Issuu on Google+

De Gezondheidsdienst voor Dieren NIEUWSBRIEF VOOR PRACTICI • JAARGANG 19 • JUNI 2013

06

Veterinair

Hypervitaminose D bij schapenlammeren

Recent stuurde een schapenhouder een vier weken oud Texels lam in voor pathologisch onderzoek. Het lam bleek nierfalen en in meerdere organen calcificaties te hebben, waardoor er een verdenking van hypervitaminose D was. Toen contact werd opgenomen met de schapenhouder, vertelde deze nog drie lammeren te hebben met dezelfde verschijnselen; ze vermagerden, dronken te veel water en hadden bleke slijmvliezen. Uit de bedrijfsanalyse bleek dat de schapenhouder zijn ongeveer drie weken oude lammeren eenmalig een injectie van 2 cc vitamine D3 (1.000.000 IE cholecalciferol/ml) en een multivitaminepreparaat met o.a. cholecalciferol had toegediend. Hij had dit gedaan op advies van een collega-schapenfokker. Op het bedrijf zijn twee vermagerende lammeren met bleke slijmvliezen en een aantal op het oog gezonde koppelgenoten bekeken. Van deze lammeren zijn monsters genomen om andere oorzaken van anemie uit te sluiten en om de schade aan onder andere de nieren van de lam-

meren te bepalen. Ook is nog één van de twee aangedane lammeren pathologisch onderzocht. Op de röntgenfoto’s van dit lam waren calcificaties in meerdere organen te zien. Hypervitaminose D is zeer beperkt beschreven bij herkauwers. Humaan is in de jaren ’50 en ’60 redelijk veel onderzoek gedaan naar de aandoening. Onder Nederlandse omstandigheden is een extra aanvulling van het rantsoen van schapen met vitaminepreparaten niet nodig. Vaak worden de preparaten toegediend onder het mom ‘baat het niet dan schaadt het niet’, maar deze casus laat zien dat het gebruik niet zonder risico is. Drs. René van den Brom, dierenarts kleine herkauwers

Zwavelwaterstof in drinkwater: angstige varkens Onlangs bleek op een zeugenbedrijf zwavelwaterstof (H2S) voor te komen in het drinkwater als gevolg waarvan de zeugen angstig gedrag vertoonden. H2S kan in water worden aangetoond bij een concentratie van meer dan 0,02mg/l. Omdat de stof bij deze concentratie ook al direct problemen oplevert, mag H2S niet aantoonbaar in water voorkomen. In bronwater kunnen zwavelverbindingen voorkomen die door bacteriën in H2S kunnen worden omgezet. Indien dit plaatsvindt in een gesloten drinkwatersysteem, krijgen de varkens dit binnen met het drinkwater. H2S heeft de bekende rotte eierengeur en is voor de mens al in lage concentraties te ruiken (0,5 ppb in lucht), zelfs als het H2S-bevattende water is gebruikt voor het aanmaken van brijvoer. H2S heeft een verlammend effect op zenuwen en het centraal zenuwstelsel. De stof vormt een verbinding met ijzer in de mitochondriale cytochroomenzymen waardoor de celademhaling ernstig wordt verstoord. In hoge concentraties (boven 250 ppm), bijvoorbeeld als gas vanuit

een mestput, kan H2S dodelijk zijn. Bij dergelijke concentraties is de rotte eieren geur overigens niet meer waarneembaar door verlamming van de reukzenuwen. Op H2S te onderzoeken materiaal (water, brijvoer) dient luchtdicht verpakt te worden ingestuurd, anders is het gas al verdwenen uit het materiaal voordat het kan worden onderzocht. Om H2S uit drinkwatersystemen te verwijderen is beluchting nodig. Dit is vooral van belang bij de aanwezigheid van ontijzeringsinstallaties in combinatie met zwavelhoudend bronwater (ijzersulfaat). Dr. Theo Geudeke, dierenarts varkensgezondheidszorg

