het immuunsysteem ontwikkelt na con-

uit bloedstamcellen in het rode beenmerg. Een deel

tact met de ziekteverwekker een specifieke

ontwikkelt zich tot uitgerijpte B-lymfocyten of

immuniteit en kan het lichaam immuun (onvat-

kortweg B-cellen. Ze migreren naar de lymfoïde

baar) maken voor eerder doorgemaakte infecties.

organen. Er migreren ook niet-uitgerijpte lymfocy-

De werking van het immuunsysteem vertoont vier

ten vanuit het rode beenmerg naar de thymus.

karakteristieken.

Eenmaal daar aangekomen worden ze thymocyten

Het immuunsysteem reageert op de aanwe-

genoemd. Thymocyten kunnen tot T-lymfocyten

zigheid van antigenen, soms ook antilichamen

ofwel T-cellen differentiëren.

genoemd. Antigenen zijn stoffen die als li-

De thymus speelt een grote rol bij de herkenning

chaamsvreemd worden beschouwd en een af-

van lichaamseigen en lichaamsvreemde stoffen.

weerreactie van het immuunsysteem uitlokken.

Thymocyten worden in de thymus namelijk bloot-

Het zijn moleculen die door pathogenen ge-

gesteld aan lichaamseigen eiwitten. De thymocyten

vormd worden of die aan de buitenkant van de

die afweerreacties vertonen tegen deze lichaams-

celmembraan van lichaamsvreemde cellen

eigen eiwitten worden vernietigd. Dit proces speelt

(zoals bacteriën, cellen van een getransplan-

zich al voor de geboorte af. Hierdoor wordt ver-

teerd lichaamsdeel of van getransfuseerd

hinderd dat er T-lymfocyten kunnen ontstaan die

bloed) vastzitten. Aan het antigeen herkent het

antistoffen tegen lichaamseigen cellen maken. Zo

immuunsysteem de vreemde cel.

blijven alleen de ‘veilige’ thymocyten over. Deze

Het immuunsysteem is gebaseerd op de

zwermen vanuit de thymus naar de rest van het

membraaneigenschappen van lymfocyten.

lichaam en nestelen zich in alle lymfatische weef-

Lymfocyten hebben receptoren aan de buiten-

sels. Ze blijven daar gedurende het hele leven, door

kant van hun celmembraan, waarmee ze anti-

celdeling, nieuwe T-lymfocyten produceren. De

genen kunnen opsporen en herkennen.

thymus is vanaf de geboorte tot ongeveer het

Het immuunsysteem reageert op een antigeen

zestiende levensjaar erg actief. Daarna neemt zijn

door immunoglobulinen ofwel antistoffen te

rol af.

maken, specifiek gericht tegen dat antigeen. Elk

De B- en T-lymfocyten in de lymfoïde organen

antigeen heeft een unieke moleculaire vorm,

worden actief zodra ze in contact komen met

waar de antistof op past, als een sleutel in een

antigenen.

slot. De antistoffen worden door lymfocyten geproduceerd.

60


Hoofdstuk 6 Circulatiestelsel

B-lymfocyten

spreiden zich via het bloed, de lymfe en het weefselvocht door het hele lichaam. Plasmacellen heb-

B-lymfocyten maken antistoffen, die de antigenen

ben een levensduur van ongeveer vijf dagen en

onschadelijk maken die vrij in het bloed, de lymfe

maken al die tijd antistoffen.

en de weefselvloeistof circuleren. Hierdoor verkrijgt het lichaam de zogeheten humorale immuniteit

Primaire en secundaire immuunreactie

(humor = lichaamsvocht). Deze immuniteit geldt

De klonale expansie, gevolgd door de productie

vooral met betrekking tot bacteriën, virussen en

van immunoglobulinen, wordt de primaire

toxinen (toxische stoffen).

immuunreactie genoemd. Deze treedt op wanneer

B-lymfocyten zijn uitgerust met antigeenreceptoren

het lichaam voor het eerst in contact komt met een

op hun celmembraan. Deze receptoren hebben een

bepaalde ziekteverwekker. Een deel van de bij de

ruimtelijke vorm die past bij de molecuulstructuur

klonale expansie gevormde B-lymfocyten ontwik-

van het antigeen, vergelijkbaar met het sleutel-

kelt zich niet tot plasmacellen, maar tot de zoge-

slotmechanisme. Elke B-lymfocyt kan één soort

heten B-geheugencellen. Deze cellen blijven in het

antigeen herkennen. Op het moment dat een B-

lichaam circuleren en komen in actie bij een vol-

lymfocyt in aanraking komt met ‘zijn’ antigeen,

gende infectie met hetzelfde antigeen. Dit noem je

koppelt hij de antigenen aan zijn receptoren vast.

