Skip to main content

1967 01

Page 1

Tilburgs jaargang 4 Redactie;

•

Ho^eschoolblad

maandblad

Januari 1 9 6 7

nummer 1

F. Tb. M. de Charro P. ƒ. Al. L. Tieleman L. M. Moerings B. M. f. Pauw

/ . ƒ. M. de Bont Redactie-adres:

(Hoofd

Hogeschoollaan

Bureau 225,

Senaat) Tilburg

Promoties Samenvatting van het proefschrift „Een vergelijking van beambten en arbeiders in hun arbeidssituatieve houdingen" van de heer J. V. H. Pennings, die op woensdag 14 december 1966 aan de Katholieke Hogeschool te Tilburg bij prof. dr. F. J. P. van Dooren promoveerde tot doctor in de sociale wetenschappen. In het bijzonder in grote ondernemingen wordt met betrekking tot de houding en de motivatie van de arbeidende mens in de werksituatie vaak een tweedeling aangebracht. Aan de werknemers die worden aangeduid met de benaming beambten, wordt doorgaans een andere oriëntatie ten aanzien van verschillende taakaspecten toegeschreven dan aan de arbeiders. Was dit in het verleden wellicht gerechtvaardigd, op het ogenblik kan op zijn minst worden gesteld dat zich in het bedrijf veranderingen voltrekken welke nader onderzoek op dit terrein noodzakelijk maken. Veel minder dan vroeger bestaat thans een stabiel sociaal kader waarop de ondernemer ten aanzien van zijn personeelsbeleid een bepaalde koers kan uitstippelen. De huidige welvaart, de mechanisering en automatisering, de verbeterde mogelijkheden tot het volgen van onderwijs, de groei van de communicatiemiddelen, dit alles vereist thans meer gefundeerde kennis omtrent de verschillende geledingen waaruit de bedrijfshiërarchie van een moderne industriële onderneming is opgebouwd. In de onderhavige studie is de centrale vraagstelling dan ook of de bestaande opvattingen over de verschillen in motivatie en houding in de werksituatie, in afhankelijkheid van de onderscheidingen die gemaakt kunnen worden op grond van de bedrijfshiërarchie, nog juist zijn. De plaats die wordt ingenomen in de bedrijfshiërarchie geeft immers aan of het individue bepalend is voor de situatie of dat het omgekeerde het geval is, of dus met andere woorden het „maken" of het „handelen" in de arbeidssituatie overheerst. Tegen deze achtergrond zijn met elkaar vergeleken beambten van middelbaar en lager niveau, hooggeschoolde werknemers en ongeschoolde werknemers. Gezien hun plaats in de bedrijfshiërarchie heeft de vigerende situatie voor deze drie groepen W il

nemers steeds een ander karakter, zodat eventuele verschillen aangaande hun werkmotivatie en hun houding ten opzichte van bepaalde taakaspecten zich moeten manifesteren. Voornoemde groepen werknemers zijn vergeleken wat betreft: — de werkmotivatie — de werksatisfactie — het beeld dat zij van elkaar hebben — de houding ten opzichte van promotie — de houding ten opzichte van collega's. Werkmotivatie, Wat deze afhankelijke variabele betreft, is bij het toetsen van de hpythesen en de verdere bewerking van de verkregen resultaten gebleken dat de ongeschoolde werknemers, de geschoolde werknemers en de beambten dienaangaande onderling verschillen. Aan alle drie de categorieën kan een bepaalde taak-intrinsieke motivatie in het werk niet worden ontzegd. De beambten blijken echter meer dan de geschoolden en deze op hun beurt weer meer dan de ongeschoolde werknemers in het werk belang te hechten aan aspecten als erkenning, succes, de mogelijkheid tot het nemen van initiatieven en verantwoordelijkheid, dan aan loon, secundaire arbeidsvoorwaarden en winstdeling. Werksatisfactie. Gebleken is dat de werksatisfactie wordt beïnvloed door de werkmotivatie. De intensiteit van de werksatisfactie neemt, zowel bij de beambten als de geschoolde en ongeschoolde werknemers, toe met de bcagte ssn fjf scores van de werkmotivatie. Tussen deze

Kastnr. 87

BIBLIOTHEEK ^THOUEKE l_l/~V,r-»l


twee variabelen bestaat echter een geringe correlatie. De inhoudelijke samenhang is niet groot. Het is vooral de promotiemogelijkheid — gezien als de door de werknemers situatief aanwezig geachte mogelijkheid om hogerop te klimmen in de bedrijfshiërarchie — die van invloed is op de werksatisfactie bij de beambten en de ongeschoolde werknemers. Bij de geschoolden is dit laatste niet het geval. Dit kan mogelijkerwijze worden toegeschreven aan het geringe aantal geschoolde werknemers die nog mogelijkheden tot promotie in het werk aanwezig achten. Hun werksatisfactie is dan ook geringer dan die van de beambten en de ongeschoolden. Tussen deze beide groepen werknemers bestaat geen verschil in mate van werksatisfactie, hoewel zij wat hun werkmotivatie betreft, wezenlijk van elkaar verschillen, n.l. in de wijze van verankering van de werksatisfactie. Perceptie. Met betrekking tot het beeld dat de verschillende groepen werknemers van elkaar hebben is gebleken, dat de ongeschoolden onderkennen dat de beambten in hun werkmotivatie meer taak-intrinsiek georiënteerd zijn dan zijzelf. Zij percipiëren de beambten nagenoeg overeenkomstig het zelf-concept van deze groep. Dit in tegenstelling tot de geschoolden die zich — wat hun werkmotivatie betreft — volledig met de beambten identificeren. Zij veronderstellen bij de beambten bijgevolg een geringere taak-intrinsieke oriëntatie in het werk dan deze laatsten bij zichzelf aanwezig achten. Het beeld dat de beambten hebben van de werkmotivatie van de ongeschoolde werknemers komt niet overeen met het zelf-concept van deze groep. Zij onderschatten de behoeften aan taak-intrinsieke motivatie bij de ongeschoolde werknemers en percipiëren een grotere psychologische afstand tussen henzelf en de ongeschoolde werknemers dan op grond van het zelf-concept van deze laatsten noodzakelijk is. Houding ten opzichte van promotie. Centraal in het onderhavige onderzoek zijn komen te staan de promotiebehoeften van de werknemers. Hieraan is n.l. bovenstaande perceptie — waarin de niveaugevoeligheid van de werknemers tot uitdrukking komt — en de houding ten opzichte van collega's toegeschreven. Dit verband is wat de beeldvorming betreft voor de ongeschoolde werknemers en de beambten aangetoond. Voor de geschoolden is dit verband niet aangetoond. Bij een verdere bewerking van de verkregen onderzoekresultaten is gebleken dat de situatief aanwezig geachte mogelijkheid tot promotie — hoewel niet steeds van significantie kan worden gesproken — van belang is voor het beeld dat de groepen werknemers onderling van elkaar hebben. De ongeschoolden en geschoolden die nog mogelijkheden tot promotie in het werk aanwezig achten, identificeren zich meer met de beambten — zijn dus minder niveaugevoelig — dan hun respectievelijke collega's die deze mogelijkheid niet meer zien. De beambten die geen