BVD-beslisboom online

Sinds kort is op www.gddeventer.com de ‘BVD-beslisboom’ te vinden. Een handig digitaal instrument voor veehouders met vragen over BVD, de BVD-situatie op hun bedrijf of de uitslag van een BVD-onderzoek. De BVD-beslisboom biedt kennis op maat en kan wellicht dienen als een handig hulpmiddel bij uw adviesgesprek. Door middel van een paar simpele muiskliks beantwoordt de veehouder een aantal gerichte vragen, waardoor snel de gezochte informatie wordt gevonden, toegespitst op de persoonlijke situatie. GD Veterinair | juni 2013 |

1


Drs. Merlijn Kense Pluimveedierenarts

Geslachtsgebonden maagdarmklachten bij jonge biggen Onlangs zijn bij de GD door twee bedrijven biggen aangeboden voor postmortaal onderzoek waarbij pathologische veranderingen zijn vastgesteld die vermoedelijk zijn veroorzaakt door een nu obsoleet te achten castratiemethode.

Uitbreiding VMP De GD is samen met het VMP-platform druk bezig de VMP (Veterinaire Monitoring Pluimvee) verder in te vullen. We willen hiermee een completer beeld krijgen van de diergezondheidssituatie in de sector en de onderlinge samenwerking verstevigen. Zo kunnen we de sector beter informeren. De VMP is in 2003 gestart na het verzoek van het ministerie van LNV en het PPE om een systeem voor diergezondheidsmonitoring op te zetten. Tot 1 januari 2011 werd de VMP (als database) gevoed met vrijwillig aangeleverde data zoals antibioticumbehandelingen (inclusief vermelding van klinische verschijnselen en diagnoses) en uitgevoerde vaccinaties. Ongeveer 25% van de vleeskuikenkoppels kwam hiermee in beeld. Sinds 1 januari 2011 zijn dierenartsen vanuit het PPE-masterplan “correct en selectief gebruik van antibiotica” verplicht de voorgeschreven antibiotica, bevindingen en diagnoses in te voeren in IKB CRA, onderdeel van de VMP. De VMP wordt vanuit de beroepsgroep pluimveedierenartsen aangestuurd door het VMP-platform dat bestaat uit drie pluimveedierenartsen en een aantal specialisten van de GD. Elke drie maanden wordt een VMPbijeenkomst georganiseerd voor de deelnemende dierenartsen waarin actuele zaken aan bod komen. Ook is het VPM-platform bezig met de ontwikkeling van cursussen waaraan VMP-leden tegen gereduceerd tarief kunnen deelnemen. Kortom: VMP is meer dan alleen een database. Het ontwikkelt zich steeds meer tot een samenwerkingsverband tussen dierenartsen en de GD om kennis en ervaringen uit te wisselen, met als belangrijkste doel: het verbeteren van de gezondheidsstatus van de Nederlandse pluimveestapel.

2

Het betrof in beide gevallen inzendingen van ongeveer zes biggen van enkele weken oud. In de anamnese werden klachten van de zijde van het maagdarmkanaal opgegeven: met name diarree en in één geval werd meer specifiek ook “oplopen” als klacht genoemd. Bij de sectie van enkele dieren was de consistentie van de inhoud van de digestietractus inderdaad te gering en werd een gericht vervolgonderzoek ingesteld. Opvallend was dat bij beide inzendingen verscheidene biggen een te sterk overvulde darm hadden en dat bij deze biggen een gedeelte van de dunne darm in het lieskanaal was geschoven. De dunne darm zat in het lieskanaal vastgeklemd met een volledige afsluiting en overvulling van het darmkanaal tot gevolg. Helemaal speciaal werden deze casus toen bleek dat alle biggen met deze ingeklemde liesbreuk van het mannelijk geslacht waren en dat deze kort tevoren waren gecastreerd. Het is goed voorstelbaar dat er een verband bestaat tussen de uitgevoerde ingreep en het optreden van een (geïncarcereerde) inguinale hernia. Fixatie van de big ten behoeve van de castratie, waarbij van buitenaf druk op de buikwand wordt uitgeoefend, verhoogt de intra-abdominale druk waardoor een liesbreuk (makkelijk) geïnduceerd kan worden. Drs. Thijs Roumen, veterinair patholoog

