HOGENT - Textieltechnologie - Product engineering weven 1

Page 1

OEFENINGEN PRODUCT ENGINEERING WEVEN 1 DEEL1 1°J. BACHELOR IN DE TEXTIELTECHNOLOGIE

6. CURSUS – THEMA’S 9 THEMA’S – 6 LESSEN – 3U/W (DEEL1) 3 THEMA’S BZL – 2U/W (DEEL2)

LES 3 EN 4 DEEL1 : Thema 3 en 4 : HET BOBIJNEN GILBOS DYNAJET : AIRVERTENGELEN GILBOS PRECISON WINDER PLS : BOBIJNEN V/ ALLE GARENSOORT 1. Inleiding In dit thema is het de bedoeling van de studenten te leren bobijnen op klassieke – en moderne bobijnmachine, dewelke enerzijds werken volgens het principe van omtrekaandrijving en anderzijds werken volgens het principe van spilaandrijving. Vervolgens zullen de studenten ook vertengled garen leren maken op de Gilbos Dynajet airvertengler door het leren juist instellen van verschillende machineparameters. Het spreekt voor zich dat de technologie van deze machine uiteraard ook besproken wordt Als laatste machine leren de studenten werken op een Gilbos PLS bobijnmachine waar het overspoelen of bobijnen van alle soorten grondstoffen en garendiktes mogelijk is. Dit gebeurt natuurlijk terug door het leren juist instellen of gebruiken van de voornaamste machineparameters. Ook hier wordt de machinetechnologie uitgebreid besproken. Het is ook een machine waar men kan kiezen of men gaat overbobijnen volgens omtrekaandrijving (random winding) of volgens precisiewikkelingen (precision winding).

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

13


2. Inhoud 1.1. DOEL 1.2. GARENLOOP OP EEN BOBIJNMOLEN 1.3. SOORTEN WIKKELINGEN 1.3.1. Parallelwikkeling 1.3.2. Kruiswikkeling 1.3.2.1. Wilde wikkeling - Omtrekaandrijving 1.3.2.2. Precisie wikkeling - spilaandrijving 1.3.2.2.1. Open wikkeling 1.3.2.2.2. Gesloten wikkeling 1.3.2.2.3. Penta wikkeling 1.4. Toepassingen 1.4.1. Gilbos Dynajet System 2 1.4.1.1. Inleiding 1.4.1.2. Principe van verwervelen 1.4.1.3. Toepassingen 1.4.1.4. Verklaring v/d parameters 1.4.1.5. Oefening 1.4.2. Gilbos Precision Winder PLS 1.4.2.1. Oefening instellen van de verschillende parameters 3. BOBIJNOEFENINGEN / DEMONSTRATIES a. - startvoorbereiding - bobijnen - belang van de noodstop - smering - uitschakelen van de machine b. - herstellen van bobijndraadbreuken c. - grondstoffen - vervangingsonderdelen - instellingen - algemeen onderhoud d. - handleidingen / copy voorname onderdelen - produktievergelijkingen verschillende bobijnmolens 4. Praktische oefening • Oefening instellen van de verschillende parameters op de Gilbos Dynajet air-vertengler • Oefening instellen van de verschillende parameters op de Gilbos Precision Winder PLS • Demontage – montage van de hyperpolische nok op de Gilbos Precision Winder PLS

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

14


Het bobijnen 1. Doel: Het bobijnen kan beschouwd worden als een afwerking in de spinnerij of als een eerste bewerking in de voorbereiding van de weverij. Het eigenlijke doel van het bobijnen is het volgende: ° Grote lengte garen bekomen op een huls zodanig dat bij latere bewerkingen zoals bv. het scheren of warpen de machine niet direct stilvalt. ° Het verwijderen van stof en andere onreinheden. ° Het verwijderen van slecht gesponnen garens. ° Het ensimeren van garens (vooral voor breigaren). Hieruit kan afgeleid worden dat men eventuele stilstanden in latere produktiestadia wil beperken. Bv. Bij draadbreuk op een bobijnmolen is het één bobijn die stilvalt, gebeurt dit bij het scheren of warpen dan liggen er nl. 600 bobijnen stil, met als gevolg een productiviteitsdaling. 2. Garenloop op een bobijnmachine Vooraleer de draad opgewonden wordt op een bobijn doorloopt deze volgende onderdelen: ° Het garen wordt afgewikkeld van een kops (1) komende van de spinnerij of van een verfbobijn van de ververij. ° Ballonbreker (2) controleert de ballonvorming tijdens het afwinden. Hierdoor worden spanningsverschillen tijdens het bobijnen tot een minimum beperkt. ° Garenrem (3) houdt de spanning onder controle en bepaalt de dichtheid van de bobijn. Een te lage spanning ---> garen gaat afsloven bij de volgende bewerkingen. Een te hoge spanning ---> gemakkelijk breken van het garen ---> rendementsdaling. ° Parafineur (4) geeft het garen een glad oppervlak. Dit wordt toegepast voor stapelgaren in de breigoedindustrie, om de wrijving tussen het garen en de en de brei - elementen te verminderen. ° Garenkam en mes (5) voor het opsporen en verwijderen van onregelmatigheden en knopen. Dit kan zowel mechanisch als elektrisch gebeuren. ° Het garen loopt vervolgens over een garenwachter (6) dewelke een impuls doorgeeft voor het opheffen van de bobijn bij draadbreuk. ° Tenslotte passeert het garen een gegroefde trommel (7) naar de bobijn (8).

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

15


Figuur: Vooraanzicht:

Figuur 1 - Wilde wikkeling (persoonlijke schets)

Zijaanzicht:

1

2

3

4

5

Figuur 2 - spanningsregelaar bobijnmachine (persoonlijke schets)

1 : Bobijn op bobijnhouder 2 : Aandrijfcilinder of trommel 3 : Garenrem 4 : Paraffineur 5 : Garenwachter

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

16


3. De wikkelingen Er bestaan 2 soorten wikkelingen:

- parallelwikkelingen - kruiswikkelingen : ° wilde wikkelingen ° precisiewikkelingen ° stapprecisiewikkeling

3.1. Parallelwikkelingen (fig.3) Dit wordt minder en minder toegepast enkel nog voor kettingen in lintweverijen of voor valse zelfkanten op grijper – en luchtstraalweefmachines.Het garen wordt hier evenwijdig en rakend aan elkaar onder een oploophoek van 90° op een huls met flenzen gewikkeld. Voordeel: Nadelen:

- Geeft een degelijke bescherming aan het garen tijdens het transport. - Hoeveelheid opgewonden garen is functie van de diameter van de flensbobijn. - Kunnen slechts draaiend afgewikkeld worden wat beperkend is voor de afloopsnelheden. - Bij garenbreuk schuift het garen tussen de voorgaande garenlagen, waardoor het draaduiteinde bijna niet meer terug te vinden is. - Flensbobijnen wegen zwaar wat nadelig is voor het transport, daarenboven zijn ze moeilijk te verpakken.

Figuur 3 - flensbobijn met parallel wikkelingen (persoonlijke schets)

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

17


3.2. Kruiswikkelingen Kruiswikkelingen kunnen zowel opgewikkeld worden op cilindrische als conische hulzen. Voor – en nadelen van kruisbobijnen: ° Voordelen: - de bobijndiameter kan aangepast worden aan de gebruiksdoeleinden - afwikkelen over de top met hoge afloopsnelheden - hulzen zijn goedkoper, lichter en nemen minder plaats in beslag - verven op bobijnen is mogelijk ° Nadeel: gevoelig materiaal voor transport 3.2.1. Kruisbobijnen met wilde wikkeling Dit gebeurt op bobijnmachines die werken volgens het principe van omtrekaandrijving, d.w.z. dat de bobijn wordt aangedreven door wrijving van de bobijn op de cilinder. Hierbij wordt de draad heen –en weer geleid door ofwel: - een schroefvormig gegroefde trommel of een gespleten gegroefde trommel: hierbij is dus de aandrijving v/d kruisspoel en de garengeleiding vervat in één, nl de trommel - een heen – en weergaande draadgeleider (=slingerarm): de aandrijving van de kruisspoel gebeurt d.m.v een aandrijfrol, waarop de kruisspoel rust. De garengeleiding gebeurt d.m.v. een slingerarm die zijn beweging krijgt v/ehyperbolische nok. - een Wing-drum: de aandrijving en garengeleiding gebeurt hier door een combinatie v/e trommel met een vleugel. Dit principe laat hogere snelheden toe. Het resultaat is het bekomen vaneen willekeurige wikkeling ook wilde wikkeling genoemd. Kenmerken: ° Een constante oploopsnelheid van het garen, d.w.z. dat men een cte garenspanning heeft tijdens het bobijnen. De oploopsnelheid (= spoelsnelheid) is variabel dus afhankelijk van de bobijndiameter terwijl de omtreksnelheid v/d aandrijfrol (= cilinder) is cte. Een dalend toerental van de bobijn naarmate de bobijndiameter toeneemt. ° Het aantal windingen vermindert met stijgende bobijndiameter, dat brengt met zich mee dat de basislagen harder opgewonden zijn dan de volgende zodat er elastische bobijnen ontstaan. ° Het aantal omwentelingen van de cilinder voor één garenloop is functie van de bobijndiameter. ° De oploophoek (=kruisingshoek) van het garen op de bobijn wordt bepaald door de hoek van de groef in de trommel en is bijgevolg cte. De omzetverhouding = de spoelsnelheid (m/min) t.o.v. de snelheid van de heen – en weergaande draadgeleider = cte -→ de kruisingshoek = cte

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

18


RANDOM WINDING = wilde wikkeling v = winding speed (m/ min) TRAV = traverse speed (to – and fro traverses/min)

V --→

=

constante

α = constante (α = crossing angle)

TRAV

Figuur 4 – kruisingshoek α – random winding (schets constructeur Gilbos NV.)

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

19


Er bestaan 3 soorten draadgeleiding nl. ° geleiding d.m.v een gespleten trommel (zie fig. 5 a,b en c) of d.m.v. een schroefvorming gegroefde cilinder (zie fig. 6 ) ° geleiding d.m.v een heen - en weergaande draadgeleider (zowel voor wilde als precisie wikkeling) ° geleiding d.m.v. combinatie van een trommel met vleugel , Wing-drum genaamd. (zie fig. 7)

(a)

(b)

(c)

Figuur 5 (a) (b) (c) - soorten draadgeleiding - (schets Gilbos NV.)

Schroefvormig gegroefde trommel met gelijke stap

Schroefvormig gegroefde trommel met ongelijke stap

Figuur 6 - soorten gegroefde trommels (schets Gilbos NV.)

Figuur 7 - wingdrum (schets Gilbos NV.)

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

20


3.2.2. Fosterkruisbobijn Dit is een type bobijn dat frequent voorkomt, welke kan vervaardigd worden volgens zowel omtrekaandrijving als spilaandrijving.(fig.8) Kenmerken: - een grotere dichtheid van de windingen aan de basis dan aan de top. - een bobijn vertoont een bolvormige en holle top - de coniciteit van de bobijn vergroot met stijgende bobijndiameter - de beginconiciteit v/d huls is ongeveer 9° en de eindconiciteit v/d bobijn is 13°.

Figuur 8 - Foster bobijn (persoonlijke schets)

3.2.3. Schematische voorstelling aandrijving bobijnmachine Gilbos RC (verouderd systeem) Onderdelenlijst: (fig.9) 1. motor 5. tandwieloverbrenging 2. variator 6. nok 3. gegroefde trommel 7. volgrol 4. bobijn 8. bobijnophefsysteem

Figuur 9 - Aandrijving bobijnmachine Gilbos RC

3.2.4. Mechanisme om spiegelwindingen tegen te gaan door het periodisch optillen van de bobijn.(fig.10) (verouderd systeem) Onderdelenlijst: 1. bobijn 2. Gegroefde trommel 3. Nokvolger 4. Excentriek 5. Gewicht of veer

Figuur 10 - Vermijden spiegelwindingen (persoonlijke schets) Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

21


3.2.4. Kruisbobijnen met precisiewikkelingen Bij een precisiewikkeling wordt de bobijn rechtstreeks aangedreven door de spil waarop deze bevestigd is, men spreekt hier dus van spilaandrijving. Kenmerken: ° De kruisingshoek α (fig.11) verkleint naarmate de bobijndiameter groter wordt. ° De spilaandrijving en de draadgeleideraandrijving zijn in een vaste verhouding aan elkaar gekoppeld. Vaste verhouding = toerental van de bobijn = cte 1heen-en teruggang van de draadgeleider = cte = windingsratio ° Bij cte spilaandrijving zou dus de spoelsnelheid in functie van de spoeldiameter toenemen. Om de spoelsnelheid cte te houden is een snelheidsregeling voorzien. ° De snelheid van de heen - en weergaande draadgeleider vermindert met stijgende bobijndiameter. PRECISION WINDING n = RPM of package (= spoelsnelheid t/min) TRAV = traverse speed (= snelheid v/d draadgeleider in aantal heen -en weergangen per minuut) v = surface speed (= spilsnelheid)

Figuur 11 – Kruisingshoek α – Precion winding (schets Gilbos NV.) Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

22


3.2.5. De stapprecisiewikkeling (fig.12) Om de voordelen van beide, voorgaande wikkelsoorten te combineren en terzelfdertijd hun nadelen te elimineren, werd een nieuwe spoelvorm ontwikkeld, die als stapprecisiewikkeling bekend is. Het gaat hier om een, zoals de naam reeds zegt, precisiewikkeling in stappen. Na iedere stap wordt de kruisingshoek op zijn oorspronkelijke kruisingshoek ingesteld. Het resultaat is een gelijkblijvende wikkeling, waarbij de windingverhouding in stappen afneemt. Het voordeel is duidelijk. Door de steeds gelijkblijvende kruisingshoek bekomt men een stabiele spoel met een steeds gelijkblijvende dichtheid. De gedefinieerde garenafstand bij een precisiewikkeling verhindert het optreden van beeldzones en maakt een hoge wikkeldichtheid mogelijk. Daardoor heeft deze spoel goede afloopeigenschappen. 3.2.5.1. Het systeem Een microprocessor meet tijdens het spoelen constant de windingsverhouding en corrigeert deze naargelang de ingestelde waarden door middel van een kleine aandrijving. Zodra de oploophoek van de maximale ingestelde hoek wijzigt, wordt in de tabel een nieuwe windingsverhouding gekozen zodat dan de wikkeling met een nieuwe, kleinere windingsverhouding wordt gespoeld. Dit wikkelprincipe vraagt dus een complexe sturing van zowel de kruisspoel als de garengeleiding, zodat het geheel een hoge toegevoegde waarde van de productiestap vraagt om economisch verantwoord te zijn.

Figuur 12 – Stapprecisie wikkeling (schets Gilbos NV.) Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

23


3.2.6. Keuze van de wikkelverhouding bij de precisiespoelen 3.2.6.1 De open precisiewikkeling

(zie fig. 13 a)

Bij een open precisiewikkeling is er een gelijke parallel afstand tussen twee opeenvolgende lagen. Men zorgt ervoor dat er geen geheel getal als wikkelverhouding ontstaat. Het garen zou anders op dezelfde plaats gelegd worden, met gevolg het bekomen van een wafelvormig uitzicht van de bobijn. Dit is slecht voor de bobijnvulling als voor verfbobijnen. 3.2.6.2. De gesloten precisiewikkelingen

(zie fig.13 b)

De omzetverhouding wordt in functie van het garennummer aangepast zodat bij garenverlegging de nieuwe wikkeling juist naast de voorgaande wikkeling komt te liggen. Men verkrijgt hierdoor een maximale bobijnvulling. Toepassing: naaigarens (a) (b)

Figuur 13 (a) (b) - gesloten precisiewikkeling (schets Gilbos NV.)

3.2.6.3. De Penta wikkeling Bij gladde garens zoals Rayonne en glasvezels die meestal met open precisie wikkeling gespoeld worden heeft men het probleem van het afglijden van de buitenste garenlagen en het voorkomen van afslovers bij het spoelen. Om dit te beperken gebruikt men de Penta wikkeling. Hierbij worden de omkeerpunten gelijkmatig verdeeld zodanig dat voor 5 volledige garenwikkels het garen ongeveer op hetzelfde punt komt. (zie fig. 17)

Figuur 14 - Penta wikkeling (schets Gilbos NV.)

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

24


3.3. Verloop van de kruisingshoek en van de garenverlegging bij precisiewikkelingen De redenering is opgebouwd voor cylindrische spoelen; hiernaast is deze redenering ook geldig voor konische spoelen op één bepaalde dwarsdoorsnede, doch de kruisingshoek verandert in functie van de keuze van de dwarsdoorsnede. (fig.15)

Figuur 15 - kruisinghoek - garenverlegging precisiewikkelingen (schets Gilbos NV.)

3.4. Berekening van de kruisingshoek of oploophoek  van het garen Idem voor wilde als precisiewikkeling = oploophoek of kruisingshoek van het garen tg  = __2 x H_____ --->  = Bgtg 2 x H___ WxxD WxxD 2 H = 2 X de bobijnbreedte of zijdelingse verplaatsing van het garen voor één volledige omloop. W = Aantal wikkelingen om één volledige omloop te bekomen D = Diameter v/d spoel  x D = omtrek van de spoel W x  x D = gespoelde lengte van het garen om 1 volledige omloop te bekomen

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

25


3.5. Berekeningen bij de wilde wikkeling 3.5.1. Produktieberekening De berekening is vrij eenvoudig door het feit dat de spoel door wrijving aangedrevenwordt. De spoelsnelheid is gelijk aan de omtreksnelheid van de aandrijfrol (welke cte is). Nochtans ontstaat er tussen de aandrijfrol en de spoel een zekere slip, die functie zal zijn van constructieve bijzonderheden zoals de drukking van de spoel op de aandrijfrol (cilinder), de cilindervorm. Ook de aard van het op te winden materiaal zal hier een rol spelen. Vsp = O x n x a 1000 Met Vsp : de spoelsnelheid in m/min. a = 100 - slip 100 n : toerental cilinder per minuut O : omtrek van de cilinder in mm. 3.6. Berekeningen bij de precisiewikkeling Principieel kan men stellen dat de wikkelverhouding bij de precisiewikkeling voldoet volgende vergelijking: W = B + K1 + f K2 Met

aan de

B : de hoofdcomponent van de verhouding K1 en K2 vormen de decimale component van de verhouding f : de fractie

Bv. W = 3,6668 betekent dat B= 3; K1=2; K2=3 en f=0,0002 Indien de fractie f=0, dan zouden de opeenvolgende garenlagen perfect op elkaar komen te liggen. De grootte van f dient dus gekozen te worden in functie van de dikte van het garen. Het is dus zeer belangrijk dat men f kan instellen of dat men met andere woorden de wikkelverhouding kan wijzigen; dit is vooral van belang wanneer men een groot gamma garennummers wenst te verwerken of wanneer het aantal garenuiteinden (bij assembleren) kan wijzigen. Met een veranderlijke fractie kan men ook de densiteit van de kruisspoel naar wens instellen. Een groter wordende fractie doet de densiteit van een kruisspoel afnemen en omgekeerd. Het aantal velden “V” van de kruisspoel kan worden bepaalde volgens de vergelijking: V= B + K2 + K1 Speciaal voor de synthetische garensector zijn de afgelopen jaren belangrijke vernieuwingen opgetreden in het domein van de precisiewikkeling. Belangrijk tijdens het overspoelen of assembleren van synthetische garens zijn: • De garenspanning • De keuze van de kruisingshoek en het aantal velden. De kruisingshoek moet gekozen worden in functie van het garentype. Elastische garens vragen een grote kruisingshoek. Voor minder elastische garens gebruikt men best een groot aantal velden.

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

26


3.7. Fouten aan kruisbobijnen ° Kringen aan de basis van de bobijn veroorzaakt door het veelvuldig afnemen van de bobijn ° Overspringers, dit bekomt men tijdens het wikkelen doordat de draad uit de groef van de cilinder of heen - weergaande draadgeleider springt. ° Spiegelwindingen (zie fig. 16) 1) Als de lengte van de bobijn deelbaar is door het aantal windingen dan zullen de volgende garenlagen juist op de voorgaande komen, waardoor men de zogenaamde spiegelwindingen bekomt. Deze eigenaardigheid kan men bemerken aan de kanten van de bobijn. 2)

Bij een heen - en weergaande draadgeleider ontstaan aan de kanten van de kanten van de bobijn een zekere stilstand (bekomen van hoekpunten) en daarna een trekkracht naar binnen zodat men aan de kanten van de bobijn een opéén liggen van garenlagen bekomt. Hoe fijner het garen, hoe intensiever het verschijnsel optreedt.

Figuur 16 - spiegelwindingen bobijnen (persoonlijke schets)

Het voorkomen van spiegelwindingen kan op volgende manieren gebeuren: 1. De bobijn periodisch laten opliften door gebruik te maken van een excentriek op op een bijas. 2. De aandrijving van de cilinder periodisch uitschakelen (zie fig.17). 3. De cilinder tijdens het bobijnen van een 2 a 3 mm zijdelings verplaatsen. 4. Periodisch verleggen van het oplooppunt van het garen op de cilinder.

Figuur 17 - verstoringinrichting Schlafhorst Autocoro (schets Schlafhorst) Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

27


4. Toepassingen 4.1. Gilbos Dynajet System 2 4.1.1. Inleiding De Dynajet System 2 machine wordt gebruikt voor het luchtverwervelen (vertengelen) van filamentgaren. Dit is een methode om de parallel cappilaire draadjes dus de filamenten mechanisch met elkaar te verbinden. Het luchtverwervelen van garen dient dus voor : - een verbetering van de verwerkbaarheid van het garen, zonder dat daarbij de belangrijkste gareneigenschappen zullen veranderen. - storingen in andere arbeidsprocessen te verminderen. - herstellingstijden bij garenbreuk in te korten. Het enige nadeel dat het verwervelen met zich meebrengt is dat het garenuitzicht verandert wordt. Voor het verwervelen zijn verschillende benamingen in de textielsector in omloop. De volgende begrippen beduiden dus eigenlijk allemaal hetzelfde: - Verwirbeln (D) - Tangeln (D) - Entanglement (T)

- Interlacing (E) - Intermingling (E) - Comingling (E)

4.1.2. Principe van het verwervelen Bij het verwervelen wordt een filamentbundel of meerdere bundels met een loodrechte luchtstroom opengeslagen. Daarbij worden enkele of alle filamenten verwerveld, met elkaar vervlochten of met elkaar verdraaid. Een continu luchtstroom zorgt voor een periodisch effect. Er bestaan verwervelingsknopen met daartussen de delen die filamenten bevat die niet met elkaar vervlochten of verdraaid zijn (fig. 21). Het zijn deze openingen die men de “ interlaces “ noemt.

Figuur 18 - Principe luchtverwervelen (schets Gilbos NV.)

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

28


4.1.3. Verklaring van de parameters De Dynajet System 2 bevat 55 machineparameters. Al deze parameters kunnen we niet instellen op de Dynajet. De meest gebruikte parameters worden hieronder weergegeven en verklaard. De parameters in bold getypt kunnen we wijzigen dus instellen via een display of scherm van een PC. De andere kunnen niet ingesteld worden, wel afgelezen worden op de display of scherm. Parameter n°

verklaring

2. Error code 3. Gewenste snelheid 4. Ogenblikkelijke snelheid 6. Versnellingstijd

Mogelijke fouten die kunnen voorkomen. De gevraagde snelheid. De produktiesnelheid van de machine op elk ogenblik. De tijd om van snelheid nul de gevraagde snelheid te bereiken. 7. Vertragingstijd De tijd om van de ogenblikkelijke snelheid naar nul te gaan. 8. Lage snelheid alarm Alarm die afgaat bij een snelheid lager dan de ingestelde snelheid. 9. Hoge snelheid alarm Alarm die afgaat bij een snelheid hoger dan de ingestelde snelheid. 10. Spil startvertraging Tijd dat de spil stilstaat maar er werkt al perslucht in op het garen. 12. Garenlift vertraging bij start Tijd dat het garen op de garenlift ligt om de reserve garenhoeveelheid en positie te bepalen bij start. 13. Garenlift vertraging bij stop Tijd dat het garen op de garenlifter ligt bij stop. 14. Gewenste lengte Garenlengte dat men wenst op de bobijn. 15. Ogenblikkelijke lengte Controle v/d garenlengte op elk moment. 16. Aantal doffings per spil Aantal wissels die men wenst binnen het gewenst bobijnen van de gewenste garenhoeveelheid per spil. 17. Aantal doffings per spil bereikt Controle v/h aantal wissels op elk moment. 18. Aantal doffings per machine Aantal wissels die men wenst per machine, bereikt. dit als men met meerdere spillen werkt. 19. Aantal doffings per machine Controle v/h aantals wissels per machine op bereikt. op elk ogenblik. 20. Gewenste druk De gevraagde druk tijdens het draaien. 22. Ogenblikkelijke druk Controle van de gewenste druk op elk moment. 23. Druk stijgtijd De tijd om van nul bar de gewenste druk te bereiken. 24. Druk daaltijd De tijd om van de ogenblikkelijke druk naar nul te gaan. 25. Lage druk alarm Alarm dat afgaat bij een druk lager dan de ingestelde druk. 26.Hoge druk alarm Alarm die afgaat bij een druk hoger dan de ingestelde druk. 28. Valve stop delay Tijd dat de druk nog inwerkt op het garen maar de snelheid vermindert al. 29. Compensator druk De druk die men in de compensator wenst. 30. Spil aan/af De spil operationeel of niet operationeel instellen. 31. Paswoord Is enkel door de constructeur gekend.

