Page 1

35e jaargang, nr. 4, oktober 1991. Verschijnt 6x per jaar Z

GO. ISI

c o

een uitgave van het Nederlands Auschwitz Comité, postbus 53142,1007 AC Amsterdam Nederlands Auschwitz Comité Voo>zrtftér: Aiirtétje Fels - Kupferschmidt Secretaris: êléJVico Boeken, Raphaëlstraat 12hs, 1077 PS Amsterdam, tel. 020 - 6790643 PmnmQmeêsim, Joop M. Waterman, Qmmerewhof79,1106 X M Amsterdam, te», 020 - 6061334

Hoofdredactie: drs. Eva Tas Redactie: Max Arian, Anet Bleich, Daphne Meijer, Clairy Polak i; Redactie-adres: Nieuwezijds Voorburgwal 286, 1012 RT Amsterdam, tel. 020 - 6261353 Abonnementenadministratie: David Papegaay, De Weer 88,1503 WH Zaandam, tèl. 075-16 85 18

ianlipikifAPIIO-'baiik,

brjk. Sfym^^sem^traat 58, Amsterdam, spaarrekening 400175088. Postgiro 293W7 en 4875500.

Opleving 'Een slecht begin van een nieuw regiem.' Zo hebben wij in een protesttelegram aan de president van Litouwen de rehabilitatie van nazi-misdadigers in de pas herstelde republiek genoemd. En het aandeel van Litouwers in die nazi-misdaden, speciaal het uitmoorden van Joden, was niet mis. Al in juni 1941, direct na Hitiers aanval op de Sovjet-Unie, inclusief de juist ingelijfde gebieden, sloegen zij toe als vrijwilligers van de SS. De huidige hoofdstad Vilnius, beter bekend als Wilna, was ooit het Joodse cultuurcentrum bij uitstek voor heel Oost-Europa. De Sjoa heeft daar een einde aan gemaakt met medewerking van vele Litouwers.

Kaddisj naast het Kremlin Van de zomerputsch in Moskou hadden de Joden ook weinig goeds te verwachten. Bijna hoorbaar was de zucht van verlichting toen de machtsgreep was mislukt. Kaddisj (het gebed voor de doden) werd gezegd op het Manegeplein naast het Kremlin voor de jonge Joodse dichter llja Kritsjewski, een van de drie slachtoffers bij het keren van de staatsgreep. Een openbaar Joods gebed midden in Moskou, voor het eerst in de geschiedenis. De grote synagoge in de Russische hoofdstad is open, een Joodse school is bezig, er wordt les in Hebreeuws gegeven. Alles een duidelijk antwoord op het gebruikelijke, alledaagse antisemitisme niet alleen, maar ook op de oude zogenaamde 'Protocollen van de Wijzen van Zion', uitgedeeld op de stoep van het Russische parlement. Dit geschrift is een kort voor 1900 door de tsaristische politie bewerkt en in elkaar geflanst pamflet over de door Joden zogenaamd beoogde wereldheerschappij. Sinds 1917 was het beruchte schotschrift in de Sovjet-Unie verboden. Met de ontluikende persvrijheid dook het weer op. Voor antisemitische vuilspuiterij hoeven wij overigens niet naar het Roemeense Jassi of het herdoopte Sint Petersburg: in Groningen moest een voetbalwedstrijd tegen Ajax worden verboden vanwege voorbereiding tot geweld en, jawel, verspreiding van een antisemitisch vod. Door een klein groepje, dat spreekt. Het symptoom is al ernstig genoeg. Met het verdwijnen van de DDR zijn in de nieuwe Bundeslander de rechtsextremisten en - hoe kan het anders? - de antisemieten te voorschijn gekomen. Het meest welsprekend uit de stemming zich in een weer stijgende stroom 'mmigranten naar Israël uit de (niet meer Sovjet-)Unie. Na de Golfoorlog is die stroom weer gezwollen. Naar verluidt beschouwt een belangrijk deel van de in Israël gelande Joden dat land als een tussenstation voor hun eindbestemming, meestal de Verenigde Staten. Maar een vredesconferentie van Israël met zijn nabuurlanden en zelfs - langs een achterdeurtje - de Palestijnen van de bezette Westelijke Jordaanoever en Gazastrook lijkt nu toch door te gaan.