MALDI-TOF MS en identificatie van ‘varkensbacteriën’ MALDI-TOF MS is een techniek waarmee grote moleculen zoals (poly)peptiden en eiwitten, maar in beginsel ook vetten en polysacchariden geanalyseerd worden. Sinds vorig jaar gebruikt de GD MALDI-TOF MS voor de identificatie van bacteriën, waaronder ‘varkensbacteriën’. MALDI staat voor Matrix-Assisted Laser Desorption/Ionization, TOF betekent ‘Time Of Flight’ en MS staat voor massaspectometrie. De scheiding van de te onderzoeken moleculen vindt plaats op basis van massa en dat levert een bepaald spectrum op. De GD beschikt over twee apparaten met een verschillend massaspectrum. In diverse projecten onderzoeken we de bruikbaarheid van de techniek voor bijvoorbeeld het onderzoek van biomarkers, resistenties, microfloraprofielen (‘dysbacteriose’) en subtypering van bacteriën. Voor de identificatie van bacteriën met MALDI-TOF MS is het nodig de bacteriën vooraf op te werken tot een reincultuur. Bacteriën die niet of nauwelijks zijn te kweken (bijvoorbeeld Mycoplasma hyopneumoniae of Lawsonia intracellularis) kunnen vooralsnog dan ook niet met MALDI-TOF MS geïdentificeerd worden. Bij bepaalde bacteriesoorten is alsnog een nadere identificatie nodig, zoals bij Actinobacillus pleuropneumoniae of Haemophilus parasuis. Anderzijds worden soms ‘verrassende’ bacteriën aangetoond zoals Actinobacillus rossii. Na het cultiveren duurt het identificeren van bacteriën via MALDI-TOF MS slecht één uur. De klassieke manier van identificeren door o.a. biochemische methoden (de ‘bonte rij’) is veel tijdrovender. Dr. Theo Geudeke, dierenarts varkensgezondheidszorg


Jodium en selenium bij melkvee: een wisselwerking Naar aanleiding van het begin dit jaar gelanceerde GD Tankmelk Mineralen, zie www.mineralencheck.nl, krijgt de GD geregeld vragen over de functie van jodium bij melkvee en de rol die selenium daarbij speelt. Hierbij een beknopte uitleg. De opslag van jodium vindt plaats in de schildklier, waar het wordt ingebouwd in de hormonen T4 en T3. T3 bevat 3 jodiumatomen per molecuul, T4 bevat er vier. Het T4 hormoon is zelf niet werkzaam, maar wordt naar behoefte omgezet in T3, dat wel werkzaam is en zorgt voor een juiste basaal-stofwisseling. De omzetting van T4 naar T3 gebeurt onder invloed van seleenbevattende enzymen. Daarom heeft selenium een grote invloed op de werkzaamheid van jodium. Als de seleniumvoorziening niet optimaal is, kan de werking van jodium via de schildklierhormonen ook niet optimaal zijn. Jodium wordt heel efficiënt opgenomen uit de darmen, uitscheiding vindt plaats via urine en melk. Vooral in biest zit veel jodium omdat jonge dieren direct jodium nodig hebben. Het gehalte in de melk daalt daarna snel. Hoe hoger de melkproductie, des te lager het gemiddelde jodiumgehalte in melk. Sommige ontsmettingsmiddelen (jodoforen) bevatten jodium en verhogen bij onjuist gebruik mogelijk het jodiumgehalte van de melk. Normaal

is in melk tussen de 100 en 300 µg/L jodium aanwezig. Bij een jodiumtekort mag men de volgende verschijnselen verwachten: • Bij een tijdelijk jodiumtekort zijn er meestal geen klachten bij oudere dieren. • Pasgeboren kalveren hebben een vergrote schildklier (soms tweemaal zo groot als normaal). Ook zwakke kalveren en doodgeboorte worden aan jodiumtekort toegeschreven. • D ieren worden slomer (door de verminderde schildklierfunctie), de vruchtbaarheid wordt lager (zowel bij koeien als bij stieren) en er treedt verminderde groei en melkproductie op. Bij een overmaat aan jodium zien we: • Een verhoogde werking van het parasympatisch zenuwstelsel (neusuitvloeing, tranende ogen, overmatige speekselproductie); • Verminderde groei en melkproductie en verminderde eetlust; • Eventueel verwerpen. Dr. Guillaume Counotte, veterinair toxicoloog

