Page 1

Practica Workbooks4

Naam: …………………………............… Nummer:………………………………….


Wb4

1

Practica


Practica

Wb4

Werken met Workbooks4 Bij het vak biologie leer je van alles over de levende natuur. De makers van dit werkboek denken dat je het meest leert door dingen zelf te ontdekken. Je kunt de practica onderverdelen in een aantal soorten:        

A: D: M: O: S: T: V: W:

Practica waarbij je een app moet gebruiken. Practica waarin iets gedemonstreerd wordt. Practica waarbij je met de microscoop werkt. Practica waarbij je iets moet onderzoeken. Practica waarbij je naar buiten gaat. Practica waarbij je iets moet tekenen. Practica waarmee je vaardigheden aanleert. Practica waarbij je internet bij nodig hebt.

Veel plezier met dit werkboek!

Inhoud Werken met Workbooks4 ...................................................................................................... 2 Demonstratie practica............................................................................................................ 3 Onderzoekspractica .............................................................................................................. 6 Opdrachten ..........................................................................................................................12 Schoolomgeving ...................................................................................................................13 Tekenpractica .......................................................................................................................16 Vaardigheden .......................................................................................................................19 Internetpractica.....................................................................................................................23

2


Wb4

Practica

Demonstratie practica D1 - De samenstelling van een bot Wat ga je onderzoeken? Welke stoffen zitten er in een bot? Wat heb je nodig?  2 Kippenbotjes  Bunsenbrander  Knijper  Lucifers  Zoutzuuroplossing (sterk verdund)  Bekerglas Wat moet je doen? o Leg één kippenbotje een aantal dagen in het bekerglaasje met de zoutzuuroplossing. o Spoel het botje af met schoon water. o Houd het tweede kippenbotje een paar minuten in een gasvlam. o Koel het botje af met water. o Probeer de beide botjes te buigen. Wat neem je waar? Vul de volgende woorden in: hard – zacht – buigzaam – niet buigzaam

Het botje in zoutzuur is

Het botje in een gasvlam is

Stevigheid Buigzaamheid Conclusie: 1. Welke stof is er door het zoutzuur uit het bot gehaald? ________________________

2. Welke stof is er door de gasvlam uit het bot gehaald? _________________________

3. Welke stoffen zitten er in botten? ___________________ en ___________________

4. Streep het foute antwoord door: Het bot dat in zoutzuur gelegen heeft lijkt qua samenstelling het meest op een baby / bejaarde. Het bot, dat in de gasvlam is gehouden, lijkt qua samenstelling het meest op een baby / bejaarde.

3


Practica

Wb4

D10 – Emulgeren van vetten Wat wil je onderzoeken? Op welke manier worden vetten verteerd? Wat heb je nodig?  2 petrischalen  Slaolie  Afwasmiddel Wat moet je doen? o Giet eerst wat water en daarna slaolie in petrischaal 1. o Doe hetzelfde bij petrischaal 2. o Doe bij petrischaal 1 wat afwasmiddel. o Vergelijk de twee petrischalen en schrijf op wat er is gebeurt. Wat neem je waar? __________________________________________________________________________ __________________________________________________________________________ Conclusie: Vet wordt __________________________________________________________________ __________________________________________________________________________ Vragen: 1.

Streep het foute alternatief door: Je ziet dat de totale oppervlakte van de vetdruppel gelijk is gebleven / kleiner is geworden / groter is geworden. Waarom is dat handig? _________________________________________________ ____________________________________________________________________

2.

Met welk verteringssap is het afwasmiddel te vergelijken? _____________________

3.

Wat is emulgeren? ____________________________________________________

4.

Is de vertering van het vet nu af? Ja / nee

4


Wb4

Practica

D11 – Het hart Wat wil je onderzoeken? Welke onderdelen kan ik bij het hart herkennen? Wat heb je nodig?  Een varkens- of schapenhart  Een metalen of plastic sonde Wat moet je doen? o Bekijk samen met je docent het hart. o Probeer de onderdelen aan de binnen- en buitenkant van het hart te ontdekken. o Probeer met de sonde te ontdekken waar de bloedvaten het hart in gaan. o Kruis in het schema de aangetroffen onderdelen aan. o Voel (als je dat durft) het verschil tussen de wand van een ader en een slagader. o Was daarna je handen met water en zeep. Wat neem je waar? Onderdeel buitenkant Kransaders en kransslagaders Boezems Vet

Gezien?

