Skip to main content

1966 11

Page 1

Tilburgs Hogeschoolblad jaargang 3

-

maandblad

Redactie: F. Th. M. de Chano P. J. M. L. Tieleman L. M. Moerings B. M. f. Pauw

n u m m e r 11

d e c e m b e r 19B6

V. G. M. Feldbrugge (Public relations) f. f. M. de Bont (Hoofd Bureau Senaat) Redactie-adres: Hogeschoollaan 225, Tilburg

Olaf '66 Na met veel succes in 1964 en 1965 de tentoonstellingen Olaf 64 en Olaf 65 te hebben georganiseerd, heeft de commissie Olaf 66 van het Tilburgs Studenten Corps „St. Olof" besloten dit jaar weer een expositie in te richten. Had Olaf 64 een regionaal karakter en Olaf 65 een meer landelijk, dan pretenderen wij met deze tentoonstelling, waar een aantal prominenten van de Nederlandse kunstenaars aan meewerken, een overzicht te geven wat er momenteel op dit terrein in Nederland gaande is. Dat dit voor het Brabantse kunstleven een belangrijke manifestatie is moge duidelijk zijn. Onze opzet bij het organiseren van deze verkooptentoonstelling is daarbij drieledig: Allereerst het bij velen bestaande vooroordeel, dat studenten met kunst niets van doen zouden hebben, uit de weg ruimen. Exclusiviteit en geslotenheid werkten begrenzend. Het Corps dient daarentegen positief en actief naar buiten te treden. K t initiatief is er een exponent van. Ten tweede de sociëteitszalen, welke bij uitstek geschikt zijn voor een expositie, zijn voor het overgrote deel gefinancierd met gemeenschapsgelden. Ze staan evenwel door de lange studievacanties gedurende vijf maanden per jaar leeg en onbenut. Een tentoonstelling is uitstekend geschikt om het sociaal rendement van het bouwwerk op te voeren. Ten derde het organiseren van een expositie is vooral verantwoord in het kader van cultuurspreiding.

De sociëteit is gelegen in de nieuwe woonkern van Tilburg. De entree- en catalogusprijs wordt zo laag mogelijk gehouden om geen enkele belemmering te vormen voor een groot publiek. Dat de vorige tentoonstellingen een succes waren blijkt o.m. uit het bezoekersaantal, dat beide jaren ongeveer 1500 bedroeg. Gezien de zeer grote bekendheid van de exposanten verwachten wij dit jaar een aanzienlijk hoger aantal bezoekers. Van de 65 in 1964 geëxposeerde werken werden er 19 verkocht, in 1965 bedroeg dit aantal 12 van de 51. Dit zal ook mede een gevolg zijn van de verkoopsubsidie welke het Ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk verleend heeft. De commissie streeft ernaar dit jaar deze faciliteit weer te kunnen bieden. De onderstaande kunstenaars hebben reeds toegestemd aan de expositie deel te nemen, terwijl met enige anderen nog onderhandelingen gevoerd worden, te weten: K. Appel, M. van Beek, C. van Bohemen, W . Couzijn, J. Diederen, J. van Eyk, J. Gregoor, C. Louwinger, L. Lucebert, J. Sicking en C. Westerik. De expositie zal worden ondergebracht in Sociëteit „Asgard", Academielaan 9 te Tilburg. Ze zal lopen van donderdag 22 december 1966 tot en met zondag 8 januari 1967 en is permanent geopend van 14.00 tot 18.00 uur en van 19.00 tot 22.00 uur. Commissie Olaf 66

De doelstellingen van de onderneming Samenvatting van de rede gehouden ter gelegenheid van de 39e dies natatis van de Katholieke Hogeschool te Tilburg op donderdag 17 november 1966, door de rector magnificus, prof. dr. H. O. Goldschmidt. De zeer grote belangstelling voor de doelstellingen van de onderneming stamt vooral uit de laatste jaren. Enerzijds werd dit veroorzaakt door een groeiproces in de ontwikkeling van de bedrijfseconomie zelf, terwijl anderzijds vooral de laatste tijd ook andere wetenschappen hun bijdrage hieraan geleverd hebben en uitspraken hierover hebben gedaan. Zo werd het psychologische

begrip „nut" ingevoerd; van sociologische oorsprong stamde de idee om niet alleen met de belangen van de ondernemingsleiding rekening te houden, maar ook met de belangen van andere bij de onderneming betrokkenen, zoals de aandeelhouders, de arbeiders, de leveranciers, de afnemers, de kapitaalverschaffers en de concurrenten. Naast ontwikkellllg!>pj.ui m n In JK aerschillgBdë weten-

