Page 1

50ste jaargong, nr. 3, september 2006. Verschijnt 4 x per jaa

Een uitgave van het Nederlands Auschwitz Comité; postbus 74131,1070 BC Amsterdam

Auschwitz Bulletin De mokerslag van Auschwitz O p uitnodiging van mijn werkgever, McKinsey&Company, ben ik afgelopen mei met een 6 0 - t a l collega's afgereisd naar Polen, naar Krakow, naar Auschwitz. Een evenzeer gewaagde als moedige keuze van de organisatie om hier een 'bedrijfsuitje naar toe te organiseren. Het moet gezegd, ook ik had mij iets anders bij een reisje met mijn collega's voorgesteld. Toch is dit een van de meest waardevolle herinneringen, die ik nu sinds enige tijd bij mij mag dragen. Begeleid door een tweetal leden van het Auschwitz comité, stapte ik met mijn collega's en al mijn onwetendheid de wereld binnen die voor mij zover weg was. De wereld die Auschwitz heet. Auschwitz I maakt, ondanks de vele tragedies die zich hier hebben afgespeeld, op mij een e e r s t e indruk die ik bijna als liefelijk zou omschrijven. De roodbruine barakken, afgezet tegen de hel blauwe lucht, de berken laantjes, het groene gras m e t de madeliefjes en het constante gezang van de vele aanwezigen vogels. Mijn eerste aanblik op Auschwitz is dan ook moeilijk monsterlijk te noemen. Enigszins gerust gesteld loop ik o n d e r de bekende tekst 'Arbeit macht Frei' door. Des te harder word ik kort

hierna getroffen door de mokerslag, die een voor altijd nadreunende galm in mijn hoofd zal achter laten, wanneer ik de bergen, bergen afgeknipr haar aanschouw; blond haar, krullend haar, en donker haar. Een door een moeder m e t liefde bij haar dochtertje ingevlochten haar. Het haar van Sarah, Ruth, Hanna, Ester. Ontsnappen aan de realiteit lukt hier niet meer. Het ligt hier voor me, als een ecuwig wachtende berg, als een stille getuige, als een laatste fysieke herinnering aan de levens die de eigenaren van dit haar geleefd hebben, hadden k u n n e n leven, hadden M O E T E N leven. Een herinnering aan de kinderen die ze zouden hebben gekregen. Een herinnering aan alles w a t er niet meer is, wat is afgenomen. Niet door monsters, niet door een niets ontziende plaag die over het continent woekerde, maar door mensen. Door alles w a t ook ik ben. M o c h t ik eerder nog de illusie kunnen hebben, dat Auschwitz I een bepaalde lieflijkheid uitstraalde, dit gevoel is onmogelijk t e handhaven zodra ik de poorten van Auschwitz II - Birkenau - achter me laat. Een oneindige vlakte strekt zich links, rechts en voor mij uit. D e zon schijnt nog steeds, de vogels zijn

echter gestopt m e t zingen, de wind is het enige dat ik nog hoor. De efficiëntie waarmee deze vierkante meters zijn ingedeeld, zijn bedacht - zijn verstikkend. Ik probeer mezelf voor de volle 1 0 0 % te realiseren w a t hier gebeurd is, hoe mensen dit zo hebben k u n n e n bedenken. Ik probeer er woorden voor te vinden. Het lukt me niet, ik voel me machteloos. Dan klinkt van uit de verte een klagelijk gezang. Gezang op een plaats als deze komt mij bijna als onwerkelijk voor en ik schrijf het geluid toe aan het huilen van de wind. H e t gezang zwelt echter aan en vanuit de verte zie ik een groep mensen aanlopen. Ze omarmen elkaar, ze staan in groepjes of ondersteunen elkaar al lopend. Het duurt even voordat dit, voor mij, onwerkelijke plaatje zich aan mij doet onthullen, voor dat wat het werkelijk is. Langs mij loopt een klas met scholieren van rond de 16 jaar, meisje en jongens. Het gezang dat ik voor de wind had aangehoord, is een Joodse treurzang vermengd met het huilen van deze groep jonge m e n s e n . D e jongens en meisje hebben de Israëlische vlag om hun schouders geslagen. Ze laten de wereld - ons - zien dat ze er nog zijn. Gelukkig heb ik een grote zonnebril bij me, ik zet deze snel


op mijn neus. Toch is dit het moment waarop Auschwitz niet langer een wereld ver van mij vandaan is. Deze voorttrekkende schoolklas is mijn Auschwitz realiteit geworden. Later, eenmaal thuis in Amsterdam en veilig bij mijn partner op de bank, vertel ik hem dit verhaal. Het verhaal van de v o o r t t r e k k e n d e , zingende klas mer IsraĂŤlische pubers en de tranen biggelen over mijn gezicht. Ik krijg opnieuw kippenvel op mijn armen. Dit hedendaagse beeld heeft mij meer gebracht dan welke woorden ooit.

Ik heb mezelf de vraag gesteld; wat heeft dit bezoek aan Auschwitz voor mij betekend? Het complete antwoord hierop moet ik mezelf voorlopig schuldig blijven, misschien zelfs nog heel lang. Ik kan wel een gedeeltelijk antwoord aan mezelf geven. Het heeft mij inzicht verschaft — inzicht in iets wat zich moeilijk op papier laat vatten, inzicht in het gevaar van haat, het gevaar van uitsluiting, het gevaar van een groep. En het heeft mij een groot gevoel van dankbaarheid verschaft, dankbaarheid in vele opzichten; dankbaar voor de

vrijheid waarin ik ben geboren, ben opgegroeid en waarin ik momenteel leef. En bovenal dankbaar voor het besef dat IK samen met iedere andere Nederlander verantwoordelijk ben voor de toekomst van mijn, van ieders vrijheid. Leven in land waarin ik mezelf in vrijheid waan maar waar ook een ander wordt uitgesloten, betekent ook voor mij geen absolute vrijheid. Amsterdam, mei 2006 Femke M. Overeijnder

Inhoudsopgave: Femke M. Overeijnder,

De mokerslag van Auschwitz

pag 1

Ed van Thijn,

Tegen beter weten in, boekbespreking

pag 3

Marjon de Klijn,

David Groentemans vrolijke jeugd in de Amsterdamse Diamantbuurt

pag 4

Bertje Leuw,

Postume uitgave van Wie niet weg is wordt gezien van Ida Vos

pag 7

Emilie Kuyt,

Lessenproject Tweede Wereldoorlog in perspectief

pag 9

Zoni Weisz,

Monument voor gedeporteerde Haagse Sinti en Roma

pag 10

Ronnie Goldstein,

Het falen van het Nederlands Rode Kruis tijdens de Tweede Wereldoorlog

pag 12

Carry van Lakerveld,

Gedenken van Bill Minco

pag 16

'Nooit meer Auschwitz--lezing' 2007

pag 17

Nienke Ledegang,

Digitaal monument

pag 18

Bertje Leuw ,

De strijd om de Februaristaking, boekbespreking

pag 19

Gerda Reitman-Janssen,

D e reis, gedicht

pag 22

Marius Schouten,

Acht van de zes miljoen, gedicht

pag 22

Tentoonstelling

Wie kan ik nog vertrouwen

pag 22

Marjon de Klijn,

Recent verschenen

pag 23


Tegen beter weten in? In zijn boek "Tegen beter weten in" haalt les Vuijsje uit naar de Nederlandse geschiedschrijvers over de Jodenvervolging. Al in de ondertitel spreekt hij van zelfbedrog en onthenning. Hij verdedigt de stelling dat men al eerder meer wist over het lot van de Joden na de deportaties dan men heeft willen doen voorkomen. Zo toont hij, aan de hand van documenten aan dat niet, zoals tot nu toe werd aangenomen, men pas eind 1943 op de hoogte was van de vernietigingskampen, maar al eind 1942. Niet na de deportaties dus, maar tijdens de deportaties. Al die tijd zweeg de Nederlandse regering in Ix>nden als het graf. Hoeveel mensen meer zouden niet zijn ondergedoken? Hoeveel mensen meer zouden er niet te h u l p zijn geschoten? Hoeveel mensen meer zouden er niet gered hebben kunnen worden als vanuit Londen deze feiten bekend waren gemaakt en oproepen zou zijn gedaan om tc h u l p te schieten? Het hardste bewijs voor de stelling van Vuijsje is dc "Verklaring der Geallieerde Regeringen inzake de Uitroeiing der Joden"van 17 december 1942, door Anthony Eden, dc Britse minister van Buitenlandse Zaken,voorgelezen in het Lagerhuis. In die verklaring,die ook medegetekend was door de Nederlandse regering, werd medegedeeld dat het dikwijls door Hitier geuite voornemen het Joodse volk in Europa uit te roeien thans ten uitvoer wordt gebracht en wordt krachtig stelling genomen tegen "deze bestiale politiek van uitroeiing in koele bloede". Niettemin is Londen in die maanden daarna zo passief gebleven omdat de ernst van het begrip "uitroeiing" niet doordrong, ook niet bij

Lou de Jong, werkzaam bij radio Oranje. Daarvoor zijn allerhande psychologiserende verklaringen te geven. De waarheid was te erg om te kunnen bevatten. Het voorsrellingsvermogen schoot te kort. Het verdringingsmechanisme: bet niet willen weten, overheerste. De werkelijkheid werd ontkend omdat men niet in staat was hem onder ogen te zien. Maar daarover, hoe erg ook, gaat het boek van Vuijsje niet in de eerste plaats. H e t boek stelt de vraag centraal hoe het mogelijk is dat onze geschiedschrijvers, met name De Jong zelf, zoveel jaren later niet kunnen en willen erkennen dat men ziende blind is geweest. En zelfs hun toevlucht hebben genomen tot het onvolledig citeren van documenten om het woord massamoord maar te kunnen vermijden. In de besprekingen van dit boek gaan de historici, die in de pen geklommen zijn, stelselmatig aan dit feit voorbij. Zij bedienen zich veelal van de grofste bewoordingen om het werk van deze autodidact in een kwaad daglicht te plaatsen. "Een leugen", aldus Barnouw in de Volkskrant van 21/4. "Eenzijdig en zelfgenoegzaam", vindt de leidse historicus van der Boom in de Volkskrant van 28/4. En Houwink ten Cate maakt het in de NRC van die zelfde dag helemaal bont door de probleemstelling te herformuleren om vervolgens vast te stellen dat Vuijsje niet heeft aangetoond dat DE Nederlanders lijdzaam toekeken "hoewel ze wisten wat hun joodse medeburgers te wachten stond".

tegen beter weten in hebben opgeschreven. En daardoor de pointe (the point of no return, om het in macabere termen te zeggen) stelselmatig hebben gemist. Dit boek gaat over de Nederlandse geschiedschrijving over de Jodenvervolging. Het ware te wensen dat dc professionele geschiedschrijvers daarop professioneel, goed gedocumenteerd, reageren en niet vervallen in de gebruikelijke litanie van adderbeten, zoals eerder zogenaamde n o n professionals (in hun ogen) als N a n d a van der Zee en Daniël Goldhagen hebben o n d e r g a a n . Enerzijds roepend dat alles wat zij naar voren brachten "oude koek'was en tegelijkertijd bewerend dat zij een verkeerde voorstelling van zaken gaven.

Maar dat is nu juist niet het punt. Het punt is zelfs niet dat de autoriteiten in Londen een andere kant hebben opgekeken (alhoewel dat best een punt had mogen zijn). Het punt is dat de historici hun verhalen over "wie wist wat", vele jaren later

Ed van Thijn

Voor mij heeft les Vuijsje aan de hand van documenten en (verminkte) citaten een pijnlijke snaar geraakt. Het werk van De Jong is voor mij een monument dat mijn leven en dat van vele anderen heeft bepaald, zozeer als de feiten die hij beschrijft. Het ware te wensen dat Vuijsje op het verkeerde spoor zit. Maar toon dat dan vakkundig aan en verval niet in beroepsmatige hooghartigheid en misplaatst dédain voor iemand die oprecht op zoek is naar de waarheid. les Vuijsje, 'Tegen beter weten in', zelfbedrog en ontkenning in de Nederlandse geschiedschrijving over de Jodenvervolging, Uitgeverij Augustus, Amsterdam, 2006 ISBN 90-4570066-2, € 18,90


David Groentemans vrolijke jeugd in de Amsterdamse Diamantbuurt

"Ik was alleen maar bezig met ijshockey" Twee j a a r geJeden werd David Groenteman (hij is nu 83 jaar) lid van de grote joodse bridgeclub Hakoah in Sydney, Australië. Tot zijn stomme verbazing kwam hij daar twee oude vrienden tegen, die hij in geen zestig jaar had gezien. Samen mer Herman Strykowski uit Polen en Andrew Fleischmann uit H o n g a r i j e had hij de k a m p e n Auschwitz en Mauthausen overleefd en werd hij in mei 1945 door de Amerikanen bevrijd. Tientallen jaren lang had David gezwegen over zijn oorlogsverleden. Nu kan hij er over praten en ook over zijn vrolijke jeugd in de Amsterdamse Diamantbuurt van vóór de Tweede Wereldoorlog. "Vóór de oorlog was ik alleen maar met schaatsen en ijshockey bezig. Ik heb het zelfs gebracht tot het Nederlandse team bij de Europese kampioenschappen in 1939 en ik kreeg een uitnodiging naar Canada te komen." Jammer genoeg heeft hij dat niet gedaan, dan was hem heel veel ellende bespaard gebleven.