de secundaire immuunreactie. Bij een eerste be-

Zodra het antigeen herkend is, gaat de B-lymfocyt

smetting duurt het drie tot zes dagen voordat het

razendsnel delen (mitose). Zo wordt een kloon

immuunsysteem goed op gang komt. Bij iedere

gevormd: een grote populatie identieke B-lymfo-

volgende besmetting zorgt de secundaire im-

cyten. Deze snelle celvermeerdering wordt klonale

muunreactie ervoor dat er al binnen een tot twee

expansie genoemd. Op deze manier kunnen mil-

dagen een explosie van antistoffen optreedt. De

joenen B-lymfocyten ontstaan, die allemaal die ene

secundaire immuunreactie is sneller en vaak heviger

antistof maken. De meeste van deze klonen trans-

dan de primaire, doordat de aanwezige B-geheu-

formeren in de zogeheten plasmacellen, een type

gencellen nog goed ‘weten’ hoe ze de antistoffen

witte bloedcel dat grote hoeveelheden immuno-

moeten produceren.

globulinen kan maken. De immunoglobulinen verImmunoglobulinen Er zijn vijf groepen immunoglobulinen, aangeduid met IgA, IgD, IgE, IgG en IgM. IgM (immunoglobuline M) wordt het eerst gevormd. Al kort na een infectie kan IgM dan ook in het bloed worden aangetoond. De hoeveelheid IgM neemt daarna vrij snel weer af. Ondertussen worden de andere immunoglobulinen gevormd, waarbij de hoeveelheid IgG (immunoglobuline G) het grootst is. IgG’s zijn vrij kleine moleculen, die Figuur 6.31

Humorale immuniteit door B-lymfocyten

gemakkelijk door capillairwanden heen gaan. Ze worden ingezet tegen virussen, bacteriën en toxi-

61


Deel 2 Orgaanstelsels

nes. IgG’s kunnen als enige antistoffen via de pla-

nendringen of aanvallen. Macrofagen sporen

centa in het foetale bloed terechtkomen. IgA’s

de antigeen-antistofcomplexen op en vernieti-

(immunoglobuline A) worden vooral aangetroffen

gen ze.

in slijmvliezen, waar ze het binnendringen van vi-

Nadat immunoglobulinen zich aan bacteriën

russen en bacteriën verhinderen. Ook in speeksel,

hebben gehecht, treedt klontering op (aggluti-

zweet en tranen zit IgA, evenals in colostrum (de

natie). Macrofagen ruimen deze bacterieklon-

eerste moedermelk) om de baby te beschermen

ten op.

tegen maagdarminfecties. Normaal gesproken

Immunoglobulinen hechten aan toxines en aan

worden er relatief weinig IgE’s (immunoglobuline E)

elkaar. De toxines worden zo weggevangen en

gevormd. IgE speelt een rol bij worminfecties en

onwerkzaam gemaakt. Het geheel slaat neer en

acute allergische reacties. De aanwezigheid van IgE

verandert in een onbeweeglijk complex, dat

is een prikkel voor mastocyten in het bindweefsel

door macrofagen opgeruimd kan worden.

om ontstekingsmediatoren (vooral histamine) te

Immunoglobulinen activeren bepaalde eiwitten

produceren. IgD (immunoglobuline D) zweeft niet

van het complementsysteem (zie hierboven).

vrij rond. Deze antistof is meestal gebonden aan B-

Dat doen ze door zich aan de antigenen te

lymfocyten. De functie is niet duidelijk; vermoede-

hechten die op de celmembraan van de pa-

lijk spelen zij een rol bij de klonale expansie.

thogene cel zitten. Het complementeiwit maakt

Immunoglobulinen kunnen zelf geen pathogenen

daar vervolgens een binding mee en veroor-

doden. Op vier manieren kunnen ze ongewenste

zaakt beschadigingen van de celmembraan,

binnendringers onschadelijk maken.

waardoor de cel te gronde gaat (cytolyse).