Kastnr. | BmuOTHEEK KATHOLIEKE HOGESCHOOL


schappen zelf, heeft ook een andere factor tot een intensievere belangstelling voor de ondernemingsdoelen bijgedragen. Met name door de voortdurende groei van bepaalde ondernemingen werd de identificatie tussen ondernemer en onderneming doorbroken en kreeg de onderneming een zelfstandige plaats binnen het maatschappelijk bestel. Zo raakten velen geïnteresseerd in het wel en wee van de onderneming. Het vaststellen van de ondernemingsdoelen heeft ook een duidelijke practische waarde, omdat aldus de vaak tegenstrijdige belangen van belanghebbenden kunnen worden gecoördineerd. Bovendien heeft de groeiende toepassing van de Operations Research in de bedrijfseconomie de noodzaak van een concrete uitspraak over de na te streven doelen duidelijk gemaakt. Gebleken is, dat het continuïteitsstreven van de onderneming onontkoombaar en essentieel is. Het nadeel van deze doelstelling is echter, dat zij op zich niet „operationeel" is. Men kan echter wel de voorwaarden onderzoeken waaronder deze doelstelling kan worden nagestreefd. Hierdoor wordt het continuïteitsstreven in feite een streven naar winst. Secundaire doelen hebben hun invloed op het primaire winststreven en moeten als zodanig ook ondergeschikt zijn aan het uiteindelijke winstdoel. Verder lom dit winstdoel duidelijker worden omlijnd, door te stellen — o.m. op basis van algemeen-economische beschouwingen over het economisch motief — dat winstmaximalisatie, hoewel niet zonder meer uit het continuïteitsstreven af te leiden, uiteinde-

lijk de grondslag vormt van alle ondernemingsactiviteiten. Resumerende kan men stellen, dat de onderneming binnen het kader van de realisatie van haar technische doel kan streven naar diverse (secundaire) doelstellingen. Daarbij zal zij echter, om haar maatschappelijke taak naar behoren te kunnen vervullen, uit hoofde van het primaire doel (de continuïteit) steeds streven naar winst en op het door het technische doel en de gebruikte secundaire doelstellingen bepaalde winstniveau, streven naar maximale winst. Deze opvatting is een synthese tussen de gedachten van winst-maximalisatie en vele andere doelstellingen, welke hier als secundaire doelstellingen in het stelsel van doeleinden worden opgenomen. Uit dit alles volgt dat de secundaire doelen — o.m. belangen van participanten in de onderneming — pas kunnen worden gerealiseerd als de bedrijfseconomische hoofddoelen zijn veilig gesteld. Tenslotte wordt opgemerkt dat winst-maximalisatie als doelstelling zonder meer niet operationeel is, omdat de bedrijfseconomie er nog steeds niet in geslaagd is een bruikbaar integraal model voor het ondernemingsgebeuren te bouwen. Dit is echter geen reden, om de conceptie van de winst-maximalisatie over boord te zetten. Op basis van de in de rede gegeven gedachtengang kan namelijk gesteld worden dat in de partiële modellen, welke de Operations Research hanteert, de integrale gedachte door middel van de gekozen doelstellingen kan worden ingebouwd.

De besloten N.V. Samenvatting van het proefschrift „De besloten N.V., fiscaal vergeleken met de persoonlijke ondernemer en met de open N.V." Tan nar. F. H. M. Grapperhaus, die op donderdag 10 november 1966 aan de Katholieke Hogeschool te Tilburg bij prof. dr. M. J. H. Smeets promoveerde tot doctor in de rechtsgeleerdheid. Uitgangspunt van dit proefschrift is, dat de Nederlandse fiscale wetgever in principe geen voorkeur aan de dag legt voor een bepaalde rechtsvorm van de onderneming. De auteur vat deze houding van de wetgever samen door de „leer van het globale evenwicht" te introduceren. Deze evenwichtstoestand poogt de wetgever te verwezenlijken door de belastingdruk op de winst van de naamloze vennootschappen en op de winst van persoonlijke ondernemers, in zijn totaliteit bezien, zoveel mogelijk gelijk te schakelen. Dit is geen eenvoudige zaak, zowel omdat de tarieven verschillend zijn alsook omdat de belastingplichtigen in bepaalde situaties de belastingheffing ten dele naar de toekomst kunnen verschuiven. Daar komt nog bij, dat de naamloze vennootschap aan dubbele belastingheffing is onderworpen, namelijk vennootschapsbelasting over de gemaakte en inkomstenbelasting over de uitgedeelde winst. Dat voor bepaalde gevallen heden niettemin voorkeur bestaan voor een bepaalde in een tabel en een groot