David Groenteman en zusje in 1937

Herman Strykovsky, David Groenteman en Andrew Fleischmann Maar David dacht helemaal niet aan narigheid. Hij groeide op in een vrolijk gezin, in de toen gloednieuwe D i a m a n t b u u r t in AmsterdamZuid. Van zijn jood-zijn was hij zich nauwelijks bewust: "Met Pasen aten wij matses en op vrijdagavond kip. Dat was voor ons het hele jood-zijn. In sjoel was ik nog nooit geweest. Ik ging naar de openbare Jan Lievensschool, waar ook alle andere kinderen uit de buurt op zaten. Wij waren Hollanders, verder heb ik er nooit bij stil gestaan." Uitblinker David Groenteman werd op 18 juni 1923 in de Amsterdamse Smaragdstraat geboren: " H e t was een fantastisch gezin. Mijn zusje Betty was zeven jaar ouder. We woonden niet alleen in de D i a m a n t b u u r t , mijn vader werkte er ook in de diamantslijperij van Asscher in de Tolstraat." Later wilde zijn vader voor zichzelf beginnen. Hij had over speelautomaten in Amerika gehoord, maar die waren in N e d e r l a n d verboden, daarom ging hij er mee naar België. David ging naar de electrotechnische school, de LTS, om de s p e e l a u t o m a t e n zelf te kunnen repareren. Maar sporten

met zijn vriendjes, zwemmen, voetballen, schaatsen, was veel belangrijker voor hem in deze zorgeloze tijd. O p de kunstijsbaan in de Linnaeusstraat was hij een uitblinker en won hij verschillende schaatswedstrijden. De eerste prijs was een abonnement, zodat hij elke dag voor niets kon schaatsen. Ook zijn zuster was sportief: "Zij was een goede schaatsster en tennisster, een hartstikke lieve meid, ik mis haar nog steeds." Zijn vader was nu veel op reis, zijn moeder zat achter op de naaimachine of stond in de keuken te zingen, opera- en operettemelodieën. Zijn zusje zong tango's en Franse chansons en zij leerde hem dansen. In de winter schaatste hij, in de zomer fietste hij veel om zijn benen sterk tc houden. Engelandvaarder De beide ouders van David waren joods, maar gelovig waren ze niet en David heeft ook geen bar-mitswa gedaan toen hij dertien werd. Het aan de macht komen van Hitler in Duitsland ging geheel langs hem heen, hoewel er in de jaren '38 en '39 joodse jongens uit Duitsland bij hen thuis kwamen, vluchtelingen op weg naar Amerika. Zo hooide hij


zijn ouders en grootouders af en toe over de politieke situatie praten, maar ze waren er aanvankelijk van overtuigd dat Nederland net als tijdens de Eerste Wereldoorlog huilen de oorlog zou blijven. Het was verbijsterend voor David dat de Duitsers in mei 1940 over de Berlagebrug Amsterdam binnen kwamen en er zoveel mensen uit zijn eigen buurt stonden, die de Duitsers verwelkomden. Zijn vader kwam met een auto uit België, om zijn gezin mee te nemen en via Duinkerken te vluchten. Maar Davids zusje was pas getrouwd, haar man wilde niet mee vanwege zijn ouders en Davids moeder wilde niet weg zonder haar dochter. De kans op vluchten was toen verkeken. Voor David veranderde er onder dc Bezetting eerst nog niet zoveel. Zijn eerste confrontatie met het nieuwe bewind was eind 1940, toen zijn ijshockcyieam naar Düsseldorl ging en men het te riskant vond een joodse speler mee te nemen. Voor hem was dat een grote teleurstelling, cn hij begreep dat niet-joden hem voortaan als jood beschouwden. Achteraf zaten er veel foute mensen in zijn ijshockeyclub. O p school ontstond er een splitsing tussen goede cn foute kinderen, die Duitse vlaggetjes o p hun fiets hadden. David en zijn vrienden trokken die er af. Na verloop van tijd moeten de joodse leerlingen van school. De toekomst van David lag in duigen. Hij had in C a n a d a berocpsijshockeyer willen worden, dat was nu volkomen onmogelijk. Via via komi hij in het verzet terecht, als klusjesjongen voor dc ondergrondse bracht hij krantjes rond en deed boodschappen voor ze. Met twee - niet-joodse - vrienden besloot hij dat ze als Engelandvaarder het Kanaal wilden oversteken. Eerst zou David naar zijn vader in België gaan en hem naar zijn connecties vragen.

De gehele familie Groenteman op de bruiloft van Betty. David staat achter Betty, moeder derde van links. Toen David daar aan kwam, was zijn vader echter de avond daarvóór weggehaald. Een buurvrouw haalde hem binnen en gaf hem wat geld en een enveloppe met blanco Belgische persoonsbewijzen. David begreep dat hij snel moest maken dat hij weg kwam. Met zijn twee vrienden sprak hij af dat ze per trein zouden vertrekken. Maar toen ze in de trcincoupé kwamen, Zal die al vol met Grünen. Een kennis van een de twee vrienden had ze bij de Sicherheitsdiensi verraden. Het was 14 juli 1942. Rode driehoek David was niet als jood gearresteerd, maar als Engelandvaarder en werd ook als zodanig behandeld. Er werd geen verschil gemaakt tussen hem en zijn niet-joodse vrienden. Zeven maanden lang bleven ze opgesloten in het Huis van Bewaring aan de Amstelveenseweg in Amsterdam. De drie jongens, André. Joop en David, zaten niet bij elkaar. Voor ondervraging werden ze naar de Euterpestraat gebaald en soms geslagen. In de Amstelveenseweg zaten ze met twaalf dertien mensen in een eenpersoonscel. Soms kwamen

er joden aan, maar die waren drie dagen later al weer weg, meestal naar Westerbork. Er vond ook een rechtsziiting plaats, waar de drie Engelandvaarders ter dood werden veroordeeld. David werd een paar keer 's nachts wakker gemaakt in zijn cel en dacht dat zijn laatste uurtje geslagen had. maar het was steeds loos alarm. I'as na de oorlog heeft hij begrepen dat het doodvonnis voor alle drie was omgezet in vijftien jaar tuchthuis. Ze werden naar verschillende kampen gestuurd. David kwam met handboeien aan in kamp Vught tussen mensen die wegens verzet of spionage waren veroordeeld. Van Vught ging het naar Bochum en via Magdenburg en Gross Rosen (bij Breslau) naar Auschwitz in een speciale gevangenen trein, waar hij tussen de Duitse criminelen zat. Hij had een rode driehoek en werd niet geselecteerd. Voor hem was het een vreemde gewaarwording dat hij in het kamp vrij kon rondlopen. Hij moest aardappelen halen en lijken begraven. Geslagen en getrapt werd hij wel. Soms was hij wanhopig en wilde er een eind aan maken door zijn hand tegen de elektrische draad te leggen.


maar dan bedacht hij dat hij jong en sterk was en hij hoopte dat zijn moeder had kunnen onderduiken. Een medegevangene raadde hem aan te zeggen dat hij in Amsterdam bij Fokker had gewerkt. Zo kwam hij in een fabriek in de buurt van Auschwitz terecht, waar je wel twaalf uur per dag moest werken, maar verder hadden ze het er niet slecht. Twee Franse jongens hadden steeds de laatste berichten. Eind december 1944 konden ze het kanonnenvuur horen en in januari 1945 werden ze per trein, in een veewagon, naar Mauthausen gebracht. Hij had al eerder gehoord dat het een bijzonder slecht kamp was. "Je moest er zonder schoenen in de sneeuw staan, je kreeg weinig eten en 's avonds lag je helemaal stijf bevroren in de barak. Er werd doodgeslagen en doodgeschoren op een vreselijke manier. Steeds werden er jongens vermist. O p een nacht heb ik gezien en gehoord dat er h o n d e r d e n Hongaarse officieren werden doodgeschoten, 's Morgens moesten we dat allemaal opruimen. De hoofdzaak is toch dat je geluk hebt. Als je op de verkeerde plek bent en ze beginnen te schieten, dan kun je helemaal niets meer doen." Een neger van twee meter Enige tijd kon David buiten het kamp Mauthausen in een fabriek werken: "De laatste dagen was er geen SS meer. Maar we konden niet weg. O p 5 mei 1945 ging de poort van het kamp open. Er stond een Amerikaanse neger van twee meter groot met een revolver. Hij tilde me zo op, ik woog nog maar 36 kilo. Ze vroegen of er iemand was die Engels sprak en d o o r het ijshockeyen sprak ik die taal en ze namen me als tolk mee. Een transport naar Nederland was er niet, dus ging ik met een militair transport naar Parijs en zo kwam ik via België, op een

fiets, in Nederland aan." Zijn zusje Betty en haar man waren in Sobibor vermoord, zijn vader in Auschwitz. Zelf stond hij ook als vermist vermeld. Het kostte veel moeite aan te tonen dat hij nog leefde. Zijn moeder en groormoeder waren in 1943 ondergedoken, zijn grootmoeder is kort na de oorlog gestorven. Alleen David en zijn moeder hadden de oorlog overleefd. Van enige opvang was in Nederland geen sprake. David probeerde het wel. Hij ging zelfs weer ijshockey spelen. Na een week stond hij al weer in het eerste elftal. Maar een woning was er voor hem niet, al waren ze in de oorlog vijf huizen kwijt geraakt. Hij wilde ook niet in de Smaragdstraat wonen waar zoveel mensen waren verdwenen. Hij heeft overwogen samen mer een meisje naar Palestina te gaan, maar het werd Australië. Een zionist is hij nooit geweest, hij is twee keer met een niet-joodse vrouw getrouwd (en weer gescheiden). Flying Dutchman "In Nederland was niets mogelijk. Je moest overal allerlei papieren voor hebben en uiteindelijk kreeg je bijna niets voor elkaar. In Australië kreeg je heel gemakkelijk werk en kon je al na een jaar een huis kopen. Ze maken daar niet zoveel moeilijkheden. Ik werd ook voorzitter van een Nederlandse voetbalvereniging. Over de oorlog werd niet gepraat. We gingen werken, kinderen groot brengen, wc waren druk bezig. Ik had een restaurant The Flying Dutchman. Alle drie mijn kinderen hebben ijshockey gespeeld voor Australië." Dertig jaar heeft hij niet over zijn ervaringen in de oorlog gesproken. Pas na zijn tweede scheiding ging hij bijeenkomsten met Holocaustsurvivors bezoeken. Toen hij hoorde dat Spielberg met zijn interview-

project bezig was, is ook David Groenreman gaan praten. Nu zegt hij: "Uiteraard had ik na de oorlog heel veel vragen. Na de oorlog was het voor mij moeilijker dan in de oorlog. Na de oorlog was er niemand meer. Ik had alleen nog mijn moeder, mijn grootmoeder ging dood en ik vond alles vreselijk moeilijk. Ik had ook niet zoveel zin meer om te leven, want alles was weg. Ik heb het alleen verwerkt. Nu vind ik het niet meer moeilijk er over te praten. Het is gebeurd en we hebben allemaal onze problemen, nu laat ik het maar zitten waar het hoort, in een hoekje. O p deze leeftijd m o e t e n we leven voor vandaag. Morgen weet ik niet of ik er nog ben, aan gisteren kan ik niets veranderen, dus vandaag doen we maar ons best. As ik het zo niet bekijk, word ik gek." Voor dit artikel is mede gebruik gemaakt van de band over David Groenteman van het Spielberg-project. Marjon de Klijn


Postume u i t g a v e v a n W i e niet w e g is w o r d t g e z i e n v a n I d a Vos

Oma van dertien 3 April van dit jaar is Ida Vos op haar 74-ste overleden. Drie weken voordat de zevende, uitgebreide, druk van haar boek Wie niet weg is wordt gezien feestelijk zou worden gepresenteerd. Er was reden voor een feestje vond de uitgever, omdat het boek, vijfentwintig jaar nadat het voor de eerste keer uitkwam, nog steeds gelezen en gewaardeerd wordt. Het verdriet om het ontbreken van de allerbelangrijkste gast bij deze presentatie, auteur Ida Vos, was zichtbaar en voelbaar. Bertje Leuw over de betekenis van een geliefde schrijfster voor kinderen en volwassenen. Wie niet weg is wordt gezien was Ida Vos' eerste boek over haar ervaringen als Joods onderduikkind; er zouden nog vier volgen. Het was een jeugdboek geworden, maar wel eentje met een bijzonder soort magie, waardoor zij ook volwassen lezers in hun kinderziel raakte. Zoiets kan alleen

als je het kind in jezelf nog voelt en Ida kon dat als geen ander. Niet voor niets zegt zij tegen Marga van Praag, die haar op haar ziekbed interviewt, ik ben een oma van dertien. Dat prachtige interview is opgenomen in de jubileumeditie van Wie niet weg is..., naast foto's en gegevens over de familieleden waarmee je in het boek kennismaakt. Door het interview weten we nu waarvoor Ida Vos het allemaal deed, boeken schrijven en op scholen over haar oorlogsgeschiedenis vertellen, vijfentwintig jaar lang. Mijn boek helpt Aan Marga van Praag heeft Ida Vos verteld: "Mijn boek helpt".. In de klas ervaart ze dat praten over haar boek met kinderen die in ónze tijd in oorlogssituaties hebben verkeerd, in ex-Joegoslavië, in G h a n a , in Afghanistan, hen helpt om over hun eigen ervaringen te vertellen. "Ook nu

. ^ c t

-fttleju*.