2

mogelijkheden meer tot promotie in het werk aanwezig achten, zijn niveaugevoeliger dan hun collega's die deze mogelijkheid wel nog zien. Eerstgenoemden ontwaren een grotere psychologische afstand tussen zichzelf en de ongeschoolden dan de laatsten. Afhankelijk van de intensiteit van de promotiebehoeften zal deze tendens nog worden versterkt. Houding ten opzichte van colleges. Eenzelfde tendens is te onderkennen met betrekking tot de houding ten opzichte van collega's, want voor het verband tussen promotiebehoeften en houding ten opzichte van collega's blijkt eveneens de situatief gepercipieerde mogelijkheid tot promotie van belang te zijn. Hoewel bij de statistische verwerking van de gegevens is gebleken dat dit alleen het geval is bij de ongeschoolde werknemers, is toch het vermoeden gewettigd dat deze trend ook aanwezig is bij de geschoolden en de beambten. Bij deze werknemers is de houding ten opzichte van collega's eveneens in meerdere of mindere mate afhankelijk van de promotiemogelijkheden. Degenen die de mogelijkheid tot promotie nog aanwezig achten, tenderen naar een andere houding ten opzichte van collega's dan degenen die deze mogelijkheid niet meer zien. In het eerste geval tenderen de werknemers naar een concurrerende houding ten opzichte van- collega's, in het tweede geval wordt deze houding meer gekenmerkt door affiliatiebehoeften. Afhankelijk van de intensiteit Tan de promotiebehoeften zullen deze twee tendensen nog worden versterkt. Uit deze vergelijking van beambten en arbeiders in hun arbeidssituatieve houdingen kan de conclusie worden getrokken, dat ten aanzien van de hier onderzochte sociaal-psychologische aspecten van de werksituatie processen 2i|n te onderkennen welke op soortgelijke wijze doorwerken, onafhankelijk van de niveaus. Bij een poging tot interpretatie van de verkregen onderzoekresultaten met het oog op het voeren van een adequaat en trefzeker personeelsbeleid binnen de onderneming, zijn wij tot de conclusie gekomen dat meer dan voorheen aan alle werknemers de mogelijkheid moet worden geboden tot het percipiëren van een toekomstperspectief in de werksituatie. Wordt hieraan niet voldaan, dan zal het personeelsbeleid tot onvruchtbaarheid zijn gedoemd. Dit te voorkomen, is de uiteindelijke ratio van deze studie. De heer Pennings is in 1934 te Sittard geboren. Hij studeerde te Nijmegen, waar hij in 1961 het doctoraal examen in de sociale wetenschappen heeft afgelegd. Hij heeft voorts gestudeerd aan het College Europeen te Parijs en aan het Instituut voor de Journalistiek te Nijmegen. De heer Pennings is sinds 1961 in dienst van de Staatsmijnen in Limburg, tegenwoordig als plaatsvervangend personeelschef van de Staatsmijn „Emma!'.


STELLINGEN

Zij houdt te weinig rekening met bestaande barrières tussen verschillende gedeelten van de belevingswereld bij het Individu.

I Sociaal-psychologisch bezien, komt opheffing van de bestaande dichotomie in het personeelsbestand van een onderneming tussen de categorieën beambten en arbeiders het meest optimaal tegemoet aan de huidige situatie binnen en buiten de onderneming. II Het personeelsbeleid in de industriële onderneming 1$ nog te veel een aanpassingsbeleid. Te w e i n i g wordt door middel van een zelfstandige planning afdoende geanticipeerd op te verwachten sociale en bedrijfsorganisatorische vraagstukken.

Ill Voorgestelde systemen tot indexering zullen in een recessieperiode het aantal faillissementen, tengevolge van liquiditeitsmoeilijkheden, doen toenemen. (Zie: Wemelsfelder, /.: Toekomstperspectief, in: Gedenkboek 100-jarig bestaan van de Brabantse Bank Lentjes & Drossaerts en Mees, W. C : D e andere weg uit de inflatiemisère, i n : Intermediair, 2e Jrg., no. 7, 1966.) IV De gangbare mening dat de effectiviteit van propaganda de neiging heeft omgekeerd evenredig te zijn aan haar angstwekkende voorstellingen doordat de mens ertoe wordt gebracht zich af te sluiten van hetgeen de propaganda hem te zeggen heeft, gaat In zijn algemeenheid niet o p . (Zie : Winsemius, W.: Veiligheidspropaganda, i n : Mens en Onderneming, Jrg. V I , januari 1952, en Janis, J. L en Feshbach 8 . : Effects or Fear-arousing communications, in: J. of Abn. and Soc. Psychology, v o l . 48, nr. 1. 1959.)

