Skip to main content

1969 03 04

Page 1

tilburgs hogeschoolblad

jaargang 6 - 4 maart 1969 - verschijnt tweewekelijks

Organisatie en structuur jMINISTERIËLE RICHTLIJNEN BIJ DE DISCUSSIES OVER ORGANISATIE EN STRUCTUUR V A N DE UNIVERSITEITEN Momenteel zijn in alle universiteiten en hogescholen de discussies met betrekking tot functie, taak en structuur van de universiteit op gang gekomen Mede in verband hiermee heeft de minister van Onderwijs en Wetenschappen een lijst van discussiepunten opgesteld en deze in het begin van dit jaar aan alle instellingen van hoger ondenwijs toegezonden Wij menen er goed aan te doen deze punten in extenso ter kennis van onze lezers te brengen I Functie en taak van de universiteit 1 Aan de orde moeten v\^orden gesteld of de m artikel 1 van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs neergelegde doelstelling van het wetenschappelijk onderwijs en de daaruit voortvloeiende m artikel 2 van die wet omschreven functie en taak van de universiteiten en hogescholen nog voldoen aan de eisen die thans - en m de toekomst - door wetenschap en samenleving worden gesteld Toelichting Organisatie en bestuur van een universiteit zijn te beschouw/en als middelen ter verwezenlijking van de meervoudige doelstelling en het op juiste wijze functioneren van de universiteit Uitgangspunt voor elke ingrijpende wijziging in organisatie en bestuur is dus of de doelstelling daardoor beter tot haar recht kan komen De gedachte, dat wijziging in de bestuursvorm nauw samenhangt met herstructuering van het onderwijs is dan ook m beginsel juist In de praktijk is het echter met .mogelijk noch wenselijk alle grote problemen tegehjkertijd tot een oplossing te brengen Met het oog op het vraagstuk van organisatie en bestuur lijkt het in dit stadium voldoende de vraag aan de orde te stellen of de wettelijk geformuleerde doelstelling voldoende ruimte biedt voor eventuele nieuwe taken van de universiteit Hierbij ware bjvoorbeeld te denken aan het geven van post-academisch onderwijs en het dragen van een zekere medeverantwoordelijkheid van de universiteit voor het hoger beroepsonderwijs

3 Een andere belangrijke factor, die mede bepalend is voor organisatie en bestuur en die eveneens aan de orde zou moeten worden gesteld is de aard van de universiteit als instelling Toelichting Het adagium dat de universiteit een instelling sui generis is, is met voldoende Er is geen twijfel aan dat organisatie en bestuursvorm verschillend zullen zijn naar gelang men de universiteit in de eerste plaats beschouwt als een professionele organisatie of als een volgens democratische beginselen opgebouwde gemeenschap van wetenschappelijk corps, studenten en technische en administratieve staf Kenmerkend voor een professionele organisatie is, dat daarin leden van een professie de centrale rol spelen bij het bereiken van de primaire organisatiedoeleinden In de autonome professionele organisatie hebben de leden van de betreffende professie een aanzienlijke zeggenschap bij het vaststellen van de doeleinden en de prestatienormen en b j de handhaving van deze normen Er is in de autonome professionele organisatie een meer of minder duidelijke grens tussen de taken, waarvoor de professionele groep verantwoordelijkheid draagt en het terrein waarop ,de administratie' werkzaam is ^) II Structuur van de universiteit A VERHOUDING VAN DE SAMENSTELLENDE DELEN VAN HET UNIVERSITAIRE ORGANISME ONDERLING EN HUN PLAATSEN IN DE ORGANISATIE 1 In de eerste plaats zou aan de orde moeten worden gesteld, welke delen van het universitaire organisme - anders gezegd welke universitaire groeperingen - m beginsel in aanmerking komen om op enigerlei wijze deel te hebben aan het besturen ^) van de universiteit Toelichting Het vraagstuk van de .inspraak' van universitaire groeperingen in universitaire organen wordt verschillend benaderd naar gelang het accent pnmair wordt gelegd op de professionele organisatie of op

2 BIJ het voorgaande ware bijzondere aandacht te schenken aan de interpretatie van artikel 2, tweede lid, m fine Toelichting Artikel 2, tweede lid, van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs heeft in de laatste tijd een sterk accent gekregen Van studentenzijde wordt dikwijls met klem betoogd dat de universiteit te kort zou schieten in haar taak om aandacht te schenken aan de bevordering van maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef Met name de aanhangers van de ,kritische universiteit beroepen zich op deze bepaling voor hun stelling, dat de universiteit verantwoordelijk is voor de samenleving en zo nodig er naar zou moeten streven om de bestaande orde radicaal te veranderen Uit de historie van deze, bij amendement van dr lans in de wet opgenomen, bepaling blijkt, dat ondanks uitvoerige discussies in het parlement met geheel duidelijk is geworden wat precies onder bevordering van maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef moet worden verstaan (Behandeling ontwerp - 2597 zitting 1960-1961 groene kamertstukken biz 2054 en 2131 e v) Wel wordt duidelijk, dat bij de totstandkoming van de wet het begrip maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef steeds m verband is gebracht met de (geesteijke en zedelijke) vorming van de individuele student ANP foto

i

1

THB 10

4 maart 1969


Organisatie en structuur (vervolg)

een democratisch opgebouwde bestuurlijke organisatie Dit geldt zowel voor de vraag, welke groeperingen bij het bestuur zouden moeten worden betrokken, als voor de wijze waarop dit zou moeten geschieden Dit verschil in benadering zou zijn neerslag kunnen hebben in concrete voorstellen Een scherpe scheiding tussen deze twee wijzen van benadering is echter met te maken Bij de beschouwingen over de vraag, welke groeperingen in aanmerking komen om bij het bestuur te worden betrokken, verdienen er twee bijzondere aandacht, namelijk de administratieve en de technische staf en de afgestudeerden Beide groeperingen kunnen worden geacht te behoren tot de academische gemeenschap 2), maar het is duidelijk dat zij niet alleen onderling sterk verschillen, maar ook dat zij een andere plaats in de gemeenschap innemen dan de leden van het wetenschappelijk corps en de studenten, die rechtstreeks deel hebben aan de typische universitaire processen van onderwijs en onderzoek Een minder principieel, maar voor de praktijk met onbelangrijk punt is, dat althans tot op heden de administratieve en technische staf en ook de oud-alumni met overal georganiseerd zijn 2 Een tweede concreet punt, w/aaraan aandacht zou moeten worden besteed, is de vraag op welke bestuurlijke niveaus elk van deze groeperingen bij het bestuur zou moeten worden betrokken en op welke wijze dit zou moeten geschieden. Toelichting Het resultaat van de beschouwingen zal in sterke mate afhangen van het uitgangspunt, d w z van de opvatting over de aard van de universiteit In dit verband moge worden gewezen op een tweetal sterk uiteenlopende systemen, die in dit stadium vooral de aandacht verdienen Het ene, passende bij een direct democratische opbouw, vindt men o m belichaamd in de Discussie-nota van de Werkgroep Bestuursstructuur van de Katholieke Universiteit, waarin een ,raden-universiteit' wordt voorgesteld '') en tot op zekere hoogte ook in de Franse ,Loi d Orientation de i'Enseignement Superieur' van 12 november 1968 (Wet-Faure) Het tweede systeem gaat uit van het beginsel van kwalitatieve vertegenwoordiging Dit houdt m dat de participatie van elke groepering afhankelijk is van naar functie in het universitaire bestel en de mogelijkheid om vanuit die functie een constructieve bijdrage te kunnen leveren Dit beginsel vormt de grondslag van het JointStatement van het Committee of Vice-Chancelors and Principals of the Universities of the UK and the National Union of Students of England, Wales and Northern Ireland Ook de Westdeutsche Rektoren-konferenz heeft zich uitgesproken voor een ,qualitative Reprasentation und funktionsgerechte Kompetenzverteilung en een analoge uitspraak IS gedaan door de Commissie voor wetenschaponderwijs en onderzoek van de Raad van Europa Bij aanvaarding van dit beginsel zou in concreto moeten worden nagegaan op welke bestuursniveaus en over welke onderwerpen aanleiding is voor ,meespreken' (beleidsvoorbereiding) en op welke voor ,medebeslissen' (beleidsvorming).

Mededelingenblad Tilburgse Hogeschool Redactie-adres Hogeschoollaan 225, Kamer 113, Telefoon 70960, toestel 458 Adviseur V G M Feldbrugge

Redactie Prof J van Dijck Drs O Kuschpeta C Goossens R P J de Koning Mej A M Engbers J B. A C M Km

Zakelijk leider C F Brinkhuizen

Fotograaf Th H G Dusseldorp

De sluitingsdatum voor het inleveren van copy voor het komende nummer is 10 maart

