2020 - 02 - VL - Voka Paper

Page 1

Een maandelijkse uitgave van Voka vzw | Verschijnt niet in juli en augustus | Jaargang 4- februari 2020 Koningsstraat 154-158, 1000 Brussel P912687

VOKA

PAPER FEBRUARI 2020

DE MOTOR VAN ONZE WELVAART SPUTTERT

Hoe krijgen we de productiviteit omhoog?

L WE A VRA T


PRODUCTIVITEIT INHOUD

De motor van onze welvaart sputtert Hoe krijgen we de productiviteit omhoog?

WE

De essentie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 3 Motor van onze toekomstige welvaart: de productiviteit . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5 Verontrustende dynamiek . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 8 Naar een hogere productiviteitsgroei . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 12 Aanbevelingen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 25 Bronnen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 27

colofon Voka-kenniscentrum Niko Demeester | Secretaris-generaal Bart Van Craeynest | Hoofdeconoom Sonja Teughels | Arbeidsmarkt Veronique Leroy | Arbeidsmarkt en arbeidsverhouding Jonas De Raeve | Onderwijs Goedele Sannen | Mobiliteit en logistiek Katelijne Haspeslagh | Milieu en klimaat Steven Betz | Ruimtelijke ordening en milieu Johan Guldix | Innovatie en ondernemen Karl Collaerts | Fiscaliteit en begroting Pieter Van Herck | Welzijns- en gezondheidsbeleid Gilles Suply | EU en internationaal ondernemen Dieter Somers | Digitale transformatie

2 VOKA PAPER FEBRUARI 2020

Eindredactie Sandy Panis, Katrien Stragier, Zoë Vandekerckhove Foto’s Dann en Shutterstock Vormgeving Capone Druk INNI Group, Heule

‘De motor van onze welvaart sputtert’ is een brochure van Voka, Vlaams netwerk van ondernemingen. De overname of het citeren van tekst uit deze Voka Paper wordt aangemoedigd, mits bronvermelding. Verantwoordelijke uitgever Hans Maertens i.o.v. Voka vzw Burgemeester Callewaertlaan 6 8810 Lichtervelde info@voka.be - www.voka.be


E

VOKA.BE

De essentie

O

nze economische groei staat al geruime tijd onder druk. Doorheen de conjuncturele schommelingen is er sprake van een structurele trend naar lagere groei. Zo groeide de Belgische economie van 1995 tot 2007 nog met gemiddeld 2,5% per jaar. Sinds 2009 is dat groeitempo teruggezakt tot 1,6% en de consensusverwachting voor de komende jaren gaat uit van een groei net boven 1% per jaar. Voldoende groei is evenwel cruciaal om onze welvaartsstaat te kunnen betalen. In het publieke debat daarrond was er de voorbije jaren vooral aandacht voor de werkgelegenheid: ‘Jobs, jobs, jobs’. In België zijn vandaag inderdaad nog altijd relatief weinig mensen aan het werk in vergelijking met in de rest van Europa. Maar voor ons groeipotentieel op langere termijn is de productiviteit een nog belangrijkere factor. Productiviteit duikt zelden of nooit op als thema in verkiezingscampagnes of in politieke acties, maar het is wel met voorsprong de belangrijkste determinant van onze toekomstige welvaart.

“Productiviteit is zelden of nooit een thema in politieke acties, maar is wel de belangrijkste determinant van onze welvaart.”

Veruit het grootste deel van wat we de komende decennia willen realiseren op het vlak van loonstijgingen, winstgroei, hogere sociale uitkeringen of hogere pensioenen zal gefinancierd moeten worden vanuit de productiviteitsgroei. Het belang van die laatste voor onze toekomstige welvaart kan dus moeilijk overschat worden. Die productiviteitsgroei is de voorbije decennia evenwel stelselmatig aan het afkalven. Sinds de boom van de jaren 50-60-70 is de productiviteitsgroei in zowat alle industrielanden aan het vertragen. Bovendien doet België op dat vlak nog slechter dan de meeste andere industrielanden. En dat heeft enorme gevolgen voor onze welvaart. We moeten dus onze productiviteitsgroei snel en duurzaam opkrikken om onze welvaartsstaat betaalbaar te houden. Er is geen makkelijke oplossing om de productiviteit te verhogen, het beleid moet eerder inzetten op een breed gamma aan maatregelen om dat te realiseren. In essentie moet het daarbij gaan om het creëren van omstandigheden waarbinnen individuele ondernemingen aangezet worden om de beschikbare productiefactoren, zoals arbeid en kapitaal, zo efficiënt mogelijk in te zetten. Die productiefactoren moeten zoveel mogelijk georiënteerd worden van niet-productieve naar de meest productieve activiteiten. In het huidige Belgische kader zijn er belangrijke hindernissen die zo’n dynamiek belemmeren, wat de productiviteitsgroei vertraagt en uiteindelijk onze welvaart ondermijnt. Die hindernissen moeten dus weggewerkt worden om de productiviteit aan te zwengelen en zo meer welvaart te creëren. Naast de klassieke recepten voor een hogere productiviteitsgroei, zoals een ➜ WIE?

Structurele partner:

BART VAN CRAEYNEST Hoofdeconoom Voka bart.vancraeynest@voka.be Bart Van Craeynest volgt op het Voka Kenniscentrum de macroeconomische dossiers op.

FEBRUARI 2020 VOKA PAPER 3


PRODUCTIVITEIT DE ESSENTIE

2. Aandacht voor zowel industrie als diensten. De productiviteitsgroei in de industrie ligt gemiddeld gevoelig hoger dan in de dienstensector. De verschuiving binnen de economie naar een toenemend belang van de diensten valt evenwel niet terug te draaien. Toch blijft het voor onze welvaart van belang om industriële activiteit in België te behouden. Daarnaast is extra aandacht nodig voor de productiviteit in de dienstensectoren, onder meer door meer in te zetten op kennisintensieve diensten en door een hogere concurrentie binnen de diensten via internationalisering en een doorgedreven deregulering op product- en arbeidsmarkten.

“De nabijheid van multinationals gaat gepaard met een hogere productiviteit voor andere ondernemingen.”

goed functionerende arbeidsmarkt, een degelijk en toekomstgericht onderwijs en opleidingsaanbod en up-to-date infrastructuur, moet het Belgische beleid zich naar bedrijven richten op vier specifieke domeinen. 1. Internationalisering is ook in het huidige klimaat van antiglobalisering essentieel voor onze economie. Tal van studies geven aan dat ondernemingen die deelnemen aan internationale handel doorgaans productiever zijn. Multinationals zijn daarbij het voorbeeld bij uitstek. Zij behoren steevast tot de meest productieve ondernemingen. Meer nog, ook de nabijheid van multinationals gaat gepaard met een hogere productiviteit voor andere ondernemingen. Dat illustreert het belang van volgehouden inspanningen om multinationals hier te houden en buitenlandse investeringen aan te trekken. Dat vereist een continue aandacht voor onze internationale concurrentiepositie in de breedst mogelijke zin. Daarnaast moet die internationalisering zich meer richten op de dienstensectoren. Op dat vlak hinkt België achterop en zijn specifieke maatregelen nodig om de export van diensten te stimuleren. 4 VOKA PAPER FEBRUARI 2020

120 miljard euro

Als België na 2000 de gemiddelde productiviteitsgroei van de periode 1980-2000 had kunnen aanhouden, dan lag onze welvaart vandaag ruim een kwart hoger. Dat gaat om liefst 120 miljard euro!

3. Specifieke inspanningen nodig om innovatie bij kmo’s te krijgen. De topbedrijven in België sluiten dicht aan bij de internationale technologiegrens en scoren vrij goed op het vlak van inspanningen voor O&O en digitalisering. De problemen liggen eerder bij de minder productieve ondernemingen die er niet in slagen de achterstand op die top goed te maken. Dat vereist extra inspanningen om ook kmo’s mee te krijgen op het vlak van O&O en digitalisering. Ook het integreren van kmo’s in ecosystemen rond multinationals kan daartoe bijdragen. 4. Nood aan een sterkere ondernemingsdynamiek. Ondanks een verbeterende trend in de voorbije jaren heeft België nog altijd te weinig starters. Zeker in het kader van de huidige technologische revolutie zijn starters essentieel om in te spelen op de nieuwe mogelijkheden. Om de ondernemingsdynamiek op te krikken, moeten de administratieve barrières voor starters zoveel mogelijk afgebouwd worden, moet de toegang tot risicokapitaal verbeterd worden en zijn inspanningen nodig om het algemene ondernemingsklimaat te verbeteren. Meer starters, meer concurrentie en een vlottere afhandeling van faillissementen moeten ook een klimaat van creatieve destructie bevorderen om te vermijden dat te veel productiefactoren blijven vastzitten in weinig productieve zombiebedrijven.


VOKA.BE

1. De motor van onze toekomstige welvaart: de productiviteit Onze welvaartsstaat en onze welvaart zijn gebouwd op de economische activiteit. Ook de toekomst van beide zal vooral afhangen van wat we de komende decennia op dat vlak kunnen realiseren. We kunnen onze economische activiteit nog opkrikken, maar dan moeten we dringend werk maken van een hogere productiviteitsgroei.

I

n z’n meest eenvoudige voorstelling wordt de economische activiteit in een land bepaald door twee factoren: hoeveel mensen werken er en hoe hard werken die. Die eerste factor heeft te maken met het aantal jobs, de werkzaamheidsgraad en hoeveel uur er gewerkt wordt. De tweede factor ligt iets moeilijker, maar komt neer op de arbeidsproductiviteit, concreet de output per gewerkt uur. Dat ‘harder’ werken moet niet letterlijk geïnterpreteerd worden, het gaat eigenlijk meer om beter of efficiënter werken. Als een werkende bijvoorbeeld kan beschikken over meer machines of computers, zal die een hoger productiviteitsniveau halen, ook al moet hij/zij daarvoor niet noodzakelijk ‘harder’ werken. De arbeidsproductiviteit hangt dus in belangrijke mate af van de hoeveelheid kapitaal die ingezet wordt in het productieproces, of de kapitaalintensiteit. Daarnaast is er nog een effect op de economische

“We kunnen onze economische activiteit nog opkrikken, maar dan moeten we dringend werk maken van een hogere productiviteitsgroei.” activiteit dat niet rechtstreeks gelinkt is aan de hoeveelheid ingezette arbeid of kapitaal, maar dat eerder bepaald wordt door de mate waarin de verschillende productiefactoren efficiënt gecombineerd worden. Dat is de totale factorproductiviteit. Economische activiteit wordt bepaald door de combinatie van productiefactoren. Klassiek gaat het daarbij om arbeid en kapitaal, maar FEBRUARI 2020 VOKA PAPER 5


DE MOTOR VAN ONZE TOEKOMSTIGE WELVAART: DE PRODUCTIVITEIT

ook grondstoffen, intermediaire goederen of milieu-elementen kunnen beschouwd worden als productiefactoren. De economische activiteit kan dan rechtstreeks gelinkt worden aan de inzet van productiefactoren, maar daarnaast blijft er een restfactor over. Die restfactor is de totale factorproductiviteit, die dus niet rechtstreeks meetbaar is. In essentie geeft die totale factorproductiviteit de impact van technologische vooruitgang op het productieproces aan. Daarnaast spelen ook factoren als de kwaliteit van de instellingen, de concurrentiegraad of het regelgevend kader een rol voor die totale factorproductiviteit.

Die toename in de bedrijfsinvesteringen houdt verband met het groeiende gewicht van digitale en IT-activa in de kapitaalvoorraad. Dat zijn activa met een minder lange levensduur, die dan ook sneller afgeschreven zijn en sneller vervangen moeten worden. Ook de toename van de rendabiliteit van de ondernemingen in de voorbije jaren moet in dat licht gezien worden. Die rendabiliteit is noodzakelijk om de investeringsgroei

De output van economische activiteit wordt bepaald door verschillende factoren

Productiefactoren begrensd kapitaal

De economische activiteit kan verhoogd worden door meer productiefactoren te gebruiken, maar daar zijn beperkingen aan. De klimaatuitdaging impliceert dat het gebruik van grondstoffen en milieu-elementen teruggedrongen moet worden. Op het vlak van de inzet van arbeid is er in België nog heel wat potentieel, maar de vergrijzing werkt dat tegen. Qua werkzaamheidsgraad blijft België achterin het Europese peloton hangen. Verdere inspanningen om meer mensen (langer)

OUTPUT

“Het gebrek aan ‘publiek kapitaal’ wordt pijnlijk geïllustreerd door het mobiliteitsinfarct.”

PRODUCTIVITEIT

aan het werk te krijgen, blijven dan ook noodzakelijk. De demografische en maatschappelijke evoluties stellen evenwel grenzen aan dat potentieel. Volgens de recentste vooruitzichten krimpt de bevolking op actieve leeftijd (20-64 jaar) de volgende twintig jaar. Daarnaast zal ook de toegenomen aandacht voor arbeidsduurverminde28 ring niet snel verdwijnen. Dat soort tendensen impliceert dat het potentieel om de welvaart op 27 te krikken door meer mensen aan het werk te 26 krijgen begrensd is. Belang van investeringen

O&O

digitalisering

creatieve destructie

concurrentie

Figuur 1: Sterkere rendabiliteit gaat

44

gepaard met meer investeringen

42

Belgische niet-financiële ondernemingen

40

25

44

28 27

24

Aangezien de mogelijkheden om meer arbeid of 23 grondstoffen in te zetten beperkt zijn, moeten we zeker onze kapitaalvoorraad op peil houden. 22 Dat vergroot het belang van investeringen voor 21 onze toekomstige welvaart. Bedrijven zetten op dat vlak de voorbije jaren al grote stappen. De 20 investeringsgraad van de niet-financiële onder1995 nemingen zat de voorbije kwarteeuw in een opwaartse trend en klom in 2018 naar 27% (figuur 1). Midden jaren 90 was dat nog maar 21%. 6 VOKA PAPER FEBRUARI 2020

andere productiefactoren zoals grondstoffen of arbeid milieu-elementen

42

38

26 40

25 24

36

38

23

36

34

22 34

21

1997

32

32

20 19951999 1997

1999 2001

200120032003

2005 2005

Investeringsgraad

Investeringsgraad Bron: Eurostat

2007

20072009

2011 2009

Bedrijfswinst (rechtse schaal)

2013

2015 2011

Bedrijfswinst (rechtse schaal)

2017 2013

2015

2017


VOKA.BE

mogelijk te maken. Zo liep de toename van de investeringsgraad de voorbije 25 jaar in tandem met de toenemende rendabiliteit van de ondernemingen. Naast de bedrijven kan ook de overheid meer kapitaal inzetten. Op dat vlak is er in België nog heel wat potentieel. Gezamenlijk investeren de verschillende Belgische overheden al decennialang opmerkelijk weinig (figuur 2). In de periode 1995-2017 bedroegen de totale overheidsinvesteringen in België gemiddeld 2,3% van het bbp per jaar, bij de laagste van Europa. Dat staat in schril contrast met onze tweede positie op het vlak van belastingdruk. Die 2,3% was net voldoende om de normale slijtage te compenseren, maar ondertussen is onze economie wel stevig gegroeid. Dit gebrek aan ‘publiek kapitaal’ wordt onder meer pijnlijk geïllustreerd door het mobiliteitsinfarct. De infrastructuur, zowel op het vlak van de wegen als voor het openbaar 4,0 vervoer, komt al lang niet meer overeen met de 3,0 omvang van de economie. Dat vertaalt zich onder meer in de toenemende filedruk, wat negatief 2,0 inwerkt op de productiviteit. Er is nog potentieel

1,0 -0,0

In België is er dus nog heel wat potentieel om -1,0 de welvaart op te krikken. Naast een optimale inzet van de productiefactoren arbeid, kapitaal -2,0 en milieu-elementen moeten we vooral de ‘restfactor’ totale factorproductiviteit verhogen. Het -3,0 potentieel voor technologische vooruitgang is2000 immers onbeperkt. Veruit het grootste deel van wat we de komende decennia willen realiseren op het vlak van loonstijgingen, winstgroei, hogere sociale uitkeringen, hogere pensioenen of collectieve arbeidsduurvermindering zal gefinancierd moeten worden vanuit de productiviteitsgroei. Het belang van die laatste voor onze toekomstige welvaart kan dus moeilijk overschat worden. Dat blijkt ook uit de langetermijnscenario’s voor economische groei van de Studiecommissie voor de Vergrijzing. De voorbije 20 jaar was de economische groei voor iets meer dan de helft te

“Bijna de volledige welvaartscreatie moet de volgende decennia komen van de productiviteitsgroei.”

Figuur 2: Belgische overheden investeren te weinig Overheidsinvesteringen: jaargemiddelde in 1995-2017 (in % van het bbp) 5,0 4,5 4,0 3,5 3,0 2,5 2,0 1,5 1,0 0,5 0,0 Dui

Bel

VK

It

Oos

Ier

Zwi

Dk

Spa

Por

Ned

Fin

Fra

Nor

Lux

Zwe

Gri

Bron: Eurostat

Figuur 3: Productiviteit als motor van de welvaart Langetermijnraming economische groei: bijdrage tot economische groei (in procentpunten)

4,0 3,0 2,0 1,0 -0,0 -1,0 -2,0 -3,0

2005

2000 20102005

2010 2015

2015 2020

2020 2030 20252025 2030

Werkgelegenheid

Werkgelegenheid

2035 2035

2040 2050 204020452045

2055 2050

2070 2060 2055 20652060

2065

Productiviteit per werkende

Productiviteit per werkende

Bron: Studiecommissie voor de Vergrijzing

danken aan bijkomende werkgelegenheid en dus voor iets minder dan de helft aan productiviteitsgroei. Volgens de Studiecommissie verschuift die verhouding de komende jaren naar 14-86 in 20252070 (figuur 3). Bijna de volledige welvaartscreatie moet de volgende decennia dus komen van de productiviteitsgroei. Die laatste is dan ook cruciaal voor de financiering van onze welvaartsstaat. Of zoals Nobelprijswinnaar Paul Krugman begin jaren 90 al schreef: “Productivity isn’t everything, but in the long run it is almost everything”. In die context zijn de ontwikkelingen van de voorbije decennia, en al helemaal van de laatste jaren, voor de Belgische economie allesbehalve geruststellend.

FEBRUARI 2020 VOKA PAPER 7

2070


VERONTRUSTENDE DYNAMIEK

2. Verontrustende dynamiek De Belgische economie staat al lang gekend als een van de meest productieve ter wereld. Dat blijft ook vandaag nog altijd het geval. Het slechte nieuws is dat voor het toekomstig welvaartsniveau vooral de groei van de productiviteit doorslaggevend is. En die is in België al geruime tijd aan het vertragen.

O

Figuur 4: Lage productiviteitsgroei

was historische norm

Productiviteit: output per hoofd: gemiddelde jaarwijziging per decennium (in %)

5,0 4,0

5,0

3,0

4,0 3,0

2,0

2,0

1,0

1,0

0,0

0,0

-1,0

-1,0

-2,0

Vooral in de jaren 50, 60 en 70 was er in de Europese industrielanden sprake van een heuse productiviteitsboom. In België klom de gemiddelde groei van de economische activiteit per hoofd, een ruwe benadering van de arbeidsproductiviteit, doorheen de jaren 60 naar meer dan 4% per jaar. De introductie van nieuwe technologieën, die mede door de wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog sneller breed geïmplementeerd raakten, was daarbij een belangrijke motor, samen met het toenemende opleidingsniveau van de beroepsbevolking. Historische cijfers illustreren hoe uitzonderlijk die periode van sterke productiviteitsgroei was. De historische norm was eerder lage of zelfs geen productiviteitsgroei. Zo lag de gemiddelde productiviteitsgroei in de periode 1500-1850 op minder dan 0,1% per jaar. Sinds de boom van de jaren 60 koelde de productiviteitsgroei evenwel gevoelig af. In de buurlanden viel een gelijkaardig patroon waar te nemen. Een nauwkeurigere benadering van de productiviteit, de output per gewerkt uur (waarvan er een minder lange historiek beschikbaar is), vertoont eenzelfde patroon (figuur 5). In de jaren 70 nam die voor de hele Belgische economie nog toe met gemiddeld 4,3% per jaar. Sinds 2010 was dat 8 VOKA PAPER FEBRUARI 2020

10

200 100

20

20

90

209 000

9

19

8 19 0 8 19 0

1

19

19 70 7 1 0

19960 60

11995 500

193 300

België

1199 4400

19

0

91

1920 20

19

19

0 19 0 1 1 0

1

19890 00

11888 900

00

876

1818 8700

186 500

118

18

8 00 15

00

-1

85

0

5 18 0 50

-2,0

15

Voor de toekomstige welvaartscreatie is evenwel niet zozeer het huidige niveau, maar vooral de groei van de productiviteit doorslaggevend. Die productiviteitsgroei is al geruime tijd duidelijk aan het vertragen (figuur 4). Dat is geen specifiek Belgisch fenomeen, maar is in zowat alle westerse industrielanden te merken.

-1

nder de industrielanden realiseren enkel landen als Luxemburg, Ierland en Noorwegen een hogere output per gewerkt uur dan België.at hoge productiviteitsniveau heeft onder meer te maken met het historisch relatief hoge opleidingsniveau van de beroepsbevolking en pervers genoeg ook met de hoge loonkosten die bedrijven ertoe aanzetten om dure arbeid te vervangen door kapitaal. Die hoge productiviteit ligt mee aan de basis van het hoge welvaartsniveau in België, ondanks het relatief lage aantal werkenden. Zo haalt België een gelijkaardig welvaartsniveau als Duitsland, maar wel met bijna 700.000 minder werkenden.

Buren

België

Buren

Bron: Maddison Project Database

Figuur 5: Vertragende productiviteitsgroei 4,5

Productiviteit: output per gewerkt uur: gemiddelde jaarwijziging per decennium (in %)

4,0

4,5

3,5

4,0

3,0 2,5 2,0 1,5 1,0

3,5 3,0 2,5 2,0 1,5 1,0

0,5

0,5

0,0

0,0 1970

1970

1980

1990

1980

België

België

2000

1990

Buren

Buren

2010

2000

Scandinavische landen Scandinavische

landen

G7

2010

G7

Bron: OESO

700.000

België haalt een gelijkaardig welvaartsniveau als Duitsland, maar wel met naar verhouding bijna 700.000 minder werkenden.

nog amper 0,5% per jaar. Daarbij valt op dat die vertraging al lang voor de crisis van 2008-2009 ingezet was, zodat het niet louter gaat om een tijdelijk fenomeen gelinkt aan de crisis. Daarnaast is de terugval in België groter dan in andere industrielanden. Zo haalden de buurlanden sinds 2010 gemiddeld nog een totale productiviteitsgroei van 0,9% per jaar, bijna het dubbele van het Belgische cijfer.


VOKA.BE

112 Een derde vaststelling is dat de arbeidsproductiviteit in België de voorbije jaren nog enkel 110 overeind gehouden werd door de verdere inzet van 108 kapitaal. De groei van de totale factorproductiviteit viel stil (figuur 6). In de periode 2000-2017 106 stagneerde die cruciale motor van onze economische groei. België hoort daarmee bij de zwakste 104 leerlingen onder de industrielanden (figuur 7). De 102 een buurlanden realiseerden in die periode nog gemiddelde groei van de totale factorproducti100 viteit van 0,4% per jaar. Europese toplanden als Duitsland, Finland en Zweden haalden een ge98 middelde van 0,8% per jaar.

Figuur 6: Belgische productiviteitsgroei stagneert Totale factorproductiviteit: index (1999 = 100) 112 110 108 106 104 102 100 98

96

Ontwikkelingen op sector- en bedrijfsniveau

96

1999

2001

Het toenemende gewicht van sectoren met een gemiddeld lagere productiviteitsgroei weegt onvermijdelijk op de totale productiviteitsgroei. Dat effect wordt bevestigd door een recente analyse van de OESO voor de verschuivingen in de productiviteitsgroei van 1995-2005 naar 2005-2015. Dezelfde analyse toont evenwel ook aan dat de vertragende productiviteitsdynamiek binnen sectoren een belangrijkere rol speelde in de totale productiviteitsgroei dan de verschuivingen tussen sectoren. De productiviteitsverschillen tussen bedrijven in dezelfde sector zijn met andere woorden een cruciaal element in de analyse.

2001 2003

2003 2005

België

Achter die gemiddeldes gaan sterk variërende ontwikkelingen schuil, zowel op sector- als op bedrijfsniveau. De voor de hand liggende verklaring voor de tragere productiviteitsgroei ligt in de structurele verschuiving binnen de economie naar minder productieve sectoren. Traditioneel ligt de productiviteitsgroei in de industrie duidelijk hoger dan in de dienstensector. Beide sectoren volgden de voorbije decennia het patroon van een vertragende productiviteitsgroei, maar de industrie bleef daarbij voortdurend op een hoger niveau (figuur 8). Zo vertraagde de productiviteitsgroei in de industrie van gemiddeld 3,7% per jaar in 1995-2007 naar 1,8% in 2009-2018. In de dienstensector was dat van 1,1% naar 0,5%. In de internationale vergelijking valt op dat de productiviteitsgroei in de Belgische industrie over de hele periode 1995-2018 gelijke tred houdt met het Europese gemiddelde (2,6% per jaar), terwijl die in de marktdienstensectoren duidelijk achterop hinkt (0,8% tegenover 1,3% per jaar in de EU). In die context is de tertiairisering van de economie een factor in de vertraging van de totale productiviteitsgroei. Zo zakte het aandeel van de industrie in de economische activiteit van nog 21% in 1995 naar 14% vandaag. De diensten wonnen aan belang, met name de marktdiensten (van 43% naar 49%) en in mindere mate de niet-marktdiensten (van 20% naar 21%).

1999

2005

2007 2007

België

Buren

2009 2009

2011

2013 2011

2015 2013

2017

2015

Scandinavische landen

Buren

Scandinavische landen

Bron: OESO

Figuur 7: België bij de zwakste leerlingen van de klas Totale factorproductiviteit: gemiddelde jaarlijkse groei (in %, 2000-2017)

2,5 2,0 1,5 1,0 0,5 0,0 -0,5 -1,0 Gri Lux It Por Spa Nor Bel NZ Dk Ned Fra Aus Zwi Can Oos Jap VK Dui Zwe VS Fin Ier Kor

Bron: OESO

Figuur 8: Lagere productiviteitsgroei in de diensten Productiviteit: output per gewerkt uur: gemiddelde jaarwijziging (in %) 4,0 3,5 3,0

4,0 3,5 3,0

2,5 2,0

2,5 2,0

1,5

1,5

1,0

1,0

0,5 0,0

0,5 0,0 Totaal

Totaal

Industrie

Marktdiensten

Industrie 1995-2007

1995-2007

Marktdiensten

2009-2018

2009-2018

Bron: OESO

FEBRUARI 2020 VOKA PAPER 9

2017


VERONTRUSTENDE DYNAMIEK

Tussen ondernemingen binnen eenzelfde sector zijn er grote verschillen in productiviteit. Volgens de OESO zijn de meest productieve ondernemingen bedrijven die werken met de best beschikbare technologieën (de zogenaamde grensbedrijven die werken tegen de grens van de beschikbare technologische mogelijkheden). Zij zijn in de industrie gemiddeld acht keer productiever dan de zwakkere broertjes in de sector (voor de periode 2000-2014). In de dienstensector loopt dat verschil op tot tien tegen één. Er is op zich geen uniek recept voor meer productieve bedrijven, maar er zijn wel een aantal factoren die daarbij een rol spelen, ook al is de causaliteit niet altijd duidelijk. Hogere productiviteit gaat gepaard met: • •

• • •

mingen toegenomen. Die toename komt vooral op rekening van de zwakke prestaties van de minst productieve ondernemingen, vooral in de dienstensectoren. Het model waarbij minder productieve ondernemingen hun achterstand inhalen door best practices over te nemen van de topbedrijven, werkt dus minder dan vroeger.

“Hoe minder een onderneming werkt met multinationals, hoe minder productief ze is.” De productiviteitskloof tussen de ondernemingen die dicht tegen de internationale productiviteitsgrens opereren en de zwakkere ondernemingen is in België sinds begin 2000 bovendien meer toegenomen dan in andere Europese landen. In die zin speelt deze verontrustende dynamiek een belangrijke rol in de relatief zwakke totale productiviteitsgroei in de Belgische economie. Die laatste is dus niet meteen een probleem van te weinig topbedrijven, maar vooral van een belangrijke groep ondernemingen die achterop raakt (maar toch overleeft).

de leeftijd van ondernemingen: oudere ondernemingen zijn gemiddeld productiever; deelname aan internationale handel en de integratie in internationale waardeketens: blootstelling aan internationale concurrentie, zowel voor inputs als output, is gelinkt aan hogere productiviteit; innovatieniveau: ondernemingen die meer gebruik maken van immaterieel kapitaal, zoals octrooien en licenties, zijn productiever; menselijk kapitaal: een groter aandeel hooggeschoolden in de werkgelegenheid impliceert een hogere productiviteit; investeringen in IT: hoger is productiever.

De OESO vergeleek in verschillende Europese landen hoe zwakkere ondernemingen hun productiviteitsachterstand inhalen. Daaruit blijkt dat op beleidsvlak opleiding, onderzoek en ontwikkeling en de regulering op de arbeidsmarkt een belangrijke rol spelen. Op elk van die domeinen is er in België ruimte voor verbetering.

De meer productieve ondernemingen hebben doorgaans een grotere omzet, en zijn op z’n minst in de industrie ook groter qua tewerkstelling. In de dienstensectoren is dit laatste niet noodzakelijk het geval. Veel van bovenstaande kenmerken komen samen in multinationals. Het hoeft dan ook niet te verbazen dat multinationals tot de meest productieve ondernemingen horen. Bovendien blijkt dat hoe minder een onderneming te maken krijgt met multinationals, hoe groter de productiviteitskloof wordt tegenover die multinationals. Gemiddeld heeft een onderneming die rechtstreeks levert aan een multinational een productiviteitsniveau dat 28% onder dat van de betrokken multinational ligt. Die kloof loopt op tot 44% voor ondernemingen die geen linken hebben met multinationals. Dit geeft aan hoe belangrijk het is om voldoende Vlaamse ondernemingen te laten doorgroeien tot multinationals, buitenlandse multinationals aan te trekken en ecosystemen van lokale Vlaamse bedrijven rond die multinationals uit te bouwen. Sinds 2000 zijn de productiviteitsverschillen tussen de meest en de minst productieve onderne10 VOKA PAPER FEBRUARI 2020

Belang van de vertragende productiviteitsgroei

44%

Voor ondernemingen die geen linken hebben met multinationals loopt de productiviteitskloof op tot 44%.

De productiviteitsgroei is met voorsprong de belangrijkste determinant van onze toekomstige welvaart. In het publieke debat is er te weinig aandacht voor, maar de impact van de vertragende productiviteitsgroei op onze welvaart is enorm. Als België na 2000 de gemiddelde productiviteitsgroei van de periode 1980-2000 had kunnen aanhouden, dan lag onze welvaart vandaag ruim een kwart hoger (figuur 9). In termen van totale economische activiteit spreken we dan over 120 miljard in euro’s van vandaag. Daarmee zouden we natuurlijk een heleboel maatschappelijke uitdagingen kunnen oplossen, zoals het begrotingstekort, de stijgende pensioenuitgaven, de lage minimumuitkeringen, de nood aan investeringen in openbaar vervoer en infrastructuur,… In een breder kader is ook de klimaatproblematiek en het debat over mogelijke grenzen aan de


VOKA.BE

is ondertussen 20 jaar geleden dat de productiviteitsgroei nog voor een langere periode 1,5% haalde. Als de productiviteitsgroei de komende jaren maar zou oplopen tot 1% in 2031 om daarna te stabiliseren op dat niveau, dan zou de jaarlijkse vergrijzingsfactuur verdubbelen tot 5% van het bbp, of 23 miljard, tegen 2070. De Studiecommissie heeft geen ramingen over wat er met de vergrijzingsfactuur gebeurt als de productiviteitsgroei op het huidige niveau blijft hangen, maar het vereist weinig verbeeldingskracht om in te zien dat onze huidige welvaartsstaat in zo’n scenario onbetaalbaar wordt. Anderzijds is het gevoelig opkrikken van de productiviteitsgroei meteen ook de minst pijnlijke manier om de vergrijzingsfacturen en eventuele andere budgettaire uitdagingen op te vangen. De duurzame verhoging van de productiviteitsgroei moet dan ook de absolute prioriteit voor het beleid worden.

economische groei in belangrijke mate een zaak van productiviteit. In essentie gaat het over meer ‘output’ realiseren met minder inzet van productiefactoren, waarbij ook milieu en klimaat in theorie beschouwd kunnen worden als pro220 ductiefactoren. De weg naar oplossingen voor de klimaatuitdaging verloopt via innovatie die 200 de duurzame productiviteit opkrikt, niet via het stilleggen van de economische groei.

Figuur 9: Haperende productiviteitsgroei Productiviteit: output per gewerkt uur: index (1980 = 100) 25,8% 220

180

200

“De duurzame verhoging van de productiviteitsgroei moet de absolute prioriteit voor het beleid worden, willen we ons welvaartsniveau behouden.”

25,8%

160

180

140

160 140

120

120

100 1980

100

1985

1980

1985

1990

1990

1995

2005

2000

1995

2005

2000

België België

2010

2015

2010

2015

Trend Trend1980-2000 1980-2000

Bron: OESO

Figuur 10: Ramingen vergrijzingskosten

Ook voor de toekomstige financiering van onze welvaartsstaat is de productiviteitsgroei van essentieel belang. Dat wordt onder meer geïllustreerd door de ramingen van de impact van de vergrijzing. Volgens de Studiecommissie voor de Vergrijzing zullen de jaarlijkse sociale overheidsuitgaven in 2070 door de veroudering van de bevolking 2,4% van het bbp, of 11 miljard in euro’s van vandaag, hoger liggen dan vandaag. Daarbij vertrekt de Studiecommissie van de hypothese dat de gemiddelde groei van de output per werkende aantrekt tot 1,5% per jaar tegen 2045 om daarna te stabiliseren op dat niveau. Dat veronderstelt een serieuze versnelling van de productiviteitsgroei (figuur 10).

rekenen op stevige productiviteitsgroei Productiviteit: output per werkende: jaarwijziging in % 5,0 4,5 4,0 3,5 3,0 2,5 2,0 1,5 1,0 0,5 0,0 1970

1975

1980

1985

1990

1995

2000

2005

2010

2015

2020

2025

2030

2035

2040

2045

2050

Bron: Studiecommissie voor de Vergrijzing, Europese Commissie

De Europese Commissie raamt de gemiddelde productiviteitsgroei voor 2018-2019 op 0%. Het FEBRUARI 2020 VOKA PAPER 11


NAAR EEN HOGERE PRODUCTIVITEITSGROEI

3. Naar een hogere productiviteitsgroei Er is geen mirakeloplossing om de productiviteitsgroei binnen een economie hoger te tillen. Elke aanpak moet vertrekken van een breed gamma aan maatregelen die positief kunnen bijdragen. De mogelijke maatregelen om de productiviteit op te krikken zijn grosso modo in twee groepen onder te verdelen. Enerzijds is er de interne groei, de intrinsieke stijging van de productiviteit binnen een onderneming. Dat kan door de kwaliteit van de ingezette productiefactoren te verbeteren, onder meer via opleiding of via investeringen in materieel of immaterieel kapitaal. Daarnaast kunnen binnen de onderneming de productiefactoren efficiĂŤnter gecombineerd worden, onder meer via verbeterde productieprocessen, beter management of meer doorgedreven specialisatie. Daarbij kunnen ondernemingen via 12 VOKA PAPER FEBRUARI 2020

eigen onderzoek en ontwikkeling nieuwe producten of diensten ontwikkelen die een grotere toegevoegde waarde opleveren voor de gebruikte productiefactoren. Ten slotte is het ook mogelijk dat ondernemingen met een technologische achterstand op de topondernemingen binnen hun bedrijfsdomein hun achterstand goedmaken door de best practices over te nemen. Dat vereist een vlotte verspreiding van technologische vooruitgang doorheen de economie. Anderzijds is er ook een externe groei van de productiviteit mogelijk via de reallocatie van


VOKA.BE

productiefactoren van minder productieve naar meer productieve ondernemingen. Dat proces van creatieve destructie gaat gepaard met de oprichting en groei van nieuwe efficiëntere ondernemingen en het krimpen of verdwijnen van minder efficiënte ondernemingen. Die reallocatie van productiefactoren kan zowel binnen sectoren als tussen verschillende sectoren, of via startende en verdwijnende ondernemingen.

tieve destructie. Nieuwe, productieve ondernemingen treden toe tot de markt, terwijl oude, niet-productieve ondernemingen verdwijnen. Die dynamiek heeft in het huidige klimaat van snelle technologische verandering nog aan belang gewonnen. Starters kunnen immers meer dan gevestigde waarden een trial-and-errormentaliteit in de economie introduceren, waarbij nieuwe technologieën, toepassingen en producten geprobeerd worden. Veel daarvan kunnen mislukken, maar sommige zullen uitgroeien tot succesverhalen.

“Starters kunnen meer dan gevestigde waarden een trialand-error-mentaliteit introduceren, waarbij nieuwe technologieën en producten geprobeerd worden.”

In een breder perspectief zorgt creatieve destructie ervoor dat productiefactoren arbeid en kapitaal verschoven worden naar productieve ondernemingen en niet blijven vastzitten in niet-productieve activiteiten. Op het vlak van bedrijfsdynamiek scoort de Belgische economie evenwel opmerkelijk zwak. Weinig starters Ondanks jaarlijks terugkerende hoeraberichten over het toenemende aantal starters blijft België op dat vlak achteraan het Europese peloton hangen (figuur 11). In 2017 lag het aantal nieuwe ondernemingen in verhouding tot de bestaande ondernemingen enkel in Griekenland nog lager. Daartegenover staat dat relatief veel Belgische starters overleven: na vijf jaar zetten twee op de drie startende ondernemingen in België door, het tweede hoogste cijfer in Europa. Dat suggereert dat in België pas een nieuwe onderneming opgestart wordt als er een echt overtuigend plan achter zit.

Analyses van de Nationale Bank (NBB) tonen aan dat de voorbije 20 jaar in België de interne groei binnen ondernemingen de belangrijkste factor was in de productiviteitsgroei (zoals ook al aangegeven door de eerder aangehaalde studie van de OESO). De externe groei via de reallocatie van middelen leverde vooral in het herstel na de crisis van 2008 een belangrijke bijdrage aan de productiviteitsgroei. Het ligt voor de hand dat de crisis en het daaropvolgende aarzelende herstel vooral de zwakkere ondernemingen in moeilijkheden brachten, wat in zekere mate zorgde voor een uitzuivering van de bedrijven met een reallocatie van middelen ten voordele van de efficiëntere ondernemingen. Naast die eerder conjuncturele dynamiek is er ook een structurele reallocatie die weegt op de totale productiviteit door de verschuiving van economisch gewicht van de industrie naar de diensten. Die structurele trend valt niet terug te draaien.

Naast een beperkt aantal starters verdwijnen er ook relatief weinig bedrijven: het aantal stopzettingen op de totale bedrijfspopulatie ligt in Bel-

Figuur 11: Weinig starters in België Nieuwe ondernemingen: birth rate ondernemingen in de private sector (in %, 2017) 18

Een beleid gericht op een herstel van de productiviteitsgroei moet dus omstandigheden creëren die de allocatie van productiefactoren naar ondernemingen met het meeste potentieel op het vlak van productiviteit bevordert, en tegelijkertijd inzetten op mogelijkheden om de productiviteit binnen individuele ondernemingen op te krikken, zoals onderzoek en ontwikkeling en digitalisering.

16 14 12 10 8 6 4 2

Weinig dynamische bedrijfspopulatie Een potentieel krachtige motor voor innovatie en productiviteitsgroei is het proces van crea-

0 Por

VK

Dk

Fra

Fin

Ned

Lux

Spa

Ier

Nor

It

Zwi

Dui

Oos

Zwe

Bel

Gri

Bron: Eurostat

FEBRUARI 2020 VOKA PAPER 13


NAAR EEN HOGERE PRODUCTIVITEITSGROEI

voor de indicator ‘opstarten van een onderneming’. Ook uit de concurrentieranglijsten van het World Economic Forum komen er belangrijke hindernissen voor startende ondernemers naar voren (figuur 13). Zo komt België, telkens op 141 landen, op een 31e plaats voor de beschikbaarheid van risicokapitaal, op een 63e plaats voor de kost om een onderneming op te starten en op een 97e plaats voor de algemene houding tegenover ondernemingsrisico. Daarnaast zijn er ook belangrijke hindernissen voor ondernemerschap in een ruimer perspectief, zoals de last van overheidsregulering (94e), de concurrentieverstorende impact van subsidies en belastingen (52e) en de regulering voor aanwervingen en ontslag (115e).

gië ook bij de laagste van Europa (figuur 12). De Belgische bedrijfspopulatie wordt dus overwegend gekenmerkt door opmerkelijke stabiliteit, en dus niet meteen door veel dynamiek en vernieuwing of door trial-and-error. Dat beeld wordt trouwens bevestigd door het relatief lage aantal sterke groeiers onder de Belgische ondernemingen. Ook op dat vlak hoort België bij de zwaksten van Europa. Er zijn ongetwijfeld heel wat factoren die bepalen of iemand een onderneming wil starten of niet, maar het opmerkelijk lage aantal starters in België kan niet los gezien worden van het beleidskader. Dat houdt immers verschillende hindernissen voor ondernemers in . In de ‘ease of doing business’-ranglijst van de Wereldbank staat België op een 48e plaats (op 190 landen)

Ook het fiscale kader blijft weinig stimulerend voor ondernemers. Alles samen creëert dat een klimaat dat niet echt aanzet tot het starten van een onderneming, wat onvermijdelijk tot uiting komt in de magere ondernemingsdynamiek. De meeste van die hindernissen worden direct of indirect bepaald door beleidsbeslissingen. Maar die kunnen bijgestuurd worden. Een raming van de OESO suggereert dat de Belgische startersgraad met de helft verhoogd kan worden door de best practices onder de industrielanden over te nemen op het vlak van toegang tot risicokapitaal, contractuitvoering, regulering van de productmarkten en de kosten om een onderneming op te starten.

Figuur 12: Weinig bedrijven die stoppen Stoppende ondernemingen: death rate ondernemingen in de private sector (in %, 2017) 16 14 12 10 8 6

Oppassen voor zombies

4 2 0 Por

VK

Dk

Dui

Spa

Lux

It

Zwi

Oos

Fin

Ned

Zwe

Fra

Gri

Nor

Bel

Ier

Bron: Eurostat

Figuur 13: Hindernissen voor

ondernemerschap in België Rang op 141 landen (WEF Global Competitiveness Ranking, 2019)

Toegang tot risicokapitaal

31/141

Verstorende impact subsidies en belastingen

52/141

Kosten van opstart

63/141

Last van regulering

94/141

Houding tegenover ondernemingsrisico

97/141

Regulering aanwerving en ontslag

115/141

Bron: WEF

14 VOKA PAPER FEBRUARI 2020

Een gezonde bedrijfspopulatie gaat niet enkel om voldoende starters, maar evengoed over voldoende bedrijven die ermee stoppen. In Europa lag in 2017 het aantal stopzettingen enkel in Ierland nog lager dan in België. Daaraan verbonden scoren we ook op het vlak van ‘zombiebedrijven’ niet al te best. Wat zijn ‘zombiebedrijven’? In essentie gaat het om ondernemingen die in een volledig competitieve markt zouden verdwijnen, maar er toch in slagen om te overleven. Dat kan te maken hebben met een gebrek aan concurrentie, een moeilijke faillissementsregulering, de lage rente en de terughoudendheid van banken om slechte kredieten aan te pakken. Er is geen uniforme praktische definitie van zombiebedrijven, maar de OESO definieert zombiebedrijven als bedrijven van ten minste tien jaar oud waarvan de bedrijfswinst minstens drie jaar op rij kleiner is dan de financiële lasten. Zombiebedrijven hebben doorgaans een lagere productiviteit dan niet-zombiebedrijven. Voor België raamt de Nationale Bank dat 65% van de zombiebedrijven een productiviteitsniveau hebben dat onder de mediaan ligt. Zo mogelijk nog belangrijker is het feit dat zombiebedrijven mid-


VOKA.BE

leidt dat, zeker in een structureel krappe arbeidsmarkt, tot een belangrijk welvaartsverlies.

“Als te veel arbeidskrachten ‘vasthangen’ in zombiebedrijven dan leidt dat tot een belangrijk welvaartsverlies.”

Beleidskeuzes spelen een belangrijke rol in de aanwezigheid van zombiebedrijven. Een slecht uitgewerkte regulering kan de stap naar een herstructurering of faillissement bemoeilijken, en zal bijdragen tot een hoger aantal zombiebedrijven in de economie. Een recente analyse van de OESO bevestigt dat het verlagen van de hindernissen voor herstructurering en stopzetting de meest productieve zombies aanzet tot herstructureren en bijdraagt tot het stopzetten van niet-leefbare ondernemingen.

delen als werknemers, kapitaal of krediet capteren die bijgevolg niet ingezet kunnen worden in productievere delen van de economie. Bovendien wegen zombiebedrijven op de productiviteitsgroei van gezonde bedrijven. Zo toont een internationale vergelijking van de OESO aan dat naarmate er meer kapitaal vastzit in zombiebedrijven, ook niet-zombiebedrijven moeilijker aan kapitaal raken en daardoor minder investeren en aanwerven. Zowel de Nationale Bank als de OESO wijzen erop dat zombiebedrijven geen marginaal fenomeen zijn in België (figuur 14). Volgens de OESO ging het in 2017 om 5% van de Belgische ondernemingen. Enkel in Spanje en Portugal lag dat aandeel nog hoger. Zombiebedrijven waren goed voor 7% van de werkgelegenheid en 9% van het kapitaal in de Belgische economie. Als te veel arbeidskrachten ‘vasthangen’ in zombiebedrijven dan

Figuur 14: Relatief veel zombies in België Zombiebedrijven: in % van het totale aantal ondernemingen (2015) 9 8 7 6 5 4 3 2 1 0 Fin

Zwe

Fra

Ier

VK

Svn

It

Bel

Spa

Por

Bron: OESO

FEBRUARI 2020 VOKA PAPER 15


NAAR EEN HOGERE PRODUCTIVITEITSGROEI

De OESO vergelijkt de faillissementsregeling in verschillende landen op basis van een aantal indicatoren, waaronder: •

“Meer concurrentie is doorgaans een positieve factor voor de productiviteit.”

de behandeling van failliete ondernemers (bijvoorbeeld welke kosten zij moeten dragen of hoe lang het duurt voor schulden van het failliete bedrijf niet langer afgezet worden tegenover toekomstige inkomsten); de aanwezigheid van preventieve procedures (bijvoorbeeld in welke mate er een systeem van vroege waarschuwing van schuldproblemen is of voor een vroege en snelle aanpak van die schuldproblemen); de aanwezigheid van eventuele hindernissen voor herstructurering (bijvoorbeeld in welke mate minderheidsaandeelhouders een herstructureringsplan kunnen blokkeren of in hoeverre nieuwe financiering mogelijk is en/ of voorrang krijgt op bestaande schuldeisers).

Onder de industrielanden hoorde België tot voor kort bij de landen met de moeilijkste afhandeling van faillissementen (figuur 15). De hervorming van 2018 bracht beterschap, maar toch blijft de faillissementsregeling strenger dan gemiddeld onder de industrielanden. Dat draagt bij tot het in stand houden van zombiebedrijven en verhindert de reallocatie van productiefactoren naar meer productieve ondernemingen.

Figuur 15: Moeilijke afhandeling van faillissementen Afhandeling van faillissementen: samengestelde indicator op basis van 13 indicatoren (hoger impliceert moeilijkere afhandeling, 2016)

0,7 2016

0,6

Ook een hoge mate van wettelijke bescherming voor werkgelegenheid draagt daartoe bij. De daarmee gepaard gaande hoge kosten voor ontslag kunnen herstructureringen van minder productieve ondernemingen bemoeilijken en op die manier arbeid vasthouden in zwakkere ondernemingen. Volgens de OESO heeft België de sterkste bescherming tegen ontslag onder de industrielanden, vooral door de strikte regulering voor collectief ontslag (figuur 16).

2018

0,5 0,4 0,3 0,2 0,1 0,0 VK

Jap

Dui

Por Spa

VS

Zwi

Fra

Ier

Gri

Fin

It

Oos Nor

Bel Zwe Aus Can

Bel Ned

Bron: OESO

Figuur 16: Strikte arbeidsmarktregulering Bescherming tegen ontslag: samengestelde indicator (hoger is striktere bescherming, 2013)

Naast de afhandeling van faillissementen en herstructureringen zijn ook alle maatregelen om de concurrentie aan te scherpen een goed instrument tegen zombiebedrijven. Naarmate de concurrentie toeneemt zullen ondermaats presterende ondernemingen het moeilijker krijgen om te overleven. Ook op dat vlak is er in België heel wat ruimte voor verbetering. Meer dynamiek in de bedrijfswereld is belangrijk voor de productiviteit. Simulaties van de OESO geven aan dat de productiviteitsgroei op drie jaar tijd met 3,5% verhoogd kan worden door het halveren van de achterstand op de toplanden op het vlak van bescherming tegen ontslag, administratieve lasten voor starters en de faillissementsregeling.

3,5

Gezonde concurrentie

3,0 2,5 2,0 1,5 1,0 0,5 0,0

Bel Ned It

Dui Fra Lux Por Cze Mex Zwe Ijs Oos Gri Pol Svn Spa Tur Dk Nor Fin Zwi Jap Ier

Bron: OESO

16 VOKA PAPER FEBRUARI 2020

Het is geen toeval dat ondernemingen die blootgesteld zijn aan internationale markten tot de meest productieve behoren. Meer concurrentie is doorgaans een positieve factor voor de productiviteit. Dat proces loopt via verschillende kanalen. Zo zorgt meer concurrentie voor meer druk voor innovatie-inspanningen, het opnemen van nieuwe technologische mogelijkheden en reorganisatie van het productieproces. Daarnaast creëert concurrentie meer mogelijkheden voor starters, terwijl het ondermaats presterende on-


VOKA.BE

dernemingen onder druk zet. Het maakt het ook moeilijker voor zombiebedrijven om te overleven. In bredere zin bevordert concurrentie de allocatie van productiefactoren binnen de economie naar de meest productieve ondernemingen. De overheid heeft een impact op het niveau van concurrentie op de markt via de regulering die ze aan allerlei economische activiteiten oplegt. Zo kan ze bepaalde activiteiten afschermen via een vestigingswet. Een manier om het concurrentieniveau binnen een economie of binnen specifieke sectoren te evalueren is via de indicatoren van de regulering van de productmarkten van de OESO. De indicator voor de hele economie toont dat onder de industrielanden enkel Turkije, Canada en Luxemburg een nog striktere regulering van hun productmarkten hebben dan België (figuur 17). Die productmarktregulering wordt geëvalueerd op basis van achttien deelindicatoren die een beeld geven van de inmenging van de overheid in de economie (publieke eigendom of inmenging in economische activiteiten en regulering) en van de barrières voor nieuwkomers in verschillende sectoren (barrières voor start-ups in de dienstenen netwerksectoren en voor handel en buitenlandse investeringen).

barrières in de dienstensectoren, doen enkel Slovakije, Canada en Turkije het slechter voor de toekenning van licenties en vergunningen voor start-ups en enkel Oostenrijk, Ierland en Chili hebben complexere procedures (figuur 18). Binnen de diensten heeft België in vergelijking met de andere OESO-landen een relatief strikte regulering voor de kleinhandel, voor accountants, voor architecten en voor vastgoedmakelaars. Dat soort regulering maakt het moeilijker voor nieuwkomers om toe te treden tot de markt, wat de concurrentie drukt. Dat resulteert vervolgens in minder innovatie, minder investeringen, lagere productiviteitsgroei en hogere prijzen.

Figuur 17: Strikte marktregulering in België Marktregulering: samengestelde indicator op basis van 18 indicatoren (hoger impliceert striktere regulering, 2018)

2,0 1,8 1,6 1,4 1,2 1,0 0,8 0,6

In vergelijking met andere industrielanden speelt de directe inmenging van de overheid in België geen grote rol, maar is er vooral sprake van allerlei hindernissen die de concurrentie bemoeilijken. Zo scoort België het slechtst van alle industrielanden op het vlak van toetredings-

0,4 0,2 0,0 VK

Spa

Dk

Dui Zwe Nor

Aus Ned

It

Por

Fin

Ier

Jap Oos Zwi

Gri

Fra

Bel

Lux Can

Bron: OESO

Figuur 18: Strikte marktregulering in België Administratieve lasten voor start-ups: samengestelde indicator (hoger impliceert striktere regulering, 2018)

Barrières in diensten- en netwerksectoren: samengestelde indicator (hoger impliceert striktere regulering, 2018)

3,0

2,5

2,5

2,0

2,0 1,5 1,5 1,0 1,0 0,5

0,5

0,0

0,0 Dk Spa It Por Dui Jap Fin Nor Gri Oos ZwiAusZweVK Lux Fra Ier Ned Bel Can

VK ZweAusNed Dui Dk Jap Nor Zwi Ier Fra Spa Gri Fin Oos Can Lux It Bel

Bron: OESO

FEBRUARI 2020 VOKA PAPER 17


NAAR EEN HOGERE PRODUCTIVITEITSGROEI

Figuur 19: Relatief hoge inflatie in belgië 2,5 Inflatie: jaargemiddelde 2009-2019 (in %)

2,0

2,5

2,0

1,5 1,5

1,0 1,0

0,5 0,5

0,0

0,0

Totaal

Diensten

Totaal

Diensten

België België

Buren Buren

EMU EMU

Bron: Eurostat

De prijsdynamiek kan een illustratie zijn van het concurrentieniveau binnen een economie. Bedrijven die afgeschermd zijn van concurrentie hebben meer mogelijkheden om hun prijzen hoger te zetten zonder daarvoor afgestraft te worden. Een internationale vergelijking van de inflatie in Europa toont dat de Belgische inflatie de voorbije decennia doorgaans hoger lag dan gemiddeld in de buurlanden en in de eurozone (figuur 19). In de periode 1999-2019 bedroeg de totale inflatie in België gemiddeld 2% per jaar. In de buurlanden was dat gemiddeld 1,6%, in de eurozone gemiddeld 1,7%. Over de hele periode loopt het inflatieverschil tegenover de buurlanden op tot 8,5%. Dat is te wijten aan meerdere factoren, waarbij overheidsmaatregelen zoals de automatische loonindexering en de gereglementeerde prijzen een belangrijke rol spelen. De NBB stelde vast dat het inflatieverschil tussen België en de buurlanden in de diensten, de belangrijkste component van de totale inflatie, niet volledig toegeschreven kan worden aan overheidsmaatregelen. Ook een gebrek aan concurrentie kan daarbij een factor zijn. Verschillende invalshoeken en verschillende studies bevestigen dat er op de binnenlandse markt in België tekenen zijn van een gebrek aan concurrentie. Dat kan positief zijn voor individuele bedrijven, maar is schadelijk op het niveau van de hele economie. Dat gebrek aan concurrentie resulteert immers in hogere prijzen, lagere productiviteit en lagere economische activiteit. Het beleidsantwoord daarop moet zijn om allerlei administratieve lasten en afschermende regulering af te bouwen. Een hoger niveau van concurrentie is uiteindelijk positief voor de hele economie. In de mate dat gezondere concurrentie de prijsdynamiek in de dienstensector afremt, zal dat trouwens ook de concurrentiepositie van Belgische exportbedrijven versterken. 18 VOKA PAPER FEBRUARI 2020

Onderzoek en ontwikkeling Innovatie via nieuwe producten, efficiëntere productieprocessen of nieuwe technologische mogelijkheden is een motor van productiviteitsgroei. Die innovatie wordt gevoed door de inspanningen voor onderzoek en ontwikkeling (O&O). België behoort op dat vlak bij de beteren van Europa. Op basis van een vergelijking van 27 indicatoren in haar Innovation Scoreboard bestempelt de Europese Commissie België als een ‘strong innovator’. Daarmee komt België op een zesde plaats in Europa, na de ‘innovation leaders’ Zweden, Finland, Denemarken en Nederland. Onder meer de aanwezigheid van sterke onderzoekscentra verbonden aan de universiteiten speelt daarbij een belangrijke rol. Daarnaast zijn ook de relatief hoge uitgaven voor O&O een factor. Volgens Eurostat werd in België in 2018 in totaal 2,8% van het bbp besteed aan O&O (figuur 20). Daarmee valt België net buiten de top 5 in Europa. Vooral de voorbije jaren werd op dat vlak duidelijk vooruitgang geboekt: in 2005 lagen de O&O-uitgaven nog op 1,8% van het bbp. Bovendien werd de achterstand tegenover de Europese toplanden

“Om aan te sluiten bij de Europese top moet op Belgisch niveau jaarlijks 2,5 miljard euro extra naar O&O gaan.”


VOKA.BE

sinds 2005 gehalveerd (figuur 21). Niettemin blijft België voorlopig nog onder de Europa 2020-doelstelling van 3% van het bbp, en de achterstand op de Europese top blijft aanzienlijk: in Zweden en Zwitserland bedragen de O&O-uitgaven 3,3% van het bbp. Om nog maar te zwijgen van internationale toppers als Zuid-Korea, waar dat zelfs 4,6% is. Om aan te sluiten bij de Europese top moet op Belgisch niveau jaarlijks 2,5 miljard euro extra naar O&O gaan, tegenover de internationale top is de kloof ruim 8 miljard.

“De stijging van de O&O-uitgaven komt grotendeels op rekening van de bedrijven: drie kwart van de extra uitgaven gebeurden in de private sector.”

Op vlak van O&O speelt de overheid een belangrijke rol. Op dat vlak blijft België duidelijk achter op de toplanden. De Belgische O&O-inspanningen gebeuren vooral door de bedrijven. De totale O&O-uitgaven van de publieke sector in ruime zin (incl. universiteiten en non-profit) bedroegen in 2018 0,8% van het bbp, waarmee België pas op

de achtste plaats komt in Europa. Ook de stijging van de O&O-uitgaven sinds 2005 komt grotendeels op rekening van de bedrijven: drie kwart van de extra uitgaven gebeurden in de private sector. De bevoegdheid voor publieke investeringen in O&O ligt vooral bij de regio’s (ongeveer 80%). In Vlaanderen en Brussel bedroegen de publieke O&O-uitgaven in 2017 0,9% van het bbp (met de verdere inspanningen in 2018-2019 klommen de Vlaamse uitgaven ondertussen boven 1%), terwijl Wallonië achterop hinkt met 0,6%. Vlaanderen en Brussel deden de voorbije jaren op dat vlak ook de meeste inspanningen met extra uitgaven van respectievelijk 0,25% en 0,28% van het bbp sinds 2005. In Wallonië bleef de stijging in die periode beperkt tot 0,13%.

Figuur 20: België scoort vrij goed voor O&O,

maar valt net buiten de Europese top 5 Totale uitgaven voor O&O: in % van het bbp (2018)

5,0 4,5 4,0 3,5 3,0 2,5 2,0 1,5

Elk van de drie regio’s heeft plannen aangekondigd om de publieke O&O-uitgaven in de lopende legislatuur verder op te krikken, zij het met uiteenlopende mate van detail over hoeveel extra middelen waar precies zullen worden ingezet en vooral ook hoe die gefinancierd zullen worden. De focus op extra publieke O&O-inspanningen kan best hoog op de agenda blijven. Recent onderzoek voor de OESO-landen illustreert immers de krachtige rol die de publieke sector op dit vlak kan spelen: in de industrielanden zorgt een stijging van de publieke O&O met 10% gemiddeld voor 4,3% extra O&O-uitgaven in de private sector. Bovendien bevestigt de studie dat publieke O&O-uitgaven een duidelijk positief effect hebben op de totale productiviteitsgroei. De kortste weg voor België naar de Europese O&O-top is via extra inspanningen van de regionale overheden op dat vlak.

1,0 0,5 0,0 Ier

Gri

Lux Spa

Por

It

VK

Nor

Ned

Fra

Fin

Bel

VS

Dk

Dui

Oos Jap

Zwi Zwe Kor

Bron: Eurostat

3,5

Figuur 21 : Belgische O&O loopt achterstand in Totale O&O-uitgaven: in % van het bbp

3 2,5

3,5 3

2

2,5

1,5 2 1,5

1

1

0,5 0,5

0 1995

0

1997

1995

19991997

2001 1999

2003 2003 2001

2005 2005

België

België Bron: Eurostat

2007 2007

200920092011

Europese top (Oos, Zwi, Zwe)

2011 2013

Europese top (Oos, Zwi, Zwe)

2013 2015

2017

2015

2017

De degelijke Belgische prestatie voor O&O is minder positief dan op het eerste gezicht lijkt. De relatief hoge O&O-uitgaven in de private sector verhullen immers een samenstelling die minder bevorderlijk is voor de vertaling van O&O naar brede productiviteitsgroei. Die O&O-uitgaven FEBRUARI 2020 VOKA PAPER 19


NAAR EEN HOGERE PRODUCTIVITEITSGROEI

zijn geconcentreerd bij een beperkt aantal bedrijven. Volgens een recente analyse van de NBB waren de top 10 bedrijven op het vlak van O&O goed voor meer dan de helft van alle O&O-uitgaven in 2015. Daarbij gaat het vooral om grote bedrijven in de chemie en de farmaceutische sector, de biotech en de machinebouw. Die bedrijven zijn doorgaans al zeer productief en opereren tegen de technologische grens. Hun O&O-inspanningen helpen die bedrijven om de technologische grens verder te doen opschuiven.

“België en Vlaanderen moeten de ambitie hebben om minstens in Europa tot de absolute O&O-top toe te treden.” Dat is één manier om de innovatie, en daaraan gekoppeld de productiviteit, op te krikken. Daarnaast is er ook het proces waarbij innovatie door de topbedrijven doorsijpelt naar de rest van de economie. Maar dat proces blijkt moeizaam te verlopen. De verspreiding van innovatie naar kmo’s blijft ondermaats. Dat wordt ook bevestigd door de toenemende productiviteitskloof tussen de topbedrijven en de minder productieve ondernemingen. Dat patroon wordt bevestigd door internationale analyses die aangeven dat nieuwe technologieën sneller verspreid raken onder topondernemingen over de grenzen heen, terwijl die net minder snel verspreid worden naar de niet-grensondernemingen binnen de economie. Daarbij speelt ook een gebrek aan concurrentie een rol. De verspreiding van nieuwe technologieën blijkt het meest gehinderd te worden in sectoren met een strakke marktregulering, een bijkomende reden om aandacht te besteden aan het niveau van concurrentie. De verschillende Belgische overheden, met de Vlaamse voorop, zetten de voorbije jaren al belangrijke stappen om de ondersteuning van O&O op te voeren, maar die lijn moet doorgetrokken worden. België en Vlaanderen moeten de ambitie hebben om minstens in Europa tot de absolute O&O-top toe te treden. Minstens de 1%-doelstelling voor publieke O&O-uitgaven waarmaken is daarbij een belangrijke stap, maar zeker niet het eindpunt. Buiten de topbedrijven blijkt dat nog te veel ondernemingen de weg naar de O&O-steun onvoldoende vinden. Daarvoor moet het steunaanbod verder vereenvoudigd en toegankelijker gemaakt worden (zie ook de Voka Paper van mei 2017: ‘Geld 20 VOKA PAPER FEBRUARI 2020


VOKA.BE

“Ook buiten de IT-sector blijken investeringen in IT op bedrijfsniveau een motor voor productiviteitsgroei.” om te groeien’). In Vlaanderen werden op dat vlak al stappen gezet waardoor de innovatiesteun richting kmo’s de voorbije jaren toenam. Zo ging in 2019 60% van de innovatiesteun van VLAIO naar kmo’s. Niettemin zijn verdere inspanningen nodig. Zo moet ook naar kmo’s toe meer werk gemaakt worden van bewustmaking van de mogelijkheden van O&O. Experimenteerplekken zoals de proeftuinen Industrie 4.0, waarbij ondernemingen kunnen kennismaken met de nieuwste technologieën en concepten, zijn in dat kader interessante initiatieven. Ook de Vlaamse clusterwerking rond chemie, materialen, logistiek, mariene toepassingen, voeding en energie moet de doorstroming van kennis en innovatie binnen die sectoren versterken. Ten slotte blijkt België ook ondermaats te scoren voor de vertaling van kennisontwikkeling naar concrete marktgerichte toepassingen. Daarvoor bestaan al initiatieven zoals de ICON-projecten, die universiteiten en ondernemingen ondersteunen om samen vraaggerichte kennis te ontwik-

kelen, en de Baekeland- en innovatiemandaten, waarbij doctoraten in samenwerking met bedrijven en gericht op concrete toepassingen die commercieel/economisch interessant zijn, ondersteund worden. Dat soort initiatieven moet verder versterkt worden. Digitalisering Een van de mogelijkheden om de productiviteit binnen ondernemingen op te krikken, is de digitalisering van activiteiten. Dat wordt onder meer geïllustreerd door de sterke productiviteitsgroei binnen de IT-diensten. In de periode 1995-2018 bedroeg die gemiddeld 2,6% per jaar. Dat is een gelijkaardig niveau als in de industrie en meer dan drie keer zo sterk als in de totale marktdiensten. In België is de IT-sector goed voor een gewicht van 3,7% in het bbp. Daarmee is België een middenmotor in Europa, duidelijk achter toplanden als het VK (6%) en Finland (5,4%). Een toenemend belang van IT-activiteiten in de economie zou dan ook positief bijdragen tot de totale productiviteitsgroei. Maar ook in een breder perspectief buiten de IT-sector blijken investeringen in IT op bedrijfsniveau een motor voor productiviteitsgroei. Op het niveau van de totale economie lijken de resultaten van de digitale revolutie evenwel tegen te vallen. De nieuwe technologische mogelijkheden blijken vooralsnog onvoldoende om de neerwaartse trend in productiviteitsgroei te keren.

FEBRUARI 2020 VOKA PAPER 21


NAAR EEN HOGERE PRODUCTIVITEITSGROEI

Over de oorzaken daarvan is er al geruime tijd discussie tussen techno-pessimisten en technooptimisten. In bepaalde hoeken wordt het potentieel van de digitale revolutie vrij laag ingeschat. Eerdere grote technologische revoluties zoals de stoommachine of elektriciteit zorgden voor een totale transformatie van de economie en de samenleving en leverden spectaculaire resultaten op op het vlak van productiviteit. Volgens economen als Robert Gordon heeft de huidige digitale revolutie gewoon niet het potentieel van die eerdere technologische transformaties.

“Volgens de OESO is de kloof in digitaliseringsinspanningen tussen kleine en grote ondernemingen bij de grootste onder de industrielanden.” de digitale prestaties van de Europese lidstaten, haalde België in 2019 een negende plaats, ruim achter de Scandinavische landen en Nederland. In 2015 stond België nog op een zevende plaats. De ambitie van ‘Digital Belgium’, de digitale agenda die de federale regering in 2015 opstartte, was om tegen 2020 de top drie van de DESI-index te halen. In de internationaal bredere World Digital Competitiveness rangschikking van het IMD stond België in 2019 op een 25e plaats. Bovendien verloor België de voorbije jaren duidelijk terrein, vooral omdat andere landen meer doen op het vlak van digitalisering. In 2016 haalden we nog een 18e plaats. Vooral op het vlak van ‘future readiness’ ging België er in vergelijking met andere landen op achteruit. De Belgische zwakke punten zijn gelijklopend over beide indices: er studeren relatief weinig studenten af in STEM-richtingen (Science, Technology, Engineering, Mathematics), het gebruik van mobiele breedband is beperkt (ook door de vrij hoge prijs) en de e-interactie met de overheid kan beter (figuur 23).

Anderen wijzen er evenwel op dat het nu eenmaal lang duurt voor het potentieel van nieuwe technologieën volledig doorkomt in de economie. Dat was ook het geval bij eerdere technologische revoluties. In die zin zouden we nu in een periode zitten waarin de digitalisering alsmaar breder verspreid raakt, de digitale innovatie versnelt en er meer en meer combinaties van de nieuwe technologieën uitgewerkt worden, waardoor de impact van de digitale revolutie op de hele economie stilaan moet toenemen. Het potentieel van de digitalisering moet dan ook vooral de komende jaren/decennia duidelijk worden. Net als voor O&O doet België het op het vlak van digitalisering niet slecht in internationaal perspectief, maar is er toch een duidelijke achterstand op de toplanden (figuur 22). In de DESI-index van de Europese Commissie (Digital Economy and Society Index), een monitor van

Figuur 22: Digitalisering: België doet het niet slecht,

maar toch duidelijke achterstand op toplanden DESI-index (2019)

IMD World Digital Competitiveness ranking (2019) 120

80 70

100

60 80

50 40

60

30

40

20 20

10 0

Fin Zwe Ned Dk

0 VK Lux Ier

Bron: Europese Commissie, IMD

22 VOKA PAPER FEBRUARI 2020

Bel Spa Dui Oos Fra Por

It

Gri

VS Zwe Dk Zwi Ned Fin Nor Kor Can Aus VK Dui Ier Oos Lux Jap Fra Bel


VOKA.BE

Vooral het eerste punt is verontrustend. Er is vandaag al sprake van krapte op de arbeidsmarkt voor IT-profielen en met de toenemende digitalisering zal die druk alleen maar toenemen. Zonder gekwalificeerde mensen wordt het moeilijk om het potentieel van de digitalisering te realiseren (figuur 24).

Figuur 23: Zwakke plekken digitalisering in België Rang op 63 landen (World Digital Competitiveness Ranking, 2019)

Toegekende high-tech patenten

45/63

Mobiel breedband

46/63

E-interactie met de overheid

47/63

Reactie van bedrijven op digitale opportuniteiten en bedreigingen

48/63

Afgestudeerden in STEM

57/63

Daarnaast geven enquêtes van het IMD aan dat Belgische bedrijven vrij zwak scoren inzake de inschatting van het aanpassingsvermogen aan de digitale transformatie. Dat heeft allicht ook te maken met het feit dat de digitaliseringsinspanningen geconcentreerd zitten bij een beperkt aantal bedrijven, waarbij er een te beperkte doorstroming is naar de rest van de economie. Volgens de OESO is de kloof in digitaliseringsinspanningen tussen kleine en grote ondernemingen bij de grootste onder de industrielanden.

Bron: IMD

Nog een factor die doet vermoeden dat België niet snel de verslechterende trend op vlak van digitalisering zal kunnen keren, is de huidige impasse rond de uitrol van 5G. De drie gewesten moeten gezamenlijk de veiling van de 5G-licenties organiseren, wat het startpunt is voor de private sector om 5G-mogelijkheden uit te werken, maar die raken voorlopig niet tot een overeenkomst. De procedure voor de veiling werd al in 2017 opgestart, maar vandaag is er nog altijd geen zicht op de timing waarin dat effectief zal gebeuren. Ondertussen zetten andere Europese landen wel al stappen op dat vlak.

Figuur 24: Toekomstgericht onderwijs?

20 18 16

STEM-afgestudeerden in het hoger onderwijs: in % van het totale aantal afgestudeerden in het hoger onderwijs (2017) 20 18

14

16

12

14

10 8

12 10 8

6

6

4

4

2

2

0

0 Bel

Bel

Por

Por

It

It

Nor

Nor

Ned

Ned

Zwe

Zwe

Zwi

Zwi

Spa

Spa

Lux

Lux

Oos

Oos

Wetenschappen-wiskunde

Wetenschappen-wiskunde Bron: Eurostat

Dk

Dk

Fra

Fin

Fra

ICT

ICT

Gri

Fin

Dui

Gri

Ier

Dui

VK

Ier

VK

Om de verspreiding van de digitalisering doorheen de economie, en met name naar de kmo’s, te bevorderen, is aandacht nodig voor verdere sensibilisering en bewustmaking van de noodzaak voor alle ondernemingen om mee te stappen in dat verhaal. Voor veel kmo’s blijft digitalisering een te-ver-van-hun-bed-show. Er moet vooral

FEBRUARI 2020 VOKA PAPER 23


NAAR EEN HOGERE PRODUCTIVITEITSGROEI

werk gemaakt worden van concrete initiatieven om kmo’s aan te moedigen om de eerste stap op dit vlak te zetten. Dat kan bijvoorbeeld via een faciliterende opportuniteitsscan die de commerciële return van concrete digitaliseringsinspanningen onmiddellijk duidelijk maakt (in navolging van de energiescan). Belangrijk daarbij is dat niet het hele bedrijf meteen volledig digitaal moet worden. Er kan gestart worden met de meest toegankelijke afdelingen, zoals de digitalisering van de klantengegevens of de automatisering van de facturatie. Vanuit zulke eerste laagdrempelige stappen kan dan verder gewerkt worden.

“Er zijn extra inspanningen in het onderwijs nodig om een voldoende basis te creëren voor digitaal talent.” Vandaag worden op het vlak van bewustmaking al initiatieven ondernomen met onder meer de Vlaamse Impulsprogramma’s Artificiële Intelligentie (AI) en Cybersecurity, die inzetten op de implementatie van digitalisering, AI en cybersecurity bij bedrijven, het Flanders Future Tech Fund, dat middelen voorziet voor de Vlaamse platformtechnologie, en de proeftuinen Industrie 4.0, die voor kmo’s duidelijk moeten maken wat de mogelijkheden van digitalisering zijn en experimenten mogelijk moeten maken. Daarnaast wordt onder impuls van Europa werk gemaakt van Digital innovation hubs, die een soort one-stop-shops rond digitalisering moeten vormen voor kmo’s. Naast die bewustmaking moet het beleid ook zorgen voor een ondersteunend kader voor de digitale transformatie. Dat vereist onder meer een adequaat en transparant regelgevend kader voor nieuwe arbeidsvormen, datagebruik en experimentatie, maatregelen voor het standaardiseren van digitale processen en data-uitwisseling en het ondersteunen van digitale infrastructuur waarbij vooral de uitrol van 5G cruciaal is. Verder zijn ook extra inspanningen in het onderwijs nodig om een voldoende basis te creëren voor digitaal talent. Een arbeidspotentieel met voldoende digitale skills is uiteraard essentieel om de digitalisering van de bedrijfswereld te realiseren. Ten slotte kan de overheid de beste bewustmaking van de voordelen van digitalisering halen door zelf een voorbeeldfunctie te spelen met een doorgedreven digitale dienstverlening.

24 VOKA PAPER FEBRUARI 2020


VOKA.BE

4. Aanbevelingen Productiviteitsgroei is met voorsprong de belangrijkste determinant voor onze toekomstige welvaart. BelgiÍ kan op zichzelf de langdurige internationale neerwaartse trend in de productiviteitsgroei niet keren, maar moet op z’n minst de ambitie hebben om aansluiting te vinden bij de Europese toplanden. Beleidskeuzes spelen daarbij een cruciale rol. Naast de klassieke recepten van een goed functionerende arbeidsmarkt, een degelijk en toekomstgericht onderwijs en opleidingsaanbod en up-to-date infrastructuur, moet het Belgische beleid zich naar bedrijven richten op vier specifieke aandachtspunten. FEBRUARI 2020 VOKA PAPER 25


AANBEVELINGEN

1. Internationalisering Een uit verschillende studies terugkerende vaststelling is dat ondernemingen die deelnemen aan internationale handel, doorgaans productiever zijn. Zowel de toegang tot betere inputs als de concurrentie op grotere afzetmarkten spelen daarbij een rol. Multinationals vormen het voorbeeld bij uitstek in deze context. Zij behoren steevast tot de meest productieve ondernemingen. Meer nog, ook de nabijheid van multinationals gaat gepaard met een hogere productiviteit voor andere ondernemingen.

“De productiviteitsgroei in de industrie ligt gemiddeld gevoelig hoger dan in de dienstensector.“ België scoort traditioneel goed op het vlak van openheid van de economie. Ook in deze tijden van antiglobalisering en internationale handelsoorlogen blijft het belangrijk om te erkennen dat die openheid van cruciaal belang is voor onze welvaart. Dat impliceert ook volgehouden inspanningen om multinationals hier te houden en buitenlandse investeringen aan te trekken.

26 VOKA PAPER FEBRUARI 2020

Daarvoor blijft een continue aandacht voor onze internationale concurrentiepositie in de breedst mogelijke zin noodzakelijk. Daarnaast moet die internationalisering zich meer richten op de dienstensectoren. Op dat vlak hinkt België achterop en zijn specifieke maatregelen nodig om de export van diensten te stimuleren (zie ook de Voka Paper van december 2019: ‘Tot uw dienst. Hoe halen we het volle potentieel uit onze dienstenexport?’). 2. Industrie versus diensten De productiviteitsgroei in de industrie ligt gemiddeld gevoelig hoger dan in de dienstensector. De verschuiving binnen de economie naar een toenemend belang van de diensten valt evenwel niet terug te draaien. Toch blijft het voor onze welvaart van belang om industriële activiteit in België te behouden. De overstap naar een volledige diensteneconomie zou ons huidige welvaartsniveau onder druk zetten. Daarnaast is extra aandacht nodig voor de productiviteit in de dienstensectoren. Dat impliceert meer inzetten op kennisintensieve diensten, zoals IT, waar de productiviteitsgroei een vergelijkbaar niveau haalt als in de industrie.


VOKA.BE

Anderzijds zijn er specifieke inspanningen nodig om de productiviteitsgroei ook in andere diensten op te krikken. Dat vereist in de eerste plaats een sterkere concurrentie binnen de dienstensector. Dat kan via internationalisering, maar ook via een doorgedreven deregulering op product- en arbeidsmarkten. 3. Aandacht voor de achterblijvers De topbedrijven in België sluiten dicht aan bij de internationale technologiegrens en scoren vrij goed op het vlak van inspanningen voor O&O en digitalisering. De problemen liggen eerder bij de minder productieve ondernemingen die er niet in slagen de achterstand op die top goed te maken. Dat vereist extra inspanningen om ook kmo’s mee te krijgen op het vlak van O&O en digitalisering. In die context zijn er allicht geen mirakeloplossingen. Opties hierbij zijn inspanningen specifiek gericht op kmo’s om hen bewust te maken van de noodzaak en de opportuniteiten van investeren in O&O en digitalisering, programma’s die de eerste stappen op dat vlak begeleiden en het transparanter en toegankelijker maken van de bestaande steunmaatregelen. Ook het integreren van kmo’s in ecosystemen rond multinationals zal bijdragen tot een hogere productiviteit.

Bronnen •

4. Gezonde ondernemingsdynamiek Een gezonde ondernemingsdynamiek is belangrijk voor de productiviteitsgroei. Zeker in het kader van de huidige technologische revolutie is een zekere trial-and-error-mentaliteit binnen de economie noodzakelijk om in te spelen op de nieuwe mogelijkheden. Dat vereist een gezonde startersdynamiek. Evenzeer is het van belang dat productiefactoren niet vasthangen in nietproductieve ondernemingen, met zombiebedrijven als meest extreme versie.

De ondernemingsdynamiek blijft in België opmerkelijk zwak. Om die dynamiek op te krikken, moeten de administratieve barrières voor starters zoveel mogelijk afgebouwd worden, moet de toegang tot risicokapitaal verbeterd worden en zijn inspanningen nodig om het algemene ondernemingsklimaat te verbeteren. Daarnaast moeten de hindernissen voor herstructureringen verlaagd worden en is een vlottere afhandeling van faillissementen nodig. Ook het terugdringen van de afscherming van bepaalde sectoren, vooral in de diensten, zal bijdragen tot een gezondere dynamiek.

• •

• •

Adalet McGowan, M., D. Andrews en V. Millot (2017), The Walking Dead: Zombie firms and productivity performance in OECD countries, OECD Economics Department Working Paper, nr. 1309, januari 2017. Andrews, D., C. Criscuolo en P. Gal (2016), The best versus the rest: The global productivity slowdown, divergence across firms and the role of public policy, OECD Productivity Working Paper, nr. 05, november 2016. Biatour, B. en C. Kegels (2015), Labour productivity growth in Belgium, Federal Planning Bureau Working Paper, nr. 6-15, september 2015. De Mulder, J. en H. Godefroid (2018), De vertraging van de productiviteit: bevindingen en poging tot verklaring, NBB Economisch Tijdschrift, december 2018. Dhyne, E., J. Konings, J. Van de Bosch en S. Vanormelingen (2018), IT and productivity: a firm level analysis, NBB Working Paper, nr. 346, oktober 2018. Gouveia, A.F. en C. Osterhold (2018), Fear the walking dead: zombie firms, spillovers and exit barriers, OECD Productivity Working Paper, nr. 13, juni 2018. Jonckheere, J. en H. Zimmer (2017), De diensteninflatie: België een uitzondering, NBB Economisch Tijdschrift, juni 2017. Moretti, E., C. Steinwender en J. Van Reenen (2019), The intellectual spoils of war? Defense R&D, productivity and international spillovers, IZA Institute of Labor Economics Discussion Paper, nr. 12769, November 2019. OECD (2017), Confronting the zombies: policies for productivity revival, OECD Economic Policy Paper, nr. 21, december 2017. OECD (2017), Economic surveys: Belgium. OECD (2019), In-depth productivity review of Belgium. OECD (2020), Economic surveys: Belgium. Sorbe, S., P. Gal en V. Millot (2018), Can productivity still grow in service-based economies? Literature overview and preliminary evidence from OECD countries, OECD Economics Department Working Papers, nr. 1531, december 2018. Vennix, S. (2019), Research and development activities in Belgium: a snapshot of past investment for the country’s future, NBB Working Paper, nr. 373, juli 2019.

FEBRUARI 2020 VOKA PAPER 27


DE MOTOR VAN ONZE WELVAART SPUTTERT Hoe krijgen we de productiviteit omhoog?

28 VOKA PAPER FEBRUARI 2020


Issuu converts static files into: digital portfolios, online yearbooks, online catalogs, digital photo albums and more. Sign up and create your flipbook.