9789006978377_inkijkexemplaar

Page 1

Code+ Basisleergang Nederlands voor anderstaligen B1 - B2 Basisleergang Nederlands voor anderstaligen

Basisleergang Nederlands voor anderstaligen

Code+ is een methode voor hoogopgeleide anderstaligen om snel en efficiënt Nederlands te leren. Met Code+ leer je Nederlands aan de hand van concrete taaltaken. Je kunt het onder begeleiding van een docent of zelfstandig doorwerken.

Elk deel bestaat uit een boek met opdrachten en bijbehorend materiaal op het online leerplatform www.nt2plus.nl. Hier vind je oefeningen voor bijvoorbeeld luisteren, woorden en grammatica. Ook kun je online gemakkelijk je vorderingen volgen.

B1 – B2

Code + is ontwikkeld door ervaren docenten van de Universiteit van Amsterdam en de Vrije Universiteit Amsterdam die zelf lesgeven aan hoogopgeleide Nt2leerders. Ze zijn deskundig op het gebied van Nt2 én ze weten wat werkt in de praktijk. Met Code+ leg je dan ook de basis voor een succesvol leven in Nederland!

DEEL 4

DEEL 4

Code+ bestaat uit 4 delen. Met elk deel zet je een niveaustap in het Europees Referentiekader (ERK). - Deel 1: 0 - A1 - Deel 2: A1 - A2 - Deel 3: A2 - B1 - Deel 4: B1 - B2 Als je alle vier de delen van Code+ succesvol hebt doorlopen, kun je met een gerust hart deelnemen aan het Staatsexamen Nt2 Programma II.

B1 - B2

9 789006 978377

3205_NT2_Cover_Code+D4.indd All Pages

3/10/18 09:38


Code+4_v3.indd 340

3/10/18 09:24


deel 4 Basisleergang Nederlands voor anderstaligen B1-B2

Code+4_v3.indd 1

3/10/18 09:21


COLOFON Didactisch concept Het didactisch concept van Code+ is ontwikkeld door de Universiteit van Amsterdam, Instituut voor Nederlands Taalonderwijs en Taaladvies (INTT) en de Vrije Universiteit van Amsterdam, VU-NT2. Auteurs UvA-INTT: Nicky Heijne, Karolien Kamma VU-NT2: Titia Boers, Anne Hammers, Hinke van Kampen, Vita Olijhoek, Carola van der Voort Eindredactie Code+ deel 4 is een herziening van CODE Plus Takenboek deel 4. De eindredactie was in handen van Anne Hammers (VU-NT2) en Karolien Kamma (UvA-INTT). Redactie Rinske Piek, Piek - leren en interactie, Huissen Beeldredactie Eduardo Media, Stampersgat Basisontwerp serie NT2+ Studio Fraaj, Rotterdam Vormgeving en opmaak Hannie van den Berg Grafische Vormgeving en DTP, Houten Tekenwerk Studio Imago, Ivan en Ilia Illustraties Fotografie Peter Bak – omslagfotografie Isis Vaandrager – styling t.b.v. de omslagfotografie Zie verder illustratieverantwoording op bladzijde 337. Online platform Enigmatry, Rotterdam Bij alle uitgaven van Code+ hoort een digitale applicatie: www.nt2plus.nl Klantenservice uitgeverij ThiemeMeulenhoff: 033 - 448 3700

Over ThiemeMeulenhoff ThiemeMeulenhoff ontwikkelt zich van educatieve uitgeverij tot een learning design company. We brengen content, leerontwerp en technologie samen. Met onze groeiende expertise, ervaring en leeroplossingen zijn we een partner voor scholen bij het vernieuwen en verbeteren van onderwijs. Zo kunnen we samen beter recht doen aan de verschillen tussen lerenden en scholen en ervoor zorgen dat leren steeds persoonlijker, effectiever en efficiënter wordt. Samen leren vernieuwen. www.thiememeulenhoff.nl Dit boek wordt op twee manieren geleverd: - boek plus voucher: ISBN 978 90 06 97839 1 - boek plus licentie: ISBN 978 90 06 97837 7 Derde druk, eerste oplage, 2018 © ThiemeMeulenhoff, Amersfoort, 2018 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16B Auteurswet 1912 j° het Besluit van 23 augustus 1985, Stbl. 471 en artikel 17 Auteurswet 1912, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan Stichting Publicatie- en Reproductierechten Organisatie (PRO), Postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp (www.stichting-pro.nl). Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet) dient men zich tot de uitgever te wenden. Voor meer informatie over het gebruik van muziek, film en het maken van kopieën in het onderwijs zie www.auteursrechtenonderwijs.nl. De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen die des­ondanks menen zekere rechten te kunnen doen gelden, kunnen zich alsnog tot de uitgever wenden.

Deze uitgave is volledig CO2-neutraal geproduceerd. Het voor deze uitgave gebruikte papier is voorzien van het FSC®-keurmerk. Dit betekent dat de bosbouw op een verantwoorde wijze heeft plaatsgevonden.

Code+4_v3.indd 2

3/10/18 09:21


INHOUD 4

5

HOOF DST UK 1

37

HOOF DST UK 2

65

HOOF DST UK 3

91

HOOF DST UK 4

Te gek voor woorden Puur natuur Zo gezond als een vis

Over de schreef

123

HOOF DST UK 5

153

HOOF DST UK 6

183

HOOF DST UK 7

213

HOOF DST UK 8

241 271 301 319 320 321 331 332 335 337

Code+4_v3.indd 3

Uitleg van de symbolen

Ik zie, ik zie wat jij niet ziet Brood op de plank In de wetenschap De stier van Potter HOOF DST UK 9

Van alle tijden HOOF DST UK 10

Aan de macht Antwoorden Overzicht Grammatica Overzichten Werken met woorden en Reflectie Alfabetische woordenlijst Instructiezinnen Nederlands - Engels Onregelmatige werkwoorden Bronvermelding Illustratieverantwoording

3/10/18 09:21


Uitleg van de symbolen Deze opdracht maak je online op de computer. Je gaat naar een tekst luisteren, een video of een illustratie bekijken, oefenen met nieuwe woorden, met grammatica en spelling of met routines. Ga naar www.nt2plus.nl en kies voor Code+. Dit is een taalwijzer. In dit boek zijn vier soorten taalwijzers: Grammatica, Woordbetekenis, Verbindingen en Idioom. Op www.nt2plus.nl staan deze taalwijzers ook en kun je er oefeningen bij doen. Bij sommige opdrachten hoort een werkblad. De werkbladen krijg je van je docent. Sommige opdrachten doe je niet in de klas, maar buiten het lokaal of buiten de school. Je moet dan bijvoorbeeld naar een winkel. Bij deze opdracht moet je iets zoeken op internet.

Deze opdracht doe je met een andere cursist samen.

Deze opdracht doe je met twee andere cursisten.

Deze opdracht doe je met drie andere cursisten.

Deze opdracht doe je met de hele groep.

Dit is een luisteropdracht. Je luistert naar een tekst en beantwoordt de vragen. Het kan ook zijn dat de docent je een liedje laat horen. Dit is een leesopdracht. Je leest een tekst en beantwoordt de vragen.

Dit is een schrijfopdracht. Dit is een spreekopdracht. Je voert een gesprek met een of meerdere andere cursisten of je vertelt iets aan de hele groep. In deze opdracht werk je met een groepje aan de vorm van de taal. Je moet samen een tekst ­reconstrueren die de docent heeft voorgelezen. In deze opdracht moet je een tekst lezen in een beperkte tijd. Je krijgt de tekst van je docent.

In deze opdracht moet je snel een reactie geven op een uiting van de docent.

In deze opdracht oefen je je uitspraak.

Deze opdracht doe je met de hele groep. Je bekijkt samen een video of luistert naar een audiotekst en doet een opdracht.

Code+4_v3.indd 4

3/10/18 09:21


H OO FDST UK 1

Te gek voor woorden Dit hoofdstuk gaat over communicatie.

Code+4_v3.indd 5

3/10/18 09:21


6

HOOFDSTUK 1

TE GEK VOOR WOORDEN

INTRODUCTIE

Introductie

Wat leer je?

Subthema 1 Subthema 2 Subthema 3 Subthema 4

Verbale en non-verbale communicatie. Misverstanden door communicatie. Communicatie via reclame. Communicatie via sociale media.

Code+4_v3.indd 6

3/10/18 09:21


HOOFDSTUK 1

1

2

TE GEK VOOR WOORDEN

INTRODUCTIE

7

Beantwoord de vragen. 1

Dit hoofdstuk gaat over communicatie. Wat is communicatie volgens jou? Kun je dat in een paar woorden opschrijven?

2

Kijk nu in het woordenboek. Wat staat daar bij ‘communicatie’? Schrijf de betekenis op.

Lees de vraag en de tekst. Beantwoord de vraag. Deze tekst gaat over een sprekende computer. Kijk naar de definitie van communicatie die je hebt opgeschreven. Gaat het in de tekst over communicatie?

Sprekend toilet pakt viespeuken aan 1

5

Code+4_v3.indd 7

Een sprekende computer op de toiletten in theater De Balie spreekt bezoekers aan die zich niet goed gedragen. Wie bijvoorbeeld de wc-bril niet omhoog doet, op het toilet rookt of te veel toiletpapier gebruikt, krijgt commentaar van de computer. Het kan ook gebeuren dat de computer een hele tijd niets zegt en dan opeens begint te hoesten. Dit bijzondere gebruik van de computer is door een kunstenaar bedacht.

