Page 1

Inhoud   1. Genade en vrede - 2 Korinthe 1:1-2 13   2. Troost in verdrukking - 2 Korinthe 1:3-7 17   3. Uit grote nood verlost - 2 Korinthe 1:8-10 21   4. Medearbeiders door het gebed - 2 Korinthe 1:11 24   5. Roemen in Gods genade - 2 Korinthe 1:12-14 27   6. Gods beloften zijn ja en amen - 2 Korinthe 1:15-20a 30   7. God is Getuige - 2 Korinthe 1:20-24 34   8. Droefheid over de gemeente - 2 Korinthe 2:1-4 38   9. Vergeving voor een boetvaardige zondaar -   2 Korinthe 2:5-11 42 10. Geen rust in Troas - 2 Korinthe 2:12-17 46 11. De gemeente, een brief van Christus - 2 Korinthe 3:1-4 50 12. De bediening van de wet en de bediening van de Geest -   2 Korinthe 3:5-11 54 13. Een deksel op het hart - 2 Korinthe 3:12-18  58 14. Het Evangelie onverbloemd prediken -   2 Korinthe 4:1-4 62 15. Dienaren om Jezus’ wil - 2 Korinthe 4:5-7 66 16. In de dood overgegeven - 2 Korinthe 4:8-12 70 17. Niet zien en nochtans geloven - 2 Korinthe 4:13-18 74 18. Een huis in de hemelen - 2 Korinthe 5:1-5 78 19. De schrik des Heeren - 2 Korinthe 5:6-11a 82 20. De liefde van Christus dringt ons - 2 Korinthe 5:11-14 86 21. Niet meer voor zichzelf leven - 2 Korinthe 5:15-17  90 22. Laat u met God verzoenen - 2 Korinthe 5:18-21  94 23. De dag der zaligheid - 2 Korinthe 6:1-2  98 24. Door kwaad gerucht en goed gerucht -   2 Korinthe 6:3-10  101 25. Een tempel van God - 2 Korinthe 6:11-18  105 26. Reden tot blijdschap - 2 Korinthe 7:1-7  109 27. De droefheid naar God - 2 Korinthe 7:8-11a  113


28. Paulus’ roem over de gemeente - 2 Korinthe 7:11b-16 29. Een voorbeeld van vrijgevigheid - 2 Korinthe 8:1-8  30. Om uwentwil arm - 2 Korinthe 8:9-15  31. Oproep tot milddadigheid - 2 Korinthe 8:16-24  32. God heeft een blijmoedige gever lief -   2 Korinthe 9:1-7  33. Tot alle goed werk overvloedig - 2 Korinthe 9:8-15  34. Met de zachtmoedigheid van Christus -   2 Korinthe 10:1-6  35. De mens ziet aan wat voor ogen is -   2 Korinthe 10:7-15  36. Paulus’ ijver voor de gemeente - 2 Korinthe 11:1-7  37. Valse apostelen - 2 Korinthe 11:8-19 38. Sprekend als onwijs zijnde - 2 Korinthe 11:20-33  39. Opgetrokken tot in de derde hemel -   2 Korinthe 12:1-6  40. Een scherpe doorn in het vlees - 2 Korinthe 12:7-10 41. Hoewel ik niets ben - 2 Korinthe 12:11-16a  42. Onenigheid en woordenstrijd - 2 Korinthe 12:16b-21  43. Onderzoekt uzelven - 2 Korinthe 13:1-5  44. Tot opbouw en volmaking - 2 Korinthe 13:6-12  45. De hoofdinhoud van onze zaligheid -   2 Korinthe 13:13

117 121 125 129 133 136 140 144 148 152 156 160 164 168 172 176 180 184


Hoofdstuk 1

Genade en vrede 2 Korinthe 1:1-2 Paulus, een apostel van Jezus Christus, door de wil Gods, en Timotheüs de broeder, aan de gemeente Gods die te Korinthe is, met al de heiligen die in geheel Achaje zijn: Genade zij u en vrede van God onze Vader en de Heere Jezus Christus.

Voor de tweede keer krijgt de gemeente van Korinthe een brief van Paulus. Hij schrijft nadrukkelijk dat hij door de wil van God een apostel is van Jezus Christus. Wat zal dat een wonder voor hem zijn geweest. Want in zijn eertijds kon hij de naam van Jezus Christus niet horen, was hij een vervolger van hen die Zijn naam beleden. Als rasechte Farizeeër kon hij het Evangelie niet verdragen. Gods wil doorkruiste echter zijn wil. We zien dat in het bijzonder als hij op weg gaat naar Damascus om mannen en vrouwen gevangen te nemen die de verschijning van de Heere Jezus hebben lief gekregen. Zijn boosheid wordt omschreven als ‘blazende dreiging en moord’. Het briesende paard moet echter eindelijk sneven. Hoe fel het ook draaft op het oorlogsveld tegen de waarheid van het Evangelie. De man die zo goed weet wat hij wil, gaat roepen: ‘Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal?’ De Heere zegt hem dat hij naar de stad moet gaan waar hem gezegd zal worden wat hij moet doen. Nu, dat wordt al spoedig bekend. Hij, die de christelijke gemeente te vuur en te zwaard vervolgt, moet een verkondiger worden van de blijde Boodschap. Ananias weet niet wat hij hoort als de Heere tegen hem zegt: ‘Deze is Mij een uitver-

