Tilburgs irgang 4 Redactie:
•
maandblad
F. Th. M. de P. f. M. L. L. Af. B. M. J.
Hogeschoolblad maart 1967
Charro Tieleman
Moerings
ƒ. ƒ. Af. de Bont
Pauw
Redactie-adres:
(Hoofd
Hogeschoollaan
Bureau
Senaat)
225,
Tilburg
Rond universiteit en hogeschool Rede, uitgesproken door Prof, Mr. I. A. Diepenhorst, Minister van Onderwijs en Wetenschappen, bij de opening van de nieuwe gebouwen van de Vrije Universiteit te Amsterdam. Universiteiten en universitaire figuren hebben over het algemeen de naam oud, eerwaardig en behoudend te zijn. Al bestaat er een gezond conservatisme, het heeft zijn nadelen zich te sterk aan het verleden vast te klampen. Bejaarde kerkvorsten, bedaagde generaals, in het vak vergrijsde docenten, kunnen aan hinderlijke gezichtsverenging gaan lijden: na het zeventigste levensjaar wordt het vermogen tegenkanting te verdragen en zich voor nieuwe denkbeelden open te stellen beslist geringer; het absolutisme begint groter bekoring te krijgen. Evenmin is het mijn voornemen enkel van de toekomst goed te verwachten. Vanuit de universitaire wereld heeft herhaaldelijk ook de hervorming van verouderde denkwijzen en toestanden ingezet. Vooral de studenten, overigens in hun gewoonten en tradities vaak overmatig aan het verleden gehecht, waren van tijd tot tijd tot een geestelijke beeldenstorm bereid. Kamergeleerden aanvaardden wel naarmate zij teruggetrokkener leefden, meer radicale ideeën. Toch hebben beeldenstormen hun bezwaren. Ook in academische kring wordt bij tijd en wijle vergeten dat breken gemakkelijker is dan bouwen. Daarom doet men het veiligst bij de universiteit van dit ogenblik aan te knopen, zoals zij zich in onze WestEuropese samenleving voordoet. Het te zeer rekenen hetzij met hun geestelijke zelfstandigheid en dus hun adeldom prijs gegeven hebbende wetenschappelijke opleidingsinstituten in de landen achter het ijzeren gordijn, hetzij met academies in ontwikkelingsgebieden waar het primum vivère, deinde philosophari zicht ook uitstrekt tot het universitaire bestand, zou op dwaalsporen voeren. De ons vertrouwde universiteiten en hogescholen geven reeds aanleiding genoeg tot belangwekkende vragen. Over de gevolgen van een geboortegolf weid ik, hoewel in staat daarover zeer objectief te spreken, niet uit. Ook langs het feit als zodanig dat steeds meer jongelui hun opleiding voortzetten, glijd ik heen. Maar ik wijs o] een drietal hier van gewicht zijnde omstandighed
Verhoogde welvaart stelt tot een langere leertijd als voorbereiding op het volle leven in staat. Een ingewikkelder wordende maatschappij vraagt in stijgende nutte goed tot hun taak toegeruste krachten. Een samenleving als de onze kan nauwelijks aan deskundigen, kan zeker niet aan leken worden toevertrouwd. De academische opleiding telt zwaar; zij geldt als statussymbool. Ofschoon we nog niet de kaartjes met de intelligentiequotiënt achter de naam kennen, doet de candidaatstitel het soms reeds aardig, is doctorandus in de regel beter, geeft de doctorstitel toegang tot menige werkkring en werkt de eigenlijk zotte opeenstapeling van professor meester - doctor, niet al te belemmerend. In alle geval melden zich telkenjare groter aantallen novieten aan de academische poort. Naar de aard der liefde ben ik bereid te veronderstellen dat iedere hoogleraar deze drommen met vreugde ziet verschijnen, zich over zijn zorg met betrekking tot veel af te nemen examens en tentamens heenzettend in de hoop op de wonderen van een examencomputer, die verlichting kan brengen. Ook aan de zonnigheid van curatoren, als zij met deze aanwas geconfronteerd worden, wil ik nog geloven: zij kunnen hun ontwikkelingsplannen met een beroep op groeiende studentengetallen staven. Slechts binnen het departement van onderwijs fronst een enkele het hoofd, wetend dat het technisch en financieel niet doenlijk is jaarlijks een toevloed van duizenden studenten te verwerken. Daarentegen is zulk een ontwikkeling voor bepaalde journalisten en een aantal politici een buitenkansje: zij kunnen op de oneven dagen bezuiniging prediken en op de even dagen verkondigen dat er een kortzichtig en schriel beleid wordt gevoerd; met name voor wie de oppositie zoekt, denkt bij zichzelf: gefundenes Pressen. Belangwekkend is na te gaan waarin een universiteit met 1200 of 1500 ingeschrevenen verschilt van een universiteit met 9000 alumni. De wat scherp en gedeeltelijk niet billijk als diplomafabrieken te omschrijven monsterinstellingen met vele tienduizenden leerlingen, zoals zij in Europa te Parijs en Londen worden aangetroffen, laat ik buiten beschouwing. De vergelijking van een college voor 15 hoorders en een toespraak tot een 400 man tetk auditorium is al schril1 genoeg, genoeg. z e l f ^ w a m ^ t ^ c a ude
Kaïinfi
WïïöTHïif
Bolland en De Hartog in deze tijd hebben genoten! De vroeger goed overzienbare faculteiten zijn onoverzichtelijk geworden; de studierichtingen binnen een en dezelfde faculteit leveren soms reeds moeilijkheid op. Vele docenten bedienen zich van wetenschappelijke medewerkers bij hun onderricht en bij hun toezicht op de prestaties der leerlingen. Er worden voor hen — zelf zijn ze er te nonchalant voor — kaartsystemen bijgehouden: wij hebben naast de schetskalveren de schetsstudenten gekregen. Tijdens een wintersportvakantie ontdekken soms twee skiërs die hun enkel braken en zich tegenover elkaar bij het haardvuur beklagen, hoe ze aan dezelfde universiteit doceren. Dat ze elkaar niet kenden was daar aan te wijten dat ze nooit een senaatsvergadering bezochten die in psychologisch opzicht tot de merkwaardigste bijeenkomsten behoort, welke denkbaar zijn: deze tellen een steeds sprekende kleine bovenlaag, een steeds zwijgende onderlaag en een onbestemde tussengeleding van niet dagelijks aan discussie gewende bekwame figuren — ze dicteren liever — die tot een mokkend zwijgen en een hartstochtelijk uitvallen gelijkelijk gepraedisponeerd zijn. De grootte van een universiteit laat zich of men wil of niet, gevoelen. Wanneer iemand denkt aan het Engelse type zoals in het bijzonder dat van Oxford en Cambridge — die men uiteraard tot geen prijs mag vereenzelvigen, want ze verschillen nog sterker volgens hun leerlingen dan te onzent Leiden en Utrecht doen — zal hem een doorbreken van het „collegesysteem" — veel studenten moeten op kamers wonen — onvermijdelijk schijnen. Wie zich de gedurende een lang tijdperk gangbare Duitse universiteit voor ogen stelt, begrijpt hoe men in moeite geraakt met een op talentvolle jongelui afgestemd onderricht. Straffe studiebegeleiding valt lastig te bieden. Bestaande grote vrijheid te studeren naar verkiezing kan nauwelijks of in het geheel niet meer worden gelaten. Universiteiten en hogescholen zijn uiterst kostbaar. Wat Nederland voor 65.000 studenten bezwaarlijk betalen kan, is bet straks voor dubbele, naderhand voor driedubbele getallen met behoud van de tot dusver gebruikelijke academische methoden en voorzieningen niet in staat te financieren. Geheel redelijk wordt er aangedrongen op groter doeltreffendheid van het wetenschappelijk onderricht: een afvalpercentage van tegen de 50 in een aantal studierichtingen acht men te hoog. Voor betere resultaten wordt dan veel verwacht van selectie, meer hulp bij de studie, vereenvoudiging of concentratie van de stof, scherper toezicht. Inderdaad slagen er in Engeland meer eerstejaars dan bij ons in na verloop van een redelijke periode hun studie te beëindigen. In aanzienlijke mate mag zulks echter op rekening van speciale door verschillende universiteiten gestelde bijzondere toelatingseisen worden geschreven. Dit op zichzelf verdedigbare systeem kan er toe leiden — wat in Amerika zich heeft voorgedaan — dat de gelijkwaardigheid der wetenschappelijke onderwijsinstellingen verdwijnt. Daarnaast wordt de betekenis van het eindexamen middelbare school een andere. Bepaald te denken geeft verder dat Amerika globaal tot niet veel betere uitkomsten geraakt, getuige de cijfers van mislukkende studenten in weerwil van radicale maatregelen. Tot op heden is men nergens met bet uitschiften van ongeschikte aankomende jongelui bevredigend geslaagd. Het verlies aan zelfstandigheid heeft -voor de student vertraagde volwassenheid ten gevolge. In verscheiden faculteiten — men neme enkel 2