3/10/18 09:21


8

HOOFDSTUK 1

TE GEK VOOR WOORDEN

SUBTHEMA 1

Subthema 1

Verbale en non-verbale communicatie

Vóór de les

1

Lees de tekst.

Verbale en non-verbale communicatie Uit onderzoek blijkt dat nog geen 10 procent van de communicatie tussen mensen wordt overgebracht door woorden. Non-verbale communicatie speelt een veel belangrijkere rol: de stem, de toon waarop iemand iets zegt, de gezichtsuitdrukking en de lichaamstaal.

Code+4_v3.indd 8

2.1 Lees de vragen en de tekst. Beantwoord de vragen.

1

Het onderwerp van de tekst is ‘een praatje maken’. Bij dit onderwerp wordt een belangrijke vraag gesteld, waarop de tekst vervolgens zelf antwoord geeft. Welke vraag is dat? Onderstreep de vraag in de tekst.

2

Welke conclusie past het best bij de tekst? a Het maken van een praatje is geen vorm van communicatie. b Het maken van een praatje is ook mogelijk als je bang bent. c Het maken van een praatje kun je leren.

3/10/18 09:21


HOOFDSTUK 1

TE GEK VOOR WOORDEN

SUBTHEMA 1

9

De volgende tekst komt uit Intermediair, een tijdschrift over de arbeidsmarkt.

Een praatje maken 1

5

10

15

20

25

30

35

40

45

Code+4_v3.indd 9

Stel je voor: je bent alleen op een congres, en in de pauze sta je met je kopje koffie, tussen minstens honderd onbekende mensen uit jouw vakgebied, een beetje om je heen te kijken. Je wilt wel een praatje maken. Je weet misschien zelfs al wie je zou willen aanspreken, maar hoe pak je dat aan zonder dat je het gevoel hebt dat je je opdringt? Het begin is soms moeilijk Als je op een zakelijke bijeenkomst wilt netwerken, weet je dat je een praatje móet maken voordat je een echt gesprek kunt voeren. Mensen voelen zich echter vaak ongemakkelijk op dit soort bijeenkomsten. Volgens Marjolijn van Burik, communicatietrainer en auteur van het boek Een praatje maken, speelt status daarbij een belangrijke rol. Je zit tussen mensen uit je vakgebied of mogelijke klanten en je denkt: als ik iemand aanspreek moet ik wel een interessante indruk maken. ‘Die gedachte kan voor spanning zorgen, waardoor je niet zo gemakkelijk iemand aanspreekt die je niet kent. Ook kunnen in zo’n situatie angstige jeugdervaringen naar boven komen; je bent misschien bang om weggestuurd te worden of om een boze blik te krijgen omdat je dat als kind hebt meegemaakt. Die angsten en zenuwen die daarbij horen, moet je onder controle zien te krijgen’, zegt Van Burik. Haar advies is: ‘Goed kijken naar de ruimte, de mensen en de interactie. Hierdoor verdwijnt het gevoel dat je een vreemdeling bent.’ Verder adviseert ze te bedenken met welk type mensen je meestal gemakkelijk contact legt, en daarmee te gaan praten. ‘Zijn het mannen of juist vrouwen? Jongeren of ouderen? Iedereen heeft daar onbewust een bepaalde voorkeur in.’ Contact maken Contact leggen begint met kijken. Om oogcontact te krijgen, moet je soms even bewegen, even om iemand heen lopen, zodat hij gaat kijken. En dan volgt de openingszin. ‘Neem de tijd’, zegt Van Burik. Mensen hebben de neiging veel te snel een echt gesprek te beginnen. Maar dan heb je eerder kans dat je brokken maakt, dan dat je contact legt. Het onderwerp dat je kiest moet het liefst zo neutraal mogelijk zijn: het weer, de file, de kwaliteit van de koffie, hoe warm het binnen is, hoe koud of hoe druk. Je hoeft helemaal niets interessants te zeggen of ergens diep op in te gaan. Doel van die oppervlakkige gesprekjes is te zoeken naar iets waar je samen over kunt praten. Het is een soort ritueel dat nodig is om écht contact te kunnen leggen. Je kunt vervolgens je gesprekspartner een prettig gevoel geven door te gaan spiegelen: je gaat op ongeveer dezelfde manier staan of zitten als de ander, iets wat beiden een ontspannen gevoel kan geven. Bij een groepje gaan staan Van Burik heeft voor het contact maken met een groepje het volgende advies. Stap één: maak oogcontact met iemand uit de groep. Stap twee: wacht tot je via dat oogcontact ‘toestemming’ krijgt om bij de groep te gaan staan, die persoon zal een stapje opzij doen. Dan stel je jezelf voor. Om vervolgens te zeggen: ‘Maar ik onderbrak jullie’, zodat het groepsgesprek weer verder kan gaan. Ze benadrukt dat het belangrijk is om goed te luisteren: ‘Luisteren is een vorm van aandacht geven en iedereen krijgt graag aandacht.’ Maar ook de beste luisteraar kan met pijnlijke stiltes te maken krijgen als even niemand iets zegt. Het is dan goed om ‘even een drankje te halen’, dat geeft wat tijd om een nieuw onderwerp te verzinnen. Als je de volgende keer op een congres staat, kijk dan eens om je heen. Dan zul je zien dat veel mensen dat praatje moeilijk vinden. Dat is een hele opluchting. Je kunt het dus leren. Nu is het dus alleen nog een kwestie van: gewoon doen.

3/10/18 09:21


10

HOOFDSTUK 1

TE GEK VOOR WOORDEN

2.2 Lees de vragen. Lees de tekst nog een keer. Beantwoord de vragen.

1

Welke reden kan iemand hebben om op een congres een onbekend persoon aan te spreken? Onderstreep een zin in de tekst. Welke twee adviezen geeft Marjolijn van Burik om zenuwen onder controle te krijgen? Onderstreep twee zinnen in de tekst. Wat kun je doen om contact te maken en een praatje te beginnen met één persoon? En hoe doe je het met een groepje? Vul de twee schema's hieronder in.

2 3

SUBTHEMA 1

3

met één persoon

stap 1:

stap 2:

stap 3:

met een groepje

stap 1:

stap 2:

stap 3:

stap 4:

Doe de opdrachten online: Hoofdstuk 1 ➔ Subthema 1 ➔ Voor de les ➔ Luisteren. Je gaat kijken naar een fragment uit een tv-programma. Daarin wordt Marjolijn van Burik geïnterviewd door twee journalisten.

4

Lees de vraag en de tekst. Beantwoord de vraag. Waarom past de titel zo goed bij de tekst? Kruis aan. Er zijn meer antwoorden mogelijk. n De tekst gaat over non-verbale communicatie. n De fietser is erg boos op de man in de BMW. n De fietser is enthousiast over de actie van de vrachtwagenchauffeur.

Te gek voor woorden 1

5

10

15

Code+4_v3.indd 10

5

Terwijl ik met de fiets voor het rode stoplicht wacht, stopt naast me een zwarte BMW. Daar zit een man in met een dik, kaal hoofd en een dikke sigaar in zijn mond. Achter de BMW stopt een vrachtwagen. Ik sta een beetje te dromen, maar dan hoor ik het geluid van een elektrisch raam. Ik zie een arm uit het raam van de BMW komen. De man heeft een volle asbak in zijn hand die hij heel rustig omkeert, zodat de inhoud op straat valt. Ik ben boos omdat de man kijkt alsof hij het heel normaal vindt om een asbak op straat leeg te gooien. Voordat ik weet wat ik zeggen moet, gaat de deur van de vrachtwagen open. De chauffeur springt uit de wagen, pakt er een asbak uit en loopt rustig naar de BMW. Hij klopt op het raam en maakt een draaiende beweging met zijn hand. Hij wil duidelijk dat de dikke man zijn raam opendoet. Dat doet de man meteen. Op dat moment steekt de vrachtwagenchauffeur de asbak naar binnen. Hij gooit de asbak leeg in de BMW. Zonder de dikke man aan te kijken draait hij zich om, klimt in zijn vrachtwagen en toetert naar de BMW dat hij moet gaan rijden. Het stoplicht is inmiddels groen geworden.

Doe de opdrachten online: Hoofdstuk 1 ➔ Subthema 1 ➔ Voor de les ➔ Woorden 1 en 2.

3/10/18 09:21


HOOFDSTUK 1

TE GEK VOOR WOORDEN

SUBTHEMA 1

11

In de les Werken met woorden

Het gebruik van het woordenboek

Bespreek samen de gebruiksaanwijzing van het Pocketwoordenboek NT2.

Lees en beantwoord de vragen. Ze gaan over de leestekst van opdracht 2, Een praatje maken. 1 In r. 32 staat: ‘Je kunt vervolgens je gesprekspartner een prettig gevoel geven door te gaan s ­ piegelen.’ - Welke woordsoort is ‘spiegelen’ (r. 32)? Is het een adjectief, een substantief of een verbum?

Code+4_v3.indd 11

- Als je goed naar de context kijkt, kun je de betekenis raden. Onderstreep het zinsdeel waarin de betekenis staat. Gebruik nog geen woordenboek.