B ORGANISATIE EN BESTUUR 1 Het eerste punt dat op dit gebied aan de orde zou moeten worden gesteld is het doen van een keuze tussen twee mogelijkheden, namelijk handhaven van het bestaande stelsel, waarbij m de Wet op het wetenschappelijk onderwijs voor de (rijks-)instellingen van wetenschappelijk onderwijs gelijkelijk geldende regelingen op het gebied van organisatie en bestuur zijn opgenomen of het m de wet openen van de mogelijkheid van een differentiatie m organisatie en bestuur, waardoor m veel sterkere mate dan thans rekening kan worden gehouden met de eigen situatie en de omvang van de instellingen Toelichting De Wet op het wetenschappelijk onderwijs heeft aan de rijksuniversiteiten en de rijkstechnische hogescholen een - beperkte autonomie ten opzichte van de overheid toegekend Tot deze autonomie behoort dat de instelling - uiteraard met inachtneming van de wettelijke bepalingen - haar eigen bestuursreglement vaststelt (artikel 39 Wet w o ) Hierdoor heeft elke instelling tot op zekere hoogte de mogelijkheid regelingen te treffen, die by de eigen aard en omvang passend worden geacht De regeling van de bestuursstructuur aan de top heeft de wetgever echter aan zich gehouden Een in 1963 door de Commissie van Advies inzake de wettelijke regeling van het wetenschappelijk landbouwonderwijs (Commissie-Polak) gedane aanbeveling om aan elke instelling, mits aan bepaalde voorwaarden zou worden voldaan, de keuze te laten haar eigen bestuursvorm te kiezen, werd door de toenmalige minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen met overgenomen Men kan de vraag stellen of het nimmer gedefinieerde begrip ,autonomie thans ruimer geĂŻnterpreteerd zou moeten worden, in die zin dat deze ook de keuzemogelijkheid van eigen bestuursvorm zou omvatten Nu het dualisme aan de top (curatoren en senaat oefenen het bestuur uit), dat de grondslag vormt van de in de Wet op het wetenschappelijk onderwijs neergelegde bestuursstructuur, bij de discussie inzake organisatie en bestuur een van de meest omstreden punten is, lijkt het m elk geval zinvol de wettelijke regeling op dit punt opnieuw in de beschouwingen te betrekken 2 Het volgende punt dat m de beschouwingen zou moeten worden betrokken, betreft de organisatorische opbouw van de universiteit, gezien tegen de achtergrond van doelstelling en taken Hierbij zouden m elk geval de volgende vragen aan de orde moeten komen: a voldoet het bestaande faculteitensysteem nog aan de eisen, die door de huidige ontwikkeling van de wetenschap daaraan worden g e s t e W b moet de huidige positie van de senaat (m pleno) m een eventuele nieuwe bestuursstructuur worden gehandhaafd en welke positie zou moeten worden toegekend aan het college van rector en assessoren? c moet het college van overleg, bedoeld m artikel 40 van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs in deze vorm blijven bestaan? d moet de functie van rector-magnificus worden gehandhaafd, en zo ja, wat moet die functie inhouden? e moet de huidige benoemingsprocedure van de rector worden gehandhaafd of zou deze vervangen moeten worden door een regeling, waarbij de rector wordt gekozen? Ook doet zich de vraag voor of de m de Wet op het wetenschappelijk onderwijs neergelegde bepaling, dat de voorzitter van de faculteit door de leden uit hun midden wordt gekozen, gehandhaafd moet worden of dat deze bepaling zou moeten worden vervangen, bijvoorbeeld door een regeling waarbij 2


Acadabria

oeten ee stelsel, 3or d e jkelijk bestuur kheid o r in ouden

;te !ze ing van stelt ire aard en. structuur n 1963 'an ledane arden m te sten en of het Dreteerd leid 3 top dslag ergelegde lur een de e 3ten v a n de ng en a a n de e eisen, ) daaraan sen h a a f d en t college an de 1 blijven idhaafd, r worden door 3k d o e t lappelijk an d e n, moeten \/aarbij

de v o o r z i t t e r d o o r h e t u n i v e r s i t e i t s b e s t u u r ( o p v o o r d r a c h t o f a a n b e v e l i n g v a n d e f a c u l t e i t ) w o r d t b e n o e n n d ^). Toelichting Ad a In de Memorie van Toelichting op het wetsontwerp 2597 (Kamerstukken 1959-1960, biz. 16) w o r d t gesteld, dat ,,ondanks de uitbreiding van de wetenschap het faculteitensysteem nog steeds beantwoordt aan zijn doel de wetenschappen in grote families te groeperen". Maar even verder verklaart de toenmalige minister van O., K. en W. dat ,,naar zijn mening de faculteit geen doel is, maar hulpmiddel voor het functioneren van de universiteit en dat derhalve aan de faculteitenindeling geen te grote waarde mag w o r d e n gehecht. Men kan deze voorschriften wellicht het beste beschouwen als een vorm van verkeersregels, waarvan de vaststelling nuttig en onvermijdelijk i s " . Vanuit dit gezichtspunt bezien zou de vraag aan de orde moeten l<omen of de bestaande wetenschapsindeling in faculteiten, interfaculteiten en subfaculteiten ook nu nog voor het steeds toenemend ,wetenschappelijk verkeer' voldoende ruimte biedt. Daarbij ware in het bijzonder te denken aan de steeds meer naar voren komende noodzaak van interdisciplinaire samenwerking. V o o r alternatieve mogelykheden (vakgroepen, secties, projectgroepen) moge worden verwezen naar hetgeen daaromtrent in de zogenaamde Nota-Lochem van de Academische Raad is gesteld. Het lijkt niet uitgesloten dat dit complex van vraagstukken per discipline verschillend zal moeten worden benaderd ' ) . Ad b Algemeen w o r d t erkend, dat naarmate de senaat in omvang is toegenomen zijn geschiktheid om als bestuursorgaan op te treden is afgenomen. Aan de orde zou daarom moeten worden gesteld of de huidige positie van de senaat niettemin gehandhaafd zou moeten blijven, dan wel of het zin heeft de taken van de senaat te beperken tot het verlenen van doctoraten e n / o f ere-doctoraten en het vervullen van representatieve functies. Ook zou in de beschouwingen kunnen worden betrokken of de senaat niet een soort forum zou kunnen vormen, waarin belangrijke universitaire vraagstukken ter discussie worden gesteld. In dit verband zou nog aan de orde kunnen komen de vraag of de samenstelling van de senaat gehandhaafd moet w o r d e n of dat men de senaat zou willen maken tot een vertegenwoordigend lichaam van het gehele wetenschappelijk corps (zie W e r k g r o e p Bestuursstructuur Katholieke Universiteit Nijmegen). In nauw verband met de positie van de senaat in pleno staat die van het college van rector en assessoren (of een analoog college onder andere benaming). Aan de orde zou kunnen worden gesteld of er aanleiding is aan dit college in de bestuursstructuur een veel belangrijker taak te geven, bijvoorbeeld die van coördinerend orgaan voor onderzoek en onderwijsproblematiek en eventueel het, op basis van door de lagere organisatorische eenheden opgestelde ontwikkelingsplannen, adviseren over prioriteiten.

I

if-k De studentenverkiezingen z j n weer achter de rug en als we de uitslagen landelijk bekijken, blijkt Tilburg een buitenbeentje geweest te z j n . -jllr De SVB-politiek heeft het afgelopen jaar in ieder geval op zijn minst één van haar doelstellingen bereikt: een groter (studenten)maatschappelijk bewustzijn en een dito maatschappijkritischer inzicht van de inerte massa van studenten. De helft van de Tilburgse studentengemeenschap toog ter stembus. -A: Rest nu de vraag: gaan alle drie de partijen in de oppositie of mogen we monsterverbonden tegemoet zien? if De zo langzamerhand reeds overbekend geworden zesduizend gulden-regeling van de Commissie-Andriessen was voor een deputatie van de S V B aanleiding om maar meteen ontbinding te eisen van deze commissie. Volgens deze afvaardiging zou een dergelijke commissie niet te rijmen zijn met de democratische principes, om reden dat, wanneer de mening van laatstgenoemde niet conform de ideeën van de regering is, de rapporten zonder meer in de ijskast zouden worden gestopt, -k Daarop zouden dan dadelijk nieuwe commissies in het leven worden geroepen, die meegaander van aard behoorden te zijn, aldus de SVB-afvaardiging. ir De Universiteit van Amsterdam heeft het archief van Provo tot haar genomen. Het materiaal zal w o r d e n gebruikt door het seminarium voor massa-psychologie. iir Provo stelde de conditie, dat gedurende de eerste kwarteeuw uit de correspondentie niet zou w o r d e n gepubliceerd. Hiermee wil hij voorkomen, dat wanneer bijvoorbeeld een oud-provo minister zou worden, hij gechanteerd kan w o r d e n . - ^ Na het conflict Hooykaas is er nu een kwestie met een andere hoogleraar. Aan de Universiteit van Amsterdam heeft prof. A. J. N. den Hollander toegezegd tot de zomervacantie geen colleges meer te zullen geven in verband met .ergerlijke ordeverstoring door onhebbelijke studenten'. •k Door zijn weigering gehoor te geven aan de eis van zijn toehoorders in de collegezaal, een syllabus uit te geven als basis voor de te houden colleges, ontstonden moeilijkheden. Hij vergeleek een dergelijk doceer-systeem met een soort Leidse Onderwijsinstellingen. * In de Leidse studentenwereld hebben ze trouwens een eigen probleem. Er heerst onenigheid tussen het Curatorium en de Leidse Studenten Raad. De LSRverwiJt de curatoren, dat zij, ogenschijnlijk objectief, adviezen en plannen van de Academische Raad, Commissie-Cohen en Posthumus, wel integraal publiceren, maar plannen van studenten over deze zaken als ,opiniërend' afwijst, ir Het in Nederland verkerende Surinaamse intellect zal w o r d e n geïnventariseerd. In 's Koninkrijks ontwikkelingsgebied bestaat in de sector van de intellectuele beroepen een reuze tekort. Zou Premier Pengel daarom zoveel functies bekleed hebben? ie In een ander deel van het Koninkrijk, Curagao, kampt men eveneens met een tekort, zij het in dit geval aan leerkrachten. De zuigkracht van het ontluikende bedrijfsleven aldaar is samen met de koloniale erfenis, in casu het ontbreken van een eigen onderwijskader, hier de oorzaak van. i( De Federatie van Leerkrachten op Curagao wenst geen onderwijsherstructurering op het eiland, dat niet meer vergeleken mag worden met een tropisch Urk. Nederland dient i.s.m. de Antilliaanse regering daartoe een plan op te stellen. -Ar De Commissie-Verdam heeft weer voor nieuws gezorgd. Zij bepleit de noodzakelijkheid van een wet, die de minister van Onderwijs zal machtigen jaarlijks een teveel aan medische studenten af te wijzen. ir Om de minister dit onaangename en uiteraard veel reactieuitlokkende werk te besparen doet zij een gesuperbeerde oplossing aan de hand. Z j wil de numerus-clausus ondervangen door opheffing van de .medische militaire regeling', die medische studenten uitstel verleent van militaire dienst, ir Een selectie van studenten op basis van de eindexamenresultaten wijst de commissie af. V o o r 1970 moet er een landelijk beoordelingssysteem komen bij de candidaatsexamens eerste gedeelte. Het wachten is nu weer op de minister, -k Kan men de maatschappij dan niet via het wetenschappelijk onderwijs dienen, dan maar via het leger, ir In Tilburg werd de kamer van de gedelegeerd curator drs. Loevendie bezet. Van te voren w e r d in de discussie-gang van de hogeschool tijdens een sit-in een actie-comité gevormd. * In Göteborg hebben studenten enige tijd geleden de plaatselijke bierbrouwerij bezet en spandoeken opgehangen met eisen als een tweeduims bierleiding naar de sociëteit, ir Adjö sa lange, -k-k

