Page 1

43ste jaargang, nr. 1, januari! 999. Verschijnt 5 x per jaar

Een uitgave van het Nederlands Auschwitz ComitĂŠ; postbus 74131,1070 BC Amsterdam

Auschwitz Bulletin


Nederlands Auschwitz Comité

We wisten het

Ere-voorzitter: Annetje Fels-Kupferschmidt Ere-lid: drs. Eva Tas Voorzitter: Jacques Grishaver Secretariaat: Herbert Sarfatij Postbus 74131 1070 BC Amsterdam tel/fax 020-67 233 88 Penningmeester: Joop Waterman Wulp 30, 1111 WJ Diemen tel. 020-4166810 fax 020-4166812 E-mail: swatje@xs4all.nl Bankrekening: ABN/AMRO: 400.175.088 Postbank: 29.30.87 en 48.755.00 Het doel van de Stichting Nederlands Auschwitz Comité is: * het realiseren van de zinspteuk "Nooit meer Auschwitz"; * het ageren tegen alle vormen van fascisme, racisme en antisemitisme; * het bevorderen van het welzijn van de in de tweede wereldoorlog vervolgden en hun nabestaanden; * het verrichten van alles wat met het voorgaande verband houdt, alles in de ruimste zin AUSCHWITZ BULLETIN: Eindredactie: Clairy Polak Redactie: Max Arian Theo Gerritse Theo van Praag Teresien da Silva Red. secretaris: Sandra Waterman Redactieadres: Marketenster 25 1188 D C Amstelveen Voor de inhoud van de artikelen die ondertekend zijn is alleen de auteur verantwoordelijk.

Abonnementenadministratie: Knoopkruid 54 1112PV Diemen tel: 020-699 06 58 fax: 020-600 34 55 Druk: Drukkerij Peters Amsterdam bv

Laatst las ik een artikel uit de Los Angeles Times van 30 augustus 1944: Een Amerikaanse verslaggever, die kennelijk met het Rode Z^er optrekt naat het westen, doet verslag van zijn bezoek aan het doot de Russen bevrijde concentratiekamp Majdanek bij Lublin. De journalist beschrijft in een aantal sobete kolommen dat wat wij inmiddels weten: transporten van joden, zigeuners en Polen komen in het kamp aan. Er vinden selecties plaats. En dan, gaskamers, crematoria, dwangarbeid. Het is een opzienbarend artikel, omdat het een van de eerste keren moet zijn geweest dat zo in detail in de media over de vernietigingskampen wordt beticht door iemand die ze met eigen ogen aanschouwd heeft. 30 augustus 1944. Het duurde even totdat de volle betekenis van die datum tot mij doordrong. De geallieerden vochten zich nog een uitweg door Frankrijk. Parijs was nog niet bevtijd. Uit Westerbork en vele andere kampen vertrokken nog transporten naar Auschwitz. En Auschwitz draait nog op volle toeren. En tetwijl dat allemaal nog gebeurt, kan de bevolking van Los Angeles op een zonnige morgen kennis nemen van de industriële vernietiging van mensen. Je zou denken dat na dit artikel de hel losbarstte. Dat de spoorafslag van Hooghalen naar Westerbork wordt gebombardeerd. Je zou denken dat nu alle spoorlijnen overal in Europa waarover joden worden gedeporteerd systematisch onder vuur komen te liggen. Je zou denken dat nu de gaskamers en de crematoria van Auschwitz doelwit worden van geallieerde bommenwerpers. Dat zou je denken, maar het gebeurde niet. Lang voordat de journalist van de Los Angeles Times zijn bericht de wereld in stuurde, vlogen geallieerde verkenningsvliegtuigen over

Birkenau en maakten foto's van het kamp. I n Londen werden die foto's geanalyseerd door de geheime dienst. Een officier van die dienst noteerde met gruwelijke precisie wat hij op de foto's zag: Op het perron van Birkenau is zo juist een trein aangekomen. De selectie heeft al plaatsgevonden. De bezittingen van de mensen liggen op een grote hoop naast de trein. Op het perron wacht de groep die als dwangatbeiders het kamp binnen zullen gaan. Een eindje verderop zet de officier een pijltje bij een groepje mensen die zich links van de hoofdweg door Birkenau in beweging heeft gezet en merkt op dat het hier om een groep joden gaat die naar de gaskamers worden gevoerd. Ook gaskamers en crematoria identificeert de officier en becommentarieert dat het hier gaat om gebouwen die moeten doen geloven dat het boerderijen zijn. Deze foto hangt nu in het Yad Vashem als stille aanklacht tegen de wereld die wel wist, maar niets deed omdat "Auschwitz" en alles wat daar voor staat niet op een prioriteitenlijst|e voorkwam.

Universeel In Duitsland ontstond beroering nadat Martin Walser er voor pleitte, de herinnering aan Auschwitz te normaliseren. Iedereen van naam klimt nu in de pen om brandstof te geven aan deze controverse, die inmiddels dezelfde vorm aanneemt als de "Historiker Streit" uit de jaren tachtig. De kern van de controverse toen en nu is: zijn de Duitsers uniek geweest en hebben ze al of niet het recht verloren als een gewoon volk beschouwd te worden. I n de jaren '80 lag het accent op het unieke karakter van de nazi misdaden, nu op de vraag of men er nog dagelijks aan herinnerd moet worden. Ik heb het gevoel dat beide discussies aan het


einde van de twintigste eeuw onnuttig zijn geworden. We weten nu, na Stalin, na Cambodja en na Ruanda dat Auschwitz in vele varianten herhaald kan worden en we weten dat ook andere volken in staat zijn genoeg beulen te leveren. Ik stel v o o t de lessen van Auschwitz universeler te maken en er een ieder mee te confronteren die er voor kiest kennis ovet misdaden van vandaag de dag te negeren omdat ze niet op het prioriteitenlijstje voorkomen. Zo kunnen we bijvoorbeeld uitvoerig geïnfotmeerd worden over de Chinese "logai", de concenttatiekampen w a a t n a a t schatting tiendui-

zenden Chinezen gevangen gehouden worden. We kunnen ons voldoende informeren over de massale executies van "criminelen", zonder deugdelijke vorm van proces.

Het is allemaal opgeschreven. Chinese dissidenten ovetal ter wereld vragen onze aandacht, maat men luistett niet graag. China is een groot potentieel afzet gebied, want al zou je maat aan iedete Chinees één paperclipje verkopen, dan nog heb je er een miljard verkocht. De prioriteit ligt dus niet bij de logai, de executies en de dissidenten. We stuten handelsmissies en staatshoofden naar China. Later als in China een echte ommezwaai plaats vindt, zal iedeteen versteld staan ovet de gtuwelen van de laatste vijftig j a a t Chinese geschiedenis die dan zogenaamd naar buiten komen. M a a t de feiten w a t e n al bekend, want uit de logai zijn, net zo als uit Auschwitz, net zo als uit de kampen van Stalin, net zo als uit de gevangenissen van Mobutto, altijd w e e t

Wilt u zich gratis abonneren op dit blad of heeft u familie, vrienden of kennissen die op de hoogte willen blijven van de activiteiten van het Nederlands Auschwitz Comité? Als u onderstaande bon invult en opstuurt naar: Het Nederlandse Auschwitz Comité, Knoopkruid 5 4 , 1112 PV Diemen,

mensen ontsnapt die wereldkundig maakten wat et op afgelegen plekken op deze aaide plaatsvindt. Als de discussie over Auschwitz weer oplaait, pleit ik ervoor die niet slechts in Duitsland te voeren, maar overal daar waar regeringen kunnen besluiten dat de confrontatie met de wetkelijkheid hun even niet goed van pas komt. Wellicht is dat de volgende les van Auschwitz.

Hans Fels

ontvangen zij vijf maal per jaar het blad van het Nederlands Auschwitz Comité. Aan het abonnement zijn geen kosten verbonden. Wel ontvangen alle abonnees één maal per jaar een acceptgirokaart voor een vrijwillige donatie ten behoeve van de voortgang van het werk van het Nederlands Auschwitz Comité.

Naam:

Adres:

Postcode en woonplaats

Land:

Opsturen naar: Het Nederlands Auschwitz Comité, Knoopkruid 54, 1112 PV Diemen (a/s u dit blad niet wilt beschadigen kunt u de bon ook fotocopiëren of overschrijven)


Auschwitz herdenking 1999 Op zondag 31 januari organiseert het Nederlands Auschwitz Comité && jaarlijkse Auschwitz-hetdenking bij het Spiegelmonument 'Nooit meer Auschwitz' van Jan Wolkers in het Wertheimpark in Amsterdam. Aansluitend vindt een reünie-lunch plaats in het Eutoparestaurant van de RAI. Verzamelpunt is het Stadhuis. Vanaf 10.30 uur is de BoekmanzaalVan het Stadhuis open en bereikbaar via de hoofdingang aan de Amstelzijde. In de Boekmanzaal wondt koffie en thee geschonken. Om 11.30 uur verttekt de Stille Tocht naat het Wertheimpatk. Het Rode Kruis is aanwezig met enkele rolstoelen. De herdenking begint om 12.00 uur met een toespraak van burgemeester Schelto Patijn van Amstetdam, gevolgd dooi het Kaddisj cn Jizkor door rabbijn Sonny Herman. Vervolgens kunnen organisaties en particulieren hun kransen en bloemen bij het monument leggen. Kransen en bloemen kunnen eventueel op zateidag 30 januari, tussen 10 en 14 uut, wonden afgeleverd bij de Portieisloge van het Stadhuis, ingang Waterlooplein. U kunt het Stadhuis het beste bereiken met het openbaar vervoer: metro en sneltram 51 (halte Waterlooplein) of tramlijnen 9 en 14 (zelfde halte). Na de hetdenking staan tegenover de uitgang van het Wertheimpaik bussen klaar voor de mensen die kaarten aangevraagd heb-

ben voor de reünie in de RAI. Van Stadhuis naar de RAI kunt u ook met sneltram 51 en verder is de RAI te bereiken met tramlijn 4 en bus 15. Mocht u met de auto komen, dan kunt u pafkeien in de parkeergarage onder het Stadhuis/Muziektheatet, de paikeetgatage op de hoek van de Joden Breestraat (ondei Albett Heijn), de parkeergarage onder het in aanbouw zijnde wooncomplex Valkenburgerstraat-ingang Anne Fiankstiaat en het paikeeiteitein naast de hoofdingang van Artis. Deze parkeerplaatsen zijn niet gratis. Zij die in het bezit zijn van een invalidenparkeervergunning kunnen parkeren bij de hoofdingang van het Stadhuis/ Muziektheater, maat alleen op veitoon van de vergunning! Rondom de RAI zijn voldoende parkeerplaatsen en u kunt ook parkeren in de RAI -parkeergarage (dagkaart kost 15,00 gulden). De restaurantzaal van de RAI gaat om 13.00 uur open. De reünie begint om 13.30 uur met toespraken van Prof. I. Lipschits, die zal spreken over het thema 'De kleine Sjoa' en Jacques Grishaver, voorzitter Nederlands Auschwitz Comité. Vooidat de lunch begint, bieden wij u een optreden aan van het Duo Carmel. De lunch zeil zal wonden opgeluisterd door een optieden van het Salonorkest Primrose. Voot de reünie dient u in het bezit te zijn van toegangskaarten.

CAFE OVERTOOM O v e r t o o m 417 A'dam Tel. 020-6893 9 1 1 3

In de restaurantzaal staat weet een boekentafel. Een deel van de opbrengst van de boekenverkoop komt ten goede aan het Auschwitz Comité.

Het programma samengevat: 1 0.30 utu: Verzamelen voor de Stille Tocht in de Boekmanzaal van het Stadhuis in Amsterdam, via de hoofdingang aan de Amstelzijde. 1 1.30 uui: Begin Stille Tocht naar het Wertheimpatk. 12 00 uur: Herdenking bij het Auschwitz Monument. Rede door burgemeester Patijn van Amsterdam. Kaddisj en Jizkor door rabbijn Sonny Herman. 1 2 30 uur: Vertrek bussen naar de RAI. 13.00 uur: Europarestaurant van de RAI open. 1 ^.30 uur: Begin lunch en reünie sprekers: Professor I. Lipschits, Jacques Grishaver, voorzittei N.A.C. muziek: Duo Carmel Salonorkest Primrose 1 6 0 0 uur: Einde reünie. lol z i e n s op 31 januari! Nederlands Auschwitz Comité


Niet opgevangen of zelfs vijandig bejegend na de oorlog Op zeven december jl. werd in de RAI het symposium over "de terugkeer en opvang: een zaak van erkenning" gehouden. Het symposium werd georganiseerd door de Stichting Onderzoek Terugkeer en Opvang, die onlangs door de regering werd ingesteld. Dr. H.A. Markens, bestuurslid van SOTO, heette de stampvolle zaal welkom, waarna premier Wim Kok de bijeenkomst opende. Ruth WatermanKupferschmidt was één van de deelnemers.

praten, ook al ging het even niet over het onderwerp. Zelf was hij vaak verbijsterd over wat er verteld werd. De heer Dittrich zei direct al, dat hij zich realiseerde hoe kort de tijd was, om alle getuigenissen van de aanwezigen uitgebreid aan te horen. Iedereen die mee wenste te werken aan dit onderzoek, zou de gelegenheid krijgen voor een verder interview. Het is de bedoeling dat er een boek uitkomt in het jaar 2 0 0 1 , met zoveel mogelijk persoonlijke getuigenissen.

Persoonlijke indruk Het symposium was goed georganiseerd. Iedereen had voldoende materiaal naar huis gestuurd gekregen over het symposium. In iedere zaal bevond zich een aantal medewerkers die de mensen zouden kunnen begeleiden, als de verhalen te aangrijpend werden. Behalve joodse overlevenden van concentratiekampen waren er joodse onderduikers, niet-joodse geïnterneerden en politieke gevangenen van gevangenissen en kampen, dwangarbeiders, Sinti en Roma, geïnterneerden van Japanse en Bersiap-Vzmpen, Indische Nederlanders van buiten de kampen en militairen die waren ingezet bij de dekolonisatie-oorlog. Ikzelf bevond mij in de zaal van de onderduikers en daarvan wil ik verslag doen. De Nederlandse regering wil nu eindelijk een grondig onderzoek instellen naar de manier waarop overheid, officiële instanties en burgers omgesprongen zijn met de oorlogsgetroffenen bij en na hun terugkeer in Nederland. De voorzitter van onze groep, de onderduikers - de heer Boris Dittrich, lid tweede kamer voor D66 - stelde zijn vragen uiterst integer en liet de mensen, door hun emoties vaak meegesleept, de ruimte om door te

Mij vielen vooral degenen op, die vóór de oorlog al politiek bewust waren: bewust van de Spaanse Burgeroorlog, de Kristallnacht, de joodse vluchtelingen van over de grens, etc. Deze groep werd niet 'totaal onverwacht' overvallen door de uitbrekende oorlog. Die oorlog was immers al begonnen! Ze wisten dat het fascisme niet bij onze grens zou ophouden. Meestal hadden ze een kring vrienden om zich heen met wie ze discussieerden en politiek actief waren. Zo belandden ze dan ook bijna vanzelfsprekend met hun vrienden in het verzet of doken onder. Deze mensen beklaagden zich het minst over de houding in Nederland. Zij werden opgevangen door hun verzetsvrienden. Ze vroegen, zoals de meeste andere aanwezigen, geen hulp van de overheid. Toch kregen zij die in het verzet zaten, later, een verzetspensioen. Er was ook iemand die beweerde dat de onachtzaamheid of onverschilligheid van de overheid te maken had met politiek: Nederland wilde zo vlug mogelijk goede economische relaties met West Duitsland, er werd dus niet teveel aandacht besteed aan wat er gebeurd was met de slachtoffers. Dat kwam pas later toen er over werd ge-

publiceerd en toen de ex-gedetineerden hun organisaties oprichtten.

Emotionele sfeer Wat vooral opviel was dat er direct al vanaf de eerste spreker een zeer gespannen, emotionele sfeer hing. Het leek mij dat de meeste mensen nooit eerder in een groep bij elkaar gezeten hadden en met mensen die gelijke ervaringen hebben, hadden gepraat. Een grote hoeveelheid klachten betrof regelingen of instanties die speciaal voor joodse slachtoffers in het leven waren geroepen, zoals de WUV (de Wet Uitkeringen Vervolgden) en J.M. W. (Joods Maatschappelijk Werk). Veel verhalen van mensen die hadden moeten knokken, eindeloos werden onderzocht en formulieren hadden moeten invullen, van het kastje naar de muur waren gestuurd. Ik kon werkelijk niet begrijpen waarom zo velen tot en met vandaag nog geen uitkering hebben gekregen. Vaak om volkomen onduidelijke redenen, waar anderen het wel toegewezen kregen. Er was het geval een vrouw wier ouders gemengd gehuwd waren; de moeder kon niet meer spreken en was blind! Na de oorlog, toen ze een uitkering probeerden aan te vragen - ze leefden in bittere armoede - was het commentaar van een ambtenaar, dat de moeder toneelspeelde! De dochter, die van jongs af aan voor haar moeder had moeten zorgen, vertelde haar verhaal zeer aangedaan. Ze heeft altijd anderen getroost, maar had zelf nooit ergens steun gekregen. Haar vader heeft zich tenslotte in het IJ verdronken. Ze heeft er een boek over geschreven. Een andere vrouw, vroeger Nederlandse, kreeg niets omdat ze ten tijde van de oorlog een andere nationaliteit had (door een huwelijk), terwijl ze toch hier in het verzet zat met haar man. Haar man werd op een gege-


ven moment opgepakt. Hun hele familie is in Auschwitz vermoord. Ook de Stichting 40-45 liet het afweten. Een schrijnend verhaal werkelijk en ik denk dat hier alsnog zo vlug mogelijk iets aan gedaan moet worden. De Joodse Gemeente heeft ook nooit hulp verleend aan gezinnen die weer terugkeerden na de oorlog en die bijvoorbeeld hun huizen tetug wilden. Ze hadden zelfs geen aandacht voor de verhalen.

Antisemitisme Op de kantoren van andere officiële instanties heerste soms gewoon openlijk antisemitisme en de onwil om taad te geven. In Enschede, om een vootbeeld te geven, besloot het gemeentebestuut in 1947 de na een lange reis teruggekeerde joden, op zeer hardhandige en vernederend wijze, te ontluizen. In lange rijen stonden ze op straat te wachten op hun beurt, terwijl de omstanders zich vermaakten. 1500 mensen die in België ondergedoken hadden gezeten, waren daar door het verzet opgevangen. Ze hadden meubels, eten en onderdak, ze werden met tespect behandeld. Toen ze na de ootlog terugkeerden in Nederland en driemaal een brief hadden gestuurd naar de Nederlandse overheid, kregen ze uiteindelijk te horen dat een uitkering voor zo velen te duur was. Ze werden eindeloos ondervraagd, onderzocht en e t werd hun tenslotte ondetdak gegeven in een Portugees opvanghuis, tezamen met NSB gevangen. Men eiste zelfs belastingsgeld van hen over de afgelopen periode. In 1973 vroegen zij een WUV uitketing aan, m a a t ook

daar rammelde het aan alle kanten. Er was een man die vertelde dat hij, na 40 jaar bij hetzelfde bedrijf gewerkt te hebben, een ondetscheiding zou krijgen, maar dat deze geweigetd werd dooi Ministei Wiegel, omdat hij tijdens de ooilog in de gevangenis had gezeten! Woede uitbatstingen ook jegens Hedy DAncona omdat zij de techten van

de tweede generatie helemaal van tafel had geveegd. Er waren veel kinderen van overlevenden die nog steeds kampten met de moeilijkheden van hun ouders

Direct na de oorlog De wezen die geheel alleen op de wereld stonden werden het meest verwaarloosd. Zij weiden niet geholpen om familieleden te vinden en als e i familie tetugkeetde, werden die weer niet geholpen hun kinderen of andere overlevende verwanten te vinden. Er waren verhalen over de tteutige scheidingen van kinderen van hun onderduikouders of van mensen die hen na de onderduik verzorgden. Over het dwingen van kindeten o m naar Israël te emigreren, waar totaal geen begrip v o o t hen was. In tegendeel. Ze moesten m a a i gauw w e e t joods woiden en het land helpen opbouwen. Het was de fout van hun o u d e i s , die hadden m a a t

naai

Palestina moeten emigteren! Sommigen werden willekeurig in Nederland ondergebracht. Anderen zwierven van de een naar de ander en zochten een eigen onderkomen. De moeilijkheden op school waren groot, de onderduikertjes waren achtei met het leerprogramma, en vooral, ze bezaten geen identiteitsbewijzen en wisten ook niet tot wie zich te wenden. Daarom konden ze vaak geen school vinden die hen zou toelaten. Een man vertelde hoe hij uiteindelijk na de onderduik, (hij was die hele periode niet naar school geweest) in de eerste klas van de HBS tetechtkwam, waar hij gewoon overging zonder dat men keek n a a i de resultaten, terwijl hij eigenlijk niets van het leeimateiiaal snapte. Het hoofd van de school, een vooimalige NSB'er, (die wist dat het kind joods was) sprak hem beschuldigend toe, toen hij zijn examen niet haalde en zei, dan had je al die jaien m a a t niet moeten spijbelen! Geld om te oveileven van joodse instanties, zoals bijv. Le Ezrath Hajeled,

kregen ze niet, de hulpveileners stelden zich vaak autoritait op, en als de kinderen geen sterke doorzetteis waren, kwamen ze in de goot terecht. Het Rode Kruis was de enige instantie die soms iets deed, maar meestal hielpen ze geen joden en de joden waren ook niet eig dol, (om goede redenen) op het Rode Ktuis! Frappant is dat niemand zich ooit tot de overheid heeft gericht, men was te gedesoriënteeid, te bang ook voor overheden, en men wist bovendien niet tot welke instantie. Sommigen moesten stelen om te overleven. Er was een vader die uit woede zelfs iemand heeft neergeschoten, hij had nog een pistool vanuit het veizet! Een vrouw belandde voor smokkel (om zich en haar gezin in leven te houden) een jaar in de Bredase gevangenis.

Ambtenaren Het eigste waren de ambtenaren die altijd "bewijsmateriaal" eisten. Men moest zich "identificeren," m a a t : wie was e i nou gevlucht of ondeigedoken of uit 't kamp teiuggekeerd met papieren???? Het klinkt bekend in de oren als we ovei de vluchtelingen van vandaag horen! Die weiden trouwens ook een aantal keren genoemd. Een man vertelde dat hij drie briefjes van f 1000,- had ingegraven in de tuin van zijn onderduikadres. Na de oorlog wilde hij ze inwisselen. Dit werd dooi de bank niet toegestaan zondet bewijs dat het echt spaatgeld was! Er waren wat ouderen, die wel een persoonsbewijs aanvroegen en daarop stond dan een vingerafdruk en de letter J of het woord Jood! Het bewijsmateriaal hadden ze meegebracht. Er waren ook mensen op de bijeenkomst die documenten toonden van persoonlijke bezittingen en veizekeringspapieren die hun oudeis hadden afgesloten en waarop banken en de overheid al die jaren onverschillig of afwijzend hadden gereageerd. Huizen werden soms bewoond door


NSB'ers, of huisraad was verdwenen. Het was iedere keer weer een bureaucratische strijd die men moest voeren om te pogen iets terug te krijgen. Meestal een mislukking. En niemand vroeg: waar ben je geweest, hoe heb je het gehad, wat is er met je familie gebeurd. Mensen die hun baan weer wilden oppakken, werden onbeschoft bejegend, sommigen werden zelfs openlijk antisemitisch benaderd. Uit IsraĂŤl vertelde een vrouw, dat overlevenden nog steeds regelmatig formulieren moeten invullen en onderzoeken moeten ondergaan voor de WUV. Iedere keer weer is dit een traumatische ervaring. Kon de overheid zoiets niet voorkomen. Hun toestand veranderde toch niet? Er was gelukkig ook een aantal zeer positieve berichten. Twee mensen getuigden van een school in Amsterdam, die de onderduikkinderen opving. Met weinig geld en begripvolle leerkrachten

bereikten ze uitstekende resultaten. Er waren ook mensen die vol begrip werden opgevangen door pleegouders en verzetsmensen, die hen ook hielpen een huis te vinden. De grote vraag bleef: Waarom nu dit symposium, waarom nu, als er al zo velen gestorven zijn, of slecht ter been, of oud en niet meer in staat hun verhaal te vertellen. Mijn vragen zijn: wat is het nut van dit onderzoek, wat hebben we ervan geleerd. Gaat het alleen om de geschiedschrijving, om ons verleden nog eens in een boek te zien verschijnen? Of willen we er ook van leren, betreffende het verzet, de rechten van de mens, hier of elders en zijn we bereid anderen in moeilijkheden de hand te reiken? Wat willen en kunnen we de toekomstige generaties meegeven?

Centrum voor Informatie en Documentatie IsraĂŤl

2502 AP Den Haag, Postbus 11646, tel. 070-3 64 68 62

Ruth Waterman Kupferschmidt

De slager met 'n koksmuts Beethovenstraat 49 / T 020 671 3098 Maasstraat 53 / T 020 664 1010 Buitenveldertselaan 40 / T 020 642 3970

Buitenveldertselaan 166 / T 020 642 0973 Binnenhof 6G Amstelveen / T 020 645 5622 Partyservice T 020 636 9075


N a a r een iets beschaafder wereld? Een wereld waar recht en rechtvaardigheid heersen is een mooi, maar vermoedelijk nooit volledig bereikbaar ideaal. Als de Messias komt, ja, dan is het eindelijk zover. Of, hebben velen lange tijd gehoopt, als d'lnternationale zal heersen op d'aard. Maar over het tijdstip dat Eerstgenoemde dit ondermaanse met Zijn aanwezigheid wenst te vereren valt weinig zinnigs te voorspellen. En de pogingen om met seculiere, politieke middelen de komst van Messiaanse toestanden te verhaasten, hebben vooral veel ellende en rampspoed veroorzaakt - trefwoord: de Goelagarchipel. Zodat het streven naar een volmaakte wereld, de sociale utopie, grondig uit de mode is geraakt. Doormodderen is daarom tegenwoordig het parool. Er zoveel mogelijk van maken, met de instrumenten waarover je binnen een parlementaire democratie en een nog erg bescheiden internationale rechtsorde kunt beschikken. De herinnering aan de totale, mensonterende rechteloosheid ten tijde van het Derde Rijk is nog altijd schrijnend vers. En leidt tot een onstilbaar verlangen om te verhinderen dat het opnieuw tot zulke nachtmerrieachtige toestanden kan k o m e n . Nooit meer oorlog en volkerenmoord, nooit meer willekeurige arrestaties en foltering, nooit meer rassenhaat, etnische zuivering en discriminatie. Dat doel, zou je zeggen, is bescheiden en waardig genoeg om een kans te maken op verwezenlijking. Wie een tour d'horizon langs de wereld van vandaag maakt, krijgt jammer genoeg niet meteen het idee, dat het al (bijna) zover is. Van Noord Korea tot Irak, van Afghanistan tot Kosovo zijn grove schendingen van de mensenrechten aan de orde van de dag. En ook al behoort de Koude

Oorlog tot het verleden, de Verenigde Naties, opgericht om vrede en respect voor de mensenrechten te garanderen, zijn nog steeds niet in staat om daarvoor te zorgen. Telkens weer blijken ze, bijvoorbeeld in de confrontatie met Saddam Hussein of de Joegoslavische leider Milosevif, verlamd door politieke prestigeconflicten tussen de grote mogendheden. Gelukkig zijn er ook lichtpunten. Je kan daarbij denken aan organisaties binnen de samenleving zelf (dus geen regeringen, internationale organen of politieke bewegingen) die op een zakelijke, praktische manier hameren op het belang van de mensenrechten, schendingen in kaart brengen en ageren om daarin verbetering te brengen. Door hun consequente en onpartijdige optreden hebben organisaties als Amnesty International en Human Rights Watch aanhang en respect gekregen; ze worden serieus genomen en soms wordt er zelfs naar hen geluisterd. Nieuw en belangwekkend zijn ook de verschillende aanzetten om gestalte te geven aan de internationale rechtsorde. Sinds de processen in Neurenberg en Tokio in de jaren veertig was er niets meer ondernomen om oorlogsmisdadigers, tirannen en bedrijvers van genocide voor een internationaal gerecht ter verantwoording te roepen. Dat ziet er sinds enige tijd beter uit. Met steun van de Veiligheidsraad werden internationale straftribunalen in het leven geroepen die zich moeten buigen over de etnische zuiveringen in voormalig Joegoslavië (Bosnië) en de genocide op de Tutsi's in Rwanda. Met name van het Joegoslaviëtrihunaal in Den Haag gaat al een zekere invloed uit. Er worden daar processen gevoerd die kunnen leiden tot jurisprudentie, het ontwikkelen van bindende internationale criteria

over wat ook in oorlogssituaties ontoelaatbaar en strafbaar is. Het gaat allemaal nog wel vrij moeizaam. De voornaamste tegenslag voor het tribunaal is, dat het nog steeds niet is gelukt om de hand te leggen op de twee belangrijkste verdachten, de voormalige Bosnisch-Servische leider Radovan Karadzic en generaal Mladic, verantwoordelijk voor onder meer de massamoord op moslims in Srebrenica. Pas als ook dit tweetal zich in Den Haag zal moeten v e r a n t w o o r den, kan bij de Bosnische bevolking de gedachte post vatten dat het de internationale gemeenschap ernst is met het streven naar rechtsherstel. Inmiddels is er sprake van een nog veel ambitieuzer plan om de internationale rechtsorde tot gelding te brengen. In Rome werd in de zomer van 1998 besloten tot de oprichting van een InternationaalStrafloof, met de bevoegdheid om taken die gaan over genocide en misdaden tegen de menselijkheid in behandeling te nemen, waar ter wereld ze zich ook hebben afgespeeld. Dat klinkt veelbelovend, al moet de praktijk nog worden afgewacht. Zonder medewerking van de Verenigde Staten, die zich tot nu zeer aarzelend

OPENBARE BIBLIOTHEEK AMSTERDAM CENTRUM VAN KENNIS EN CULTUUR

met 28 bibliotheken in Amsterdam, Diemen en Ouder-Armtel.