-

- Kun je de betekenis niet in de context vinden? Gebruik dan het woordenboek en onderstreep daarna het zinsdeel in de tekst.

Hoe heb je de betekenis gevonden?

3/10/18 09:21


12

HOOFDSTUK 1

TE GEK VOOR WOORDEN

SUBTHEMA 1

2 In r. 26 staat: ‘Maar dan heb je eerder kans dat je brokken maakt, dan dat je contact legt.’ - Welke woordsoort is ‘brokken’ (r. 26)?

-

Bij welk woord hoort het woord ‘brokken’?

- Kun je de betekenis van de woorden samen (‘brokken’ + …) raden uit de context? Zo ja, ­omschrijf de betekenis.

- Zo nee, zoek dan de betekenis op in het woordenboek. Bij welk woord in het woordenboek heb je de betekenis gevonden?

Bespreek samen de antwoorden.

6.1 Bespreek de vragen. Ze sluiten aan bij de leestekst van opdracht 2, Een praatje maken.

1

2

Stel dat je in Nederland op een congres bent en je wilt in de pauze met iemand contact maken. In de tekst noemt Van Burik onderwerpen voor openingszinnen: het weer, de file, de kwaliteit van de koffie, hoe warm het binnen is, hoe koud of hoe druk. Bedenk drie openingszinnen bij deze onderwerpen. Bijvoorbeeld: - Wat een wind hè, vanochtend. - Stond je ook zo lang in de file? Met welke andere onderwerpen zou je ook een praatje kunnen beginnen, bijvoorbeeld op een congres? Bedenk drie nieuwe openingszinnen bij deze onderwerpen.

3 Je bent voor je werk op een congres, waar je niemand kent. Je wilt graag een praatje maken. Lees de volgende openingszinnen. Zijn ze volgens de theorie van Marjolijn van Burik wel of niet geschikt om een praatje mee te beginnen, leg ook uit waarom. 1 Gaat u iets leuks doen vanavond? 2 Vond u de conclusies uit het rapport over vergrijzing ook zo tegenstrijdig? 3 Goh, wat een leuke stropdas heeft u om. 4 Koffie? 5 Bent u ook met de trein? 4 Wat is je mening over de openingszinnen uit vraag 3? Zou je ze ook kunnen zeggen in het land waar jij vandaan komt, als je een praatje met iemand wilt maken?

6.2 Bespreek samen de antwoorden.

7.1 Kijk en luister nog een keer naar het eerste en het tweede fragment van de video van opdracht 3, Een cursus praatjes maken. Bespreek daarna de vragen.

1 Communicatie wordt soms moeilijker door bepaalde omstandigheden, bijvoorbeeld doordat de ander niet duidelijk spreekt. Noem nog een paar andere omstandigheden waardoor je elkaar niet goed kunt verstaan. 2 Ook de fragmenten uit Een cursus praatjes maken zijn soms moeilijk te verstaan. - Hoe komt dat? - Wat kun je doen om ze beter te verstaan? 3 Met elkaar grapjes maken in je eigen taal is ook communicatie. Waarom is het moeilijk om ­grapjes in een andere taal te begrijpen? Maak je zelf wel eens grapjes in het Nederlands?

Code+4_v3.indd 12

3/10/18 09:21


HOOFDSTUK 1 TE GEK VOOR WOORDEN

SUBTHEMA 1

13

4 Volgens Marjolijn van Burik vinden negen op de tien mensen het lastig om zomaar een praatje te ­maken. Hoe zou je “negen op de tien” mensen ook kunnen zeggen? - Vind jij het lastig om een praatje te maken? Waarom wel of niet? - Waarover praat jij met onbekenden? 5 Marjolijn van Burik zegt dat het maken van een praatje begint met oogcontact maken. In Nederland is het gebruikelijk om oogcontact te maken als je iets tegen iemand wil zeggen. In sommige culturen is oogcontact onbeleefd. Is het voor jou gebruikelijk om mensen aan te kijken als je ze niet kent? 6 Volgens Marjolijn van Burik zoeken mensen onbewust een gesprekspartner. Dit is bijvoorbeeld iemand die op hen lijkt. Stel jij bent op een congres of op feestje in een ruimte met veel mensen. Met wie zou jij een praatje maken? Praat je bijvoorbeeld eerder met een man of met een vrouw? Met iemand die alleen staat, of met een groepje?

7.2 Bespreek samen de antwoorden.

7.3 Lees de vragen. Luister en kijk naar fragment 3 van de video Een cursus praatjes maken. Beantwoord de vragen.

1 Welke dingen doet de man niet goed bij de eerste keer dat hij een praatje wil maken met de vrouw?

2 Bij de tweede keer dat de man en de vrouw een praatje maken, gaat het wel goed. Welke dingen doet de man nu anders?

3 Waarover praten de man en de vrouw de tweede keer?

7.4 Bespreek samen de antwoorden.

8

Maak een praatje. Maak nu een praatje met drie verschillende cursisten. Doe net alsof jullie elkaar niet kennen. Houd je aan de regels die je volgens Marjolijn van Burik moet volgen als je een praatje maakt. Bedenk van te voren een goed onderwerp waarover je kunt praten.

9.1 Luister en onderstreep de woorden die accent krijgen.

1 2 3 4 5 6 7 8

Code+4_v3.indd 13

Dat is waar we het over hebben hè? En dat is vaak zoals het gaat. En wat doe jij dan, in die training? Want het gaat uiteraard over het leggen van contact hè. Met wie zou ik willen praten? Het is veel fijner om je goed voor te bereiden. Maar is dat niet onbeschoft dan? Dat vind ik heel iets anders.

9.2 Luister en zeg na.

3/10/18 09:21


14

HOOFDSTUK 1

TE GEK VOOR WOORDEN

SUBTHEMA 1

10 Vertel het verhaal van opdracht 4, Te gek voor woorden, vanuit een andere persoon.

De leestekst van opdracht 4, Te gek voor woorden, is geschreven vanuit de gedachten van de fietser. Bedenk samen hoe je het verhaal zou kunnen vertellen vanuit de gedachten van de vrachtwagenchauffeur. Gebruik het presens. Je kunt bijvoorbeeld zo beginnen: Ik sta voor het stoplicht te wachten. Voor me staat een BMW. Bedenk vervolgens hoe je het verhaal zou kunnen vertellen vanuit de gedachten van de man in de BMW. Gebruik het presens. Je kunt bijvoorbeeld zo beginnen: Ik sta voor het stoplicht te wachten. Naast me staat een fietser en achter me een vrachtwagen. Cursist A vertelt het verhaal van de vrachtwagenchauffeur. Cursist B luistert. Cursist B vertelt het verhaal van de man in de BMW. Cursist A luistert.

Na de les

11 Kies een van onderstaande schrijfopdrachten.

- -

Beschrijf de gebeurtenis van de leestekst van opdracht 4, Te gek voor woorden, vanuit de ­gedachten van de man in de BMW. Gebruik het imperfectum. Beschrijf het verhaal van de leestekst van opdracht 4 vanuit de gedachten van de vrachtwagenchauffeur. Gebruik het imperfectum.

Gebruik zo nodig je woordenboek om het imperfectum van de werkwoorden op te zoeken.

Code+4_v3.indd 14

3/10/18 09:21


HOOFDSTUK 1

TE GEK VOOR WOORDEN

SUBTHEMA 2

15

Subthema 2

Misverstanden door communicatie

Vóór de les

1

Lees de vragen en de tekst. Beantwoord de vragen.

Verdriet? Een man uit Ghana loopt met zijn Nederlandse vrienden ’s avonds langs een huis. Je kunt door het raam naar binnen kijken. De man ziet binnen mensen in een kring zitten. Er branden kaarsen, er zijn hapjes. ‘Wat verdrietig dat er iemand is doodgegaan!’, zegt hij. Zijn vrienden reageren verbaasd. ‘Nee joh, het is juist heel gezellig daar.’ De man uit Ghana begrijpt er niets meer van.

1 Waarom zijn de vrienden verbaasd?

2 Wat begrijpt de man uit Ghana niet?

2

Doe de opdrachten online: Hoofdstuk 1 ➔ Subthema 2 ➔ Voor de les ➔ Luisteren. Je gaat luisteren naar een gesprek dat plaatsvindt in een treincoupé. Het is kwart voor negen ’s ochtends. Je hoort de conducteur praten met een oudere vrouw. De vrouw heeft een abonnement voor korting tijdens de daluren. Met zo’n abonnement mag je op bepaalde tijden reizen met 40 procent korting. Het abonnement staat op een ov-chipkaart.

Code+4_v3.indd 15

3/10/18 09:21


16

HOOFDSTUK 1

TE GEK VOOR WOORDEN

SUBTHEMA 2

3.1 Lees de vraag de tekst. Beantwoord de vraag.

Wat is volgens de tekst beste antwoord op de vraag in regel 5 ‘Hoe dichtbij mag je komen?’ a Dat is per cultuur verschillend. b Dat is per persoon verschillend. c Dat is voor iedereen hetzelfde.

De volgende tekst komt uit het tijdschrift Psychologie Magazine.