Niet voorbij In een pijlsnel en grondig veranderende wereld is meer dan één blik op een dichtbij, ver of onbekend toekomstbeeld gericht. Je hoeft maar een willekeurig periodiek in te zien en je weet: de oorlog is nog allerminst voorbij. De Tweede Wereldoorlog dan. Ook de nu opkomende generatie ziet of voelt zich vooral met de uitvloeisels van het drama geconfronteerd. Zowel de feitelijke studies en herinneringen als belletrie in alle soorten en maten getuigen daarvan. Er is geen denken aan dat wij in dit blad een enigszins omvattend overzicht kunnen geven over alles wat verschijnt of zich afspeelt en ons raakt. Al waarderen wij bijvoorbeeld zeer de geregeld gepubliceerde relazen over vaak helaas verdwenen Joodse gemeenten in ons land, het wetenschappelijk tijdschrift Studia Rosenthaliana en het werk van het onschatbare Joods Historisch Museum. Het laatste herbergt tot 12 november 1991 een tentoonstelling over de laatste Marranen, in het geheim als Joden levenden in Portugal en de Portugese Joden in Amsterdam. Een inleiding tot de herdenking van de verdrijving van de Joden uit Spanje, vijf eouwen geleden.

Stenen Het herinneringscentrum Westerbork ligt ons bijzonder na aan het hart, dat spreekt. Het voormalige kampterrein is beter toegankelijk gemaakt door een busje dat op aanvraag mensen afhaalt van Hooghalen. In de bus vanuit Assen kan men zich bij de chauffeur hiervoor opgeven. Men is nu bezig het plan van de 102.000 stenen uit te voeren. Een steen voor ieder die vanuit Westerbork is weggestuurd, 'naar het Oosten'. Honderden gemeenten dragen bij aan dit sympathieke plan. Musea hebben en maken vaak geschiedenis. Juist in Berlijn bleek dit zopas. Voor het verenigde Berlijn had de postmoderne architect Libeskind - geboren in Warschau, verloor familie in de Sjoa - een Joods historisch museum ontworpen. Kernpunt van het ontwerp, ook in de vormgeving, is het lot van de Joden in Duitsland. De bouw van dit museum dat al tijden op stapel stond is nu wegens de enorm uitgegroeide financiële lasten uitgesteld. Voor onbepaalde tijd? Zo reiken oude en nieuwe kanten van één verschijnsel elkaar de hand. Op de ene plaats worden veroordeelde Jodenmoordenaars in ere hersteld, elders schuift men de herinnering aan de Joden en de eigen verantwoordelijkheid aan de moord van zich af. Daartussen bestaat gelukkig een wijd terrein van nieuwe groepen die weimenen en weldoen. Er is zelfs sprake van een opleving. Eva Tas

Wilt u op de hoogte blijven van de activiteiten van het Nederlands Auschwitz Comité? Indien u onderstaande bon invult en opstuurt naar David Papegaay, De Weer 88, 1503 WH, Zaandam, ontvangt u vijf maal per jaar het blad van het Nederlands Auschwitz Comité. Aan het abonnement zijn geen kosten verbonden. Wel ontvangen alle abonnees één maal per jaar een acceptgirokaart voor een vrijwil!,ge donatie ten behoeve van de voortgang van het werk van het Nederlands Auschwitz Comité. naam: adres: postcode en woonplaats: land: Opsturen naar: David Papegaay, De Weer 88,1503 WH, Zaandam


