Reveil20 Verhalenboek

Page 1

REVEIL #20

dag van de vergeten verhalen

REVEIL
©
Reveil vzw
dag van de vergeten verhalen
2020

p09 Vooraf

p13 Peter Verhelst | Het Licht I

p15 Peter Verhelst | Het Licht II

p16 Marjolijn van Raaij | Het koninkrijk aan het kanaal

p21 Dick van Welzen | DAT IS GENOEG

p22 Abel Dossche | Wolf

p23 Erika De Stercke | De wereld in rouw

p24 Erwin de Ridder | Moeders sterven niet

p26 Angelo Cloof | Aan de dood kan je niet ontsnappen

p29 Frederik Bosmans | Kist

p32 Aya Sabi | Behalve Elkaar

p33 Rino Feys | NIE GEZEID

Het lettertype collectief Kortrijk

p34

Kate Dejonckheere | Stadsvlucht

p37 Joke De Kerpel | Hartenvier

p39

p41

p42

p44

p46

p49

Alice Boudry | Sluimer

Judith De Wandel | Waas

Louise Maddens | Het rouwen dat mij wacht

Oona Loncke | Rouw in tijden van corona

Vere Verheecke | hōkū

Louis Vanoosthuyze | Dag pépé

p50 Thomas Jacques | Zuurstof

p51 Gerard Scharn | Voorgoed verleden tijd?

p52 Ingrid Vanderkrieken | Heimwee naar de verte

p54 Jeroen Zonneveld | Kliekjes

p55 Meliza de Vries | Rechtsaf

p57 Joke Prinsen | Toen de dood

p59 Joke Prinsen | De stand van zaken zoals zichtbaar werd uit een buitenwijks raam in juli 2020

p61 Kristien Severs Rocha | Flarden

p62 Rudi Lavreysen | Het lukt niet

p64 Leonie De Clercq | Haar haren in de kap van mijn winterjas

p66 Shana Pauwels | Ster

p68 Tine Putzeys | De kroning van Maria

p73 Evie Vallet | Licht geraakt

p75 Evie Vallet | Zeepdoos

p76 Hanneke Middelburg | Punt

p77 Greet Langen | Zomer

p78 Ingrid Van Remoortel | Black label

p79 Ingrid Van Remoortel | 1 november

p81 Annemarie van Es | 100 mutsjes

p83 Melissa Van Dam | Ooit zal ik het oprapen

p84 Nina Moortgat | Stofdeeltjes

p85 Vincent Vandommele | Elke gedachte aan jou

p86 Katrien Vandeginste | Uil

p88 Siebrand Craeynest | 18 november 2017

p90 Valerie Tack | Maneki neko, of de gelukskat

4 5
INHOUD

In 2012 stierven in de gemeente Deerlijk vier jonge mensen uit dezelfde vriendenkring in zes maanden tijd. De band Zinger, die een muzikale vriend had verloren, maakte er een nummer over, ‘Grace (Everybody’s Dying these Days)’. Bij de voorbereiding van de bijbehorende videoclip kwam de band bij Nico Hermans, voorzitter van de Belgian Truckers Club (BTC). Hij had een oude Chevrolet Bisontruck gekocht om die als pensioenproject op te knappen.

Net voor de opnames stierf Nico. Zijn BTC-kompanen werkten het project van Nico af, en als eerbetoon reden ze de truck naar het kerkhof, terwijl de Zingerfanfare het nummer ‘Grace’ aan zijn graf speelde. De truckers ontkurkten enkele flessen, toostten en lachten om schunnige anekdotes en Nico’s koppige karakter. Geen opsmuk, geen verheerlijking, enkel eerlijke, menselijke verhalen. Zanger Pieter Deknudt besloot om dit beklijvende moment mee te nemen naar zijn thuishaven Deerlijk. Samen met de cultuurraad organiseerde hij er op 1 november 2014 de eerste editie van Reveil. Tussen 17 en 18 uur baadde de lokale begraafplaats even in een gloed van theelichtjes, koperblazers en vergeten verhalen. De heemkring vertelde en de band speelde tussendoor muziek onder begeleiding van de lokale fanfare. De opkomst en reacties waren overweldigend. De mensen achter Reveil ontdekten dat veel mensen de behoefte hebben om op 1 november iets meer te doen dan een chrysant op een graf te leggen. Sindsdien laat Reveil elk jaar op 1 november Vlaamse begraafplaatsen opleven met muziek, poëzie en verhalen. Elke gemeente geeft een plaats aan lokale muzikanten en woordkunstenaars om een respectvol eerbetoon te brengen aan overleden streekgenoten. Ondertussen zitten we aan de zevende editie.