& * «O. X£ xyf>

c/£rr

XM^fi-n.

qU»

d n

LAA VOS TIJJENJ « N LAING IN « N BIBLIOTHEEK

jen.

**Hë£*0Êtl

oZt

€J*r

rnar

OJYC&VLL

-Vloed

C C •

/aZ/«! ,

ATTL

t£^>*J'

xyl

*4*n

<A

C u a

e*r>

-teasU

E£S>

RM£

c

oZiy\^ OUX.

BLADZIJ VAN REN OPSFEI VAN RM E E N mttq

JEIYREK IN HET * Ï M I C T * O D K M M , U O , M

Foto's van Ida Vos bij een bezoek aan een school

AAN EEN BEZOEK VAN LA

zijn er landen waarje niet kunt zeggen wat je wilt. Waar je je moet verstoppen omdat je leven gevaar loopt". Ida Vos ziet nog veel meer overeenkomsten tussen vroeger en nu. ' Vroeger mocht je niet bij Joodse kindertjes spelen, nu niet bij Turkse of Marokkaanse. Kinderen van nu kunnen begrijpen hoe het is om buitengesloten te worden. Om niet te mogen meedoen. 7.\j doet het ook om kinderen moed te geven. O m tc laten zien dat je als kind veel kunt doorstaan en later toch een gelukkig leven kunt hebben, als het meezit. Net zo goed als door haar boek, worden de kinderen ook door haar persoonlijkheid geraakt. Ida Vos heeft ook eens in een Auschwitz Bulletin beschreven hoe een keer in de klas een Marokkaans meisje van twaalf bij het vragen stellen opstaat met een verfrommeld briefte in haar hand en zenuwachtig leest: ' U bent Jood en Joden zijn slecht, ze zijn niet te vertrouwen, en dat van de Holocaust is overdreven . 'Heb jij dat zelf bedacht, had Ida Vos na afloop gevraagd. 'Nee', zei het meisje, 'dat moest ik zeggen van m'n vader en m'n broer'. Als ze dat niet zou doen, vertelt ze, dan zou haar broer haar slaan. Er komt een gesprek op gang tussen Ida -€c en het meisje en het wordt een goed gesprek. Het meisje merkt dat ze gewoon kunnen praten samen, dat ze geen vijanden zijn. Na afloop belooft zij dat zij wil gaan proberen om zélf na te denken. Rachel en Akke De kinderen van nu blijken zich nog steeds m e t de kinderen uit het boek te kunnen identificeren, vertelt Ida Vos in het interview. Zelf lees ik het boek voor de tweede keer, tegelijk m e t mijn kleindochter van negen.


'Je zit er meteen iri, zegt deze. 'Het is net of je voelt hoe het is om altijd binnen te moeten zitten. En hoe dat gaat als je met je zusje bent ondergedoken - zelfheeft zij ook een jonger zusje. 'En je komt zoveel te weten over hoe het is om in al die verschillende omgevingen te zitten, met allemaal verschillende mensen En vootal dat het over allerlei andere kinderen gaat en niet alleen over de hoofdpersoon zelf, spreekt haar aan. Ik ben dat met haar eens. Het boek zit vol subliem beschreven scènetjes over het gedrag van omstanders, kinderen en volwassenen, waardoor je je vanzelf gaat voelen als de hoofdpersoon. Uitleg is overbodig. Neem de scène waarin de juf aan Rachel — Ida's alter ego in het boek - vraagt of zij na schooltijd ccn nieuw meisje in de klas wil helpen lezen. Het meisje, Akke, woont vlak bij haar. Rachel kan al goed lezen en is trots op deze speciale opdracht. Het gaat ook heel goed. O p Rachels kamer lezen ze over Ot en Sien en Pim en Mien. Dan ziet Akke een boek liggen met rare letters, Hebreeuwse letters. 'Joodse mensen lezen vaak Hebreeuws', zegt Rachel. 'Gek hoor, wie leest er nou Hebreeuws , zegt Akke. 'Joden , zegt Rachel. De volgende dag vraagt de juf of het goed gegaan is en of Akke volgende week weer naar Rachel gaat. 'Nee juf , zegt Akke. 'De week daarna dan? vraagt juf. 'Nooit meer, zegt Akke, 'ik mag geen Jodenhoeken lezen van mijn vader'. O f die scène met de schoolvriendinnetjes die op straat met Rachel napraten over wat er die dag op school gebeurde en even vergeren dat Rachel helemaal niet meer bij hen in de klas zit. Dat ze weg is omdat alle Joodse kinderen naar een andere school moesten. Meisje 2 Ida Vos schreef ook poëzie en korte

verhalen. In feite begon zij daar haar literaire carrière mee. Poëzie hielp haar om woorden te geven aan wat tot dan toe van binnen op slot had gezeten: haar ervaringen als kind in een toenemend anti-joods klimaat, de onderduik met het jongere zusje, los van hun ouders en het naoorlogse verdriet om de vele dode familieleden. Tussen 1975 en 1980 werden er drie dichtbundels uitgegeven. Van haar korte verhalen verscheen een groot aantal in het Auschwitz Bulletin. Z o n d e r uitzondering zijn dat prachtige en indringende verhalen. Zoals in het laatste herdenkingsnummer, januari 2006, het verhaal Meisje Een I Meisje Twee, gemaakt naar aanleiding van een gebeurtenis in de oorlog: een buurmeisje mocht van haar vader plotseling niet meer met haar spelen en werd door die vader ruw weggesleurd van het bankje waarop de kinderen zaten te praten. Na de oorlog komen ze elkaar tegen en dan schaamt het buurmeisje zich verschrikkelijk. Dat er geen wezenlijk verschil tussen de meisjes was, laat Ida Vos merken door ze in haar verhaal allebei 'meisje' te noemen. Max Arian in D e Groene Amsterdammer: "Haar boodschap is duidelijk: kleine meisjes moeten zich niet door domme grote mensen tegen elkaar laten opzetten." Pleister op de wond In veel bloemlezingen tref je gedichten aan uit de dichtbundels van Ida Vos en twee keer wordt er in Nederland een boek van haar bekroond. In 1982 krijgt Wie niet weg is wordt gezien een Vlag en Wimpel van de Griffeljury, en in 1990 krijgt Dansen op de brug van Avignon dezelfde prijs. In de loop der jaren wordt Wie niet weg is... ook d o o r zes kinderjury's uit Nederland bekroond. Een aantal van haar boeken is

vertaald in het Engels, Deens en Hebreeuws, en alle boeken werden in het Duits vertaald. Twee keer, in 1996 en 2001, krijgt Vos de Sydney Taylor book award - een Amerikaanse prijs voor joodse kinderboeken voor de Engelse vertalingen van Dansen op de brug van Avignon en De sleutel is gebroken. Het is de eerste keer dat ccn auteur twee keer deze zelfde prijs krijgt. En in 2001 ontvangt Ida Vos voor al haar jeugdboeken de Duitse antifascistische jeugdmedia prijs: Das Rote Tuch. Bij die gelegenheid wordt haar werk 'een dialoog tussen de generaties en de volkeren genoemd. Het kinderspel 'verstoppertje spelen' krijgt een nieuwe betekenis, wordt cr gezegd. Ida Vos is dankbaar voor de prijs, vooral omdat zij blijkbaar in Duitsland zo goed begrepen wordt. 'Het is', zegt zij in haar dankwoord, 'als een pleister op de wond die nooit een gesloten litteken zal worden'. Bertje Leuw

Werk van Ida Vos: I\)ëzie: Vijfendertig tranen (1975) Schiereiland (1979) Miniaturen (1980) Proza: Wie niet weg is wordt gezien (1981) Anna is er nog (1986) Dansen op de brug van Avignon (1989) Witte zwanen zwarte zwanen (1992) Dc sleutel is gebroken (1996) De lachende engel (2000) In Nederland zijn op dit moment alleen Wie niet weg is wordt gezien en De sleutel is gebroken verkrijgbaar. Wie niet weg is wordt gezien Zevende, uitgebreide druk 2006. ISBN 90 2 5 8 3 0 3 9 0 Uitgever I.eopold Amsterdam € 13.95 De sleutel is gebroken 1996 ISBN 90 2 5 8 4 8 5 6 7 Uitgever I.eopold Amsterdam, € 12.95


Lessenproject Tweede Wereldoorlog in perspectief

"Jullie zijn toch rijk? W a a r o m k o p e n jullie niet e e n a n d e r l a n d ? " Het afgelopen voorjaar is voor de derde maal in A m s t e r d a m het lessenproject Tweede Wereldoorlog in perspectief gestart. Wegens het grote succes dat het project de afgelopen jaren heeft behaald is het aantal deelnemende scholen in Amsterdam dit jaar verdubbeld. Het project, een initiatief van de gemeente Amsterdam, bestaat uit een serie lessen voor klassen van het Voorbereidend Middelbaar Beroeps Onderwijs (VMBO) en het Middelbaar Beroeps Onderwijs (MBO) in A m s t e r d a m . De lessen w o r d e n gegeven door zogenaamde "peere d u c a t o r s " ; j o n g e r e n die zelf studeren of pas zijn afgestudeerd. Voor iedere klas staat een duo: één persoon met een joodse achtergrond, en één met een islamitische achtergrond. In totaal worden er aan elke klas zes lessen gegeven. De eerste drie gaan over de Tweede Wereldoorlog: de laatste drie lessen hebben betrekking op het conflict in het M i d d e n Oosten. Het lessenpakket is ontwikkeld door Diversion, een onafhankelijk adviesbureau. De peer-educators krijgen allerlei hulpmiddelen bij het geven van de lessen. Zo zijn er een boek, werkbladen, en dit jaar is er ook een D V D ontwikkeld. Bovendien krijgen alle peer-educators drie avonden training bij Diversion, om beter te leren omgaan met het lesgeven, en natuurlijk met de leerlingen die in de verschillende klassen zullen zitten. Het afgelopen schooljaar heb ik zelf deelgenomen aan het project, als

één van de peer-educators. Ik heb op verschillende scholen les gegeven, variërend van het laagste niveau VMBO, tot 3 jaars MBO-scholieren die slechts een jaar of twee jonger waren dan ikzelf. Het project sprak me erg aan, onder andere omdat ik zeil in Amsterdam woon, en ik van mening ben dat het overbrengen van kennis zou kunnen bijdragen aan wederzijds begrip en respect. Dit is ook het grote doel van het lessenproject: ervoor zorgen dat de sfeer tussen bevolkingsgroepen in Amsterdam zon worden verbeterd, door middel van de verworven kennis.

en om een blijvende indruk achter te laten zou dit project volgens mij veel langer moeten duren.

C

Gebrek aan kennis Het allereerste wat mij is opgevallen is het enorme gebrek aan kennis. In alle klassen die ik de afgelopen maanden voor mij heb gehad, heb ik niemand kunnen vinden die mij aan her begin precies kon vertellen wanneer de Tweede Wereldoorlog plaats had gevonden. In zekere zin is het dan ook dankbaar werk; een deel van de scholieren wil leren en ik heb de kans gekregen ze iets bij te mogen brengen. De vooroordelen die je verwacht tegen te komen ten aanzien van joden vallen in het begin nog wel mee. Als de scholieren beginnen te leren wat er met de joden is gebeurd in de Tweede Wereldoorlog, vinden velen dat toch 'welzielig en ontstaat er een soort begrip voor de oprichting van de staat Israël. Dit begrip verdwijnt bij de meeste leerlingen echter even snel, wanneer het onderwerp "het Midden-Oosten Conflict" wordt aangesneden. Het blijkt al gauw dat drie lessen hierover niet genoeg zijn

De lessen over het Midden-Oosten waren vaak erg moeilijk, vooral als scholieren de joodse peer-educator zien als de vertegenwoordiger van de staal Israël die op dat moment voor ze staat! Het onderscheid tussen joden (in het algemeen) en Israëli's blijkt hen helaas zeer moeilijk bij tc brengen. Een meisje zei bijvoorbeeld in alle ernst tegen mij over Israël: "Ja maar. Juf, jullie zijn toch heel rijk: Waarom kopen jullie niet een ander land?" Terugkijkend ben ik desondanks blij dat ik heb deelgenomen heb aan dit lessenproject en de kans heb gekregen om voor de klas te staan. Mijzelf gaven de lessen over de Tweede Wereldoorlog de meeste voldoening, niet in het minst omdat deze voor mij ook het meest persoonlijk waren. H e t allerbelangrijkste is echter om realistisch te blijven. Hoe ontzettend goed dit project ook is, door middel van zes lessen zal de sfeer in Amsterdam helaas niet blijvend kunnen veranderen. Emilie Kuijt


M o n u m e n t voor g e d e p o r t e e r d e Haagse Sinti e n Roma Onder grote belangstelling werd op 27 maart jl. het monument voor de op 16 mei 1944, tijdens de grote "zigeunerrazzia", weggevoerde Sinti en Roma uit D e n H a a g d o o r burgemeester Deetman onthuld. In het hofje aan de Bilderdijkstraat, waar in de oorlogstijd veel Sinti en Roma woonden, was in 1990 een plaquette geplaatst. Deze plaquette was "verstopt" achter een poort en alleen op 4 mei enige uren voor de jaarlijkse herdenking bereikbaar. In 1999 werd het een aantal mensen duidelijk dat er op deze wijze geen waardig herdenken mogelijk zou zijn. Daarmee was het comité "Haags Sinti en Roma monument" geboren, met als stuwende kracht dc Sintezza Beike Steinbach. Architect Jan Verburg heeft deze plaquette op een heel mooie manier verwerkt in her nieuwe monument. Het m o n u m e n t heeft een plaats gekregen in de buurt waar zoveel Sinti en Roma geleefd hebben, op het plein aan de Vondelsrraat, tegenover het hofje aan de Bilderdijkstraat. Enkele passages uit de speech van burgemeester Deetman: "Hier in Den Haag, op steenworp afstand van de plaats waar we nu staan werden op die rampzalige derde dinsdag van mei 1944 Sinti en Roma uit hun huizen gehaald cn afgevoerd als vee. Extra wrang is het feit dat bij de "centrale aanhouding", zoals dc razzia in de taal van dc daders werd omschreven, de Nederlandse politie een actieve rol heeft gespeeld, net als bij de deportatie van Joodse landgenoten. Dit alles gebeurde weliswaar in opdracht van de Duitse bezettingsmacht, maar dar neemt

niet weg dat het voor de slachtoffers een extra schok moet zijn geweest dat zij door Nederlandse politiemannen werden weggehaald. En alsof het pure uitvoeren van de Duitse bevelen niet al erg genoeg was, waren sommigen nog eens bijzonder ijverig bij de jacht op medeburgers. Een ijver die vele Sinti cn Roma fataal geworden is. Het feit dat Sinti en Roma samen met de Joden in de zelfde trein vertrokken, toont aan hoezeer hun vervolging onderdeel was van de gehele racistische vernietigingspolitiek van de nazi's in bezet Europa. Geestelijk gehandicapten. Joden, Sinti en Roma, iedereen die in de ogen van de nazi-ideologie minderwaardig was, moest sterven. Ook Sinti en Roma werden slachtoffer van gruwelijke medische experimenten. Ook zij moesten slavenarbeid verrichten totdat hun laatste kracht verbruikt was. In meerdere Poolse getto's werden naast Joden ook Sint en Roma opgesloten, in afwachting van hun transport naar de vernietigingskampen. In de Sovjet-Unie en Joegoslavië stierven zij voor de vuurpelotons en in de gaswagens van rondtrekkende Duitse moordcommando's. In Auschwitz-Birkenau, die naam zal voor eeuwig staan als hét d i e p t e p u n t van de menselijke beschaving, werden duizenden Sint en Roma de dood ingejaagd, waarvan alleen al drieduizend in één nacht, die van 31 juli op 1 augustus 1944. Mannen, vrouwen kinderen. Afkomstig uit heel Europa. Ook uit Den Haag. Na de tweede wereldoorlog heeft het lang, beschamend lang geduurd voordat de Sinti en Roma erkend werden als oorlogs-

slachtoffers. Ook de rol van de Nederlandse autoriteiten bij hun vervolging werd pas laat belicht. Ik heb dat zelf altijd als een grote onrechtvaardigheid beschouwd. En daarom is het zo goed dat dit monument nu een nieuwe permanente plek heeft gekregen, zodat de Haagse Sinti en Roma op waardige wijze hun slachtoffers kunnen herdenken". Tot zover de speech van burgemeester Deetman. In opdracht van de Duitse bezetters maakt de Nederlandse politie zich in de vroege ochtend van de 16 mei 1944 op om de Nederlandse Sinti en Roma in één grote landelijke razzia op te pakken. Deze razzia was zeer zorgvuldig, in het grootste geheim, voorbereid. Iedereen die er "zigcunerisch" uitzag moest worden opgepakt en naar Westerbork worden afgevoerd. c

's Ochtends vroeg werd er op deuren gebonsd en de nietsvermoedende bewoners werden uit hun woonwagens en huizen gesleurd. In Westerbork vond selectie plaats. Men had in grote ijver ook veel woonwagenbewoners opgepakt, deze werden weer naar huis gestuurd evenals enkele Roma die de Guatemalteekse en Italiaanse nationaliteit bezaten. O n d e r de Sinti en Roma die opgepakt waren bevond zich ook een grote groep uit Den Haag. Een overlevende herinnert zich die rampzalige 16 mei als volgt: in alle vroegte stonden ze voor de deur. Iedereen werd gesommeerd het huis te veruiten. Men kreeg geen tijd om zich goed aan te kleden. De kleinste van drie jaar moest zo mee. Het huis werd verzegeld. e

Omstreeks 8 uur die ochtend werden ze in gesloten, met zeil overspannen

«


vrachtwagens van het bureau aan de Mauritskade naar Staatsspoor vervoerd, waar het wemelde van politie. Hier stond een personentrein voor hen gereed. Na een verblijf van drie dagen in Westerbork werden de Sinti en Roma gedeporteerd naar Auschwitz. Vanuit Auschwitz werden later een aantal mannen op transport gesteld naar Buchenwald, en daarna doorgestuurd naar Mittelbau Dora. Van hen overleefden slechts een klein aantal de verschrikkingen Een groepje meisjes en vrouwen werd vanuit Auschwitz naar Ravensbrück gestuurd, een aantal van hen werden later op transport gesteld naar Flossenburg. De vrouwen die in Ravensbrück achterbleven hebben dit kamp niet overleefd, de vrouwen die naar Flossenburg werden gestuurd overleefden de hel. Jarenlang werd aangenomen dat het

aantal Nederlandse Sinti en Roma dat ten slachtoffer viel aan het nazi barbarisme 245 betrof, het werkelijke aantal ligt echter aanzienlijk hoger. Al voor de razzia van 16 mei 1944 werden er Sinti en Roma naar Amersfoort en Vught gezonden, daarnaast zijn er ook Nederlandse Sinti en Roma met Belgische transporten gedeporteerd naar kampen in het oosten. Over het lot van diegenen die met de Belgische transporten zijn afgevoerd is helaas niets bekend. Ook zijn er nog Sinti, en mogelijk ook Roma, na de landelijke "zigeuner razzia" van 16 mei 1944 opgepakt, op eigen initiatief van de N e d e r l a n d s e politie. Dit is onder andere in Den Haag gebeurd. Aansluitend werd 's avonds in het atrium van het Haagse stadhuis onder grote belangstelling de tentoonstelling SINTI OEN ROMA

DURCH O TSIRO EN O HOLLANTO (Sinti en Roma door de eeuwen heen in N e d e r l a n d ) geopend. Deze t e n t o o n s t e l l i n g geeft, door middel van fotos en documenten een overzicht van het leven van Sinti en Roma in Nederland vroeger en nu. Geïnteresseerden in deze reizende tentoonstelling kunnen informatie krijgen bij dc stichting O Lungo Drom (070-3617895 / 06-41195796) Zoni Weisz

BON Wilt u zich abonneren op dit blad of heeft u familie, vrien-

Auschwitz Bulletin. Voor de verzend- en portokosten zijn

den of kennissen die op de hoogte willen blijven van de

wij echter genoodzaakt u om een minimale bij-drage te

activiteiten van het Nederlands Auschwitz Comité?

vragen. Deze bijdrage is voor binnenlandse abonnees

Als u onderstaande bon invult en opstuurt naar: Het N e d e r l a n d s e Auschwitz C o m i t é , Knoopkruid 5 4 , 1 1 1 2 PV D i e m e n , ontvangen u of uw bekenden vier maal per jaar het

8,-,

buitenlandse

abonnees

in E u r o p a

11,-

en buiten Europa • 16,-. Tevens ontvangen alle abonnees één maal per jaar een accept-girokaart voor een vrijwillige donatie ten behoeve van de voortgang van het werk van het Nederlands Auschwitz Comité.

Naam:

Postcode en woonplaats:

Land:

Email: Opsturen n a a r : Het N e d e r l a n d s Auschwitz C o m i t é , Knoopkruid 5 4 , 1 1 1 2 PV D i e m e n Een a b o n n e m e n t kunt u ook o p g e v e n via onze website:

www.auschwitz.nl/bulletin.html


Het falen van het Nederlandse Rose Kruis tijdens de Tweede Wereldoorlog

W a a r w a s het Rode Kruis? Uitgeput en uitgehongerd arriveerde in de zomer van 1945 een groep overlevenden van de Nazi-kampen op het station van M a a s t r i c h t . Dames van het Nederlandse Rode Kruis liepen langs de trein en boden hen heel vriendelijk p a p i e r e n bekertjes met koffie aan. Tot hun verbijstering kregen ze als antwoord de inhoud van de bekertjes over zich heen. Alsof ze het h a d d e n afgesproken reageerde een groep vrouwen op deze manier hun diepe teleurstelling op deze dames af. Al die jaren in de kampen en ook na de bevrijding hadden ze nooit enig teken van het Nederlandse Rode Kruis gezien. Auschwitz-overlevende Ronnie Goldstein vertelde dit verhaal vorig jaar tijdens een indringende lezing in het J o o d s H i s t o r i s c h Museum te Amsterdam. Hieronder drukken wij haar verbijsterend relaas iets verkort af. N o g nooit zijn mensen in o n t reddering cn nood zo in de steek gelaten tijdens de oorlogsjaren als door het Nederlandse Rode Kruis. Werkelijk op alle denkbare manieren en eigenlijk onvoorstelbaar, terwijl wij zoveel van ze hadden verwacht. Laten we het kind bij de naam noemen; het Nederlandse Rode Kruis was in de oorlog gewoon fout. Amsterdam H e t begon in de gevangenis Weteringschans, waar ik in juni 1944 na mijn arrestatie terecht kwam in een zogenaamde verzamelcel. Er zaten toen ca. 25 vrouwen en wij vonden dat het er wel meeviel omdat men zich over elkaar ontfermden. Het eten was een probleem. Een grauwe massa in een kroes werd door het luik geschoven en dat was

onze maaltijd, 's Morgens een paar boterhammen, we verdeelden ze over de dag, en dat was het. Misschien krijgen we een levensmiddelenpakket, zeiden we tegen elkaar, want we werden wat hongerig. Toen we na ongeveer een week in de gevangenis naai" Westerbork zouden vertrekken, schreven we briefjes aan onze vrienden en bekenden, om te proberen hen te laten weten wat er met ons was gebeurd, waar we waren en waar we naar toe zouden gaan. We wisten dat we met de bekende Amsterdamse trams naar het Centraal Station gebracht zouden worden en wij wilden aan de Amsterdamse tramconducteur vragen, stiekem onze briefjes in ontvangst te willen nemen en te posten. Ja, zei de conducteur, bij het instappen, leg het maar in het net, ik zal er weivoor zorgen. Alle gevangenen waren ingestapt. Als laatste stapten enige S.D.ers in (leden van de Duitse Politie). En tot onze ontzetting zagen wij, dat de conducteur onze briefjes bij elkaar graaide en aan de Politie overhandigde. Wij gromden van onmacht. Westerbork In Westerbork was het in die periode naar omstandigheden wel te doen, omdat in de zomer van 1944, de vele, vele duizenden vervolgden al op transport gestuurd waren. De barakken waren niet overvol en er was in die tijd geen dreiging van een naderend transport. Wc konden pakjes ontvangen van vrienden en familie en het eten was redelijk. Ach, het Rode Kruis was daardoor niet zo in onze gedachten. Het ging een rol spelen wanneer we dachten aan het mogelijke moment van een dreigend transport. Dan

moet het Ned. Rode Kruis toch iets gaan doen, dachten wij. Bijvoorbeeld zorgen voor dekens en voedselpakketten voor onderweg. Aandacht en opvang van zieken en ouden mensen. Wat waren wij na誰ef. Er was helemaal geen Rode Kruis in Nederland. Of misschien wel. Maar niet voor ons. Hoe dan ook, er heerste een soort optimisme. Het was een heerlijke zomer. We keken uit over een prachtige heide. Parijs was gevallen, de Canadezen zouden ons spoedig bevrijden, wat kon ons nu nog gebeuren. Maar, in de late avond van 2 september 1944 verscheen een man in de barak en liet met luide stem weten, wie de volgende ochtend op transport zou worden gesteld. De namen van mijn nog in Westerbork aanwezige familie, de namen van mijn vrienden en vriendinnen, de naam van de liefste waarmee ik na de bevrijding zou trouwen en natuurlijk ook mijn naam. We raakten in paniek, want dit hadden we niet verwacht. Die hele afschuwelijke nacht liepen we met elkaar tussen de barakken. We overlegden, wat kunnen we doen en waar zouden zij ons nu nog naar toe k u n n e n vervoeren. In de vroege o c h t e n d van 3 september 1944 trokken wij in rijen van ongeveer 1200 mensen, oude, jonge, kleuters, moeders met kinderen en baby's, naar het smalle perron. We zagen het rokende ijzeren monster, de l o c o m o t i e f met daarachter een onafzienbare rij veewagons. De heren officieren en de k a m p commandant stonden achteloos met elkaar te praten als of er niets aan de hand was. /.ij keken alsof wij er niet waren. Wij werden vanaf het perron in een goederenwagon gepropt, alsof we koeien waren. Stro


Saar Roelofs, Het meisje en de wolf, de vernedering. Het meisje wordt bekeken en genummerd; zo ook haar broertje Benjamin en de andere kinderen op de vloer waarop oude en zieke mensen werden neergelegd. In het midden een e m m e r voor de behoeften en dat was alles. O p de deur werd met krijt het getal 78 geschreven, dat betekende dat er 78 mensen in deze wagon vervoerd zouden worden. Zou er ergens een Rode Kruis hebben bestaan, zou die ingegrepen hebben? I >c/c vraag zal nooit beantwoord worden. F.en halt brood en, ik meen, een stuk worst werd ons toebedeeld voor onderweg . Het Rode Kruis was afwezig. Mijn lief en ik zaten tegen de wand, de armen om elkaar, onzeker van wat ons te wachten stond, maar zeker van een toekomst samen. Auschwitz Onze b e s t e m m i n g was op het moment van vertrek onbekend maar na twee dagen en nachten rijden, begrepen we dat we naar Auschwitz onderweg waren. De aankomst daar en alle gebeurtenissen hoefik u niet te vertellen. Het is naar ik mag aan-

nemen voldoende bekend en de gedachten aan levensmiddelenpakketten kwam al helemaal niet in ons op. De taferelen die wij onder ogen kregen waren aanvankelijk niet te begrijpen en van de kngcl des doods hadden wij nog nooit gehoord. Helaas wisten wij al gauw dat men daar Mengele mee bedoelde en enige malen hebben wij in doodsnood voor hem gestaan. Libau Begin november 1944 gingen we met 52 Hollandse vrouwen vanuit Auschwitz op transport per veewagen, wederom voorzien van een stuk brood met worst en na een dag en nacht rijden stopte de trein bij een plaatsje Libau en daar kwamen we in een klein kamp dat een buiten-Lager van Gross Rosen bleek te zijn. Voor ons gevoel kwamen we van de hel in de hemel. Niet meer in overvolle barakken maar in zogenaamde 'sta/as' met stapelbedden voor ongeveer 30 gevangenen. In dit

kamp leefden we met ca. 1000 vrouwen van vele nationaliteiten, waaronder Franse en Belgische. Ik meen, dat zij ooit eens een levensmiddelenpakketje van hun Rode Kruis hebben ontvangen. Of dat werkelijk zo was, kon ik niet achterhalen maar het gerucht ging rond, zodat wij weer hoop kregen. Maar voor ons Nederlanders, ook voor andere Nederlandse gevangenen in alle andere kampen, zoals ik later hoorde, heeft niemand ooit iets van het Nederlandse Rode Kruis ontvangen of enige steun ondervonden. Ik zal u een indruk geven, hoe wij in Libau leefden. Wij moesten daar namelijk werken in fabrieken, dus werden wij zogenaamde "slavenarbeiders" in een labriek waarin sneeuwkettingen voor de oorlogsindustrie werden gemaakt. Wij konden ons niet wassen, het was erg koud door de vele sneeuwstormen. Soms konden wij onze barak niet terug vinden. Uiteraard waren we slecht gekleed. Blote b e n e n ,


lekkende schoenen, dunne kleren. Wij stonden aan lange montagetafels en maakten van korte kettinkjes, ringen en haken een lange, zware ketting .Een moeizame en zware arbeid. O n z e fantasie begon te werken, waarschijnlijk door honger en heimwee, en dan was er altijd wel iemand die riep: "Wie gaar mee naar de bioscoop?". "Ja ik", werd er geroepen. En daarna gaan we naar de Bijenkorf en dan zoeken we iets lekkers uit, zodat we allemaal in onze fantasie stonden te smullen en te genieten. Met de sneeuwkettingen-fabricage namen we het niet zo nauw. Dikwijls vergaten we de haken en ringen met een tang dicht te drukken, alvorens het zware geheel naar de lasmachines te slepen, waaraan meisjes zaten die dat laswerk moesten doen. H e t gevolg was, dat wanneer de kant en klare sneeuwkettingen naar het front gezonden werden en om de wielen van de legertrucs werden gespannen, de hele zaak uit elkaar viel en de kettinkjes in het rond vlogen. Dat bleek sabotage te zijn en wij kregen een hele nacht strafappél. Bij een herhaling zouden zij ons doodschieten, werd ons gezegd. Musical In de loop van februari 1945 bleek het slechter te gaan aan het front, want de aanvoer van materiaal voor de fabrieken stagneerde. Vreemd toch, dat toen wel de rails kapot gegooid bleek te zijn. Geen trein kon toen nog Libau bereiken. Daardoor kregen we langzamerhand voedselgebrek. Toch, het wonderlijke was dat in onze gesprekken en gedachten Het Rode Kruis altijd aanwezig was. Want wij verwachtten daat iets van. Wij fantaseerden daarover. In Libau heb ik twee musicals geschreven, op een soort grauw pakpapier dat onder onze strozakken lag in onze stapelbedden.

O p bekende melodieën maakte ik samen met een medegevangene teksten cn door een aantal meisjes werden die in het geheim gezongen. Eén musical had ais onderwerp, hoe we ons de bevrijding voorstelden. Degene die de rol van de kampcommandante had, zong dat Duitsland de oorlog verloren had. Zij vond dat zij toch altijd goed voor ons was geweest, en daarom bood zij aan: "Ik zal nu schrijven naar Het Rode Kruis, zodra er bericht komt mag je naar huis". Dit schreef ik omstreeks februari 1945. O p 8 mei 1945 werden we door de Russen bevrijd. Van het Rode Kruis geen spoor, taal noch teken. En dat was bitter. Wij waren in nood en hadden hulp nodig. Er was niemand die ons de weg wees naar ons land. Wij bleven nog tien dagen in het kamp. Aan ons zelf overgelaten. Omdat er in de laatste weken voor de Bevrijding geen aanvoer meer was van voedsel, moesten we ons in leven houden met het eten van grassen en o n k r u i d en sabbelen op stukjes hout. Er was niets meer en dat was griezelig. Toen de Russen ons kwamen bevrijden, werden we toegesproken door de commandanr in een taal die we niet verstonden maar wel konden begrijpen. Over Vrede en Eenheid en zo, maar wij hadden honger. Dat werd hem door de Poolse vrouwen duidelijk gemaakt en nadat wij op zijn verzoek op de appélplaats de Internationale hadden gezongen, waarvan wij dc woorden niet kenden, liet hij eten het kamp in brengen. Maar het was natuurlijk lang niet genoeg. Omdat de poort van het kamp nu open stond, besloten wij het plaatsje Libau in te trekken om voor de komende dagen voedsel re organiseren (een mooi woord voor 'gappen).

Pullmantrein Wc wisten niet precies waar we waren. Ja, in Silezië, ontdekten we, circa 20 kilometer van de Tsjechische grens. O p 18 mei 1945 besloten we het kamp tc verlaten. Lopen was de enige mogelijkheid. We hadden geen

vervoer. Voor de ouderen onder ons was dat lopen te moeilijk, zodat we naar een oplossing moesten zoeken. We organiseerden een paard en wagen, dat was toen vrij eenvoudig. Geen Duitser die de moed had ons in de weg te staan. De verzwakte en moeilijk lopende vrouwen lagen op de wagen en wij liepen er achter. Na enige uren lopen bereikten wij een plaats waar wij een station zagen en, voor ons heel bijzonder, daar stond een personentrein. Gewoon en helemaal leeg. Wij lieten de wagen met het paard voor wat het was cn stapten in de trein. Met ongeveer 30 vrouwen gingen wij zitten op banken met een zachte bekleding. Had ik niet in mijn musical geschreven: "Jongens, dat is fijn, het is een Pullmantrein met kussens op de banken en nooit meer houten planken") en wc besloten gewoon in deze stilstaande trein te blijven zitten. En we vroegen ons niet af, waar en wanneer deze trein toe zou besluiten. We sliepen heerlijk die nacht. Na 2 dagen en nachten ging de trein rijden en in de namiddag arriveerden we in de stad Praag. Praag O p het perron stond een jonge man, gekleed in een kaki uniform en met een geweer aan zijn schouder. Kennelijk bad hij onze trein verwacht, want hij liep op ons toe en stelde zich voor als Carol, partizaan van de 'Tsjechische verzetsgroepen. Hij vertelde ons de opdracht te hebben gekregen voor ons te zorgen cn ons te begeleiden naar een charitatieve instelling. Dat was een


opluchting.We moesten ons in rijen opstellen en met Carol naast ons liepen we door het mooie, doch gehavende Praag, onder Russische bezetting, over de bruggen van de Moldau, naar een groot gebouw waar we met zorg hartelijk ontvangen werden. Eten stond klaar en wij konden de eerste nacht daar blijven slapen in bedden met dekens. Nee, het was geen Rode Kruis. De volgende dag werden we naar een schoolgebouw gebracht, ook daar kregen we een lokaal met bedden en binnenkort kunnen we naar huis, dachten we. Dat was een vergissing. Uit alle hoeken van Europa stroomden de ex-gevangenen naar Praag. En op den duur werden wij zwervers, op zoek naar eten, zonder geld, zonder legitimatiepapieren en met niets eigenlijk. Diverse landen openden consulaten, zodat zij hun landgenoten hulp zouden kunnen bieden. Nederland schitterde door afwezigheid. De verontwaardiging was groot. Maar op een goede dag hoorden we, dat het Zweedse consulaat zich openstelde voor de Nederlanders. En ja, we werden op een geweldige manier geholpen. Wij kregen geld om het hoog nodige te kunnen kopen en ook om pasfoto's te laten maken voor legitimatiebewijzen. Ook het Belgische consulaat stond voor ons open en wij gingen van de één naar de ander maar ons naar huis helpen konden zij niet, o m d a t er geen vervoer mogelijk was. Er verschenen twee Nederlandse ex-krijgsgevangen luchtmachtofficieren. Zij vertelden ons, dat zij een vliegtuig hadden gecharterd en daarmee naar Holland wilden vliegen. Wij konden brieven mee geven voor onze familie, die zij dan aan het Rode Kruis zouden overhandigen ter verzending. Natuurlijk schreven wij allemaal brieven en gaven die mee aan de

heren. Bovendien zouden zij er voor zorgen dat er een delegatie uit Holland zou komen om ons transport te regelen. Wij geloofden dat. Er gebeurde echter niets. Pilsen Na verloop van weken ging het gerucht, dat het Zweeds en Belgisch consulaat gezamenlijk een transport zouden samenstellen en de vele duizenden zwervende Hollanders mee zouden nemen. En dat gebeurde. In een onafzienbare lange trein verlieten wij Praag en kwamen terecht in Pilsen, waar wij door de Russen werden overgegeven aan de Amerikanen. Toen kregen wij dinerpackets, waar van alles en nog wat in zat en de eerste sigaretten. Wij bleven de eerste dagen en nachten op het perron, totdat wij door de Amerikaanse militairen werden opgehaald en door de Beierse bergen in enorme legerauto's naar Bamberg werden gereden.In een grote kazerne werden wij ondergebracht en na een week, vertrokken we, weliswaar in goederenwagons met alweer stro op de grond, maar de deuren bleven o p e n . Z o sukkelden wij door Duitsland, zagen hoe groot de vernielingen waren, en in die tijd gaf ons dat een grote voldoening. Vlodrop In Vlodrop, waar we arriveerden, werden we in een klooster door de Amerikanen doorgelicht en kregen we een Displaced Person kaart met de verklaring dat we gezond waren. We geloofden het zelf, maar zo was niet. We waren verzwakt, vermagerd, opgezwollen door hongeroedeem, leden aan t.b.c, schurft, enzovoorts. Maastricht Tenslotte kwamen wij per personentrein aan in Maastricht, waar wij, hangend uit de ramen iets

bijzonders zagen. Dames van het Rode Kruis, liepen langs onze ramen en boden ons papieren bekertjes met koffie aan. Daar hadden wij op gewacht. Alsof het afgesproken was grepen wij de bekertjes en grommend van woede stortten wij de inhoud over de dames. Dat was onze zoete wraak. Thuis Met boten gingen wij van D e n Bosch, waar wij de hele nacht op de kade lagen, naar R o t t e r d a m , omdat de bruggen kapot waren. En eindelijk stond er in Rotterdam een boemehrein klaar, die mij naar den Haag bracht, waar ik woonde en verder boemelde met enige honderden uitgeputte mensen naar Amsterdam. Er was geen comité van ontvangst. De brief aan mijn moeder, die ik in Praag aan de heren officieren had meegegeven, o n t v i n g ik vijf maanden later via het Rode Kruis. Psychologe Saar Roelofs heeft een biografie geschreven over het leven van Ronnie Goldstein-van Cleef getiteld: "Nog altijd". Hierin zijn ook haar kampimpressies in de vorm van zestien tekeningen en 17 gedichten opgenomen. Ten Have, 2005; ISBN 90 259 5472 3; Paperback, 176 blz. In 2006 is van de hand van Saar Roelofs 'Het meisje en de Wolf' verschenen, een cyclus van vierentwintig schilderijen over een meisje in een concentratiekamp. Uitgave Partner Productions, ISBN 10:90-805871-2-5; € 17,50 Ronnie Goldstein


Bil M i n c o ( 1 9 2 2 - 2 0 0 6 )

Tweemaal bevrijd crvtn. wldAtew

w |

.

,i

dl- mfrt,

UlVM

ve*|

U W

W^v,

cUJ

tal

zv*tV^

ifc rxt|

l'fc

|3U4

A^M.

Jr**t.

£i w *wi**s

Kt vfjdllM •

<^<UVvl

»vviJici

KUM~

v^ed

M I « aLU z*

Ca| z*jfi i'ör oLo**o*~

Bill Minco is gestorven, hij werd bijna 84 jaar. Hij overleefde Auschwitz en andere kampen. Hij wist te overleven, voort te gaan en ook terug te kijken. Carry van Lakerveld stelde in overleg met hem een biografie van hem samen voor de tentoonstelling in het N e d e r l a n d s paviljoen te Auschwitz. Zij gedenkt Bill Minco hieronder. 'zolang ik leef zal ik daarvan I getuigen.' schreef hij. Dat heeft hij gedaan. Hij was al heel ziek, en toch heeft hij nog meegewerkt aan het verhaal over zijn verzetswerk en zijn ervaringen in de kampen voor de nieuwe Nederlandse tentoonstelling in Auschwitz. In de laatste maanden van 2005 hebben we daarover nog heel veel overlegd. Toen dc oorlog uitbrak zat Bill Minco nog op school, hij was pas zeventien jaar. Na de capitulatie wilde hij met een klasgenoot naar Engeland om

vandaar te strijden tegen de nazi's. Bij hun pogingen naar Engeland te komen, kregen zij contact met De Geiizenactie, een van de eerste verzetsgroepen, en zij sloten zich daarbij aan. Een groot deel van de groep werd al eind november 1940 gearresteerd. Bill Minco werd 7 januari 1941 op school opgehaald en in her Oranjehotel, bijnaam van de gevangenis in Scheveningen, opgesloten. Hij werd dagenlang verhoord en uiteindelijk gedagvaard voor spionage en begunstiging van de vijand. Achttien verdachten kregen de doodstraf . Ook Bill Minco werd ter dood veroordeeld. O p de dag van de executie, 13 maart, kreeg hij te horen dat hij en twee andere jonge jongens vanwege hun jeugdige leeftijd werden 'begenadigd' met levenslange tuchthuisstraf. Met dit genadiglijk vonnis begon Minco's jarenlange martelgang in Duitse gevangenissen en kampen. In december 1941 kwam hij in het tuchthuis Untermassfeld in Thüringen terecht, waar hij als een 'zware misdadiger' geïsoleerd werd opgesloten, anderhalf jaar lang. Het was een opluchting toen hij op transport naar Mauthausen moest. 'Alles leek me beter dan nog langer alleen te zijn'. In Mauthausen werd Minco in de Joden barak geplaatst. Joden moesten in een speciaal commando werken en, in looppas, zware stenen dragen van beneden uit de steengroeve tot boven in het kamp. Na twee maanden, in augustus 1943, ging hij meer dood dan levend op transport naar Auschwitz. In Auschwitz werd hij tot drie keer toe geselecteerd voor de gaskamer, maar hij werd niet meegenomen. Dat was geen toeval. Zijn oorspronkelijke doodvonnis was omgezet in levenslang en dat

5 '

moest hij uitzitten. Bij de nadering van het Russische leger werd Auschwitz geëvacueerd, lopend. Bill Minco: ' H e t was een droevige processie... Zo nu en dan klonk een knal en dan zagen we weer ergens een donkere figuur in de sneeuw liggen . Uiteindelijk werd hij op 30 april in het kleine plaatsje Tutzing door de Amerikanen bevrijd. In juni was Bill Minco terug in Rotterdam. Zijn ouders en broer waren ondergedoken en hadden de oorlog overleefd. Direct na dc oorlog schreef Bill Minco zijn oorlogservaringen op. 'Iwee en vijftig jaar later verscheen het daarop gebaseerde, indrukwekkende en ontroerende boek Koude voeten. Het relaas van een joodse scholier uit het Geuzenverzet, (Nijmegen 1997). In de tussenliggende periode heeft hij een nieuw leven opgebouwd en met pijn en moeite geprobeerd met de oorlog af te rekenen. Hoe kan dat eigenlijk, afrekenen met de dodencel, met anderhalf jaar eenzame opsluiting, met Mauthausen, Auschwitz, Dodenmars en tenslotte Dachau. Geslagen, uitgehongerd, vernederd worden, doodziek gemaakt. Toch is Bill Minco er in geslaagd zijn leven weer op te bouwen, geholpen door zijn verzetshouding, door - zoals hij schrijft — de mensen die van hem

eL


houden, door zijn vermogen om ondanks zoveel negatieve ervaringen, een positieve levenshouding te ontwikkelen. Hij trouwde en hertrouwde na de dood van zijn eerste vrouw, kreeg kinderen en kleinkinderen, en bouwde een carrière op als zakenman en politicus. Voor de V V D zat hij

jarenlang in de gemeenteraad in Hilversum en was hij wethouder van Financiën, Economie en Sport. Dat wil niet zeggen dat hij de oorlog — of de oorlog hem — ooit heeft losgelaten. Bill Minco was onder meer medeoprichter en voorzitter van de Stichting Geuzenverzet, betrokken bij de

Stichting Oranjehotel en het Oorlogsen Verzetsmuseum Overloon. I lij sprak op scholen, ging met jongeren naar Mauthausen cn ontving een aantal onderscheidingen in Nederland en in Duitsland. O p 5 mei 2006 is hij gestorven, op bevrijdingsdag. Carry van Lakerveld

Nooit meer Auschwitz-lezing" 2 0 0 7 Voormalig s t a a t s s e c r e t a r i s van Cultuur in Spanje en één van de belangrijkste auteurs van Europa Jorge Semprun O p donderdag 25 januari 2007 organiseert het Nederlands Auschwitz Comité in samenwerking met de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR) en het Centrum voor Holocaust- en Genocidestudies voor cle vierde keer de jaarlijkse Nooit meer Auschwitz-lezing. De lezing vindt plaats in dc Beurs van Berlage in Amsterdamen en de spreker is dit jaar de voormalig staatssecretaris van Cultuur in Spanje en een van de belangrijkste auteurs van Europa, de heer Jorge Semprun. De Spaanse schrijver Jorge Mattra Semprun werd op 10 december 1923 in Madrid geboren. Als zoon van Spaanse emigranten groeide hij deels op in den Haag en in Parijs. Na de Spaanse Burgeroorlog week hij in 1939 uit naar Frankrijk en leefde hij in ballingschap in Parijs waar hij filosofie studeerde aan de Sorbonnc. In 1942 werd hij lid van de Communistische Partij en sloot zich aan bij cle Résistancc in hun strijd tegen de nazi's. Hij werd door de Gestapo opgepakt en in 1943 naar Buchenwald gedeporteerd. In 1945 kwam hij vrij en leefde tussen

1953 en 1964 anoniem als Spaanse communistenleider in Spanje- Hij werkte tijdens het Franco-bewind ondergronds. In 1964 werd hij als 'dissident' geroyeerd. Van 1988 tot 1991 was hij staatssecreraris van Cultuur in Spanje. Jorge Semprun behoort tot de meest belangrijke auteurs van Europa. De ingrijpende belevenissen tijdens zijn gevangenschap die hij reeds in zijn eerste roman 'Le grand voyagc' (1963) heeft beschreven, vormen de thematiek van zijn literaire werk tot op heden. Ondanks zijn traumatische ervaringen in het concentratiekamp heeft Jorge Sempriin steeds een heel nauwe band gehad met de Duitse cultuur: Goethe, Hölderlin, Heine, Brecht, ("clan zijn hem net zo vertrouwd als Hans Magnus Enzensberger of Durs Grünbein. Zelfs het Spaanse nationale epos, de Don Quijote, las hij eerst in een Duitse vertaling. Jorge Semprun ontving diverse onderscheidingen o.a. Goethe-Medaille, de Edagar Allan Poe award, de Jeruzalem prijs voor literatuur en dc Ftiedenspreis der Deutschen Buchhandels. In 1996 trad hij als eerste b u i t e n l a n d e r toe tot de Franse Académie Goncourt. Hij schreef o.a. de Tweede dood van Ramon Mercador (1969) en film-

scripts voor 'De oorlog is ten einde' en de film over het Griekse kolonelsbewind (Costa Gavras) en De biecht en de Speciale Sectie, ook van Costa Gravas. Aan de lezing, enkele dagen voor de Auschwitzherdenking (28 januari 2007) is ook de jaarlijkse onderscheiding verbonden, die de naam draagt van de in 2001 overleden erevoorzitter van het Auschwitz Comité, Annetje Fels-Kupferschmidt. De onderscheiding wordt toegekend aan een persoon of organisatie die zich op buitengewone wijze verdienstelijk heeft gemaakt voor het realiseren van de doelstellingen van het Nederlands Auschwitz Comité. Nadere informatie over de lezing volgt in het decembernummer van het Auschwitz Bulletin.


" I e m a n d g a a t twee keer dood H e t d o e l v a n het D i g i t a a l M o n u m e n t Een monument voor aJJe Joden die in de Tweede Wereldoorlog zijn omgekomen, dat was de droom van les Lipschitz. Een droom die ontstond toen de oud-hoogleraar met emeritaat ging, en zich ging verdiepen in de nasleep die de Tweede Wereldoorlog in Nederland had gehad. Tijdens zijn zoektocht ontdekte hij veel dat niet correct was, veel zaken die bijvoorbeeld administratief niet goed waren afgehandeld. Zo kwam hij op het idee voor een Joods monument. „Want het Oude Testament zegt: iemand gaat twee keer dood: een keer als hij niet meer ademhaalt, een tweede keer als hij vergeten is", motiveert Lipschitz zijn initiatief. Dat was vijf jaar geleden. Lipschitz dacht aanvankelijk aan een monument in boekvorm, maar door dc enorme omvang van het project bleek een website een beter idee. Inmiddels is die website er in de vorm van het Digitaal Monument dat sinds april vorig jaar in de lucht is en een buitengewoon succes is. Het monument kon gefinancierd worden dankzij geld van het Verbond van Verzekeraars, dat na afbetaling mét rente van alle joodse tegoeden nog eens 5 miljoen gulden ter beschikking stelde. Het doel van het Digitaal Monument is te zijner tijd alle Joden die tijdens de bezetting van Nederland zijn omgekomen een zo volledig mogelijke vermelding te geven op de site, inclusief foto's, een biografie en andere informatie. Om ze niet te vergeten, zoals Lipschitz dat graag wilde, maar ook om meer te weten te komen over de omgekomen personen. Het streven is om in de komende tien jaar zo veel mogelijk personen een gezicht of een verhaal te geven. Bezoekers van de website worden

uitgenodigd om daartoe materiaal aan te leveren. Daniël Metz is coördinator van het Digitaal Monument en één van de drie krachten die zich nu nog bezighouden met onder meer de inhoudelijke invulling van het project. Hij vertelt: „De informatie die we op de website zetten, kan variëren van het beroep en het adres van iemand tot een uitgebreide levensbeschrijving met anekdotes." Metz komt om in het werk. „Er zijn veel meer reacties los gekomen dan verwacht. In het eerste jaar hebben we 9000 mails ontvangen. Daar hebben we inmiddels twee derde van verwerkt. Die mails zijn met name afkomstig van familieleden en toenmalige buurt- en klasgenoten die biografische aanvullingen toesturen, maar vooral veel familierelaties geven. In april 2007 hoopt Metz 'bij' te zijn met de correspondentie. „Maar het kan nog wel tien jaar duren voordat het monument zijn voltooiing nadert. En dan nog: helemaal af komt het waarschijnlijk nooit." Wel zijn de auspiciën van het monument recent van het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (IISG), waar Karin Hofmeester de projectleiding had, over gegaan in handen van het Joods Historisch Museum in Amsterdam. Het monument is nu een integraal onderdeel van het J H M . Metz: „ D a t is een logische stap geweest. Voor de opstartfase was het heel prettig dat de faciliteiten en expertise van het IISG gebruikt konden worden. Maar nu het m o n u m e n t gestalte heeft gekregen past het beter in een andere omgeving. Het Joods Historisch Museum was de meest logische keuze." Lipschitz is officieel weliswaar niet meer betrokken bij het project, hij

houdt zich nog altijd bezig met het opsporen van gegevens voor de website. Lipschitz: „Het monument is mijn levenswerk. Dat geef je niet van de ene op de andere dag op. Het houdt mij nog dagelijks bezig." Niet in het minst omdat het monument, aldus Lipschitz, veel fouten bevat. „Voor het monument zijn de gezinssituaties uit 1941 als uitgangspunt genomen. Er zijn echter na 1941 o n t z e t t e n d veel dingen gebeurd waardoor gezinssituaties volkomen veranderden, veranderingen die in het m o n u m e n t vaak niet zijn verwerkt." Metz erkent dat er fouten in het Digitaal Monument staan. „Voor het Digitaal Monument is een groot aantal bronnen gebruikt, waaronder In Memoriam. De koppeling van de honderdduizenden gegevens is niet altijd goed gegaan. In Memoriam geeft bijvoorbeeld geen gezinsrelaties. Die hebben wij geprobeerd te reconstrueren aan de hand van gemeentelijsten. Een vera n t w o o r d i n g voor het risico o p fouten staat op de website. We gaan er de komende jaren alles aan doen om die onvolkomenheden eruit te halen. En dat gaat ook lukken, de afgelopen jaren hebben we al heel veel bereikt en dat wordt alleen maar meer." Nienke Ledegang


B o e k b e s p r e k i n g : D e strijd o m d e F e b r u a r i s t a k i n g

Interpretaties en vervormingen I S nauwelijks n a i l W f l Ü k c H*»nLKa^rï~)t>strijd Ctrris/ om de rln Februaristaking. P/tiintsii.ictsiUtnn is denkbaar: De Het lijkt de titel van een ouderwets spannend jongensboek. Maar het gaat in het boek van Annet Mooij om een bittere strijd tussen volwassenen: het gevecht - na de oorlog - om de 'eigendom' van de Februaristaking, ideologisch, historisch en politiek. Het was een gevecht op het glibberige pad dat van interpretatie naar geschiedvervalsing zou leiden. Wetenschappelijk kritisch, maar met menselijk gevoel voor alle partijen die in de loop der jaren in dit gevecht figureerden schrijft Annet Mooij, psychologe en zelfstandig onderzoeker, haar geschiedenis van de beroemde staking.

E d ! trefFf»nrlf»r Een treffender titel titel

Annet Mooij

De strijd om de Februaristaking

Prronir Erfenis "Hoe verdeel je de nalatenschap van een moedige daad", vraagt Mooij zich in haar boek af; "hoe mooier en zuiverder de erfenis, hoe aantrekkelijker het voor velen is om haar op te eisen". De Februaristaking, een heroïsche daad van de eerste orde, was z o n erfenis. Wie waren de partijen die om de Februaristaking vochten en wat was precies de inzet van het gevecht? Eerst nog even de feiten op een rij, zoals beschreven in de Proloog van het boek. D e Communistische Partij van Nederland, ondergronds gegaan in juli 1940 nadat de bezetter de partij verboden had, riep de bevolking al in het eerste nummer van haar — illegale — blad De Waarheid op om zich teweer te stellen tegen het Duitse fascisme: 'Geen fascisme in Nederland'. Geen rassenhaat of antisemitisme waarmee de nazi's ons volk willen vergiftigen!'

Toen er op zaterdag 22 en zondag 23 februari 1941 in de Amsterdamse Jodenhoek meer dan vierhonderd joodse mannen van hun fietsen en uit hun huizen werden gesleurd om een paar dagen later naar het concentratiekamp Buchenwald gedeporteerd te worden - de eerste tegen Joden gerichte razzia in Amsterdam - kwam de illegale C P N in actie. In niet mis te verstane bewoordingen werd in het pamflet waarmee de bevolking opgeroepen werd te staken, gewag gemaakt van het ruwe geweld tegen Joden: 'Protesteert tegen de afschuwelijke Joden vervolgingen!.'.'' De staking was een overweldigend succes. Mooij: " T i e n d u i z e n d e n gingen de straat op. O o k buiten Amsterdam begon de staking op gang te komen. De volgende dag


breidde ze zich uit naar de Zaanstreek, Weesp, Hilversum, Haarlem, Velsen, Utrecht en Muiden." Veel particuliere bedrijven sloten zich bij de gemeentearbeiders aan. De afloop is bekend: Dc Duitsers grepen gewelddadig in. Vooral aan communistische kant vielen veel doden. Wie schrijft de geschiedenis De initiatiefnemers van de staking en de tekstschrijvers van het pamflet hadden al in een vroeg stadium door, dat het om Jodenvervolging ging. Dat opvallend scherpe inzicht moest vervolgens echter worden geloochend. De door de Sovjet Unie gedicteerde communistische ideologie schreef dat voor. Mooij: "Het fascisme was terreur tegen de volksmassa tout court. Dat speciaal de Joden het voorwerp waren geweest van de Duitse moordzucht werd in de naoorlogse Soviet Unie dan ook niet erkend, evenmin als een actie die uitgerekend door dit feit was geïnspireerd." In feite begon de herschrijving van de geschiedenis al toen de staking krap een maand oud was, om te beginnen in de communistische pers. De werkelijkheid werd aan de ideologie aangepast. Mooij beschrijft hoe in maart 1941 artikelen verschenen waarin werd gesteld dat de staking om een Joonactie' ging en geen 'sentimentele inzet' kende (opkomen voor de Joden) maar een 'politiek doel diende (het voorkomen van een Mussert-regering). IJkpunt De staking - en de herdenking ervan zou in de jaren na de oorlog het ijkpunr worden voor de juiste morele maatschappijvisie. Twee partijen kwamen daarin lijnrecht tegenover elkaar te staan: het gemeentebestuur van Amsterdam, als dc algemene vertegenwoordiger van de protesterende bevolking van Amsterdam, en de CPN als de ware representant van

de stakers. Door de Koude Oorlog, en helemaal na de door de CPN bejubelde communistische machtsgreep in Praag in 1948, zakte de verhouding tussen de beide groeperingen tot ver onder het nulpunt.Voor de niet-communisten was nu duidelijk dat de loyaliteit van de CPN bij het anti-democratische Moskou lag. Communisten werden uit politieke en maatschappelijke organisaties geweerd, ook uit de verzetsorganisaties wat wel buitengewoon bitter was. Dat laatste leidde voor de communisten tot een nieuwe organisatie: het Verenigd Verzet. Mooij: "Deze opstelling van partijen was kenmerkend voor de Koude Oorlog: de communisten tegen de rest". Door beide partijen werd de rol van de ander op het punt van verzet tegen de Duitsers, verdraaid of weggeschreven. Voor het gemeentebestuur was de staking goed voor het imago van de stad. Er ontstond een steeds heroïscher beeld van de solidariteit van de Amsterdammers met hun joodse medeburgers. De staking werd ook beschreven als het begin van heldhaftig verzet tegen de overheersers. De rol van communisten als bedenkers en organisatoren van de staking en als verzetslieden in het algemeen, werd genegeerd. Mooij beschrijft in dat verband hoe de opinie van de anti-communisten als volgt luidde: de staking had plaatsgevonden ten tijde van het vriendschapsverdrag tussen Hitier en Stalin, toen de communisten zich nog principieel afzijdig hielden. En de staking was spontaan uitgebroken. Voor de communisten was er dus geen enkele reden om bij de herdenkingen de eerste viool te spelen... Voor de Joden zelf, om wie het toch bij de Februaristaking gegaan was, was de staking een bemoedigend gebaar geweest, maar niet meer dan dat, gezien het vervolg van de ver-

nietiging van het Jodendom. Dat feit werd aanvankelijk door beide partijen genegeerd. Gescheiden herdenken De PvdA-burgemecster D'Ailly bleek wèl oog tc hebben voor de rol van de communisten in de februaristaking. Tot ieders verrassing zei hij in zijn toespraak hij de herdenking op 25 februari 1949 met zoveel woorden dat dc staking wel degelijk was voorbereid en georganiseerd en niet spontaan was ontstaan: "ere wie ere toekomt". Maar dat kon niet voorkomen dat de 'oorlog' tussen de parrijen die de Februaristaking als hun erfgoed beschouwden hevig oplaaide. Zo hevig, dat er vanaf 1953 gescheiden werd herdacht, 's Morgens het gemeentebestuur, 's middags de CPN. D o o r de C P N werden de herd e n k i n g e n aangegrepen om te protesteren tegen actuele situaties: de koloniale oorlog in Indonesië, de Duitse herbewapening, het Amerikaans imperialisme. Mooij: " D e communistische wijze van h e r d e n k e n behelsde altijd een oproep bet fascisme in zijn actuele gedaante te bestrijden. Het zou verraad aan de doden betekenen wanneer dc strijd niet werd voortgezet in de huidige tijd". De reactie d a a r o p van het anticommunistische kamp was dat de communisten een politiek slaatje uit de herdenkingen sloegen. Overigens zou in de zeventiger en tachtiger jaren ook door andere linkse groeperingen de herdenking van de staking aangegrepen worden om te protesteren: tegen gemeentebeleid, tegen atoombewapening en tegen politieke misstanden in het algemeen. Maar toen was de kou al grotendeels uit de lucht cn hoefden de c o m m u n i s t i s c h e helden niet meer gekleineerd te worden.


Herenigd In 196(> leidde de combinatie van beginnende dooi in de Koude Oorlog en de komst van nieuwe raadsleden in de Amsterdamse gemeenteraad tot een toenaderingspoging tussen beide kampen en kon er weer gezamenlijk herdacht worden, mét een politieke agenda gericht op de actualiteit van het moment. Aanvankelijk waren dat thema's rond mensenrechten, verdraagzaamheid en solidariteit. Ook voegde zich in de jaren zeventig en tachtig een nieuw soort publiek bij de herdenking. Mooij heeft het over "het rijkgeschakeerde actiewezen" van die tijd, met de kraakbeweging, de homobeweging, de Latijns-Amcrikacomités, de Derde Wercldgroepen, kortom: de nieuwe antifascisten. Dat leidde natuurlijk ook wel eens tot conflicten tijdens dc herdenkingen op het Jonas Daniël Meijerplein en verboden door het gemeentebestuur om bepaalde spandoeken mee te dragen. Daarna werd het weer rustiger rond de herdenkingen en vooral, het werd

officiëler. Er kwamen delegaties naar Amsterdam van allerlei Nederlandse gemeenten, de Ambassadeur van Israël was er bij en een minister of sraatssecretaris van W V C (later VWS). De laatste jaren, van af 2002, zijn er weer toespraken. Dar was sinds 1961 op één uitzondering na niet meer gebeurd, verboden door het gemeentebestuur vanwege de moeizame verhoudingen tussen de organiserende en herdenkende partijen. Nu houdt meestal de burgemeester een korte toespraak en er wordt een voordrachr gehouden. De teneur van onze tijd is dat er in de toespraken een humanitaire les verpakt zit. Zoals in 2005: "Een daad uit het verleden, een les voor het heden", sprak burgemeester Cohen. Dat is dus aardig in de richting van de communistische herdenkingstraditie, stelt Annet Mooij: de betekenis van de staking verpakt als een boodschap voor het heden en een vermaning voor de toekomst. Macht "Mensen met macht denken doelgericht", meent de uit Amerika af-

komstige sociaal psycholoog I'amela Smith, onderzoeker naar de invloed van macht op denken en waarnemen, "zij zien de wereld door de lens van hetgeen zij willen bereiken". Als er iets duidelijk wordt in Pc strijd om de Februaristaking dan is dat het wel. Dat is ook wat het boek extra aantrekkelijk maakt: de situering van de/e verzetsdaad - hij blijkt in heel Europa enig in zijn soort te zijn in een ruim sociaal-politiek en historisch kader. De interpretaties en herinterpretaties, de vele vervormingen van de geschiedenis in de richting van de ideologie die nagestreefd werd, worden inzichtelijk gemaakt. Geen jongensboek, dus, maar wel een ontzettend spannend geschreven dramatisch verhaal over mensen, hun daden, hun ideologie en 'de werkelijkheid'. Bertje Leuw Annet Mooij, De strijd om de Februaristaking. Amsterdam 2006 Uitgeverij Balans, 174 blz. ISBN 90 5018 768 4, €17.50

Landelijk d a g voor mantelzorgers v a n oorlogsgetroffenen en veteranen C O G I S (Kenniscentrum vervolging, oorlog en geweld, voorheen I C O D O ) en M E Z Z O (Vereniging voor Mantelzorgers en Vrijwilligerszorg) organiseren ook dit jaar een landelijke dag voor mensen die intensieve steun geven aan hun partner, familielid of vriend, die in de Tweede Wereldoorlog slachtoffer of getuige is geweest van traumatische gebeurrenissen of als veteraan (ook in latere oorlogen) ingrijpende ervaringen heeft meegemaakt. Bent u mantelzorger van iemand die lijdt aan de late gevolgen van oorlogservaringen ot bent u mantelzorger van een veteraan, dan bent u van harte welkom op deze dag. Als u deel wilt nemen aan deze dag, dan kunt u zich vóór 15 oktober opgeven bij COGIS te Utrecht, tel. 030 - 2343436 of w.de.paterf^cogis.nl


DE REIS

Acht v a n d e zes miljoen

lk ga op reis, ik moet. Ik ben op reis met velen. Ik zie geen bomen, niet het groene gras. Slechts een kleine bundel licht, streelt zachtjes mijn gezicht. Ik zie de bange mensen, staan of zitten op de houten bodem mer wat stro. Ik weet niet goed, waar deze reis naar toe zal gaan? Ik kijk naar de gezichten om mij heen. Wij durven niet te vragen? Het monotoon gedreun duurt vele dagen. Eindelijk ben ik dan gekomen. In een stukje land waar; ARBEID F REI M A C H T Mijn hart voelt diepe duisternis. Kan ik nog hopen?

( m o n u m e n t a a n d e Tongerense w e g

Den Dolder, Juni-06 opgemaakt: Gerda Reitmann- Jansen

Vierhouten) Acht namen langs een grijze weg, acht van de zes miljoen, acht die ik altijd lezen zal, dichtbij mijn huis, acht in getal, acht van de zes miljoen. Acht namen bij het zwijgend hout, acht van dc zes miljoen, acht appels van het heilig oog dat ziet of ik de tranen droog van die gebleven zijn. Zes zomers was John Meyers oud. één van de zes miljoen. "Abba," riep zijn gesmoorde stem alleen dc Vader hoorde hem en zag dc zes miljoen. Marius Schouten

Tentoonstelling W i e k a n ik nog vertrouwen? Homoseksueel in nazi-Duitsland en bezet N e d e r l a n d Vrijdag 21 april o p e n t in Herinneringscentrum Kamp Westerbork Wie kan ik nog vertrouwen? Het is de eerste tentoonstelling die geheel is gewijd aan de vervolging en het verzet van homoseksuelen voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog. Een t e r u g b l i k die o o k vraagtekens plaatst bij de tegenw o o r d i g e tijd: k u n n e n h o m o seksuelen blijven vertrouwen op de recent veroverde positie en rechtsbescherming? De tentoonstelling is van 21 september 2006 tot half januari 2007 in het Verzetsmuseum Amsterdam en later in 2007 in het Verzetsmuseum Leeuwarden en Nationaal Monument Kamp Vught. Wie kun ik nog vertrouwen? is gebaseerd op recent onderzoek. Met persoonlijke getuigenissen en uniek beeldmateriaal schetst de tentoon-

stelling een beklemmend beeld van de vervolging cn hef verzet van homoseksuele mannen en lesbische vrouwen in Nederland en Duitsland tussen

«nm.vtittiiMwiii.iH

1933 en 1945. Foto's, filmfragmenten en documenten tonen het politieke en maatschappelijke

klimaat waarin deze mannen en vrouwe;) zich staande probeerden te houden. In interviews vertellen zij hoe ze die tijd hebben beleefd en wat hen is overkomen. De tentoonstelling toont intieme foto's en correspondentie uit nalatenschappen die lang angstvallig verborgen bleven. Foto's, verslagen en getuigenissen uit politiearchieven onthullen hoe verraderlijk de samenleving was voor homoseksuelen. Eerbetoon Wie kun ik nog vertrouwen? is ook een eerbetoon aan de mannen en vrouwen die zijn vervolgd of verzet pleegden. Na de oorlog stonden zij alleen met hun herinnering. De door de nazi's ingevoerde wetgeving bleef nog decennia lang bestaan en de homovervolging werd niet erkend.


i w* 'De overlevers' De journalist Aad Nekeman (1947) werd als kind bedolven onder oorlogsverhalen, toentertijd wist hij er echter geen raad mee. Door gesprekken met Jules Schelvis en Robert Fullner kon hij zijn boek 'De Overlevers' schrijven. Jules Schelvis (1921) overleefde acht concentratie- en vernietigingskampen en schreef met name over het vernietigingskamp Sobibor. Hij is oprichter van de Stichting Sobibor en een belangrijke steunpilaar van de Duitse organisatie Bildungswerk Stanislaw Hantz, die studiereizen organiseert naar de vroegere kampen waarbij Schelvis soms als gids optreedt. Robert Fullmer (1927) moest uit Oost-Pruisen vluchten voor de opmars van het Rode Leger. Na zijn adoptie d o o r een eenvoudig Amerikaans gezin, raakte hij namens het State Department betrokken bij ontwikkelingsprojecten over de hele wereld. Het boek De Overlevers begint met een zoektocht naar het leven en de AAD

\ i m m w

DE OVERLEVERS

wereld van twee vliegeniers. Tijdens een luchtgevecht in 1943 stort een Duits jachtvliegtuig neer in Tiel, met aan boord de broer van Fullmer. Dan komt vooral Jules Schelvis aan het woord. Als lezer word je in zijn leven van toen en nu getrokken. Jules Schelvis heeft een fotografisch geheugen en spreekt in korte zinnen. Zijn emoties heeft hij na zoveel jaren onder bedwang, waarschijnlijk kan hij hierdoor de verschrikkingen die hij beleerde, beschrijven alsof ze een ander zijn overkomen. Het verhaal van Robert Fullner wordt daar tegenover geplaatst. De uit Tiel afkomstige journalist Nekeman is ook bekend door zijn zoektocht in de kwestie van de Poolse krijgsgevangenen van 10 mei 1940 bij Hotel Langenberg. Hij is nog steeds bezig de met het volgen van de sporen van deze groep en tevens is hij actief in de geschiedschrijving van de oorlog. Aad Nekeman, 'De Overlevers', Uitgeverij KroniKeur Tiel, 2006, (464 blz.) ISBN 90-803998-3-3, € 25,00 Uitgeverij Eenvoudig Communiceren vindt dat lezen voor iedereen toegankelijk moet zijn. De uitgeverij maakt boeken, kranten en gidsen in een overzichtelijke vormgeving en begrijpelijk taalgebruik. De teksten zijn eenvoudig, maar alles behalve kinderachtig. De uitgeverij richt zich naast laagopgeleide jongeren op moeilijk lezenden en heeft ook boeken uitgegeven over maatschappelijke onderwerpen die moeilijk bespreekbaar zijn zoals over homoseksualiteit en de groeiende intolerantie in dit opzicht. In het boek 'Ik overleefde Auschwitz' is de joodse Hongaar Ferenc Göndör elf jaar oud als de oorlog uitbreekt. Samen met zijn moeder en zusje wordt hij opgepakt en

gevangen gezet in Auschwitz. O p eenvoudige wijze en in heldere taal wordt het opgroeien in een antisemitische omgeving en het volwassen worden in Auschwitz beschreven. Met de huidige tendens van vooroordelen en vijandigheid ten opzichte van alles wat anders is, gaat de uitspraak "Wie het verleden kent begrijpt het heden beter' meer op dan ooit. Het boek biedt scholen een handvat om in de klas te praten over identiteit, tolerantie en geweld. Ik overleefde Auschwitz is voorzien van ondersteunend beeldmateriaal zoals historische foro's en een verklarende woordenlijst. Ferenc Göndör, Tk overleefde Auschwitz', Uitgeverij Eenvoudig Communiceren Amsterdam, 2006, (184 blz.) ISBN 90-8696-002-2, € 14,50 ' H e t b e g i n t m e t nee z e g g e n ' Redactie Judith Schuyf en Klaus Muller. Het aandeel van h o m o seksuele mannen en vrouwen die actief waren in het verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog werd decennia lang vergeren. In de nationale beeldvorming paste het niet hen een ereplaats te geven als verzetsstrijders. Dit boek geeft hen de aandacht die zij verdienen. In de visie van deze auteurs waren homoseksuelen, door hun positie in de vooroorlogse samenleving, gewend aan het leiden van een dubbelleven en hun homoseksualiteit geheim te houden. Hierdoor was het relatief gezien niet moeilijk je mond dicht te houden over de illegaliteit van de verzetsacties. Zo leidde de homoseksuele schilder en schrijver Willem Arondéus de bekende aanslag op het bevolkingsregister en was de lesbische celliste en dirigent Frieda Belinfante een voortrekker in het kunstenaarsverzet. Dr. Judith Schuyf is senior adviseur bij het Kenniscentrum Lesbisch en


over de oorlog uitgebracht. In 'Overleven in Auschwitz' horen wij hoe Ruth Elias en Edith Eva Egar in aanraking komen met Jozef Mengele. Beide vrouwen overleven Auschwitz en vertellen op deze dvd hun verhaal. ISBN 90-7766754-7, € 9,99.

Frieda Belinfante verkleed als man, eind 1943 (drie maanden vertoonde zij zich als man om de Gestapo te ontkomen). Homo-emancipatiebeleid Zij werkte bij het Informatie- en Coördinatie-orgaan Dienstverlening Oorlogsgetroffenen en heeft vele publicaties op haar naam staan, onder ander over het concentratiekamp N e u e n g a m m e . Dr. Klaus Muller is museum- consultant, filmmaker en publicist en werkt onder meer voor her United States Holocaust Memorial Museum te Washington. Judith Schuyf en Klaus Muller (redactie), 'Het begint met nee zeggen. Biografieën rond verzet en homoseksualiteit 1940-1945 '• Uitgave Schorer Boeken Amsterdam, 2006, (250 blz.) ISBN 90-77334129-9, € 22,50 De evangelische omroep heeft diverse dvd-uitgaven met documentaires

In 'Kind van de Holocaust' veiwoordt beeldend kunstenaar Mare de Klijn zijn impressie over zijn traumatische indrukken tijdens zijn onderduik als 4-jarig joods jongetje. Na een reis naar Polen waar hij o.a. Auschwitz bezocht en op de plek stond waar zijn grootouders vergast zijn, had dit een enorme impact op Mare de Klijn. De andere documentaire op deze dvd vertelt over Floris Bakels die een bekende Nederlandse verzetsstrijder was. Zijn verzetsgroep werd echter verraden en hij werd op 9 april 1942 gearresteerd. ISBN 90-77667-78-4, € 9,99. 'De Wannseeconferentie' is de algemene benaming van de op 20 januari 1942 in Villa Wannsee te Berlijn gehouden conferentie over het, in naziterminologie zogenaamde, 'Jodenvraagstuk'. Deze DVD en notulen geven op indrukwekkende wijze inzicht hoe dc nazi's formeel besloten de Joden te vernietigen. ISBN 907766767-9, € 9,99. Bestellen van en informatie over een D V D : www.eo.nl Marjon de Klijn

Het doel van de Stichting Nederlands Auschwitz Comité is: * het realiseren van de zinspreuk "Nooit meer Auschwitz"; * het ageten tegen alle vormen van fascisme, racisme en antisemitisme; * het bevorderen van het welzijn van de in de tweede wereldoorlog vervolgden en hun nabestaanden; * het verrichten van alles wat met het voorgaande verband houdt, alles in de ruimste zin

In blijvende herinnering aan de overlevenden van Auschwitz, die het Nederlands Auschwitz Comité hebben opgericht. Nederlands Auschwitz Comité Ere-lid: drs. Eva Tas Voorzitter: Jacques Grishaver Secretaris: Herbert Sarfatij 2e Secretaris: Ruud Wolft Penningmeesters: Ronald van den Berg John van Cleef Secretariaat: Postbus 74131 1070 BC Amsterdam tel/fax 020 - 67 233 88 e-mail: seccretariaat@auschwitz.nl website: www.auschwitz.nl e-mail: info@auschwitz.nl Financiële administratie: telefoonnummer: 020-4287684 e-mail: penningmeester@auschwitz.nl rekening.ABN/AMRO: 414.646.282 Postbank: 29.30.87 IBAN: NL53ABNA0414646282 BIC: ABNANL2A A U S C H W I T Z BULLETIN: Eindredactie/redactiesecretariaat: Marjon de Klijn Redactie: Max Arian Emilie Kuijt Carry van Lakerveld Bertje Leuw Nienke Ledegang Theo van Praag Zoni Weisz Redactieadres: Postbus 74131 1070 BC Amsterdam E-mail: redactie@auschwitz.nl Abonnementenadministratie: Knoopkruid 54 1112 PV Diemen tel./fax: 020 - 600 34 55 Voor dc inhoud van de artikelen die ondertekend zijn is alleen de auteur verantwoordelijk.

Druk: Drukkerij Peters Amsterdam bv

Auschwitz Bulletin, 2006, nr. 03 September  

Mocht ik eerder nog de illusie kunnen hebben, dat Auschwitz I een bepaalde lieflijkheid uitstraalde, dit gevoel is onmogelijk te handhaven z...

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you