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

29


Hieronder wordt het verloop van de druk (p) en de snelheid (v) weergegeven. De belangrijkste parameters zijn hierop ook aangeduid. Bovenstaande lijst geeft een verklaring van de parameters aangeduid op de fig.19)

Figuur 19 - snelheid en drukdiagram (Dynajet Gilbos)

Bespreking van de parameter n°2 : Deze parameter geeft onder de vorm van een getal van 0 t.e.m. 11 de oorzaak van de stilstand weer. De mogelijke oorzaken “Error fouten” van een stilstand zijn de volgende : Error 1: Algemene stop of te lage voedingsdruk Error 2: Lokale stopknop werd ingedrukt Error 3: Jetbox staat open Error 4: Compensator heeft knockoff bereikt Error 5: Aantal doffings per spil bereikt Error 9: Druklimieten overschreden Error 10: Mandrills open Error 11: Totaal aantal doffings bereikt

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

30


GILBOS DYNAJET Instellen parameters staal n° : Parameter n°

Functie

2 3 4 6 7 8 9 10

Error code Gewenste snelheid Ogenblikkelijke snelheid Versnellingstijd Vertragingstijd Lage snelheid alarm Hoge snelheid alarm Spil start vertraging Garenlift vertraging bij start Garenlift vertraging bij stop Gewenste lengte Ogenblikkelijke lengte Aantal doffings per spil gewenst Aantal doffings per spil bereikt Aantal doffings per machine gewenst Aantal doffings per machine bereikt Gewenste druk Ogenblikkelijke druk Druk stijgtijd Druk daaltijd Lage druk alarm Hoge druk alarm Valve stop delay Compensator druk Spil aan/ af Paswoord

12 13 14 15 16 17 18 19 20 22 23 24 25 26 28 29 30 39

Eenheid

M/min M/min 0,1S 0,1S M/min M/min 0,1S 0,1S 0,1S M M

0,1Bar 0,1Bar 0,1S 0,1S 0,1Bar 0,1Bar 0,1S 0,1Bar

Resultaat staal :

Opmerkingen :

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

31


4.2. Gilbos PLS 4.2.1. Inleiding De PLS-machine is ontworpen voor het omspoelen of assembleren van fijne, middelmatige en grove natuurlijke garens enerzijds en synthetische garens anderzijds. Dus we hebben hier een zeer groot toepassingsgebied, vooral voor produkten die aan zeer strikte eisen moeten voldoen. De PLS-spoelmachine is dus uitermate geschikt voor hoogwaardige, technische garens. Deze machine heeft één motor per spil, waardoor men met één machine toelaat verschillende soorten garens tegelijkertijd te verwerken. Standaard is de zesspillige machine uitgerust met een doffer, waardoor de operatorbezetting aanzienlijk daalt en het rendement van de installatie stijgt. De machine heeft een slaglengte van 254 mm. Door het unieke garengeleidingssyssteem is het mogelijk om tot twintig gareneinden terzelfdertijd te assembleren. Het rendement en de produktie van de machine worden geregistreerd door de “windingmaster”, die van elke spil alle produktiedata bijhoudt. Alle spoelparameters worden in deze “winding-master” ingegeven per spil of voor de volledige machine. De kruisingshoek moet gekozen worden in functie van het garentype. Elastische garens vragen een grote kruisingshoek. Voor de minst elastische garens gebruikt men best een groot aantal velden. Zowel de kruisingshoek als het aantal velden zijn zeer gemakkelijk te veranderen. De wikkelverhouding varieert van 1/5 tot 1/9 en het aantal velden van 5 tot 45. 4.2.2. Technische gegevens Welk materiaal kan men spoelen

: zowel natuurlijke als filamentgarens.

Nummers

: meestal tussen de 200 à 5000 tex.

Spoelsnelheid

: staploos aanpasbaar van 250 tot 1200 t/min. Afhankelijk van de oploophoek.

Slaglengte

: 254 mm.

Soorten spoelen

: zowel conische als cilindrische.

Maximale spoeldiameter

: tot 400 mm.

Type van wikkeling

: alle bestaande wikkelingen.

PLC

: Mitsubishi.

Perslucht

: 6 bar nodig voor alle machinefuncties.

Verbruik aan perslucht per doffing

: 3 liter.

Gebruikte hulzen

: aanpasbaar aan alle soorten.

Geluidsgrens

: beneden de 85 dBa.

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

32


4.2.3. User-parameters N°

VERKLARING

1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 10. 11. 12. 13. 14. 15. 16. 17. 18. 19. 20. 21. 22. 23. 24. 25. 26. 27.

Speed (m/min or yard/min.) - Snelheid Set length (m or yard) or diameter (mm or 1/1000 yard) - ingestelde spoellengte Read length (m or yard) - afgelezen spoellengte op ieder moment. Set doffings per spindle or per deck - aantal spoelwissel Read doffings per spindle or per deck - afgelezen spoelwissels op ieder moment Anti-Ribbon OFF time (0,01 s) - anti - spiegelwindingstijd UIT Anti-Ribbon ON time (0,01 s) - anti - spielgelwindingstijd AAN Pulley number - riemschijfnummer Set doffings per machine - gewenste spoelwissels per machine Read doffings per machine - afgelezen spoelwissels op ieder moment Tag-Ending time (0,1 s) Yarnlift delay at stop (0,1 s) - garenliftvertraging bij stop Error code - foutmeldingscode Overfeeder ratio (0,1 %) Yarnclamp delay at startup (0,1 s) - garenliftvertraging bij start Actual speed (m/min or yard/min) - de lopende snelheid Speed reduction point (%) Speed reduction to this value (%) Tension reduction point (m or yard) Yarnlift active time after doffing (0,1 s) - tijd dat de garenlifter werkt na doffing Roller active time after yarnlift (0,1 s) - tijd dat de aandrijfrol blijft draaien na garenlift Spindle activation/desactivation - spil aan of af Yarnclamp delay at stop (0,1 s) Read current winding step - afgelezen stapprecisie Winding (0) or rewinding (1) - (0) = wilde wikkeling - (1) = precisiewikkeling Read current winding angle (0,1 °) - actuele oploophoek Read current number of camstrokes ( /min) - aantal X de draadgeleider heen - en terug gaat per min. Tension with empty package (%) - garenspanning bij lege bobijnhuls Tension with full package (%) - garenspanning bij volle bobijnhuls Tension during doffing (%) - garenspanning tijdens bobijnwissel Current tension (%) - actuele garenspanning Overfeeder speed (m/min or yard/min) Set rewind length (m or yard) - ingestelde lengte garen bij precisiewikkeling Read rewind length (m or yard) - de afgelezen ogenblikkelijke lengte garen

28. 29. 30. 31. 32. 33. 34. 35. 36. 37. 38. 39.

Winding time (s) - spoeltijd Heatset input inactive time (s) Number of yarn breakages - aantal garenbreuken Password - paswoord

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

33


4.2.4. Foutcode verklaring CODE VERKLARING 1. De “generale stop”- knop werd ingedrukt - te lage luchtdruk 2.

Te lage luchtdruk

3.

De “lokale stop”- knop werd ingedrukt, de wikkelwachter werd geaktiveerd, de motorbeveiliging is aktief of de veiligheidsschakelaar ophet magazijn is aktief

4.

De veiligheidsschakelaar op het magazijn is aktief

5.

Het ingesteld aantal doffings per spil werd bereikt

6.

De garenwachter werd geaktiveerd

7.

De fotocel op de heatsetmast die verhindert dat het garen uit de koelzone getrokken wordt, is te lang vrij geweest

8.

De separatiedetektor werd geaktiveerd

9.

De transportband moet leeg en gestopt zijn vooraleer de normale werking kan verder gaan

10.

De schakelaar op de wipperarm werd geaktiveerd

11.

Het ingesteld aantal doffings voor de ganse machine is bijna bereikt

12.

Het magazijn bevat geen lege hulzen meer

13.

De doffingscyclus kan niet vergaan als de transportband draait

14.

De draadgeleider maakt te veel slagen per minuut

15.

Het “externe stop”- signaal werd geaktiveerd

16.

De spil werd uitgeschakeld op het display

17.

De pulsen van de lengtemeting worden niet ontvangen

18.

De hulshouders zijn open

19.

Automatische doffing is uitgeschakeld

20.

Geen automatische start na doffing

21.

Extern controlesignaal niet OK (MAT/TVP/...)

22.

Niprol open

23.

Af te spoelen lengte bereikt

24.

De draadgeleider beweegt niet

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

34


4.2.5. Beschrijving van de machine 4.2.5.1. De overbrengingen

(zie handleiding bijlagen)

Riemschijf A: wordt aangedreven door motor 1. Riemschijf B: wordt via aandrijfriem G gedreven door riemschijf A. Riemschijf C: wordt aangedreven door motor 2. Riemschijf D: wordt via aandrijfriem H gedreven door riemschijf C. Riemschijf D drijft de as van de aandrijfrol aan. Riemschijf E: wordt via aandrijfriem I gedreven door riemschijf D. Riemschijf E drijft de as van de bovenste voedingsrol aan. Riemschijf F: wordt via aandrijfriem J gedreven door riemschijf E. Riemschijf F drijft de as van de onderste voedingsrol aan. 4.2.5.2. De elektrische componenten 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.

Naderingsschakelaar op riemschijf B Naderingsschakelaar + opnemer op kamas Detectieapparaat om de maximale spoeldiameter niet te overschrijden Detectieapparaat Verbindingselementen Pneumatische mat. per spil zes kleppen Elektrische voeding voor de start - en stopknop

4.2.5.3. Elektrische voedingskabels vanuit de PLC-kast a. b. c. d. e.

Een elektrische voeding voor alle elektrische componenten in de linkse kast Een elektrische voeding voor de tachometer Een elektrische voeding voor de persluchtregelaar Twee elektrische voedingen voor motor 1 Een elektrische voeding voor motor 2

4.2.5.4. Perslucht voor de desbetreffende cilinders De aanvoer van perslucht komt vanuit leiding X. De perslucht wordt dan via een flexibele darm uit PA aangeboden aan de ingang van de persluchtregelaar. Vanuit deze persluchtregelaar wordt de perslucht aangeboden aan de pneumatische mat. via een flexibele darm. De pneumatische mat. stuurt de perslucht dan naar de desbetreffende cilinders. Elke cilinder bestuurt via een hefboommechanisme een bepaalde beweging. Cilinder A: verzorgt de beweging van de mechanische afvoerklep. De klep brengt de spoel in de juiste positie om de draad te knippen. Cilinder B: verzorgt de beweging van het mechanische afvoerbakje. Dit bakje zorgt ervoor dat de spoel de machine kan verlaten en eventueel in een bak of een transportband terecht komt. Cilinder C: verzorgt de beweging van het doffingapparaat met de lege hulzen. Cilinder D: verzorgt de beweging van de geleidingsvinger Cilinder E: verzorgt de op- en neergaande beweging van de garenlift Cilinder F: verzorgt de beweging van het knipmes

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

35


4.2.5.5. Overige onderdelen van de machine (zie handleiding bijlagen) 8. 9. 10. 11. 12. 13. 14. 15. 16. 17. 18. 19. 20. 21. 22. 23. 24. 25. 26. 27. 28. 29. 30. 31. 32. 33. 34. 35. 36. 37. 38. 39. 40. 41. 42. 43. 44. 45.

Opening waar de elektrische voeding voor alle elektrische componenten in de linkse kast binnenkomt. Opening waar de elektrische voeding van de garenreiniger doorgaat. Verbindingsstaaf van het doffingapparaat. De garenlift. Geleidingsvinger. Stroomtoevoer. Aanvoer van de perslucht. PLC-kast. Digitale weergave. Druktoetsen. Verluchtingsrooster. Deurknop. Kraan om de perslucht af te sluiten. De knoppen start, stop, huls en doffing. Persluchtregelaar. Aanvoerrollen. Manueel instelbare regeling van de spanning op de spanningsplaatjes. Garenreiniger. Spanningsplaatjes. Geleidingsstukken van het garen. Draadgeleider. Motor (0,75kW 1400 rpm 230/400V 50 Hz). Gladde aandrijfrol. Tachometer. Beweegbare armen. Huls + gewikkelde spoel. Klemmen, die de lege huls vastklemmen. As waarop de aandrijfrol zit. Het garen. Servomotor (0,25 kW). Rek met spoelen. Doffingapparaat met lege hulzen. Manuele instelling van de maximale, toelaatbare spoeldiameter. Knipmes. Geleidingsoog. Punt van meting. Nok, die de kamslagen stuurt. Afvoerbakje.

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

36


5. Praktische oefening 5.1. Ingeven van de verschillende parameters Vooraleer men effectief kan overspoelen moet men eerst enkele parameters ingeven via een diskette van GILBOS in de PC. Aan de hand van de ingegeven parameters worden dus het volgende berekend: • • • •

het aantal stappen van de stapprecisie het aantal velden de min. en max. oploophoek in functie van de min. en max. diameter het aantal windingen.

De in te geven parameters: • • • • • • • • • •

hulsbreedte hulsdiameter diameter bij max. bobijnvulling (naar keuze in te geven) (max. package diameter) min. oploophoek max. oploophoek min. gewenste aantal velden max. gewenste aantal velden afstand tussen twee opeenvolgende garenlopen (yarn spacing) spoelsnelheid (winding speed) spoelen men voor - of naijling (arrows down or up)

Het zoeken naar de geschikte afstand tussen twee opeenvolgende garenlopen dient om een optimale densiteit van de spoel of om een goede opname van het verfvlot te krijgen. Er moet eveneens gezocht worden naar de meest optimale spanning waarmee men de spoel zal wikkelen. Wanneer we een stabiele spoelvorm gevonden hebben, zullen vanuit deze machine instellingen de oploophoek en het aantal velden laten variëren. Al deze instellingen kunnen gebeuren bij drie verschillende afloopafstanden t.t.z. één keer, anderhalve keer en drie keer de diameter van de spoel. Onder de afloopafstand verstaan we de afstand tussen het aflooppunt op de spoel en het geleidingsoog. Dit kan gebeuren voor zowel een wilde, zuivere als stapprecisiewikkeling. Met deze machine kan men spoelen op zowel cilindrische als conische spoelen.

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

37


5.2. Gegevens : Vooraf moet het volgende gekend zijn : 1. Gegevens i.v.m de over te bobijnen grondstof bv. spoelsnelheid : 600 m/min gewicht : 3730 g wikkeling : stapprecisie 2. Gegevens die dienen ingegeven te worden in de computer, waaruit volgens een bepaalde formule, enkel gekend door de Firma gilbos, het aantal stappen berekend wordt in functie van de in te geven parameters . Dus er wordt dus voor iedere stap precies het volgende berekend : • • • • •

Het aantal wikkelingen Het aantal velden De max - en min oploophoek (in °) Het max - en min. aantal camslagen (in …/min) Diameter (mm)

Gegevens in te geven in de computer : Breedte van de huls (Traverse) Diameter van de huls (Tube diameter) Max. opwikkeldiameter (Max. package diameter) Max. aantal camslagen (Max. number of camstrokes) Max. en Min. oploophoek (Max. en Min. winding angle) Max. en Min. aantal velden (Max - en Min. number of fields) Garenverlegging in mm (Yarn spacing) Spoelen met voor - of naijling (Arrows) Spoelsnelheid (winding speed) Opm : i.g.v. bobijnen met een wilde wikkeling Voor het spoelen met een wilde wikkeling is er geen extra programma nodig. Men hoeft enkel de spoelsnelheid en oploophoek in te stellen. Men kiest bv. voor een oploophoek van 17° en spoelsnelheid van 600 t/min.

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

38


5.3. Oefening

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

39


Besluit : thema 3-4 Na het afsluiten v/ dit thema zullen de studenten beter kunnen inschatten hoe belangrijk de voorbereidende bewerkingen v/e weverij zoals o.a. het bobijnen, het airvertengelen van garens enz… wel is. Het zal hen ook doen inzien dat de grondstoffen, daarmee bedoel ik niet enkel de kwaliteit maar ook de titer zal heel belangrijk zijn voor de juiste instellingen van deze machines. Tenslotte zal een goede voorbereiding leiden tot een later hoger rendement van andere productieprocessen zoals scheren of warpen en tenslotte het weven.

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

40


LES 5 THEMA 5 : ALGEMENE WEEFKUNDE 1. Inleiding In het thema algemene weefkunde maken de studenten voor de 1°keer kennis met de opbouw en algemene werking van een weefmachine. Hierbij aansluitend wordt hen aangeleerd hoe ketting –en inslagdraadbreuken te herstellen. Dit gebeurt natuurlijk door gebruik te maken van wevers- en aanspanknopen. Als laatste worden ook de voornaamste toetsen zoals noodstop, handstop, starttoets, traagloop voor – en achteruit, schotzoeken en daarbij horende functies ervan uitgelegd. Het leren weven gebeurt ook op verschillende machinetypes. 2. Inhoud 1.1. Doel van het weven Het vervaardigen van weefsel van allerlei aard nl. plat weefsel, meubelstof, gordijnstof, dubbelstuk tapijt, dubbelstuk fluweel, tafellaken enz … 1.2. Hoe ontstaat een weefsel? ° de oude weeftechniek ° de hedendaagse weeftechniek 1.3. De weefcyclus ° Bespreking van de zogenaamde primaire bewegingen v/e weefcyclus. 1.4. Functiebeschrijving van de meest noodzakelijke onderdelen van een weefmachine ° Kettingboom ° Tasterrol en/of strijkboombuis ° Kettingwachter en eventueel schrankroeden ° Schachten - hevels ° Lade ° Riet ° Inslaginbreng ° Breedtehouders (tempels) ° Borstboom ° Zandboom ° Anti-plooi baren ° Doekrol 1.5. Doorsnede van een weefmachine. ° Doorsnede tekenen. 3. Praktische oefening ° Maken van wevers – en aanspanknopen ° Machine werking / demonstraties ° Weefoefeningen 4. Bespreking van de ingediende rapporten Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

41


ALGEMENE WEEFKUNDE 1. Doel Het vervaardigen van weefsels van allerlei aard nl. ° plat weefsel ° gordijnstof ° meubelstof ° tafellaken

° denim ° badstoffen ° dubbelstuk tapijt ° bandjesweefsel enz…

2. Hoe ontstaat een weefsel? 2.1. Oude weefmethode

(Fig.22)

Een weefsel bestaat uit 2 stelsels draden nl. de ketting en inslag die elkaar kruisen op een bepaalde manier. De inslag gaat volgens een bindingsplan boven of onder de opeenvolgende kettingdraden gevlochten worden. De ketting is georiënteerd in de lengtezin van het weefsel, de inslag in de breedtezin. De afzonderlijke draden worden naargelang hun oriëntatie ketting of inslagdraden genoemd. Na het vlechten wordt de inslag tegen de aldus gevormde weefselvormingsrand gedrukt. Deze weeftechniek wordt gezien de geringe productie praktisch niet meer aangewend. 2.2. Hedendaagse weefmethode (Fig.23) Door nu echter omgekeerd te werk te gaan komt men tot het hedendaagse weven. Door de ketting in 2 lagen te splitsen nl. een boven - en onderlaag, volgens een bepaalde binding, kan de inslag met een slag of schot tussen de lagen en tegen het weefsel gedrukt worden. Dit weefproces kan continu verlopen, mits het weefsel op een doekrol te winden en de ketting van een ketting of garenboom te laten afwinden. Op deze manier bekomt men hetzelfde resultaat als bij het vlechtwerk, doch met een veel grotere regelmaat en productie. Deze weeftechniek - cyclus wordt tegenwoordig herhaald aan zeer hoge snelheden in vergelijking met de vroegere zogenaamde schietspoelweefmachines. De produktiesnelheid primeert soms boven de kwaliteit. Vroeger was de kwaliteit zeer hoog, de weefsels werden mooi afgebonden door de schietspoel die met de inslag heen - en weer vloog.

Figuur 20 - oude weefmethode Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Figuur 21 – hedendaagse weefmethode Product engineering weven 1 – oefeningen

42


3. De weefcyclus De zogenaamde primaire bewegingen dewelke omvat zitten in een weefcyclus zijn de volgende: 1. De gaapvorming 2. De inslaginbreng 3. Het aandrukken v/d inslag 4. Het opwinden v/h weefsel en het afwinden van de ketting 3.1. De gaapvorming Het splitsen van de ketting in 2 lagen volgens een bepaalde binding gebeurt door iedere draad afzonderlijk door te halen in de hevels van de schachten. Een groep hevels voor het vormen van de bovenlaag en groep hevels voor het vormen van de onderlaag. 3.2. De inslaginbreng Het inbrengen van een inslag in de aldus gevormde gaap kan op verschillende manieren gebeuren nl. d.m.v. een schietspoel (vroeger), grijpers, projectiel, lucht - en/of waterstraal. Dus afhankelijk van het type inslaginbreng gebeurt het als volgt: 3.2.1. Schietspoel Hier vliegt de schietspoel voorzien van een spoel inslaggaren v/d linker schietspoelbak naar de rechter schietspoelbak en omgekeerd. Dit gebeurt door een speciale inrichting, de “jacht” genaamd. De jacht wordt gegeven door slagarmen, “sjabels” genaamd aangedreven door jachtexcentrieken. 3.2.2. Grijpers of lansen De inslaginbreng gebeurt hier d.m.v een flexibele grijper of starre lans (aangever) dewelke de inslag overgeeft in het midden van de ladebaan d.m.v. puntovergave of lusovergave. Waarna de meeneemgrijper of lans de inslag overbrengt tot de andere kant van de gaap. 3.2.3. Projectiel De projectiel voorzien van een inslag wordt door een slagstukmechanisme van de afschietzijde naar de opvangzijde afgeschoten. Waarna de projectielklem de inslag loslaat en deze door het riet tegen de weefselvormingsrand (WVR) wordt aangeslaan. Het volgend projectiel presenteert zich voor het slagstuk waardoor de cyclus kan herbeginnen. 3.2.4. Lucht - en/of waterstraal Hier wordt de inslag komend van een voorafwinder via een vaste - en beweegbare hoofdblazer in estafette vorm doorgegeven aan de bijblazers tot de strekblazer aan het andere uiteinde van de gaap. Hierna wordt de inslag aangeslaan door het riet en de cyclus kan herbeginnen. 3.3. Het aandrukken van de inslag Dit gebeurt door het riet waar de kettingdraden volgens een bepaalde wijze zijn doorgehaald. Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

43


3.4. Het opwinden van de doekrol en het afwinden van de kettingboom Het gevormde weefsel wordt via een trekrol op een doekrol opgewonden. Het afwinden van de ketting staat in verbinding met de doekopwinding en gebeurt op het ogenblik van rietaanslag. Voor iedere inslaginbreng wordt eenzelfde hoeveelheid ketting afgelaten en eenzelfde hoeveelheid opgewonden. Teneinde deze weefcyclus met een gewenste regelmaat en snelheid uit te voeren zijn er verschillende inrichtingen op een weefmachine aangebracht zoals een elektrische ketting – wachter, een elektronische inslagwachter enz… Ook wordt de veiligheid verzekerd door een handstop of in noodgevallen een noodstop, dewelke de machine onmiddellijk uitschakeld. 4. Doorsnede en beschrijving van de voornaamste onderdelen van een weefmachine 4.1. Doorsnede en onderdelenlijst

Figuur 21 - Onderdelen weefmachine (persoonlijke schets) Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

44


4.2. Beschrijving van de voornaamste onderdelen ° Kettingboom (1 en 2 ) : Bestaat uit een boombuis en 2 boomschijven waarop en waartussen het kettinggaren is opgewonden. Een automatische afwindinrichting zorgt ervoor dat de kettingdraden onder een gelijke spanning tijdens het weven afgewonden worden. ° Tasterrol en/of strijkboombuis (3) : Het garen komende van de kettingboom wordt afgetast door een sleper/ en of tasterrol dewelke het garen in een horizontaal vlak op juist regelbare hoogte naar de kettingwachters leidt. ° Kettingwachter en eventueel schrankroeden (5 en 5’) : Bevinden zich tussen de sleper en de schachten. Er bestaan 2 soorten kettingwachters, de mechanisch en de elektrische, dewelke de machine bij kettingdraadbreuk stilleggen. De kettingdraden worden elk afzonderlijk doorgehaald door de lamellen dewelke op de kettingwachters bevestigd zijn. De schrankroeden als deze op de machine bevestigd zijn zorgen voor een goede locatie van de draden en geleiding naar de schachten toe. In het geval van gepapte draden kunnen schrankroeden zeer nuttig zijn voor de scheiding ervan. ° Schachten en hevels (6 en 7) : De kettingdraden worden vervolgens doorgehaald door de hevels dewelke op de schachten bevestigd zijn. De doorhaling van de draden door de hevels kan opeenvolgend, onderbroken of terugkerend gebeuren. De kettingdraden worden in twee stelsels schachten doorgehaald zodat een een boven - en onderlaag van de ketting wordt gevormd. ° Gaap (8) : Het splitsen van de kettingdraden volgens een bepaalde binding (afhankelijk van de doorhaal) in een boven en onderlaag geeft dus als gevolg vorming van een gaap. ° Inslaginbreng : Bij zuivere gaap wordt de inslag ingebracht over de ladebaan (11) d.m.v. een schietspoel, grijper, projectiel, lucht of waterstraal (17). ° Riet (10) - ladebaan (11) - opperlade (9) : De draden worden vervolgens door het riet (10) doorgehaald, dewelke op de lade bevestigd is. Op de oudere machines stond het riet opgesteld tussen de ladebaan en de opperlade.

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

45


Doel van het riet : Het riet waarin de draden 1, 2 of meer maal zijn doorgehaald per riettand heeft het volgende als functie : -

bepalen van de juiste doorhaalbreedte bepalen van de juiste kettingdichtheid schietspoel, grijper te geleiden tijdens de inslaginbreng inslag tegen de WVR aan te drukken

° Breedtehouders of tempels : - zijn nodig voor het weven van een goede zelfkant - houden het weefsel op de juiste breedte tijdens het weven ° Borstboom (13) : Het gevormde weefsel wordt verder op breedte gehouden door de borstboom vanwaar het weefsel verticaal naar de zandboom loopt. ° Trekrol (14) (emerierol - ruwe rol - zandboom) De trekrol (14) wordt aangedreven door een regulator zodat de gewenste snelheid aan de trekrol wordt gegeven voor het bekomen van de gevraagde inslagdichtheid. De trekrol trekt het weefsel vooruit naar de doekrol. ° Leirol (15) en doekrol (16) : Van de trekrol loopt het weefsel eventueel over een leirol(len) naar de doekrol. Zodanig dat het weefsel op volle breedte kan op de doekrol gewikkeld worden. Besluit : thema 5 Nu dat de studenten de technologische basis hebben gekregen van de opbouw van een weefmachine zal men in de volgende thema’s één voor één dieper de hoofdbewegingen v/e “plat” weefmachine kunnen volgen en begrijpen. Zeker nadat men de basishandelingen zoals aanleggen v/e “plat” weefmachine, herstellen v/ ketting – en inslagdraadbreuken, bedraden v/ verschillende soorten voorafwikkelaars, opvragen van basismenu’s in de terminal v/d weefmachine, het afsluiten v/e weefmachine praktisch aangeleerd kreeg.