Mycoplasma-gewrichtsontsteking bij melkvee Sinds december 2012 is de GD een aantal keer benaderd over bedrijven met ernstige gewrichtsontstekingen van de voorpoot, als koppel­probleem bij melkvee. Tot dan toe werden gewrichtsproblemen bij melkkoeien vooral als incident gezien, meestal in een klauwgewricht als gevolg van een ernstige (opkruipende) zoolzweer. Onduidelijk is of de huidige problemen veroorzaakt worden door een ander type of variant van Mycoplasma bovis, of dat het type niet veranderd is maar dat de dieren op de betreffende bedrijven (door nog een onbekende oorzaak) nu gevoeliger zijn. Naar aanleiding van de meldingen heeft de GD een pilotonderzoek ingesteld, gericht op het achterhalen van de oorzaak van deze uitbraken. Tot eind april zijn er bij de GD Veekijker 14 bedrijven gemeld met een uitbraak van artritis bij meerdere melkkoeien, waarvan op 12 bedrijven is bevestigd dat dit een “uitbraak” betrof met M. bovis. Van deze bedrijven zijn er op het moment van schrijven elf bezocht door één GD-dierenarts. In alle gevallen betrof het meerdere (5% tot 20%) koeien met een zeer heftige kreupelheid (koeien op 3 benen) en pijnlijkheid. De gewrichtsontsteking werd vooral gezien in het kogelgewricht en de voorknie. In de meeste gevallen was één voorpoot aangetast en in een enkel geval het hakgewricht. De ontsteking werd zowel bij vaarzen als oudere koeien waargenomen en was onafhankelijk van het lactatiestadium. De bedrijven waarbij mycoplasma artritis is aangetoond liggen verspreid over Nederland. De gemiddelde bedrijfsgrootte was over het algemeen wat groter dan het Nederlandse gemiddelde.

In de Amerikaanse literatuur worden uitbraken van M. bovis (met name mastitis) gerelateerd een de bedrijfsgrootte. De meeste bedrijven hadden meer dan 10 maanden tot meer dan 20 jaar niets aangekocht en de helft van de bedrijven paste weidegang toe (alle problemen begonnen overigens in de stalperiode). Het gemiddelde productieniveau van de getroffen bedrijven was 8.250 liter in 305 dagen met gemiddeld 4.49% vet en 3.58% eiwit. De diergezondheidsstatussen (BVD, IBR, Salmonella, paratbc) waren zeer gevarieerd, alle bedrijven waren leptospirose-vrij. De reactie op de ingestelde therapie (antibiotica -met name oxytetra, tylosine en enrofoxacine- en een NSAID) was heel wisselend en op 10 van de 11 bedrijven moesten dieren om redenen van dierwelzijn worden geëuthanaseerd. Dieren die wel goed op de aanpak reageerden leken na 14 dagen voor 80-90% hersteld (alleen nog geringe zwelling en geringe kreupelheid). Om te vergelijken of dezelfde M. bovis-stam een rol speelt bij de diverse problemen (mastitis en artritis bij melkvee, artritis bij vleeskalveren), zullen in het pilotonderzoek de gevonden stammen worden getypeerd en vergeleken met historische stammen. Drs. Linda van Wuijckhuise, rundveedierenarts

GD Veterinair | juni 2013 |

3


Nieuws en mededelingen Workshops VeeOnline varkens

Juiste inzending monsters

Bent u al helemaal thuis in VeeOnline voor varkens? Weet u bijvoorbeeld hoe u een template voor uw BBP's maakt? En hoe u labuitslagen zoekt? Of hoe u uw klantenlijst optimaal kunt gebruiken en gegevens exporteert naar Excel? Met een gratis workshop op uw praktijk maken wij u graag wegwijs. Een workshop duurt ongeveer 1 ½ uur en kan gepland worden vanaf half juni. Tijdens de workshop helpen we graag met het maken van uw eigen template. Interesse? Vraag uw relatiebeheerder of mail naar Suzan Megens, s.megens@gddeventer.com.

De afgelopen periode werden bij de GD meerdere melkmonsters voor o.a. Neospora, paratbc en Salmonella in buizen zonder conserveringsmiddel en/of in buizen met een onjuist formaat aangeleverd. Dit had tot gevolg dat bij het inschrijven een aantal monsters werd afgekeurd wegens het schiften van de melk. Ook moest in een aantal gevallen de melk worden overgeschonken naar de juiste buis (met risico op verwisseling). De juiste buis voor het insturen van melkmonsters is buis VDTRA076 (per doos: 36 buizen met conserveringsmiddel). Ook ontvangt de GD regelmatig melk- en bloedbuizen waarbij de stickers als een sigarenbandje om de buis zijn geplakt. Hierdoor is handmatig inschrijven nodig. Wanneer u de sticker in de lengte op de melk- of bloedbuis plakt kunnen de barcodes foutloos worden gescand en ingeschreven. Voor grote inzendingen melk, mest of bloed kunt u vooraf een stallijst met barcodestickers bij de diergezondheidsadministratie van de GD opvragen (0900-1700).

Meer labuitslagen op VeeOnline Naast de labuitslagen van rundvee en varkens vindt u nu ook de uitslagen van schapen en geiten en van wateronderzoek in VeeOnline. Zoek voor de uitslagen op UBN, klik op het UBN en ga naar ‘lab’ en ‘uitslagen’. De icoontjes voor de uitslagen geven bij gemengde bedrijven de diersoort aan. Staat uw veehouder niet in de klantenlijst? Vraag hem dan contact op te nemen met de klantenservice van de GD via 0900-1770 zodat de koppeling gemaakt kan worden.

Gratis materialen voor mestonderzoek Ieder paard heeft wormen. Sommige kunnen koliek veroorzaken, andere leveren vooral gevaar op voor veulens (spoelwormen) en jonge paarden (kleine strongyliden en bloedwormen). De beste aanpak is behandelen op basis van mestonderzoek. Via de webwinkel kunt u hier nu gratis materialen voor bestellen. Artikelnummer: VDGEB065

Redactie Guillaume Counotte Linda van Duijn Theo Geudeke Catholine Koster Helen de Roode Thijs Roumen Christiaan ter Veen Erik de Vries ISSN 1388-4042 Overname van artikelen is toegestaan na schriftelijke toestemming van de GD.

Prepress en productiecoördinatie Senefelder Misset Doetinchem Basisontwerp de PLOEG communicatie Vormgeving X-Media Solutions Doetinchem Drukwerk Senefelder Misset Doetinchem Uitgever GD Deventer Verschijningsfrequentie 12 keer per jaar

Postbus 9, 7400 AA Deventer T. 0900-1770, F. 0570-63 41 04 www.gddeventer.com, info@gddeventer.com Alle genoemde tarieven zijn exclusief btw en basiskosten. De Gezondheidsdienst voor Dieren

Aanvragen gevoeligheidsbepalingen melkmonsters Onlangs is de GD overgestapt op de microbouillonverdunningsmethode voor het testen van de gevoeligheid van bacteriën voor antibiotica. Bij het insturen van individuele melkmonsters geldt dat u zelf kunt kiezen voor een aanvullende gevoeligheidstest per monster óf per inzending. Indien u een gevoeligheidstest per monster wenst, kunt u dit op het inzendformulier achter het betreffende monsternummer aankruisen. Kiest u ervoor om een (door u gekozen aantal) gevoeligheidstesten per inzending aan te vragen, dan bepaalt de GD-analist voor welke kiem het meest logisch een gevoeligheidsbepaling kan worden ingezet. Het palet aan antibiotica dat wordt getest bij melk is onlangs vernieuwd en beter afgestemd op het nieuwe KNMvD Formularium Melkvee.

Snellere uitslag GD BO DNA Dankzij een logistieke verbetering is het nu mogelijk om de uitslag van een GD BO DNA-onderzoek al binnen 1-2 werkdagen (na ontvangst van de melkmonsters in het laboratorium) per mail te ontvangen, mits het e-mailadres van de melkveehouder bij ons bekend is. Zo kan nog eerder gestart worden met de juiste mastitisbehandeling. De GD BO DNA-test is een snelle test met behulp van de PCRmethode, welke het DNA van bacteriën kan aantonen zonder een bacteriële kweek uit te voeren. GD BO DNA-pakketjes kunnen besteld worden via www.gd-winkel.nl, info@gddeventer.com of 0900-1770.


Gd Veterinair juni