Issuu on Google+

46ste jaargang, nr. 1 , januari 2 0 0 2 . Verschijnt 4 x per jaar

Een uitgave van het Nederlands Auschwitz ComitĂŠ; postbus 74131,1070 BC Amsterdam

Auschwitz Bulletin


Nederlands Auschwitz Comité Ere-voorzitter: Annetje Fels-Kupfetschmidt Ere-lid: dts. Eva Tas Ere-lid: Jacques Futth Voorzitter: Jacques Gtishavet Vice-voorzitter: Carry van Lakerveld Secretaris: Herbert Sarfatij 2e Secretaris: Els Deen Pen ningmeester: Ronald van den Berg 2e penningmeester: John van Cleef Secretariaat: Postbus 74131 1070 BC Amsterdam tel/fax 020-67 233 88 website: www.auschwitz.nl E-mail: info@auschwitz.nl Bankrekening: ABN/AMRO: 414.646.282 Postbank: 29.30.87 Het doel van de Stichting Nederlands Auschwitz C o m i t é is: * het tealiseren van de zinspreuk "Nooit meer Auschwitz"; * het ageren tegen alle vormen van fascisme, racisme en antisemitisme; * het bevorderen van het welzijn van de in de tweede wereldoorlog vervolgden en h u n nabesraanden; * het verrichten van alles wat met het voorgaande verband h o u d t , alles in de ruimste zin

AUSCHWITZ BULLETIN: Eindredactie: Clairy Polak Redactie: Max Arian Theo Gerritse Theo van Praag Bert je Leuw Carry van Laketveld Red. secretaris: Sandra Waterman E-mail: redactie@auschwitz.nl Redactieadres: Postbus 1065 1700 BB Heerhugowaard Voor de inhoud van de artikelen die ondertekend zijn is alleen de auteur verantwoordelijk.

Abonnementenadministratie: Knoopkruid 54 1112 PV Diemen tel./fax: 020-600 34 55 Druk: Drukkerij Peters Amsterdam bv

Salonfahig Bij het doorlezen van de lijst van Afghaanse krijgsheren die uitgenodigd worden voor de conferentie i n Bonn waar over de politieke toekomst van Afghanistan wordt gesproken, kom ik -zelfs voor dit bonte gezelschap- wel een aantal heel vreemde namen tegen. Een daarvan is die van Gulbuddin Hekmatyar. Ik herinner me hoe /ijn naam met ontzag en verschrikking op fluisterende toon wetti uitgesproken door cle bewoners van Kabul. De stad werd na het vertiek van de Russische troepen belegerd door de opposi tic en een van de krijgsheren was deze Hekmatyar. Geruchten over zijn onvoorstelbare wreedheid als commandant hadden de stad al bereikt. Kabul herinnerde zich zijn naam nog uit een andere periode: als fanatieke student aan de univeisiteit gooide hij een bijtende vloeistof in de gezichten van vrouwelijke medestudenten die weigerden in het openbaar hun gelaat met sluier te bedekken. De vrees van de bewoners voor deze man, die zich in de bergen rond de stad opmaakte om de definitieve aanval te beginnen bleek achteraf niet ongegrond. Vijftig duizend bewoners van de stad kwamen na de machtswisseling om door onderlinge gevechten, vervolgingen en standrechtelijke executies. Gulbuddin Hekmatyar was een van de hoofdrolspelers in dit drama. En nu, vele jaren later staat hij op de lijst van genodigden. Gulbuddin Hekmatyar is kennelijk weer "salonfahig", zoals dat in de diplomatie heet. Op mijn pad ben ik wel meer van dat soort heren tegen gekomen. Aan de grens met Cambodja, in Thailand, stond ik oog in oog met een van de gtote leiders van de Rode Khmer. Hij was aanwezig op een plechtigheid van de Verenigde Naties in een van de vluchtelingenkampen. De massamoordenaar werd geflankeerd door hoge ambtenaren van de Verenigde Naties en een aantal Westerse ambassadeurs. Hij had een UN-cap op zijn pokdalige hoofd en genoot van de egards die zijn gastheren voor hem tentoonspreidden en van de traditionele dans die het door hem gegijzelde volk opvoerde. Hem daar te zien zitten, in dat gezelschap, was een haast hallucinerende ervaring. Maar omdat het politiek goed uitkwam waren toentertijd ook de leiders van de Rode Khmer nog salonfahig. Of wat te denken van Franjo Tudjrnan, de Kroatische krijgsheer die de sluimerende sentimenten van het fascistische Ustasha verleden aansprak om een etnisch schone Kroatische staat te verwezenlijken? Op een of andere onverklaarbare manier was hij zo salonfahig, dat geen van de Westerse democratieën protesteetde toen hij aan het einde van de oorlog in het voormalige Joegoslavië de laatste gebieden van Kroatië etnisch zuiverde. Hij stierf in een keurig opgemaakt bed en niet in een cel naast zijn collega Milosevic in Den Haag. Ik herinner me hoe hij de ontvangstzaal van zijn paleis in Zagreb binnen schreed, als een koning, immuun voor de allerdaagse wetten van menselijkheid. Soldaten vechten, koningen zijn helden. De lijst van salonfahige misdadigers die viij rondlopen is onverminderd lang. Dat is niet een lijst die alleen de namen van Afghaanse krijgsheren omvat en die ons doet vergeten hoeveel bijzondere Afghanen er zijn die de hoop van dit land wel in vervulling zouden kunnen doen gaan. Nee, deze lijst omvat de globe en pas als het politiek uitkomt, kan het lot zich tegen de salonfdhigen keren. Wetgeving is de enige bescherming die we hebben tegen barbarij. En in onze globaliserende wereld, waar je wel in ieder denkbaar land dezelfde hamburger kan eten, moet een globale wetgeving komen die tot in de verste uithoeken van de weteld misdaden tegen de menselijkheid sttafbaar stelt en vervolgt. Het is de enige manier om te voorkomen dat Augusto Pinochet of Gulbuddin Hekmatyar zich nog veilig kunnen wanen na hun wandaden. Langzaam maar zeker ontwikkelt zich een internationaal strafrecht met als voorzichtig begin de tribunalen voor Joegoslavië en Rwanda. En hopelijk binnenkort een Internationaal Strafhof in Den Haag. Maar ook hier zijn het de politieke en diplomatieke overwegingen die de grootse bedteiging voor dit prille rechtsbeginsel vormen. Hans Fels


Auschwitz herdenking 2 0 0 2 Op zondag 2 7 januari (Auschwitz werd op 2 7 januari 1945 bevrijd) organiseert het Nederlands Auschwitz Comité de jaarlijkse Auschwitzherdenking bij het Spiegelmonument Nooit meer Auschwitz' van Jan Wolkers in het Wertheimpark in Amsterdam. Aansluitend vindt een lunchbijeenkomst plaats in het Europarestaurant van de RAI. Verzamelpunt is het Stadhuis. Vanaf 10.30 uur is de Boekmanzaal van het Stadhuis open en bereikbaar via de hoofdingang aan de Amstelzijde. In de Boekmanzaal wordt koffie en thee geschonken. Om 11.30 uur vertrekt de StilleTocht naar het Wertheimpark. De herdenking begint om 12.00 uur met een toespraak van burgemeester Job Cohen van Amsterdam, gevolgd door muziek door het Koninklijk Zigeuner Orkest Tata Mirando, primas Nello Mirando, en daarna het Kaddisj en Jizkor door rabbijn Sonny Herman. Vervolgens kunnen particulieren en organisaties hun kransen en bloemen bij het monument leggen. KRANSEN E N BLOEMEN

K U N N E N

EVENTUEEL OP ZATERDAG JANUARI, TUSSEN W O R D E N

10 E N

14

A F G E L E V E R D BIJ

PORTIERSLOGE V A N H E T HUIS, I N G A N G

26

UUR, DE

STAD-

WATERLOOPLEIN.

Bereikbaarheid U kunt het Stadhuis het beste bereiken met het openbaar vervoer: metro en sneltram 51 (halte Waterlooplein) of tramlijnen 9 en 14 (zelfde halte). Na de herdenking staan tegenover de uitgang van het Wertheimpark bussen klaar voor de mensen die kaarten aangevraagd hebben voor de lunchbijeenkomst in de RAI. Van Stadhuis naar de RAI kunt u ook met sneltram 51 en verder is de RAI te bereiken met tramlijn 4 en bus 15. Mocht u met de auto komen, dan kunt u parkeren in de parkeergarage onder het Stadhuis/Muziektheater, de parkeergarage op de hoek van de Joden Breestraat (onder Albert Heijn) en de parkeergarage onder het wooncomplex Valkenburgerstraat, ingang Anne Frankstraat. Deze parkeerplaatsen zijn niet gratis. Zij die in het bezit zijn van

een invalidenparkeervergunning kunnen parkeren bij de hoofdingang van het Stadhuis/Muziek-theater, maar alleen op vertoon van de vergunning! Rondom de RAI zijn voldoende parkeerplaatsen en u kunt ook parkeren in de RAI-parkeergarage (dagkaart kost 20,00 gulden). De restaurantzaal van de RAI gaat om 13.00 uur open. De lunchbijeenkomst begint om 13.30 uur met toespraken van jacques Grishaver, voorzitter Nederlands Auschwitz Comité en de heer Ahmed Aboutaleb, directeur/

organisatie FORUM, Instituut voor Multi-culturele Ontwikkeling. Voor- en tijdens de lunch bieden wij u een optreden aan verzorgd door JewishMusicband o.l.v. Hans Schnabel. V O O R DE D I E N T VAN

LUNCHBIJEENKOMST

U IN H E T BEZIT TE

ZIJN

TOEGANGSKAARTEN.

In de restaurantzaal staat weer een boekentafel. Een deel van de opbrengst van de boekenverkoop komt ten goede aan het Auschwitz Comité.

Het programma samengevat: 10.30 uur: Verzamelen voor de Stille Tocht in de Boekmanzaal van het Stadhuis in Amsterdam, via de hoofdingang aan de Amstelzijde. 11.30 uur: Begin Stille Tocht naar het Wertheimpark. 12.00 uur: Herdenking bij het Auschwitz Monument. Rede door burgemeester Job Cohen van Amsterdam. Muziek door het Koninklijk Zigeuner orkest Tata Mirando, primas Nello Mirando Kaddisj en Jizkor door rabbijn Sonny Herman. 12.30 uur: Vertrek bussen naar de RAI. 13.00 uur: Europarestaurant van de RAI open. 13.30 uur: Begin lunchbijeenkomst. sprekers: Jacques Grishaver, voorzitter N.A.C., Ahmed Aboutaleb, directeur/organisatie FORUM, Instituut voor Multiculturele Ontwikkeling. muziek: JewishMusicband o.l.v. Hans Schnabel. 16.00 uur: Einde lunchbijeenkomst. 'Lot ziens op 27 januari! N e d e r l a n d s Auschwitz Comité

Annetje Fels-Kupferschmidt 1914-2001 Toen dit herdenkingsnummer van het Auschwitz Bulletin al op de drukpers lag bereikte ons het droeve bericht dat onze geliefde en bewonderde oudvoorzitter en ere-voorzitter Annetje Fels-Kupferschmidt op 11 december 2001 is overleden. Annetje was overlevende van Auschwitz. Zi] heeft daarna met veel energie en levenslust haar leven weer opgebouwd. Zij was mede-oprichter en tientallen jaren voorzitter van ons comité. Al die tijd was ze de ziel van onze activiteiten. Zrij blijft voor ons een voorbeeld aan wie wij inspiratie en kracht ontlenen. Wij wensen haar familie die zich nu verweesd voelt heel veel sterkte. In het volgende nummer van het bulletin zullen we Annetje uitgebreid herdenken.


O p reis n a a r Polen

Dansen na Sobibor O o k in 2001 organiseerde het Nederlands Auschwitz Comité een reis naar Polen met een kleine 100 Nederlanders: overlevenden van Auschwitz, onderduikkinderen, mensen van de tweede generatie en andere geïnteresseerden. Een grote schok was het voor ons toen Jules Schelvis, overlevende van Sobibor en

Auschwitz, een hartaanval kreeg in Warschau, waar hij in een ziekenhuis moest worden opgenomen. Gelukkig was zijn gezondheidstoestand na enkele weken zodanig verbeterd dat hij weer naar Nederland kon komen. Wij wensen Jules Schelvis spoedig volledig herstel toe.

De reis werd zonder hem voortgezet naar Krakau, Auschwitz, Auschwkz.-Birk.enau, Majdanek, Sobibor en weer terug naar Warschau. Twee zusters Amsberg maakten de reis mee. Hieronder een column van Ariane Amsberg met een aantal indringende vragen en een reportage van Kiki Amsberg, die een aantal medereizigers vroeg naar hun eigen verhaal.

W i e w a r e n het? Tijdens de reis langs de vernietigingskampen in Polen dringt zich één gedachte steeds dwingender aan mij op: wie hebben dit kunnen doen? Aan het eind van alle afgeknipte haarplukken, die metershoog opgestapeld achter glas liggen te verbleken, heeft een schaar gezeten, geactiveerd door een hand en een arm die uitmondde bij een mensenhoofd. Hoe zag dat gezicht eruit? Kon je er wreedheid, sadisme, onverschilligheid, haat, aan aflezen? Onderzoekend bekijk ik de foto's van bewakers, om te zien of het kwaad aan hun buitenkant herkenbaar is. Alleen Anton Thernes, plaatsvervangend hoofd van afdeling IV, heeft een gemene kop met bolle, harde ogen. Hans Perschon, hoofd van de gaskamers, ziet er met zijn flaporen eerder een beetje debiel uit. De vrouwelijke opzichters kunnen, op één na (met legerbaret en smalle m o n d ) , net zo goed joodse slachtoffers zijn. Zouden ze kinderen hebben?... Ik maak foto's van ze. Waarom eigenlijk? Uit boosheid. Uit onmacht. Het is het enige dat ik nog doen kan, vastleggen hoe het kwaad eruit ziet. Om ze fotografisch aan de schandpaal te nagelen.Ik raak hun portretten niet aan. Ik kijk alleen. Aanraken doe ik de schoenen die achter ijzergaas liggen en een hele barak tot aan het plafond vullen. Uit

piëteit. Ik leg mijn hand op de ruwe planken van de stapelbedden, drie etages hoog Op elk bed moesten 18 kampbewoners slapen, zonder dekens, in hun kleren van alledag, om en om als sardines. Je kon nog het beste helemaal boven liggen, vertelt een vrouw die de kampen heeft overleefd, want beneden kon je plas over je heen krijgen. Ik strijk langs de vitrine waarin een gele speen ligt en een wit wollen kindermutsje, - en ik denk aan mijn kleinkinderen. Ik raak het verroeste prikkeldraad aan waar nu geen stroom op staat. Bij wat er nog over

is van de o zo efficiënt ontworpen installaties voor uitroeiing, leidt een stenen trap naar de ondergrondse uitkleedruimte, annex gaskamer, met ernaast de smeltkroes voor gouden vullingen en vijf lijkverbrandingsovens. Wie trok de kiezen uit? Op de uitgesleten treden van die trap zit een medereiziger met een hand voor zijn ogen. Zijn rug schokt. En langzaam, als uit een diepe krater, barst het verdriet uit hem omhoog. Hij kan het niet langer binnen houden. Een jammerklacht, een doffe kreun van pijn wordt door de lucht over die troosteloze plek gedragen. Zijn vriend, met keppeltje op, gaat dicht

Sobibor, 16 november 2001


naast hem zitten en slaat zijn arm en hand om hem heen. Nooit eerder heeft troost mij zo ontroerd. Ik zou dit willen vastleggen, - een foto maken. Ik heb mijn camera in mijn hand, maar ik kan het niet. Ik mag deze innige verbondenheid niet verstoren. Later die dag lees ik een op een houten barak aangebrachte tekst: "In this barak SS docters murdered newborn babies and their mothers byphenol injections". Direct in het hart. Buiten het prikkeldraad ligt een openlucht zwembad. Moe van hun werk konden de SS'ers zich daar lekker ontspannen en van de springplank duiken. "Beesten, het waren beesten", zegt een man. Nee, denk ik, beesten doen zoiets niet. Beesten moorden geen hele populaties uit. Die doden alleen als ze honger hebben. Traag borrelt een herinnering op aan een gedicht dat mijn moeder mij als kind voorlas. De dichter (ik weet zijn naam niet meer) beschrijft hoe zijn poes een muis vangt, hem vastgrijpt tussen zijn

Sobibor, 16 november 2001 tanden, maar niet doorbijt. Hij laat hem los om er direct weer bovenop te springen en er zijn klauwen in te slaan. Wel een kwartier lang kwelt de poes zijn prooi, hij wil hem niet eten, nee, hij wil er mee spelen, weg laten rennen en vangen. Als de muis uiteindelijk geen krimp van leven

meer geeft, loopt de poes ongeĂŻnteresseerd weg. De laatste regel van het vers, waarin de dichter zijn huisdier bestraffend toespreekt, herinner ik mij nog goed: "Schaam je poes, jij MENS !" Ariane Amsberg

ledereen heeft een v e r h a a l Wat me, als we voor de eerste keer deze reis naar Auschwitz gaan, opvalt is de benauwde stilte in de bus. Ik kijk naar buiten en zie weilanden. Kaarsrecht door het land een dubbele spoorlijn, overwoekerd door geel hooiachtig gras. In de verte een stilstaande rode goederenwagon op de rails. Na het bezoek aan het voormalig concenuauekamp ondaadt de spanning zich door voorzichtige grappen. Die zullen veel frequenter worden naarmate de mensen elkaar beter leren kennen. Nu is iedereen nog aan het aftasten naar eikaars achtergrond en geschiedenis. Ik zit naast Barend Andriesse. Hij is een jaar ouder dan ik, hij is geboren in 1938. Hij komt uit Veghel, vertelt hij. Op een dag tijdens de oorlog brengt zijn zusje hem naar iemand

toe die hem op zijn beurt als jongetje van vier voor de deur van zijn onderduikadres achterlaat. Niemand heeft hem iets verteld, dat deed je sowieso niet tegen kinderen in die tijd. Het is beter dat ze niets weten. Van de ene dag op de andere ziet hij zijn vader, moeder en zusje niet meer, die zijn elders ondergedoken. Hij woont in het gezin van directeur Bienfait van Philips. Ze hebben al vier zoons en hadden eigenlijk liever een meisje gehad. Hij heeft het daar goed. Op een dag speelt hij buiten met het zoontje van de Duitse Verwalter van de jutefabriek van Elzas. Het jochie heeft een helm op en een Duits uniform aan met alles er op en eraan. "Ik ben een Duitse soldaat in uniform," zegt het jochie. Waarop Barend antwoordt: "Ik ben een joodse jongen met schoenen van mijn moeder om naar Polen te gaan." Een zoon van de

familie Bienfait is erbij en vertelt het voorval aan zijn ouders. Daarop moet Barend onmiddellijk naar een ander onderduikadres. Later blijkt dat het Duitse jochie het gesprek inderdaad aan zijn vader heeft gerapporteerd. Hij is al goed getraind. Bij de eerste herdenking die avond in Auschwitz I horen we de lijsten met namen van familieleden die weggevoerd zijn. Lange lijsten soms. Een man van een jaar of vijftig wil ook zijn lijst voorlezen. Al bij de eerste namen stokt zijn stem, hij kan het niet. Zijn vrouw doet het voor hem, zij kent zijn hele geschiedenis. VĂŠrhalen Max Degen is voor de tweede keer hier. De eerste keer was hij zo van de kaart dat hem veel ontgaan is. Hij is in 1942 in Amsterdam geboren in het


joodse ziekenhuis. Anderhalve maand later brengt zijn moeder hem naar zijn tante Wies, samen met zijn broertje van drie jaar. Maar het btoettje wordt door de ouders weer naar huis gehaald. De baby blijft. Elke dag komt zijn moedet hem borstvoeding geven. Dan neemt zij weer afscheid, elke dag alsof het voor altijd is. Tante Wies is een niet-joodse vtouw

uit

het

Nootden

van

Duitsland. Febtuati 1943 worden de ouders van Max en broertje Jakie weggehaald en naar Westerbork vervoerd. Op een briefkaart die tante Wies ontvangt staat: "hoe is het met uw neefje? ( ze bedoelden hun eigen baby). Heeft u een foto? Wij houden

ons aanbevolen." Twee maanden latet zijn ze in Sobibor vermoord, kort daarna wotden de onderduikbabietjes van tante Wies verraden. Haar joodse man wordt weggevoerd. Max komt tetecht in de cr猫che tegenovet de Hollandchse Schouwburg in Amsterdam, daar waar alle joden v贸贸r hun rransport heen gebtacht wotden. Een jonge v t o u w van een Zaanse verzetsgroep haalt hem er uit en btengt hem naar de gereformeerde familie Schaap in Zaandam. Arend en Wellie Schaap zorgen goed voor hem. Ik heb een geweldige jeugd gehad, benadrukt hij. Maar ook zijn pleegouders moeten op hun beutt w e e t onderduiken en nemen Max

mee n a a r Friesland. Na de oorlog blijft hij bij hen, hij wordt geiefoimeeid opgevoed, doet zijn belijdenis en trouwt in de gereformeerde kerk. In de jaren zeventig gaat het mis, hij kan niet m e e t functioneren in zijn baan. Hij heeft niemand meer over. De verhouding met tante Wies wordt in zijn ogen slechtet vanwege een onopgeloste geldzaak. En ook met de pleegouders wordt de verhouding moeizaam. Zij spreken steeds o v e t hun zoon, de heer Schaap. "Ik ben geen Schaap. Ik voel me joods." Hij en zijn vrouw zijn uit de geteformeerde kerk gestapt. "Dat heb ik mijn pleegoudets verteld. Ze vonden het vleselijk." Iedereen heeft een verhaal. Een vrouw vertelt dat haat vadet, moedet, en zusje weggehaald zijn. Zij heeft nog nooit van haar leven een foto van haar moeder of haar zusje gezien. Ik probeer het me v o o t te stellen. Je denkt aan je moedet, m a a t je hebt geen beeld. Kottgeleden vond iemand een foto van haat vader. Zij sttaalt als zij hem laat zien. Bij de bus staat een zeer armoedig geklede Pool die mij voor vijf zloty een serie kaarten wil verkopen van de beroemde bedevaartplaats van de zwarte madonna in Czestochowa. Ik ken de gevoelens van mijn medereizigers tegen alles wat Pools en katholiek is. Bij de eerste herdenking leest iemand een zelfgemaakt gedicht v o o t waatin hij de katholieke ketk beschuldigt van medeplichtigheid. Toch koop ik de kaarten van de arme man. "Mijn broer is in Holland. Holland gut. Wann Euro in Holland?" In Polen hield de katholieke ketk haat mond. In Nedetland niet. Daar werd in 1941 een protest tegen de jodendeportaties van de kansel vootgelezen. Alle katholieke joden zijn toen in Nedetland opgepakt en afgevoetd.

Kamp Majdanek, 16 november 2001

Walgelijke oorden Ik kijk tijdens de bustocht n a a t buiten, ik zie een paai boerderijen en rokende schoorstenen. Hier wordt


nog met kolen gestookt. Bij Katowice staan elektrische centrales, ook op kolen gestookt, die hun grijze rook naar buiten spuwen. D e stad is bedekt met een laag vuil wolkendek, het ruikt naar bruinkool. Buiten de stad pompstations, dorpen met z e e t moderne katholieke ketken, een BarRelax v o o t de hoge nood, een Ikea. En berkenbossen, onafzienbare berkenbossen. Hoe kunnen zulke mooie bomen zulke walgelijke oorden verbergen? Het experimenrenblok nr 10 van Mengele in Auschwitz I is nog steeds gesloten. Wat zich daat heeft afgespeeld komen we niet te weten. Leny Boeken, door iedereen Tante Leny genoemd, één van de overlevenden die zo dikwijls mogelijk mee gaat om vanuit haat eigen ervaring te vettellen over de kampen, is daar godzijdank niet tetechtgekomen. Zij is maar kort in Auschwitz gebleven. Zij was achttien jaat en werd vandaar naar een kamp in Tsjecho-Slowakije gebracht. Toen zij de moed had om een boterham te stelen, werd er voor sttaf een experiment met haar uitgehaald. "Ze smeerden een blauwachtig goedje op mijn buik. Die zwol enorm op, ik werd heel ziek, en tenslotte groeide mijn navel naar buiten. Ze hebben hem eraf geknipt. Dat was mijn straf." Aan wie dacht je toen je dit allemaal overkwam: "'t Enige dat mij op de been hield was steeds weer de gedachte: dit moet ik aan mijn moedet vertellen." Bij aankomst in Auschwitz-Birkenau reed de trein door een poort tot op het terrein. Dan was er de selectie. Links naar de mannen- en vrouwenbarakken voor hen die nog ingezet konden worden voor werk, rechts langs het spoor rechtstreeks naar de vier grote gaskamers. De Duitsers hebben geprobeerd de sporen van hun misdaden uit te wissen, maar juist de ruïnes van die vier gaskamers zijn duidelijker dan al het andere, de trappen naar beneden, naar een open ruimte waar je je kleding moet

achterlaten vóór de zogenaamde douche. De gaskamer onder de grond. Het preparaat Zyklon B deed gedurende twintig a dertig minuten zijn mootddadige werk. Dat is lang, heel lang voor een doodstrijd. 'We laten de doden niet alleen" zegt rabbijn Sonny Herman tijdens de herdenking bij het monument dat tussen twee gaskamers in staat. A s ik alleen langs de batakken loop zie ik op een houten deur Jude staan. Ik kijk door het raam naar binnen. Op de witte kalkmuur zijn swastika's gekrast en weer weggektast. Ik haal Corrie Nipius in die wat moeizaam met een stok over de hobbelige keien loopt. Waarom bent u hier? "Mijn man Klaas Nipius is 23 februari 1941, op z'n moeders verjaardag, opgepakt door de SD. Hij was metaalbewerker bij Pernis in Vlaardingen. Hij behoorde tot de Geuzen. Zes weken Oranjehotel, daarna veroordeeld tot het kamp. Veel van zijn vrienden zijn gefusilleerd, Bernard IJzerdraad, Jan Kijne. Mijn man ging naar Buchenwald, en in 1944 naar Auschwitz, tenslotte op 27 januari 1945 op dodenmars naar Mauthausen. Ik wil het mijn jongste zoon laten zien. Maar ik kan het blok niet vinden waar hij gezeten heeft." Zij loopt weer zoekend verder.

Snoep In de bus weet Louis van Velzen steeds het juiste moment te vinden om met zijn snoepttommeltjes rond te gaan. In de andere bus wordt ook snoep en drop uitgedeeld, maat hier heerst Louis ovet de behoefte aan zoet. En die is er na elk bezoek van weer een kamp der verschrikkingen. Een half jaar geleden al is hij begonnen met het sparen van marsrepen, snickers, nuts, rollo's, bounty's, twix, alles in miniformaat. Kleren heeft hij niet bij zich, alleen snoep. "Ik ben geboten in 1935. Mijn ouders waren handelsreizigers, ze reisden de wereld rond met lappen stof. Ik werd opgevoed door mijn grootouders. Met mijn opa ging ik naar de Uilenburgsjoel. In '41 zag ik de Hitlerjugend door de Jodenbreestraat trekken. Mijn vader kreeg een oproep voor Westerbork, ik zie hem nog gaan met zo'n opvouwbaar trommeltje. Mijn moeder wilde niet onderduiken. Zij werd waarschijnlijk verraden. Wij, mijn broer en ik werden door een kapelaan naar verschillende adressen gebracht. Ik heb ondergedoken gezeten in Enschede - Hengelo Dordrecht - 's Hertogenbosch Valkenswaard - Turnhout en Tilburg. In Turnhout waren zeven kinderen die allemaal naar school gingen, ik moest thuis leren. Daar ben ik erg ziek geworden. Eén of twee keer per week gingen we in de tobbe.


