__MAIN_TEXT__

Page 1

MISDAAD & STRAF De Nieuwe Gemeenschap – driemaandelijks tijdschrift van het August Vermeylenfonds december 2020 - februari 2021 – AFGIFTEKANTOOR GENT X erkenningsnummer P 309 575 – vu: Willem Debeuckelaere - p/a V.F. Tolhuislaan 88, 9000 Gent

PB- PP 

BELGIE(N) - BELGIQUE


Inhoud december 2020 - februari 2021 03 Eyecatcher 04 Standpunten 04-09 Misdaad - Straf - Vrije wil, een tripple interview 10-11 Tsjechov oordeelt niet 12-13 Groetjes uit beton 14 The Routeldge Handbook of the Filosophy and Science of Punishemnt

15 Focus Lieven Nollet 18 Recensent en Boeken 20 Vermeylen Beïnvloed(t) 21 Goed Nieuws 22 Verslag 24 BV

¬ Tweede grote corona interview

26 -28 Column

¬ Peter Benoy

¬ Fatih Devos

30 Gedicht

Colofon DE NIEUWE GEMEENSCHAP driemaandelijks ledenblad van het August Vermeylenfonds vzw; verschijnt op 15 maart, 15 juni, 15 september en 15 december. REDACTIE Peter Benoy, Tom Cools, Chantal De Cock, Caroline De Neve, Robert Huygens, Sarah Mistiaen, Johan Notte, Nico Pattyn, Tinus Sioen, Eliane Van Alboom, Judy Vanden Thoren, Hans Vandevoorde, Anita Van Huffel en Anne Van De Genachte (+ vormgeving) ALGEMEEN SECRETARIAAT Tolhuislaan 88, 9000 Gent, t. 09 223 02 88 e-mail: info@vermeylenfonds.be - website: www. vermeylenfonds.be openingsuren: 9u - 12u en van 13u tot 17u ABONNEMENT 15 euro (4 nummers) LIDMAATSCHAPSBIJDRAGE 15 euro per individu. U kunt lid worden door aan te sluiten bij een plaatselijke afdeling of door overschrijving op rek.nr. BE50 0011 2745 2218 van het Vermeylenfonds vzw, Tolhuislaan 88, 9000 Gent. Leden ontvangen gratis De Nieuwe Gemeenschap. VERANTWOORDELIJKE UITGEVER Willem Debeuckelaere, p/a Tolhuislaan 88, 9000 Gent AUTEURSRECHTEN personen die we niet hebben kunnen bereiken i.v.m. eventuele auteursrechten kunnen de redactie contacteren. COVER © Lieven Nollet STEUN HET VERMEYLENFONDS Giften vanaf 40 euro zijn fiscaal aftrekbaar. Reknr. BE50 0011 2745 2218, Vermeylenfonds, Tolhuislaan 88, 9000 Gent.

Om reden van milieuvriendelijkheid wordt dit tijdschrift op chloorvrij recycleerbaar papier gedrukt.

De vergeetput De roman Misdaad en straf (ook: Schuld en boete) van Fjodr Dostojevski was de inspiratiebron voor het thema van deze editie. Dostojevski's ervaringen tijdens zijn verblijf in een Siberische gevangenis lieten een sterke indruk op hem na. We moeten niet veel moeite doen om ons in te beelden hoe het voelt om gevangen te zitten. Regels volgen, avondklok, beperkingen en verplichtingen. De ervaring tijdens deze lockdown is slechts een fractie van wat zich afspeelt in een échte gevangenis. Met het initiatief Karma Hotel (www.karmahotel.org) tijdens de Nationale dagen van de Gevangenis (20/11 tot 6/12) wil het Vermeylenfonds sensibiliseren en informeren over de situatie in de Belgische gevangenissen. Ook Groetjes uit beton, een briefschrijfproject met gevangenen, toont aan hoe de kracht van taal de gevangenismuren kan doorbreken. Het is wanneer we niet kunnen doen wat we willen dat we onze vrije wil in vraag stellen. Die nieuwe jurk kopen, die verre reis maken, een andere job zoeken of andere man/vrouw, of tragischer, die passionele moord in een dronken bui of dat uit de hand gelopen gevecht? Hebben we daarvoor gekozen? Hebben we het gewild of niet? In hoeverre is ons handelen het product van biologische, opvoedkundige, relationele, sociale, culturele, psychologische en duizend en één andere factoren die eraan voorafgaan? Vrije wilsceptici, moraalfilosoof Jan Verplaetse en strafrechters Jos Decoker en Hans Dewaele, hebben hierover een verhelderend gesprek. Filosofe en ethicus Farah Focquaert buigt zich over de vraag of opsluiting wel een effectief middel is om criminaliteit aan te pakken. Zijn er alternatieven en welke straf ‘verdient’ een crimineel dan? ‘De morele stem’ komt van Ronald Commers die aan de hand van de niet veroordelende teksten van Tsjechov zoekt naar het bestaan van goed en kwaad en het al dan niet vrije beslissingsmoment van de mens. Speciale dank aan fotograaf Lieven Nollet. Hij wijst ons op de blinde vlek in de samenleving en haalt zij die opgesloten zijn uit de vergeetput. Sarah


LEVEN IS NEMEN onwillekeurig vreten stille getuigen van mijn bestaan droge herfstboeketten verkommerd in mijn vaas het levenloos onverdorven ben ik eeuwig stukje dier, geprikt op mijn vork gestolen warmte die zindert tegen koude bakstenen Schuldenaar een verstikkende leemte achtervolgt me want ik Siel Vermeulen pomp zuurstof weg bij elke adem elk leven is groots in eigen wezen verbrijzeld onder mijn gewatteerde laarzen stemlozen worden niet gehoord in een wereld die luistert naar mensenmonden ik zal verblijden, verbloemen schenken, verzoenen verbitterd trachten terug te geven wat verdwijnt in een bodemloos gemis leven is nemen

Š Lieven Nollet

Deze pagina is een coproductie tussen het Vermeylenfonds en Creatief Schrijven vzw. De tekst werd geoogst op het platform Azertyfactor, een vrijhaven waar pennenvoerders hun vruchten publiceren. Wil je kans maken op publicatie in het volgende nummer? Post je tekst op azertyfactor.be/kansen.'

3 EYECATCHER


Geen beter moment dan op een zondagochtend praten over ‘vrije wil’ in deze barre coronatijden. Op veilige afstand en ‘in ons kot’ denken we met moraalfilosoof Jan Verplaetse en strafrechters Jos Decoker en Hans De Waele na over hun ideeën en opvattingen omtrent vrije wil. Hebben we allemaal een vrije wil of bestaat die niet echt? Wat verstaan we onder schuld en hoe gaan we om met straf? Is onze vrije wil een illusie?

MISDAAD STRAF VRIJE WIL KUNNEN WE ER (N)IETS AAN DOEN?

BIO JOS DECOKER (Gent, 1977) is sinds 2015 raadsheer in het hof van beroep van Antwerpen. Hij behandelt daar strafzaken. Voorheen was hij substituut-procureur des Konings en nadien strafrechter in eerste aanleg te Gent. Hij is ook lid van het wetenschappelijk comité van het Instituut voor Gerechtelijke Opleiding en nauw betrokken bij de opleiding van pasbenoemde magistraten.

4 STANDPUNTEN


Willem: “Het boek van Jan Verplaetse ‘Zonder vrije wil’ geeft een aanknopingspunt om dit gesprek te starten. Heel terecht staat achteraan het boek: ”We zitten met een filosofische waarheid die niet rijmt met onze alledaagse intuïties en emoties. En eigenlijk ook niet met de klassieke regels van ons strafrecht.” Jan, kan je ons kort en krachtig uitleggen waar je boek eigenlijk over gaat?” Jan: “Laten we om te beginnen iets dieper

ingaan op de notie ‘schuld’. Schuld heeft verschillende betekenissen. ‘Schuld’ kan betekenen dat iemand iets gedaan heeft, schuld in de causale betekenis. In juridische kringen wordt ‘schuld’ vaak gelijkgesteld aan ‘opzet’. Mensen kunnen opzettelijk iets doen. Maar daarnaast is er ook een notie van ‘schuld’, met name ‘morele schuld’, waarmee we bedoelen dat iemand verwijtbaar is. Die notie van schuld in de morele betekenis is moeilijk te rijmen met een causale kijk op de werkelijkheid. Wanneer je zegt dat iemand schuld treft dan denk ik dat je ervan uit gaat dat die persoon op het ogenblik dat zij iets verkeerd heeft gedaan ook in staat moet zijn geweest om anders te handelen, bijvoorbeeld dat zij die diefstal niet zou hebben gepleegd. Die idee van ‘het in staat zijn om het niet te doen’ is iets wat moeilijk te verenigen is met het inzicht dat als er zaken gebeuren die altijd oorzaken hebben en dat je die oorzaken niet kan vermijden of alleen wanneer daarvoor opnieuw oorzaken zijn.

Dat is het basisprobleem; je zit met een concept van schuld waarvan ik denk dat het steunt op de idee dat mensen in staat zijn om anders te handelen. Maar als je een wetenschappelijk causale kijk hebt op de dingen dan is dat moeilijk vol te houden. Dan zit je met een contradictie of met een ongerijmdheid. Je kan zeggen dat filosofie niets te maken heeft met de realiteit. Dat is nu eenmaal zo, we leven dan met die contradictie en we doen gewoon verder alsof mensen wel in staat zijn om anders te handelen. Of je kan ook zeggen, en dat is mijn functie, je neemt filosofie serieus en je probeert een consistent mens- en wereldbeeld uit te bouwen waarin je een keuze moet maken. Ofwel verlaat je dat causale denken, wat voor mij geen optie is. Ofwel probeer je morele schuld weg te denken, te vergeten of anders in te vullen. Kortom je doet aan revisionisme; je gaat proberen om de foute elementen uit je mens -en wereldbeeld te schrappen. Een andere opvatting is dat schuld perfect kan bestaan zonder die notie van ‘anders kunnen handelen’. Je kan dan zeggen dat wetenschap en causaal denken enerzijds en schuld anderzijds te verenigen noties zijn. Deze filosofen in het debat geloven dat je niet anders moet kunnen handelen om verwijtbaar te zijn aan een fout of misdrijf. Dit is de insteek van het hele debat. Je weet ook welke positie ik daarin gekozen heb. De eerste positie van ‘er is geen vuiltje aan de

lucht’ en filosofie en werkelijkheid hebben niets met elkaar te maken, vind ik een laffe attitude. Het laatste idee, dat het niet zou leiden tot een contradictie, vind ik filosofisch moeilijk te verkopen. Er zijn wel veel mensen die dit denken, ik verwijs naar wijlen Etienne Vermeersch. Mijn standpunt is dat we een manier moeten vinden om over dingen die verkeerd gaan, te kunnen spreken zonder dat we die notie van schuld in de klassieke morele betekenis nog gebruiken.” Willem: “In dit debat zijn er twee juristen. Hoe pakken jullie dat aan?”

Hans: “Bij mij is dat een aantal jaren geleden voor het eerst binnengekomen.” Willem: “Uit eigen ervaring of na het lezen van dat boek?”

Hans: “Startend uit eigen ervaring. Het feit dat mensen schuldig zouden zijn aan zaken waaraan ze eigenlijk niet kunnen doen of omgekeerd dat mensen ongelooflijke verdiensten zouden hebben aan zaken waaraan ze evengoed niets kunnen doen, is een discours dat bij mij al heel lang wringt. Dat mensen zich op de borst kloppen wanneer ze bepaalde prestaties hebben geleverd, gaat eigenlijk voorbij aan het gegeven dat ze heel veel zaken gewoon gekregen hebben van de natuur of hun omgeving. Maar ook het falen van mensen is iets dat door interne (bv. hersenprocessen) of externe (bv. de wieg waarin je werd geboren of gelukkige mee- of tegenvallers)

BIO HANS DE WAELE (Gent, 1978) is sinds 2008 rechter in de rechtbank van eerste aanleg van Oost-Vlaanderen, afdeling Gent. Hij is voorzitter van een collegiale strafkamer en van een burgerlijke kamer die focust op buitencontractuele aansprakelijkheid. (foto links) BIO JAN VERPLAETSE (Sleidinge, 1969) is een Vlaamse filosoof en schrijver. Hij is hoofddocent rechtsfilosofie en ethiek aan de Faculteit Recht en Criminologie van UGent. Hij is de auteur van onder meer Het morele brein (2006), Het morele instinct (2008), Zonder vrije wil (2011) en Bloedroes (2016).

5 STANDPUNTEN


omstandigheden wordt getriggerd. Het boek van Jan Verplaetse heeft mij de theoretische bagage gegeven om dat dieper gevoel dat al heel lang aanwezig was om te zetten in een aantal argumenten die in het begin moeilijk waren voor mij en die ik zelfs niet helemaal kon aanvaarden. Op een bepaald moment heb ik dat boek twee en drie keer gelezen, heb ik mij ook ingegraven in andere literatuur rond dit thema en begon mijn mens- en wereldbeeld te schuiven.” Willem: “En bij jou Jos?” Jos: “Ik denk dat elke strafrechter bij het

nemen van beslissingen sowieso vertrekt vanuit een bepaald mens- en wereldbeeld. Het is ook moeilijk om op een consequente manier te straffen als je dat niet doet vanuit een denkkader dat logisch aanvoelt voor jezelf. Ik heb de filosofische stroming van het vrije wilsceptiscime effectief leren kennen door het lezen van Jan’s boek tien jaar terug. Dat vond ik meteen interessant omdat ik veel aanknopingspunten vond met bestraffingstheorieën waaraan ik sowieso al veel belang hechtte. Zoals de nadruk op een herstelgerichte justitie (“restorative justice”) en de relativering van het nut van vergelding (“justice without retribution”). Kort gezegd biedt het vrije wilsceptiscime, of minstens het nadenken over het al dan niet bestaan van een vrije wil, dat denkkader waarover ik het daarnet had.”