Immunoglobulinen gaan aan de buitenkant van virussen en bacteriën vastzitten. Zo wordt een

Immunoglobulinen zijn langere of kortere tijd (soms

antigeen-antistofcomplex gevormd. De anti-

een heel leven lang) in het lichaam aanwezig, nadat

stoffen blokkeren de bindingsplaatsen op de

de antigenen allang zijn verdwenen.

celmembranen van de pathogenen, waardoor deze de lichaamscellen niet meer kunnen bin-

T-lymfocyten De rol van de T-lymfocyten (T-cellen) is gebaseerd op hun vermogen om geïnfecteerde lichaamscellen en abnormale lichaamscellen (zoals tumorcellen) aan te vallen. De door T-lymfocyten verkregen immuniteit wordt daarom cellulaire immuniteit genoemd. Van cellulaire immuniteit is ook sprake wanneer het lichaam afstotingsverschijnselen vertoont, bijvoorbeeld na een bloedtransfusie of een orgaantransplantatie. Er zijn vier typen T-lymfocy-

Figuur 6.32

62

De manieren waarop immunoglobulinen pathogenen onschadelijk maken

ten: de cytotoxische T-cel, de geheugen-T-cel, de T-helpercel, de T-suppressorcel.


Hoofdstuk 6 Circulatiestelsel

Cytotoxische T-cellen

T-helpercel

Cytotoxische T-cellen worden in lymfatische

In lymfoïde organen ontwikkelen zich, behalve de

weefsels gevormd. Ze vernietigen lichaamscellen

cytotoxische T-cellen, ook T-helpercellen, die een

die met virussen zijn geïnfecteerd. Dat kunnen ze

onmisbare rol spelen bij zowel de humorale als de

alleen als ze op het celmembraan van de geïnfec-

cellulaire immuniteit. T-helpercellen (ook wel T4-

teerde cel twee structuren herkennen: (1) een

cellen genoemd) worden geactiveerd door macro-

antigeen van het binnengedrongen virus en (2) een

fagen die bezig zijn geïnfecteerde cellen te fago-

of meerdere specifieke lichaamseigen receptorei-

cyteren. Terwijl ze in actie zijn, geven macrofagen

witten. Is aan beide voorwaarden voldaan, dan kan

bepaalde signaalstoffen af, als het ware om hulp in

de cytotoxische T-cel aan de cel hechten en hem

te roepen. Deze stoffen worden interleukinen ge-

vervolgens opruimen. Net als bij B-lymfocyten is

noemd en behoren tot de eerder beschreven cyto-

elke T-lymfocyt gespecialiseerd in één type anti-

kinen. Als reactie op de interleukinen gaan T-hel-

geen. Een geïnfecteerde cel moet dus wachten op

percellen delen en geven ze zelf ook interleukinen

een cytotoxische T-cel die precies past op het stukje

af, die enerzijds de cytotoxische T-cellen harder aan

virusantigeen op zijn membraan.

het werk zetten en anderzijds de B-lymfocyten tot hogere activiteit aanzetten. T-helpercellen hebben

Geheugen-T-cel

op deze manier de touwtjes in handen bij de spe-

Wanneer een cytotoxische T-cel in actie komt, valt

cifieke immuniteit.

hij niet alleen een prooi aan, maar gaat hij ook delen. Hierdoor ontstaan veel identieke cellen, die

T-suppressorcel

deels ingezet worden om de geïnfecteerde cellen te

Het vierde type T-lymfocyt is de T-suppressorcel.

vernietigen en deels als T-geheugencellen in het

Immunologen weten nog niet of deze cellen vanuit

lichaam blijven. Bij een volgende besmetting met

thymocyten ontstaan of dat het gespecialiseerde T-

hetzelfde virus kunnen geïnfecteerde cellen dus ook

helpercellen zijn. De T-suppressorcel speelt een rol

weer sneller herkend worden.

bij het uitschakelen van het immuunsysteem op het moment dat er geen antigenen meer in het lichaam aanwezig zijn.

6.9.3

Immunisatie

In de loop van je leven bouw je immuniteit op voor allerlei ziekteverwekkers. Het verkrijgen van de immuniteit gebeurt heel vaak op de natuurlijke manier, namelijk nadat je een besmetting hebt doorgemaakt. Steeds vaker wordt de natuur door de mens een handje geholpen. Dan is er sprake van immunisatie. Bij immunisatie worden er stoffen in Figuur 6.33

Studiehulp Schema van de specifieke immuniteit

het lichaam gebracht die helpen het lichaam immuun te maken.