de medische — is simplificatie gevaarlijk, want vaaj medici in hope kan dan nog wel, van patiënten in hope niet langer worden gesproken. De samenballing van dé stof brengt het gevaar van algemene geestelijke beperktheid met zich. De controle kan goed werken maar is eigenlijk in vele opzichten een testimonium paupertatis. Alvorens de hier liggende vragen nog op een andere en meer positieve wijze te benaderen, bezie ik eerst de doeltreffendheid van het wetenschappelijk onderwijs nader vanuit het gezichtspunt van de inrichting en de taakverdeling. De universiteiten en hogescholen zijn gegroeid tot de grootte van geduchte ondernemingen. Naast het eenmanswerk ia het boekvertrek, zijn er gekomen de groepswerkzaamheden. Instee van een of meer bescheiden laboratoria worden geweldige bunkers van staal en glas opgericht: slechts de inwendige aankleding doet bemerken of men een gebouw van Unilever dan wel wat vroeger heette een tempel van wijsheid is binnengelopen; in beide gevallen kan men, dus als presidentcommissaris of als directeur-hoogleraar, slechts hopen dat de lift werkt, als men naar de bovenste verdieping moet. Professoren worden omringd door wetenschappelijke ambtenaren; zij hebben als het ware een zaak. Nu hield niet ik maar Goethe de bestuurderskwaliteiten van hoogleraren nogal laag in eer. Is er heden allerwege genoegzame waarborg dat oordeelkundig wordt aangeschaft, oordeelkundig — met behoud van wetenschappelijke vrijheid en wetenschappelijke „verkwisting". —-1 wordt gewerkt? Er moeten gelijkwaardige kansen voor alle universiteiten zijn. De stand van zaken wordt in Nederland iets ingewikkelder omdat naast openbare bijzondere instellingen van wetenschappelijk onderwijs worden aangetroffen. Tot dusver is lang niet tot ieder doorgedrongen dat er steeds bij op academisch terrein te treffen voorzieningen met de behoeften en mogelijkheden is gerekend. In de regel vindt er een geruisloze aanpassing plaats. De aantallen van hen die sterrekunde, Spaans, bouwkunde, psychologie gaan studeren, staan in een zekere, zich na verstoring geleidelijk aan weer herstellende, betrekking tot wat de samenleving opnemen kan. Moeilijkheden als deze dat technische wetenschappelijke opleidingen met verwaarlozing van technische vakopleidingen van middelbaar peil zouden worden gezocht, zijn wel te ondervangen. Maar de verbijzondering maakt dat geen enkele faculteit meer afzijdig kan wezen. Vanuit de kern der verschillende wetenschappen verplaatst zich het onderzoek naar de grensgebieden: niet de chemicus, de biochemicus, niet de historicus, de rechtshistoricus, niet de ingenieur, de ingenieur-econoom, staat in de pas. In de theologie treft men naast de dogmaticus de kenner der Oosterse kerkelijke liturgieën aan die deze dan vooral op hun musicologische opbouw onderzoekt. Zeventigjarige van de katheder scheidende geleerden bewijzen eerst op dat tijdstip tot volle geestelijke vruchtbaarheid te zijn gekomen door zich door een vijftal geestelijke zonen en indien mogelijk zeven lectoren te doen opvolgen. Was nu vroeger het bestand ener universiteit duidelijk bepaald door het bekende faculteiten-patroon, thans menen soms de sociale wetenschappen dat met hen de academies behoorlijk tot bloei zijn gekomen. Vervolgens zijn er de interfaculteiten, kent men ook de centrale interfaculteit, weet bet Academisch Statuut van subfaculteiten, van afdelingen, van onderafdelingen. Hrt
wordt onontkoombaar een studieverdeling over de verschillende universiteiten en hogescholen te bevorderen. Kan in de niet zo kostbare faculteiten wel groter vrijheid worden gegund, bij peperdure laboratoria of bij even hoge financiële eisen stellende instrumentaria is het onmogelijk. Reeds moet men bedacht aajn op internationale, Europese samenwerking; ten aanzien van een enkel project overweegt men al wat in de Oude, wat in de Nieuwe Wereld te bouwen zij. Tegelijk beklemt de vraag of de universiteit haar eenheid op enigerlei wijze kan bewaren, in hoeverre zij zich weet te verweren tegen de haar van uit de maatschappij bereikende slagzin: Wij vragen, U doceert. Sommigen menen dat deze eenheid reeds verloren is en spreken van de multiversiteit of nog pijnlijker van de wetenschapsautomatiek, welke tegen betaling alles levert. Aan het in onderling overleg kiezen van studievelden en het zich daarbij voorzien van de aanneambare hulpmiddelen kunnen de bijzondere universiteiten zich niet onttrekken. Zij hebben recht op een gelijkwaardige ontwikkeling. Zij mogen zich bovendien daarop beroepen dat een gekozen principiële grondslag hen soms dwingt van een puur doelmatig verdeeld schema af te wijken, hetgeen door andersdenkenden, hetgeen ook door de overheid behoort te worden gehonoreerd. Dat alleen theologie, filosofie, alsmede de encyclopedie der afzonderlijke wetenschappen een fundamenteel karakter zouden dragen, is dwaasheid. Hier dient met kracht de voor de ganse wetenschap betekenis hebbende beginselkeuze van het bijzonder wetenschappelijk onderwijs dat zich aan een levens- en wereldbeschouwing bond, te worden gehandhaofd. Maar geen ia enigerlei zin confessionele universiteit moet de houding aannemen of zij alleen op de wereld zou zijn. Dwaasheid vormt dat de overheid op wetenschappelijk gebied niet de tering naar de nering zou mogen zetten. Dat het op deugdelijke gronden •— gebrek aan geld, ruimte-schaarste, afwezige maatschappelijke behoefte — afkondigen van een numerus clausus geoorloofd is voor een bepaalde situatie, lijdt niet de minste twijfel. De argumentatie dat aldus van staatswege de geestelijke vrijheid zou worden aangetast is te dol om los te lopen. Zelfs met het beperkter bezwaar van aantasting der studievrijheid moet iemand voorzichtig zijn. Een pikante bijzonderheid is in dit verband dat studenten die bij een tijdelijke numerus clausus voor medische eerstejaars letterlijk moord en brand schreeuwden, omdat zij zich beknot gevoelden, met niet minder furore te zelfder tijd voor studieloon ijverden, wat nog een heel andere afhankelijkheid met zich brengt. Het is niet geheel zonder betekenis dat de academische jeugd haar taal aan de oude klasse-strijders en aan de over-moderne psychoanalytici schijnt te hebben ontleend! Ik keer terug naar de doeltreffendheid van het wetenschappelijk onderwijs in verband met de grote getallen. Is de klacht gerechtvaardigd dat men in het slop geraakt door uitsluitend maarschalken te willen opleiden, terwijl er aan korporaals grote behoefte bestaat ? De universiteit geldt ook vandaag bij velen als een plaats van wetenschapsbeoefening en van toerusting daartoe. In de middeleeuwen echter boden de hogescholen reeds een weinig verbijzonderde vakopleiding: theologen, priesters, notarissen en medici werden afgeleverd. Destijds vormden academici weliswaar een „geleerdenstand",