Willem: “Ons strafwetboek is gebaseerd op een tarief, een menu. Je hebt dàt gedaan, je bent daaraan schuldig bevonden dan krijg je de rekening gepresenteerd. Dat systeem gaat toch uit van het bestaan van een vrije wil en van verantwoordelijkheid? Botst het strafrecht dan niet met het vrije wilsceptiscisme?” Jos: “Laat mij, voor we aan het eigenlijke vrije

wilscepticisme beginnen, twee voorbeelden geven die meteen duidelijk maken dat de beoordeling van strafrechtelijke verantwoordelijkheid niet steeds het eenvoudige hermetische systeem is waarop je zinspeelt. Neem het misdrijf ‘toebrengen van opzettelijke slagen of verwondingen’. Stel je geeft iemand uit frustratie een duw zodat die persoon op de grond valt. Ontoelaatbaar uiteraard. Maar de gevolgen voor het slachtoffer kunnen meevallen. Die gevolgen kunnen ook tegenvallen. Je kan je perfect de situatie inbeelden waarbij die persoon door een samenloop van omstandigheden of toevalligheden door die duw een verkeerde val maakt, ongelukkig met het hoofd op een kasseisteen valt en daardoor levenslange hersenschade oploopt. Terwijl je dat als dader nooit hebt gewild. In de huidige

stand van de wetgeving en de rechtspraak is het zo dat je strafrechtelijk verantwoordelijk bent, ook voor de niet gewilde gevolgen van die duw die je opzettelijk gaf. Je zal bij een blijvende schade aan het slachtoffer potentieel ook zwaarder worden gestraft. Maar je mag gerust vragen stellen bij de logica van dat systeem. In geen van beide gevallen wou diegene die de duw gaf immers dat het slachtoffer ernstig zou geschaad worden. Dat dat in het ene geval niet en in het andere geval wel zo was berust in dit voorbeeld enkel op een ongelukkig toeval. De dader kan in beide gevallen op zich ook ongevaarlijk zijn. Tweede voorbeeld. Ik schiet naar iemand met de bedoeling hem te doden maar de kogel ketst af op het borstbeen van het slachtoffer dat blijft leven. Door dat (gelukkig) toeval spreken we van een poging tot doodslag. Als de kogel een halve centimeter meer naar links of rechts was binnengekomen was er sprake van doodslag. Moet je dan verschillend bestraffen in beide gevallen? De dader wou immers iemand doden en zijn ingesteldheid is in beide gevallen even gevaarlijk. Dat de gevolgen van zijn gevaarlijk gedrag in het eerste geval meevielen is opnieuw louter te wijten aan toeval. Wel het vrije wilscepticisme laat toe om over dit soort hypotheses op een meer genuanceerdere manier na te denken.”

causale verantwoordelijkheid. Ook in een wereld zonder vrije wil blijft feitelijke of causale verantwoordelijkheid bestaan. Iemand die gruwelijke feiten heeft gepleegd blijft feitelijk of causaal verantwoordelijk voor zijn daden, alleen is hij niet moreel verantwoordelijk voor de diepere oorzaken die hem tot deze feiten hebben gebracht. We proberen deze diepere oorzaken beter te begrijpen en proberen aan deze oorzaken te werken zodat recidive kan worden vermeden. Het vrije wilscepticisme is niet verenigbaar met repressie als strafdoelstelling, maar wel met maatregelen die inzetten op bescherming van de samenleving, resocialisatie en generale of bijzondere preventie.”

Vaak worden wij, vrije wilsceptici, versleten als overjaarse hippies die geloven in de goedheid van de mens

Jan: “Dit zijn mooie voorbeelden van wat men in de filosofie moral luck noemt. Het zijn de omstandigheden die ervoor zorgen dat we die persoon anders gaan bekijken. Is het zo dat de persoon die pech heeft gehad meer verantwoordelijk is dan de persoon die geluk had? De notie van moral luck , is voor klassieke strafrechtfilosofen een groot probleem. Zij moeten kunnen motiveren hoe toeval ervoor kan zorgen dat iemand meer of minder verantwoordelijk is. Wij, vrije wilsceptici, hebben daar geen last van. We kunnen het blikveld zuiver houden om ons af te vragen wat de strafdoelen horen te zijn.” Hans: “Ons strafrecht vertrekt van de notie

schuld en koppelt daaraan de mogelijkheid om straffen op te leggen. Maar vrije wilsceptici menen dat je het concept morele verantwoordelijkheid niet nodig hebt om daders van misdrijven maatregelen op te leggen. Want er is een onderscheid mogelijk tussen morele verantwoordelijkheid en feitelijke of 6 STANDPUNTEN

Willem: “Als magistraat heb ik ook voorwaarden moeten opleggen. Dat had toch wel enig effect. Maar staat dit niet haaks op het vrije wilscepticisme? Betekent het aanvaarden van die voorwaarden dan niet dat er toch een zeker vorm van wil is? Hoe zien jullie dat?” Jan: “Als wij sceptisch zijn voor de notie van

vrije wil betekent dat niet dat we de notie van wil in vraag stellen. Mensen hebben een wil en ze hebben verlangens. We doen niets af aan de menselijk psychologie in al zijn complexiteit. Het heeft ook niks te maken met de notie van zelfcontrole. De notie van wil, zelfcontrole, zelfdiscipline zijn zaken die waarneembaar zijn en waar wij geen kritische of ontkennende boodschap over hebben. We hebben het enkel en alleen over het idee dat mensen in staat zijn om iets te vermijden, de notie van vermijdbaarheid.” Hans: “Het komt erop neer dat er wel een

wil bestaat maar dat deze wil nooit kan losgekoppeld worden van eerdere oorzaken. Onze wil is immers het product van hersenen lichaamsprocessen die interageren met onze omgeving. Als rechter leg je daarom best maatregelen op die nut hebben, voor de dader, de samenleving en voor de slachtoffers. Leedtoevoeging die geen enkele zin heeft, is uit den boze. Leedtoevoeging mag geen doelstelling zijn, maar kan wel het gevolg zijn van andere strafdoelstellingen die rationeler zijn dan pure repressie. Een strafrechter kan bijvoorbeeld voorwaarden opleggen om in te grijpen op toekomstige oorzaken van het handelen van de persoon aan wie


je die maatregelen oplegt. Een strafrechter kan ook aan vrijheidsberoving doen om de samenleving te beschermen, maar ook dan dient in de gevangenis maximaal gewerkt te worden aan de onderliggende problematieken van de dader.” Sarah: “Maar is er überhaupt nog plaats voor strafrechtelijke verantwoordelijkheid en straffen als er geen vrije wil bestaat?” Hans: “Vrije wilsceptici proberen te be-

grijpen waarom een persoon heeft gefaald. Wat zijn daar de diepere oorzaken van? Op welke manieren heb je een diepere controle over die oorzaken? Laat staan schuld? Vrije wil veronderstelt de mogelijkheid om iets anders te doen dan dat je gedaan hebt of dat je een diepere controle (Jan omschrijft dit in zijn boek als ‘broncontrole’) had over de oorzaken die ervoor gezorgd hebben dat je doet wat je gedaan hebt. Wanneer je over die diepere oorzaken begint na te denken kom je steeds bij oorzaken (bijvoorbeeld in de werking van je brein, je opvoeding of in je omgeving) waarover je eigenlijk geen bewuste macht had. Maar dat betekent uiteraard niet dat je keuzes of handelingen niet meer van tel zijn. Evenmin betekent het dat je niet meer feitelijk, causaal of strafrechtelijk verantwoordelijk zou zijn voor deze keuzes of handelingen of dat de samenleving je geen maatregelen kan opleggen wanneer je een misdrijf pleegt.”

Jos: “Het vrije wilscepticisme leidt tot heel wat

verwarring als het over straffen gaat. Mensen denken heel snel dat vrije wilscepticisme een vorm van binair denken is. Ofwel gaat men ervan uit dat het vrije wilscepticisme staat voor vrijheid, blijheid en niemand nog gestraft moet worden of verantwoordelijk is voor z’n daden. Of men gaat ervan uit dat vrije wilscepticisme gelijk is aan een hyperdeterministisch systeem waarbij alles vast staat en niet meer moet worden nagedacht. Eigenlijk is het net het omgekeerde. Vrije wilscepticisme leidt niet tot zwart-wit denken maar wel tot denken in één grote grijsschakering. Een vrije wilsceptische strafrechter kan dus perfect verantwoorden dat iemand levenslang moet worden opgesloten, bijvoorbeeld omdat die persoon een blijvend gevaar vormt voor de maatschappij. Tegelijkertijd zal het

vrije wilscepticisme toelaten dat iemand die erge daden heeft gepleegd, in bepaalde omstandigheden en met voldoende kennis van zaken en psychologie van de persoon, onmiddellijk of op korte tijd weer in de maatschappij kan worden gelaten. Ik zeg er meteen bij dat we nu puur filosofisch bezig zijn en dat het in de praktijk vaak aan middelen ontbreekt om een ernstige risico-inschatting van een dader te krijgen. Maar dat is een andere discussie. In ieder geval zitten die twee uitersten en alle denkbare tussenoplossingen helemaal vervat in het vrije wilscepticisme.” Willem: “Is het binair denken niet ingegeven door het strafrecht zelf ? Artikel 71 van het strafrechtboek gaat over de drang waaraan men niet kan weerstaan. ‘Er is geen misdrijf wanneer de beschuldigde gedwongen werd door een macht die hij niet heeft kunnen weerstaan’. Dat is binair. Als men dat aanvaardt als rechter dan is er geen straf meer. Dat is niet de manier waarop jullie daarover denken?” Hans: “Nee, absoluut niet. Het is net omge-

keerd. Ik vind dat het huidige strafrecht te binair is en dat de vraag naar toerekeningsvatbaarheid of ontoerekeningsvatbaarheid heel zwart-wit is. Iemand die toerekeningsvatbaar is, is schuldbekwaam en kan worden gestraft. Iemand die daarentegen ontoerekeningsvatbaar is, treft geen schuld en kan niet worden gestraft, maar kan enkel onder bepaalde voorwaarden worden geïnterneerd. Hoelang houden we dit nog vol? Terwijl we vandaag al weten dat het concept toerekeningsvatbaarheid wetenschappelijk moeilijk te vertalen is. Dit is één van de redenen waarom psychiaters elkaar zo vaak tegenspreken wanneer ze door justitie bevraagd worden. Hebben we dit binaire systeem nodig? Of kunnen we ons in het strafrecht eerder concentreren op de volgende vragen: wie heeft welke feiten gepleegd? Kunnen deze feiten gekwalificeerd worden als een misdrijf ? Wat zijn de diepere oorzaken die de dader tot deze feiten hebben gebracht? Hoe reageren we daarop als samenleving met respect voor het leed van het slachtoffer? Is het niet beter om te proberen het verleden te begrijpen in plaats van het te verwijten? Kunnen we op een rationele, wetenschappelijke manier nadenken over welke maatregelen moeten genomen worden in plaats van te kiezen voor straffen die vaak

Voor mij is het thema van de ‘vrije wil' de ideale manier om andere mensen dieper te leren kennen.

7 STANDPUNTEN

zinloos of zelfs schadelijk zijn voor de samenleving, de dader en het slachtoffer? Willem: “Wat mij opvalt is dat de maatschappij, de media, drukkingsgroepen soms heel hard vragen naar een repressief optreden. Bij zedenfeiten is er een tendens om repressief op te treden. Hoe kijk je daar als strafrechter of filosoof naar?” Hans: “Strafrecht is steeds maatwerk. Straffen

dienen te worden geïndividualiseerd in functie van de dader en de specifieke omstandigheden van elke afzonderlijke zaak. In sommige zaken is een strenge bestraffing noodzakelijk, in andere zaken kan dat tot onnodige schade leiden. Strafrechters moeten die moeilijke afweging maken. Laat ons ook niet vergeten dat repressie vaak contraproductief is. Landen die inzetten op een systeem waarbij de nadruk ligt op hulpverlening, resocialisatie of het aanpakken van de diepere oorzaken, halen op langere termijn vaak betere resultaten dan landen die inzetten op harde repressie. Maar dat belet niet dat vrijheidsberoving in sommige zaken te rechtvaardigen of zelfs noodzakelijk is om de samenleving te beschermen.” Jan: “Het heeft ook veel te maken met morele verontwaardiging. Mijn houding is wat dubbel. Enerzijds ben ik er van overtuigd dat verontwaardiging veel kracht geeft om dingen te veranderen en een duidelijk signaal kan geven dat we bepaalde dingen niet meer aanvaarden. En, als je kijkt naar de geschiedenis, kan men, op momenten waar die morele verontwaardiging het hoogst was, wel iets realiseren. Dat noemen we dan achteraf ‘vooruitgang’. Denk maar aan vrouwenrechten of afschaffing van slavernij. Ik denk dat dit onmogelijk was zonder een krachtige verontwaardiging.

Maar dit brengt ook een gevaar met zich mee als je het gaat koppelen aan schuld. Wanneer je moreel verontwaardigd bent ga je mensen die niet aan die vooruitgang meedoen, als moreel schuldig beschouwen. De hardste aanpak kan niet genoeg zijn. We veroordelen ze desnoods tot een gevangenisstraf. Dit spoort niet met mijn filosofie om te kijken naar wat het nut is van vrijheidsberoving. Als je leedtoevoeging beoogt en dat is toch de definitie van een straf, dan heb je als strafautoriteit de plicht om je af te vragen wat daarvan de zin is. Als vrije wilsceptici moeten we ons soms antipathiek opstellen want wij komen op voor de rechten van degene die worden gedemoniseerd. We worden soms gezien als een soort verraders die niet solidair zijn met de ideeën van morele progressie.”


Jos: “Ik heb er op zich eigenlijk geen probleem mee dat een wetgever beslist om bepaalde types van misdrijven zwaarder te bestraffen. Als rechter ben ik hoe dan ook gebonden door de wil van het volk, veruitwendigd in onze wetgeving. Maar als maatschappelijk betrokken jurist denk ik bij nieuwe wetgeving toch vaak: ‘a quoi ca sert?’. Het is zelden tot nooit zo dat het invoeren van een strafverzwaring wordt voorafgegaan door wetenschappelijk onderzoek naar de maatschappelijke invloed van de straf. Er gebeurt ook weinig tot geen opvolgonderzoek naar de daadwerkelijke impact die strafverzwaringen hebben gehad. Vanuit het vrije wilscepticisme bekeken zijn dat nochtans de belangrijkste vragen.” Sarah: “Wordt er in de wetgeving beschreven wat de functie van een straf is? Is dit louter een bescherming van de maatschappij of heeft een straf nog andere functies?” Jos: “In ons huidig stafwetboek wordt dit

nergens duidelijk omschreven. In het nieuwe ontwerp van het strafwetboek heeft men wel voor het eerst 4 strafdoelstellingen opgenomen: uiting geven aan de maatschappelijke afkeuring t.o.v. de overtreding van de strafwet; bevorderen van herstel van maatschappelijk evenwicht en herstel van de schade; bevorderen van rehabilitatie en re-integratie van de dader en beschermen van de maatschappij. Dit betekent ook dat men als strafrechter bij het opleggen van een straf ook beter zal moeten gaan uitleggen welk van deze doelstellingen wordt beoogd. Ik denk dat dat een goede zaak is. Wil er trouwens op letten dat retributie, pure vergelding, niet in deze opsomming voorkomt.” Sarah: “Is een straf bedoeld voor de misdadiger zodat hij z’n gedrag kan veranderen of heeft het een louterend effect voor de samenleving die gerustgesteld is dat de misdadiger gestraft is?” Hans: “Er is een soort veronderstelling dat

slachtoffers steeds vragende partij zouden zijn voor leedtoevoeging en repressie. Het is een misvatting om te denken dat je het leed van een slachtoffer slechts erkent wanneer je hard straft. De ervaring leert me dat je vaak geconfronteerd wordt met slachtoffers die eigenlijk geen vergelding willen, maar wel beter willen begrijpen waarom de feiten zich hebben voorgedaan, erkenning vragen voor de schade die hen is toegebracht en vooral willen vermijden dat de feiten zich zouden herhalen. Niet alle slachtoffers staan achter het discours van repressie, al wordt dat in sommige media wel vaak anders belicht.”