De theorie van Heider behoeft aanvulling vanuit de veldtheorie van Lewin omdat zij alleen geldt voor tussenmenselijke relaties welke In dezelfde ,,life-space" zijn opgenomen.

VI Het coderen van antwoorden o p een vraag in een groot aantal klassen is af te raden, daar hierdoor teveel toevallige en niet relevante oorzaken de uitslag bepalen. De betrouwbaarheid van één observatie is niet voldoende om nauwkeurige onderscheidingen te maken. VII De samenstelling van het bestuur van de Nederlandse gemeenten kan worden verbeterd door In de Gemeentewet de verplichting in te voeren, dat de wethouders niet meer benoemd kunnen worden uit personen d i e voor de komende zittingsperiode reeds een zetel in de gemeenteraad hebben geaccepteerd. Dit zal zowel het aantal zich beschikbaar stellende raadsleden ais het aantal onbekwame wethouders doen afnemen. VIM Het is wenselijk doeltreffende regelingen vast te stellen betrekking tot de geneeskundige verzorging door middel een Algemene Volksverzekering, waarbij een geldelijke kering wordt verstrekt volgens het restttutiesysteem met verplicht initieel eigen risico.

met van uiteen

IX De nota inzake de mijnindustrie en de 'industriële herstructurering van Zuid-Limburg, welke de Minister van Economische Zaken o p 14 december 1965 heeft doen toekomen aan de leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, biedt door In 1966 gewijzigde omstandigheden niet voldoende mogelijkheden om het i n de nota gestelde doel te verwezenlijken.

Het komt vaak voor dat na sociaal-wetenschappelijk onderzoek er één of meerdere personen zijn voor w i e de verkregen resultaten niet beantwoorden aan het feitelijke beleid. Zij trachten dan deze resultaten terzijde t e schuiven door het onderzoek als nlet-wetenschappelijk te betitelen.

4

3


Samenvatting van het proefschrift „Consumer credit; various aspects, with specific reference to Canada" van de heer J, J. Vorstermans, die op woensdag 7 december 1966 aan de Katholieke Hogeschool te Tilburg bij prof. dr. P. P. van Berkum promoveerde tot doctor in de economische wetenschappen. Het proefschrift behandelt verscheidene economische aspekten van het afbetalingskrediet en wel van het konsumptieve afbetalingskrediet, met speciale verwijzing naar de situatie in Canada. Na een omschrijving van het begrip konsumptief afbetalingskrediet geeft de auteur een schets van de historische ontwikkeling van deze kredietvorm in Canada, alsmede een beschrijving van de werkwijze der diverse Canadese kredietinstellingen die afbetalingskrediet verlenen. Hierna volgt een uiteenzetting over de invloed, die het konsumptieve afbetalingskrediet kan uitoefenen op de effektieve vraag en daarmede op de konjunktuur. Ofschoon de auteur erkent dat het afbetalingskrediet destabiliserende invloeden kan hebben op konjunktuur en monetair evenwicht, is hij er geen voorstander van de selektieve kredietkontrole met betrekking tot de afbetalingskredieten als nieuwe monetair instrument in Canada te introduceren. Mede op grond van de dooreenleverbaarheid der kredieten — het eenzijdig opleggen van restrikties ten aanzien van de afbetalingskredieten zonder aanvulling van een dergelijke maatregel met globale, kwantitatieve kredietkontrole kan er gemakkelijk toe leiden, dat de specifieke kredietvraag die men wilde beperken, uitwijkt naar niet aan beperkingen onderworpen kredietvormen — is de heer Vorstermans van oordeel, dat de selektieve kredietkontrole (in casu de beperking van afbetalingskredieten) een weinig effektieve vorm van kredietrestriktie is. Daarom geeft hij de voorkeur aan het reeds in Canada bestaande globale instrument van de kwantitatieve kredietkontrole.

ming van de konsument-kredietnemer. Interessant is in dit verband de vermelding dat een aantal Canadese kredietinstellingen, aangesloten bij de Canadian Consumer Loan Association, een „code of ethics" kennen, een aantal bepalingen tot strekking hebbend de konsument te beschermen, aan welke bepalingen de kredietverstrekkers zich moreel gebonden achten. Overheidsvoorschriften ten aanzien van de aanbetaling, de kontraktsduur en de maximaal in rekening te brengen kredietkosten vindt de auteur — vanwege hun arbitrair en discriminerend karakter alsmede wegens de voortdurende wijzigingen die zij moeten ondergaan in een dynamische economie — minder geschikt wanneer het er op aankomt de konsument te beschermen. Meer heil ziet de heer Vorstermans in de verplichting voor de kredietinstellingen tot het verschaffen van duidelijke informatie aan de konsument met betrekking tot de hoogte van de rente en de andere kredietkosten, die in de aflossingsbedragen zijn begrepen, opdat de konsument op basis van deze informatie rationeel kan kiezen tussen de alternatieve kredietbronnen die voor hem beschikbaar zijn.

Behalve aan de meer macro-economische konjunkturele en monetaire aspekten van het afbetalingskrediet schenkt de schrijver ook ruim aandacht aan de problemen die deze kredietvorm oproept met betrekking tot de bescher-

De heer Vorstermans 'is in 1918 in Arcen (L.) geboren. Hij studeerde economische wetenschappen aan de Katholieke Hogeschool te Tilburg, waar hij in 1942 slaagde voor het doctoraal examen in de bedrijfshuishoudkundige richting. Hij vervulde vervolgens een aantal funkties in het bedrijfsleven. In verband daarmee verhuisde hij in 1956 naar Halifax in Canada (de heer Vorstermans heeft inmiddels de Canadese nationaliteit verworven). In 1957 werd hij benoemd tot hoogleraar in de economie aan Saint Mary's University te Halifax.