maar ook toen gaven zij niet allen zich aan de beoefening der wetenschap hoewel deze gemakkelijker dan tegenwoordig met het vervullen van een praktische werkkring te verenigen viel. Thans hollen de meeste afgestudeerde theologen amechtig een gemeente achterna en zetten omdat anderen, die hiertoe eerder aangewezen waren, doch het erbij liet liggen, bejaardencentra op poten. De juristen procederen eerst pro Deo en later voor zichzelf of ook ze kiezen een ambtenaarlijke loopbaan met eindeloze mappen en bataljons bureaukrachten. Niet zoveel dokters wijden zich aan wetenschappelijk onderzoek. Wie nagaat wat de bestemming is evan economen, studenten in de letteren of in de wis- en natuurkunde ziet hetzelfde enkel een smaldeel zet die studiën voort. Een dergelijke situatie dwingt er als het ware toe de uiteenlopende bestemming ook in de studiegang tot uitopleiding en een dusgenaamd geleerdenonderricht, *»a drukking te brengen. Theoretisch is denkbaar een vakopleiding en een dusgenaamd geleerdenonderricht, van het eerste ogenblik af gescheiden. Deze oplossing wordt door het bezwaar gedrukt van de reeds gebleken moeilijkheden bij de selectie. Ook wekt zij de indruk van een zekere aanmatiging. Als ten overvloede dreigt een geestelijk droogleggen van het academisch beroepsonderwijs alsof dit los van grotere samenhangen en diepere onderzoekingen zou kunnen plaatsvinden. Daarom verdient de voorkeur een geleide opleiding in de faculteiten of studierichtingen, waar zij gelet op de feiten wenselijk is, en wel aldus dat eerst geboden wordt wat voor de uitoefening der verschillende beroepen naar redelijke maatstaven nodig is. Daarna kunnen allen, bij wie zowel een uitgesproken wetenschappelijke aard als ook blijvende wetenschappelijke belangstelling openbaar werd, gelegenheid krijgen verder te studeren. Daarbij behoeft het vakonderricht niet in oppervlakkigheid te vervallen. Evenmin is het noodzakelijk dat een voortgezette studie peuteraars kweekt. Stellig is een moeilijkheid of niet een tweede en eerste garnituur van docenten ontstaan zal en of de maatschappelijke behoeften niet te zeer de eerste studiering zullen beïnvloeden, terwijl daarentegen door docenten en leerlingen gedurende de puur wetenschappelijke jaren de ivoren toren beklommen
wordt.
Hieruit vloeit voort dat de aangegeven oplossing niet ideaal is. Bedacht zij dat soms het ideaal zich niet verwezenlijken laat. Noch een amputatie noch een prothese voldoen aan zulk een eis, zonder dientengevolge minder aanvaardbaar of zelfs minder heilzaam te worden. Door mij wordt niet over de gehele linie de tweetrapsstudie verdedigd. Dat in Tiet tot vijf jaar bruikbare en ook wetenschappelijk behoorlijk geschoolde juristen kunnen worden afgeleverd, houd ik voor zeker. Anderzijds geloof ik wel aan een verkorte ongedeelde, niet dadelijk aan een tot vier a vijf jaar verkorte medische opleiding. Ik zie geen noodzaakt de astronomische opleiding te splitsen. Voor moderne talen aanvaard ik zonder aarzeling een drie- tot vierjarige studieduur voor de eerste trap, het vakleraarschap, waarna een verdiepte studie kan volgen, maar bij de oude talen bespeur ik moeilijkheden aan een overeenkomstige oplossing verbonden. Ieder voorstel reeds tot verandering in het academische bestel lokt verontwaardiging uit. Tegen hetgeen ik bepleit kunnen gegronde bezwaren worden ingebracht.
3
Echter doorslaggevende? De 90—94.000 studenten van 1970, de 130—150.000 van 1980 dienen een geestelijk en een materieel academisch onderdak te vinden. Het aureool van wetenschap rond de ons vertrouwde universiteiten is ijler dan wij geneigd zijn te denken. Met de niet te remmen aandrift der hoogleraren tot onderzoek, met de innige verhouding tussen leermeesters en discipelen, met de voortreffelijk aangewende vrijheid der alumni stond het dikwijls niet zo rooskleurig. Ook een korte studie volgens een vrij strak schema verlopend gunt ruimte voor persoonlijke ontplooiing. De goede hoogleraar weet ook gangbare stof levendig te maken. De schrandere student vindt zelf wel kansen wat hem wordt voorgezet, ia breder verband te plaatsen. Het is niet nodig een scheidslijn te trekken tussen professoren eerste en tweede klasse, want ook bij inleidende beschouwingen kan de zijn gebied beheersende oorspronkelijke docent zich laten gaan. Of bijzonder op onderwijsgaven dien te worden gelet? Zij moeten — het is duidelijk — ontwikkeld, maar indien ergens dan mag men toch aan de academies het vermogen aanwezig achten om vorm van inhoud te onderscheiden. De stotteraar is als redenaar, niet als hoogleraar onbruikbaar. Wat bij middelbaar onderricht doorslaggevend is, behoeft dit bij universiteiten en hogescholen geenszins te zijn. De universiteit zal ook bij grote leerlingenscharen drijven op de hoogleraren. Helaas gedragen deze zich soms als verwende kinderen. Zij vergelijken de positie van hun faculteit met de best toegeruste overeenkomstige in Nederland of met de modernst opgezette in het buitenland, wanneer het voordeliger uitkomt. Zich vastklampend aan de waarheid — en zij is onomstotelijk — dat de universiteit het van zonderlinge, afwijkende onmogelijke figuren voor een gedeelte moet hebben, menen zij bij tijden zich aan iedere redelijke samenwerking te kunnen onttrekken. Gaarne slaan van uit de eenzaamheid der studeerkamer tredende geleerden de profetenmantel om en dragen hun inzichten voor ex cathedra en urbi et orbi, veranderingen op stel en sprong verwachtend, vergetend hoe zelfs concilies tijd nodig hebben om door te werken en blind voor het feit dat universiteitsvernieuwing niet een „happening" is. Het is een feit dat de wetenschappelijke werker in de regel rust nodig heeft, dat een universiteit niet op een afgejakkerd bedrijf moet gaan lijken, dat niets naargeestigers is dan dertig examens of tentamens in één week af te nemen — wat soms nog bescheiden getallen vormen — en dat er docenten zijn die onder de op hen drukkende last bijkans bezwijken. Maar als hier en ginds de mokkende hoogleraar die begint met aan curatoren en overheidsinstanties te vragen: „Wat wordt er voor mij gedaan?", een wat vertrouwde gestalte gaat worden in het wetenschappelijk pantheon, is er iets mis. Grote mensen van wetenschap hebben onder barre omstandigheden gewerkt. Zodra docenten weigeren met de realiteit rekening te houden, richten zij in hun misplaatste verbittering nodeloos schade aan. Want de universiteit is met wondermiddelen — gestroomlijnde organisatie krachtens deskundige adviezen, onbekrompen behuizing, grote personeelsbezetting, overvloedige apparatuur — niet geholpen. De wijsheid van de Oxfordse tuinman over zijn gazons: „You cut it, and feed it, and water it and roll it for five hundred years", lijkt wel wat naïef, maar heeft diepere zin. Academies
4