Wanneer we kiezen voor vrijheidsberoving, laat ons dan ook inzetten op het aanpakken van de dieperliggende oorzaken zodat die persoon iets heeft aan die straf.

Jan: “Ik denk dat er een onderscheid moet gemaakt worden tussen de onmiddellijke reactie van mensen bij onrecht en enige tijd later wanneer er ruimte ontstaat voor reflectie en we ons afvragen hoe we aan dat zinloze onrecht toch betekenis kunnen geven. Je ziet dan dat die krachtige roep om wraak afneemt. Maar bij een minderheid komt die nog altijd voor.” Willem: “Wat doe je met professionals zoals bv. de maffia. Zij die er beroep van maken om misdrijven te plegen. Hoe ga je daar als strafrechter mee aan de slag?” Hans: “Door goed te differentiëren. Er is een

groot verschil tussen enerzijds een moeder die voor de eerste keer een winkeldiefstel pleegt omdat ze geen geld heeft om eten of medicatie te kopen voor haar kind en anderzijds een persoon die voor de zoveelste keer een gewapende overval pleegt. Als je vaststelt dat iemand telkens opnieuw feiten pleegt op een georganiseerde en professionele manier dan zal je als strafrechter vooral reageren vanuit de bescherming van de samenleving. Je zet in op een vrijheidsbeperkende straf. Maar vrijheidsberoving kan nooit voldoende zijn. Mensen worden niet witgewassen in de gevangenis en komen er meestal niet beter uit. Vrije wilsceptici vragen zich dan ook af wat je in de gevangenis kan doen om ervoor te zorgen dat er wordt gewerkt aan de resocialisatie en de onderliggende problemen van de gedetineerde. Wanneer we kiezen voor vrijheidsberoving, laat ons dan ook inzetten op het aanpakken van de dieperliggende oorzaken zodat die persoon (en in ruimere zin ook de samenleving) iets heeft aan die straf.” Jos: “In de praktijk zie je dat ‘professionele’ criminelen zoals je dat noemt in tegenstel8 STANDPUNTEN

ling tot wat de publieke opinie daar soms van maakt toch vrij zware straffen worden opgelegd. Er is zoals reeds gezegd ook niets in het vrije wilscepticisme dat zou uitsluiten dat bij dergelijke vormen van criminaliteit een krachtig maatschappelijk signaal wordt gegeven dat dit niet wordt getolereerd. Waar het vrije wilscepticisme wel problemen mee heeft is dat zwaar straffen een automatisme wordt waarbij enkel wordt gekeken naar de gepleegde feiten en niet meer naar de persoon van de dader en de context van de feiten. Het blijft daarom ook belangrijk om aan de strafrechter een zo groot mogelijk palet aan bestraffingsmogelijkheden te geven waarmee hij dat verhaal kan inkleuren. Vandaag is er een tendens om die beslissingsvrijheid in te perken door minimumstraffen op te trekken, gunstmaatregelen zoals het geven van opschorting of een straf met uitstel onmogelijk te maken bij bepaalde misdrijven, enz. Dat is niet alleen een wantrouwen t.a.v. het gerechtelijk apparaat maar zo ontneem je de rechter ook de mogelijkheid om die grijsschakeringen van daarnet aan te brengen.” Jan: “Vaak worden wij, vrije wilsceptici, ver-

sleten als overjaarse hippies die geloven in de goedheid van de mens en het dan plots lastig krijgen als we te maken hebben met mensen die dat goede niet voor ogen hebben. Wij worden ergens ingedeeld bij de optimisten, bij zij die mildheid als centrale waarde hebben. Het is eerder correct om te beweren dat wij even hard, om niet te zeggen harder kunnen optreden wanneer we te maken krijgen met misdaad. Als je onze filosofie samenvat kom ik dikwijls tot de samenvatting dat ‘men er niet kon aan doen’. Er ‘niet kunnen aan doen’ neigt een beetje naar een excuus voor wanneer men foute dingen heeft gedaan. Mensen vinden dit soms wat flauw, gemakkelijk. Dit is een verkeerde perceptie. Het is niet omdat je zegt ‘ik kon er niks aan doen’ dat je dit als een excuus kan gebruiken. Onze ideeën over vrije wil staan los van ideeën over de goedheid van de mens of van een moreel optimisme over de toekomst.”

Sarah: “Krijgen vrije wilsceptici veel tegenkanting van andersdenkenden? Is deze filosofie iets waarvan je anderen moet overtuigen? Moet je dikwijls in discussie gaan met anderen hierover?”

Jan: “Onder vakfilosofen, is circa 10% vrije wilscepticus, een kleine minderheid. Dat betekent dus dat 90% het niet eens is met deze visie. Wij verkondigen geen waarheid, het is een filosofisch inzicht, gebouwd op argumenten die we overtuigend vinden. Vrije wilsceptici zijn een minderheid maar


ze neemt wel toe. Niettemin schrik ik er nog altijd van hoe hard er op dit standpunt wordt gereageerd.” Jos: “Als je begint over vrije wilscepticisme of gewoon de vraag stelt of een vrije wil wel bestaat, krijg je snel het antwoord van ‘waar kom jij nu mee af ?’ Er is zeker achterdocht en er zijn veel misverstanden. Terwijl vrije wilscepticisme, het woord zegt het zelf, ook niet betekent dat je een rabiate vrije wilontkenner moet zijn. Ik kan mij op dat vlak zelfs agnostisch opstellen en tegelijk heel ver meegaan in het nadenken over een wereld zonder vrije wil. Want het is zoals ik al zei sowieso een interessant filosofisch denkkader waarin heel veel ideeën uit andere onderzoeksdomeinen en wetenschappelijk werk dat mij als strafrechter interesseert perfect passen. Als je dat breder kader aan de mensen meegeeft zie je de interesse ook groeien en de achterdocht slinken.” Hans: “Voor mij is het thema van de ‘vrije wil' de ideale manier om andere mensen dieper te leren kennen. Niet de vraag of mensen al dan niet in een vrije wil geloven, is daarbij belangrijk. Maar je merkt wel heel snel hoe mensen nadenken en redeneren. Ik heb zelf ook heel lang de vrije wil aangenomen als een axioma en ben de voorbije jaren alsmaar sceptischer geworden. Zijn mensen ontvankelijk of vooringenomen, stellen ze kritische vragen, zijn ze bereid om zich te verdiepen, te lezen en hun eigen visie te onderzoeken? Van kindsbeen af worden we opgevoed met de idee van het geloof in een vrije wil. Het is heel moeilijk om dit construct en mens- en wereldbeeld te zien evolueren in de richting van het vrije wilscepticisme. Niet iedereen is bereid om dit met een open geest te onderzoeken, laat staan om het helemaal los te laten. Maar tegelijk kan het ook heel bevrijdend en activerend zijn. Ik denk dat we op jongere leeftijd moeten starten met kinderen te laten nadenken over het belang van geluk en toeval in het leven, de vele zaken die je zelf niet hebt gekozen, de diepere oorzaken van je keuzes, de wieg waarin je werd geboren, de hersenen en/ of de talenten die je hebt gekregen of over solidariteit met zij die minder geluk hebben gehad dan wij.” Willem: “Misschien nog een laatste quote of idee om af te sluiten?” Hans: “Een interessante vraag om eens over

na te denken: ‘Kan je willen wat je wil of kan je kiezen wat je kiest?’”

© Lieven Nollet

Willem Debeuckelaere Sarah Mistiaen 9 STANDPUNTEN


© Wikipedia

TSJECHOV OORDEELT NIET. TSJECHOV SCHETST. Zich misdragen, schuld voelen, prakkiseren over wat men heeft gedaan en niet gedaan. In de vele verhalen die Tsjechov heeft geschreven is dit vraagstuk van goed en kwaad herhaaldelijk aan de orde gesteld. Nadenken over het wezen van het morele, waarvoor de rechtvaardiging eventueel kan worden gezocht in wetenschappelijke kennis –de biologie, fysiologie, psychologie– of in God en de liefde tot de mensen. Niet zoals die zouden moeten zijn vanuit een abstract beginsel, maar zoals ze zijn en voor zover mensen in hun dagelijkse omgang met elkaar ervan kennis hebben. De zekerheid waaraan priester noch wetenschapsmens kunnen voorbijgaan: “het leven wordt maar eenmaal geschonken en niet herhaald”. Jaren geleden was ik sterk geboeid door Tsjechovs ‘Het verhaal van een onbekende’. In het universum van goeden-kwaad dat de hoofdpersonages vormen,

maakt Georgi Ivanytsj Orlov er zich van af met wetenschappelijke reducties en ironische relativeringen waarop geen maat staan. In dat universum bestaat het goede niet en kan het niet bestaan. Met de woorden van Orlov: “zo’n gedachte zou de volmaakte mens veronderstellen, wat een logische ongerijmdheid is”. Toen ik aan een universiteit nog hoorcolleges gaf over wijsgerige ethiek deed er zich in het auditorium een opmerkelijk incident voor. Zoals meestal als het over ’s mensen morele beslissingen en handelingen gaat, stelt iemand in de zaal het vraagstuk van de vrije wil aan de orde. Het is een vraagstuk dat, als een bliksemstraal die de boom in tweeën splijt, de toehoorders in twee kampen verdeelt. De vrije wil is iets, maar wat het is, waar het is, en hoe het is, kan moeilijk worden verduidelijkt. De vrije wil is niets, berust op een illusie, en 1 0 STANDPUNTEN

dient om niet te willen erkennen dat ‘s mensen beslissingen door fysiologische, chemische en fysische processen worden gedetermineerd. Dat die eigen zijn aan het lichaam en aan het brein, ja dat zal wel niemand willen en kunnen tegenspreken. Maar, van de weeromstuit, wat die processen zijn, waar ze zijn en hoe zij zijn, dat kan maar tot op zekere hoogte worden bepaald. Het blijft afhangen van ’s mensen kennis ter zake, en het kenmerk van die menselijke kennis is dat ze noodzakelijk onvolledig en voorlopig is. Ik legde uit dat ik de twee posities even onbegrijpelijk vond. Ik verdedigde het standpunt, bekend sinds Descartes, dat de keuzebeschikking in situaties van onwetendheid vrij kan worden genoemd. Ja, zei ik, het is goed mogelijk dat de wetten van de natuur ononderbroken aan het werk zijn en dat miljoenen oorzaken miljoenen gevolgen determineren op de meest volmaakte wijze. Maar dat is en blijft een geloof. Weten, gebaseerd op sluitende kennis van de miljoenen oorzaak-en-gevolg-ketens, is in de ogenblikken van de keuze ontoereikend. De kiezende persoon is in die ogenblikken geen al-ziener en dus geen alweter. Toch is hij of zij gedwongen een beslissing te nemen. Ik werd prompt door een toehoorder tegengesproken. Menselijke keuzes, zei hij, hebben niets van doen met de vrijheid van de mens. Alles is voorbestemd. Alles is beschikt en gehoorzaamt aan wetten. De menselijke vrijheid is een illusie. Verstandelijk inzicht in de oorzaken van de situaties en redelijke anticipatie op de gevolgen van ons handelen, dat is wat ons in het beste geval is toegemeten. Al de rest berust op fantasie. Het gesprek kreeg een andere draai toen ik hem vroeg eerlijk te antwoorden op mijn vraag. Kunt u mij zeggen of u zich nooit in een keuzesituatie hebt bevonden, waarin een beslissing onvermijdelijk was, maar waarbij uw kennis over alle oorzaken en gevolgen die uw beslissing bepaalden tekortschoot? Zo dat u werd gedwongen te kiezen terwijl u niet in een staat van genade verkeerde, met name: kennis te hebben over alle gegevens, kennis dus die u zonder twijfel tot dienst zou zijn geweest om te beslissen? Na een korte reflectie antwoordde hij dat hij zich inderdaad al eens in die situatie had bevonden. En hebt u toen een keuze gemaakt? Zijn antwoord was bevestigend. Zou het dat niet zijn wat ik met René Descartes libre arbitre kan noemen, het vrije beslissingsmoment? Vrij, in die zin dat uzelf in de keuzesituatie losgemaakt was van die noodzakelijkheidskennis, om het zo maar te noemen. Een soort kennis die uw beslissing had doen gelijken op een loutere rekenoperatie met een volstrekt vanzelfsprekend karakter en wel zo dat u als persoon niet eens in het spel was geweest?