OMk

5


Mededelingen Faculteit der Economische Wetenschappen Doctoraalstudenten, die voor het vak Algemene Economie (docent prof. Schouten) een scriptie willen schrijven, worden verzocht hierover tijdig contact op te nemen met ondergetekende. Drs. A. Kolnaar

Tweede deel: Hfd. I Hfd. II Hfd. Ill Hfd. V

De voorzitter van de faculteit der economische wetenschappen deelt mede, dat de data voor het schriftelijk kandidaatsexamen rond Pasen 1967 als volgt zijn samengesteld: donderdag 9 maart: Economische geschiedenis. vrijdag 10 maart: Sociale wijsbegeerte. maandag 13 maart: Geld-, krediet- en bankwezen. dinsdag 14 maart: Financiewezen van de onderneming. woensdag 13 maart: Burgerlijk- en handelsrecht. donderdag 16 maart: Organisatie van de onderneming. vrijdag 17 maart: Algemene leer en geschiedenis van de economie.

Pro/, mr. A. Pitlo, Het systeem van het Privaatrecht:

Vóór de Paasvakantie:

Prof. dr. C. P. Scheffer

De heer C. Doehring, voorzitter van het „Hermann Lindrath-Gesellschaft e.V." (Europaische Vereinigung für Eigentumsbildung), zal op dinsdag 24 januari a.s. een lezing houden over „de inkomenspolitiek in de Bondsrepubliek". Het tijdstip van aanvang zal nog bekend gemaakt worden.

I

Algemene beginselen;

II IV VI

Draagplicht, aansprakelijkheid, verhaal; Meervoudigheid; De praestatie;

VII Achterwege ilijven van de praestatie; VIII Het tenietgaan van de verbintenis. Uit de drie keuzewerken, vermeld op pag. 183 van de Studiegids 1965 - 1966, dient ter keuze vgn de candidaat bet volgende bestudeerd te worden: óf

doctoraal I: maandag 13 maart; doctoraal II: maandag 20 maart.

Nederlandse

Hfd. IX De eigendom. Hfd. XI De bronnen der verbintenis. Hfd. XII De verbintenis:

Voorts is na de Kerstvakantie gereserveerd voor: doctoraal I: vrijdag 27 januari; doctoraal II' vrijdag 3 februari.

par. 2 (boekhouding). Verenigingen, maatschap en vennootschappen, par. 3, 4, 5, 6, 7 en 8. Makelaars etc, par. 1, 2 en 3. Verzekering.

Völlmar:

Deel III, hfd. I tot en met IV; óf Dor hout Mees: alleen die gedeelten, die betrekking hebben op de handelsvennootschappen (vennootschap onder firma, commanditaire vennootschap en naamloze vennootschap); óf: Van der Heijden: Vierde hoofdstuk: Kapitaal en aandelen; Vijfde

hoofdstuk: De algemene vergadering;

Achtste hoofdstuk: Het vermogen. Prof. mr. F. J. W.

Namens het bestuur van de Tilburgse Economische Faculteitsvereniging: P. J. M. L. Tieleman, h.t. assessor

Löuensteyn

KEUZEVAK VOOR HET DOCTORAALEXAMEN: Deze mededeling geldt alléén voor candidandi die in 1966 op het candidaatsexamen het vak „rechtswetenschap" herhalen. Zij kunnen volstaan met het bestuderen van de volgende stof: Mr. H. D. M. Knol, Beginselen van het Privaatrecht: Eerste deel: Hfd. II Hfd. III Hfd. IV

6

Zakenrecht (met uitzondering van par. 19: Erfrecht). Verbintenissen, overeenkomsten. De bijzondere overeenkomsten, par. 1, 2, 4, 6, 7, 11. 13. 14 en 15.

HANDELSRECHT EN ECONOMISCH RECHT Overgangsregeling tentamen en examen Ter aanvulling op en ter samenvatting van de regeling vermeld in de literatuurlijst van de Faculteit der Economische Wetenschappen, d.d. oktober 1966, pag. 16, diene het volgende: 1. De stof voor het tentamen resp. examen, in het keuzevak handelsrecht en economisch recht, bestaat uit twee onderdelen, te weten: 1, handelrecht; 2. economisch recht.


Het economisch recht bestaat uit twee capita selecta. Uitgaande van het principe dat het college in het keuzevak twee-jarig is, wordt elk academisch jaar, naast de stof voor het onderdeel handelsrecht, een caput gedoceerd. Aangezien deze regeling pas in werking is getreden met ingang van bet academisch jaar 1966 - 1967, is nog slechts één caput aan de orde gesteld, te weten: „het recht van leasing en factoring"

zich ten minste drie weken vóór de datum van het tentamen (examen) te wenden tot prof. Löwensteyn op diens spreekuur. 5. Zij, die van de onder 2 bedoelde gelegenheid geen gebruik wensen te maken, kunnen zich wenden tot prof. Löwensteyn voor de vaststelling van een bijzonder caput, dat dan als tweede caput, naast het reeds genoemde recht van leasing en factoring, kan worden bestudeerd. Prof. mr. Pi W. } . Löwensteyn

dat gedurende genoemd academisch jaar wordt gedoceerd. Wel zijn in het kader van het toenmalige keuzevak „economisch recht" gedurende de eerste twee trimesters van het academisch jaar 1965 -1966 door prof. Van Wijmen de grondbeginselen van het ooteigeningsrecbt gedoceerd, terwijl in aanvulling daarop in het derde trimester door prof. Löwensteyn een kort overzicht is gegeven van het „recht van de erfpacht op huurkoopbasis". Teneinde degenen die de studie van het onteigeningsrecht reeds hadden aangevangen in de gelegenheid te stellen deze studie tot zijn recht te laten komen, worden de beide hierboven genoemde onderwerpen tezamen beschouwd als één caput. Het bedoelde „onteigeningsrecht" zal voor hen, die dit caput tot onderdeel van het tentamen, resp. examen wensen te maken, nog door prof. Vao Wijmen — uiteraard in verkorte vorm — in het kader van het tentamen van het keuzevak worden geëxamineerd. In verband daarmede dienen zij, die dit caput tot onderdeel van hun tentamen (examen) willen maken.

