Issuu on Google+


1KGT

Workbooks4 Biologie

Werken met Workbooks4 Bij het vak biologie leer je van alles over de levende natuur. De makers van dit werkboek denken dat je het meest leert door dingen zelf te ontdekken. Er staan dus behalve theoretische opdrachten ook veel practica in en opdrachten bij korte video’s in het werkboek. Bij een papieren werkboek van Workbooks4 hoort een informatieboek van een bepaalde methode. Je kunt de antwoorden op de vragen vinden in de tekst of in afbeeldingen van het leerboek van die methode. Ook moet je soms zelf dingen bedenken of internet gebruiken om een opdracht uit te voeren. Aan het eind van het werkboek staan de practica. Je kunt ze onderverdelen in een aantal soorten:        

A: D: M: O: S: T: V: W:

Practica waarbij je een app moet gebruiken. Practica waarin iets gedemonstreerd wordt. Practica waarbij je met de microscoop werkt. Practica waarbij je iets moet onderzoeken. Practica waarbij je naar buiten gaat. Practica waarbij je iets moet tekenen. Practica waarmee je vaardigheden aanleert. Practica waarbij je internet bij nodig hebt.

Verder kun je opdrachten krijgen die bij een video horen. De docent zal ze meestal tijdens de les laten zien maar als je ziek bent geweest of de video nog eens wilt bekijken dan kan dat via internet. In dit werkboek kom je de volgende video’s tegen:  

SBB: Opdrachten die horen bij Schooltv beeldbank: www.schooltv.nl/beeldbank YT: Opdrachten die horen bij YouTube: www.youtube.com

Veel plezier met dit werkboek!

1


Workbooks4 Biologie

Inhoudsopgave Werken met Workbooks4 .................................................................................................... 0 H1 – Inleiding in de biologie................................................................................................... 3 H1.1 Je binnenste .............................................................................................................. 3 H1.2 Waarnemen ............................................................................................................... 6 H1.3 Tellen en meten........................................................................................................13 H1.4 Onderzoek doen .......................................................................................................14 H2 – Stevigheid en beweging .................................................................................................. H2.1 Botten .......................................................................................................................... H2.2 Beenverbindingen ....................................................................................................... H2.3 Spieren ........................................................................................................................ H2.4 Blessures .................................................................................................................... V2.5 Skelet en leefwijze ....................................................................................................... H3 – Waarnemen .................................................................................................................... H3.1 Zintuigen en prikkels.................................................................................................... H3.2 Zien ............................................................................................................................. H3.3 Horen .......................................................................................................................... H3.4 Ruiken en proeven ...................................................................................................... V3.5 Ogen van dieren .......................................................................................................... H4 – Gedrag ............................................................................................................................ H4.1 Prikkels en gedrag ....................................................................................................... H4.2 Leren ........................................................................................................................... H4.3 Lichaamstaal ............................................................................................................... H4.5 Groepsgedrag ............................................................................................................. H5 – Planten ........................................................................................................................... H5.1 Wortels, stengels, bladeren ......................................................................................... H5.2 Groei en ontwikkeling .................................................................................................. H5.3 Bloemen, vruchten, zaden ........................................................................................... H5.4 Fotosynthese ............................................................................................................... H6 – De groene omgeving ....................................................................................................... H6.1 Inleiding ....................................................................................................................... H6.2 Biotopen ...................................................................................................................... H6.3 Voedselrelaties ............................................................................................................ H6.4 Kringlopen ................................................................................................................... H7 – Practica ........................................................................................................................16

2

1KGT


1KGT

Workbooks4 Biologie

H1 – Inleiding in de biologie H1.1 Je binnenste 1. Wat is een orgaan? ____________________________________________________

2. Hoe heet een groep samenwerkende organen? ______________________________

3. Wat is de naam van de genummerde organen in de afbeelding?

1 = ____________________________ 5 = _____________________________

2 = ____________________________ 6 = _____________________________

3 = ____________________________ 7 = _____________________________

4 = ____________________________

4. Vul in: orgaan of orgaanstelsel a.

Een bot is een ____________________________________________________

b.

Het geraamte is een ________________________________________________

c. Het bloedvatenstelsel is een __________________________________________ d. Een aantal organen werkt samen in een _________________________________ e.

Het hart is een ____________________________________________________

3


Workbooks4 Biologie

5. Zet de volgende taken achter het goede orgaanstelsel: Binnenhalen van zuurstof - vervoeren van voedingsstoffen en zuurstof - het lichaam stevigheid geven - het voedsel klein maken. Skelet ______________________________________________________________ Verteringsstelsel ______________________________________________________ Ademhalingsstelsel ____________________________________________________ Bloedvatenstelsel _____________________________________________________

6. Zet het orgaan achter het orgaanstelsel waar het bij hoort. Kies uit maag, long, hart en sleutelbeen. Bedenk zelf ook een orgaan dat bij dat orgaanstelsel hoort. Skelet ______________________________________________________________ Verteringsstelsel ______________________________________________________ Ademhalingsstelsel ____________________________________________________ Bloedvatenstelsel _____________________________________________________

7. Lees de tekst en vul de juiste woorden in: Het kleiner maken van voedsel noemen we ____________________ . Dat proces begint in de mond. Je kauwt het eten en slikt het door. Het voedsel gaat dan via de ____________________ naar de maag. Het eten komt daarna in de _____________ Daar worden de voedingsstoffen in het ____________________ opgenomen. Wat je niet nodig hebt poep je uit via de ____________________ . Een ander orgaanstelsel is het ademhalingsstelsel. Lucht komt via de ________________________, de mondholte en de ____________________ in de longen. Daar wordt de ____________________ opgenomen in het bloed.

8. Welke bewering over cellen is waar? A B C D E

4

Het cytoplasma zit om de cel heen. Cellen kun je met het blote oog zien. Cellen zien er allemaal hetzelfde uit. Een cel bestaat onder andere uit celkern, cytoplasma, celmembraan. Cellen zijn niet plat maar een soort doosje.