VOORAF 7

Omdat het te jammer is om de opgehaalde verhalen, gedichten en herinneringen na elke editie telkens onder het stof te laten verdwijnen, besloot Reveil in 2016 om een verhalenblog op te zetten waar teksten op terechtkomen die mensen insturen. Het gaat om over de vergeten verhalen van dierbare overledenen.

Enkele van die inzendingen prijken in dit boek naast werk van professionele auteurs, zoals Peter Verhelst, Aya Sabi en Valerie Tack. Ook opkomend literair talent krijgt hier een plaats. Een mooi aandenken voor wie na Reveil 2020 nog wat wil nalezen, en een mooi eerbetoon aan alle mensen die het verdienen om niet vergeten te worden.

Omdat niet alle verhalen hun weg vonden naar deze publicatie, ontwierp Reveil een digitale verhalenbank waar iedereen een tekst kan achterlaten over een dierbare overledene. Zo kunnen we onze begraafplaatsen omvormen tot warme verzamelplekken van herinneringen, die de wortels van onze samenleving vormen.

8

HET LICHT I

Weldra komen we aan op de plek hoewel we nog niet weten hoe we er terechtkwamen en waarom er ’s nachts zoveel licht is, niet meer duidelijk

wie we zijn als we wakker worden, maar is het wel wakker worden wat we doen, nu

uren in een seconde verstrijken en de tijd tegelijk achteruit loopt, almaar brozer het huis, almaar bleker. We zien onszelf amper nog in de tuin naast de bloesemboom,

fel wit, met een hand boven de ogen en met de andere zwaaiend, vermoeden we, doorschijnend, nog even

al die bloesems, blijf kijken tegen de groter wordende zon in.

11

HET LICHT II

Was me met licht en melkwit

zal de zee in de rivier en de rivier terug naar de bron, de grond in

laten we naar elkaar toe rennen over de zoutwitte vlakte twee beverige vlammen die als ze eindelijk samenkomen ontketenen

een ultieme, verticale zee van laswit licht.

13 Larissa Viaene

HET KONINKRIJK AAN HET KANAAL

Marjolijn van Raaij

Ons koninkrijk bestaat uit drie stacaravans aan de rand van het kanaal. Papa is de koning. Sam, Saar en ik de prins en de prinsessen. School was saai vandaag, en het is koud, dus ik zet grote stappen op de klinkers. De weg vanuit het dorp kronkelt tussen de huizen door, en ik stap, stap, stap richting de hoek bij het heksenhutje. Daar woont een oude vrouw die altijd naar ons roept als we langskomen, armoedzaaiers noemt ze ons, dus ik versnel, tot ik de bocht om ben. De weg wordt breder en vormt zo de kade, alsof hij uitmondt in een rivier, maar dan in het bruine water van het kanaal. Het is wel honderd meter naar de andere kant, zei Saar, en dat is waar mama nu is, zei ze, en ik stop plichtsgetrouw eventjes om te zwaaien. Aan de overkant is het leeg. Alleen het zwiepende gras van de weilanden zwaait naar me terug. Verder is er niks te zien, en een gek gevoel knaagt in mijn maag. Daar wil ik niet aan denken, dus verder naar huis nu, stap, stap, stap. Langs de kade staan bankjes met namen erin gekrast en bomen leunen erover heen alsof ze hen willen beschermen voor de wind. De wind waait hier altijd. Aan het einde van de kade staat de grootste boom. Ik kijk naar het oranje touw dat bungelt aan een van de takken. Ik moet denken aan de zomer, wanneer de kade volstroomt met de kinderen uit het dorp, en ze zichzelf met het touw het kanaal in slingeren, soms zo ver dat ze bijna aan de andere kant het water in plonzen, gillend van pret. Toen ik een keer vroeg aan Saar of we bij mama op bezoek konden, zei ze nee, omdat we geen boot hebben. Nu sta ik onder het touw en bedenk ik me dat ik misschien wel kan slingeren naar de andere kant. Maar vandaag is het ijzig koud en als ik in het water val, krijg ik het niet meer warm vanavond, dus ik stop de gedachte weg achter in mijn hoofd. Misschien morgen, of als het warmer wordt.