2

onder bepaalde omstandigvan de ondernemer kan rechtsvorm, toont schrijver aantal grafieken aan. Dit

kwantitatieve onderzoek werd met behulp van een computer verricht. De tabel en de grafieken waarin de door de schrijver berekende belastingdruk voor een groot aantal gevallen is verwerkt, kunnen een praktische hulp vormen, zowel voor de ondernemer die zich bij zijn keuze van de rechtsvorm voor zijn onderneming mede op dit materiaal kan oriënteren, alsook voor de wetgever die in de toekomst daarin een leidraad kan vinden om het effekt op het bestaande globale evenwicht na te gaan van voorgenomen fiscale maatregelen. De invloed van de winst, van de winstuitdeling, van het rendement, van het verschil tussen commerciële en fiscale winst en van de muntontwaarding is in de tabel en de grafieken duidelijk zichtbaar gemaakt. In het bijzonder besteedt Grapperhaus aandacht aan de fiscale „ins and outs" van de besloten naamloze vennootschap. In tegenstelling tot de open naamloze vennootschap onderkent schrijver bij de besloten naamloze vennootschap een zeker dualisme: de aandeelhouders in een dergelijke naamloze vennootschap staan ten opzichte van elkaar of ten opzichte van de naamloze vennootschap


self in nog een andere verhouding dan welke voortvloeit uit het „aandeelhouderschap sec", nu in dergelijke gevallen niet volstaan wordt met de primaire funktic van de aandeelhouders. Deze primaire funktie is immefs gericht op het verschaffen van kapitaal teneinde daardoor dividenden te ontvangen van het aldus belegde vermogen.

Mr. F. H. M. Grapperhaus is in 1927 in Utrecht geboren. Hij studeerde rechten aan de universiteit van Amsterdam en volgde daar ook de akademische opleiding voor belastingconsulent. Hij slaagde in 1952 voor het doctoraal examen in de rechtsgeleerdheid en in 1955 voor het examen voor belastingconsulent. Hij is sindsdien verbonden aan het accountantskantoor Bianchi & Co. te Amsterdam, vanaf 1959 als partner.

Schrijver beziet hoe nationaal en ook internationaal verschillende wetgevers de specifieke fiscale problemen van de aandeelhouders in dergelijke besloten naamloze vennootschappen benaderd hebben. Kritisch worden ia het bijzonder de rechtsgronden voor dergelijke aanmerkelijkbelangheffingen onderzocht.

Van de hand van de heer Grapperhaus is een aantal publikaties op fiscaal-economisch gebied verschenen. Hij is voorzitter van de Vereniging van Akademisch gevormde Belastingdeskundigen en onder meer lid van de Nederlandse Orde van Belastingconsulenten en van de Vereniging voor Belastingwetenschap.