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

46


LES 6 THEMA 6 : DE KETTINGAFLAAT EN GAAPGEOMETRIE DEEL 1: DE KETTINGAFLAAT 1. Inleiding In dit thema leren de studenten de opbouw en werking v/e kettingaflaat op een weefmachine inzien. Ook het leren herkennen v/ verschillende kettingaflaat systemen maakt hier deel van uit. Aansluitend hierbij worden ook de microprocessor parameters voor de kettingaflaat uitgelegd en ingeoefend. (zie bijlage 1 pg. 70 t.e.m. pg. 78) (zie ook bijlage 2 pg. 96 t.e.m. 145) 2. Inhoud 1.1. Vereisten v/h volautomatisch afwinden 1.2. Grondprincipe - doel van een automatische kettingaflaat De snelheid van afwinden van de kettingaflaat is functie van het volgende : • De kettingboomdiameter • De opgemeten kettingspanning 1.3. Vergelijking asynchrone motor - servomotor • De voordelen van een servomotor t.o.v een asynchrone motor 1.4. De sleep 1.4.1. De opbouw • Sleep met 1 strijkboombuis • Sleep met 2 buizen • Sleep met 2 buizen en spanrol 1.4.2. Doel 1.4.3. Sleepinstellingen 1.4.3.1. Hoogtestand van de sleepsteun 1.4.3.1.1. Sleepsteun op zelfde hoogt als weefselsupport • Toepassing • Figuur 1.4.3.1.2. Sleepsteun licht assymmetrisch opgesteld • Toepassing • Figuur Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

47


1.4.3.1.3. Sleepsteun sterk assymmetrisch opgesteld t.o.v. de weefselsupport • Toepassing • Figuur

1.4.3.1.4. De weefselsteun staat assymmetrisch opgesteld voor fantasieweefsels • Toepassing • Figuur 1.4.3.2. Dieptestand van de sleepsteun 1.4.3.2.1. Korte lengte van de achtergaap • Toepassing 1.4.3.2.2. Middelmatige lengte van de achtergaap • Toepassing 1.4.3.2.3. Sleepsteun met extra lange achtergaap • Toepassing 1.5. De soorten kettingaflaten 1.6. Werking van een kettingaflaat 1.6.1. De kontinu kettingaflaat met lineaire PX 1.6.2. De kontinu kettingaflaat met kettingspanningssensor op de tasterrol (TSF) – Sleeptype BLI 1.6.3. De kontinu kettingaflaat met kettingspanningssensor bevestigd onder de tasterrol (TSF) – Sleeptype BLF 1.6.4. De Ketting (samenvatting – belangrijke punten microprocessor instellingen) 1.6.4.1. Krachtsensor in de tasterrol (buiten de kettingdraden) (TSF) 1.6.4.2. De kettingaflaat met krachtsensor in de kettingdraden (TSW) 1.7. Electronic Warp Let-off Motion (EWL) – Dornier Type H/HS 1.7.1. Figuur 1.7.2. Werking Bijlage 1 : Picanol OMNIplus – signalen filteren v/d kettingspanningssensor Dornier type H/HS – Electronic Warp Let-off (EWL)

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

48


DEEL 2: DE GAAPGEOMETRIE 1. Inleiding Hier wordt aan de studenten duidelijk gemaakt hoe men een gaapgeometrie moet instellen en controleren. Dit gebeurd uiteraard in functie van de gebruikte grondstofkwaliteit. Afhankelijk v/d opgenomen waarden dient men dus de juiste gaaphoogte, grootte, spronghoek en weefraamkoers vast te stellen, dit gebeurt met behulp v/d tabellen aanwezig i/d handleiding. 2. Inhoud 1.1. Instelling en controle van de gaapgeometrie 1.1.1. Montage instellingen dobby 1.2. Instellingen en controle van de symmetrielijn 1.3. Instelling en controle van de spronghoek 1.4. Instelling en controle van de weefraamkoers in functie van de spronghoek 3. Oefeningen 2.1. Microprocessorinstellingen 2.1.1. Picanol GTX • Code 25 : instellingen kettingaflaat en tasterrolpositie 2.1.2. Picanol OMNI • Instellingen van de kettingaflaat : Hoofdgroep .1 en .2 2.1.3. Picanol GAMMA • Instellingen van de kettingaflaat : Hoofdgroep .1 en .2 2.1.4. Picanol OMNIplus • Instellingen van de kettingaflaat : Hoofdgroep .1 en .2

2.2. Instelling van een lineaire PX op een kontinu kettingaflaat 2.3. Instelling en controle van de gaapgeometrie in functie van de te vervaardigen kwaliteit en dit voor diverse weefmachines

4. Bespreking van de ingediende rapporten

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

49


DE KETTINGAFLAAT

1. Vereisten Tijdens het opbomen na het scheren of warpen is het zeer belangrijk dat alle kettingdraden onder een gelijke spanning opgewonden worden, zodat men later tijdens het weven geen individueel slappe of te hoog gespannen draden verkrijgt. Vandaar dat tijdens het weven het volautomatisch afwinden, hetzij mechanisch (oudere systemen) als elektronisch, moet voldoen aan de volgende vereisten : • Van volle tot lege kettingboom moet de ketting met dezelfde hoeveelheid en gelijke spanning afgewonden worden. • Tijdens het afwinden mogen er geen spanningspieken optreden (fig. 1) • De kettingspanning moet regelbaar zijn spanning

ideaal

spanningsverloop Figuur 22 - Spanningsverloop (persoonlijke schets)

2. Grondprincipe van een automatische kettingaflaat • Naarmate de kettingboomdiameter vermindert zal de omtreksnelheid van de kettingboom groter worden. Dit om voor elke opeenvolgende scheut eenzelfde kettinglengte af te winden. Terzelfdertijd gebeurt de doekopwikkeling voor eenzelfde hoeveelheid. • Tijdens het weven streeft men naar een constante spanning van de afgewonden kettting, d.w.z. dat bij : - te hoge kettingspanning : kettingaflaat stijgt - te lage kettingspanning : kettingaflaat daalt Het aftasten v/d kettingspanning gebeurt door sleper en/of aftastrol (zie pt. 4.1.) Hieruit kan men dus besluiten dat de snelheid van de kettingaflaatmotor, dus ook de snelheid van de kettingaflaat, per toer van de machine wordt aangepast. Het principe om een asynchrone motor te sturen d.m.v een frequentieomvormer wordt verlaten ten voordele van een servomotor. (voor een enkele boom). Bij het weven met dubbele bomen maakt men nu gebruik van 2 kettingaflaten met 2 motoren. Hierdoor zijn de aanzetprocedures juister uit te voeren. De wrijving tussen de differentieeltandwielen, welke de beweging van beide bomen onbetrouwbaar maakt, is op die manier uitgeschakeld. Omwille van dezelfde reden kan men voor gevoelige artikels zoals voeringstoffen in acetaat weefstrepen vermijden.

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

50


3. Vergelijking asynchrone motor - servomotor De nadelen van een asynchrone motor t.o.v een servomotor zijn de volgende : • Een koppel leveren bij machinestilstand is nodig om de kettingdraden onder spanning te houden. Welnu, een asynchrone motor kan geen koppel leveren als hij stilstaat. . • Daarvoor moet een reductor met zelfremmend worm-wormwielpaar gemaakt worden. Zo een reductor is niet goedkoop. • Daarenboven is dit energetisch niet interessant, gezien de motor tijdens de normale werking (weven) steeds energie moet leveren om de kettingboom te laten draaien. Deze nadelen zijn niet aanwezig i.g.v. een servomotor. Nog andere voordelen van servomotor : • Een servomotor heeft dus geen worm-wormwielpaar nodig (zie hierboven). • Heeft een veel groter regelbereik (30 tot 2400 toeren per minuut) t.o.v. een frequentiegestuurde asynchrone motor (150 tot 3000 toeren per minuut) zodat de schotdichtheidsrange die met een bepaalde reductieverhouding kan gehaald worden veel groter is. Het gebruik van wisselwielen voor de reductor kan dus beperkt gehouden worden. • Is beter geschikt om aanzetstrepen te vermijden : - De manier waarop bij het starten (stoppen) van de weefmachine zijn gewenst toerental bereikt is, valt te regelen. - Aanzetstreepprocedures zijn juister uit te voeren : een servomotor zal exact doen wat gevraagd wordt (positiesturing).

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

51


4. De sleep 4.1. Opbouw De sleep is de steun waarin het volgende aanwezig is, ofwel : - 1 strijkboombuis (sleper = verouderde benaming) (Fig.26.) Toep : lichte of normale weefsels

Figuur 23 – Sleperopbouw lichte weefsels ( Handleiding Picanol GTX)

- 2 buizen : 1 strijkboombuis en 1 tasterrol Toep : halfzware tot zware weefsels

Figuur 24 - Sleperopbouw halfzware en zware weefsels (Handleiding Picanol GTX)

- 2 buizen met spanrol : 1 strijkboombuis, 1 tasterrol en spanrol Toep : enkel zeer zware weefsels

Figuur 25 – Sleperopbouw zeer zware weefsels (HandleidingPicanol GTX) Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent Product engineering weven 1 – oefeningen

52


4.2. Doel Zoals beschreven in pt. 2. Pg 1. worden de variaties in kettingspanningen opgevangen door één van de drie systemen beschreven in pt 4.1. met hierbij ook nog veren of schokdempers genaamd. Opm : • Buiten de klassieke manier om spanningsvariaties te compenseren via veren is er ook de “easing motion”. Hier wordt de tasterrol aangedreven en zo heen en weer bewogen. Het is duidelijk dat de energie voor de beweging van de tasterrol hier niet vanuit de kettingdraden moet komen wat een gunstig effect op de hoeveelheid kettingstops kan hebben. • Een “easing motion” aandrijving is echter niet goedkoop en is niet geschikt voor onregelmatige kaderbindingen en allezins niet voor een machine met Jacquard. • Daarenboven wordt dit niet gebruikt bij het verweven van elastische draden (filament).

4.3. Sleepinstellingen Theoretisch wordt de sleepsteun op dezelfde hoogte geplaatst als de weefselsupport. Het regelen van de sleepsteun kan gebeuren zowel in de hoogte als in de diepte. Dit is afhankelijk van verschillende factoren zoal : dichtheid en uitzicht v/h weefsel, draadbreuken en elasticiteit v/d kettingdraden. Hierbij is het zo dat met de stand van de sleep de achtergaap wordt geregeld. 4.3.1. Hoogtestand van de sleepsteun 4.3.1.1. Sleepsteun op zelfde hoogte als weefselsupport Hier bekomt men een symmetrische gaap, d.w.z. dat de spanning van de onder - en bovenlaag hetzelfde is. De sleephoogte wordt op de bovenkant van de bovenste spie afgelezen en wordt hier op “0” van de gradatielat geplaatst wat overeenstemt met een symmetrische gaap. Toepassing :

- lichte artikels (bv. voile) : 5,5 - 18 sch/cm - gaasweefsels : 3 - 14 sch/cm 0-lijn

Referentielijn (wfl)

Weefselsupport (ws)

Tasterrol

Figuur 26 - Sleepsteun hoogte gelijk (Persoonlijke schets)

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

53


4.3.1.2. Sleepsteun licht assymmetrisch opgesteld De sleepsteun wordt hierbij ± 2 cm hoger opgesteld t.o.v. de hoogte van de weefselsupport. Hierdoor wordt de ondergaap meer gespannen dan de bovengaap. Het resultaat hiervan is dat het weefsel meer gesloten is, het bevat dus meer sch/cm. De aanzetstrepen zijn hierdoor minder zichtbaar. Toepassing : - alle normale denim weefsels : 18 - 25 sch/cm - halfzware weefsels : 22 - 35 sch/cm Opgelet : deze stand enkel gebruiken als men met schachten weeft nooit met Jacquard.

Figuur 27 - Sleepsteun hoogte ongelijk (Persoonlijke schets)

4.3.1.3. Sleepsteun sterk assymmetrisch opgesteld t.o.v. de weefselsupport Hier staat de sleepsteun ± 5 cm hoger opgesteld t.o.v. de hoogte van de weefselsupport. Dus de ondergaap wordt hierdoor zeer sterk gespannen, terwijl de bovenlaag zeer slap komt te liggen. Het resultaat hiervan is dat bij rietaanslag de scheuten over elkaar schuiven, zodat zeer hoge dichtheden kunnen geweven worden. Toepassing : - zware weefsels zoals : airbag weefsel, zeildoek, popeline : 30 - 50 sch/cm - zeer zware denim : 25 - 35 sch/cm

Figuur 28 - Sleepsteunhoogte ongelijk zware weefsels (Persoonlijke schets)

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

54


4.3.1.4. De weefselsteun staat assymmetrisch opgesteld voor fantasieweefsels De weefselsteun staat hier ± 2 cm onder de “0” - lijn opgesteld. Hierbij is de bovenlaag meer gespannen dan de onderlaag. Deze stand wordt voornamelijk gebruikt bij het Jacquardweven. De terugtrek van de hevels wordt erdoor ontlast. Toepassing : - damastweefsel, gordijnstof, meubelstof - Weefsels met zeer onregelmatige bindingen, met zeer veel ketting - en inslageffecten.

Figuur 29 - Sleepsteun hoogte fantasieweefsel (Persoonlijke schets)

4.3.2. Dieptestand van de sleepsteun Door het instellen van de diepte van de sleep gaat men de lengte van de achtergaap vastleggen. Het is zo dat de dieptestand van de sleepsteun wordt bepaald door de elasticiteit van de kettingdraden. Voor delicate kettingdraden wordt de sleep zo ver mogelijk van de kammen geplaatst, dit om de openingshoek van de sprong te verminderen en aldus de verlenging van de draden zo gering mogelijk te maken. 4.3.2.1. Korte lengte van de achtergaap Dit betekent dat een hoge kettingspanning kan bekomen worden omdat de te spannen garenlengte korter is. Dus hier wordt de sleepsteun zo’ dicht mogelijk bij de kammen geplaatst om zo een kleinere verplaatsing van het weefsel te bekomen tijdens de rietaanslag. De kettingdraden hebben minder de tijd om zich terug aan elkaar vast te hechten. Toepassing : - Voor zwaar weefsel van allerlei garensoorten. Dus wanneer een hoge kettingdichtheid vereist wordt. Wordt veel gebruikt voor het verweven van vezelige, slecht delende kettingdraden, d.w.z. bv. gepapte kettingdraden die gemakkelijk kleven.

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

55


4.3.2.2. Middelmatige lengte van de achtergaap Bij deze instelling wordt de belasting op de kettingdraden over een langere lengte verdeeld. Wanneer verschillende bindingen met lange en korte vlotters in eenzelfde weefsel aanwezig zijn kunnen alzo de spanningen tussen de kettingdraden beter gecompenseerd worden. Toepassing : - voor lichte tot middelzware weefsels - kettingdraden met weinig tors, dus minder sterk kettinggaren - weefsels met veel ongelijke bindingen nl. met veel lange en korte vlotters 4.3.2.3. Sleepsteun met extra lange achtergaap Door het instellen van de sleep zo ver mogelijk van de kammen gaat men de spanningsverschillen van de kettingdraden door het verschil in bindingen zoveel mogelijk compenseren. De terugtrek van de arkadedraden wordt hierdoor gespaard. Toepassing : - Weefsels met zeer veel lange vlotters (gordijnstoffen) - Weefsels vervaardigd met zeer zwak kettinggaren - Weefsels met niet elastisch kettinggaren (bv vlas)

GabriÍl Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

56


5. De soorten kettingaflaten • De ON/OFF kettingaflaat • De continu kettingaflaat met lineaire PX (aanwezig op Picanol GTX) • De continu kettingaflaat met kettingspanningsensor op de tasterrol (TSF) aanwezig op Picanol OMNI) • De continu kettingaflaat bij QSC met kettingspanningsensor in de tasterrol • De continu kettingaflaat met kettingspanningsensor in de kettingdraden • De continu kettingaflaat met kettingspanningsensor in de kettingdraden i.g.v. QSC • De kettingaflaat met krachtsensor in de kettingdraden (TSW) • BLF - sleep met kettingspanningsensor bevestigd op de tasterrolsteun (TSF) en van de veer (aanwezig op Picanol GAMMA) 5. Werking van een kettingaflaat 5.1. De continu kettingaflaat met lineaire PX

Motor Tandwiel op ket.boom

1/1 – middelmatige inslagdichtheden 0,7/1 2/1 – lage dichtheden 1,4/1 ½ - hoge dichtheden

1-gangige worm Figuur 30 - Continu kettingaflaat (Handleiding Picanol GTX)

Hier wordt de afwinding bevolen door een afzonderlijke motor met regelbare snelheid. Deze motor krijgt een signaal in Volt (V) van een lineaire PX. Een andere Pxbev. zegt wanneer de kettingaflaat moet starten en stoppen. De motor drijft de kettingaflaat aan via een reductiesysteem met een bepaalde tandwielverhouding wat overeenkomt met een bepaalde aflaatwaarde. Deze aflaatwaarde is afhankelijk van de volgende factoren nl : - machinesnelheid (467 tpm) met netfrequentie : 50 Hz - kettingboomdiameter (805mm) en schotdichtheid : 18 sch/cm - Krimp : 8 % Aflaatwaarde X

= schot/cm : 1 + % krimp = 18 : 1 + 0,08 = 16,7

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

57


De tandwielverhouding kan afgeleid worden uit de aflaatwaarde en de machinesnelheid d.m.v een grafiek en een tabel met overbrengingsverhoudingen. Grafiek :

Tabel :

Figuur 31 - Grafiek aflaatverloop (Handleiding Picanol GTX)

De continu kettingaflaat moet er dus voor zorgen dat tijdens het weven de kettingboom continu afwikkelt met een zo gelijk mogelijke spanning. Dit wordt verwezenlijkt door de gemiddelde tasterrolpositie constant op dezelfde plaats te houden. Hiervoor wordt een lineaire nabijheidschakelaar gebruikt. Op de sleep is een dempingstuk gemonteerd dat samenwerkt met de lin. PX De uitgangsspanning van de lin. PX Is rechtevenredig met de afstand tussen de lin. PX en zijn dempingstuk. Bv. een grotere kettingspanning resulteert in een kleinere afstand tussen de lin. PX en zijn dempingstuk. Dit heeft dus een grotere uitgangsspanning, die dan tenslotte de motorsnelheid verhoogd. Bij een lagere kettingspanning gebeurt de actie omgekeerd. Samengevat : - verkleint de afstand tussen de lin. PX en het dempingsstuk ---> snelheid kettingaflaatmotor stijgt. - vergroot de afstand tussen de lin. PX en het dempingsstuk ---> snelheid kettingaflaatmotor daalt. De lin. Px (gele stuk) levert dus een signaal af in Volt (V), in de orde 0-10 V. De grootte is afhankelijk van de afstand tussen de PX en het dempingstuk. Dit signaal wordt omgezet in een digitaal signaal door een ADC (Analoog Digitaal Converter). Dit signaal wordt door de microprocessor vergeleken met de gewenste waarde indien er een verschil is, wordt er een signaal naar de frequentieomvormer gestuurd die de snelheid van de motor aanpast.

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

58


De beveiliging van een continu kettingaflaat met lineaire PX De Pxbev. : moet steeds gedempt blijven wanneer de kettingboom op spanning is. Wordt de PX ontdempt, dan stopt de machine met de melding “spanning te hoog of te laag” afhankelijk van de stand van de strijkrol of sleper. Samengevat: - Wanneer de LED van de PX niet gedempt (LED brandt) is kan de machine draaien. - Wanneer de LED van de PX gedempt (LED brandt niet) is kan de machine niet draaien. Bimetaal in motor : een te hoge motortemperatuur wordt eveneens op het beeldscherm aangeduid en de machine stopt. Lineaire PX - Dempingstuk - Pxbev.

Freem

58 mm

Schokdemper

Schokdemper

zwarte Px.beveiliging

Tasterrol 1

Figuur 33 - linaire PX (persoonlijke schets )

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

59


5.2. De continu kettingaflaat met kettingspanningsensor op de tasterrol (TSF) Sleeptype BLI

Figuur 32 - kettingaflaat spanningssensor op tasterrol (Handleiding Picanol Omni)

Figuur 33 - kettingaflaat (Handleiding Picanol Gamma)

Werking : De kettingaflaatmotor wordt gestuurd door een krachtsensor die in de linkersteun van de tasterrol gemonteerd is (gezien vanuit weverszijde). De snelheid van de kettingaflaatmotor wordt bepaald door : • enerzijds een krachtsensor die continu de werkelijke kettingspanning meet en vergelijkt met de opgegeven spanning in de microprocessor; • en anderzijds door de opgegeven kettingboomdiameter (805 , 1000 en/ of 1100 diameter). Bij iedere omwenteling van de lade wordt de gemiddelde spanning berekend en doorgegeven om de kettingaflaatmotor te sturen. Op die manier wordt een constant gemiddelde kettingspanning behouden. Opm : Het bepalen van aflaatwaarde “X” en de tandwielverhouding gebeurt op dezelfde manier als in pt. 6.1.

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

60


Hoe meet de krachtsensor de werkelijke kettingspanning? Vooraf : Voor dat een krachtsensor de juiste kettingspanning kan meten, moet de krachtsensor geijkt worden. De nulafstelling (ijken) van de kettingspanningsensor dient te gebeuren in volgende gevallen: • Bij kettingboomwissel • Bij positieverandering van de sleepsteun Het ijken mag maar gebeuren wanneer de kettingspanning volledig los is, of wanneer nog geen kettingdraden op de tasterrol liggen. Zodanig dat deze positie van de tasterrol kan beschouwd worden als “nulpositie” m.a.w. nulafstelling. Dus een te hoge ogenblikkelijke kettingspanning zal dus de hoek “α” wijzigen, deze gemeten waarde wordt dan vergeleken met de opgegeven waarde in de microprocessor. Bij iedere omwenteling van de lade wordt de gemiddelde spanning berekend (in functie v/d wijziging van de hoek) en wordt doorgegeven om de kettingaflaatmotor (LO - motor) te sturen. Op die manier wordt een constant gemiddelde kettingspanning behouden. Dus bij een te hoge kettingspanning zal de snelheid van de kettingaflaat verhogen. Hoe weet men welke waarde men dient in te geven in microprocessor?

Microprocessorinstellingen : Het is zeer belangrijk om de juiste waarden voor de sleepgeometrie en de doorhaalbreedte op pg.310 in de microprocessor in te vullen, zodat het verschil tussen de kettingspanning en drukkracht op de tasterrol opgevangen wordt. Handleiding microprocessor Picanol OMNI (idem Picanol GAMMA) Handleiding microprocessor Picanol OMNI (idem Picanol GAMMA) 5.3. De continu kettingaflaat met kettingspanningsensor op de tasterrolsteun (TSF) – sleeptype BLF

Figuur 34 - Kettingaflaat spanningssensor op tasterrol (Handleiding Picanol Gamma)

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

61


Picanol GAMMA instelhandboek links : strijkrol “j” in laagste stand ---> positie 1 rechts : strijkrol “j” in hoogste stand ---> positie 2

Figuur 35 - Strijkrol instelling (Handleiding Picanol Gamma)

Uit de figuur links blijkt dat met de strijkrol in positie 1 de hoek “α” groter is, zodat de kettingspanning nauwkeuriger kan gemeten worden. De strijkrol in positie 2 wordt gebruikt voor zwaardere weefsels. De beweging van de tasterrol (Handleiding Picanol GAMMA Pg. 8b.10-8b.11). Werking : De krachtsensor meet de kracht, die de kettingdraden uitoefenen op de tasterrol. Bij de sleep met 2 rollen wijzigt de krachtverhouding van de kettingdraden wanneer de hoek “α” gewijzigd wordt. De hoek “α” is bepaald door het verschil in hoogte en afstand tussen de tasterrol en de strijkboombuis. Het ijken mag maar gebeuren wanneer de kettingspanning volledig los is, of wanneer nog geen kettingdraden op de tasterrol liggen. Zodanig dat deze positie van de tasterrol kan beschouwd worden als “nulpositie” m.a.w. nulafstelling. Dus een te hoge ogenblikkelijke kettingspanning zal dus de hoek “α” wijzigen, deze gemeten waarde wordt dan vergeleken met de opgegeven waarde in de microprocessor. Bij iedere omwenteling van de lade wordt de gemiddelde spanning berekend (in functie v/d wijziging van de hoek  ) en wordt doorgegeven om de kettingaflaatmotor (LO - motor) te sturen. Op die manier wordt een constant gemiddelde kettingspanning behouden. Dus bij een te hoge kettingspanning zal de snelheid van de kettingaflaat verhogen. 5.4. De ketting (samenvatting – belangrijke punten instelling microprocessor) 5.4.1. Krachtsensor in de tasterrol (buiten de kettingdraden) (TSF) De krachtsensor meet de kracht die de kettingdraden uitoefenen op de tasterrol. In geval van 1 enkele tasterrol wijzigt de krachtverhouding v/d kettingdraden naarmate de kettingboomdiameter vermindert. In geval v/e sleep met 2 rollen (een strijkboombuis en tasterrol) wijzigt de krachtverhouding v/d kettingdraden wanneer de hoek “α” gewijzigd wordt. De hoek “α” is bepaald door het verschil in hoogte en afstand tussen de tasterrol en de strijkboombuis.

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

62


Microprocessor instellingen • .1 : Instellen van de gewenste kettingspanning : Vooraf : bepalen v/d trekkracht/draad : dit kan gebeuren in het labo d.m.v. een dynamometer of m.b.v. een krachtsensor type TSW. Bv. 30 gr/draad (= 30 cN/draad) x 5000 draden op de kettingboom = 150.000 cN of 1.50 KN ---> dit bedrag wordt vervolgens ingegeven in de microprocessor. Ingeven v/d filterwaarde en type : Dient om de signalen afkomstig v/d sensor te filteren, teneinde de motorsnelheid v/d kettingaflaat bij te sturen en stabiliseren. De motor verkrijgt hierdoor een meer continu toerentalverloop met als gevolg een gelijkmatiger afwikkelen v/d ketting. De filterwaarde is afhankelijk v/h gebruikte filtertype P (=standaardfilter) of T. P- filter : deze filter is afhankelijk van het bindingspatroon : het aantal scheuten i/h patroon is kleiner of gelijk aan 16 scheuten. De waarde moet altijd overeenstemmen met de lengte v/h bindingsrakkoord m.a.w. het aantal lijnen. Bv. Filterwaarde 1 : in dit geval (binding 1/1) zal de kettingaflaat de gemiddelde waarde nemen v/d vorige toer om de waarde te bepalen voor de volgende toer. Filterwaarde 2 : in dit geval (binding 1/1) zal de kettingaflaat de gemiddelde waarde nemen van de vorige 2 toeren om de waarde te bepalen voor de volgende toer. Filterwaarde 3 : in dit geval (keperbinding 2/1) zal de kettingaflaat de gemiddelde waarde nemen van de vorige 3 toeren. T – filter : deze filter is afhankelijk van de tijd en wordt gebruikt bij een bindingspatroon groter dan 16 scheuten. De waarde kan variëren tussen 1 en 9, waarbij “1” uitschakeling van de filter betekent met onmiddellijke reactie van de kettingaflaatmotor tot gevolg en “9” een trage reactie van de kettingaflaatmotor. • .2 : Ingeven van : sleephoogte, sleepdiepte, aantal rollen, reductieverhouding, doorhaalbreedte, kettingboompositie en sleeptype. 5.4.2. De kettingaflaat met krachtsensor in de kettingdraden (TSW) 5.4.2.1. Montage van de kettingwachter op de machine De positie van de krachtsensor is afhankelijk van : (Zie instelhandboek GAMMA SUMO pg. 8 e.2 t.e.m. 8 e.5) - éénbanig weefsel met enkele kettingboom - éénbanig weefsel met dubbele kettingboom - meerbanig weefsel met enkele kettingboom - meerbanig weefsel met dubbele kettingboom In geval van éénbanig weefsel met enkele kettingboom wordt de sensor geplaatst in het midden van de weefselbaan. Werkwijze : - Regel de hoogte en de hoek v/d sensor zodat de 2 grootste staafjes net boven de kettingdraden staan. - Verbindt de krachtsensor met het meetapparaat

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

63


5.4.2.2. Het meten van de kettingspanning 5.4.2.2.1. Het plaatsen van de kettingdraden op de sensor • Vooraf : inlezen van de nulinstelling (zie schermpagina – P310-) • Het aantal kettingdraden op het sensorasje is afhankelijk van de spanning waarmee moet geweven worden (zie tabel) Aantal draden 2 x 25 2 x 50 2 x 100

Spanning/draad in cN 20,0 – 250,0 6,0 – 100,0 2,0 – 30,0

Hoe meer draden op het sensorasje, hoe nauwkeuriger. Hoe fijner de draad, hoe meer draden er op het asje moeten geplaatst worden. 1.6.4.3. Microprocessor instellingen Idem TSF : Ingeven van de verschillende parameters in .1 en .2 5.5. Werking De kettingaflaat wordt zoals bij de nieuwste Picanol weefmachines gestuurd door een elektronische sensor. Bij Dornier weefmachines is deze wel ingebouwd in de tasterrol van de sleepsteun. Ook bij de doekopwikkeling (ECT- Electronic Cloth Take-up) is er een sensor ingebouwd juist boven de trekrol of zandboom. Voor het bekomen van een goede kettingspanning tijdens het weven dient men vooraf in de microprocessor volgende parameters in te geven : • • • •

de kettingspanning in N of CN de kettingboom diameter de inslagdichtheid de snelheid in tpm

Per weefcyclus meet de sensor de kettingspanning en vergelijkt deze met de ingegeven kettingspanning in de microprocessor. In functie van de gemeten spanning gaat de microprocessor dan de kettingaflaat servo motor (EWL - Elektronic Warp Let-off motion) de kettingboom vlugger of trager laten afwikkelen zodanig dat een optimale weefselkwaliteit bekomen wordt. De optimale weefselkwaliteit kan maar bekomen worden als doekrolopwikkeling perfect ingesteld staat t.o.v de kettingspanning. Dus de sensor boven de trekrol kan maar correct werken als in de microprocessor ook alle parameters in functie van doekopwikkeling ingegeven zijn.