Yehuda Nir over zijn

Verloren Kinderjaren Yehuda Nir vindt het niet nodig dat hij iets verdient aan zijn in het boek 'Verloren Kinderjaren' opgeschreven herinneringen aan zijn jeugd in Polen tijdens de Tweede Wereldoorlog. Daarom besloot hij 2150 exemplaren van zijn boek beschikbaar te stellen voor alle middelbare scholen in Nederland. Minister Ritzen had daar een klein beetje moeite mee. Niet met het boek, maar met het citaat voorin uit Samuel Beckett's Malone Dies: 'Laat ik, voordat ik verder ga, zeggen dat ik niemand vergiffenis schenk. Ik wens allen een afschuwelijk leven toe en vervolgens het vuur en het ijs van de hel tot in de verfoeilijke toekomstige generaties...' Het klinkt als een afschuwelijke grap, maar Yehuda Nir meent het ijselijk serieus en wie zijn boek leest kan heel goed begrijpen, dat hij de Duitsers, maar ook Polen en Oekraïners weinig goeds toewenst. Nir is in 1929 geboren in Lvov, een stad die toen in Oost-Polen lag, later in het westen van de Sovjet-Unie en nu in de republiek Oekraïne. Hij beschrijft in een sobere, eenvoudige stijl wat er met hem en zijn familie gebeurde, toen in 1939 de oorlog uitbrak. Eerst kwamen de communisten en werd hij enthousiast lid van de communistische jeugdbeweging, maar toen de Duitsers de macht overnamen, stonden de Oekraïners klaar om zoveel mogelijk Joden te vermoorden, nog vóór de nazi's tot de systematische uitroeiing van de Joden hadden besloten. Ook zijn vader en veel andere familieleden werden toen door de Oekraïners gedood. Met hulp van valse doopbewijzen en veel vrome katholieke gebedjes weten Yehuda, zijn mooie, oudere zusje en zijn depressieve moeder uit handen van de Duitsers te blijven. Uiteindelijk blijkt het zelfs het veiligste als ze in Warschau voor de Duitsers gaan werken, ais huishoudster, dienstmeisje en loopjongen. Maar even later vecht hij als jongen van 14 met de Polen samen tegen de Duitsers tijdens de opstand van Warschau en het verhaal wordt nog waanzinniger als ze aan het einde van de oorlog in het hart van nazi-Duitsland, bij Berlijn, terecht komen, op het buiten van een stinkend rijke familie, die Poolse krijgsgevangenen als slaven houdt, maar steeds vriendelijker en beleefder tegen ze wordt als de Russen in aantocht zijn. Het is goed als ook Nederlandse kinderen deze onvoorstelbare ervaringen kunnen lezen. Of ze Nirs conclusie - dat men voor deze misdaden nooit vergiffenis kan schenken - delen moeten ze zelf beslissen. Nir en zijn familie hebben op eigen kracht, zonder ooit enige hulp van een Pool of Duitser te krijgen, de oorlog overleefd. Daarna vertrokken ze naar Israël en Nir werd psychiater in de Verenigde Staten. Hij is geen schrijver, maar dit ongelofelijke verhaal moest geschreven worden.

Max Arian Yehuda Nir, Verloren Kinderjaren; Een Herinnering. Uitgeverij Kwadraat Utrecht, f29,50.

David van Geens Dertig jaar lang heeft David van Geens de administratie van het Auschwitz Bulletin verzorgd. Dat betekende vooral toen alle adressen nog met de hand moesten worden geschreven - een gigantische hoeveelheid .'werk &€'"^$iêM het gezellige huis v|§t 'hém en zijn _ vrouw gébèujfiij!.-' :

Zij hadden steeds een enorm aandeel in het werk van het Auschwitz Comité en waren bovendien door hun hartelijkheid en gezelligheid het middelpunt ervan. Ook na de dood van zijn vrouw is David altijd met het werk voor het comité doorgegaan, maar de administratie van de krant valt hem nu toch te zwaar en daarom geeft hij dat karwei over aan D j y i d P i p e g i a y ; Wij danken f k v J i van Geens heel hartelijk voor alles Wat h j voor de krant hééft gedaan en zijn heel erf „Wij dat hij wel ftt blijft van hét comité.

De administratie van de

Yehuda Nir

krant -wordt-vanafftaédétt,overgemomen door David Papegaay, De Weer 88, 1503 WH Zaandam, tet.075 -168518.


Van de dichter van Léhar

Het Lied van Buchenwald Mijn vader, die in maart 1943 samen met mijn moeder en zijn ouders in Sobibor om het leven is gebracht, had een neef, Karl Schnog, met wie hij sinds zijn kindertijd geen contact meer had gehad. Mijn grootouders hadden zich vanuit het Rijnland in Enschede gevestigd en mijn ouders waren na hun huwelijk in 1919 naar Amsterdam gegaan. Karl was in Keulen geboren, maar ging vandaar naar Berlijn, waar hij filmscenario's schreef voor de UFA en als toneelspeler en conférencier in nachtclubs optrad. Hij schreef ook voor verschillende tijdschriften, zoals het bekende Der Simplicissimus, dat fel anti-nazi was. Ook in de nachtclubs waar hij optrad maakte hij veel hekelende opmerkingen over Hitier. Eén van de geregelde bezoekers in een club waar hij optrad was Prins Hendrik. Op een avond in 1928 zat Karl aan een tafeltje iets te eten. Plotseling stond Prins Hendrik achter hem en sloeg hem met een ferme klap op zijn schouder. Hij zei op z'n Duits: 'Meneer Schnog, dat hebt u weer eens uitstekend gedaan!' Karl sprong op, bedankte voor het compliment en zei: 'Koninklijke Hoogheid, ik hoop dat u van uw vakantie in Berlijn geniet.' 'Dat doe ik inderdaad', zei de prins, 'maar helaas moet ik morgen weer naar Holland terug. Ik moet overmorgen namelijk de Olympiade in Amsterdam openen.' Karl zei: 'Maar Koninklijke Hoogheid, dat moet toch bijzonder interessant zijn.' Waarop Prins Hendrik hem nogmaals een flinke klap op zijn schouder gaf en zei: 'Meneer Schnog, doet u me een genoegen. Gaat u morgen voor mij naar Holland en opent u overmorgen de Olympiade!'