ÏXAMENREGELING FACULTEIT DER ECONOMISCHE WETENSCHAPPEN Studenten, die op grond van hun resultaten bij de schriftelijke kandidaatstentamens geen examen willen doen en bet jaar daarna geheel opnieuw willen beginnen, kunnen een verzoek daartoe doen bij de voorzitter van de economische faculteit op zijn spreekuur. Alleen verzoeken, die tijdig vóór het begin van de nieuwe reeks worden gedaan, kunnen in behandeling worden genomen. De secretaris van de faculteit. Prof. dr. H. W. J. Bosman

Boekhouden testimonium en Boekhouden accountancy van dhr. Siebeling zal worden afgenomen op vrijdag 20 januari 1967 van 9.30 uur tot 12.30 uur en van 14.(» uur tot 17.00 uur, in C 8. Opgave per tentamenkaart tot en met 10 januari 1967.

Mededelingen Faculteit der Sociale Wetenschappen TENTAMEN WISKUNDE-A VOOR SOCIOLOGEN Op 20 januari a.s. zal het tentamen Wiskunde-A Socio-

logen worden afgenomen voor hen die hiervoor geen vrijstelling hebben, 's morgens van 10.00 tot 12.00 uur.

7


Mededelingen Faculteit der Rechtsgeleerdheid SCHEMA EXAMENDATA december 1966 19, 20 en 21 december: tentamen inleiding staatsrecht tentamen inleiding strafrecht januari 1967 \6 t / m 20 januari: examen C 1 examen C 2 ( + Romeins recht) mei 1967 22 t / m 26 mei: tentamens C 2 juni 1967 19 t / m 23 juni:

26 t/m 30 juni: iuli 1967 3 t / m 7 jnli: september 1967 18 t / m 22 september: 25 t / m 29 september: oktober 1967 9 t / m 13 oktober: 16 t / m 20 oktober:

examen C 2 tentamens D 1 (indien geen 3e-jaars proef werd afgelegd) examen C 1 3e-jaars toets examen D 1 tentamens D 1 (indien geen 3e-jaars proef werd afgelegd) tentamens C 2 examen D 1 examen C 1 3e-jaars toets examen C 2

De Juridische Factaulteitsvereniging Tilburg rekent het zich tot een eer U te kunnen mededelen, dat haar bestuur voor de komende bestuursperiode • als volgt is geformeerd: J. H. M. Willems, praeses; R. S. F. J. M. van der Lugt, vice-praeses; H. G. M. Krabbe, ab-actis; A. Hammerstein, quaestor; Mej. M. J. F. C. J. Beks, assessor Voor het bestuur: H. G. M. Krabbe, h.t. ab-actis Derde-jaars toets Degenen die geen gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid om de 2gn. derde-jaars toets af te leggen in de vakken burgerlijk recht (met inbegrip van de beginselen n u bet internationaal privaatrecht) en handelsrecht, staatsrecht (met inbegrip van de beginselen van het bestuursrecht) en strafrecht, zullen voor de vakken waarin zij die toets niet hebben afgelegd, alsnog tentamen moeten doen binnen veertien dagen voordat het doctoraal examen eerste gedeelte wordt afgelegd. Doctoraal examen Nederlands Recht eerste gedeelte Het doctoraal examen eerste gedeelte, omvattende de 8

vakken burgerlijk recht (met inbegrip van de beginselen van het internationaal privaatrecht) en handelsrecht, staatsrecht (met inbegrip van de beginselen van het bestuursrecht) en strafrecht, zal commissionaal worden afgenomen. De examencommissie bestaat uit de hoogleraren Jeukens, Schoordijk, Bronkhorst en Deelen. De duur van het examen is vastgesteld op v^f kwartier. Doctoraal examen Nederlands Recht tweede gedeelte Voor het tweede gedeelte van het doctoraal examen worden twee scripties verplicht gesteld. De eerste moet betrekking hebben op het kernvak van de door de candidaat gekozen richting. De examenstof zal voor dit vak in beginsel zijn het onderwerp van de scriptie. De tweede scriptie zal betrekking moeten hebben op een van de keuzevakken, zulks naar keuze van de candidaat. Vrijstellingen doctoraal examen Nederlands Recht na afgelegd doctoraal examen fiscaal-juridische studierichting. Voor wat betreft het eerste gedeelte van het doctoraal examen zal nog examen (tentamen) moeten worden afgelegd in de vakken: staats- en administratief recht, straf- en strafprocesrecht, burgerlijk handels- en burgerlijk procesrecht, internationaal privaatrecht, wijsbegeerte van het recht en kanoniek recht. M.b.t. de eisen welke voor de diverse vakken gesteld zullen worden, kunnen inlichtingen worden ingewonnen bij de betreffende hoogleraren. Ook dient te worden overgelegd het bewijs dat regelmatig is deelgenomen aan de zittingen van de studentenrechtbank. In bijzondere gevallen kan hiervan vrijstelling worden verleend. Aangezien voor de fiscaal juristen de vakken belastingrecht, bedrijfseconomie a i openbare financiën reeds deel uitmaakten van hun doctoraal examen, ontmoet het bij de Faculteit geen bezwaar, indien voor het aanvullend examen twee van deze vakken als keuzevak worden genomen. In deze vakken zal alsdan niet opnieuw tentamen c.q. examen behoeven te worden afgelegd. De rest van het doctoraal examen tweede gedeelte zal integraal moeten worden afgelegd. Eventueel is het mogelijk met een zekere aanpassing van het tijdschema van tentamens en examens reeds tijdens de fiscaal rechtelijke studierichting Nederlands Recht tentamens en examens af te leggen. Vrije studierichting De Faculteit der Rechtsgeleerdheid heeft besloten de mogelijkheid open te stellen een doctoraal examen in de vrije studierichting af te leggen. Het candidaatsexamen in deze studierichting is gelijk aan het candidaatsexamen Nederlands Recht. Het doctoraal examen omvat als hoofdvak één van de vakken van de Faculteit, door de candidaat gekozen onder goedkeuring van de Faculteit, en als bijvakken drie vakken, door de candidaat onder goedkeuring van de Faculteit gekozen uit de vakken van de Faculteit of wat één daarvan aangaat, uit de vakken van een andere Faculteit. Voor goedkeuring als hoofdvak zullen slechts één van de drie keuzevakken (burgerlijk recht, strafrecht of staatsrecht) in aanmerking komen.


