Issuu on Google+

1. Een dode hond (1) Toen boog hij zich en zeide: Wat is uw knecht, dat gij omgezien hebt naar een doden hond, als ik ben? 2 Samuël 9:8 David is koning te Jeruzalem. De Heere heeft hem na veel strijd en leed met eer en heerlijkheid gekroond. Hij heeft hem doen triomferen over al zijn vijanden rondom. Hij kon zingen: ‘Gij hebt het heil Uws konings groot gemaakt.’ Nu echter gaan zijn gedachten terug naar vroeger dagen, toen hij voortvluchtende was als een veldhoen op de bergen voor het aangezicht van Saul. Maar als hij daaraan denkt, kan het niet anders of hij denkt ook terug aan zijn boezemvriend, die hem in al die ellende tot zulk een steun en verkwikking was. Hij denkt aan zijn geliefde Jónathan. En dan rijst ook voor zijn aandacht het verbond, dat hij eenmaal met hem gemaakt heeft, namelijk dat hij zijn weldadigheid niet zou afsnijden van Jónathans huis tot in eeuwigheid. Welnu, gedachtig zijnde aan dat verbond, spreekt hij in vers 1: ‘Is er nog iemand die overgebleven is van het huis van Saul, dat ik weldadigheid aan hem doe om Jónathans wil?’ Het blijkt, volgens Ziba, dat er nog één is overgebleven, een zoon van Jónathan. Zijn naam is Mefibóseth. 11


Nadat de koning dit hoort, zendt hij boden naar het overjordaanse, waar Mefibóseth zich bevindt. Hij laat hem tot zich brengen en deelt hem zijn voornemen mee. Mefibóseth buigt zich in onwaardigheid voor de koning neer als hij de woorden uit de mond van David hoort. Dan volgt ons tekstwoord in 2 Samuël 9 vers 8: ‘Toen boog hij zich en zeide: Wat is uw knecht, dat gij omgezien hebt naar een doden hond, als ik ben?’ Mefibóseth noemde zich een dode hond. Ja, zó en niet anders beschouwde hij zichzelf tegenover koning David. Voorwaar een uitdrukking die getuigt van een gevoel van de grootste onwaardigheid. Onder de Joden was er immers geen minderwaardiger en verachtelijker beest bekend dan een hond. Dat zal ons niet verwonderen, als we bedenken dat God Zelf over de verachtelijkheid van deze dieren sprak in de wet. We lezen in Deuteronomium 23 vers 18: ‘Gij zult geen hoerenloon noch hondenprijs in het huis des Heeren uws Gods brengen tot enige gelofte.’ Als men uitdrukking wilde geven aan onwaardigheid of verachting, noemde men zichzelf of anderen een hond. Zo lezen we in 2 Samuël 16 vers 9: ‘Toen zeide Abísaï, de zoon van Zerúja, tot den koning: Waarom zou deze dode hond mijn heer den koning vloeken? Laat mij toch overgaan en zijn hoofd wegnemen.’ Abner zei tot Isbóseth: ‘Ben ik dan een hondskop?’ 12


Niet alleen bij de Joden, maar ook bij verschillende andere volken was de hond een verachtelijk dier en werd deze benaming dikwijls gebruikt als schelden vloeknaam. Zo was bijvoorbeeld in het Latijn de uitdrukking ‘gij hond’ een verachtelijke scheldnaam. Het is ook bekend dat de Turken om hun verachting te kennen te geven aan de christenen, hen uitscholden voor honden. De geschiedenis verhaalt ons dat oudtijds edellieden of regenten die bij de afwezigheid van hun vorst misbruik hadden gemaakt van zijn vertrouwen, die opstand of rebellie hadden veroorzaakt en zo de rust hadden verstoord, veroordeeld werden tot een zware straf. Zij moesten een hond in de armen dragen waardoor zij aan allerlei verachting blootstonden en zij werden vervallen verklaard van rang en stand. Daardoor werden zij voor aller oog ontadeld. Wanneer zij tot de doodstraf werden veroordeeld, moesten zij een hond in de armen dragend, naar de gerechtsplaats worden geleid. Een hond was dus een beeld van de diepste onwaardigheid en verachting. Mefibóseth noemt zich niet alleen een hond, maar een dode hond. Hiervoor was grote oorzaak. Hij woonde immers in een vergeten oord, in Lodebar, dat door niemand geacht werd. Hijzelf werd niet voor meer gerekend dan een dode hond. Hij kon David, de koning van Israël die de oorlogen des Heeren voerde, net zo min tot enig nut zijn als een 13


dode hond. Daarbij kwam dat zijn geslacht was verworpen. Daarom moest David een even grote afkeer van hem hebben als van een dode hond. Ook had hij even weinig moed als een dode hond om zich tegen David te verzetten. Ten slotte achtte hij zich des konings gunst totaal onwaardig, evenals een dode hond geheel onwaardig is om hem een plaats te verlenen in zijn huis. Zo’n dode hond is meer een voorwerp om weggeworpen en aan het verderf overgegeven te worden. Van al deze zaken overtuigd zijnde, spreekt Mefibóseth als hij voor het aangezicht van David verschijnt: ‘Wat is uw knecht dat gij omgezien hebt naar een doden hond, als ik ben?’ We zien hierin het beeld van de arme zondaar, die zichzelf bij het ontdekkend licht van Gods Geest heeft leren kennen. Alle geestelijke Mefibóseths, die zichzelf in hun ware gedaante voor God leren bezien door de Geest der uitbranding en der ontdekking, leren zichzelf aanklagen, veroordelen, vernederen en zich niet méér achten dan een dode hond voor God. Hoor toch wat Asaf getuigt in Psalm 73. Hij liet vooraf nog enig recht gelden. Hij was het niet eens met de Heere in de leidingen van Zijn voorzienigheid met hem, maar eenmaal ingegaan zijnde in Gods heiligdommen, verbleekte hij geheel en riep uit: ‘Ik ben een groot beest bij U.’ Jesaja beleed: ‘Het ganse hoofd is mat, het ganse lichaam is krank. Van 14


de hoofdschedel tot de voetzool toe, zijn er niets dan wonden, striemen en etterbuilen, die niet uitgedrukt, noch verbonden zijn, en geen derzelve is met olie verzacht.’ Wanneer Ezechiël ons een beeld geeft van de mens in zijn verlorenheid en schuld, zegt hij: ‘Liggende op de vlakte des velds, en geen oog had medelijden met u.’ David roept uit in Psalm 38: ’k Ben, door Uwe wet te schenden, Krom van lenden. Vol van druk, benauwd van hart. Werkelijk, we zijn in Adam eerloze en rechteloze schepselen geworden. Zolang de mens hier niet aan ontdekt is, blijft hij in zijn natuurlijke vijandschap staan en is hij afkerig van een ontdekkende prediking. Dan heeft hij genoeg aan een godsdienst die hem opbouwt en aankleedt met een kleed dat hij door zijn eigen werken en voornemens heeft geweven met vodden uit een verbroken werkverbond. Paulus zegt: ‘Wij willen niet ontkleed, maar overkleed worden.’ Zullen wij echter ooit overkleed worden met het kleed van Jezus’ gerechtigheid, dan gaat daar een ontkleding aan vooraf. Dan zien we in Mefibóseths geschiedenis ónze geschiedenis, maar dan geestelijk. Dan zullen we duidelijke trekken van overeenkomst opmerken tussen Mefibóseth en onszelf.

15


Genade voor genade