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

64


De gaapgeometrie

OEFENING 1 : Picanol Gamma 1. Instelling en controle van de gaapgeometrie 1.1. Montage instellingen dobby 1.1.1. Controle van de synchronisatie dobby – weefmachine (pg. 7b.2 versie 12 –2001) 1.1.2. Instelling kruisingsmoment v/d weeframen : - machine is voorzien v/e automatische kruisingsmomentinstelling. - veranderen van kruisingsmoment moet altijd via de microprocessor (-p540-) gebeuren en mag nooit met de verbindingsmoffel tussen dobby en machine versteld worden. - dit gebeurt door een getal tussen de 310° en 360° in te geven gevolg door de “enter”toets. - de PFF- of PFR-toets indrukken om de instellingsprocedure te starten. - Na ± 15 seconden is de machine klaar - de kruisingspositie kan in stappen van 3,21° (= 360/112°) ingesteld worden. 1.2. Instellen en controle v/d symmetrielijn • • • • • • •

• • • •

Vooraf : uitnemen van de grijpers om veiligheidsredenen. Weefmachine inschakelen d.m.v. hoofd – en power-on schakelaar. Machine verdraaien tot de weeframen op wissel staan, bij ons is dit 305°. De machine terug uitschakelen door de power-on functietoets in .6 in te duwen, dit terug omveiligheidsredenen. De middensteun v/d kettingwachter loszetten en ook de lat dewelke zich bevindt voor de kettingwachter bekeken vanuit weverszijde verwijderen. De kettingboomspanning volledig lossen. De sleepsteun op “0” plaatsen door het volgende uit te voeren : - links en rechts de umbracovijs losdraaien v/d spie, desnoods een platieken gebruiken om de spie los te slaan - met een ratelsleutel links en rechts de sleepsteun laten zakken, langs beide altijd evenveel zakken. De symmetrielijn controleren door de waarden voor iedere schacht op te meten. De waarde “a” = 160 mm, dient men op te meten vanaf de haakopening tot op de bovenzijde v/d kunstoffen schachtgeleider. (zie fig. pg. 7c.6 en tabel pg. 7c.7 versie 122000) De waarde “b” = 350 mm, dient men op te meten vanaf de haakopening tot het middenste van een heveloogje. (zie fig. pg. 7c.6 versie 12-2000) Staat de symmetrielijn niet juist dan moet men de schachten verhogen of verlagen door de vijs “B” te verdraaien in wijzer- of tegenwijzerszin door vooraf de tegenvijs los te draaien. Vervolgens terug de sleepsteun op “7” plaatsen in ons geval en terug de middensteun en lat v/d kettingwachter bevestigen en vastzetten. Tenslotte terug de kettingboom op spanning brengen.

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

65


1.3. Instelling en controle van de spronghoek Hiervoor dient men het volgende uit te voeren : • De weeframen op kruising plaatsen. De hefbomen v/d opkomende en dalende kaders staan dan op gelijke hoogte. • Beschermkap elektromagnetische dobby v/ Staübli type 2670 afnemen. • De hefbomen van weeframen 1 t.e.m. 12 in de dobby op een bepaalde afstand “a” plaatsen door vooraf de schroeven “D” v/d klem “E” los te draaien. Dus men plaatst de hefbomen op een afstand “a” in verhouding tot de koers weeframen op dobby machines. (zie fig.en pg7b.3 en tabel pg. 7b.4). Span de schroeven “D” vast met een aanspanmoment van 9,6 Nm. • Dit is bij onze machine reeds uitgevoerd. Wij dienen dit enkel als controle uit te voeren. De opgenomen waarden “a” voor iedere kam zijn de volgende : 1 2 3 4 5 6

7 8 9 10 11 12

• Wanneer we deze waarden vergelijken met de waarden uit de tabel pg. 7b.4 zien we dat deze waarden best de waarden v/d sprong ….° benaderen. • De beschermkap van de dobby kan nu terug gemonteerd worden.

Figuur 38 - Spronggrootte DCR2 of DCR3 (Handleiding Picanol Gamma) Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

66


1.4. Instelling en controle van de weefraamkoers in functie van de spronghoek • De machine terug opstarten door de power-on toets in te schakelen • De machine in lijnwaad plaatsen door het volgende uit te voeren in de microprocessor : - .4 : intikken - functietoets binding intikken

-

- De functietoets “aan” induwen - vervolgens functietoets “volgend testpatroon” induwen en “lijnwaad” selecteren. • de machine verdraaien in traagloop vooruit of 2 x schotzoeken achteruit om de schachten in lijnwaad te plaatsen. T.t.z. schacht 1,3,5,7,9,11 staan in hun BDP en de schachten 2,4,6,8,10,12 staan in hun ODP. • De machine terug uitschakelen door de power-on toets .6 in de microprocessor in te duwen. • De afstanden “a” opmeten voor de schachten 1 t.e.m.12. • De machine 1 toer overdraaien en terug de afstanden “a” opmeten. De schachten 1,3,5,7,9,11 staan nu in hun ODP en de schachten 2,4,6,8,10,12 staan nu in hun BDP. Hieronder wordt de weefraamkoers weergegeven in positie “op” en “onder” voor een wol kwaliteit in functie v/d spronghoek : Op Neer Koers Weefraam 1 : weefraam 1 : weefraam 1 : Weefraam 2 : weefraam 2 : weefraam 2 : Weefraam 3 : weefraam 3 : weefraam 3 : Weefraam 4 : weefraam 4 : weefraam 4 : Weefraam 5 : weefraam 5 : weefraam 5 : Weefraam 6 : weefraam 6 : weefraam 6 : Weefraam 7 : weefraam 7 : weefraam 7 : Weefraam 8 : weefraam 8 : weefraam 8 : Weefraam 9 : weefraam 9 : weefraam 9 : Weefraam 10 : weefraam 10 : weefraam 10 : Weefraam 11 : weefraam 11 : weefraam 11 : Weefraam 12 : weefraam 12 : weefraam 12 : Vergelijken we deze waarden met de waarden weergegeven in de tabel pg. 7b.4 versie 12-2000 dan zien we dat de spronghoek ingesteld op de machine spronghoek ….° het meest benaderd. Opm : Het instellen van de spronghoek of weefraamkoers is afhankelijk van volgende faktoren : de kwaliteit : katoen, vlas, wol of synthetisch garen heveltype : 11”,13” en 15”

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

67


OEFENING 2 : gegevensopname. 2. Instelling en controle van de gaapgeometrie 2.1. Montage instellingen dobby 2.2. Instellen en controle v/d symmetrielijn Werkwijze zie pg. Vb.14 t.e.m. Vb.19 2.3. Instelling en controle van de spronghoek 1 2 3 4 5 6

7 8 9 10 11 12

• Wanneer we deze waarden vergelijken met de waarden uit de tabel pg.Vb.13 Pt. 4.2 tabel b1 zien we dat deze waarden best de waarden v/d sprong ….° benaderen. 2.4. Instelling en controle van de weefraamkoers in functie van de spronghoek Hieronder wordt de weefraamkoers weergegeven in positie “op” en “onder” voor een PES kwaliteit in functie v/d spronghoek : Op Neer Koers Weefraam 1 : weefraam 1 : weefraam 1 : Weefraam 2 : weefraam 2 : weefraam 2 : Weefraam 3 : weefraam 3 : weefraam 3 : Weefraam 4 : weefraam 4 : weefraam 4 : Weefraam 5 : weefraam 5 : weefraam 5 : Weefraam 6 : weefraam 6 : weefraam 6 : Weefraam 7 : weefraam 7 : weefraam 7 : Weefraam 8 : weefraam 8 : weefraam 8 : Weefraam 9 : weefraam 9 : weefraam 9 : Weefraam 10 : weefraam 10 : weefraam 10 : Weefraam 11 : weefraam 11 : weefraam 11 : Weefraam 12 : weefraam 12 : weefraam 12 : Vergelijken we deze waarden met de waarden weergegeven in de tabel pg. Vb.13 tabel b1 versie 1.04 02-2003 dan zien we dat de spronghoek ingesteld op de machine spronghoek ….° het meest benaderd. Figuur heveltype in functie v/d weefraamkoers of spronghoek De waarden hierboven weergegeven vindt U ook terug in de tabel pg. Vb.16 pt. 4.3., we zien dan terug dat de spronghoek ingesteld op de machine spronghoek …. ° het meest benaderd.

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

68


Besluit : thema 6 Na het krijgen van de uitleg omtrent de soorten kettingaflaatsystemen en de oefening op gaapgeometrie instellingen en controles voor verschillende kwaliteiten zullen de studenten beter inzien dat dit de eerste stap is voor een later goed draaiende weefmachine. Naast de mechanisch instellingen op basis van opzoekingen in de constructiehandleidingen werd hen ook aangeleerd hoe en waar men de sleepinstellingen en ook de filterwaarde voor een goed draaiende kettingalfaatmotor in de terminal moet ingeven. Tenslotte zal men ook tot het besef gekomen zijn dat de opgegeven waarden i.v.m. met de gaapgeometrie en kettingaflaatsystemen belangrijk zijn om te volgen, maar ook dat men in de praktijk daar een beetje zal of mag van afwijken.

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

69


LES 7

THEMA 8 : DE DOEKOPWIKKELING 1. Inleiding In dit thema leren de studenten het verschil ontdekken tussen de technologie v/e mechanische regulator MTU en een elektronische regulator ETU. Aansluitend hierop wordt hen duidelijk gemaakt welke parameters er belangrijk zijn en hoe men deze moet wijzigen voor het uitweven van weefsels met de juiste schotdichtheid. 2. Inhoud 1.1. Doel 1.2. Soorten doekopwikkelingen Het opwinden v/e weefsel kan op 2 manieren gebeuren ofwel door : 1.2.1. Mechanische regulator MTU • Figuur + uitleg • Toepassing • Maken van een doorsnede v/e MTU door de studenten 1.2.2. Elektronisch gestuurde regulator ETU • Figuur + uitleg • Toepassing 1.3. Doekloop 1.3.1. Beschrijving van de onderdelen • • • •

Weefselsupport Borstboom Drukrol Zandboom of trekrol - beribberde zandboom - gemetalliseerde zandboom

1.4. De elektronisch gestuurde regulator ETU Twee reductieverhoudingen zijn mogelijk naar keuze nml : • • • •

Tandwielverhouding 62/17 (met 17t op de motoras) Toepassing Tandwielverhouding 51/40 (met 40t op de motoras) Toepassing

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

70


1.5. Microprocessorinstellingen • • • • •

De schotdichtheid De korrektiefaktor De reductor De verlaagde spanning De doortreksnelheid

3. Praktische oefening ° Doorsnede maken van een mechanische regulator ° Veranderen van schotdichtheid bij een mechanische regulator ° Inoefenen van de microprocessor instellingen door de studenten op volgende machines : - Picanol OMNI - Picanol GAMMA - Picanol OMNIplus 4. Bespreking ingediende rapporten

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

71


De doekopwikkeling 1. Doel Naarmate de kettingaflaat afwikkelt tijdens het weven moet het gevormde doek voor eenzelfde hoeveelheid kettinglengte opgewikkeld worden. Dus het weefsel wordt voor ieder opeenvolgende scheut van een vooraf bepaalde hoeveelheid kettinglengte opgewonden. Dit gebeurt d.m.v een geautomatiseerd systeem, de regulator genaamd. 2. Soorten doekopwikkelsystemen Naargelang het systeem van aandrijving van de regulator onderscheid men 2 systemen : 2.1. Mechanische regulator MTU 2.2. Elektronisch gestuurde regulator ETU 2.1. De mechanische regulator MTU 2.1.1. Toepassing Een mechanische regulator wordt gebruikt op de volgende weefmachines nl 1) Picanol PGW - PAT - GTM - GTM/AS - GTX. Voor de Picanol OMNI weefmachines gebruikt men meestal een ETU, maar een MTU kan hier ook ingebouwd worden. 2) Sulzer TW11 - PU 3) Dornier AT

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

72


2.1.1. Figuur MTU - Picanol OMNI + bijhorende uitleg

Figuur 39 - mechanische regulator MTU (Handleiding picanol Omni)

Opm : De tabellen met de waarden van de schotdichtheden houden rekening met de krimp. Voor het berekenen van de schotdichtheid gebruikt men volgende formule : x = schot/cm__ 1 + %krimp Bv.: - zandboom met kippevel - gewenste schotdichtheid 38 sch/cm - verwachte krimp 4% x = ___38____ = 36,54 1 + 0,04 Zs= 45 ---> tabel : montage 5 Dus om 38sch/cm en 4% krimp te weven, monteert men schotwiel Zs 45 t

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Product(Handleiding engineering Picanol weven 1Omni) – oefeningen Figuur 40 - Gent Doorsnede MTU regulator

73


Tabel :

Tabel 1 - Instellen schotdichtheid MTU regulator Picanol Omni (Handleiding Picanol Omni)

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

74


Tabel 2 - Instellen schotdichtheid MTU regulator Picanol Omni (Handleiding Picanol Omni)

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

75


2.1.3. Doorsnede MTU - Picanol GTX

Figuur 41 - Doorsnede MTU regulator Picanol GTX (Persoonlijke schets)

Werking: De regulator wordt door de nokkenas aangedreven via een riem, een tandwieltrein en worm en wormwiel. Op deze as zit een tandwiel A die zijn cte ronddraaiende beweging doorgeeft via de tandwielen B, C en D aan het het schotwiel “E” zodat de gewenste inslagdichtheid bekomen wordt. Verder wordt via een worm (bevestigd op de as v/h schotwiel) en wormwiel en enkele tussentandwielen wordt de zandboom aangedreven, dewelke via een kettingtandwiel tenslotte de doekrol in beweging brengt. De overbrenging zorgt ervoor dat de doekrol sneller draait dan de zandboom terwijl de wrijvingskoppeling ervoor zorgt dat de spanning niet te groot wordt. De wrijvingskoppeling moet zo ingesteld zijn dat enerzijds de koppeling niet opwarmt en anderzijds het weefsel niet te slap hangt. Uit de tabel met de schotdichtheden en wisseltandwielen kan men het volgende afleiden : • De tandwielen A,B,C en D zijn vaste waarden, samen vormt dit een montage. Deze tandwielen zijn onderling verwisselbaar waardoor er 6 montages mogelijk zijn. • Naast de kolom met schotwielen “E” vindt men per montage de verschillende schotdichtheden uitgedrukt in aantal sch/cm of duim terug. Dit betekent ook dat men 216 verschillende dichtheden kan uitweven, gaande van 1,75 tot 133 sch/cm.

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

76


Tabel : schotdichtheden Picanol GTX

Tabel 3 - Instellen schotdichtheid MTU regulator Picanol GTX (Handleiding Picanol GTX)

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

77


2.2. Elektronisch gestuurde regulator ETU 2.2.1. Figuur + uitleg ETU - Picanol OMNI

Figuur 42 - Doorsnede ETU regulator Picanol Omni (Handleiding Picanol Omni) Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

78


2.2.2. Microprocessorinstellingen • • • • •

De schotdichtheid De korrektiefaktor De reductor De verlaagde spanning De doortreksnelheid

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

79


Bronvermelding

Handleidingen Picanol GTX – OMNI – GAMMA Besluit : thema 7 De studenten zullen na het behandelen v/ dit thema beter inzien dat het nog noodzakelijk is van de technologie omtrent een mechanische regulator MTU praktisch te ontdekken, om zo op die manier er een beter inzicht in te krijgen. Zodat men bijgevolg beter de nadelen v/e MTU t.o.v. van de voordelen v/e ETU kan inschatten.

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

80


LES 8

THEMA 8 : KENNISMAKING MET DE GRIJPERWEEFMACHINE PICANOL GTX EN GAMMA 1. Inleiding In dit thema leren de studenten het verschil ontdekken tussen flexibele - en starre grijpers wat betreft de opbouw en het type van inslagovergave (zie bijlage pg.177 t.e.m. pg. 185). Wat de voor – en nadelen ervan zijn en op welke machines deze gebruikt worden. Aansluitend hierop leert men de werking v/ ketting –en inslagbewaking kennen met de daarbij horende microprocessor instellingen zoals o.a. de gevoeligheid, filterwaarden en PFT/PFL (zie bijlage pg. 187 t.e.m. pg. 208). 2. Inhoud 1. Algemeenheden ◼ flexibele grijperband vs starre lans ◼ topovername ◼ beschrijving van een weefcyclus 2. Inslagbewaking - PIEZO - element ◼ principe ◼ eigenlijke werking ◼ grafische uiteenzetting “ grijpercyclus “ ◼ instellen van de gevoeligheid van de inslagbewaking op de PICANOL GTX instellen van de gevoeligheid van de inslagbewaking op een PICANOL GAMMA 3. Kettingbewaking Picanol GTX en GAMMA ◼ werking / fig. ◼ instellen van de gevoeligheid 4. Vergelijking van de ketting – en inslagbewaking tussen een Picanol GTX en GAMMA 5. Soorten grijpers ◼ Flexibele grijpers ◼ Starre grijpers 6. Beschrijving van de grijpers ◼ Negatieve topovername Picanol GTX -Flexibele grijpers Picanol GAMMA – Flexibele grijpers ◼ Positieve topovername (middensturing) – Dornier weefmachine Dornier – starre grijpers Middenovergave (onderdelenlijst en figuur) 3. Praktische oefening 2.1. Inoefening en bespreking bijlage microprocessor Picanol GTX – pg 2.10 – 2.16 2.2. Inoefening en bespreking bijlage microprocessor Picanol GTX – pg 6.71 – 6.74 2.3. Inoefening en bespreking bijlage microprocessor Picanol GAMMA – pt. . 3 en pt. .4 2.4. Demontage en montage van de grijpers van een Picanol GTX en GAMMA 4. Bespreking ingediende rapporten Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

81


Kennismaking met de grijperweefmachines Picanol GTX en GAMMA

1. Algemeenheden De inslaginbreng gebeurt hier d.m.v flexibele grijpers. Het verschil tussen een flexibele grijper en een starre grijper (lans) vindt men terug in de bouw van de grijperband. Een flexibele grijper heeft een flexibele grijperband met perforaties op een gelijke afstand van elkaar zodat de grijperband kan ingrijpen met een grijperbandwiel. Daarentegen is een starre grijper gesloten bovenaan, maar is ook getand langs de binnenzijde zodanig dat de lat kan ingrijpen met het grijpertandwiel. Bij M. Van de Wiele - en Dornier maakt men gebruik van starre grijpers. De constructeurs Picanol, ITEMA enz... gebruiken flexibele grijpers. Het principe van inslagovername is “topovername”. Bij de “Dornier” is deze topovername meer gespecifieerd, nl “estafettevovername”. Estafetteovername is ook topovername maar de aangever loopt nog een klein beetje mee met de terugkerende doortrekker tijdens de overname. Het verschil tussen negatieve en positieve overname ° Positieve overname: Enkel bij Dornier werkt men met openerhefbomen (duimen) voor het openen van de grijperkoppen. Deze openerhefbomen worden tijdens de overname aangedreven door respectievelijk twee excentrieken. ° Negatieve overname:

Tijdens de overname wordt de top v/d inslag door de doortrekker uit de aangever getrokken. De inslag wordt door de teruggaande beweging van de doortrekker goed aangespannen in de klem van de grijperkop.

Beschrijving van een weefcyclus: De kleuraangever gaat naar beneden en presenteert de inslagdraad voor de aankomende grijper. De inslagdraad zet zich door de voortgaande beweging van de grijper automatisch vast in de grijperklem. Wanneer de punt van de grijperkop in de gaap komt wordt de inslag afgesneden door de inslagschaar dewelke aangedreven wordt een nok op een bijas. Vervolgens gaan de grijpers naar het midden van de ladebaan waar de top van de inslag wordt overgenomen door de doortrekker. De doortrekker gaat diep genoeg in de aangever zodat bij de teruggaande beweging v/d doortrekker de inslag wordt vastgeklemd in de klem van de doortrekker. Wanneer de inslag volledig is doorgetrokken zal het riet aanslaan en de schachten verwisselen van positie in functie van de binding. De weefcyclus kan herbeginnen.

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

82


2. Inslagbewaking 2.1. Systeem Wanneer er een inslagbreuk optreedt wordt de machine stilgelegd door een elektronische inslagwachter (Piëzo - element). Principe: Dit toestel werkt volgens het wrijvingsprincipe van een inslagdraad in het porseleinen oogje van de Piëzo onder een bepaalde hoek. ° gewone draad: hoek = 120° ° grove draad: hoek < 120° ° gladde draad: hoek > 120° Wanneer de aangever in de gaap komt en de juiste inslag heeft meegenomen zal deze grijper weinig snelheid hebben. Hierdoor krijgt de Piëzo een zwak signaal (weinig wrijving) waardoor de Piëzo niet hoeft te werken. Hetzelfde komt voor bij inslagovername. Het Piëzo-element hoeft enkel te werken wanneer de grijpers hun snelste beweging hebben, er is dan een grote wrijving in het oogje van de Piëzo zodat de machine blijft draaien. Wanneer de inslag breekt is er geen wrijving, dus de Piëzo krijgt geen signaal zodat de machine stil valt. Grafische uiteenzetting van de grijpercyclus B

B

A1 A2 B B B A1 B

B A2 B 360°

Figuur 43 – Grafische uiteenzetting grijpercyclus (Persoonlijke schets)

° “ X “: overname punt ---> zwak signaal ° “ B “: trage beweging ---> zwak signaal ° “ A1 “: snelste beweging (grootste wrijving) ---> sterk signaal ° “ A2 “: hier gebeurt de inslagcontrole bij de meeste soorten weefmachines. Indien men het volledig proces zou controleren dan zal men het volgend signaal bekomen : Opm:

Figuur 44 – Grafische uiteenzetting grijpercyclus omgezet in zwakke en sterke signalen (Persoonlijke schets)

1: zwak signaal: trage beweging grijper 2: sterk signaal: grote beweging grijper Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

83


2.2. Inslagbewaking Picanol GTX Bij de Picanol GTX gebeurt de inslagcontrole ook op basis v/ wrijving v/d draad door het porseleinen oogje. Maar hier maakt men geen gebruik meer v/e metalen sector en Px, maar wordt de inslagwachter controle uitgevoerd in 2 zones nl. de eerste detectiezone, waar de beweging v/d L-grijper wordt gecontroleerd en de tweede zone waar de beweging v/d R-grijper wordt gecontroleerd. Dus een trage snelheid v/d grijper komt overeen met weinig wrijving, dus wordt er een zwak signaal uitgedrukt in Volt (V) doorgegeven naar microprocessor, daarentegen zal bij een hoge grijpersnelheid (grote wrijving i/h porseleinen oogje) dus een sterk signaal uitgedrukt in Volt (V) doorgegeven worden naar de microprocessor. De signaal sterkte wordt uitgedrukt in de orde v/ 0 -10V. Dit signaal wordt omgezet in een digitaal signaal door de ADC (Analoog Digitaal Converter). Vervolgens wordt dit signaal door de microprocessor vergeleken met de ingegeven waarde i/d microprocessor (gevoeligheid en filterwaarde) en indien er een verschil is zal er een signaal doorgegeven worden naar de sturingskast dewelke de elektromagnetische koppeling in werking zal stellen zodat de machine tot stilstand gebracht wordt. Bij inslagbreuk is er dus geen wrijving – geen of zwak signaal – met gevolg dat de machine stil gelegd wordt met de melding “inslagdraadbreuk”. 3. Kettingwachtercontrole Principe: (zie fig.44) Het is een elektrische controle met een negatieve en een positieve pool die van elkaar gescheiden zijn door een isolatielaag. Bij kettingbreuk valt de lamel zodanig dat de schuine zijde zowel op de bovenste zaag en onderste U - vormige metaalplaat valt. Hierdoor wordt de stroomkring gesloten en wordt er een signaal naar de sturingskast gestuurd dewelke vervolgens de weefmachine via de elektromagnetische koppeling zal stilleggen. Fig. 1. lamel 2. bovenste zaaglat 3. isolatielaag 4. onderste U-vormige metaalplaat

Figuur 44 – Voorstelling van kettingbewaking (Persoonlijke schets)

4. Vergelijking van de ketting - en inslagbewaking bij een Picanol GTX - Picanol Gamma 4.1. Kettingwachtercontrole (zie bijlage microprocessor Picanol GTX pg. 2.10 - 2.11) (zie bijlage microprocessor Picanol GAMMA pg. 3-.1-1t.e.m.3-.3-2) Picanol GTX :

Picanol GAMMA :

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

84


4.2. Inslagwachtercontrole Picanol GTX : (zie bijlage microprocessor pg. 2.12 t.e.m. 2.16)

Picanol GAMMA : (zie bijlage handleiding terminal pg. 3-04-1 t.e.m 3-04-4) (zie bijlage handleiding terminal pg. 3-03-1a t.e.m 3-03-4b)

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

85


5. Soorten grijpers 5.1. Flexibele grijpers Volgende belangrijkste weefmachineconstructeurs maken gebruik van dit soort grijpers : • Picanol • Somet • Vamatex • Sulzer Hieronder zullen we voornamelijk de 2 soorten grijpers bespreken dewelke gebruikt worden op een Picanol GTM/AS - GTX. Verder wordt ook nog de grijpers van de Picanol GAMMA besproken a.d.h.v. constructiefiguren. 5.1.1. Grijpers Picanol GTX Er bestaan 2 soorten grijpers : Grote grijpers : • minder geschikt voor fijne filamenten, en hoge toerentallen m.a.w wordt • gebruikt voor jacquard weefmachines. • Is wel geschikt voor het verweven van grove garens Aangeefgrijper : • standaart voor katoen • krulledraad voor lichte draden : veer geeft goede klemming en weinig slijtage • in combinatie met zwaardere draden wordt een vast element gebruikt Doortrekgrijper : • standaart voor katoen, multifilament • krulledraad voor bv. PP-bandjes, nopgaren, grove garens Smalle grijpers : Aangeefgrijper : • V-klem met verende klem voor fijne draden of vaste klem • platte klem met verende of vaste wig Doortrekgrijper : • Met V- of platte klem (altijd vast) De smalle grijper is bedoeld voor hogere snelheden en minder voor heel grove inslagen. • Er is geen metaalcontact op de ketting • Hij heeft meer vloeiende hoeken, en een grijperband die met koolstof vezel versterkt is. Dit geeft een betere zijdelingse stabiliteit, een grotere sterkte en de helft minder rek. Deze rek is van belang voor de regeling van de grijpers: die moet in traaggang zo geregeld worden dat ze nipt overnemen. Op volle snelheid slaan ze, door de rek, een aantal mm verder door en zorgen dus zeker voor een goede overname. De tendens is om des te meer garensoorten met de grijpers te verweven en dit aan hogere snelheden. 5.2. Starre grijpers Er zijn voor het ogenblik 2 voorname constructeurs dewelke gebruik maken van starre grijpers nl. Dornier (positieve overname) en M. Van de Wiele (negatieve grijpers).