Onderdeel binnenkant Linkerkamer Rechterkamer Hartkleppen Tussenschot

Gezien?

Bloedvaten Holle ader Longader Aorta

Gezien?

Vragen: 1. Welk verschil zie je tussen de linker en rechter hartkamer? ____________________________________________________________________ 2. Kun je dat verschil verklaren? ____________________________________________ ____________________________________________________________________ 3. Welk verschil voel je tussen een slagader en een ader? ____________________________________________________________________ 4. Kun je dat verschil verklaren? ____________________________________________ ____________________________________________________________________

5


Practica

Wb4

Onderzoekspractica O1 - De torso Wat ga je onderzoeken? Welke organen zie je in een torso en waar zitten ze? Wat heb je nodig?  Een torso Wat moet je doen? o Bekijk de torso die voor je staat. o Beantwoord de vragen over de torso. o Haal zo nodig de organen voorzichtig uit de torso. o Teken een dwarsdoorsnede van de borstholte. Geef de onderdelen aan. o Teken een dwarsdoorsnede van de buikholte net onder het middenrif. Geef de onderdelen aan. o Plaats de organen na afloop weer op de juiste plaats. Wat neem je waar? 1. Vul in: De torso wordt door het ____________________ verdeeld in de borstholte en de buikholte. In de borstholte zitten de volgende organen: De ___________________ en het ____________________. In de buikholte zitten de ____________________, de ____________________ en de ____________________.

2. Kijk naar de verschillende organen in de torso. Omcirkel de beweringen die kloppen. A B C D E F

Je slokdarm heeft een kronkelige vorm. Je luchtpijp vertakt zich in twee takken. De luchtpijp ligt voor de slokdarm. Als je eet komt het eten eerst in de darmen. De lever ligt gedeeltelijk voor de maag. De lever ligt van jezelf uit gezien aan de linkerkant van je lichaam.

3. Haal de organen voorzichtig uit de torso. Zie je nog andere organen die niet in het boek zijn genoemd? Probeer er achter te komen hoe ze heten. ___________________________________________________________________ ___________________________________________________________________

4. Maak op de volgende bladzijde twee tekeningen van een dwarsdoorsnede door de torso. Geef daarin de belangrijkste organen aan.

6


Wb4

Practica

Dwarsdoorsnede borstholte

Dwarsdoorsnede buikholte

7


Practica

Wb4

O2 - Hartslag en ademhaling Wat ga je onderzoeken? Op welke manier werken orgaanstelsels samen? Wat heb je nodig?  Een stopwatch Wat moet je doen? o Werk met zijn tweeën. Ieder meet 1 minuut aan zijn/haar pols de hartslag. o Ieder meet ook 1 minuut het aantal ademhalingen (in- en uitademing). o Maak nu 10 diepe kniebuigingen snel achter elkaar. o De één meet meteen daarna het aantal hartslagen de ander het aantal ademhalingen o Schrijf de gegevens in de tabel. Wat neem je waar? Hartslag in rust Per minuut

Hartslag na inspanning

Ademhaling in rust

Ademhaling na inspanning

Persoon 1 Persoon 2 Conclusie: 1. Wat gebeurt er met je ademhaling en hartslag bij een inspanning? A B C D

Ademhaling en hartslag nemen toe Ademhaling en hartslag nemen af Ademhaling neemt toe, hartslag neemt af Ademhaling neemt af, hartslag neemt toe

2. Streep het foute alternatief door: Er gaat meer / minder zuurstof en voedingsstof naar de spieren Vragen: 3. Welke orgaanstelsels werken hier samen? A B C D E

Skelet Verteringsstelsel Ademhalingsstelsel Bloedvatenstelsel Spierstelsel

4. Op welke plaatsen kun je de hartslag voelen? A B C D E

Bij de pols aan de kant van de duim Bij de pols aan de kant van de pink Bij de hals Bij de elleboog Midden op je borst

8


Wb4

Practica

O8 – Schedelbeenderen Wat ga je onderzoeken? Op welke manier zijn de schedelbeenderen met elkaar verbonden? Wat heb je nodig?  Een (model van) een schedel van mens of dier Wat moet je doen?

o Maak een tekening van de bovenkant van je schedel met naadverbindingen. o Zoek uit hoe de schedelbeenderen heten en zet de namen bij de tekening. Wat neem je waar?