Noden van de bejaarden Samenvatting van het proefschrift „Noden van de bejaarden" van drs. W. J. M. Mulders, die op donderdag 10 november 1966 aan de Katholieke Hogeschool te Tilburg bij de hoogleraren dr. J. A. Stalpers en mr. J. J. M. van der Ven promoveerde tot doctor in de economische wetenschappen. De schrijver is uitgegaan van een onderzoek waarbij meer dan 3000 personen geënquêteerd zijn, waaronder ruim 2500 bejaarden. I Q is hierbij tot de bevinding gekomen dat de noodsituaties van de bejaarden veelal tot uiting komen als: a. een huisvestingsprobleem; b. een knellende inkomenssituatie, doordat de bejaarden te kleine pensioenen hebben; c. een sociaal frictieprobleem, daar de maatschappij in al haar uitingen veelal produktief gericht is. Bij de bespreking van het huisvestingsprobleem bleek, dat de bejaarden veelal teleurgesteld zijn in hun verwachtingen ten aanzien van de aangepaste huisvestingsvormen, In verband hiermede bepleit schrijver dat bejaardenwoningen in het kader van een totaal huisvestingscomplex, onder de wet op de bejaardenoorden gebracht worden. Voorts moet een deskundig team, bestaande uit een geriater (in bejaardenzorg gespecialiseerde arts), een gerontologisch geschoold socioloog en een psycholoog/psychiater, verantwoordelijk zijn voor het opnamebeeld. Hierdoor zal voorkomen worden dat bij opname bepaalde relaties of de sociale status de doorsl ag geven. Met name moet meer dan tot op heden aandacht besteed worden aan de gehuwde bejaarden, voor wie relatief te weinig opvangmogelijkheden aanwezig zijn. Schrijver bepleit een complex van huisvestingsvormen met een aantal hulpinstituten, waarin de bejaarde een eenheid vindt van „wonen, verzorgen en verplegen". De bejaarden overplaatsen van het ene instituut naar het andere zal hierdoor verleden tijd zijn: niet de bejaarde moet naar de specialist, maar andersom. In verband hiermede bepleit de auteur o.a. de introductie van een ambulant team van deskundigen, dat aan meerdere bejaardencomplexen diensten verleent. De betreffende teams dienen gecoördineerd te worden in een landelijk bureau, waardoor onderzoek en beleid nationaal gericht zullen kunnen worden.

De bespreking van de inkomenssituatie van de bejaarden leidt tot de bevinding, dat de helft van onze momenteel bejaarde bevolking onvoldoende inkomen heeft, terwijl slechts 25 % kunnen bogen op voldoende tot zeer goede inkomens. Indien de huidige pensioensystemen gehandhaafd worden zal in de toekoms nog Va deel der bejaarden onvoldoende inkomen bezitten, terwijl eenzelfde aantal toereikend pensioen zal ontvangen. Daar de armoede zo massaal voorkomt toont schrijver zich een fel tegenstander van de Algemene Bijstandswet als middel om deze armoede te bestrijden. Immers, deze wet is een sluitstuk van onze sociale zekerheid, welke in principe individualiserend werkt en dient niet om massale verschijnselen te besrijden — aldus een van de argumenten. Tijdelijk wil de promovendus wel de Algemene Bijstandswet accepteren, mits met de belastingindicatie van betrokkene genoegen genomen wordt, zonder persooonlijk onderzoek van de sociale ambtenaar. Als definitieve oplossing ziet hij echter een toereikende pensionering. Als zwakke plek in ons huidig pensioneringssysteem worden aangeduid de particuliere pensioenvoorzieningen met de hieraan inherente fondsvorming. Schrijver voert vele argumenten aan voor het omslagstelsel, waarbij hem een welvaartsvast pensioen voor ieder voor ogen staat, ter grootte van 70 % c.q. 45 % van het in de actieve periode verdiende inkomen van de gehuwde c.q. ongehuwde bejaarde. Hij berekent dat hiervoor nodig zal zijn een extra belasting van het primaire inkomen van 17 %. In meerproduktiviteit uitgedrukt betekent dit per week per werkende persoon een extra arbeid van 7V2 uur. In deze 7V^ uur is tevens verdisconteerd het op peil houden van onze maatschappelijke kapitaal-goederenvoorraad. Hoewel deze extra belasting ook door de schrijver als zeer zwaar gezien wordt, vraagt hij zich af of de huidige aktieve bevolking, in wel begrepen eigenbelang, dit offer niet kan brengen indien men bedenkt dat

3


zonder dit offer de momenteel gehuwde bejaarde gemiddeld slechts 27 % van zijn primaire inkomen aan pensioen trekt en de ongehuwde bejaarde zelfs niet meer dan 17 %. Los hiervan berekent de auteur dat een volksverzekering die 0,13 % van het primaire inkomen aan premie heft, voldoende zal zijn om de bejaarden een plaats in een van de bejaardenhuisvestingsvormen te verzekeren en zonder dat zij nog een beroep hoeven te doen op de Algemene Bijstandswet. In het laatste deel, getiteld „sociaal welbevinden der bejaarde^', behandelt de schrijver het arbeidsaspect, het (vrije) tijdsaspect en het aspect van het sociaal welzijn. De arbeidssituatie wordt door het stellen van leeftijdsbarrières voor bepaalde funkties en maatschappelijke vooroordelen kis ongunstig onderkend. Nodig is daarom meer inzicht in de positieve mogelijkheden van de bejaarden en hiermee gepaard gaande goede pensioenvoorbereiding. Tot op heden heeft deze voorbereiding het nog niet verder gebracht dan weinig effectief gepraat over de te verwachten moeilijke financiële situatie. In verband hiermede wordt, evenals in het Torige deel, een nationaal research-centrum bepleit. Het basisidee van dit centrum zal moeten zijn dat „arbeid" en „zinvol bestaan" niet identiek behoeven te zijn. Vervolgens wordt de pensioneringsgrens aan de orde gesteld, waarbij schrijver bepleit om tijdens de deflatie een vaste grens te hanteren en tijdens de inflatie een flexibele grens. Een algemeen kenmerk van de tijdsbesteding blijkt de passiviteit te zijn. Nochtans hebben slechts 10 % van de bejaarden een tijdsbestedingsproblematiek. Na deze 10 % geanalyseerd te hebben en voor elk onderdeel een therapie te hebben gesteld, komt schrijver tot de algemene konklusie dat de bejaarden zelf een grote taak hebben bij de organisatie van de tijdsbesteding, omdat de bejaarden zelf milieu-, cultuur- en generatiegebonden zijn. Met name worden de niet-bejaarden gewaarschuwd de privacy van de bejaarden, om redenen van menselijke waardigheid, te erkennen. Om ook voor de bejaarden grotere inzichtelijkheid te verkrijgen op het terrein der dienstenverlening bespreekt de schrijver onder meer het werkterrein van de geestelijke volksgezondheid en het maatschappelijk werk. Hij

komt hierbij tot de konklusie dat deze terreinen fasegewijs tot één werkterrein moeten komen. Tot een volkomen tegengestelde konklusie komt de auteur wanneer hij de werkterreinen van pastorale zorg en maatschappelijk werk bespreekt. Hij wenst hier strikte scheiding te zien, zoals hij ook een onderscheid wil zien tussen sociale zorg (financiële hulp) en maatschappelijk werk (onstoffelijke hulp). De drie categorieën, werkzaam op het terrein van het maatschappelijk werk, te weten vrijwilligers, besturen en beroepskrachten, worden hierna nader besproken. Schrijver komt hierbij tot de konklusie dat het maatschappelijk werk uit moet groeien naar een beëdigd, vrij beroep, op analoge wijze gefinancierd als de artsen in het kader van het ziekenfonds. Tenslotte wordt aandacht besteed aan het reactiveringsvraagstuk, waarin alle bovengenoemde werkterreinen als het ware samengebundeld worden. Voor een harmonische samenwerking der onderscheiden werkterreinen is het o.a. noodzakelijk de invloed van de medische sector in te perken en tegelijkertijd de invloed van de maatschappelijke en pedagogische sector te vergroten, aldus de promovendus. Tenslotte wordt het gehele maatschappelijke organisatiepatroon aan een beschouwing onderworpen. Op dit gebied vindt de auteur herstructurering op regionale basis dringend gewenst. Eveneens is het hierbij noodzakelijk meer dan tot op heden de bejaarden zelf eigen inbreng te laten hebben. Indien immers de bejaarden geen maatschappelijke erkenning krijgen, zullen zij als pressiegroep, die 20 % van de kiesgerechtigden uitmaakt, hun eigen weg zoeken c.q. laten zoeken.

De heer W. J. M. Mulders is in 1928 in Breda geboren. Hij studeerde economische wetenschappen aan de Katholieke Hogeschool te Tilburg en behaalde in 1955 het doctoraal examen in de sociaal-economische studierichting. Hij werd in 1956 directeur van het Provinciaal Sociaal Charitatief Centrum Groningen. Sinds 1957 is hij directeur van het Stedelijk Sociaal Charitatief Centrum Roosendaal. Hij is tevens docent economie aan het Mgr. Frenckencollege te Oosterhout en het Dr. Mollerlyceum te Bergen op Zoom. De heer Mulders is bestuurslid van een groot aantal maatschappelijke organisaties.