1KGT


1KGT

Workbooks4 Biologie

9. Zet de goede naam en omschrijving achter de nummers. Kies bij de omschrijving uit: Vloeistof met celonderdelen, vlies om de cel heen, regelt processen in de cel.

Naam

Omschrijving

1 = ______________

__________________________

2 = ______________

__________________________

3 = ______________

__________________________

10. Een weefsel is een groep cellen met ongeveer dezelfde vorm en taak. Bekijk de afbeelding. Hoeveel verschillende weefsels zie je in de afbeelding? A B C D

1 3 4 23

11. SBB

Van cel tot stelsel. Bekijk de video en beantwoord de volgende vraag.

Zeg van de volgende beweringen of ze goed of fout zijn: Goed

Fout

De opperhuid bestaat uit dekweefsel De hoornlaag bevat dode cellen Het bindweefsel is elastisch De pijnzintuigen horen bij het verteringsstelsel

5


Workbooks4 Biologie

12. O1 De vraag:

torso. Voer het practicum op blz. 73 uit en beantwoord de volgende

Geef van de volgende organen aan of ze in de borstholte of de buikholte voorkomen: Orgaan

Borstholte

Buikholte

Luchtpijp Slokdarm Lever Dunne darm Hart Maag

13. O2 Hartslag en ademhaling. Voer het practicum op blz. 75 uit en zeg welke orgaanstelsels hier samenwerken. A B C D E

Skelet Verteringsstelsel Ademhalingsstelsel Bloedvatenstelsel Spierstelsel

H1.2 Waarnemen 14. Wat is een organisme? ________________________________________________

15. Geef in het volgende rijtje de organismen aan. A B C D E F

Een sprinkhaan Een paardenbloem Een tafel Een robot Een bacterie Een paddenstoel

16. Zet de volgende woorden in de goede volgorde van klein naar groot: Orgaanstelsel – weefsel – orgaan – organisme - cel De goede volgorde is: __________________________________________________ ____________________________________________________________________

6

1KGT


1KGT

Workbooks4 Biologie

17. Hoe kun je het best waarnemingen vastleggen? Kies uit Foto – Grafiek – Schematische tekening – Video.

Het draven van een paard Het gezicht van een misdadiger De onderdelen van het hart De groei van een plantje

18. V2 Een tekening de volgende vraag:

maken. Voer het practicum op blz. 76 uit en beantwoord

Welke tekenregels zijn er? Streep het foute alternatief door. a. Teken altijd met pen / potlood. b. Teken klein / groot. c. Gebruik je fantasie / teken wat je ziet. d. Trek strakke lijnen / schets. e. Gebruik bij aanwijslijnen de geodriehoek / teken uit de losse hand. f.

In een schematische tekening teken je veel details / teken je weinig details.

19. Bekijk de volgende tekeningen. a.

Schrijf er boven of je te maken hebt met een lengtedoorsnede, een dwarsdoorsnede of een buitenaanzicht.

b.

Zet onder de tekening schematisch of niet schematisch (natuurgetrouw).

7


Workbooks4 Biologie

20. Vul in: Welke hulpmiddelen gebruik je bij biologie als je organismen wilt waarnemen? Bij het bestuderen van een vogel gebruik je een ____________________. Een vlieg bestudeer je met een ____________________ en als je een eencellig diertje wilt bekijken gebruik je de ____________________ Voor een olifant gebruik je het _______________________.

21. SBB Hoe ziet practicum T11 uit.

de tuinslak er uit? Bekijk de video en voer daarna

T11 De tuinslak. Voer het practicum op blz. 77 uit en streep daarna de foute alternatieven door: a. Een tuinslak heeft vier / zes voelsprieten. b. Op de bovenste / onderste voelsprieten zitten de ogen. c. De bovenste / onderste voelsprieten zijn om te voelen.

22. V3 Met een loep de volgende vraag:

werken. Voer het practicum op blz. 79 uit en beantwoord

Je wilt een voorwerp met een loep bekijken. Hoe gebruik je de loep op een goede manier? A B C D

Je beweegt de loep van je oog naar het voorwerp Je beweegt de loep van het voorwerp naar je oog Je beweegt het voorwerp naar de loep toe Je beweegt het voorwerp van de loep af

23. Benoem de onderdelen in de afbeelding van de microscoop 1 = ____________________________ 2 = ____________________________ 3 = ____________________________ 4 = ____________________________ 5 = ____________________________ 6 = ____________________________ 7 = _____________________________

8

1KGT


1KGT

Workbooks4 Biologie

24. Vul het schema over de onderdelen van de microscoop in: Onderdeel

Taak

Statief Hiermee klem je het preparaat vast Diafragma Grote schroef Hiermee kun je heel precies scherp stellen Lamp / spiegel

25. SBB Pionier van de microscopie. Bekijk de video. Welke onderdelen hadden de eerste microscopen? A B C D E F

Lens Statief Revolver Scherpstelschroef Preparaatklemmen Spiegel

26. Voordat je met de microscoop gaat werken moet je een aantal dingen regelen. Vul de goede woorden in: 

Je pakt de microscoop vast bij het ____________________.

Je zet de microscoop met het statief __________ je __________ voor je neer.

Je draait het ____________objectief voor.

Je draait met de __________ schroef de tafel zo ver mogelijk bij het ___________________ vandaan.

Daarna leg je het ____________________ op de ____________________ en je klemt het met de ______________________________vast.

Kijk door het ____________________ en zorg dat er zoveel mogelijk licht door het preparaat valt. Dit doe je door het lampje aan te zetten of het spiegeltje te draaien. Ook moet het ____________________ open staan.