Conclusie: 1. De naadverbindingen zien er uit als _______________________________________ Vragen: 2. Wat zijn fontanellen en waarom heeft een baby ze? ____________________________________________________________________ ____________________________________________________________________ ____________________________________________________________________

9


Practica

Wb4

O12 – Een arm bouwen Wat ga je onderzoeken? Op welke manier buigt en strekt de arm? Wat heb je nodig?  Twee stukken karton, één van 18 bij 6 cm en één van 24 bij 6 cm  Een splitpen  Een perforator  Twee elastiekjes  Een nietapparaat  Een skelet Wat moet je doen?

o o o o o o

Verdeel het kleine stuk karton met een streep in twee delen van 18 bij 3 cm Het kleinste deel stelt de onderarm voor, het grootste deel de bovenarm. Schrijf de namen van de botten op het karton. Maak in beide stukken karton op de plaats waar het gewricht zit één gaatje. Zet de onder- en bovenarm met een splitpen aan elkaar vast. Gebruik de elastiekjes om twee spieren te maken. Zoek uit waar de spieren vastzitten. o Zet de elastiekjes op de goede plaats vast met nietjes. o De armbuigspier moet nu de arm laat buigen, de armstrekspier de arm laten strekken. o Laat het model door de docent controleren. Vragen: 1. Kan de armbuigspier de arm ook weer laten strekken? ____________. Wat heb je daar voor nodig? _____________________________________________________

2. Hoe heten spieren die een tegengestelde beweging mogelijk maken? ____________________________________________________________________

3. Aan welk bot in de onderarm zit de armbuigspier vast?

________________________ 4. Zoek bij het skelet de plaats op waar de pees van de armstrekspier langs loopt? Wat zie je? ______________________________________________________________

10


Wb4

Practica

O19 – Determineren van bladeren Wat ga je onderzoeken: Kan ik de naam van een boom vinden door de bladvorm? Wat heb je nodig?  Een aantal genummerde boombladeren  Een zoekkaart van boombladeren of  Een determinatietabel van boombladeren of  De interactieve flora op de computer Wat moet je doen? o Zoek met behulp van de zoekkaart/determinatietabel/interactieve flora de naam van de boom. o Kruis de kenmerken van het blad aan in de tabel. o Zet de naam van de boom achter het nummer. Wat neem je waar? Nr

Ev

Sg

Vn

Hn

Pn

Gr

Gg

Gt

Gz

Naam

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 Ev=enkelvoudig, Sg=samengesteld, Vn=veernervig, Hn=handnervig, Pn=parallelnervig, Gr=gaafrandig, Gg=gegolfd, Gt=getand, Gz=gezaagd

11


Practica

Wb4

Opdrachten Opdracht Het bloedsomloopspel Werk in tweetallen. Ontwerp een ganzenbordspel waarbij je de menselijke bloedsomloop als route gebruikt. Gebruik de rest van deze bladzijde als kladpapier. Als je klaar bent, speel het spel dan met 2 of 4 personen. Benodigdheden: o o o o o

2 Vellen A3 voor het spel Tekenmateriaal Evt. lijmstift Plakband Dobbelsteen en pionnen

Opdracht Een cel bouwen Werk alleen of met tweetallen. Bouw van zelf gekozen materialen een driedimensionale plantencel met alle onderdelen er in die je kent. Laat het resultaat door de docent beoordelen. Licht in een gesprek met hem het gemaakte toe.