Samenvatting promotie drs. Schobre Vooral door de verschijning van een officieel rapport over de ,Herziening van het ondernemingsrecht' — het zgn. rapport-Verdam — is de in Nederland gevoerde discussie over de medezeggenschap van de werknemers in de onderneming opnieuw opgeleefd. Deze discussie is grotendeels van theoretische aard, omdat praktische ervaringen met betrekking tot de in dit rapport voorgestelde maatregelen, zoals de benoeming van werknemerscommissarissen en het toekennen van grotere bevoegdheden aan de ondernemingsraad, in de lage landen ontbreken.

landse ervaringen, waarbij die met betrekking tot de zeer geavanceerde vormen van medezeggenschap in WestDuitsland wel het eerst in aanmerking komen. Merkwaardigerwij ze is daaromtrent in Nederland tot dusverre geen enkele enigszins uitgebreide studie verschenen en werd dit onderwerp slechts in enkele tijdschrift- en dagbladartikelen op beknopte wijze aan de orde gesteld.

Het ligt dus voor de hand lering te trekken uit buiten-

heeft.

4

Het doel van deze beschouwingen is in deze lacune te voorzien en de aandacht te vestigen op het overvloedige materiaal dat West-Duitsland in dit opzicht te bieden


De Duitse medezeggenschap wordt hier vooral bestudeerd vanuit het gezichtspunt van de sociale politiek, hetgeen het voordeel heeft, dat zowel economische en juridische als historische, psychologische en sociologische gezichtspunten daarbij ter sprake kunnen komen. Aangezien ernaar gestreefd wordt, een eerste algemene oriëntatie te verschaffen, wordt hoofdzakelijk gebruik gemaakt van de resultaten van door anderen in ruime mate verrichte onderzoeken, die in de literatuur over de Duitse medezeggenschap hun neerslag hebben gevonden. Van deze onderzoeken zijn die van Neuloh (I960), Blume (1962 en 1964) en Voigt (1962) van bijzonder belang. Zij worden dan ook uitvoerig besproken.

fabriekskern opgericht. Een andere ondernemer, die aan de arbeiders bepaalde medezeggenschapsrechten toekende was Peters, die in 1861 overging tot oprichting van een ondersteuningskas, welke later werd veranderd in een ,Altestenrat'> die voor de helft door de arbeiders werd gekozen.

Het begrippenapparaat met betrekking tot de medezeggenschap blijkt in Duitsland en in Nederland bij alle overeenkomst toch ook belangrijke verschillen te vertonen. Zowel het Nederlandse woord .medezeggenschap' als het Duitse woord ,Mitbestimmung' kunnen de betekenis hebben van medebeslissen en medeberaad. Terwijl echter de primaire betekenis in Nederland .medeberaad' is, is de primaire betekenis in Duitsland ,medebeslissen'.

Behalve van de zijde der ondernemers kwamen ook voorstellen van de zijde der arbeidersleiders, zoals Winkelblecb en Born. De socialistische ideologie van grote groepen der arbeiders en de sterke band die hun vakorganisaties gedurende vele jaren hadden met het socialistische partij-apparaat verhinderde echter een verzoening met de .Expropriateure', die in de klassenstrijd vernietigd moesten worden.

Dit maakt het niet mogelijk, het woord .medezeggenschap' en het woord .Mitbestimmung' zonder meer dezelfde betekenis toe te kennen, tenzij men het uitsluitend bezigt als generiek begrip. Aangezien in Nederland een zelfstandige term ontbreekt, om de begrippen .medebeslissende medezeggenschap' en .medeberadende medezeggenschap' te omschrijven, wordt voorgesteld, daarvoor de termen .codeterminatie' en .codeliberatie' te introduceren. In Duitsland worden beide begrippen aangeduid door de woorden .Mitentscheidung' en .Mitwirkung'. Er wordt op gewezen, dat in het Engelse taalgebied omstreeks 1951 op soortgelijke wijze het nieuwe woord .codetermination' is ontstaan.

De eerste wettelijke maatregel betreffende de medezeggenschap in Duitsland wordt het best gesitueerd in 1891 toen het .Arbeiterschutzgesetz' in Pruisen werd ingevoerd, nadat sinds 1883 met het .Krankenversicherungsgesetz' gunstige ervaringen waren opgedaan. In 1905 werden verplichte arbeiderscommissies ingevoerd in de mijnindustrie op grond van de .Berggesetznovelle'. In 1916 kondigde men af het .Gesetz über den vaterlandischen Hilfsdienst', waarbij o.a. permanente arbeiderscommissies waren voorzien, die bij geschillen in beroep konden gaan bij een paratair uit werkgevers en werknemers samengestelde arbitragecommissie. In de .Weimarer Verfassung' van 1919 werd de wettelijke grondslag gelegd voor het .Betriebsrategesetz' van 1920, dat in 1922 werd aangevuld door een .Gesetz über die Entsendung von Betriebsratmitgliedern in den Aufsichtsrat'. Nadat tussen 1933 en 1945 de terreur vai het Hitlerregime had gewoed, kwam onder invloed van het geallieerde bestuur in 1946 een reorganisatie van de staalindustrie tot stand, waarbij de Betriebsrate op paritaire basis deelnamen aan de besluitvorming en door de vakorganisaties een .Arbeitsdirektor' werd aangewezen. In 1951 werd in de zgn. Montanindustrie het ,Mitbestimmungsgesetz' ingevoerd; in 1952 volgde het ,Betriebsverfassungsgesetz' en in 1956 de zgn. .Holdingnovelle'. (Het .Personalvertretungsgesetz' van 1955, dat van kracht is voor het overheidspersoneel, wordt niet besproken.)

Nadat aldus de begrippen en de terminologie zijn besproken, wordt een overzicht gegeven van de geschiedenis van de medezeggenschap in Duitsland, en wel vanaf de eerste helft van de negentiende eeuw tot heden. De eersten, die zich daar met de medezeggenschap hebben bezig gehouden waren sociaal-theoretici, waarvan sommigen zich niet wensten te beperken tot het analyseren van de maatschappelijke noden, maar ook voorstellen tot verbetering wilden doen. Hiervan worden o.a. genoemd Von Baader, Wohhvill, Von Mohl en Perthaler. De betekenis van deze auteurs ligt niet zozeer in de directe uitwerking van hun geschriften als in hun inzicht in de afhankelijkheidspositie van de arbeiders en in hun overtuiging dat deze meer bij het ondernemingsgebeuren moesten worden betrokken.

Vanaf 1880 ontstonden overal arbeiderscommissies, welke berustten op sociaal-liberale of sociaal-ethische overtuigingen, of op opvattingen betreffende het zgn. constitutionele fabriekssysteem. Als voorbeelden van deze richtingen worden o.a. genoemd Hutschenreuther, Oechelhauser, Roesier, Freese en Abbe.

Op de behandeling van de geschiedenis van de medezeggenschap volgt een bespreking van de wetgeving, die met betrekking daartoe van belang is.

De eerste praktische voorstellen om tot grotere medezeggenschap van de arbeiders te komen, stammen niet van de werknemers of hun organisaties, maar van werkgevers. Deze voerden een partriarchale politiek, welke weer kan worden onderscheiden in een paternalistische en een protectorale vorm.

Vooreerst wordt een uiteenzetting gegeven van enkele bepalingen van het ondernemingsrecht, zoals dat is neergelegd in het nieuwe ,Aktiengesetz', dat op 1 januari 1966 van kracht is geworden en in het ,GmbH-Gesetz' en het .Berggesetz'.

Een van de belangrijkste instituten, waartoe ook vele werkgevers behoorden, was de .Centralverein für das Wohl der arbeitenden Klassen', die in 1844 te Berlijn was opgericht en die in 1848 overging tot de instelling van .fabrieksverenigingen' met een paritair bestuur. In 1850 werd door Degenkolb de eerste ons bekende

Vervolgens wordt het .Mitbestimmungsgesetz' 1951 behandeld, waarin de zgn. gekwalificeerde medezeggenschap wordt geregeld. Volgens deze wet is de .Aufsichtsrat' vrijwel paritair samengesteld uit vertegenwoordigers van aandeelhouders en werknemers, terwijl ook een zgn. .Arbeitsdirektor' door de werknemers benoemd