9


Workbooks4 Biologie

27. Met het oculair en het objectief maak je verschillende vergrotingen. Vul de tabel in: Oculair

Objectief

10x

4x 10x

Vergroting

100x

10x

400x

28. V4 met een microscoop beantwoord de volgende vraag:

werken. Voer het practicum op blz. 80 uit en

Als je met de microscoop werkt zijn een aantal zaken belangrijk: Streep het foute antwoord door! a. Bij de grootste vergroting gebruik je de kleine / grote schroef. b. Als je iets bij een grotere vergroting wilt bekijken schuif je dat naar het midden / de rand van het beeld. c. Hoe groter de vergroting hoe lichter / donkerder het beeld. d. Als je het preparaat naar links schuift dan zie je het beeld naar links / rechts gaan.

29. V5 een preparaat de volgende vraag:

maken. Voer het practicum op blz. 82 uit en beantwoord

Welke zaken zorgen voor een minder duidelijk preparaat? A B C D E

10

Een schoon voorwerpglaasje. Het dekglaasje in het midden vastpakken. Vier druppels jodium op het voorwerpglaasje doen. Het dekglaasje snel op het voorwerpglaasje laten vallen. Luchtbellen.

1KGT


1KGT

Workbooks4 Biologie

30. Als je een donker of onduidelijk beeld hebt kan dat de volgende oorzaken hebben:  Je hebt de s _______________ niet goed staan of je hebt het l ___________ niet ingeschakeld.  Het d ____________________ staat dicht en laat geen licht door.  Je gebruikt een te g ____________________ vergroting.  Je hebt de r ____________________ niet tot de klik gedraaid. Het objectief staat niet recht boven de opening.  Je ziet allemaal dikke zwarte strepen of rondjes, dit zijn l_________________.  Je hebt het dekglaasje te snel op de druppel laten zakken.

31. Opruimen van de microscoop gaat ook in een bepaalde volgorde: Zet de letters in de goede volgorde: Haal het preparaat onder de microscoop vandaan (A) - Draai met de grote schroef de tafel zo ver mogelijk van het objectief (B) – Draai het kleinste objectief voor (C). De goede volgorde is: __________________________________________________

32. M1

cellen van het wangslijmvlies. Voer het practicum op blz. 83 uit.

33. M2

cellen van de ui. Voer het practicum op blz. 84 uit.

34. Welk onderdeel vind je wel in een plantencel en niet in een menselijke / dierlijke cel? A B C D

De celkern Het cytoplasma Het celmembraan De celwand

35. Bij welke cellen kun je celwanden zien? A B C D E F

Spiercellen Maagcellen Bladcellen Cellen van een boom Cellen van een bloem Bloedcellen

11


Workbooks4 Biologie

36. V1 met een determinatietabel werken. Voer het practicum op blz. 85 uit en beantwoord daarna de volgende vraag: In de afbeelding is een rondvis weergegeven.

Probeer met de zoekkaart voor rondvissen de naam van de vis te vinden. Schrijf ook de nummers van de vragen op waar je langs komt. Naam vis: _____________________ Ik kom langs vraag ______________________

12

1KGT


1KGT

Workbooks4 Biologie

H1.3 Tellen en meten 37. V7 Een tabel volgende vraag:

maken. Voer het practicum op blz. 86 uit en beantwoord de

Hoeveel kolommen en rijen staan in de tabel over de schoenmaat? _____ kolommen en _____ rijen. 38. V8 Een staafdiagram tekenen. Voer het practicum op blz. 87 uit en zet de dingen die je moet doen bij het maken van een staafdiagram of lijngrafiek in de goede volgorde: A B C D E

Gegevens in het diagram zetten. Assen tekenen. Staven tekenen of een lijn trekken. Getallen bij de assen zetten. De assen benoemen en er eenheden bij zetten

De goede volgorde is: __________________________________________________

39. V9 Een lijngrafiek tekenen. Voer het practicum op blz. 88 uit en beantwoord de volgende vraag: Je hebt bij een onderzoek de volgende waarden gevonden: 2 – 14 – 35 – 150 – 400. Je moet van die getallen een lijngrafiek maken. Op de verticale as heb je 10 hokjes tot je beschikking. Welke getallen zet je bij de verticale as? De stapjes moeten even groot zijn!

0 - ____ - ____ - ____ - ____ - 250 - ____ - ____ - ____ - ____ - ____

40. Om waarnemingen overzichtelijk weer te geven kun je gebruik maken van diagrammen en grafieken. Zeg bij de volgende waarnemingen welk diagram of grafiek er bij hoort: Het aantal eieren dat per dag in een kippenhok wordt gelegd. ___________________ Het percentage leerlingen met een bepaalde haarkleur. _______________________ Het aantal centimeter dat je sinds je geboorte bent gegroeid. ___________________

13


Workbooks4 Biologie

41. Welke eenheden gebruik je in een diagram als je de volgende zaken onderzoekt: Kies uit: gram, uur, millimeter, jaar, kilogram, °C, milliliter. Onderzoek

Eenheid

De leeftijd van een mens De leeftijd van de eendagsvlieg De lichaamstemperatuur De dikte van de stengel van de paardenbloem De inhoud van een reageerbuis Het gewicht van een mens Het gewicht van een muis

H1.4 Onderzoek doen 42. V18 Onderzoeksvragen. Voer het practicum op blz. 89 uit en beantwoord de volgende vraag: Wat is een goede onderzoeksvraag? A B C D

Dat kan elke vraag zijn. Een vraag waarop meerdere antwoorden te geven zijn. Een vraag waar je het antwoord al op weet. Een vraag die je oplost door een onderzoek te doen.