63


Deel 2 Orgaanstelsels

Er zijn twee soorten immunisatie. Bij actieve immunisatie wordt er een verzwakte ziekteverwekker in het lichaam gebracht. Dat gebeurt bij een vaccinatie. Hierdoor wordt het immuunsysteem geactiveerd en wordt de immuniteit opgebouwd. Bij passieve immunisatie worden de immunoglo-

worden in het lichaam gebracht waardoor

antistoffen gevormd worden.

Passieve immunisatie: specifieke immunoglo-

bulinen worden in het lichaam gebracht die als

antistoffen aan het werk kunnen.

Actieve immunisatie: verzwakte antigenen

bulinen zelf in het lichaam gebracht. Deze stoffen zullen de pathogenen opruimen, maar er wordt geen immuniteit ontwikkeld. Passieve immunisatie

!

6.10

Bloedgroepen

gebeurt bijvoorbeeld wanneer een zorgvrager ern-

Lichaamseigen cellen zijn voor het immuunsysteem

stig is verzwakt en zelf geen immuniteit kan op-

herkenbaar doordat er op de celmembranen speci-

bouwen. Ook bij pasgeboren baby’s is sprake van

fieke membraaneiwitten zitten. Elk individu heeft

passieve immunisatie, maar dan op een volkomen

zijn eigen unieke membraaneiwitten. Wanneer het

natuurlijke manier: de baby krijgt al via de placenta

immuunsysteem ‘vreemde’ membraaneiwitten te-

moederlijke immunoglobulinen, die de eerste tijd na

genkomt, wordt het geactiveerd om de cellen die

de geboorte bescherming bieden.

bij deze membraaneiwitten horen, op te ruimen.

‘Vreemde’ membraaneiwitten zijn dus te beschou-

Dus:

wen als antigenen en het immuunsysteem maakt er

Antigenen zijn stoffen of cellen die door het

antistoffen tegen. Bij orgaantransplantaties probeert

afweersysteem als lichaamsvreemd worden

men weefsels te transplanteren waarvan zoveel

beschouwd. Ze activeren B-lymfocyten (hu-

mogelijk membraaneiwitten hetzelfde zijn als die

morale immuniteit) en T-lymfocyten (cellulaire

van de ontvanger. Hoe meer vreemde membraa-

immuniteit).

neiwitten er zijn, des te heftiger is de afweerreactie

Geactiveerde B-lymfocyten gaan snel delen

en des te groter is het afstotingsgevaar.

(klonale expansie) en veranderen grotendeels

Het weefsel dat over de hele wereld het meest

in plasmacellen. Plasmacellen maken grote

getransplanteerd wordt, is bloed. Bloedtransplan-

hoeveelheden immunoglobulinen, gericht te-

tatie wordt bloedtransfusie genoemd; bloed is im-

gen een specifiek antigeen. Er ontstaan ook

mers een vloeibaar weefsel. Erytrocyten hebben

geheugen B-cellen, die bij een volgende in-

bepaalde membraaneiwitten; je noemt ze

fectie snel antistoffen kan maken.

bloedantigenen. Een bloedtransfusie is alleen mo-

Er zijn vijf typen immunoglobulinen, elk met

gelijk wanneer de ontvanger geen antistoffen heeft

een specifieke werking tegen het antigeen.

tegen de bloedantigenen van de donor. Er zijn

Bij activatie worden vier typen T-lymfocyten

minstens honderd verschillende bloedantigenen

gemaakt: cytotoxische T-cel, geheugen-T-cel,

bekend. Ze bepalen iemands bloedgroep. Met be-

T -helpercel en T-suppressorcel.

trekking tot bloedtransfusies zijn twee bloedgroe-

Bij immunisatie worden er stoffen in het li-

pen uiterst belangrijk: het ABO-bloedgroepsysteem

chaam gebracht die het lichaam helpen bij de

(je zegt AB-nul, maar je schrijft AB-óó) en de re-

afweer.

susbloedgroep.

64


Hoofdstuk 6 Circulatiestelsel

tegen de bloedantigenen die hij zelf niet heeft. De antistoffen bevinden zich bij de geboorte al in het bloedplasma. Wanneer bloedplasma met antistoffen in contact komt met de ‘verkeerde’ erytrocyten, treedt agglutinatie (klontering) van de erytrocyten op. Dit is de afstoting van het getransplanteerde weefsel. De antistoffen van het ABO-bloedgroepsysteem van een zwangere kunnen de placenta niet passeFiguur 6.34

Het ABO-bloedgroepsysteem

ren en doen het ongeboren kind, dat een andere bloedgroep kan hebben, dan ook geen kwaad.