Het alibi dat de verdedigers van de natuurnoodzakelijkheid bij herhaling inroepen is dat de zedelijkheid, bijvoorbeeld in de vorm van liefdadigheid, is gebaseerd op fysiologische behoeften. Waarom zoveel drukte maken over de naastenliefde en ons bekommeren over wat scheef loopt. Eigenlijk kan er nooit iets scheef lopen. Het is de natuur en niets anders dan de natuur. Die redenering heeft me nooit overtuigd. Mijn bestaan ziet er anders uit. Ik weet niet. Mochten de goden mij met een al-weten hebben gehonoreerd, ik zou ze toch eerst hebben willen verzoeken de kennis te mogen bezitten van vijftig verschillende talen. Tsjechov brengt, zonder te oordelen (!) met zijn novelle die zaak op de voorgrond. In hun gesprekken bedienden Orlov en zijn vrienden zich vrolijk van het alibi, orerend dat: “.... reinheid van zeden niet bestond en nooit had bestaan en blijkbaar niet nodig was; de mensheid had er tot nu toe heel goed buiten gekund. De schadelijkheid van de zogenaamde ontucht werd ongetwijfeld overdreven.” Het goede bestaat niet en kan niet bestaan daar het de volmaakte mens vooronderstelt. Het komt niet bij ze op dat goed-en-kwaad deel is van ’s mensen bestaan precies omdat de volmaakte mens niet bestaat. In Tsjechovs ‘Verhaal van een onbekende’ leidt het alibi tot een reeks van gebeurtenissen die een jong meisje, de ‘onbekende’, op het eind veroordeelt tot een anoniem verblijf in een bewaarschool. Een nauwelijks wijsgerig omkleed spinozisme leidt tot dramatische onverschilligheid die het lot van het meisje niet wil keren. Orlov, die de biologische vader is van het kind, maar haar weigert onder zijn hoede te nemen, deelt haar beschermengel en feitelijke pleegvader, Stepan, het volgende mee: “‘Ja mijn leven is abnormaal, bedorven, nergens goed voor, en wat me verhindert een nieuw leven te beginnen is lafheid – daar hebt u volkomen gelijk in. Maar dat u zich dat zo aantrekt, u zo opwindt en er wanhopig van wordt – dat is niet logisch, daarin hebt u echt ongelijk.” Wanneer Stepan hem zegt: “Een levend mens moet zich wel opwinden en wanhopig worden als hij ziet dat hij ten gronde gaat en anderen met hem.” Het overtuigt Orlov niet. Hij voelt zich gerechtvaardigd in zijn houding en zijn besluit om het meisje, zijn natuurlijke dochter, niet onder zijn hoede te nemen. Hij veroordeelt haar tot de bewaarschool waar zij een obscuur en serviel leven zal moeten leiden. Hij herleidt haar tot ‘een onbekende’, een individu dat als naam een nummer krijgt. Keurig opgetekend in de inventaris van de directrice. “… Ik predik heus geen onverschilligheid, ik wil alleen een objectieve houding tegenover het leven. Hoe objectiever, hoe minder kans op fouten. We

moeten naar de wortel kijken en in elk verschijnsel de oorzaak aller oorzaken zoeken.” Daarmee is de eeuwig dunne inhoud van wat ik het orlovisme noem – noem het voor mijn part ook spinozisme – keurig omschreven. Het is wat Orlov dan wel geen goed, maar in elk geval een rustig geweten bezorgt. En de afstand tussen goed en rustig is weinig meer dan gewetensusserij. Stepan, de pleegvader van het meisje, die door zijn fataal aflopende ziekte niet langer voor haar kan instaan, keert zich af van dit geleerd alibi met een principieel antwoord. “‘Je leeft maar één keer en dat wil je opgewekt, zinvol en mooi doen. Je wilt een zichtbare, zelfstandige, nobele rol spelen, je wilt geschiedenis maken, zodat die (latere) generaties niet van ons kunnen zeggen: die was waardeloos of nog erger... Ik geloof in zowel de doelmatigheid als de noodzaak van wat er gebeurt, maar wat kan mij die noodzaak schelen, waarom moet mijn ‘ik’ verloren gaan.” Een antwoord dat mij de woorden van Vladimir Jankélévitch in herinnering roept: “Er is iets dat, bij wijze van spreken, het valse bewustzijn weerstreeft van het keurige rationalistische bewustzijn. (…), het ultieme gewetensbezwaar van de knappe koppen. Iets dat protesteert en in ons tegenpruttelt tegen het succes van de reductionistische ondernemingen.” (Le Je-ne-sais-quoi et le Presque-rien, deel 1, La manière et l’occasion. Ed. Du Seuil, 1980, mijn vertaling). Tsjechovs Orlov heeft het morele bewustzijn opgeschort met het bekende alibi: alleen een objectieve houding tegenover het leven brengt baat. Het brengt hem baat, maar niet zijn dochter. Het is het alibi van de “grotere, algemene oorzaken, die biologisch gezien een stevige raison d’être hebben.” Biologisch: ja, dat is evident, want mensen, vaders en dochters dus, zijn biologische wezens. Dat wil zeggen: concreet levende wezens die in het nu en hier existeren. De hoedanigheid van engel van God is ze ontzegd. En daar mensen dus geen engelen zijn, is er in hun bestaan iets dat tegenpruttelt als het om het succes van die geleerde biofysiologische reducties gaat. Dit iets heeft wellicht alles gemeen met het knagen van het geweten. Het wijst op de malaise van dat bewustzijn dat ontevreden blijft met de keurige biologische uitleg en diens raison d’être. Opvallend. Tsjechov oordeelt niet. Tsjechov schetst. Hij toont. En daarom is hij zo onontwijkbaar want hij spreekt met een waarachtig morele stem. Lees Tsjechov. De arts en wetenschapsmens. Ronald Commers, 2020-10-14

BIO Ronald Commers (Antwerpen 1946 - ) is een oudleerling van het Stedelijk Onderwijs Antwerpen en het Koninklijk Atheneum Antwerpen. Hij studeerde van 1963 tot 1967 Moraalwetenschap aan de RUG. Later (1970) keerde hij er terug als onderzoeker in de vakgroep wijsbegeerte en moraalwetenschap. Hij promoveerde op een doctoraat (1976) en een speciaal doctoraat (1982). Als deeltijds docent was hij verbonden aan het Limburgs Universitair Centrum (1976-1981) en aan de Vrije Universiteit Brussel (19821999). Hij beëindigde 2011 zijn actieve loopbaan als gewoon hoogleraar aan de Universiteit Gent, belast met vakken wijsgerige ethiek en geschiedenis van de wijsbegeerte. Hij publiceerde in die vakgebieden verscheidene boeken en artikels. Commers is vrijmetselaar en daarover publiceerde hij eveneens enkele boeken en artikels. Kenners en buitenstaanders gelijk noemen zijn boeken erudiet en onleesbaar, waarbij zij beleefd het woordje ‘te’ achterwege laten. Maar hij volhardt bij leven en welzijn. Ronald Commers is gehuwd met Katalin Balogh (sinds 2000), die als onderzoekster en lesgeefster verbonden is aan Lessius Hogeschool KUL. Zij hebben samen een zoon (18 jaar) en een dochter (16 jaar). Zij wonen in Antwerpen-Zuid en bezitten sinds 2008 een boerenhuis in WestHongarije, in het land waar Katalin Balogh werd geboren en opgroeide.


UIT BETON GROETJES SCHEREN MANNELIJKE GEVANGENEN NOG STEEDS HUN KOPPEN? Ik vind het warm water niet uit, dacht hij, maar laat ik toch maar beginnen met de stelling dat gevangenen in België weggestoken worden en zo verstoken blijven van veel, zo veel, dat ik mezelf niet de moeite getroost aan een opsomming te beginnen. Ze blijven verstoken van dingen die nodig zijn om te voorkomen dat die gevangenen, eens ze exgevangenen zijn, al snel opnieuw belanden waar ze vandaan komen (de gevangenis). Gevangenen, op veel plaatsen ter wereld, maar ook, zelfs, in België, wordt niet altijd even menselijke omstandigheden gegund. Op die manier maken we het ex-gevangenen heel moeilijk om

niet buiten de boordstenen van het pad der rechtschapenheid te gaan dwalen. Recidive in België scheert hoge toppen, om het met een gefingeerde krantenkop te stellen. Scheren mannelijke gevangenen nog steeds hun koppen? We weten absurd weinig van wat er binnen de gevangenismuren gebeurt. Binnenin zijn eigen vier veilige wanden denkt hij terug aan dat ene huisbezoek in die ene straat met zo’n klinkende naam en dat huis dat zich tegen de achtermuur van de Gentse gevangenis aan vlijde en waarvan de hoogste kamer door een opengetrokken Velux raam op de koer vol hangende gevangenen uitkeek. Ja, dat doen ze wel vaker, als ze zien dat iemand kijkt. Ze moeten hun daar toch echt vervelen, hé jong. De immovrouw kijkt niet op van fluitende of wuivende boefjes. Voor de jonge huizenjager voelt het wrang, en misschien verbaast hij zich over het aantal vingers aan de opgestoken gevangenhanden: het zijn er vijf (dus niet die ene vinger in het midden). Verdacht vriendelijk om schurken te zijn. Dat is wat ze zijn, toch? Dief, aanrander, drugdealer, moordenaar?

1 2 STANDPUNTEN

BIO Arne Vlaeminck is afkomstig uit Melle. Respectievelijk 6 en 4 jaar actief in jeugdhuis en jeugdvereniging Laatstejaarsstudent Vergelijkende Moderne Letterkunde

Een paar honderd jaar geleden hadden misdadigers misschien geen handen meer om mee te zwaaien. We hebben als samenleving vast enkele stappen richting menselijkheid gezet. Maar, dankbaar gebruik makend van woorden van die ene acteur die zijn hervonden hobby inzette ter bewustmaking, “onze gevangenissen zijn 19de-eeuws”. Weinig natuurlijk licht, een absoluut gebrek aan zinvolle tijdsbesteding, veel te krappe cellen, kleurloosheid en afvlakkende uniformiteit. We horen het vaak: de Scandinaviërs pakken het beter aan. Daar zou een mentaliteit van ziekte en genezing vigeren, in tegenstelling tot onze cultuur van schuld en boete. Wanneer ook de minister van Justitie zich op het einde van het artikel onder dat standpunt schaart, ontwaart de krantenlezer bij zichzelf een hoopvolle glimhartlach. Denk eens terug aan het moment in je leven waarop je je het meest opgesloten voelde. Je sloot jezelf als kleuter per ongeluk op in de kleerkast van je ouders, kreeg twee weken huisarrest op je puberboterham, vond jezelf op een dag in het verkeerde lichaam, of dacht onder invloed van hallucinogene middelen in het midden van een rotonde dat de cirkelende wagens bewakers waren.


Ik ben aan het ronddraaien; voor de meest levendige herinnering aan een gevoel dat gevangen zijn benadert, hoeven we niet ver (of lang?) te tijdreizen in ons collectieve geheugen: de lockdown. De literatuurstudent had het niet als enige moeilijk die periode; er verscheen heel wat in de pers over bejaarde eenzaamheid, over wanhopige ouders, over ontsnappende pubers, over de dreigende schade voor de psychologische gezondheid van de ingeperkte Vlaming. Wat met de psychologische gezondheid van de opgesloten gevangene? Toegegeven, wie heel erg over de schreef gaat, kunnen we als maatschappij moeilijk ongestraft zijn gangetje laten gaan. Maar wat heeft een samenleving aan gevangenissen als meer dan de helft van de vrijgekomen gevangenen (en 95% van de gevangen komt ooit vrij) buitenkomt met een brandende schuur als mentale gezondheid en een met zandzakken opgeladen opblaassloep als toekomstperspectief ? Ergens las hij: opsluiting is criminogeen. Ga ik wel de goede kant op, vroeg hij zich af. Heeft de opinie van de meerderheid van dng-lezers iets aan het gemoraliseer van een jonkie? Mist hij zijn doel? Wat was het doel? Oh ja – iets vertellen over de stage bij het Vermeylenfonds, en over Groetjes uit beton.

Van bij het begin van de stage leek hij op zijn plaats te vallen aan de zijde van Barbara, de geestesmoeder van Groetjes uit beton. Briefschrijfsessies met en voor gevangenen. Een uur of drie figuurlijk gevuld met warmte, kop koffie, oren-geluister en coole typmachines. Voor zij die een brief willen schrijven, naar eender wie, en daarbij wel hulp kunnen gebruiken. Maar eerst: eindeloos e-mailen en bellen. “Nog voor het einde van 2034? Nee, sorry, dat hadden jullie vroeger moeten aanvragen…” “Hmm, we hadden eigenlijk al een gelijkaardig project een tijdje terug…” “Weet je, we hebben echt amper nog budget voor dit jaar…” “Ik vrees ervoor, maar misschien kan ik je doorverbinden met…” “Mevrouw Wouters is in verlof momenteel, misschien kan je volgende week nog eens proberen…” “Nog een fijne dag, hoor!” “[tuut tuut tuut]” Wanneer een en ander dan toch op poten komt te staan, neemt corona ons allemaal gevangen. Briefschrijfsessies in de gevangenis worden onmogelijk, dus besluiten de projectmakers zich om te buigen naar een alternatief project. Ze nodigen gevangenen uit om zelf brieven te schrijven, beantwoorden die brieven, en vertellen er iets over. (Facebookpagina Groetjes uit beton) Bijna alle gevangen briefschrijvers betuigden hun dank om de hen geschonken mogelijkheid hun verhaal neer te pennen. Het postpakket met stylo’s, enveloppen, briefpapier en postzegels, moest drie dagen in afzondering voor het de gevangenis binnen kon (over de porties speeksel – nodig om de enveloppen toe te kleven – hoefden we ons geen zorgen te maken). Arne Vlaeminck

KARMA HOTEL

Is de gevangenis écht een hotel? Hoe komen mensen in detentie terug van deze vakantie? En waarom gaan mensen die een crimineel feit pleegden überhaupt naar de gevangenis? Op deze en andere vragen probeert Karma Hotel een antwoord te formuleren in het kader van de Nationale dagen van de Gevangenis. De wijze waarop de buitenwereld de lockdown heeft ervaren, geeft ons een aanknopingspunt om te sensibiliseren en het in vraag stellen van het nut van een gedwongen (langdurige) opsluiting van gevangenen. Het biedt enig inzicht in de leefwereld van personen in detentie. De Nationale Dagen van de Gevangenis (NDG) zijn een initiatief van een aantal pluralistische groeperingen en organisaties. Ze willen over de Belgische situatie binnen de gevangenismuren informeren en de dialoog hieromtrent stimuleren. Voor deze 7de editie, van 20 november tot 6 december 2020 werd er gekozen voor het thema ALTIJD IN QUARANTAINE. Karma Hotel is een initiatief van het August Vermeylenfonds en het Geuzenhuis, met de steun van de Huizen vzw, SMBG en deMens.nu. www.karmahotel.org

1 3 STANDPUNTEN


ROUTLEDGE HANDBOOK OF THE PHILOSOPHY AND SCIENCE OF PUNISHMENT Het Routledge Handbook of the Philosophy and Science of Punishment (2021) is een verzameling van 31 bijdragen van internationale en Belgische auteurs met expertise in de wijsbegeerte, rechtsgeleerdheid, criminologie, forensische psychiatrie en psychologie en de biopsychosociale wetenschappen. Het handboek bestaat uit vier delen en biedt een overzicht van de belangrijkste hedendaagse theorieën over bestraffing en een kritische analyse van onze falende aanpak, alsook verschillende wetenschappelijke bijdragen over de risicofactoren voor crimineel gedrag, de impact van opsluiting en de nood aan preventie en herstel. Het laatste deel biedt een aantal alternatieve visies op bestraffing.