43. Je ziet op het trottoir allemaal grijsgroene aanslag zitten. De biologieleraar vertelt dat dat korstmossen zijn. Het valt je op dat er niet overal evenveel zit. Met welke onderzoeksvraag kun je dit onderzoeken? ____________________________________________________________________

44. Je wilt gaan onderzoeken of de schoenmaat iets zegt over de lengte van iemand. Welke materialen heb je voor dit onderzoek nodig? ____________________________________________________________________

45. Hoe voer je het onderzoek uit, dus welke werkwijze pas je toe? ____________________________________________________________________ ____________________________________________________________________

14

1KGT


1KGT

Workbooks4 Biologie

46. V6 Een proefverslag maken. Voer het practicum op blz. 90 uit en zet daarna de onderdelen van het proefverslag in de goede volgorde: 

_________________________

Hypothese

_________________________

Resultaat

_________________________

47. Zet het goede onderdeel van het proefverslag achter de omschrijving:

Het antwoord op de onderzoeksvraag.

De verwachting.

De manier waarop je een onderzoek aanpakt. Het deel dat wordt weergegeven in een tabel of diagram. De spullen die je voor de proef nodig hebt.

48. O3 Een gootje volgende vraag:

maken. Voer het practicum op blz. 91 uit en beantwoord de

Welke conclusie heb je uit de proef kunnen trekken? A Een meerderheid van de leerlingen op school kan een gootje maken. B Ongeveer evenveel leerlingen kunnen wel als niet een gootje maken. C Een meerderheid van de leerlingen op school kan geen gootje maken.

49. Bedenk 3 redenen waarom je onderzoek op een vaste manier moet aanpakken? 1. __________________________________________________________________ 2. __________________________________________________________________ 3. __________________________________________________________________

15


Workbooks4 Biologie

H7 – Practica O1 - De torso Wat ga je onderzoeken? Welke organen zie je in een torso en waar zitten ze? Wat heb je nodig?  Een torso Wat moet je doen? o Bekijk de torso die voor je staat. o Beantwoord de vragen over de torso. o Haal zo nodig de organen voorzichtig uit de torso. o Teken een dwarsdoorsnede van de borstholte. Geef de onderdelen aan. o Teken een dwarsdoorsnede van de buikholte net onder het middenrif. Geef de onderdelen aan. o Plaats de organen na afloop weer op de juiste plaats. Wat neem je waar? 1. Vul in: De torso wordt door het ____________________ verdeeld in de borstholte en de buikholte. In de borstholte zitten de volgende organen: De ___________________ en het ____________________. In de buikholte zitten de ____________________, de ____________________ en de ____________________.

2. Kijk naar de verschillende organen in de torso. Omcirkel de beweringen die kloppen. A B C D E F

Je slokdarm heeft een kronkelige vorm. Je luchtpijp vertakt zich in twee takken. De luchtpijp ligt voor de slokdarm. Als je eet komt het eten eerst in de darmen. De lever ligt gedeeltelijk voor de maag. De lever ligt van jezelf uit gezien aan de linkerkant van je lichaam.

3. Haal de organen voorzichtig uit de torso. Zie je nog andere organen die niet in het boek zijn genoemd? Probeer er achter te komen hoe ze heten. ___________________________________________________________________ ___________________________________________________________________

4. Maak op de volgende bladzijde twee tekeningen van een dwarsdoorsnede door de torso. Probeer te bedenken hoe het er uit ziet. Geef in de doorsnedes de belangrijkste organen aan.

16

1KGT


1KGT

Workbooks4 Biologie

Dwarsdoorsnede borstholte

Dwarsdoorsnede buikholte

17


Workbooks4 Biologie

O2 - Hartslag en ademhaling Wat ga je onderzoeken? Hoe werken orgaanstelsels samen? Wat heb je nodig?  Een stopwatch Wat moet je doen? o Werk met zijn tweeën. Ieder meet 1 minuut aan zijn/haar pols de hartslag. o Ieder meet ook 1 minuut het aantal ademhalingen (in- en uitademing). o Maak nu 10 diepe kniebuigingen snel achter elkaar. o De één meet meteen daarna het aantal hartslagen de ander het aantal ademhalingen o Schrijf de gegevens in de tabel. Wat neem je waar? Per minuut

Hartslag in rust

Hartslag na inspanning

Ademhaling in rust

Persoon 1 Persoon 2

Conclusie: 1. Wat gebeurt er met je ademhaling en hartslag bij een inspanning? A B C D

Ademhaling en hartslag nemen toe Ademhaling en hartslag nemen af Ademhaling neemt toe, hartslag neemt af Ademhaling neemt af, hartslag neemt toe

2. Streep het foute alternatief door: Er gaat meer / minder zuurstof en voedingsstof naar de spieren Vragen: 3. Welke orgaanstelsels werken hier samen? A B C D E

Skelet Verteringsstelsel Ademhalingsstelsel Bloedvatenstelsel Spierstelsel

4. Op welke plaatsen kun je de hartslag voelen? A B C D E

18

Bij de pols aan de kant van de duim Bij de pols aan de kant van de pink Bij de hals Bij de elleboog Midden op je borst

Ademhaling na inspanning

1KGT


1KGT

Workbooks4 Biologie

V2 - Een tekening maken Je maakt bij biologie tekeningen om dingen, die je onderzoekt ,te beschrijven. Schematische tekeningen zijn tekeningen waarbij de belangrijkste onderdelen zijn aangegeven. Bij natuurgetrouwe tekeningen zijn veel details getekend. Je tekent op een tekenblad, dat op een vaste manier is ingedeeld: Vak 1:

Vak 2:

Titel, buitenaanzicht/lengtedoorsnede/dwarsdoorsnede

Vergroting

Vak 3:

Vak 4:

Tekening

Namen onderdelen

Tekeningen moeten voldoen aan een aantal tekenregels:       

Teken met potlood (niet met kleurpotloden, stiften of een pen). Teken niet te klein. Maak tekeningen minstens 6 cm groot. Trek strakke lijnen, schets niet. Teken wat je ziet, gebruik geen fantasie. Geef onderdelen aan met horizontale lijnen naar rechts. Gebruik je liniaal of geodriehoek. Zet bij een tekening wat het is. Zeg ook of je te maken hebt met een buitenaanzicht, een dwarsdoorsnede of een lengtedoorsnede. Geef de vergroting aan. Werk netjes.