ABO-bloedgroepsysteem Bij het ABO-bloedgroepsysteem is er sprake van

Resusbloedgroep

twee typen bloedantigenen, die – in verschillende

Er bestaat een tweede type bloedantigeen dat juist

combinaties – resulteren in vier bloedgroepen. De

bij de foetale ontwikkeling wel voor problemen kan

antigenen worden het A-antigeen en het B-

zorgen. Het is het resusantigeen, ook wel D-

antigeen genoemd. De vier mogelijke combinaties

antigeen genoemd. Iemand met het resusantigeen

zijn: alleen A-antigeen, alleen B-antigeen, zowel A-

noem je resuspositief (RhD-positief). Iemand die

antigeen als B-antigeen en geen antigeen. Iemand

het antigeen niet heeft is resusnegatief (RhD-ne-

heeft bloedgroep A als hij het A-antigeen heeft,

gatief).

bloedgroep B als hij het B-antigeen heeft, bloed-

Resusnegatieve mensen van wie het bloed niet in

groep AB als hij beide antigenen heeft en bloed-

contact is geweest met resuspositief bloed, hebben

groep O als hij geen antigenen heeft.

geen antistoffen tegen het resusantigeen. In dit

Het bijzondere van het ABO-bloedgroepsysteem is

opzicht wijkt het resussysteem af van het ABO-

dat ieder mens, zonder in contact te zijn geweest

systeem. Pas wanneer resusnegatief bloed in con-

met een andere bloedgroep, al antistoffen heeft

tact geweest is met resuspositieve erytrocyten, worden antistoffen (RhD-antistoffen) gemaakt. RhD-antistoffen kunnen de placenta passeren. Wanneer het eerste kind van een resusnegatieve moeder resuspositief is, is er een kleine kans dat de moeder tijdens de zwangerschap RhD-antistoffen gaat vormen. Bij de geboorte komt er meestal wat bloed van de baby in de moederlijke circulatie terecht. Op dat moment gaat de moeder zeker antistoffen maken. Dat kan gevaarlijk zijn voor een eventueel volgend resuspositief kind. Tegenwoor-

Figuur 6.35

Bloedtransfusieschema van het ABO-bloedgroepsysteem

dig wordt anti-D-profylaxe toegepast. In de dertigste zwangerschapsweek worden de bloedgroe-

65


Deel 2 Orgaanstelsels

pen van moeder en ongeboren kind bepaald. Is de moeder resusnegatief en het kind resuspositief dan krijgt de moeder een injectie met anti-RhDimmunoglobuline, kortweg anti-D genoemd. Na de bevalling krijgt ze nog een keer zo’n injectie. Anti-D maakt de eventueel in het moederlijk bloed rondcirculerende D-antigeen onschadelijk, zodat de moeder er geen antistoffen tegen kan maken.

!

Dus: Het ABO-bloedgroepsysteem is gebaseerd op de bloedantigenen A en B en bestaat uit vier bloedgroepen: A, B, AB en O. Iemand met bloedgroep O is een universele donor (geen antigenen); iemand met bloedgroep AB is een universele acceptor (geen antistoffen). De resusbloedgroep is gebaseerd op het resusantigeen. Iemand kan resuspositief (antigeen aanwezig) zijn of resusnegatief (geen resusantigeen).

66


Hoofdstuk 6 Circulatiestelsel

Samenvatting

stollingsfactoren, plasma-eiwitten). Bloedcellen worden voortdurend vervangen en bijgemaakt

Het circulatiestelsel bestaat uit het bloedvatenstelsel

(hemopoëse). De bloedstamcellen bevinden zich in

met bloed, hart en bloedvaten en het lymfevaten-

het rode beenmerg en in lymfatisch weefsel.

stelsel met lymfe, lymfoïde organen en lymfevaten.

Bij de hemostase (bloedstolling) spelen trombocy-

Door een uitgebalanceerde aan- en afvoer van

ten en een tiental stollingsfactoren een rol. Ach-

stoffen door het circulatiestelsel wordt de homeo-

tereenvolgende processen bij de bloedstolling zijn:

stase van het inwendige milieu binnen nauwe

lokale vasoconstrictie, propvorming, en coagulatie.

grenzen gehouden.