Het bezitten van een vrije wil is nodig om bestraffing op basis van retributie te rechtvaardigen. De filosofische vrije wil wordt doorgaans gedefinieerd als de controle over ons gedrag die nodig is om het concept morele schuld te legitimeren. Het verwijst naar de ‘verdiende loon’ die toegewezen wordt aan een persoon die, wetende dat zijn handeling immoreel is, toch die handeling stelt. Wanneer we een dergelijke vrije wil ontberen is retributie als strafdoelstelling in se onrechtvaardig. Retributie kunnen we omschrijven als de visie dat misdadigers moeten gestraft worden omdat, en alleen omdat, ze dat verdienen. Indien bestraffing bepaalde gevolgen heeft, zoals het beschermen van de maatschappij, het rehabiliteren van misdadigers of het afschrikken van crimineel gedrag, dan zijn dat wenselijke bijkomstigheden volgens het retributivisme. De rechtvaardiging van bestraffing ligt niet in de eventuele gunstige gevolgen van straffen, maar uitsluitend in de morele schuld van de veroordeelde. Het is zijn ‘verdiende loon’.

de sociaaleconomische risicofactoren voor crimineel gedrag centraal staan en preventie veeleer dan massale opsluiting de voorkeur wegdraagt. Wat betekent het als al ons handelen het product is van de verzameling van biologische, opvoedkundige, relationele, sociale, culturele, psychologische en duizend en één andere factoren die aan dit gedrag voorafgaan? Kiezen wij in welk gezin we geboren worden, in welke samenleving we geboren worden, in welke sociaaleconomische en culturele leefwereld we opgroeien, welke persoonlijkheidskenmerken we hebben, welke struikelblokken dan wel positieve stimulansen op ons pad komen? Wat met armoede, ziekte, verwaarlozing, mishandeling, verslaving, werkloosheid, discriminatie, racisme, etc.? Kan herstelrecht een werkzaam alternatief bieden zonder retributie, zonder het intentioneel toebrengen van leed? Professor Gerry Johnstone stelt de onderliggende motivering van ons bestaand strafrecht in vraag in zijn bijdrage en geeft een summier overzicht van de historisch gegroeide restorative justice beweging. Die beweging kondigde een paradigmawissel aan die de interpersoonlijke dimensie van criminaliteit vooropstelde waarbij informeel recht, herstelgerichte dialoog en de rol van de gemeenschap centraal staan. Zo kunnen we ons afvragen waarom bestraffing een aangelegenheid van de overheid is, waarom justitie zonder inspraak van het slachtoffer beslist of iemand al dan niet gestraft wordt, en waarom publieke bestraffing het meest aangewezen antwoord is op criminaliteit. De rechten en noden van slachtoffers komen zo op de achtergrond en de ruimte voor interpersoonlijke dialoog wordt aan slachtoffer en dader ontnomen.

© Tom Blaton

OUT

We weten dat massale opsluiting naast de directe detentieschade die gedetineerden oplopen ook tot desastreuze sociaal-relationele gevolgen kan leiden bij de familieleden van gedetineerden en hun naaste omgeving. Ook de samenleving in zijn geheel verliest wanneer herstel, re-integratie en resocialisatie een nagenoeg onbereikbaar doel worden. Als effectief middel om criminaliteit aan te pakken werkt massale opsluiting niet, dat is het besluit van zo goed als alle experten. We

kunnen ons daarenboven afvragen of massale opsluiting, het ontnemen van het recht op vrije beweging, inherent verdedigbaar is?

BIO: Prof. Farah Focquaert is filosofe en ethicus aan de UGent. Ze doceert wijsgerige antropologie en public health ethics. Haar huidig onderzoek focust zich op de filosofie van bestraffing en herstelbemiddeling, alsook op ethische vragen in het domein van de forensische psychiatrie

In een wereld waar de argumenten voor het bestaan van de vrije wil moeilijk standhouden en waar die vrije wil hooguit een mogelijkheid veeleer dan een waarschijnlijkheid is, moet een samenleving retributie in vraag stellen dan wel haar rechtvaardigheid laten varen? Bestraffing houdt in dat we mensen beperkingen opleggen en in de meeste gevallen betekent dit een vorm van schade toebrengen aan de veroordeelde, al dan niet met de expliciete bedoeling om die schade aan te richten. Wanneer we vertrekken van retributie als strafdoelstelling dan is die schade intentioneel, de misdadiger moet een bepaalde mate van leed toegebracht worden dat in verhouding staat tot de ernst van zijn daden. In vele Westerse landen is retributie één van de centrale strafdoelstellingen – ook in België. Gregg Caruso en Derk Pereboom zijn filosofen die het bestaan van de vrije wil en dus ook van een op retributie gestoeld strafrecht in vraag stellen. In hun hoofdstuk beschrijven ze een niet-punitief alternatief voor het doorsnee Westerse strafmodel. Zij pleiten voor een publiek gezondheidsmodel waarin

L


LIEVEN

NOLLET 'Gevangenis' staat symbool voor begrippen als vrijheid en vrijheidsberoving. De complexiteit van dit maatschappelijk fenomeen wijst, niet alleen naar een diep menselijke tragedie, maar ook naar een collectieve en individuele zoektocht naar identiteit. “Nollet wijst ons op een blinde vlek. Als fotograaf haalt hij geïnterneerden even uit hun duisternis. Of om woorden te lenen die onlangs nog in de media zijn gebruikt: uit de vergeetput van justitie. Lieven heeft iets met zwart, dé kleur van de duisternis. Zijn zwart dient om een anders onverteld geworden verhaal een nieuwe verhaallijn te geven. Hij fotografeert niet zomaar. Elke foto is het resultaat van een gesprek. Elke geïnterneerde kan haar of zijn zwart anders inkleuren. Zwart spreekt in vele talen. Lieven Nollet geeft zijn gesprekspartners een persoonlijkheid terug. Wat hen afgenomen was voor ze in de vergeet-

put dienden af te dalen. Hij maakt hen met zijn beelden tot persoon. Hij verleent hen een identiteit. Nollets foto’s laat hun gedwongen zwijgen opnieuw spreken. Lieven Nollet laat iets opklinken uit die vergeetput. Hij laat de marge aan het woord. En met Foucault: die marge zegt heel veel over wat het grote speelveld is van de normaliteit. Van datgene wat wij als evident beschouwen. Kunst stelt evidenties in vraag. Bijvoorbeeld door ons vol in het gezicht te raken met de bundel van duisternis die onze tijd uitstraalt.” (Fragment uit inleiding door Marc Van den Bossche, professor filosofie aan de VUB, Brussel, 8 december 2011.)

BIO Lieven Nollet Geboren in 1952, Waarschoot, Belgium. Werkt en leeft in Brussel. Meester in de Beeldende Kunst, Fotografie. Docent Kunstfotografie (1981-2017). Voorzitter De Huizen Meer info www. Lievennollet.be Voor meer info of aankoop boek ‘Sterke Verhalen, internering anders belicht’ contacteer uitgeverij Gompel&Svacina - info@gompel-svacina.be

15 FOCUS


© Lieven Nollet


De recensent

Vijftig jaar geleden stierf Roger Van de Velde, een van onze meest getalenteerde maar ook meest tragische schrijvers. Hij zeeg neer op het terras van een café in de Antwerpse stationsbuurt, uitgeteerd na een leven vol excessief drank- en drugsgebruik en een jarenlange rondgang als geïnterneerde binnen de Belgische gevangenissen. Dat zijn kleine maar hoogstaande oeuvre niet in de vergetelheid is geraakt, danken we aan een aantal trouwe bewonderaars zoals onder meer Erik Vlaminck, die niet alleen een toneelstuk over Roger Van de Velde schreef, maar hem daarnaast liet figureren in zijn roman De zwarte brug. Zijn geestdrift stak ook Ellen Van Pelt aan. Haar professionele ervaring als psycholoog met geïnterneerden droeg zeker bij aan haar fascinatie voor de onfortuinlijke schrijver, maar het is te danken aan de aanmoediging van Erik Vlaminck dat ze uiteindelijk besloot diens biografie te schrijven. Ellen Van Pelt is psycholoog van opleiding. Ze publiceerde korte verhalen in verschillende literaire tijdschriften en debuteerde in 2015 met Drift, een sterke roman over complexe liefdesrelaties, illusies en bedrog. Daarnaast is ze een geëngageerd bestuurslid bij PEN Vlaanderen. De afgelopen drie jaar werkte ze aan Deze wereld is geen ergernis waard, de biografie van Roger Van de Velde. Ze slaagt er in de tragiek van Roger Van de Velde in zijn volle omvang weer te geven en tegelijk diens literaire belang te benadrukken.  

Trefzeker schetst Ellen Van Pelt alle kantelmomenten uit het leven van Van de Velde, waaronder de vroegtijdige dood van zijn vader, de drankproblemen van zijn stiefvader, zijn turbulente drankoverladen jaren als journalist en de dood van zijn dochtertje. Ook het belang van Willem Elsschot valt niet te onderschatten. Niet alleen heeft Elsschot zich ingezet om diens schrijverscarrière een duwtje in de rug te geven, hij bleek vooral een bepalende rol te spelen in de door Van de Velde gehanteerde schrijfstijl. Zowel in zijn journalistiek werk als in zijn literaire oeuvre leefde hij het advies van Elsschot na om artistieke eerlijkheid en menselijke betrokkenheid na te streven in het schrijven. Meest bepalend in het leven van Van de Velde is het moment waarop hij verslaafd raakte aan Palfium. Op een gegeven moment ontwikkelde hij ernstige maagklachten, al dan niet ten gevolge van zijn overmatig dranken sigarettenverbruik. Hij kreeg Palfium voorgeschreven, een nieuwe morfineachtige pijnstiller die aan de man werd gebracht als een wondermiddel. Al snel bleek dat Palfium heel verslavend was, maar dan was het al te laat voor Van de Velde. Om aan zijn voorraad pillen te geraken begon hij te sjoemelen met voorschriften. Hij werd herhaaldelijk betrapt en belandde uiteindelijk in de gevangenis. Zijn advocaat trachtte hem ‘tijdelijk ontoerekeningsvatbaar’ te verklaren maar de bevoegde psychiater verklaarde hem na een vluchtig onderzoek ‘permanent ontoerekeningsvatbaar’ verklaarde. Het begin van een lijdensweg van negen jaar doorheen de penitentiaire inrichtingen. Maar het is ook daar dat hij zijn carrière als literator inzette.  Vóór de gevangenisjaren was Van de Velde een man die wel wat beters te doen had dan romans schrijven. Zijn echte passie lag bij het zuivere journalistiek werk, en hierin toonde hij zich een meesterlijk chroniqueur van zijn tijd. Pas tijdens zijn gevangenisjaren ontstaat het idee om zich op de literatuur te werpen. In zijn meest beklijvende boeken zit er weinig ruimte zit tussen zijn ontluisterende ervaringen in verschillende inrichtingen en de inhoud van zijn werk. Zowel in Galgenaas als in De knetterende schedels vindt Van de Velde een stijl die schippert tussen ironische distantie en mededogen voor zijn lotsgenoten. Maar ook in Recht op antwoord, een vlammende aanklacht tegen het verouderde gevangeniswezen waarvoor hij de Arkprijs van het Vrije Woord zal ontvangen, put hij ruim uit zijn eigen ervaringen.  Zijn leven eindigt tragisch. Net op het moment dat hij gerehabiliteerd is geraakt, artistiek gewaardeerd wordt en eindelijk zicht krijgt op een degelijke behandeling voor zijn 18 RECENSENT

verslavingsproblematiek, sterft hij afgeleefd op vijfenveertigjarige leeftijd. Een pluim voor uitgeverij Vrijdag die dit jaar niet alleen De knetterende schedels opnieuw uitbracht, maar tevens aan Ellen Van Pelt de mogelijkheid gaf om de biografie te schrijven van Roger Van de Velde, ontegensprekelijk een van de grote stilisten in de Nederlandse literatuur. Op een accurate en betrokken manier geeft Van Pelt weer hoe de fysieke neergang en de artistieke opgang van dit enfant terrible hand in hand gingen. Ze verwerkte de gegevens uit haar bronnen tot een samenhangend geheel waardoor de schrijver tot leven komt. Als lezer krijg je net de juiste hoeveelheid informatie om zicht te krijgen op de complexe gespleten figuur die hij was; liefhebbend, familieman en verslaafde, jem’en-foutist en grandioze schrijver. Met Deze wereld is geen ergernis heeft Van de Velde eindelijk de biografie gekregen die hem toekomt.  Deze wereld is geen ergernis waard. Roger Van de Velde, de biografie, Ellen Van Pelt, Uitgeverij Vrijdag, 2020  In het kader van de Nationale Dagen van de Gevangenis interviewde Tom Cools de auteur over haar nieuwe boek.   Het volledige interview kan je integraal bekijken of beluisteren als podcast.  https://www.youtube.com/ watch?v=HKUjqo08nTQ&t=13s&ab_ channel=KARMAHOTELNDG2020  https://open.spotify.com/ episode/6506llgXf1A3Tp2J3VfWYt Tom Cools


EXCLUSIEF VOOR AVF-LEDEN! GENIET VAN 20 % KORTING OP OP DEZE BOEKEN. SURF NAAR

www.epo.be/nl/12-boekenportaal

BESTEL HET BOEK EN GEBRUIK DE KORTINGSCODE DNG202004 IN JE WINKELMANDJE.