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

86


6. Beschrijving van de grijpers 6.1. Picanol GTX – Flexibele grijpers

Figuur 45 a – Onderdelen v/e aangeefgrijper Picanol GTX (Onderdelen handleiding Picanol) GTX)

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

87


Figuur 45 b – Onderdelen v/e aangeefgrijper Picanol GTX (onderdelen handleiding Picanol GTX)

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

88


Figuur 46 – Onderdelen v/e overneemgrijper Picanol GTX (Onderdelen handleiding Picanol GTX)

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

89


6.2. Picanol GAMMA – flexibele grijpers (Zie instelhandboek Picanol GAMMA pg. 4 e.1- 4 e.11)

Figuur 47 a – Onderdelen v/e aangeefgrijper Picanol Gamma (Onderdelen handleiding Picanol Gamma)

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

90


Figuur 47 b – Onderdelen v/e aangeefgrijper Picanol Gamma (Onderdelen handleiding Picanol Gamma)

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

91


Figuur 48 – Onderdelen v/e overneemgrijper Picanol Gamma (Onderdelen handleiding Picanol Gamma)

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

92


6.3. Dornier – starre grijpers

(Bon: Handleiding Dornier)

6.3.1. De aangever Onderdelenlijst en figuur 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8.

Starre grijper Getande lat voor de grijperaandrijving Grijperkop Vast draaipunt van de klem Drukvlak voor de bediening van de klem Plaats waar de draad komt Bladveren Geleiding voor de kettingdraden

Figuur 49 – Onderdelen v/e aangeefgrijper Dornier AT (Onderdelen handleiding Dornier AT)

6.3.2. De meenemer Onderdelenlijst en figuur 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9.

Starre grijper Getande lat voor de grijperaandrijving Grijperkop Vast draaipunt van de klem Druklat voor de bediening van de klem Plaats waar de draad komt Bladveren Geleiding voor de kettingdraden Klemvoetje

Figuur 50 – Onderdelen v/e aangeefgrijper Dornier AT (Onderdelen handleiding Dornier AT) Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

93


6.3.3. Middenovergave

(Bron: handleiding Dornier)

Dit is de besturing van de klemmen van de grijpers in het midden van de weefbreedte m.a.w. als de grijpers zich bevinden in overpositie. Onderdelenlijst en figuur 1. Bevestigingsstuk 2. Ladeas 3. Lade nokkenas 4. Openerhefboom 5. Hefboom 6. Veer 7. Hefboom 8. Stang 9. Nokvolger 10. Nok 11. Pin 12. Vijs

Figuur 51 – Middensturing Dornier AT (Onderdelen handleiding Dornier AT)

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

94


6.3.4. Doorsnede carter van een Dornier weefmachine Vervangbaar tandwiel

ladeas

lade nokkenas

drijfas

grijper nokkenas

Carter DORNIER

Figuur 52 – Carter Dornier AT (Onderdelen handleiding Dornier AT)

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

95


Besluit : thema 8 Nu de studenten de verschillende soorten grijpers hebben leren kennen zullen ze beter tot besef gekomen zijn wat de voor – en nadelen v/d 2 soorten type grijpers zijn. Men zal ook ondervonden hebben dat er heel wat gegevens dienen ingegeven te worden in de terminal, zoals bv. de inslagdetectie zones en PFT- instellingen. Ook praktisch gezien werd hen duidelijk dat het verweven van bv. 2 totaal verschillende garendiktes soms niet evident is.

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

96


LES 9

THEMA 9 : BESPREKING VAN DE PROJECTIELWEEFMACHINE SULZER 1. Inleiding Naast de technologie van grijperinslaginbreng leren de studenten in dit thema wat projectielinslaginbreng is. Hierbij aansluitend leren men ook de verschillende onderdelen in de opbouw van zo’n machine kennen. Dit wordt ook praktisch ondersteunt door een revisie uit te voeren van de afschiet –en opvangzijde. 2. Inhoud 1. Algemeenheden 2. Indeling der Sulzer types 3. Signalisatie 4. Inslaginrichting / principe 5. Aandrijving machine 6. Ladebeweging 7. Soorten projectielen 8. Soorten afschietpunten 9. De bewakingsinrichting - bewaking d.m.v een veiligheidsslede 10. Revisie van een Sulzer projectielweefmachine 11. Het slagstukmechanisme - dempingsinrichting 12. De vangrem 13. De draadspanner 14. Revisie van een Sulzer projectielweefmachine 3. Praktische oefening : •

Weefoefeningen a. - startvoorbereidingen - weven - belang noodstop - smering - stoppen machine b. - herstellen kettingdraadbreuken - inslagbreuken herstellen c. - grondstoffen - vervangingsonderdelen - afregeling - algemeen onderhoud d. - bespreking weefstalen / fouten - handleidingen / copy voorname onderdelen - produktievergelijkingen verschillende soorten weefmachine

Revisie van een Sulzer projectielweefmachine

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

97


Bespreking van de projectielweefmachine SULZER TW11

1. Algemeenheden

(Bron : handleiding Sulzer TW11 – PU)

° Constructeur: Zwitserse makelij ° Soort weefmachine: projectielweefmachine ° Aandrijving: gebeurt door een droge plaatkoppeling, dewelke geactiveerd wordt door een elektromagnetische schakelaar. ° Veiligheid: aan de rechterkant van de weefmachine bevindt zich een veiligheidsspeld die verhindert dat de inlegger kan ingelegd worden. ° Inslagbewaking: gebeurt door een mechanische taster die opgesteld staat aan de afschietzijde. ° Kettingbewaking: elektrische kettingwachter ° Stand van de inlegger: - inlegger omhoog: starten v/d motor - inlegger beneden: starten v/d weefmachine 2. Indeling der Sulzer types Voorbeeld: Type:

130

ES

105

E10

F

° 130: nuttige rietbreedte in Engelse duim, 130” = 330 cm ° ES: Einschuss = 1 kleuraangever / VS: Vierschuss = 4 kleur ° 105: jachtpunt = afschietpunt in graden ° E10: duidt op de schachtbeweging, dewelke bevolen worden door 10 excentrieken. ° F: de weefmachine is bestemd voor het weven van filamentgarens De weefmachine in de weverij Textielinstituut is van het volgende type: Sulzer TW11 (kleurwisselaar) : 85 VS 125 E10 3. Signalisatie: Sulzer TW 11:

- groene lamp blijft branden : kettingdraadbreuk - rode lamp blijft branden: inslagdraadbreuk

Sulzer PU // Sulzer - Ruti P7100: - Blauwe lamp knippert: kettingdraadbreuk - Gele lamp knippert: inslagdraadbreuk - Gele en rode lamp knipperen: noodstop - Gele lamp brandt: stuklengte is bereikt - Rode lamp knippert: oproep meestergast - Rode lamp knippert bij draaiende machine: elektrische opvangwachter of inslagwachter is uitgeschakeld

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

98


4. Kennismaking met de inslaginrichting De inslaginbreng gebeurt bij een Sulzer weefmachine d.m.v een projectiel. Deze wordt door een slagstukmechanisme naar de andere kant van de lade geschoten, waar het vervolgens opgevangen wordt door de vangrem van het vangwerk. De terugschuiver brengt het projectiel terug naar het uitstootkanaal, waar het door de uitstoter uitgestoten wordt, zodanig dat het kan afgevoerd worden via een transportketting. Voordat het projectiel voorzien van een inslag afgeschoten wordt gebeuren er een aantal bewerkingen. 4.1. Schema van het principe van inslaginbreng ° Fig a.:

° Fig b.:

° Fig. c. :

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

99


° Fig. d.:

° Fig. e.:

° Fig. f.:

° Fig. g.:

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

100


4.2. Detailtekeningen werking projectielopheffer,-opener en de draadaangever In 10 fasen tonen onderstaande tekeningen de voorbereiding voor het afschieten van het projectiel. Deze 10 fasen maken ook deel uit van het principe van inslaginbreng in punt 4.1. ° Fig.a.: De projectielopheffer (11) voorzien van een projectiel met geopende klem bewegen naar de afschietpositie. ° Fig.b.: De projectielopener (12) gaat naar beneden zodat de projectielklem zich sluit op de gepresenteerde inslag. ° Fig.c.: De 2 delige terughaleropener (5a en 5b) beweegt naar de wever toe voor het openen van de terughaler. ° Fig.d.: De rechter terughaleropener opent de klem van de terughaler en op dat ogenblik wordt het projectiel afgeschoten. ° Fig.e.: De projectielaangever gaat naar beneden. ° Fig.f.: Het projectiel is aangekomen in de opvangrem. De terughaleropeners (5a,5b) trekken zich terug zodat de terughaler zich sluit op de pas ingebrachte inslag. ° Fig.g.: De transportketting (7) schuift een volgend projectiel (6) in de opheffer (11). De draadaangever (8) beweegt naar de weefselkant. ° Fig.h.: De terughaleropeners bewegen naar de wever toe en openen de terughalerklem. Een nieuw projectiel komt aan in de projectielopheffer. ° Fig.i.: De terughaleropeners gaan achteruit en de draadaangever klemt de inslag. De projectielopener beweegt naar omhoog voor het openen van de klem van het volgend projectiel. ° Fig.j.: De inslag wordt door de inslagschaar geknipt. De draadaangever gaat terug met de inslag naar beginpositie. Al deze bewegingen voor het inbrengen van de inslag komen van sleufnokken welke een vaste beweging hebben. Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

101


Figuren detailtekeningen werking projectielopheffer,- opener en de draadaangever.

Figuur 53 – Inslaginbreng schietkant Sulzer TW11 Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

102


Figuur 54 – Inslaginbreng vangkant Sulzer TW11 Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

103


5. Aandrijving van de weefmachine 5.1. De aandrijving Een elektromotor drijft 2 vliegwielen aan d.m.v V-riemen. Bij het inschakelen, dus neerleggen van de inlegger worden de twee vliegwielen tegen de daartussen liggende droge plaatkoppeling gedrukt. Hierdoor wordt de kracht v/d motor overgebracht op de hoofdas dewelke naar de wever toedraait. De hoofdas drijft nog verschillende assen aan nl: - de haakse as - de telescopische verbindingsas of sattelietas via een tandwiel 5.2. De rietbeweging Ook de rietbeweging gaat uit van de hoofdas waarop 2 of 3 paren complementaire (tegengesteld) werkende nokken gemonteerd zijn afhankelijk van de weefbreedte. De beide nokvolgers (7 en 8) volgen hun respectievelijke nokken (4 en 5) die bevestigd zijn op de bijas (6). Hierdoor komt de lade in een bepaalde stand vooruit of achteruit te staan. De aandrijving gaat uit v/d hoofdas (1) waarop een tandwiel (2) zit dat intandt met een tandwiel (3) bevestigd op de bijas (6) waarop de complementaire nokken bevestigd zijn. Deze hebben net zoals de hoofdas een eenparig ronddraaiende beweging. 5.3. Uitleg constructietekening rietbeweging (Reed Motion) Stand 1:

Beat - up

(Riet in VDP)

° Zoals blijkt uit de fig. draaien de complementaire nokken in wijzerszin. De beide nokken hebben hun respectievelijke nokvolger welke bevestigd zijn op de ladearm dewelke draait op de ladeas. ° De voorste nok staat op zijn hoogste punt, daarentegen staat de achterste nok op zijn laagste punt. Hierdoor komt de lade in zijn VDP te staan. Het riet staat dus in aanslag. Stand 2:

35° after beat - up (riet staat 35° achteruit)

° De nokken draaien verder in wijzerszin. De voorste nok draait over zijn hoogste punt terwijl de achterste zijn hoogste punt nadert. Hierdoor staat het riet 35° achteruit. Stand 3:

rear dead point

(achterste dode punt)

° De beide nokken draaien verder in wijzerszin. Nu staat de voorste nok op zijn laagste punt en de achterste op zijn hoogste. Hierdoor staat het riet in zijn ADP. Stand 4:

35° before beat - up

° De voorste nok nadert terug zijn hoogste punt en de achterste nadert zijn laagste punt. Hierdoor staat het riet 35° vooruit (voor aanslag).

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

104


Ladebeweging Sulzer - Ruti - Picanol GTX - Dornier

Figuur 55 – Rietbeweging

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

105


Constructietekening rietbeweging

Figuur 56 – Rietbeweging

6. De soorten afschietpunten Het afschietpunt is het moment in graden wanneer het projectiel wordt afgeschoten. Dit is afhankelijk van het type machine en staat in functie van de weefbreedte. Hoe kleiner de weefbreedte hoe later het afschietpunt Machinetype

Afschietpunt

TW11 PU P7100 PS

105°, 115°, 125°, 140° 110°, 120°, 135°, 150° 110°, 120°, 135°, 150° 110°

Synchronisatie TW11:

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

106


7. De bewakingsinrichting Fig.:

Mechanische weg ---- Elektrische weg

Figuur 57 – Bewakingsinrichting (Handleiding Sulzer PU)

7.1. Doel : De bewakingsinrichting heeft de opgave de afzonderlijke apparaten van de weefmachine bij bewegingshinder tegen beschadiging te beschermen en de machine uit te schakelen. Naargelang de aard van de storing gebeurt dit op mechanische of elektrische weg. Het uitschakelen van de machine gebeurt langs mechanische weg door het verdraaien van de wachteras (10) of elektrisch door onderbreking van de stroomtoevoer naar de elektromagneet (20). Na het werken van de bewakingsinrichting kan de machine slechts opnieuw worden ingeschakeld en in werking gezet worden wanneer de storing hersteld is. Bijgevolg de machine niet met de hand verdraaien, wanneer de machine niet kan ingeschakeld worden. Niet draaien met omhooggehouden greepstang, omdat de bewakingsinrichting hierbij niet werkt. 1. Nood-stop-schakelaar 2. Afstelknoppen 3. Kettingwachter 4. Inslagwachter 5. Projectielopener 6. Projectielopheffer 7. Terughaleropener 8. Schaar 9. Wisselaarblokkering 10. Wachteras 11. Elektronische opvangwachter 12. Vangzwaard, loodrecht 13. Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

13. Uitstoothefboom 14. Opvangrem 15. Vangzwaard, horizontaal 16. Uitstootklink (enkel type D2) 17. Schakelkast 18. Zekeringen v/d schotzoekinriching 19. Zekeringen v/d ophefinrichting nokschijvenmachine 20. Elektromagneet 21. Machinerem 22. Machinekoppeling

Product engineering weven 1 – oefeningen

107


7.2. Bewaking d.m.v. een veiligheidsslede Bewegingen die door een dubbele excentriek gestuurd worden zijn door een veiligheidsslede beveiligd. Bewaking in schietwerk: schaar en inslagkleurwisselaar in vangwerk: vangrem, vangzwaard, uitstoter 7.2.1. Figuur en onderdelenlijst veiligheidsslede Figuur:

13 15

14

12

10

9 1

11

16 8

5 2

6

7

Figuur 58 – Onderdelenlijst slede (handleiding Sulzer PU)

Onderdelenlijst:

5’

1. Veiligheidsstift 2. Wachteras 3.Klinkhefboom 4. Klink 5 en 5’: Elektromagneet 6 en 7.Hefboom 8. Excentrieken 9. Veiligheidshefboom

10. Wachteras 11. Wachteras 12. Veiligheidsslede 13. Stelschroef 14. Veiligheidspin 15. Valhefboom 16. Vast draaipunt veiligheidshefboom

7.2.2. Werking veiligheidsslede Bewegingen die door een dubbele excentriek gestuurd worden zijn door een veiligheidsslede beveiligd. Deze inrichting werkt als volgt: Bij een draaiende weefmachine zorgen de excentrieken, welke in wijzerszin draaien, op de nevenas (8) voor een heen - en weergaande beweging van de veiligheidshefboom (9). Het vast draaipunt van deze hefboom is bevestigd op een veiligheidsslede (12). Dit vast draaipunt wordt voortdurend naar links gehouden onder druk van een veer (11). De veiligheidsslede (12) bevat een inkeping waarin een veiligheidspin (14) rust. Bovenaan deze veiligheidspin zit een stelschroef (13), dewelke bevestigd is aan een aan een valhefboom (15). Langs de andere zijde werkt deze valhefboom in op een veiligheidsstift (1), welke op zijn beurt kan inwerken op het voetje van de klinkhefboom (3). Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

108


Bij blokkage zal het vast draaipunt van de veiligheidshefboom naar rechts bewegen Hierdoor zal de schuine kant (inkeping) v/d veiligheidsslede de schuine kant v/d veiligheidsspin (14) omhoog duwen. Zodat de valhefboom (15) kantelt en de veiligheidsstift (1) naar beneden drukt. Dit heeft als gevolg dat de klinkhefboom (3) kantelt naar beneden en de wachteras (2) welke over gans de breedte van de weefmachine loopt inschakeld. Hierdoor duwt het neusje van de klinkhefboom de klink (4) naar omhoog. De stroom zal onderbreken en de hefboom (6) kantelt een beetje naar rechts ongeveer 3 mm. Dit heeft als gevolg dat de hefboom (7) de elektromagneet (5’) in drukt en de weefmachine uitschakeld via de koppeling. 8. Het slagstukmechanisme 8.1. Doel : Het slagstukmechanisme zorgt ervoor dat de nodige kracht ontwikkeld wordt voor het afschieten van het projectiel, wanneer deze gepresenteerd wordt in afschietpositie. Op dat ogenblik zal de slaghefboom voorzien van een slagstuk het projectiel afschieten. 8.2. Werking : 1. De tekening geeft de positie weer van het projectiel juist voor het afschieten. D.w.z. dat het kniegewricht met zijn twee losse scharnierpunten in gestrekte toestand staat, d.w.z : - juist voor het knikken - juist in zijn dode punt De slaghefboom staat in zijn achterste positie. 2. Hoe wordt de nodige energie voortgebracht voor het afschieten van het projectiel? De aandrijving gaat uit van de hoofdas waarop een conisch tandwiel zit dat intandt met het conisch tandwiel op de bijas. Op deze as zit een slagnok dewelke draait in wijzerzin over de rollenhefboom. Op het ogenblik dat de slagnok met zijn neus op de punt van de rollenhefboom komt te staan, dan valt het kniegewricht uit zijn evenwicht over zijn dode punt naar rechts waardoor de rollenhefboom naar links beweegt. De slaghefboom slaat op hetzelfde ogenblik naar rechts en de slagas beweegt naar beneden. Gevolg: De opgespannen torsiestaaf ontspant zich, zodat de potentiële energie omgezet wordt in kinetische energie en het projectiel afgeschoten wordt. De slag van de slaghefboom wordt opgevangen door een dempingsinrichting. Dit gebeurt doordat op hetzelfde ogenblik de piston naar rechts vliegt in het oliereservoir van de dempingsinrichting waar het door de olie wordt afgeremd. De cyclus kan herbeginnen.

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

109


8.3. Figuren :

Figuur 59 – Regeling Torsiestaaf (handleiding Sulzer PU)

Figuur 60 – slagstukmechanisme afschieten projectiel Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

110


8.4. Het verdraaiingsbereik van de torsiestaaf De hoeveelheid torsie wordt aangepast in het spanhuis achteraan en is afhankelijk van de nominale weefbreedte. Met deze torsiestaaf kunnen alle noodzakelijke afschietsnelheden worden bereikt. Het afstellen op nominale breedte van de machinetypes gebeurt volgens verschillende schaalverdelingsplaatjes (13). De toelaatbare verdraaiingsbereiken worden op de schaalverdelingsplaat geel en wit aangeduid. Indien de aanduiding in het rood staat bestaat er gevaar voor het breken van de torsiestaaf.

Figuur 61 – Bereik torsiestaaf (handleiding Sulzer PU)

8.5. Spannen en ontspannen van de torsiestaaf. De torsiestaaf mag slechts worden opgespannen in de onderstaande machinestanden. Ook het ontspannen moet worden uitgevoerd in deze machinestanden. Slechts in uitzonderlijke gevallen, bv. bij storingen in het slagmechanisme, mag de torsiestaaf in elke machinestand worden ontspannen.

Figuur 62 – Regeling torsiestaaf (handleiding Sulzer PU)

Hoe wordt dit nu geregeld? Moer 15 aan de spanflens 12 lossen. Stelschroef 16 uitdraaien, tot de markeringsinkeping 14 aan de spanflens 12 op de nulaanduiding van het schaalverdelingsplaatje 13 kan ingesteld worden. Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

111


9. De vangrem 9.1. Doel : Het projectiel in het opvangmechanisme tot stilstand brengen. Dit gebeurt door twee bovenste remblokjes en één onderste remplaat. 9.2. Basisinstelling Opmerking: Een goede instelling kan maar bekomen worden op voorwaarde dat de projectielen allemaal dezelfde dikte hebben. Dit wordt gemeten met een kaliber. Instelling: De twee vangremmen tot tegen hun aanslag in tegenwijzerzin omhoog draaien. Vervolgens de 2 bouten van de vangremmen elk 2 toeren terugdraaien in wijzerzin. De machine eens met de hand vooruit draaien en kijken of het projectiel aangekomen is in de opvangzijde. Dan de voorste opvangrem (1) zo regelen tot het diepst komende projectiel (7) tot ongeveer 1 mm van de terugschuiver (6) tot stilstand komt. De achterste vangrem zo regelen tot het diepst komende projectiel tot 1 cm van de terugschuiver tot stilstand komt. Opm: DIT MOET IEDERE DAG GECONTROLEERD WORDEN!

Figuur 63 – Controle positie aankomst projectiel i/d vangrem (handleiding Sulzer PU)

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

112


9.3. Toelaatbare slijtage van het rembelegsel: De onderste remplaat (3) moet vervangen worden als de middenste brug 20 mm afgesleten is. Het voorste - en achterste rembelegsel (4) en (5) moet vervangen worden als de slijtage meer dan 2 mm bedraagt t.o.v. een nieuw rembelegsel.

Figuur 64 – Remplaatsjes Sulzer TW11 (handleiding Sulzer PU)

10. De draadspanner: 10.1. Doel : De draadspanner opgesteld tussen de bobijn en het schietwerk bestaat uit een draadrem en een terugtrekhefboom, de draadspanner genaamd. Deze voeren samen volgende taken uit: ° Het afremmen van de inslag door de draadrem wanneer deze op het einde van de inslaginbreng is. ° Terugtrekken van de ingebrachte inslag wanneer het projectiel is aangekomen in het vangwerk. Zodat de inslag in zijn gestrekte toestand aan de beide zijden door de draadklemmen kan gevat worden. ° Opspannen van de inslagdraad als de terughaler met de afgesneden inslag terug beweegt van de weefselkant weg. Zodat deze in gestrekte toestand in de projectielklem kan gepresenteerd worden voor het afschieten. ° Afgeven van een voorraad draadlengte, zodanig dat deze als stootreserve dient tussen de bobijn en het projectiel op het ogenblik van afschieten van het projectiel. TW11

PU Figuur 65 – Draadspanner inslaggaren Sulzer TW11 (handleiding Sulzer PU) Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

113


PU

Figuur 66 – Overzicht draadspanner inslaggaren Sulzer TW11 (Handleiding Sulzer PU)

Remband, remveer, remlepel Het type remband, remveer en remlepel dat gekozen wordt staat in functie van de gebruikte grondstof (zie bijhorende tabellen).

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

114


Figuur 67 – Overzicht remkoppen + platen Sulzer PU (Handleiding Sulzer PU)

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

115


11. Revisie van schiet - en vangwerk op een Sulzer weefmachine. 11.1. Doel : Het uitvoeren van een revisie is zeer belangrijk, het helpt het opsporen van de oorzaken van vroegtijdige slijtages. Een revisie moet minstens éénmaal per maand uitgevoerd worden. Het kan ook gebeuren na een kettingwissel. 11.2. Algemeenheden : Voor het uitvoeren van een revisie is het belangrijk dat men de machine in de juiste machinestand plaatst. Afhankelijk van het type weefmachine is dit meestal rond machinestand MS: 50°. Het smeren van het vangwerk gebeurt met vet en olie, daarentegen gebruikt men voor het schietwerk enkel olie. Elementen dewelke in aanraking komen met elkaar worden ingewreven met droog vet van het type “ Unimoly C220 “. Op plaatsen waar de wrijving het grootst is gebruikt men wit vet van het type “ Staburags “. Voor wat betreft de controle van het oliepeil van de carter van het vang - en schietwerk zal men een opening moeten maken in het midden van het weefsel. Indien nodig zal men het oliepeil aanvullen met olie van het type “ tellus 220 “. Verder dient ook het oliepeil voor de torsiestaaf gecontroleerd te worden, indien nodig zal men hier het olietype “ Rimola X30 “ gebruiken. 11.3. Het uitvoeren van een revisie ° Vooraf:

- Machine verdraaien tot MS: 50° - Schachten op wissel plaatsen. - Schachten en riet uitblazen, eventueel het riet uitwassen met een detergent ( White Spirit ). - Bij het verweven van PA - weefsel moet men voornamelijk het riet uitwassen.