THB 10

4 maart 1969


Organisatie en structuur (vervolg)

Ad c In het rapport van de Commissie tot voorbereiding van de herziening van wetsontwerp 2597 (rapport van de tweede Commissievan der Pot) werd voorgesteld dat de behartiging van de dagelijkse zaken zou worden opgedragen aan een college, waarvan een door curatoren uit hun midden aan te wijzen curator en de rector-magnificus leden zijn De Wet op het wetenschappelijk onderwijs heeft dit college gemaakt tot een college van overleg waai^an een curator en de rector-magnificus deel uitmaken De vraag zou aan de orde kunnen worden gesteld of het m de huidige situatie aanbeveling verdient dit college te maken tot orgaan met beslissingsbevoegdheid voor de dagelijkse zaken Daardoor zou de .tweesporigheid', die kenmerkend IS voor de universitaire structuur, reeds onder de top' worden geïntegreerd Ad d Van de in de Wet op het wetenschappelijk onderwijs geboden mogelijkheid van een meerjarig rectoraat (artikel 49, tweede lid) heeft slechts een deel van de universiteiten en hogescholen gebruik gemaakt Het gevolg is dat de functie van rector-magnificus aan de ene instelling aanzienlijk verschilt van die aan de andere instelling Ook in het buitenland dekt de term rector, die aan vrijwel alle instellingen van het Europese continent wordt gebruikt') sterk verschillende begrippen In West-Duitsland is weliswaar de mogelijkheid geopperd om de leiding van de universiteit op te dragen aan een Hochschulprasident, die geen hoogleraar behoeft te zijn (Prasidialverfassung), maar de kans dat de Hochschulprasident de rector zal verdringen schijnt gering Hierbij moge worden opgemerkt dat in de voorstellen van de Werkgroep Bestuursstructuur van de Katholieke Universiteit het rectoraat met meer voorkomt In de nieuwe Franse hogeronderwijswet is de .recteur d'academie' gehandhaafd Voor wat betreft de onder zijn academie ressorterende universiteiten is hij de vertegenwoordiger van de minister van Nationale Opvoeding Als zodanig woont hij de vergaderingen van de universitaire organen bij en heeft daar een opschortend veto-recht Hij vertegenwoordigt bovendien de minister bij de ,Conseil regional' en is voorzitter van deze Raad De vraag of in Nederland het rectoraat - hoe die functie dan ook moge zijn - moet worden gehandhaafd zou niettemin onder ogen kunnen worden gezien Nu de noodzaak van continuïteit in het beleid steeds meer naar voren komt, dient voorts de vraag aan de orde te komen, op welke wijze men die continuïteit wil bereiken, bijvoorbeeld door een meerjarig rectoraat of door een jaarlijks wisselend rectoraat met daarnaast een tweede persoon die gedurende een aantal jaren ten nauwste bij het beleid is betrokken of op nog andere wijze Ad e De Wet op het wetenschappelijk onderwijs bepaalt dat de rector-magnificus wordt benoemd door de Kroon uit een door de senaat opgemaakte aanbeveling van twee personen Indien het rectoraat blijft bestaan, zal aan de orde moeten worden gesteld of deze benoemingsprocedure gehandhaafd moet blijven dan wel moet worden vervangen door een verkiezing, zoals zou kunnen passen in een directe democratische bestuursopbouw In dat laatste geval zou ook moeten worden overwogen wie als kiesgerechtigden in aanmerking komen Ook bij de voorzitters van faculteiten enz en/of de eerdergenoemde nieuwe organisatorische eenheden zal de vraag van verkiezing of benoeming van de voorzitters aan de orde moeten komen In artikel 55 van de huidige wet wordt bepaald dat voorzitters van faculteiten enz door de leden uit hun midden worden gekozen Een uitzondering op deze algemene regel vormt de TH-Twente In het bestuursreglement van deze hogeschool wordt bepaald, dat de voorzitters worden benoemd door de gemeenschappelijke vergadering van curatoren en assessoren Wil men aan het stelsel van verkiezing van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs vasthouden dan zal aan de orde moeten komen of bijvoorbeeld leden van de staf en studenten aan deze verkiezingen moeten kunnen deelnemen en zo ja, op welke wijze dat zou moeten geschieden

C VORM EN FUNCTIE VAN HET BESTUURSORGAAN (TOPBESTUUR) Het volgende punt dat bezien dient te w/orden betreft het bestuur aan de top In de eerste plaats zou aan de orde nnoetep komen of 1 de bestaande dualistische bestuursvornn van de huidige wet moet v^'orden gehandhaafd, dan wel of 2 deze zou moeten w o r d e n vervangen door een bestuursvorm waarbij de beleidslijnen van onderwijs en onderzoek enerzijds en die van financieel-economisch beleid anderzijds aan de top samenkomen en in een bestuursorgaan. BIJ de discussie over dit vraagstuk zou met de volgende aspecten rekening moeten worden gehouden a het zoveel mogelijk handhaven van de autonomie van die organisatorische eenheden, die primair verantwoordelijk zijn voor onderwijs en wetenschapsbeoefening, b het op verantwoorde wijze geven van .inspraak' aan de onderscheidene universitaire groeperingen, c het voeren van een zo efficient en doelmatig mogelijk beleid Toelichting De resultaten van het beraad over de meest gewenste vorm van het bestuur aan de top zullen in belangrijke mate worden bepaald door de waarde, die men aan elk van de bovengenoemde aspecten toekent m a w welke van deze tot op zekere hoogte tegenstrijdige desiderata men het zwaarst wil laten wegen Ook de taak die een dergelijk bestuur moet vervullen zal daarbij een belangrjke rol spelen Overwogen zou moeten worden met welke taken een topbestuur belast zou kunnen zijn, bijvoorbeeld a het beheer in zijn volle omvang, b de organisatie en de coördinatie van de wetenschapsbeoefening van de instelling in haar geheel, dit laatste mede in relatie tot de andere universiteiten en hogescholen, c het bepalen van de omvang van het onderwijs en de wetenschapsbeoefening (zo nodig vaststellen van pnoriteiten), d de bekrachtiging van de regelingen ex artikel 59, derde lid, die primair door de faculteiten (secties) etc zijn vastgesteld, e het voeren van een personeelsbeleid, f (eventueel) de benoeming van de voorzitters van de faculteiten (secties) etc Ad 1 Handhaving van de bestaande wettelijke regeling, krachtens welke het bestuur wordt uitgeoefend door curatoren en senaat (artikel 38) Toelichting Aangezien het bestaande systeem met de daaraan verbonden voor- en nadelen voldoende bekend mag worden geacht, lijkt het overbodig hier nader op in te gaan Wel zou, indien de keuze valt op handhaving van de dualistische bestuursvorm, de vraag aan de orde dienen te komen langs welke wegen en door welke middelen de unaniem noodzakelijk geachte betere communicatie en tot op zekere hoogte grotere integratie zou kunnen worden verbeterd Daarbij zou op ,topniveau' onder meer kunnen worden gedacht aan het gebruik maken van de m artikel 39, tweede lid, van de Wet neergelegde mogelijkheid om bij het bestuursreglement de behartiging van belangen der universiteit op te dragen aan de gemeenschappelijke vergadering van curatoren en het college van rector en assessoren Ook zou, zoals reeds hierboven is gesteld, kunnen worden overwogen of het al dan met gewenst is het college van overleg, bedoeld in artikel 40 van de wet, te maken tot een college van dagelijks bestuur 4


lAd 2 Vervanging van de bestaande regeling voor het scheppen van leen eenheid van bestuur aan de top Geeft men de voorkeur aan één topbestuur dan zal uit een aantal mogelijkheden moeten worden gekozen. Dat geldt zowel voor de wijze waarop het bestuur tot stand komt (benoemd of gekozen) als voor de samenstelling daarvan. In de scala van mogelijkheden zouden in elk geval (opnieuw) in beschouwing moeten worden genomen, welke aanbevelingen uit de in de laatste tijd ter discussie gestelde rapporten, die betrekking hebben op een nieuwe bestuursstructuur, een verbetering zouden zijn van de bestaande situatie. Daarbij ware zowel aandacht te schenken aan de meer extreme rapporten: a het rapport zelfstandige taakvervulling van een universiteit en hogeschool (rapport-Maris); b de discussienota opgesteld door de W e r k g r o e p Bestuursstructuur Katholieke Universiteit Nijmegen; als aan c andere aanbevelingen voor een bestuursvorm, waarbij de twee beleidslijnen aan de top samenkomen, zoals bijv. in de door de Dagelijkse Raad opgestelde nota (de zogenaamde nota-Lochem) worden behandeld. Deze opsomming laat de mogelijkheid van het naar voren brengen van nog andere bestuursvormen geheel open. Toelichting Ad a In het rapport van de Commissie-Maris wordt het accent primair gelegd op de noodzaak van vergroten van de bestuurskracht en het bevorderen van een doelmatig en efficiënt beleid en beheer. Voorgesteld v\/ordt één topbestuur, bestaande uit een driemanschap van door de Kroon benoemde deskundige bestuurders, van wie één van de leden zelf langdurige ervaring moet hebben met universitair onderwijs en onderzoek. De felle kritiek op de hiërarchische opzet van dit rapport kwam niet alleen van de kant van de studenten, aan wie generlei ,inspraak' werd toegekend, maar ook van die van de hoogleraren, die daarin een ongewenste beperking zagen van de autonomie op het gebied van onderwijs en wetenschap °). Ad b In de door de Werkgroep Bestuursstructuur Katholieke Universiteit Nijmegen gepubliceerde discussie-nota is de direct democratische opbouw, de participatie van alle geledingen binnen de universiteit op alle niveaus de leidende gedachte. Ook aan het beginsel van de autonomie wordt aandacht besteed (biz. 5, punt 4). Voorgesteld wordt dat de voorzitter en de leden van het universiteitsbestuur worden benoemd door een ,universiteitsraad', waarin alle