Opdracht De invloed van water op de ontkieming Werk alleen of met tweetallen. Onderzoek welke invloed de hoeveelheid water heeft op de ontkieming van tuinkerszaden. Geef de resultaten van je onderzoek in een grafiek weer en trek een conclusie. Benodigdheden: o o o o o

4 Petrischaaltjes 4 Ronde filtreerpapiertjes Een spuitje met maatverdeling om water toe te voegen Een bekerglas met water 40 tuinkerszaadjes

Opdracht Poster voortplantingstechnieken Behalve de natuurlijke manier van voortplanten zijn er bij mens, dier en plant ook andere technieken om nakomelingen te krijgen. Maak een poster met afbeeldingen waarin zo’n voortplantingstechniek wordt duidelijk gemaakt. Mogelijke onderwerpen: ivf, ki, klonen, stekken, enten. Presenteer je poster aan de klas.

12


Wb4

Practica

Schoolomgeving S1 – Wilde planten 1 Wat wil je onderzoeken? Welke wilde planten vind ik in mijn schoolomgeving? Wat heb je nodig? 1. Een loep 2. Tekenmateriaal Wat moet je doen? o Kijk goed om je heen en beantwoord de vraag over de omgeving. o Probeer in het gebiedje waar je het onderzoek doet 5 verschillende bloeiende planten te vinden. o Zet de eigenschappen van de planten en bloemen in het schema. o Maak een tekening van één van de planten. o Maak een detailtekening van de bloem. Wat neem je waar? o

Geef een beschrijving van het gebied waar je bent. Zeg iets over de hoeveelheid zon, wind, aanwezigheid/afwezigheid van bomen en struikgewas, betreding (wordt er vaak over de planten gelopen), invloeden van de mens (bankjes, maaien, afval enz) ____________________________________________________________________ ____________________________________________________________________

o Hoogte in cm

Kleur bloem

Aantal Aantal kroonbladeren stampers

Plant 1 Plant 2 Plant 3 Plant 4 Plant 5 o Tekening plant

13

Detailtekening bloem

Aantal meeldraden


Practica

Wb4

S9 – Bodemdieren Wat ga je onderzoeken? Welke bodemdieren vind ik in een bepaald gebied? Wat heb je nodig?  Een schepje  Emmers of plastic zakken om bodemmateriaal in mee te nemen.  Een platte bak  Petrischaaltjes  Een binoculair en/of loep  Prepareermateriaal als pincet, penseeltje  Een zoekkaart bodemdieren Wat moet je doen? o o o o o o o o

Beschrijf het gebied waar je de bodemdieren verzameld. Verzamel bodemmateriaal in een bos, park of schooltuin. De meeste bodemdieren zijn te vinden op donkere vochtige plekken. Controleer, voordat je het bodemmateriaal meeneemt, naar school of je genoeg bodemdieren in het materiaal hebt. Doe op school de bodemdieren in de platte bak. Haal de bodemdieren met een pincet, penseeltje of je vingers uit de bak en doe ze in een petrischaaltje. Bekijk met de loep of binoculair de bodemdiertjes en probeer ze op naam te brengen met behulp van de zoekkaart. Zet de namen en aantallen in de tabel. Maak eventueel tekeningen van de bodemdiertjes.

Wat neem je waar? Beschrijving gebied: _________________________________________________________ __________________________________________________________________________ __________________________________________________________________________

Naam

Orde

Aantal

14


Wb4

Practica

Conclusie: _______________________________ komen bij onze groep het meest voor. _______________________________ komen bij de klas het meest voor. De orde die bij onze groep het meest voorkomt is de orde van de _____________________ De orde die bij de klas het meest voorkomt is de orde van de ________________________

15


Practica

Wb4

Tekenpractica T1 – De bruine boon Wat wil je onderzoeken? Welke onderdelen kun je herkennen bij een bruine boon? Wat heb je nodig?  Een droge en een geweekte bruine boon  Tekenmateriaal  Een loep Wat moet je doen? o Bekijk de droge bruine boon met de loep. o Maak een tekening van de bruine boon. Teken de boon 3x vergroot. o Geef in de tekening de volgende onderdelen aan: navel – poortje – zaadhuid. o Haal voorzichtig de zaadhuid van de geweekte bruine boon af. o Haal daarna voorzichtig de twee zaadlobben uit elkaar. o Teken de binnenkant van de zaadlob waar de kiem te zien is. Let op de kiem heeft dezelfde kleur als de zaadlob! o Geef in de tekening de volgende onderdelen aan: zaadlob – worteltje – blaadje. Wat neem je waar? Droge bruine boon – buitenaanzicht

3x

Zaadlob – buitenaanzicht

3x

1. Wat zit er in de zaadlobben? ____________________________________________ 2. Waarvoor dient de zaadhuid? ___________________________________________

16


Wb4

Practica

T3 – Wortels Onderzoeksvraag: Welke onderdelen kan ik bij wortels herkennen? Wat heb je nodig?  Een petrischaal met kiemende zaadjes van de tuinkers of radijs.  Een loep  Tekenmateriaal Wat moet je doen?

o Maak één kiemplantje voorzichtig los. Zorg dat het pluizige gedeelte aan de wortel blijft zitten. o Bekijk de wortel met de loep. De pluisjes zijn wortelharen. o Maak een tekening van het plantje. Teken het plantje 3x vergroot. o Geef in de tekening de hoofdwortel, zijwortel en wortelharen aan. Wat neem je waar?

17


Practica

Wb4

T4 – Stengels Wat ga je onderzoeken? Welke onderdelen kan ik in stengels herkennen? Wat heb je nodig?  Een takje van een houtachtige plant zoals een liguster of beuk.  Tekenmateriaal Wat moet je doen? o Maak een tekening van het takje. o Geef in de tekening de knopen en de leden (enkelvoud lid) aan. o Geef zo mogelijk de okselknop en de eindknop aan. Wat neem je waar?

Vragen: 1. Bekijk het takje. Hoeveel zijtakken kunnen er het volgende jaar ontstaan? ________.

2. Waar vindt de lengtegroei in de tak plaats? _________________________________.

18


Wb4

Practica

Vaardigheden V1 – Met een determinatietabel werken Met een determinatietabel of zoekkaart, kun je door middel van vragen, achter de naam van planten, dieren of voorwerpen komen. De vragen leiden je naar de naam van de plant, het dier of het voorwerp.. Hoe werk je met een determinatietabel?  In een determinatietabel begin je altijd bij vraag 1.  Er staan meestal 2 vragen waarbij je steeds een keuze moet maken.  Achter de vraag staat naar welke volgende vraag je moet.  Je gaat zo door de determinatietabel heen totdat je bij een naam komt. Wat ga je onderzoeken? Hoe heten de verschillende materialen die bij het biologiepracticum worden gebruikt? Wat heb je nodig?  Een opstelling van genummerde practicum materialen. Wat moet je doen? o Gebruik de determinatietabel om achter de namen van de voorwerpen te komen. Determinatietabel Practicum materialen 1.Het voorwerp is van glas - ga naar 2 Het voorwerp is niet van glas - ga naar 8

Zet de goede nummers achter de practicum materialen: 1 = ______________________________

2.Het glaswerk is plat - ga naar 3 Het glaswerk heeft inhoud - ga naar 4

2 = ______________________________

3.Het glaasje is vierkant en dun - Dekglaasje Het glaasje is langwerpig en dik - Voorwerpglas

3 = ______________________________

4.Het glaswerk heeft een deksel - Petrischaal Het glaswerk heeft geen deksel - ga naar 5

4 = ______________________________

5.Het glaswerk is niet overal even breed - Erlenmeyer Het glaswerk is overal even breed - ga naar 6

5 = ______________________________

6.Het glaswerk heeft een maatverdeling - ga naar 7 Het glaswerk heeft geen maatverdeling – Reageerbuis 7.Het glaswerk is lang en smal - Maatcilinder Het glaswerk is niet lang en smal - Bekerglas 8.Het voorwerp heeft 1 scherpe punt - Prepareernaald Het voorwerp heeft 2 scherpe punten – Pincet

6 = ______________________________ 7 = ______________________________ 8 = ______________________________ 9 = ______________________________

Vragen: 1. Welke stappen moet je in de determinatietabel doen om bij de reageerbuis te komen? Je begint bij vraag 1 daarna vraag ________________________________________

19


Practica

Wb4

V2 - Een tekening maken Je maakt bij het vak biologie tekeningen om dingen die je onderzoekt te beschrijven. Schematische tekeningen zijn tekeningen waarbij de belangrijkste onderdelen zijn aangegeven. Bij natuurgetrouwe tekeningen zijn veel details getekend. Je tekent op een tekenblad, dat op een vaste manier is ingedeeld: Vak 1:

Vak 2:

Titel, buitenaanzicht/lengtedoorsnede/dwarsdoorsnede

Vergroting

Vak 3:

Vak 4:

Tekening

Namen onderdelen

Tekeningen moeten voldoen aan een aantal tekenregels:       

Teken met potlood (niet met kleurpotloden, stiften of een pen). Teken niet te klein. Maak tekeningen minstens 6 cm groot. Trek strakke lijnen, schets niet. Teken wat je ziet, gebruik geen fantasie. Geef onderdelen aan met horizontale lijnen naar rechts. Gebruik je liniaal of geodriehoek. Zet bij een tekening wat het is. Zeg ook of je te maken hebt met een buitenaanzicht, een dwarsdoorsnede of een lengtedoorsnede. Geef de vergroting aan. Werk netjes.

20


Wb4

Practica

Wat wil je onderzoeken? Hoe maak je op een overzichtelijke manier een goede biologische tekening? Wat heb je nodig?  Een vrucht (bv een appel, peer, tomaat, kiwi)  Een schilmesje  Een snijplankje  Tekenmateriaal (potlood, gum en geodriehoek) Wat moet je doen? o Snij de vrucht van het steeltje naar beneden door. Dit is een lengtedoorsnede. o Schrijf de titel van de tekening en wat het is (buitenaanzicht / dwarsdoorsnede / lengtedoorsnede) in vak 1 op de vorige bladzijde. o Maak in vak 3 een schematische tekening van de lengtedoorsnede. o In vak 2 komt de vergroting te staan. o Trek met de geodriehoek een horizontale lijn van een pitje naar vak 4 en zet daar de naam van het onderdeel. o o o o

Houd de twee helften tegen elkaar en snij nu de vrucht over dwars door. Maak hieronder een tekening van de dwarsdoorsnede. Vul alle vakken in, houd je aan de tekenregels! Als je klaar bent eet je de vrucht lekker op!

Wat neem je waar?

21


Practica

Wb4

V3 - Met een loep werken Een loep of vergrootglas gebruik je om dingen beter te bekijken. Je gebruikt een loep als het voorwerp te groot of te dik is voor de microscoop. Ook als je buiten veldwerk doet is een loep handiger dan een microscoop. Hoe werk je met een loep? a. Houd de loep dicht bij je oog. b. Beweeg het voorwerp dat je wilt bekijken naar de loep toe, totdat je hem scherp ziet.

Wat wil je onderzoeken? Hoe werkt een loep? Wat heb je nodig?  Een loep  Een boek Wat moet je doen? o Leg de loep op een stukje tekst in je boek. o Beweeg de loep langzaam naar boven. o Je ziet een aantal dingen gebeuren: De letters worden kleiner (A) - De letters worden groter (B) - De letters draaien om (C) - De letters worden wazig (D). Vraag: 1. Zet de letters van de hierboven genoemde gebeurtenissen in de goede volgorde: ____________________________________________________________________ Wat moet je doen? o

Houd de loep vlak voor je oog en beweeg je wijsvinger naar de loep toe.

o

Maak een natuurgetrouwe tekening van het topje van je wijsvinger. Teken de vingertop 2x zo groot. Maak de tekening in vak 3.

o

Geef in de tekening volgens de tekenregels de nagelriem en de nagel aan.

Wat neem je waar?