Lichaamstaal is overal anders 1

5

10

15

20

25

30

35

Code+4_v3.indd 16

Naast een vreemde gaan zitten in een verder lege bus, voelt voor beide partijen ongemakkelijk. Althans, voor ons Europeanen, terwijl het aan de andere kant van de wereld heel normaal wordt gevonden. Hoe dichtbij mag je komen? De regels voor non-verbale communicatie tussen mensen, zoals afstand en andere vormen van lichaamstaal, kennen grote culturele verschillen. Culturele verschillen Iemand uit Jemen die vlak voor je komt staan, in je gezicht ademt en je arm vastpakt. ‘Too close for comfort’ denk je als zoiets je overkomt en je deinst terug. Een signaal of gebaar waarmee je impliciet laat zien dat je iemands houding niet prettig vindt. In de ogen van de Jemeniet is dat heel afstandelijk en hij voelt zich verplicht een stapje naar voren te doen, wat jij weer compenseert met een stapje naar achteren. Zo kun je samen het hele vertrek door dansen en een behoorlijke hekel aan elkaar krijgen. Of deze: een Japans metrostation waar speciale medewerkers passagiers in overvolle metrowagons duwen, omdat anders de deuren niet dicht kunnen. Of andersom, twee Noorse wandelaars die elkaar midden in een groot, verlaten bos tegenkomen en elkaar aarzelend groeten, zich half verontschuldigend voor hun aanwezigheid. Kennelijk zijn er op het gebied van non-verbale communicatie grote culturele verschillen, die kunnen leiden tot misverstanden. Hier in het noordwesten van Europa zijn we gesteld op afstandelijkheid, ook al zijn we soms jaloers op de warme omgangsvormen van andere culturen. Zo voelt het bij ons voor beide partijen heel ongemakkelijk om naast een vreemde te gaan zitten in een verder lege bus. Een beperkte ruimte verdeel je namelijk gelijk. Als je in een café of restaurant je glas neerzet op de tafel van iemand anders, is dat ook een duidelijke inbreuk op de privacy van de ander. Vier zones Volgens cultureel antropoloog Edward Hall kun je de ruimte om je heen verdelen in vier zones. Van binnen naar buiten gaat het om de intieme, de persoonlijke, de sociale en de publieke ruimte. Mensen markeren de grenzen van deze zones door steeds andere zintuigen te gebruiken, dan wel dezelfde zintuigen anders te gebruiken. We staan vooral stil bij die eerste, intieme ruimte. De regels die hiervoor gelden lijken universeel, omdat we hem doorgaans met weinig anderen delen. De andere drie ruimtes zijn daarentegen veel complexer. We delen ze vaker met anderen, waardoor voor deze zones per persoon, cultuur of sociale context andere regels gelden. De intieme ruimte is voor vechten en vrijen, van elkaar pijn doen tot liefdevol vasthouden, strelen en kussen. We zouden elkaars huid en speeksel kunnen proeven. We kunnen elkaar ruiken, elkaars lichaamswarmte, huid en hartslag voelen en horen. Als we fluisteren, kunnen

3/10/18 09:21


HOOFDSTUK 1 TE GEK VOOR WOORDEN

SUBTHEMA 2

17

we elkaar verstaan. Doordat we zo dichtbij elkaar zijn, is het onmogelijk elkaar in één oogopslag helemaal te zien. Wel zien we poriën, de bloedvaatjes in het oogwit en het groter en kleiner worden van de pupillen: we zien elkaar in de pupillen van elkaars ogen.

40

45

50

Onderhoud van het lichaam Als iemand anders dan een naaste de intieme ruimte binnendringt, is dat een daad van agressie, een aanval op jouw integriteit. Er zijn echter uitzonderingen. Zo zijn er de onderhoudsmonteurs van ons lichaam: de tandartsen, medici en fysiotherapeuten. Bij een bezoek aan deze medisch specialisten zet je vanzelf je zintuigen op een wat lager pitje. Je vermijdt hun blik, kijkt ergens anders naar of sluit zelfs je ogen. Je denkt aan niets in het bijzonder en probeert de ander zo min mogelijk te horen, te ruiken en te voelen. Ongeveer zoals je dat ook in een overvolle tram of bus doet, behalve dat je daar vaak ook je lichaam gespannen houdt, om zo het gevoel van de aanraking met anderen niet te hoeven voelen. Wanneer we iemand niet kennen, houden we deze onbekende persoon kortom het liefst op afstand. Er zijn echter ook plezierige onderhoudsbeurten voor ons lichaam. Zo gaan veel mensen graag naar de kapper, schoonheidsspecialist of masseur en gaat het hen zelfs expliciet om de plezierige prikkels van het lichamelijke contact.

3.2 Lees de vragen. Lees de tekst nog een keer. Beantwoord de vragen.

1 Waarvan is de situatie in Jemen uit de eerste alinea een voorbeeld? a Van agressie tussen mensen uit verschillende culturen. b Van een misverstand tussen mensen uit verschillende culturen. c Van twee mensen met dezelfde regels voor lichaamstaal. 2 Waarvan is de situatie in Noorwegen in alinea twee een voorbeeld? a Van dezelfde regels voor non-verbale communicatie binnen een cultuur. b Van een misverstand tussen mensen uit verschillende culturen. c Van een misverstand tussen mensen uit dezelfde cultuur. 3 Wat is volgens cultureel antropoloog Edward Hall de reactie van mensen die een bezoek brengen aan de tandarts? a Ze ervaren het bezoek als een daad van agressie. b Ze ervaren het lichamelijke contact als plezierig. c Ze maken zo min mogelijk contact met hun omgeving. 4 Wat zegt de tekst over de intieme ruimte? a De regels die in deze ruimte gelden, verschillen per cultuur. b De regels die in deze ruimte gelden, verschillen per persoon. c De regels die in deze ruimte gelden, zijn overal hetzelfde.

Code+4_v3.indd 17

4

Doe de opdrachten online: Hoofdstuk 1 ➔ Subthema 2 ➔ Voor de les ➔ Woorden 1 en 2.

3/10/18 09:21


18

HOOFDSTUK 1

TE GEK VOOR WOORDEN

SUBTHEMA 2

In de les Grammatica - Het pronomen

Bezitsrelaties het possessief pronomen Uw vervoersbewijs alstublieft. Ik doe ook maar mijn werk. bezits-s Marks vriendin woont in Spanje. Zo laat je zien dat je iemands houding niet prettig vindt. We gaan straks naar de verjaardag van Anna’s moeder. Ali’s vrouw is gisteren bevallen van een zoon. Heb je Hans’ nieuwe huis al gezien? van Zal ik u het nummer van de klantenservice geven? De dochter van mijn buurvrouw zei… die / dat van mij Is dit jouw koffie of die van mij? ➔ Die van mij geloof ik. Is dit jouw kopje of dat van mij? ➔ Dat van mij geloof ik. Je gebruikt die/dat + van + het pronomen van het object (mij, jou, u, hem, haar, ons, jullie, hen) z ’n / d’r (vooral spreektaal) Mijn buurvrouw d’r dochter zei dat ook. Jan z’n baas was gisteren afwezig. possessief pronomen + -e (vooral spreektaal) Is dit jouw koffie of de mijne? De jouwe, volgens mij.

Onderstreep alle bezitsrelaties in het transcript van de tekst van opdracht 2 (Een proces-verbaal). Het zijn er dertien. Bespreek samen de antwoorden.

5.1 Lees de vraag. Luister daarna nog een keer naar de audio van opdracht 2, Proces-verbaal. Beantwoord de vraag.

Uit welke zinnen of woorden blijkt dat de sprekers boos zijn? Schrijf ze op.

Code+4_v3.indd 18

3/10/18 09:21


HOOFDSTUK 1

TE GEK VOOR WOORDEN

SUBTHEMA 2

19

5.2 Voer een gesprek.

Bedenk hoe het gesprek anders zou kunnen gaan: de andere passagiers proberen de conducteur ervan te overtuigen dat hij de oudere vrouw geen boete geeft. Maar dat gaat niet zo makkelijk. - Bedenk samen eerst drie argumenten waarom de vrouw geen boete moet krijgen. - Bedenk ook welke argumenten de conducteur heeft om wel een boete te geven. - Verdeel de rollen en voer het gesprek.

5.3 Bespreek samen de antwoorden.

6.1 Luister en schrijf de zinnen op.

6.2 Luister en zeg na.

7.1 Bespreek de vragen. Ze sluiten aan bij de leestekst van opdracht 3 Lichaamstaal is overal anders.

1 In de tekst staat: ‘Naast een vreemde gaan zitten in een verder lege bus, voelt voor beide partijen ongemakkelijk. Althans, voor ons Europeanen, terwijl het aan de andere kant van de wereld heel normaal wordt gevonden.’ Waar ga jij zitten in een bus of trein? Zo ver mogelijk van een andere passagier of juist dichtbij? Waarom? 2 In het voorbeeld uit de tekst over Jemen is sprake van non-verbale communicatie. Hoe weet je dat? - Welke vormen van non-verbale communicatie zou je nog meer kunnen gebruiken in deze situatie? - Stel je voor: de twee mensen in dit voorbeeld spreken allebei Nederlands. Wat zouden ze tegen elkaar kunnen zeggen? 3 Volgens cultureel antropoloog Edward Hall kun je de ruimte om je heen verdelen in vier zones: de intieme, de persoonlijke, de sociale en de publieke ruimte. In de tekst staat een beschrijving van de intieme ruimte. - Wat gebeurt er in de andere drie ruimtes, denk je? Bedenk bij iedere ruimte een voorbeeld van een activiteit die zich daar afspeelt. - In welke ruimtes spelen de voorbeelden uit Jemen, Japan en Noorwegen uit de tekst zich af? 4 In de tekst staat: ‘Er zijn echter ook plezierige onderhoudsbeurten voor ons lichaam. Zo gaan veel mensen graag naar de kapper, schoonheidsspecialist of masseur’. Ga jij graag naar de kapper, de schoonheidsspecialist of de masseur? Waarom wel of niet?