Mededelingen algemeen VASTGESTELDE DATA VOOR DE AANVANG EN BEËINDIGING VAN DE COLLEGES IN H E T STUDIEJAAR 1966 -1967 De Kerstvakantie zal maandag 23 januari beëindigd zijn. Paasvakantie: vrijdag 17 maart zullen de colleges eindigen en op maandag 10 april zullen ze wederom aanvangen. Het derde trimester zal eindigen op 9 juni.

• Met ingang van 15 december 1966 is tot directeur van het Economisch Instituut Tilburg benoemd prof. dr. J. J. J. Dalmulder. Het dagelijks bestuur van het instituut is nu als volgt samengesteld: prof. dr. C. F. Scheffer, voorzitter; prof. dr. H . O. Goldschmidt, vice-voorzitter; prof. dr. Th. C. M. J. van de Klundert, secretaris; prof. dr. H. W. J. Bosman, penningmeester.

• Bij Koninklijk Besluit van 22 november 1966 is mr. A. A. M. Struycken benoemd tot minister van Justitie. Mr. Struycken is sinds mei 1964 curator van de Katholieke Hogeschool.

• Aan de heren dr. C. N . M. Kortmann en mr. dr. B. J. M. van Spaendonck is met ingang van 1 januari 1967 ontslag verleend als curator van de Katholieke Hogeschool. De heer Kortmann heeft gemeend zich als curator te moeten terugtrekken om bij het streven naar een spoedige uitbreiding van de universitaire voorzieningen in de provincie Noord-Brabant geheel vrij te staan van iedere binding met enigerlei instelling van wetenschappelijk onderwijs. De heer Kortmann is sinds 1962 curator; tot 1964 was hij voorzitter van het college van curatoren. Het ontslag van de heer Van Spaendonck geschiedt overeenkomstig een bepaling in de statuten, dat het bereiken van de 70-jarige leeftijd tot aftreden noopt. De heer Van Spaendonck is eveneens sinds 1962 curator; van 1927 tot 1962 was hij sekretaris van het college van curatoren. • STUDIUM GENERALE Op woensdag 1 februari 1967 zal de heer B. J. Bertina een tweetal voordrachten houden met als onderwerp: „De moderne filmstromingen" (zie programma-boekje). Deze voordrachten zullen gegeven worden in de zaal van

de Harmonie, Stationsstraat, 's avonds om 20.00 uur. Na afloop zal de film „Le Mepris" vertoond worden. Namens de commissie voor het Studium Generale, W. Punte, secrtttiris. • Op donderdag 15 december 1966 heeft prof. mr. J. E. J. Th. Deelen, hoogleraar in het burgerlijk recht, handelsrecht, internationaal privaatrecht en privaatrechtelijke rechtsvergelijking aan de Katholieke Hogeschool te Tilburg, officieel zijn ambt aanvaard met het uitspreken van een aanvaardingsrede, getiteld: „De blinddoek van Von Savigny". • „BREDA-COLLECTIE". Er blijkt bij de Tilburgse studenten veel belangstelling te bestaan voor het lenen van werken uit de „BredaCollectie". Tot nu toe zijn meer dan 70 aanvragen uit Tilburg bij het secretariaat van de „Breda-Collectie" ontvangen. Men kan ook nu nog aanvragen insturen. Ook de catalogus is nog verkrijgbaar bij het secretariaat van de „Breda-Collectie", p / a Bierbrouwerij N.V. De Drie Hoefijzers, Ceresstraat te Breda.

• POSTDOCTORALE LEERGANG EUROPESE INTEGRATIE TILBURG—ROTTERDAM 7 JANUARI T O T 18 MAART 1967 De industrie-politiek in een Europese gemeenschap. De industriële ontwikkeling in Europa, in verband met de groeiende economische eenwording in de E.E.G. en in vergelijking met de ontwikkeling in de Verenigde Staten, behoort momenteel tot de actuele onderwerpen van gesprek. Om deze reden hebben de Nederlandse Economische Hogeschool te Rotterdam en de Katholieke Hogeschool te Tilburg in samenwerking met de Raad van Nederlandse Werkgevers Verbonden besloten de postdoctorale leergang voor dit jaar te wijden aan de industrie-politiek in een Europese Gemeenschap. Ten behoeve van de discussie, zal ieder college-onderwerp door twee docenten worden ingeleid, respectievelijk van 10.00 - 11.00 en van 11.00 - 12.00 uur. Na afloop van het tweede college-uur is er gelegenheid tot discussie met beide docenten tot 13.00 uur. Discussieleiders zijn: dr. E. W. Meier, prof. dr. J. Kymmell en prof. jhr. dr. F. A. M. Alting von Geusau. PROGRAMMA VAN DE CURSUS TILBURG: 7 januari 1967: Opening van de cursus: prof. jhr. dr. F. A. M. Alting von Geusau. 1. Betekenis van de E.E.G. voor de industrie, prof. dr. A. H. M. Albregts en drs. W. J. van Slobbe.