22


Wb4

Practica

Internetpractica W2 Van groot naar klein Wat ga je onderzoeken? Welke afmetingen hebben dingen uit de natuur? Wat heb je nodig?  Een internetverbinding Wat moet je doen? o Ga naar het programma ‘Afmetingen’. o Beantwoord de eerste twee vragen bij ‘Wat neem je waar’. o Zoom in door de schuifbalk naar rechts te bewegen. o Beantwoord de rest van de vragen. Wat neem je waar? 1. Wat kun je met het blote oog het best zien? a. ____________________ b. ____________________ c. ____________________

2. Wat zijn de afmetingen van een rijstkorrel? _________________________________

3. Wat zie je als je verder inzoomt in volgorde van grootte? a) ____________________ b) ____________________ c) ____________________ 4. Op dit moment is de millimeter (mm) de kleinste lengtemaat die je kent. Dit programma gaat verder. Maak het volgende rijtje af: 1mm = _______________ µm (micrometer) = _______________ nm (nanometer) = _____________________ pm (picometer) 5. Geef de maat en de eenheid aan van de volgende dingen:

Menselijke eicel

Rode bloedcel

Influenza (griep) virus

Koolstofatoom

23

µm


Practica

Wb4

W6 – Kleurenblindheid Wat ga je onderzoeken? Ben ik kleurenblind? Wat heb je nodig?  Een internetverbinding Wat moet je doen? o Ga naar de site www.kleurenblindheid.nl o Ga in het menu naar ‘testen’. o Kies voor Ishihara (38). o Voer de kleurenblindheidtest uit. o Schrijf het resultaat op. Wat neem je waar? 1. _____________________________________________________ ____________________________________________________________________ ____________________________________________________________________ ____________________________________________________________________

Vragen: 2. Als je kleurenblind bent kun je dan helemaal geen kleuren zien? ________________ ____________________________________________________________________ ____________________________________________________________________

3. Komt kleurenblindheid even vaak voor bij jongens als bij meisjes? Hoe komt dat? ____________________________________________________________________ ____________________________________________________________________ ____________________________________________________________________ ____________________________________________________________________

24


Wb4

Practica

W23 – Seksualiteit Wat wil je onderzoeken? Waar kan ik informatie vinden met antwoorden op vragen die ik heb over seksualiteit? Wat heb je nodig?  Internetverbinding Wat moet je doen? o Ga naar www.sense.info o Bekijk de homepage en beantwoord de vragen. o Speel daarna de lovegame ‘Play it safe’. Wat neem je waar?

Vragen: 1. Waar kun je antwoord op je vragen vinden? Zet de titel uit het linkermenu achter de omschrijving: a. Waar vind je meer informatie over aids? _______________ b. Waar vind je informatie over gevoelige plekjes bij mannen en vrouwen? ________ c. Waar vind je meer informatie over de seksualiteit en geloof? _______________ d. Je wilt weten hoe je aan een morning after pil komt. Waar staat informatie? _____ e. Waar vind je informatie over voorbehoedmiddelen? _______________ f.

25

Waar kun je informatie vinden over de eerste keer? _______________


Practica

Wb4

2. Welke omschrijving past bij welke lovegame?

Omschrijving

Lovegame

Hoe veilig vrij jij? Durf het te doen Welke anticonceptie past bij jou? No or go Waar liggen je grenzen?

3. Ga naar Seks ABC en leg kort uit wat de uitdrukking betekent: a. Amenorroe: _______________________________________________________ b. Candida: _________________________________________________________ c. Feromonen: _______________________________________________________ d. Nuva ring: ________________________________________________________ e. Ochtenderectie: ____________________________________________________ f.

Pot: _____________________________________________________________

4. Op welke manieren kun je via deze site informatie krijgen over seks? 1. Via de s _________________________ 2. Via m ___________________________ 3. Via c ____________________________ 4. Via een _______________________________________

26


Wb4

27

Practica


Practica

Wb4

Redactie Willy Stein Vormgeving Workbooks4 Roel Stein Illustraties Shutterstock

Š2016 Workbooks4 ’s-Heerenberg Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, in enige vorm of op enige wijze in welke vorm dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.

28

Workbooks4 - Biologie - Practica demo  

Biologie Practicumboek. Maatwerk samenstelling uit meer dan 200 practica. Passend bij elk niveau en elke methode. Ook verkrijgbaar in digita...

Workbooks4 - Biologie - Practica demo  

Biologie Practicumboek. Maatwerk samenstelling uit meer dan 200 practica. Passend bij elk niveau en elke methode. Ook verkrijgbaar in digita...