kunnen naar a c h begrijpen laat van hun ouderdom en eerbiedwaardigheid niet leven. Echte diepe gedachten omtrent vrijheid, verantwoordelijkheid, vergaande eigengeaardheid en betrekkelijke wisselvalligheid van wetenschap en geestelijk leven zijn in hen belichaamd. Zij moeten zich — het is geheel natuurlijk — aanpassen. Zij ondergingen trouwens in hun bestuur reeds menige verandering. Maar hen als bet ware met van elders geïmporteerde begrippen en denkbeelden te bekogelen, is onbekookt. Om terwijl men nauwelijks haar mogelijk' heden heeft benut, nu reeds op de Wet voor het wetenschappelijk onderwijs te smalen, noem ik kortzichtig. Curatorencolleges zijn niet zo slecht als wel gezegd wordt. Departementen werken soms stroef, maar senaten nog stroever en dat terwijl ze in de gelegenheid zijn snel te functioneren. De universiteiten bewilligen op dit ogenblik «Is het ware in een verkeerde beeldvorming omtrent henzelf in het parlement. Tegenover de studenten die driest en innerlijk tegenstrijdig maar bekwaam en met overtuiging voor hun lievelingsideeën ijveren, laten hun leermeesters het bij gezaghebbend pruttelen: het zo gesmade Den Haag moet de zaken maar opknappen. Het merendeel van wat ik betoogde raakt niet de Vrije, Universiteit in het bijzonder. Toch zou zij verkeerd doen, juist nu zij een tijd ook van nieuwe bloei beleeft, niet met de algemene op ons aanstormende vragen te worstelen. Wetenschapsbeoefening, en beperkter zowel als simpeler, wetenschappelijk verantwoorde vakopleiding behoren tot de glanszijden van het leven. Aan velen is het in universitair verband bezig zijn niet veroorloofd. Voorrechten houden in vermeerderde plichten. Alle werk kan bijna voldoening geven, maar arbeid aan universiteiten schenkt deze op bijzondere manier. Als bestuurders zich er voor weten te vrijwaren kleine pausjes te worden, als hoogleraren niet denken: „We are the boys" — hun ervaringen verouderen toch elk jaar — als studenten zonder te zwaarwichtig te worden, begrijpen dat zij straks de leiding zullen moeten overnemen, blijft de universiteit de vruchtbare moeder van vele kinderen, steeds jong. Ik eindig met een naar ik hoop menigeen vertrouwde probleemstelling: Is de Vrije Universiteit de beste universiteit ? Wie hier niet beschaamd zwijgt, heeft er weinig van begrepen. Confessionele instellingen van wetenschappelijk onderwijs hebben het nooit gemakkelijk. Toen Cambridge nog de erkenning van de apostolische geloofsbelijdenis vroeg, zei Bentham, dat de straten daar geplaveid waren met meineden. De nodeloze ruzietjes in deze kring zijn niet geheel afwezig. Maar ik stel nog een tweede vraag: „Kent U een betere universiteit?" Indien U daarop bevestigend zoudt moeten antwoorden, wordt het hoog tijd om stokpaardjes op stal te zetten, lievelingsdenkbeelden op de rommelzolder te bergen, heel wat beginselen en stelsels in te slikken en zich te herinneren, dat reeds een oud Engels academisch gebed smeekt om „the grace of humility", opdat het ideaal verwezenlijkt moge worden der volle christe-' lijke menselijkheid. (Genomen uit „Universiteit en
Hogeschool")
Enige fiscale aspecten van de sociaie rechtsstaat Samenvatting van de rede, uitgesproken door Prof. Mr. Ch. P. A. Geppaart bij de aanvaarding tan het ambt van gewoon hoogleraar in het belastingrecht aan de Katholieke Hogeschool (Juridische Faculteit) te Tilburg op 16 februari 1967. (Uitgave: N.V. Uitgeverij FED, Amsterdam, 40 hldz.) De uitvoerbaarheid van de wetten is in onze tijd een gewichtig vraagstuk. Het karakter van onze wetgeving als element van onze staatsvorm behoort voortdurend onderwerp te zijn van wetenschappelijk onderzoek. Ook de staatsvorm van Nederland is beïnvloed door de leer van de machtenscheiding zoals die in het beroemde boek van Montesquieu „De I'Esprit des Lois" uit 1748 werd ontwikkeld. Tijdens de Franse revolutie werd die leer geconfronteerd met de leer van de volkssouvereiniteit. Uit de synthese van opvattingen volgt een gematigde vorm van de triasleer, die aanvaardt, dat wetgever, rechter en uitvoerende macht tot op zekere hoogte met elkaar moeten samenwerken. De leer der beperkte machtenscheiding wordt beschouwd als een wezenlijk bestanddeel van de rechtsstaat. De kern van het begrip rechtsstaat wordt ons het scherpst duidelijk zodra krachten optreden die de normatieve betekenis van de rechtsstaatsgedachte miskennen. Voor de jurist geldt echter dat hij moet zoeken naar een positieve benadering van de inhoud van de rechtsstaat. Een uitsluitend negatieve benadering houdt immers het gevaar in dat een werkelijk inzicht in de conceptie van de rechtsstaat wordt verwisseld met een wellicht spontaan maar veelal primitief rechtsgevoel. Naar de mening van Prof. Geppaart behoort een jurist dan ook ten minste terughoudend te zijn tegenover het in onze tijd in toenemende mate voorkomende verschijnsel van de protestdemonstraties waarbij men door middel van spandoeken zijn mening kenbaar maakt. Er kan, aldus het betoog, geen twijfel over bestaan dat de bewegingsvrijheid van alle burgers meebrengt dat het houden van een optocht slechts mag geschieden ia overeenstemming met op dit punt door het democratisch gezag in te stellen regels. De inhoud van een moderne rechtsstaatsgedachte moet voldoen aan de minimumeis dat de burger wordt beschermd tegen willekeur of onachtzaamheid van de overheid. Daartoe is vereist dat niet alleen de grondrechten maar dat ook de algemene rechtsbeginselen de moderne conceptie van de rechtsstaat doordringen. De algemene rechtsbeginselen moeten verhinderen dat oplossingen worden gegeven die een miskenning van de rechtsstaat impliceren. Naast het idee van de rechtsstaat wordt de leer van de welvaartsstaat ontwikkeld. Deze leer beoogt dat de individuele burger recht heeft op arbeid, bestaanszekerheid en verzorging. Juist wanneer de algemene welvaart afneemt behoort de leer van de welvaartsstaat aan betekenis te winnen door een toenemende zorg voor de m economische moeilijkheden verkerende individuele burger. Naar de mening van Prof. Geppaart zijn echter twee belangrijke bezwaren aan de thans bestaande vorm van de welvaartsstaat verbonden. In de eerste plaats wordt de moderne staat meer en meer een organisatie waarop elke vorm van niet-verzekerd risico wordt afge-
wenteld. Een tweede bezwaar betreft de grote mate van ingewikkeldheid, inadaequaatheid en inefficiency die tal van regelingen eigen is zodra men deze beschouwt in een wat ruimer kader. Wanneer men streeft naar een synthese van opvattingen, kan men deze aanduiden als de conceptie van sociale rechtsstaat. Men zoekt daarin op het terrein van het belastingrecht naar het juiste midden tussen enerzijds een belastingstelsel dat ertoe zou leiden dat de staat door gebrek aan noodzakelijke middelen zijn gemeenschapsfunctie niet zou kunnen realiseren en anderzijds een fiscaal systeem waarin een overmachtige staat in de weg zou staan aan een leefbaar klimaat voor de naar vrijheid strevende burger. Aldus komt men tot een evenwichtssituatie waarin bijvoorbeeld rekening kan worden gehouden met de werkelijke draagkracht van de burger, het bedrijfsleven zich kan ontwikkelen ondanks de druk van de belastingen, de aangifte- en inlichtingenplicht tot een efficiënt minimum is beperkt en waarin ruimte is voor het treffen van fiscale maatregelen om de welvaart te verhogen. Ook in het belastingrecht behoren in de conceptie van de staatsvorm de postulaten van sociale rechtvaardigheid en sociale zekerheid te worden opgenomen. Ten aanzien van de huidige situatie in Nederland merkt Prof. Geppaart op, dat op het gebied van de scheiding der machten de grootste terreinwinst is geboekt door de