Luxemburg

Moskou In Moskou is deze zomer een organisatie gesticht die ijvert voor een wettelijke status voor Joodse ex-gevangenen van de nazi's in de Sovjet-Unie, streeft naar financiële schadevergoeding vanuit Duitsland, Joodse oorlogsslachtoffers wil helpen met juridische, financiële en medische middelen, feiten verzamelt over de Holocaust en de herinnering aan de Joodse slachtoffers in stand houdt. De Moscow Jewish Association of Former Prisoners of Nazi Concentration Camps and Ghettos (MJAGK) wil graag samenwerken met Joodse en nietJoodse organisaties in het buitenland; hulp, in welke vorm ook, voor Joden in de Sovjet-Unie is zeer welkom. Het adres van MJAGK is: 117513, Moscow, Leninsky prospekt, 123-1-598, tel. 09 , 7095 4382085. Contactpersoon is prof. J|i«ob Etinger.

In 1932 werd Karl na afloop van een voorstelling door een stel bruinhemden opgewacht, overvallen en in elkaar geslagen. Hij werd zo goed als dood op het trottoir achtergelaten. Nadat hij van zijn verwondingen was genezen vluchtte hij naar Luxemburg, gevolgd door zijn vrouw Lucy en zijn vierjarig dochtertje Hannah. Hij kreeg een aanstelling bij Radio Luxemburg, vanwaar hij weer veel anti-nazi propaganda maakte. En hij bleef schrijven voor verschillende tijdschriften, hoofdzakelijk op politiek gebied. Maar dat alles leverde niet genoeg op voor hun levensonderhoud. Hij had gehoord dat er in Nederland enkele cabarets waren en besloot om naar Amsterdam te gaan. Een kennis had hem het adres gegeven van een pension ergens achter het Concertgebouw dat eigenlijk veel te duur voor hem was. Toen herinnerde hij zich vaag dat hij een neef in Amsterdam had, een zekere Sallie Spits, die hij als jongen had gekend. In het telefoonboek zocht hij het nummer op en toen mijn vader hoorde hoe Karl in de moeilijkheden zat ging hij onmiddellijk naar het pension, betaalde Karls schuld, hielp hem zijn koffer pakken en nam hem mee naar ons huis. We waren klein behuisd, maar Karl had er niets op tegen in de huiskamer op de divan te slapen. De verhouding tussen mijn vader en Karl was als die van twee broers die elkaar lang verloren hadden gewaand. Mijn vader reed hem de volgende dagen in zijn Chevrolet 1928 naar al zijn afspraken, maar werk vond Karl niet. Toen hij weer terugging moesten we beloven dat we de volgende vakantie naar Luxemburg zouden komen. Dat was voor ons een heel avontuur, want we waren nooit verder dan Enschede en Valkenburg geweest. Maar vanaf 1934 tot 1939 gingen we ieder jaar naar Luxemburg. Ik sliep altijd in Karls werkkamer tussen zijn boeken. We hadden altijd een gezellige tijd, we maakten iedere dag tochtjes en de band werd van jaar tot jaar sterker.

Boek Toen de Duitsers op 10 mei 1940 Luxemburg binnenvielen was de eerste man die ze arresteerden Karl. Wij ontvingen nog een brief van Lucy (die zelf niet Joods was) en dachten dat hij dood was. Maar Karl heeft een verblijf in vier verschillende concentratiekampen overleefd en schreef daar na de oorlog een boek over, 'Unbekanntes KZ'. Hoe het mogelijk was dat hij de kampen overleefde weet ik niet. Hij was een tengere man en niet sterk en hij heeft er dan ook een hartkwaal aan overgehouden. Misschien heeft hij er zijn leven aan te danken