In de weefsels treedt bloedvloeistof (= bloedplasma

Het hart is de motor van de bloedsomloop. Het is

zonder bloedcellen en plasma-eiwitten) uit de

een holle spier die uit een linker- en een rechterdeel

bloedbaan en worden zuurstof, voedingsstoffen en

bestaat. In elk deel onderscheid je een atrium

afvalstoffen uitgewisseld. Ongeveer 85% van de

(boezem) en een ventrikel (kamer). Het hart is uit

uitgetreden vloeistof wordt aan het eind van het

drie lagen opgebouwd; van binnen naar buiten zijn

capillairnetwerk weer in de bloedbaan opgenomen.

dat: endocard, myocard en pericard.

De rest (15%) komt in kleine open eindigende

De hartspier heeft een hartprikkelgeleidingssys-

lymfevaatjes terecht en stroomt het lymfevaten-

teem, waardoor het hart autonoom kan ‘kloppen’.

stelsel in. Via de borstbuis en de rechterlymfestam

Dit systeem bestaat uit: sinusknoop, atrioventricu-

is het lymfevatenstelsel aangesloten op het bloed-

laire knoop, bundel van His en purkinjevezels. De

vatenstelsel.

hartactiviteit vertoont een actie/rustcyclus waar-

Niet-specifieke immuniteit is de algemene afweer

door de spier een leven lang kan functioneren.

van het lichaam tegen alle mogelijke ziektever-

De hartcirculatie bestaat uit de kransslagaders en de

wekkers. Niet-specifieke immuniteit komt tot stand

kransaders die uitwisseling van zuurstof, voedings-

door een fysieke barrière op de grens tussen li-

stoffen en afvalstoffen in de hartspier zelf verzor-

chaam en buitenwereld (huid en slijmvliezen) en

gen.

door bepaalde leukocyten en processen in het li-

De wand van bloedvaten heeft een standaardbouw

chaam (neutrofiele granulocyten, macrofagen, eo-

(capillairen uitgezonderd): tunica intima, tunica

sinofiele granulocyten, naturalkillercellen, comple-

media en tunica externa.

mentsysteem, interferon, ontsteking en koorts).

De bloeddruk is de druk die het bloed op de wand

Specifieke immuniteit komt tot stand door de

van een bloedvat uitoefent. De arteriële druk is

werking van B-lymfocyten (humorale immuniteit)

120/80 mmHg, de capillaire druk is 35 mmHg, en

en T-lymfocyten (cellulaire immuniteit).

de veneuze druk is 5 tot 0 mmHg. Bloeddrukbe-

Bij immunisatie worden er stoffen in het lichaam

palende factoren zijn: vullingstoestand van het

gebracht die het lichaam helpen bij de immuniteit.

bloedvat, slagvolume, elasticiteit van de vaatwand

Bij actieve immunisatie worden verzwakte antige-

en perifere weerstand.

nen in het lichaam gebracht. Bij passieve immuni-

Bloed bestaat voor 45% uit bloedcellen en bloed-

satie worden specifieke immunoglobulinen in het

celfragmenten (erytrocyten, leukocyten en trom-

lichaam gebracht.

bocyten) en voor 55% uit bloedplasma (water,

De antigenen van het ABO-bloedgroepsysteem zijn

opgeloste zouten, voedingsstoffen, afvalstoffen,

A-antigeen en B-antigeen. Bij iedereen zijn de

67


Deel 2 Orgaanstelsels

antistoffen tegen het bloed dat de persoon zelf niet heeft, al vanaf de geboorte in het bloed aanwezig. Het antigeen van de resusbloedgroep wordt RhDantigeen genoemd. Iemand met resusnegatief bloed maakt pas RhD-antistoffen als diens bloed in contact is geweest met resuspositief bloed (= bloed met het RhD-antigeen).

68


direct de functie betrokken wordt. De informatie die wordt gegeven is erop gericht om meer inzicht te krijgen in de mens als totaliteit. De tien te onderscheiden orgaanstelsels van de mens vinden in deze totaliteit een logische plaats; in deel 1 worden ze geïntroduceerd, in deel 2 worden ze één voor één uitvoerig besproken en in deel 3 staat de ontwikkeling centraal. Tekst en illustraties in dit boek gaan hand in hand; deze samenhang bevordert het leerproces. Anatomie en fysiologie geven fundamentele informatie over de mens. En dus ook over jezelf.

Anatomie en fysiologie van   de   mens

Dit boek bespreekt de bouw van het menselijk lichaam waarbij

Anatomie en fysiologie van   de   mens Ludo Grégoire Agnes van Straaten-Huygen Rogier Trompert


Proefhoofdstuk Anatomie en fysiologie van de mens  

Herziening 2014

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you