Om uwentwil arm

13


koren vat, om Mijn naam te dragen voor de heidenen en de koningen en de kinderen Israëls’ (Hand 9:15). Gods Woord komt uit. Paulus mag prediken in Klein-Azië, in Griekenland en Rome. Ook in de synagogen brengt hij het Woord. Korinthe is een van de steden waar hij predikt. Zijn prediking blijft niet ongezegend. Er ontstaat een gemeente. Een gemeente ‘van God’ wordt het genoemd. Door God Zelf verkoren, geroepen en bewaard. Geldt dat voor alle leden van de gemeente? Daar lijkt het niet op als we de brief verder lezen. Toch wordt zij de gemeente van God genoemd, omdat de Heere recht op haar heeft. Het bepaalt haar bij haar grote verantwoordelijkheid, omdat haar de woorden van God zijn toebetrouwd. Ditzelfde geldt voor ons. Wat een keur aan preken hebben we gehoord. We hebben christelijk onderwijs op school en catechetisch onderwijs in de kerk ontvangen. Zo wilde Hij met geen volken handelen. Zijn we niet als Israël waartegen Jesaja moest zeggen: ‘Wat is meer te doen aan mijn wijngaard, hetwelk Ik aan hem niet gedaan heb?’ Waar zijn de vruchten van geloof en bekering? Wat is het ontzettend als kinderen van Gods gemeente, de kinderen van het Koninkrijk, uiteindelijk buitengeworpen worden en anderen hen voorgaan. Paulus kan de gemeente in Korinthe niet vergeten, al is hij er allang weg. Dat bewijst ook deze brief. De brief is ook gericht aan de heiligen in Achaje. Achaje is een provincie, een district in Griekenland waarvan Korinthe de hoofdstad is. Mogelijk komen de mensen uit de omgeving elke zondag naar de christelijke gemeente van Korinthe om daar onderwezen en gevoed te worden. Ze worden ‘heiligen’ genoemd. Wij zijn wat zuinig met dat woord. Wie echter in Christus is en voor Zijn rekening ligt, is heilig! Niet uit en van zichzelf, maar in Christus. Mag u al weten heilig te zijn in Hem? Naast zijn eigen naam noemt Paulus ook de naam van Timotheüs. In de eerste brief lezen we dat hij naar Korinthe wordt

14

Om uwentwil arm


gestuurd. Nu is hij weer bij Paulus. Timotheüs wordt wel Paulus’ geestelijke zoon genoemd. Paulus heeft twee brieven aan hem geschreven. Timotheüs wordt hier ‘de broeder’ genoemd. Dat is hij van Paulus in het bijzonder. Niet door bloedbanden, maar door geestelijke banden. Of toch wel door bloedbanden: het bloed van de Heere Jezus. Er wordt weleens royaal gestrooid met de betiteling broeders en zusters, terwijl het er in de praktijk ver vandaan is. Hier gaat het om een echte broeder. De gemeente wordt gegroet. De groet lijkt op de groet die wij op zondag in de kerk horen. Laten we die groet ernstig nemen. ‘Genade van God de Vader en de Heere Jezus Christus.’ Dat is genade voor schuldige zondaren. Genade voor mensen die de eeuwige dood hebben verdiend. Genade van God de Vader omdat Hij Zijn Zoon gegeven heeft om genade te verwerven. Genade van de Heere Jezus Christus omdat Hij de volle prijs betaald heeft, zodat arme zondaren niet vergeefs hoeven te bidden: ‘O God, wees mij zondaar genadig.’ Opdat ze gerechtvaardigd naar huis mogen gaan en straks naar het eeuwig Vaderhuis. Ook vrede wordt toegewenst. De vrede van God. Er is zoveel vrede dat de naam van vrede niet mag dragen. De Heere zegt Zelf dat de goddelozen geen vrede hebben. Maar er is vrede voor mensen die van nature in oorlog met God leven. Vrede voor mensen die na ontvangen genade in de geestelijke strijd tegen de duivel, de wereld en hun eigen vlees zo moedeloos kunnen zijn. Die uitroepen: ‘Ik vrees dat ik alles mis en er geen werk in der waarheid is.’ Wat heerlijk dat deze brief dan zo begint. Is het voor u weleens een wonder geweest dat de kerkdienst zo begint? Tegenwoordig komt steeds meer de akelige gewoonte in zwang om de gemeente te laten begroeten door een ambtsdrager met een welgemeend ‘goedemorgen’ of ‘goedenavond’ gevolgd door een reeks afkondigingen. Het is veel mooier om de dienst te

Om uwentwil arm

15


beginnen met de groet van God. Wat een wonder: wie ik ook ben, hoe mijn week ook is geweest, Hij groet mij met genade en vrede. Het is duidelijk dat Hij mijn dodelijke dag niet begeert! Wat een stof tot verootmoediging en verwondering. Gespreksvragen 1. Mogen we kritiek hebben op een predikant wanneer hij zijn preek begint met ‘gemeente des Heeren’? 2. Wat doet de groet van God die u op zondag in de kerk hoort met u? Lezen: Handelingen 9:1-19 Zingen: Psalm 86:6

16

Om uwentwil arm

Om uwentwil  
Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you