Code+4_v3.indd 19

7.2 Bespreek samen de antwoorden.

8.1 Doe de opdrachten op het werkblad.

8.2 Bespreek samen de antwoorden.

3/10/18 09:21


20

HOOFDSTUK 1

TE GEK VOOR WOORDEN

SUBTHEMA 2

Na de les

9

Schrijf een tekst over een misverstand door een cultureel verschil. De Ghanese man in de tekst Verdriet? bij opdracht 1 ziet een Nederlandse verjaardag en denkt dat het een begrafenis is. Hij denkt vanuit zijn eigen cultuur. Heb je zelf wel eens een misverstand meegemaakt door een verschil tussen jouw cultuur en de Nederlandse cultuur? Wat deed je toen? Schrijf een tekst van maximaal 150 woorden over dit ­misverstand. - - - -

Code+4_v3.indd 20

Bedenk eerst wat het misverstand was. Schrijf op hoe het misverstand begon, wat jij op dat moment dacht en hoe het einde was. Ben je tevreden met het einde, of zou je het nu anders doen? Geef je tekst een titel.

3/10/18 09:21


HOOFDSTUK 1

TE GEK VOOR WOORDEN

21

SUBTHEMA 3

Subthema 3

Communicatie via reclame

Vóór de les 1

2

Lees en beantwoord de vragen. 1

Denk aan een Nederlandse reclame. Waar heb je de reclame gezien of gehoord (op tv, op internet, op de radio, in een tijdschrift, enzovoort)?

2

Waar gaat de reclame over?

3

Waarvoor wordt reclame gemaakt (het product en het merk)?

Zoek een reclamefilmpje op internet. Bekijk de reclame een paar keer. Waar gaat hij over? Wat gebeurt er in de reclame? Wat is de boodschap? Maak aantekeningen.

Code+4_v3.indd 21

3/10/18 09:21


22

HOOFDSTUK 1

TE GEK VOOR WOORDEN

SUBTHEMA 3

3.1 Lees de vragen en de tekst. Beantwoord de vragen.

1

Het onderwerp van de tekst is humor en reclame. Bij dit onderwerp wordt een belangrijke vraag ­gesteld waarop de tekst vervolgens zelf antwoord geeft. Welke vraag is dat? Onderstreep één zin.

2 Wat zegt de tekst over het effect van humor op reclame? a Humor in reclames is effectief, maar het overtuigt mensen niet van de kwaliteit van het product. b Humor in reclames is effectief, want het overtuigt mensen om een product te kopen. c Humor in reclames is niet effectief, want mensen onthouden een reclame daardoor minder goed. 3

In welke zinnen wordt de tekst samengevat? Onderstreep die zinnen.

Deze tekst komt uit een onderzoeksrapport van de Stichting Wetenschappelijk Onderzoek C ­ ommer­ciële Communicatie (SWOCC).

Humor en reclame 1

5

10

Humor in reclame wordt enorm gewaardeerd, maar leidt humor ook tot waardering van een merk, het onthouden ervan, het herkennen en ten slotte tot het kopen van een product? De vraag is of humoristische reclame beter werkt dan niethumoristische reclame. Een definitie van humor Wat is humor eigenlijk? In de meeste definities van humor komt het woord tegenstrijdigheid of incongruentie voor; dit betekent dat er iets heel anders gebeurt dan je verwacht. Een humoristische situatie kan op veel manieren worden gecreëerd. Om een paar humor­ technieken te noemen: slapstick (Charlie Chaplin, Tom & Jerry), verrassingen, absurde situaties, ironie, satire (iets of iemand belachelijk maken), woordspelingen, overdrijvingen en understatements (iets minder erg of minder belangrijk maken dan het in werkelijkheid is).

20

Uitvoerende factoren Het effect van humor wordt beïnvloed door drie factoren: uitvoerende factoren, publieksen productfactoren. Uitvoerende factoren zijn factoren die reclamemakers zelf kunnen bepalen. Het gaat daarbij onder andere om het soort humor dat wordt gebruikt. Zo blijkt bijvoorbeeld vaak dat humor die gebaseerd is op incongruenties, een gunstig effect heeft op de waardering van de reclame zelf en het geadverteerde merk. Verder is een humoristische reclame effectiever als de humor ondergeschikt is aan de boodschap; de boodschap moet dominant blijven. Tot slot is humor in een serieuze context effectiever dan in een humoristische context.

25

Publieksfactoren Publieksfactoren hebben te maken met de eigenschappen van de doelgroep. Mannen houden bijvoorbeeld meer van agressieve of seksuele humor en vrouwen meer van milde humor. Er zijn ook culturele verschillen in de waardering van humor. In Britse tv-reclames worden bijvoorbeeld meer understatements gebruikt dan in Amerikaanse. Verder lijkt het zo te zijn dat humor in reclames het meeste effect heeft bij hoger opgeleiden en bij jongeren.

15

Productfactoren Productfactoren hebben te maken met de kenmerken van het product waarvoor reclame wordt gemaakt. Humor heeft het meeste effect in reclames voor eenvoudige producten als bier, chips en snoep. Verder blijkt humor beter te werken voor producten die al bekend zijn dan voor nieuwe producten.

Code+4_v3.indd 22

3/10/18 09:21


HOOFDSTUK 1

30

35

40

45

TE GEK VOOR WOORDEN

SUBTHEMA 3

23

Invloed van humor op reclame Hoewel het door al deze invloeden lastig is vast te stellen wat de werking van humor precies is, kan de algemene invloed van humor op reclame wel worden aangegeven: - Een humoristische reclameboodschap trekt meer aandacht dan een niet-humoristische reclameboodschap. - Het gebruik van humor verhoogt de waardering van een reclame-uiting. Dit geldt ook voor het merk en het product waarvoor reclame wordt gemaakt. - Humor werkt gunstig op het onthouden van de reclame-uiting zelf. Maar of de boodschap en het merk ook goed worden onthouden worden, is niet duidelijk. - Er is geen verschil tussen humoristische en niet-humoristische reclame als mensen van de kwaliteit van een bepaald product of een bepaald merk overtuigd moeten worden. Een mogelijke oorzaak van de negatieve onderzoeksresultaten is dat alle aandacht naar de humor gaat. Wat de adverteerder probeert over te brengen, wordt daardoor niet onthouden. Om effectief te zijn moeten het merk en de boodschap dus sterker overkomen dan de humor. De effecten van humor Humor kan voor verschillende communicatiedoelen een goed middel zijn. Het trekt bijvoorbeeld de aandacht en heeft een positieve waardering tot gevolg, wat weer leidt tot een positieve waardering van het merk. In het algemeen blijkt humor echter mensen niet te overtuigen van de kwaliteit van een product, terwijl dit toch een heel belangrijk doel van reclame is.

3.2 Lees de vragen. Lees de tekst nog een keer. Beantwoord de vragen.

1

In de vierde alinea (r. 21-25) worden drie publieksfactoren genoemd die van invloed zijn op het effect van humor. Welke van die drie factoren is niet helemaal zeker? a sekseverschillen (man of vrouw) b culturele verschillen c verschillen in leeftijd en opleiding

2

Welk woord geeft aan dat deze factor onzeker is?

3

In de eerste alinea worden vier communicatiedoelen van reclame genoemd: waarderen, onthouden, herkennen en kopen. In de zesde alinea worden, behalve waarderen en onthouden, ook nog twee andere communicatiedoelen genoemd. Vul de goede woorden in. De reclame moet:

trekken en mensen

van de kwaliteit van een product of merk.

4

In r. 36 staat: ‘Humor werkt gunstig op het onthouden van de reclame-uiting zelf. Maar of de boodschap en het merk ook goed onthouden worden, is niet duidelijk.’ Wat wordt bedoeld met de eerste zin: ‘Humor werkt gunstig op het onthouden van de reclameboodschap zelf’? a Humor zorgt ervoor dat je je herinnert wat er gebeurt in een reclame. b Humor zorgt ervoor dat je een positieve herinnering hebt aan een reclame. c Humor zorgt ervoor dat je je het product uit de reclame goed herinnert. 5

Code+4_v3.indd 23

4

In r. 43-44 staat: ‘Om effectief te zijn, moeten het merk en de boodschap dus sterker overkomen dan de humor.’ Naar welke zin in de derde alinea (r. 13-20) verwijst deze zin? Onderstreep de zin.

Doe de opdrachten online: Hoofdstuk 1 ➔ Subthema 3 ➔ Voor de les ➔ Woorden.

3/10/18 09:21


24

HOOFDSTUK 1

TE GEK VOOR WOORDEN

SUBTHEMA 3

In de les Grammatica - De zin

De hoofdzin met inversie 1 In dat tijdschrift voor computerliefhebbers Volgens communicatietrainer Van Burik Om effectief te zijn,

2 staat is moeten

3 4 een leuke reclame. de eerste zin van een praatje niet belangrijk. het merk en de boodschap sterk overkomen.