uitvoerende macht, die meer en meer de rechten en verplichtingen van de burgers vaststelt zonder te worden beperkt door de — overbelaste — wetgever of de — zorgvuldig buitengesloten — rechter. Aldus is sprake van een verbroken evenwicht en het ziet er vooralsnog niet naar uit dat wij het keerpunt van deze ontwikkeling hebben bereikt. Men kan zich, aldus het betoog, aan de hier aangegeven problematiek niet onttrekken door te wijzen op het veelal correcte optreden van de belastingdienst, die als bij uitstek deskundig moet worden beschouwd. Het gaat immers niet om de vraag of de belastingdienst bekwaam en wellevend de burger de weg wijst in het door haar aangelegde oerwoud van ambtelijke regelingen — reeds op grond van zijn hoedanigheid heeft de burger daarop recht —- maar om de vraag of het eenzijdig naar de uitvoerende macht verschoven stelsel voldoende waarborgen schept voor een zodanig samenspel van wetgever, rechter en uitvoerende macht, dat wij het ideaal van de sociale rechtsstaat zo dicht mogelijk benaderen. Naar de mening van Prof. Geppaart is, onder de thans hier te lande geldende verhoudingen, bij het streven naar een sociale rechtstaat het aandeel van de wetgever te gering door de overbelasting van het wetgevend apparaat en het aandeel van de rechter te gering door de beperktheid van zijn bevoegdheden. In de situatie dat tal van projecten op legislatief terrein vaak worden uitgesteld of niet de aandacht krijgen die zij verdienen, kan wellicht verbetering komen door de in de laatste jaren tot stand gebrachte of in studie genomen maatregelen tot verbetering van de werkwijze van het parlement. Ten aanzien van de bevoegdheden van de rechter bepleit Prof. Geppaart dat de rechter meer dan thans het geval is, moet kunnen ingrijpen in 5-
.gevallen waarin de beslissing van de uitvoerende macht niet verenigbaar is met de aan de sociale rechtsstaat ten grondslag liggende beginselen. Hierbij zou men kunnen denken aan een bepaling in de Grondwet op grond waarvan de rechter, met medewerking van de Raad van State, zou kunnen oordelen over de vraag of enige wettelijke bepaling in strijd is met de beginselen van de sociale rechtsstaat. ENIGE ANDERE PUNTEN UIT DE REDE 1. Bepleit wordt om uitkeringen op grond van de Algemene Bijstandswet uit het fiscale inkomen te elimineren om daardoor een geheel van uiterst ingewikkelde regelingen te vereenvoudigen. Ook de fiscale benadering van het vraagstuk van de bezitvorming kan aanzienlijk worden vereenvoudigd door een bepaald bedrag aan opbrengst van vermogen vrij te stellen van inkomstenbelasting. 2. Tegen het door de regering-Cals ingediende wetsontwerp om een bijdrage te heffen van de huurders
van woningwetwoningen in gevallen waarin zij meer dan een bepaald inkomen genieten, bestaan naar het oordeel van Prof. Geppaart ernstige bezwaren uit een oogpunt van rechtsgelijkheid. Men denke in dit verband ook aan de hoogst ongelukkige gang van zaken bij de invordering van premiĂŤn voor de landbouwschappen. 3- Men kan naar de mening van Prof. Geppaart niet dan met ongerustheid kennis nemen van de stijging der percentages voor volksverzekeringen en overige verzekeringen die moeten worden afgedragen terzake van het betalen van loon. Deze premies worden veelal gevoeld als belastingheffing. 4. De nieuwe belastingwetgeving schiet ernstig te kort waar het gaat om het tot stand brengen van vereenvoudiging. Een optimaal resultaat zou naar de mening van Prof. Geppaart kunnen worden bereikt door wetswijzigingen op kleine schaal, waardoor men enerzijds een zekere rust op legislatief terrein bereikt en anderzijds een bepaald vraagstuk in al zijn facetten kan worden bestudeerd.
Mededelingen Faculteit d e r Rechtsgeleerdheid De schriftelijke proef economie voor de candidandi der juridische faculteit en de schriftelijke proef, c.q. het vrijstellend tentamen economie voor de candidandi der sociale faculteit zullen afgenomen worden op donderdag 23 maart 1967 van 10—12 uur; juristen in C 2 en sociologen in C 3.
GESLAAGDEN CANDIDAATS II EXAMEN RECHTSWETENSCHAPPEN 20-1-1967 D. C. M. Denneman, O. A. J. Roelofs, J. van Baaien, F. J. van Erve, Th. R. Kalb, Mej. C. Heideman, J. A. M. van Keulen en A. P. J. M. Timmermans.
GESLAAGDEN CAND1DAATS I EXAMEN RECHTSWETENSCHAPPEN 19-1-1967 H. J. Dekker en J. Schoonbrood.
{///, /,
6
Mededelingen Sociale Faculteit AAN DE LEDEN VAN DE SOCIOLOGISCHE KRING TILBURG Bij deze biedt het bestuur U het programma voor het komende trimester aan. Een verslag van de activiteiten van het afgelopen trimester treft U aan in het volgende Hogeschoolblad. Na het succes van het vorige jaar heeft het bestuur gemeend ook dit jaar weer een diësfeest te moeten organiseren. Het programma dat de diës-commissie heeft opgesteld gelieve U eveneens hierbij aan te treffen. Velen vragen ons hoe het staat met de voorbereidingen voor de in het vooruitzicht gestelde excursie naar Praag. Wij kunnen U thans mededelen, dat deze zal plaatsvinden van zaterdag 13 mei fot en met zaterdag 20 mei. Vijftig studenten zullen et aan kunnen deelnemen. Over de kosten en het definitieve programma hopen wij U spoedig te kunnen informeren. Het mag U duidelijk zijn, dat het bestuur bij een eventuele selectie vooral de belangstelling voor overige kring-activiteiten in haar overwegingen zal betrekken. Omdat er op het ogenblik geen punten zijn die bespreking eisen, heeft het bestuur gemeend dit trimester géén algemene ledenvergadering te moeten organiseren. Rest ons nog U een vruchtbaar studietrimester toe te wensen. W. A. F. M. van der Kruys, praeses S.K.T.
PROPAEDEUTISCH EXAMEN Voor hen die in juni j.l. het propaedeutisch examen in de sociale wetenschappen met goed gevolg hebben afgelegd zal de geldigheidsduur van dit examen tot vijftien maanden worden verhoogd. Prof. Dr. Ph. C. Stouthard, voorzitter faculteit der sociale wetenschappen
CONGRES DER SOCIOLOGISCHE INTERAKADEMIALE De Sociologische Interakademiale organiseert dit jaar haar jaarlijks landelijk congres voor sociologie-studenten n a 26 tot en met 29 april in het conferentie-oord „Woudschoten" te Zeist. Als congresthema is gekozen: „Demoératie anno 1967, alom in het geding', waarbij o.m. zal worden belicht hoe de demokratie funktioneert, dan wel dysfunktioneert, in het bedrijf, overheidsbestuur, politiek en samenleving. Aangaande de onderscheidene aspekten zullen inleidingen worden gehouden door de volgende hoogleraren: Dr. H. A. Brasz (Amsterdam), Dr. H. Daudt (Amsterdam), Dr. Sj. Groenman (Utrecht), Dr. P. J. A. ter Hoeven (Rotterdam) en Dl. C. J. Lammers (Leiden). De schriftelijke proef economie voor de candidandi der juridische faculteit en de schriftelijke proef, c.q. het vrijstellend tentamen economie voor de candidandi der sociale faculteit zullen afgenomen worden op donderdag 2} maart 1967 van 10—12 uur; juristen in C 2 en sociologen in C 3. GESLAAGDEN PROPAEDEUTISCH EXAMEN 16 JANUARI 1967 H. M. M. Assman, L. F. J. Colman, C. B. Goyarts, Mevr. L. Holst-van Meerendonk, A. Th. Lucassen, 111. H. Martens, L. A. G. M. Mens, Mevr. v. d. Pasde Jong, E. J. Ruyters, L. W. M. Taminiau, J. Th. A. Berkhout, J. A. Bols, Th. J. Jonkers, F. Smeulden en Th. A. J. Verster. GESLAAGDEN CANDIDAATSEXAMEN 20 JANUARI 1967 A. J. A. Th. Clement, A. Cras, M. A. M. van Sambeek en H. Schepen. GESLAAGDE DOCTORAAL EXAMEN SOCIALE WETENSCHAPPEN 25 JANUARI 1967 Ch. C. M. Jacobs, Gilze.