19


Workbooks4 Biologie

Wat ga je onderzoeken? Hoe maak je op een overzichtelijke manier een goede biologische tekening? Wat heb je nodig?  Een vrucht (bv een appel, peer, tomaat, kiwi)  Een schilmesje  Een snijplankje  Tekenmateriaal (potlood, gum en geodriehoek) Wat moet je doen? o Snij de vrucht van het steeltje naar beneden door. Dit is een lengtedoorsnede. o Schrijf de titel van de tekening en wat het is (buitenaanzicht / dwarsdoorsnede / lengtedoorsnede) in vak 1 op de vorige bladzijde. o Maak in vak 3 een schematische tekening van de lengtedoorsnede. o In vak 2 komt de vergroting te staan. o Trek met de geodriehoek een horizontale lijn van een pitje naar vak 4 en zet daar de naam van het onderdeel. o o o o

Hou de twee helften tegen elkaar en snij nu de vrucht over dwars door. Maak hieronder een tekening van de dwarsdoorsnede. Vul alle vakken in, hou je aan de tekenregels! Als je klaar bent eet je de vrucht lekker op!

Wat neem je waar?

20

1KGT


1KGT

Workbooks4 Biologie

T11 - De tuinslak Wat ga je onderzoeken? Hoe ziet een tuinslak er aan de buitenkant uit? Wat heb je nodig?  Een tuinslak  Een loep  Tekenmateriaal  Stopwatch Wat moet je doen? o Bekijk de slak van de zijkant en maak een natuurgetrouwe tekening. Gebruik de loep. o Teken de slak 2x vergroot. o Geef in de tekening met horizontale lijnen aan waar de ogen en de tasters zitten. o Zet de namen in de rechterkolom. Wat neem je waar?

Vragen: 1. Hoe zou je er achter kunnen komen hoe snel een slak zich voortbeweegt? Bedenk een werkplan en voer het uit. Hoe snel gaat de slak? De slak heeft een snelheid van ______ cm per uur.

21


Workbooks4 Biologie

V3 - Met een loep werken Een loep of vergrootglas gebruik je om dingen beter te bekijken. Je gebruikt een loep als het voorwerp te groot of te dik is voor de microscoop. Ook als je buiten veldwerk doet is een loep handiger dan een microscoop. Hoe werk je met een loep?  Houd de loep dicht bij je oog.  Beweeg het voorwerp dat je wilt bekijken naar de loep toe, totdat je hem scherp ziet.

Wat ga je onderzoeken? Hoe werkt een loep? Wat heb je nodig?  Een loep  Een boek Wat moet je doen? o Leg de loep op een stukje tekst in je boek. o Beweeg de loep langzaam naar boven. o Je ziet een aantal dingen gebeuren: De letters worden kleiner (A) - De letters worden groter (B) - De letters draaien om (C) - De letters worden wazig (D). Vraag: 1. Zet de letters van de hierboven genoemde gebeurtenissen in de goede volgorde: ____________________________________________________________________ Wat moet je doen?

22

o

Houd de loep vlak voor je oog en beweeg je wijsvinger naar de loep toe.

o

Maak een natuurgetrouwe tekening van het topje van je wijsvinger. Teken de vingertop 2x zo groot. Maak de tekening in vak 3.

o

Geef in de tekening de nagelriem en de nagel aan.

Wat neem je waar?

1KGT


1KGT

Workbooks4 Biologie

V4 - Met een microscoop werken Een microscoop gebruik je om dingen beter te bekijken. Voorwaarde is dat het voorwerp heel dun is ,anders kan er niet genoeg licht doorheen en zie je niets. Met een microscoop bekijk je hele kleine dingen zoals cellen. Hoe werk je met een microscoop? Klaar zetten voor gebruik:  Hou de microscoop als je hem draagt stevig vast aan het statief.  Zet de microscoop met het statief naar je toe op tafel.  Draai het kleinste objectief voor.  Draai de tafel zover mogelijk van het objectief af.  Probeer zoveel mogelijk licht door de microscoop te krijgen door het spiegeltje zo te draaien dat het midden van het beeld wit is of door het lampje aan te zetten.  Leg daarna het preparaat onder de microscoop. Scherp stellen:  Draai aan de grote schroef om een scherp beeld te krijgen.  Schuif het deel dat je wilt bekijken naar het midden van het beeld.  Draai een groter objectief voor.  Stel opnieuw scherp, weer met de grote schroef.  Schuif het deel dat je wilt bekijken naar het midden van het beeld.  Draai het grootste objectief voor.  Stel opnieuw scherp maar gebruik nu de kleine schroef! Opruimen:  Als je wilt opruimen draai je eerst het kleinste objectief voor.  Je draait de tafel zo ver mogelijk van het objectief af.  Daarna haal je het preparaat onder de microscoop uit.  Je ruimt alles netjes op. Ik heb geen goed beeld, hoe kan dat?  Het objectief staat niet recht boven de opening.  Het lampje staat niet aan/het spiegeltje is niet goed gericht bij de kleinste vergroting.  Het diafragma staat dicht.  Je hebt nog niet scherp gesteld.  Je hebt teveel licht, gebruik het diafragma.

23


Workbooks4 Biologie

Wat ga je onderzoeken? Hoe werkt een microscoop? Wat heb je nodig?  Een microscoop  Een geodriehoek  Twee voorwerpglaasjes  Twee haren, één van je zelf en één van een klasgenoot Wat moet je doen? o Zet de microscoop voor je neer met het statief naar je toe. o Draai het kleinste objectief voor. o Draai met de grote schroef de tafel zo ver mogelijk van het objectief af. o Zet het lampje aan of draai de spiegel zodanig dat je een zo licht mogelijk beeld krijgt. o Leg de geodriehoek onder de preparaatklemmen. o Kijk door het oculair, draai aan de grote schroef tot je een scherp beeld hebt. o Schuif de geodriehoek zodanig dat de millimeterstreepjes van links naar rechts horizontaal door het midden van het beeld lopen. Vragen: 1. Hoeveel millimeter kun je in beeld zien? Zet het aantal mm in de tabel hieronder. 2. Wat gebeurt er met de cijfers van de geodriehoek, als je door de microscoop kijkt? De cijfers worden ____________________ en ____________________ .       