Het eerste deel van een zin met inversie kan uit veel woorden bestaan. Dat zijn woorden die bij elkaar horen. Ze vormen samen één woordgroep. De persoonsvorm (pv) staat in de hoofdzin altijd op de 2e plaats. Het subject staat op de 3e plaats. Let op: Begint de zin met ja of nee? Dan komt de persoonsvorm niet direct daarna. Na ja of nee volgt een komma. 0 Ja, Nee,

2 vind vind

3 ik ik

4 heel humoristisch. helemaal niet leuk.

In welke zinnen staat de persoonsvorm op de juiste plaats? 1

a Verder blijkt humor beter te werken voor producten die al bekend zijn. b Verder humor blijkt beter te werken voor producten die al bekend zijn.

2

a In de meeste definities van humor komt het woord ‘tegenstrijdigheid’ voor. b In de meeste definities van humor het woord ‘tegenstrijdigheid’ komt voor.

3

a b

1 deze reclame die reclame

Uit de onderzoeksgegevens kunnen we onder meer aflezen dat reclameboodschappen dankzij humor beter worden onthouden. Uit de onderzoeksgegevens onder meer kunnen we aflezen dat reclameboodschappen dankzij humor beter worden onthouden.

Bespreek samen de antwoorden.

5.1 Lees de vragen. Kijk daarna naar het reclamefilmpje dat de docent laat zien en beantwoord de vragen.

1 Voor welk product wordt in het filmpje reclame gemaakt? Hoe weet je dat? Is het meteen duidelijk wat voor soort product dit is?

2 Een tv-reclame kan beeld, geluid en tekst gebruiken om het merk en de boodschap duidelijk te maken. - Welke mogelijkheden worden in deze reclame gebruikt? - Wat is de boodschap van de reclame?

Code+4_v3.indd 24

3/10/18 09:21


HOOFDSTUK 1

TE GEK VOOR WOORDEN

SUBTHEMA 3

25

3 Kun je voorbeelden geven van non-verbale en van verbale humor die in de reclame worden ­gebruikt?

4 In de leestekst van opdracht 3 staat: ‘In de meeste definities van humor komt het woord ‘tegenstrijdigheid’ of het woord ‘incongruentie’ voor; dit betekent dat er iets heel anders gebeurt dan je verwacht.’ Is deze reclame gebaseerd op tegenstrijdigheid (incongruentie)? Licht je antwoord toe.

5 In de leestekst van opdracht 3 staat: ‘Verder is een humoristische reclame effectiever als de humor ondergeschikt is aan de boodschap; de boodschap moet dominant blijven.’ Is in deze reclame de humor minder belangrijk dan de boodschap? Licht je antwoord toe.

6 Denk je dat deze tv-reclame effectief is? Denk je dat mensen die product gaan kopen? Licht je antwoord toe.

5.2 Bespreek de antwoorden op de vragen.

5.3 Bespreek samen de antwoorden.

6

Vertel een reclameboodschap na. Werk samen. Vertel elkaar over het reclamefilmpje dat je bij opdracht 2 hebt gevonden. Vertel zo precies mogelijk wat er in de reclame gebeurt en wat je ziet. Vertel ook: - wat de boodschap van de reclame is. - of je de reclame grappig vindt. - of je de reclame effectief vindt. Je kunt ook vertellen over een reclame die je vroeger op televisie hebt gezien en die je je nog goed herinnert. Wissel van rol.

Na de les

7

Beschrijf een reclamefilmpje. Beschrijf het reclamefilmpje waarover je bij opdracht 6 hebt gepraat. Verdeel de tekst in drie alinea’s. - - - -

Code+4_v3.indd 25

Eerste alinea: merk, product en korte beschrijving reclamefilmpje. Tweede alinea: de ‘boodschap’ van het filmpje en het soort humor dat gebruikt wordt. Derde alinea: vertel of je de reclame effectief vindt of niet. Geef de tekst een titel.

3/10/18 09:21


26

HOOFDSTUK 1

TE GEK VOOR WOORDEN

SUBTHEMA 4

Subthema 4

Communicatie via sociale media

Vóór de les

1

Lees en beantwoord de vraag. Wat doe je op internet en hoe vaak? op sociale media (Facebook, Twitter, Instagram) kijken mailen informatie zoeken spullen kopen het nieuws lezen iets anders, namelijk

2

nooit regelmatig soms n n             

Lees de vraag en de tekst. Beantwoord de vraag. Welke zin is waar? a Het grootste gedeelte van de Nederlandse jongeren is verslaafd aan sociale media. b Meisjes zitten vaker op sociale media en zijn er vaker aan verslaafd dan jongens. c Slechts 1 procent van de Nederlandse jongeren is niet verslaafd aan sociale media.

Code+4_v3.indd 26

3/10/18 09:21


HOOFDSTUK 1

TE GEK VOOR WOORDEN

SUBTHEMA 4

27

Meer jongeren verslaafd aan sociale media 1

5

10

‘Ik ben verslaafd aan sociale media.’ Dit zegt 17 procent van de jongeren in Nederland. Meisjes zeggen vaker dat ze verslaafd zijn dan jongens. Bovendien kunnen sociale media volgens jongeren een negatieve invloed hebben op hun concentratievermogen, nachtrust en schoolprestaties. Dit blijkt uit een onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek. 22 procent van de meisjes tussen 12 en 18 jaar zegt verslaafd te zijn aan sociale media, zoals Facebook, Instagram, Snapchat of YouTube. Onder jongens van deze leeftijd is dit 13 procent. Meisjes besteden eveneens meer tijd aan sociale media; 14 procent van hen is elke dag 5 uur of langer actief. Onder jongens is dit 6 procent. De meeste jongeren zitten 1 tot 3 uur per dag op sociale media. Slechts 1 procent van de ondervraagden zegt geen sociale media te gebruiken. Bron: www.cbs.nl

3.1 Lees de vragen en de tekst. Beantwoord de vragen.

1

Waarover gaat de tekst voornamelijk? a hoe je veel vrienden kunt maken via Facebook b de nadelen van het gebruik van sociale media c wat je allemaal met een sociale netwerksite kunt doen

2

Wat voor soort tekst is het? a een nieuwsbericht b een e-mail c een column

Deze tekst komt uit de krant nrc.next.

Ik zit niet meer op Facebook en dat wil ik ook nooit meer 1

5

10

15

20

Code+4_v3.indd 27

Ik zit niet meer op Facebook. Na jaren trouw alle filmpjes en foto’s van mijn ‘vrienden’ te hebben geliket, heb ik mijn profiel onlangs verwijderd. Iedere dag keek ik zeker tien keer op Facebook. Via mijn telefoon of op mijn werk, overal was ik constant ingelogd. Tijdens iedere pauze of moment van verveling scrolde ik door de foto’s van belevenissen van anderen, die ik vaak nauwelijks kende. Een verslaving. Sinds een paar maanden ben ik er weg. En nu ben ik eindelijk vrij. Het aanmaken van het profiel was de start van mijn leven op sociale media. En daar begint de ellende eigenlijk al. Je kiest eerst de juiste profielfoto en schrijft wat informatie over jezelf. Dat gaat niet achteloos in een paar minuten. Je moet jezelf heel bewust op de juiste manier neerzetten. Je wilt dat mensen denken: wow, gaaf mens. En niet: wat een suf saai mens. Nee, je moet iemand zijn, dus: wie wil je zijn? En hoe breng je dat perfect over? Is deze foto te truttig of juist te kinderachtig? Welke andere pagina’s vind ik leuk? Wat zijn mijn merken? Plaats ik foto’s van mijn vakantie in Drenthe, of is dat duf? Je profiel wordt gevuld met foto’s. Foto’s van jezelf en van jezelf met je vrienden. En dan niet op de bank, maar in een hippe club. En je uploadt constant nieuwe plaatjes: van je meubels, nieuwe iPhone, je hond, je ongeboren kind, je vakantiehuisje. Ook belangrijk: je moet veel vrienden hebben. Niemand wil dat mensen denken dat je eenzaam bent. Die vrienden onderhoud je: ‘Hej meissie, alles goed? Love ya.’ En je laat berichten achter over waar je mee bezig bent. ‘Net naar de garage geweest’ of ‘Lekker naar Thailand’. En dus niet ‘ik voel me rot’. Op sociale media doet iedereen leuk en iedereen laat zien: kijk mij, kijk mijn leven. >>

3/10/18 09:21


28

HOOFDSTUK 1

TE GEK VOOR WOORDEN

SUBTHEMA 4

Alles lijkt mooier dan het is. Van niemand is het leven echter elke dag geweldig. Zo hoorde ik een keer over een vriend – die net een foto online had gezet van zichzelf met zijn vriendin, al met een glas wijn op het strand – dat hij net was ontslagen, zijn hond dood was en zijn vriendin vreemdging. Maar bij zijn foto stond: ‘Het leven is prachtig’. Je staat voortdurend onder druk. Om mee te blijven doen moet je berichtjes schrijven over waar je bent en met wie. En je moet niet vergeten om dat met foto’s en filmpjes te illustreren. Aan het aantal likes en comments kun je elke dag zien of je nog meetelt, of niet. En dat werkt verslavend. Op een gegeven moment kun je niet meer zonder sociale media. Je leven op Facebook wordt belangrijker, dan je echte leven daarbuiten.