7
Mededelingen Economische Faculteit EXAMENDATA 18 mei 1967: 14.00—16.30 uur: Boekhouden art. 29. Alleen voor hen die voor de eerste keer deelnemen. Opgeven tot en met 10 mei 1967 per tentamenkaart. 19 mei 1967: 16.15—18.45 uur: Handelsrekenen art. 29. Alleen voor hen die voor de eerste keer deelnemen. Opgeven tot en met 10 mei 1967 per tentamenkaart. 27 mei 1967: 9.30—12.00 uur: Wiskunde B. Alleen voor hen die voor de eerste keer deelnemen. Opgeven tot en met 18 mei 1967 per tentamenkaart. 12 juni 1967: 10.00—12.30 uur: Wiskunde A. 14.30—17.00 uur: Wiskunde B. Alleen voor hen die deelnemen aan het propaedeutisch examen. 16 juni 1967: 10.00—12.30 uur: Boekhouden art. 29. 14.30—17.00 uur: Handelsrekenen art. 29. Alleen voor hen die deelnemen aan het propaedeutisch examen. 19 juni 1967: Statistiek propaedeutisch examen. 20 juni 1967: Geld,- krediet- en bankwezen. 21 juni 1967: Wijsbegeerte. 22 juni 1967: Economie.
Opgeven voor het propaedeutisch examen economische wetenschappen tot en met 31 mei per tentamenkaan. GESLAAGDEN PROPAEDEUTISCH EXAMEN JANUARI 1967 A. P. J. Adriaanse, H. H. M. Altena, H. A. M. vaa Asten, J. M. Bergs, D. N. Blankenstein, A J. G. Boel, A. G. J. M. den Boer, P. A. M. Bogaers, F. Broeders, P. C. G. Busser, J. M. Diebels, J M. F. Diris, A. E, K. Dols, Ph. J. M. van Eekeren, A. G. Fluitman, A. J. M. van Gaaien, W. van Gorp, H. B. G. M. van Haren, H. M. H. Hegge, J. Heijnen, J. W. Huybregts, J. J. S. Kentgens, P. M. v. d. Kieboom, C. J. M. Koek, F. Kramers, R. P. G. M. v. d. Laar, H. A. M. v. d. Linden, A. Luykx, F. J. H. Martens, J. W . M. Meuleman, G. J. H. Moonen, J. C. Neggers, A. A. V. Otten, E. P. M. van Puyenbroek, P. L. J. M. van Run, P. A. M. Smits, J. P. M. Spoor, L, A. L. M. Sturm, F. V. T. C van Thiel en T. H. M. van Kooten. GESLAAGDEN CANDIDAATSEXAMEN JANUARI 1967 H. F. W. Alink, W . v. d. Broek, H. P. J. de Bruyn, W. M. I. Dekken, A. J. M. Duyndam, F. B. M. Harmze, G. Th. M. Haubrich, P. G. J. G. van Kruchten, R. J. E. M. v. d. La«t, A. P. F. J. Mombers, J. B. V. M. Pluymeekers, W. J. T. Doedee, E. J. Profeet, J. A. Romen, F. H. M. de Ruyter, P. N. T. Schillings, L. M. F. G. Timmermans, M. J. G. Vanderbroeck, P. M. M. V. Wehberg en H. Th. Weiten. GESLAAGDEN DOCTORAAL EXAMEN 23 DECEMBER 1966 J. C. E. Maas, Roosendaal; J. C. M. Hovers, Beek; A. F. M. J. Vekemans, Goirle. 3 FEBRUARI 1967 J. van Oyen, Herten (L.); A. Schouten, Gendt; W. F. J. M. Krinkels, Bergen op Zoom; L. H. A. M. v. d. Kerkhof, Eindhoven.
Algemene Mededelingen STUDIUM GENERALE De Commissie voor het Studium Generale is van enkele zijden benaderd over het ontbreken ia het programma 1966—1967 van enigerlei muzikaal aspect. Vooropstellend, dat het nu eenmaal niet mogelijk is ieder jaar een alzijdig programma samen te stellen, heeft zij toch willen onderzoeken in hoeverre een aanvullende voorzieningen mogelijk zou zijn. Dit heeft geleid tot het invoegen van twee concerten door wereldberoemde kamerorkesten. Het concert door Festival Strings Lucerne heeft, zoals u bekend zal zija, reeds plaats gehad op 27 februari jJ. Het concert door de London Mozart Players zal op 11 mei a.s. in de aula van de hogeschool plaatsvinden. Vast staat, dat de dirigent van dit orkest, Harry Blech, op de dag van de uitvoering een college zal geven, waarin hij onder meer op het uit te voeren programma zal ingaan. Nadere mededelingen zullen nog worden bekend gemaakt. De studenten van de hogeschool worden in de gelegenheid gesteld dit concert gratis bij te wonen, doch plaatsbespreken is nodig.
• EXAMEN- EN TENTAMENREGELING Na overleg met de faculteitsverenigingen heeft het Senaatsbestuur besloten de volgende examen- en tentamenregeling vast te stellen: Examens 1. De examendata zullen geruime tijd tevoren, bij voorkeur voor het hele studiejaar, door de faculteiten worden vastgesteld. 2. Inschrijving voor de examens kan plaats vinden tot 3 weken vóór het af te leggen examen. De sluitingsdatum wordt telkens ad valvas bekend gemaakt. Tentamens A. Schriftelijke tentamens Voor schriftelijke tentamens geldt hetzelfde als voor de examens met dien verstande, dat de sluitingsdatum 10 dagen vóór het tentamen valt. De faculteiten kunnen evenwel bepalen, dat voor bepaalde tentamens de sluitingsdatum, evenals voor de examens, 3 weken vóór het af te leggen tentamen valt. B, Mondelinge tentamens 1. Alle tentamenaanvragen dienen te lopen via de administratie. Hoogleraren zullen geen mondelinge afspraken meer maken. 2. Eenmaal per week en wel op donderdag om 12 uur worden de tentamenaanvragen doorgezonden naar de hoogleraren.