geledingen van de universiteit op basis van pariteit zouden zijn vertegenwoordigd. Daardoor zou in principe het bestuur van de universiteit worden uitgeoefend door de gehele universitaire gemeenschap. De discussie over deze voorstellen moet buiten de kring van de werkgroep nog op gang komen. Door het vermelden van meerderheids- en minderheidsstandpunten wordt een groot aantal, ook essentiële, punten opengelaten. Bij het in beschouwing nemen van dit rapport zou, behalve aan deze concrete punten, vooral aandacht moeten worden besteed aan de vraag of bij een dergelijke ,radenuniversiteit' voldoende bestuurskracht kan worden ontwikkeld. (Dreigt bij een jaarlijkse verkiezing van de leden van de ,raden' niet het gevaar van een tekort aan continuïteit; is er voldoende waarborg dat een door de .universiteitsraad' te kiezen bestuur over voldoende deskundigheid beschikt om de veelzijdige taken op financieeleconomisch gebied en op dat van onderwijs en onderzoek te kunnen vervullen?) Ad c Buiten de hierboven genoemde meer .extreme' opvattingen zijn tal van varianten mogelijk. Op enkele punten moge in het bijzonder worden gewezen. Vloeit uit de eis een slagvaardig beleid te kunnen voeren voort, dat het orgaan dat de uiteindelijke beslissingsbevoegdheid heeft, met te groot van omvang mag zijn, maar bij voorkeur ook met zo klein dat een zekere taakverdeling (portefeuille bijvoorbeeld voor de bouw) onmogelijk is? Men zou moeten nagaan of in een dergelijk bestuur plaats is of behoort te zijn voor (een vertegenwoordiging van) studenten en staf. Men zou ook kunnen overwegen een ,inspraak' aan de top te verwezenlijken door middei van een vrij groot algemeen bestuur, dat bepaalde bevoegdheden heeft (bijv. met betrekking tot het bestuursreglement en het opstellen van het ontwikkelingsplan) en een (daaruit benoemd of gekozen?) dagelijks bestuur. Een andere mogelijkheid is een relatief klem topbestuur met daarnaast een (gekozen of benoemde) universiteitsraad waarin de universitaire groeperingen zijn vertegenwoordigd en wiens advies op bepaalde punten moet worden ingewonnen (zie Nota-Lochem). Ad 3 Samenstelling van het bestuur Een ander belangrijke punt dat in beschouwing zou moeten worden genomen is de samenstelling van het bestuur, d.w.z. de kring(en) waaruit de leden van het topbestuur zouden moeten voortkomen ' ) . Aanvaardt men de eenheid van beleid aan de top dan ware bijv. te denken aan een combinatie van deskundige bestuurders van buiten de universiteit en leden van het wetenschappelijk corps, van wie gebleken is dat zij over de vereiste bestuurscapaciteiten beschikken en die bereid zijn de bestuurlijke aspecten als hun hoofdtaak te beschouwen. Indien het rectoraat wordt gehandhaafd ligt het voor de hand dat de rector in elk geval deel uitmaakt van een dergelijk bestuur. Een - extreme - mogelijkheid is natuurlijk ook een topbestuur uitsluitend bestaande uit personen van binnen de universiteit. Op zichzelf belangrijke vragen, bijv. of hoogleraren c.q. andere leden van het wetenschappelijk corps die zitting hebben in het topbestuur nog een deel van hun onderwijs- en wetenschapstaak kunnen vervullen hoe de positie van deze leden - en in het bijzonder van de rector - is ten opzichte van ,de senaat', kunnen wellicht beter in een volgende ronde aan de orde komen. Ill

Verantwoordelijkheid, verantwoordingsplicht, inllchtingenplicht

Aan de orde zou moeten worden gesteld of de in de Wet op het wetenschappelijk onderwijs neergelegde verantwoordelijkheden en de daaruit voortvloeiende verantwoordingsplicht op voldoende wijze zijn geregeld om de universitaire organisatie THB 10

4 maart 1969


Organisatie en structuur (vervolg)

op de juiste wijze te doen functioneren of dat deze aanvulling behoeven Daarbij zou ook de vraag of met in sommige gevallen de verantv^'oordelijkheid beperkt kan blijven tot het verstrekken van inlichtingen m de beschouwingen dienen te worden betrokken Daarnaast zou de vraag aan de orde moeten komen of het aanbeveling verdient om naast de verantwoordelijkheid van .beneden' naar ,boven' een verantwoordingsplicht te scheppen van ,boven' naar .beneden', d w z van de bestuurders tegenover de bestuurden '°). Toelichting Uit het bovengenoemde blijkt, dat twee soorten verantwoordelijkheid dienen te worden onderscheiden De eerste betreft een verantwoordelijkheid van een lager orgaan jegens een hoger, c q van een individu ((docent, onderzoeker) jegens de collectiviteit De huidige wet bevat zeer weinig bepalingen, waarin individuele en collectieve verantwoordelijkheden van personen en organen die deel uitmaken van de universitaire organisatie expliciet worden geregeld Alleen reeds de enorme bedragen, die aan universitair onderwjs en onderzoek worden besteed en waarvan mag worden verwacht dat zij in de toekomst nog zullen toenemen, scheppen voldoende reden zich er over te beraden of de in de praktijk vrijwel onbeperkte autonomie zowel van de faculteiten etc als van de individuele docent en onderzoeker in deze mate gehandhaafd kan blijven In concreto zou hierbij onder meer de vraag naar voren moeten komen of bijvoorbeeld een beperking van de omvang' van het onderwijs (hetzij door een wettelijke bepaling, hetzij door een aanwjzing van ,het bestuur) al - dan - niet een ongewenste aantasting vormt van de autonomie van de faculteit c q de individuele docent De tweede soort van verantwoordelijkheid betreft die van de bestuurders tegenover de bestuurden De bij sommigen levende gedachte dat er van ,boven' naar ,beneden , d w z van de bestuurders tegenover de academische gemeenschap een directe verantwoordingsplicht bestaat, is betrekkelijk nieuw Aan de orde zou in elk geval dienen te worden gesteld of het scheppen van een verantwoordingsplicht, in die zin dat op de onderscheidene niveaus de bestuurden de bestuursorganen op dat niveau ter verantwoording kunnen roepen, al dan niet gewenst is, en zo ja, hoe een dergelijke verantwoordingsplicht in de praktijk zou kunnen worden gerealiseerd zonder dat dit ten koste gaat van het goed functioneren van de universiteit in dit verband zal tevens aan de orde dienen te komen of indien een verantwoordingsplicht van bestuursorganen tegenover bestuurden wordt aanvaard, deze zou kunnen worden beperkt tot een inlichtingenplicht van de zijde van de bestuurders, eventueel gecombineerd met een recht van de bestuurden om vragen te stellen Een geheel eigen aspect van verantwoordelijkheid van ,boven' naar ,beneden' komt naar voren bij het afnemen van examens De vraag of een student, die naar zijn mening ten onrechte voor een examen is afgewezen, door middel van bijvoorbeeld een beroepsrecht de examinator ter verantwoording zou moeten kunnen roepen, zou mede in de beschouwingen dienen te worden betrokken IV Het beheersapparaat Het meest essentiële punt dat op het veelzijdige gebied van het beheersapparaat m dit stadium aan de orde zou kunnen komen, IS de vraag of m beginsel centralisatie dan wel decentralisatie van het beheer de voorkeur verdient Toelichting De inrichting van het beheer vertoont aan de onderscheidene instellingen vnj grote verschillen Nieuwe regelingen op dit punt zullen in sterke mate afhankelijk van de toekomstige bestuursstructuur zijn

Het verdient daarom wellicht aanbeveling een verdergaande discussie op dit gebied te verschuiven naar een volgende ronde V

Positie van de universiteit ten opzichte van de overheid

Het IS een belangrijk vraagpunt of het m de Wet op het wetenschappelijk onderwijs neergelegde stelcel van een - beperkte - autonomie m de practijk voldoende tot zijn rechi komt In tweede instantie rijst de vraag of er aanleiding is, eventueel door wetswijziging, te streven naar een situatie, waarbij aan de universiteit ook formeel een grotere mate van autonomie wordt verleend, m die zin dat m beginsel het preventieve toezicht van de overheid door repressief toezichi wordt vervangen Toelichting Het behoeft geen betoog dat er een wisselwerking bestaat tussen het toezicht en de inmenging van de overheid in het universitaire bestel en de bestuursstructuur, met name de bestuurskracht, van de universiteit Aangezien in dit stadium nog geen duideijk beeld bestaat over de inrichting waarin de bestuursstructuur zich zal ontwikkelen kan een intensieve studie van de verhouding overheid-universiteit in een volgende ronde met vrucht worden ondernomen VI

Positie van de universiteit in interuniversitair verband

1 Het belangrijkste punt dat bij dit onderwerp zou moeten worden bezien is, of in de huidige situatie de functie van de Academische Raad met betrekking tot de interuniversitaire samenwerking met zou moeten worden versterkt c q gewijzigd Toelichting In de Wet op het wetenschappelijk onderwijs is aan de Academische Raad een minder belangrijke functie toegekend dan de aan de totstandkoming van de wet voorafgegane commissie voor ogen stond " ) Het feit dat tot nu toe de leden van de Raad vrijwel steeds a titre personnel zijn opgetreden heeft er toe geleid dat het voor de Raad in feite met mogelijk was te fungeren als spreekbuis van de gezamenlijke Nederlandse universiteiten en hogescholen Nu de Raad zelf het besluit heeft genomen dat, in overeenstemming met de bedoeling van de wet, de leden voortaan als vertrouwensmannen namens hun instelling zullen spreken laat zich de vraag stellen of het met mogelijk IS dat de Raad in bepaalde gevallen namens de instellingen advies uitbrengt Indien deze vraag bevestigend zou worden beantwoord zou naast de adviserende, ook de coördinerende functie die de wet aan de Raad heeft toegedacht beter tot haar recht kunnen komen, zonder dat formeel aan de vrjheid van de afzonderlijke instellingen afbreuk wordt gedaan 2 Het tweede punt waaraan aandacht zou moeten worden besteed is de samenstelling van de Raad en de positie van de leden ten opzichte van hun universiteit Toelichting De wettelijke bepaling dat de leden en de plaatsvervangende leden worden aangewezen door het college van curatoren en de senaat is tot voor kort aldus geïnterpreteerd, dat van elke universiteit in de regel een curator en de rector (of pro-rector) als lid en de secretaris van de universiteit en een ander lid van de senaat als plaatsvervangend lid werden aangewezen De Academische Raad heeft aan de instellingen m overweging gegeven de samenstelling van hun vertegenwoordiging in de Academische Raad zodanig te wijzigen dat daarin ook een staflid en een student worden opgenomen Aanvankelijk meende men dat dit het beste zou kunnen geschieden door de plaatsen van 6