21 januari 1967: 2. De onderneming en het sociaal beleid in de E.E.G.. toi. J. C. v«ii Gorkom en prof. dr. W. Albeda. 4 februari 1967: 3. De industrie in de buitenlandse betrekkingen van de E.E.G. in het bijzonder de invloed van amerikaanse investeringen op de industriële ontwikkeling in de E.E.G., drs. G. B. de Grooth en prof. dr. J. Kymmell. ROTTERDAM: 18 februari 1967: 4. De aanpassing van ondernemingen aan de Gemeenschappelijke Markt. prof. mr. drs. H. Langman en prof. mr. W. L. Snijders. 4 maart 1967: 5. Marketing en marketing-beleid in de E.E.G., drs. S. C. Bakkenist en dr. M. Weisglas.

een voorkeur voor een bedrijfstak aangegeven kan worden. Voor stages buiten Europa is het candidaatsexamen een minimaal vereiste, terwijl een gelopen Europese stage tot aanbeveling strekt. De stage-fee ter dekking der kosten bedraagt voor stages in Europa ƒ 45,—, voor stages buiten Europa ƒ 65,—. De inschrijving, waarvoor de desbetreffende formulieren op het bureau Studentenbelangen verkrijgbaar zijn, staat open tot 20 februari 1967. Het inschrijfgeld, ƒ 25,—, dient vóór 20 februari 1967 gestort te zijn bij de Firma F. van Lanschot te Tilburg t.g.v. AIESEC-Tilburg. De inschrijfgelden zullen worden geretourneerd indien — de stage-aanvraag niet gehonoreerd kan worden; — na de stage enkele stage-rapportformulieren ingevuld zijn. Voor AIESEC-TILBURG, R, J. M. Brenninkmeijer

18 maart 1967: 6. Europese Gemeenschap in perspectief: problemen van research en ontwikkeling, ir. Th. P. Tromp en prof. Jr. C. J. F. Böttcher. Sluiting van de cursus door prof. dr. J. Kymmell.

Onder auspiciën van het curatorium van de hogeschool en van het Nederland - Amerika instituut zal op dinsdag il januari 1967 een opvoering plaats vinden van „Spoon River" van Edgar Lee Masten door het Amerikaanse beroepsacteurgezelschap de Brinkmaan American Players.

De colleges worden, zoals gebruikelijk, gegeven op zaterdagen om de veertien dagen.

De voorstelling wordt gegeven in de aula en vangt aan te 20.15 uur.

De op 7 januari, 21 januari en 4 februari te houden colleges worden gegeven in het gebouw van de Katholieke Hogeschool te Tilburg.

Het curatorium nodigt alle leden van de hogeschoolgemeenschap uit, eventueel vergezeld van introducé's, bij deze gratis toegankelijke voorstelling aanwezig te zijn.

Op 18 februari, 4 maart en 18 maart worden de colleges gegeven in het gebouw van de Economische Hogeschool te Rotterdam. De colleges vangen aan 's morgens om 10.00 uur. Vanaf 13.00 uur is er gelegenheid de lunch te gebruiken voor hen, die zich daarvoor hebben ingeschreven. Inschrijfgeld: Het inschrijfgeld (exclusief lunch) bedraagt ƒ 50,— voor de gehele cursus. Vermindering van het inschrijfgeld kan in bijzondere gevallen op verzoek verleend worden. Inschrijving voor de leergang kan geschieden door overschrijving van het inschrijfgeld bij de AMRO-Bank N.V., Spoorlaan 110 te Tilburg (Giro: 10910})) onder vermelding van: John F. Kennedy Instituut i.o. „Leergangen". Nadere gegevens worden na ontvangst van het inschrijfgeld toegezonden. Verzoeke alle correspondentie over de leergang te richten aan: drs. J. A. van Lith, secretaris John F. Kennedy Instituut i.o.. Hogeschoollaan 225 te Tilburg.

VOOR U W PRACTISCHE ERVARING:: GO/AIESEC Evenals in de vorige jaren zal het locale AIESEC-committee dit jaar haar bemiddeling verlenen voor het verkrijgen van een stage voor studenten in de economische wetenschappen aan de Katholieke Hogeschool te Tilburg. De stageduur is gemiddeld acht weken, terwijl een ruim voldoende renumeratie door de stagiaire genoten wordt. Er bestaat een keuze uit ruim 41 landen, waarbij tevens 10

ZOMERCURSUSSEN AAN FRANSE UNIVERSITEITEN Op het bureau Studentenbelangen ligt ter inzage een boekje van het „Office national des Universités et Ecoles francaises", dat een overzicht geeft van de zomercursussen 1967, door de Franse universiteiten voor buitenlanders georganiseerd. Dit boekje bevat tevens alle gegevens m.b.t. inschrijving.