25

30

Dat intensieve gebruik zorgt er bovendien voor dat je op veel profielen van anderen terechtkomt. Mensen zetten hun hele leven online, het is een soap die je wilt blijven volgen. Je blijft maar neuzen. En al dat neuzen levert vervolgens ook weer stress op. Want je ziet dat een vriendin van jou wel de foto van iemand anders leuk vond, maar niet die van jou. Vervolgens zie je dat een vriend van een vriendin van een vriend op de pagina van je geliefde is geweest. Haar vriendin heeft weer een vriendin die een foto heeft uit een kroeg waar je vriend op staat. Waarom?

35

40

Het resultaat is dat je elk uur van de dag op Facebook kijkt. Je kunt niet langer onderscheid maken tussen belangrijke en onbelangrijke zaken. De enige oplossing: weg van sociale media. En dan blijkt: wat niet weet dat niet deert.

Code+4_v3.indd 28

3.2 Lees de vragen. Lees de tekst nog een keer. Beantwoord de vragen.

4

1

De schrijver moest een aantal dingen doen toen ze nog actief was op sociale media. Geef de activiteiten een nummer in de volgorde waarin ze in de tekst beschreven worden. N ­ ummer 1 is de eerste activiteit.

vrienden onderhouden

een profiel aanmaken

vrienden maken

2

Onderstreep in de tekst alle woorden die gaan over internet en sociale media.

3

Zoek in je woordenboek de betekenis op van ‘deren’. (r. 44) - Wat betekent ‘deren’?

- In de tekst staat: ‘En dan blijkt: wat niet weet dat niet deert.’ Wat betekent de uitdrukking ‘wat niet weet dat niet deert’?

4

In r. 37 staat: ‘Je blijft maar neuzen.’ Is ‘neuzen’ een substantief of een verbum? Weet je wat de zin betekent als je de rest van de alinea gelezen hebt? Schrijf de betekenis op.

5

De schrijfster van de tekst hoorde over een vriend ‘dat hij net was ontslagen, zijn hond dood was en zijn vriendin vreemdging.’ (r. 26-27) Onder welk woord vind je de betekenis van ‘vreemdging’ in je woordenboek? Schrijf de betekenis op.

Doe de opdrachten online: Hoofdstuk 1 ➔ Subthema 4 ➔ Voor de les ➔ Woorden 1 en 2.

3/10/18 09:21


HOOFDSTUK 1

TE GEK VOOR WOORDEN

SUBTHEMA 4

29

In de les Reflectie

Manieren van lezen Globaal lezen Je leest globaal als je je oriënteert je op de tekst. - Je bepaalt het onderwerp, de herkomst en het doel van de tekst. - Je bepaalt voor wie de tekst is geschreven (het publiek). - Je bepaalt wat voor soort tekst het is. Dit doe je vooral door te kijken naar de titel, de tussenkopjes en de lay-out van de tekst. Extensief lezen Je leest extensief als je snel bepaalde informatie in een tekst wilt opzoeken. Je leest de tekst niet precies, maar zoekt naar specifieke woorden of delen. De lay-out van een tekst kan je daarbij ook helpen. Je kijkt bijvoorbeeld naar: - De titel, ondertitel en tussenkopjes, die geven belangrijke informatie. - De witregels, die geven aan dat er een nieuw tekstdeel (een alinea) begint. Intensief lezen Je leest intensief als je een tekst helemaal wilt begrijpen. Je moet dan precies weten welke woorden in een zin bij elkaar horen en welke woorden naar (een deel van) een andere zin verwijzen. De volgende zinnen komen uit de leestekst van opdracht 3, Ik zit niet meer op Facebook en dat wil ik ook nooit meer. Als je intensief leest, kun je daar bijvoorbeeld de genoemde vragen bij stellen. 1 Je kiest eerst de juiste profielfoto en schrijft wat informatie over jezelf. Dat gaat niet achteloos in een paar minuten. - Waarnaar verwijst ‘dat’? 2 En al dat neuzen levert vervolgens ook weer stress op. - Bij welk woord hoort het woord ‘op’? 3 Je staat voortdurend onder druk. - Bij welke woorden hoort het woord ‘druk’? Tip Lezen in het Nederlands wordt pas echt leuk als je niet meer over elk woord en elke zin hoeft na te denken. Probeer daarom ‘kilometers’ te maken door alles te lezen wat je tegenkomt. Op die manier verhoog je je leessnelheid.

Lees en beantwoord de vragen. Ze gaan over de leestekst van opdracht 3, Ik zit niet meer op Facebook en dat wil ik ook nooit meer. 1 2 3 4

Code+4_v3.indd 29

Beantwoord de bovenstaande vragen onder het kopje ‘intensief lezen’. Naar welk woord verwijst ‘hij’ (r. 26)? Onderstreep dat woord in de tekst. Welk woord hoort bij ‘achter’ (r. 19)? Onderstreep dat woord in de tekst. Welk woorden horen bij ‘waar’ (r. 40)? Onderstreep de woorden in de tekst.

Bespreek samen de antwoorden.

3/10/18 09:21


30

HOOFDSTUK 1

TE GEK VOOR WOORDEN

SUBTHEMA 4

5.1 Bespreek de vragen. Ze sluiten aan bij de leesteksten van opdracht 2 en 3, Meer jongeren verslaafd aan sociale media en Ik zit niet meer op Facebook en dat wil ik ook nooit meer.

1 2 3 4

Zit jij ook op Facebook? Of heb je een profiel op andere sociale media? Waarom wel of niet? Wat zijn de voor- en nadelen van Facebook (of andere sociale media)? Zou je een profiel van jezelf willen aanmaken in het Nederlands? Waarom wel of niet? Welke voordelen en nadelen kun je bedenken? In de tekst Ik zit niet meer op Facebook en dat wil ik ook nooit meer, staat: 'En nu ben ik eindelijk vrij' (r. 5-6). Daarmee zegt de schrijfster ook iets over vroeger. Hoe zou je haar situatie van een jaar geleden beschrijven? 5 In de tekst staat: ‘Je wilt dat mensen denken: wow, gaaf mens.’ (r. 10) In de tekst staan woorden die vooral in de spreektaal worden gebruikt. Bijvoorbeeld: ‘gaaf’. Er staan nog meer van dit soort adjectieven in dezelfde alinea. Welke zijn dat? 6 Wie zegt in de derde alinea: ‘Hej meissie, alles goed? Love ya.’? (r. 18) - Hoe schrijf je dit in iets formelere taal? - Schrijf je op sociale media of in berichtjes op je telefoon ook op een andere manier? - Zo ja, wat is het verschil? 7 In de tekst noemt de schrijfster een aantal redenen waarom ze haar Facebookprofiel heeft ­verwijderd. Kun je nog meer redenen bedenken waarom mensen niet op sociale media willen? 8 In de tekst Meer jongeren verslaafd aan sociale media staat een verschil tussen jongens en ­meisjes. - Over welk verschil gaat het? - Vind je dit een logisch verschil? - Hoe kun je het verschil verklaren? 9 Hoe kun je voorkomen dat jongeren verslaafd raken aan Facebook en andere sociale media? Bedenk twee manieren.

5.2 Bespreek samen de antwoorden.

6 Je krijgt van de docent de tekst Help, mijn inbox is vol!. Lees de vragen en zoek de antwoorden in de tekst. Je hebt vijf minuten de tijd.

Code+4_v3.indd 30

1

Hoeveel e-mails krijgt het grootste deel van de managers per dag?

2

Noem twee dingen waaraan managers zich ergeren.

3

Hoeveel procent van de werknemers kijkt maar een of twee keer per dag naar zijn mail?

4

Welke twee soorten mail kosten volgens Robert Venstra te veel tijd?

5

Noem één manier waarop je efficiënter met mail kunt omgaan.

3/10/18 09:21


HOOFDSTUK 1

TE GEK VOOR WOORDEN

SUBTHEMA 4

31

7.1 Bespreek de vragen. Ze gaan over het diagram.

1 2 3 4 5

Waar gaat dit diagram over? Kijk naar de titel. Welke internetgebruikers maken het meest gebruik van sociale media? Bedenk twee redenen. Wie maken het minst gebruik van sociale media? Bedenk twee redenen. Welke groep gebruikers zal nog groeien, denk je? Lees de volgende zinnen en streep de woorden door die onjuiste informatie geven. - De mensen die het meest gebruikmaken van sociale netwerken zijn: laag / middelbaar / hoog opgeleid mannen / vrouwen 12-25 / 25-45 / 45-65 / 65 jaar of ouder. - De mensen die het minst gebruikmaken van sociale netwerken zijn: laag / middelbaar / hoog opgeleid mannen / vrouwen 12-25 / 25-45 / 45-65 / 65 jaar of ouder.