bij de planning van hun studie. Voorts wil het Senaatsbestuur bereiken dat de student minstens één week tevoren schriftelijk bericht heeft over het tijdStip van zijn examen of tentamen. 2. Bovenstaande regeling betekent een aanzienlijke tijdsbesparing voor het bureau van de Senaat. De studenten wordt erop gewezen dat zij op zijn vroegst tentamen kunnen doen 14 dagen na de donderdag waarop hun tentamenaanvraag is doorgezonden. Hen wordt geadviseerd de tentamenaanvraag tijdig in te dienen. Deze regeling werd 1 maart j .1. van toepassing. Prof. Dr. R. A. de Moor
• BENOEMING BIJZONDER HOOGLERAAR Curatoren van de Katholieke Hogeschool hebben aan het curatorium van de bijzondere leerstoel voor de sociale en economische vraagstukken in de land- en tuinbouw toestemming verleend Dr, P. W. J. Kriellaars te Den Haag te benoemen tot bijzonder hoogleraar in de agrarische economie en sociologie aan de Katholieke Hogeschool.' De heer Kriellaars is geboren te Bavd in 1916. Hij studeerde aan de Katholieke Hogeschool te Tilburg, waar hij in 196) cum laude promoveerde tot doctor in de economische wetenschappen op een proefschrift „Landbouwproblematiek bij economische groei; mogelijkheden en grenzen van instrumenten van beleid In economisch ontwikkelde landen". Na een aantal jaren werkzaam te zijn geweest bij de Stichting voor de Landbouw en vervolgens bij het Landbouwschap, werd de heer Kriellaars in 1955 benoemd tot directeur van het Coöperatie-Instituut van de Katholieke Nederlands Boeren- en Tnindersbond (K.N.B.T.B.). Hij werd ia 1956 economisch adviseur van deze bond en is sinds 1966 algemeen secretaris van de K.N.B.T.B. De bijzondere leerstoel is opgericht in 1946 door de Noord-Brabantse Christelijke Boerenbond (N.C.B.) bij gelegenheid van het 50-jarig bestaan van de bond. De N.C.B, beoogt door middel van deze leerstoel de studie te bevorderen van economische, sociale en sociologische vraagstukken, die zich ten aanzien van land- en tuinbouw en agrarische bevolking voordoen. Studenten die zich op het doctoraal examen in de economische wetenschappen voorbereiden, kunnen het vak agrarische economie en sociologie als keuzevak nemen. De heer Kriellaars werd in 1949 als bijzonder lector voor deze leerstoel benoemd.
•
De overwegingen die aan deze regeling ten grondslag liggen zijn de volgende: 1. Het Senaatsbestuur wil bereiken dat de studenten geruime tijd tevoren op de hoogte zijn van de examen- en tentaraendata, zodat zij een houvast hebben
ZOMERCURSUSSEN Wederom worden dit jaar zomercursussen voor studenten in New York en Genève georganiseerd. 9
De cursus te New York zal worden gehouden van 1 tot 28 augustus a.s. en die te Genève van 17 juli tot 4 augustus a.s. De cursussen hebben betrekking op de doelstellingen en activiteiten van de Verenigde Naties en de gespecialiseerde organisaties. De sollicitatieformulieren worden zo mogelijk verzegeld van een aanbeveling van de betrokken hoogleraar door te sturen aan dit ministerie, t.a.v. het Hoofd van het Bureau Coördinatie en Gespecialiseerde Organisaties, waarna dezerzijds voor indiening bij de Verenigde Naties te New York c.q. Genève zal worden zorggedragen. In verband met de sluiting van de aanmeldingstermijn dienen de sollicitatieformulieren uiterlijk 23 maart in mijn bezit te zijn. Ik zou het op prijs stellen indien U aan deze cursussen tijdig bekendheid zoudt willen geven, en er tevens de aandacht op zoudt willen vestigen dat de Verenigde Naties op geen enkele wijze de kosten vergoeden en dat ook het Rijk hierin geen tegemoetkoming kan geven. De Minister
van Buitenlandse
Zaken.
Voor de Minister: Hoofd van het Bureau Coördinatie en Gespecialiseerde Organisaties.
• SONORE PORTRETTEN WILLEM PIJPER EN KEES VAN BAAREN Hierbij heb ik het genoegen U uit te nodigen tot bijwoning van 2 avonden gewijd aan het werk van Willem Pijper en Kees van Baaren. Deze Sonore Portretten zullen, in afwachting van een reeds gedane mededeling, plaats vinden op: maandag 13 maart (kamermuziek), in de aula van het Brabants Conservatorium. maandag 20 maart (orkest/koor), in het Studiotheater van de Stadsschouwburg. Aanvang 20 uur. Overtuigd van uw belangstelling tekent, met de meeste hoogachting, w.g. L. Toebosch, directeur
• VAN HET PLAATSINGSBUREAU Voor de studenten, die in de loop van 1967 doctoraal examen zullen doen, bestaat de mogelijkheid om zich bij de directeur van het Plaatsingsbureau te oriënteren omtrent toekomstmogelijkheden en eventuele functies. Afspraken hiertoe kunnen gemaakt worden bij mej. L. Vermeer. Drs. H. J. E. M. Veraart 10
STICHTING NEDERLANDSCHE MIDDENSTANDSBANK FONDS De Stichting Nederlandsche Middenstandsbank Fonds heeft ten doel: „het bevorderen van algemene belangen van het midden- en kleinbedrijf binnen het koninkrijk, al dan niet in samenwerking met anderen, door het geven van subsidies, schenkingen of toelagen, voor doeleinden, welke naar de mening van het bestuur belangen van algemene aard van het midden- en kleinbedrijf dienen". In het kader van deze doelstelling wordt een bijdrage gegeven o.m. in de kosten van de samenstelling van een proefschrift. De aanvrage voor een bijdrage moet schriftelijk geschieden door de promovendus bij het bestuur van de Stichting, Stadhouderslaan 104 te 's-Gravenhage. Het proefschrift moet een onderwerp van direct belang voor het midden- en kleinbedrijf behandelen. De betrokken hoogleraar moet verklaren dat het proefschrift binnen de redelijke termijn tot promotie zal leiden. De subsidie bedraagt niet meer dan 75 % van de drukkosten met een maximum van ƒ 4.000,—. Het Fonds kan tevens op aanvraag bijdragen in de kosten van bundeling van scripties en andere wetaenschappelijke publikaties cq. de zelfstandige uitgave van een scriptie als brochure. Deze subsidie dient aangevraagd te worden door de hoogleraar onder wiens verantwoordelijkheid een scriptie of een andere publikatie tot stand gekomen is. Zij bedraagt eveneens niet meer dan 75 % van de drukkosten, met in het geval van de zelfstandige publikatie van een scriptie, een maximumbedrag van ƒ 800,—. Bij subsidiëring door het Fonds wordt rekening gehouden met bijdragen ontvangen van andere subsidiërende instellingen. Voor bijzondere uitgaven in verband met de voorbereiding van een proefschrift of andere publikaties kan het bestuur eveneens subsidie geven.
• NOORSE STUDIEBEURZEN De Noorse regering stelt voor het jaar 1967 wederom twee beurzen beschikbaar, één aan een Nederlandse student en één aan een jonge leraar of toekomstige leraar, voor het volgen van een der zomercursussen aan de „International Summer School" van de Universiteit van Oslo. Van 25 juni tot 5 augustus 1967 wordt aan de „Summer School" een aantal cursussen gegeven over de volgende onderwerpen: cultuur, geschiedenis, Noorse taal en literatuur, muziek, aardrijkskunde, internationale betrekkingen, economie, politieke en sociale wetenschappen, alsmede over het onderwijssysteem in Noorwegen en lichamelijke opvoeding in Scandinavië. Voorts worden speciale cursussen gehouden over de industrieën vani Noorwegen, medische zorg en volksgezondheid in Noorwegen en over „Economie Planning and Public Administration". Tijdens de cursussen wordt een aantal excursies georganiseerd. De colleges worden gegeven in de Engelse taal. Men is verplicht een examen af te leggen in de vakken, waarvoor men colleges heeft gevolgd.
Het bewsbedrag voor de gehele cursus is NKr. 2.430,00. Inschrijfkosten en cursusgeld ten bedrage van NKr. 374,00 komen voor rekening van de kandidaat alsmede de reiskosten naar O d o v.v., zakgeld en extra kosten voor het volgen van bepaalde cursussen en excursies. Kandidaten moeten tenminste 3 jaren universitaire studie hebben voltooid en een goede kennis van de Engelse taal bezitten. Sollicitaties dienen vóór 1} maart 1967 gericht te worden tot de afdeling Internationale Culturele Betrekkingen van het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen, Nieuwe Uitleg 4 te 's-Gravenhage. Deze moeten geschieden op een formulier, dat evenals een prospectus van de „Summer School", te verkrijgen is bij bovengenoemde afdeling. Mej. Mf, E. Talsma (Ministerie van O. en W.)