ZWITSERSE STUDIEBEURZEN VOOR NEDERLANDSE STUDENTEN 1967 -1968 Hiermede bericht ik U, dat de Zwitserse Regering voor bet akademisch jaar 1967-1968 (oktober 1967 - juli 1968) twee beurzen ter beschikking stelt van Nederlandse studenten, die zo mogelijk het kandidaatsexamen hebben afgelegd en voor pas afgestudeerden, die ter voortzetting van hun studie of specialisatie een jaar aan een Zwitserse universiteit willen studeren; kennis van de Duitse en/of Franse taal is een vereiste. In verband met de grote toeloop tot de Franstalige universiteiten, rijn deze beurzen bij voorkeur bestemd voor studie aan een Duitstalige universiteit. De beurs bedraagt 550 tot 700 Zwitserse francs per maand. Het hangt af van de kwalificaties van de kandidaat hoeveel hij zal ontvangen. Reiskosten komen ten laste van de kandidaat. Aanvragen kunnen vóór 31 januari 1967 worden ingediend bij de afdeling Internationale Culturele Betrek-


kingen van het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen, Nieuwe Uitleg 4 te 's-Gravenhage. Deze moeten geschieden op een formulier dat te verkrijgen is bij genoemde afdeling. Het formulier moet in viervoud worden ingediend. Hierbij dienen aanbevelingen van twee bij de studie betrokken hoogleraren (zo mogelijk ook in het Duits, Frans of Engels) gevoegd te worden, alsmede een pasfoto. Mej. mr. E. Talsma

• ITALIAANSE STUDIEBEURZEN ZGN. „PREMIO Dl STUDIO" 1967. De Italiaanse Regering heeft voor 1967 een aantal beursmaanden, zgn. „premie di studio", tel beschikking gesteld voor het volgen van een zomercursus in de periode van 13 juli tot 31 oktober a.s. Het beursbedrag van een maandbeurs is gesteld op 90.000 lire. Deze beursmaanden zijn ia principe bestemd voor: a. studenten tussen 21 en 33 jaar die Italiaanse taal- en letterkunde als hoofd- of als bijvak studeren en die in verband met hun studie in Italië een zomercursus willen volgen aan een Italiaanse instelling van hoger onderwijs; b. jonge musici of leerlingen van een conservatorium tussen de 21 en 35 jaar die in Italië de zomercursus van de „Academia Musicale Chigiana" te Siënna willen volgen. Ook gevorderde studenten van een andere studierichting dan het Italiaans of pas afgestudeerden kunnen naar een beurs mededingen indien blijkt dat een studieverblijf m Italië noodzakelijk is. Enige kennis van de Italiaanse taal is daarbij wel gewenst. Reiskosten van Nederland naar Italië v.v. komen ten laste van de kandidaat. Zij die naar een „premie di studio" wensen te solliciteren kunnen tot uiterlijk 15 februari 1967 een aanvrage op een daartoe strekkend formulier in tweevoud indienen bij de afdeling Internationale Culturele Betrekkingen van het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen, Nieuwe Uitleg 4 te 's-Gravenhage. Deze formulieren, welke zijn aan te vragen bij de afdeling voornoemd, dienen vergezeld te zijn van: 1. twee aanbevelingen van hoogleraren of andere daartoe gekwalificeerde personen (voor musici een verklaring van het conservatorium hoe ver men met de studie gevorderd is). Het zal worden gewaardeerd indien de aanbeveling in het Italiaans, Frans, Engels of Duits is gesteld;

STUDIEBEURZEN BESCHIKBAAR GESTELD DOOR DE NOORSE REGERING VOOR HET ACADEMISCH JAAR 1967 - 1968 In het kader van het Nederlands - Noors cultureel verdrag stelt de Noorse Regering voor het academisch jaar 1967 -1968 twee studiebeurzen van negen maanden ter beschikking van Nederlandse studenten. De beurs is bestemd voor studenten, die tenminste twee jaren academische studie hebben verricht. Zij, die het kandidaatsexamen hebben afgelegd genieten echter de voorkeur. Zo ook studenten, die een studie-onderwerp hebben, dat betrekking heeft op Noorwegen (taal, literatuur, geschiedenis, recht, folklore, biologie, geologie, enz.). De maximumleeftijd der kandidaten is op 30 jaar gesteld. De beurzen zullen in de eerste plaats dienen voor studie aan een Noorse instelling van hoger onderwijs, w.o. de Staatsakademie voor Beeldende Kunsten, maar kunnen ook gebruikt worden voor studie aan andere wetenschappelijke instellingen, bibliotheken, enz. Het bedrag van de beurs is vastgesteld op 800 N.Kr. per maand. Bij wijze van uitzondering kan eventueel aan twee kandidaten een beurs van vier maanden worden toegekend. Bij aankomst in Noorwegen wordt voorts een extra toelage van 200 N.Kr. verstrekt, teneinde te kunnen voorzien in de eerste uitgaven (b.v. ziektekosten-verzekering, enz.). Reiskosten in Noorwegen kunnen worden vergoed, alsmede de kosten voor de aankoop van studieboeken gedurende het academisch jaar tot een bedrag van 200 N.Kr. De reiskosten heen en terug komen voor rekening van de beurshouder. Sollicitaties dienen vóór 1 april 1967 gericht te worden tot de afdeling Internationale Culturele Betrekkingen van het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen, Nieuwe Uitleg 4 te 's-Gravenhage. Hierin moet worden vermeld: 1. personalia; 2. behaalde diploma's en verrichte studie; 3. een duidelijke omschrijving van het studiedoel in Noorwegen, met opgave van de instelling, waaraan men wil studeren; 4. een mededeling omtrent de kennis van de Noorse taal en andere vreemde talen; voorts moet worden bijgevoegd:

2. pasfoto's;

5. aanbevelingen van twee bij de studie betrokken hoogleraren of andere daartoe gekwalificeerde personen, zo mogelijk gesteld in de Engelse taal;

3. een bewijs van goede gezondheid van de huisarts (in het Italiaans, Engels, Frans of Duits gesteld).

6. een pasfoto.

Mej, mr. E. Talsma

Mej. mr. E. Talsma

11


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook