Issuu on Google+

De Gezondheidsdienst voor Dieren Nieuwsbrief voor practici • jaargang 19 • augustus 2013

08

Veterinair

Twaalf met BVD type 2 geïnfecteerde vleesveebedrijven

Tot en met de derde week van juli waren bij de GD twaalf met BVD type 2 geïnfecteerde Nederlandse bedrijven in beeld. Het betreft uitsluitend blankvlees- en rosébedrijven. Steeds zijn er kalveren van Duitse herkomst bij betrokken, in elf gevallen door directe import, in één geval door aanvoer van een besmet startbedrijf. Voor zover bekend heeft in geen geval verspreiding plaatsgevonden naar buurtbedrijven.

Op besmette bedrijven worden hygiëne­ maatregelen geadviseerd om de verspreiding binnen het bedrijf in te perken en besmet­ ting naar andere bedrijven te voorkomen. Hierbij wordt aandacht besteed aan koppel­ behandelingen, dierverplaatsingen, afvoer van kadavers en afvoer van mest, maar ook aan het informeren van de omgeving zodat kan worden besloten over preventief vaccineren. Uit Duitsland zijn geen nieuwe besmettingen gemeld. De bevindingen uit het tweede

kwartaal geven echter aan dat waakzaam­ heid geboden blijft. In geval van twijfel is het verstandig pathologisch onderzoek uit te laten voeren. Eventueel aangetoond BVD-virus wordt op verzoek nader getypeerd. Voor het nemen van adequate maatregelen is het echter niet nodig om op deze uitslag te wachten: de maatregelen tegen type 1 en 2 zijn in principe hetzelfde. Drs. Ad Moen, rundveedierenarts

Gudairvaccinatie en de paratbc ELISA De ELISA waarmee geiten kunnen worden getest op paratuberculose (paratbc) verschaft bij gevaccineerde geiten alleen bruikbare informatie wanneer deze dieren meer dan één jaar geleden als lam éénmalig gevaccineerd zijn tegen paratbc, zo blijkt uit onderzoek van de GD. Uit het onderzoek werd duidelijk dat het antilichaamniveau van dieren die meer dan een jaar geleden éénmalig een paratbc-vaccinatie hebben gehad, dusdanig daalt dat dit onder de afkapwaarde van de test komt, mits de dieren niet geïnfecteerd zijn. Dit geldt zowel voor bloed- als melkmonsters. Is er korter geleden gevaccineerd met Gudair, dan geeft de ELISA geen uitsluitsel. Gudair is geen markervaccin, dus de ELISA kan geen onderscheid maken tussen gevaccineerde en geïnfecteerde dieren. Worden antistoffen tegen paratbc aangetoond, dan geldt hoe langer geleden gevaccineerd, en

in de regel dus hoe ouder de geit, hoe waar­ schijnlijker het is dat het dier geïnfecteerd is. Bij geiten met een dubieuze ELISA-uitslag valt geen uitsluitsel te geven over de oorzaak. De GD is momenteel bezig met een project waarbij op ruim twintig melkgeitenbedrijven een binnen-bedrijfsprevalentie voor paratuberculose bepaald wordt. Tevens beoogt de GD meer infor­ matie over vaccinatie en de antilichaam-ELISA paratbc te verkrijgen. Hierover zal u te zijner tijd verder geïnformeerd worden. Dr. Karianne Lievaart-Peterson, dierenarts kleine herkauwers

Nieuwe editie GD Gezelschapsdieren

De 7e editie van de GD Gezelschapsdieren is uit. De nieuwsbrief staat dit keer in het teken van prostaataandoeningen bij de reu en bevat, naast veel achtergrondinformatie, nieuws en een casus uit de praktijk. Alle edities van de GD Gezelschapsdieren zijn te downloaden via www.gddeventer.com/gezelschapsdierenartsen. Hier kunt u zich ook aanmelden voor de digitale versie van de nieuwsbrief; deze zal in 2014 de papieren editie vervangen. GD Veterinair | augustus 2013 |

1


Sabine Tijs, BSc Zoötechnisch Specialist Uiergezondheid

Komt een geit bij de dokter Een zes jaar oude geit werd aangeboden voor sectie. Het dier, dat op het punt stond te gaan lammeren, was ’s avonds benauwd geworden. Ze gaf pensvloeistof op, perste en had geen ontsluiting. ’s Nachts is de geit doodgegaan. In voorgaande jaren had het dier wel probleemloos gelammerd.

Klebsiella In de zomerperiode wordt de GD regel­ matig om raad gevraagd bij Klebsiellamastitis. De klinische verschijnse­ len van mastitis veroorzaakt door Klebsiella pneumoniae of Klebsiella oxytoca zijn vergelijkbaar met die van een ernstige E.coli-mastitis. Echter, de behandelresultaten zijn vaak teleur­ stellend. Als de dieren opknappen blijven in veel gevallen Klebsiellabacteriën aanwezig in het kwartier, met een chronisch verhoogd celgetal tot gevolg. Deze ‘dragerdieren’ kunnen gezonde koeien tijdens het melken en via de ligboxen besmetten. Meestal raken koeien besmet met Klebsiella spp. via strooisel. Dit strooisel kan al besmet zijn, maar kan ook in de stal besmet raken door melk uitliggen. Bovendien blijkt uit onderzoek dat Klebsiella spp. door (gezonde) koeien via faeces wordt uitgescheiden. Op deze manier kan ook ander ligbed­ materiaal (zelfs zand) besmet raken. Het is met name de combinatie van warmte en vocht die ervoor zorgt dat de bacteriën zich explosief vermenig­ vuldigen. Klebsiella in tankmelk wijst erop dat er dragerkoeien in het koppel aanwezig zijn en/of dat er Klebsiella spp. in de omgeving van de koeien aanwezig is. Een dergelijke uitslag biedt u als practicus mogelijkheden om op het melkveebedrijf een aantal punten onder de loep te nemen. Denk onder andere aan: het inventariseren van klinische mastitisgevallen, het starten met of intensiveren van individueel bacteriologisch onderzoek, het bekij­ ken van (de opslag van) het strooisel, de stalhygiëne en het stalklimaat en het beoordelen van de weerstand van de koeien. Klebsiellapreventie is een uitda­ ging. Echter, het signaleren van een verhoogde infectiedruk kan een eerste stap zijn in het voorkómen van een ernstige uitbraak.

Bij de sectie werden de volgende bevindingen gedaan: zeer bleke slijmvliezen, longoedeem (geen pneumonie), hydrothorax, hydropericard, een bonte hartspier en een enorm groot abdomen met een kolossale baarmoeder. In de baarmoeder namen drie forse voldragen lammeren nagenoeg alle ruimte in bezit. Er was geen sprake van peritonitis. Lokaal was wat maaginhoud in de buikholte aanwezig ten gevolge van een acuut doorgebroken grote lebmaagzweer. De inhoud in de darm was gering en met een droog en zeer donker aspect. Microscopisch onderzoek van het hart toonde een duidelijke verbindweefseling verspreid door de hartspier, wat vaak het eindstadium is van een eerdere hart­ spierbeschadiging. Histologisch was in de lebmaag sprake van een lokale diepe ulceratieve perforerende ontsteking en er werden aansnijdingen van parasieten in de wand aangetroffen. Parasitair onderzoek van de darminhoud bracht een ernstige endoparasitaire infectie aan het licht. Als diagnosen zijn opgevoerd: • Ernstige circulatiestoornis door de beschadigde hartspier; • Verschijnselen van chronische inwendige verbloeding vanuit de lebmaagzweer; • Een ernstige parasitaire infectie. Elk van deze drie diagnosen zou afzonderlijk al genoeg zijn om de dood van het dier te verklaren, in dit geval ook nog “geholpen” door de loodzware zwanger­ schap. Drs. Thijs Roumen, veterinair patholoog

Mycoplasma synoviae bij vleeskuikens In de monitoringsbijlage (‘Nieuws van de Veekijker’) van de laatste GD Veterinair maakten we melding van de prevalentie van Mycoplasma synoviae (M.s.) in het eerste kwartaal van 2013. De vleeskuikens stonden niet in dit overzicht omdat deze niet in de seromonitoring worden meegenomen. De prevalentie van M.s. bij vleeskuikens is wel gemeten. De prevalentie van M.s. bij vleeskuikens is vastgesteld tijdens de screening op darmpathogenen (hierover meer in de GD Pluimvee van juli 2013). In deze screening zijn van 98 koppels wekelijks 5 kuikens onderzocht op aanwezigheid van onder andere M.s. door middel van PCR. Van de 98 koppels waren er 37 po­ sitief, daaruit volgt een prevalentie van 38% (95% betrouwbaarheidsinterval: 28 – 46%). Dit is veel hoger dan de prevalentie van 6% die in 2005 – 2006 bij vleeskuikens werd gevonden; de destijds gebruikte methode is waarschijnlijk veel minder gevoelig. Opvallend is dat koppels die eenmaal positief waren voor M.s. niet altijd de weken erop ook positief waren. De oorzaak hiervan lijkt niet te liggen in de inzet van antibiotica, maar wellicht in de lage detectiegrens van bemonstering van vijf (willekeurige) dieren. Vier koppels werden in de eerste week positief gevonden, de meeste koppels werden positief in week 3 (13 koppels) of week 4 (12 koppels). Of de koppels besmet werden door verticale overdracht of door besmetting uit de omgeving kan niet uit het huidige onderzoek worden opgemaakt. Gezien de prevalentie bij vleeskuikenouderdieren en de korte leeg­ standsperiode bij vleeskuikens kunnen beiden een bron van besmetting zijn. Drs. Christiaan ter Veen, pluimveedierenarts

2


Pilotonderzoek naar de verbetering van de diagnostiek van verwerpen bij zeugen De GD heeft dit voorjaar een pilotonderzoek uitgevoerd naar de mogelijkheid om de diagnostiek van verwerpers te verbeteren. Sectie op verworpen vruchten van varkens levert doorgaans slechts bij 20-30% een diagnose op. In de proef zijn 100 tomen verworpen / doodgeboren vruchten uitgebreid nader onderzocht. In dit onderzoek zijn Chlamydia (25% onderzocht) en pathogene leptospiren (85% onderzocht) niet aangetroffen met PCR-testen. In 9% van de inzendingen was sprake van een myocarditis, wat kan duiden op een PCV2-infectie. Maar één keer is PCV2 aange­ toond, in doodgeboren biggen. Bij 17% van de inzendingen is PRRS aangetoond. Bij 14% was daarbij sprake van late abortus / vroeggeboorte en bij 3% van verwerpers vroeger in de dracht. Bij de 16% inzendingen waarin Parvovirus is aangetoond, ging het in de helft van de gevallen over à terme dood geboren big­ gen. Slechts in 2% van de gevallen was er sprake van verwerpers en zijn naast Parvovirus geen andere aanwijzingen gevonden voor een infectieuze oorzaak. In de overige gevallen was sprake van co-infecties, bijvoorbeeld met PRRS. In 17% van de inzendingen zijn bacteriën aangetoond, namelijk Staphylococcus hyicus (7%) coliforme bacteriën (6%), Streptococcus dysgalactiae (3%) en Enterococcus faecalis (1%). In 25% van de inzendingen zijn Proteus spp. aangetroffen, maar

die komen zeer algemeen voor en gedijen goed in een omgeving waar dierlijk eiwit tot ontbinding overgaat. Bij 52% van de inzendingen waren tevens placenta’s ingestuurd. Daarvan vertoonde 6% hyperemie, 2% geringe en 2% ernstige ontstekingsverschijnselen, was 6% niet te onderzoeken door de staat van ontbinding en vertoonde 36% geen duidelijke afwijkingen. Alles bijeen zijn in 46% van de inzendingen aanwijzingen gevonden voor een oorzaak van het verwerpen. Dat is meer dan verwacht. PRRS blijft de belangrijkste oorzaak van (laat) ver­ werpen. Parvovirus is vooral gevonden in doodgeboren biggen. PCV2 is slechts éénmaal gediagnosticeerd. Bacteriële infecties zijn geregeld vastgesteld, maar Chlamydia en leptospiren lijken in Nederland geen grote rol te spelen bij verwerpen. Het inzenden van nageboorten heeft waarschijnlijk toegevoegde waarde. Dr. Theo Geudeke, dierenarts varkensgezondheidszorg

Wijziging berekeningsmethodiek dierdagdoseringen per dierjaar In de onlangs verschenen rapportage ‘Het gebruik van antibiotica bij landbouwhuisdieren in 2012’ van de Stichting Diergeneesmiddelen autoriteit (SDa) zijn de dierdagdoseringen per dierjaar (DDD/J) voor melkveebedrijven op een nieuwe manier berekend. Consequentie is dat de DDD/J’s automatisch afnemen. Tot en met 2011 werd voor de berekening van de DDD/J op melk­ veebedrijven de methode van het Landbouweconomisch Instituut gebruikt (de LEI-methode). Dit hield in dat de geleverde antibiotica werden toegerekend naar het gewicht van de gemid­ deld aanwezige volwassen melk- en kalfkoeien á 600kg/dier. Met ingang van 2012 heeft de SDa de berekeningsmethode gewij­ zigd. Met de rundveesector zijn gemiddelde gewichten per leef­ tijdscategorie en geslacht afgesproken (zie tabel). Ook worden per 2012 de totale gewichten van die categorieën toegepast in de berekening van de DDD/J. De noemer van de berekening wordt dus groter dan voorheen. Hierdoor komen de DDD/J’s lager uit dan bij de LEI-methode. Het LEI rapporteerde in 2011 een antibioticum­ gebruik van 6,1 DDD/J. Ter vergelijking: dit is 4,7 DDD/J volgens de SDa-methode. In 2012 was het gemiddelde antibioticumgebruik 2,9 DDD/J (3,8 DDD/J met de LEI-methode). Dit is berekend over 18.053 melkvee­ bedrijven. U vindt de SDa-rapportage ‘Het gebruik van antibiotica bij land­ bouwhuisdieren in 2012’ (8 juli 2013) op www.autoriteitdiergeneesmiddelen.nl/sda-rapporten. Dr. Han Hage, rundveedierenarts

Diersoort Bedrijfstype Subcategorie Leeftijds­ categorie

Standaard­ gewicht (kg)

Runderen

56,5

Melkvee

Melkvee (v)

0 - 56 dagen

Opfok

56 dagen - 1 jaar 235

Vleesvee

1 - 2 jaar

440

> 2 jaar

600

0 - 56 dagen

79

Melkvee (m)

56 dagen - 1 jaar 283

Vleesvee (v)

1 - 2 jaar

628

> 2 jaar

800

0 - 56 dagen

56,5

56 dagen - 1 jaar 235

Vleesvee (m)

1 - 2 jaar

440

> 2 jaar

600

0 - 56 dagen

79

56 dagen - 1 jaar 283 1 - 2 jaar

628

> 2 jaar

800

GD Veterinair | augustus 2013 |

3


Nieuws en mededelingen Data GD BO Labservice najaar 2013

Veekompas najaarssymposia: zoönoses

Voor het najaar staan de volgende cursussen voor GD BO Labservice gepland:

In één middag bijgepraat worden over de actuele situatie rond zoönoses en de kansen voor u als practicus daarin? Dat kan door u aan te melden voor een van de najaarssymposia van Veekompas “zoönoses in de praktijk”. Tijdens de bijeenkomsten zal GD-dierenarts Linda van Wuyck­ huise aandacht besteden aan een aantal specifieke aandoe­ ningen en vertellen over haar ervaringen met de situatie in Nederland. Prof. dr. Frans van Knapen (hoogleraar aan de faculteit Diergeneeskunde van de Universiteit Utrecht) gaat dieper in op de rol van de practicus bij bedrijfsbezoeken. Daarnaast zal Herman Scholten, zoötechnisch specialist bij de GD, bespreken wat het belang is van keurmerken voor bedrij­ ven met intensief mens-diercontact. Aanmelden kan bij uw relatiebeheerder, door een mailtje te sturen naar Ineke Horsman (I.horsman@gddeventer.com) of via het aanmeldformulier op www.gddeventer.com.

Cursus Datum en tijdstip • Praktijkbijeenkomst deel II 12 november 16.00 - 20.30 uur • Praktijkbijeenkomst module toetsing gevoeligheidstesten in samenwerking met het CVI 26 november 13.30 - 15.30 uur • P raktijkbijeenkomst deel II 26 november 16.00 - 20.30 uur Opgave voor één van deze cursusdata kan via uw relatie­ beheerder, via het aanmeldformulier op www.gddeventer.com of door te mailen met Marlies Grotenhuis: m.grotenhuis@gddeventer.com.

Nieuw: VeeOnline-storingsnummer Wij streven ernaar om VeeOnline altijd beschikbaar te hebben. Helaas kan een storing nooit helemaal worden voorkomen. Voor een betere dienstverlening kunt u daarom sinds 1 juli terecht op de storingspagina van VeeOnline (ga naar VeeOnline.nl en klik op ‘storingsinformatie’). Daar vindt u informatie over de verwachte duur van de storing. Staat uw storing er niet bij, dan kunt u bellen met een speciaal storingsnummer: 0570-66 03 03. Dit nummer is al­ léén bedoeld voor het melden van storingen op VeeOnline en is bereikbaar op werkdagen van 7:00 tot 21:00 uur en op zaterdagen van 8:00 tot 17:00 uur. Ook kunt u mailen met storingveeonline@gddeventer.com.

Redactie Guillaume Counotte Linda van Duijn Theo Geudeke Catholine Koster Helen de Roode Thijs Roumen Christiaan ter Veen Erik de Vries ISSN 1388-4042 Overname van artikelen is toegestaan na schriftelijke toestemming van de GD.

Prepress en productiecoördinatie Senefelder Misset Doetinchem Basisontwerp de PLOEG communicatie

Data en locaties Veekompas najaarssymposia: 10 september Deventer 13:00 17 september Goutum 13:00 30 oktober Berkel en Enschot 13:00 6 november Utrecht 13:00

– – – –

17:00 17:00 17:00 17:00

uur uur uur uur

Twee GD-dierenartsen geregistreerd als Europees specialist gezondheidszorg kleine herkauwers Sinds 6 juli 2013 staan GD-dierenartsen Karianne LievaartPeterson en René van den Brom officieel geregistreerd als Europees specialist gezondheidszorg kleine herkauwers (Diplomate of the European College of Small Ruminant Health Management). De eisen waaraan dergelijke specialisten moe­ ten voldoen zijn te vinden op de website van het ECSRHM: www.ecsrhm.eu Karianne en René zijn samen met GD-dierenarts Piet Vellema op dit moment de enige Europese specialisten gezondheids­ zorg kleine herkauwers in Nederland.

Vormgeving X-Media Solutions Doetinchem Drukwerk Senefelder Misset Doetinchem Uitgever GD Deventer Verschijningsfrequentie 12 keer per jaar

Postbus 9, 7400 AA Deventer T. 0900-1770, F. 0570-63 41 04 www.gddeventer.com, info@gddeventer.com Voor veterinaire vragen: GD Veekijker, T. 0900-7100 000 Alle genoemde tarieven zijn exclusief btw en basiskosten. De Gezondheidsdienst voor Dieren

Risico op najaarsverwerpen bij varkens Vele risicofactoren van najaarsverwerpen bij zeugen zijn inmiddels bekend: afnemende fotoperiode, voeding (conditie­ verlies in de lactatie, matig voerniveau in de vroege dracht), groepshuisvesting in stabiele weekgroepen en stalklimaat. De ernst van het probleem verschilt per bedrijf maar ook per jaar. Een inventarisatie van de GD over de afgelopen 10 jaar leert dat najaarsverwerpen ernstiger is in jaren waarin het eerst in augustus erg warm is (overdag >25oC) en vervolgens in september koud (’s nachts <5oC). Zeugenhouders kunnen hiermee rekening houden door bijtijds de stalklimaatregeling bij te stellen: in de zomer vooral in de (te) warme kraamstal en in het vroege najaar in de (te) koude wachtafdeling.


GD Veterinair augustus 2013