Informatie: 020 - 52 30 900


opstellen, begint het nieuwe Strafhof met een zware handicap. Interessant, om niet te zeggen revolutionair, is tenslotte de aanhouding van de vroegere Chileense dictatot Pinochet in Londen. Hij is gearresteetd op aandringen van een zeer actieve Spaanse rechter. Als het indetdaad tot een proces tegen Pinochet komt (onder wiens bewind minstens drieduizend politieke tegenstanders zijn vermoord), gaat daarvan ongetwijfeld een waarschuwing uit waarvan de betekenis nog heersende dictators niet zal ontgaan. Het zal hen vast niet aanstonds tot een fatsoenlijke tegeerstijl bekeren, maar ieder signaal dat dictators en oorlogsmisdadigers niet zonder meer op straffeloosheid mogen rekenen, is de moeite waard.

Nu voor alle drulcwerk x

D

Dijkman

Positief aan alle hier genoemde aanzetten is vooral dat er uit blijkt, dat meer dan vijftig jaar na Auschwitz, aan de vooravond van het nieuwe millennium, het streven naar een iets beschaafdere, minder gewelddadige en minder onrechtvaardige internationale ordening springlevend is. Anet Bleich.

kwaliteits slagerij

Beer

Vlsseringweg 4 0 1112 AT Diemen Tel. 020 398 08 08 Fax 020 398 08 08 E-mail dijkman@dijkman.nl

Installatieburo

U belt gewoon

Ed CĂŠ VĂŠ

Lars Luijten

Onderhoud en Aanleg van Centrale Verwarming

voor VerzekeringenHypothekenPensioenen

Tel.: 06.54.272944

Tel. 020-6951051 Speenkruid 86 1112 NC Diemen

Hoofddorpweg 27 Amsterdam Tel. 0 2 0 - 6 1 5 81 76


Kinderen met een gele ster "De gedachte dat een tweejarige heeft deelgenomen aan de grote zionistische samenzwering is belachelijk...". In haar boek Kinderen met een gele ster noemt Debórah Dwork de vervolging van kinderen "de kwintessens van het kwaad". Zij vindt dat een geschiedenis van onze maatschappij, waarin aan kinderen geen centrale plaats wotdt toegewezen, geen juiste historische analyse kan zijn. Pogingen tot verklat ing of zelfs rechtvaardiging van de Holocaust moeten immers in een ander licht bezien wonden, als ook kinderen doelwit van de nazi-moordmachine blijken te zijn. En het gaat om andethalf miljoen vetmoorde kinderen; slechts 11 % van de joodse kinderen in Europa tussen 0 en 16 jaat die in 1939 in leven waren, overleefden de vervolging. Haar boek is niet zozeet bedoeld als een monument voot de omgekomen joodse kinderen - hoewel het dat zeker ook is - maar als aanvulling op de geschiedschrijving. Dwork noemt de literatuur over de moord op de joden rijk en uitvoerig. Maar de kinderen zijn opvallend afwezig. Als een van de verklaringen daarvoor noemt zij het feit dat kindeten zelf niet in staat waren iets te vet tellen of er door de volwassenen niet toe in staat geacht werden. Ook het verzetswerk dat gericht was op het redden van kindeten was, volgens haar, tot nu toe geen terrein voor geschiedschrijvers. De boeken gaan over het gewapende vetzet, sabotage, overvallen, vervalsen van documenten, illegale kranten etc. Dat was "officieel etkend en wetenschappelijk geanalyseerd heldendom". Het soort verzet waar het in dit boek om gaat werd "...uit het tetrein van de geschiedenis verdrongen naar dat van de naastenliefde: het doen van goede wetken." En daarmee werden deze verzetsactiviteiten verwezen naar de

privé-wereld en kregen ze geen wetenschappelijke aandacht.

Aanvulling op de geschiedenis Gelukkig is e t in Nederland wel recent onderzoek naar de vervolgde kinderen en de reddingsorganisaties gedaan - zie bijvoorbeeld de boeken van Bloeme Evers, BertJan Flim en Freddy Begemann - en was er al in 1979 het ptoefschtift van H. Keilson over psychische ttauma's van joodse oorlogswezen door de vervolging tijdens, en de problematische opvang na de oorlog. Internationaal gezien is het boek van Dwork echtet een noodzakelijke aanvulling op de geschiedenis van de jodenvervolging in de Tweede Wereldoorlog.

kinderen. Voor zover het o v e t de onderduik ging bestudeetde Dwotk ook getuigenissen en dagboekfragmenten van redders. In het boek worden achtereenvolgens de onderduik, de doorgangskampen, de werk- en vernietigingskampen en de periode van terugkeer naar de 'gewone maatschappij' behandeld. Zelden heb ik een geschiedenisboek gelezen dat door tekst en foto's de 'Umivertung aller Werte', de totale waanzin van een voorheen normale maatschappij, zo treffend weergeeft. De citaten zijn zodanig uitgezocht, achter elkaar gezet en verweven m e t beschrijvingen van de politieke en sociale geschiedenis van die tijd, dat er een lopend verhaal ontstaat. Het boek is als het ware één groot

TOS*. In "Kinderen met een gele ster" zijn verschillende lijnen met elkaar verweven. Die van de geschiedenis van de vervolging - de gehanteerde systematiek, de velschillen tussen Westen Oost Europa - en die van de ervaringen van de slachtoffers, met name de kinderen. Die haalde Dwork voornamelijk uit gesptekken met een groot aantal overlevenden in de verschillende Europese landen en verslagen die achtergelaten waren door Kinderen

op weg van Amsterdam

naar

Westerbork


ooggetuigenverslag met, waar nodig, uitleg van de auteur.

"Aldoor bang" Het boek gaat over kinderen die door het lot als joden geboren waren en die het ongeluk hadden in het Europa van de nazi-tijd op te groeien. De kinderen hadden vaak niets gemeen, behalve dat ze als joden 'gemarkeerd' werden en vervolgens als vreemdelingen beschouwd. Dat ze in één klap in de positie van slachtoffer geworpen werden. De angst die daar het gevolg van was wordt weergegeven door een Hongaarse vrouw, destijds nog geen vier jaar oud. Zij beschrijft het zondagse bezoek aan familie en hoe, bij thuiskomst, een buurvrouw hen opwacht en aanspoort om meteen te vertrekken omdat de Pijlkruisers, de Hongaarse nazi's, kort tevoren alle joden uit het pand gehaald hadden. "(-) Dus we gingen die avond naar mijn vaders niet-joodse vriend. We bleven bij hen wonen en ik kon maar niet begrijpen waarom we niet naar huis gingen. (-) Ik herinner me dat ik aldoor bang was, dat sijpelde door via mijn moeder, die kennelijk vierentwintig uur per dag bang was. (-) Alles wat ik me herinner is angst. En ik dacht dat het leven zo hoorde te zijn. Wat weet een kind van drie? Zo is het leven. Je bent gewoon aldoor bang, je hebt aldoor die angst."

Kwetsbaar en rechteloos In het boek komen verschillende soorten onderduik aan de orde, van goed georganiseerd tot totaal onverwacht, zoals bij een vijfjarig Joegoslavisch jongetje dat, van zijn ouders gescheiden, in een groep naar het station marcheert om afgevoerd te worden naar Auschwitz. De weg liep langs een bos en ineens schoot een tante uit dat bos, plukte hem uit de rij en verdween het bos weer in. De jongen bleef bij haar ondergedoken tot het eind van de oorlog. Zowel organisaties die kinderonderduik regelden als belevingen van de

kinderen komen aan de orde. En hoe onderduik behalve in gezinnen ook vaak in kloosters en internaten plaatsvond. Dwork beschrijft het type onderduik waarbij kinderen niet gezien en niet gehoord mochten worden. Kinderen die leerden fluisterend te praten, nooit hard te lachen, niet bij het raam te staan, doodstil in een kast te wachten tot het bezoek weer weg was. Ook de kinderen die ondergedoken waren en die niet verstopt werden verloren, zegt zij, hun vanzelfsprekende gevoel van veiligheid. Zij moesten hun identiteit verborgen houden. Zij maakten zich zorgen dat ze hun nieuwe identiteit, hun valse naam en adres en hun nieuw bedachte geschiedenis niet goed genoeg uit hun hoofd hadden geleerd. Een Hongaarse moeder met haar zoontje van zes jaar huurde een kamer in een wijk in Boedapest waar geen joden mochten wonen. Als zij een keer uitgaan vraagt het kind hardop aan zijn moeder: "Waar is mijn ste..;" hij slikt de 'r' in, begrijpt meteen wat hij gedaan heeft, maar het kwaad is al geschied: de dertienjarige zoon uit het huis heeft het gehoord. Moeder en kind worden meteen op straat gezet. Het toeval speelde altijd een grote rol. Soms werden kinderen opgenomen in gezinnen waarvan de buren wisten of vermoedden dat ze joods waren, terwijl niemand hen verried. Een andere keer werden mensen verraden door buren die met het gastgezin ruzie kregen over wasknijpers en om die reden besloten om bij de politie te melden dat hun buren joden in huis hadden. Dwork beschrijft hoe over-aangepast de ondergedoken kinderen vaak waren. Hoe ze vaak te lief waren om maar te mogen blijven in pleeggezinnen waar ze het naar hun zin hadden. En ook de 'assepoesters', de kinderen die hard moesten werken voor hun pleeggezin, worden genoemd, net als de meisjes die moesten tolereren dat ze door de vader des huizes aangeraakt werden of erger.

De kinderen waren, kortom, kwetsbaar en rechteloos en hadden geen andere keus dan zich aanpassen aan de familie die ze had opgenomen.

Gewenning aan het abnormale Dwork beschrijft in het tweede deel van het boek de doorgangskampen en getto's in Europa. Zij schrijft over de logistiek van de kampen in het kader van de gehele moordmachine. De omweg via de doorgangskampen naar het uiteindelijke doel, de vernietiging, had voor de Duitsers twee voordelen: enerzijds was de omweg een extra camouflage - mensen gingen in gewone treinen naar deze kampen die vaak wat afgelegen waren, om pas van daaruit in veewagens naar de concentratie- en vernietigingskampen in Oost-Europa vervoerd te worden. Anderzijds zorgden de doorgangskampen voor een systematische en gecontroleerde aanvoer van mensen voor de gaskamers. "Zij voorkwamen overbelasting van het systeem." Eén van de geïnterviewden die op haar zevende in Bergen Belsen terechtkwam, beschrijft dat haar ergste ervaring niet de honger was maar de vernedering van de mensen. "Mijn ouders waren niets meer, als kind kijk je gewoonlijk op tegen je ouders (-) en je bent trots op je ouders en zo. (Maar in Belsen) hadden we niet het gevoel dat hun woorden ook maar iets betekenden. (-) Ik voelde me heel eenzaam, heel eenzaam omdat ik merkte dat ik niet met mijn ouders kon praten. Zij hadden hun eigen problemen (-), meestal moesten ze werken onder de zwaarst mogelijke omstandigheden. Het was een aparte wereld, onze wereld; een heel treurige wereld. Er was niets voor ons. Er was niemand die op ons paste. (-) We waren alleen in die grote wereld van het concentratiekamp. En we konden er niet uit." Andere geïnterviewden beschrijven het eindeloze op appèl staan, drie keer per dag, en de honger, de strijd om het eten, zeker voor de kinderen die


daar tot dan toe niet zelf voor hadden hoeven zorgen. De kinderen beschrijven ook hoe zij wenden aan de verschrikkingen die zij dagelijks meemaakten. Ze wenden aan het zien van doodzieke mensen, aan machteloze dokters, aan stapels lijken.

deerd "omdat", zegr zij, "traag niet snel genoeg ging." Zij is ervan overtuigd dat "alle bewoners uiteindelijk zouden zijn bezweken aan de dodelijke levensvoorwaarden."

de eerste selectie kwamen, werden vervolgens, net als de volwassenen, als slaven tewerkgesteld in de fabrieken die bij het complex hoorden.

Bedelen om de dood Dat gold ook voor de kinderen in de getto's. De pedagoog Janusz Korczak beschrijft in zijn dagboek uit het getto van Warschau hoe kinderen bij hun spel bijna struikelen over een lijk dat op de grond ligt, waarop één van hen, volmaakt onverschillig, zegt: "Laten we een eindje doorlopen, hij ligt in de weg." Konden de kinderen aanvankelijk nog spelen in de getto's, geleidelijk aan werd de situatie slechter. Steeds meer kinderen moesten geld verdienen om aan eten te komen. Ze leerden leven als volwassenen. Ze werkten in fabrieken, smokkelden, bedelden. Kinderen van drie, vier jaar vertoonden kunstjes en zongen liedjes. Er waren groepen kinderen van vijf tot vijftien jaar, die zich georganiseerd hadden. Die het prikkeldraad doorknipten en op rooftocht gingen. Vaak werden ze zo broodwinners voor hun familie. In een dagboek leest Dwork hoe er een grote groep kleine kinderen ontstaat van wie de ouders dood zijn. Op 31 juli 1941 staat er: "Ze zitten in vodden op straat. Hun lijfjes zijn helemaal uitgeteerd; (-) sommige van die kinderen hebben geen tenen meer; ze wentelen zich in het rond en kreunen (-). Ze bedelen niet meer om brood, maar om de dood." De kinderen stierven in de zomer aan besmettelijke ziektes en honger en in de winter aan bevriezing. "Elke ochtend zie je doodgevroren lijkjes in de straat, dat is al een heel gewone aanblik geworden," staat er in een ander dagboek, op januari 1942. Dwork beschrijft hoe de getto's in feite werkten als 'trage vernietigingskampen'. Alle getto's werden geliqui-

Vrouwen werden

en kinderen doorgestuurd

die meteen na aankomst naar

de

in

Auschwitz

gaskamers

Het hoofdstuk over de vernietigingsen werkkampen "De onherkenbare wereld", begint met het verhaal van de veertienjarige Esther, die met haar familie uit Lodz naar Auschwitz gedeporteerd werd. Zij beschrijft haar aankomst in Auschwitz en hoe de mannen meteen apart gezet werden. Eén van hen had een vierjarig dochtertje bij zich. Dat meisje stond ineens alleen. Esthers moeder ontfermde zich over het kind en beloofde de vader voor het kind te zullen zorgen. Toen werden de vrouwen geselecteerd, om ofwel meteen vernietigd te worden, ofwel om te werken. Haar moeder werd, omdat zij het kleine meisje bij zich had, in de rij voor de gaskamers geplaatst, zoals alle moeders met jonge kinderen. Dat was de laatste keer dat Esther haar moeder zag. Zijzelf werd als volwassene beschouwd en overleefde zo deze eerste selectie. Haar broer van twaalf werd als kind gezien en onmiddellijk vergast. Auschwitz was een combinatie van vernietigingskamp en werkkamp. De oudere kinderen en jongeren die door

Er komen veel mensen aan het woord in het boek die als kinderen in het kamp aankwamen en zich hun eerste reactie nog goed herinneren. "Het was een onbeschrijfelijk gevoel; het was een gevoel van totale wanhoop. Dat gevoel heb ik nooit van mijn leven meer gehad. (-) Ik zag de wanhopige situatie waarin we verkeerden. En ik zei bij mezelf: zelfs als ik nu vleugels zou krijgen, zou ik hier niet kunnen wegvliegen - laat staan dat ik er te voet uitkom". En een andere reactie: "Toen mijn hoofd kaalgeschoren was, en ik gestreepte kleding droeg, en toen mijn arm getatoeëerd was en ze mijn kleding en schoenen afnamen, had ik geen zin meer om te leven." Zij beschrijft hoe ze het prikkeldraad hek dat onder stroom stond wilde inlopen, van uit de gedachte dat ze uiteindelijk toch wel in het kamp zou sterven. Een paar mensen sleurden haar terug. Ook hier wordt de ontzettende honger beschreven en de kou en het, soms acht uur lang, in dunne kapotte kleding op appèl moeten staan. "Soms


gebeurde het dat een bewaker dronken was en niet goed meer kon tellen," vertelt een vrouw die als tiener in Auschwitz was. Dan stonden ze dus urenlang te wachten tot de aantallen klopten. Dwork beschrijft werkkampen waar de voorzieningen iets beter waren en overleven tot de mogelijkheden behoorde. Maar ook daar was sprake van ondervoeding en marteling en werden de jongens en meisjes gegeseld als ze het werk niet aankonden. In een ander werkkamp werd cement gemengd. Het cement kwam in hun longen. Na twee a drie weken stietven de kinderen aan dit wetk. In Auschwitz werden ook dagelijks selecties gehouden. Dat was een dagelijkse loterij die de jongeren bedreigde. Het humeur van kamparts Mengele die de selecties deed, speelde daat een grote rol bij. Op twee november 1944 werd er gestopt met de selecties en het vergassen, omdat het Rode Leger naderde en Auschwitz ge毛vacueerd moest worden. In de vernietigingskampen als Belzec, Sobibor en Treblinka werd, afgezien van de arbeiders die nodig waren voor de moordmachine, iedereen - dus ook de kinderen - meteen na aankomst gedood. Door het boek heen, maar vooral als het gaat om de kampen, komt het thema vtiendschap en familiebetrekkingen aan de orde. Door voor elkaar te zorgen, als vrienden, als ouder en kind, als broers en zusters, hield men het soms langer, aanmerkelijk langer uit. Veel jonge mensen rapporteerden echter ook een totale afstomping van gevoelens. Niet kunnen rouwen om ouders die doodgingen, bijvoorbeeld. Je niet bewust zijn van wat gaande was bleek voor velen de enige manier van overleven. "Die onderdrukking van gevoelens," zegt een vtouw die als tiener in het kamp was, "is later doorgegaan, ja, die houdt heel lang aan. Die houdt aan."

Jongens in een Joegoslavisch concentratiekamp, onder leiding van plaatselijke fascisten.

"Mijn oorlog is in 1945 begonnen" Het laatste hoofdstuk gaat ovet de tetugkeet naat het notmale leven. Gedurende de oorlog waren dromen over hereniging na de oorlog, elkaar terugvinden en het gewone gezinsleven weer oppakken, zeket voot de oudere kinderen vaak een bron van kracht en troost. Na de ootlog ontdekten de kinderen dat hun dromen en verwachtingen 'illusies' waren. "Heel weinig kerngezinnen werden na de oorlog volledig herenigd, en geen familie in ruimere zin was zonder verliezen door de oorlog gekomen." Het gemis werd vaak pas na de oorlog gevoeld. Een man die acht jaat was toen hij onderdook, vertelt het volgende: "In de oorlog was ik een kind en ik hield me bezig met het leven van alle dag. Het volle gewicht van de gevolgen van de ootlog heb ik pas ondergaan toen de oorlog voorbij was. Mijn oorlog is in 1945 begonnen, (-) toen ik hoorde dat mijn vader en moeder niet terug zouden komen en mijn broers evenmin, toen begon de oorlog. Het heeft mij jaren gekost om aan het idee te wennen, om mijn eigen plaats te vinden (-). We hadden een heel uitgebreide familie gehad, dus als kind moest ik de volle last van de overleving dragen." Er zijn voorbeelden van kinderen die, zo jong als ze waren, de opbouw van hun gezin - of wat daarvan over was - op hun schouders namen, omdat hun overgebleven ouder te gebroken was om dat te doen. Van een eigen ontwikkeling, op school, was dan geen sprake meer.

Veel kinderen wachtten eindeloos op hun ouders die niet terugkeerden. Er was weinig oor voor de ervaringen van de kinderen. Soms werd dat letterlijk gezegd, zoals tegen een vrouw die als verpleegster solliciteerde. Zij was vijftien geweest toen zij onderdook en achttien toen ze terugkeerde en moest zonder ouders en met een gebroken schoolopleiding verder in het leven. De hoofdverpleegstet, die zelf joden in de oorlog had geholpen, had gezegd: "Je kunt hief komen maaf de oorlog is voorbij, dus ik wil geen woord over de oorlog horen." Dwork noemt dit een typisch voorbeeld van de voorwaarden die men joodse kinderen oplegde, wilden ze weer in de maatschappij komen. De geschiedenis van de joodse kinderen die de vervolging overleefden bleef onuitgesproken en onverwerkt: "een ongeopend pakket in de herinneting." Bij het onderzoek bleek dat de inmiddels volwassen mannen en vrouwen hun geschiedenis nooit aan hun echtgenoten of kindeten verteld hadden. Ook al zal dat niet voor de hele groep overlevenden opgaan, wij weten - ook uit andere bron - dat voot heel veel kindeten van destijds gold dat hun gevoel en hun mond op slot gingen als het thema onderduik- en kampervaringen aan de orde kwam. Als Dwork aan degenen die zij voor haar onderzoek interviewde de vraag stelde waarom ze bereid waren hun geschiedenis met haar te delen, werd er zonder uitzondering geantwoord: "omdat je er naar vroeg." Bertje Leuw

Deb贸rah Dwork, Kinderen met een gele ster Vertaling, Tinke Davids. Boom/Amsterdam 1998. LSBN90 5352 3782 Prijs: 59.50 (oorspronkelijk in het Engels verschenen in 1991)


Werken in multiculturele groepen. Wat betekent voor en na de oorlog 'Ik heb veel geleerd van mijn leraren Meer nog van mijn collega's Maar het meest van mijn leerlingen' Judah Hanassi Voor veel lezers van dit Bulletin zal het niet moeilijk zijn de vele sporen die de sjoa in de samenleving na heeft gelaten te hetkennen. Hun zal het weinig moeite kosten bij bepaalde gebeurtenissen overeenkomsten te zien met wat er voor of tijdens de Tweede Wereldoorlog is gebeurd. Heel anders is dat voor een grote gtoep jongeren. Voor hen is het vaak spoorzoeken. Ze zijn daarbij afhankelijk van degenen die hen leren zoeken in de grote hoeveelheid beschikbare informatie. Het is niet de gemakkelijkste opdtacht voot het onderwijs om de jongere generatie deze sporen in al hun diepte, breedte en lengte te tonen.

Intercultureel onderwijs De ervaringen van de Tweede Wereldoorlog vormen een belangrijk aspect van de Nederlandse identiteit. De Tweede Weteldootlog is een maatstreep in de tijd. 'Voor' en 'na de oorlog' zijn in de Nederlandse taal en beleving begtippen die geen toelichting behoeven. Althans niet voor hen die in, met of tegen de achtergrond van die oorlog zijn opgegroeid. Nederland is al eeuwen lang multicultuteel waar het de bevolkingssamenstelling betreft, maat de laatste decennia is de diversiteit aan achtergronden van leerlingen en studenten sterk toegenomen (die van docenten en schooldirecties wat minder). Vooral, maar zeker niet uitsluitend, in de Randstad en de grote steden is de samenstelling van groepen en klassen werkelijk multicultuteel

van aaid. Diversiteit in nationaliteiten, etnische en culturele achtergronden en dus ook in religieuze achtergronden zijn in alle onderwijssoorten, van basisschool tot universiteit, een feitelijk gegeven. Een afspiegeling van de samenleving. Gelukkig dient dit ook steeds vaker als uitgangspunt van het onderwijs, van intercultureel onderwijs. Dat biedt extra mogelijkheden om met leerlingen te praten over diversiteit, overeenkomsten en verschillen, ook binnen de eigen etnische groep. Welk beeld hebben we van onszelf? Welk beeld hebben anderen van ons en onze groep? Waar in de school herkennen we ons, waar vind ik mezelf in terug? Deze vragen aan de orde stellen kan ook het begin vormen van onderwijs over de sjoa. Of, zoals Ido Abram het in zijn Abel Herzberg-lez'mg in 1993 formuleerde: 'Opvoeding, die identiteit niet even setieus neemt als imago, wekt racisme in de hand en verdient het predikaat 'opvoeding na Auschwitz' niet.' Ter illustratie: een groep Rottetdamse MBO-studenten zou et als volgt uit kunnen zien, het gaat om een gtoep van 25 studenten tussen zestien en achttien jaar aan de opleiding Sociaal Cultureel Werk. De studenten zelf of hun oudets zijn afkomstig uit: Nederland (8), Turkije (6, van wie een Koerdische leerling), Marokko (4, van wie twee Betber leerlingen), Suriname (4, van wie 2 met een Creoolse en 2 met een Hindoestaanse achtetgrond), de Antillen (1), Pakistan (1) en KroatiĂŤ (1). Meetderheid en minderheid zijn in deze situatie verschuivende begrippen. Deze 25 studenten spieken thuis samen negen velschillende talen. Ze vertegenwoordigen samen tien verschillende religies of stromingen.

Aandacht hebben en tonen voor deze grote diversiteit in de onderwijssituatie betekent aandacht besteden aan de identiteit van de leetlingen. Dat kan al beginnen bij het juist uitspreken van iemands naam. Dat kan ook doot aandacht te hebben voor de topografische kaart. Waar liggen eigenlijk de Molukken of de Kaapverdische Eilanden? In een dergelijke, multicultuteel samengestelde groep heeft 'voot' en 'na de oorlog' een andere connotatie. Voor de Kroatische leetling, de Koetdische leerling, de medeleerlingen en dus voor de docent wil dat zeggen: opmerkzaam zijn naar verschillen en zoeken naar overeenkomsten. Bij het leten van en over de sjoa in een multicultureel samengestelde groep kan de groep als het ware bij zichzelf beginnen. Wat weet je van en ovet elkaar? Hoe wil je gezien worden en hoe zie je jezelf? Hoe kijken we naar elkaar, welke waarden, normen en mogelijke vooroordelen spelen daarbij een rol? Acceptatie, tolerantie en tespect zijn begtippen die daarbij aan de orde zullen komen. Maar ook de vraag waar dit tespect voor de ander (of jezelf) ophoudt. Zo

EEN DROOM HEEFT HET RECHT OM WERKELIJKHEID TE WORDEN


geformuleerd kan de start van sjoaonderwijs altijd en overal in het onderwijs een plaats vinden.

Heden, verleden, toekomst Geschiedenis, politiek, communicatie, ethiek, persoonlijke en maatschappelijke vorming: er zijn maar weinig vakgebieden die geen aanknopingspunten bieden. Een ander belangrijk aanknopingspunt bieden de actuele gebeurtenissen. Aansluiten bij de actualiteit, dat wil zeggen: van heden naar verleden en van daaruit weer naar de toekomst. Aan ĂŠĂŠn van de Regionale Opleiding Centra in Rotterdam wordt sinds ruim tien jaar gewerkt met een 'Heden, verleden, toekomst' - model. Onderwijs over de sjoa is daarbij gekoppeld aan onderwijsactiviteiten rond mensenrechten, rechten van het kind, antiracisme activiteiten enzovoorts. Uitgaande van de multiculturele schoolpopulatie zijn in december bij de opleidingen de diverse kerstprogramma's vervangen door een samen met Amnesty International ontwikkelde mensenrechten-dag. De leerlingen besteden zowel in het onderwijsprogramma als op de speciale actiedag aandacht aan de vraag hoe zij zelfbij kunnen dragen aan het handhaven van mensenrechten ver

Pouibui 10*6 6801 BA Arnham w i m loasie nl

AAG CH O JE E'S

Het verleden staat centraal bij de onderwijsactiviteiten in april/mei van het cursusjaar. Tal van organisaties helpen middels materialen, kennis en ondersteuning in brede zin mee om het sjoa educatie project toegankelijk te maken voor zoveel mogelijk mensen in de school. Het project richt zich zeker niet alleen op de studenten. Het jaarlijks terugkerende project draagt de titel: "Herinneren voor de toekomst".

N I E U W

H O O F D D O E K IK VR TO WAAROM JE NIK

weg en dichtbij. Motto: 'Eens gegeven blijft gegeven!' Het jaar 1998 stond daarbij in het teken van de vijftigste verjaardag van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en van 135 jaar afschaffing van de slavernij in Nederland. Begin maart volgen allerlei activiteiten die op de leerlingen zelf gericht zijn. Gesteund door de Europese actie 'School zonder racisme'en het Anti Racisme Informatie Centrum (ARIC) gaan de deelnemers bij zichzelf en elkaar te rade. Ook het docententeam, de schooldirectie en het ondersteunend personeel worden hierbij betrokken. Hoe worden we of blijven we een school zonder racisme? Dat is hierbij het centrale thema. Middels muzisch-creatieve activiteiten en workshops met het schrijverscollectief Loesje geven leerlingen uiting aan hun visie op het thema "Toekomst, een school zonder racisme".

AAN JOU OK NIET VANDAAG AANHEBT

1 R T O

R E C E P T 2 U E N

M A A L D A A G S I M D E N K E N G E N W E T E N D H E I D

Er wordt gebruik gemaakt van exposities, onder andere in samenwerking met Herinneringscentrum Westerbork en de Anne Frank Stichting, een uitgebreide presentatie van (jeugd)literatuur en de aanwezigheid van vertegenwoordigers van organisaties, zoals verzetsmusea, verenigingen van Roma en Sinti, het COC en de Indische Gemeenschap. Het sjoa educatie project maakte in 1997 gebruik van de indringende lessenserie Een van ons. Deze serie bestaat uit zes leerlingen-katernen en een videoband. De informatieblokken in de serie zijn gebaseerd op het boek Zeg dat we het niet vergeten, het verhaal van de holocaust van Susan D. Bachrach. Jaarlijks doorlopen meer dan duizend studenten deze cyclus van heden, verleden en toekomst. Op zijn best zijn dat duizend mensen die niet onverschillig in de samenleving zullen staan. Toch wordt er soms, ook in onderwijsland, geroepen dat het 'allemaal al zo lang geleden is'. Dan wil een opleiding liever een activiteit waarbij de betrokkenheid van de student nauwelijks verder gaat dan het zetten van een handtekening onder een petitie. Zonder dat er verdere aandacht aan wordt gegeven in het onderwijsprogramma. Is het altijd zo dat een petitie, bijvoorbeeld tegen racisme, beter is dan helemaal niets? Sjoa educatie vindt zijn plek in het onderwijs van nu en van de toekomst alleen dan, wanneer er binnen de scholen en andere onderwijsinstituten mensen zijn die deze plek veilig stellen. Veiliger dan in een intercultureel verband kan die plek niet zijn, lijkt mij. Judith de Beer

A Postbus 104S 6801 BA Arnhem v

"Loesjes ", gemaakt door studenten tijdens de 'actiedagen'.


'Mijn oorlog begon al in 1 9 3 3 ' Interview met Ruth Wallage-Binheim Omdat zij in 1925 in Duitsland, in de Noordduitse stad Hannover, werd geboren, hoorde Ruth Binheim als kind over de radio de toespraken van Hitler waarin hij de joden aanviel. Zij maakte als meisje van dertien in 1938 de 'Reichskristallnacht' mee toen synagogen en joodse winkels werden vernield; ook de manufacturenzaak van haar ouders. Met een kindertransport bereikten zij en haar zusje en broer Nederland. Haar ouders bleven in Duitsland en werden vermoord. Ook haar broer werd gepakt en vermoord. Zij en haar zusje overleefden het c o n c e n t r a t i e en vernietigingskamp AuschwitzBirkenau. Meer dan vijftig jaar heeft zij gezwegen. Nu kan zij haar verhaal vertellen.

opgegeven voor de zwemlessen en de tweede keer dat we kwamen stond daai een groot boid: "Voor joden verboden". Dus daar mochten we niet m e e t in. We hadden een niet-joodse hulp, omdat mijn moedet samen met mijn vadei in de zaak was, en die mocht op een gegeven moment niet m e e t bij ons weiken. We mochten niet in het park en successievelijk mocht er helemaal niets meet.

'Ik was in 1938 dertien jaat oud. Wij

woonden in Hannover boven de manufactutenzaak van mijn ouders. Ik had een broer, Hans Werner, die twee jaar ouder was dan ik en een zuster, Hanna - zij leeft gelukkig nog, in Califotnië - die twee jaar jonger is dan ik. Dat was ons gezin. Mijn moedet was heel gelovig, mijn vader niet. Wij gingen op sjabbes altijd naar sjoel. Maar de zaak was gewoon open, dat moest wel. In 1935, toen ik tien jaar oud was, werd in Hannover een joodse school opgericht, dus Hanna en ik gingen daar heen. Mijn broer zat met twee andere joodse jongens op het gymnasium. We waren sinds Hitlet aan de macht was gekomen altijd bang. We moesten gehoorzaam zijn en ons vooral niet laten zien of horen. Joden mochten niets, e t was niets v o o t ons. We voelden ons alleen maat veilig thuis, en op school en in sjoel.

Aan gruzelementen Ik hetinnet mij dat mijn btoet en ik zouden leten zwemmen, we waren

Foto.

Rob

Huiben

Op 9 november 1938 gingen Hanna en ik 's morgens naar school. We wisten van niets. Onderweg kwamen we langs joodse winkels die kapot wal e n . D a a i stonden 5^4-mannen v o o t

in btuine uniformen met hakenkruisvlaggen. En ze lachten. "Koop niet bij joden" en "Joden zijn ons ongeluk" stond op die winkels geschildetd. Er hing een heel enge sfeer. Wij renden door naar school. Vlakbij onze school was de winkel van m i j n tante, een nicht van mijn vader en die zei, ga gauw weer naar huis, want de synagoge staat in biand. Mijn tante en mijn oom hadden een schildeiijenzaak. Die was ook kapot en mijn oom hadden ze meegeno-

men. Ze wist niet waai naar toe. Ze hadden zelf drie kinderen, maar die waren al geëmigreerd, die waren ouder dan wij. Wij liepen terug, Hanna en ik, naar huis. Vlak bij onze winkel hoorden wij twee mannen roepen: 'Bij de jood Binheim zijn we nog niet geweest.' Hij blies op een fluitje en in een mum van tijd kwam er een overvalwagen met SA-mannen en die hakten met bijlen onze winkel in gruzelementen. Hanna en ik waren gauw naar boven gegaan, mijn ouders en m'n broer stonden al op ons te wachten. Even latei weid aan de deut gebeld, we moesten de rotzooi beneden op straat opruimen. Inmiddels stonden er al een heleboel mensen te kijken. We gingen met bezems naar beneden om het glas op te ruimen en ik voel nog die priemende blikken in mijn rug. Ik vroeg me toen af of er ook klanten van mijn vader bij zouden zijn en ook waarom niemand een hand uitstak om ons te helpen, niemand deed iets. Ik kijk altijd naar ogen van mensen. Ik keek naar hun ogen en zag de haat, haatdiagende ogen waten dat. We hadden niemand iets gedaan. Als je nu bedenkt wat e t in mijn ouders moet zijn omgegaan toen ze mer drie kinderen van elf, dertien en vijftien jaar n a a i beneden moesten om die rotzooi van de straat op te vegen. Midden in de nacht werd er aan de deur gebeld door drie SS'ers die voor mijn broer kwamen. Hij was vijftien en ze vroegen hem waar hij de wapens verborgen had. Hij zei dat hij geen wapens had, maar ze kwamen toch binnen en ze hebben alles overhoop gehaald. Ze vonden een brief uit Amerika van een vriend van mijn broer die geëmigreerd was. En toen zeiden ze: Als je cotrespondeert met Amerika, dan moeten er wapens in huis zijn!' Mijn moeder zei maar steeds: 'Er zijn hier geen wapens.'


Enfin, ze zijn onverrichter zake weer weggegaan en ze hebben mijn broer en mijn vader niet meegenomen. Ik weet nog dat Hanna en ik lagen te trillen in ons bed. De volgende dag, dat was dus de tiende november, begrepen wij eigenlijk pas wat er allemaal gebeurd was'.

Naar Nederland 'De gebeurtenissen tijdens de 'Reichskristallnacht' waren de aanleiding voor mijn ouders om hun drie kinderen naar Nederland te sturen met een kindertransport. Moeder had drie nichtjes, die waren alle drie met Nederlanders getrouwd. Eén van hen was getrouwd met een Hiegentlich, van het hotel Hiegentlich in de Jodenbuurt in Amsterdam. Die heeft toen gezorgd dat wij met het kindertransport mee konden naar Amsterdam. Mijn moeder had een zuster, die nog naar Amerika heeft kunnen ontkomen en die had beloofd dat zij er voor zou zorgen dat wij daar ook naar toe zouden kunnen komen. Mijn ouders zeiden dat ze zouden wachten op onze papieren voor Amerika, dan zouden ze ons ophalen in Holland. Het is ook vaak gebeurd dat ouders hun kinderen mee konden nemen naar Engeland of naar Amerika. Maar voor ons kwamen de papieren te laat of ze hebben ze nooit gekregen. Zij zijn in Duitsland gebleven, ze konden niet weg. Op 4 januari 1939 brachten mijn ouders ons naar de trein en vertrokken wij met het laatste kindertransport naar Nederland. Het was de eerste keer dat ik mijn vader zag huilen. We hebben ze niet meer teruggezien. In Nederland kwamen wij eerst in een vluchtelingenkamp, een kinder-kolonie, in Bergen aan Zee. Daarna, in de zomer van '39, zijn we nog in Driebergen geweest, in een padvinderskamp of zoiets. Mijn broer is vandaar naar de Wieringermeer gegaan. Daar had het Joodse Vluchtelingencomité in 1934 het zo-

genaamde werkdorp opgericht waar Duits-joodse jongens en meisjes een opleiding kregen om naar Palestina te kunnen emigreren. Mijn zuster is bij joden in Groningen opgenomen als pleegkind: dat kon toen nog als je beneden de twaalf jaar was. Zij kwam daar omdat een van die nichtjes van mijn moeder in Groningen woonde. Op haar verjaardag liet zij een foto van mijn zus rondgaan om te vragen of er misschien iemand was die dat kind op wilde nemen. Zo kwam mijn zuster bij de familie Wallage terecht.

een vrijwilligster van het Vluchtelingencomité - kreeg ze het voor elkaar dat ze een spoedopleiding als kinderverzorgster mocht volgen. Na een jaar was ze één van de drie meisjes die met zeer veel lof slaagden. Zij kreeg toen een baan in de crèche tegenover de Hollandsche Schouwburg. Daardoor kreeg zij een vrijstelling die haar in 1942 van deportatie redde. Alle andere kinderen waarmee zij in het vluchtelingenkamp had gezeten werden gedeporteerd.

Hans Werner gepakt

Foto- Rob Huiben

Ik bleef in Driebergen. In de meidagen van 1940 zaten we in een prachtig herenhuis in Kraaibeek in Driebergen. Daar waren we nota bene geïnterneerd, we mochten er niet uit; dat was gevaarlijk, we waren immers Duitse kinderen! Toen, ik meen na die vijf dagen oorlog, zijn we via Voorschoten naar Amsterdam gebracht, naar het Lloyd Hotel. Van daaruit moest iedereen ergens worden ondergebracht. Ik kwam toen bij die tante in Amsterdam, die ik nog nooit had ontmoet'. Ruth moest werken in het hotel van haar oom en tante. Ze vond het werk niet leuk en via haar 'comitédame''

'Van de ene dag op de andere kwam mijn broer ook bij Hiegentlich. Ik weet nog dat ik van m'n werk kwam en dat ze zeiden dat er iemand op me stond te wachten. Daar stond mijn broer, met een lasbril in de hand en een overall cn klompen aan. Hij vertelde dat ze hals over kop weg moesten uit Wieringen. Hij is gepakt in '41, ook naar aanleiding van die lijst met Duits-joodse vluchtelingen. Op een dag dacht ik: 'Voor vanavond koop ik wat koekjes bij de thee' en toen ik terugkwam was hij opgepakt. Er waren twee jonge mannen het hotel binnengekomen, die vroegen naar Hans Werner Binheim. Mijn tante zei dat hij er niet was. De kok in de keuken hoorde dat en die zei in zijn onnozelheid: 'Ik heb Hans Werner net naar boven zien gaan'. Ze gaan naar boven, Hans Werner is op zijn kamer, ze hebben hem meegenomen en hij is nooit meer teruggekomen. Ik was helemaal van de kaart. Ik ben toen heel erg ziek geworden. Ik was zo verschrikkelijk eenzaam en alleen, want niemand kon je helpen. Mijn zusje zat in Groningen. Die was 7 oktober jarig en toen mocht ik naar haar toe. Die tante waar ze toen in huis was - we noemden hen oom en tante -, vroeg 's morgens toen ik opstond, of ik lekker had geslapen. Ik zei: 'Nee, ik heb gedroomd dat Hans Werner dood is. En dat ze hem op een kruiwagen hebben weggevoerd.'


Ze draaide zich om, ze reageerde helemaal niet. Ze ging de slaapkamer uit en tussen de middag vroeg oom Hanna en mij of we na de lunch even bij hem op de kamer wilden komen. Ik kwam daar binnen en ik zei: 'Hans Werner is dood.' 'Hoe weet jij dat?' Ik zei dat ik dat die nacht had gedroomd en inderdaad het was zo. Hij was in het concentt atiekamp Mauthausen vermoord. Toen ben ik, denk ik veertien dagen bewusteloos geweest; ik weet ook niet meer hoe ik weer in Amstetdam ben gekomen'. Angst 'Mijn oudets schteven daaina dat we betet naar hen tetug konden komen, want als wij toch gedeporteerd werden, dan konden we betet samen gaan. Maat we mochten Nedetland wel uit, maar Duitsland niet meer in. We konden toen nog met mijn ouders corresponderen. Op 3 maart 1943 zijn mijn ouders vanuit Hannover naar Auschwitz gedeporteerd. Ik kreeg in Amsterdam een kaart van mijn moeder via het Rode Kruis, dat ze met vadet in Auschwitz was. Het ging ze nog goed en ze moesten werken, stond op die kaart. Ik had geen idee wat Auschwitz betekende. Ik werkte toen in de crèche. Ik wist wel dat er in de crèche dingen speelden, dat er kinderen naar buiten werden gesmokkeld, maar ik was er zelf niet bij betrokken. Ik was heel jong, ik was geen Nederlandse en ik was bang. Ik was zo verschrikkelijk bang en dat ben ik eigenlijk nog. Weet je, ik had al zoveel meegemaakt in Duitsland. Als ik alleen maat de stem van de Führer hoofde en ik zag al die opgestoken handen waar wij op de lagere school ook aan mee moesten doen - uten in de rij staan als die kerel daar langs kwam - dan was ik zo bang. Mijn ouders hadden zelf geen radio maar als er een toespfaak aangekondigd werd, dan gingen we naar familie van mijn vader. Als we dan terugliepen vroeg ik aan mijn vader wat et met ons zou gaan ge-

beuten, want et werd altijd zo op de joden gescholden. Die waten schuld van alle ellende die de economie meebracht, enfin die verhalen kennen we allemaal. Dan pakte mijn vader mijn hand en zei: 'Er zal ons niets gebeuren. Dat is alleen maar gebral. Dat durft hij toch niet.' Maar die angst zat er zo in. Toen ik allang in Amsterdam was, in '43, en mijn fiets ophaalde van de fietsenmaker, zei hij: 'Meisje, je kunt bij mij onderduiken.' Maat ik durfde gewoon niet. Ik denk dat het ook een soort angst was om de wetkelijkheid onder ogen te zien, dat was het. Het was ook de angst om et ovet te praten. Iedereen wist dat de joden werden opgepakt en dat ze waat dan ook naar toe werden gebracht, maar er werd niet ovet gepraat. Iedereen wachtte maat gewoon z'n beurt af, denk ik. De familie Wallage, waat Hanna was, wilde haat meenemen in de onderduik en zij mocht mij ook meenemen. Maar ik durfde niet, punt uit. Hanna was naar Amsterdam gekomen en ze hebben twee keet een koerier gestuurd om ons op te halen. Ik durfde gewoon niet. Angst kun je niet uitleggen, dat is zo alles overheersend. Ik wist ook dat ik geen tegenwoordigheid van geest heb, ik reageerde secundair, zeg maar tertiair. Ik had ook nooit een valse naam durven aannemen, ik was zo bang dat het uit zou komen, alles betet dan dat. Hanna zei: 'Ik blijf bij Ruth.' In mei 1943 moesten we weg. We hebben onze rugzak gepakt en we zijn naat Westerbork gebtacht'.

Auschwitz-Birkenau Relaties in Westetbotk wisten Ruth en Hanna tien maanden lang van de ttanspottlijst naar het Oosten te houden. Ook in Westetbork wend zowel aan Ruth als aan Hanna de mogelijkheid geboden te vluchten, maat de zusjes wilden bij elkaat blijven. In maart 1944 wenden zij toch op transp o t t gesteld, naar Auschwitz-

Birkenau. De illusie dat ze daar hun ouders tetug zouden zien was snel voorbij. De vrouwen die ze naar hun moeder vroegen, keken hen aan of ze van de maan kwamen. In Birkenau werden ze uiteindelijk in 'Canada'te werk gesteld. Dat was een afgezonderd gedeelte van het onmetelijk grote kamp, in de buurt van de gaskamers en de crematoria. Daar was het depot voor de kleding en andere bezittingen die afkomstig waten van de gevangenen en de mensen die waren vergast. Gevangenen moesten de goedeten sotteten, die vervolgens naar Duitsland wenden gezonden. Werken in 'Canada' was relatief gunstig, omdat er nog wel eens wat eten te versieren viel. 'We hadden allemaal een mes, want 's avonds gingen we op roof uit. Hanna kwam altijd met iets thuis, maar ik durfde niet. Op een gegeven moment werd er gezegd: 'Ruth, je eet wel altijd met ons mee, je moet ook maar eens een keer gaan'. Dat vond ik tetecht. Dus ik kreeg een zaklantaarn en een mes om die rugzakken open te snijden. De andere vrouwen hadden gezegd dat et als ze zouden hoesten of kuchen onraad was en dat ik dan moest zongen dat ik weg was. Maat ik, natuurlijk weer stom, ik had niets gehoofd. Ineens zie ik een zaklantaarn op me gericht: 'Raus!' Ik stond op, hij scheen in mijn gezicht en zei: 'Wat doe je hier?' 'Mijn zuster is ziek,' zei ik, 'en ik zoek een stukje brood voor haar.' Hij kijkt me aan en zegt: 'Zoek maat tot je iets gevonden hebt.' Geluk gehad. Die moffen waren rare kerels hoor, want op een gegeven moment zou er een gezellige middag georganiseerd worden voor de kampbewoners en dan zouden zij komen kijken. Ik had 's nachts gedroomd dat ik met een Belgische vriendin een liedje zou zingen, Die Berliner Bummler. Daar hadden we in Westetbork al eens een liedje op gemaakt met woonden die over het kamp gingen. De volgende ochtend vroeg ik haar of we dat


zouden doen, zij vond het hartstikke leuk. Wie zingen kon mocht optreden, dus we hebben die zondag meegedaan. We hadden een heel leuk liedje gemaakt en dat zongen we. Daar heeft mijn leven vanaf gehangen. Vanaf dat moment waren de mensen die op die middag iets hadden gedaan de Vips. Later, toen we in Ravensbrück waren, vlak voor de oorlog was afgelopen, werd daar een transport samengesteld van 3000 vrouwen. Als het zo'n grote

moest mee naar Duitsland (meer dan 60.000 mensen). Zieken en stervenden werden aan hun lot overgelaten. Duizenden stierven tijdens deze dodenmarsen van honger, kou en uitputting. Wie niet verder kon, werd doodgeschoten. Wekenlang moesten de gevangenen lopen. Uiteindelijk werden zij, vaak in open treinwagons, naar andere, overvolle kampen in Duitsland gebracht. 'Ik kan er weinig over vertellen, we hebben het overleefd. Kun je nagaan,

macht en na bombardementen het vliegveld opruimen. Op 1 mei 1945 kregen ze bericht dat ze naar Zweden zouden gaan. Eén dag voor het vertrek werd dit echter afgelast en moesten ze opnieuw op weg. Uiteindelijk kwamen ze via een aantal kleine kampen steeds dichter bij huis. In Kleef, vlak bij Nederland, ging het niet meer. Ruth had bloedvergiftiging in haar been en hand gekregen en moest met haar zuster in een ziekenhuis achterblijven, terwijl de andere Nederlandse vrouwen van het groepje naar Nederland konden. In het ziekenhuis ging zij zo tekeer dat zij naar Nederland wilde, dat een Amerikaanse ambulance ze tenslotte over de grens bracht, naar Nijmegen.

Terug in Nederland

Foto.

Rob

Huibers

hoeveelheid was, dan wist je dat het niet goed af zou lopen. Dat was de dood, dat wist je. Ineens loopt daar de Hauptscharführer uit Birkenau, dezelfde die er op die middag ook was en die ziet mij staan. 'Bnmmler' zei hij en Hanna en ik en vijf andere Hollandse vrouwen werden er uit gehaald. Omdat ik dat gedroomd had en omdat ik dat liedje heb gezongen, ben ik in leven gebleven. Niet omdat ik slim ben, niet omdat ik moedig ben maar domweg omdat het mijn tijd nog niet was kennelijk'.

Dodenmars Half januari 1945 kwam het Russische Rode Leger snel dichter bij Auschwitz. Daarop besloot de kampleiding Auschwitz-Birkenau te ontruimen. Iedereen die nog komlopen

in januari in een open trein of vrachtwagen, dat weet ik niet meer. Lopen, lopen, lopen. En dan aan de kant allemaal dode mensen te zien die niet meer konden en de SS'ers die je met honden opjagen. Dat beeld heb ik nog, maar ik kan niet vertellen hoe lang het heeft geduurd, ik weet niet waar het heeft plaats gevonden. Ik weet alleen maar dat we uiteindelijk in Ravensbrück aankwamen. Dat kamp was al overvol, er lag sneeuw, er was helemaal geen plaats voor ons. We hebben daar wel een week in de sneeuw gebivakkeerd, buiten, en alleen maar sneeuw gegeten'. Ruth, Hanna en de andere Hollandse vrouwen kwamen terecht in een kamp in de buurt van Ravensbrück. Het lag vlakbij een vliegveld, waar ze kachels moesten stoken voor de lucht-

'In dat ziekenhuis zei de dokter: 'Daar heb je weer zo'n moffenmeid.' Dat was mijn binnenkomst in Nederland. Hij kende me helemaal niet en ik zei niks. De zuster heeft me uitgekleed en toen zag hij dat nummer op m'n arm, dat ze in Auschwitz hadden aangebracht. Toen begon hij haast te janken, maar hij had het wel gezegd. Als troost kregen Hanna en ik een beschuit met aardbeien. Maar we zijn er niet lang gebleven. Er kwam een brief uit Groningen van de Wallages, die hadden het overleefd en daar konden we terecht'. Haar zuster Hanna trouwde met een van de koks uit hotel Hiegentlich, die ondergedoken was geweest en de oorlog had overleefd. Ze emigreerden naar de Verenigde Staten. Ruth bleef in Nederland, trouwde eindjaren '50 en kreeg twee zoons. Zij was gelukkig met haar man en kinderen en stopte de oorlog zo ver mogelijk weg. Maar in 1973 raakte zij in een diepe depressie, mede als gevolg van de Jom Kippoer Oorlog in Israël. 'Mijn jongens zeiden, mam, ga iets doen, kijk niet zo verdrietig'. Bij Vroom & Dreesman in Zeist vond zij een baan op de platenafdeling, waar ze tot haar


pensionering met veel plezier bleef werken. Na het overlijden van haar man, in 1988, kwam er een intens verdriet bij haar los: 'Nou, dan loop je met zo'n gezicht. Je kunt niet lachen, je kunt geen komedie spelen en dan vraag je je af of je zo kan doorgaan. Nee, zo kan je niet doorgaan. Maar dan denk ik aan de mensen van wie ik houd en die van mij houden, daarvoor wil ik leven. Wat hebben ze aan een zielige, treurige weduwe. Wat hebben ze aan iemand die alsmaat met haat leed naar buiten komt. Dat is een wisselwerking. Ik ben door mijn omgeving, door mijn vrienden, door mijn kinderen en vooral door mijn man in staat gesteld om zo te handelen'. Een gedicht van Bill Minco uit zijn boek 'Koude voeten [1997], gaf haat de moed om haar herinneringen aan de Kristallnacht op te schrijven en er over te vettellen.

Voor al uw drukwerk BMÏÏTIISBSMEIMJ

Telefoon: 020 - 696 34 34 / 020 - 696 37 04 Telefax: 020 - 697 47 23

!X

Inpori. van dames- herenen kinderkleding Trouwbaan 38 P O Box 180 2350 AD Leiderdorp Holland

tel. 071 - 589 92 45 fax 071 - 589 63 53 telex 39265 teiriw nl

met

KRUKZIENER'S REISBUREAU

Waarom wil ik nog leven en waarom kan ik nog leven;

'Toen dacht ik, wat Bill kan, kan ik ook'.

B.V.

Schepenbergweg 33 - 1105 AS Amsterdam - Z.O.

'Over leven

ik wil leven voor de mensen van wie ik hou ik kan leven omdat er mensen zijn die van mij houden ik wil vooral ook leven omdat ik overleefd heb ik voel het als mijn plicht te leven ik blijf ondanks alles geloven dat het goede in de mens kan overwinnen.'

PETERS AMSTERDAM

bent u voordeliger uit in Israël

KRUKZIENER'S REISBUREAU Amsteldi|k 166 (Gebouw Rivierstaete) - 1079 LH Amsterdam Telefoon. 020-6426133 FAX 020-6424387

VV.OOOm

Van harte welkom bij vanderVeen Assen

Carry van Lakerveld

Het meest gespecialiseerde warenhuis van Nederland met 6 0 speciaalzaken onder één dak!

V

VANDERVEEN WARENHUIS-ASSEN

Tel. 0592-311611 Fax 0592- 310351


Sowieso naar Sobibor Een belangrijke traditie van het Nederlands Auschwitz Comité is een tweejaarlijkse - zesdaagse pelgrimage langs de vernietigingskampen in Polen. Een verslag van een emotionele en inspannende reis. De eerste sneeuw is al gevallen, zie ik tot mijn schrik als het vliegtuig met de deelnemers aan de tweejaarlijkse reis van het Nederlands Auschwitz Comité (NAC) naar de voormalige vernietigingskampen is geland in Warschau. Vijf jaar geleden lag er ook sneeuw. De sluimerende ongerustheid van de afgelopen weken neemt nu in volle hevigheid bezit van me. Je kan jezelf wel voor de gek houden, maar het vorige bezoek aan Polen was - eerlijk gezegd - geëindigd in een vlucht. De journalistieke aanleiding in 1993 was dat 50 jaar eerder het eerste transport van joden uit Westerbork naar Sobibor ging. Er zouden tussen maart en juli 1943 nog 18 treinen volgen naar dit kamp, waar alleen al uit Nederland meer dan 33.000 joden werden vermoord. Verdrongen herinneringen komen weer naar boven. Hoe de fotograaf en ik per auto naar de grens met Oekraïne glibberden. De schok dat

er van dit vernietigingskamp niets meer over is dan een asheuvel. Hoe oude keuterboertjes in de omgeving hun onbeschaamde getuigenissen aflegden van wat zich daar had afgespeeld... Daarna reden we naar Auschwitz. Voor een verhaal over het verval van wat er van dat complex over is. Over het prikkeldraad dat wegroest. Over de in het museum uitgestalde bergen afgeknipt haar, schoenen, koffers en brillen van de slachtoffers, die niet ontsnappen aan de tand des tijds. Wij hadden afgesproken dat wij na het interview met de conservator een nieuw bezoek zouden brengen aan het verderop gelegen kamp Auschwitz II, beter bekend als Birkenau, waar 1,5 miljoen joden zijn omgebracht. Enkele jaren eerder, ten tijde van de zogenoemde 'kloosteraffaire', hadden we deze dodenakkers al eens bezocht. Maar een blik van verstandhouding was genoeg, we wilden weg van dood en verschrikking. We stapten in de auto en reden meteen naar de dichtstbijzijnde grenspost. Toen we later op de dag in Tsjechië werden bekeurd wegens te hard rijden, hadden we elkaar al een belofte gedaan: nooit meer Auschwitz.

Einde van de wereld Vijfjaar later. „Het wordt een moeilijke reis", herhaalt Jacques Grishaver tijdens het diner in het Holiday Inn in Warschau. Op de introductiebijeenkomst in de synagoge van de Liberaal Joodse Gemeente (LJG) in Amsterdam heeft de voorzitter van het Nederlands Auschwitz Comité vorige maand dezelfde waarschuwing laten horen. „Voor velen van u zullen de emoties hevig zijn. U zult echter altijd een schouder in uw nabijheid weten. Want we vertrekken misschien als vreemden voor elkaar, maar zeker is dat we als vrienden terugkomen." Grishaver kan het weten. Van de tweejaarlijkse reizen die in 1986 begonnen, heeft hij de laatste zes meegemaakt. Meestal als organisator, met naast zich penningmeester Joop Waterman. Door ervaring wijs geworden, hebben ze de route voor dit zesdaagse bezoek aan Polen zorgvuldig samengesteld: eerst naar AuschwitzBirkenau, waarvoor anderhalve dag is uitgetrokken. Vervolgens de lange rit naar Lublin, waar in een buitenwijk Majdanek ligt, het kamp waar meer dan 360.000 mensen werden vermoord. Veel joden, maar niet of nauwelijks afkomstig uit Nederland. Toch is voor deze bestemming gekozen, omdat in tegenstelling tot de rest van de vernietigingskampen in Majdanek alles nog overeind staat, tot en met de gaskamer en het crematorium. Tenslotte gaat de tocht van de ruim 90 deelnemers aan de 'Polen-reis' naar Sobibor, in de uitgestrekte bossen waar de wereld voor de slachtoffers ophield.

Stap Hoe zwaar en macaber deze pelgrimage ook is, de belangstelling bij de door de Holocaust gedecimeerde joodse gemeenschap in Nederland is


enorm. Vooral onderduikkinderen en de na '45 geboren kinderen van overlevenden — de zogeheten tweede generatie - melden zich aan. Vijftigers inmiddels, die zelf soms al grootouder zijn en die eindelijk de stap durven te nemen naar de plaatsen waar zoveel familieleden zijn vergast. Gebtuikelijk bij deze reizen is dat er ook overlevenden meegaan om ter plekke uitleg te geven en hun eigen verhaal te doen. Met het verstrijken van de jaren wordt het voor het Auschwitz Comité (ooit opgericht door overlevenden) steeds moeilijker om deze belangrijke traditie in ere te houden. De meeste overlevenden zijn overleden of te slecht van gezondheid om nog aan zon emotionele en inspannende reis deel te nemen. Zeker als die tocht - alweer zo'n traditie - in november plaatsheeft. Joop Waterman: „We willen de mensen toch iets meegeven van de ontberingen die hun omgekomen grootouders en andere familieleden in Auschwitz en Sobibor moesten ondergaan." Het sneeuwt weer als het gezelschap in twee volgepakte bussen vanuit Warschau richting Auschwitz rijdt. Van de drie overlevenden die hadden toegezegd mee te gaan, is alleen Lenie Boeken (76) gekomen. De anderen moesten wegens problemen met de gezondheid afhaken. Boeken, die door de overigen al snel liefdevol met 'tante Leentje' wordt aangesproken, was er in 1996 ook bij. Toen met haar zoon. Nu met haar kleindochter Arita (22). Veel keus had deze niet. „Je gaat op reis", had haar vader een week eerder gezegd. „Naar Thailand?", vroeg ze verwachtingsvol; ze wilde altijd al zo graag naar dat vakantieland. „Nee", was het antwoord, „je gaat met je grootmoeder naar Polen."

Smartelijk Laat in de middag arriveren de bussen in het Stammlager Auschwitz I. Nadat de poort met de drie vervloekte woorden Arbeit macht frei is gepasseerd, volgt een eerste rondleiding door de gebouwen waar de koffers,

brillen en andere bewijzen van de misdaden liggen uitgestald. „Mijn God", klinkt het smartelijk op als de berg afgeknipt haar van de nazislachtoffers in zicht komt. Niemand zegt iets, maar je weet wat iedereen zich afvraagt: ligt hier ook het haar van mijn grootmoeder, de koffer van

van omgekomen familieleden af te roepen. Nu pas wordt duidelijk welke last de meeste deelnemers meedragen: ,,Ik herdenk mijn in Auschwitz vermoorde familieleden: mijn oma Hanna Ossendrijver-de Vries, de zusters en broers van mijn vader Cato Frank-Ossendrijver, Alexander

m

mijn vader, het brilletje van m'n nichtje... De dag wordt afgesloten in Block 27 waar het Istaëlische paviljoen is gevestigd. Daar zal rabbijn Sonny Herman de herdenkingsplechtigheid leiden en 'kaddisj zeggen', het gebed v o o t de doden. Herman die altijd meegaat, is behalve een zeer liberale voorganger ook psychotherapeut. Geen individuele wens om vermoorde nabestaanden te gedenken blijft door hem onbeantwoord. Hoewel niemand uitgesproken religieus is, groeit Herman deze dagen in Polen toch uit tot geestelijk leidsman. Van mensen die vaak door huwelijk of andere omstandigheden van het joodse leven zijn afgedreven, maar die hun 'nesjommê (joodse ziel) hebben behouden. Sonny is het cement van de groep, zoals in het vervolg van de tocht steeds duidelijker wordt. Van religieuze wetten en gebruiken mogen de meesten dan weinig afweten, ze hunkeren wel naar symboliek die hun verdriet vorm geeft. Herman nodigt daarom iedereen uit, die daartoe behoefte gevoelt, om de namen

Ossendrijver, Abraham Ossendrijver, Rebecca Vleeschdrager- Ossendrijver, mijn broertje André Herman Ossendrijver, mijn opa van moeders kant Emanuel Hartog...7 Honderden namen vallen daar in het Israëlische paviljoen. Er wordt gehuild, mensen proberen elkaar te steunen. Eddy Philips (52) leest de afscheidsbrief voor van zijn grootvader uit Westerbork: "Niemand kan van mij horen en voelen wat er in mij omgaat (...) Ik zal werken tot ik niet meer kan, als ze ons maar niet te veel pijnigen, want daarvoor ben ik zoo bang..." De kleinzoon heeft de brief onlangs na de dood van zijn moeder gevonden. Rabbijn Herman zegt hierna de gebedenjizkor voor de slachtoffers van de Holocaust - 'Laat hen in vrede rusten daar waar hun resten zich bevinden' - en tenslotte kaddisj. Vooral om dat laatste gebed te 'zeggen' op de plek waar hun naasten zijn omgekomen, hebben velen hun angsten opzij gezet. „We maken dezelfde reis als onze ouders, grootouders. Met dat verschil


dat wij een retourbiljet hebben", zal iemand later opmerken. Onuitgesproken verdriet Als Block 27 na de herdenking en veel onderlinge omhelzingen leegstroomt, is de avond al gevallen. Meteen volgt de ontnuchtering: het hek met Afbeit macht ftei' is al gesloten. We kunnen het kamp niet uit. Pas na veel speuren blijkt in de buurt van het kleine crematorium nog een poortje open te staan. Opvallend genoeg is niemand doot dit incident in paniek getaakt. Het heeft waarschijnlijk te maken met het groeiende groepsgevoel, waarover Grishaver op de introductiemiddag en later in Warschau sprak. De sfeer is ook veranderd. Nu bijna iedereen zich met zijn verdriet heeft blootgegeven, vetdwijnen de reserves, 's Avonds in het hotel komen de verhalen los. Verhalen die duidelijk maken dat de oorlog in '45 niet was afgelopen. Althans niet voot deze mensen, de ovetlevenden en hun kinderen; de tweede generatie. Vijftigets nu, maar toen jongens en meisjes met wie ik speelde en bij wie ik als middelbare scholier thuis kwam. Toen al voelde ik daar vaak - ondanks alle vrolijkheid en hartelijkheid - een zekere spanning. Het onuitgesproken verdriet, dat je niet kon plaatsen en waai je ook zorgeloos langs heen leefde. Zoveel ouder en misschien iets wijzer, wekt die houding bij mij nu iets van schuldgevoel op. Zeker als Sonny Herman tijdens een van zijn toespiaakjes de woorden van Elie Wiesel aanhaalt, dat niet haat de vijand van de liefde is, maai de onvetschilligheid. Het is de dooi oudeis gezochte stilte die de tweede genetatie nu paiten speelt en hen de afgelopen jaren vaak in de armen van de hulpverlening heeft gedreven. „Bij ons thuis hingen poitietten aan de muur van de omgekomen kinderen van mijn vader uit zijn eerste huwelijk", vertelt een man, „maai ik dutfde et nooit naai te viagen. Mijn vadet had de

ootlog gewoon uitgebannen." Een houding die je bij zoveel ovetlevenden tetugvond. Het was van tweeën één: of ei weid ovet niets dan de ootlog gesproken, of er werd gezwegen. Vaak werd dan ook nog de joodse afkomst verdrongen, die had al vooi zoveel ellende gezotgd. Vootal de kindeten uit gezinnen van het Giote Zwijgen lijken deze Auschwitz-ieis mee te maken. Vaak zelf gemengd gehuwd, zijn ze nu op zoek naai hun wottels. In Polen probeten ze op de dodenakkeis hun omgekomen familieleden weet een naam te geven tussen die miljoenen naamlozen. De gaten in de familiegeschiedenis woiden opgevuld. Sommigen diagen de last van het velleden letterlijk mee. Renée van de Hulle-Ossendrijver heeft een zak met vijftien stenen meegenomen, voor elk omgekomen familielid één. De afgelopen weken heeft ze de namen er met goudverf opgeschreven. Samen met haat niet-joodse man en met Sonny Heiman zal ze een deel van de stenen leggen bij een van de opgeblazen crematoria in Birkenau. De rest is voor Sobibor.

gekomen. Tot de groep behoren ook twee zeer Rotterdamse zussen, wier joodse vader in Auschwitz is omgekomen. Met hun niet-joodse moedet groeiden ze na de oorlog op zonder Tora en halacha (richtlijnen voor het dagelijkse leven). „Ik geneei me dat ik eigenlijk niets van dat geloof afweet", bekent de jongste „We wisten niet of we wel mee moesten gaan met deze joodse mensen. Het zou zo gek staan". Hun vrees om buiten de gtoep te vallen, blijkt ongegtond. Toch blijven ze angstig. De oudste: „Onlangs heeft een buurvrouw geroepen dat ze ons hadden moeten veigassen. Ik heb een aanklacht ingediend bij de politie, maat die kon daai niets aan doen. Die buurvrouw is inmiddels vertrokken, maar nu woont er op onze trap een Duits gezin. We hebben daarom onze naam liever niet in de krant, want je weet maar nooit..." De volgende dag keett het gezelschap tetug naai Auschwitz. Na de lunch is Bitkenau aan de beutt. Bij het grote monument zegt tabbijn Herman weer jizkor en kaddisj en legt Lenie Boeken het uit Nederland meegenomen bloemstuk (rode rozen) op de plaquette met de Nederlandse tekst.

Grote weerstanden zijn overwonnen om met deze reis mee te gaan. En niet alleen omdat de plekken wonden aangedaan waar familieleden zijn om-

'Tante Leentje' vervult nu haar rol als gids. Zelf zat ze (onder meer met Anne Frank) in het laatste transport dat op 3 september 1944 uit Westetbotk


naar Auschwitz vertrok. In november van dat jaar werd ze overgebracht naar een kamp in Tsjecho-Slowakije om daar fosforgranaten te vullen. Nog steeds verbaast ze zich erover dat juist zij het heeft overleefd: „Ik was altijd een zwak en ziekelijk kind." Ze maakt haar rol van destijds niet mooier. „Als daarmee een extra stukje brood was te verdienen, ging ik lijken stapelen." Bij haar rondgang over Birkenau merkt tante Leentje dat ze niet meer weet in welke barak ze heeft gezeten.

ken in het emotioneel wankele bestaan? Zoals de oprichters in de eerste jaren van het Auschwitz Comité ook een jaarlijkse bonte avond met bekende artiesten organiseerden in het toenmalige hoofdstedelijke Minerva Paviljoen. „Je draagt altijd een pakketje leed vanl 5 procent met

de grens met Oekraïne de pelgrimage afgesloten. De dag wordt nog langer dan gepland. In de schaduw van de enorme asheuvel van Majdanek krijgt een van de bussen panne; een bevroren leiding. Er moet een nieuwe bus komen. Voorzitter Grishaver stelt de

je mee", typeert eerder een van de deelnemers zijn eigen 'sores': „als je je verdriet elke dag 100 procent de kans geeft, kom je al gauw in de Sinaïkliniek (joods psychiatrisch ziekenhuis in Amersfoort) terecht."

groep gerust: „Wat er ook gebeurt, we gaan sowieso naar Sobibor." Met een vertraging van drie uur wordt aan de laatste etappe begonnen. De spanning stijgt weer. Een enkeling wil daar nog meer doen dan zijn doden betreuren. Een man vertelt over zijn grootmoeder die in Sobibor is vermoord. „Mijn grootvader heeft het overleefd, nadat hij bij zijn vriendin was ondergedoken. Oma kon ook onderduiken, maar wilde dat alleen met haar man. Op de plek waar ze is omgekomen, zal ik mijn grootvader die inmiddels ook is overleden, namens mijn grootmoeder vergiffenis schenken. Ik zal Sonny Herman vragen mij daarbij te helpen." De avond valt al als de bussen parkeren bij het stationnetje van Sobibor. In de bus leest Judith, de vrouw van penningmeester Joop Waterman, voor uit het relaas van Jules Schelvis, een van de weinige overlevenden van dit vernietigingskamp. Slechts 47 mensen overleefden deze hel waar 250.000 joden werden omgebracht. Ze waarschuwt ook voor mogelijke 'provocaties' van Polen in de omge-

' Buitenstaanders' „Ik begin met het Boek Esther om de wortels van het antisemitisme bloot te leggen", zegt de leraar godsdienst als de bussen de volgende dag op weg zijn naar Lublin. Met zijn collega geschiedenis is hij de 'sjoa' (vernietiging van de joden) aan het 'inkaderen' in het komende lesprogramma voor zijn leerlingen op een protestantschristelijke scholengemeenschap in Rotterdam. Het duo behoort tot het groepje 'buitenstaanders' dat meereist. Onder hen vertegenwoordigers van de Anne Frank Stichting, het Centrum '40-'45, kamp Westerbork en het ministerie van VWS. Het Auschwitz Comité hecht er aan dat ook deze instanties, die vaak nauw zijn betrokken bij de hulpverlening dan wel strijd tegen racisme, er bij zijn. De lange rit naar de Oostpoolse stad wordt door organisatie en deelnemers gezien als 'rustdag': morgen zijn Majdanek en Sobibor aan de beurt. Nu Auschwitz achter ons ligt, volgt een ontlading die door buitenstaanders waarschijnlijk als bizar wordt aangemerkt, maar die zo verklaarbaar is. In een van de touringcars, die de naam krijgt van de 'warme bus', worden moppen verteld. In de andere bus wordt gezongen (De uil zat in de olmen en Hava Nagila). Sommigen vinden dat ongepast, al klaagt niemand. Is dit ook niet een vorm van overleven? Een balans zoe-

Uitersten Tijdens deze reis van uitersten is het heel normaal dat mensen, die overdag bij de opgeblazen crematoria van Birkenau kaddisj zeggen voor hun grootouders , 's avonds een gokje wagen in het casino van Hotel Continental'm Krakau. Dat kleindochter Arita met een achternichtje giebelt tijdens het diner, terwijl 'tante Leentje' een stoel verder de mouw opstroopt en haar buurman uitleg geeft over het getatoeëerde nummer op de arm. De poolwind en fijne sneeuw geselen de volgende morgen de bezoekers van Majdanek. De laatste zware dag met ook nog de tocht naar Sobibor is aangebroken. Morgen staat voor terugkeer naar Nederland nog een bezoek aan het getto van Warschau op het programma, maar voor de meesten wordt daar in de wouden bij


ving. Op de vorige reis werden ze uitgescholden. Toch tealiseer ik me juist daar, waar ooit de gaskamers stonden en w a a t nu aan het einde de asheuvel ligt, dat de onrust die in het vliegtuig naar Warschau zo'n bezit van me nam, is vetdwenen. De veiligheid van de groep, dat emotionele vangnet, waat de deelnemers zo'n behoefte aan hadden en dat er voor heeft gezotgd dat de medische bijdtage van de arts Wim Wertheim beperkt blijft tot het verstrekken van neusdruppeltjes en aspitienties, heeft ook mij geholpen. De besneeuwde asheuvel lijkt op een paddestoel met een witte muts. De kleine dennetjes die er vijf jaar geleden onbeschaamd wortel op hadden geschoten, zijn verwijderd. Iedereen heeft van Judith Waterman en Loes Grishaver (vrouw van de voorzittet) een kaarsje (waxinelichtje) gekregen. Ook wotdt er een bloem aangereikt. Op de schoongeveegde betonnen heuvelland komen de aangestoken kaatsjes te staan. Omdat het windstil is, brandt et een lint van licht. Sommigen maken een nis in de sneeuw, planten daar hun bloem, kaarsje en foto's van de omgekomen familieleden. Een vrouw zingt aan de achterkant van de heuvel een teligieus lied. Weer worden de namen van overledenen afgeroepen, als vervolg op Auschwitz: ,,Ik herdenk mijn in Sobibor vermoorde familieleden: de broer van mijn vader Samuel Ossendrijver, de zus van mijn vader Schoontje Broekhuijsen-Ossendrijver, mijn oma van moeders kant Rozelina Hartogde Groot..." Emoties komen weet los. Iedereen zoekt steun bij elkaar. Opeens klinkt in de vallende duisternis: „Tyfus, tering Duitsers!" Schrik alom. Is dit zo'n provocatie van Polen waar Judith Waterman op doelde? De rust keert weer als duidelijk wordt dat het een woedende noodkreet uit de eigen geledeten is. Sonny Herman zegt weer jizkor en kaddisj. Hij drukt handen; wenst iedereen 'een lang leven'. „Het wotdt beter", zegt hij nog, zonder veel over-

tuiging. Als we daarna naar de bus lopen, is in de vrieskou nog het gloeiende kaarslint te zien.

Een naam gegeven Ondetweg naar Warschau vult de bus zich met tevredenheid: de zware taak is volbracht. Sommigen zullen over twee jaar tetugkomen, met broer, met kind, met pattnet. Het verdriet zal nooit mindet worden, maar er is een ereschuld ingelost. Ze hebben kaddisj gezegd, de doden een naam gegeven. „Ik heb w e e t een grootmoedet", zegt een v t o u w , „tot dusvet ik sprak altijd ovet de moeder van mijn vader." Vreemd genoeg voel ik zelf ook voldoening. Waarom ben ik eigenlijk toch meegegaan op deze reis? Misschien om de 'schande' van mijn

Zien leidt tot gedenken, (Babylonische Talmoed)

vlucht in 1993 uit te wissen? De sabbat is op deze vrijdagavond al uren begonnen als we weer in het Holiday Inn in Warschau arriveren. Toch wordt het late dinet begonnen met kiddoesj, het gebed en de wijn waarmee de sabbat wotdt ingewijd. Sonny Herman, die geen religieuze scherpslijper is, zegt tegen de groep: „Heel de week hebben we met de dood te maken gehad. We hebben afscheid genomen en geprobeerd balans in ons leven te btengen. Vanavond heerst et een andete sfeet. Kiddoesj is een verbintenis met het leven. Op de sabbat mag niet worden gerouwd..." Theo Gerritse Dit verhaal verscheen eerder in het Algemeen Dagblad.

gedenken

iüüds historisch

leidt tot doen

museum

Jonas Daniël Meijerplein 2-4, Amsterdam Dagelijks open van 1 1 - 1 7 uur

Hollandsche Schouwburg Plantage Middenlaan 24, Amsterdam Dagelijks open van 11 - 1 6 uur Toegang gratis Voor onze meest recente informatie k u n t u onze website raadplegen: W W W . J H M . N L

K A P S A L O N VAN

KENTRON A D V I E S G R O E P

W E E R D E N B U R G

"Gewoon Behandeling

de

beste"

volgens

makelaars in assurantiën B.V.

Stroombaan

4 - 1181 VX

Postbus 608 -1180 AP

Amstelveen Amstelveen

Telefoon 020 - 6437 UI Telefax 020 - 6457 084

Zocherstraat 5 1054 LP Amsterdam Tel. 020 - 612 7354

afspraak


Vuile h a n d e n In de zomer werd hij meer gepest dan in de winter.

suède handschoenen, gevoerd met lamsbont.

Hoe kouder het werd, hoe meer hij leek op de andere mensen van zijn dorp. De problemen begon-

"Je voelt zelf wel dat het zo niet meer kan, Eduard."

nen in de lente. Als de eerste sneeuwklokjes hun

Dorrie ging naast hem zitten op de bank. Ze pro-

witte kopjes boven de aarde uitstaken, als het gras

beerde zijn hand te pakken. "Hoe lang wil je nog zo

werd bedolven onder gele en paarse crocussen wist

doorgaan? Het wordt steeds erger. N u wil je zelfs

hij dat het moeilijkste seizoen van het jaar spoedig

niet meer dat ik je nagels knip en je wil niemand

zou aanbreken. Schoolkinderen in dunne

meer een hand geven. Er moet iets gebeuren."

kleren

zouden weer schreeuwend achter hem aanrennen:

"Je weet heel goed dat mensen dood gaan als ik ze

"Hé, ga ja naar de Noordpool?"

een hand geef."

"Moet je geen bontmuts op?"

"Dat was niet jouw schuld. Begrijp dat toch eens.

"Waar zijn je winterlaarzen?"

Jij hebt die stinkoorlog niet gemaakt. Elf jaar was

Ieder jaar nam hij zich voor het te proberen en ie-

je. Je bent nu twee en veertig en..."

der jaar voelde hij dat zijn pogingen zouden mis-

Hij legde zijn handen in zijn schoot.

lukken. De tijd was voorbij dat iedereen geloofde

"Toe dan maar," zei hij. "Zoek maar hulp. Zo kan

dat een gemene uitslag op zijn handen hem dwong

het ook niet langer."

ook in de zomer dikke handschoenen te dragen. Soms, als Dorrie niet thuis was probeerde hij naar zijn naakte handen te kijken. Hij bekeek zijn vin-

Zo bang was hij voor wat hem te wachten stond

gers, de lange nagels, de stevige duim. Van wie wa-

dat Dorrie genoodzaakt was een nieuwe onder-

ren deze grote handen? Waren dit dezelfde als de

broek voor hem te kopen in de Hoofdstraat dicht

kinderhanden die in oktober 1942 twintig mensen

bij de kliniek voor verwoeste mensen. Het was

de dood hadden ingejaagd?

14.00 uur. O m 14.30 hadden ze een afspraak met

Waren dit de kinderhanden die eens, uren achter

de direkteur.

elkaar toonladders en études van Czerny op de grote

Een week geleden had hij zelf opgebeld naar de

vleugel hadden gespeeld?

kliniek om te vertellen dat hij bang was gek te

Hij keek, zoals gewoonlijk, over zijn rechterschou-

worden .

der naar de figuren in het Perzisch tapijt toen hij zijn schuldige vingers opnieuw gevangen nam in

Hij was bijna in tranen toen de direkteur na een


lang gesprek Dorrie een hand gaf, naar hem

aquarel, met houtskool. Handen... handen...

knikte en zei dat hij van harte welkom was. "EĂŠn

handen. Hij kwam tot de ontdekking dat hij nog

keer per week op dinsdag. Schikt u dat?"

gekker werd dan hij al was.

Tot zijn grote verbazing dwong niemand hem die

Het was de zesde week toen hij besloot in de grote

eerste dinsdag zijn handschoenen uit te trekken.

ruimte te gaan zitten zonder iets te doen, doods-

Leonie, de psycholoog, zat rustig tegenover hem,

benauwd als hij was voor de handen die in zijn

een laag tafeltje tussen hen in. H e t verbaasde hem

kop leefden en zich naar buiten drongen op wit

dat hij zo afstandelijk kon praten over zijn

papier. Hij begreep niets van de andere verwoeste

onderduiktijd. Toen het eerste uur voorbij was

mensen, die schilderden, tekenden en plakten of

had hij niet anders gedaan dan het tellen van zijn

h u n leven ervan afhing. Had hij even niet goed

onderduikadressen.

opgelet? Voor hem lag plotseling een groot stuk

Hij was bijna in tranen toen ze afscheid van hem

klei dat er een paar sekonden geleden nog niet

nam met de volgende woorden:

had gelegen. Het lag daar zo uitnodigend dat hij

"We komen er samen wel doorheen."

het even moest aanraken. Het kon hem niet schelen dat de wijsvinger van zijn handschoen

Gelukkig kon hij zijn handschoenen aanhouden

vuil werd.

als hij tekende en schilderde in de grote ruimte

Het was of de klei tegen hem sprak, hem uitno-

waar de geur hing van lijm en terpentijn. Het

digde even, even maar zijn ene handschoen uit te

eerste verzoek van de 'juffrouw', zoals hij de

trekken. Hij deed wat de klei had gevraagd, trok

creatief therapeute noemde, was om uit te beel-

zijn rechterhandschoen uit. De klei voelde glibbe-

den hoe en waar hij het liefste zou willen wonen.

rig en zacht onder het topje van zijn duim en wijs-

Ze gaf hem een stuk houtskool. Voor hij het wist

vinger.

verscheen op het witte papier een oosters uitziend

D e klei werd een vrouw die zou zijn doorgebogen

kistje met hangslot en handvat. H e t stond in een

als hij haar niet had gesteund met zijn ontblote lin-

bos van kale bomen. Zo wilde hij wonen.

kerhand. Hij keek verbaasd naar de andere menselijke gestalten die uit zijn vingers kwamen. Man-

In de weken die volgden schilderde hij een bran-

nen, vrouwen, kinderen...

dende stad, een etalage met bromfietshelmen en

Hij had nog net genoeg kracht om ze te tellen. Twin-

een draaimolen.

tig. Toen boog hij zelf door, net als de eerste vrouw

Daarna... alleen maar handen. Met olieverf, met

die hij had geschapen.


Een arm om hem heen, de zachte stem van Diet, de

"Je wil het vertellen?"

juf: "Wie zijn het, Eduard?"

Hij knikte.

Hij aarzelde even.

" O m d a t mijn vader bij de Joodsche Raad werkte.

"Eduard?"

En weet je wat hij daar deed? Hij smeerde broodjes

"Mensen die tegelijk met mij werden opgepakt en

voor de mensen die weg moesten."

die ik allemaal een hand heb gegeven toen... toen...

Hij stond op, pakte haar hand.

ons gezin terug mocht naar huis. Zij moesten blij-

"Geloof me alsjeblieft. Hij was geen collaborateur.

ven. Ik heb ze nooit meer gezien. Ze zijn allemaal

Hij smeerde alleen maar broodjes. Geloof je me?"

dood en ik heb ze een hand gegeven."

Ze knikte.

"Jij mocht terug?" Weer die zachte stem. "Waarom vraag je niet waarom wij terug mochten?"

Ida Vos

Joods monument aan de Herenweg in Groningen van Edu Waskowsky. (foto: John Stoel)


De klaprozen Ik heet Maartje.

beter hebben. Van jou houdt hij écht'. Ze waren

Ik ben de jongste dochter van Sam en Riwka

feller, kwader dan ik toen hij mij uiteindelijk in de

Goudsmidt. Ik ben lang na de oorlog geboren maar

steek liet. Misschien kon het me niet genoeg sche-

zij wilden mij geen joodse naam geven opdat niéts

len, ik had hen immers. Ik was nooit alleen, wan-

mij zou kunnen verraden. En vergaten het gevaar

neer ik maar wilde kon ik bij ze eten en slapen, en

van de achternaam.

ik had het druk met school. Ik hield van de kinde-

Ik heet Maartje, ik ben zevenendertig, vorig jaar is

ren uit mijn klas maar ik moet bekennen dat ik

ook mijn vader overleden.

moeite had met mijn collega's. Ik voelde me niet op

Aan jodendom deden wij niets. We aten dat wat

mijn gemak bij ze, 's morgens liep ik haastig door

verboden was, deden dat wat verboden was, ik wist

naar mijn eigen lokaal en vermeed de lerarenkamer,

niet beter.

ik zou niet weten wat ik zeggen moest. Er zijn er

Ik ben niet getrouwd, ik heb geen kinderen. Al mijn

wel een paar die aardig zijn, die me vriendelijk groe-

zusters zijn getrouwd en hebben kinderen. Ik ben

ten.

de jongste, de jongste van vijf meisjes. Mijn ouders

Het liefst zou ik nu met Jetske Berg willen praten.

hadden na de oorlog maar één wens, en die wens

Nadat ze wist van mijn minnaar, zocht ze toenade-

was veel kinderen te krijgen en daarmee de leegte te

ring en fluisterde dat wij beiden geen tijd hadden

vullen.

om te slapen 's nachts, en knikte veelzeggend naar de anderen. Misschien zocht ze mij omdat haar

Ik heb een heerlijke jeugd gehad. We hebben alle

ouders in een jappenkamp hadden gezeten en ze

vijf een heerlijke jeugd gehad. Ik kon er geen af-

wist van Sam en Riwka al heb ik daar nooit veel

scheid van nemen. O o k toen ik een eigen huis had

over gezegd. Jetske Berg is met haar geliefde ge-

en op school werkte ging ik elke dag naar mijn

trouwd en heeft onze school verlaten, waar ze woont,

ouders. O f ik belde ze, of zij belden mij, soms een

weet ik niet.

paar keer per dag.

Ik heb nu zo veel tijd over. Ik weet niet goed wat ik

Natuurlijk ken ik de liefde. Ik heb een verhouding

ermee moet, ik doe niets anders dan denken en den-

gehad met een getrouwde man. Die verhouding

ken, mijn hoofd is murw. Nooit hebben Sam en

heeft jaren geduurd. Mijn ouders stonden achter

Riwka ons iets verteld over het jodendom, het be-

me, ze steunden me. Ze zeiden: 'waarom gaat hij

stond eenvoudig niet, het was afwezig, zoals familie

niet weg bij zijn vrouw! Met jou zal hij het veel

afwezig was. Wij hadden geen grootouders, geen


ooms, geen tantes, geen neefjes, geen nichtjes. Er

breeuwse, de vertaling en daarnaast één in klanken

werd niet over geldaagd. We hadden ze niet nodig,

uitgeschreven.

ons gezin was groot genoeg, daar hadden ze wel voor

In het weekend maak ik afspraken met Rolien, ze

gezorgd. Later kwamen de schoonzoons en de klein-

heeft de klas naast de mijne. Door het raampje in

kinderen, we pasten maar net in het huis.

de deur kan ik soms in een flits haar achterhoofd

Mijn ouders hebben zich laten begraven op een

zien, het donkere, vettig opgestoken haar, en met

joodse begraafplaats. D a t hebben ze in stilte beslo-

afgunst zie ik hoe haar vingers speels de aanwijs-

ten, zonder ons erin te m e n g e n . Alsof ze zich

stok laten veren, alsof lesgeven geen enkele inspan-

schaamden.

ning kost. Het is doodstil in haar lokaal, ze zeggen

Mijn vader zei kaddish voor Riwka, het gebed voor

dat zij de beste is op school, de beste lerares. Rolien

de doden. Hij bedekte zijn hoofd, en zong. Verbijs-

en ik gaan naar de film, soms naar het strand en een

terd keken we naar hem, was dat onze vader? N o g

enkele keer huren we een roeiboot. Ik weet niet of

geen twee maanden later werd er voor hem een

ik haar zo aardig vind, maar er is niemand anders

vreemde bijgehaald, wij k o n d e n i m m e r s geen

en ik houd het niet uit alleen, en op die manier is

kaddish zeggen, we mochten het niet eens want wij

het toch wel plezierig.

waren dochters, en alle dochters hadden een niet-

Ik had alleen nooit zo openhartig moeten zijn. Wat

joodse man getrouwd. Er werd een vreemde ge-

heeft zij met jodendom te maken, waarom zou haar

vraagd die met ijle stem van onder zijn baardje de

dat interesseren? Ik heb haar verteld dat ik geen ham

woorden zong, en weer dompelden de mij vreemd

eet. Vroeger wel, maar nu niet meer. Ik moest haar

bekende kleuren en klanken onder in melancholie,

dat wel zeggen. We zaten in een café, we hadden

en heimwee naar wat ik nooit had gekend.

kilometers gelopen, er waren alleen nog broodjes

Waarom hebben ze ons er niets over gezegd? Heb-

ham over. 'Nee, laat maar,' zei ik. Ze keek me on-

ben ze er spijt van gehad, spijt dat ze ons niets heb-

gelovig aan, 'en je had zo'n honger!'

ben meegegeven? Ik zou het mijn zusters kunnen

Verder had ik niet hoeven gaan, ik had mijn m o n d

vragen, maar die zijn niet bezig met joods-zijn, ze

kunnen houden, maar ik begon te praten. Ik ver-

hebben h u n kinderen, ze werken. Later misschien.

langde zo naar een vriendin, naar iemand die zou begrijpen waar ik naar zocht, wat ik miste, over mijn

Deze winter heb ik in mijn eentje chanoeka gevierd.

verdriet, het grote verdriet van onze ouders, én dus

Ik heb kaarsjes aangestoken, elke dag eentje meer,

ook van ons. Want dat had ik voor het eerst begre-

en de tekst gezegd, het gebed. Ik heb net zolang

pen. Ik ging maar door, ik brak open, ik weet niet

gezocht tot ik een boek vond met teksten - de H e -

wat me bezielde, zo goed kende ik Rolien niet. Haar


ogen stonden waterig. 'Maar', zei ze, 'die zes mil-

daar dan plaats voor? Toen pas kwam de pijn. Alsof

joen, daar zou helemaal geen plaats meer voor zijn.

ze me had geslagen, alsof ze me met de rug van haar

Waar zouden die dan moeten wonen?'

hand, met de knokkels van haar hand, midden in

Verdwaasd keek ik op, mijn handen hielden zich

mijn gezicht had geslagen.

vast aan het glas thee dat lauw was geworden. Had

Thuis schreef ik haar een brief. Daarna ben ik naar

ik haar wel goed verstaan? Was het geen vergissing,

de begraafplaats gegaan, sinds die gebeurtenis ga ik

of een spelletje dat mijn eigen hersens met me speel-

daar elke dag heen. Naar de plek waar Sam en Riwka

den? Ze leek oprecht, ze was zich van geen kwaad

onder de grond liggen uitgestrekt met aan h u n

bewust en het vreemde was dat ik dacht te begrij-

hoofdeinde twee stenen tafelen waarop h u n namen

pen wat ze bedoelde: zes miljoen mensen, dat is niet

staan in dromerige Hebreeuwse letters. Het is een

niks, waar moesten die dan staan en wonen, was

woestijn vol doden, niet alleen is de aarde dor en stenig maar ook de lucht erboven lijkt van steen, er zijn geen vogels, geen krekels, geen mieren. Waar je ook kijkt rijzen grauwe gedenkstenen op, ze golven voor mijn ogen. Heel in de verte, voorbij de hoge muur die het terrein omsluit, staan de huizen van de levenden. Ik zit op de grond en leun beurtelings tegen de steen van Riwka en die van Sam. Voor ik ga zitten leg ik er een kiezeltje bovenop en zeg: 'hier ben ik'. Ik maak foto's, elke maand maak ik een foto vanaf dezelfde plek, ik wil zien of er iets verandert daar, maar het is er altijd hetzelfde. Alleen in de vroege lente springen ineens tussen de kiezelstenen en het gruis klaprozen uit de grond. Duizenden vaalroze klaprozen. O p ijle benen reppen ze zich tussen de graven door, h u n veel te zware hoofden beven op de iele harige lijfjes. Recht vooruit


weg h u n b l o e m b l a d e n , h u n naakte meeldraden trillen in het vlakke licht. Ik kan het vaalroze van h u n bloembladen bijna niet meer herkennen, en ik hoor ze niet. Eén voor één gaan de lichten van de huizen in de verte aan.

Ik leun al zo lang tegen mijn vaders steen, ik zou moeten opstaan en bij Riwka gaan zitten, ik verdeel mijn tijd altijd eerlijk, maar op de een of andere manier blijf ik waar ik ben. Het is donker geworden maar de klaprozen merken het niet. Het is ze om het even, of de zon nu schijnt, of de maan, of het warm is, of koud. Zonder kleur haasten ze zich rusteloos voort.

C h a j a Polak

kijken ze met h u n oudachtige meisjesblik en ze ra-

Het verhaal De Klaprozen is door Chaja Polak geschreven

ken elkaar nooit aan terwijl ze voortvlieden in een-

voor het Joods Verhalenfestival in Utrecht, dat in oktober

zame vlucht. Geen ogenblik staan ze stil, ze gunnen

1998 in Muziekcentrum Vredenburg werdgehouden. Het

zich geen m o m e n t rust.

verhaal is, samen met verhalen van Rogi Wieg, Marcel

Het is koud maar ik heb er geen last van - wanneer

Möhring, Frans Pointl, Eriek Verpale, Dan Jacobson,

je de kou toelaat en je er niet tegen verzet, merk je

Janine Beulink, Arnon Grunberg, Klaus Siegelen Chawwa

het uiteindelijk niet meer. Ik zou naar huis moeten

Wijnberg (benevens een afwijzende brief van Lisette Lewin,

gaan, straks wordt het hek afgesloten en kan ik er

die schrijft 'Ik beweegt me liever buiten het getto"), gepu-

niet meer uit.

bliceerd in de bundel: Oudergewoonte, Verhalen in de

D e klaprozen rennen rakelings langs mijn benen

Joodse traditie, samengesteld door Ed van Eeden, uitgege-

over de harde aarde. Sommigen verliezen onder-

ven door De Arbeiderspers, Amsterdam, 1998.


Authentieke stemmen uit het verleden Twee oorlogsdagboeken Veel mensen denken dat een dagboek iets heel anders is dan een roman of een wetenschappelijke studie. Een roman is verzonnen. Een wetenschappelijke studie is een objectief verhaal over hoe het is gebeurd. Een dagboek wordt in zijn geheel overgetikt uit de oorspronkelijke schriftjes. In de keuken van boekmakerijen ziet het er minder eenvoudig uit. Aan de hand van twee recente dagboekuitgaven zullen we dit toelichten. H e t afgelopen jaar verschenen Het verhaal van Edith', het door haar zelf bewerkte oorlogsdagboek van Edith Velmans en 'Dagboek 1943-1945 'van Jozef Hilel Borensztajn, verzorgd door zijn zoon. Wij hebben als historici bij deze twee uitgaven een rol gespeeld als begeleider. De recente ophef rond de vijf opgedoken blaadjes van Anne Frank doet overdreven aan, maar wijst ons er ook op dat een uitgegeven dagboek een genre apart is. De bijzondere charme van een dagboek is de persoonlijke en directe weergave van de impact van. gebeurtenissen; heet van de naald, denkt men. Maar het gebeurt maar hoogst zelden dat een dagboek ongewijzigd en volledig wordt uitgegeven. De meeste dagboeken kunnen buitenstaanders niet van begin tot eind boeien, en zijn, ongeredigeerd, niet te verkopen. Uitgegeven dagboeken zijn gewoonlijk dagboeken van beroemde personen, of gaan over boeiende, vaak schokkende perioden. Slechts van zeer begaafde schrijvers willen we alles lezen, maar de meeste opsommingen van vriendjes en kleinigheden gaan gauw vervelen. Van belang blijft wat anders is, nog niet bekend of het algemeen menselijke, als het op een oorspronkelijke wijze wordt verwoord.

Keuzes Het beroemdste dagboek aller tijden, 'Het Achterhuis', werd eerst door de schrijfster zelf in zijn geheel overgeschreven, waarbij Anne Frank toonde dat zij grote redactionele vaardigheden bezat. In de inleiding van de meest recente uitgave (1991) wordt uiteengezet hoe Otto Frank in 1947 een keuze maakte uit deze twee versies. Zijn keuze werd bepaald door een aantal factoren. EĂŠn ervan was de wens de privacy van sommige mensen, onder wie hijzelf, te beschermen. Sommige passages vond hij onbetamelijk en daarom niet geschikt voor publicatie. De omvang van de eerste uitgave werd overigens bepaald

, ai'

in '47 immers nog geen beroemdheid bij wie een ieder tussen de gordijnen wil gluren. Welke keuzes maakt men nu bij het uitbrengen van een oorlogsdagboek? Het spreekt ons nu aan als historisch document: het ooggetuige verslag van toen. Dat pleit er voor om bij uitgave inderdaad de oorspronkelijke tekst over te tikken. Maar dagboeken staan soms vol herhalingen; de stijl is vaak onbeholpen en de feiten kloppen ook niet altijd. Moeten we "leesbaarheid" als frivole kreet beschouwen en om de authenticiteit redactionele ingrepen nalaten?

F

Edith en broer Jules, vlak voor ze onderdoken in 1942

door de uitgever, die het boek in een reeks uitbracht en het aantal bladzijden vaststelde, waardoor er veel geschrapt moest worden. De herziene uitgave van 1991, waarin veel oorspronkelijk weggelaten passages opgenomen zijn, is een kwart omvangrijker dan de eerste druk. Dat er in eerste instantie maar een kwart werd weggelaten zal te maken hebben met Anne's stilistische vaardigheid. Ze was

Contrasten Er zijn een aantal overeenkomsten tussen de boeken van Borensztajn en Velmans. Het betreft joden die verhalen hoe de vervolging hun dagelijks leven veranderde. Beide a u t e u r s hebben de oorlog overleefd en voor beiden geldt dat hun manuscripten een lange weg hebben afgelegd voordat ze als boek verschenen. Maar daar


houden de overeenkomsten op. Borensztajn overleed in 1984. Zijn zoon Fred vond de schriften van zijn vadet terug in het YIVO (Joods Wetenschappelijk Instituut) in New Yotk, waar ze bijna vijftig jaar onaangemeld op de plank hebben gelegen. Edith Velmans begon zo'n twintig jaar geleden aan de bewerking van haar dagboeken. In eerste instantie om haar Amerikaanse kinderen en kleinkinderen te laten lezen hoe zij in Nederland de bezetting had overleefd. Borensztajn schrijft vooral zakelijk over de gang van zaken in vijf concentratiekampen: Westerbork, Theresienstadt, Auschwitz, Golleschau en Brinnlitz. Het dagboek van Edith vethaalt hoe de maatregelen tegen de joden steeds dieper het leven van een jong meisje taken, tot zij in de machteloze veiligheid van de onderduik moet toezien hoe haar broer, haar moeder en haar grootmoedet worden afgevoerd. Jozef Hilel Borensztajn werd in 1898 in Krakau geboren en streng orthodox opgevoed. In de jaren twintig belandde hij, op weg naat Palestina, in Amsterdam. Daar ontmoette hij zijn vrouw en bouwde samen met zijn broer een succesvolle lederwarenfabriek op. In 1943 had hij een jong gezin met drie kinderen. Lange tijd - tot tuim een jaat na de eetste oproep - lukt het hem aan deportatie te ontkomen, maat in juni 1943 moeten vader, moeder en één van de kinderen Borensztajn naar Westetbork vethuizen. De twee andere kinderen zijn op tijd aan een onderduikadres geholpen. Ook in Westetbork houden ze het lang uit. De laatste trein die daarvandaan verttekt, begin september 1944, brengt hen naat Thetesienstadt. Moedet en kind zullen daat tot de bevrijding blijven, maar Jozef en zijn broer gaan verder, eerst naar Auschwitz, dan naar het werkkamp Golleschau, waar zij gescheiden worden: zijn broer verdwijnt in de vtieskou van een dodenmars, zelf zit hij tot de bevtijding in Btinnlitz, het kamp van Schindler.

Edith van Hessen, zoals ze heette vóór ze trouwde, was dertien jaat toen zij in 1938 aan haar dagboek begon. Ze groeide op als jongste kind in een welgesteld Haags gezin met weinig besef van haat joodse achtetgtond. In 1938, na de Kristallnacht, komt haat Duitse grootmoedet bij hen wonen: voor haar de eerste directe confrontatie met wat et in Duitsland met de joden gebeutt. Vet op de achtetgtond van het vrolijke meisjesbestaan dfingen de zorgen van de grote mensenwereld soms door. Maar ook na de bezetting staat haar dagboek vooral vol van mijmeringen over vrienden, vriendinnen en feestjes. In de loop van 1941 gaan de maatregelen tegen joden haar leven steeds meer beheetsen, maat toch, het gewone leven gaat doot. Een grote klap is het om na de zomer van 1941, als zij naat de eindexamenklas zal gaan, niet meer naar haar geliefde Nederlands Lyceum tetug te mogen. De eetste tijd fietst zij nog naar het speciaal opgelichte Joods Lyceum. Als fietsen niet meet mag gaat ze met de ttam. Daarna, als ook de tram verboden terrein wordt, moet ze elke dag twee keer een uur lopen, heen en terug. Vanaf mei 1942 met de Davidster op. Het zijn de maatregelen die het leven van alledag van een schoolmeisje raken. In de zomer van 1942 houdt haar dagboek op, om pas in septembet 1944 hervat te wonden. Betrekkelijk toevallig wordt er in augustus 1942 een onderduikplek geregeld. Edith zal ruim twee jaar in een gezin in Breda doorbrengen. Een dagboek bijhouden mag zij van haar ouders niet meer. Des te driftiger neemt zij na de bevtijding van het Zuiden de pen weer op. Om een uitlaatklep te vinden voor de groeiende wanhoop over de niet-bevrijding. Edith, inmiddels een jonge vrouw, wil blijven hopen maar heeft weinig illusies over het lot van familie en vrienden. Dit dagboek geeft een mooi vetslag van haar gevoelsleven. Hoop en wanhoop wisselen elkaar af, maar de wil om positief tegen het leven aan te kijken weet te winnen.

Nuchter/emotioneel Groot is het conttast met de schrijfstijl van Borensztajn. Zijn dagboek tegistteert de weteld om hem heen. Op zakelijke toon wotdt vetslag gedaan van de machinerie in de kampen: hoe in Westerbork de ttansportlijsten worden opgesteld; welke uitzonderingscriteria er al niet bestaan; wat het precieze verloop is van de maandagavond en -nacht voot het vertrek van de deportatietrein op de dinsdag. Zo wordt ook bijvootbeeld de wetkverdeling in kamp Golleschau precies omschreven: welke commando's waren er; hoe en voor wie was het mogelijk in een goed commando te komen, een commando waarin je tenminste een kans had te ovetleven. De schtijvet doet nuchter verslag van alles wat hij meemaakt of hooft, met veel aandacht voot de ondetlinge machtsverhoudingen binnen het kamp. Zelden komt zijn gevoelsleven tet sprake. Ook het afscheid van zijn vrouw die in Theresienstadt blijft is onderdeel van een gedetailleerde weergave van de organisatie van dit vettrek. De emotie van het gescheiden wotden van zijn vrouw zit verpakt in een droge omschrijving van de situatie. "Ik zeg tegen mijn vtouw dat ze terug moet gaan. Het is al één uur 's nachts en ze moet de volgende morgen werken. We nemen afscheid. Ik hoor mijn vrouw huilen." Niet meer dan twee keer, in 350 bladzijden handschrift, wijkt de afgemeten schrijfwijze voor het gevoel. Ovet de aankomst in Auschwitz schtijft Borensztajn een jaat later, najaar '45: "Nu ik, hier in Amsterdam, onze aankomst in Auschwitz begin te beschrijven, schieten me de tranen in de ogen. Ik lees mijn oude notities ovet, waatuit ik het materiaal haal voor wat ik nu schrijf. Al lezende staat mij het hele beeld helder voor ogen. Ik voeg nu, denk ik, een nieuw stukje toe aan het 'Boek der Tranen' (S, Bernfeld, een vetzameling getuigenissen van jodenvervolgingen, uitgegeven in 1923-1926.). Mijn vingers ttillen, maar ik zal toch de moed


proberen op te brengen alles op te schrijven.", en: "O, hoe bang zijn we geweest dat niemand van ons zou oveiblijven. Niet eens één getuige. Deze angst kwelde me het meest van alles. Ik heb vaak huilend tegen (broet) David gezegd: 'O, David, mijn jongen, wie kan straks nog iets vet tellen wanneer we allemaal tot de laatste toe zijn afgemaakt." Maat in de beschrijving van de wanhoop domineert het onpersoonlijke leed. Borensztajn plaatst zich bewust in de joodse ttaditie van getuigen, waatbij hij vetwijst naar het citaat uit degode (hagadd): "Hoe meer iemand vertelt (over de uittocht uit Egypte) des te prijzenswaardiger is hij". Het meest schrijnende is wel de beschrijving van een achtdaagse tteinreis, januari 1945, als de laatste zieken van het kamp Golleschau, hooguit honderd mensen, alsnog voot de komst van de Russen weg moeten. Acht dagen zitten ze, met slechts watet en eten voot één dag, bij zo'n twintig graden vorst in twee tteinwagens opgesloten. Of ze ooit ergens aan zullen komen, of de wagons nog opengemaakt zullen wonden is niet duidelijk. De mensen beginnen te sterven. "Omdat er zo weinig plaats is, kunnen we de lichamen niet eens apatt leggen. Pas bij vijf doden kunnen we de lichamen op elkaat stapelen en op het vuil leggen. Zo ktijgen we wat meer ruimte. Ik heb twee dagen, zondet daat iets aan te kunnen doen, op een dode gelegen." De reis eindigt in Brinnlitz, het kamp dat bekend is geworden door Spielbergs fdm 'Schindlers List'. De ergste ellende is daarmee voorbij. Vermoedelijk begint Botensztajn daar opnieuw aan de notities die hij tetug in Amstetdam zal uitwerken in zijn 'Togboech'. Dat hij eetder al aantekeningen maakte, in Westetbotk of in Theresienstadt is aannemelijk, gezien de nauwkeutigheid waatmee hij data en gebeurtenissen in deze kampen weet te beschrijven. In Auschwitz is vrijwel zeker alles wat hij bij zich had afgenomen. Had hij aantekeningen

bij zijn vrouw in Theresienstadt achtergelaten?

Jozef Hi fel Borensztajn

De Amstetdamse Oostjood Botensztajn schreef in het Jiddisch, zijn moedertaal. Zijn doel, misschien wel het levensdoel dat hem door de zwarte tunnel trok, was om het na te vettellen, om getuigenis af te leggen, en daatvoot zoveel mogelijk te noteren. Hij wist immers niet of er getuigen van de kampen zouden overblijven. Hij schreef niet in het besef van wat vijftig jaat latet algemeen bekend zou zijn en wat niet. Tien jaar na zijn dood werd deze kroniek door zijn zoon vertaald en getedigeerd. Daarbij is de op het saaie af zakelijke stijl, met velschillende opsommingen en overlappende delen een stuk vlottet gewotden. Afgezien van die herhalingen is de tekst vrijwel volledig afgedrukt. Doorgaans zijn fouten (verkeerde data, berichten op basis van getuchten) in de tekst in een voetnoot gecorrigeerd, maar de verleiding was kennelijk groot om ook in de lopende tekst correcties aan te brengen. Zo begint Jozef zijn dagboek met de vermelding dat hij in 1941 een oproep kreeg zich te melden. In de boekuitgave is dat verbeteid in 1942. Voottdutend wotdt de verzorger van een dagboekuitgave voot het probleem gesteld wat zwaarder weegt: een leesbaar en feitelijk juist boek, of een ongewijzigde uitgave: het dagboek als histotisch document, met eventueel een loodzwaat notenapparaat. Fied Borensztajn heeft ge-

zocht naar een gulden middenweg. Er is zo weinig mogelijk veranderd, maar sommige passages werden anders gerangschikt om een logischer volgorde te beteiken. Wetkwijze en ingrepen zijn kott en helder verantwoord. Edith Velmans maakte een geheel andete keuze. 'Het verhaal van Edith' bestaat maat voor de helft van de tekst uit dagboekaantekeningen. De auteur maakte een keuze uit haat dagboeknotities, in de juiste veronderstelling dat de meeste lezers een beperkt geduld hebben voor de ontboezemingen van een tiener. In teksten, die duidelijk gescheiden zijn van de dagboekfragmenten, vat zij de gebeurtenissen samen en geeft achtergrondinformatie. De lezer merkt niet dat het evenwicht tussen meisjesleven en de groeiende spanning van de bezetting het gevolg is van een zorgvuldige keuze van delen uit het dagboek. Het werk is minder een historische btonnenuitgave dan een voot een groot publiek leesbaat boek, waatbij de authentieke stem uit het verleden de meeste indruk maakt. Dagboekuitgaven zijn zelden compleet uit oude cahiers ovet getypte teksten, maar dat hoeft niet meteen onbetrouwbaarheid of fictie tot gevolg te hebben. Het wate wel te wensen dat uitgevets en redacteurs rekenschap zouden afleggen met een duidelijke verantwoording: waat en wanneer is het geschreven; wanneer, door wie en hoe is er ingegrepen in het document, zijn de namen vetandetd, en ligt de ootsptonkelijke tekst tet inzage? Justus van de Kamp (Jiddischist en historicus) en Karen Polak (historica). Jozef Hilel Borensztajn. Dagboek 1943-1945. (Ambo) Edith Velmans-van Hessen. Het verhaal van Edith. De oorlogsjaren van een Haags meisje. (Podium) Ook in het Engels verschenen (Penguin)


Jacques Furth: erelid van ons Comité Het Nederlands Auschwitz Comité heeft tijdens een bestuursvergadering op 26 november 1998 zijn oudste lid, Jacques Furth, benoemd tot erelid van het Comité. Het erelidmaatschap is een erkenning van de verdienste van Jacques Furth en van hen, die meer dan 40 jaar geleden het Comité oprichten en een groot deel van hun leven in dienst hebben gesteld van hun club. Het is de erkenning van de niet aflatende inzet voor ons Comité. Het is die enorme inzet die heeft mee geholpen het Nederlandse Auschwitz Comité te maken tot wat we nu zijn, een Comité met ongeveer 5.000 mensen die het bulletin ontvangen, een Comité met een breed maatschappelijk draagvlak en een Comité waar naar geluisterd wordt. Een mededeling, koel en feitelijk. Maar achter die mededeling zit zoveel meer. Een klein groepje overlevenden richtte in 1952, toch zo kort na de sjoa, het "Comité Herdenking Auschwitz''op. Jacques en zijn vrouw Eva behoorden tot de oprichters. Om het Comité een bestaansbasis te geven moest hard worden gewerkt. Er was veel tegenwerking en vanzelf ging het natuurlijk niet. In 1956 volgde de oprichting van het Nederlands Auschwitz Comité (N.A.C). In ons jubileumboek "Nooit meer Auschwitz - het NAC 1956-1996" kunt u een en ander uitgebreid lezen. De kleine groep oprichters werden vrienden, maar meer nog familie. Men was het natuurlijk niet altijd met elkaar eens, maar aan het eind van een vergadering werd alles weer glad gezoend. Zo is altijd de sfeer geweest in het Comité. Het doel is het belangrijkste, ervoor te zorgen dat Auschwitz niet wordt vergeten, er aan mee te werken het niet opnieuw te laten gebeuren, opkomen voor de rechten van diegenen die jaren rech-

teloos zijn geweest. Jacques Furth heelt zich dit vele jaren geleden ten doel gesteld, hij streeft het nog steeds na. In vele bulletins stonden artikelen van zijn hand, maar nog vaker werd er gebtuik gemaakt van zijn foto's. Hij was de 'huisfotograaf' van het Comité. Nu, op de leeftijd der sterken, schrijft hij nog steeds stukken in ons bulletin, bezoekt nog regelmatig herdenkingen en is altijd aanwezig op onze vergaderingen. Tijdens die vergaderingen is hij met zijn grote kennis en ervaring nog altijd een belangrijke schakel. En dan

de vergaderingen bij hem thuis, een groot plezier met een tafel vol heerlijkheden, maar vooral met die enorme gember- en orgeade bolus. Hij geeft ons het gevoel een grote familie te zijn. Jacques is een voorbeeld van rechtschapenheid, inzet voor een ideaal, maar vooral een fijn mens. Wij zijn er trots op Jacques Furth in ons midden te hebben. Jacques Grishaver, voorzitter

*****

Foto:

Hein

Singels


Voorvallen die mij bijgebleven zijn. Als deeltjes zweven we door de ruimte, plus en min. (ƒ. Bernlef.) Of deze uitspraak bij de inhoud van mijn verhaal past weet ik (nog) niet. Ik vind het een mooie beschouwing. Na bijna twee en een half jaar in diverse kampen geleefd (en op het randje van de dood gezweefd) te hebben, wil ik iets vertellen over seksualiteit. Het verbaasde mij ten zeerste toen ik het onderwerp, dat ik wil aansnijden, bij Dr. L. de Jong in de 2e helft van deel 8, Joden in kamp Vught,

had een prima job bij (de) Philips. Hij was zestien maanden in Vught, twee langer dan ik. Zoals zij erover schrijven, komt het mij minstens sterk overdreven voor. Op 11 februari 1943 kwam ik alleen, zonder Fietje mijn vrouw en Dave

kinderen. Vrouwen en mannen werden direct gescheiden. Eten halen werd één van de belangrijkste gebeurtenissen van de dag. De joodse leiding was voor minstens vijfentachtig procent Duits, mensen die met een eerder transport van Westerbork naar Vught gekomen waren. Derhalve was de opperman van hen die eten en drinken moesten haler een Duitser. Ik zal hem K. noemen, 's Morgens, nachtelijk vroeg, spoedde de lange slanke man zich langs de paar joodse mannenbarakken, terwijl hij schreeuwde: "Essen holen, Essen holen' en dadelijk stroomden vooral jonge mannen naar buiten en stelden zich (dat hadden ze snel geleerd) keurig in rijen van vijf op. Waarom ging het er met die 80 tot 100 man, van wie er velen teruggestuurd werden, zo snel en gedisciplineerd aan toe? Hun werk zou zwaar zijn: met metalen gamellen van 75 liter moesten ze vocht uit de veraf gelegen keuken f6 halen. Het was niet moeilijk te raden. Het was de enige mogelijkheid om bij hun vrouwen te kunnen komen. Waren zij er eenmaal dan kostte het K. de grootste moeite hen er weer weg te krijgen.

Verliefd

uitvoerig behandeld vond. Veel gegevens daaromtrent zijn in ook het dagboek van David Koker gelijkluidend te vinden. David, die zich als prominent en min of meer als een zondagskind door het kamp kon bewegen,

ons zoontje welke die dag 2 jaar was geworden, in Vught. Het transport van 11-2-1943 van de Hollandse schouwburg naar Vught bestond in hoofdzaak uit diamantbewerkers met vrouwen en

De eerste paar weken mochten wij op de zondagmiddag met de vrouwen en kinderen bijeen zijn. Maar dat hield spoedig en abrupt op. Het zal wel aan de een of andere S.S.-commandant hebben gelegen, of een bestraffing zijn geweest voor ik weet niet wat. Bennie Boas, een slijper van een jaar of veertig, met wie ik vanaf de eerste dag optrok, vroeg mij om op een middag met hem naar de vrouwen te gaan. Hij wilde er een van de vrouwen treffen. Bennie was weduwnaar, een kleine eigenwerkmaker


en ik kende hem goed omdat hij vlak bij mij op een zaal had zitten werken. Wat had ik anders te doen? Dus ging ik met hem mee. Het bleek Eva Halverstad te zijn die hij wilde spieken. Zij was ook diamantsnijdstet en een week na ons was ze hiet in Vught beland. Bennie stelde haat aan mij voot, maar ik kende haar reeds. Haar geschiedenis wil ik in het kort vet tellen, want Eejje (in het kamp zo ge-

was op die vrouw.

noemd) werd Eva Furth Halverstad en vele jaren secretaresse van het Nederlands Auschwitz Comité. Eva werd geboren in Antwerpen en in 1936, op 22-jarige leeftijd, België uitgewezen. Ze had Nedetlands gebleven ouders en zich bovendien met een staking bemoeid. Ze kwam weer aan het werk in Amsterdam op de oude fabriek van Coster in de Zwanenburgstraat. Daar was ze ook actief met het ophalen van geld voor de Spaanse burgeroorlog. Het was destijds zowat de enige fabtiek waar veel toeristen kwamen. Die gaven haar veel geld. Gemiddeld ontving zij wel 75 gulden pet week. Dat was toen in crisistijd driemaal ons weekloon. In het gesptek dat Bennie met Eva voerde bleek hij naar een knappe vrouw, ook een snijdster, die nog in Amsterdam werkte te informeren. Ik kon daaruit opmaken dat hij verliefd

letter) die op de ongeschaafde tafelbladen werden gelegd. Gelukkig ging de keuken beter functioneten. Het werd witte koolsoep. Ze werd opgediend in gebroken wit aardewerk schalen (die schalen had de Joodsche Raad ons gestuurd), die al spoedig door de Kommandantur geconfisceerd werden. In de soep kwamen oranje kleurige bolletjes kamfer (?) bovendrijven. Ik haalde de symbolen van ons vorstenhuis eruit, want ik had die middelen tegen onkuise neigingen niet nodig. Ook de S.S. kampleiding had met het minne en slechte eten daarvoor gezorgd. Het middageten was weinig, eentonig en slecht. Gelukkig kreeg ik, behalve wanneer er Pakketsperre was, regelmatig wat toegestuurd van Fietje zolang zij nog thuis was en van Harry en Rie, haar broer en zijn vrouw. Ook de Fam. Koker kreeg volop (lees zijn

Dr. L. de Jong vertelt in zijn vetslag ovet Vught o.a. dat er, behalve de eerste paar weken, geen honger werd geleden. Daar zou ik wel op in kunnen gaan, vooral waar het ons, de joden betreft. De eerste dagen bestond het diner uit witte koolstronken en een paar halftotte Pellkartoffelen (met een hoofd-

dagboek). Voor de rest waren er velen die dat niet ktegen. Zij hadden geen familie of vrienden, die iets konden sturen. Zij waten het die 's middags hun schaaltje (intussen een blikken) vlug schoonlikten om in het politieke mannenkamp nog een beetje te proberen te bemachtigen. Ondet hen waren ook diamantairs. Als ze daarbij gesnapt waten, zouden ze al eetdet in Auschwitz tetecht zijn gekomen. Ovet het algemeen was het prachtig weer die zomer. Ik zal daar niet verder over uitweiden, niet over de mooie berkenpartijen buitenom en als het kamp binnen vetlaten was een kwikstaartje en enige leeuweriken trippelend op de zandvlakte, de appèlplaats En zo was er plotseling een wonderschone dag, dat we als middagmaal prachtige geschilde aatdappels, echte vleesjus en schoongewassen heidei gtoene ktopsla kregen. In het vrouwenkamp werd er verschrikkelijk om gevochten en daar kreeg het de nies-wijd vcrspteidc naam knoksla. Jaren later pas vertelde Eva mij van die tuzie. De nacht na dit gastronomische maal had ik een erotische droom. Ik vrijde met Fietje. Ze was met haat vtiendin en huisgenoot Lenie inmiddels naar Westetbotk gestuurd, ver weg en nu zo dichtbij. Na het otgasme werd ik wakker, bevredigd en gelukkig deze keer.

Overstekend wild Tussen het Schützhaftmannenlager en het joodse vrouwenkamp, naast het politieke vrouwenkamp F.K.L., liep de kamphoofdsttaat: van voor de Kommandantur, naar achter, misschien meer dan een halve kilometet verder het industrieterrein op. Daar, in die straat tussen de verschillende kamponderdelen, moesten Juda Lap en ik 's nachts wachtlopen: twee uur op en twee u u t af. We moesten waken tegen wild overstekende kapo's en andere avonturiers. Wij hebben trouwens nooit enig ovetstekend wild ge-


snapt en als we dat wel zouden hebben gedaan, dan zouden we dat niet gemeld hebben. Hoewel: zeg nooit nooit. Ik heb eenmaal Otto, een kleine niet onsympathieke kapo, als een eekhoorn tegen de al gesloten acht meter hoge poort van het P.M. kamp zien opvliegen (klauteren geeft te langzaam aan) alsof het dagwerk van hem was. Bij de eerste wacht ging ik altijd bij het F.K.L. staan en dan kon de ander bij de poort van onze vrouwen gaan staan om wat te praten of iets, als zij dat hadden, met hun vrouw te delen. Op een van de mooie zomeravonden zat tussen twee barakken van het mannenkamp één van de politieke gevangenen op een krukje populaire liedjes op 'n harmonika te spelen. Joodse vrouwen waren er recht tegenover naar hun prikkeldraadversperring gekomen. Ze zongen mee en zwaaiden naar de artiest en zijn publiek. Plotseling stonden twee kapo's, Bert van de reinigingsdienst en een ander in hun interlock hemdjes elkaar afschuwelijk af te tuigen. Wie er gewonnen heeft is niet belangrijk, maar het tuinfeest was hierdoor afgelopen en de winnaar had er voorlopig geen bruid mee veroverd. Een zwoele, zinnelijke atmosfeer was overgedreven. Een andere keer stond ik weer bij de poort van het EK.L. met één van de vrouwen te praten. Ze vertelde mij dat ze bij de keuken werkte en er o.a. aardappelen schilde. Het was daar 's middags heel gezellig en er kwamen vaak mannen. "Dat kon ik ook wel eens doen" vond zij. Ik deed het niet. Niet dat ik een kouwe kikker was, maar wel een bange kakker, bang dat ik weer gesnapt zou worden.

Durchgangslager Mooi zuid Nederlands weer. De mensen van een der midzomer transporten stonden opgesteld op de appèlplaats. Degene die mee moesten waren geregistreerd. Het kamp was vrijgegeven. Wij van de orde-

dienst, de O.D.'ers, bewogen ons tussen de schlemielen om hen te helpen en bij te staan. We stonden bij een vrouw te praten. Haar dochter, misschien wel de mooiste jonge vrouw van het kamp, zagen we gearmd wegwandelen met een lange slanke kapo: Karei. Haar zal ik Diane noemen, omdat ik haar veel vond weg hebben van de filmactrice Diane Durbin. Maar wij vonden haar allemaal bijzonder knap, al was zij wel veel kleiner dan Karei. Charmant gekleed met lange zwarte broek en een sportieve witte coltrui. Een prachtig paar. Wij keken de achtergebleven moeder verwonderd en vragend aan. Zij haalde haar wat gebogen schouders op en zij toegeeflijk: "Wat doe je niet voor het geluk van je kind?". De mensen verwijderden zich naar hun barakken. Ook wij, de O.D.'ers gingen, geëmotioneerd nog, wat rust nemen. Achter in de barak hadden wij onze bedden. Louitje W. klom naar het bovenste en met een hoge rug plaatste hij z'n voeten aan de ene en zijn handen aan de andere kant van het meter brede tussenpad. Toen liet hij een harde scheet en schreeuwde: "Wat doe je niet voor het geluk van je kinderen! Een hotelrat! Een moordenaar met tien jaar gevangenis achter de rug!" Wij lachten er allemaal om en ik riep: "Kom naar beneden Brug der zuchten en ga je schamen!" De moeder heeft Auschwitz en de experimenten overleefd; De dochter is er vergaan. De volgende dag zag ik Karei dezelfde kant uitlopen gearmd met Mevr. P: een paar van gelijke lengte.

De verleiding Over sexualiteit zou ik het hebben. En stel U misschien wel wat teleur. Van nature zochten vrouwen en mannen, die bij Philips en andere binnenhuiskommando's werkten contact met elkaar en, als zij het vonden, de gelegenheid zich af te zonderen. Er is ook wel eens een scheiding geweest van een gehuwd paar. Of die

elkaar weer teruggevonden hebben weet ik niet. Er werden ook briefjes over en weer verzonden. Het kwam ook voor dat een vrouw uit hechte vriendschap briefjes vertaalde om de Franse ami van haar vriendin te bereiken. {Cyrano de Bergerac). Als de (joodse) briefschrijvers en -schrijfsters tegen de lamp waren gelopen zou hun straf het transport geweest zijn. Eenmaal ben ik met Eva naar het cabaret geweest. Met een plichtmatige zoen namen wij voor haar barak afscheid. (Herdenkingskrant 1, januari 1982.)

Op transport 26 maart 1944. Wij waren in slaap gedommeld. We hadden het middagmaal net doorgeslikt, toen Staathojf, onze demon, binnen stapte. "Allemaal naar de appèlplaats", beval hij. Onze kartonnen dozen, met het nog enige en laatste bezit, een portie brood, een paar pakjes sigaretten enz. stonden nog open en bleven achter. Wij begrepen het direct. Al hadden wij nog geen enkel signaal opgevangen en het galgenmaal, een goede macaronisoep niet mogen smaken. Op de appèlplaats moesten wij al onze kleren afleggen. Mijn broekriem mocht ik houden. Goed gezien, want in Polen zou die heel strak aangehaald moeten worden. Na een steenkoude straalbespuiting en een heerlijke hete douche in het nieuw gebouwde badhuis kregen wij een verschoning, voddenkleding met scheuren (zou nu hoogst modern zijn) en vergaste luizen er in, naar de trein. Een gordel van grauwe veewagens stond op ons te wachten. Na 2 dagen wachten en rijden reden wij 's middags het kamp Westerbork binnen. Voor de administratiebarak stonden we uren te kleumen. Een grote groep mensen stond in een wijde boog om ons heen te dringen en te wachten. Zij werden op afstand gehouden of wij een troep melaatsen waren. Ik zag Fie van uit de toeschouwers een meter naar voren stappen. Ook ik maakte een pas naar haar toe en zwaaide wild. Voor mij zag zij, ge-


kleed in mooie sportieve blauwe manrel, er uit als een afbeelding in een modeblad. Twijfelend of ze mij wel goed herkende, zwaaide ze met half geheven arm in mijn richting. Het was begrijpelijk, want met onze kale bolle koppen, gestreepte kleren en de ogen van gevangenen leken wij meerlingen-broers. We hadden elkaar in 14 maanden niet m e e t gezien. Zij was bij het afscheid toen mager en met een wit zorgelijk gelaat. Het publiek verdween, tetwijl het registteren van ons voortging. We konden baden en ktegen vrij goed passende burgerkleren, met het slachtvee stempel, de oketgele ster met de J in het hart, op ons hart; Als fossielen

blikken ons geluk aankeken. Ik duwde Fietje heel vootzichtig, met zachte drang terug. "Je bent veranderd Jacques, je had daar een vriendinnetje, hè?", zei ze met zachte vibrerende stem en had moeite haat tranen te bedwingen. Ik was sprakeloos. Van ontroering kon ik niet helpen, het te ontkennen. Nochtans heb ik haar getust gesteld: haar ontrouw ben ik nooit geweest. De avond was omgevlogen. Herman (de man van Lenie) en ik brachten onze vrouwen naar hun barak, de transportbarak. Wij, de mannen van het transport logeerden in de quarantainebarak. De volgende dag waren we weer bij elkaar en wandelden op de hoofdstraat,

in barnsteen bleven wij gewaarmerkt. Na de metamorfose werden we in het Odeon (de cabaretzaal) verzameld. We zetten de stoelen die er opgestapeld stonden weer op hun poten. Ik zat nog maar net, toen Fie met Lenie en enkele andere vrouwen op ons afstormden. Onstuimig sprong ze op mijn schoot en overstelpte mij met haat kussen. Ik trok haar stevig tegen mijn borst en beantwootdde haar zoenen. Het ontging mij niet dat enkele mannen, met wie ik ellende en de inhoud van de ontvangen pakketjes gedeeld had, ons omringden en met jaloetse

de boulevard der misère. We waren op verhaal gekomen, ons samenzijn leek gewoon als vanouds, gelukkig, de zorgen voor even verdrongen. Veertien maanden scheiding w a t e n als ktijt op een schoolbord met een paat streken weggevaagd. (Uit: Fossielen in barnsteen, 1981)

Naar Auschwitz De laatste nacht van ons samenzijn. Fietje schoof ondet onze deken vandaan. De heetlijke Leidse wollen deken. Het enige wat nog over was van thuis. Zij had daar onze vereniging

als met vleugels beschermd. Maar de engelen hadden reeds lang de liefde op een andere planeet gezocht. Sophie moest gebruik maken van het sanitair. Haar billen bolden over de rand van het tonnetje en deden de rest van haar naakt raden. Een stompje kaars, misschien een offerande van deze of gene rijkaard onder ons, verlichtte onze spelonk, die (nu) aan een schilderij van Rembrandt deed denken. Een golf van begeerte doorstroomde mij. Fietje kroop weer bij mij. Ik trok haar dichter naar me toe. "Dat kan hier toch niet, tussen al die mensen?", lispelde zij tussen haat kussen door, alsof ze mij daarmee wilde troosten. De baby van Kurt begon angstig te kitren. Dat heerlijke, half jaar jonge kindje lag in een reismandje naast ons te slapen. Waren de geluiden van het mensje een waatschuwing van het toekomstige: de helse kraters, gaskamers, de stank en rook der crematoria? Fietje richtte zich op en boog zich over het mandje. Het kind sliep weet. Had het een boodschap afgegeven? Fietje legde zich w e e t in mijn afmen. "Hadden wij Dave ook niet bij ons kunnen hebben?" ptuilde ze. Banaal antwoordde ik: "Daar zal het ook wel onmogelijk zijn voor kinderen. Als wij weer bij elkaar zijn, krijgt hij broertjes en zusjes". Ik voelde me rot alsof ik onze jongen van haar afgenomen had. De dag begon ook al triest. Terwijl de vrouwen een weinig mastiek maakten, stonden wij mannen naar buiten te kijken. Mijn Fie is niet teruggekomen. Vergaan in Birkenau. Is zij zich haar daad, haar onmenselijk afstaan, bewust gebleven? Zij zal het tussen het vermoorden van duizenden mensenkinderen begrepen hebben. Ongetwijfeld. Aan difteritis is ze overleden. In het archief van Auschwitz barak 24, destijds de Puff, meldt de administratie dat haat gegevens in juli 1944 ophouden. Of zij in de ziekenbarak gestotven is of tot het laatst toe in haar 12 persoons bed lag, of dat ze naar de latfinebarak werd gebracht, waat de vrouwen op de beutt


moesten wachten om er een plaatsje te vinden, het is niet bekend. Ik kan het niet beschrijven en er is geen foto die de werkelijkheid kan tonen. Na aankomst in Birkenau bleven de vrouwen daar en gingen wij, de mannen, naar het (stiefmoeder)kamp Auschwitz. In blok 11, het bunkerblok bleven wij veertien dagen in quarantaine. We sliepen er op de bovenzaal met ± 500 mannen, met drie en twee in één bed van zeventig a tachtig cm. breed. Luchten deden wij tussen de barakken 10 en 11. Barak 10 had met houten schotten geblindeerde ramen. Erachter hoorden wij vrouwenstemmen fluisteren. Met een groot transport, waar wij diamantmensen bij waren, kwamen we vervolgens in Monowitz. Weer moesten we veertien dagen in quarantaine, waarin ontzettend veel is gebeurd. Vaak werden we opgetrommeld om in b u i t e n c o m m a n d o grote steenbrokken te sjouwen en in stukken te slaan. Ik had het geluk met nog enige mannen Stubendienst te doen, in een verderop gelegen barak. We kwamen langs de Puff, een barak op een open plek, omgeven met prikkeldraad. Er buiten stond een edelgermaanse kapo zich op te warmen. Zelfs een wachtpost die voor de ingang zijn voeten stond warm te stampen flirtte met de vrouwen achter de vensters. Wij kwamen in het voorste gedeelte van de barak. Het zag er keurig uit. Ook in de slaapzaal was alles aan kant en de Bettenbau was ondanks de dunne lappendekens tot in de perfectie uitgevoerd. Met vier man waren wij vlug klaar met schoonmaken, toen mochten we van de barakleider voor in de eetzaal gezellig bij elkaar blijven zitten. Van hem kregen we een schep soep uit één van de gamellen, heerlijk heet water waarin

wat geschrapte deeltjes rammenas en komijntjes zwommen. (Honds ondankbaar!) Toen kwam er een groep opmerkelijk jonge jongens ordelijk naar binnen. Zij liepen door naar hun bedden. Een van hen, de jongste en kleinste, liep verder door waar de Blockdlteste, bij een geopende kast, hem stond op te wachten. Deze, een kleine Rijksduitser van een jaar of vijfenveertig, gaf het jongetje wat lekkernij uit de kast. Uit dankbaarheid schurkte het jochie tegen hem op en de kapo aaide over het hoofd en kuste bukkend het kind op de mond. Lang hielden zij hun monden kussend op elkaar. Een levensgevaarlijke vrijage, zo'n sexuele verhouding, maar toch ook een verbinding als tussen vader en zoon.

Gleiwitz In Monowitz werd ons transport in groepen verdeeld, die over diverse werkkampen werden verspreid. Met een legerauto werd de groep van veertig, voor het merendeel diamantmensen, naar het kamp Gleiwitz gereden.

Ik zou het over sex hebben. Op een van de eerste dagen stond ik in een diepe kuil te graven. Ik stond met mijn schoenen in het bodemwater. "Ik heb mijn vrouw op de reis vier keer genaaid!" hoorde ik zeggen. Een man van tegen de veertig, die ik bij mijn weten niet eerder had gezien stond, geleund op zijn schep, van boven op mij neer te kijken. Zeker een manier om zich voor te stellen, dacht ik even. Ik werd heet van woede... en jaloezie. Ik dacht aan de veertien eeuwenlange maanden die mijn geliefden en ik gescheiden waren geweest en het storende geluidje van de baby van Kurt, toen ik Fietje in mijn armen wilde nemen. Woedend stak ik mijn spade in de wand van de kuil. Een groot stuk grond scheurde los en dreigde op mij neer te komen. Een paar van onze jongens zagen het gevaar en trokken mij op de kant. Misschien had die man, wie dan ook, mij deelgenoot willen maken van het laatste gelukkig samenzijn met zijn vrouw. Hij wist ook van de hoed en de rand. Hij had ook misschien de selectie gepasseerd met vrouw en kind(eren). Er moest afschuwelijk hard aan de opbouw gewerkt worden. Zakken cement van 50 kilo, rails die bevroren koud het vel van je vingers verbrandden, zand en stenen vervoeren met lorries die uit de rails liepen en er weer tussen getild moesten worden. Bij dat laatste werk werd Juda Lap als voorman aangesteld. Juda, een lieve, zachtaardige man, kwam 's avonds huilend bij mij, omdat hij vooral de oude mensen met slagen moest voortdrijven. De eerste mei werd gevierd. Wij stonden tegen de barakken met sneeuw bedekte daken, te kleumen, rillend in onze vloeidunne slechte kleren. Velen van ons werden binnen enkele maanden ernstig ziek en gingen


wetend op transport naar de vergassing.

Een klein beetje sex. Op een dag liep een klein speels hondje achter de teef aan en rook even aan haar uitlaat. De commandant trok zijn pistool en het hondje was op slag dood. De kapo's hebben er heetlijk van gesmuld. Verder weg zaten mannen die specie in houten vormen goten om stenen te maken voot de muur. EĂŠn van hen was een Franse jonge man die ik Etien zal noemen. Hij lag ook in de barak bij mij. Het weer was prachtig en warm, de dagen langer en het wetk zwaaide! geworden: ook doot het weinige en slechte eten. We gingen dan ook zo vroeg mogelijk naat bed. Op een avond liep onze kapo langs onze barak en keek naar binnen. Toen hij tetugkwam had de Franse teenager zich in de deuropening opgesteld. Als een prostituee, met zijn arm halfhoog tegen de deurpost geleund, stond hij naat de kapo te lonken. Hij ging naat bed, een eindje van mij vandaan. Spoedig kwam de kapo, Heinz geloof ik, bij Etien aan bed zitten. Ik viel in slaap en heb van het vetloop niets meer gemerkt. De volgende dag zag ik Etien in Heinz' kantoortje naar binnen en spoedig aan z'n werk gaan. Even later werd ik bij Heinz naar binnen geroepen. "Waarom werk je niet?" schreeuwde hij tegen me en gaf mij een harde klap. Ik liet mij meeg^leidend op de planken vloer vallen, dat had ik door ondervinding wel geleerd, stond weet op en ging aan het wetk. Even latei liep Etien met een gieinslach op zijn gezicht langs ons heen en bij Heinz naai binnen. Hij heeft ei zeker een andere behandeling ontvangen dan wij

Terug naar het stamlager Een legeiwagen haalde ons op. Er werden nog meer mannen van diverse kampen afgehaald. We kwamen, na lang rijden, aan in Auschwitz. Zo weiden wij vijfendeitig diamantbeweikets, tot Facharbeiter

gedoopten, hiei in de transportbarak tezamen gebracht. Al dadelijk weiden niet joodse Polen en Russen naai diepet in Duitsland gelegen kampen getransporteerd, omdat het Russische legei dichterbij kwam. Toen werden wij aan een selectie ondeiwotpen en twintig van ons weiden aangewezen voot de gaskamet. De Arbeitseinsatz fedde hen daaruit. We weiden dooi een gat in het prikkeldraad rond het bunkeiblok geleid, daar waren daar als het ware onderdoken. Van uit de achteikant van blok 11 hadden we een mooi uitzicht, als je niet op de muur en het stroomdraad er op lette. Ei lag een afhellende strook weiland. Daai achtet stroomde de Sola, van hieiuit niet te zien. Veidetop liepen vrouwen van het experimentenblok. Zij moesten kruiden zoeken. Wij werden er vaak voor allerlei klussen opgetrommeld. Ik trof het weet met Stubendienstwetk. Ik kwam bij Lex van Weren tetecht. Hij was, behalve muzikant, Stubendienst van blok 2 gewonden. Met een piovisoit zelfgemaakte stoffer veegde ik de vloer bij hem aan en kreeg van hem een schaaltje soep. Wij beleefden nog heel veel samen en zijn altijd boezemvrienden gebleven. Barak 2 lag tegen het badhuis aan. Lex nam me mee naar een geblindeeid raam en klapte het een paai centimetet open. Het was ongelooflijk, afschuwelijk, wat zich voot mijn ogen ontrolde. Vrouwen, die in de badruimte rondliepen, grauw en naakt, met verschrompelde vellerige busten. Ik onttakelde die arme zielen niet vetdet. Ze zouden nog moeten werken. Voor de gaskamers immers, hoefden zij zich niet te wassen.

Niet zo droefgeestig. Tegenover ons blok (elf) lag blok 21, de ziekenbarak. Op de straat, de hoofdstraat stonden een stel vrouwen roezemoezend voor de achterdeur te wachten. Het waien de vrouwen van het experimentenblok, die naar de tandarts gingen. Naast mij stond een jonge Franse joodse man, mee dooi

een taam naat hen te kijken. Hij was keurig gekleed, hij had o.m. een zijden oveihemd aan. Hij vettelde dat hij de blokfriseur was, dus een prominent. Wij zwaaiden terug naar de lachende, lonkende vrouwen. Opeens was de "hof-kapper, eigenlijk ongemerkt, verdwenen. Na een tijdje kwam hij weet naast mij staan, hij trilde als een renpaard na de race. "Ik heb in vier jaar geen vrouw meer gehad", was het enige wat hij zei.

Aan het werk! Na zeven weken niets doen, quarantaine, was het Facharbeiteischap vooibij en werden wij ingedeeld in verschillende buitenkommando's. "Auschwitz ik kan jou niet vergeten daar jij mijn tranendal bent en blijft", (variant op het Buchenwaldlied) Waarom ik mij zo betrokken voel met het kamp Auschwitz? Misschien omdat ik ei vele malen naai teiugging en et nu weet van vettel, of om het gevoel er nu vrij te kunnen lopen langs de houten borden met het opschrift STOL/HALT en de twee gekruiste ledematenbeenderen erboven, langs het niet meer dodelijke stroomdraad rondom het kamp. Of om het haai, dat ei in grote vitrines opgebaaid ligt? De laatste dagen dat ik in Auschwitz was heb ik, met nog een man, in de Ledeifabriek hondenden balen wit papiet met haat voor textielfabrieken, waar het haar in lappen stof weid verwelkt, moeten klaarzetten. Joods vrouwenhaat was het, glanzend kastanje-bruin en zwart, waar nog speldjes en kammetjes met kleurige kraaltjes in zaten. Haai ook van haat met wie ik onze eerste en enige buitenlandse reis maakte: met Fie naat AuschwitzBitkenau. Nu is dat haai grijs en dood. Toch heeft een souvenietjager om een paar plukjes van dat haar gevraagd, krullen kan ik niet zeggen. Voot een museum in de V.S. of was het vooi Zweden? Mijn geheugen laat mij tegenwooidig vaak ik de steek. We weiden dus ingedeeld in verschillende buitenkommando's. Dat bete-


kende dat wij naar verschillende barakken werden overgeheveld. Ik kwam in barak 14, tegenover 24, de Puff, terecht, in een kleine zaal, een grote kamer. Met zo'n verschil van nationaliteiten, dat we wel op een vreemdelingenlegioen leken. Naast mij lag een Berlijner. Verderop twee Hollandse mannen, allebei Arie geheten. Enige maanden later zijn zij met mij op het dodentransport meegegaan. Maar dat is een ander verhaal. Eén van hen was smid en de ander werkte in Birkenau aan funderingen. Op een keer hoorde ik vroeg in de ochtend, niet ver van mij geschreeuw: "Ik heb een natte droom gehad!" Arie (de tweede) een flinke, grote man, was uit z'n bed gesprongen en met zijn vuist in de hoogte stond hij daar als een overwinnaar in sport of gevecht. Hij had die triomfantelijke kreten geuit, het bewijs voor hem dat hij nog een potente man was.

Die neue Wascherei. Opzij van de plaats stond een aaneengesloten rij barakken, de Neue Wascherei. Er werkten (vanzelfsprekend) goed geklede vrouwen. Als zij 's morgens vroeg aankwamen, droegen ze witte hoofddoeken en leken een beetje op nonnen. Ze waren de best geklede vrouwen van alle Auschwitzkampen. Ik hield mij wel eens even bij die vrouwen op. Onder hen waren ook enkele Hollandsen. Eén van hen was met Fietje en Lenie goed bevriend geweest in Westerbork en was ook met ons transport hier gekomen. Het was misschien oktober dat ik haar hier aantrof en natuurlijk naar Fietje informeerde. "Ja" zei ze, "Fie heeft het de eerste tijd erg moeilijk gehad, maar later in het aardappelcommando ging het beter." "En nu?" vroeg ik gespannen. "Dat weet ik niet, want ik heb haar uit het oog verloren." Dat klopte, vernam ik later uit de gegevens van Fietje, in het archief blok 24 in Auschwitz. Kort na de oorlog trof ik haar op de hoek van het Weesperplein en

Sarphatiestraat. Ik wilde haar weer aanspreken, maar ze rende me voorbij, roepende "Ik wil er nooit meer over praten." Dat is zo gebleven. Toen ik een broer van haar vader, die met mij in Gleiwitz was geweest, sprak vertelde die mij dat ze verhuisd was en niemand wilde zien, of erover wilde spreken. Behalve misschien met de pastoor, want ze was katholiek geworden.

Zegeningen. De ander heette toen Hilda van Os, een lieve schat van daad en karakter. Ik kreeg, want het werd kouder, af en toe een warme borstrok en onderbroek van haar. Ik kreeg ook een warme kameelharen jas van Hilda toen het nog kouder werd. Die heb ik gedragen, totdat ik met de dodentocht in de veewagen hem van de benauwdheid en om ruimte te creëren, moest afleggen. Zij is ook weergekeerd, trouwde, kreeg een mooie dochter en wij onderhielden een hechte vriendschap, ook in verband met ons Auschwitz Comité. Ik heb hen op foto en in blijvende gedachte.

Luchtalarm. De luchtalarmen, midden op de dag, waren welkome bakens. Eén van de dagen dat de sirenes loeiden bleven de etensketels staan en zochten wij naar een schuilplaats. Ik vond een diepe kuil afgedekt met lange bielsen, geknipt voor mij en ik dook er in, bijna op een jong stel die er zaten te vrijen. Ze hebben toch een plaatsje vrij gemaakt voor mij. Een andere keer mocht ik naar binnen, in de wasserij. Ik werd aan een tafeltje gezet en kreeg een bord met gruttenpap te eten. Dicht bij mij in de buurt stond een mooie joodse vrouw schone was in vakken te rangschikken. Achter haar, een Scharfuhrer, die haar rug en schouders aaide en wreef. Je (on)reinste bloedschande. Half december. Het was plotseling ijskoud geworden. 17 graden onder nul. Aan de goot van het ketelhuis hingen dadelijk, dikke pegels van

twee en drie meter lengte. Wij, de z.g. Platzarbeiter, moesten tegen de ongewenste belangstelling voor de wasvrouwtjes een schutting bouwen. Maar omdat we met scheppen en houwelen geen paar centimeter in de grond konden dringen, werd het plan verdaagd. Om een warme neus te halen in dat ketelhuis hadden we nooit de kans gehad. Daar was de stoker, een betrekkelijk oude joodse man steeds te bang voor geweest om ons binnen te laten. Gelukkig konden we aan het werk gaan in een gebouwtje bij de stallen. Het was in een heerlijk verwarmd zaaltje. Met mij werkten daar Poolse, Hongaarse en Franse Joden. Ze spraken allemaal Jiddisch. Het werd gezellig. Er werden verschillende Jiddische schrijvers en dichters aangehaald. We declameerden versdelen van de dichters en bespraken de schrijvers. Vanaf 17 januari 1945 zijn met de evacuatie van Auschwitz naar de andere kampen zo waanzinnig veel van deze, onze, mensen omgebracht, door Hitier en zijn volgelingen. J. Furth De illustraties bij dit artikel zijn overgenomen uit Charlotte Salomon. Leven? Of Theater? Een publicatie van het Joods Historisch Museum i.s.m. uitgeverij Waanders in Zwolle, o m v a t t e n d e 769 gouaches, voorzien van teksten van Charlotte Salomon zelf en vertaald door Judith Herzberg


Internationale zoekdienst Regelmatig krijgt het

Nederlands

Auschwitz Comité verzoeken om hulp bij het inwinnen van gegevens over

mensen die in Auschwitz of een van de andere kampen zaten, of over mensen die ondergedoken waren en daarna verdwenen zijn. Het kan gaan om ouders die niet teruggekomen zijn, verwanten die dan-en-dan voor het laatst gezien zijn, gevangenen met kampnummer....

Meestal mondt het verzoek uit in een oproep om informatie in het Auschwitz Bulletin. In de hoop dat iemand van de lezers iets naders weet en, naar men minstens zo vurig hoopt, ook zal reageren. Misschien is minder bekend dat men ook rechtstreeks inlichtingen kan inwinnen bij een grote internationale organisatie die voor dit soort vragen speciaal is opgericht. Het is de "Internationale Zoekdienst" die beheerd wordt door het Internationale Rode Kruis. De dienst is gevestigd in Duitsland, in Arolsen bij Kassei, en draagt daarom de naam Internationaler Suchdienst (adresgegevens staan aan het eind van dit bericht). De Internationaler Suchdienst (ISD) werd in 1943 door de (Westelijke) Geallieerden opgericht om de gegevens van door de oorlogshandelingen 'verdwenen en verplaatste mensen' te verzamelen. Zo hoopte men het terug opsporen te vergemakkelijken. Na de oorlog is dit instituut niet alleen blijven bestaan, maar in de loop van de jaren reusachtig uitgebreid. Sinds 1947 bevindt het zich in Arolsen, vanaf 1955 onder directie van het Internationale Rode Kruis. Het wordt volledig door Duitsland gefinancierd. Er is een internationale Raad van Toezicht, waarin vanuit Nederland de Stichting 19401945 zitting heeft. De oorspronkelijke opzet van de ISD is eigenlijk altijd gehandhaafd. Deze is dat het puur gaat om gegevens over personen. Er worden daarbij twee groepen onderscheiden: ten eerste de ge-

vangenen uit Duitsland en de bezette landen die in de concentratiekampen en de werkkampen vastzaten en ten tweede allen die uit de bezette landen naar Duitsland of elders gedeporteerd werden. De opdracht aan de ISD is alle gegevens over deze personen te verzamelen, te bewaren en toegankelijk te maken. Dat laatste gebeurt op een zodanige manier dat alle aanwijzingen uitsluitend per individu bij elkaar gebracht en opgeslagen worden. De ISD kan en mag dan ook alleen op humanitaire gronden inlichtingen van individuele aard verstrekken aan de vervolgden zelf of hun erfgenamen (officiéél: de rechtsnavolgers). Derde partijen kunnen alleen inlichtingen krijgen met een erkende volmacht. De basis is en blijft de individuele aanpak. Daarom is de ISD in principe geen instelling voor algemeen historisch onderzoek. Slechts een klein deel van het materiaal is hiervoor geschikt. Het moge duidelijk zij n dat de ISD ook voor zoekacties van personen uit Nederland nuttig kan zijn. Over de beperkingen heb ik al wel iets gezegd, maar nog niet over de mogelijkheden. Daarvoor is het misschien goed wat cijfers te vermelden (stand eind 1997). In het archief bevindt zich een bestand vanfiches op naam van 47 miljoen kaarten. Het documentatiemateriaal strekt zich uit over meer dan 22,5 km. Sinds de oprichting zijn miljoenen inlichtingen verstrekt; bijvoorbeeld in 1997 meer dan 275.000. Tegen de vier honderd medewerkers zijn dagelijks met het verzamelen, ordenen en toegankelijk maken bezig. Voor diegenen die op grond van deze informatie nadere inlichtingen betreffende personen zouden willen inwinnen vermeld ik hier het adres: Internationaler Suchdienst, Grosse Allee 5-9, D - 34444 Arolsen (tel. + 49 (0)5691 6037).

Herbert Sarfatij

v/h Mevr. Buijs

S p e c i a l i s t e n in: Borstprothesen Prothese badkleding Lingerie - Foundation Nachtkleding Hoofddorpweg 20, Amsterdam

020 - 615 8192 / 614 1111

°p<aR)>EK Wie heeft de ouders, broer of zusje gekend van Jetje Emden of heeft misschien nog een foto waar ze op staan? Ouders en zusje van Jetje Emden zijn via Westerbork op transport gesteld naar Sobibor. Ze zijn daar alle drie overleden. Haar broer is via Westerbork naar Auschwitz gedeporteerd en is daar op 30 september 1942 overleden. Haar vader, Meijer Emden, is geboren op 27 november 1900, hij was marktkoopman. Haar moeder, Rachel Goedel, is geboren op 2 december 1902, haar zusje Elisabeth op 27 februari 1929 en haar broer Israël op 25 februari 1926. Jetje is zelf in 1939 geboren in de Ben Vilj oenstraat 9 drie hoog, waar haar ouders en haar broer en zus toen woonden. Zouden degenen die hen hebben gekend contact op willen nemen met Jetje Emden, telefoon: 0297 534907.


De Duitsers zijn de ware slachtoffers van Auschwitz Is de voorzitter van de Centrale Raad van de Duitse joden, Ignatz Bubis, nu helemaal gek geworden? Hij beschuldigde de Duitse schrijver Martin Walser van 'latent antisemitisme' en 'geestelijke brandstichterij'. En dat allemaal omdat Walser toen hij op 11 oktober 1998 de Vredesprijs van de Duitse Boekhandel ontving, in de Paulskirche in Frankfurt een redevoering hield waarin zich keerde tegen dichters en denkers die zijns inziens teveel als hoeders van het nationale geweten van Duitsland opwerpen. Walser heeft genoeg van alle verwijten die Duitsland wotden gemaakt als het om Auschwitz gaat. Natuutlijk probeert hij niets af te dingen op de gruwelijkheid van Auschwitz, maat "wanneer dit verleden mij in de media dagelijks voor de voeten wotdt geworpen, metk ik dat iets in mij zich tegen deze permanente vet toning van onze schande verzet". Walser is tegen 'routineuze' herdenkingen en tegen een monumentalisering van de schande door "een betonnen nachtmerrie zo groot als een voetbalveld". Hij meent ook dat de herinnering aan Auschwitz wordt misbruikt tegen Duitsland, met name door toonaangevende intellectuelen die de deling van Duitsland hebben gerechtvaardigd met een verwijzing naar Auschwitz. Waarom maakt Walser zich eigenlijk zo boos? De aanleiding blijkt heel persoonlijk en tamelijk klein. Hij kreeg op zijn laatste, autobiografische, boek de kritiek dat Auschwitz daar niet in vootkomt. Allicht niet, zegt Walsen hij wist tijdens de oorlog niets van Auschwitz, vandaar dat hij vrolijk en vrijwillig als 17-jarige in Duitse militaite dienst ging. Voor de Nederlandse televisie legde hij bovendien nog uit waarom Auschwitz hem ook na de

oorlog niet zo erg interesseerde, toen hij tijdens zijn studie een overlevende van dat kamp ontmoette: hij was zelf immets niet in Auschwitz geweest...

Ongelukkige paradox In eerste instantie vond ik wel iets begrijpelijks in Walsers verlangen naar een 'normalisering' van Duitsland. Maar naat mate de discussie voottging en ik zijn woorden (afgedrukt in NRCHandelsblad van 14 november 1998) nog een aantal keten ovetlas ging ik steeds meet met Ignatz Bubis meevoelen. Wat doet die Walser toch zielig! Alsof hem en het Duitse volk Auschwitz is aangedaan, alsof de Duitsers de werkelijke slachtoffers van Auschwitz zijn en de joden vanwege Auschwitz Duitsland meet dan veertig jaar lang in tweeĂŤn hebben weten te splijten. Nu is, geloof ik, de deling van Duitsland aan wel heel andere oorzaken te wijten dan aan de jodenvervolging. Duitsland had twee keet een wereldoorlog verloren, er was een Koude Oorlog aan de gang en er heerste een communistisch regiem in Oost-Europa. Met Auschwitz heeft dat alles in het geheel niets van doen, de hetinnering aan Auschwitz werd in het Westen eerder tientallen jaren liever weggepoetst omdat er immers weer met de (West-)Duitsets moest worden samengewerkt. 'Total normal'noemt het weekblad Der Spiegelderoepom een 'normaal Duitsland', bevrijd van de last van Auschwitz. Indetdaad, welk land is eigenlijk notmaal? Welk land heeft geen verschrikkelijke herinneringen waar het 't liefste voortaan maar over zou willen zwijgen? Nederland is daarin, dat is waat, succesvoller dan Duitsland. Over de Nederlandse rol in de oorlog, over de Politionele Acties in IndonesiĂŤ en over de manier waarop de Nederlandse soldaten de bevolking

van Stebrenica in de steek hebben gelaten worden wel onderzoeken gedaan en artikelen geschreven, ze maken toch nauwelijks deel uit van ons nationale zelfbeeld. Vandaar ook dat we er niet eens om hoeven te vragen als een normaal land te worden beschouwd. De ongelukkige paradox is dat zolang schtijvers als Martin Walsei om een notmaal Duitsland vragen ze daarmee aantonen dat er nog heel veel niet zo etg normaal is in Duitsland, of in elk geval (ik mag ook niet generaliseren) in de kop van Martin Walser. Ik ben achteraf Ignatz Bubis heel etg dankbaar dat hij daai zo snel en hard op heeft geieageeid. Dat hij de moed heeft opgebracht vooi alle joden in en buiten Duitsland tegen Walseis verongelijkte wootden op te komen. En ik realiseei me ook dat toen Walsei z'n toespraak hield hij zich waatschijnlijk niet eens heeft gerealiseerd dat er overlevenden van de sjoa, zoals Bubis, onder zijn gehoor zouden zitten en dat hij hen door zo wegwerpend over Auschwitz te spreken tot in het diepste van hun ziel zou kwetsen. Want voor mensen als Walser zijn joden helemaal geen Duitsers. Ze maken geen deel uit van zijn publiek, van zijn volk. Wat hij als normaal ziet is een toestand waarin joden en ook buitenlanders, zoals Turken en Marokkanen, helemaal geen mond meer open durven doen. Bubis overdreef niet door Mattin Walser van 'latent antisemitisme' te beschuldigen. Zure verongelijktheid heeft al vakei tot ellendige gevolgen geleid. Max Arian


De onderkant v a n Internet Een schitterend medium! Een wonderlijke combinatie van post, fax, radio, televisie, krant, tijdschrift, gouden gids en bibliotheek. En alles plus wat ik hier heb vergeten te noemen - razendsnel en zo maar van achter je computer. Internet is ongetwijfeld een van de meest revolutionaire vindingen van onze tijd. Bijna dagelijks worden we bestormd door nieuwe toepassingsmogelijkheden. Tot zover de ene kant van de zaak. Helaas bestaat er ook een andere kant: de benutting van internet voor misdadige doeleinden. Daarbij wordt vaak in de eerste plaats gedacht aan de verspreiding van kinderporno, maar het gaat om een hele scala van misdrijven, zoals fraude, diefstal, inbreuk op copyright en last but not least, racisme. Internet is v o o t racisme en rechtsextremisme van bijzonder belang. In de eerste plaats vanwege de beperkte toegang van racisten en lechts-extiemisten tot de teguliete media; de behoefte aan 'eigen media' wotdt hierdoor vergroot en internet kan voor een deel in die behoefte vootzien. Een tweede reden is het internationale karakter van internet, dat nauw aansluit bij de grensoverschrijdende kenmerken van racisme en rechtsextremisme. Een derde reden wordt gevormd door de relatief beperkte mogelijkheden om tacisme en extreem-rechts van internet te weren. De toegang tot internet is vooralsnog weliswaar beperkt — volgens onderzoeksburo NIPO 8% van de bevolking - maar de groei van de internet-penetratie is enorm: een verdubbeling in een jaar tijds en het ziet ernaar uit dat deze groei zich voorlopig verder zal ontwikkelen.

In vele gedaanten De gedaanten die techts-exttemisme en racisme op internet kunnen aannemen zijn heel gevarieerd. Daarom

is een onderverdeling in categorieën nuttig. Hieronder zullen zij de revue passeren. •

NSDAPen 55-insignes en hakenkruisvlaggen. De prijs van zo'n vlag schommelt tussen de 16 en 20 dollat. • Historisch revisionisme en holocaustontkenrimg Zogenaamde 'revisionistische' beto-

Extteem-rechtse, racistische politieke paftijen Zoals de meeste 'gewone' politieke partijen beschikken veel extreemgen — v o o t al de holocaustontkenning rechtse partijen o v e i één of meer — zijn in mime hoeveelheden te vinhomepages. Die van bijvoorbeeld het den op internet. Het gaat om tienFranse Front National zijn veelomvattallen boeken en brochures die men tend en professioneel. In Nederland zo kan printen of bestellen. Belangdaarentegen is de manifestatie van rijke websites zijn die van het extreem-rechtse paftijen op internet Austtalische Adelaide Institute, van zeef bescheiden. Het is een afspiegeVrij Historisch Onderzoek (VHO) en ling van de deplorabele toestand van Ernst Zündel. Op vele plaatsen waarin deze partijen zich momenteel wordt aandacht besteed aan Anne bevinden. Frank. Zo kunnen we op de Zündel• Neonazistische organisaties en site lezen dat het ttagische lot van netwerken Anne en haar familie niets te maken Naast de partijen zijn er groepen of heeft met de "Holocaust extermination netwefken met een diffusere strucstory", want als de nazi's hen hadden tuur, zoals Stormfronten White Power. willen doden zouden zij AuschwitzMen kan er diverse uitingen van grof Birkenau niet hebben ovetleefd. Kan antisemitisme aantteffen. Via deze het cynischer? kring is op diverse plaatsen Mein • Extfeem-rechts, Kampf op het net gezet. Dit boek, fundamentalistisch religieus dat in Nederiand niet verspreid mag Onder deze categorie vallen extreemworden, is dus gewoon van internet rechtse groepen waarin te halen. fundamentalistisch christelijke tiekken gepaaid gaan met racisme en • Skinheads vooral antisemitisme. Deze groepen Met name in VS en vanuit de Scangedijen niet goed in Nederland, maar dinavische landen zijn er talloze in de Verenigde Staten des te beter. websites van skinhead-groepen. In Een goed voorbeeld is de Ku Klux 1997 opende de homepage van de zoKlan die met een toenemend aantal geheten Hammerskins met de mededeling "be assured, we still have many websites op internet present is. • Handleidingen voor de vervaar one-way tickets for Auschwitz!" diging van explosieven • Digitale postorderbedrijven O p enkele tientallen zogeheten Via internet trachten postotderbombsites kan men zien hoe men met bedrijven de CD's van skinheadbands huis, tuin en keuken ingrediënten aan de man te brengen. Veel van deze explosieven kan vervaardigen. De CD's bevatten racistische teksten, zolaatste jaren zijn deze handleidingen als die van de gtoep No Remorse: ontdekt door extreem-rechts. In de "There's a barbecue in Rostock, youd VS zijn deze intetnet-bomiecepten better come! How do you like your steik in de belangstelling komen te turks? Do you like them well done?" staan na de bomaanslag in Oklahoma Skinheadmuziek is niet de enige hanin 1995, die aan 168 petsonen het delswaar van deze postorderbedrijven. leven kostte. Het recept van de bom Je kan er ook tetecht voor muziek uit is op internet te vinden. De dadets Hitler-Duitsland, replica's van


bleken aanhangers van nazigroepen en van de Ku Klux Klan.

bleem dat Nederlandse consumenten (aangesloten op internet) toegang

The Nizkor Projecl Doritcatwf t» t h » • • a r t y I » » • ! » • «ifllt«»t> victtm» rwtkl**s(y 4 k M t r * y * d tof Ad«IT Htttor and M a Nazf regime

.(ii

, ) • . ( . . i r . i t . « « » • » « * . -«1 " 1 '

*

'1

l'-ni .• . .1 <-'i •-<••

jges#afcli SpW»S

T t ^ ^ gu.:«\ i-'u/kle A*l**rovo wt. i jixjH.^nfed wk H-iln(au<r wil the ducliciF* o* ctonal

h^l>;-\ :*v

F«atpres

r h u ^ a ^ ï cofeu ons of .nto'mT.on ab.ji/tnp H^<x3tisi a^j ts >?f^ a N6v y.. hstc %!?•<:•*: re•-.p2R.;«'j 'O hea JïsnBv'Denipeato" **>>i3' *r>ytE rcK-ctrq thf

Organteatians, f e o p l e and Ptacra... Shafoc JFTF

êiSÏW,.SS. BjjgkStore

*

H'>!n.-ai,>»-f---)3todIi:c.Ci.--

f

i « f th t

l i o t e d N ">•=• S'f'.y^f,

•f,io;-!tn3f.f,

»Tsnr l u w :

Repressie

1,»18»<ifel 11 "Itizkor** is a H#fer«v»

ÜH% sita is. and

always w tl be, w i l femember.*'

construettan.

1

SIMfi

"Wam Mm^mm~^w%. ïMm^

Internet cormecii¥lty

liviui.-

Wat kunnen we er tegen doen? Het probleem van racisme en rechtsextremisme op internet in ons land is niet zozeer gelegen in de producten van eigen bodem, want die zijn van relarief geringe betekenis, althans tot dusverre. Des te groter is het pro-

criminaliteit gevolgd door wettelijke maatregelen, maar het eerste gaat sneller dan het tweede. De meeste aandacht is daarbij overigens niet uitgegaan naar de hierboven opgesomde uitingen van racisme, maar veeleer naar (kinder)porno. Internet biedt de mogelijkheid tot de snelle, wereldwijde verspreiding van strafbaar en s c h a d e l i j k m a t e r i a a l , de toegankelijkheid daarvan voor een breed publiek, terwijl de verspreiders moeilijk zijn op te sporen. Vaak zijn deze verspreiders moeilijk grijpbaar voor de nationale overheden omdat zij zich buiten het bereik van die overheden bevinden. Een complicerende factor zijn de aanzienlijke verschillen tussen de diverse landen op het vlak van de uitingsvrijheid. De holocaustontkenning is bijvoorbeeld niet strafbaar in de VS terwijl deze ontkenning een zwaar delict is in de Bondsrepubliek Duitsland. Op racistische, rechts-extremistische 'strafbare en schadelijke inhoud', zoals het in beleidstermen is gaan heten, kan op diverse manieren worden gereageerd, zoals hieronder schematisch is weergegeven.

net

hebben tot de racistische en extreemrechtse domeinen die hierboven zijn aangestipt. Met de ontwikkeling van internet groeide ook de bezorgdheid over allerlei vormen van computercriminaliteit, zoals de verspreiding van strafbaar en schadelijk materiaal. Natuurlijk wordt de computer-

Een van de gevolgen voor ons land is onduidelijkheid over de vraag in hoeverre binnen het huidige wettelijke kader van discriminatiebestrijding kan worden opgetreden tegen racisme dat via internet wordt verspreid. Op een aantal punten is aanvullende wetgeving in voorbereiding, waardoor (onder andere) de aansprakelijkheid van providers beter wordt afgebakend dan thans het geval is. Het zal dus nog enige tijd duren voordat er sprake kan zijn van een vervolgingsbeleid inzake internet-racisme. Wel bestaat er sinds kort een Meldpunt Discriminatie Internet, een goed initiatief dat ongetwijfeld navolging zal krijgen.


Zelfregulatie

Educatie

Naast repressieve respons op de verspreiding van strafbaar en schadelijk materiaal is er insttumentatium op het terrein van zelfregulatie, zowel op h e t niveau v a n providers als v a n aangeslotenen. Et is een uitgebteid assortiment software op de m a t k t waarmee sites k u n n e n worden gefilterd of geblokkeerd. Tot n u toe ligt het accent onmiskenbaat op de bescherming van kinderen tegen pot no, al claimen de fabrikanten ook dat racisme en geweld onder het bereik van h u n producten vallen. Voor de netfilters blijkt in de VS een markt te bestaan onder ouders, scholen en bibliotheken. Ovet zowel de principiële als de praktische k a n t e n van zelfregulatie wotdt overigens veel en heftig gediscussieerd.

Een derde sttategie is die van de educatieve respons. M e n kan, m e t alle voordelen die internet biedt, ttachten weerwerk te bieden. Met name op het terrein van de bestrijding van de holocaustonxkznnlng is teeds veel op het net te vinden. Voorbeelden zijn The Nizkor Project en de Cybrary of the Holocaust. Bij de eerstgenoemde ligt de nadruk op weerlegging van de holocaustontkenning, bij de tweede op documentatie over de holocaust \n het algemeen. De bepetkingen van de repressieve mogelijkheden, ook na aangepaste wetgeving, d o e n de betekenis van beide andere strategieën toenemen. Wat Nederland betreft staan de zelftegulatie en de educatieve tespons

HoBf.ki JAN

*„AN

nog in de kinderschoenen. Zij verdienen dan ook meer aandacht. Daarnaast is het van belang o m uitingen van racisme en rechts-exttemisme op internet te gaan volgen. D e Anne Frank Stichting\\ee{\ deze taak op zich genomen en een begin gemaakt m e t het opzetten van een m o n i t o r racisme, extreem-rechts en internet. Jaap van Donselaar Dit artikel is gebaseerd op onderzoek dat de Universiteit Leiden heeft uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van Binnenlandse Zaken. Het verslag "Monitor racisme en extreem-rechts: tweede rapportage, media"zal binnenkort verschijnen. (Lnlichtingen: LLSWO, Universiteit Leiden, tel.0715273845; fax 071-5273788).

PU.'Ï ™ISr

en de holocaust

Debórah Dwork

Robert Jan van Pelt

Zygmunt Bauman

Kinderen met een gele ster

Debórah Dwork

De moderne tijd en de holocaust

Auschwitz: Van 1270 tot heden

verhaal. Hun verhalen, hoewel steeds persoonlijk en individueel, leveren een aangrijpend beeld op van het meest gruwelijke hoofdstuk uit de geschiedenis van deze eeuw, de holocaust.

De context van eeuwen Duitse preoccupatie met Auschwitz, de zorgvuldige analyse van honderden na de val van de Berlijnse muur beschikbaar gekomen bouwtekeningen, en de consciëntieuze weergave van de ervaringen van de gedeporteerden die de gruwelen in het kamp aan den lijve ondervonden, dit alles levert een aangrijpend en monumentaal beeld op van de plaats die meer dan enige andere het kwaad symboliseert.

De vertaling van Baumans vermaarde studie uit 1989 waarin hij de holocaust ziet als een uitvloeisel van typisch 'moderne' verschijnselen als autoritair en hiërarchisch denken, bureaucratisering, gehoorzaamheid, afgeschoven verantwoordelijkheid en strak georganiseerde arbeidsprocessen. (Vrij Nederland)

Vertaling Tinke Davids, 440 pp., ƒ 62,50

Vertaling Tinke Davids, 456 pp., ƒ 82,50

Boom

Over kinderen, geboren als joden, en opgroeiend in een nationaal-socialistisch Europa. Kinderen die, voorzover ze de holocaust overleefden, ook na de oorlog bleven worstelen met de erfenis van hun jeugd. In Kindeten met

een gele stet vertellen zij hun levens-

Vertaling Jan Willem Reitsma, 256 pp., ƒ 46,50

in de boekhandel


Rusland in depressie 'Je mag zeggen dat je Fransen haat, Engelsen haat, dus waarom zou je niet mogen zeggen dat je joden haat?' Deze uitspraak komt van een Russische extremistische antisemiet, genetaal Albert Makasjov. Hij zit in het patlement voot de KPRF, de Russische Communistische Partij. Deze en soortgelijke uitspraken deed hij op twee bijeenkomsten, eentje voor zijn partij en eentje in Moskou. Hij gaf de joden de schuld van de huidige economische ctisis in Rusland en riep het volk op tot een massale schoonmaak. Rusland bevindt zich momenteel in een grote deptessie. Laatst las ik een bericht in de Volkskrant. Er stond iets dergelijks als: Politie in Rusland nonactief. Et was namelijk een buutt in Rusland waar de huizen maar vier uur verwarmd werden. Dus belden de bewoners de politie op om hun beklag te doen. Helaas kon de politie niet komen, want het was te koud. Het lijkt of men daar de moed heeft laten zakken. Dat geldt ook voor de autotiteiten: er is wel een regering, maar die lijkt nauwelijks nog iets voot te stellen. Er worden veel dingen beloofd, maar de enige stap is tot dusverre het intrekken van de belofte om achterstallige lonen en pensioenen met voorrang en voor het einde van het jaat uit te betalen. "We hebben gewoon geen geld" aldus premier Primakov.

Verontrustend Misschien heb je de ptesident Boris Jeltsin op de TV gezien, de bijnaval partij op een loper, Jeltsin die gewoon bezig is aan het zeggen van een zin, opeens niet meet weet wat hij wilde zeggen, dan bedenkelijk kijkt en toch maat niets zegt. Dit ziet er wel grappig uit, maat tegelijkertijd is het zeer verontrustend. Staat deze invalide man nou garant voor de democratie, als hoofd van Rusland? Erger nog zijn de uitspraken van generaal Albert Makasjov. Aanvanke-

lijk ondernam het openbaar ministerie niets. Toen diende Stanislav Govoroechin, lid van de Volksmachtpartij, een motie in om de antisemitische uitsptaken van Makasjov te veroordelen; maat 107 van de 450 Russische patlementatiërs stemden voor. In de dagen daarop kwam Rusland, met de media voorop, eindelijk eens in opstand. De pers bleef berichten over de uitlatingen van Makasjov, het eeuwenoude Russisch antisemitisme en de KPRF. TV-station NTV vetklaarde dat de communisten eindelijk hun ware aard toonden. Vooraanstaande politici, Boris Berezovski en oud premier Gajdar riepen tot een verbod van de KPRF. Oud vice-premier Tjoebais was het hief ook mee eens en zei dat de communistische ideologie op twee centrale ideeën is gebaseerd, namelijk "Sla de joden, red Rusland'en Sla de journalisten" ("Sla de joden, ted Rusland" is een leus tijdens de jodenvervolgingen in 1905). De communistische leidet Zjoeganov, kwam -niet voor het eetst- met het idee van toezicht houden op de pets -gewoon censuut dus. Te beginnen bij de televisie en daarna andere vertegenwootdigingen van de maatschappij. Makasjov legde dit uit als: 'Russen moeten vertegenwootdigd zijn op alle belangrijke posten, voot de joden moet een vast wettelijk percentage worden vastgesteld voor het aantal functies die zij kunnen innemen.' Et kwam eindelijk beweging in deze zaak toen Zjoeganov ter verantwootding wend geroepen bij de Israëlische ambassadeur Zvi Magen en toen het schandaal internationale bekendheid kreeg. Op 13 november nam de Russische volksvertegenwootdiging deze motie aan ovet 'de ontoelaatbaaiheid van daden en uitlatingen die de interetnische vethoudingen in de Russische Federatie bemoeilijken.' De naam Makasjov komt niet in de motie voot, omdat de meeste stemmen ook van de communisten moet komen.

Het openbaar ministerie is intussen ook in actie gekomen. Er wordt een onderzoek ingesteld tegen Makasjov en nog een paai aanhangers van deze. Op basis van artikel 280- het omverwerpen van de staat. Jammer genoeg hebben ze hierbij artikel 282- het aanzetten tot rassenhaat over liet hoofd gezien. Toch, wordt het aloude antisemitisme in Rusland hier niet mindet om. Verontrustend was de enquête die dooi liet dagblad Kommersantwerd gehouden. De viaag of Makasjov vervolgd moet wotden: 30% mee eens, 29% oneens, 24% wist niet waar het om ging, 17% had geen mening. Op de viaag "Wat zou u ervan vinden als de ptesident van Rusland een jood was", antwoordde 64% afkeuiend. Misschien hebben jullie wel gehooid over de mootd op Galina Starovojtova. Zij maakte zich druk over de gebeurtenissen rond Makasjov. 20 november werd zij neergeschoten voor haar nat in Petetsburg. Zij was lid van de democraten en zette zich vooial in tegen antisemieten, extiemisten en de nationalistische- en communistische pattij. Volgens mensen uit haai omgeving had ze mateiiaal over sommige personen. Onlangs is er een beloning van twee ton tei beschikking gesteld door de Alfa-bank, voor wie een oplossing kan geven. A s er sociale onrust, armoede en bedrogen illusies heersen, komt tassenhaat en geweld naar boven. Laatst was ik Schindler's list weer eens aan het bekijken. Na de fdm ongeveer vier keer gezien te hebben nog altijd schokkend, verbazingwekkend en boeiend. Toen ik weer overzette op een normaal kanaal - SBS6geloof ik- kwam ik Makasjov tegen. Alsof het vanzelfsprekend was sprak hij de woorden aan het begin van dit stukje uit. Wat ben jij toch stom, dacht ik bij mezelf. Jij hebt vast geen Schindler's list gezien. Sosha Melkman (16 jaar)


Beperkt aantal slachtoffers komt in aanmerking voor een geringe uitkering uit Zwitsers fonds Sinds juni 1998 is een Nederlandse commissie 'Needy Victims' (NCNW) drie maal bij elkaar gekomen om, op uitnodiging van het Centraal Joods Overleg (CJO), te praten ovet de bestedingvan $761.000 (ca. 1,5 miljoen gulden). Dit geld is afkomstig van het Zwitserse fonds v o o t slachtoffers van de Sjoa, dat in 1997 door de Zwitsetse overheid, banken en bedrijfsleven in het leven werd geroepen. Voor de in heel Europa nog levende overlevenden stelt men in totaal 12,5 miljoen dollar beschikbaar. In het CJO zijn de drie joodse kerkgenootschappen, Joods Maatschappelijk Werk en de Federatie Nederlandse Zionisten vertegenwootdigd. Verder werden vijf organisaties uitgenodigd om ovet de bestemming van het geld mee te pfaten: het Verbond Belangenbehartiging Vervolgingsslachtojfers (VBV), Het ondergedoken Kind (HOK), Joodse Oorlogskinderen (JOK) het Nederlands Auschwitz Comité en de Joodse Naoorlogse Generatie (JONAG). JONAG praat, als enige otganisatie van de naootlogse generatie, mee met de kanttekening dat JONAG geen slachtoffers vertegenwoordigt, maar dat het wel gaat om ouders, grootouders, vermoorde of verdwenen familieleden van de tweede generatie.

Eisen en voorwaarden Bij de veldeling van de Nederlandse gelden (slechts 6 % van het totaal) is et een aantal ctitetia, waaraan men vanuit Zwitserland / Israël moet voldoen. Hoewel men een aantal keren die criteria heeft 'aangepast', waardoor de besluitvotming niet bepaald snel verloopt, is op dit moment vrij zeker dat het gaat om de volgende eisen: Het geld wotdt verdeeld onder "needy victims", hetgeen betekent "behoeftige slachtoffets". Het fonds is alleen opge-

zet als een humanitait initiatief om slachtoffers-in-nood te ondersteunen en niet bedoeld als restitutie v o o t gestolen goederen of verdwenen bezittingen in Zwitserland. Het gaat daatbij om joodse burgers, die voor het einde van de Tweede Wereldoorlog geboren zijn en in die periode leefden in een land dat doot de nazi's of nazi-collaborateurs was bezet en die nu in Nedetland wonen. Aanvankelijk rekende men ook de tweede generatie tot deze groep- " This applies for their needy descendants as well"- maar bij navraag is men daarop tetugkomen. De vraag wie en wat "needy''is, is natuurlijk lastig re beantwoorden. In tetmen van het Centraal Bureau voor de Statistiek wordt wel gesproken over 'minder bedeelden'. Volgens deze CBS-tetminologie en met de gegevens van de WUV( Wet Uitkering Vervolgden) in de hand komt men tot een beperkt aantal petsonen of huishoudens die tot deze gtoep getekend kunnen worden. Een ruwe schatting leett, dat het om ongeveet 1000 personen gaat. In dat geval zou de NCNV ca. ƒ 1500,- per persoon/ huishouden kunnen uitkeren. Veel te weinig natuurlijk, maar voor diegenen, die er erg slecht aan toe zijn, is vermoedelijk ieder redelijk bedrag welkom. Het Zwitserse fonds heeft in ieder geval een bovengrens gesteld. Er mag niet m e e t dan ongeveer $ 1350,- per persoon worden uitgekeerd. Alle mensen die voor deze eenmalige uitkering, een soort smartengeld, in aanmetking denken te komen, moeten met heel hun (financiële) hebben en houden op tafel komen. Dat is v o o t velen belastend en pijnlijk. Daarom heeft de NCNV zelf uitvoetig gesproken ovet een ondetgrens. Het is absoluut onverdedigbaar als bijvoorbeeld iedereen enkele tientjes of bijvootbeeld honderd gulden zou krijgen. Daarom bepleit de

NCNV dat er een ondergrens moet komen van ƒ 1.000,-.

Iedereen ontevreden Bij de uitvoering van een dergelijk plan is het noodzakelijk zich te buigen over diverse problemen. Hoeveel geld kan worden besteed aan advettenties en administratie zonder dat het totaalbedrag wordt aangesproken? Kan men een bedrag ontvangen zonder dat de belasting een groot deel ervan opeist? Loopt eventuele huursubsidie geen gevaar, kan een bijstandsinstantie korten? Op al deze en nog wat andete vragen wil de NCNV een duidelijk antwoord voordat advertenties worden gezet en aan de uitvoering zal worden begonnen. De precieze procedure hiervoor is nog niet vastgesteld. Wel is het zeket dat alle aanvragen zeet zorgvuldig en snel dienen te wotden behandeld, dat et een deadline zal zijn waarvoor men dient te reageren en dat de uitbetaling eveneens spoedig moet plaatsvinden. Wat ook zeker is, is dat velen hierover ontevreden zullen zijn. Dat geldt voor de aanvragers die geen geld krijgen omdat zij niet aan de critetia voldoen, maar ook voor hen die wel tot de 'gelukkigen' behoren, maar veel minder krijgen dan waarop zij hopen. Anderzijds is iedere honorering en zelfs het feit dat een dergelijk fonds in het leven is geroepen een (schrale) genoegdoening en erkenning voor het aangedane leed. Zowel via één of m e e t advertenties in een landelijke krant als via de Benjamin en het Bulletin van het Nederlands Auschwitz Comité zullen oproepen worden gedaan te regeren. Maar geen enkele 'Wiedergutmachung' zal meer zijn dan een pleistet op de wonde. Theo van Praag


Paperbackuitgave v a n de gouaches v a n Charlotte Salomon

De onderduik voorbij?

Alle 769 gouaches die tezamen het boekwerk Leven? of'Theater? vormen, het levenswetk van de Beilijnse kunstenates Charlotte Salomon, zijn herdrukt in een dikke paperbackuitgave. Charlotte Salomon, geboren in 1917, ontvluchtte nazi-Duitsland in 1939 en ging in Zuid-Ftanktijk bij haar grootouders wonen. Toen haar grootmoedet zelfmoord pleegde was dat aanleiding voot Charlotte om in een lange setie prachtige gouaches haat autobiografie te schilderen. Zij had dit werk nog maar net voltooid toen zij alsnog door de Duitsers werd gegrepen en op 10 oktober 1943 direct bij haar aankomst in Auschwitz vetmootd. Zij was toen vief maanden zwanget. Op 17 juni was zij getrouwd met Alexander Nagler, van wie doot dat huwelijk uitkwam dat hij ook een jood was.

In een vorig nummer van dit bulletin schteven we over de zoektocht die beeldend kunstenaar Harry Visser heeft verricht naar de geschiedenis van zijn eigen onderduik als kind en die van zijn familieleden. Het boekwerk dat hij daarover heeft vervaardigd is intussen uitverkocht, maar er is door Frits Huls van het Streekmuseum in Vlaardingen, vooral bedoeld voor het onderwijs, een mooi en handzaam boekje van gemaakt ondet de titel De onderduik voorbij? De onderduikgeschiedenis van Harry Visser in Vlaardingen, september 1942-mei 1945. Het boekje bevat in kott bestek datgene wat tussen 1940 en 1942 in Amstetdam is gebeuld en in Vlaardingen tussen 1940 en 1945. Uitgebreider wordt de onderduik van het gezin Visser behandeld, van de voorbereiding en de reis naar het ondeiduikadres, via het verblijf in Vlaardingen tot aan wat het 'wonder van het Natcisplein' wordt genoemd: velen waten er van op de hoogte dat daar ondetduikets zaten, maat ze werden door niemand verraden. Het uitvoerig geĂŻllustreerde boekje is te koop voor f 9,95 (excl. verzendkosten) bij: Streekmuseum Jan Anderson, Kethelweg 50, 3135 CM Vlaandingen.

Deze uitgave bevat niet alleen alle gouaches, maar ook een van veel foto's voofziene levensbeschtijving van Charlotte, een inleiding van Norman Rosenthal en talloze aantekeningen bij de gouaches, geschieven door Charlotte Salomon zelf en vettaald doof Judith Herzberg. De omvang van de paperback is 832 pagina's, de prijs is f75,â&#x20AC;&#x201D;. Het is een gezamenlijke uitgave van Waandets Uitgevers, Zwolle, het Joods Historisch Museum en de Stichting Charlotte Salomon. Enkele afbeeldingen zijn afgedrukt ter illustratie bij het artikel van Jacques Futth.

Getuigenissen als monument voor Berlijn? Op 31 oktober 1998 berichtte Het Parool dat de nieuwe Duitse regering wil afzien van het enoime monument dat midden in Berlijn geplaatst zou worden tei nagedachtenis aan de jodenvervolging in de Tweede Wereldoorlog. In plaats daarvan zou Michael Naumann, de nieuwe minister van Cultuur, liever zien dat op die plek, tussen de Brandenburger Tor en de Potsdamer Platz, de Steven Spielberg Stichting een vestiging zou krijgen. Dat zou betekenen dat daar de duizenden video-interviews, die de Spielberg Stichting heeft opgenomen, te zien zouden zijn als een levende herinnering aan zoveel miljoenen doden en vervolgden. Dat zou een veel en veel beteie, zinvollere en leerzamere herinnering zijn dan wat voor gigantische klomp beton dan ook. Maai de toekomst van het monument is nog altijd niet beslist. Zo is et nu ook een vooistel gedaan om in de betonnen palen, die de architect Eisenmann had ontwoipen, kleine tv-schermen aan te brengen waarin de video-getuigenissen kunnen wonden afgespeeld. Dit lijkt me een stompzinnig idee. De video-inteiviews moeten tustig bekeken, bestudeeid en geanalyseetd kunnen wotden en niet als een soort van levend behang in het beton woiden gemetseld. Het is te hopen dat de stad Bellijn en de Duitse regering zullen beslissen op deze plek een eenvoudige ruimte te plaatsen waar stilte heetst en de getuigenissen op de toeschouwefs kunnen inwerken.(m.a.)


Oproep van het Internationale Auschwitz Comité Op de vergadering van het Internationale Auschwitz Comité (IAK) begin november in Brussel zijn enkele actuele taken aan de orde geweest waarover het IAK een uitspraak heeft gedaan. Het betreft kwesties als de aanwezigheid van religieuze symbolen in Auschwitz en het recht op uitkering en schadevergoeding aan vervolgden. Het IAK benadrukt dat het de overkoepelende organisatie voor een grote groep van landencomités is die opkomt voor de belangen van alle vervolgden. Ongeacht wat hun politieke en religieuze overtuiging, etnische afkomst of maatschappelijke achtergrond ook geweest moge zijn. Vanwege deze brede basis vindt het LAK dat religieuze symbolen hoe dan ook in Auschwitz-Birkenau niet thuis horen. Voor zover ze er nu zijn, zouden ze moeten verdwijnen. Religieuze, maar ook nationalistische te-

kens houden altijd een eenzijdige claim in die de algemene betekenis van deze plek en zijn grote kracht als algemeen symbool tegen vervolging en ondergang ernstig aantast. Auschwitz moet een plaats zijn en blijven voor iedereen om te kunnen bezinnen en gedenken en met name voor diegenen die verdraagzaamheid, mensenrechten en vrede nastreven. Voorkomen moet worden dat Auschwitz opnieuw tot scheiding leidt. De landencomités die van het IAK deel uit maken worden daarom opgeroepen hun regeringen te bewegen zich sterk te maken voor het verwijderen van alle religieuze symbolen uit Auschwitz. Het is en moet blijven een gedenkplaats voor de gehele wereld. Met de herdenking van de "Kristallnacht''(9 november) in gedachten stelt het IAK zich achter de eisen tot uitkering voor de slavenar-

BOEKHANDEL PEGASUS

beid verricht in de concentratiekampen en voor schadevergoeding van alle onteigende bezit, ongeacht wat de waarde was. Hierbij doet men opnieuw een beroep op de nationale regeringen, maar ook op Europese instellingen, om dit krachtig te ondersteunen. Nagegaan moet worden welke staatsinstellingen, welke ondernemingen, verzekeringsmaatschappijen en banken van de verderfelijke nationaal-socialistische roofpolitiek 'meegeprofiteerd' hebben. Het LAK dringt in dit verband aan op het scheppen van nieuwe wetgeving die het mogelijk maakt privé beheerde archieven, bijvoorbeeld van ondernemingen, op dit punt te kunnen raadplegen en de mogelijkheid te scheppen dat vergoeding voor onteigende bezittingen een betere en vooraljuridisch bindende basis krijgt.

Aangeboden door

Singel 367

Amsterdam t e l . ( 0 2 0 ) 623 I I 38

Specialisten SLAVISTIEK • proza & poëzie taal- en l e t t e r k u n d e woordenboeken leerboeken geannoteerde/ tweetalige uitgaven kinderboeken tijdschriften

in: OOST-EUROPA proza & poëzie in nederlandse, engelse en duitse vertaling secundaire literatuur oosteuropa-kunde kunst reisgidsen tijdschriften

BERDY


Zigeunermonument in Maagdenburg Het Deventet Dagblad van 30 oktobet 1998 berichtte dat in het Oostduitse Maagdenbutg op 29 oktober een monument is onthuld voor de zigeuners die tijdens de Tweede Wereldoorlog door de nazi's zijn vermoord. De onthulling werd verricht doot Reinhard Hoeppner, de ptemier van de Duitse deelstaat Saksen-Anhalt. In Maagdenbutg werden in de oorlog 470 zigeuners in een kamp gezet en latei afgevoeid naar het vernietigingskamp Auschwitz.

Kruisen eindelijk weg? In september van dit jaai kwam uit Polen het beticht dat Israël Gutman, de vice-vooizittet van de internationale taad van het museum Auschwitz-Birkenau zou hebben gezegd dat, als de m e e t dan dtiehondetd door Poolse rechts-extiemisten bij het vooimalig concentratie- en vernietigingskamp Auschwitz geplaatste kiuisen zouden wonden weggehaald, dat ene, oorspronkelijke, acht meter hoge, zogeheten pauselijke ktuis, zou mogen blijven staan. Hieimee zijn echtet de Poolse oppenabbijn Pinchas Joskowicz en de Franse opperrabbijn René-Samuel Sirat het in het geheel niet eens. Zij vinden dat ook dat ene kruis moet wonden verwijderd. Op 2 december 1998 meldde het Nederlands dagblad dat de Poolse premier Jerzy Buzek heeft beloofd dat alle omstieden ktuisen zullen veidwijnen. Hij deed deze belofte in een brief aan de regeringsleiders en die is tijdens een conferentie in Washington ovet joodse bezittingen ovethandigd aan vertegenwoordigers van joodse organisaties in de Verenigde Staten. Buzek zal bovendien vootstellen doen om de vroegere concentratie- en vernietigingskampen ondet direct toezicht van de Poolse tegeting te plaatsen.

Waarom

JIB

li oen W . M - m a k H a a r nodig hoo bij do v e r k o o p v a n u w b u i s ?

JOACHIMSTHAL'S BOEKHANDEL Van Leyenberghlaan 116 1082 DB Amsterdam Tel.: (020) 4420762 Fax (020) 4041843

U w boekadres voor alles: van i' Judaica

tot Z

-i' Kaarten voor allerlei gelegenheden

i' Hebraica ;

; Cadeautjes voor Bath- en Bar Mitswa

;

i- Mezoezot, Chanoekiot, Kiddoesjbekers, Tefillien, Tallitot, Keppels, Seiderschotels, Sjabbatkleedjes

Jiddisj ;

;

Literatuur over Israël

; Joodse kinderboeken ;

Kookboeken DAAROM DUS.

i

Michuêl Pappie Makelaars o/g Hoge weg 10 Tel 020-6655606 Mll'l'll

,11

lllC'l

I T I 1

O.H'lIl'

11,1,1111

su.it

\ \ \l

H3

;

Bladmuziek

OPENINGSTIJDEN: ZONDAG - DONDERDAG: VRIJDAG:

;

enzovoort, enzovoort

9.30 - 18.00 UUR 9.30 - 17.00 UUR


ATHENAEUM

BI#K

AB

Modehuis Blok stelt haar collectie damesen herenkleding met zorg samen uit het Internationale aanbod van toonaangevende merken. Daarbij ligt de nadruk niet alleen op stijlvolle maar ook op sportieve kleding

SPUI

14-16

A M S T E R D A M

TEL: 020-6233933 FAX: 020-6384901

Tevens vind u in onze vestiging in Uithoorn een uitgebreide collectie kinderkleding

G E D E M P T E

Dames-, heren- en kindermode Uithoorn Amstelplein 19 Tel 0297-561353 Vrijdag koopavond

O U D E

G R A C H T

70

H A A R L E M

TEL: 023-5318755 FAX: 023-5322603

Dames- en herenmode Amsterdam-Buitenveldert Gelderlandplein 25 Tel 020-6462656 Donderdag koopavond

EMAIL: INTERNET:

I N F O @ A T H E N A E U M B O O K S . N L W W W . B O E K N E T . N L / A T H E N A E U M

BOEKHANDEL BLOEMSIERKUNST

TOFF OPTIEK

,?2

)

opent uw o g e n Diemer

Hoofddorpplein 10-14, Amsterdam Telefoon 020 - 346 79 79 STICHTING

Kruidenhof 1 21 lel 0 2 0 - 6 9 9 89 75

Bloemist van het Auschwitz ComitĂŠ

Vertolkt ook uw gevoelens van waardering en medeleven. ICODO

Informatie- en CoĂśrdinatieorgaan Dienstverlening Oorlogsgetroffenen Voor vragen op het gebied van wetten en regelingen voor oorlogsgettoffenen, maar o o k voor vragen over zelfhulpgroepen, therapeutische hulp of maatschappelijk werk, en voor literatuur over de Tweede Wereldoorlog en zijn gevolgen kunt u tetecht bij de Stichting Icodo. Oorlogsgetroffenen, h u n paftners en kinderen (ook de naoorlogse generatie zijn welkom bij STICHTING ICODO Maliebaan 8 3 , 3581 C G Utrecht tel. 030-2 34 34 36 (9-13 uur; bibliotheek 9-17 uur) Bezoek is - na telefonische afspraak - iedere dag mogelijk.


Europees N e t w e r k tegen racisme 1997 was het Europese jaar tegen racisme. Dat hield in dat er overal nationale comités werden opgericht die de coördinatie van projecten en initiatieven tegen racisme in eigen land ondersteunden en betaalden. Twee interessante internationale activiteiten kwamen als gevolg van dat Europese jaar tegen racisme van de grond. In de eerste plaats stelde de Europese Commissie gelden ter beschikking voor het organiseren van zogenoemde Ronde Tafel Conferenties in de 15 lidstaten. Doel was een Europees netwerkvan antiracisme-organisaties op te zetten. In 1997 werden in heel Europa Ronde Tafel bijeenkomsten van antiracistische organisaties, de zogenoemde nongouvernementele organisaties (NGO's) gehouden. Deze nationale Ronde Tafel Conferenties bespraken de opzet en structuur om een (groot) Europees netwerk op te zetten. De tweede activiteit ter bestrijding van racisme was de oprichting van een Europees waarnemingscentrum tegen racisme en xenofobie. Als voorbereiding hierop was al enige tijd een Europese Commissie tegen Racisme en Xenofobie actief onder leiding van de Franse voorzitter Jean Kahn, waar namens Nederland Edvan Thijn en Paul Cliteur deel van uitmaken. Na veel getouwtrek werd de vestigingsplaats Wenen. De nieuwe directeur, Beate Winkler, komt uit Duitsland. Het centrum is in juni 1998 feitelijk begonnen met het aantrekken van personeel. Dit zal nog geruime tijd duren aangezien men vanuit heel Europa medewerkers wil aantrekken die ook nog een variëteit aan etnische achtergronden vertegenwoordigen.

Actieprogramma Het eetste initiatief, de nationale Ronde Tafel bijeenkomsten, mondde uit in een Europese Ronde Tafel conferentie aan het eind van afgelopen jaar. Op 10 oktober 1998 werd een Europees netwerk tegen racisme opgericht. Gedurende drie dagen kwamen afvaardigingen van 15 lidstaten in Brussel bijeen om het netwerk officieel te beginnen. Zon 250 leden bespraken de mission statement, het actieprogramma, de uitgangspunten en de structuur van het nieuwe netwerk in drie dagen. Dat waren zware tijden voor de tolken die Frans, Duits en Engels permanent heen en weer vertaalden en voor alle deelnemers die vanuit zeer diverse culturele achtergronden elkaar moesten begrijpen en op één lijn moesten komen. Beide factoren, taal en cultuur, maakten het vinden van gemeenschappelijke noemers niet eenvoudig. Maar wie beseft dat racisten op Europees niveau zich steeds vaker aaneensluiten en via Internet met elkaar in contact komen, die begrijpt dat dit initiatief, financieel en moreel gesteund doot de Europese commissie, erg belangrijk is. De structuur die wetd aangenomen betekent dat er op nationaal als op Europees niveau Ronde Tafel Conferenties jaarlijks dan wel om de twee of drie jaar zullen plaatsvinden en dat er een soort dagelijks bestuur komt waarin alle lidstaten één afgevaardigde hebben. De Nederlandse delegatie had vooraf twee 'harde' eisen geformuleerd. Er moest een in ieder geval een Nedetlandse vertegenwoordiger in het Europese Bestuur komen, dus stelden wij voor dat het bestuur uit 15 personen moest bestaan, dat wil zeggen één

uit elke lidstaat. Daarnaast stelden wij voor vooral de nadruk te leggen op de functie van het onderwijs bij de bestrijding van racisme. Jn de algemene voorstellen was dat nog zeer onvoldoende belicht. Beide voorstellen werden door de plenaire vergadering goed ontvangen en na veel discussies overgenomen. Een eis van het netwerk is dat in de afvaardigingen gender-evenwicht (man-vrouw) is en de helft van de leden moet afkomstig zijn van de groep 'slachtoffers van racisme'.

Geen stereotypen In het Europese Bestuur, het Europese Management Board, dat drie maal per jaar bij elkaar komt is door 'onze' Ronde Tafel Conferentie Roy Karg aangewezen. Karg is o.a. voorzitter van het Landelijk Bureau Racisme Bestrijding (LBR). Als tweede persoon voor de jaarlijkse Europese vergadering, c.q. plaatsvervangend bestuurslid werd Margriet Mans gekozen. Zij is adjunct-directeur van Policing for Multi Ethnic Society in Rotterdam. Ronny Naftaniélvan het CIDI werd als reserve 'benoemd'. Racisme, xenofobie, discriminatie en stereotypen bestrijden betekent vooral gemotiveerd blijven én volhouden. Een van de aardigste ervaringen die ikzelf had tijdens deze conferentie in Brussel was dat ik met vele zeer donker gekleurde afgevaardigden sprak die daar het woord voerden namens bijvoorbeeld Finland, Zweden of Griekenland. Wie in stereotypen denkt, moet vaak naar dit soort Europese conferenties gaan.

Theo v a n P r a a g


Het boek "Nooit meer Auschwitz": Het Nederlands Auschwitz Comité, 1956-1996. Dr. R. van der Leeuw schreef in een recensie over dit boek: "Het Comité moest tot twee keer toe constateren dat

het

monument

in

het

Wertheimpark vernield werd - om welke reden dan ook. Dat is symbolisch voor de overtuiging dat het werk van het Comité voortgang moet vinden , zolang dit werk tot zegen kan strekken van allen die zich op enigerlei wijze betrokken voelen bij alles waarvoor "Auschwitz"staat. Het gedenkboek is een belangrijk instrument bij het toekomstig werk. " Dit boek over 40 jaar

Nederlands

Auschwitz Comité kost fl. 29,50 en is te bestellen bij de penningmeester ( de prijs is exclusief verzendkosten)

Boekenlijst Deze boeken kunnen telefonisch of schriftelijk besteld worden bij de penningmeester. De prijzen zijn exclusief de verzendkosten puschtDit3

-Auschwitz - Voices

Bttkenau

from the ground

BY BREAD

IALONE

e. 32,50

-KI .Auschwitz seen by the SS

fl. 16,50

-By bread alone A survivor

fl. 17,50

-40 jaar Nederlands

AT UH SCH IZ S6K EL NBY EW SST

Auschwitz Comité

fl. 29,50

-Auschwitz Brochure

fl. 3,50

-Auschwitz informatiegids fl. 3,50 -Ver weg en toch dichtbij fl. 15,00


Auschwitz Bulletin, 1999, nr. 01 Januari  

Een uitgave van het Nederlands Auschwitz Comité; postbus 74131,1070 BC Amsterdam 43ste jaargang, nr. 1, januari! 999. Verschijnt 5 x per jaa...

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you