RECHTSSTAAT IN VERVAL OVER DE LANGE MARS DOOR DE INSTITUTIES

Een uitgebreide analyse van een proces dat sluipend is begonnen, maar de rechtsstaat nu openlijk bedreigt. Donkere wolken pakken zich samen boven onze democratische rechtsstaat. Deze dankt zijn bestaan aan een langdurig ontwikkelingsproces. De rechtsstaat biedt de mens emancipatie, rechten en vrijheden. Deze verworvenheden houden alleen stand als ze hun basis vinden in een institutionele orde. Instituties geven de maatschappij structuur op basis van gezag. Echter, de institutionele orde, en daarmee de democratische rechtstaat, is in verval. Hét symptoom van dit verval is het populisme. Wat nu dreigt is dat populistische leiders onbelemmerd onvrede kunnen aanwakkeren. Rechtsstaat in verval biedt een uitgebreide analyse van een proces dat sluipend is begonnen, maar de rechtsstaat nu openlijk bedreigt. Referentie: 9789463400060 DE KRACHT VAN RECHTVAARDIGHEID

Vertrekkend van zijn 25 jaar lange loopbaan legt Vlaanderen bekendste erevrederechter de vinger op de wonde van justitie. En hij toont aan hoe het anders kan. Als Jan Nolf zijn pen opheft, schuift de macht ongemakkelijk over haar stoel. Twee jaar geleden noemde het Europees Netwerk Hoge Raden van Justitie Vlaanderens bekendste erevrederechter zelfs een 'gevaar voor justitie'. Daar valt wel iets voor te zeggen. Als straks zelfs maar een deel van

zijn voorstellen wordt gerealiseerd, ziet ons gerecht er helemaal anders uit. Omwille van zijn verdienste in de bescherming van de gelijkheid van alle burgers voor de wet en de verdediging van de rechten en plichten van elk individu, ontving Jan Nolf de Burgerschapsprijs 2016 van Stichting P&V. Referentie: 9789462670754 HET RECHT OM ADEM TE HALEN

Op 25 mei werd een man veroordeeld tot het koude asfalt, met in zijn nek een botte knie die naast zijn nekwervels ook zijn waardigheid in stukken brak. Hij stierf nadat hij acht minuten en zesenveertig seconden om adem smeekte. 'I can't breathe' waren zijn laatste woorden. Al langer schreeuwen mensen over heel de wereld uit dat ze niet meer kunnen ademen. Dat ze nu, na de zoveelste keer, voelen dat ze na jaren hyperventileren een ademtekort hebben opgebouwd. Dat ze letterlijk aan het stikken zijn. Met mijn woorden probeer ik steentjes te verleggen. Want het gevecht is groot en zal nog lang duren. Amina Referentie: 9789462672499 DE NEOLIBERALE STRAFSTAAT

Een strafstaat gebouwd op de ruïnes van de welvaartsstaat: aan de hand van theoretische onderzoek en ervaring in de praktijk toont Lleshi aan waar dertig jaar neoliberalisme ons in sneltempo naar toe aan het voeren is. Referentie: 9789491297496

19 BOEKEN

STRAF DE ARMEN

Het nieuwe beleid van de sociale onzekerheid Meer bestraffen. Dat is de laatste jaren het credo van het strafrechtelijke beleid geworden. En dat heeft niets te maken met het tweeluik 'misdaad en straf' maar wel met een nieuw beleid van sociale onzekerheid, gebaseerd op economische deregulering en vermindering van sociale hulp. In het kader van deze neoliberale machtsgreep krijgt de gevangenis haar oorspronkelijke rol terug: een weerspannige bevolking doen plooien naar de heersende economische en morele orde. Gebouwd op de ruïnes van de welvaartsstaat ontstaan zo de strafstaat. De strijd tegen de cri-minaliteit wordt het scherm waarachter de nieuwe sociale kwestie wordt verhuld: de veralgemening van onzekere loonarbeid en de impact daarvan op de leefruimte en op de overlevings-strategieën van het stadsproletariaat. Referentie: 9789064456480


Vermeylen beïnvloed(t) Tinus Sioen maakt een keuze uit kunstenaars, schrijvers, denkers, die Vermeylen leuk vond. Grote en invloedrijke namen, maar ook personen die wat op de achtergrond verzeild zijn geraakt of ondertussen volledig vergeten. Wat vast staat is dat Vermeylen hen belangrijk genoeg achtte om er zijn tijd en woorden aan te schenken. Ze veardienen dus ook een plekje in De Nieuwe Gemeenschap. “Een juistere titel voor “Schuld en Boete” zou zijn “Misdaad en Verzoening”, August Vermeylen

“Ook als we Dostojevski lezen, voelt we achter de woorden en de handelingen der personages een andere wereld, een gemeenlijk voor ons verborgen realiteit. Steeds staat het in verband met de wereld van het goddelijke en het duivelse. Het is het eeuwige conflict tussen god en duivel, hemel en hel. In Dostojevski’s werk worden de uitersten, van de duivelse diepte tot de heiligste hoogte, met elkaar in verband gebracht.” (p. 201)

“In het reeds genoemde “Herinneringen uit een Dodenhuis” en in de machtige novelle “Herinneringen uit het Ondergrondse” (1864) maakt Dostojevski geen onderscheid tussen moordenaars en revolutionairen. Hij bestudeert hun daden met even grote liefde en mededogen. In allen ziet hij hij de kern van schone menselijkheid. Dat is trouwens de grote idee, die heel het werk van Dostojevski bezielt. Zijn in Siberië verdiepte opvattingen over goed en kwaad zijn ook het thema van zijn vier grootste romans […].” (p. 203) “Een juistere titel voor “Schuld en Boete” zou zijn “Misdaad en Verzoening”. Een doodarm student begaat een moord uit zelfoverschatting en om aan geld te geraken. Hij heeft zijn daad tot in alle details overlegd en zijn motieven rationeel gefundeerd. Onder invloed van een prostitutie, op wie hij verliefd wordt, bekent hij zijn misdaad. Zij volgt hem naar Siberië. Het ethisch gevoel triomfeert over het koel berekenend verstand.” (p. 203) “Sedert Freud en de psychoanalyse weten we dat wij allen allerlei gedachten in ons dragen, die we onbewust “reformeren” (verdringen),

gedachten die in de sociale wereld niet uitgesproken worden. Zoveel mogelijk trachten we, zelfs onbewust, het onderbewustzijn te onderdrukken. De personages van Dostojevski doen dat niet en geven daardoor de indruk, uitzondering te zijn. Ze laten het onbewuste vrij spel. Ze schijnen heel raar en overdreven te doen. Bij een eerste lectuur schijnen ze ons krankzinnig toe, maar dat is schijn. Wat wij terugdringen, komt bij hen te voorschijn.” (p. 204) Fragmenten uit: “Van Dante tot Dostojevski. Een overzicht van de Europese literatuur, naar een college van August Vermeylen. Door Aloïs Gerlo en Maarten Thijs.”


Goed nieuws In deze rubriek leggen we nadruk op het positieve in onze kleine en grote wereld. We brengen enkel goed nieuws met veel zwarte en witte humor, cadeautjes, weggeefacties, twitteroptimisten, facebookclowns en nog veel meer… Heeft u ook heugelijk nieuws te melden, mail dan naar sarah@vermeylenfonds.be want “Optimism is a moral duty!”

Stille waters, diepe gronden...

Ik ben Marilyn Verhofsté, 23 jaar. Ik ben laatstejaarsstudente sociaal-cultureel werk aan de Arteveldehogeschool te Gent. Mijn interesses zijn tekenen/ontwerpen, paardrijden en natuurlijk sociaal-cultureel werk. Als je me tegenkomt ben ik op het eerste zicht niet de meest aanwezige persoon, maar laat dat je er niet van weerhouden om mij aan te spreken. Zoals het spreekwoord zegt ‘stille waters, diepe gronden’ ;). Ik ben dit semester gestart als stagiaire bij het Vermeylenfonds en zal me het komende jaar verdiepen in mijn eindproject genaamd ‘De Huiskamerclub’. De Huiskamerclub is een origineel concept dat wordt gekenmerkt door drie belangrijke kernpunten: een laagdrempelige, intieme sfeer creëren, een platform geven aan artistieke talenten (muziek, comedy, theater, poëzie,…) en verbindend werken. Verder hoop ik mijn kennis en ervaring in het sociaal-culturele werkveld verder te ontwikkelen dankzij de kansen die ik krijg binnen het August Vermeylenfonds.

wijwijwij.zorg

© Ben Benaouisse met steun van Vermeylenf( )nds


Agenda Om kort op de bal te spelen in onzekere coronatijden, vind je alle up-to-date informatie over onze activiteiten op de website.

Verslag

Galerie Alfonse Blomme in Roeselare was een prachtige locatie voor de tentoonstelling Brand, een expo over verboden en verbrande boeken Š Jean Pierre Drubbels

2 2 VERSLAG


Uitstap ‘Berlijn anders bekeken’. Alternatieve stadsverkenning in West-Berlijn en de beklijvende Hannah Arendt expo. © Hilde Braet 2 3 VERSLAG

Het WaaW Bubbelfestival was een kleinschalig en gezellig festival voor jong en oud helemaal in thema van welzijn en welbevinden, georganiseerd door WaaW in samenwerking met vzw August Vermeylenfonds, vzw Curieus Drongen, cultuurplatform Drongen, vzw Onze Nieuwe toekomst en vzw Sport Around. © Marc Smekens


(b.v.)

HET TWEEDE

G RO T E

Corona-interview

Ja, het is hier weeral erg stil. Corona blijkt bijlange nog niet overmeesterd, integendeel. Gelegenheid om te grasduinen in vroeger afgenomen interviews. Vandaag een selectie van twee gesprekken in het teken van schoonheid en ruimte. En dat brengt me bij het eerste interview in deze rubriek BV met Lydia Deveen in januari 2010. Lydia was immers tientallen jaren de voorzitter van de Vermeylenkring Brussel en enkele jaren staatssecretaris voor Brusselse Aangelegenheden geweest. Ik ontmoette Lydia geregeld op vergaderingen en wat me daarbij opviel is dat zij tijdens die vergaderingen geen notities nam maar zat te tekenen. Tijdens het interview heb ik haar hiermee geconfronteerd. Lydia Deveen: “Ja, ik teken zeer graag. In mijn prille jeugd heb ik

meer geschilderd. Mijn vader was amateurschilder en ik zat dikwijls bij hem te schilderen. Ik moest wél altijd vóór hem zitten. Hij wilde niet dat ik me zou laten inspireren door hem. Vooral van de zee heb ik de laatste jaren veel aquarellen gemaakt. De zee verandert voortdurend en ik vind het dan ook enig die nuanceringen weer te geven. Al heel vroeg schilderde ik ook portretten. Mijn moeder nodigde af en toe bekende mensen uit wier portret ik dan tekende. Zo heb ik bv. een portret gemaakt van Julien Kuypers de secretaris-

generaal van onderwijs. Tekenen ben ik altijd blijven doen, wel veel minder toen ik op het Prentenkabinet van de Koninklijk Bibliotheek van België werkte. Samen met de conservator was ik verantwoordelijk voor de selectie van tekeningen die mochten aangekocht worden en ik kreeg een zekere schroom om zelf te blijven tekenen. Het is dankzij de kunstenares Betty De Leye, de echtgenote van Piet Frantzen, dat ik opnieuw ben beginnen tekenen. Het was op een reis naar Cyprus die de Vermeylenkring organiseerde. Tijdens een volgende Griekse reis heb ik zo het portret geschetst van de latere astronaut Dirk Frimout. Sindsdien heb ik altijd een schetsboek bij mij. Ik heb honderden tekeningen gemaakt. Ik heb in feite mijn memoires getekend want aan elke tekening hangt een anecdote: bijvoorbeeld de jonge Didier Reynders als kabinetsmedewerker van toenmalige Minister van Justitie Jean Gol, Luc Van den Bossche die er nog uitziet als een plechtige communicant, Louis Tobback na een huldesouper ter ere van André Cools, toen ik zelf niet helemaal nuchter meer was, enz. I.p.v. mijn memoires te schrijven droom ik ervan een selectie van mijn tekeningen te kunnen uitgeven met bij elke tekening een paar woordjes commentaar. Dat zou een leuke publicatie kunnen worden.” Het boek waarvan Lydia droomde is een jaar later ook verschenen onder de titel ‘Momenten in Profiel’. In het boek stond inderdaad ook een tekening van de eerste Belg die de ruimte bezocht, Dirk 2 4 BV


Frimout. Dirk Frimout is trouwens de broer van de kunstenaar Cyr Frimout die destijds een belangrijke rol gespeeld heeft bij de werking van het Vermeylenfonds Aalter. Waarom zou ik Dirk Frimout niet eens interviewen? De ruimtevlucht waaraan hij heeft deelgenomen in 1992 had immers de opdracht om de toestand van de atmosfeer te onderzoeken naar de oorzaken van de opwarming van de aarde en het gat in de ozonlaag. In februari 2013 had dan het boeiende gesprek plaats met astronaut Dirk Frimout. Wat was het doel van de ruimtevlucht? Dirk Frimout: “Hoofddoel van onze missie was een diagnostiek van

de atmosfeer. Op het ogenblik van de vlucht stelde men vast dat de aarde opwarmde en dat de ozonlaag aan het inkrimpen was. Rond deze problematiek hadden wetenschappers mathematische modellen van de atmosfeer opgesteld en het doel van de vlucht was om die te verifiëren en eventueel bij te stellen. Dankzij onze missie leerde men de atmosfeer veel beter kennen. De protocollen van Montreal en Kyoto waren onder meer gebaseerd op ons onderzoek in de ruimte.” Is de inkrimping van de ozonlaag dan zo dramatisch?

“Ja, het is een complex fenomeen. Ozon wordt constant geproduceerd door de inwerking van de zonnestralen op de zuurstof in de atmosfeer, maar er zijn ook stoffen in de atmosfeer die de ozon op natuurlijke wijze afbreken. Op die manier is er altijd een ozonlaag aanwezig die de schadelijke ultraviolette stralen van de zon tegenhoudt. Zonder ozonlaag is het vrijwel niet leefbaar op aarde. De natuurlijke afbraakmechanismen worden echter aangevuld met antropogene afbraakstoffen, stoffen die door de mens geproduceerd worden. Dat zijn de zogenaamde freons of cfk’s, die voornamelijk in koelsystemen en spuitbussen gebruikt worden. Die freons stijgen in de atmosfeer en eens ze boven de ozonlaag komen, worden ze door de ultraviolette stralen afgebroken waardoor stoffen vrijkomen die de ozonlaag aantasten. Die stoffen werken cumulatief en zijn erg moeilijk te verwijderen uit de atmosfeer. Het Kyotoprotocol verbiedt nu het gebruik van freon.” Is het gat in de ozonlaag nu aan het verkleinen?

“Ja maar het zal nog heel lang duren eer de toestand van vroeger hersteld is. Het is wel min of meer onder controle. Er zijn altijd natuurlijke fluctuaties maar de tendens is niet meer dat het gat vergroot. Toch zullen we het in de gaten moeten houden.” Het onderzoek naar de opwarming van de aarde was de tweede opdracht van de ruimtevlucht. Wat waren hier de bevindingen.

“Hier speelt de atmosfeer opnieuw een belangrijke rol, want zonder die atmosfeer zou het op aarde – 15°C zijn. Dankzij koolstofmono- en dioxide, methaan en andere stoffen houdt de atmosfeer de warmte van de zon vast. Zonder die broeikasgassen zou leven op aarde niet mogelijk zijn. Het water zou bijvoorbeeld constant bevroren zijn. De natuurlijke evolutie heeft ervoor gezorgd dat sinds de periode dat de mens op aarde is er een zeker evenwicht is. Er is voldoende zuurstof en de temperaturen blijven binnen grenzen. Door menselijke activiteit komen er echter steeds meer broeikasgassen zoals koolstofdioxide in de atmosfeer zodat de aarde opwarmt. Als men daar niet drastisch tegen optreedt, zou dat wel eens nefast kunnen worden voor onze aarde.”

Nochtans stellen sommige wetenschappers zoals Dirk Draulans dat we een groot deel van de problemen die veroorzaakt worden door het broeikaseffect onder controle zullen kunnen houden. De zeespiegel stijgt immers niet van de ene dag op de andere vijf meter. Er zal tijd zijn om dijken te bouwen en eventueel steden te verplaatsen.

“Dat is waarschijnlijk waar maar toch zal het leven zoals we het nu kennen gevoelig moeten veranderen. Grote steden verhuizen en dijken bouwen is geen sinecure. En als het gat in de ozonlaag steeds groter wordt, zal de hevige ultraviolette straling de mens dwingen om binnen te blijven. Op lange termijn is dat niet houdbaar. De opwarming van de aarde veroorzaakt ook kettingreacties: door de opwarming komt er meer waterdamp en methaan, dit zijn broeikasgassen, uit de oceaan. Die gassen stimuleren de opwarming nog meer. En waar ligt de limiet? Het is niet uitgesloten dat er ooit leven was op de twee meest nabije planeten, Mars en Venus. Mars heeft nu een zeer dunne atmosfeer en geen ozonlaag die de straling tegenhoudt. Op Venus is de temperatuur meer dan 400°C. Er is dus geen leven mogelijk. Misschien hebben er op die planeten processen plaatsgegrepen die de atmosfeer heeft doen verdwijnen.. De aarde is een bol met daar rond een dunne maar fragiele atmosfeer. We moeten daar bijgevolg heel voorzichtig mee zijn.” De opwarming van de aarde is het gevolg van het gebruik van brandstoffen zoals olie, hout, steenkool. Zij zorgen voor verwarming, energie voor industrie en mobiliteit. Blijkbaar is er voor die brandstoffen nog steeds geen alternatief, tenzij kernenergie die dan andere nadelen heeft. Vandaar allicht dat de grootste industrielanden zoals China en de Verenigde Staten de protocollen van Kyoto en Montréal niet willen ratificeren.

“Het is niet omdat de VS de Kyotonormen niet willen ratificeren dat ze blijven stil zitten. Wereldwijd is men er zich van bewust dat het zo niet verder kan. Er wordt veel gedaan om de uitstoot van de broeikasgassen te begrenzen en het gebruik van de energie te verminderen. De huidige industrie is evenwel nog steeds afhankelijk van het gebruik van petroleum omdat men natuurlijk zo goedkoop mogelijk wil produceren. Olie winnen is gemakkelijk, men maakt een putje en er komt olie uit. Toch mag men er niet aan voorbijgaan dat de oliebronnen niet onuitputtelijk zijn en dat petroleum ook voor heel wat andere toepassingen nodig is zoals voor het vervaardigen van plastic. In feite is ze veel te waardevol om ze zomaar te laten opbranden in auto’s. Er zijn alternatieven. De energie die door de ruimteshuttle wordt verbruikt, komt van brandstofcellen: waterstof die met zuurstof reageert met als bijproduct water. Alle water dat gebruikt werd in de shuttle was afkomstig van die brandstofcellen. Momenteel is men met die brandstofcellen aan het experimenteren in onder meer auto’s maar ja, het kost natuurlijk erg veel geld. Het blijft evenwel belangrijk dat men naar alternatieven zoekt.” Aangezien het interview werd afgenomen in 2013 was er toen nog geen sprake van de klimaatakkoorden van Parijs van 2015. Deze werden wel ondertekend door China en de Verenigde Staten. President Donald Trump heeft evenwel in 2017 meegedeeld dat de Verenigde Staten uit het akkoord zullen stappen wat onlangs ook is gebeurd. De nieuwe verkozen president Joe Biden belooft echter dat de Verenigde Staten de akkoorden opnieuw zullen ondertekenen. Inmiddels zou China zijn klimaatdoelstellingen al bereikt hebben. Johan Notte 2 5 BV


Column De onvoltooid verleden tijd – Peter Benoy, 10-11-2020

ANATOMIE VAN HET WACHTEN Na de lunch op een terras van de place de la Mairie van het charmante Roussillon, toen nog niet overrompeld door het tourisme, gaan we op zoek. We rijden naar beneden en kiezen in de vlakte naast de Lubéron op goed gevoel onze weg. ‘Ben je wel zeker dat hij niet in het dorp woonde?’ vraagt mijn vriend, de acteur. ‘Heel zeker, het huis ligt aan de voet van de beroemde okerrotsen, aan de zuidkant van het dorp.’ Ik heb een fotokopie van het huis ‘Les Roches Rouges’ bij me. Met de hulp van een oude boer vinden we het. Een Provençaals huis zoals er vele zijn. We bellen aan, maar er is niemand thuis of het is onbewoond? ‘Hier zijn ze dus tijdens de oorlog ondergedoken, beweer jij’, zegt mijn vriend. ‘Van 1942 tot 1945; Beckett heeft hier bij twee wijnboeren gewerkt en sloot zich aan bij de locale Maquisards.’ Vanuit dit huis had de Ierse, maar in Frankrijk wonende schrijver, een prachtig uitzicht op het dorp Lacoste, dat gedomineerd wordt door de ruïne van het kasteel van de Marquis de Sade, een auteur die hem fascineerde. ‘Aan ‘En attendant Godot’ is hij pas in 1948 begonnen’, merkt mijn compagnon op met een zekere trots op zijn kennis. ‘Er is wel een verband met Roussillon, zeker weten, in het tweede bedrijf zegt Vladimir tegen Estragon: ‘Pourtant nous avons été ensemble dans le Vaucluse, j’en mettrais ma main au feu. Nous avons fait les vendanges, tiens, chez un nommé Bonnelly, à Roussillon.’ Bonnelly, een wijnboer, was de eigenaar van dit huis. Zijn wijndomein, ‘Domaine de Coulet Rouge’ bestaat nog. En er is meer; volgens biograaf James Knowlson ligt die tijd in Roussillon wellicht aan de basis van ‘Godot’: ‘The war years had revealed the concrete reality of waiting, as Beckett and Suzanne sat out their time in Roussillon.’ Wachten op het einde van de oorlog, zoals wij wachten op het einde van de pandemie.

Claus’ bewondering voor het stuk was niet onvoorwaardelijk; zo stond hij kritisch tegenover Becketts dramaturgische benadering van het godsidee: ‘Langzamerhand, en hierin schuilt de schoonheid van dit stuk, wordt dit godsidee verbrokkeld, vernietigd. Niet systematisch, maar Beckett schijnt er ineens geen waarde meer aan te hechten, het even opgeworpen idee komt niet meer aan de oppervlakte, het is ergens latent aanwezig, maar de gebeurtenissen verstikken het. De gebeurtenissen, dezelfde gelijke, eentonige, dagelijkse, eeuwige, duwen de even aan de horizon glurende mystiek onder. En dit redt het stuk. Want Beckett is, als het absoluut moet, een mysticus van het niets. Zonder richting, zonder brandende pool, waaraan zijn vleugels verbranden. En het misverstand van het stuk is dat de voornaamste klemtoon op het onderdrukken van het godsidee is gelegd. De rest, de meubilering van het stuk, de eenzaamheid, de onverdraaglijke leefbaarheid, het jachtige zonder meer, is niet tot een expressie van de mystiek van het niets geworden, maar is symboliek gebleven. En dat hindert mij persoonlijk. De compositie van dit stuk is deze van een vaudeville, met climaxjes en anticlimaxjes. De vertoning door het gezelschap van Roger Blin werd in een circus-toon gehouden, wat nog het beste was.’ Vooral in het vroege toneelwerk van Claus zijn invloeden van Beckett te vinden en jaren later zal hij nog beweren dat deze Ier de man is die hij het meest bewondert.

Op 25 november 1952 schrijft Beckett aan Jacoba van Velde, die zowat het hele werk van hem in het Nederlands zal vertalen: ‘On répète en ce moment, au Babylone, Bd. Raspail. C’est horriblement difficile. On voudrait passer avant la Noël, mais ce ne sera pas prêt.’ Uiteindelijk gaat het stuk in première op 5 januari 1953 in regie van Roger Blin.) Aan Hugo Claus komt de eer toe om voor het eerst over dit stuk te hebben geschreven in het Nederlands (in nummer 16 van ‘Tijd en Mens’ dat hoewel voorzien voor december 1952 pas in april 1953 verscheen). Hij had de voorstelling gezien in januari ‘53, enkele dagen na de creatie. Zo vatte hij het samen: ‘Twee clochards wachten op Godot, hij komt niet, dus praten ze maar, er komt een gierige, vieze, seniele man, Pozzo voorbij, die aan de teugel een man heeft. Een paard-hond-slaafman. (…) Dan verdwijnen Pozzo en zijn ding. Een jongetje komt zeggen dat Godot vandaag niet kan komen, maar wel morgen komt. Entracte. Tweede bedrijf. De clochards wachten op Godot. Die niet komt. Pozzo en zijn ding geven een nummertje ten beste, vallen, beginnen te ontbinden, verdwijnen. De clochards wachten. Praten. Een jongetje...’

De Nevelvlek, 1954:affiche voor Wij wachten op Godot(Samuel Beckett). (Archief ToneBrulin in Letterenhuis)

2 6 COLUMN


Samuel Beckett, Parijs 1988 © Mouron en Rostain

In september 1953 gingen Jacques Schelfhout en zijn vrouw Irma De Clerck in Parijs aan Beckett de toelating vragen om met de Antwerpse avantgardegroep ‘De Nevelvlek’ ‘En attendant Godot’ te mogen spelen. Op dat ogenblik werd het stuk in het Théâtre de Babylone gerepeteerd voor een reeks hernemingen. In afwachting van de komst van de auteur, woonden Irma en Jacques de generale repetitie bij en spraken met Roger Blin. Hun vraag aan Beckett was tweeledig: de toelating vragen om het stuk te mogen spelen, maar ze hoopten ook een vrijstelling of reductie van de opvoeringsrechten te krijgen, want ‘De Nevelvlek’ had omzeggens geen financiële middelen. Beckett gaf hen de gevraagde toelating en beloofde hen bij de Franse auteursvereniging tussen te komen om die vrijstelling te bekomen. Jacques en Irma hebben een warme herinnering aan deze ontmoeting behouden en Sam hield woord. Met die herneming van Godot liep het overigens niet zo vlot, vooral omdat er vervangingen moesten gebeuren. Daarvan getuigt een kort briefje dat Beckett een week voor de première schrijft aan een vriendin: ‘Hélas pas question de tennis en ce moment. Je suis dans la merde jusqu’à la fontanelle: répétitions tous les jours,(...)’. Een brief aan een Amerikaanse kennis, geschreven de dag na de première, geeft meer informatie: ‘The first act went well, the second less well, the new Didi forgetting his lines all over the place, with me sweating in the back row. The audience didn’t seem to mind. The lighting was bad too. It will be better next week. The new Pozzo gave it up finally and Blin had to play.’

‘De Nevelvlek’, actief sedert 1949, was in Antwerpen de eerste groep die diverse kunsttakken van de naoorlogse avant-garde verenigde. In haar rangen vonden we o.m. de dichters Hugues C. Pernath, Paul De Vree en Gust Gils; de beeldhouwer Jan Dries; schrijvers Fernand Auwera, Jan Christiaens en Hugo Raes; theatermakers Walter Tillemans en Marthe Gevers en jazzmuzikant Jack Sels. Hun toneelafdeling, die bij gebrek aan middelen amper met professionele krachten kon werken, slaagde erin om creaties te brengen van enkele opmerkelijke vernieuwende stukken die in het officiële circuit geen kans maakten. Op 5 februari 1954 organiseerde ‘De Nevelvlek’ op de salonboot ‘La Pèrouse’ te Antwerpen een colloquium met spelfragmenten over avantgardetheater. Jan Walravens en Tone Brulin waren er bij betrokken en er werden fragmenten gespeeld uit ‘Begraaf de doden’ van Irwin Shaw, ‘De kale zangeres’ van Ionesco en ‘Wij wachten op Godot’. Het laatste was in feite een preview van de vijf voorstellingen die van 12 tot 16 mei 1954 werden gespeeld in het ‘Theater op Zolder’ nabij de Stadswaag. Lode Rigouts had de vertaling gemaakt en hij tekende eveneens voor de regie. Ook hier verliep het repetitieproces niet vlekkeloos: een acteur haakte af, zodat Jacques Schelfhout, die geen toneelervaring had, een aantal dagen omzeggens dag en nacht met Rigouts moest werken om de rol van Pozzo over te nemen. De andere personages werden gespeeld door Hugo Creve (Estragon), Bert Ilegems (Vladimir), Walter Tillemans (Lucky als mime-rol) en Blanche Hoostens (herdersknaap). Rigouts sprak de tekst van Lucky in (een uniek exemplaar van deze opname, die tijdens de voorstelling gebruikt werd, bestaat nog in 78-toeren versie). De pers reageerde onwennig; De Nieuwe Gazet vond het ‘een aanvaardbare voorstelling’; de Volksgazet had het over ‘sprankelende dialogen, die echter groot beroep doen op het denkvermogen van het publiek’ en hoopte dat de voorstelling zou gezien worden door ‘alle intelligente Antwerpenaren’ en de katholieke pers zweeg erover in alle talen. ‘De Nevelvlek’ was, na een West-Duits theater, het eerste gezelschap dat dit stuk, dat misschien wel als het belangrijkste van de 20ste eeuw kan beschouwd worden, buiten Frankrijk speelde. Het is moeilijk om vandaag die voorstelling naar waarde te schatten, maar de keuze om ‘Wij wachten op Godot’ te spelen getuigt van de vitaliteit en de rijpheid van die jonge Antwerpse avant-garde. Onlangs ging een nieuwe enscenering van ‘Wachten op Godot’ in première in de Waagnatie te Antwerpen, een productie van het Toneelhuis en Olympique Dramatique. Veelbelovend, maar momenteel nog niet terug te zien.

2 7 COLUMN


Column Fatih

IK BEN GEEN MARXIST, MAAR... Er zullen in dit nummer rond schuld en boete, misdaad en straf, waarschijnlijk een aantal intellectueel hoogstaande, interessante stukken te lezen zijn. Als socioloog zou ik hetzelfde kunnen doen, en een Bourdieu aanhalen met 2 vingers in de neus, om er dan een scheut Foucault tussen te zwieren, gevolgd door een snuifje Freire, en daarna af te werken met een laagje Wacquant. Ik ga echter niet meegaan in dat name-droppen, om te eindigen met een schrijfsel waarin ik vooral grote woorden opsom, maar op geen enkele manier laat zien dat ik voeling heb met de groep waarover ik het heb. Als ik zoiets zou neerpennen heb ik daar zelf ook niks aan, omdat ik dan niet zou creëren vanuit mijn ziel, maar vanuit één of andere verlichtingsdrang - ik beantwoord niet graag grote levensvragen, ik stel ze liever. Ik ben namelijk iemand die ook wel al wat van de minder abstracte kant van het leven ondervonden heeft. Opgegroeid in een sociale woonblok, kind van een hardwerkende, alleenstaande moeder, samen met het leeuwendeel van mijn peer group bengelend aan die zogenaamde onderbuik - een klassiek stadskind uit de arbeidersklasse, quoi. Bovendien ben ik momenteel jeugdwerker, en werk ik vaak op het terrein met jongeren in kwetsbare omstandigheden. Dit alles betekent dat, wanneer ik schrijf over bepaalde onderwerpen, ik niet zomaar abstracte stellingen overneem uit secundaire bronnen, maar het effectief heb over mensenlevens, die concrete herinneringen en emoties in mij oproepen. Dat subjectieve aspect onder woorden brengen, en dit koppelen aan het grotere theoretische kader dat in mijn achterhoofd dwaalt, is waar het voor mij om draait. Als ik een 15-jarige bezoek in de jeugdgevangenis, die destijds op een fantastische manier zijn werkstraf heeft gedaan, en ik te horen krijg dat hij op die plek veel meer leert over het gangsterleven dan in zijn oude buurt, dan stel ik mij daar vragen bij. Als ik een kennis even verslaafd uit den bak zie komen als toen hij er in gevlogen is, eveneens. Als ik zie hoe een deel van onze politie al generaties lang omgaat met bepaalde doelgroepen in sommige wijken, en de gezonde balans tussen repressie en preventie verloren is gegaan aan een paar ‘testosteronfilets’ die bijna elke jongere met een bepaald profiel a priori benaderen als een crimineel, kan ik niet anders dan mij daar vragen bij stellen. Kortom, als ik zie hoe ons juridisch systeem deels ondergeschikt blijft aan een zich reproducerend klas-

sensysteem, moet ik helaas vaststellen dat daar nog te weinig antwoorden op komen. Over die stelling bestaat veel academische literatuur, maar ik zie in de eerste plaats een lange lijst met namen voor mij die deze studies bevestigen, en die niet dezelfde gevolgen zouden hebben als die naam “Pieter-Jan” was, en hun ouders zich een peperdure verdediging hadden kunnen veroorloven. Keer op keer tonen wetenschappers aan dat mensen met een migratie-achtergrond of lagere sociaal-economische status vaak extra benadeeld worden door het gerecht, de politie, het onderwijs, de arbeidsmarkt, de woonmarkt, de media...omwille van de schoot waaruit ze werden geworpen. Mijn jeugdvriend N. kreeg 20 jaar geleden een B-attest, en werd verzocht het ASO te verlaten ondanks zijn hoge capaciteiten. Het maakt mij vandaag de dag nog steeds kwaad, wetende dat hij maar één van de zovelen is wiens toekomst werd gehypothekeerd. Vroeger was het God en diens vertegenwoordigers op aarde die ons geweten stuurden, onze boetedoening reguleerden, en

© Divya Geldof

2 8 COLUMN

de strafmaat bepaalden. Onze dogma’s waren het begin en einde van alles. Vandaag beweren we God te hebben vervangen door rationaliteit en neutraliteit, objectieve regelgeving en systemen. Toch moeten we er onszelf voor behoeden om niet even dogmatisch te worden, aangezien een deel van onze bevolking bepaalde kwalen binnen onze instituties blijft ontkennen of legitimeren, ondanks de talloze bewijzen ervoor. Het zijn wij, simpele mensen, die ooit die instituties in het leven hebben geroepen, en ze doorheen de eeuwen verder vorm hebben gegeven, door ze nooit als vanzelfsprekend of volmaakt te beschouwen, en ze in veranderende tijden in vraag te blijven stellen. Laat ons daar vooral niet mee ophouden. Fatih Fatih Devos is Gentenaar, rapper, jeugdwerker, socioloog.


we will meet again! Š JOHAN JACOBS

Exclusief voor onze leden!25% korting op de aankoop van een ticket voor onderstaande evenement op vertoon van uw lidkaart en 01- annonce - fond vermeylen - A5 -15-11-2020- we will meet again.indd 1 13/11/2020 09:38:40 unieke code. Vraag uw unieke kortingscode aan via caroline@vermeylenfonds.be.

Korting voor leden Vermeylenfonds 20% korting op een selectie van concerten uit het programma van De Bijloke. Info & tickets via vermeylenfonds.be

29


Cees Nooteboom Tot voor enkele maanden had ik nog nooit een gedicht van Cees Nooteboom gelezen. Hoe dat komt weet ik niet; wist ik eigenlijk wel dat hij gedichten schreef? Van al zijn literaire tijdgenoten, de ‘vijftigers’ heb ik er wel gelezen. Toch heb ik veel van zijn romans en reisverslagen gelezen. Vreemd dat ik nu verneem dat poëzie voor hem op de eerste plaats komt; de indrukwekkende bibliografie van zijn 65-jarige schrijversloopbaan telt minstens een dozijn bundels. In ‘De schrijver als hoofdpersoon’ (2015) legt hij uit waarom poëzie (niet alleen de zijne) zo belangrijk voor hem is: ‘Er zijn ogenblikken dat zij wil ondergaan in haar duisternis, dan weer moet zij schrijven met de scherpte van een etsnaald. Hij vraagt van de poëzie dat ze er is -duister, helder, rationeel, metafysisch, dansend, contemplatief, dat zij spreekt over de wereld waarin hij leeft, de werkelijke, de verzonnen, de vergankelijke, gevaarlijke, mogelijke, onmogelijke, bestaande wereld.’ Dit jaar verscheen ‘Afscheid, gedicht uit de tijd van het virus’: 33 vormelijk sterk gestructureerde gedichten in drie delen van telkens 11 gedichten van 13 verzen en dat in een verzenpatroon 4,4,4,1. Geometrie van het dichten? Nooteboom beschouwt het geheel als één gedicht en hij heeft er een nawoord aan toegevoegd. Een 87 jarige dichter die de titel ‘Afscheid’ meegeeft aan een bundel, wekt het vermoeden dat het zijn laatste zal zijn, maar is dat zo? De dichter ontkent; het is geen afscheid van het leven of van zijn lezers; het gaat over een ander soort afscheid: ‘Anderen liepen/ met mij mee, vrienden, broers, geliefden/ en steeds namen zij afscheid, sloegen linksaf/ of rechtsaf, verdwenen als schimmen (…) Ik zag ze gaan, de mensen/ van mijn leven, ze liepen langzaam uit mijn/ en hun eigen bestaan. Ik bedacht ze zo lang/ ik ze nog zag, hoorde van ver nog hun stemmen,/ geluiden van lucht.’ In het eerste gedicht van deze bundel vraagt een man in een wintertuin zich af ‘het einde van het einde, wat kan dat zijn?’ Nooteboom komt daarop terug in zijn nawoord : ‘Hoe gaat dat met een dichtbundel? Je bent in een tuin begonnen, wat er beschreven wordt zijn mediterrane planten, maar wat er te voorschijn komt zijn gedachten over de oorlog, beelden uit een ver verleden dat nooit is verdwenen.’ Daarna neemt het gedicht een andere wending en gaat het over ‘het geheimzinnige virus dat ineens de wereld beheerst’, waardoor de brede straten in de stad ineens leeg zijn.

Hij wordt afgekeurd voor de militaire dienstplicht en vanaf 1953 zwerft hij door Europa. Zijn debuutroman ‘Philip en de anderen’ verschijnt in 1955 en hij ontvangt er meteen de zopas in het leven geroepen Anne Frankprijs voor. Het jaar nadien volgt zijn eerste bundel gedichten, ‘De doden zoeken een huis’. Vanaf dan volgen de publicaties mekaar snel op; zelden gaat er een jaar voorbij waarin er geen boek van hem verschijnt. In 1961 wordt hij redacteur van ‘De Volkskrant’ en vanaf 1967 werkt hij mee aan het modieuze maandblad ‘Avenue’ waarvoor hij talloze reisverhalen schrijft. Voor een verder overzicht van zijn werk beperk ik me tot enkele hoogtepunten. De roman ‘Rituelen’ (1980) wordt verfilmd en bekroond met de Ferdinand Bordewijk Prijs. In 2008 verschijnt ‘Licht overal’, gedichten geïllustreerd met etsen van Hugo Claus. De verhalen, ‘’s Nachts komen de vossen’ (2009) leveren hem een ‘Gouden Uil’ op. Nooteboom is één van de meeste bekroonde Nederlandse auteurs; zo ontving hij o.m., naast de reeds genoemde, de Constantijn Huygensprijs (1992), de Goethe-prijs (2002), de Oostenrijkse Staatsprijs (2002), de P.C.Hooftprijs (2004) en de Prijs der Nederlandse Letteren (2009). Dit jaar werd hij nog gehonoreerd met de Österreichisches Ehrenkreuz für Wissenschaft und Kunst 1ste klasse; in het Duitse taalgebied is zijn werk vrij bekend. Hij is één van de meest vertaalde auteurs van het Nederlandse taalgebied, maar hij heeft zelf ook werk van Sean O’Casey, Brendan Behan, Michael krüger, Vladimir Nabokov, Pablo Neruda en Nicolas Guillén vertaald uit het Duits, het Spaans, of het Engels. ‘...Zoveel wegen heb ik gelopen, altijd op zoek naar iets dat verder moest liggen, dat als ik het eindelijk zag verdween als een drogbeeld of verscheen als gedicht.’ Het gedicht hiernaast is nr 8 van de eerste reeks van ‘Afscheid’. KEUZE GEDICHT EN TEKST: PETER BENOY

Cees Nooteboom werd geboren in Den Haag op 31 juli 1933. Zijn vader kwam in 1945 om in een bombardement: ‘Zijn vader/ een man in een smoking op het hek van de / boulevard, zijn moeder naast deze toekomstige / dode, al gehuld in de tijd die ging komen.’ Zijn stiefvader stuurt hem naar de kostschool van een Franciscaner klooster, maar het zal niet bij die ene blijven; want door zijn ‘ongehoorzaamheid’ wordt hij er weggestuurd.

30 IM


En weer verschijnen de blijvende beelden, goedgeklede mensen die op reis gaan op zoek naar een coupĂŠ die er niet is, de volgende halte armageddon, een werelddeel zonder tijd. Daarnaast uniformen met andere sterren, glanzende laarzen op het ijs van de dood. Er is niets geheimzinnigs aan dit alles. Iedereen uitstappen! Ook het meisje tussen de deuren, laatste blik op de wereld perron met man in het grijs, een boom in de verte ziet alles.

Cees Nooteboom


Wij zijn er voor jou! Bij deMens.nu staat de mens centraal. Mensen hebben mensen nodig. En mensen willen verbonden zijn met elkaar. Daarom vind je overal in Vlaanderen en Brussel een huisvandeMens in je buurt. In een huisvandeMens kan je terecht voor: Informatie Bij ons vind je informatie over levensbeschouwelijke onderwerpen, over het vrijzinnig humanisme en zijn waarden, en over ethische en maatschappelijke thema’s zoals euthanasie, abortus, mensenrechten … Vrijzinnig humanistische plechtigheden Wil je graag stilstaan bij een belangrijke gebeurtenis in je leven? Wij helpen je bij de organisatie van een vrijzinnig humanistische plechtigheid bij een geboorte of adoptie, een huwelijk of relatieviering, een overlijden of afscheid … Gesprekken Bij ons kan je terecht voor gesprekken omtrent levensvragen en zelfbeschikking, levensbeschouwing en zingeving. Waardig levenseinde Wij bieden informatie over euthanasie, patiëntenrechten, palliatieve zorg … en helpen je met het opstellen van een wilsverklaring. Gemeenschapsvorming Een huisvandeMens werkt als vrijzinnig humanistische draaischijf en geeft ondersteuning aan onze lidverenigingen. In een huisvandeMens vind je informatie over initiatieven en activiteiten van de lokale vrijzinnig humanistische verenigingen en ontmoetingscentra. Vrijwilligerswerk Heb je zin om het vrijzinnig humanistische netwerk te versterken? Vrijwilligers zijn bij ons meer dan welkom. Wij zorgen voor begeleiding en geven je alle kansen. Zo kan je onder meer plechtigheden verzorgen of meewerken aan gemeenschapsvormende activiteiten. De huizenvandeMens zijn een initiatief van deMens.nu

Unie Vrijzinnige Verenigingen vzw

deMens.nu vertegenwoordigt Nederlandstalige vrijzinnig humanistische verenigingen in Vlaanderen en Brussel

deMens.nu Magazine Zoomt in op mensen en maatschappelijke tendensen vanuit een vrijzinnig humanistisch perspectief. Verschijnt viermaal per jaar. Gratis proefnummer of gratis abonnement? Mail naar info@deMens.nu Of schrijf naar deMens.nu-UVV vzw Brand Whitlocklaan 87 bus 9 1200 Sint-Lambrechts-Woluwe Of telefoneer naar 02 735 81 92

32

Profile for August Vermeylenfonds

DNG 2020#4  

Advertisement