Gebruik van sociale netwerken in Nederland naar geslacht, leeftijdsgroep en opleiding Geslacht Mannen Vrouwen Leeftijd 12 tot 25 jaar 25 tot 45 jaar 45 tot 65 jaar 65 tot 85 jaar Opleidingsniveau Lager onderwijs Middelbaar onderwijs Hoger onderwijs 0

20

40

Bron: CBS

60

80

100

% internetters

7.2 Presenteer het diagram.

Beschrijf het diagram. Gebruik de vragen van opdracht 7.1. Je hoeft geen percentages te noemen. - Begin je beschrijving met ‘In dit diagram zie je …’ - Vergelijk de verschillende groepen gebruikers. Je kunt in je vergelijking zinnen gebruiken met ‘meer dan’, ‘minder dan’, ‘het meest’, ‘het minst’ en ‘weinig verschil’. - Kies een groep uit het diagram en vertel waarom die volgens jou meer of minder gebruikmaakt van sociale media dan andere groepen. Geef één reden. Cursist A beschrijft het diagram, cursist B luistert. Wissel van rol.

Code+4_v3.indd 31

3/10/18 09:21


32

HOOFDSTUK 1

TE GEK VOOR WOORDEN

SUBTHEMA 4

7.3 Bespreek samen de presentaties.

8

Luister naar de docent en schrijf een tekst. De docent leest een tekst twee keer voor. Maak bij de tweede keer aantekeningen. Schrijf daarna samen een reconstructie van de tekst.

Na de les

9

Beschrijf het diagram van opdracht 7 in 100-125 woorden. - - -

Begin de beschrijving met 'In dit diagram wordt informatie gegeven over...' Beschrijf drie dingen die je in het diagram opvallen. Kies een groep uit het diagram en vertel waarom die volgens jou meer of minder gebruikmaakt van sociale media dan andere groepen. Geef één reden.

Slot

Maak de tekst compleet. Op het werkblad staat een deel van het transcript van de audio van subthema 2, Proces-verbaal. ­ uister nog een keer naar de audio. Vul de ontbrekende woorden in. Controleer je antwoorden met L behulp van het transcript dat je van de docent krijgt.

Code+4_v3.indd 32

3/10/18 09:21


HOOFDSTUK 1

TE GEK VOOR WOORDEN

VERBINDINGEN EN IDIOOM

33

Verbindingen en idioom Dit zijn de verbindingen en het idioom van hoofdstuk 1. Doe de opdrachten online: Hoofdstuk 1 ➔ Oefenen ➔ Verbindingen en idioom.

Verbindingen Subthema 1 contact leggen met iemand een poging doen ergens over beginnen het naar je zin hebben horen bij iets/iemand in feite indruk maken onder controle zoeken naar iets/iemand

Subthema 3 de aandacht trekken iemand overtuigen van iets iemand/iets belachelijk maken iets tot gevolg hebben onder andere (o.a.) ondergeschikt zijn aan iets/iemand tot slot Subthema 4 dat wil zeggen (d.w.z.)

Subthema 2 een inbreuk op iemand op afstand houden het recht hebben jaloers zijn op

Idioom

Code+4_v3.indd 33

Subthema 1 aan mijn lijf geen polonaise al dan niet brokken maken de kat uit de boom kijken een blauwtje lopen gesteld zijn op iets iemand binnen hengelen te gek voor woorden voor gek staan

ergens geen zin in hebben wel of niet problemen of schade veroorzaken afwachten afgewezen worden iets heel belangrijk vinden iemand ergens van overtuigen heel erg, belachelijk een belachelijke indruk maken

Subthema 2 dat kunt u niet maken in de ogen van iemand in één oogopslag je mond houden je mond opendoen navraag doen op een laag pitje

dat kunt u niet doen volgens de mening of opvatting van iemand in één keer niets zeggen je mening geven informatie vragen over iets wat eerder gebeurd is weinig aandacht aan iets besteden

Subthema 4 onder druk staan vreemdgaan

gedwongen worden iets snel te doen seksueel contact hebben met iemand anders dan je eigen partner

3/10/18 09:21


34

HOOFDSTUK 1

TE GEK VOOR WOORDEN

OEFENEN VOOR STAATSEXAMEN II

Oefenen voor Staatsexamen II Spreken

1.1 Bedenk samen wat je kunt zeggen in deze situaties.

1 2 3 4

5 6

Je staat al een kwartier op de bus te wachten. Bij de bushalte staat ook een oudere vrouw te wachten. Je wilt een praatje maken. Wat zeg je? (een of twee zinnen) Je zit naast iemand van je eigen leeftijd in de trein. Je wilt een praatje maken. Wat zeg je? (een of twee zinnen) Je hebt een paar dagen geleden ruzie gehad met je beste vriend of vriendin. Je vindt die ruzie heel vervelend. Dan kom je hem/haar tegen op straat. Wat zeg je? (een of twee zinnen) Je moet voor je studie met een jongen samenwerken. Je vindt de kwaliteit van zijn werk slecht. Hij heeft voortdurend kritiek op jouw werk, maar van jou accepteert hij geen kritiek. Je hebt er genoeg van. Je belt hem op. Wat zeg je? (meer dan twee zinnen) Je buurvrouw belt aan. Ze wil je een zak tweedehands kleren geven. Je wilt geen oude kleren, maar je vindt je buurvrouw erg aardig. Wat zeg je? (meer dan twee zinnen) Je bent net geslaagd voor een examen. Je gaat blij naar huis, je zet thuis een muziekje op en je zingt lekker mee. Je buurman belt aan. Hij zegt erg boos: ‘Wat is er met jou aan de hand? Ik kan mijn eigen tv niet eens horen.’ Je schrikt van zijn boze toon. Hoe reageer je? (meer dan twee zinnen)

1.2 Luister naar de docent en geef een reactie.

Schrijven

2

Maak de zinnen af. 1

Een praatje beginnen is niet moeilijk. Eerst maak je oogcontact.

2

Als iemand die je niet kent, te dichtbij komt, kan dat vervelend zijn. Daarom

3

Tot voor kort had ik een account op Facebook, Twitter en Instagram.

Daarom heb ik al mijn accounts verwijderd.

4

Jongeren zijn heel actief op sociale media en hebben daar veel vrienden. In het dagelijks leven

5

Mannen en vrouwen waarderen een ander soort humor. In het algemeen

Vrouwen houden meer van milde humor.

Code+4_v3.indd 34

3/10/18 09:21


HOOFDSTUK 1

TE GEK VOOR WOORDEN

WOORDENLIJST

35

Woordenlijst Introductie wc-bril, de Subthema 1 adviseren asbak, de benadrukken bevestigen congres, het diep getalenteerd inhoud, de inschatten interactie, de kloppen netwerken neutraal non-verbaal omdraaien, zich omkeren onbeschoft onbewust onderbreken* opdringen, zich* oppervlakkig oriënteren, zich overbrengen* partner, de receptie, de steken* stoplicht, het strip, de toestemming, de toeteren verbaal voorkeur, de wegsturen Subthema 2 aarzelen afstandelijk agent, de buitengewoon

Code+4_v3.indd 35

compenseren doodgaan* doorgaans dringen* dronken fluisteren gebaar, het houding, de impliciet inchecken intiem jaloers kaars, de kortom kring, de markeren misverstand, het opsporen overkomen* privacy, de proces-verbaal, het signaal, het terugdeinzen universeel vergissing, de verontschuldigen, zich zintuig, het

Subthema 4 achteloos achterlaten* afleiden berekenen duf efficiënt ergernis, de eveneens geliefde, de illustreren kinderachtig meetellen mens, het nut, het nutteloos onderhouden* ondervragen* ontslaan* opleveren overbodig productief slordig suf twijfelen voortdurend vullen wegwerken

Subthema 3 absurd adverteren context, de creëren gunstig ironie, de mild overdrijving, de tegenstrijdigheid, de uiting, de uitvoeren waardering, de werking, de

3/10/18 09:21


Code+ Basisleergang Nederlands voor anderstaligen B1 - B2 Basisleergang Nederlands voor anderstaligen

Basisleergang Nederlands voor anderstaligen

Code+ is een methode voor hoogopgeleide anderstaligen om snel en efficiënt Nederlands te leren. Met Code+ leer je Nederlands aan de hand van concrete taaltaken. Je kunt het onder begeleiding van een docent of zelfstandig doorwerken.

Elk deel bestaat uit een boek met opdrachten en bijbehorend materiaal op het online leerplatform www.nt2plus.nl. Hier vind je oefeningen voor bijvoorbeeld luisteren, woorden en grammatica. Ook kun je online gemakkelijk je vorderingen volgen.

B1 – B2

Code + is ontwikkeld door ervaren docenten van de Universiteit van Amsterdam en de Vrije Universiteit Amsterdam die zelf lesgeven aan hoogopgeleide Nt2leerders. Ze zijn deskundig op het gebied van Nt2 én ze weten wat werkt in de praktijk. Met Code+ leg je dan ook de basis voor een succesvol leven in Nederland!

DEEL 4

DEEL 4

Code+ bestaat uit 4 delen. Met elk deel zet je een niveaustap in het Europees Referentiekader (ERK). - Deel 1: 0 - A1 - Deel 2: A1 - A2 - Deel 3: A2 - B1 - Deel 4: B1 - B2 Als je alle vier de delen van Code+ succesvol hebt doorlopen, kun je met een gerust hart deelnemen aan het Staatsexamen Nt2 Programma II.

B1 - B2

9 789006 978377

3205_NT2_Cover_Code+D4.indd All Pages

3/10/18 09:38


Issuu converts static files into: digital portfolios, online yearbooks, online catalogs, digital photo albums and more. Sign up and create your flipbook.