11.3.1. Demontage schietwerk ° Wegnemen van het sluitstuk v/d terughaler (3) door middel van 2 imbusschroeven uit te draaien. ° Uitnemen van de terughaler (2) door vooraf de 2 zwarte schroefjes een beetje uit te draaien. ° Wegnemen van het geleidingsstuk v/d terughaler (4). ° Uitnemen van de 2 stangschroeven (6) die het bovenste sluitstuk (5) vasthouden. ° Het bovenste sluitstuk (5) uit zijn houder schuiven en terzelfdertijd het verbindingsstuk (7) (tong) bevestigd op de terughalerhefboom wegnemen. ° Demonteren van het slagstuk (8) en verbindingsstuk (9) van de slaghefboom. ° Wegnemen van het zwarte beschermingsdeksel boven het gedeelte van de terughalerklemopeners. ° Demonteren van het bovenste rode deksel (10) van de terughalerklemopeners door de 2 imbusschroeven uit te draaien. ° Uitnemen van de 2 terughalerklemopeners (11) met aandrijfstang (12) door de bout uit te draaien met sleutel n°14. Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

116


° Wegnemen van het asje (13) die de projectielopheffer met stang (14) en projectielklemopener vasthoudt. De projectielopheffer (14) en projectielklemopener wegkantelen v/d wever en de projectielklemopener verwijderen uit de projectielklem. ° Uitnemen van de schaar (16) door het volgende uit te voeren. -hefboom die de schaar beweegt ontkoppelen -centreerbeugel wegduwen van de wever met de L- duim en met het rechterhand de schaarhefboom omhoog bewegen en de schaar uithalen OPM: Erop letten dat men bij het uitnemen van de schaar de lagerring (17) niet laat vallen. 11.3.2. Demontage van het vangwerk ° De bovenste vangremmen (25) volledig uitdraaien tot tegen hun aanslag m.b.v sleutel n° 14. ° Het zwarte sluitplaat vangremmendeksel (23) uitnemen door de bout los te draaien met sleutel n°17. ° Vervolgens de 2 schroefjes van de verbindingsstang (24) van de voorste bovenste projectielrem losdraaien m.b.v 2 steeksleutels n° 11, zodat deze rem er kan uitgenomen worden. ° Dezelfde bewerking uitvoeren voor de achterste bovenste projectielrem (25). ° Uitnemen v/d onderste remplaat (26) en terugschuiver met verbindingsstukje (27). ° Uitnemen van de projectieluitstoter (29) en borstel (28) bij eventuele vervuiling. 11.3.3. Montage Het voorgaande laat ons nu toe alle losgemaakte onderdelen te controleren, smeringen uit te voeren en eventueel beschadigde onderdelen te vervangen waarna de montage in de tegenovergestelde volgorde kan gebeuren.

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

117


11.4. Figuren Revisie afschietzijde Onderdelenlijst: 1: deksel 2: terughalerklem 3: sluitstuk terughalerklem 4: geleidingsstuk terughalerklem 5 en 6: bovente sluitstuk met stangschroeven 7: verbindingsstuk terughalerklem (tong) 8: slagstuk 9: verbindingsstuk slagstuk - slaghefboom 10: dekplaat projectielopheffer 11: linker - en rechter terughalerklemopener 12: aandrijfstang terughalerklemopeners 13: as van projectielopheffer en projectielopener 14: projectielopheffer (lepel) 15: zekeringsplaat 16: inslagschaar 17: lagerring van de inslagschaar

Figuur 68 – Overzicht revisie schietkant Sulzer PU (persoonlijke schets)

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

118


Revisie vangzijde Onderdelenlijst: 23: achterste zwarte sluitplaat bovenste projectielremmen 24: verbindingsstang vangrem 25: voorste - en achterste bovenste projectielremmen 26: onderste remplaat met bekleding 27: terugschuiver 28: borstel voor reiniging transportketting 29: uitstootkamer

Figuur 69 – Overzicht revisie vangkant Sulzer PU (persoonlijke schets)

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

119


12. Figuren Sulzer PU De projectielrem Onderdelenlijst: 2. en 3. : stelschroeven bovenste voorste - en achterste projectielrem 6: terugschuiver 7: aandrijfhefboom voorste bovenste projectielrem 8: tussengewricht 9: verbindingsstukje 10: achterste bovenste projectielrem

Figuur 70 – Werking projectielterugschuiver + onderste remplaat Sulzer PU (Handleiding Sulzer PU)

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

120


De terugschuiver Onderdelenlijst: 1: projectiel 2: vangzwaardopener 3: vangzwaarduitstoterhefboom 5: sleufexcentriek ( kurventrommel) 6: terugschuiver 7: regelschroef uitstoterhefboom 8: terugschuiverhefboom in stand II 10: verbindingsstukje terugschuiver - hefboom 11: voorste - en achterste bovenste projectielrem 12: kantdraadklem

Figuur 71 – Terugschuiver projectiel Sulzer PU (Handleiding Sulzer PU)

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

121


Het openen van de projectielklemmen en het uitstoten van het projectiel in het uitstootkanaal Onderdelenlijst: 4: projectielklem 6: projectielopener (vangzwaardopener) 12: uitstoter 14: uitstootkanaal 16: projectieluitstoter

Figuur 72 – Projectielklemopener Sulzer PU (Handleiding Sulzer PU)

Projectielsmering Onderdelenlijst: 18: smeerhuis 19: smeerventiel 20: smeervilt

Figuur 73 – Projectielsmering Sulzer PU (Handleiding Sulzer PU) Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

122


De terugtransportketting Onderdelenlijst: 1: transportketting 2: terugschuiver 7: vangzwaarduitstoterhefboom 15: schakel ( meeneemstuk) 16: projectieluitstoter

Figuur 74 – Transportketting projectiel Sulzer PU (Handleiding Sulzer PU)

Besluit : thema 10 Nadat de studenten de basis gekregen hebben v/ projectielinslaginbreng zal het hen duidelijk geworden zijn dat het vrij complexe weefmachines zijn en het heel wat ervaring vraagt om deze draaiende te houden

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

123


LES 10

THEMA 10 : GAAPVORMINGSMECHANISMEN 1. Inleiding In dit laatste thema wordt de studenten duidelijk gemaakt welke de verschillende mechanismen er mogelijk zijn op de weefmachines voor het vormen van een gaap. De technologie v/ ieder soort mechanisme wordt praktisch bekeken aan de machine. Als laatste oefening gaan we een nokkenbak demonteren en monteren en de nokken vervangen voor het wijzigen v/d binding. (zie bijlage pg. 257-318). 2. Inhoud 1. Doel 2. Soorten gaapvormingsmechanismen 2.1. Positief krukmechanisme 2.2. Positieve nokkenmachine 2.3. Positieve en negatieve rotatieve dobby 2.4. Jacquard 3. Schachtaandrijving 3.1. Negatieve dobby 3.2. Positieve dobby 4. Bespreking van de elektronische positieve rotatieve dobby Stäubli 2670 4.1. Opbouw en werking van een elektronische rotatieve dobby 4.1.1. De modulator Stäubli Type 2670 4.1.1.1. Aandrijving van de modulator 4.1.1.2. Opbouw van de modulator 4.1.1.3. Het bekomen van de versnelde-vertraagde beweging 4.1.2. De leesgroep 4.1.2.1. Het selectie-element van Stäubli Type 2670 4.1.2.2. De commando-inrichting Stäubli Type 2670 4.1.3. De versterkingsgroep 4.1.3.1. Werking van het schachtapparaat 4.1.3.1.1. Algemeen werkingsprincipe Stäubli Type 2670 4.1.3.2. Detailwerking 5. Bespreking van een nokkenbak Stäubli Type 1610 5.1. Algemeenheden 3. Praktische oefening • Het wijzigen van de binding i.g.v. nokkenbak Stäubli Type 1610 • Het wijzigen van het rapport • Synchronisatie van de nokkenbak met de machine 4. Bespreking van de ingediende rapporten Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

124


De gaapvormingsmechanismen

1. Doel : Deze mechanismen worden enerzijds gebruikt voor de schachten voorzien van hevels en kettingdraden op en neer te laten bewegen in functie van de gevraagde binding zodanig dat men inweving bekomt van de ketting met de inslag voor het bekomen van eenvoudige bindingen. Anderzijds bestaan er ook nog de jacquardmachines waarbij iedere kettingdraad afzonderlijk bewogen wordt, voor het bekomen van meerdere effecten in een weefsel m.a.w voor het vervaardigen van fantasieweefsels. 2. Soorten gaapvormingsmechanismen In functie van hun toepassingsgebied bestaan er verschillende soorten mechanismen : • Een positief krukmechanisme • Een positieve nokkenmachine • Een positieve elektronische dobby • Een negatieve dobby • Een Jacquardmachine 2.1. Een positief krukmechanisme Dit kan worden toegepast : op een Picanol DELTA, OMNI en is geschikt voor een lijnwaadbinding (1/1) met maximaal 6 schachten. 80 à 90 % van de weefmachines in de wereld hebben dit gaapvormingsmechanisme. 2.2. Een positieve nokkenmachine Toepasbaar op de volgende weefmachines : • Picanol DELTA, OMNI, GTX, GAMMA geschikt voor max. 8 schachten met 12 mm deling. Picanol OMNI PLUS, Picanol DELTA-X en Picanol GAMMA SUMO: tot max. 10 weeframen • Dornier Luchtstraalweefmachine DLW : max. 12 schachten met deling 12 mm Dornier grijperweefmachine type HTVS/E : max. 12 schachten met deling 12 mm • Somet THEMA Super Excel grijperweefmachine : tot max. 12 schachten met deling 12 mm. Somet Super Excel grijperweefmachine : tot max. 12 schachten met deling 12 mm. Somet Clipper luchtstraalweefmachine : tot max. 12 schachten met deling 12 mm. De positieve sturing bij zowel het krukmechanisme als bij de nokkenmachine maken deze wijze van gaapvorming uiterst geschikt voor hoge snelheden : De gaap is altijd zuiver en de beweging van weeframen is trillingsvrij. Zowel een symmetrische als asymmetrische gaapvorming zijn mogelijk. Tevens heeft een positieve sturing geen terugtrekveren en kabels, waardoor het energieverbruik lager is en onderhoud overbodig. 2.3. Positieve en negatieve elektronische rotatieve dobby Toepasbaar op de volgende weefmachines : • Picanol OMNI : neg. dobby : tot max. 16 weeframen (voor 190,220 en 250 cm rietbreedtes) pos. dobby : tot max. 16 weeframen in alle rietbreedtes Picanol OMNI PLUS : pos.dobby : tot max. 16 weeframen in alle rietbreedtes Picanol DELTA – X : pos. Dobby : tot max. 16 weeframen Picanol GAMMA : 12, 20 en 24 weeframen met 12 mm deling met nivellering Picanol GAMMA SUMO : pos. – en neg. dobby : tot max. 16 weeframen in alle breedtes ? Picanol GTX : tot max. 22 weeframen met deling 12mm Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

125


• Somet THEMA super Excel grijperweefmachine : van 12 tot max. 20 schachten met deling 12 mm Somet Super Excel grijperweefmachine : van 12 tot max. 20 schachten met deling 12 mm Somet CLIPPER luchtstraalweefmachine : waarschijnlijk ook van 12 tot max. 20 schachten met deling 12 mm. • Dornier Luchtstraalweefmachine DLW : tot max. 16schachten met deling 12 mm Dornier grijperweefmachine type HTVS/E : tot max. 16 schachten met deling 12 mm (waarschijnlijk tot 16 schachten, staat niet weergegeven in brochures) Nog te weten i.v.m de positieve elektronische dobby Op de OMNI en GAMMA machines wordt de pos. dobby rechtstreeks aangedreven door een friktie-koppeling (dus zonder riemen). Op de GTX wordt de pos. dobby aangedreven door een gesplitste aandrijfriem, wat de levensduur ten goede komt. Op alle type Picanol weefmachines worden de kleurpatronen en bindingsrapporten in gegeven via de microprocessor van de machine. Nog te weten i.v.m de negatieve elektronische dobby De aandrijving gebeurt hier rechtstreeks (zoals bij de positieve dobby) dus zonder riemen. Op alle type Picanol weefmachines worden de kleurpatronen en bindingsrapporten in gegeven via de microprocessor van de machine. • Belangrijk : de aandrijving v/d schachten is verschillend tussen een neg. - en pos. dobby, maar de eigenlijke werking van de elektronische rotatieve dobby’s is dezelfde!!! 2.4. Jacquard Een Jacquardmachine is geschikt voor alle Picanol weefmachines met uitzondering van een Picanol DELTA/DELTA-X. Vraagje : Waarom gaat men in veel gevallen een negatieve – en of positieve dobby gebruiken i.p.v. een nokkenbak voor de schachtbeweging, en wat is het grote verschil tussen een positieve en negatieve elektronische dobby? Een positieve – en negatieve dobby gaat men gebruiken op weefmachines indien er veel artikelwissels of m.a.w. veel verschillende kwaliteiten moeten uitgeweven worden waarbij men steeds moet veranderen v/ bindingen. Dit is één v/d grote beperkingen bij een nokkenbak omdat telkens bij verandering v/ binding er een andere nokkendoorn dient gemonteerd te worden. Wat tijdverlies, dus productieverlies inhoud. Daarenboven wordt een nokkenbak gebruikt voor : - massaproductie - eenvoudige bindingen zoals lijnwaad, keper -en satijn basisbindingen - grotere productiviteit gezien de hogere machine snelheden

-

-

Het verschil tussen een negatieve – en positieve dobby zit hem niet in de sturing v/d schachten maar in de manier waarop de schachten worden aangedreven t.t.z. : Neg.dobby : schachtaandrijving via kammen (hefbomen) en kabels. Het aantal kabels is in functie v/h aantal schachten. Negatief wil zeggen dat de schachten opgetrokken worden door kabels. Pos. Dobby : Schachtaandrijving enkel via kammen (hefbomen). Het aantal hefbomen is in functie v/h aantal schachten. Positief wil zeggen dat de schachten opgeduwd worden door hefbomen Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

126


3. Schachtaandrijving 3.1. Negatieve dobby De schachten worden negatief aangedreven omdat ze omhoog getrokken worden door een aantal veren en kabels die aan beide zijden van de machine opgesteld staan. Voor het uitnemen van de schachten (= veranderen van kwaliteit) en de montage van de neg. dobby voor een bepaalde herstelling plaats men best de weeframen via de microprocessor “. 4” testpatroon “ alle kaders boven”, zodanig dat er minder spanning op de veren en kabels aanwezig is, zodanig dat de kaders gemakkelijk uitgenomen kunnen worden of voor reparatie aan de dobby dat de kammen gemakkelijker beweegbaar zijn.

Figuur 75 – Aandrijving weefmachine – neg. elektronische dobby (Handleiding Stäubli 2580 RS)

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

127


Figuur 76 – Schachtaandrijving – neg. elektronische dobby (Handleiding Stäubli 2580 RS)

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

128


3.2. Positieve dobby De schachten worden positief aangedreven d.w.z. dat de hefbomen onderaan de schachten rechtreeks in verbinding staan met de hefbomen van de pos. dobby, d.w.z. als de hefbomen in de dobby omhoog gaan de schachten ook “op” zijn.

Figuur 77 – Aandrijving weefmachine – pos. elektronische dobby (Handleiding Stäubli type 2670)

Figuur 78 – Schachtaandrijving– pos. elektronische dobby (Handleiding Stäubli type 2670)

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

129


3.3. Nokkenbak Stäubli type 1610 3.3.1. Algemeenheden Uit punt 2.2 blijkt duidelijk dat het gebruik van een nokkenbak uiterst geschikt en betrouwbaar is voor massaproduktie aan zeer hoge snelheden. Daarnaast heeft een nokkenbak wel één groot nadeel in vergelijk met de andere gaapvormingsmechanismen nl. het wijzigen van de binding. Bij de andere systemen kon men de binding gemakkelijk via de microprocessor veranderen in functie van het aantal weeframen gemonteerd in de machine. Nu bij een weefmachine met weefraamaandrijving via een nokkenbak dient men voor het wijzigen van de binding de nokkendoorn uit de karter te halen, wat natuurlijk een bepaalde tijd in beslag neemt. Het is ook zo dat men bij het gebruik van een nokkenbak beperkt zit op het gebied van bindingen, het zijn nl. bindingen met een klein bindingsrapport. Men maakt ook onderscheid tussen symmetrische en assymmetrische nokken, waarbij het profiel van de nokken verschillend is in functie van de gewenste binding. (Zie bijlage handleiding Picanol GAMMA pg. 7a.4 - 7a.5). 4. Praktische oefeningen 4.1. Nokkenbak Stäubli Type 1610 (zie bijlage handleiding Stäubli ) (bijlage Picanol OMNIplus pg. Va.3 t.e.m. Va.6 en pg. Va.22 t.e.m. pg.Va.30 Versie 1.03 – 02/2003) (Bijlage Picanol Gamma Sumo pg. 7a.1 t.e.m. 7a.16) 4.1.1. Het wijzigen van de binding Werkwijze : • Het uithalen van nokkendoorn uit het karter. • Demontage van de nokken. • Montage van de nokken (dezelfde i.g.v. breuk of andere bij het wijzigen van de binding. • Montage van de nokkendoorn. 4.1.2. Het wijzigen van het rapport Werkwijze : • Vervangen van het groot conisch tandwiel • Vervangen van het klein conisch tandwiel 4.1.3. Synchronisatie van de nokkenbak met de machine

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

130


4.1.4. Aanpassen v/h bindingspatroon i.g.v. een nokkenbak type 1661 Stäubli (zie bijlage manuel Picanol OMNIplus versie 1.03 02/2003 pg.Va.22 t.e.m. pg.Va.30) 1. Inleiding • Voor het bekomen v/e goede gaapgeometrie i.g.v. een nokkenbak dient men de volgende parameters in te stellen : - gaapgrootte ( of spronghoek) in functie v/d garenkwaliteit ° filamentgarens : 22° - 26° ° gesponnen garens : 28° - 32° - gaaphoogte (= positie v/d gaap t.o.v. het insertiekanaal) wordt beinvloed door de de volgende faktoren : ° aantal kanalen waarmee de hoofdblazer is uitgerust ° bewegingswet v/d lade ° bewegingswet v/d kaderaandrijving ° kruisingsmoment (filamentgarens 330°-350° en gesponnen garen 305°-325°) • Naast deze parameters i.v.m. de gaapgeometrie is de volgende praktische kennis van zeer groot belang. Wetende dat een nokkenbak gebruikt wordt voor het vervaardigen van weefsel met een eenvoudig bindingspatroon en voor massaproductie aan hoge productiesnelheden i.g.v. luchtstraalinbreng t.e.m. 1400 tpm en i.g.v. gesponnen garens t.e.m. 900 tpm. • Vooraleer men het bindingspatroon gaat wijzigen moet het volgende gekend zijn. Er bestaan verschillende soorten nokken (profielen) in functie v/d binding en het gebruikte garen (zie tabel 2 pg. Va.15 versie 02/2003 – OMNIplus)

Figuur 79 – Aanpassing nokkenbaktype

° PO: profielen waardoor de schachten een even grote opgaande – als neergaande beweging krijgen. ° AL20 : hier is de kaderaandrijving niet symmetrisch, hoe groter het nummer, hoe groter de assymmetrie. (AL 47) Bij gebruik van een nokkenbak met assymmetrische nokken krijgt men bij de gaapvorming gemakkelijker de inslagen in de gaap. Hierbij is het logisch dat hoe vroeger men de wissel instelt, hoe gemakkelijker men ook de inslagen in de gaap krijgt.

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

131


Opm : in verband met de demontage en montage is ook nog het volgende belangrijk : - De onderste nok geplaatst op de doorn zorgt voor de aandrijving v/d schacht het dichtst bij de wever. - Bij de montage dient men vooraf ook eens op het fabricageplaatje te kijken of men te maken geeft met de “A” of de “B” richting. Bij een Picanol OMNIplus is altijd een nokkenbak gemonteerd met richting “B”. - Bindingen met een rapport v/ 3 (verdubbeld naar 6) en 4 zijn mogelijk om te monteren. 2. Voorbeelden : Teken het bindingsrapport met zijn doorhaal in de kaders en de opstelling v/d nokken. Voorbeeld 1 : Kettingkeper 2 1 Voorbeeld 2 : Kettingsatijn 5 / gekoppeld aan inslagsatijn 5 \

Besluit : thema 10 Het werd de studenten duidelijk gemaakt wat de voor- en nadelen zijn v/d verschillende gaapvormingssystemen. Op basis van deze opgedane kennis zal men kunnen beslissen als eventuele latere verantwoordelijke v/e weverijafdeling welk gaapvormingsmechanisme het best technisch en financieel geschikt of haalbaar is voor het bedrijf.

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

132


LES 11 THEMA 11 : ANALYSE VAN BESTAANDE WEEFSELS – SIMULATIE EN VERDERE INNOVATIE 1. Inleiding

-

In dit thema wordt ingespeeld op het verwerven van kennis en vaardigheden van gebruikte textieltechnologieën binnen de textielindustrie. Vertrekkend v/e bestaand product, markt of expertise zullen de studenten door analyse en verdere ontwikkeling ook hun kennis en vaardigheden uitbreiden. Het accent wordt in dit thema gelegd op volgende punten : In groepjes v/ 2 studenten een bestaand weefsel of product analyseren In groepjes v/ 2 studenten een bestaand weefsel of product simuleren In groepjes v/ 2 studenten een bestaand weefsel of product innoveren Op die manier leren de studenten in groep werken en zal men meer inzicht en vaardigheden verwerven in het volgende :

-

Weefselstructuren (enkelvoudige weefsels) Terminal instellingen wijzigen zoals o.a. ingeven v/d binding, kleurrapport, inslagdichtheid enz.. Gaapgeometrie instellingen Geschikte tempels of breedtehouders monteren en instellen Verweven van verschillende garensoorten in inslagzin dit ter innovatie 2. Opdracht Aan de studenten wordt gevraagd van in groepjes van 2 personen volgende artikels te analyseren en in de mate v/h mogelijke deze weefsel uit te weven of te simuleren. 1. Weefsels firma Concordia : Weefsel 1 : Volgende vragen dienen beantwoord te worden Waarvoor wordt deze vest gebruikt? Wat zou volgens jullie de meeste geschikte grondstofsamenstelling v/h weefsel zijn? Geef de grondstofsamenstelling zowel in ketting als inslag? Wat is de dichtheid in ketting -en inslagzin? Welke binding bevat het weefsel? Ga na op welke weefmachine de simulatie het best zou gebeuren? Welke instellingen en onderdelen dient men hiervoor te wijzigen, te demonteren en te vervangen, noteer deze ook op een zelfgemaakt instellingspagina. Weefsel 2 : Zelfde vraagstelling weefsel 1 2. Weefsels firma Bonar : zelfde vraagstelling weefsels Concordia Weefsel 1 : Vertical screens Weefsel 2 : Open Sun shading screens Weefsel 3 : Professionel ground covers Weefsel 4 : Mushroom fabrics Weefsel 5 : Biobased landscaping fabrics Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

133


7. Zelfevaluatie 1. Wat verstaat men onder de benaming “weefcyclus”, verklaar? 2. Geef de voornaamste onderdelen v/e weefmachine, bespreek? 3. Wat is het doel van een automatische afwindinrichting? 4. a. Uit wat is een sleep opgebouwd? b. Hoe kan men nu een sleepsteun instellen, en van welke factoren is dit afhankelijk? 5. Bespreek de werking v/e continu kettingaflaat met linaire Px a.d.h.v. de bijgevoegde figuur? 6. Bespreek de werking v/e continu kettingaflaat met kettingspanningssensor op de tasterrolSteun (TSF) – sleeptype BLF? 7. a. Geef de soorten opwindingssystemen v/e weefsel? b. Voor wat dient een regulator en wat wordt er door bepaald? 8. a. Wat betekent een wilde wikkeling bij bobijnen? b. Geef de kenmerken v/e wilde wikkeling principe? 9. Wat is het principe van verwervelen van garen en voor wat wordt het gebruikt? 10. a. Wat verstaat men onder de benaming “topovergave” bij inslaginbreng? b. Geef de verschillende soorten overname? 11. Bespreek de rietbeweging v/e weefmachine a.d.h.v. de bijgevoegde figuur? 12. a. Hoe wordt de nodige energie voortgebracht voor het afschieten v/e projectiel? b. Hoe wordt de slag opgevangen?

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

134


Bachelor in de textieltechnologie 1° jaar

Oef . PRODUCT ENGINEERING WEVEN 1 : Deel 2 : Begeleid Zelfstandig Leren

Dhr. Kurt Gabriël - Praktijklector

Hogeschool Gent

Faculteit Natuur en Techniek

Academiejaar 2019 – 2020

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

135


OEFENINGEN PRODUCT ENGINEERING WEVEN 1 DEEL 2 : BZL 1°J. BACHELOR IN DE TEXTIELTECHNOLOGIE 8. Uitgebreide vakinhouden BZL Thema 1 : Het doorhalen op een doorhaalstelling Technische informatie i.v.m. lamellen – hevels – rieten Besluit thema 1

137 – 144 145 - 146 146

Thema 2 : Het aandraaien van weefbomen Besluit thema 2

147- 164 164

Thema 12 : Gebruikte termen bij oorzaken v/ stilstanden en weefselfouten tijdens opnames

165 - 175

9. Te maken verslagen

176

10. Bibliografie

177

Opm : per thema werden de vakinhouden nog gedetailleerd uitgeschreven

Inleiding De studenten dienen de hierboven vermelde thema’s eerst in groep en dan individueel uit te voeren. Dit gebeurt in 3 lessen van 2u.