Draai nu een vergroting van 100x voor en stel met de grote schroef scherp. Tel weer het aantal millimeterstreepjes dat in beeld is en zet het in de tabel. Draai tenslotte de vergroting van 400x voor en stel met de kleine schroef scherp. Hoeveel millimeterstreepjes staan er nu in beeld? Ga daarna terug naar een vergroting van 40x, draai de tafel weer zover mogelijk van het objectief en haal de geodriehoek er onder uit. Leg de twee haren kruiselings tussen de twee voorwerpglaasjes en leg dit preparaat onder de microscoop. Stel met de grote schroef scherp. Zoek de plaats op waar de haren elkaar kruisen.

Vragen: 3. Zijn allebei de haren scherp in beeld? Ja / nee. Zien ze er hetzelfde uit? Ja / nee. 4. Kun je verschillende lagen tegelijkertijd scherp in beeld krijgen? Ja / nee. 5. Vergroting 40x 100x 400x

24

Aantal mm streepjes in beeld

Diameter beeld in mm

1KGT


1KGT

Workbooks4 Biologie

V5 - Een preparaat maken Om iets onder de microscoop te bekijken maak je een preparaat. Een preparaat bestaat uit een voorwerpglaasje (objectglaasje) waar iets op ligt dat je wilt bekijken. Hierop ligt een druppel vloeistof (water of kleurstof) en daarop ligt weer een heel dun glaasje (dekglaasje). Het voorwerp dat je bekijkt moet heel dun zijn om er zo veel mogelijk licht door te laten gaan. Hoe maak je een preparaat?  Leg het voorwerp midden op het voorwerpglaasje.  Doe met een druppelflesje een druppel water of kleurstof op het voorwerp.  Pak het dekglaasje voorzichtig aan de randen vast en zet het schuin tegen de vloeistof aan. Hou het dekglaasje met de prepareernaald tegen.  Laat met behulp van de prepareernaald het dekglaasje langzaam op de vloeistof zakken. Hoe beter je dit doet hoe minder luchtbellen!  Haal met het filtreerpapiertje het teveel aan vocht weg, naast het dekglaasje is. Wat is een goed preparaat?  Een preparaat waarbij het dekglaasje niet wiebelt.  Een preparaat met weinig luchtbellen.  Een preparaat waar veel licht doorheen valt.  Een preparaat waar het vocht en het voorwerp onder het dekglaasje zit. Wat ga je onderzoeken? Hoe maak je een preparaat? Wat heb je nodig?  Een voorwerpglaasje (objectglaasje)  Een dekglaasje  Een prepareernaald  Een druppelflesje met eosine of jodium  Een houten of plastic roerstaafje  Een filtreerpapiertje Wat moet je doen? o Strijk met het roerstaafje langs de binnenkant van je wang. o Breng het vocht midden op het voorwerpglaasje. o Maak het preparaat af. o Haal de microscoop en zet hem klaar voor gebruik. o Leg het preparaat onder de preparaatklemmen. o Voer verder het practicum ‘M1 Cellen van het wangslijmvlies’ uit. Vragen: 1. Welke zaken zorgen voor een minder duidelijk preparaat? Omcirkel de goede antwoorden. A B C D E

Een schoon voorwerpglaasje. Het dekglaasje in het midden vastpakken. 4 druppels jodium op het voorwerpglaasje doen. Het dekglaasje snel op het voorwerpglaasje laten vallen. Luchtbellen.

25


Workbooks4 Biologie

M1 - Cellen van het wangslijmvlies Wat ga je onderzoeken? Hoe zien de cellen van het wangslijmvlies er onder de microscoop uit? Wat heb je nodig?  Een microscoop  Prepareermateriaal  Tekenmateriaal  Een druppelflesje met jodium of eosine Wat moet je doen? o Gebruik het preparaat van het wangslijmvlies dat je gemaakt hebt. o Pak de microscoop, maak hem klaar voor gebruik en leg het preparaat onder de preparaatklemmen. o Bekijk het preparaat bij een vergroting van 40x en zoek de (gekleurde) cellen van het wangslijmvlies op. Zoek een paar cellen in hun natuurlijke ligging. Dat wil zeggen met elkaar verbonden en niet gekreukeld. o Bekijk de cellen eerst bij een vergroting van 100x en daarna bij 400x. o Maak een tekening van één cel van het wangslijmvlies en geef in het rechter vak de celkern, het celmembraan en het cytoplasma aan. Denk aan de tekenregels! Wat neem je waar?

1. Hoe lang is een cel van het wangslijmvlies ongeveer? _______________ mm.

26

1KGT


1KGT

Workbooks4 Biologie

M2 - Cellen van de ui Wat ga je onderzoeken? Hoe zien de cellen van de ui er onder de microscoop uit? Wat heb je nodig?  Een microscoop  Prepareermateriaal  Tekenmateriaal  Een stukje ui  Een druppelflesje met jodium Wat moet je doen? o Haal van de holle kant van het stukje ui een vliesje af. o Spreid het vliesje netjes uit op het voorwerpglas o Maak het preparaat af en leg het preparaat onder de preparaatklemmen. o Bekijk het preparaat bij een vergroting van 40x en zoek een mooi stukje preparaat op. o Bekijk de cellen eerst bij een vergroting van 100x en daarna bij 400x. o Maak een tekening van één cel van de ui bij een vergroting van 400x. o Kijk eens goed naar de buitenkant van de cel, je ziet een dubbel lijntje: Om het celmembraan ligt de celwand. o Geef de celkern, het cytoplasma, het celmembraan en de celwand in de tekening aan Wat neem je waar?