Voorbij de boom, door het hoge riet, loop ik door met stevige passen. Hier is het pad gevormd door de zware voetstappen van papa en een beetje door die van ons. Ik loop langs de weilanden en pluk de wol uit het prikkeldraad. Verder, verder, bijna honderd grote stappen, tot de grond zompig wordt. Ik zie het groepje hoge bomen, trots in het lege landschap, de poorten van ons koninkrijk. Hier wonen we. Drie stacaravans aan het kanaal.

Sam en Saar staan op de kade. Ze kijken naar iets in het water. Ik duw het hekje open en ren naar ze toe. Sam hoort me pas als ik achter hem sta. Hij draait zich om, en ik schrik, want zijn ogen zijn groot en tranen rollen over zijn wangen. Ik pak zijn handje vast en kijk over zijn schouder naar het water.

Daar dobbert het: eerst kan ik het niet plaatsen, omdat het zo groezelig is. Maar dan zie ik de pootjes en het kopje met open ogen, lege streepjes zonder leven. Een schaap dobbert op zijn kant in het water. De wind maakt golven tegen de kade, en zo wordt het dier elke paar seconden tegen de kant geduwd en weer een stukje weggetrokken. Sam huilt zachtjes en ik kijk op naar Saar, die op haar beurt strak naar het schaap kijkt. Ik trek aan haar mouw. Dan pas lijkt ze te merken dat ik er ben. Saar huilt niet, kijkt niet geschrokken, ze is rustig zoals altijd, en ze zegt:

‘We moeten papa halen.’

Papa’s stacaravan staat het dichtst bij de poort. Het is de oudste van de drie, een grijs en hoekig ding dat lekt aan alle kanten, maar papa heeft potten met planten voor de deur gezet om het vrolijk te maken. We stappen er achter elkaar in een rij naartoe, Saar voorop. Ze klimt het trapje op en klopt op de deur. Saar zegt dat we altijd moeten kloppen als we bij papa naar binnen willen. Papa roept:

15
14

‘Kom binnen!,’ en dus schoppen we onze laarzen uit en openen we de deur. Binnen zit papa over zijn werktafel gebogen. Hij heeft zijn bril op, en zoals altijd doet dat me grinniken, want de bril is veel te klein voor iemand zo groot als papa. Saar kijkt me bestraffend aan, maar richt zich dan tot papa.

‘Er drijft een dood schaap in het water.’

Papa kijkt niet eens op. Zijn grote handen houden een klein horloge vast en met een pincet duwt hij een tandwieltje kleiner dan de nagel van mijn pink op zijn plek. Zonder weg te kijken van het horloge, zegt hij: ‘Dat drijft zo weer verder.’

‘Papa,’ roept Sam verontwaardigd, zijn stem scheurt. ‘Het is dood!’

Papa zucht en legt voorzichtig het horloge neer. Met een langzame

beweging zet hij zijn bril af. Dan pas kijkt hij naar ons op. Hij schudt zijn hoofd, maar ik kan zien dat hij niet boos is. Hij staat op, geeft Sam een aai over zijn blonde haren, en volgt ons naar buiten.

We staan in een halve cirkel, terwijl papa schept en schept. Soms zet hij een stap naar links of rechts om het stuk waar hij net stond ook weg te scheppen. Eerst kraakt de grond telkens als hij de schep neerzet en hem met zijn voet de aarde in dwingt, want de aarde is bevroren en de wortels ook. Terwijl ik sta te kijken, denk ik aan de regenwormen die in de zomer boven de grond komen kijken als het regent. Ik stel me voor dat ze bevroren in de grond liggen, hoe ze geduldig wachten tot de zomer komt. En zo worden ze, krak, in tweeën geschept door papa’s schep.

Dan kraakt de grond niet meer, want hier wordt het zompig, te diep om helemaal bevroren te zijn, in ieder geval zo vroeg in de winter. En papa graaft en graaft, tot er alleen maar druipende modder naar boven komt, en dan zegt hij: ‘Zo, dat is genoeg.’ Met een diepe grom klimt hij uit het gat. Zo staan we allemaal even te kijken naar het

gat en het schaap dat ernaast ligt op een stuk plastic. Ik probeer niet te denken aan de gehalveerde wormen in de grond en kijk naar Sam, die tegenover me staat. Zijn blik is strak op het gat gericht en zijn lieve gezicht is verwrongen van de kou en weggedoken achter zijn sjaal.

‘Wat nu?,’ vraagt Saar.

Papa loopt naar binnen en komt terug met een oud laken. Het heeft kleine roze bloemetjes en overal zitten gaten. We wikkelen het laken om het schaap heen en houden elk een van zijn pootjes vast. Zo tillen we hem langzaam, ondersteboven, zijn laatste rustplaats in.

Ik kijk naar Saar in de verwachting dat ze nog steeds als een standbeeld zal staan kijken, maar ze trilt. Het lijkt alsof ze ver weg is met haar gedachten. Papa pakt haar hand vast en knijpt, en dan rolt er een traan over haar wang.

‘Mama was dol op schapen,’ zegt hij met zijn lage stem. ‘Zo’n mooi rustplekje zou zij hem ook hebben gegeven.’

Het steekt in mijn buik. Was. Mama was. Was was was. Het kaatst heen en weer en kan nergens heen. Ik word heet vanbinnen en dan trap ik tegen de hoop aarde naast het gat, en de modderige korrels vallen op de vacht van het schaap. Tegen de donkerbruine aarde lijkt de wol opeens weer puur wit. Papa, Sam en Saar kijken me geschrokken aan.

Maar Saar pakt mijn gebalde vuist, en Sam de andere, en zo staan we met zijn allen hand in hand rondom het dode schaap in het gat. Dan begint papa met scheppen, zijn grote harige armen tillen zonder moeite hopen aarde op en laten het op het schaap weer vallen. Eerst maakt het een dof geluid, maar de laag wordt dikker, tot we alleen nog maar aarde op aarde horen vallen. Ik wend mijn blik af naar de overkant van het kanaal. Het gras zwiept heen en weer. Ik verwacht niks anders meer dan de bekende leegte aan de overkant. Maar het is gaan schemeren, en opeens zie ik de lichtjes van auto’s op een weg in

16 17

de verte. En ik zie koeien in het weiland. En een huisje in de verte. En trotse, hoge bomen, net als die van ons. En opeens zie ik overal mama die zwaait, en danst, en bloemen plant, en op ons wacht op het schoolplein, en onze laarzen uittrekt bij de voordeur, en dan vraag ik aan papa of ik ook een schepje mag doen. De schep is zwaar, maar het handvat is warm van papa’s handen. En zo staan we in de schemer in ons koninkrijk zonder koningin, en ik schep, schep, schep.

DAT IS GENOEG

De hele vakantie was al in een koffer gevouwen het overschot nog te stoffelijk. Een bries bolt de dunne gordijnen zij blaast de oude geuren het leed is geleden. De paarden wachten op een uur afstand dat is genoeg.

Het is te warm om te treuren krijsend opent zich het hek voor een stoet stemmen. Later zullen zij spreken over de rouwranden aan ieders leven.

18 19
Issuu converts static files into: digital portfolios, online yearbooks, online catalogs, digital photo albums and more. Sign up and create your flipbook.