Ik schaamde me omdat ik besneden was en de anderen niet. Ik wilde er van af. Ik deed er een zijden draad om en bond hem af. Ik dacht dat die er wel af zou vallen. Het deed verschrikkelijke pijn. Ze ontdekten het, want ik kon niet meer lopen, het etterde aan alle kanten en ik stonk verschrikkelijk. Ik moest tot twee keer toe geopereerd worden. Toen moest ik naar Tilburg, daar werkte ik in de kleermakerij. Ik ging naar de katholieke school en op zondag was ik misdienaar. O p de katholieke school kreeg je een miskaart, allemaal vakjes waar stempels op kwamen. Een volle kaart gaf recht op het Sinterklaasfeest. In Tilburg heb ik de bevrijding meegemaakt op 2 oktober 1944. Maar toen ik in Amsterdam terug was en hoorde dat mijn ouders er niet meer waren voelde ik me schuldig dat ik feest had gevierd." In kamp Majdanek, dat voornamelijk voor Polen en Poolse joden bestemd

was, staat alles nog op zijn plek. In de gaskamers trekt een muur die blauw is uitgeslagen mijn aandacht. Vóór de bunker die aan beide zijden afgesloten dient te worden met een zware ijzeren deur is telkens een klein betonnen kamertje vanwaar de bewaker moest toezien op de langzame verstikkingsdood van de slachtoffers. Het is er eng en luguber. Het grijpt je naar de keel, de namaakdouches om de mensen tot het einde toe in de waan te laten. Terwijl ik geconcentreerd een foto maak hoor ik een doffe dreun. Ik schrik me wezenloos en krijg harrkloppingen. Ik ben bang dat de ijzeren deur is dichtgevallen. Ik kijk om. Godzijdank, hij is nog open.

het Kaddisj en het Jizkor, het tweemaal rond de heuvel lopen, gaat iedereen snel verkleumd naar de bus, weg uit dit lugubere oord drie kilometer van de grens met de Oekraïne, helemaal verstopt in een niemandsland. In Wlodawa, een stadje dat een bloeiende joodse gemeenschap heeft gekend staan wonder boven wonder de twee synagoges en de joodse school nog overeind. De grootste synagoge, een klezmer sjoel zegt rabbijn Sonny, is prachtig hersteld. De Aron hakodesj, de heilige Ark, is volledig bewaard gebleven achter een dubbele muur, terwijl de sjoel gebruikt werd als opslagruimte voor Duitse militairen. Het is Sjabbes en de praktiserende joden in de groep heffen een Sjabbatlied aan. Rabbijn Sonny Herman begint te dansen en langzaam sluit iedereen zich aan. Wat bevrijdend om hier zo te kunnen dansen en zingen.

Na het bezoek aan het vernietigingskamp Sobibor, na het neerleggen van bloemen op de immense onbegroeide heuvel, bestaande uit de as van de verbrandde lijken, na het aansteken van de kaarsen, het plaatsen van foto's op de rand, het zeggen en zingen van

Kiki Amsberg

Reis naar Polen 2002 Het Nederlands Auschwitz Comité organiseert dit jaar opnieuw een reis naar Auschwitz, Birkenau, Majdanek en Sobibor. De reis zal plaatsvinden van maandag 4 november t/m zaterdag 9 november 2002. De reissom bedraagt € 850,85 (ƒ 1875,-) per persoon op basis van overnachting in een tweepersoonskamer. Een eenpersoons kamer is mogelijk met bijbetaling van € 147,50 (ƒ325,-). De prijs is inclusief vliegreis Amsterdam-Warschau v.v., transfers per luxe touringcar (waarin roken NIET toegestaan is), verblijf in uitstekende hotels in Warschau, Krakau en Lublin, alle maaltijden gedurende de reis, toegangsprijzen museums en een reisverzekering. N.B.: deze prijsopgave is onder voorbehoud van gelijkblijvende vliegtarieven en koersen. Belangstellenden kunnen zich vóór 1 april schriftelijk opgeven bij het Nederlands Auschwitz Comité, t.a.v. dhr. J. Grishaver, Knoopkruid 54, 1112 PV Diemen. (fax 020 - 600 34 55). Er is slechts een beperkt aantal plaatsen, aanmelding betekent derhalve niet automatisch dat u deel kunt nemen aan de reis. Voor eventuele nadere informatie kunt u contact opnemen met: Jacques Grishaver tel. 020 - 600 34 55 of 020 - 699 06 58.

Modehuis Blok stelt haar collectie

dames-

en herenkleding met zorg samen uit het internationale

aanbod van

toonaangevende

merken. Daarbij ligt de nadruk niet alleen op stijlvolle maar ook op sportieve

kleding.

Tevens vind u in onze vestiging in Uithoorn een uitgebreide collectie

kinderkleding

Dames-, heren- en kindermode Uithoorn Amstelplein 19 Tel. 0297-561353 Vrijdag koopavond Dames-, herenmode Amsterdam-Buitenveldert Gelderlandplein 25 Tel. 020-6462656


Interview met doorzetster Mirjam Ohringer

Opgevoed met M a r x en Mozes Mirjam Ohringer is al vele jaren een van de drijvende krachten in onder meer de Vriendenkring Mauthausen. Zij spreekt vaak voor jonge mensen, in Nederland, in Duitsland en in Oostenrijk. En zij is altijd actief als het gaat om antiracisme en bestrijding van vreemdelingenhaat. Carry van Lakerveld sprak met een vrouw die nu wat moeilijker loopt, maar die geen sikkepit minder strijdbaar is als het om haar diepste idealen gaat. "Zolang als het leven heb, ga ik er mee door. Ik kan nu geen echte lange stukken meer lopen, maar als ik een Duitse groep heb in het Verzetsmuseum en ze rondom het Verzetsmuseum nog verschillende dingen willen zien, de Hollandsche Schouwburg of het Auschwitz monument, dan zeg ik: 'ik ga met jullie mee, maar jullie moeten me duwen.' Nou en dan duwen ze me in een rolstoel. Ik ben gelukkig niet ziek." Mirjam Ohringer, 77 jaar oud, is opgevoed met de socialistische idealen van een maatschappij waarin mensen gelijkwaardig kunnen zijn en gelijke kansen moeten hebben. Vanuit die achtergrond en de gebeurtenissen in de Tweede Wereldoorlog is ze tot op de dag van vandaag actief. Het is niet gemakkelijk haar iets meer over haar persoonlijke leven te laten vertellen. Maar uiteindelijk vertelt zij mij: "Ik ben in 1924 geboren in Amsterdam. Mijn ouders waren toen nog niet lang in Nederland. Ze kwamen uit Polen, uit Galici毛, dat deel van Polen dat v贸贸r de Eerste Wereldoorlog nog bij Oostenrijk was. Mijn vader werd opgeroepen voor militaire dienst, maar 't was zijn oorlog niet en hij vertrok naar Duitsland, waar al in 1913 ook het ouderlijk gezin van mijn moeder naar toe was getrokken. Vader zwierf heen en weer van Duitsland naar Nederland en terug en bleef uiteindelijk in Nederland.

Mirjam Ohringer. Defoto is genomen in Dachau. Sinds 1986spreekt zijjaarlijks samen met haar vriendin Els Schalker-Karstanje, wiens vader in Dachau omkwam, voor jongeren van het internationale zomerkamp georganiseerd door de Gedenkstatte Dachau. Mijn moeder is hem toen achterna gekomen en zodoende ben ik in Amsterdam geboren. Mijn beide groorvaders waren chassidische joden en mijn ouders zijn dus heel vroom opgevoed. Maar zij hebben al vrij snel de religie opzij geschoven. De revolutie in Rusland in 1917 maakte op hen een diepe indruk en zij hadden een zeer linkse oio-Sovjet

instelling. Ik ben, zeg ik altijd, opgevoed met Marx en Mozes. Al toen ik een jaar of zes was werden me bepaalde beginselen van Marx bijgebracht. Maar aan de andere kant gingen we toen mijn oma nog leefde met Pesach altijd naar Hagen in Duitsland en mijn moeder voerde een koosjere huishouding, anders kon mijn oma niet op bezoek komen.


Mijn vader leerde me bijvoorbeeld al toen ik zes was Jiddisch schrijven. Maar mijn ouders waren geen lid van de Communistische Partij, want ze w a t e n stateloos en dan mocht je geen politieke activiteiten ondernemen. Mijn vader was wel berrokken bij de oprichting van Anski. Dat was een vereniging van Oosteuropese joden uit landen als Rusland, Polen en Tsjechië, die is genoemd naar een progressieve Jiddische schrijver, Rapaport, die onder het pseudoniem Sch. Anski schreef. Integreren

Zoals mijn vader waren er heel veel jonge joodse jongens die opgeroepen werden voor de oorlog en het was niet zo gek dat ze naat het neutrale Nederland kwamen. Later kwamen er trouwens ook veel Oosteuropese joden naar Nederland om politieke en economische tedenen. De meesten leetden heel snel Nederlands. Integreren is nu eenmaal bij joden een gegeven, daar hebben ze zich zeg maar rustig duizenden jaren staande mee gehouden. Maar er was wel behoefte om iets met de eigen taal en cultuur te doen en daarom is in 1921 Anski opgericht voor mensen die Jiddisch als moedertaal hadden. E t werd natuutlijk ook over politiek gesproken. Er w a t e n twee belangrijke politieke lichtingen in Anski, een sociaaldemocratische en een communistische, en dat levetde natuurlijk botsingen en problemen op. Toen de Sovjet Unie in 1939 een niet-aanvalsvetdtag met Nazi Duitsland sloot kwam het tot een splitsing. Vanaf dat moment had je twee piepkleine Anski's." De Ohringers en hun familie hadden vervolging en antisemitisme aan den lijve meegemaakt en zij waren er zich na 1933 toen Hitler aan de macht kwam terdege van bewust dat het verkeerd kon gaan. Mirjams hele familie woonde in Polen en in Duitsland. Sommige van hen wilden naat Nederland komen m a a t haar ouders waren in 1933 gescheiden. Mirjams moeder was naar Frankrijk vertrokken, zonder haar dochter die

Mirjam Ohringer op een basisschool in Kaatsheuvel door haar man in Nederland werd vastgehouden. In die situatie dutfde de familie niet naat Nedetland te gaan. Na de bezetting van Nederland door Duitsland in mei 1940 was er nog even sprake van of er een mogelijkheid was om weg te komen, maar er was geen geld. Mirjam Ohringer: "Het is altijd sappelen geweest. Mijn vadet handelde in lapjes stof die ovetbleven, kleetmaketsafval, dat kocht hij op en dat wetd gesorteerd en van de beste kwaliteit werden in de fabriek de vezels uit elkaat gestampt en dan wetd er weer stof van gemaakt, een soort recycling dus. Soms ging het goed maar vaker ging het minder goed en dan konden we de huur niet betalen en dan ging ik naat de deurwaarder om te onderhandelen over de aflossing van de schuld. Dus in mei 1940 konden we helemaal niet weg. Ik zat gewoon op school, op het Barlaeus Gymnasium en in december 1940 zijn we met een klein groepje mensen de illegale Waarheid gaan maken. We tikten berichten ovet op stencil en dan weid dat stencil eigens naat toegebracht waai een machine stond waarop het kon worden afgedraaid. A s ik naar school ging bracht ik zo'n krantje naar een vertrouwd iemand en die moest het aan zoveel mogelijk mensen laten lezen en dan haalde ik hem na school w e e t op. Je moest woekeren met één zo'n krantje. Latei

stond et ook een stencilmachine bij ons thuis. Na de Februaristaking in 1941 moesten vrienden van mijn vader, Eva, ook een Poolse, en Simon Korper, onderduiken. Ze zaten in Amstelveen, m a a i niet samen en ik weid dus veibinding. Dat viel niet op, zo'n jong meisje op een fietsje. 1941 was een heel diamatisch jaat v o o i mij, want op 11 juni was mijn vtiend Ernst bij een giote razzia opgepakt. Hij was een Duitse vluchteling, ook een linkse jongen, Ik was heel etg vetliefd op hem. Toen onze relatie bloeide ging het heel goed met me op school, daarna ging alles slecht. In septembei '41 moesten alle joodse kinderen van school af en we moesten naar het Joods Lyceum. Op dezelfde dag dat de school openging, op 15 oktober 1941, kteeg ik het doodsbericht van Einst uit Mauthausen. Eén van zijn vtienden die niet was opgepakt kwam naai me toe en zei: "Mirrie, Einst stond op de lijst". Als ik e i aan tetugdenk lijkt het me alsof ik was oveigeschakeld op de automatische piloot, ik deed alles automatisch, en ik kon e i niet bij, ik wilde niet dat het w a a i was, ik kon het niet accepteren. Hoe kon dat nou: hij was in Duitsland al veroordeeld geweest, had anderhalf jaar gezeten, en in '38 toen hij vrij kwam, was hij naar Nederland gevlucht. Maar ja, wat wist je. In oktober '41 met de hoge feestdagen, kwamen die dodenlijsten, iedere week een nieuwe".


Joodsche Raad "Na de zomervakantie van 1942 ben ik niet meer teruggegaan naar school vanwege de vele razzia's. Ik ging bij een afdeling van de Joodsche Raad werken op Oosteinde 24, dat was een verdeelpunt van kleding en dekens voor mensen die waren opgeroepen voor deportatie of die bij een razzia van de straat waren gepakt. Ik vertel vaak aan de schoolkinderen dat die mensen zo arm waren dat hun kinderen met twee, drie, vier in één bed lagen en dan was er niet voor ieder een deken om mee te geven als ze werden gedeporteerd. Voor mij was het daar een goede plek. Er zaten veel mensen uit onze kring, en je kon dan ook met het illegale werk doorgaan: geld ophalen voor onderduikers, de krant verspreiden, verbinding zijn voor Simon en Eva en mijn vader die sinds augustus '42 met hen samen zat ondergedoken. Mijn vader heeft me gedwongen ook onder te duiken. Ik wou niet, want dan kan je niets meer doen, maar hij zei: 'Als je niet onderduikt, dan ga ik naar huis' Hij had een adres voor me in Langedijk en daar heb ik gezeten tot juni '44. Toen wilde mijn vader me dichter in de buurt hebben. Ik kreeg hele goede valse papieren, op naam van Wientje van Duiven, en we liepen gewoon op straat, mijn vader ook."

Voortzetting Na de bevrijding trouwde Mirjam Ohringer met een Nederlandse man en kreeg daardoor de Nederlandse nationaliteit, zij kreeg kinderen en was politiek actief in de Communistische Partij. Eind jaren zeventig werd zij door een partijgenoot, oudSachsenhauser, gevraagd om rond te leiden op een tentoonstelling met de titel Verzet en vervolging 1933 - 19nu, en sinds die tijd raakte zij steeds meer betrokken in bestuurlijke en voorlichtingsactiviteiten. De kinderen waren uit huis en alle beschikbare tijd werd in beslag genomen door vrijwilligerswerk. Maar dat woord wil ze niet horen: "Nee hoor, we zijn geen vrijwilliger. Voor mij is het besef dat ik nu doe wat ik doe precies hetzelfde, de voortzetting van het besef waarmee ik in de oorlog in de illegaliteit terecht ben gekomen. Dat was het besef dat er gevochten moest worden voor een andere maatschappij, voor een andere samenleving, en dat het onrecht aan de kaak moest worden gesteld. Dat educatieve werk vind ik zelf heel belangrijk, je kunt daarmee doorgeven wat er toen is gebeurd. En het is echt niet alleen uit politieke motieven. Na de oorlog ben ik me veel bewuster geworden van het joods zijn. Ik wilde dat mijn kinderen wisten dat ze een joodse afkomst

1'BJIIIILMIIMI

mt

Mirjam Ohringer met een groep Duitse jongeren van de Evangelisch Kinder- id Jugendarheit uit Karlsruhe in Amsterdam

hadden. Er zijn joodse feestdagen , zoals Chanoeka, Poeriem en Pesach, die een historische betekenis hebben en die in het kader liggen van wat wij als verzetsmensen hebben gedaan, vechten tegen onderdrukking, vechten voor onafhankelijkheid." Op mijn vraag of zij daarmee ook in de CPN terecht kon, zegt zij strijdlustig: "Kijk, ik zeg niet voor niets dat ik met Marx en Mozes ben grootgebracht. Mozes staat voor joodse ethiek, tradities en dialectisch denken. Dat hadden mijn chassidische grootvaders ook al, en daarmee blijf je een onafhankelijke denker." Mirjam Ohringer werd gevraagd bestuurslid te worden van het Sachsenhausen Comité, van Verenigd Verzet, zij nam zitting in het Amsterdamse 4 en 5 mei comité, zij ging rondleiden op tentoonstellingen over de oorlog in het Verzetsmuseum Amsterdam en elders, zij sprak op scholen en voor leerlingen in het vormingswerk, en zij werkte samen met de Anne Frank Stichting. Fel is zij als het gaat om kinderen van foute ouders. "Wij zijn vervolgd als joden, maar niet om ons geloof maar om onze afkomst. Je moest vertellen hoeveel joodse grootouders je had en dat was bepalend. Niemand kan verantwoordelijk gemaakt worden voor zijn ouders of grootouders, voor zijn afkomst, en als je dat wel doet dan doe je precies hetzelfde wat de nazi's met ons gedaan hebben. Kinderen van foute ouders mogen alleen beoordeeld worden op wat ze zelf voor houding hebben in het leven en als wij dat niet doen zitten wij fout." Door haar meertalige achtergrond werd Mirjam Ohringer ook actiefin het internationale circuit van verzetsorganisaties en kampcomité's. Eind jaren '70 kwam ze in aanraking met de Duitse vrijwilligersorganisatie Aktion Sühnezeichen door een tentoonstelling over Duits verzet in het Mozeshuis aan het Amsterdamse Waterlooplein. "Sinds die tijd maak ik altijd als er weer een nieuwe groep


van deze Duitse vrijwilligers komt deel uit van de begeleiding. We houden dan een zogenaamd Zeitzeugen Gesprdch." (Dat is een gesptek met twee ooggetuigen van de Tweede Weteldootlog c.v.k). Mede doot de kontakten met Aktion Suhnezeichen wordt zij ook dikwijls gevtaagd voot groepen jonge mensen in Duitsland en Oostenrijk te spreken. "Het is een soott sneeuwbal effect", zegt zij, "je rolt van het een in het andet." V o o t haat internationale educatieve werk kreeg Mirjam Ohringer in 1997 een hoge Oostenrijkse onderscheiding. Monument In 1982 ging zij voor het eerst naar het voormalig concentratiekamp Mauthausen in Oostenrijk, op een reis georganiseerd door Verenigd Verzet. Daar zagen de deelnemets dat iedet land daar een eigen nationaal monument had en Nederland niet. Dat was de grondslag voor de oprichting van de Vriendenkring Mauthausen, het comité waat zij zich door de dood van haat jeugdliefde in Mauthausen misschien het meest emotioneel bij betrokken voelt. Voor de totstandkoming van dit comité in maart 1984 heeft zij zich zeer actief ingezet. In 1986 wetd het Nedetlandse monument in Mauthausen onthuld in aanwezigheid van Prins Bernhard. Zij is nu weet net tetug uit Wenen waar zij heeft gesproken op een bijeenkomst in het kadet van de Reichspogrom Nacht. Ik vtaag haar nog eens waarom zij het allemaal doet en hoe zij dat blijft volhouden. "Overleven verplicht en dat is waarvoor je bezig bent. Met name het educatieve werk, het werken met jonge mensen, is ook buitengewoon bevtedigend. Je krijgt heel veel terug en dat geeft voldoening. Je kan merken dat ze geïnteresseerd zijn en onder de indruk. En bovendien leer ik er zelf veel van. Ik heb geleerd hoe je vragen moet beantwoorden, hoe je de aandacht kan vasthouden en af en toe merk je dat het echt doorwerkt, daar doe je het voor." Carry van Lakerveld

Mirjam Ohringer en Henk van Moock met de Oostenrijkse ambassadeur Alexander Christiani bij de uitreiking van het Goldene Ehrenzeichen für Verdienste um die Republik Osterreich voor hun internationale educatieve werk Haar rweede zoon Sander Brandon schreef een onttoerend gedicht voor zijn moeder Mirjam Ohringer: 1 f juni ik herinner mij hoe mijn moeder 's middags om half zes tijdens het koken telkens tusteloos heen en weer liep tussen het aanrecht en het keukenraam waar zij de vitrage opzij houdend de sttaat afspeurde waar hij toch bleef haat kind haat man haat vriend of wie er maar niet was die zij vetwachtte haar vetdriet was onze sttaf als wij niet belden waar we bleven maat pijnlijker dan slaag wij wisten het al jong haar gtote liefde te verliezen op 11 juni 1941 was het keerpunt van haar leven en onze erfenis nog steeds vandaag 12 juni 2001


Lily v a n A n g e r e n - F r a n z , S i n t e z z a , o v e r l e v e n d e v a n A u s c h w i t z

"Je probeerde er als een schaduw doorheen te laveren" 'Lily, het unieke levensverhaal van een zigeunerin heet het boek dat vier jaar geleden over haar verscheen. Lily van Angeren, geboren Franz is Sintezza en overlevende van het vernietigingskamp Auschwitz. Door een toeval - de trein waarin zij zat stopte niet in Hannover - kwam zij na de oorlog in Nederland terecht. Het verhaal van een Sinti-vrouw die besloten heeft dat het belangrijk is over haar oorlogservaringen te spreken. Lily Franz wordt in 1924 in Duitsland geboren. H a a t vader is musicus. Hij speelt viool, gitaar en allerlei andere instrumenten. Maar hij kan ook de meest ontembate paarden in het gareel krijgen en zieke dieren genezen. Haar moeder haakt tafelkleden en verkoopt die langs de deur. Het gezin, dat uiteindelijk zeven kinderen telt, woont in een kleine woonwagen, maar het kan van de verdiensten van vader en moeder Franz leven zonder echte armoede te kennen. Van de herinneringen aan haar vroegste jeugd, het reizen, het muziek maken, de gezelligheid, is Lily vooral het enorme gevoel van vrijheid bijgebleven: "Ik dacht wel eens dat de bijen zijn net zo zijn als wij. Ze vliegen van plaats naar plaats om in leven te blijven. Ze zijn ook vrij om te gaan en staan waar ze willen, als er maar bloemen zijn. Voor ons waren de steden, de dorpen en de boerderijen de bloemen." De stad waar het gezin naar tetugkeett is Hildesheim. Daar gaat Lily v o o t het eerst naar school: "Mijn eigen moeder kon ook lezen en schrijven, want mijn grootvadet, haar vader, stond er op dat al z'n kindeten lezen en schrijven leerden. Dat was bij-

*1hĂŞbs Lily van Angeren-Franz. zondet, want de hele familie werd in onze gemeenschap gezien als schriftgeleerden, zoals vroeger in Nederland de dominees en de pastoors.". Na de machtsovetname van Hitler in 1933 neemt de politiecontrole in Duitsland sterk toe. Zonder dat iemand weet waarom wordt Lily's vadet in 1938 geatresteerd. Ondanks verwoede pogingen om iets van zijn lot te weten te komen, lijkt hij van de aardbodem verdwenen. Pas in 1942 komt een onbekende de familie verrellen dat hij leeft en in het kamp OraniĂŤnburg, vlakbij Betlijn zit. Pas vele jaren na de oorlog zal Lily Franz haar vader tetugzien. Gesprek met prikkeldraad In maart 1943 wordt de familie

Foto: Miepje van Dam. opgepakt en met hondenden anderen naar Auschwitz gedeporteerd. In Birkenau zit Lily samen met haar moeder, broers en zusjes in het zogenaamde Zigeuner Lager. De vrouwen en kindeten moeten daar wegen aanleggen met keien en kolengruis, zodat iedereen binnen de kortste keren gitzwart ziet, zondet goede mogelijkheden om je weer schoon te wassen. Na een hele dag stenen sjouwen is zij zo uitgeput geraakt dat zij niet meer weet of zij de volgende dag zou halen en ook niet meer of zij die nog wel wil halen. "Ik liep als een levenloos lijk gedachteloos naar het prikkeldraad dat ondet stroom stond. Andethalve metet van het hek ging ik op de rand van de greppel zitten die ik zelf nog mee had helpen graven. Ik knoopte een gesprek


aan met het prikkeldraad alsof het een mens was. Als ik nu tegen je aanloop is alle ellende definitief voorbij. Dan verlost jouw electriciteit mij van de honger, de kou en het verdriet dat ik hier moet doorstaan. Als ik in deze hel moet blijven tot ik doodga, kan ik er net zo goed meteen een einde aan maken. Kind, dat kan altijd nog, zei het draad. Als het moet, sta ik dag en nacht met mijn stroom voor je klaar. Maar nu nog niet." Het praten met het prikkeldraad is een keerpunt in Lily's kampleven. Zij is het er mee eens dat het altijd nog kan om jezelf het leven te benemen. Op weg naar haar moeder ontmoet zij een Poolse gevangene die leiding heeft over een barak die is ingericht als Schreibstube. De meelevende Poolse gevangene vraagt of zij kan lezen en schrijven, want dan kan hij haar een baantje bezorgen in de cartotheek. Dat zij kan lezen en schrijven redt haar op dat moment het leven. Het werk in de Schreibstube is fysiek minder zwaar, al is het op een andere manier een loodzware belasting. Zij moet op kaarten bijhouden wie er gestorven is en waaraan. "Er waren daar Sinti die analfabeten waren en die dachten dat wij daar op de Schreibstube - we waren daar met drie Sinti-meisjes die konden schrijven - over leven en dood konden beslissen. Die vroegen achteraf, na de oorlog, aan mij waarom onze mensen er niet uitgekomen waren. Dan zei ik altijd: 'Ja de mijnen zijn er ook niet uitgekomen'." De macht die anderen haar toedichten heeft zij niet. "Dat is anders dan de Blockaltesten die hoewel ze zelf gevangenen waren zich gedroegen als "Herren Gรถtter", zoals wij zeiden. Iedereen die macht krijgt voelt zich boven een ander verheven. De schrijver Zola zegt: 'Als de mens de macht krijgt over leven en dood, dan is het zijn karakter die hem de weg wijst'." De hemel zien Pas in 1952 hoort Lily dat maar twee leden van het gezin de oorlog hebben

overleefd, haar vader en haar zusje Waltraud. Met Waltraud zit zij in Auschwitz, maar ze zijn elkaar op het laatst kwijtgeraakt. Haar moeder en de jonge kinderen halen het niet. Schelein, het een na oudste broertje sterft aan tyfus, buiten. Hoewel het streng verboden is om zieke of stervende mensen buiten de barak te brengen, nemen Lily en Waltraud hun broertje mee naar buiten omdat hij nog zo graag een keer de blauwe hemel wil zien. "Schelein keek lang en intens naar de hemel, zuchtte een paar keer heel diep, keek nog eenmaal naar Waltraud en naar mij en zei: 'Ja, ik heb de hemel nu gezien.' Toen gaf mijn kleine broertje op onze schoot de geest."

Lily krijgt blindedarmontsteking, in Auschwitz was je dan ten dode opgeschreven, maar omdat zij in de Schreibstubewerkt wordt zij geopereerd. "De hele situatie was nogal ironisch, de Duitsers deden hun uiterste best om je ziek te krijgen. Vervolgens werd ik door een Duitser geopereerd zodat ik mijn lijdensweg zou kunnen voortzetten'." Met hulp van een Poolse vriend die medicijnen voor haar organiseert komt zij er doorheen hoewel zij ook nog vlektyfus krijgt.