Vragen: 1. Vergelijk de onderdelen van de cel van het wangslijmvlies en de cel van de ui. Welk onderdeel vind je alleen bij een plantaardige cel? _______________________

2. Hoe lang is een cel van de ui ongeveer? _________________________ mm.

27


Workbooks4 Biologie

V1 – Met een determinatietabel werken Met een determinatietabel of zoekkaart, kun je door middel van vragen, achter de naam van planten, dieren of voorwerpen komen. De vragen leiden je naar de naam van de plant, het dier of het voorwerp.. Hoe werk je met een determinatietabel?  In een determinatietabel begin je altijd bij vraag 1.  Er staan meestal 2 vragen waarbij je steeds een keuze moet maken.  Achter de vraag staat naar welke volgende vraag je moet.  Je gaat zo door de determinatietabel heen totdat je bij een naam komt.

Wat ga je onderzoeken? Hoe heten de verschillende materialen die bij het biologiepracticum worden gebruikt? Wat heb je nodig?  Een opstelling van genummerde practicum materialen.  Een determinatietabel Wat moet je doen? o Gebruik de determinatietabel om achter de namen van de voorwerpen te komen. Determinatietabel Practicum materialen 1.Het voorwerp is van glas - ga naar 2 Het voorwerp is niet van glas - ga naar 8

1. Zet de goede nummers achter de practicum materialen: 1 = _____________________________

2.Het glaswerk is plat - ga naar 3 Het glaswerk heeft inhoud - ga naar 4

2 = _____________________________

3.Het glaasje is vierkant en dun - Dekglaasje Het glaasje is langwerpig en dik - Voorwerpglas

3 = _____________________________

4.Het glaswerk heeft een deksel - Petrischaal Het glaswerk heeft geen deksel - ga naar 5

4 = _____________________________

5.Het glaswerk is niet overal even breed - Erlenmeyer Het glaswerk is overal even breed - ga naar 6 6.Het glaswerk heeft een maatverdeling - ga naar 7 Het glaswerk heeft geen maatverdeling – Reageerbuis 7.Het glaswerk is lang en smal - Maatcilinder Het glaswerk is niet lang en smal - Bekerglas 8.Het voorwerp heeft 1 scherpe punt - Prepareernaald Het voorwerp heeft 2 scherpe punten – Pincet Het voorwerp heeft een scherp snijvlak - Scheermesje

5 = _____________________________ 6 = _____________________________ 7 = _____________________________ 8 = _____________________________ 9 = _____________________________ 10 = ____________________________

Vragen: 2. Welke stappen moet je in de determinatietabel doen om bij de reageerbuis te komen? Je begint bij vraag 1 daarna vraag ________________________________________

28

1KGT


1KGT

Workbooks4 Biologie

V7 – Een tabel maken In een tabel kun je waarnemingen en resultaten overzichtelijk weergeven. Een tabel bestaat uit kolommen en rijen. In een kolom staan de gegevens onder elkaar, in een rij staan ze naast elkaar. Bovenaan de kolom staat waar de kolom over gaat. Hieronder staat een voorbeeld van een tabel met 2 kolommen en 7 rijen. Jan heeft elke dag genoteerd hoeveel eieren zijn kippen gelegd hebben: kolom kolom ↓ ↓ Dag Aantal eieren Ma 5 ← rij Di 8 ← rij Wo 9 ← rij Do 3 ← rij Vr 7 ← rij Za 10 ← rij Zo 2 ← rij __________________________________________________________________________ Wat ga je onderzoeken? Welke schoenmaat komt in mijn klas het meest voor? Wat moet je doen? o Vraag aan de leerlingen van je klas de schoenmaat. o Turf het aantal keren dat een bepaalde maat voorkomt. o Schrijf de aantallen op. 1. Hoeveel kolommen zie je in de tabel hieronder? _____ 2. Hoeveel rijen zie je in de tabel hieronder? _____ Wat neem je waar? Schoenmaat 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45

Turven

Aantal

29


Workbooks4 Biologie

V8 – Een staafdiagram tekenen Met een staafdiagram kun je waarnemingen en resultaten uit een tabel overzichtelijk weergeven. Je gebruikt een staafdiagram als je aantallen moet weergeven. Hoe maak je een staafdiagram?  Teken een horizontale en een verticale as.  Geef het staafdiagram een naam.  Geef de assen een naam  Verdeel de assen met strepen in gelijke stukjes  Zet de gegevens in het staafdiagram.  Teken de staven. Geef ze eventueel een kleur. 12

Aantal eieren

10 8 6 4

Aantal eieren

2 0 Ma

Di

Wo

Do

Vr

Za

Zo

Dagen van de week

Wat moet je doen? o Gebruik de gegevens uit de tabel met schoenmaten. Maak een staafdiagram. Wat neem je waar?

30

1KGT


1KGT

Workbooks4 Biologie

V9 – Een lijngrafiek tekenen Met een lijngrafiek kun je waarnemingen en resultaten uit een tabel overzichtelijk weergeven. Je gebruikt een lijngrafiek als je veranderingen zoals bv groei of verandering van temperatuur moet weergeven. Hoe maak je een lijngrafiek?  Teken een horizontale en een verticale as.  Geef de lijngrafiek een naam.  Geef de assen een naam.  Zet de eenheid er bij (bv. lengte in meter, temperatuur in ° Celsius, gewicht in gram)  Verdeel de assen met strepen in gelijke stukjes.  Zet de gegevens in de lijngrafiek.  Zet de getallen bij een lijngrafiek onder de streepjes.  Verbind de punten met elkaar door het trekken van een vloeiende lijn. __________________________________________________________________________ Wat ga je onderzoeken? Koelt water gelijkmatig af of gaat het steeds sneller/langzamer? Wat heb je nodig? Een bekerglas met water van ongeveer 60 °C Een thermometer Een stopwatch Wat moet je doen? Zet de thermometer in het bekerglas, wacht totdat je de temperatuur niet meer ziet stijgen. Zet de begintemperatuur in de tabel. Kijk 25 minuten lang, om de 5 minuten, wat de temperatuur van het water is. Zet de gevonden waarden in een tabel en maak daar een grafiek van. Wat neem je waar? Tabel: Tijd in minuten

Grafiek: Temperatuur in °C

Conclusie: __________________________________________________________________________

31


Workbooks4 Biologie

V18 - Onderzoeksvragen Als je iets wilt weten moet je vragen stellen. Het antwoord op een vraag kun je krijgen door iets op te zoeken of door zelf een onderzoek te doen. Er zijn dus twee soorten vragen: 

Opzoekvragen:

Het antwoord vind je door te googelen op internet of door boeken als naslagwerk te gebruiken. Een voorbeeld van een opzoekvraag is: Waarom groeit een bonenplant niet als hij geen water krijgt?

Onderzoeksvragen:

Het antwoord vind je door zelf onderzoek te doen. Een voorbeeld van een onderzoeksvraag is: Groeit een bonenplant beter in het licht of in het donker?

Wanneer is een onderzoeksvraag een goede onderzoeksvraag? o o o o o o o o

De vraag zorgt er voor dat je een onderzoek gaat doen. Het onderzoek moet uitvoerbaar zijn. (Heb je alle benodigde spullen?) Bij de vraag ga je twee dingen vergelijken. De vraag past bij het thema waar je mee bezig bent. Je weet het antwoord op de vraag nog niet. De vraag begint niet met ‘waarom’ of ‘hoe’. Het antwoord op de vraag is geen ja of nee. Door de vraag kun je een werkplan maken.

Wat moet je doen? o o o o o

Bedenk een onderzoeksvraag die bij dit thema past en die voldoet aan de hierboven genoemde voorwaarden. Bespreek je onderzoeksvraag met de docent. Als je onderzoeksvraag is goedgekeurd maak dan een werkplan. Laat het werkplan aan de docent zien. Voer eventueel het practicum uit.

Onderzoeksvraag: _________________________________________________________ __________________________________________________________________________ __________________________________________________________________________ Werkplan: ________________________________________________________________ __________________________________________________________________________ __________________________________________________________________________ __________________________________________________________________________ __________________________________________________________________________

32

1KGT


1KGT

Workbooks4 Biologie

V6 - Een proefverslag maken Een proefverslag bestaat uit een aantal onderdelen in een vaste volgorde. Hierdoor zijn experimenten vergelijkbaar. Hoe ziet een proefverslag er uit?  Onderzoeksvraag – Wat wil je onderzoeken?  Hypothese – Wat verwacht je dat het resultaat van de proef is? Werkplan:  Materialen – Welke spullen heb je nodig?  Uitvoering – Hoe pak je de proef aan?  Tijdsplanning – Op welk moment doe je de proef en hoe lang duurt de proef?  

Resultaat – Wat neem je waar? Conclusie – Het antwoord op de onderzoeksvraag

Onderzoeksvraag (Wat ga je onderzoeken?) Hoe sterk is mensenhaar? Hypothese (Verwachting): Ik denk dat mensenhaar een gewicht van _______________________ kilogram kan dragen. Materialen (Wat heb je nodig?)  Video SBB ‘Hoe sterk is mensenhaar’?  Een bos mensenhaar  Een hijskraan 

_______________________

Uitvoering (Wat moet je doen?) o Maak de bos mensenhaar aan de ene kant vast aan de hijskraan. o Hang er aan de andere kant met behulp van een kabel een gewicht aan. o Maak het gewicht elke keer groter totdat het haar knapt. Resultaat (Wat neem je waar?) 1. Het haar knapt bij een gewicht van ________________ kilogram. Conclusie: 2. Je kunt het volgende over de sterkte van mensenhaar zeggen: Mensenhaar is niet erg / heel sterk. Streep het foute alternatief door.

33


Workbooks4 Biologie

O3 – Een gootje maken Wat ga je onderzoeken? Hoeveel leerlingen op school kunnen met hun tong een gootje maken (tongrollen)? Wat heb je nodig?  De leerlingen van je klas Wat moet je doen? o Zoek uit hoeveel leerlingen in je klas zitten. o Zoek uit hoeveel kinderen in je klas een gootje kunnen maken. o Bepaal hoeveel procent van de leerlingen een gootje kan maken. o Zoek uit hoeveel leerlingen op school zitten. o Schat hoeveel leerlingen op school zitten die een gootje kunnen maken. o Geef het resultaat weer in een diagram. Wat neem je waar? Er zitten _____ leerlingen in mijn klas. _____ leerlingen kunnen met hun tong een gootje maken. Dat is _____ procent. Er zitten _____ leerlingen op onze school. Geef de gegevens uit het practicum overzichtelijk weer. Maak een cirkeldiagram.

Legenda

Wat is de conclusie? 1. Het aantal leerlingen op onze school dat een gootje kan maken is ongeveer _______.

2. We hebben dat uitgevonden door het nemen van een ________________________.

3. Welke conclusie klopt? A B C

34

Een meerderheid van de leerlingen op school kan een gootje maken. Ongeveer evenveel leerlingen kunnen wel als niet een gootje maken. Een meerderheid van de leerlingen op school kan geen gootje maken.

1KGT


1KGT

Workbooks4 Biologie

35


Workbooks4 Biologie

Redactie Willy Stein Vormgeving Workbooks4 Roel Stein Illustraties Workbooks4 Shutterstock

Š2015 Workbooks4 ’s-Heerenberg Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, in enige vorm of op enige wijze in welke vorm dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.

36

1KGT


Workbooks4 - Biologie - Uitgave Nectar 1KGT Demo