dat hij bij de Duitsers te boek stond als politieke gevangene en niet als Jood. In zijn boek beschrijft Karl ook zijn ontmoeting in het concentratiekamp Buchenwald met Fritz Beda-Löhner, die jarenlang de librettoschrijver van de operettecomponist Frans Léhar was geweest. Tot vandaag de dag zingen beroemde tenors de door hem geschreven liederen, zoals: 'O Madchen, mein Madchen', 'Dein ist mein ganzes Herz', 'Gern hab ich die Frau'n geküssf en veel meer Léhar-liederen. In december 1942 werd Beda-Löhner vanuit Buchenwald op transport gesteld naar Auschwitz en daar op gruwelijke wijze vermoord. In Buchenwald heeft Fritz Beda-Löhner een lied geschreven, dat wij nooit door een beroemde tenor zullen horen zingen. Ik weet niet of het ooit op muziek is gezet. Zoveel mensen hebben van Beda-Löhners teksten genoten, zijn liederen leven voort, maar ik geloof niet dat iemand dit laatste lied van hem kent. Léhar is in 1948 overleden. Karl, mijn vaders neef, enkele jaren later aan de hartkwaal die hij in de kampen had opgedaan. Door hem kennen wij de tekst van Beda-Löhners laatste lied, dat, omdat er geen muziek bij is, alleen gelezen kan worden als een gedicht. Een lied, begeleid door tranen en geschreven met heldenmoed, waarvan ik de oorspronkelijke tekst hier zal weergeven. Clarissa Jacobi

DAS BUCHENWALD-LIED Wenn der Tag erwacht, eh die Sonne lacht, Die Kolonnen ziehn zu des Tages Müh'n Hinein in den grauwenden Morgen. Und der Wald ist schwarz und der Himmel rot Und wir tragen im Brotsack ein stuckchen Brot Und im Herzen, im Herzen die Sorgen.

Stichting Icodo

O Buchenwald, ich kann dich nicht vergessen, Weil du mein Schicksal bist. Wer dich verliess, der kann es erst ermessen, Wie wundervoll die Freiheit ist. O Buchenwald, wir jammern nicht und klagen Und was ach unsre Zukunft sei: Wir wollen trotzdem 'JA' zum Leben sagen, Denn einmal kommt der Tag, da sind wir frei!

Voor vragen op het gebied van wetten en regelingen voor oorlogsgetroffenen, maar ook voor andersoortige vragen bijvoorbeeld over zelfhulpgroepen, therapeutische hulp of maatschappelijk werk, kunt u voor informatie, advies of verwijzing terecht bij:

Und die Nacht ist Kurz und der Tag so lang Doch ein Lied erklingt, das die Heimat sang. Wir lassen den Mut uns nicht rauben. Halte Schritt Kamarad und verlier nicht den Mut, Denn wir tragen den Willen zum Leben im Blut Und im Herzen, im Herzen den Glauben!

Stichting Icodo Maliebaan 83-87 3581 CG Utrecht tel. 030-343436

Und der Tag ist heiss und das Madel fern. Und der Wind singt leis: 0 ich hab sie so gern, Wenn treu sie, wenn treu sie mir bliebe! Und die Steine sind hart, aber fest unser Schritt. Und wir haben die Pickel und Spaten mit, Und im Herzen, im Herzen die Liebe... Fritz Beda-Löhner

Oorlogsgetroffenen, partners en kinderen (ook de na-oorlogse generatie) zijn bij de Stichting Icodo welkom. Bezoek is - na telefonische afspraak - iedere werkdag mogelijk.


In onafhankelijk Litouwen

Oorlogsmisdadigers gerehabiliteerd

GEZOCHT: Onderduikers bij Lueiano Elmo Op 9 september 1943 kwam een Nederlands joodse familie vanuit het Franse Saint Martin Vesuble aan in Borgo San Dalmazzo, dichtbij Cuneo, In Italië. Lueiano Elmo verborg de familie tien dagen in Villa Canubi, een grote villa van rode baksteen. Het huis stond op een kruispunt van twee wegen, waarvan de ene naar de Tendapas voerde en de andere naar de Gesso-Entraque vallei. Elmo liet persoonsbewijzen maken voor de familie en reisde op 19 september 1943 per trein met hen naar Milaan. Daar hield de familie zich schuil in zijn huis op nummer 38 van de Viate Regina Margherita. Later zijn ze Ontsnapt naar Zwitserland. De familie bestond uit 8 personen: vader (ca. 55 jaar), moeder (ca. 50), zoon (ca. 25) en dochter (ca. 30) met haar echtgenoot en zoon, plus twee zusters van de echtgenoot van de dochter. In december 1944 kwam Elmo, zelf op de vlucht, gewond aan in Zwitserland, waar de zoon en dochter van de familie hem opzochten in de Moncucco Clinic te Lugano. Lueiano Elmo zou graag in contact komen met leden van deze Nederlandse familie. Zijn adrss is: Via Marino 7, 20121 Milano, Italië; telefoon 876.710.