Sit-in leidt tot binnendringen kamer gedelegeerd curator

plaatsvervangende leden hiervoor beschikbaar te stellen In een later stadium heeft de dagelijkse Raad gesuggereerd een staflid en een student als adviseurs aan de bestaande en te handhaven afvaardiging van elk der universiteiten en hogescholen toe te voegen Daarbij ging de dagelijkse Raad ervan uit dat per instelling nooit meer dan vier personen aan de vergadering van de Academische Raad zouden deel nemen en dat de zes personen die op deze wijze bij het werk van de Raad zouden zijn betrokken in onderling overleg zich zouden voorbereiden op die vergade dermqen en zich na afloop daarvan zouden beraden over de resultaten BIJ een definitieve regeling over de meest gewenste samenstelling zal gekozen moeten worden uit twee mogelijkheden De eerste mogelijkheid is dat de samenstelling van de Raad een afspiegeling vormt van de samenstelling van het universiteitsbestuur Deze constructie past bij de onder 1 ontwikkelde gedachte dat de leden van de Raad als vertrouwensmannen namens hun instelling optreden De tweede mogelijkheid is dat de Raad is samengesteld op bass van de categorale groeperingen binnen de universiteit of hogeschool In dat geval zouden de leden met kunnen optreden namens hun instelling Het is zonder meer duidelijk dat de keuze tussen deze twee varianten in belangrijke mate bepalend zal zijn o m voor de coördinerende functie die de Raad in het interuniversitair bestel zou kunnen vervullen en voor de taken die hem terzake zouden kunnen worden opgedragen 3 Tenslotte zou onder ogen moeten w o r d e n gezien het vraagstuk van de v e r h o u d i n g van de leden v a n de secties v o o r interuniversitair o v e r l e g tot de faculteiten en s u b f a c u l t e i t e n waarin zij z i t t i n g h e b b e n Toelichting Het gestelde in de toelichting bij de punten 1 en 2 geldt in wellicht nog sterkere mate bij punt 3

1) Zie prof dr R A de Moor

Diesrede Tilburg

16 november 1967

2) De term besturen moet hier ruim worden geïnterpreteerd m die zin dat deze n et alleen omvat het financieel economisch bestuur en beheer maar ook de bestuurshandelingen met betrekking tot onderwijs en onderzoek 3) Rapport Staatscommissie tot Reorganisatie van het hoger onderwijs biz 30 De academische gemeenschap wordt gevormd door hoogleraren leden van de wetenschappelijke staven studenten en alle overigen die de universiteit bij haar wetenschappelijke en vormende arbeid dienen ook de oud alumni blijven hiervan deel uitmaken 4) Opgemerkt dient te worden dat een minderheid van de werkgroep in bepaalde opz chten aanzienlijk minder ver gaat dan de meerderheid 5) Voor wat het college van curatoren betreft wordt verwezen naar II C Vorm en functie van het bestuursorgaan (topbestuur) 6) Over de inspraak van universitaire groeperingen is reeds gesproken onder punt II A Op de beheerskant wordt nader ingegaan onder punt IV 7) In het Verenigd Koninkrijk spreekt men van Vice Chancellor 8) Voor een beschouwing over de positieve en negatieve aspecten van het rapport Mans moge onder meer worden verwezen naar een tweetal recente artikelen in Universiteit en Hogeschool (jaargang 15 no 2) nl het artikel Universitair bestuur van prof dr D J Kuenen en Geen managers maar wat dan w e l ' van de hand van prof mr W F de Gaay Fortman 9) Dit punt ligt verschillend bij een gekozen en een benoemd bestuur tekst IS gedacht aan de laatste mogelijkheid

In de

10) De verantwoordelijkheid van curatoren tot de overheid is hier buiten beschouwing gelaten Hetzelfde geldt voor de verantwoordelijkheden ten aanzien van het beheer in strikte zin 11) Rapport van de Commissie tot reorganisatie van het hoger onderwijs (Commissie Reinink) Rapport van de Commissie voor hogeronderwijswetgeving (eerste Commissie Van der Pot)

I

O p dinsdag 25 februari werd in de discussiegangen van de hogeschool een sit-in georganiseerd aan de hand van door de S V B verspreide pamfletten waarin als belangrijke discussiepunten naar voren kwamen het rijksstudietoelagenbeleid (commissie Andriessen) de herstructurering van het hoger onderwijs ( p r o j e c t o n d e r w i j s ' ) en de bestuursstructuur van de universiteiten en hogescholen (medebeslissingsrecht) In een der pamfletten w e r d bovendien het verzoek van minister Veringa om op 1 juni a s de discussies over de nota Posthumus af te sluiten ter sprake gebracht Men kwam tot de algemene conclusie dat dit volslagen onmogelijk was en spitste de discussie toe op de democra tisenng van onze hogeschool Wil de onderwijshervorming slagen dan moeten ook de studenten een beslissende stem hebben In verband met de sleutelpositie die de gedelegeerd curator in de bestuursstructuur van de hogeschool inneemt besloot de discussiegroep drs H Loevendie te vragen of het curatorium het medebeslissingsrecht erkent Nadat een vertegenwoordiger van de groep te horen kreeg met door drs Loevendie te kunnen worden ontvangen drong een deel van de discussiegroep de kamer van drs Loevendie binnen om hem deze vraag te stellen Volgens het perscommuniqué van de sit in discussiegroep weigerde de heer Loevendie hierop te antwoorden omdat hij er naar zijn zeggen geen persoonlijke mening over had Hij verwees naar de nog te verschijnen nota van het curatorium over de structuurcommissie en de herstructurering waarin men zijn mening zou aantreffen De tegenstrijdigheid in deze verklaring is duidelijk Drs Loevendie deelde ons desgevraagd mede dat hij op dat moment zijn mening met wilde geven maar verwees naar de genoemde nota Naar aanleiding van de houding die drs Loevendie volgens de discussiegroep innam besloot de groep op woensdag 26 februari verder te discussieren over de gewenste bestuursstructuur van de hogeschool en de hterin nagenoeg onmogelijke positie van het huidige curatorium Ook w e r d in dezelfde sit in een werkcomite geformeerd (zonder mandaat) zich belastend met het op gang houden van de openbare discussies en met name het punt medebeslissingrecht centraal stellend Hiervoor wordt momenteel een handtekeningenactie gevoerd Naar aanleiding van hetgeen voorgevallen is deelde drs Loevendie ons mede dat een situatie waarin discussies alleen gebaseerd zijn op massameetings even ongelukkig is als een situatie waarin alleen binnenskamers door commissies w o r d t vergaderd Hij bepleit een combinatie van beide mogelijkheden Over de situatie die ontstaat als de structuurcommissie onmogelijk w o r d t gemaakt althans de werkwijze en het nut zeer geschaad worden doordat studenten weigeren zich daarin te representeren voelt hij zich met gerechtigd nu een oordeel uit te spreken zonder beraad tussen de vier geledingen die wel voortzetting van het overleg m de structuurcommissie voorstaan De situatie is momenteel dus zo dat studenten openbaar in discussie treden over de huidige problematieken maar in de structuurcommissie waarin deze aangelegenheden dienen te w o r d e n besproken het overleg boycotten Het sit-in comité verklaarde op 27 februari De heer Loevendie is met bereid in een openbare vergadering te discussieren over de studenten voorstellen aangaande medebeslissingrecht voordat de nota van curatoren over de bestuursstructuur van de hogeschool is uitgebracht Als studenten verder willen praten in de w e r k g r o e p structuur dan erkent de heer Loevendie de waarde en noodzaak van deelname door het curatorium aan openbare discussies en is ook bereid daaraan deel te nemen Als studenten met verder willen praten in de w e r k g r o e p structuur zal de heer Loevendie zijn standpunt nader bekend maken na overleg met de vertegenwoordigers van de andere geledingen m de w e r k g r o e p structuur Het standpunt van de A T S O houdt m dat het curatorium de nota zo spoedig mogelijk zal moeten uitbrengen waarna in een massale discussie binnen de hogeschoolgemeenschap conclusies uit de nota getrokken worden waarvan deelname van studenten aan de structuurcommissie afhankelijk zal worden gesteld JK

THB 10

4 maar

1969


Grondraadsverkiezingen 1969

Wanneer men nü de verkiezingen die 11 12 en 13 februari I I gehouden zijn wat nader beschouwt komt als winstpunt direct de stijging van het aantal uitgebrachte stemmen naar voren In totaal 1310 studenten of 48 % (tegen 33 % vorig jaar) zijn ter stembus getogen 687 van hen gingen naar de aula, 532 naar het ,Eigen Huis' en 91 stemden op het bureau van de theologische faculteit Het resultaat is als volgt 1310

Totaal gestemd Ongeldig

.

.

.

26

.

1284

Geldig V o o r de partijen NSA

496 267

Appel

511

SVB

.

.

.

.

.

.

.

De zetelverdeling w e r d hierdoor als volgt SVB

8

(dat betekent een verlies van 3 zetels)

NSA

4

(eveneens een verlies van 3 zetels)

Appel

8

Naar aanleiding hiervan hebben wij verschillende personen naar hun mening over de uitslag als zodanig (de zetelverdeling) gevraagd en wat huns inziens de hieruit voortvloeiende konsekwenties zijn, in het algemeen en met name voor een instantie als de Structuurcommissie Prof. Scheffer vertelde ons dat hij met verwacht had dat de nieuwe partij 8 zetels zou behalen Deze winst van Appel met als keerzijde het verlies van S V B en NSA zag prof Scheffer als een reactie op het dit jaar gevoerde beleid Men heeft, volgens hem, via deze verkiezingen gekozen voor een andere methodiek dan die van de S V B , omdat de programma's van beide eerdergenoemde partijen met zo veel van elkaar verschillen Ten aanzien van de samenstelling van de Grondraad voorzag prof Scheffer de nodige complicaties, dit zeker m b t de coalitievorming Een gecombineerd .kabinet' achtte hij toch de meest aantrekkelijke vorm ,,Het zou jammer zijn wanneer de S V B m oppositie ging, liever moeten zij in het beleid blijven meespelen" Met betrekking tot de Structuurcommissie hoopte hij dat er een bereidheid zou zijn om op dezelfde manier verder te praten ,,Je moet de klok niet terug gaan d r a a i e n " , aldus prof Scheffer Prof. De Moor stelde ,,De verkiezingsuitslag, met name het verlies van de SVB, kwam ongeveer overeen met wat ik verwacht h a d " De ontwikkelingen in Tilburg bij de verkiezingen achtte hij gunstiger vergeleken bij elders in het land, omdat hier een behoorlijk groot percentage blijk heeft gegeven van hun belangstelling Dat betekent dat we de goede richting op gaan Op de vraag naar de konsekwenties met name voor de Structuurcommissie antwoordde prof De Moor ,,van wezenlijk belang is de samenstelling van het A T S O - b e s t u u r ' In feite maak het volgens hem weinig uit in welke samenstelling de studententengroepering in de Structuurcommissie is vertegenwoordigd Hoewel de S V B duidelijk stelling neemt, meent hij, dat de andere partijen even fundamenteel te werk gaan Zij zullen de zaak meer pragmatisch bekijken en daarom misschien meer toegankelijk zijn voor opvattingen van de andere kant Het belangrijkste is om met de toekomstige samenstelling een constructief beleid te kunnen v o e r e n " , gaf prof De M o o r als zijn mening te kennen Drs. Loevendie beschouwde het feit, dat ongeveer de helft van de studenten een stem heeft uitgebracht als een duidelijk winstpunt Dit zeker met het oog op de representativiteit van de uitslag O o k het feit, dat er een keuzemogelijkheid meer als vroeger was, ziet hij als een vooruitgangr-Over de positiviteit of negativiteit van de uiteindelijke uttsTag IS volgens hem weinig te zeggen, omdat dit mede afhankelijk IS van de personen, die straks zitting gaan krijgen in de diverse organen en commissies en uiteraard van de wijze waarop de drie partijen zullen gaan samenwerken Drs Loevendie zou het wel jammer vinden als de S V B in de oppositie ging, omdat zij, als zij mee blijven

spelen in het beleid, waardevolle ideeën naar voren kunnen brengen Wel zag hij de verleiding voor de S V B hiervan in, omdat deze hierdoor vrijer w o r d t t a v haar methode en de manier, waarop zij haar acties kan voeren Naar aanleiding van de vraag naar de toekomst van de Structuurcommissie stelde hij dat het scherpe standpunt van de A T S O verlaten dient te worden Het stellen van de voorwaarde van het medebeslissingsrecht moet worden prijsgegeven Dit wil niet zeggen, dat het recht opgegeven moet worden Het moet alleen nog in dit stadium een discussiepunt blijven mede i v m het opengooien van de Structuurcommissie Mr. Van Boven vond de ruime deelname aan de verkiezingen ook verblijdend, dit getuigde, volgens hem van een belangstelling voor de problemen en is daarom waardevol Aangaande de Structuurcommissie hoopt mr Van Boven, dat er een bereidheid zal zijn te komen tot een geregeld overleg om na te gaan, hoe het instituut hogeschool het beste bestuurd kan worden Peter Thomassen (NSA) achtte de verkiezingsuitslag een negatieve keuze De ontevredenheid met het gevoerde beleid komt hierin tot uiting Dit gaat dan vooral op voor de mensen, die Appel gekozen hebben Hoewel veel van hen dit gedaan zullen hebben op grond van de mening, dat S V B en Appel slechts m methode en met in ideeën verschillen, is dit volgens hem met juist Het onderscheid ligt dieper, met name ook in de fundamentele hervormingen, die doorgevoerd moeten worden Wat dit laatste betreft staan NSA en S V B dichter bij elkaar Het NSA kiest wat betreft beleid v o o r de richting die de SVB dit jaar is ingeslagen Daarom ook zou een coalitie tussen S V B en NSA onder bepaalde voorwaarden wel mogelijk zijn Tussen NSA en Appel of S V B en Appel echter met Thomassen verwacht, dat Appel het ATSO-bestuur zal gaan vormen Het NSA zal dan in positieve oppositie gaan, d w z met voorstellen en ideeën komei Dit omdat volgens hen een Appel-bestuur als nieuwe groepering een redelijke kans moet krijgen Daarom zal het N S A alleen in uiterste nood met met Appel meegaan De verwachting bestaat bij hem, dat de S V B in negatieve oppositie zal gaan Zij zal dan de manier, waarop het beleid gevoerd wordt, gaan toetsen aan het programma Omtrent het NSA stelde de heer Thomassen verder nog, dat deze behoefte heeft aan nieuwe opzet ,,Ze is echt wel aan herstructurering toe " Een mogelijkheid hiervoor zag hij bijvoorbeeld m het houden van algemene ledenvergaderingen Gerard Jabbers (SVB) antwoordde op de vraag of de S V B in de oppositie zal gaan, dat de S V B voorlopig een afwachtende houding aanneemt De besprekingen zijn nog met rond Zowel N S A als Appel willen met de S V B samenwerken en dit is een beetje een belachlijke situatie Het NSA is volgens hem geen partij meer Appel is ontstaan als reactie op de S V B Het is volgens hem daarom logischer te komen tot een coalitie tussen NSA en Appel Wanneer de S V B m oppositie gaat, betekent dit voor deze groepering, dat ze kan komen tot een hechtere organisatie Ze krijgt dan geen directieven meer van boven af van de kant van de A T S O Het verlies van de S V B is volgens hem te wijten aan het feit, dat het oordeel over deze partij vaak afhankelijk wordt gesteld van de image van bepaalde figuren

!H

Tiny Akkermans stelde dat het nog met definitief bekend is of de S V B m de oppositie zal gaan Appel moet maar het initiatief nemen en het overleg is nog gaande Wij vroegen hem ook naar de toekomst van het TAS-blad en kregen als antwoord, dat dit met zozeer een zaak IS van de A T S O als wel van de TAS-blad-redactie zelf Van deze redactie kregen wij te horen, dat in de huidige situatie en zeker als de S V B m de oppositie zal gaan, de TAS-redactie met aan kan blijven, omdat TAS m zijn momentele vorm een troef is in het SVB-programma Onder een Appel-bestuur zal van de redactie verlangd gaan worden, dat ZIJ de kwaliteit van het blad gaan verlagen Appel zweeg in alle talen, omdat het nu bezig is met de formatieopdracht voor het ATSO-bestuur Van die zijde verkreeg onze redactie geen inlichtingen ' >E RdK

G

i


Commissie Internationale Samenwerking (CIS)

Op haar vergadering van 30 januari 1969 heeft de Commissie Internationale Samenwerking (CIS) haar werkprogramma als volgt ' vastgesteld A Doelstellingen De commissie laat zich leiden door de noodzaak van een diepere bewustwording van de chaos in de huidige internationale samenleving en de daaruit voortvloeiende behoefte aan fundamentele veranderingen op dit gebied 1 De commissie stelt zich ten doel de activiteiten aan de Katholieke Hogeschool op het gebied van de internationale betrekkingen te coördineren en te stimuleren, waar mogelijk in samenwerking met bestaande instanties en organisaties 2 De commissie wil bijdragen tot een betere vorming op het gebied van de internationale betrekkingen, zowel ten behoeve van degenen die aan de hogeschool zijn verbonden (interne vorming) als ten behoeve van de buitenwereld (externe vorming) B Taken I COÖRDINEREN EN STIMULEREN 1 Buitenlandse studenten in samenwerking met het Bureau Studentenbelangen en met de bestaande organisaties van buitenlandse studenten wil de commissie komen tot een efficiënte organisatie van de voorzieningen ten behoeve van de buitenlandse studenten in Tilburg (opvang zo nodig begeleiding, aantrekken van studiebeurzen, etc ) 2 Studiereizen en uitwisselingen a Het organiseren, coördineren en stimuleren van buitenlandse studiereizen en studentenuitwisselingen en daarbij scherp letten op de educatieve waarde van deze reizen b Het onderzoeken van mogelijkheden tot het aantrekken van financieringsmiddelen voor deze reizen c Bemiddelen bij en adviseren over de subsidieverlening t b v deze reizen d Bijdragen tot een vergroting van de waarde van de reizen en uitwisselingen (voorbereiding, materiaalverschaffing, verslaggeving en follow-up) e In het kader van de uitwisselingen bevorderen dat de ontvangst van buitenlandse studentengroepen goed wordt voorbereid en uitgevoerd Bevorderen dat de studiereizen zoveel mogelijk worden gevolgd door een tegenbezoek 3 Stages a Het vergroten van de mogelijkheden tot het lopen van stages in het buitenland b In grotere mate bekendheid geven aan deze mogelijkheden c Ruimere financiering van dergelijke stages bevorderen d Toezien op het begeleiden, voorbereiden en informeren van personen die een buitenlandse stage gaan lopen en de betreffende onderzoeksprojecten kritisch bekijken e Bijdragen tot het evalueren van het nut van buitenlandse stages 4 Studiebeurzen tijdens de studie, zowel ex ante als ex post a Het voeren van een actief studiebeurzenbeleid, d w z het vergaren van ter beschikking gestelde beurzen en het aanboren van nieuwe financienngsmogelijkheden voor studie in het buitenland b Verstrekken van informatie over de mogelijkheden tot het verwerven van een studiebeurs 5 Contacten met buitenlandse universiteiten Het zoeken van contacten met universiteiten in het buitenland, zo mogelijk in samenwerking met andere Nederlandse universiteiten en hogescholen, om te komen tot - uitwisseling van studenten en docenten (gastcolleges), 3tie - het gezamenlijk opzetten van projecten, ' - het verlenen van bijstand en advies (voor zover het universiteiten RdK in ontwikkelingslanden betreft), etc

I

II VORMING In het algemeen samenwerken met organisaties ter stimulering van activiteiten op het gebied van vorming m en buiten de universiteit In het bijzonder a Het instellen van een werkgroep die bijdraagt tot een kritische doorlichting van de studieprogramma's aan de Katholieke Hogeschool in Tilburg tegen de achtergrond van de doelstellingen van de commissie b Het opzetten van projectgroepen Begonnen zal worden met de volgende twee groepen - structuuranalyse van de Nederlandse en westelijke samenleving m het licht van de problematiek der ontwikkelingslanden, - NAVO c Het medewerken aan landelijke en plaatselijke voorlichtingsactiviteiten (zoals bijvoorbeeld de ,Derde-Wereld-week', de ,Vredes-week' van het IKV in september 1969) d Initiatieven nemen tot c q organiseren van vormings- en voorlichtingsactiviteiten als congressen, seminars, cursussen, gastcolleges, e d

MODERNE LEVENSVERZEKERING automatische groei van het verzekerde bedrag door unieke winstdeling...

tussentijdse verhoging van uw verzekering door optiesysteem onafhankelijk van gezondheidstoestand...

zonder geneeskundig onderzoek terstond en blijvend verzekerd door inzending van certificaat

HOLLANCgCHE SOCIËTEIT

VAN LEVENSVERZEKERINGEN N.V. Aai8ö7 • KANTOOR TE EINDHOVEN: GEBOUW MERCATOR DE HOLLANDSCHE SOCIËTEIT MAAKT DEEL UIT VAN DELTA VERZEKERINGSGROEP N V

THB 10

4 maart 1969


Mededelingen

Studium Generale

Economische faculteit

CYCLUS CRIMINALITEIT

RECTIFICATIE

Donderdag 6 maart Prof dr W Buikhuisen .Criminaliteit onder studenten' Plaats hogeschool C 3 Tijd 14 tot 16 uur

In het vorige nummer (pagina 8) is een v n j ernstige fout geslopen Het verslag propaedeutische examens van j u n i / s e p t e m b e r 1968 en januar 1969 betrof niet de economische faculteit, maar de sociale faculteit Hieronder drukken wij het verslag propaedeutisch examen januari 1969 van de economische faculteit af

Woensdag 12 maart Zitting studentenrechtbank (zie THB 9) Plaats aula hogeschool Tijd 14 tot 16 uur

VERSLAG PROPAEDEUTISCH EXAMEN ECONOMIE JANUARI 1969

, C r i m l n a l i t e i t o n d e r s t u d e n t e n ' d o o r prof. dr. W . B u i k h u i s e n Rond de eeuwwisseling proberen een aantal studenten een bekende geldschieter te ontvoeren Niet zo lang geleden tracht een groepje studenten de heer K oekoek, voorzitter van de Boerenpartij, te ontvoeren Dit laatste zou er op kunnen wijzen dat er met betrekking tot de studentencriminaliteit nog met veel veranderd is O p dit punt valt echter weinig te zeggen Gegevens over criminaliteit onder de huidige studentengeneratie ontbreken vrijwel geheel Over w a t de student vroeger deed weten wij zo mogelijk nog minder Teneinde iets meer te kunnen zeggen over studentencriminaliteit w e r d door het Criminologisch Instituut te Groningen een enquête gehouden onder de (mannelijke) studenten Twee representatieve steekproeven van elk ongeveer 400 studenten kregen een vragenlijst toegestuurd Hierop kwamen allerlei vormen van criminaliteit werd gevraagd aan te geven of zij weleens een gepleegd hadden, en zo ja hoevaak Daarnaast maal zij v o o r dit soort zaken een procesverbaal

v o o r De studenten van deze delicten werd gevraagd hoeveel hebben gekregen.

Uiteraard was de enquête anoniem De resultaten van dit onderzoek zullen besproken worden De volgende vragen zullen hierbij onder meer aan de orde komen 1 W e l k e vormen van criminaliteit komen het meest bij de studenten voor? 2 Bestaat er in dit opzicht nog verschil met de doorsnee­bevolking? 3 Bestaat er zoiets als typische studentencriminaliteit' 4

Spelen leeftijd en sociale klasse nog een rol?

5

Hoe IS de verhouding tussen betrapte en met­betrapte criminaliteit?

6

Wat betekent deze verhouding v o o r a de criminologische theorie­vorming, b onze strafrechttheoneen c het vervolgingsbeleid?

Reeds n u kan gesteld worden dat de studenten met betrekking tot het totale aantal gepleegde delicten met .onderdoen' voor de doorsnee­ bevolking In dit opzicht IS de democratisering van het onderwijs reeds begonnen

Aan het examen is door 71 candidaten deelgenomen Aan 37 (52 % ) van hen kon het diploma worden toegekend Dit resultaat zou eveneens verkregen zijn indien de oude voor het propaedeutisch examen geldende normen bij de vaststelling van de uitslag waren gehanteerd In vergelijking met het januari­exsmen in 1968 toen slechts 24 % van de candidaten slaagde, is dit een verheugend resultaat Van de geslaagde candidaten verwierf 32 % het predicaat ,met genoegen Van de afgewezen candidaten kunnen twee eerst in januari 1970 weer aan het examen deelnemen De overigen mogen in juni 1969 het examen herhalen Voor 50 % van hen zal dit een examen op verlicht peil betekenen, omdat zij voor een of meer van de vakken vrijstelling hebben Enkelen zullen echter nog een of meer van de voorbereidende vakken moeten herhalen Zoals bij het januari­examen gebruikelijk is had driekwart van de deelnemers al eens eerder gepoogd het propaedeutisch getuigschrift te verwerven Voor 60 % van dit aantal was de uitslag nu positief BIJ de 25 % die voor de eerste maal deelnam legde 20 % het examen met goed gevolg af Vergelijkt men de examenresultaten na drie examens, namelijk juni, september en januari van de generatie 1967/1968 met die van de generatie 1966/1967. dan krijgt men het volgende beeld (tussen haakjes de cijfers voor de generatie 1966/1967) Voor­ opleiding

Aantal

(212) (64) (25) (31)

HBS­A HBS­B Gymnasium a Gymnasium P

191 81 25 32

Totaal

329(332)

Totaal

Geslaagd na herhaalde na eerste poging poging 24 % (26 % ) 11 % ( 1 0 %) 31 % (41 % ) 1 2 % (11 %) 9 % (12 %) 24 % ( 1 0 % ) 41 % (68 % ) 12 % ( 3 %)

3b 43 33 53

28 % (33 % )

40 % (42 %)

12%(9%)

% % % %

(36 (52 (32 (71

%) %) %) %)

De opmerkelijk minder goede resultaten van de HBS­B­ en de Gymnasium­/3­groep vallen samen met een geringere deelname van deze categorieën aan het propaedeutisch examen Van de H B S ­ B ­ candidaten nam vorig jaar 81 % en dit jaar slechts 75 % deel aan het examen Bij de candidaten met Gymnasium­/3­vooropleiding bedroegen deze percentages 93 respectievelijk 72 Het IS wellicht interessant mede te delen dat van de 139 candidaten van de generatie 1966/1967 die in juni of september 1967 of in januan 1968 voor het propaedeutisch examen slaagden, nadat driemaal gelegenheid tot afleggen ervan is gegeven, 75 % voor het candidaats­1 examen is geslaagd Diegenen die bij het propaedeutisch examen het predicaat .met genoegen' verwierven legden het candidaats­l­examen allen met goed gevolg af Bij de candidaten die .zonder bezwaar' en .na aarzeling' slaagden bedroeg dit percentage 72 respectievelijk 62 Beziet men het tijdstip waarop het propaedeutisch examen met goed gevolg w e r d afgelegd, dan blijkt dat van de geslaagden voor het juni­examen 85 % , v o o r het september­examen 74 % en v o o r het januan­examen 50 % bevredigende resultaten voor het candidaats­l­ examen wisten te behalen GESLAAGDEN Doctoraal examen economische wetenschappen (13-2-1969)

drukkerij van der

wee

k o e s t r a a t 85 ■ t i l b u r g ­ t e l . 23137

B C G J H

H H Brader. Breda G Cohlst. Vaals (L) H Hoezoo. Enschede B Th Pothof. Gendringen J M Rikken. Tilburg

10

R F J J

S C Visser. 's­Hertogenbosch M Willemsen. Zeist R J Zanders, Venio A Zeestraten. Tilburg