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

136


8. CURSUS – THEMA’S BZL 3 THEMA’S BZL (DEEL2)

LES 1 - BZL

THEMA 1 : HET DOORHALEN OP EEN DOORHAALSTELLING 1. Inleiding In dit thema leren de studenten in groep een weefboom klaar te stellen voor het volledig handmatig of half manueel doorhalen van iedere kettingdraad door zijn respectievelijke lamel, hevel, rietopening. Het kan ook en dit gebeurt ook in de praktijk dat men de lamellen achteraf manueel op de kettingwachters van de weefmachines gaat plaatsen. 2. Inhoud 1. Doel

2. De voorbereiding tot het doorhalen

3. Eigenlijke doorhalen 3.1. Lamellen, hevels, riet 3.2. Hevels, riet

4. Soorten doorhaling 4.1. Opeenvolgend 4.2. Onderbroken 4.3. Terugkerend

3. Oefeningen doorhaling

4. Bespreking ingediende rapporten

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

137


Het doorhalen van een weefboom op een doorhaalstelling

1. Inleiding Een weefboom afkomstig van de voorbereiding (warp - en of scheerafdeling), dient klaargemaakt te worden voor de weverij. In de voorbereiding wordt elke draad afzonderlijk doorgehaald door achtereenvolgens de lamellen (indien niet nadien op de weefmachine geplaatst), hevels en het riet (dr/t). 2. Voorbereiding tot het doorhalen Voordat men kan beginnen met eigenlijke doorhalen dient men het volgende uit te voeren: • Het aanvoeren van de weefboom voor de doorhaalstelling van Stäubli (vroeger USTER genaamd). • De twee opspanlatten uitnemen. • Het beweegbare gedeelte van de doorhaalstelling horizontaal kantelen zodanig dat de zwarte borstel langs de kant van de weefboom komt te staan. • Het garen van de weefboom klemmen tussen twee latten en een beetje opdraaien. • Een bepaalde hoeveelheid garen van de weefboom afrollen, langs onder naar boven tot over de zwarte borstel van de stelling. • Met de zwarte borstel het garen nog voor een bepaalde hoeveelheid van de weefboom wikkkelen tot het garen recht en over de volledige weefboombreedte over de stelling komt te liggen. De garenspanning blijft behouden door de klink rechts van de zwarte borstel te laten intanden. • De weefboom vastzetten. • De garenspanning een beetje verminderen door de zwarte borstel een beetje terug te draaien zodanig dat nu de eerste opspanlat kan ingelegd worden het dichtst bij de weefboom. Opgelet, zoveel mogelijk spanning op het garen trachten te behouden. • Nu het garen tussen de eerste opspanlat en de borstel terug op spanning brengen door de zwarte borstel terug een beetje te verdraaien, terzelfdertijd de klink rechts van de borstel laten intanden zodanig de garenspanning behouden blijft, eventueel de beweegbare lat een beetje opendraaien. • Vervolgens het garen kammen, te beginnen aan de eerste opspanlat tot aan de borstel. De borstel een aantal maal verdraaien met de kam in de borstel geplaatst zodanig dat het garen nog meer gescheiden en zo ook nog rechter komt te liggen. • Nu terug de borstel een beetje terug draaien zodanig dat de tweede opspanlat onder de gewenste spanning kan ingebracht worden. • Enkel in het geval van gesterkt garen, gaat men het garen nog beter scheiden door te kammen tussen de twee opspanlatten m.b.v. een borstel met metalen pinnetjes. Opgelet, het kammen moet van boven naar beneden gebeuren rekening houdende met de richting van de pinnetjes anders is het gevaarlijk voor het beschadigen, breken van het garen. • Vervolgens het garen afknippen tussen de tweede opspanlat en de borstel. Opgelet: het garen niet te kort afknippen! • De doorhaalstelling nu recht plaatsen. • Nu is de doorhaalstelling klaar voor het bevestigen van het bevestigen van de automatische doorhaalmachine op de stelling. Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

138


• Indien het doorhalen gebeurt van de lamellen op de stelling dient men nu de zwarte metalen metalen latten voorzien van een bepaald aantal gesloten lamellen op de stelling te plaatsen en pas daarna gebeurt het plaatsen van het toestel voor het automatisch aangeven van de lamellen. Opm: het gebruik van open lamellen i.p.v. gesloten lamellen gaat ook doch het automatisch aangeven gebeurt minder vlot. • Als dit allemaal gebeurt is plaatst men de schachten voorzien van een juist aantal hevels op de juiste hoogte aan de andere zijde van de stelling. • In functie van het garennummer gaat men nu de juiste naald op de automatische draadaangever bevestigen. • Het doorhalen van de lamellen gebeurt meestal opeenvolgend, het kan onderbroken gebeuren. Het doorhalen van de hevels gebeurt ook volgens een bepaald systeem. (zie verder). • Indien het automatisch doorhalen ook terzelfdertijd gebeurt, dienen er 4 pinnen gestoken te worden voor de latten waarover de lamellen bevestigd zijn goed op hun plaats te houden. • Pas nu plaats men het toestel dat de lamellen automatisch aangeeft op de stelling en over de desbetreffende latten. • Uiteindelijk kan men nu beginnen met het half automatisch doorhalen t.t.z. de draad wordt wel aangegeven door de draadaangever, maar men moet nog altijd een doorhaalhaak brengen door de automatisch aangegeven lamel en door de hevel die wel telkens met de hand genomen moet worden. 3. Het eigenlijke doorhalen Het doorhalen kan gebeuren op twee verschillende manieren nl. • lamellen

hevels

• Hevels

riet

riet

lamellen worden achteraf op de machine geplaatst

4. Soorten doorhalingen 4.1. Opeenvolgend Dit is de meest gebruikte manier van doorhaling, want er zijn geen beperkingen op het gebied van bindingen. Met deze doorhaling kan men zeer gemakkelijk van binding veranderen. Hier worden de kettingdraden volgens nummerieke orde in de schachten doorgehaald. Men maakt onderscheid tussen Z - en S - doorhaling: Z- doorhaling : hier begint men de 1° draad door te halen in de 1° schacht (schacht het dichtst bij de wever), en men neemt een volgende schacht voor elke verschillend werkende kettingdraad.

S- doorhaling : hier wordt de 1° draad op de laatste schacht doorgehaald, en men neemt een voorgaande schacht voor elke verschillend werkende kettingdraad.

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

139


Bv. Kettingkeper 4

s

z

2dr/t

4 3 2 1

4 3 2 1

4.2. Terugkerend Wordt bekomen door een aantal draden opeenvolgend en daarna een gelijk of verschillend aantal draden in omgekeerde orde door te halen. Bv. Keper 5 terugkerend na 1 rakkoord

2dr/t

5 4 3 2 1

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

140


4.3. Onderbroken Is een soort doorhaal waarbij de draden onregelmatig worden doorgehaald. Gelijkwerkende draden haalt men op dezelfde schacht door. Hierbij heeft men ook overhandse doorhaling waarbij er een zeker aantal draden op de onpare schachten en eenzelfde aantal draden op de pare schachten zijn doorgehaald. Bv. Fantasiebinding

3dr/t

4 3 2 1

Bv. Lijnwaad

2dr/t overhandse doorhaling

4 3 2 1

5. Praktische oefening Oefeningen op de verschillende soorten doorhalingen, zowel volledig handmatig als halfautomatische doorhaling.

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

141


Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

142


Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

143


Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

144


6. Technische informatie i.v.m. lamellen – hevels - rieten 6.1. Doel Wenst men over te gaan tot het opstarten v/e nieuwe weefmachine of kwaliteitswissel dan dient men rekening te houden met de gevraagde weeftechnische specificaties maar ook met de know-how omtrent lamellen, hevels en rieten om tot zo’n optimaal mogelijke productie te komen. 6.2. Weeftechnische specificaties Belangrijke weeftechnische specificaties zoals o.a. : • • • • • • • •

Ketting – inslaggarennummer Kettingdichtheid Nuttige doorhaalbreedte Totaal aantal draden op de weefboom Aantal draden per meter Aantal draden per tand Aantal tanden per meter Totaal aantal tanden

6.3. Specificaties omtrent lamellen-hevels-rieten (kort overzicht – detail zie bijlagen Dokeos) 6.3.1. Hoe worden ze gemaakt? 6.3.1.1. Lamellen en hevels De firma Verbrugge – Roeselare (nu GTP –groep) koopt voornamelijk staat uit Duitsland voor de productie ervan. Het wordt aangekocht onder de vorm van grote rollen “bandstaal” genaamd. Het betreft hooggelegeerd staal met koolstof. Uit dit product wordt in eerste instantie een profiel gemaakt dewelke men gaat afbramen. Tenslotte gaat men deze profielen vernikkelen. 6.3.1.2. Rieten Voor het vervaardigen v/ rieten wordt staaldraad aangekocht bij de firma Bekaert – Zwevegem. Hieruit worden staafjes gemaakt dewelke op breedte gebracht worden om ze tenslotte nog te polijsten. 6.3.2. Indeling v/d lamellen Lamellen worden ingedeeld naargelang het volgde : • vorm :

open – gesloten mechanische – elektrische kettingwachter • gewicht : afhankelijk v/h gebruikte garennummer • lengte • materiaal : vernikkeld – gegalvaniseerd

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

145


6.3.3. Indeling v/d hevels • vorm : • lengte : • oogje :

simplex – duplex uitgedrukt in inch grootte (lengte) – diameter : afhankelijk v/h garennummer en twist Z-torsie : opening naar rechts // S-torsie : opening naar links symmetrisch of assymetrisch opgesteld al of niet bijkomend oogje om op een doorhaalstelling door te halen • profiel : ter bevestiging aan de schachten (C of J – vorm) • materiaal : vlak staal of hevel voor “high”speed 6.3.4. Indeling rieten Rieten kunnen verschillend zijn naargelang het gebruik nl. voor grijper of luchtstraal weefmachines of voor tapijt of velvet weefmachines enz…. Men spreekt dus van : - vlakke rieten (flat reeds) - geprofileerde rieten (airjet reeds) - tapijt rieten (carpet reeds) - fluweel rieten (velvet reeds) 6.3.4.1. Vlakke rieten • standaard profiel : 8 mm in normale en versterkte uitvoering aanbevolen vanaf 1600 t/m voorzien v/e massieve tand van 6 mm links en rechts lameldikte : 4 mm • extra versterkt profiel : 10 mm (= zwaar weven) lameldikte : 6 mm • rietlengte : nuttige doorhaalbreedte + afvalkant L en R + 35 mm i.g.v. leno + 70 mm i.g.v. inlegzelfkanten (tucking-in) max. doorhaalbreedte = doorhaalbreedte v/d grond (=machinetype) • tanddikte : vanaf 0,12 tot 0,8 mm : afhankelijk v/h aantal dr/tand, kettingmateriaal (kwaliteit en nummer), % - lucht (hoeveel mm speling tussen de grijper en het riet) • bestelgegevens of rietspecificaties : Dm = aantal t/m, N = totaal aantal riettanden, L = totale lengte, S = tanddikte in mm bv. riet met 1600 t/m, tanddikte s = 0,2 , 68 % lucht 7. Besluit Door het praktisch inoefenen v/h klaar stellen v/e weefboom op een doorhaalstelling en het inoefenen v/d verschillende manieren van doorhaling hebben de studenten een beter inzicht gekregen van wat het belang is van doorhaling. Het is ook een goede oefening als voorbereiding tot het leren weven t.t.z. het leren opzoeken v/d juiste doorhalingen op weefmachines om zo op een correcte manier een aantal draadbreuken te herstellen. Het aanleren v/d juiste handvaardigheden was hierbij ook één v/d doelstellingen. Verder zal men beseffen dat het klaarmaken v/e montage voor deze kan in de machine gebracht worden heel wat manuele vaardigheden vraagt. Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

146


LES 2 - BZL

THEMA 2 : HET AANDRAAIEN VAN WEEFBOMEN 1. Inleiding Het aandraaien of aanknopen van een volle weefboom aan een lege weefboom wordt volledig praktisch ingeoefend, eerst in groep en vervolgens individueel. De student dient hierbij de nodige stappen te volgen om tot een goed resultaat te komen nl. een goed aangeknoopte weefboom. 2. Inhoud 1. Doel 2. Soorten stellingen en aanknoopmachines 3. Opbouw en onderdelenlijst van de stelling en aanknoopmachines 4. Nuttig om weten 5. Garenloop ketting in functie van weefmachine met 1 of 2 weefbomen 6. Mogelijkheden van aanknopen 7. Belangrijke instellingen van de aanknoopmachine 7.1. Grond of basisinstelling machine 7.2. De schaar 7.2.1. Demontage 7.2.2. Montage 7.2.3. Instellen van de zijdelingse stand van de schaar 7.3. De naalden 7.3.1. Vervangen van een naald 7.3.2. Monteren van een naald 7.4. De draadgeleider tussen de boven – en onderlaag (tussenloper) 7.4.1. Uithalen van de tussenloper 7.4.2. Montage van de tussenloper 7.5. De draadklem 7.5.1. Uithalen van de draadklem 7.5.2. Montage van de draadklem 7.6. De knoper 7.6.1. Uithalen van de knoper 7.6.2. Montage van de knoper 7.7 Keuze van de naald 7.8 Instelling van de machine met of zonder schrank 8. Reiniging en smering van de machine 9. Verplaatsing aanknoopmachine op de stelling 2. Praktische oefening – leren aandraaien van weefbomen 3. Bespreking ingediende rapporten Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

147


Het aandraaien van weefbomen

1. Doel Het aanknopen van de nieuwe kettinglaag komende van een volle weefboom aan de oude kettinglaag t.t.z. lege weefboom of omgekeerd door gebruik te maken van een aanknoopmachine en de daarbij horende aanknoopstelling. 2. Soorten stellingen en aanknoopmachines • Fischer Poege type PU-ELA (Duitse fabrikant) Wordt vertegenwoordigt in België door de firma Heltech industries N.V. (Izegem). Kostprijs van het bovenstaande type ± 14.873 Euro of 600.000 Bfr. Incl. BTW.

Figuur 80 – Aanknoopmachine PU-ELA

Figuur 81 – Aanknoopstelling DE

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

148


Stäubli Topmatic type 200,201,210,301,310 (Zwitserse fabrikant) Wordt vertegenwoordigt in België door de firma Herbert N.V. (Gent). Kostprijs van de bovenvermelde types ± 37.184 Euro of 1.500.000 Bfr. Incl.BTW. • Knotex type IS/2 (met schrank), AT (zonder schrank) (Duitse fabrikant) Wordt vertegenwoordigt in België door de firma Kostprijs van de bovenvermelde types ± 23.797 Euro of 960.000 Bfr. Incl.BTW. •

Titan type KM2000 RDS (Deense fabrikant) Wordt vertegenwoordigt in België door de firma Kostprijs van het bovenvermelde type ± 27.070 Euro of 1.092.000 Bfr. Incl. BTW.

3. Opbouw en onderdelenlijst v/d stelling en aanknoopmachine (Zie handleiding bijlage) 3.1. Inhoudstabel handleiding : • •

pg.

Onderdelencataloog knoopmachine en stelling : pg. 1 t.e.m. 15 Handleiding : De schrank in de oude en in de nieuwe ketting Afbeelding 1 en 2 Voorbereiden van kettingen, beide zonder schrank (met klem) Voorbereiden van kettingen, beide met schrank Voorbereiden van gesterkte kettingen, met schrank Voorbereiden van gemengde kettingen (met of zonder schrank) Aanknopen zonder schrank (met klem) Aanknopen met schrank Handelingen na het aanknopen Doortrekken en doorweven van de aangeknoopte ketting Bijkomende controle bij het aanknopen van gestreepte kettingen (met schrank) Behouden van de schrank na het aanknopen Aanknopen van bovenbomen Omschakelen van de machine voor de verschillende manieren van aanknopen Verplaatsbaar transport Dagelijkse reiniging van de machine Oorzaken van fouten en het herstellen ervan Naaldtabel en inzetten van de naalden Bedradingsplan voor het bovenste afdekstuk van de machine

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

1

2 3 4 6 7 7 11 13 16 16 17 17 18 21 21 23 30 32 33

149


3.1. Bovendeksel met bijhorende toetsen – schakelaars en functies Figuur 82 Bovendeksel aanknoopmachine (Handleiding Fischer Poege PU-ELA)

Onderdelenlijst : 1500 : bovendeksel 1511 : draaiknop snelheidsregeling (potentiometer) 1514 : tuimelschakelaar: stilleggen v/d machine na het 5 toeren draaien waarbij ofwel 1 draad ontbreekt van de boven of onderlaag 1514 : tuimelschakelaar: machine te verdraaien door te tippen (schakelaar naar links duwen) ofwel de machine laten lopen op volle snelheid (schakelaar naar rechts) 1520 : druktoets voor het instellen v/d machine op “tippen” of op “volle snelheid” afhankelijk v/d instelling van de tuimelschakelaar (1514) 1515 : 2 schroeven voor het vastzetten van het bovendeksel 1519 : relais (48 Volt) 1521 - 1523 : schakelaar met beschermingskap 1522 : bufferpin 1524 : houder v/d 4-polige stekker 1525 : 2 bevestigingshouders v/h bovendeksel 1526 : binnenbekleding (bescherming) 1527 : schakelbord (4-polig) 1528 : potentiomter 1529 : print voor de snelheidsregeling Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

150


3.2. Sturingskast aanknoopmachine Figuur 83 – Aanknoopmachine sturingskast (Handleiding Fischer Poege PU-ELA)

Onderdelenlijst : 1534 : zekering 3,15 Amp 1535 : zekering 6,3 Amp 1535/1 : zekering 2,5 Amp 1536 : bevestigingshouders aansluitkabels 1537 : stekkerkabel 3-polig (5 m) 1538 : machinekabel 3-polig (7,5 m) 1540 : aansluitfiche 4-polig 1541 : elektrische fiche voor een 4-polige stekker 1544/1 : transformater

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

151


3.3. Deksel voorzijde aanknoopmachine Figuur 84 – Voorzijde aanknoopmachine met koppelingsschijven (Handleiding Fischer Poege PU-ELA)

3.4. Deksel rechter achterzijde aanknoopmachine Figuur 85 – Rechter achterzijde aanknoopmachine (Handleiding Fischer Poege PU-ELA)

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

152


4. Nuttig om weten • Onberispelijke weefkettingen, precieze dradenschranken en een foutloze doorhaling in schachten en riet zijn zeer belangrijke voorwaarden om met aanknoopmachine goed correct aan te knopen. De hieronder vermelde punten zijn dan ook van groot belang. • De draaduiteinden van de afgeweven ketting, met of zonder schrank, moeten minstens 80 cm lang zijn gemeten vanaf de tasterrol. Het is belangrijk dat geen enkele draad ontbreekt in de schachten, de lamellen of de schrank. Indien dit wel het geval is, moet de ontbrekende draad zorgvuldig hersteld en doorgehaald worden. • In de afgeweven ketting, die met een schrank moet aangeknoopt worden, zal men d.m.v. de schachten of het jacquardmekaniek een nieuwe schrank 1:1 trekken voordat de kettingboom uitgenomen wordt. Daardoor zijn schrankfouten uitgesloten. Ofwel is een weef – of scheerschrank aanwezig op het einde van de kettingboom. • De nieuwe kettingboom moet in het begin over een afstand van twee meter, 2 schranken bezitten en bovendien nog een schrank op het einde van de kettingboom hebben. Bij zijden of kunstmatige vezelkwaliteit kettingen zijn de twee schranken in het begin ongetwijfeld noodzakelijk. De eerste schrank gaat door het aanknopen verloren en de volgende schrank, die dus twee meter verder ligt, kan na het doortrekken als controle of als weefschrank gebruikt worden. 5. Garenloop ketting in functie van een weefmachine met 1 of 2 weefbomen Vooraf moet men zich de vraag stellen welk garen men het eerst over de stelling gaat leggen. Dit is afhankelijk van het feit of men te maken heeft met een onder – en of bovenboom. Dus men heeft twee mogelijkheden waarbij afhankelijk van de positie van de weefboom ofwel de nieuwe ketting of de oude ketting het eerst over de stelling wordt gelegd. Hieronder wordt a.d.h.v. een doorsnede de 2 mogelijkheden duidelijk gemaakt. Figuur 08 – Garenloop v/d ketting in functie v/h aanknopen v/e onder- of bovenboom (persoonlijke schets) 1°geval : aanknopen van een onderboom

2° geval : aanknopen van een bovenboom

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

153


6. Mogelijkheden van aanknopen Er bestaan 4 mogelijkheden om weefbomen aan te knopen : 1. B + O – laag met schrank 2. B + O – laag zonder schrank 3. B – laag met schrank O – laag zonder schrank 4. B – laag zonder schrank O – laag met schrank In functie van deze 4 mogelijkheden moet de aanknoopmachine ingesteld worden. 7. Belangrijke instellingen van de aanknoopmachine 7.1. Grond of basisinstelling machine Bij het optreden van bepaalde problemen tijdens het aanknopen te wijten aan een slechte instelling of blokkage van een bepaald onderdeel van de knoopmachine, raadt men aan de knoopmachine naar zijn “grond of basisinstelling” te verdraaien alvorens een regeling, demontage of montage uit te voeren. De grondstelling wordt bekomen door de machine te verdraaien met de hand totdat de 3 markeerpunten van de 3 assen A,B,C links staan in lijn t.o.v. van hun respectievelijke verticale lijnen.

Koper haak A

As B

As C

As D

Figuur 86 – Grondstelling knoopmachine (Handleiding Fischer Poege PU-ELA)

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

154


7.2. De schaar 7.2.1. Demontage • • • •

Handbeugel verdraaien tot de knoperpunt naar beneden wijst zodanig dat de schaarhefboom zich in middenpositie bevindt. De 2 zwarte bouten (1244) uitdraaien m.b.v. ringsleutel n°8 De schaar in zijn geheel afnemen Uiteennemen van de schaar voor controle of indien deze niet meer snijdt : - de moertje (1236) van de bladveer (1235) uitdraaien - de beide schaarbladen vervangen nl. de kleine (1234) en de grote (1232) - de beide schaarvlakken een beetje smeren met olie

7.2.2. Montage • • • •

De beide schaarvlakken op elkaar leggen met hun inkepingen naar boven en naar buiten gericht. De bladveer (1235) terug monteren op de schaarbouten (1233). Tenslotte de 2 moertjes (1236) zodanig monteren dat de spanning zowel links als rechts van de bladveer dezelfde is. Eindcontrole : nagaan of de schaar voldoende snijdt. Dit door de draaihendel te verdraaien tot de schaarhefboom (1228) in zijn hoogste positie staat. In deze positie wijst de knoperpunt naar beneden en staan de schaarvlakken recht tegenover elkaar met hun inkepingen. Tenslotte de 2 zwarte bouten (1244) vastdraaien met sleutel n°8.

7.2.3. Instellen van de zijdelings stand van de schaar • •

Dit heeft als doel het bepalen van de lengte van de staartjes. Dit kan gebeuren door zowel op de bovenste als onderste buis voorzien van een platte kant (1238) de schaar zijdelings te verplaatsen door vooraf de schroef (1233) een beetje los te draaien en nadien terug vast te zetten.

7.3. De naalden 7.3.1. Vervangen van een naald • •

De naalden zijn instelbaar in de diepte door de aanwezige platte kant op de naald. Het uithalen van de naald (1320) kan gebeuren door vooraf de schroef (1321) los te draaien en de stopbaar (1280) naar de bediener toe te trekken.

7.3.2. Monteren van een naald •

De naald monteren in de naaldhouder : - bovenste naald met de inkerving naar boven - onderste naald met de inkerving naar beneden

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

155


7.4. De draadgeleider tussen de boven – en onderlaag (tussenloper) 7.4.1. Uithalen van de tussenloper • • • • •

De bout (1299) van de ontkoppelingshefboom van de tussenloper (1277) uitdraaien. De koppelingshefboom (zwart staafje) naar beneden plaatsen. De schroef (S) uitdraaien. De knoopmachine verdraaien tot de hefboom in de positie komt te staan om de spie (1266) uit te nemen. Vervolgens met een schroevendraaier zachtjes tikken op het stuk (1288) zodat uiteindelijk de tussenloper (1278) uit de machine kan verwijderd worden.

7.4.2. Montage van de tussenloper • • • •

Glijblok of stuk (1288) passen in de gleuf van het glijstuk (1259). Vervolgens dit stuk zachtjes met de hand naar het binnenste v/d machine kloppen, erop lettend dat men tijdens het achteruit schuiven het geheel (1267) een beetje oplift. Stift (1266) terug monteren. Schroef (S) terug vastdraaien.

7.5. De draadklem 7.5.1. Uithalen van de draadklem (fadenklemme) • • • • • • •

Motor uitnemen door de 3 imbusvijzen uit te draaien m.b.v. imbussleutel n°6. Schaar uitnemen Het onderstuk (1369) losmaken door de 2 schroefjes (a) uit te draaien. Tijdens het demonteren er opletten dat het stuk (1362) niet naar beneden valt. De schroeven (S’ en S’’) uitdraaien. Het stuk (1351) uitschuiven. Instellen van de draadklemspanning in functie van grof of fijn garen door zowel het bovenste als onderste vijsje naar links (spanning verminderen) of naar rechts (spanning verhogen) te verdraaien.

7.5.2. Montage van de draadklem •

Dit gebeurt in de omgekeerde volgorde als beschreven in pt. 6.5.1.

7.6. De knoper Doel : de knoper kan vervuilt zijn of omwikkelt zijn met teveel kettingdraden zodanig dat hij zijn normale functie niet meer kan uitvoeren. 7.6.1. Uithalen van de knoper • •

De machine verdraaien met de hand tot de knoperbuis met zijn punt naar beneden wijst. De knoper eerst vasthouden en pas dan de hendel (1412) naar beneden drukken en de knoper eruit trekken.

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

156


7.6.2. Montage van de knoper • • •

De machine verdraaien tot de knoperbuis naar beneden wijst en volledig naar de binnenzijde van de machine staat. Nu pas de knoper inbrengen tot tegen zijn aanslag. De hendel (1412) lichtjes omhoog duwen en de knoper nog een beetje naar buiten trekken tot je een klik hoort.

7.7. Keuze van de naald (tabel pg. 30 handleiding) Dit gebeurt natuurlijk in functie van het garennummer (enkel of getwijnd)

Figuur 87 – Naaldtabel (Handleiding Fischer Poege PU-ELA)

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

157


7.8. Instelling van de machine met of zonder schrank

Figuur 88 – instelblad machine met of zonder schrank(Handleiding Fischer Poege PU-ELA)

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

158


Figuur 89 – Instelling aftaster – naald en tussenloper (Handleiding Fischer Poege PU-ELA)

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

159


Figuur 90 – Instelling drukstuk – draadafname (Handleiding Fischer Poege PU-ELA)

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

160


Figuur 91– Juiste instelling van de borstel (Handleiding Fischer Poege PU-ELA)

8. Reiniging en smering van de machine (zie pg. 21-22 handleiding) Met een penseel wordt de machine in de draadafname – en aanknoopbereik elke avond grondig gereinigd van alle vezelresten. Het smeren van de machine gebeurt m.b.v. een reinigingsbak en met smeerolie “Tellus 68”, dit moet normaal wekelijks gebeuren, enkel bij gering gebruik moet dit maar om de 2 à 3 weken gebeuren. 9. Verplaatsing aanknoopmachine op de stelling 9.1. Instellen van de snelheid van transport van de knoopmachine (zie afbeelding 16 pg. 21) De machine is met een verplaatsbaar transport uitgerust. Vanuit het constructiehuis wordt de machine op 2 tanden (middenste stand) ingesteld, wat volstaat voor de meeste gevallen. Alleen voor zeer dichte kettingen stelt men het in op één tand en bij kettingen met zeer weinig draden, voor het vermijden, van ledige toeren op drie tanden. Dus er zijn 3 verschillende standen mogelijk nl. traag, normaal en vlug. Dit is natuurlijk afhankelijk van het aantal dr/cm kettingdichtheid. Bijvoorbeeld :Vanaf 50 dr/cm en meer ---> stand 1 ---> traag draaien v/d machine Vanaf 15 dr/cm t.e.m. 49 dr/cm ---> stand 2 ---> normale snelheid v/d machine Vanaf 10 dr/cm en minder ---> stand 3 ---> vlug draaien v/d machine

Figuur 92 – Snelheid transport knoopmachine (Handleiding Fischer Poege PU-ELA)

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

161


9.2. Detail werking transport v/e aanknoopmachine Deze theoretische uitwerking v/d basis van transport v/d aanknoopmachine is niet terug te vinden in de handleiding. Dit principe is geldig voor alle aanknoopmachines. Basis : de voorste transportbaan staat vast, de achterste transportbaan is de de beweegbare zaagtandlat. Op basis hiervan bestaan er 4 mogelijke bewegingen van de aanknoopmachine op de stelling. 4 mogelijkheden : 1 ° mogelijkheid

Taster a Wieltje b

Bovenlaag

Beweegb.zaagtandlat voor de beweging o-laag

B

Aanknoopmachine Onderlaag

O

Vaste.zaagtandlat voor de b-laag Wieltje a Taster b

Figuur 93 – Werking transport aanknoopmachine (persoonlijke schets)

Verklaring : • •

De bovenlaag heeft altijd een tegengestelde beweging v/d onderlaag De garenaftasters voelen zowel garen in de boven als onderlaag : Gevolg :

- de aandrijfwielen a en b staan stil ---> de machine staat stil - de beweegbare zaagtandlat staat stil

Conclusie : de machine is aan het knopen

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

162


2 ° mogelijkheid Taster a Wieltje b

Bovenlaag

Beweegb.zaagtandlat voor de beweging o-laag

B

Aanknoopmachine Onderlaag O

Vaste.zaagtandlat voor de b-laag Wieltje a Taster b

Figuur 94 – Werking transport aanknoopmachine (persoonlijke schets)

Verklaring : • Taster a gevoeld de bovenlaag B, dus stopt, bijgevolg staat het wieltje a en de vaste lat natuurlijk stil. Taster b gevoeld de onderlaag O niet, dus draait wieltje b en trekt de onderlaag naar rechts ( ), dus de beweegbare lat trekt de O-laag naar de taster toe, maar de machine staat stil. Conclusie : de machine knoopt niet aan. 3 ° mogelijkheid

Taster a Wieltje b

Bovenlaag

Beweegb.zaagtandlat voor de beweging o-laag

B

Aanknoopmachine Onderlaag O

Vaste.zaagtandlat voor de b-laag Wieltje a Taster b

Figuur 95 – Werking transport aanknoopmachine (persoonlijke schets)

Verklaring : • Taster a gevoeld de bovenlaag B niet, bijgevolg draait het wieltje a. Taster b gevoeld de onderlaag O wel, bijgevolg draait wieltje b niet en staat ook de beweegbare zaagtandlat stil. Gevolg : aangezien wieltje a draait, moet de machine bv. 2 cm naar links bewegen ( want de vaste zaagtandlat beweegt natuurlijk niet. Conclusie : de machine knoopt aan. Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

),

163


4 ° mogelijkheid

Taster a Wieltje b

Bovenlaag

Beweegb.zaagtandlat voor de beweging o-laag

B

Aanknoopmachine Onderlaag O

Vaste.zaagtandlat voor de b-laag Wieltje a Taster b

Figuur 96 – Werking transport aanknoopmachine (persoonlijke schets)

Verklaring : • De tasters a en b voelen geen garen, dus de aandrijfwielen a en b moeten draaien • Gevolg : - De machine moet bewegen naar links naar het garen toe. ( ) - Opgelet : de beweegbare zaagtandlat beweegt niet, omdat de wieletjes a en b draaien en zo de machine in beweging stellen naar de garens toe. Conclusie : de machine beweegt, maar knoopt nog geen garen aan totdat één v/d tasters garen gevoeld. 10. Besluit Naast het aanleren v/d juiste handvaardigheden en de juiste instelling v/d knoopmachine hebben de studenten leren inschatten dat er heel wat parameters belangrijk zijn voor het aanknopen van een weefboom vlot te laten verlopen. Men zal ook tot het besef gekomen zijn dat bv. het aanknopen van 2 verschillende kwaliteiten en garennummers heel wat moeilijker is en wat praktische ervaring vraagt.

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

164


LES 3 - BZL

THEMA 12 : Gebruikte termen bij oorzaken van stilstanden en weefselfouten tijdens opnames 1. Inleiding Dit thema wordt louter ter ondersteuning van hun know-how meegegeven aan de studenten en wordt dus niet praktisch behandeld. 2. Inhoud 1. Oorzaken van stilstanden 1.1. Oorzaken van kettingbreuken Klasse 1 : inslagtoevoer Klasse 2 : gaapstoringen Klasse 3 2. Voorkomende fouten op weefsels 2.1. Lengtefouten 2.2. Storingen in inslagzin

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

165


Gebruikte termen bij oorzaken van stilstanden en weefselfouten tijdens opnames

1. Oorzaken van stilstanden 1.1.

Oorzaken van kettingbreuken

Roestvlekken De beide draaduiteinden van de gebroken kettingdraad hebben een donkere top. De oorzaak hiervan zijn ijzerdeeltjes die bij het bleekproces de vezels beschadigen. Hierdoor verkrijgen we donkere plekjes op het garen. Wanneer het garen onder spanning gebracht wordt zal hij op die plaats waar het garen is aangetast breken. Men tracht daarom zo ‘ijzervrij’ mogelijk te bleken. Inkomer / afgeboomd Afgeboomd is een kettingdraad die geen onmiddellijk vervolg heeft op de kettingboom, er wordt slechts één garenuiteinde gevonden. Er zal een andere draad ingeleid en aangeknoopt worden. Men noemt zo’n kettingdraad soms ook een uitloper. Een inkomer is meestal het gevolg van een uitloper. Het niet gevonden garenuiteinde kan na een bepaalde tijd terug aan de oppervlakte van de kettingboom te voorschijn komen. De inkomer wordt terug afgewikkeld van de kettingboom en nestelt zich rond andere draden. Wanneer de wever dit niet op tijd ziet krijgen we draadbreuk. De inkomers / afbomers kunnen het gevolg zijn van een slechte werking van de draadbreukdetectie op de warprekken. De warpmachine valt te laat stil of niet stil waardoor de warpster niet meer in staat is de twee draaduiteinden aan elkaar te knopen, de warpboom is reeds te ver doorgedraaid en het garenuiteinde is niet meer zichtbaar. De gebroken draad wordt dan terug ingeleid op de warpmachine. Eveneens kunnen inkomers / afbomers ontstaan op een sterkmachine. Daar er geen draadbreukdetectiesysteem op de papmachine aanwezig is wordt een draadbreuk slechts waargenomen vooraan de machine, aan het V-riet. De gebroken draad wordt ontward en terug ingeleid. Strop Een strop zijn ineengevlochten, ineengestrengelde kettingdraden, op die manier hinderen ze hun eigen bewegingen, waardoor de spanning in de draad zal stijgen en de draad of draden zullen breken. Indien het niet onmiddellijk wordt opgemerkt zal er een strop ontstaan tussen de sleper en de schrankroeden. De eigenlijke oorzaak van een strop ligt in de sterkerij. Het wordt gecreëerd wanneer enkele draden herlegt worden in het V-riet van de papmachine bij draadbreuk. Knoop afgerukt Bij een afgerukte knoop is op één van de garenuiteindjes de knoop, of wat er nog van overblijft, nog zichtbaar. Deze breuk vindt meestal plaats ter hoogte van het riet, de knoop is te groot om door de rietopeningen te passeren en hij wordt door de heen – en weergaande beweging van het riet afgerukt. De knoop is afkomstig van de warpafdeling, wanneer de draaddetectie de machine doet stoppen gebruikt de warpster een vissersknoop om de draad te herstellen. In de spinnerij werkt men met een splicertechniek. In de sterkerij worden er eveneens geen draden geknoopt, bij draadbreuk worden ze ingeleid of aan hun ‘gebuur’ vastgemaakt.

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

166


Knoop gelost Een geloste knoop is duidelijk herkenbaar doordat in beide gareneindjes een knik gefixeerd is die afkomstig is van de weversknoop. Meestal is de oorzaak een slecht gemaakte weversknoop die onder spanning, of door de gladde structuur van het garen openschuift. Spinfout Een spinfout valt op door het pluizig uitzicht op de plaats waar de draad gebroken is. Op de uiteinden zijn soms duidelijke dikkere of dunnere plaatsen te zien ten opzichte van de rest van het garen. Dunnere plaatsen zorgen voor minder samenhang waardoor de draad onder de minste spanning breekt. Dikkere plaatsen verhinderen een goede doorgang van de draad door de lamel, hevel en de rietopening. Meestal is een spinfout de oorzaak van een ongelijke vezeldichtheid in de aanvoerlonten. Ook de vervuiling van de groef in de sneldraaiende spinrotor of een te trage snelheid van de rotor kan een oorzaak zijn. Door de automatische draadbreukherstelling op de rotorspinmachines krijgen we onvermijdelijk een ongelijkmatigheid in het garen die aanleiding kan geven tot een spinfout. Stofbal Een stofbal verhinderd de goede doorgang en kan nabije draden storen in hun beweging, waardoor draden afgerukt worden en breken. De stofbal blijft meestal aanwezig op de gebroken draad of de nabije draad. Geschonden draad Een geschonden draad verkrijgen we door filamentbreuk op polyestergaren. Slappe draad De draad is te weinig gespannen waardoor de lamel contact maakt en de weefmachine stilvalt. De wever zal de draad breken en hem herstellen met een rechtse knoop, ook wel spanknoop genaamd. Een slappe draad komt bijna uitsluitend voor bij polyester kettinggaren. Oorzaak : kringelneiging van het garen, overtors, die niet gecompenseerd wordt door de garenspanner van de warpmachine. Einde draad Door één of andere reden kan een eindje draad in de achtergaap tussen de kettingdraden terechtkomen, het wikkelt zich rond bepaalde draden en verhindert de draadbewegingen. De spanningen in de draden worden te groot met als gevolg draadbreuk. Gekruiste draad / verkeerd Wanneer bij de doorhaal in de hevels of het riet, twee nevenliggende draden over elkaar heen gekruist worden, zullen ze tijdens het weefproces elkaar verhinderen wat kan leiden tot draadbreuk. Een kruisen of verkeerd doorhalen heeft zeer negatieve gevolgen voor het uitzicht van het weefsel. Bij het waarnemen wordt de machine onmiddellijk stilgelegd en wordt de oorzaak opgezocht en hersteld. Zelfkant Dit wordt aangeduid op het opnameblad bij breuk, om welke reden dan ook, van de zelfkantdraden.

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

167


Slingerdraad links Dit wordt aangeduid op het opnameblad bij breuk, om welke reden dan ook, van de slingerdraad links. Als een draad in de Engelse negge gebroken is, rafelt de zelfkant uit. Slingerdraad rechts Dit wordt aangeduid op het opnameblad bij breuk, om welke reden dan ook, van de slingerdraad rechts. Als een draad in de Engelse negge gebroken is, rafelt de zelfkant uit. Af van het riet De tanden kunnen echter door het veelvuldig gebruik snijvlakken vormen die de draden afsnijden. Af van de linker grijper Als een kettingdraad aan de linkerkant iets te weinig spanning heeft of de hevel haalt de kettingdraad te weinig omhoog, kan de draad door de beweging van de aangeefgrijper afgerukt worden. Af van de rechter grijper Een draad kan ook door de meeneemgrijper afgerukt worden, dus aan de rechterkant v/d weefmachine om dezelfde redenen als bij de linker grijper. Vals contact of stil van de lamel De weefmachine signaleert een draadbreuk door onvrijwillig contact van de lamel. Bij sommige bindingen staan de lamellen enorm te dansen tijdens het weven zodat de lamellen contact geven zonder reële draadbreuk Onbekend Soms is het niet mogelijk uit te maken hoe het komt dat een draad gebroken is. Men kan de oorzaken van kettingbreuken onderverdelen in drie klassen, nl : • Oorzaken die het gevolg zijn van een fout van de garenleverancier : - Spinfout •

Oorzaken die het gevolg zijn van een fout in de preparatie : - afgeboom / inkomer - roestvlekken - strop - knoop afgerukt - knoop gelost - geschonden draad - slappe draad - zelfkant

Oorzaken die het gevolg zijn van een fout in de weverij : - stofbal - gekruiste draad, verkeerd - eindje draad - slingerdraad links en rechts - af van het riet - af van de linker of rechter grijper - vals contact v/d lamel - onbekend

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

168


1.2. Oorzaken van inslagbreuken De inslagbreuken kunnen zowel op de lucht – als grijperweefmachines onderverdeeld worden in 3 klassen : Klasse 1 : inslagtoevoer Hierbij dient wel onderscheid gemaakt te worden tussen een lucht of grijperweefmachine. Luchtstraalweefmachine : d.w.z. de inslagbreuken die zich voordoen gedurende de weg v/d bobijn naar de beweegbare hoofdblazer. Grijperweefmachine : d.w.z. de inslagbreuken die zich voordoen gedurende de weg v/d bobijn naar de linker of aangeefgrijper. Geschonden / fout bobijn Als het garen op de bobijn geschonden werd, zodat het onderbroken is, stopt de afwikkeling v/h garen. Het schenden kan gebeuren tijdens het transport, de opslag of tijdens het plaatsen van de bobijn op het bobijnrek naast de weefmachine. Foute bobijn is een algemene term, hieronder vallen : kruiswindingen, het ontbreken van een reserve, uitkomen van de draadeindjes langs de zijkant, windingen die aan elkaar kleven, … Afsloven bobijn Doordat het inslaggaren met een veel te lage of te hoge spanning opgewonden wordt, of wanneer we te maken hebben met op elkaar liggende windingen, zal niet één maar verschillende windingen in één keer van de bobijn afgetrokken worden. Hierdoor zal het garen verstrengelen in de voorspanner met inslagbreuk als gevolg. Geschonden huls De huls van de bobijn is geschonden. Wanneer de bobijn bijna leeg is kan de inslag bij het afwinden aan de huls haperen waardoor hij breekt. Stof op bobijn Bij het afnemen van windingen, van een bobijn die bedekt is met stof, wordt het stof mee getransporteerd met de inslagdraad. Hierdoor kunnen we verstopping bekomen van de voorafwinderingang. De hoofdblazer kan verstopt zitten (luchtweefmachine) of de linker grijper kan een stofdeel meenemen waardoor de overgave v/d inslagdraad door de rechter grijper niet gebeurt of indien er stof in de klem v/d rechtergrijper zit zal de bij de overgave v/d inslagdraad in het midden ook de inslagdraad niet meenemen doordat de klem v/d rechter grijper zich niet sluit (grijperweefmachine). Achtergeslagen draad bobijn Op het einde van een bobijn kan de inslagdraad, door de ballonvorming tijdens het afwinden, achter de huls terechtkomen waardoor het garen geremd wordt en kan breken. Aan reserve De werkbobijn is juist afgelopen en de verbinding “staart aan kop” met de reserve bobijn is niet goed uitgevoerd, waardoor een onderbreking in het inslaggaren ontstaat. Meeslaan reserve Door ballonvorming kunnen de aflopende windingen van de werkbobijn de reserve bobijn raken. Door hapering aan de reservebobijn of zelfs door het meeslepen van de bovenste windingen op de reservebobijn bekomen we een inslagstop. Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

169


Bobijn af Er is geen “staart aan kop” verbinding gemaakt met de reserve bobijn waardoor we vanzelfsprekend geen overloop krijgen en de bobijn afloopt zonder vervolg. Redenen hiervoor kunnen zijn : de werkbobijn bezit geen staart, er is een te late aanvoer van inslaggrondstof, de werkbobijn is niet aangeknoopt, de staart was te kort voor aanknoping, … Voorafwinder De voorafwinder werkt om één of andere reden niet. Eén van de oorzaken hiervan kan stof in de garenremmen zijn of stofophoping in het apparaat zelf (luchtweefmachines) De borstel kan te dicht geregeld staan of verouderd zijn (grijperweefmachines) Vasthaken voorafwinder De inslag houdt zich vast in de voorafwinder. Verder afwinden van de trommel is niet meer mogelijk. Opwinding voorafwinder De opwinding van de inslag is te kort afgegeven waardoor sensor 1 geen inslag detecteert of de opwinding van de inslag is te lang afgegeven waardoor sensor 2 een inslag detecteert. Verdikking voorafwinder De inslag breekt in de voorafwinder door een knoop of verdikking. Dubbel aangegeven Twee kleuraangevers bieden tegelijk een inslaggaren aan. Af aan de schaar De inslag werd afgesneden vooraleer hij voldoende in de aangeefgrijper was geklemd, het garenuiteinde ligt net voor de schaar, hier werd het snijmoment te vroeg ingesteld. Er zijn ook nog andere oorzaken waardoor de inslagdraad niet goed gesneden of gebroken is terhoogte van de schaar, dit is meestal het geval als de schaar niet goed afgeregeld is. Klasse 2 : gaapstoringen In het geval v/e luchtweefmachine : D.w.z. inslagbreuken die zich voordoen tijdens de vlucht van de inslag in de gaap. Dit doordat de gaap niet zuiver is en er dus een hapering aan de kettingdraden ontstaat. Meestal is de inslagdraad rond één draad genesteld. De plaats waar dit gebeurt wordt aangeduid op het opnameformulier, men heeft de keuze uit : • • • • • • • • •

links bovengaap links ondergaap links beide rechts bovengaap rechts ondergaap rechts beide slingerdraad links slingerdraad rechts geschonden polyesterdraad

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

170


Bij automatisch scheutzoeken (PRA) zal deze gebroken inslag niet kunnen afgezogen worden. De machine zal proberen, maar de wever zal moeten tussenkomen. In dit geval komt het er op aan dat de wever zich vergewist wat de oorzaak is (geschonden draad, knoop, stofbol, arkade, veer, enz…) Het is ten zeerste aangeraden die bepaalde draad te detecteren en te kijken of er zich geen storing bevindt achter het riet. Zolang de storing niet verwijderd is, zal de inslagbreuk zich blijven herhalen. In het geval v/e grijperweefmachine : Dit wordt hier best aangetoond a.d.h.v. een paar mogelijke oorzaken zoals o.a. : Niet aangegeven De kleuraangever geeft de inslag niet op de juiste hoogte aan de grijper, zodat de grijper zonder inslag in de gaap gaat. Inslag uit de bijnegge of valse zelfkant Dit komt vooral bij grote kleurrakkoorden voor : een lang wachtende inslagdraad is niet meer geklemd in de valse zelfkant. Als de aangeefnaald met deze draad naar beneden komt om de draad aan de grijper te geven glijdt de draad uit de klemvlakken van de grijper. Niet overgenomen De meeneemgrijper heeft om één of andere reden de inslag niet overgenomen, de inslag ligt tot iets over de helft van de weefselbreedte. Niet overgegeven De aangeefgrijper gaf het garen niet op tijd over, waardoor de meeneemgrijper zonder inslag vertrekt, zodat het garen tot in het midden ligt, ofwel lost de aangeefgrijper de draad niet en neemt de inslag terug mee, waardoor de inslag dubbel ligt in de eerste helft van de weefselbreedte. Deze oorzaken worden dan ook terug aangeduid op het opnameformulier, men heeft de keuze uit : • Niet aangegeven • Inslag uit de bijnegge of valse zelfkant • Niet overgenomen • Niet overgegeven

Klasse 3 : De kans is groot dat het om gaapstoringen gaat (analoog als klasse 2) maar men kan de desbetreffende kettingdra(a)d(en) die aanleiding geeft tot de inslagbreuk moeilijk lokaliseren. Deze inslagbreuken worden meestal automatisch hersteld. Indien dit niet het geval is duiden we één van onderstaande onderverdelingen aan : Dubbel tot midden Dubbel geen ketting links Dubbel geen ketting rechts Niet volledig afgezogen (in het geval v/e luchtweefmachine)

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

171


Voorbeeld v/e opnameblad i.g.v. een luchtstraalweefmachine

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

172


Voorbeeld v/e opnameblad i.g.v. een grijperweefmachine

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

173


2. Voorkomende fouten op weefsels 2.1. Lengtefouten Fouten die in kettingrichting liggen en ontstaan zijn door ofwel de wever of door storingen die veroorzaakt worden door enerzijds het jacquardmekaniek en het harnas en anderzijds de schachtbeweging bij het “plat” weven. Rietfouten Wanneer bij een kettingbreuk de draad in het riet fout doorgehaald wordt, dan zal dit als gevolg hebben dat er op die plaats een ongelijke dichtheid in het weefsel verschijnt. Het effect van een rietfout kan ook veroorzaakt worden door een geschonden riet. Doorhaalfout in het harnas / in de kaders Het doorhalen in het harnas verloopt opeenvolgend van voor naar achter of omgekeerd, dit is afhankelijk van bedrijf tot bedrijf. Indien deze orde niet gerespecteerd wordt, spreekt men van een “harnasfout”. Dit heeft als gevolg dat op het weefsel een bindingsbreuk in het patroon ontstaat. Gebeurt dit in de kaders of weeframen dan spreekt men van een “weeffout”. Gekruiste draden Wanneer bij de doorhaal in het harnas of het riet, twee nevenliggende draden over elkaar heen gekruist worden, ontstaat tijdens het weven een hinderende werking in de binding. Dergelijke fouten storen zeer sterk het uitzicht van weefsels. Draden uit Hieronder verstaan wij een kettingdraad die helemaal in het weefsel ontbreekt. Sleepdraden - Van mekaniek : meestal veroorzaakt door stof in het voorzetapparaat of de cilinder, door kromme haken in het jacquardmekaniek. - Van harnas : veroorzaakt door onregelmatige hoogte van de hevel of stof in de plank. - Van kaders : meestal veroorzaakt door stof of een hevel die gebroken of gekruist zit. Ogen Ogen zijn kleine tot zelfs grotere lussen die de inslag in de gaap achterlaten, telkens de scheut aangedrukt wordt. Slechte afremming van de inslag of te vroeg lossen van de rechter grijper kunnen aanleiding geven tot vormen van ogen. Dit kan ook gebeuren op een luchtweefmachine. Dubbeldraden Het kan gebeuren dat bij het aandraaien de knoopmachine 2 draden genomen heeft. Er ontstaat aldus een situatie dat er 2 draden in één hevel komen en dit geeft op het weefsel een effect van dikke draden.

2.2. Storingen in inslagzin Dit zijn fouten die over de breedte van het weefsel liggen en zeer onregelmatig en storend kunnen optreden. Inslagfouten Men kan deze fout maken door niet juist scheut te zoeken, t.t.z. door de weefmachine opnieuw te laten draaien met een onderbreking in het bindingspatroon. Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

174


Baren en nepen Bij kwaliteiten met weinig scheuten kunnen bij opstarten nepen ontstaan. Om dit te vermijden, moet geweven worden met een zo’n klein mogelijke kettingspanning. Afslovers Deze ontstaan bij filamentgarens door het openzetten van de filamenten bij de grijperdoorgave. Hierdoor worden slechts enkele filamenten doorgetrokken terwijl de rest afslooft zonder dat de machine stilvalt.

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

175


9. Te maken verslagen Verslagen oef.product engineering weven 1 : Verslag 1 : Oef. bobijnen : garenloop en beschrijving – Pg.15-16 Verslag 2 : Doorsnede maken en beschrijving v/d voornaamste onderdelen v/e wm – Pg.44 Verslag 3 : Analyse – simulatie v/e enkelvoudig weefsel firma Concordia – pg.133 Verslag 4 : Analyse – simulatie v/e enkelvoudig weefsel firma Bonar Verslag 5 : Analyse – simulatie en innovatie v/e enkelvoudig weefsel firma Concordia Verslag 6 : Analyse – simulatie en innovatie v/e enkelvoudig weefsel firma Bonar Verslagen oef.product engineering weven 1 - bzl : Verslag 1 : Oef. aandraaien van weefbomen : uittekenen v/d garenloop i.g.v. aandraaien v/ 1 of 2 bomen – Pg. 153 Verslag 2 : Oef. Gilbos dynajet : ingeven v/d juiste instellingen. Pg. 31 Verslag 3 : Oef. Gilbos PLS – ingeven v/d juiste parameters i/d pc. voor het ingeven v/d juiste instellingen in de terminal v/d PLS. – Pg. 37-39

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

176


10. Bibliografie Eigen cursus opgesteld op basis van eigen know-how en gevolgde opleidingen bij verschillende constructeurs (Gilbos, Picanol) en instanties zoals VDAB en Cobot. 1. Instelhandboek Picanol GTX 07/1994 2. Handleiding microprocessor control unit Picanol GTX N/011094n 3. Instelhandboek Picanol OMNI 11/01/1998 4. Instelhandboek en terminal handleiding Picanol Gamma 1/01/1998 5. Instelhandboek Picanol Gamma Sumo versie 1.10 06-2002 6.Terminal handleiding Picanol Gamma Sumo versie 3.0 03-2002 7.Cd-rom handleiding Picanol OMNIplus 11-2004 8. Handleiding neg.elektronische dobby Stäubli type 2580 RS 1995 9. Handleiding pos.elektronische dobby Stäubli type 2670 1997 10. Handleiding Sulzer PU 1975 11.Handleiding nokkenbak Stäulbi type 1620 01/01/1994 12. Manuel Gilbos Dynajet DJ2 air-vertenglair 1998 13. Gilbos Precision Winder type PLS 10 1999 14. Handleiding Fischer Poege type PU-ELA 02/1995 15. Dornier Technical Information Rapier weaving machine 2000 16. Dornier Technical Information Airjet weaving machine 2000 17. Video Lindauer Dornier GmbH Airjet, Engl.PAL 2000 18. Video Lindauer Dornier GmbH Rapier, Engl.PAL 2000 19. Eindwerk Industriël Ingenieur : Studie over de invloed v/h luchtverwervelen op filamentgarens door Deslee Friedrieke 15/05/1998 20. Eindwerk Industriël Ingenieur : Invloed van de wikkeling op de afloopeigenschappen van de spoel door Van Ransbeeck Guy 20/05/1999 Voorname websites : http://www.picanol.be http://www.dornier.com http://www.itema.com http://wwww.gilbos.be http://www.stäubli.com

Gabriël Kurt – Praktijklector Hogeschool Gent

Product engineering weven 1 – oefeningen

177