Niet opvallen Zij gaat weer aan het werk maar is zo verzwakt en uitgehongerd dat zij nog nauwelijks emoties kan voelen. "De honger werd een obsessie. Je had permanent hoofdpijn en je kon niet goed meer zien. Flauwvallen was schering en inslag." Tot haar verbazing vroegen kinderen later op een basisschool waar zij was uitgenodigd om over haar oorlogservaringen te vertellen, waarom de gevangenen in het kamp niets deden, geen verzet pleegden terwijl ze toch met veel meer mensen waren dan de bewakers. "Je moest juist niet op de voorgrond staan, juist niet opvallen, wilde je een kans maken te overleven." vertelde Lily hun. "Je probeerde er maar als een soort schaduw doorheen te laveren." Over haar eigen vorm van verzet, in leven proberen te blijven en anderen te helpen overleven, heeft zij op die school niet verteld. Als het gerucht gaat dat er mensen naar andere kampen zouden worden overgeplaatst neemt Lily's zusje Waltraud iets in waardoor zij ernstig ziek wordt.. Zij hoopt dat zij daardoor niet naar een kamp zou hoeven waar het misschien nog slechter zou zijn. Zij ligt weken in de ziekenbarak waar Lily haar niet op kan zoeken. Om toch te proberen iets voor haar te doen gaat Lily hulp vragen aan haar Poolse vriend. Op weg naar hem loopt zij langs doden die op een vrachtwagen worden geladen om naar de verbrandingsoven te worden vervoerd. "Met een schok bleef ik staan. Even dacht ik dat ik door de honger hallucineerde, omdat het leek alsof ik mijn eigen zus Waltraud tussen de stapels lijken zag liggen. Ik werd er onpasselijk van, maar toch dwong ik mijzelf om te gaan kijken. Ik kon en wilde maar niet geloven dat het Waltraud was die daar lag. Maar zij was het wel en zij leefde nog'." Het lukt Lily om haar zusje tussen de doden uit te halen en haar naar haar eigen barak te dragen. Met hulp van gestolen vitaminepillen en uit


eigen mond gespaard voedsel komt Walttaud et weer boven op. Een paar weken later wordt zij roch op transport gesteld. Het gaat zo snel dat zij geen afscheid kan nemen van de familie. Op transport In de zomer van 1944 moet de hele Schreibstube op transport. Kort na hun verttek, in de nacht van 31 juli op 1 augustus, worden de laatste drieduizend gevangenen die in het Zigeuner Lagerwaren achtergebleven vetgast. Ook Lily's moeder, haar broertjes en haar zusje Trudel. Ondanks alle omzwervingen lukr het Lily met haat vriendinnen Liesbeth en Roza van de Schreibstube bij elkaar te blijven, niet in de laatste plaats omdat ze afspreken altijd alle drie ja te zeggen als er wordt gevraagd of ze een bepaald soort werk kunnen doen. Eerst wenden ze naat Ravensbr眉ck getransporteetd, in vee- en goederenwagens, dan, na een week, verder naar Grasslitz. Daar werden ze in een munitiefabriek te wetk gesteld. Na enige tijd wotdt Lily doot een vrouwelijke dokter, eveneens een gevangene, gevraagd om te assisteten op de ziekenzaal, omdat zij Lily heette, net zoals het dochtertje van de atts. De nieuwe baan betekent extra eten, waarvan haar vriendinnen mee kunnen profiteren. Met Kerstmis worden de zigeunermeisjes overgeslagen bij de kerstpakketten die van familie en het Rode Kruis komen. 'Ik kon het maar niet geloven, dus ging ik naar een andere chef, die zei het zo: 'Jullie zijn zigeunets, wat had je dan verwacht?' Geen kerstpakket van het Rode Kruis, maar op de laatste dag van hun verblijf in Grasslitz komt er een pakje met wat eten van Lily's Poolse vriend, die zijn kerstpakket met haar deelt. Op diezelfde komt de mededeling dat ze weer op transport moeten. Voor dit transport was Lily gewaarschuwd door een Duits meisje, een politieke gevangene, die had gezegd,: 'Als jullie nu op transport wotden gesteld, moet je proberen te vluchten, anders wordt dit jullie laatste transport, ze sturen

De familie Franz in Duitsland voor hun woonwagen, 1938. Links vader Julius Franz, rechts moeder Anne Franz-Rose, tussen hen in vijf van hun kinderen, met links Lily en haar zusje Waltraud. jullie naat een fabriek en gooien er dan een bom op.' Gewaarschuwd zetten Lily, Liesbeth en Roza alles op alles om te vluchten, en het lukt. Ze steken met hun laatste krachten de Duits-Tsjechische gtens ovet en komen tetecht in het dotpje As. Daar blijkt zich een vluchtelingenkamp te bevinden. De meisjes wotden daar van het kastje naar de muur gestuutd. De Canadezen geloven hun vethaal niet: "Het was vetdraaid moeilijk om ze ervan te overtuigen dat het feit dat we zigeunets waren voor de Duitsets genoeg reden was geweest om ons in een concenttatiekamp te zetten." Uiteindelijk komen ze bij het Nedetlandse opvangbureau terecht. Na ruim een maand trekken ze met de meeste Nedetlandse vluchtelingen mee naar Erford in Duitsland. Van daaruit vertrekken Liesbeth en Roza om te proberen hun familie te zoeken. De trein rijdt door Lily Franz blijft achter en als de gelegenheid zich voordoet neemt zij een trein die naar Nederland gaat, maat onderweg in Hannover zal stoppen. Vanuit Hannovei wil zij in Hildesheim zien te komen, de belangrijkste pleisterplaats uit haar kindertijd en de laatste plek waar ze woonde voor de Sinti uit elkaar werden geslagen

en gedeporteerd. In de trein zitten ook gevangen genomen vettadets, Nederlanders die bij de SS hadden gediend en zich zogenaamd als vluchtelingen hadden gemeld bij het Nedetlandse opvangcentrum. Op een bepaald moment breken zij uit hun vetgtendelde wagon, de trein stopt en er ontstaat in en bovenop de ttein een enorm gevecht. Daatna wotdt besloten om niet meer te stoppen en legeltecht naar Nederland te rijden, waar Lily ontheemd en verloren op het perron van Kampen uit de ttein stapt. In Erford had zij een Nederlander leren kennen, die zich nu over haar ontfermt en haar meeneemt naar zijn familie in Woerden. Diepe angst voor Duitsland en Duitsers, en de vrees niemand van haar uitgebreide familie - vader, moeder en zes broertjes en zusjes - terug te zullen zien, houden haar in Nederland. De Vreemdelingendienst dreigt haar echter de grens over te zetten, tenzij Nedetlandse pleegoudets haar in huis zouden nemen 贸f wanneer zij met een Nedetlandet zou trouwen. As Duitse en als zigeunerin wordt zij zeet agressief bejegend door de Canadezen die toen nog de Vreemdelingendienst bemanden, en die haat verhalen over de verschrikkingen van Auschwitz niet geloofden.


Uiteindelijk neemt het echtpaar waar ze werk had gevonden haar als pleegdochter in huis. In 1947 trouwt zij met de Nederlandse man met wie zij vanuit Erford naar Nederland was gekomen. Vanuit haar woonplaats Woerden probeert Lily jarenlang iets over haar familie te weten te komen. Pas in 1952 hoort zij dat slechts twee leden van het gezin de oorlog hebben overleefd, haarvaderen haar zusje Waltraud. Als blijkt dat zij nog leven en in Duitsland rondtrekken met hun wagens, is Lily verschrikkelijk blij. Het contact wordt hersteld en is hecht als vanouds, maar Lily wil niet terug naar Duitsland. Zij heeft inmiddels een gezin en kinderen. Zij woont in een huis, iets waar zij als kind ook wel eens stiekem naar had verlangd en, wat misschien nog belangrijker is, de angst voor Duitsland is er nog steeds en de nachtmerries plagen haar vrijwel iedere nacht. "Als iemand naar mijn afkomst vroeg, dan zei ik altijd dat ik uit Hongarije kwam. Het was niet alleen een vorm van zelfbescherming maar ook bedoeld voor de veiligheid van mijn kinderen." Ik blijf een Sintezza Desondanks is de verbondenheid met de Sinti gebleven, ondanks het feit

dat zij haar kinderen geen Romanes leerde: "Na de oorlog was je doodsbang, je sprak Nederlands, geen Romanes', ondanks het feit dat zij na de dood van haar eerste man opnieuw met een burger trouwde. Over haar leven in de burgermaatschappij: "Ik blijf een Sintezza en dat is helemaal niet moeilijk, je hoeft alleen maar jezelf te zijn." In 1997 verschijnt het boek 'Lily, het unieke levensverhaal van een zigeunerin' opgetekend door Henny Clemens en Dick Berts. Door middel van dit boek wil Lily de openheid tussen Sinti en Roma en de burgerbevolking, de "Gadje", bevorderen. Dat is een weloverwogen maar zeker geen gemakkelijk besluit, vanwege de strenge ongeschreven regel van haar volk, dat je bepaalde dingen niet naar buiten brengt. Het is een ontroerend en leerzaam boek geworden, een geschiedenisles voor 'burgers', alleen al omdat hier duidelijk gemaakt wordt hoe de eeuwenlang gemarginaliseerde Zigeunergemeenschap een gemakkelijke prooi kon worden van de overheersers. Voor de Sinti en Roma, die vrijwel nooit welkom waren in de omgeving waar zij zich ophielden, was absoluut geen hulp van omstanders te verwachten toen ze tijdens de Tweede Wereldoorlog werden opgepakt en gedeporteerd.

STICHTING I C O D O Informatie- en Coรถrdinatieorgaan Dienstverlening Oorlogsgetroffenen Voor vragen op het gebied van wetten en regelingen voor oorlogsgetroffenen,maar ook voor vragen over zelfhulpgroepen, therapeutische hulp of maatschappelijk werk, en voor literatuur over de Tweede Wereldoorlog en zijn gevolgen kunt u terecht bij de Stichting Icodo. Oorlogsgetroffenen, hun partners en kinderen (ook de naoorlogse generatie zijn welkom bij STICHTING ICODO Maliebaan 83, 3581 CG Utrecht tel. 030-2 34 34 36 (9-13 uur; bibliotheek 9-17 uur) Bezoek is - na telefonische afspraak - iedere dag mogelijk.

Het schrijven van het boek draagt bij aan het verwerken van haar kampervaringen. Lily's jarenlange afschuwelijke nachtmerries over het kamp nemen af nadat zij voor het eerst uitvoerig over haar leven en vooral over haar oorlogservaringen heeft verteld. "Ik ben de laatste van de familie Franz", vertelt Lily ons. "Ik heb wel nog t w e e halfbroers, maar die zijn uit het tweede huwelijk van mijn vader. En nu willen ze in Hildesheim, waar we zijn weggehaald, een monumentje voor ons maken. D a t soort dingen heb je wel voor joden, maar eigenlijk nauwelijks voor ons. In Hildesheim woonden weinig Sinti, maar wij zijn er jarenlang steeds teruggekomen en we gingen er naar school. Ik zou het wel fijn vinden, want dan hebben wij ook iets om bloemen neer te leggen." Carry van Lakerveld Bertje Leuw

Voor dit artikel is mede gebruik gemaakt van fragmenten uit het boek: 'Lily, het unieke levensverhaal van een zigeunerin', opgetekend door Henny Clemens en Dick Berts, Amsterdam 1997, ISBN 90 225 22849.

Meldpunt Discriminatie Internet Voor klachten over discriminatie op het Nederlandse gedeelte van het internet meldpunt@meldpunt.nu


O p v a l l e n d e verschillen tussen N e d e r l a n d e n België

Stille rebellen Ook als je al wist dat er een groot verschil was tussen de Duitse bezettingstijd in Nederland en die in buurland België, dan nog lijkt het boek Stille rebellen een verhaal te vertellen dat zich afspeelt op een andere planeet. Marion Schreiber, een Duitse journaliste, heeft het zich niet gemakkelijk gemaakt bij het schrijven van de geschiedenis van de overval op de twintigste deportatietrein uit België naat Auschwitz en daarvoor mogen wij haar dankbaar zijn. Niet alleen worden de hoofd- en bijrolspelers in het diama vanaf hun jeugd gevolgd, maar daar omheen krijgt de lezer een glashelder beeld van het België tussen de twee wereldoorlogen en tijdens de bezetting. Vetzet valt moeilijk te kwantificeten. Vergelijken van verzetsdaden heeft geen zin. Elke daad van medemenselijkheid, elk teken van het afwijzen van een wreed en onrechtvaardig regime is te prijzen. Bovendien waren er grote verschillen tussen de wijze waarop de nazi's macht uitoefenden in België en in Nedetland en ook daarom kun je nauwelijks vergelijkingen maken. Toch krijg je bij het lezen van Stille tebellen de indruk dat de Belgen het in het algemeen de Duitsers veel moeilijket hebben gemaakt hun maatregelen uit te voeren dan de gezagsgetrouwe Nederlanders. Verschil Over het waarom van dit verschil bestaan verschillende theorieën: het zou te maken hebben met de ervaring die België al had gehad met een Duitse bezetting in de Eerste Wereldoorlog; of met het feit dat de Belgen een lange geschiedenis van vreemde overheersing hebben; of met het feit dat het Duitse gezag in België berustte bij een militaire gouverneur, generaal Von Falkenhausen, in plaats van bij een burgerlijke autoriteit,

waarvan de leden uit de NSDAP weren betrokken, zoals in Nederland. Of het nu door één van deze oorzaken was, of door een combinatie van velschillende, de Belgen peinsden er niet over mee te werken me de Duitsets. De Belgische overheid weigerde mee te wetken aan de tegistratie van joden, omdat deze in strijd was met de grondwet. Maatregelen - ook anti-joodse werden gesaboteerd of verttaagd, ambtenaten werkten massaal mee aan het vervalsen van persoonsbewijzen en leverden andere hand- en spandiensten aan het verzet. De Duitsets konden bij hun razzia's geen gebruik maken van de Belgische politie, omdat zij haat niet 'betrouwbaar' achtten en bang waren voor sabotage. Er was, vergeleken met Nederland, een grote bereidheid om onderduikers op te nemen, vooral in Brussel en Wallonië. Daar, zo schrijft Marion Schreiber, 'bleek de bevolking in grote mate immuun voor het gif van de nationaal-socialistische rassenhaat.' Zelfs de Belgische Joodse Raad, het JIB (Jodenverenigingin België), die overigens op vergelijkbare wijze meewerkte met de Duitsers, hielp middels zijn 'Afdeling voor kinderen' mee om joodse kinderen via het georganiseerde verzet te laten onderduiken. Vierduizend kinderen konden zo worden gered, het hoogste percentage in alle door de Duitsers bezette landen. De samenstelling van de joodse bevolking in België week sterk af van die in Nederland. Na de eerste weteldoorlog ontvluchtten veel joden net onafhankelijk geworden landen als Polen en Roemenië, zowel wegens het antisemitisme (denk aan de numerus clausus voor joodse studenten op de Poolse universiteiten) als om de economische malaise te ontlopen. Vanaf 1935 kwam een

Marcel Hastir, Henriëtte Vander Hecht en Youra Dvchitz in 1938

tweede vluchtelingenstroom op gang, ditmaal uit Duitsland en Oostentijk. Al kregen veel vluchtelingen geen officiële verblijfsvergunning, zij werden welwillend benaderd door de Belgische overheid. Veel van de vluchtelingen waren, misschien door het antisemitisme, waarmee zij dagelijks wetden geconfronteerd, sterk politiek bewust. Veel Poolse joden waren lid geweest van de Bund, de socialistische partij van de Oost-Eutopese joden. Op de univetsiteit raakten veel joodse studenten betrokken bij linkse politiek, waatdoor intensieve contacten ontstonden met niet-joden. Dit zou gedurende de bezetting van groot belang blijken. Verzet Na de inval van de Duitsers kwam het verzet betrekkelijk snel op gang. Aanvankelijk, omdat de anti-joodse maatregelen net als in Nederland zeer geleidelijk werden doorgevoerd en omdat nog niet duidelijk was w a a t toe ze uiteindelijk zouden leiden, was het verzet vooral gericht op militaire


sabotage. Veel oostjoodse jongeren namen vol overtuiging, maar met nog meer risico voor zichzelf dan anderen, deel aan deze soms gewapende acties. Onder de dekmantel van de 'School voor Schilderkunst' in Brussel, opgezet door de kunstenaar Marcel Hastir, konden jonge verzetsmensen elkaar onopvallend ontmoeten. Omdat er zelfs een stencilmachine was, konden er antiDuitse pamfletten geproduceerd worden. En dat alles, zo vertelt Marion Schreiber, onder de neus van de bezerter: de School voor Schilderkunst lag op slechts enkele meters afstand van de Brusselse afdeling van het propaganda-ministerie van Goebbels. Toen in 1942 de deportaties begonnen, beseften vooral veel OostEuropese joden al snel dat het niet goed zou aflopen met de gedeporteerden. Daarom werd het JVC, het Joods Verdedigingscomité, opgericht. Het riep joden niet alleen op om onder te duiken, maar hielp, via de contacten in de niet-joodse wereld, ook met het vinden van onderduikadressen, iets dat in België veel eenvoudiger was dan in Nederland. Toch had de referent Joodse Zaken Kurt Asche, Eichmann's handlanger in België, de beschikking over een netwerk van verraders en spionnen, waardoor steeds meer joden via het verzamelkamp Mechelen naar Auschwitz verdwenen. Nadat een aantal keren mensen van de trein waren gesprongen en weer waren opgepakt, ontstond in 1943 vrijwel tegelijkertijd in kamp Mechelen en bij een joodse verzetsstrijder, de jonge arts Youra Livchitz, het idee om een massale ontsnapping uit de trein te organiseren. Livchitz wilde de trein tot stoppen dwingen, zoveel mogelijk wagons openen en elke ontsnapte een briefje van 50 frank geven voor de trein of bus. Over de kansen die de gevangenen zouden hebben na hun ontsnapping schrijft Marion Schreiber: alleen in België, waar de Duitse bezetter in alle kringen van de bevolking zo gehaat was, zouden de joden een kans hebben om te overleven.' Zij

citeert Joseph Silber, een van de ontsnapte gevangenen: 'Nergens anders konden we rekenen op zo'n genereuze hulp als bij de Belgische bevolking.'

Zij slaagden erin zeventien gevangen te bevrijden voordat de Duitsers het vuur openden en zij moesten vluchten. Maar dankzij het openbreken van de wagons slaagden nog eens 225 gevangenen erin voor de Duitse grens te ontsnappen. Niemand van hen werd verraden, integendeel, zij werden overal geholpen en beschermd. Voor Youra en zijn broer Alexandre liep het minder goed af. Zij werden verraden door een Wit-Rus die al jaren voor de nazi's werkte en die erin geslaagd was te infdtreren in het verzet. Beiden werden geëxecuteerd in het kamp voor politieke gevangenen in Breendonk. Ook Jean Franklemon werd na verraad gearresteerd en kwam terecht in kamp Oranienburg/ Sachsenhausen. Hij overleefde aan het einde van de oorlog de doden-mars vanuit dit kamp.

Youra Livchitz Ook bij het voorbereiden van de ontsnapping kregen de joodse gevangenen hulp van Belgen. In kamp Mechelen was een werkplaats die onder leiding stond van een gemengd gehuwde Belgische jood. Als er nieuw gereedschap en materiaal zoals spijkers nodig waren, mocht hij onder begeleiding van een bewaker buiten het kamp inkopen doen. De baas van de ijzerwarenwinkel stopte dan meestal ook nog wat extra materiaal, dat niet op de lijst stond, in het pakket. Ook de schoenmaker in het kamp, Rubin Liberman, hield messen, tangen en zagen apart voor de mensen die wilden ontsnappen. De voorbereiding buiten het kamp liep minder goed. Tevergeefs deed Youra Livchitz een beroep op zijn studievrienden in Groep G, een gewapende Belgische verzetsgroep waarmee hij en zijn broer Alexandre eerder hadden samengewerkt. Het plan werd te riskant gevonden. Youra kreeg een pistool en dat was alles. Uiteindelijk moest hij de overval samen met zijn broer en zijn oude niet-joodse schoolkameraad Jean Franklemon uitvoeren.

Dankzij het grondige onderzoek van Marion Schreiber - naast interviews met overlevenden zijn archieven en verslagen van naoorlogse processen tegen nazi's gebruikt - is er weer een klein en onbekend, maar daarom niet minder indrukwekkend deel van de geschiedenis van de Sjoa beschreven. Stille rebellen plaatst de moedige actie van gevangenen en verzet in de context van de situatie in België vóór en tijdens de Duitse bezetting, waardoor een duidelijk beeld ontstaat van de complexiteit van de omstandigheden waaronder het al dan niet mogelijk is om op succesvolle wijze in v e r z e t t e komen. H e t boek dat in vertaling helaas wemelt van de germanismen - is daarmee niet alleen een eerbetoon aan degenen die de moed hadden in verzet te komen, maar ook aan allen die hen hielpen. Manja Ressler Marion Schreiber: Stille rebellen. De overval op de 20e deportatietrein naar Auschwitz. Atlas, 2001. 339 pag. f49,90. Manja Ressler is free lance journalist en medewerkster van NRC-Handelsblad.


Amerikanen vragen naar diamanten

Terug naar Vught

Jacques Furth, erelid van het Nederlands Auschwitz Comité, heeft een uitstekend geheugen en hij heeft in het Auschwitz Bulletin al vaak over zijn oorlogservaringen geschreven. Ook over de tijd die hij in het concentratiekamp Vught doorbracht. Hij maakte toen deel uit van het 'diamanttransport' en daarover werd hij onlangs door een Amerikaanse filmploeg aan de tand gevoeld. V o o t hem een enigszins gemengde ervaring. Half april werd ik gebeld door een aardige juffrouw, die vroeg of ik als diamantbewerker in kamp Vught had verkeerd (geintje) en of ik misschien geneigd zou zijn daar ter plekke een interview af te geven aan een filmgroep uit Amerika . Kort daarna kwam zij mij met auto en chauffeur afhalen om in het kamp Vught een samenspraak met de Amerikaanse filmploeg van het Dixie State College te hebben. Toen we in Vught aankwamen stond die filmploeg al te werken op het dak van het pottiersgebouw. Dat is een mooi gebouw, tegelijk kantoor, met alles et op en er aan, zoals ruime bureaus en wc's. Niet dat wij in '43 een hekel hadden aan het rijtje van zes closets of de goot die de plas deed wegvloeien. Hier tusrten wij immers 's avonds naast elkaar uit, vergeleken eikaars prestaties en v e t n a m e n via het nieuws van de

Engelse zender, dat het nog maar een poepie dagen duren zou (het wetd echtet v o o t mij en nog enkele andeten een diarree van meer dan twee jaar). Hertenkamp Zoals steeds was de natuur rondom het kamp Vught prachtig. De gele brem stond breed en hoog in bloei tussen de wachttorens. De prikkeldraadomheining deed ons nu aan een hertenkamp denken. We kwamen aan over een lange lage brug over een kanaal. Die was mij onbekend, maar iets verder weg zag ik rechts de Schieszstand, de fusilladeplaats die wij joodse gevangenen met onze eigen narigheid hebben moeten helpen aanleggen. Intussen was de filmgroep met hutje en mutje van het dak afgekomen. Het

was een ploegje van zes mannen en een vrouw en bij hen stond een oudere man die blijkbaar als gids optrad. Ik kwam dichter bij en hoorde hem vertellen: "De vrouwen moesten de grassprietjes tussen de straatstenen weghalen." Het klinkt vernederend, misschien was het een straf, maat ik kan mij er niets van herinneren. Wat ik mij wel herinner was dat de joodse vrouwen na het werk 's avonds twee straatstenen van voor in het kamp naar achter moesten dragen op muziek, gespeeld door het speciaal opgeroepen joodse otkest. Ik verbeeld mij dat dit toen meerdere avonden heeft plaats gevonden en dat de vrouwen moesten zingen ook. Ik weet niet meer of het een straf was o f dat het bouwen van het bunketblok niet hard genoeg ging. De vrouwen hebben zich moedig gedragen, maar in de barak hebben ze van woede en verdriet gehuild. Diamanttransport Toen werd ik voor de microfoon gehaald. De Amerikanen wilden van edeler stenen weten. Zij waren hier gekomen om over diamanten te horen. Wij wandelen het kamp binnen en zittend en staand vertelde ik mijn vethaal. In de nacht van 11 op 12 februari 1943 kwam er een transport in Vught aan. Het was het tweede joodse transport met vijfhonderd gezinsleden, schat ik (met mij mee). Ik noem dit het diamanttransport omdat het speciaal mensen waren die deel uitmaakten van de diamantindusttie. Diamantbewerkers, fabrikanten en juweliers. Verschillenden van ons hadden een persoonsbewijs met een "Sperre bis auf Weiteres" dat nu hief beëindigd was,

Jacques Furth geïnterviewd in Vught maar ons meer dan zeven maanden voor deportatie had gespaand. Wij diamantbewerkers die voor de oorlog veelal werkloos geweest waren en in de oorlog honger hadden geleden, bezaten echt geen diamanten of juwelen. Misschien dat fabrikanten of juweliers nog achtergehouden diamant bij zich hadden, maar die hadden zij dan waarschijnlijk in de grond begraven. Ik vertelde aan de filmploeg dat door enigen van ons aan een fabriek werd gebouwd met materiaal dat uit een van de fabtieken van Amsterdam gekomen was. Wekelijks kwam er een van de mannen van de fabriek Asscher om hier te adviseren bij het plaatsen en richten van de apparatuur voor kloven, zagen en slijpen. De machines blonken spiegelend glad en glanzend. Alles was klaar voor de start, maar het bleef allemaal verstard


en ongebruikt, omdat in Berlijn de diamant achter slot en grendel bleef. Onze handen hoefden daarom niet meer gespaard te blijven van ruw werk. Ik heb dan ook in het buitencommando gesappeld.

voor de ingang opgestelde rij stuk voor stuk naar binnen gaan. Nota bene ik was daar opgesteld als O.D.er om toe te zien dat het allemaal volgens plan verliep. Ook in Vught werden ons nu alle bezittingen afgenomen, net als in Westerbork gebeurde.

Inleveren In het boek van /. Lipschits, "De kleine Sjoa", las ik dat de mensen die in Westerbork aankwamen werden opgevangen door personeelsleden van Lippman en Rosenthal en C. de Liro van Amsterdam. Alles wat de slachtoffers aan goud, zilver en juwelen bij zich hadden moesten zij inleveren. Het geld werd op lijsten gezet en naar Amsterdam gestuurd en op de Lirorekening van de betrokken jood geboekt. Het laagste bedrag dat Lipschits. op die lijsten is tegengekomen is het bedrag van f 0.04 dat van de in 1878 geboren weduwe R.C.-B. was afgepakt.

Zelf had ik een gouden ring, een erfstuk van mijn moeder, een samenstelling van een gesleten verlovingsring en een trouwring. Gelukkig had ik die op tijd aan een goede vriend die met een Duitse vrouw getrouwd was en daarom naar huis terug mocht mee kunnen geven. Ik had verder een briefje van 25 gulden, het loon van vier dagen slijpen, dat ik door mijn arrestatie op donderdagavond nog niet thuis had kunnen afgeven. Het was een bedrag waarvoor je in het kamp bij de civilisten (vrije burgers die in het kamp werkten) een pakje Consie-cigaretten kon kopen.

Hoe is dat in Vught gegaan? Bij de binnenkomst van ons transport zijn we geregistreerd, maar ons werd voorlopig niets afgenomen. Een tijd lang liepen wij in onze eigen kleren en werd ons voor zover dat mogelijk was ontbrekende kleding gestuurd. Op een zekere dag werden wij, de joodse mannen, opgetrommeld en naar een lege barak gestuurd. De mannen moesten zich vanuit een

Als laatste kwam ik binnen. Precies weet ik het niet meer. Ik meen dat de kampcommandant Chmielewski en nog enige hoog gegradueerden daar zaten aan een lange tafel uit een of andere barak. De Lageraltesten S眉sskind en Lehman, bestuurders van het joodse kamp, waren er om hier en daar toe te lichten. Over het geld zouden wij na afgifte kunnen blijven beschikken. Wat er met diamant,

goud en juwelen verder is gebeurd weet ik niet. Ik weet ook niet of de commandant zich niet misschien eens aan de glimmertjes kan hebben vergrepen. Hij werd namelijk gedegradeerd. In Dachau zag ik twee jaar later Reinecke, ondercommandant in Vught destijds, ontdaan van verdere distinctieven in zijn verfomfaaide uniform. Hij werd bewaakt afgemarcheerd. Veel niet verteld De filmers waren tevreden met mijn verslag. Ik eigenlijk niet. Voor mij was Vught zoveel meer. Zoals de 80 a 90 kapo's die gelijk met het diamanttransport waren aangekomen. Het waren misdadigers in de burgerwereld en moordenaars in de concentratiekampen, zij noemden Vught "een sanatorium'. Toch leken zij zelf menselijker te worden door de aanwezigheid van de vrouwenlagers in het kamp. Er is zoveel dat voor mij Vught is en wat ik niet heb kunnen vertellen. Het kindertransport naar Sobibor. Het bunkerdrama. De tragedie die ik ooit "Een mooie dode" heb genoemd: bij een vergassing van luizen was een jonge man in de barak achtergebleven en overleden; de barakleider Bieloen, een lieve man, werd daaraan schuldig bevonden en moest mee met het eerstvolgende transport. En er waren nog zoveel andere gebeurtenissen met dodelijke afloop De filmploeg vertelde mij dat ze nog veel werk in het vooruitzicht hadden. Ik zou nog van hen horen. Het was intussen een uur of twee geworden toen ze ons vroegen of wij niet wat eten wilden. Natuurlijk wilde ik dat, maar waar? "Hier" was het antwoord. Er kwamen pakketten met bijzonder Chinees eten, waar echter geen stoelen bij geleverd werden. We gingen op een soort tribunetreden zitten waar ook de pakketjes uitgestald lagen. We tastten toe en ik riep: "Ik heb hier in Vught nog nooit z贸 lekker gegeten". Jacques Furth


V e r e n i g d e N a t i e s z o e k t a n t w o o r d op t e r r o r i s m e

Niet alleen met bommen en granaten In november 2 0 0 1 was Ed. van Thijn, als lid van de Eerste Kamer der Staten Generaal, bij de zitting van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, in een New York waar nog maar enkele weken daarvoor twee vliegtuigen zich in de Twin Towers hadden geboord. De VN hadden een dialoog tussen de beschavingen op de agenda gezet. Maar hoe kun je terrorisme bestrijden? En de oorzaken van het terrorisme? New York - Ground Zero is een macaber massagtaf van een onmetelijke omvang. Staketsels van verwrongen staal, blokken beton, puin tot waar het oog reikt. Reddingswerkers graven, ruimen en zoeken temidden van de navrante rookpluimen. De geur is niet om te hafden. Bijna 4000 vermiste New Yotkers, of wat daar nog van over is, hebben hier hun eeuwige rustplaats gevonden. De wolkenkrabbers die het geteistetde gebied omringen, kort geleden nog overvleugeld doot de majestueuze Twin Towers, totenen nu hoog boven de dodenakket uit als reusachtige zerken. Is dit nu oorlog? Ik dacht het wel. Een niets ontziende vijand heeft onze Westetse samenleving weloverwogen letterlijk in het hart geraakt. De trorse hoofdstad van de wereld (New York is de hoofdzetel van de Verenigde Naties) is door de knieën gegaan als een oude kameel. De ontreddering is groot. "We were so damned secure" zei een Amerikaanse historicus op een bijeenkomst over de gevolgen van de 11e september voor de wereldverhoudingen. Maar dat gevoel is wel voorbij. In Amerika heerst de angst. Angst voor de volgende aanslag. Op de televisie worden de mogelijke targets breed uitgemeten: de Golden Gatebridge, Disneyland, de Worldseries, Hollywood, de New York marathon, een kernreactot, het Witte

Huis, de United Nations, noem maar op. De angst voor antrax, de biologische sluipmoordenaar, die elke dag weer nieuwe slachtoffers maakt en nu al het postvetkeet volledig heeft ontwricht. De angst voot een economische tetugslag. Nu al staan, alleen al in New York, 100.000 mensen op straat en het regent faillissementen. Ik ben in New York om de jaarlijkse Algemene Vergadering van de Verenigde Naties bij te wonen. Een groter contrast is nauwelijks denkbaar. Terwijl buiten de veiligheidsmaatregelen ongekend zijn discussieerr men binnen over de "Dialoog tussen beschavingen", een thema dat nota bene geïnitieetd werd door de president van Iran, Kathami, die zelf de afttap kwam verrichten. "Dit moet ons antwoord zijn op het batbarisme van tettoristisch geweld", zo betoogde hij, de aanslag op het W T C in uiterst felle bewoordingen afwijzend. Onnoemelijk veel sprekers uit alle windstteken sloten zich in een eindeloze woordenbrij bij hem aan. Binnen is het pais en v i e e , buiten neemt de grimmigheid ongekende vormen aan. Intussen worden elders in het gebouw van de Verenigde Naties ondet auspiciën van de Veiligheidsraad verwoede pogingen ondernomen om een Conventie ter bestrijding van het Terrorisme af te sluiten, m a a t tot nu toe zijn alle pogingen gestrand op het ontbreken van een eensluidende definitie. Tijdens een openbare briefing van het Counter Terrorism Committee zegt de vootzitter, de Britse ambassadeur Greenstock, de definitie maar over te laten aan het eigen inzicht van de verschillende lidstaten, als de strijd maar gevoerd wordt. Een wel erg beschaafde vorm van dialoog. Voor presidenr Bush, is de definitie van tetrorisme klip en klaar: Bin

Laden en het Taliban regime dat hem ondetdak vetschaft. De oorlog in Afghanistan, zo betoogde hij, is een just cause en zal tot het bittete eind worden uitgevochten. De tijd voor sympathiebetuigingen is voorbij, het is nu tijd v o o t actie. Vragen Alhoewel de steun binnen de VN gtoot is, wotden er in de wandelgangen toch ral van vragen opgeworpen. Is de oorlog wel effectief? Is het tetroristisch netweik niet veel gtotet dan de bende van Bin Laden? Zijn er niet al duizenden terroristen opgeleid in andere landen dan Afghanistan? Wat te doen met al die andete regimes die het terrorisme, al of niet openlijk, steunen, zoals Irak, Syrië en, last but not least, Saoedi Arabië? En zullen de bombardementen op Afghanistan het diepgewortelde tessentiment in de Atabische weteld tegen het Westen niet verder aanwakkeren en een nog grotete voedingsbodem vormen voor zelfmoordcommando's in de toekomst? De meest beangstigende vraag die tijdens /><2«<?/discussies rondom de VN werd opgeroepen is die van de dreigende Clash of Civilisations. Ondanks alle goedbedoelde bezweringsformules dat de op gang gekomen oorlog er een is regen het teiiorisme en niet tegen de Islam vragen tal van deskundigen zich af of de geest wel in de fles kan worden gehouden. Nu al lopen de emoties ondet Moslimjongeren wereldwijd hoog op en worden de portretten van Bin Laden tondgedtagen zoals vroeger ooit die van Che Guevara. Omgekeerd ziet men binnen de Westerse wereld links en rechts verschijnselen van islamofobie de kop opsteken. Komt de Dialoog tussen Beschavingen niet als mosterd na de maaltijd?


En over de maaltijd gesproken, is het Westen in de afgelopen decennia niet schromelijk tekort geschoten in de strijd tegen armoede in de wereld die jaarlijks alleen nog maar toeneemt? Bijna de helft van de mensheid leeft beneden de armoedegrens van $ 2 per dag. Heeft men wel oog voor de fundamentele oorzaken van de ressentimenten onder die bevolkingsgroepen tegen het rijke Westen? Armoede moge dan niet de directe aanleiding zijn tot terrorisme, het vormt zeker een toenemende voedingsbodem.

De oorlog in Afghanistan moge dan gerechtvaardigd zijn (en is dat ook zeker naar mijn mening), het gevaar van een verdere escalatie is aanwezig, zeker als 11 september zich nog, wellicht in verhevigde vorm, herhaalt. De bijeenkomst van de VN leek zich in een soort luchtledige af te spelen en veel van de retoriek stond haaks op de ernst van de situatie. Maar de winst van de Dialoog der Beschavingen is dat de wereldleiders die daar bijeen waren zich er toch van bewust moeten zijn geworden dat een echte

Herdenk de Februaristaking! 25 februari 1941 - dag van Amsterdam Wat men uit dezen bitt'ren tijd Aan uur en dag vergeten mag: Nooit deze oiivolprezen dag, Toen 't volk, dreiging en dood ten spijt, Terwille der gerechtigheid Opstond voor 't volk dat onderlag. (Vermoedelijk van Mr Sern Davids) De jaarlijkse herdenking van de Februaristaking 1941 in Amsterdam heeft plaats op maandag 25 februari 2002 met een défilé langs het beeld van de Dokwerker op het Jonas Daniël Meijerplein. De aanvang is om 17.00 uur. Bloemstukken kunnen vanaf 12.00 worden bezorgd in de Mozes en Aaronkerk, Waterlooplein 205. Daar kunnen ze worden opgehaald voor het défilé. In de kerk is door Willem Vogel een tentoonstelling ingericht met foto's van de razzia's die in februari 1941 de directe aanleiding waren voor de Februaristaking. Daarnaast is er een tentoonstelling van de vele affiches die jaarlijks voor de herdenking worden gemaakt. De tentoonstellingen zijn te bezichtigen vanaf 12.00 uut tot 18.00 uur in de Mozes en Aaronkerk. Nadere informatie over het Comité Februaristaking 1941 is te vinden op internet: www.februaristaking. nl

vrede niet alleen bevochten kan worden met bommen en granaten maar dat daarvoor, zoals Nobelprijswinnaar KofiAnan terecht opmerkte, vooral ook de root causes moeten worden aangepakt. De oorlog tegen terrorisme kan uiteindelijk alleen gewonnen worden als deze hand in hand gaan met een oorlog tegen armoede. Zal president Bush hier ook het voortouw nemen?

Ed. van Thijn

Sponsors Onze activiteiten worden mede mogelijk gemaakt door de opbrengsten uit de BankGiro Loterij. Uw deelname aan deze loterij wordt daarom van harte aanbevolen. Met dank aan Vuurwerk Internet BV voor het sponsoren van onze website. www.auschwitz.nl

kwaliteits slagerij

Beer

Hoofddorpweg 27 Amsterdam Tel. 0 2 0 - 6 1 5 81 76


Boekbespreking: De verbeelding van Nacht en Nevel

'Ach...dit is niet te f i l m e n

7

In de eerste jaargang van dit blad, dat toen Mededelingenblad Nederlands Auschwitz Comit茅 heette, staat een filmbespreking geschreven door ons lid Jacques Furth onder de titel: "Ik zag de film Nacht en nevel." Het was 1957 en ons comit茅 bestond net een jaar. De film waar het over ging was in 1955 in Frankrijk uitgekomen. Nuit et brouillard luidde de titel en bij verschijnen baarde hij veel opzien. De maker was Alain Resnais, die hiermee de verschrikkingen van gevangenschap en dood tijdens de Tweede Wereldoorlog in de Duitse concentratiekampen wilde laten zien. De titel verwees daar naar. Het was de vertaling van Nacht und Nebel (Nacht en Nevel), de term waarmee de nazi's gevangenen aanduidden die zonder identiteit het Duitse gevangenisen kampwezen ingestuurd werden om daarin anoniem op te gaan en tenslotte spoorloos in het niets te verdwijnen. Op hun gevangeniskleding las men de afkorting NN en naast Nacht und Nebel denk ik dan ook meteen aan de standaardafkorting voor het Latijnse nomen nescio - ik weet de naam niet. Men was iemand zonder naam geworden, een onbekend ding. Met deze film werd tien jaar na het einde van de oorlog het publiek voor het eerst direct geconfronteerd met de 'onvoorstelbare werkelijkheid', zoals die in de kampen bestaan had. De vorm die Resnais koos was die van de documentaire. De 'werkelijkheid' die hij voor ogen had werd gevonden door nieuwe, speciaal voor deze film gemaakte opnamen van de kampplaatsen te mengen met bestaand film- en fotomateriaal. Dit laatste kwam uit tal van archieven van zowel Duitse als Geallieerde kant en besloeg de periode van v贸贸r, in en kort na de oorlog. Het historische materiaal was zwart-wit, het nieuwe in kleur. De beelden werden begeleid door een

Opname van Nuit et Brouillard commentaarstem en muziek. Het commentaar was geschreven door de Franse literator en voormalige kampgevangene Jean Cayrol, de muziek door Hans Eisler, die in die jaren de bekendste componist van de DDR was. Ewout van der Knaap, die, zoals de flaptekst vermeldt, Duitse letterkunde doceert aan de Universiteit Utrecht, heeft nu een boek geschreven dat hij "De verbeelding van Nacht en Nevel" (hoofdletters van mij, h.s.) noemt. Hij beschrijft daarin de totstandkoming van de film en de invloed die er van uitgegaan is, zowel toen als in de jaren daarna, ja, eigenlijk tot aan de huidige dag toe. Invloed Toen deze film uitkwam was dit het eerste samenhangende getuigenis op film van de sjoa. Hij werd in die hoedanigheid ook als een bijzondere eenling ervaren. Die positie verklaart misschien ook de in dit verband wat merkwaardige titel. Met Nacht und Nebel werd door de nazi's een specifieke groep van gevangenen aangeduid, terwijl de film vooral een beeld wilde geven van de concen-

tratiekampen en vernietigingskampen in het algemeen. Het is dan ook opmerkelijk dat de sjoa als vervolging van joden, zigeuners, homoseksuelen en Jehova's Getuigen er niet apart in voorkomt en niet benoemd wordt. Destijds werd dit ontbreken kennelijk minder gevoeld - misschien was men er nog niet aan toe. Het is bekend dat in de decennia, die op het verschijnen van de film volgden, een stroom van verhalen, verbeeldingen en verslagen op gang kwam, die juist uitgesproken over dit onderwerp gingen. De invloed echter die de film Nuit et brouillard op deze producten gehad heeft en in feite nog steeds heeft, mag daarbij niet onderschat worden, zo maakt de schrijver duidelijk. In het begin leek het er overigens niet op dat de invloed erg ver reikend zou zijn. Misschien wel in artistieke zin. Het stempel dat de drie grote kunstenaars Resnais, Cayrol en Eisler op de film zetten maakte, dat er een groot filmisch kunsrwerk ontstond. Daarvan werd de waarde meteen herkend: al in 1956 ontving de film een grote filmprijs. Maar op het bekende filmfestival re Cannes in


hetzelfde jaar gebeutde er iets heel anders. Door ingrijpen van de Westduitse tegeting werd de fdm uit het festival genomen, al is verbannen misschien een betet wootd. Hier deed de politiek haar intrede. Het waren de jaren vijftig: Koude Oorlog, de angst voor beschadiging van 'het Duitslandbeeld' in de beginjaren van de twee Duitse staten, de teleurstellende processen tegen deTatet (de daders) uit de kampen, het parool van 'vooruitzien en niet temgkijken', etcetera, etceteta. Het was een atmosfeer waarin een dergelijke uitsluiting tot stand kon komen. Vootzien van een uitgebreide documentatie verhaalt de auteur de boeiende geschiedenis. Vergelijking De heisa die er door ontstond had ovetigens wel een opmetkelijk gevolg. Na protesten en actievoeten, maat ook dankzij financiële steun van de WestDuitse ovetheid - was zij tot inkeet gekomen? Nee, dat toch eigenlijk niet - kwam er nog in hetzelfde jaar een Duitse versie van de film uit. Deze vetsie was bestemd voor educatieve doeleinden en niet v o o t publieke vertoning. In het educatieve circuit werd de film een gtoot succes. Misschien even opmetkelijk is, dat voor de vertaling van het Franse commentaar ook weer een groot litetator ingeschakeld wetd: de beroemde dichter Paul Celan, van wiens werk men zou kunnen zeggen dat het 'van sjoa doortrokken' is. De tekst, die Celan bij de filmbeelden componeerde, was veel meer dan een vertaling alleen. Dit wetd ook w e e t een kunstwerk op zichzelf. Wanneet Van der Knaap hierover te spieken komt, wotdt de wate docent lettetkunde in hem wakkei. Nauwgezet veigelijkt hij eeist de betekenissen van de Franse en Duitse teksten. Dan analyseert hij hoe Celan door wijzigingen, omdraaiingen, of het nemen van volledige vrijheid in de taal de kracht van de woorden bij de beelden weet te veistetken. Daarnaast wijst hij op de zotgvuldigheid w a a t m e e Celan et steeds v o o t gezotgd heeft om de taal, voor zijn teksten nodig, ook mooi te laten zijn.

Dit deed zich niet in dezelfde mate voor bij de Nederlandse versie van de film, die ook in 1956 rot stand kwam. Aanvankelijk leek het et wel op. De waarde van de film werd ook hier snel ingezien. En ook hier ging het om een mengsel van politiek inzicht ("dit" nooit meet!) en artistiek bewustzijn (uitzonderlijke filmkunst). In de gedteven journalist Han Wielekkwzm dit samen. Het leidde tot een actie van zijn kant om deze opzienbarende film meer bekend te maken. Al jaren had hij zich beziggehouden met tal van uitingen en studies over de sjoa, juist ook met films, en hij was diep onder de i n d t u k van Nuit et brouillard. In hoevette hij direct de hand heeft gehad in de tealisering van de Nederlandse versie valt niet m e e t na te gaan. Maar zodra de film er was, trad hij op als de grote pleitbezotget. Dezelfde genoemde twee lichtingen kwamen eveneens tot uiting in de bewetker van het commentaar Dit was Victor E. van Vriesland, een bekend literator, maar daarnaast ook actief in meer politieke zin. Het laatste betrof vootal zijn kritiek op de volgens hem tekortgeschoten zuiveting na 1945 en de gevaarlijke gevolgen die dit voor de naoorlogse Nederlandse samenleving betekende. Vanuit die visie ondersteunde hij ondet m e e t ook de activiteiten van het pas opgerichte Nederlands Auschwitz Comité. Van Vtiesland vertaalde het commentaar en sprak het ook zelf uit bij de film. Dat was anders dan in het Franse origineel en de Duitse versie, waar een acteur deze rol op zich had genomen. Maar er was nog een verschil. Men zou denken dat met de keuze van iemand als de literator Van Vtiesland ook in Nederland de artistieke kant van de tekst zoals in Ftankrijk en Duitsland voorop zou staan, maat dat bleek nu in veel mindete mate het geval te zijn. Van dei Knaap zegt hierover: "De inhoud domineert de vorm". En de lezer kan ook zelf een oordeel vormen, aangezien de Nederlandse commentaartekst volledig in het boek is opgenomen.

Wat voor ons land weer wel vergelijkbaar was met de situatie eldeis, was het bepetkte kataktet van de filmvertoningen hier te lande. Een algemene bioscoopfilm is Nacht en nevel niet geworden. Met een klein aantal voorstellingen in enkele zalen, voornamelijk in het westen van het land, werd geen groot publiek bereikt. De T V als medium van algemene verspreiding voor een dergelijke film was nog lang niet doorgebroken. Betrekkelijk weinig toeschouweis dus. Maat uit de commentaien blijkt, dat wie de film zag e t diep van ondei de indtuk raakte. Voot het eerst ervoer men 'in werkelijkheid' hoe de systematiek van de nazi-ideologie om de mens te elimineten in zijn werk was gegaan. Doordat de toeschouwei rechtstteeks meegevoerd wetd naar de plekken waar het zich allemaal afgespeeld had, kreeg men bijna het gevoel er zelfbij aanwezig te zijn geweest. Was dat teiecht? Was het mogelijk om het onvootstelbare op deze wijze tot realiteit te maken? Aan het begin veimeldde ik al dat de oud-gevangene Jacques Fuith met zijn kampervaringen de film bekeek en er verslag van deed in ons Mededelingenblad. Het is misschien de gedachte achter zijn slotwoorden: "Ach .. dit is niet te filmen", die geleid heeft tot al die nieuwe pogingen in de niet aflatende stroom van films ovet de kampen nadat Nuit et brouillard nu bijna vijftig jaar geleden z'n toeschouwers heeft geschokt en ontroerd. Herbert Sarfatij Ewout van der Knaap, De verbeelding van Nacht en Nevel; Nuit et brouillard in Nederlanden Duitsland. Groningen 2001, Historische Uitgeverij, 280 blz., ISBN 90-6554-062-8, prijs f45,- of BFR 900 (€20,42).


Gedichten van Chawwa Wijnberg

Matses & monsters Bevrijding

Album

Gelukkig vier mei is weer voorbij zij die prachtig twee minuten zwegen zijn weer naar huis en mogen weer een jaar vergeten

Elke mei begint het weer kind met een vlinderjurkje het gedicht dat zich niet schrijven laat Elleke vijf jaar

ik ben niet stil geweest en zeker nog niet klaar de rijen namen moeten worden uitgesproken alle namen van vaders kant, van moeders zijde kant en zijde zo is hun dood wat minder naakt

De gedichten van Chawwa Wijnberg gaan vaak over de oorlog, vaak op een lichte manier die je des te scherper raakt. De doden kunnen niet bezworen worden, maar uitspreken is belangrijk, zegt Chawwa Wijnberg. Veel van haar gedichten gaan ook over het zwijgen, over de doden waar niemand meer over spreekt. Chawwa Wijnberg werd in 1942 geboren en heeft de eerste drie jaar van haar leven ondergedoken gezeten. Pas na drie jaar hoorde zij voor her eerst haar eigen naam. Haar vader heeft zij nooit gekend; hij werd in 1943 gefusilleerd. Haar leven heeft meer breuken gekend. Op haar zesendertigste was zij getrouwd en moeder van twee kinderen toen zij begreep dat zij lesbisch was. Op haar veertigste pas ging zij dichten. Zij was opgeleid als beeldhouwster. Ook poĂŤzie beschouwt zij als een vak dat je moet leren, dus volgde zij een cursus bij de feministische dichteres Elly de Waard. Zij is actief van aard, maar legt haar hartstocht onderkoeld vast in bijvoorbeeld een gedicht dat zo eindigt: de krant blijft dicht: geen nieuws en waarom, waartoe haast een kalm ontbijt als daad van minuscuul verzet Maar het mooiste zijn toch die gedichten waarin zij het verleden tracht te bedwingen. Hiernaast het gedicht Album, over Elleke van vijf en over Hansje, die te klein was om mee te gaan naar een trouwerij, maar die wel mee mocht op transport. Max Arian Chawwa Wijnberg, Matses en monsters. Uitg. In de Knipscheer, Haarlem, 80 blz. f29,50, ISBN90 6265 491 6

het album met een zucht gesloten ook weggehaald zei mama dan over Hansje het jongste kind van Mart en rv bleek gezwegen, hij staat niet op de foto's een baby mag niet mee naar een trouwerij pas vijftig jaar na dato spreekt uit bange potloodhalen van de wel bewaarde post dat hij gezond en groot genoeg om mee te mogen op transport Chawwa Wijnberg


Op 9 december 2001 is door de VPRO-televisie Een Zwaar Hart uitgezonden, een fdm van Hans Fels en Schuchen Tan over de roerige geschiedenis van het Koninldijk Zigeunerorkest Tata Mirando'. Wie de film heeft gezien heeft een meeslepend en soms aangrijpend document aanschouwd, waarin de muziek van het orkest de leidraad is om diep te duiken in de familiegeschiedenis van de Mirando's, hun muzikale ontwikkeling, het zoeken naar afkomst en achtergrond in Duitsland, en Oost-Europa, maar ook in datgene wat de Mirando's en hun verwanten tijdens de Tweede Wereldoorlog hebben doorstaan. Bij de wonderbaarlijke redding van Tata Mirando en zijn zoons speelt circusbaas Toni Boltini een heldenrol, in de film is ook te zien hoe het orkest op de kale vlakte van Auschwitz-Birkenau musiceert, op de plek waar eens het Zigeuner lager stond, ter nagedachtenis aan de vermoorde Sinti's en Roma van Europa. Er is, zolang de voorraad strekt, een CD van de een Zwaar hart beschikbaar die kan worden aangevraagd bij de VPRO publieksservice, telefoon 035 6712911. Deze CD bevat geluidsfragmenten de Mera Gypsy Band en twee andere groepen, echter niet van het orkest van Tata Mirando zelf. Het is jammer, maar voorlopig zal er ook geen koopvideo van de film beschikbaar zijn. Hopelijk wordt hij nog eens een keer uitgezonden voor wie hem niet mocht hebben gezien, (m.a.)


Duitse antifascistische jeugdmediaprijs voor Ida Vos

Das rote Tuch Op 30 september 2001 ontving Ida Vos in Berlijn voor haar letterkundig werk een antifascistische jeugdmedia prijs, Das rote Tuch. Deze prijs werd in 1978 ingesteld door de SPD in Berlijn. Tijdens de prijsuitreiking noemde Caroline Roeder het werk van Ida Vos een "dialoog tussen de generaties en de volkeren", waarin het kinderlijke verstoppertje spelen een nieuwe betekenis krijgt en een jeugd wordt beschreven waarin je de hele tijd op je tenen moet lopen. In haar dankwoord vertelde Ida Vos iets ovet haar eigen leven. Zij is op 13 december 1931 in Groningen geboren als dochter van Bertha Blok en Jospeh Gudema. Tot haat achtste jaat leefde zij op dezelfde maniet als alle andete Nederlandse kinderen. Toen brak de Tweede Wereldoorlog uit, waarover zij in haar boeken vanuit kinderogen heeft geschreven. Ida zelf heeft ruim twee jaar ondergedoken gezeten, eerst samen met haat oudets en haar zusje Esther, latet alleen met Esther. Zij voelde zich toen heel erg verantwoordelijk voor haar drie jaar jongere zusje. In die tijd zaten ze vaak samen opgesloten in een donkere kast. Ida heeft haat toen veel zelf verzonnen verhalen verteld, waarin zij een mooie en vtedige wereld beschreef. In 1956 trouwde zij met Henk Vos. Ze kregen drie kinderen en zijn nu de gelukkige grootouders van vijf kleinkinderen. Toen zij telefonisch te hoten kreeg dat zij een prijs kreeg van de SPD begreep zij er eerst niet veel van. Wat verbindt een politieke pattij in Duitsland aan een schrijfster van jeugdboeken in Holland? Maar toen begreep dat het ging om een antifascistische prijs voor

jeugdmedia in de breedste zin van het woord, was zij dankbaar voor die prijs, mede omdat haat werk in Duitsland zo goed wordt begrepen. Dat is, zei zij "als een pleister op de wond die nooit een gesloten litteken zal worden". Maar daarmee zijn haar twijfels nog niet geheel weg. Vanaf het moment dat zij weet dat zij die onderscheiding zal ontvangen moet zij voortdurend denken aan haar grootmoedet, Ida Eisemann. Die werd 8 juni 1868 geboren in Soolbadorf, een kleine plaats in Duitsland en zij wetd op 16 april 1943 vermoord in Sobibor. Ida vertelt hoe haat oma haar op de foto die in haat werkkamertje staat, aankijkt. "Oma's donkete ogen vragen me: 'Jij, mijn kleindochter gaat naar Duitsland? Weet je dat zeken Is dat niet gevaarlijk?' Als ik kon zou ik haar hand pakken en zeggen: 'Lieve oma, maak je geen zorgen, de mensen die jouw kleindochter hebben uitgenodigd zijn antifascisten, tegenpolen van de mensen van toen. En daarom wil ik hier, in Berlijn, jouw naam noemen, omdat jij geboren bent in het land waat nu je kleindochter aanwezig is, samen met je achtetkleindochtet. Levend en in haar schrijven vechtend tegen ontecht en onderdrukking. Zolang er kinderen zijn die me nog steeds verwijten dat wij Jezus hebben vermoord, die begrijpen waarom Hitler een hekel had aan joden, Sinti en Roma (joden zijn rijk en ze hebben altijd de beste baantjes. Zigeunets stelen en bedriegen) gaat je kleindochter door en godzijdank, overal op de wereld zijn mensen die haar begrijpen. Nu ben ik in Berlijn, de hoofdstad van het grote land waarin jij werd geboren.' 'Ik ben vermoord...'

'Ik weet het... ik weet het lieve oma, maat ook in die vervloekte oorlog waren er Duitsets die antifascisten waren. Hans en Sophie Scholl waren studenten die de verzetsgroep Die weisse Rose oprichtten. Zij werden vermoord door de nazi's. Twee maanden latet volgde jij. En dat is ook de teden dat ik in mijn boek ' Witte zwanen zwarte zwanen Karl Kroger heb genoemd. Kat 1 Kroger was een Duitse soldaat die zich in Nederland aansloot bij een verzetsgroep. De groep werd verraden en gefusilleerd. Ik weet wat je wil zeggen, oma. De nazi uit 'Dansen op de brug van Avignon'. Hij besliste over leven en dood en ik ben nog steeds bang voot hem. Ik zal hem voor eeuwig haten'." Wij wensen Ida Vos, die zoveel mooie boeken heeft geschteven en van wie wij al vele jaren ontroerende verhalen mogen publiceren in de herdenkingsnummers van dit bulletin, heel hartelijk geluk met deze prijs en zijn haar heel erg dankbaar dat zij ons ook nu weer een van haar heel bijzondere verhalen heeft afgestaan, (m.a.)


Kort v e r h a a l d o o r I d a Vos

De moeilijkste brief Amsterdam, 14 januari 1944

Lieve kleine schat. Dit wordt de moeilijkste brief die ik ooit in mijn leven heb geschreven, want over anderhalf uur moeten we afscheid nemen. D a n zullen we je moeten meegeven aan iemand die we niet kennen. Ik heb geen woorden om te beschrijven wat ik nu voel. Angst, vetslagenheid? Ik weet het niet. In mij is een groot verdriet en ik moet steeds maar denken aan het m o m e n t dat je werd geboren. "Een jongetje!" riep je vadet, maar dat wist ik al. Ik voelde een lauwwarm plasje op mijn been, een paar seconden nadat je was geboren en meisjes plassen niet in zo'n mooi boogje zoals jij deed. Wat waren we gelukkig met je en wat hebben we met je rondgesjouwd als je weer eens één van je beruchte krampjes had. We kregen je alleen maar rustig als we een slaapliedje voor je zongen: - Slaap kindje, slaap - D u r m e durme hermozo hjigo Het doet me pijn vanavond onze geliefde slaapliedjes niet voot je te kunnen zingen. Zal ik de woorden en de melodie van D u r m e durme meegeven aan de onbekende van de ondergrondse die je k o m t halen? Nee, ik doe het niet. De enigen die met zoveel liefde dit liedje voor je kunnen zingen zijn je eigen vader en moeder. Als we het grote geluk hebben weer bij elkaar te mogen zijn gaan we de hele dag slaapliedjes zingen. N u ik dit schrijf besef ik ineens dat je dan misschien al veel te groot voor zulke liedjes kan zijn. Ik schrik. Dat mag niet gebeuten, want dat zou betekenen dat de oorlog nog heel lang duurt en dat willen we niet, hè, mijn kleine Daniël. Duizend gedachten stormen door me heen. Denken de mensen waar je nu in huis komt eraan om je 's avonds je levertraan te geven? Willen ze misschien dat je ze papa en mama noemt? Mijn lieveling, mijn keel wordt bijna dichtgeknepen. Mijn handen trillen, maar ik moet vetder schrijven. Er is al een kwartier om. Straks zullen je vader en ik voor het raam staan. Je verwacht natuurlijk van ons dat we je zullen nazwaaien, maat wat zal dat moeilijk zijn. Je zal om de hoek van de Beethovenstraat verdwijnen en wij zullen alleen zijn, ieder met ons eigen verdriet om jou die we bijna twee jaar hebben mogen koesteren, troosten en verzorgen. Als we hadden geweten wat ons boven het hoofd hing zouden we niet de moed hebben gehad zo een teer prachtig kindje op de wereld te zetten. Neem ons niet kwalijk. We wilden je zo graag. O p dit ogenblik kunnen we niet weten of we elkaar ooit terug zullen zien. Alles is zo onzeker en iedere dag worden mensen uit h u n huizen gehaald door Duitse en Nederlandse politieagenten, alleen maar omdat we joden zijn en niet omdat we slechte dingen hebben gedaan. We weten niet waar je heen gaat. Het is veiliger zo. Waar wij heen gaan weet ik ook niet. We blijven in ieder geval niet hier in ons huis wachten tot ze ons komen halen. Een ding moet je weten, mijn schat en wel wat ik aan het begin schreef in deze brief, de moeilijkste die ik ooit in mijn leven heb geschreven. D e n k nooit dat we je zomaar hebben weggedaan, als een paar oude schoenen of een oude jas. We houden zo onbeschrijflijk veel van onze Daniël. Misschien is het feit dat we je straks zomaar aan iemand meegeven het bewijs van onze diepe liefde voor jou. Zo'n mooi jong leven mag niet verloren gaan. Je papa is boven je rode koffertje aan het inpakken. Ik heb hem gevraagd er een foto van ons drieën in te doen. D a n kan je later altijd zien wie Raquèl Duarte Rodrigues-da Rosa en Diego Duarte Rodrigues waren. O m je uit te leggen hoe wij, joden van Amsterdam, aan die prachtige Spaanse namen komen doe ik een rood boekje in je koffer. H e t is geschteven door je grootvader, Miguel Duarte Rodrigues.


Allerliefste lieveling, ik kan niet verder schrijven. Het doet me teveel pijn. Met Gods hulp zien we elkaar weer. En mocht deze wens niet in vervulling gaan, dan kan ik je niets anders laten weten dan dat je ouders vurig hopen dat je zal opgroeien tot een gelukkig, gezond en eerlijk mens. Geloof me, er zijn zoveel waardevolle mensen in deze wereld. O p de een of andere m a n i e r voel ik d a t jij deze m e n s e n zult ontmoeten. In gedachten bedek ik je kleine lieve lijf met mijn kussen.. Over een half uur zullen we je uit je bedje halen. Je mag je mooiste kleertjes aan. We zullen zorgvuldig je rode haartjes borstelen en je laten lachen door zacht op je buik te blazen. We zullen ons best doen je niets te laten merken van het diepe verdriet dat te groot voor ons is. Straks moet jij een onbekende reis aanvaarden, zonder degenen die van je h o u d e n . D o o r mijn hoofd zeuren voortdurend liedjes die ik vaak heb gehoord door de radio. Ze gaan allemaal over afscheid nemen. De betekenis van die liedjes is nog nooit zo tot me doorgedrongen als op dit ogenblik. Straks zal de bel drie keer klingelen. We hebben dit geheime teken afgesproken met iemand van

\

het Verzet. Ik doe niet open. Ik laat ze bellen. Ze krijgen je niet. Je bent ons kind, onze Daniël. "Juist daarom," zegt een stem in mij. "Juist daarom moet je hem afgeven. H e t is de enige manier o m hem te redden." - N o u tabé dan, ik groet je - waarom gaat dat lied niet weg? Ik wil het niet meer horen. We hebben je lief, kleine Daniël. H e t is tijd, hoogste tijd deze brief te beëindigen. Ik groet je vanuit het diepst van mijn ziel. We hadden 25 gouden maanden met je. Laten we hopen en bidden dat er nog vele mogen volgen. We omhelzen je, we bedekken je met onze kussen. Dag lief klein mens, we blijven altijd van je houden. Je ouders Diego Duarte Rodrigues en Raquèl Duarte Rodrigues-da Rosa. P.S. Ik ben net op mijn tenen je kamertje binnengeslopen. Je papa zat naast je bedje en deed niet anders dan naar je slapende gezichtje kijken. Z o lief. Toen hij mij had ontdekt stond hij zachtjes op en hij fluisterde in mijn oor dat hij zijn viool ook wil meegeven aan degene die jou komt halen. Later is dat familiestuk voor jou. N u moet ik weer naar boven, maar nu o m je wakker te maken, helaas. Er rest ons nog zo weinig tijd. Dag lieveling, wat houd ik zielsveel van je. Meer dan een miljoen kusjes van je mama. Deze briefis opgenomen in het boek "De lachende engel" van Ida Vos, uitgegeven door Leopold, Amsterdam, 2000.

SP

1° -SS

Cl

43 X


Vervolging van homo's tijdens de Tweede Wereldoorlog "De homoseksuelen zijn in Nederland niet als zodanig vervolgd. In andere landen wel, maar in Nederland niet." Dat was het antwoord van het Verzetsmuseum in Amsterdam toen er kritiek kwam op het ontbreken van enige aandacht voor homoseksuelen in de tentoonstelling over Terugkeer en Opvang na de tweede Wereldoorlog. Er ontspon zich een discussie over het al dan niet vervolgd zijn van homoseksuelen. In dit nummer van het Auschwitz Bulletin twee artikelen over dit onderwerp: Gert Hekma schrijft over de vervolging van homoseksuelen in Nazi-Duitsland. Judith Schuyf schrijft over de situatie van de Nederlandse homoseksuelen tijdens de Tweede Wereldoorlog. Vervolgd of niet? Twee maal een duidelijk, maar genuanceerd antwoord.

Homo's in Nazi-Duitsland

Ambivalenties en clichés Er bestaan twee clichés over de relatie van homo's en nazi's. Aan de ene kant gelooft men vaak dat de mannengemeenschap van de nazi's homo's aantrok en dat er onder de nazi's veel homo's zaten, zoals Ernst Rohm. Recent verschenen zelfs twee boeken waarin Hitier als homo wordt afgeschilderd. Aan de andere kant zouden de nazi's homo's fervent hebben vervolgd omdat homo's niet voldeden aan fascistische idealen van mannelijkheid. De eerste voorstelling van de homoseksuele nazi is lang uitgemolken door links. Zolang homoseksualiteit als zonde en ziekte gold, gebruikte links vooroordelen over homo's om nazi's zwart te maken. Hoewel het vanaf het begin geen twijfel leed dat nazi's al voor 1933 homo's gewelddadig aanpakten zoals de joodse voorman van de homobeweging, Magnus Hirschfeld, keek links in zulke gevallen liever de andere kant op of gooide ze juist olie op het vuur door homoseksualiteit en nazisme te koppelen. Zo zei Maxim Gorki bij de aanvaarding van nieuwe anti-homowetten in de Sovjet-Unie in 1933: "Roei homoseksualiteit uit en het fascisme zal verdwijnen". Pijnlijk was het steekspel om Marinus van der Lubbe die de Rijksdag in brand stak: voor links een schandknaap van de nazi's, voor rechts een communistische crimineel.

Het voornaamste bezwaar van rechts tegen homo's was dat ze geen echte mannen waren: ongeschikt voor zowel leger als voortplanting. Ze droegen niet bij aan de kracht van de staat. Lang gingen homomannen door voor verwijfde slappelingen. Ze "rekruteerden" bovendien gezonde jongemannen om hun rangen te vullen die zich niet door biologische reproductie, maar door verleiding van onschuldige knapen vermenigvuldigden. Homomannen waren voor de nazi's een gevaar voor gezin en staat, terwijl lesbische vrouwen buiten schot bleven. Door sociale dwang trouwden de meeste lesbiennes en onttrokken ze zich niet aan hun plicht om Duitse kinderen voort te brengen. Verdeeldheid De homowereld reageerde op verschillende manieren op deze aantijgingen. Een klein links smaldeel keerde zich tegen de vooroordelen die jegens homo's bestonden bij rechts en bij links. Veel linkse homomannen keerden zich evenwel alleen tegen rechtse, en niet tegen linkse leuterpraat over homoseksualiteit. Uit angst de eenheid en reputatie van links in gevaar te brengen, heulden homo's met hetero's die hun vijandig waren gezind. Enkele intellectuelen uit rechtse hoek streden tegen het beeld dat homoseksuelen slappelingen waren en wezen op alle dappere militaire leiders uit de geschiedenis

die de mannenliefde aanhingen. Ook waren er homo's die verleid werden door de mannencultus van de nazi's en zich daarom bij hen aansloten. Veel Duitse h o m o m a n n e n en lesbische vrouwen hadden het in de Weimar-üjd zo moeilijk met sociaal en seksueel overleven dat ze geen tijd en trek hadden om zich met politiek te bemoeien. Homo's waren voor 1933 net zo verdeeld als de meeste andere Duitsers. In 1933 schiepen de nazi's gelijk duidelijkheid over hun politiek ten aanzien van homoseksualiteit. Ze verboden direct na hun machtsovername homobladen en sloten homobars. Op 6 mei vernielden ze het Instituut voor Seksuele Wetenschappen van Hirschfeld en een paar dagen later verbrandden ze de bibliotheek. Hirschfeld zat zelf veilig in Frankrijk maar een medestrijder als Kurt Hiller kwam al in maart 1933 achter slot en grendel. Homomannen en travestieten behoorden tot de eerste gevangenen in concentratiekampen. Na de moord op Röhm, de homoseksuele voorman van de SA, en zijn naaste trawanten in de zomer van 1934 zullen de meeste homo's begrepen hebben dat ze van de nazi's niet veel goeds hadden te verwachten. Want Hitier legitimeerde de moord met het argument dat hij homo mannen niet de kans zou geven de Duitse jeugd te bederven.


Verharding Evenals de jodenvervolging ontwikkelde de homovervolging in naziDuitsland zich geleidelijk. In 1935 werd de bestaande antihomoseksuele paragraaf 175 veischetpt en bij politie en regering kwamen speciale afdelingen die zich met het probleem der homoseksualiteit bezig hielden. Het aantal opgepakte homomannen groeide snel. In de nazi-periode waren er ongeveer 50.000 veroordelingen wegens homoseksuele handelingen. Vanwege de vele recidivisten zal het aantal verootdeelde mannen laget zijn geweest. In concentratiekampen zijn volgens de laatste schattingen ongeveer 7.000 Duitse mannen vanwege hun homoseksuele voorkeuren en gedragingen terecht gekomen, met of zonder veroordeling. Van hen is waarschijnlijk de helft daar omgebracht. Bij deze cijfers valt aan te tekenen dat homomannen en lesbische vrouwen ook onder andere noemers zoals prostitutie, landloperij of geestelijke stoornis zijn vervolgd of zonder vorm van legitimatie zijn mishandeld en v e t m o o t d zoals Rรถhm. Vetteweg de meeste homo's zijn evenwel vermoord niet om hun seksuele vootkeut, maat omdat ze tot andete slachtoffergroepen behootden, zoals zeker ook joden en verzetsmensen . In de tijd valt een geleidelijke vethatding van de homovetvolging vast te stellen. In het begin kwam het v o o t dat homo's w e e t uit de

con-

centtatiekampen kwamen, vanaf 1939 was vrijlating uitgesloten en rond 1941 w a t e n ze hun leven er niet zeker. Bij het grondwerk voor de steenfabriek en bij de bouw van een schierbaan in Sachsenhausen maakten de bewakers homo's als honden af. Het was tevens de periode dat de nazi's de doodsttaf v o o t homoseksuele handelingen bij S/4, SS (1941) en leger (1943) invoerden. Het jaar 1941 zou een treurig dieptepunt zijn in de h o m o vervolging, want daarna kwamen er zoveel gevangenen uir her buitenland dat homomannen die ondanks alles

Homo-club Eldorado is veranderd in een Nazi-centrum,

1932

Duitsers waren, soms werden ingezet bij het bestier van de kampen. Het vermoorden van gevangenen begon bovendien economisch contraproductief te worden in een land dat schteeuwde om arbeidskrachten die de ootlogsmachine aan de gang moesten houden.

dat homomannen in bezette gebieden nauwelijks wenden vetvolgd. V o o t z o v e t zij geen Duitsers waren, berokkenden die homoseksuelen door voortplanting of vetleiding vooral hun eigen "ras" schade. Ze vormden hooguit een gevaar wanneer ze Duitse soldaten vetleidden.

Experimenten De houding van nazi's ten aanzien van homomannen was ingewikkeld. Alleteerst wotstelden ze met het probleem dat de rauwe homo-erotiek van hun m a n n e n b o n d h o m o seksualiteit aantrok en bevotdetde, volgens sommige vtoege partij gangets zelfs de motor van hun beweging was. Het leidde erroe dat gesnapte of loslippige nazi-homo's extra zwaar werden bestraft want van homoseksualiteit moesten de nazi's na 1934 niks m e e t hebben. Ten tweede was het een vraag hoe homoseksualiteit verklaard moest worden. Wanneer het was aangeboren, leek uitroeiing inderdaad een mogelijkheid. Maar zoals nazi's zelf in studies uit de doeken deden, kon het ook aangeleerd worden. In dit geval bestond de mogelijkheid het w e e t af te leten. Juist in concentratiekampen voerden artsen experimenten uit om homo's te genezen. Elke getedde homo was een gezonde Duitset erbij. Deze theoretische exercities leidden ertoe

Lange tijd is kennis van de homovervolging door de nazi's systematisch weggedtukt. In West-Duitsland ging de vetvolging van homo's na de Tweede Wereldoorlog tot 1969 gewoon door op basis van de naziversie van paragraaf 175. Mannen die in de oorlog waren veroordeeld, bleven na de capitulatie in de gevangenis. Rechtets en artsen met een nazi-achtergrond behielden na de oorlog vaak hun posities en bleven actief homo's vetvolgen. Communistisch Oost-Duitsland schafte de naziwetten af maat hield vast aan de oudere versie van paragraaf 175. Hier vervolgden rechtbanken homomannen die het waagden "Wiedergutmachung" te vtagen omdat ze in een concentratiekamp hadden gezeten v o o t fraude. Geen schadevergoeding Toen rechts in het westen aan het eind van de jaren zestig de gteep op de samenleving verloor, eisten homo's niet alleen afschaffing van paragraaf


175, maar ook erkenning van nazimisdaden tegen homomannen. Het verzet van overheden en ook van groepen van voormalige nazislachtoffers tegen zulke claims is hardnekkig gebleken. Zelfs nu nog heeft geen enkele Duitser schadevergoeding gekregen omdat hij als homo is vervolgd door de nazi's. Het kostte veel moeite om herdenkingsstenen voor homoseksuele slachtoffers van nazi's in voormalige concentratiekampen aan te brengen. Toen de Amsterdamse Jongeren Aktiegroep Homoseksualiteit een krans wilde leggen bij de herdenking op de Dam van 4 mei 1970, werd dat geweigerd. Toen ze toch kwam, greep de politie hardhandig in. De voortgaande vervolging van homoseksuelen na de oorlog belemmerde ook onderzoek naar de situatie onder het nazisme. In 1969 verscheen als eerste boek Harry Wilde's "Das Schicksal der Verfemten" en in 1972 het eerste boek van een slachtoffer, Heinz Hegers "De mannen met de roze driehoek", dat later in een toneelbewerking veel succes had. De eerste serieuze studies van Rüdiger Lautmann en Richard Plant dateren van 1977 en 1986. Lautmann kwam tot een schatting van 10-15.000

homoseksuele vervolgden terwijl eerder een cijfer van 220.000 had gecirculeerd. In het afgelopen decennium is de kennis over het onderwerp sterk verbeterd, (zie bibliografie) Terwijl eerdere studies vooral over de nazi-ideologie ten aanzien van homoseksualiteit gingen, geven de recente boeken concrete informatie over individuele gevallen met levensverhalen en foto's. De studie over Sachsenhausen opent met de 300 vermoorde homo-slachtoffers uit dat kamp van wie de namen bekend zijn. Andere onderwerpen zijn de speciale homo-barakken in de kampen, verraad van homo's door buren en familie, castratie, ondervraging door de politie, de situatie in verschillende gevangenissen en kampen en ook de recente vernietiging van relevante politiearchieven in Hamburg. De eerste onderzoekers twijfelden er sterk aan of er ooit duidelijkheid zou komen over de homovervolging door de nazi's, nu levert de literatuur een betrekkelijk goed overzicht zodat een studie mogelijk is die alle gegevens op een rij zet.

mag worden. Vergeleken met de massamoord op joden en Russische krijgsgevangenen was het een kleinigheid, maar zoals Günter Grau zegt: "het is absurd om het lijden mensen aangedaan in cijfers uit te drukken".

Gert Hekma

Gert Hekma is docent homostudies aan de Universiteit van Amsterdam. Hij heeft zich vooral bezig gehouden met sociologie en geschiedenis van (homo) seksualiteit. Recent redigeerde hij met Franz Eder en Lesley Hall de twee delen van "Sexual Cultures in Europe" (Manchester University Press, 2000).

Bibliografie: Günter Grau (red), Homosexualitat in der NS-Zeit. Dokumente einer Diskrimierung und Verfolgung, Frankfurt a.M. 1993. Rainer Hojfschildt, Die Verfolgung der Homosexuellen in der NS-Zeit. Zahlen und Schicksale aus Norddeutschland, Het leidt geen twijfel dat de nazi's Berlin 1999. homo's hebben vervolgd. Het was een Rüdiger Lautmann (red), Seminar: gruwelijke episode die niet vergeten Gesellschaft und Homosexualitat, Frankfurt a.M. 1977. Joachim Muller &Andreas Sternweiler (?ds), Homosexuelle Maenner im KZ Sachsenhausen, Berlin 2000. Richard Plant, The Pink Triangle. The Nazi War Against Homosexuals, New York 1986 (ook in Nederlands vertaald). Andreas Pretzel & Gabriele Rossbach (eds), Wegen derzu erwartenden hohen Strofe... Homosexuellenverfolgung in Berlin 1933-1945, Berlin 2000. Claudia Schoppmann, Zeit der Maskierung. Lebensgeschichten lesbischer Frauen im "Dritten Reich", Berlin 1992 (ook in Nederlands vertaald). Alexander Zinn, Die soziale Konstruktion des homosexuellen Röhm neemt de parade van de SA af tekening uit het linkse blad Roter Pfeffer, nr. 3, bijlage bij de Gegenangriffvan 3 Nationalsozialisten. Zu Genese und december 1933; uit: "Das sind Volksfeinde!" Die Vervolgung van Homosexuellen Etablierung eines Stereotyps, Frankfurt 1997. an Rhein und Ruhr 1933-1945-


N e d e r l a n d s e h o m o s e k s u e l e n in d e Tweede W e r e l d o o r l o g

"Zij dienen als onkruid in den Nederlandschen tuin te worden uitgerot Tot de huidige dag is er discussie over de vraag of homoseksuelen ook in Nederland gedurende de Tweede Wereldoorlog zijn vervolgd. Veel onderzoek ten spijt, zijn er weinig goed gedocumenteerde gevallen bekend van Nederlandse mannen die louter en alleen op grond van homoseksualiteit — dus met een roze driehoek — in een Duits concentratiekamp of gevangenis hebben gezeten. Dat was immers aanvankelijk de definitie binnen de oorlogswetten. Zo bleef homoseksualiteit in eersre instantie als vervolgingsgrond buiten de WUV, en werd daar pas na lange discussie in 1986 aan toegevoegd. Bij het SOTO-ondetzoek bleef homoseksualiteit eveneens buiten beeld. Ik hoop in deze bijdrage duidelijk te maken dat de praktijk rond homoseksualiteit in de ootlog meer gelaagdheid vertoont dan men door een al te starre definitie van vervolging geneigd zou zijn te denken.. In de brief, die het kabinet 21 maart 2000 over de Tegoeden Tweede Wereldoorlog naar de Tweede Kamer stuurde, werd voor het eerst gesproken over de mogelijkheid andere groepen vervolgingsslachtoffets (homoseksuelen, Jehova'sgetuigen, politieke gevangenen en vetzetsdeelnemets) tegemoet te komen dooi te bezien "in hoeverre nadere geschiedschrijving noodzakelijk en mogelijk is". In februari 2001 stelde het kabinet 3,5 miljoen gulden ter beschikking voor geschiedschrijving van de vervolging van homoseksualiteit. Hierdoor kan het werk dat is begonnen doot Pieter Koenders in zijn dissertatie "Tussen christelijk réveil en seksuele revolutie" uitgebieid en verdiept worden. Koenders onderscheidt ten aanzien van de situatie met betrekking tot homoseksualiteit in Nazi-Duitsland

een vijftal fasen: -opheffen van de homoseksuele ontmoetingsgelegenheden en otganisaties, - veischeiping van de wetgeving, - registratie van alle homoseksuelen, - opzetten van een opsporingsapparaat - en systematische vervolging. In zijn dissertatie schrijft Koenders dat hij van deze vijf fasen de eerste vier ook in het door Duitsland bezette Nederland terugziet.

• t! i,.Si t<W ai, ataaiit.iiirf," ,Wrauaa,a hiittra , U In ih ****** ,t$ti. itaa aaita-an intima .n.et na.Sae. « , i.p at, aa-kkaaa. nt at» ^ laaie rn aia. kam!™ mj .in- tcnar, l.,»-aen . a « n . j,iaiia,i SiihHeni! -> .ka«.lr4a.l aeaUl S*j atainSaai fnj

t,ieallirkr .jiikfci aali k«Be /tj ll.tf. f.,ri) en m k m . «.aiieela > • , » » a *»niten sii M i l t«| Wwi iiift mttnalttiije alamten taaitiinratt cn «er hrvr.iilüliMI a»a aian runtnktnar aianan Mt **aa. " i-iel! ernocii airti siachta aaar a»a .het e.irraaaa te *aaaa !t. Ai.isleniatn i*,annaiareM . n a k a ,i«

Onkruid Het tetugdtingen van homoseksualiteit uit de openbaarheid werd allereerst door de homoseksuele organisaties zelf gedaan, die ondergronds gingen zodra de Duitse inval een feit was. Spoedig voerden de Duitsers de belangrijke grote bibliotheek van jhr. Mr. J.A.Schorer, de voorman van de homo-emancipatieorganisatie NWHK, af. Veel cafés sloten hun deuten, maat kennelijk niet allemaal. Het 55-blad

aker laakt «ntierrnariatiifc atiiaah KB »»« V » nttjmilll aVI at}n ^ n n j * f n . k n . .anaal « » tic ataigcstta, e aalnMerriatea. welkte wij aan (IftiHOHif .Scinnttta Ut. »(^s*otfe op atin v . taaa.i . * . w i » kaan, aiailrra-ie aifarttetttie, Wen maaien .'««aetea. M a s , i k team is ar t«a« mat atrr tiTf aiikttü m'f a W a .'aaala ik mrt fijn »i nie! ter ka kV kunnen aaaaa.' Wat .ia ik liaaa .a, ha, aaiiternalrun* Twee anri«a ix««ra ilie tellen, nnnsaattilii « f , iithtcn alt hal tlMtaiet Fraf! .iaat niet ila

iaiiansateit Kee.!* klinkt kan iraiaiinate hik iJi-aniiii ral, ileiitetifk a. .ie N« waan tir naaat nni ra altkeanat, uit k'ailSI fV iaat af raa faatylaka! Wil aak*ww niet* Jatten Kn.ls.lienai.wifi. iaaaii. <!at fietst at,! a.nniiaa ,ii|a>cl aafita. alkaa. aan kerk Btnel wiiriian wertn|ieati>nkl aiai. aan an ilaaaiMc irnnf aaar aan lai.lar •ara, i kaar rabiaat, araa rctliia np iia taeiat re.aekllknile .11 lettcnatrtiiline laiifait kan iataa aaairiaih ten .ian tinpen wtt aan harte, ifal ar vne-r ai «rtffrtijke n » Or vmeltleiatdit lltmiier aa Itwhia^iiat, speenlremnte taalmaats aan* aan sernitilttr büacakaanai snwill Saariiamaarril, ataar hun i k , t a » K tanr<i, aaairiitiaaai tl aar kaVa- »nra laia't.

De Storm van 10 december 1943


Storm bevatte in november 1943 enkele artikelen over de deels nog bestaande homoseksuele cafécultuur in Amsterdam, en concludeerde dat het tijd werd dat homoseksuelen "als onkruid in den Nederlandschen tuin dienden te worden uitgerot tot den laatsten man." Die intentie liet niets te raden over Vrijwel meteen na de Duitse inval werd de wetgeving aangescherpt. Op 31 juli 1940 werd door Rijkscommissaris Seyss Inquart een verordening 81/40

opgesteld "' zur Bekdmpfung widernatürlichen

der

Unzucht". Artikel 1

van deze Verordening 81/40 luidde:

"Een man, die met een anderen man ontucht pleegt, of van hem ontuchtige handelingen duldt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren". Er is hier sprake van een misdrijf. In art. 3 wordt de man, die een minderjarige verleidt om met hem ontucht te plegen of van hem ontuchtige handelingen te dulden gestraft met een gevangenisstraf van maximaal 10 jaar. Daarmee was de wetgeving in Nederland met betrekking tot homoseksualiteit onder mannen in principe gelijkgetrokken met die in Duitsland. De Duitse wetgeving was namelijk aanzienlijk strenger dan het in Nederland sinds

1911 vigerende artikel 248bis van het Wetboek van Strafrecht, dat seksuele contacten tussen volwassenen en minderjarigen (tussen 16 en 21) van hetzelfde geslacht verbood. Nieuw was de uitbreiding tot alle homoseksuele contacten, dus ook tussen volwassen mannen, en het feit dat ook de minderjarige in een contact strafbaar werd. Ook naar rechtsbegrippen was de verordening echt nieuw: Verordening 81/40 schiep nieuw strafrecht en wordt thans als een schending van het Volkenrecht beschouwd, omdat nieuw strafrecht onder bezettingsomstandigheden alleen mag worden gemaakt, wanneer het om misdragingen van bezettende troepen gaat. Incidentele registratie Evenals in Duitsland probeerde de bezetter ook in Nederland tot een registratie van homoseksuelen te komen. Hier ging het dus niet alleen om bestraffing van gedrag, maar om een verbod op de seksuele oriëntatie als zodanig. De Duitse bezetter wilde dat er per gemeente lijsten werden opgesteld van alle inwoners die als homoseksueel bekend stonden. Het is niet duidelijk in hoeverre dit plan daadwerkelijk ten uitvoer is gebracht. Er zijn aanwijzingen dat in enkele gemeenten - zoals Rotterdam en Maastricht - lijsten zijn aangelegd, maar de meeste stukken die hierop betrekking hebben zijn aan het einde van de oorlog vernietigd; en er zijn ook geen aanwijzingen dat op grond van deze lijsten in grote getale mensen zijn opgepakt, al kwam het incidenteel wel voor.

Schetsontwerp Homomonument Amsterdam door Karin Daan

De beschuldiging van homoseksualiteit werd — evenals in Duitsland - gebruikt als drukmiddel tegen mensen die m e n als te lastig beschouwde. Zij werden meestal als "asociaal" of wegens "werkweigering" opgepakt en konden met een zwarte of groene driehoek in het concentratiekamp komen. Veel getuigen bevestigen dat ze homoseksuelen met een groene driehoek in de kampen aantroffen.


Er zijn ook in Nederland wel homoseksuelen louter op grond van het feit dat ze homoseksueel waren in een kamp terechtgekomen. Homoseksuelen die men "te lastig" vond kwamen in een werkkamp. Zo werd in juli 1943 zeker ĂŠĂŠn homoseksuele man uit Maastricht louter op grond van zijn homoseksualiteit als "asociaal" in kamp Ommen opgesloten. Enkele op grond van Verordening 81/40 veroordeelden zaten tussen juni 1942 en april 1943 in Ommen, onder erbarmelijke omstandigheden. Nederlandse politie De bezetter liet de ten uitvoerlegging van de verordening aan de Nederlandse politie over, tenzij het om contacten met Duitse staatsburgers ging. Dat was in overeenstemming met de wijze waarop de Duitsers in het algemeen de rechtspraak over Nederlandse burgers hadden geregeld. Er werd ook in Nederland wel een begin gemaakt met het opzetten van een speciaal opsporingsapparaat. In oktober 1943 werd bij de Recherchecentrale een coĂśrdinerende inspectie II.D.3 van het Commissariaat Zedendelicten ingesteld en analoge instanties bij de plaatselijke afdelingen zedenpolitie. Tot een systematische vervolging kwam het echter niet - niet meer, of nog niet. De Duitse politiechef Rauter klaagde over een gebrekkige inspanning van Nederlandse zijde. Men kan dit zien als een paradoxaal gevolg van de gelijkschakeling tussen Nederland en Duitsland: evenals in Duitsland hing het vooral van de individuele luimen van de opsporingsambtenaren af, maar, anders dan in Duitsland, had de bestrijding van homoseksualiteit voor het Nederlandse politieapparaat niet de hoogste prioriteit en was men al evenmin genegen erg aan de Duitsers tegemoet te komen, individuele negatieve opvattingen over homoseksualiteit ten spijt. Toch schrijft Koenders dat hij in zijn onderzoek talloze voorbeelden is tegengekomen van homoseksuelen die waren opgepakt, doorgaans door de Nederlandse politic. Hij meent dat

Ontwerp Homomonument Westermarkt Amsterdam het de Nederlandse politie goed uitkwam homoseksuelen in een werkkamp te stoppen, aangezien al voor de oorlog de Haagse politiefunctionaris Van Opijnen in het blad De Politiebode had gesuggereerd dat het probleem van de homoseksuelen kon worden opgelost met "hard werken, heel hard werken". Duits belang Conform hun eigen verordeningen gingen de Duitse bezetters zelf alleen tot vervolging over wanneer een Duits belang aan de orde was. Dat was het geval wanneer er sprake was van een seksueel contact waarbij

minstens een der partners lid was van de SS, de Wehrmacht of een andere Duitse instelling. Het feit dat de enige gedocumenteerde gevallen van gearresteerde homoseksuelen uit Duitse bron steeds mannen betroffen die seksuele contacten met Duitsers hadden gehad, heeft na de oorlog tot de onjuiste opvatting geleid dat het hier om een soort landverraders ging, het equivalent van de kaalgeschoren "moffenmeiden". Koenders schrijft dat dit in homoseksuele kringen zeker niet zo werd gezien. Men benadrukte dat het vaak ging om "gewone jongens", dienstplichtigen die zeker geen nazi waren.


Uit de archiefresten van de Duitse rechtbanken zijn 3400 procedures tegen Nederlanders bekend. Hieronder waren er 29 die betrekking hadden op homoseksuele handelingen, leidend tot de veroordeling van ten minste 25 personen. De straffen werden in vrijwel al deze gevallen uitgezeten in Duitse strafinrichtingen, gevangenissen en kampen (Neuengamme, Dachau, Sachsenhausen). Daarnaast in Nederland in het concentratiekamp Vught en het 'Polizeiliches Durchgangslager'^ Amersfoort. Overigens is uit getuigenverklaringen bekend dat zeker in de laatste oorlogsjaren veel Nederlanders die werden opgepakt zonder enige vorm van proces naar een Duits kamp werden doorgestuurd. De documentatie dienaangaande zal dus zeker grote hiaten vertonen. Zeker dertien Nederlanders die zich reeds wegens gedwongen tewerkstelling of om andere redenen in Duitsland bevonden werden daar berecht en veroordeeld. In de overige gevallen was de Nederlandse politie de aangewezen instantie. Voor wat betreft de "gewone" homoseksuele contacten had men de keuze ze te vervolgen op grond van de (door de Duitsers ingevoerde) Verordening 81/40 of van het (Nederlandse) artikel 248bis. Minderjarigen Het Centraal Bureau voor de Statistiek heeft tot 1943 de cijfers bijgehouden over rechtszaken en veroordelingen. Tot 1943 werden 138 zaken op grond van Verordening 81/40 gevoerd, waarbij 90 mannen schuldig verklaard en 54 mannen tot gevangenisstraffen zijn veroordeeld; daarnaast werden er nog 20 jeugdmaatregelen en psychiatrische maatregelen uitgesproken. De indruk bestaat dat onder verordening 81/40 vooral minderjarigen zijn vervolgd. Van de vijftig veroordeelden van wie de leeftijd bekend is, waren er dertig onder de 21 jaar. Het oordeel van de rechter was afhankelijk van vele factoren, de omstandigheden van de

daad en de vraag of de minderjarige dit al vaker had gedaan. Na 1943 zijn er geen statistieken meer bijgehouden. De hoogste gevangenisstraf die werd uitgesproken bedroeg ĂŠĂŠn jaar, het gemiddelde was zes maanden. Ook deze cijfers zijn onvolledig, omdat zaken die onder meerdere strafrechtparagrafen vielen niet altijd onder Verordening 81/40 werden geregistreerd. De rechtbanken hadden bovendien tegen het einde van de oorlog een grote achterstand opgelopen, die wel meer dan een jaar bedroeg. Daardoor zijn veel zaken op grond van Verordening 81/40 nog na de oorlog geseponeerd. Daarnaast waren er mensen die op grond van andere redenen, meestal omdat ze joods waren of in het verzet zaten, in een Duits concentratiekamp zaten of die als dwangarbeider in Duitsland werkten. Het is onmogelijk enig inzicht te krijgen in de omvang van deze zaken. Er zijn in totaal slechts 16 procedures teruggevonden. Homoseksualiteit bij joden was vooral bij het begin van de jodenvervolging in 1942 een zwaarwegende reden om hen eerder op transport te stellen. Daarmee nam hun toch al geringe mogelijkheid tot overleven sterk af. Zwijgen In totaal zijn vermoedelijk enkele honderden Nederlandse homoseksuelen als gevolg van homoseksuele contacten met de Duitse of Nederlandse autoriteiten in aanraking gekomen. Het precieze aantal zullen we nooit te weten komen, aangezien de Duitsers bij hun terugtocht uit Nederland en de geallieerde opmars in Duitsland veel belastend archiefmateriaal hebben vernietigd. Bovendien durfden de betrokkenen wegens de ook na de oorlog voortdurende homodiscriminatie hun mond vaak nog steeds niet open te doen. Het was tot aan het eind van de jaren tachtig niet erg verstandig om publiekelijk te verklaren dat je homoseksueel was. De weinigen die vermoedden dat homoseksualiteit een rol had gespeeld bij hun arrestatie en gevangen-

neming, kregen van de uitkerende instanties nul op het rekest. Er werd gesteld dat hun arrestatie eigenlijk op grond van heel iets anders had plaatsgevonden: ontduiking van de arbeidsinzet bijvoorbeeld, of luisteren naar de Engelse radio. Toen de wetswijziging er eenmaal door was in 1986, waren de meeste betrokkenen reeds overleden. De kans dat zich nu nog iemand meldt, acht ik daarom gering. De discussie rond de positie van homoseksualiteit in Nederland gedurende de Tweede Wereldoorlog ging in de laatste decennia vooral over de vraag of de aanscherping van de Duitse wetgeving ten aanzien van homoseksualiteit wel of geen wezenlijk verschil vormde met de bestaande wetgeving. Daarnaast vroeg men zich af of de intentie alleen van de bezetter voldoende was om van vervolging te spreken. De volksvertegenwoordiging vond uiteindelijk in overgrote meerderheid van wel. Dat de bezetter niet toegekomen is aan een systematische vervolging, mag een geluk bij een ongeluk heten. Eens vroeg voormalig NIODdirecteur Paape aan Koenders : "Waarom willen jullie zo graag vervolgd zijn geweest?" Maar die vraag kan beter worden omgekeerd: "Waarom willen jullie niet erkennen dat we vervolgd zijn?" Judith Schuyf

Judith Schuyf werkt bij het ICODO en schrijft een biografie over Tiemon Hofman, de enige die wegens homosexualiteit voor de WUV als oorlogsslachtoffer is erkend. Literatuur: Judith Schuyf, " Na grondig onderzoek is het beeld duidelijk.... 'Homoseksualiteit als vervolgingsgrond in de WUV". Artikel in het blad Oorlogsgetroffenen en Recht, jrg. 10, nr. 2, augustus 2001. Pieter Koenders , Tussen christelijk rĂŠveil en seksuele revolutie. Bestrijding van zedeloosheid met de nadruk op de repressie van homoseksualiteit. Amsterdam, IISG, 1996.


K a n onderwijs d a a r w a t a a n d o e n ?

Antisemitisme en a n d e r e vijandbeelden Vijandbeelden: anti-amerikanisme, anti-islamisme en antisemitisme. Daarover ging eind vorig jaar een bijeenkomst, die werd georganiseerd door het Landelijk Bureau voor de bestrijding van Racisme (LBR) en het Wereldmuseum, in Rotterdam. Ido Abram hield daar een inleiding die hij voor ons bewerkte tot een artikel. In het slotdocument van de Wereldconferentie tegen racisme, die van 28 augustus tot 1 september 2001 gehouden werd in het Zuidafrikaanse Durban, wordt het antisemitisme getypeerd als "één van de oudste, meest verderfelijke en meest voorkomende vormen van racisme, die nog steeds bestaat. Op veel plaatsen in de wereld neemt het antisemitisme zelfs toe". Als voorbeelden van recent antisemitisme worden daarin genoemd: het ontwijden, dat wil zeggen bekladden en vernielen, van joodse begraafplaatsen en synagogen; het aanvallen van gebouwen en andere eigendommen van joodse gemeentes; antisemitische retoriek en het oproepen tot geweld via het internet; het ook feitelijk treiteren en terroriseren van joden; het discrimineren van joden op velerlei gebied, zoals werk, onderwijs, media, gezondheidszorg, huisvesting, verzekeringen en pensioenen; het ontkennen, trivialiseren of minimaliseren van de Holocaust. Weinig mensen zullen het met deze opsomming oneens zijn. Het betreft hier het wereldwijde antisemitisme. Sommige van deze zaken komen echter ook, zij het incidenteel, in Nederland voor. Op diezelfde conferentie en in hetzelfde document werd over de staat Israël en haar houding ten opzichte van "Palestijnen en Palestina" onder meer gezegd: "Systematisch" pleegt Israël "racistische misdaden" ten opzichte van de Palestijnen. Daaronder vallen "oorlogsmisdaden,

genocide en etnische zuivering"... Israël is een "racistische apartheidsstaat". Zij pleegt "misdaden tegen de menselijkheid". U zult weinig joden vinden, die het met deze kwalificaties eens zullen zijn. De meesten - ook zij die terecht ernstige kritiek hebben op het Israëlische regeringsbeleid - zullen deze uitspraken kwalificeren als eenzijdig en ongenuanceerd. In een situatie "tussen oorlog en vrede" brengen deze woorden de vrede niet dichterbij. Termen als genocide, etnische zuivering en misdaden tegen de menselijkheid suggereren dat de Israëli's nu zich gedragen als de nazi's toen, en dat wat nu met de Palestijnen gebeurt met de Holocaust van toen te vergelijken is. Deze conclusie werd tijdens de conferentie door sommige deelnemers wel gespuid, maar gelukkig niet in het slotdocument opgenomen. Het in één adem noemen van beide tragedies is voor velen - joden en nietjoden - echt een stap te ver en een antisemitische stellingname. De columniste Els beth Etty schreef het zo in NRC-Handelsblad: "In Durban werd onversneden jodenhaat gepreekt in een poging het jodendom in het bewustzijn van diverse onderdrukte en achtergestelde volken en groepen te associëren met al het onrecht in de wereld. (.). In Durban werd haat gepreekt in plaats van verzoening, antisemitisme in plaats van antiracisme." Nog geen twee weken na de conferentie van Durban, op 11 september, vonden de aanslagen in de Verenigde Staten plaats. Op 7 oktober begon de aanval op Afghanistan. In een - vóór de aanvallen op Afghanistan - op videoband opgenomen tekst heeft Osama bin Laden gezworen dat de Amerikanen niet in vrede zullen leven tot de Palestijnen dat ook doen. Hij zegt dat zo: "Ik zweer bij God, die de hemel hooghoudt zonder zuilen, dat noch

de Verenigde Staten noch hij die in de Verenigde Staten leeft, van veiligheid zal dromen tot wij die beleven in Palestina en tot alle ongelovige legers het land van Mohammed, vrede zij met hem, hebben verlaten." Machtsverhoudingen Elke samenleving kent meerderheidsen minderheidsgroepen, groepen met meer en groepen met minder macht. In de loop van de tijd zien we dat die machtsverhoudingen zich wijzigen: niet elke meerderheidsgroep houdt de macht en niet elke minderheidsgroep blijft machteloos. Er is hier sprake van dynamiek. Wat weten we van de minder machtige groepen, of preciezer gezegd: wat weten we van de identiteiten van de tientallen minderheidsgroepen die Nederland rijk is? Of: wat weten we van de identiteit van kinderen, werklozen, ouderen en zieken? Meestal bitter weinig, als we tenminste niet zelf tot één (of meer) van die groepen behoren. Wat verklaart die onwetendheid en ongeïnteresseerdheid? "We kunnen steeds opnieuw vaststellen dat mensen die tot groepen behoren die in termen van macht sterker zijn dan andere groepen waarmee ze te maken hebben, van zichzelf denken dat ze in menselijk opzicht beter zijn dan de anderen", schrijft de socioloog NorbertElias in zijn "theoretisch essay over gevestigden en buitenstaanders". Mensen die zichzelf beter vinden, hebben in de regel geen belangstelling voor mensen die zij minder vinden. Zodra ze een bepaalde groep als minder zien, interesseren ze zich in de regel dus ook niet voor de identiteit van die groep, voor de manier waarop die groep zichzelf ziet, ervaart, waardeert en tot uiting brengt. Ze hebben genoeg aan het beeld dat ze zelf van die groep hebben, dat is het imago. Uiteraard uit zich dat negatief. Op deze wijze krijgen minderheidsgroepen hun negatieve imago en ontkennen


of negeren meerderheidsgroepen de identiteit van minderheidsgroepen. Voedingsbodem van rassenhaat Er is hier sprake van iets, dat moeilijk grijpbaar is en geen duidelijke naam draagt. Het beperkt zich niet tot Nederland, maar is een algemeen verschijnsel. Laten we het m a a t "de voedingsbodem van tassenhaat" noemen. Het is de voedingsbodem van de ondetdtukking van een willekeurige groep door een andere groep met meer macht. Het kan tot gewelddadigheid en conflicten leiden. Bovendien zal het, zeker op de lange termijn, leiden tot de ondeimijning van het (eventuele) gezag dat de m e e tderheidsgroep bij de minderheidsgroep heeft. Zodra het zelfbewustzijn van een mindetheidsgroep groeit, zet die ondermijning al in: A. Memmi schrijft in Racisme hoezo? over ontmaskering van dit onderdrukkingsmechanisme: "De gekoloniseerde moet zich zelf, evenals als de jood of de zwarte, niet loochenen of verstoppen, om zijn respectievelijke tacisrische tegenstanders te ontwapenen. Hij moet eisen geaccepteetd te wotden zoals hij is, met zijn verschillen." Emancipatie van minderheidsgroepen en acceptatie van hun identiteiten minderheidsidentiteiten dus - door meerderheidsgroepen zijn twee kanten van één zaak.

De 'jood' in het laatste citaat is uiteraard geen Istaëlische jood m a a t een jood die in de diaspora leeft. In Istaël behoort hij immets tot de meetdetheidsgtoep en kan hij probleemloos zijn eigen identiteit tonen en votmgeven. Voor de Palestijnen in Israël geldt dat nog niet, laat staan v o o t die in de bezette gebieden. Intercultureel leren Intercultureel ondetwijs kan vijandbeelden corrigeren en tegengaan. Identiteit en imago worden dan opgevat als twee concurrerende beelden, die elk hun deel van het gelijk moeten proberen te bewijzen. Intercultureel leren is het gebruik maken van situaties waarin plaats is voor de levensverhalen van de betrokkenen, waarin dialoog meer loont dan conflict, waarin conflicten niet wotden genegeerd, maar erkend en indien mogelijk worden omgebogen in vormen van dialoog. Het erkennen van conflicten is vaak de eerste en belangrijkste stap n a a t een oplossing. Hetgeen niet wil zeggen dat alle conflicten oplosbaar zijn. In de hier beschreven opvatting van intercultureel leren zit de aanname, dat "dialoog m e e t loont dan conflict". Deze morele stellingname wordt niet door iedereen onderschreven. Mensen of instituten, die menen de waarheid

in pacht te hebben, hebben geen behoefte aan een dialoog met andersdenkenden. Ze zien dat als verspilling van tijd en energie. Bovendien kan zo'n dialoog gevaarlijk zijn: de waarheid van andersdenkenden kan hun eigen waarheid "besmetten". Religieuze fundamentalisten zijn daarom principiële tegenstanders van dialoog. Dat geldt evenzeet v o o t politieke fundamentalisten, zoals bijvootbeeld de nazi's onder Hitler of de white ^wififr-racisten in de Verenigde Staten. Naast fundamentalisten zijn er ook andere tegenstanders van dialoog. Dat zijn personen en instellingen, die denken uit alle conflicten zegevierend tevoorschijn te zullen komen. Zij kiezen daarom in het algemeen liever voor het conflict. Ze wanen zich immers onverslaanbaar. De geschiedenis leert ons echtet, dat dit een misvatting is. Geen mens of organisatie is eeuwig onoverwinnelijk. E t bestaan ook geen onoverwinnelijke staten of imperia. Als we ervan uirgaan, dat elk mens en iedere groep een wereld op zich is, zijn eigenlijk alle humane vormen van leren en communiceren per definitie intercultureel .

Ido Abram

Voor al uw drukwerk PETERS A M S T E R D A M B.V Schepenbergweg 33 - 1105 AS

Amsterdam - Z.O.

Tel: 020 - 696 34 34 / 020 - 696 37 04 Fax: 020 - 697 47 23 / E-mail: peters@dpabv.demon.nl


Ondanks alle moeilijkheden

Door straftribunalen groeit e e n internationaal rechtsgevoel De zelfmoordaanvallen op de Twin Towers in New York en het Pentagon in Washington worden bestraft met een oorlog tegen Afghanistan. De Verenigde Staten vertrouwen er niet op dat zij de daders via een ordentelijk strafproces te pakken kunnen krijgen. De wereld is nog altijd een jungle, maar intussen groeit er via het Joegoslavië Tribunaal en het Rwanda Tribunaal en straks misschien via het permanente Internationaal Strafhof toch een internationaal rechtsgevoel, betoogt Hella Rottenberg die in Den Haag de verrichtingen van het Joegoslavië Tribunaal heeft gevolgd. Een bittere grap die tijdens de oorlog in Sarajevo werd verteld, ging als volgt: "Als iemand een mens vermoordt, wordt hij gevangen gezet. Als iemand twintig mensen vermoordt, wordt hij krankzinnig verklaard. Maar als iemand tweehonderdduizend mensen vermoordt, dan wordt hij naar Genève uitgenodigd voor vredesgesprekken". Inmiddels is de oorlog in Bosnië al jaren voorbij. Oorlogen houden op een gegeven moment nu eenmaal op. Veel ongewoner is dat degene op wie in de grap werd gedoeld - de Servische leider Slobodan Milosevic - in een Scheveningse cel wacht op zijn proces. In een Scheveningse cel, ja, niet in Belgrado, en niet in Sarajevo — het bewijs van de enorme ontwikkeling die het internationale recht de afgelopen jaren heeft ondergaan. Als Milosevic in Belgrado berecht was waar het na de regimewisseling van oktober 2000 serieus naar uitzag - dan was hij vermoedelijk aangeklaagd en veroordeeld wegens het bouwen van een tuinhuis zonder officiële vergunning, niet vanwege het beginnen van oorlogen tegen Kroatië, Bosnië

en Kosovo, en al helemaal niet vanwege verantwoordelijkheid voor oorlogsmisdaden. In het denkbeeldige geval dat hij zich in Sarajevo had moeten verantwoorden, hadden de Serviërs de berechting bij voorbaat als oneerlijk kunnen afdoen, omdat het in hun ogen overwinnaarsrecht was geweest. 'Overwinnaarsrecht' was de term waarmee destijds de tribunalen van Neurenberg en Tokio vaak werden betiteld, niet alleen door Duitsers en Japanners, ook door juristen uit de geallieerde landen. Die juristen meenden dat een rechtsbasis aan de processen ontbrak, omdat de aanklachten beschuldigingen bevatten die voor het eerst strafbaar werden gesteld. Dit is strijdig met de regel 'geen straf zonder wet', zo betoogden zij.

vastgesteld dat iedereen, ongeacht zijn rang schuldig kan worden bevonden aan het organiseren of plegen van oorlogsmisdaden. Na Neurenberg was een oorlogsmisdaad niet langer meer een politiek misdrijf, maar een 'gewone' moord of mishandeling op massaschaal gepleegd. Toen de Veiligheidsraad van de VN in 1993 het Joegoslavië Tribunaal instelde, en een jaar later het Rwanda Tribunaal, waren de commentaren uitermate cynisch. Politici waren te laf om met militair ingrijpen een einde te maken aan massamoorden die de hele wereld dankzij de televisie live kon volgen, maar ze moesten iets doen om hun aanzien te redden. Daarom besloten ze een daad te stellen, die weinig geld en al helemaal geen levens zou kosten en vooral van symbolisch belang was.

Herwaardering Bij de oprichting van het Joegoslavië Tribunaal, begin jaren negentig, kwam de berechting van oorlogsmisdadigers uit de Tweede Wereldoorlog opnieuw in de belangstelling te staan. Het had een herwaardering ten gevolge. Neurenberg en Tokio werden nu gezien als mijlpalen in het internationale recht, waarbij was

Aanvankelijk leken de cynici gelijk te krijgen. Het lukte nauwelijks om een hoofdaanklager te benoemen; het tribunaal beschikte over een kantoor; rechters; onderzoekers; een cellencomplex, maar wat ontbrak waren de verdachten. Van het tribunaal ging geen enkele dreiging uit. De moord op duizenden moslim-mannen uit Srebrenica, in juli 1995, bewees dat

•ff/V**

ui*

?•

p

»

*

-*••*"

. _ . T . .

¥ -

' ' »-


de Bosnische Serviërs zich niets aantrokken van de weteld in het algemeen en de V/Vin het bijzondet. Ze voelden haarfijn aan dat de landen die blauwhelmen hadden gestuutd, niet bereid waren om de levens van hun manschappen te wagen. Het gaf de massamootdenaars een vrijbrief. Pas toen de blauwhelmen uit het gebied vertrokken waren, gingen de Amerikanen en hun Europese bondgenoten over tot militait optreden en bombardeeiden de Serviërs naar de onderhandelingstafel. Zes jaar later lopen de hoofdverantwoordelijken voot de massamoord in Srebrenica nog steeds vrij rond. Dat is tekenend voor de betrekkelijke onverschilligheid van westerse politieke en militaire leidets. M a a t intussen sluit het net zich n a u w e t om Mladic en Karadzic heen en als ze zichzelf niet vootdien van het leven beroven, zullen ze op een dag hetzelfde lot ondetgaan als Milosevic. Het interessante van het Joegoslavië Tribunaal en het Rwanda Tribunaal is, dat ze in de loop van hun bestaan een eigen dynamiek hebben ontwikkeld, waarmee ze ver boven hun symbolische status zijn uitgegroeid en een motor van het volkenrecht zijn gewonden. In de processen tegen de verdachte oorlogsmisdadigers komen nieuwe regels tot stand, die het internationale recht ingtijpend beïnvloeden. Zo is in de eetste zaak die het Joegoslavië Tribunaal behandelde - tegen de 'kleine vis' Dusan Tadic - bepaald dat het ootlogsrecht niet alleen geldt v o o t

gewapende conflicten tussen staten, maar ook v o o t een burgeroorlog. Zonder de VN-ttibunalen, had geen buitenlandse techtet her aangedurfd om de Chileense ex-dictatot Pinochet huisarrest op te leggen en was in Chili de discussie ovet straffeloosheid van politieke misdadigets niet hervat. Zonder deze tribunalen was ook de oprichting van een Internationaal Strafhof waarover al tientallen jaren gedelibereerd werd - niet denkbaar geweest. Problemen Hiermee is niet gezegd dat aan de berechting van oorlogsmisdadigers geen problemen kleven. Zoals Ido de Haan in de bundel Onrecht, het zojuist vetschenen Twaalfde Jaarboek van het NIOD, gewijd aan 'ootlog en techtvaatdigheid in de twintigste eeuw', opmetkt krijgen de rechtszaken voor internationale tribunalen onwillekeurig her karakter van een showproces. Er zijn immers slechts enkelingen die terechtstaan, tetwijl tientallen, honderden, zelfs duizenden mensen soortgelijke misdaden hebben begaan en vrij rondlopen. Maar dat hoeft geen ovetwegend bezwaar te zijn tegen het instellen van intetnationale techtbanken: ook in het nationaal strafrecht ontspringen velen de dans, doot toeval, gebtek aan mankracht bij justitie-organen o f problemen bij de bewijsvoering. Het Inrernarionaal Sttafhof zal aanvankelijk met net zoveel scepsis

worden omgeven als de VN-tribunalen voor Joegoslavië en Rwanda. Welke middelen heeft zo'n Strafhof nu helemaal om verdachten te pakken? Zullen niet de politieke machtsvethoudingen in de wereld gaan bepalen welke figuren tot massamoordenaars worden bestempeld en wie vrijuit mag gaan? Hoe kan je van legeringen verwachten mee te werken als de Verenigde Staten buiten het vetdrag blijven? Vragen die volkomen op zijn plaats zijn. Het succes van een Internationaal Sttafhof staat dan ook helemaal niet vast. En wat is succes? Dat enkele massamootdenaats - na een eerlijk proces v o o t een neutrale rechtbank - hun verdiende loon krijgen? Laten we wel wezen: strafrecht kan niet zo bijzonder veel. Het kan niet vethindeten dat er misdaden worden gepleegd, evenmin kan het garanderen dat elke misdaad bestraft wotdt. M a a t het kan wel een n o t m

in stand houden, en van losse individuen, van losse staten een gemeenschap helpen vormen, waarin een rechtsgevoel bestaat of wotdt hetsteld. En dat is belangrijk genoeg. Hella Rottenberg

Hella Rottenbetg is jree lance journaliste. V o o t De Volkskrant vetbleef zij van 1991 tot 1994 als c o i respondente in Moskou. Zij schreef o.m. Meesters, marodeurs, over de lotgevallen van de collectie- Cha rdzjiè'v. Het twaalfde jaarboek van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie, getiteld: 'Onrecht; oorlog en rechtvaardigheid in de twintigste eeuw', onder redactie van Meindert Fennema, Cees Maris, Madeion de Keizer, Mariska Heijmans-van Bruggen en Erik Somers verscheen bij Walburg Pers, Zutphen, prijs f39,56, ISBN 90.6011.735-2. Het bevat naast het artikel van Ido de haan bijdragen van C. W. Maris van Sandelingen-ambacht, H.].A.Hofland, Thomas Mertens, Takashi Yoshida, Michael Stolleis, Job de Ruiter, Meindert Fennema, Adrian B. Lapian en Heikelien Verrijn Stuart.


De k l e i n e sjoa n a d e g r o t e sjoa

Kil, bureaucratisch, vijandig en vernederend Het was niet zo erg of het was wel erg, maar het kon nu eenmaal niet anders. Die indruk zou je krijgen als je leest over wat enige recente onderzoeken naar terugkeer en opvang na de Tweede Wereldoorlog aan resultaten hebben opgeleverd. Publiciste Loucky Content is het daar niet mee eens. Zij bespreekt vier in het vorig jaar verschenen boeken. O o k n u nog, in deze nieuwe eeuw, verschijnen met enige regelmaat in kranten en boeken foto's van exconcentratiekampgevangenen die na de Tweede W e r e l d o o r l o g naar h u n vaderland terugkeren. Het kost moeite om te bedenken dat de ontwortelde mensen op die foto's geen slachtoffers van verre oorlogen zijn, maar landgenoten. Het waren toen mensen om ons heen; het kon een echtgenoot zijn, een moeder. O f je hele familie. Een jood of een Sinti. Ze zullen dan toch wel goed opgevangen zijn, denk je. Nederland is toch een beschaafd land? H o e zat het met de opvang van die landgenoten? Was dat ruimhartig? Kregen die uitgemergelde mensen het gevoel dat ze welkom waren? O f was er sprake van een kille behandeling, vol onbegrip? O f nog erger: ontstond na de oorlog een nieuw antisemitisme? O f was het van alles wat? Woedend Er zijn in 2001 enige nieuwe boeken verschenen die antwoord proberen te geven op die vragen. Begin van het vorig jaar zag het boekje De kleine sjoa van de joodse emeritus-hoogleraar Isaac Lipschits het licht. Hij schrijft recht uit zijn hart zonder wetenschappelijke p r e t e n t i e s . M a a r hij baseert zich op onweerlegbare feiten. Zijn boekje is de hartenkreet van een direct betrokkene. Veel joodse overlevenden zullen het met een schok van herkenning lezen. Lipschits over de opvang na de oorlog:

Het indringende verhaal van een oorlog die niel voorbijging

O p 1 3 m d ü 1 1 9 4 5 keert konmgm

voor honderdduizenden

Y V i l h e h r m - d i e r u g in N e d e r l a n d

q e v a n g e n o * t e w e r k q e s t e l d >n D u t t s i a n e

t e r u g k e e r en o p v a n g van die b e i d e r d

grenslijn m bet Z e e u w s - V i a a n i s e d o r p j e

en bet d o o r J a p a n hp?ettt» N e d e r l a n d s -

duizenden Nederlanders

t e d e is p r o v i s o r i s c h a a n g e g e v e n t i e t

m d i e , is h e t o o k n a hef e i n d e > a n d e o e r

M a r t m B o s s e n b r o e k b " s c h r dt h u n

meel Ais de koningin over de meet-

log n o g l a n g m e t g e d a a n H u n t e r u g k e e r

e r v a r i n g e n me? m l e v i r g s v e r fsxofywn,

streep stap!, schieten

verloopt traag, hun npvang rnoeiraam

e n o n t l e e d t h e t g e v o e r d e beie^d m e t

De

totograf en

Nederlanders

JIÏH

/ U » .

fM*i f < p i', h e f v e r n a a i v a r d e

t o e d e v o r s t i n w e e r t e m i d d e n van baar

V o o r h u n e t v a n r i g e n i>jk» <i> n d ö > » logs

w e t e n s c h a p p e l i j k e o r e c >S e

volk, tussen d e p u . n h o p e n n a ^ r m e i d e

N e d e r l a n d weinig o o g ie

H e t r e s u l t a a t is e e n / l o t g e s c h r e v e n

v U < ; u> f o p , d d t i«i h e l h e e t ó d a t r<\ v a s t -

verhalen weinig geduld Voor velen van

b o e k , waarsn te.ien en percepties o p

l e g g e n M e ! d e o o r l o g is ^ e t n u s n e l

hen gaat de o o r l o g nooit t i e f voorbij

een spanr.er.je wijze raast eikaar

• g e d a a n , d a ! >>. d e b o o d s c h a p

"De joden die de sjoa hebben overleefd zullen zich tijdens de oorlog wel eens hebben afgevraagd hoe het na de oorlog zou zijn. Als zij hoge verwachtingen hadden over h u n opvang, dan k w a m e n ze bedrogen uit. D e opvang was zo kil, bureaucratisch, vijandig en vernederend, zo teleurstellend, dat ik de periode na de oorlog de kleine sjoa noem". Hij ziet de liefdeloze opvang door de Nederlandse overheid na de oorlog als een voortzetting van de sjoa, de genocide o p het joodse volk in de Tweede Wereldoorlog. H e t onrecht dat de

voor hun

worden gezet

joden in de oorlog is aangedaan noemt hij de "grote sjo "en het nieuwe onrecht na de oorlog is de "kleine sjoa". L i p s c h i t s m a a k t in e e n v o u d i g e , makkelijk leesbare taal duidelijk waarom hij - zoveel jaren na de oorlog - n o g steeds woedend is. D o o r de lotgevallen van zijn eigen familie - net als in eerdere publicaties van zijn hand - in zijn relaas te betrekken is hij heel direct. En dan blijkt dat er na de oorlog op geen enkele manier sprake was van een positieve discriminatie van de terugkerende, o p d u i k e n d e en a n d e r s z i n s over-


levende joden. Eerder hadden ook Dienke Hondius en Michal Citroen al geschreven over de teleurstellende opvang van de uit de concentratiekampen tetuggekeetde joden. Lipschits komt met talrijke voorbeelden. Tijdens de oorlog hadden verschillende gemeenten, waaronder Amsterdam, geen gemeentelijke belastingen (erfpacht, grondbelasting, sttaatbelasting en dergelijke) geheven over van de joden geroofde huizen. Na de oorlog kregen de berooide huizenbezitters of - vaker - hun erfgenamen vrijwel meteen de achterstallige tekeningen gepresenteerd. En dat terwijl de huizen leeggeplundetd waren, en zelfs door A57?-makelaars verhuurd waren. Maar naar de door de Verwalters tijdens de ootlog geïnde huur konden de eigenaren meestal fluiten. Lipschits schrijft daarom dat het "rechtshetstel" na de oorlog een voortgezette beroving van de joden is, maar dan onder regie van de Nederlandse overheid. Ook meldt hij dat de erfgenamen vaak heel ver familie van de overledene - niet één keet, maat meet malen successiebelasting moesten betalen. De Nedetlandse regering weigerde immers akkoord te gaan met één fictieve ovetlijdensdatum voor de in de concentratiekampen overleden joden. En dat tetwijl vaak de exacte ovetlijdensdatum niet vaststond. Toch is Lipschits niet alleen verhittend: hij sluit zijn boekje af in dankbare herinnering aan zijn twee oorlogspleegvaders - oom Piet van Maris en oom Coen Balt - die hem door de oorlog hebben gesleept. Gortdroog Van AzW-medewerker GerardAalders verscheen begin 2001: Berooid. De beroofde joden en het Nederlandse restitutiebeleidsinds 1945- Minutieus en gortdroog schrijft hij honderden pagina's lang over dezelfde feiten als Lipschits. Maar het is een heel ander boek: tetwijl Lipschits door de ogen van de joodse slachtoffets kijkt, ziet Aaldets alles vooral vanuit het perspectief van kille, afstandelijke

overheidsdienaren. Hij legt uit waarom de overheid er voor had gekozen om voor de joodse burgers geen uitzonderingspositie te creëren: een voorkeursbehandeling van joden zou de kloof tussen de joden en de niet-joden alleen maar accentueren. Daar was al in de oorlog goed over nagedacht. Hij voegt er wel aan toe dat vooral dit rechtsherstelprincipe een soepele afwikkeling van de joodse boedels erg heeft bemoeilijkt. Bovendien werd er op die manier voorbijgegaan aan dc bijzondere noden van de vervolgde joden. Voor hen werd geen schadevergoeding- of smartengeldregeling in het leven geroepen. Het uitgangspunt was daarbij dat de Nederlandse regering toch nier verantwoordelijk gehouden kon worden voor de berovingen door dc Duitse bezetter? De overheid wilde na de oorlog wel meehelpen aan rechtshetstel voot de beroofde joden. Maat als gekozen moest worden tussen de wederopbouw en het rechtshetstel, dan koos de tegeting - en vooral minister van Financiën Liejtinck - bijna altijd voor de wederopbouw. Lieftinck heeft er zelfs even aan gedacht het erfrecht van de joodse bevolkingsgroep tot aan de tweede gtaad te bepetken. Maar dat is niet doorgegaan omdat de zijn collega van Justitie dat toch wat al te vet vond gaan. Wel was men het er over eens dat de staat geen profijt mocht trekken uit de Holocawt-caxasvcoïn. Maar heeft de staat zich aan dat ptincipe gehouden in bijvootbeeld de kwestie van de successietechten? Aaldets conclusie daarover is op pagina 102 kort, maar duidelijk: "Nee, dat heeft de staat niet. De overheid koos voor de benadering die voor de schatkist het meest profijtelijk was". Hij stelt dat door de vette graad van vererving en de vele tussenverervingen de staat meet heeft geïnd dan in normale omstandigheden het geval zou zijn geweest. Aalders heeft geptobeetd te betekenen wat de uiteindelijke extra opbrengst aan successierechten is

geweest. Maar dat was niet mogelijk. Vast staat wel dat het kabinet Kok in 2000 de joodse gemeenschap alleen al hiervoor een compensatie van 55 miljoen gulden heeft gegeven. Alhoewel Aaldets in zijn conclusies mild is voor dc overheid, srelr hij toch ook dat bij het rechtsherstel veel fout is gegaan. Vooral de teruggave van geroofde schilderijen is op een fiasco uitgelopen. Bij de daartoe opgerichte Stichting Nederlands kunstbezit SNK heerste "administratieve chaos en willekeur". Maar eigenlijk ging het nergens zo maat goed. Bij het effectenrechtsherstel zwichtte de regering telkenmale voor de pressie van de effectenhandelaren. Zo is het onbegrijpelijk dat de voorzitter van de Vereniging voor de Effectenhandel, C. Overhojf, zitting mocht nemen in de redactiecommissie die de nieuwe wet op het effectenherstel moest voorbereiden. Natuurlijk was er op die manier sprake van ongewenste belangenverstrengeling. Zo wetd een omgekeerde bewijslasr opgelegd: niet de naootlogse effectenbezittet moest bewijzen dat hij de in de ootlog aangekochte effecten te goedet ttouw had verworven, maar de bestolen joodse effectenbezitter moest bewijzen dat de huidige bezitter het aandeel op ongeoorloofde wijze in zijn bezit had gekregen. Zo weid een rechtsprincipe op zijn kop gezet en werd de "AlliedDeclaration"van 5 januari 1943, op grond waarvan bijna alle transacties met de Duitsers nietig konden wotden vetklaatd, omzeild. De banken, de beuis, het bedrijfsleven en ook de vetzeketaats hebben weinig nagelaten om hun invloed op de ovetheid te doen gelden. Tegenovet al die machtige lobby's stond een gedecimeetde, beiooide groep ootlogsovetlevenden die nauwelijks nog over de mankracht beschikte om de eigen techten bij de overheid aanhankelijk te maken. Door de jaten heen veiloten de slachtoffets hun geloof in een eerlijk rechtshetstel.


Illustratie: Jeroen Arian Toch is Aalders' eindoordeel over de uitvoering van het rechtsherstel uiteindelijk nog gematigd positief. Hij looft de rol van de rechters van de Afdeling Rechtspraak van de Raad voor het Rechtsherstel. Hij stelt: "Hun houding, integriteit en doortastendheid zijn voor de rechtzoekenden van doorslaggevende betekenis geweest". Zij stelden de slachtoffers die de middelen hadden om vol te houden uiteindelijk vaak in het gelijk. Voor wie het uithoudingsvermogen heeft om zich door alle détails van Aalders heen te werken is het een informatief boek. En over één ding zijn Aalders en Lipschits het in ieder geval eens: de uitvoering van het rechtsherstel is voor de joodse bevolkingsgroep - in de woorden van Aalders - een lijdensweg geweest. Ontwricht land De kritiek op de na de Tweede Wereldoorlog bereikte in de loop van de jaren negentig een nieuw hoogtepunt. Dat was aanleiding voor de eerste regering Kok om een onderzoek te laten verrichten naar de terugkeer en de opvang van alle slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog. Daartoe werd in 1998 de Stichting Onderzoek Terugkeer en Opvang (SOTO) opgericht. De eerste resultaten liggen sinds november in de boekwinkel. Martin Bossenbroek schreef op basis van materiaal dat de vijftig medewerkende historici hem aanleverden De Meelstreep. En in Mensenheugenis zijn onder redactie van hem en Hinke Piersma getuigenissen van de verschillende categorieën geïnterviewden verzameld. Er zullen de komende jaren nog drie delen volgen.

In dit SOTO-onderzoek komen niet alleen de naoorlogse lotgevallen van de joodse ontheemden aan de orde, maar ook die van verzetsstrijden, repatrianten uit Nederlands-Indië, van Sinti en Roma, van politieke gevangenen, dwangarbeiders en vluchtelingen. Die ervaringen worden ingebed in een algemeen historisch overzicht. Zo ontstaat een beeld van de hele naoorlogse vaderlandse geschiedenis. De boeken, die goed leesbaar zijn, vormen een spannend totaalbeeld van een volkomen ontwricht land. Het meest schrijnend is misschien nog wel de onderlinge rivaliteit tussen de verschillende groepen slachtoffers: "mijn kamp was erger dan het jouwe. Dus houd je mond alsjeblieft". Het verschil tussen de realiteit van 1945 en nu is dat "het uitzonderlijke van het joodse oorlogsleed heden ten dage wetenschappelijk, politiek en maatschappelijk volledig wordt erkend, en publiekelijk beklemtoond. Direct na de oorlog was de Nederlandse samenleving daar nog niet aan toe ... Het toekennen van een bijzondere slachtofferstatus aan de joden zou niet-joodse Nederlanders nadrukkelijk hebben geconfronteerd met de vraag naar hun eigen medeschuldigheid, nalatigheid of onverschilligheid. Wie zich aangesproken voelde, vluchtte al bij voorbaat in zelfrechtvaardiging, in de 'blaming the victim-redenering dat 'ze' het er zelf ook wel naar gemaakt hadden". Er bestond daardoor vaak onbegrip voor de joden die terugkwamen uit de kampen. Men vond ze bijvoorbeeld verwilderd. In de bundel

Mensenheugenis komt Conny Loeb, die in concentratiekamp Theresienstadt heeft gezeten, aan het woord. Zij vertelt dat zij in Sittard in een lagere school die door nonnen werd geleid werd opgevangen. In de school bevonden zich maar liefst zes wastafels. De repatrianten wilden zich dolgraag wassen. Toen een van de nonnen kwam kijken of alles goed ging, schrok zij zich een hoedje: mannen en vrouwen wasten zich in één ruimte. Hun verblijf in Theresienstadt had de gêne over "gemengd wassen" geheel en al doen verdwijnen. Maar dat wisten de nonnen niet. In paniek sloten ze de waterleiding af. De school, bevolkt door zo'n honderd mensen was vervolgens te klein voor alle verontwaardiging. De nonnen konden zich de wereld van de repatrianten eenvoudigweg niet voorstellen. In het door de overheid gestimuleerde SOTO-onderzoek wordt alles nog eens op een rijtje gezet en historisch ingebed. De conclusie luidt dat alle oorlogsslachtoffers het niet makkelijk hebben gehad in de fase van de wederopbouw. Dus ook de joodse slachtoffers niet. Het kon nu eenmaal niet anders, gezien de omstandigheden. Een dergelijke conclusie kan een onbedoeld neveneffect hebben. Ikzelf kreeg op zondagochtend 4 november vlak na de radio-uitzending van het VP/?0-programma OVT (Onvoltooid Verleden Tijd) een telefoontje. In dat programma had een discussie plaatsgevonden over het net verschenen SOTO-rapport. Daarin was ook aan de orde gekomen dat


heel Nederland na de oorlog een rampgebied was. Voor sommige luisteraars luidt de conclusie dan al makkelijk dat de opvang van de joden gezien de omstandigheden zo slecht nog niet was. Dat is ook wel een prettige conclusie v o o t alle omstanders die hebben toegekeken hoe de joden werden weggehaald. Het collectieve schuldgevoel wordt op die manier weer een beetje weggemasseerd. Het telefoontje dat ik die ochtend ontving werd ingeleid met een licht triomfantelijke ondettoon: "Van jou heb ik wel eens anders

gehoord. Jij zei altijd dat de joden na de oorlog slechter dan de anderen zijn opgevangen". Zo iemand weet niet wat hij aanricht met zon opmerking. Voor sommigen is de Tweede Wereldoorlog afgelopen; voor anderen nooit.

Loucky Content

Isaac Lipschits, De kleine sjoa; joden in naoorlogs Nederland. Uitg. Mets & Schilt, Amsterdam, prijs f 49,58 I E 22,50, ISBN 90 5330 310 3.

Gerard Aalders, Berooid; de beroofde joden en het Nederlandse restitutiebeleidsinds 1945- Uitg. Boom, Amsterdam, prijs ƒ 49,90 IE 22,64, ISBN 90 5353 674 9. Martin Bossenbroek, De Meelstreep; terugkeer en opvang na de Tweede Wereldoorlog. Uitg. Bert Bakker, Amsterdam, prijs ƒ 79,33 I E 36,-, ISBN 90 351 2369 7. Hinke Piersma (red.), Mensenheugenis, terugkeer en opvang na de Tweede Wereldoorlog, Getuigenissen. Uitg. Bert Bakker, Amsterdam, prijs ƒ 68,32 I E31,-, ISBN90351 2370 0.

De uitgave van dit bulletin wordt mede mogelijk gemaakt door ondersteuning van: TOFF OPTIEK, M L N N E S M A

VAN

C L E E F

J O A C H I M S T H A L ' S

HOOFDDORPPLEIN

A D M I N I S T R A T I E K A N T O O R , BOEKHANDEL,

VAN

10 - 1 4 ,

A M S T E R D A M

W I N D R O O S P L E I N

L E Y E N B E R G H L A A N ,

18,

A M S T E R D A M

A M S T E R D A M

BON Wilt u zich abonneren op dit blad of heeft u familie,

ontvangen zij vier maal per jaar het gratis blad van het

vrienden of kennissen die op de hoogte willen blijven van

Nederlands Auschwitz Comité. Voor abonnees buiten Neder-

de activiteiten van het Nederlands Auschwitz Comité?

land vragen wij een bijdrage in de portokosten: binnen

Als u onderstaande bon invult en opstuurt naar:

Europa ƒ 20,- / € 9,-, buiten Europa: ƒ 35,- / € 1 6,-. Wel

Het Nederlandse Auschwitz Comité,

ontvangen alle abonnees één maal per jaar een accept-

Knoopkruid 54,

girokaart voor een vrijwillige donatie ten behoeve van de voort-

1112 PV Diemen,

gang van het werk van het Nederlands Auschwitz Comité.

Naam:

Adres:

Postcode en woonplaats

Land:

Email: Opsturen naar: Het Nederlands Auschwitz Comité, Knoopkruid 54, 1112 PV Diemen Een abonnement kunt u ook opgeven via onze website: www.auschwitz.nl/bulletin.html.


N i e u w e o n t d e k k i n g v a n Elma V e r h e y

Joodse moeder kreeg h a a r dochters niet terug in 1945 In The Hidden Child, de nieuwsbrief van de Hidden Child Foundation in New York schrijft Elma Verhey voor het eerst een ontstellend verhaal op. Een joodse moeder die de nazivernietigingskampen had overleefd kreeg geen informatie over haar twee ondergedoken dochters van de Nederlandse autoriteiten en mocht haar kinderen niet zien. Pas na tientallen jaren hebben moeder en dochters elkaar weergevonden. Elma Verhey hoorde dit verhaal pas na verschijnen van haar boek Om het Joodse Kind, dat in oktober 1991 verscheen. Monica Nieuwkerk groeide na de oorlog op bij pleegouders en in kindertehuizen. Zij wist niet beter dan dat zij een wees was. Haar vader Hans Nieuwkerk was gestorven in een Duits concentratiekamp en haar moeder, Liselotte Marcus, zou in een vernietigingskamp in Polen zijn gestorven. Alleen Monica en haar zusje Helga hadden van de familie de oorlog overleefd. Maar de ambtenaar die het huwelijk moest sluiten controleerde alle papieren precies en zei dat dit niet helemaal waar was. Hun moeder had de oorlog overleefd. Voor Monica en Helga riep dit een oneindige hoeveelheid vragen op. Waar was hun moeder, wat was er gebeurd, had zij haar kinderen niet terug gewild? Vooral Helga had er moeilijkheden mee, maar Monica zette door en toen zij 26 jaar was ontmoette zij haar moeder voor de eerste keer op het Centraal Station in Amsterdam. Zij hadden geen moeite elkaar te herkennen, zij leken sprekend op elkaar. Maar pas na uren kwam het verhaal van Liselotte Marcus er uit. Kort na de oorlog was haar het ouderlijk gezag ontnomen. De voogdijraad oordeelde dat zij niet in staat was haar eigen kinderen op re voeden. Zij

had geen huis, geen familie, geen geld en geen echtgenoot. De autoriteiten weigerden haar zelfs te verrellen waar de kinderen zich bevonden. Maar toen Liselotte zelf op zoek ging weigerden de pleegouders haar binnen te laten. Uiteindelijk dacht Liselotte dat zij zich wel bij de situatie moest neerleggen en zij emigreerde naar de Verenigde Staten om een nieuw leven te beginnen. Helga vond het een onwaarschijnlijk verhaal, begrijpelijk, Monica bleef in contact met haar moeder. Toch begreep zij pas door Elma Verhey's boek uit 1991 dat het inderdaad formeel beleid van de Nederlandse regering was de joodse ouders bij hun pleegouders zouden blijven. Alleen was Elma Verhey in haar boek nog van mening, dat wanneer de werkelijke ouders terugkwamen alle pleegouders uiteindelijk hun joodse pleegkinderen hadden teruggegeven. Pas nu kon er een werkelijke verzoening tussen moeder en dochters plaats vinden. Deze draconische politiek was werkelijk een wet geweest waar moeder en dochters het slachtoffer van zijn geworden. Helga's woede, schrijft Elma Verhey, heeft plaatsgemaakt voor een ontroostbare droefheid. Monica zou willen dat de ontzetting uit de ouderlijke macht alsnog ongedaan wordr gemaakt. Haar moeder is nu echter 82 jaar oud en ziet op tegen de gerechtelijke procedures. Zij heeft zich bij de situatie leren neerleggen en lijdt ook onder een schuldgevoel: had zij toen toch niet meer haar best moeten doen? Monica begrijpt het nog altijd niet. Waarom heeft de Nederlandse overheid haar moeder niet een huis, geld en hulp aangeboden, in plaats van haar haar kinderen re ontnemen?

Monica Nieuwkerk (links) en haar moeder Liselotte Marcus. Dit verhaal is tot nu toe in Nederland nog niet bekend. Elma Verhey had het zeker in de tweede druk van haar boek opgenomen, maar die is er (nog) niet gekomen. In de Engelse vertaling die op stapel staat zal het een plaats vinden. Maar ik zou zeggen, dat de Nederlandse autoriteiten in het kader van de spijtbetuigingen over de naoorlogse opvang de plicht hebben onmiddellijk en uit eigen beweging deze allerschrijnendste situatie ongedaan te maken en op z'n minst hun welgemeende verontschuldigingen aan te bieden. Over een koude en kille ontvangst gesproken!

Max Arian

Elma Verhey, "Hidden Children in the Netherlands: The War AJter the War", in: The Hidden Child, Newsletter published by Hidden Child Foundation/ADL, vol. X, No. 1, Summer 200L Hidden Child Foundation, 823 United Nations Plaza, New York, NY 10017, USA, tel. 00 1 2128857900, web-site www.hiddenchild.org e-mail: hidden-child@adl. org


boekhandel

pegasus Singel

KAPSALON

367

1012 W L

Amsterdam

VAN

www.pegasusboek.nl

Specialisten in Slavistiek & O o s t - E u r o p a • • 0 • •

proza en poëzie taal- en letterkunde woordenboeken leerboeken geannoteerde/ tweetalige uitgaven • kinderboeken

• • • • • •

WEERDENBURG

"Gewoon de beste"

proza en poëzie in vertaling secundaire literatuur oosteuropa-kunde kunst reisgidsen tijdschriften

Behandeling volgens afspraak

• video & cd

tel ( 0 2 0 )

623

I I

38

fax ( 0 2 0 )

620

34

78

e-mail

Zocherstraat 5 1054 LP Amsterdam Tel. 020 - 612 7354

pegasus@pegasusboek.nl

ATHENAEUM

Waarom u e e n N V M - m a k e l a a r n o d i g heeft bij de v e r k o o p van uw huis?

ATHENAEUM BOEKHANDEL SPUI 1 4 - 1 6 AMSTERDAM Tel:

020-6226248

Fax:

020-6384901

GEDEMPTE O U D E GRACHT 7 0 HAARLEM

c o n e c l e beiekening \raagpnjs a d v i e s ovei p r e s e n t a t i e h u i s ' snelle inioimatic o \ e r potentiële kopers ^ giatis advertentie plus foto 1

Tel:

023-5318755

Fax:

023-5322603

/ o i g e n vooi bezichtigingen ' juridische mluimatie

- ondei h a n d e l i n g e n pri|s en v o o r w a a r d e n l e g e l e n v a n o \ e i d t a c t u lot e n m e t n o l a n s b e / o e k n a u w k e u n g e c o n t r o l e af r e k e n i n g e n k o o p a k t e

•mail: INTERN/: RNEi:

INFO@ATHENAEUMBOOKS NL WWW.BOEKNET.NL/ATHENAEUM

BOEKHANDEL

* c o m p l e t e alv\ i k k e l i n g

DAAROM DUS. Michaël Pappie Makelaars o/g Hogeweg 10 Tel.: 020-6655606 Alleen achter ccn goede naam staat NVM

ra

NVM


Eric Borrias speelt verhaal van Jules Schelvis

Binnen de Poorten 1 9 4 3 - 1 9 4 5 In zijn boek Binnen de Poorten heeft Jules Schelvis op een sobere en ontroerende wijze verteld hoe hij, zijn vrouw en schoonfamilie in 1943 na een razzia op transport moesten. De reis ging via Westerbork naar Sobibor. Sobibor in het verre oosten van Polen. Wie had ooit van dat plaatsje, nauwelijks meer dan een treinhalte in het niets, gehoord? Wie kon weten wat voor vernietigingsfabriek daar intussen was gebouwd? Jules Schelvis werd met nog een paar mannen vanuit Sobibor doorgestuurd om elders te werken, zijn vrouw en schoonouders werden direct na aankomst in Sobibor vergast. Jules' ervaringen tijdens twee jaar Duitse concentratie- en vernietigingskampen heeft hij beschreven in zijn boek Binnen de Poorten. Dit boek werd in 1995, in samenwerking met de schrijver, voor toneel bewerkt. Het werd een aangrijpende voorstelling die voor Eric Borrias de inspiratiebron was voor een solovoorstelling, die hij nu in het hele land speelt. De regie en theatrale bewerking waren in handen van Gerard Evers, de muziek werd gekozen en gearrangeerd door Kees Swenne. De voorstelling is tot stand gekomen op initiatief van de Stichting Sobibor in samenwerking met Stichting Culturele Projecten De Blauwe Tulp in Culemborg. Het Dagblad De Gelderlander over Eric Borrias: "Hij beschrijft op aan-

X .

grijpende manier de laatste ogenblikken in de gaskamer. Er is niemand die dat na kan vertellen. In woord en spel weet hij het toch op indringende wijze over te brengen. Een acteur die naast zichzelf gaat staan en de gruwelen weet te verbeelden." En het Brabants Dagblad: "Borrias laat vreugde voelen, liefde, hoop. Dan weer somt hij met documentaire stem de gruwelijke feiten op: deportatie, moorden. Zijn stem wisselt van Schelvis naar SS commandant, ook de emotie is in die fractie van een seconde omgezet."

Ekehaar (bij Assen) op zondag 28 april 2002, 20.30 uur, in Hek v/d Dam, tel. 0592 - 318527. In Den Haag, woensdag 1 mei 2002, 20.30 uur, in Theater Branoul, tel. 070 3640249. In Amsterdam, vrijdag 3 mei 2002, in het Plein Theater (optie). In Venlo, zaterdag4 mei 2002, 20.15 uur, in Theater De Garage, tel. 077 - 3514252. In Beusichem, dinsdag 7 mei 2002, 20.30 uur, in Theater Het Heerelogement, fax 0345 - 503955.

Binnen de Poorten 1943-1945 is onder meer te zien in Amsterdam, op zondag 21 april 2002, 15.00 uur, in de Pelgrimskerk, Van Boshuizenstraat 560. In Zwolle op zaterdag 27 april 2002, 20.30 uur, in Schouwburg Odeon, tel. 038 - 4288288. In

Nadere informatie voor meer mogelijkheden tot opvoering: Eric Borrias, Klein Brabant 145, 5262 RR Vught, tel. 073-6563085 I 06-22307103, e-mail: e.borrias@hetnet.nl website: www. verhalenverteller, myweb. nl


Eerste gaskamer van AuschwitzBirkenau Le Monde van 20 november 2001 bevatte het beticht dat de eetste gaskamer van Auschwitz-Birkenau zou zijn gevonden in de woning van een Pools boerengezin, achter een berkenbos, buiten het eigenlijke kampcomplex. De nazi's zouden de woning in maatt 1942 hebben gekonfiskeetd om e t een gaskamet in te tichten die dienst deed tot april 1943, toen de moordmachine van Birkenau goed op gang kwam. De Italiaanse historicus Marcello Pezzetti, directeut van het joods Documentatiecenttum in Milaan, heeft tien j a a t besteed aan de speuttocht hiernaar samen met de Fransman Richard Prasquier. Het is nu de bedoeling geld in te zamelen om de boetenfamilie een woning elders aan te bieden en het gebouw tot ondetdeel van de gedenkplaats Auschwitz-Birkenau te maken.

Centrum voor Informatie en Documentatie Israël

2502 A P Den Haag, Postbus 11646, tel. 070-3 64 68 62

Ontmoetingsdag partners De Stichting Partners van Oorlogsgetroffenen organiseert v o o t partners van oorlogsgetroffenen een landelijke ontmoetingsdag op zaterdag 16 maart 2002 in Hogeschool De Horst in Driebergen. Mevrouw Y. Karadag en mevrouw J. Versteeg, medewerkers van BNMOCentrum, zullen een inleiding houden met als titel "Balans tussen zongen voor jezelf en zorgen voor een ander'. Voor meer informatie en opgave kunt u zich melden bij het sectetatiaat van SPO, postbus 8, 8332 JV Steenwijk, tel. 0521 512332.

iaads historisch

museum

Maria A u s t r i a D o c u m e n t a i r e f o t o ' s 1933-1970 T/m 3 maart 2002 in het J H M

Joods Historisch Museum

Hollandsche Schouwburg

Jonas Daniël Meijerplein 2-4, Amsterdam Dagelijks open van 11-17 uur

Plantage Middenlaan 24, Amsterdam Dagelijks open van 11-16 uur

Uw maaltijd wordt 'n feestje, met de specialiteiten van Hergo. "Een heerlijk stuk vlees, verse k a n t - e n klaar m a a l t i j d e n en verrukkelijke vleeswaren, wij h e b b e n h e t v o o r u in huis. Uiteraard adviseren wij u graag o m t r e n t d e b e r e i d i n g en toepassingsmogelijkheden."

CO

Hergö

De slager met 'n koksmuts

Binnenhof 6G (t/o C&A) Amstelveen - Beethovenstraat 49 - Maasstraat 53 Buitenveldertselaan 40 - Buitenveldertselaan 166


Ajax, de joden en Nederland

Een joodse voetballer in H a r d Gras Sinds enkele jaren kent Nederland een literair voetbaltijdschrift. Een aantal keren per jaar wordt onder redactie van Henk Spaan het tijdschrift Hard Gras uitgebracht. Verhalen en verslagen over voetbal van bekende en minder bekende schrijvers worden hierin gepubliceerd. Elke uitgave heeft een bepaald thema. Vorig jaar, toen voetbalclub Ajax zijn honderdjarig bestaan vierde, bracht Hard Gras een editie uit onder de titel: Ajax, de joden, Nederland. Het is volledig geschreven door Simon Kuper, een Zuidafrikaanse in Engeland opgeleide jood. Hij schreef "een indrukwekkend, ontroerend, en schrijnend verslag van een speurtocht naar de joodse wortels van Ajax". In zijn proloog schrijft Kuper zelf: "Ajax is het bekendste Nederlands instituut, voetbal de grootste Nederlandse passie, en de holocaustAc grootste Nederlandse ramp. Dit boek gaat over het raakvlak." In veertien afzonderlijke verhalen beschrijft Kuper telkens een afzonderlijk aspect van dit raakvlak. Mede dankzij de medewerking van oud-Ajacieden als Bennie Muller en Salo Muller vormt het boek een hoofdstuk in de geschiedenis van Ajax. Een terug-

kerend thema is natuurlijk de vermeende connectie tussen joods Nederland en deze Amsterdamse voetbalclub. Hiervoor gaat Kuper terug tot de jaren '30 van de vorige eeuw en hij beschrijft de maatschappelijke functie die Ajax toen had voor de emancipatie van de Amsterdams-joodse gemeenschap. Tevens bevat het boek een verhaal over Ajax tijdens de Tweede Wereldoorlog. Als Ajax dan een club was met veel joodse leden en een grote joodse aanhang, wat gebeurde er met hen en de club dan tijdens de oorlog? Speciale aandacht trekt het verhaal over Eddy Hamel. Hamel speelde als rechtsbuiten van 1922 tot 1930 voor Ajax. In die tijd speelde hij 125 competitiewedstrijden en maakte hij acht doelpunten. Volgens de overlevering moet hij een goede voetballer geweest zijn, getuige ook het feit dat al in 1965 het A7Win een artikel meldt dat"... Eddie Hossel 'in de j aren '30 tegen Oranje aan zat...." In eerste instantie was van Hamel weinig meer bekend dan dat hij in 1902 in New York was geboren en later naar Nederland moet zijn verhuisd. Uit de ledenadministratie van Ajax blijkt in ieder geval dat hij per 1 september 1922 lid werd van de club. Voor het vervolg van het verhaal reist Simon Kuper af naar Londen. Daar ontmoet hij de 89-jarige Leon Greenman. Greenman werd in 1910 in Londen geboren maar verhuisde al snel met zijn Nederlands-joodse grootvader naar Rotterdam. Ondanks zijn Britse staatsburgerschap werd Greenman in het begin van 1943 gevangen gezet in het kamp Westerbork. Daar ontmoette hij in de Engelstalige barak Eddy Hamel en zijn familie. Nog voordat Greenman aan kon tonen de Engelse nationaliteit te bezitten, werden hij, Hamel en nog 700 andere Nederlandse joden naar kamp Birkenau bij Auschwitz vervoerd. In het Nederlands en af en toe met wat Engels

vertelde de Ajacied aan Greenman dat hij Amerikaan was en met zijn vrouw en kinderen in de trein had gezeten. Greenman zegt: "In het begin lagen we met zijn achten op de planken van de bovenkooi. Vaak wreven Eddy en ik met onze ruggen tegen elkaar." Na drie maanden Birkenau vond de dag van de "grote selectie" plaats. Hamel werd weggestuurd, Greenman werd fit genoeg bevonden om in leven te blijven. Greenman overleefde Auschwitz en ging kort na de oorlog terug naar Londen. Pas enkele jaren geleden kwam de gedachte aan Hamel weer naar boven. Een Amsterdamse kleermaker spoorde Greenman aan om het verhaal aan Ajax te vertellen. Na een korte aarzeling, want "dat vinden ze vast niet interessant", schreef hij toch een brief over Hamel. Die brief ligt nu in het Ajax-museum. Ajax bleek wel degelijk ge誰nteresseerd. Roy Jadi Hard Gras, nummer 22, maart 2000. Simon Kuper: Ajax, de joden, Nederland. Prijs f 18,90. ISBN90-204-5659-8.


K o m b i b u n d e l t k i n d e r e n v a n d e oorlog

Niet vanzelfsprekend De titel dekt mooi de lading: "Niet vanzelfsprekend" (ondertitel: "Een dialoog tussen kinderen van de oorlog") heet het boek dat werd uitgegeven vanwege het tienjarig bestaan van Kombi. Deze stichting verenigt mensen "die als kind ernstig hadden geleden in, of als gevolg van de Tweede Wereldoorlog" Het doel van Kombi was en is nog steeds "een bijdtage te leveren aan het verwerken van petsoonlijke ervaringen van kinderen van de oorlog, zonder uitsluiting van kinderen van wie de ouders in verband met de ootlog een politiek foute keuze hadden gemaakt", staat in de inleiding van het boek.

De weergegeven gesprekken zijn zeer herkenbaar voor iedereen - eerste of tweede generatie - die op welke maniet dan ook geworsteld heeft of nog wotstelt met "zijn eigen ootlog", of die van zijn ouders. Het zijn verhalen over eenzaamheid, "anders zijn", het gevoel hebben er eigenlijk niet te mogen zijn, niet goed genoeg te zijn, of "alles wat de ouders is aangedaan goed te moeten maken", over gewotstel met emoties en relaties, mislukken in werk en huwelijk, ziek worden en gelukkig ook beter worden, onder meer door het contact met lotgenoten, onder meer - en vaak met name - in Kombi.

Dat laatste is van belang: Kombi is de enige organisatie die ondetdak biedt aan alle mensen die als kind onder de oorlog hebben geleden, eerste of tweede generatie. Dus kinderen van oudets die in Jappenkampen zaten, kinderen van joodse ouders, ondergedoken kinderen, kinderen van verzetsdeelnemers, kinderen van vaders die gedwongen in Duitsland te werk werden gesteld en kinderen van ouders die een foute keuze maakten. Met name de laatsten konden en kunnen niet terecht bij de bestaande instellingen die "kinderen van de oorlog" bijstaan, ondanks jarenlange inspanningen daartoe van met name de - inmiddels helaas overleden oud-verzetsstrijdsters Hetty Voute cn Tineke Wibaut, die daarvoor dan ook uitge-breid in het boek wotden gehuldigd.

Niet voelen Zo vertelt Anna (alle geĂŻnterviewden wotden alleen met hun voornaam aangeduid), geboren in 1953 als dochtet van twee vetzetsmensen, vadet joods, dat ze tond haar tiende jaar wel voelde dat het gezin waatin ze leefde "misschien niet helemaal notmaal was". Uiteraard was ze geen onbezorgd kind: "Ik mocht wel vrolijk zijn, dus dat ben ik ook heel veel geweest, al weet ik niet waar ik dat vandaan haalde. Ziek zijn mocht ook wel - dat was ik dan ook verschrikkelijk vaak: dat was mijn methode van ongelukkig zijn â&#x20AC;&#x201D; maar ongelukkig absoluut niet. Verdriet moest opgelost worden, dus heb ik heel erg geleerd om niet te voelen, vooral geen negatieve gevoelens te hebben. Zo loste ik dat op. Dootgaan zonder voelen, als ik maar bezig was, dan hoefde ik niet te voelen." Zoals velen gaat ze door, onder meer met heel hard werken, in haar geval tachtig uur per week, en met zich verantwootdelijk voelen 'voor Jan en alleman', "niet goed voor mezelf zorgen, niet regenereren, niet bijkomen". En dan gaat het mis. Ze wordt ernstig ziek, komt terecht bij een psychiater en daarna bij Kombi: "Daar vond ik het meteen. Het klopt,

"Niet vanzelfsprekend" bevat - naast informatie over de stichting Kombi en een interessante inleiding door prof. dr. A.H.M. van Iersel, hoogleraar in Tilburg en adviseur voor ethiek bij het ministerie van defensie â&#x20AC;&#x201D; acht interviews met leden van Kombi, uiteraard met een verschillende achtergrond.

het deugt, ze doen het goed. Ik zat meteen te huilen. Het zijn geen hulpverleners, het zijn lotgenoten, we zijn lotgenoten." In tranen Of neem het verhaal van Karin (geboren in 1936), kind van NSB-ers. Als volwassen vrouw begint ze eind jaten zeventig te lezen over de oorlog. Zo leest ze "De Ondergang''van Presser. "Dat heeft mij echt de ogen geopend, wat het nationaal socialisme de joden heeft aangedaan en daardoor mede ook Nederland. Ik heb het meer keren gelezen, eerst deed het me niets, maar ik las tot ik erbij in tranen zat, het goed tot me doorgedrongen was." Ze vindt lotgenoten in de werkgroep Herkenning. "Wat het me heeft opgeleverd? Om te beginnen de schuld, wij, mijn ouders waren hierbij betrokken omdat ze lid waten, ik ben betrokken bij mijn ouders, dus ik hoor daar ook bij... schuld, schuld, schuld." "Daarna ook de verhalen van de andere NSB-kinderen bij Herkenning, die ook zwaar met dat schuldgevoel bezig waren. Eerst zijn we bezig geweest met de schuldgevoelens, pas later met wat ons persoonlijk aangedaan was." De Golfoorlog met zijn aanhoudende bombardementen is de druppel die de emmer doet overlopen. Karin raakt in paniek, is een jaar overspannen thuis, wordt afgekeurd. In die tijd ontstaat de behoefte toch zinvol bezig te zijn, een ruimet beeld te krijgen over wat de oorlog kinderen, alle kinderen heeft aangedaan. Hoe zit het bij de verzetskinderen, de joodse kinderen, de Indische kinderen, waar zit hun pijn? Zo komt zij bij Kombi. Voor haar is dat "een opvang voor het beschadigde kind in zichzelf', in relatie met andere beschadigde kinderen. Dat ervaart ze als het krijgen van toestemming te mogen voelen en mee te voelen met anderen.


Geen reden tot verdriet Tot slot een paar citaten uit het interview met Maryam, geboren in 1946 als dochter van een joodse vader, overlevende van Auschwitz, en een Hollands-Javaanse moeder die actief was in het verzet. "De oorlog heeft altijd een grote rol gespeeld in mijn leven, maar tegelijkertijd was ik ook diegene die het niet had meegemaakt. Mijn moeder zei bovendien altijd: 'Meis, je hebt geen reden tot verdriet, of je hebt geen reden tot boosheid'." "Ik ben inmiddels ook een vrouw die keuzes heeft gemaakt en op de een of andere manier daarmee heeft leren leven: ik word haast nooit boos en ik heb ook geen behoefte om dat alsnog te leren. Ik had wel de behoefte om beter om te gaan met verdriet. Hoewel niet in eerste instantie de bedoeling heb ik me door de ontmoetingen bij Kombi gerealiseerd dat

mijn ouders mij daarin ook beperkt hebben. Toen ik zelf kinderen kreeg vond ik dat kinderen recht hebben op hun boosheid en eigen sores, dat was al heel bewust een afwijking van mijn eigen opvoeding." "Ik heb me wel degelijk gerealiseerd dat ook ik een tweede generatie kind ben en om dat te erkennen niet loyaal was naar mijn ouders en dat ik er daarom zo'n moeite mee had. Dit bewustwordingsproces, het erkennen van verdriet, het weten dat ik haast nooit boos ben, het loyaliteitsconflict... dat heeft voor mij alleen binnen Kombi kunnen gebeuren. Kombi gaf me de moed om eerlijk te zijn, nodigde me uit om het te delen in de ontmoeting met anderen, met andere achtergronden." "De ontmoeting met mensen met een andere achtergrond die hetzelfde hebben meegemaakt: dat ervaar ik als een verrijking... Dat je elkaar durft

te ontmoeten in de zin van Bubers "Begegnung", en dan samen verder. Hierdoor vallen alle hokjes waarin we elkaar plaatsen weg. Hoewel we die in zekere zin aan veiligheid en bescherming ook nodig hebben, denk ik dar die muren nooit hoger zouden moeten zijn dan tot op borsthoogte en deurtjes moeten hebben." Anita Lรถwenhardt

'Niet vanzelfsprekend. Een dialoog tussen kinderen van de oorlog' is een uitgave van Pijnenburg, Postbus 7 5100 AA Dongen, tel: 0162-370 612. De prijs bedraagt f25,-. ISBN90-76115-36-2. Voor nadere informatie: Stichting Kombi, Sluisweg 10, 9215 VX de Veenhoop, landelijk informatienummer: 0317-42 42 02, e-mailadres: kombi@worldonline.nl

Karla Nooter Spreekmeester schreef ons dat zij bij een bezoek aan herinneringscentrum kamp Westerbork had gevraagd naar gegevens over het werkkamp Gijselte. In Gijselte was daarover niets te vinden. Wel sprak zij daar de heer Wever, wiens ouders af en toe vrouw en kind van de joodse Hein Lazarus uit Amsterdam in huis hebben gehad. De heer Wever heeft van hen nog een paar kinderboeken, die hij als er nog familie is terug zou kunnen geven. Wie iets over Hein Lazarus en zijn familie weet kan contact opnemen met: mevrouw K.A. Nooter Spreekmeester, Anna Blamanstraat 10, 4207 KK Gorinchem, tel. 0183 468125.


°PZ©>Ek Evelien Gans is historica, gespecialiseerd in moderne joodse geschiedenis. Voor twee historische projecten vraagt zij informatie van betrokkenen. Jaap en Ischa Meijer Sinds ruim een jaar werkt zij aan een dubbelporttet van vadet en zoon Jaap (1912-1993) en Ischa (1943-1995) Meijer. Op 20 juni 1940 trouwde Jaap Meijer met Liesje Voet, de dochter van de ANDB-voorman les Voet. In februari 1943 werd Ischa (Israël Chaim) geboren. Op 20 juni 1943 werd het gezin naar Westerbotk gedeporteerd, en vandaar op 15 februari 1944 naar Bergen Belsen. Alledrie overleefden ze Bergen Belsen. Ze kwamen terecht in de beruchte trein die eind april 1945 bij Tröbitz doot de Russen werd bevrijd. Evelien Gans is op zoek naar mensen die Jaap en/ of Liesje en/of Ischa Meijer in Westerbork, Bergen Belsen ofTröbitz hebben gekend of meegemaakt. Het staat vast dat Jaap Meijer in de zomer van 1943, net als veel andere kampbewoners, een tijdje vanuit Westerbork bij Drentse boeren in de heeft gewetkt, waarschijnlijk om aardappels te rooien. Bovendien heeft hij in diezelfde tijd 'verlof' gekregen om een paar dagen naar Amsterdam te gaan - waarom is niet duidelijk. In Bergen Belsen heeft hij relatief lang in Keuken I gewetkt. Iedere, ook 'kleine' hetinnering, is welkom. Winkelsluitingswet Evelien Gans heeft in het kader van de Stichting Onderzoek Terugkeer en Opvang onderzoek gedaan naar (de functie van) anti-joodse stereotypen in bevrijd Nederland. Daarbij is zij ook gestuit op het 'gevecht' rond de nieuwe Winkelsluitingswet van 1951. Tijdens de bezetting hadden de Duitsers door middel van verschillende verorde-

ningen de oude Winkelsluitingswet vetanderd. De eetste verandering was dat het joodse winkeliers niet meet toegestaan wetd om op zondag (in plaats van zaterdag) te verkopen. Na de bevrijding heeft het er jaren naar uitgezien dat dit verbod van kracht zou blijven. Een meerderheid binnen de zogenaamde Nederlandse Middenstandsraad was er namelijk tegen dat joodse winkeliers hun winkels weer op zondag zouden mogen openen, zij eisten dat et extra beperkende maatregelen ingevoerd zouden worden zoals een controle of de betreffende joodse winkelier wel echt volgens de joodse wet leefde, en een vetbod om in de joodse zondagswinkels aan en door niet-joden te verkopen. Zo heeft bakketij Theeboom in Amsterdam een tijdlang haar winkel zowel op zaterdag als zondag gesloten moeten houden. Pas toen de joodse gemeenschap haar krachten bundelde en in 1950 een verzoekschrift bij de

Amsterdamse Gemeenteraad en in 1951 bij de Tweede Kamer indiende, nam het conflict een nieuwe wending. In de Winkelsluitingswet van 1951 werd het joodse winkeliers, net als voot de oorlog, opnieuw toegestaan om als compensatie voor de zatetdag hun winkel op zondag te openen. Evelien Gans is op zoek naar mensen die, als winkeliers, grossiers, marktkooplui of klanten, zich nog iets hetinneren van of betrokken waren bij dit gevecht tond de joodse zondagsverkoop.

Informatie over beide onderwerpen graag naar: Evelien Gans, pla Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD), Herengracht380, 1016CJ'Amsterdam, tel. 020-5233800. e-mail: gans@oorlogsdoc. knaw. nl Privé: tel 020-6934264, e-mail: gans@planet.nl

i m p o r t van damesherenen k i n d e r k l e d i n g

Touwbaan 38 P.O. Box 180 2350 AD Leiderdorp Holland

tel. 071 - 589 92 45 fax 071 - 589 63 53 telex 39265 teidw nl


Project " N e e d y Victims" voltooid In het voorjaar van 1998 kreeg het Nederlands Auschwitz Comité een uitnodiging van het Centraal Joods Overleg om, samen met een aantal andere organisaties, overleg te plegen over de verdeling van een bedrag van ongeveer 1,9 miljoen gulden, dat aan Nederland ter beschikking werd gesteld door het Swiss Fund for Needy Victims of the Holocaust, een speciaal fonds waarbij een deel van de niet opgeëiste Zwitserse banktegoeden uit de Tweede Wereldoorlog beschikbaar werd gesteld voor behoeftige slachtoffers van de jodenvernietiging tijdens de Tweede Wereldoorlog. Er is ruim twee jaar overleg gepleegd over de criteria, de controle over de uit te keren bedragen, de kosten van de uitvoeringsorganisatie, het nietkorten op de uitkering door de belastingdienst, de instanties die bij-stand en/ of huursubsidie toekennen en het handhaven van de privacy. Vanuit Zwitserland was bepaald dat de maximum uitkering 1350 US dollar per slachtoffer mocht zijn. Van onze kant hebben we geëist dat er ook een ondergrens moest worden afgesproken van ƒ 1000,-.

Toen de plannen werden voorgelegd aan het fonds in Bern en de W.J.R. O. in Jeruzalem bleken twee punten nader overleg te vragen: 1. De vergoeding van de uitvoeringsorganisatie; 2. De in onze ogen belangrijke handhaving van de privacy van degenen aan wie een uitkering zou worden toegekend. Het eerste punt sleepte lang. Wij wilden de kosten van advertenties, opgave en controle van inkomensgegevens, internetsite, bureaukosten e.d. niet ten laste laten komen van het bedrag dat vanuit Zwitserland voor de slachtoffers beschikbaar was gesteld. Dit is uiteindelijk gelukt. Het tweede punt - handhaving van de privacy - lag bij het Zwitserse fonds moeilijker. Wij wilden geen registratie van joodse Nederlanders in Bern. Van Zwitserse kant werd toch een financiële verslaggeving op prijs gesteld, met de persoonsgegevens van de uitkeringsgerechtigden. Na langdurig overleg werd eind 200 overeenstemming bereikt, dat alleen de initialen van de betrokken uitkeringsgerechtigden zouden worden vermeld en niet de namen.

BLOEMSIERKUNST

Bloemist van het Auschwitz Comité

Vertolkt ook uw gevoelens van waardering en medeleven.

Zo kon eindelijk maart 2001 een start gemaakt worden met de uitvoering van het project. Het zijn van 'needy victim'betekende dat de aanvrager een lag inkomen moest hebben wilde hij of zij in aanmerking kunnen komen voor een uitkering. De toekenningscommissie stelde inkomensgrenzen vast op een maandinkomen van ƒ 2550,- voor een alleenstaande en ƒ 3100,- voor een (echt)paar. De aanvragen moesten voor 8 juni 2001 compleet zijn ingediend. Reeds in juni 2001 slaagde de toekenningscommissie er in de 1041 aanvragen te beoordelen. Voor wat betreft de inkomenscontrole geschiedde dit met hulp van de pensioen- en uitkeringsraad. Voor de eenmalige uitkering kwamen uiteindelijk 661 aanvragers in aanmerking. Volgens de wisselkoers ban 1 oktober 20001 kwam het toegekende bedrag op ƒ 2865,16 per persoon. De uitkeringen werden overgemaakt in de eerste week van oktober. Met de eindrapportage aan het Swiss Fundfor Needy Victims in november 2001 is het project nu geheel voltooid. Hans van der Voet


Foto's u i t h e t p r i v é a r c h i e f v a n J a c q u e s F u r t h

Beelden uit de geschiedenis v a n het Nederlands Auschwitz Comité

Het vroegste begin: januari 1952 aankomst van de eerste Nederlandse delegatie na de Tweede Wereldoorlog in Auschwitz, met onder meer: Bé Kooker, Jacques Furth, Lex van Weren, Tilly van Weren, Benny Cohen, , Louis van Thijn, Bets Roos en Rody Corp er.

Auschwitz-Birkenau, januari 1952: Bets Roos en Louis van Thijn vullen een urn met as uiteen van de kalkpoelen van het vernietigingskamp. De urn wordt later in het Auschwitz-monument geplaatst.

De eerste reünie, 27januari 1957: een "cabaretdansant" in het Amsterdamse Minerva Paviljoen met onder meer Henriëtte Davids en Ab van der Linden. Op de foto: Louise de Montel en het City Theater Orkest, o.l.v. Lex van Weren.


Delegatie van het Nederlands Auschwitz Comité neemt deel aan de Stille Tocht op 4 mei (jaren zestig).

Officiële opening van het Nederlands Paviljoen in Blok 21 te Auschwitz op 22 juni 1980. In het midden minister Gardeniers die de opening verrichtte. Achter het spreekgestoelte: Annetje Fels-Kupferschmidt. voorzitter van het N.A. C.

Auschwitz-herdenking op de Oosterbegraafplaats in de jaren tachtig, met onder meer minister Brinkman en burgemeester Van Thijn.

Delegatie van het Nederlands Auschwitz Comité bij de herdenking van de Februaristaking, eind jaren tachtig.


Het boek "Nooit meer Auschwitz": Het Nederlands Auschwitz Comité, 1956-1996. Dr. R. van der Leeuw schreef in ccn

a t

recensie over dit boek: "Het Comité moest tot twee keer toe constateren dat

het

monument

in

het

Wertheimpark vernield werd — om welke

reden

dan

ook

Dat /<•

symbolisch voor dc overtuiging dat het werk van het Comité voortgang moet vinden , zolang dit werk tot zegen kan strekken van allen die zich op enigerlei wijze betrokken voelen bij alles waarvoor "Anschwitz"staat. Het gedenkboek

is een belangt qk

instrument bij het toekomstig werk. '

Dit boek over lO jaar Nederlands Auschwitz

Comité kost € 13, 50 en

is te bestellen bij dc penningmeester

i

( de prijs is exclusief verzendkosten)

Boekenlijst De/c

hoeken

schriftelijk

k u n n e n telefonisch

besteld

worden

bij

of de

pen mngmeester D e prijzen zijn exclusief STAATSMUSEUM IN

de verzend-

kosten

OSWIECIM

puschtDtt5

- A u s c h w i t / - Voices

Bithenau

16,00

8,25

8,50

Comité

13,50

-Auschwitz

Biochure

2,00

-Auschwitz

informatiegids

2,00

8,00

li o m the g r o u n d

BY BREAD .ALONE

-Kl.Ausehwir/ s e e n b v t h e SS -B\ A -40

bre.td .tlonc survivor jaar

Nederlands

Auschwit/

-Ver w e g en toch

dichtbij


Auschwitz Bulletin, 2002 nr. 01 Januari