Mededelingen

Algemeen

I NEDERLANDSE

STU DENTENKAMPIOENSCHAPPEN

Op 1 en 2 april a s zullen in Amsterdam de Nederlandse studenten­ kampioenschappen worden georganiseerd. Tilburg heeft voor de volgende takken van sport ingeschreven badminton, basketball, hockey, judo, schermen, tafeltennis, voetbal, volleybal, w/aterpolo, zaalhandbal en zwemmen ■ Om zo sterk mogelijke teams te kunnen formeren worden alle aan de ' hogeschool studerende dames en heren, die menen op grond van hun capaciteiten in aanmerking te kunnen komen, uitgenodigd zich in verbinding te stellen met de desbetreffende commissaris of de hoofdsportleider Ook niet­Pendragon­leden kunnen in principe hieraan deelnemen STUDENTEN-JEUGDWERK TILBU RG Van enkele wijkhuizen, clubhuis K orvelplem en van het woonwagenwerk bereikte ons het verzoek om een twintigtal vrijwilligers ter begeleiding van activiteiten in club­ en in wijkverband De taak van de vrijwillige medewerkers m deze sectoren is het begeleiden, plannen en organiseren van

mej drs M E A K amps 1­2­ 69, tweede studentendecaan drs J L G Lemeer, 1­2­'69, wetensch medewerker (prof dr C F Scheffer) P J J M van Loon, 1­2­ 69, assistent secretariaat van curatoren J C J Peeters, 1­2­'69, student­assistent (prof dr M Plattel OP) M H J Vergeer, 1­2­'69, student­assistent (prof dr J J J Dalmulder) Chr F M Verkoulen, 1­2­'69, senior­programmeur Rekencentrum A A G M Vermunt, 17­2­69, student­assistent (prof dr M Plattel OP) H M Wanting, 1­2­69, student­assistent (prof dr H O Goldschmidt) mr J H M Willems, 1­2­'69, wetensch medewerker (hoogleraren mr J Deelen en mr H Schoordijk) mevrouw A M E Akkermans­Hoppenbrouwers 17­2­'69, typiste Econ Faculteit

Uit dienst mej A J J M Beljaars, 1­1­ 69, secretaresse Bureau Studentenbelangen H J M Biermans, 1­1­'69, student­assistent (drs J J Rinkes) mej mr R H M de Goey, 1­1­'69, wetensch assistente (hoogleraren mr J Deelen en mr H Schoordijk) mej M A C Hoesen, 1­1­'69, hulp huishoudelijke dienst J E J Plasmans, 1­1­'69, student­assistent (prof dr J J J Dalmulder) H E L Waslander, 1­1­'69, student­assistent (prof dr J K riens) J A S Beljon, 1­2­'69, student­assistent (prof dr R A. de Moor) C A M Heemskerk, 22­2­'69, student­assistent (prof dr M Plattel OP) F J M Nijsen, 1­2­ 69, assistent bibliotheek mevrouw F A M Verbunt­Coolen, 1­2­69, admin assistente Sociologisch Instituut

­ activiteiten in clubverband: vnl handenarbeid, sporten, knutsel­ en frobelwerk (clubs­ 10­15 kinderen van gelijke leeftijd), ­ evenementen in wijkverband: vnl. instuiven, jeugdkampen, weekends, wijkspelen, vacantie­activiteiten (50­200 kinderen) De tijd, welke men hiervoor beschikbaar moet hebben, bedraagt ongeveer 272 uur per week. Vooral in het woonwagenwerk, waar wij nu voor de eerste maal vrijwilligers gaan plaatsen, is nog veel werk te verzetten WIJ vragen belangstellenden zich zo spoedig mogelijk met een van onderstaande adressen in verbinden te willen stellen ­ mejuffrouw J M. A. Huijbregts, Goirkestraat 159 en ­ P Merkx, K ruidenlaan 225, beiden te Tilburg

Onze toekomst: steeds meer mensen, steeds minder ruimte. Hoe houden wij ons land bewoon­ baar? Door de ruimte beter te benutten. De Heidemaatschappij kan u daarbij helpen.

PERSONEELSMUTATIES PER 24 FEBRUARI (vanaf 1­1­1969) Vacatures Hogeschoolarts (studentenarts tevens bedrijfsarts) Administratief assistente (Sociologisch Instituut) Hoogleraar in de politieke sociologie (Sociale Faculteit) Statisticus (Rekencentrum) Operateur (Rekencentrum) Wetenschappelijk medewerker voor de sociale psychologie (Psych Laboratorium) Wetenschappelijk medewerker voor de bedrijfspsychologie (Psych Laboratorium) Portier (Portiers­ en bewakingsdienst) Assistent van het hoofd van de technische en huishoudelijke dienst Medewerker (mannelijk/vrouweiijk) bestelafdeling (Bibliotheek)

In dienst drs Ph P A Bennis, 1­1­ B9, wetensch medewerker (prof dr L H Janssen SJ) mej A E van Berkel, 1­1­ 69, avondwerkster drs H A J Coppens, 1­1­ 69, wetensch medewerker (prof dr L H Janssen SJ) J Th Geilenkirchen, 1­1­ 6 ), student­assistent (prof dr M Euwe) drs H A Harding, 16­1­'6i , studentenpsycholoog H P J van der Heyden, 1­1­'69, student­assistent (prof dr M Euwe) M W Th M Huyben, 20­1­ 69, medewerker boeken­ en tijdschriftenmagazijn drs J M A M van K raay, 1­1­'69, wetensch medewerker (lector Meertens) |^ M J Langhout, 1­1­'69, student­assistent (dr L Lips) yrs E E de Mul, 1­1­'69, adjunct­secretaris Sociologisch Instituut (1/2 dagen) mevrouw C A J Ivl Wolfert­Schippers, 1­1­69, telefoniste (1/2 dagen) drs L J M Smeele, 1­1­'69, buitengewoon lector A F J Smit, 1­1­'69, student­assistent (prof dr J Arntz OP) mevrouw P F J Sparidaans­Govers, 1­1­69, avondwerkster R J J Vossenaar, 1­1­'69, student­assistent (prof dr L H Janssen SJ) mej M A P W Botermans, 1­2­'69, hulp huishoudelijke dienst mej C M Th Dirks, 24­2­ 69, secretaresse Bureau Studentenbelangen P P A M van Eeuwijk, 1­2­'69, student­assistent (prof dr A Oldendorff) mej J Th A Hoevenaars, l­2­'69, medewerkster bibliotheek

I

KONINKLIJKE NEDERLANDSCHE HEIDEMAATSCHAPPIJ VERENIGING TEN ALGEMENE NUTTE

Inlichtingen. District West­Brabant, Julianalaan 105 te Breda. Tel. 01600­4 72 50

11

THB 10

4 maart 1969


Mededelingen

Algemeen

De NVSH is een club van sexmaniakken, verkeerde kanters, de-kat-in-het-donker-knijpers, pornografieverzamelaars en ultralinkse langharige werkschuwe nepintellectuelen.

TER NAGEDACHTENIS Op 13 februari 1969 overleed te Tilburg Hans van Ginkel, in leven lid van het dispuut .Fenwick'. Zijn dispuutsvrienden

KRITISCHE UNIVERSITEITSBIBLIOTHEEK Elke dag van 12 tot 14 uur is er een KRU-bibliotheek in de uitleen van de bibliotheek van de hogeschool Verkoop onderwijsbrochures, stencils, kritische literatuur (Duits, Engels, Nederlands), affiches, mappen

NEDERLANDSE STUDENTEN RAAD Studiereis USA In samenvi/erking met de grondraden van de Technische Universitat Berlin en de Freie Universitat Berlin organiseert de Nederlandse Studenten Raad een studiereis naar de USA van 3 weken en wel van 23 maart tot en met 12 april 1969 Detroit-New York: Vlucht van Amsterdam naar New York verder reis per vliegtuig of trein naar Detroit, logies bij families in Detroit vheg- of treinreis naar New York, logies in hotels in New York City (2 dagen), terugvlucht van New York naar Amsterdam Het programma m Detroit omvat o m mogelijkheden tot deelname aan onderwijs en onderzoek in high schools, colleges en universiteiten, discussies met studenten, hoogleraren en andere betrokkenen bij het onderwijs, bezoek aan de University of Michigan, enkele mm of meer ,officiële' ontvangsten, bezoeken aan Ford Motor Company Met de families waar u gastvrijheid geniet kunnen verschillende toeristische attracties bezocht worden Fort Wayne, Irish Hills, Merentocht Niagara Falls en theater- en concertbezoeken Het programma is volstrekt individueel, elke deelnemer kan zijn eigen keuze maken' Kosten ƒ950,— (exclusief reisverzekering en airport-tax) Getracht wordt (buiten de al berekende subsidie van de University of Detroit) verdere subsidies van Nederlandse zijde te verkrijgen Het is eveneens mogelijk alleen voor de vlucht Amsterdam-New YorkAmsterdam te boeken Kosten ƒ 590,— Aanmeldingsformulieren te verkrijgen bij Grondraad en NSR Verzoek twee aanmeldingsformulieren in te vullen en op te sturen Alle inlichtingen en opgaven b j NSR, Noordeinde 5, Leiden, telefoon 01740-42045

De NVSH is inderdaad een club van sexmaniakken, verkeerde kanters, de-kat-in-het-donker-knijpers, pornografieverzamelaars en ultralinkse langharige werkschuwe nepintellectuelen en nog zo'n 194.131 hele aardige normale mensen die aanvaarden dat seksualiteit een belangrijke rol speelt in ons leven en hierover nu eens graag objectief geinformeerd willen worden.

INTERNATIONALE ZOMERCURSUS Het Europa-Instituut van de Universiteit van Amsterdam organiseert in samenwerking met de NUFFIC van 18 tot en met 30 augustus 1969 een internationale zomercursus over ,Legal Aspects of European Integration' Deelname staat open voor doctoraalstudenten en afgestudeerden in de rechtswetenschap De lezingen en discussies vmden plaats in het Engels Eveneens op het Europa-Instituut vindt van 11 september 1969 tot 14 mei 1970 de vierde .International Course on European Integration for economists, lawyers and political scientists' plaats Inlichtingen en aanmelding bij het Bureau Buitenland, Tilburg Het Bureau Buitenland is gevestigd op het Instituut voor Ontwikkelingsvraagstukken (IVO) Bredaseweg 391, Tilburg toestel 323 secretaris 15 drs H Coppens S O C I A L E FACULTEIT (RECTIFICATIE) In het vorige nummer van het Hogeschoolblad (nummer 9) stonden op pagina 8 de examen-uitslagen van de sociale faculteit per abuis onder de kop van de economische faculteit

als u lid wilt worden, stort dan 10 gulden op girorekening 225272 van de NVSH, zet erbij contributierekening. (Studenten maar 6 j gulden). U bent dan lid, krijgt SEXTANT maandelijks gratis in de bus en kunt gebruik maken van alle aktiviteiten van de NVSH. •Welke? Vraag bij de NVSH, Postbus 64, Den Haag de aktiviteitenfolder aan!


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
1969 03 04 by Redactie Univers - Issuu