Begin september zorgden berichten in The New York Times over het op grote schaal rehabiliteren van Litouwse oorlogsmisdadigers voor opschudding. Het Amerikaanse blad beschuldigde de regering en de rechterlijke macht van het pas onafhankelijke Litouwen ervan dat ze bezig waren zonder aanzien des persoons vonnissen te herzien van degenen die na 1945 door Sovjet-rechtbanken waren veroordeeld. Minstens twintig zware nazi-misdadigers zouden zo van blaam zijn gezuiverd en zelfs financieel gecompenseerd. Deskundigen uit de Verenigde Staten en Israël bevestigden dit. De regering van Litouwen reageerde aanvankelijk ontwijkend en verongelijkt. Zij wees erop dat de wet die de rehabilitaties regelt een uitzondering maakt voor degenen die zijn veroordeeld wegens wreedheden tegenover burgers of betrokkenheid bij genocide. Dat de Litouwse justitie het met deze uitzonderingsbepalingen kennelijk niet zo nauw had genomen, werd in eerste instantie ontkend. Later stemde Litouwen onder internationele druk in met een onderzoekscommissie met deelneming van buitenlandse experts. Het is zeer te hopen dat deze commissie niet slechts justitiële blunders kan voorkomen en herstellen, maar ook een stoot geeft tot een veel breder publiek debat over de Litouwse collaboratie. Want klaarblijkelijk ligt hier een enorm hiaat in het historisch bewustzijn. Vóór de oorlog vormde de Joodse bevolkingsgroep een aanzienlijke minderheid binnen Litouwen. Wilna, zoals de Poolse naam voor Vilnius luidt, had zelfs een Joodse meerderheid en was een van de belangrijkste Oosteuropese centra van Jiddisje cultuur. De onderlinge verhoudingen tussen Litouwers, Joden en Polen waren nooit bijzonder harmonieus; op z'n best leefden de gemeenschappen langs elkaar heen. De onderlinge spanningen namen sterk toe na het Molotov-Ribbentrob Pact van 1939 en de annexatie van Litouwen, Estland en Letland door de SovjetUnie een jaar later. Een kleine minderheid van de Joodse bevolking sympathiseerde actief met het Sovjet-bewind dat zich tegenover de Litouwse burgerbevolking meedogenloos gedroeg. Enkele honderdduizenden Litouwers werden op last van Stalin vóór en ook weer na de Duitse bezetting in 1941 naar Siberië gedeporteerd. Voor het gros van de Joodse gemeenschap gold dat men zich begrijpelijkerwijs veel sterker bedreigd voelde door nazi-Duitsland dan door Sovjet-Rusland. Bij de Litouwers lag dat precies omgekeerd; menigeen hoopte daar bij het begin van de nazi-bezetting dat de Duitsers het streven naar een onafhankelijk Litouwen zouden steunen, wat ze overigens niet hebben gedaan. De botsende loyaliteiten leidden onmiddellijk na het begin van 'Operatie Barbarossa' in juni 1941 tot afgrijselijke excessen van Litouwse kant tegenover de Joden. In de eerste vier maanden van de Duitse bezetting werden 22.000 Joden 'spontaan' door Litouwse knokploegen vermoord. Tijdens de latere systematische vervolging door de SS en de Duitse en Litouwse Einsatzkommandos konden Joden slechts sporadisch op hulp van Litouwse burgers rekenen. Van de 345.000 Joden in de Baltische staten (waarvan het grootste deel in Litouwen leefde) werden er 210.000 van het leven beroofd. Sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog kent Litouwen geen Joodse gemeenschap van enig belang meer. De gruwelen uit het verleden kunnen natuurlijk niet ongedaan worden gemaakt. Het zou ook niet juist zijn de Litouwers die onder het Sovjet-bewind zelf zwaar onder willekeur en repressie hebben geleden nu het recht op een onafhankelijk nationaal bestaan te ontzeggen. Maar het verleden mag evenmin worden verdrongen. Als het huidige Litouwen aanspraak maakt op een (vol)waardige plaats in de internationale gemeenschap, dan is het niet teveel gevraagd te verlangen dat men zich daar serieus rekenschap geeft van de misdaden die van Litouwse kant tegenover de Joodse bevolking zijn gepleegd. Anet Bleich


Een m u s e u m in Theresienstadt Dit jaar is het 50 jaar geleden dat het in het Tsjechische Noord-Bohemen gelegen vestingstadje Theresienstadt in gebruik werd genomen als Duits concentratiekamp. Theresienstadt diende twee doelen: het kamp werd ten dele gebruikt als verblijfplaats van geprivilegieerde Joden, bij wijze van camouflage tegenover het buitenland; anderzijds diende het als doorgangskamp, waar zeker 35.000 Joden om het leven kwamen en van waaruit minstens 85.000 Joden naar de vernietigingskampen werden gezonden. Op 17 oktober van dit jaar wordt in het voormalige schoolgebouw van Theresienstadt een museum geopend . Bovendien wordt ter gelegenheid van deze vijftigste herdenking in Tsjechoslowakije een reeks van samenkomsten en evenementen georganiseerd met deelnemers uit vele landen. Enkele van deze gebeurtenissen willen we niet nalaten te melden. De herdenkingsbijeenkomsten worden geopend op 13 oktober in Praag met een liederenconcert ter nagedachtenis aan de kinderen uit Theresienstadt. Op 16 oktober wordt door de burgemeester van Praag, de heer Jaroslav Koran, een bronzen gedenkplaat onthuld in de muur van het Parkhotel, op de plek vanwaar de transporten van joden naar Theresienstadt en naar de vernietigingskampen werden gezonden. De 17de oktober is de eerste dag van de ontmoeting van voormalige kampbewoners ter gelegenheid van de opening van het al genoemde museum. De tweede dag, de 18de, vindt het oprichtingscongres plaats van de Internationale Theresienstadt Vereniging, in de filmzaal van het nieuwe museum. Verder zijn er tot en met 24 oktober filmvertoningen en concerten. Van 25 tot 28 november tenslotte wordt er in het cultureel centrum van Theresienstadt een internationale wetenschappelijk conferentie georganiseerd. De conferentie moet bijdragen aan de totstandkoming van een wetenschappelijke onderbouwing van het getto-museum. Bovendien wil de conferentie een bijdrage leveren aan de terugkeer van de geschiedenis van de holocaust in de Tsjechische historiografie, alsmede in het Tsjechische publieke bewustzijn.

YAD VASHEM Maart 1991 werd het Yad Vashem Comité Nederland opgericht. De doelstelling van het comité ïs eenvoudig: het steunen van Yad Vashem in al haar taken. Hetgeen er kort en goed op neer komt dat er geld bijeen wordt gebracht opdat Yad Vashem haar taken voort kan zetten. Die taken zijn de laatste tijd enorm uitgebreid door de enorme stroom immigranten uit Ethiopië en vooral de Sovjet Unie. Immigranten die veelal van de eigen geschiedenis, van hun ouders en grootouders, weinig tot niets afweten. Yad Vashem helpt hen zo goed en zo kwaad als het kan. Bovendien zijn sinds de recente ontwikkelingen in Oost-Europa veel archieven toegankelijk geworden, zodat onderzoek gedaan kan worden met betrekking tot de Sjoa. Archieven mogen gecopieerd worden, op voorwaarde dat de onderzoekers zelf copieerapparatuur en -papier verzorgen. Dit gegroeid aantal mogelijkheden voor Yad Vashem om toegang te krijgen tot het verleden gaat gepaard met afnemende inkomsten. Want naast een aanzienlijke bijdrage van de Israëlische regering kreeg Yad Vashem ook geld van The Jewish Agency. Deze organisatie echter heeft z'n bijdrage moeten veriagen, juist ook in verband met de groeiende stroom immigranten uit met name Oost-Europa. Vandaar dat niet alleen in Nederland, maar ook in de Verenigde Staten, Canada en Zwitserland, vriendenorganisaties zijn opgericht die de activiteiten van Yad Vashem ondersteunen. Met geld. Het gironummer van het comité is 3160930, het bankrekeningnummer is44.58.26.843 Amrobank.


Jiddisj Festival gaat misverstanden t e lijf In Amsterdam wordt van 24 november tot 1 december 1991 het Internationaal Jiddisj Festival gehouden. In Bellevue aan de Leidsekade bestaat het programma uit muziek, toneel, ronde-tafel gesprekken, lezingen en workshops. In het pas gerestaureerde Filmmuseum worden oude en recente Jiddisje speelfilms en documentaires vertoond. Een week lang een stortvloed Jiddisje taal, met veel informatie over Joodse geschiedenis en Jiddisje cultuur. Artistiek leider van het Jiddisj Festival is Mira Rafalowicz: "Dit festival wordt georganiseerd om alle halve en hele misverstanden die er bestaan over het Jiddisj uit de wereld te helpen. Men weet heel weinig van het Jiddisj.De taal is ontstaan toen Joden zich omstreeks de 9de, 10de eeuw gingen vestigen aan de Rijn, waar Middelhoogduits werd gesproken. Er waren toen nog geen getto's, dus was er een vrij open contact met de Duitssprekende omgeving. Maar met de 'gettoĂŻsatie' van de Joodse gemeenschappen gaat de taal, waarvan de basis wordt gevormd door het Middelhoogduits met resten Frans, Latijns en Hebreeuws erin, zich onafhankelijk ontwikkelen. Met de kruistochten vluchten veel Joden naar het oosten en dan ontstaat vanaf de 11de tot de 17de eeuw het Jiddisj. Vervolgens ontstaan er twee verschillende soorten: het West-Jiddisj, waar de Germaanse invloeden groot zijn; en het Oost-Jiddisj, waarin veel meer Slavische invloeden hoorbaar zijn. Nederland hoort tot het West-Jiddisj taalgebied. Tussen de 17de en de 19de eeuw is Amsterdam een van de Jiddisje culturele centra van Europa. Maar de taal verdwijnt, het West-Jiddisj is eigenlijk voornamelijk bewaard gebleven op schrift, maar wordt nauwelijks meer gesproken. Tegen de 19de eeuw spraken de Nederlandse Joden gewoon Nederlands, waarbij alleen wat resten van het oude West-Jiddisj in de taal achterbleven. Het enige dat tegenwoordig nog wordt gesproken, het modern Jiddisj, werd geschreven aan het eind van de 19de eeuw en is afkomstig uit het Oost-Jiddisj".

bedreigde taai Dat moderne Jiddisj wordt ook gesproken tijdens het Jiddisj Festival. Met de emigratie aan het begin van de 20ste eeuw, waaierde de Jiddisje cultuur uiteen naar allerlei landen in en buiten Europa. Mira Rafalowicz: "Wat zo interessant is aan de Jiddisje cultuur, is dat zich in ieder land van emigratie weer een andere cultuur ontwikkeld heeft. In sommige landen is de Jiddisje cultuur van enorme invloed geweest. Zo is het Amerikaanse toneel ondenkbaar zonder het Jiddisj theater". In Nederland is die invloed minder aanwijsbaar. Vergeleken met landen als BelgiĂŤ, Frankrijk en Engeland, waar grote groepen Jiddisj-sprekende emigranten terecht kwamen, gingen er weinig Oosteuropese Joden naar Nederland. Vier jaar geleden werd het Jiddisj door de UNESCO erkend als bedreigde minderheidstaal. In het Jiddisj vind je resten van de geschiedenis terug van een volk dat doorlopend is vervolgd. Mira Rafalowicz: "ledereen die zich met Jiddisj bezighoudt, oud of jong, heeft een verhaal. Het heeft te maken met waar je vandaan komt. Bovendien is Jiddisj nooit de enige taal die iemand spreekt. Meestal zijn dat er nog drie of vier. Het is zo'n beetje de moeilijkste taal om te leren, je hebt er zo veel kennis voor nodig: Hebreeuws, Slavische talen, bijbelkennis, talmud-citaten..." Er wordt dan ook rekening gehouden met het feit dat de grote meerderheid van de bezoekers van het festival geen Jiddisj verstaat. De inhoud van de theaterstukken zal worden verklaard aan de hand van een synopsis of simultaanvertaling en de muziek zal door de musici zelf worden ingeleid. Het programma van het Jiddisj Festival was bij het ter perse gaan van dit bulletin nog niet volledig bekend, maar begin november verschijnt er een Festivalkrant. Clairy Polak

Auschwitz Bulletin, 1991, nr. 04 Oktober  

co Hoofdredactie: drs. Eva Tas Redactie: Max Arian, Anet Bleich, Daphne Meijer, Clairy Polak i; Redactie-adres: Nieuwezijds Voorburgwal 286,...