• LUXEMBURGSE STUDIEBEURZEN De Luxemburgse regering stelt, evenals in voorgaande jaren, voor het jaar 1967 acht beursmaanden ter beschikking van Nederlandse studenten en pas afgestudeerden die in Luxemburg onderzoekingen willen verrichten of aldaar van een bepaald onderwerp een speciale studie willen maken. Gegadigden dienen tenminste het kandidaatsexamen te hebben afgelegd. Het bedrag der maandelijkse vergoeding is vastgesteld op 4500,— Luxemburgse francs. Zij, die voor een dergelijke cursus in aanmerking willen komen, dienen hun aanvrage vóór 15 april 1967 in te dienen bij de afdeling Internationale Culturele Betrekkingen bij het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen, Nieuwe Uitleg 4 te 'ï-Gravenhage. Kandidaten dienen verder: 1. naam, voornamen, datum en plaats van geboorte te vermelden; 2. een duidelijke omschrijving van het studiedoel in Luxemburg op te geven; 3. de door hen behaalde diploma's en eventueel van hun hand verschenen publikaties te vermelden; 4. een aanbeveling over te leggen van twee hoogleraren onder wier leiding zij studeren of gestudeerd hebben; 5. een pasfoto bij te voegen. Mej. Mr. E. Talsma (Ministerie van O, en W.)
• „EUROPEES FORUM" te ALPBACH, 1967 Sedert 1943 wordt in Alpbach (Tirol), Oostenrijk, iedere zomer een „Europees Forum" gehouden. Ook in 1967 zal een dergelijke zomercursus plaatsvinden over het onderwerp „Information und Kommunikation — Tendenzen in der tecfanischen und gesellschaftlichen Entwicklung".
Geleerden, kunstenaars, politici en personen uit het bedrijfsleven zullen voordrachten houden en de leiding hebben bij de studie- en discussiegroepen. Ook taallessen worden gegeven. De lezingen zijn in de Duitse, Engelse en Franse taal. Afhankelijk van studierichting en belangstelling kan men kiezen aan welke studiegroep men wil deelnemen. Het „Europees Forum" beeft dit jaar plaats van 19 augustus tot 4 september 1967. De deelnemerskosten zijn OS 3.000,—. Regeringen van verschillende landen hebben beurzen aangeboden voor deelneming aan dit Forum. Ook de Nederlandse regering is bereid vier beurzen, ieder van ƒ 500,—, ter beschikking te stellen van Nederlandse studenten. Hiervoor komen in aanmerking enigszins gevorderde studenten, bij voorkeur diegenen, die reeds het kandidaatsexamen behaald hebben en die belangstelling hebben voor de Europese problemen. Aanvragen voor deze beurzen dienen vóir 1} april 1967 gericht te worden tot de afdeling Internationale Culturele Betrekkingen van het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen, Nieuwe Uitleg 4 te 's-Gravenhage. De aanvragen moeten op eei, formulier geschieden, dat op bovengenoemde afdeling verkrijgbaar is. Behalve de persoonlijke gegevens moeten dan vermeld worden een overzicht van de verrichte studie, doel waarom men een „Europees Forum" wil bijwonen, terwijl een aanbeveling van een hoogleraar en een pasfoto bijgevoegd moeten worden. Mej. Mr. E. Talsma (Ministerie van O. en W.)
• ZUIDAFRIKAANSE STIPENDIA 1967—1968 Hierdoor deel ik u mede dat de regering van ZuidAfrika in het kader van het Nederlands-Zuidafrikaans cultureel verdrag enige stipendia beschikbaar stelt voor Nederlanders die in 1967—1968 aan een instelling van hoger onderwijs of van wetenschappelijk onderzoek in Zuid-Afrika wetenschappelijk werk willen verrichten. Het stipendium biedt ook de mogelijkheid om in ZuidAfrika een onderwerp dat voor de betrekkingen tussen Nederland en Zuid-Afrika van belang is, te bewerken met behulp van een hoogleraar aan een der instellingen van hoger onderwijs. Voorts kan eventueel aan een stipendiumhouder gelegenheid worden gegeven tot het houden van voordrachten. Gegadigden voor deze stipendia moeten een doctoraal-, arts- of ingenieursexamen hebben afgelegd en over enige ervaring in wetenschappelijk werk of onderzoek beschikken. De stipendia worden toegekend voor een periode van tien maanden en kunnen in beginsel worden verlengd. Het bedrag van het stipendium is 130 Rand per maand. De Zuidafrikaanse autoriteiten betalen de kosten van de heen- en terugreis van Nederland naar de plaats van bestemming in Zuid-Afrika. Indien in het kader van het studieprogramma veldwerk noodzakelijk is, worden de in verband daarmede te maken reiskoksten eveneens vergoed. De stipendia voorzien niet in de reis- en verblijfkosten van gezinsleden. Aanvragen voor deze stipendia kunnen tot 15 april 1967 worden ingediend bij de afdeling Internationale Culturele Betrekkingen van het Ministerie van Onderwijs en 11
Wetenschappen, Nieuwe Uitleg 4 te 's-Gravenhage. In de sollicitatie dienen de volgende gegevens te worden vermeld: naam, voornamen, adres, telefoonnummer, geboortedatum en -plaats, verrichte studie, programma van de studie in Zuid-Afrika met vermelding van de instelling waar men de beoogde studie wil verrichten; en 20 mogelijk van de naam van de hoogleraar onder wiens leiding men werkzaam wil zijn, de wijze waarop men de in Zuid-Afrika verkregen kennis en ervaring denkt te benutten. Bij de aanvraag moeten aanbevelingen worden overgelegd van twee bij de studie in Nederland betrokken hoogleraren, alsmede afschriften van de diploma's. Mej, Mr. E. Talsma (Ministerie van O. en W.)
DEENSE STUDIEBEURS De Deense regering heeft voor het studiejaar 1967— 1968 wederom een studiebeurs van een academisch jaar, te weten acht maanden, ter beschikking gesteld ten behoeve van een Nederlandse student. Eventueel is het; mogelijk deze beurs te verdelen over twee kandidaten.
dat studenten, die colleges in de Scandinavische talen wensen te volgen, reeds een behoorlijke kennis van deze taal hebben. Het academisch jaar begint in Denemarken begin september. Het bedrag der beurs bedraagt 7.140,— Deense kronen, derhalve 892,50 Deense kronen per maand. Sollicitaties dienen vóór 22 maart 1967 gericht te worden aan de afdeling Internationale Culturele Betrekkingen van het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen, Nieuwe Uitleg 4 té 's^ïravenhage. De sollicitaties moeten op een formulier geschieden dat te verkrijgen is bij bovengenoemde afdeling. Kandidaten dienen te vermelden: naam, voornamen, adres, plaats en datum van geboorte en verkregen diploma's. De opgave dient verder vergezeld te gaan van een aanbeveling van twee bij de studie betrokken hoogleraren of andere daartoe gekwalificeerde personen, van een duidelijke omschrijving van het studiedoel in Denemarken en eventuele keuze van universiteit en hoogleraar, onder wiens leiding men wenst te studeren, van een mededeling omtrent de kennis der Deense taal en van een pasfoto.
De beun ts in principe bestemd voor hen, die reeds met hun studie gevorderd zijn, terwijl het gewenst is
Mej. Mr. E. Talsma (Ministerie van O. en W.)
DECONFESSIONALISERING Uit een interview van Prof. Dr. J. A. Huisman met een reuzencomputer, gepubliceerd in „De Tijd" van 15-2-67:
12
H:
„Waarom schrijft u Paus en zelfs Theologen met een hoofdletter?"
C:
„Dat is een instructie van schijf 7; die is uit d* tijd, dat ik ter beschikking stond van de Tilburgse Hogeschool."