5


wordt in de ,Vorstand'. De .Holding-novelle' 1956 regelt de medezeggenschapssituatie in de .Obergesellschaften'. Tenslotte wordt aandacht besteed aan het ,Betriebsverfassungsgesetz" 1952, dat veel minder ver gaat dan de wet van 1951. Dit .Betriebsverfassungsgesetz' regelt de afvaardiging van twee of meer werknemersvertegenwoordigers in de ,Aufsichtsrat' en schrijft de invoering voor van .Betriebsrate', die anders zijn opgezet en over grotere bevoegdheden beschikken dan in Nederland met de ondernemingsraden het geval is. In het volgende hoofdstuk wordt nagegaan, in hoeverre de praktijk van de medezeggenschap in West-Duitsland aan de betreffende wetgeving beantwoordt. Onderzocht wordt de invloedssfeer van de verschillende wetten aan de hand van enkele statistische gegevens. Daarna wordt de vraag gesteld, in hoeverre de wetgeving wordt toegepast en tot welke gevolgen deze toepassing op haar beurt heeft geleid, zonder dat daaraan vooralsnog de vraag wordt •erbonden, of de medezeggenschap als geslaagd' mag worden aangemerkt. Afzonderlijke beschouwingen worden dan gewijd aan de ,Arbeitsdirektor', de werknemersleden in de ,Aufsichtsrat' en aan de positie van de .Betriebsrat'. Vervolgens wordt getracht tot een evaluatie van de Duitse medezeggenschap te komen. Op de eerste plaats worden de opvattingen in West-Duitsland nagegaan, zoals die leven in werkgevers- en werknemerskringen en bij beoefenaars van de wetenschap. Daarbij blijkt, dat de werkgevers positief staan tegenover de resultaten van de zgn. eenvoudige medezeggenschap ingevolge het .Betriebsverfassungsgesetz', maar dat zij zich verzetten tegen een uitbreiding van het ,Mitbestimmungsgesetz' tot andere bedrijfstakken, hoewel zij daarvan in de zgn. ,Montanindustrie' geen slechte gevolgen kunnen aanwijzen. De werknemersvakorganisaties, die een zeer sterke positie innemen, zijn niet erg enthousiast over het .Betriebsverfassungsgesetz', dat hun slechts een beperkte invloed inruimt, en pleiten voor een drastische uitbreiding van de codeterminatiewetgeving van 1951. Bij de wetenschappelijke onderzoekers treft men zeer verschillende benaderingen aan, waarbij die van Weddigen en Voigt uitvoerig worden behandeld. Ook wordt melding gemaakt van een in juli 1966 gepubliceerd rapport van Blücher, dat tot de conclusie leidt, dat de resultaten van de wetgeving van 1951 ten aanzien van de integratie der werknemers niet gunstiger zijn dan die van de wetgeving van 1952. Van de buitenlandse uitspraken worden o.a. die vermeld van Blumenlhal, Spiro en Herlin, die alle van verschillende beoordelingsmaatstaven gebruik maken. Blumenthal komt tot de conclusie, dat de codeterminatie in de staalindustrie tot minder spectaculaire gevolgen heeft geleid, dan men verwachtte; Spiro acht de gevolgen op economisch gebied het minst ingrijpend en durft op sociologisch terrein geen gevolgtrekking te maken. Politiek gezien beschouwt hij de Duitse codeterminatie als geslaagd. Het oordeel van Herlin tenslotte blijkt te weinig gemotiveerd om gewicht in de schaal te leggen. Vervolgens wordt een eigen evaluatie van de codeterminatie beproefd. Daartoe is nodig de bepaling van een normsysteem, als hoedanig wordt geopteerd voor de

6

materiële codeterminatie. waaraan de formele codeterminatie zowel kwalitatief als kwantitatief wordt getoetst. Onder de materiële codeterminatie wordt verstaan het ideaal van de harmonie in de zin van Atteslander's definitie. Dit vastgesteld zijnde wordt een bespreking gewijd aan de samenhang tussen codeterminatie en harmonisatieproces. Hierbij wordt op de eerste plaats een uiteenzeting gegeven van een door Voigt geïntroduceerd begrippenapparaat, dat wordt aangeduid met de naam .virtuele actiesector'. De bespreking van dit begrippenapparaat wordt tenslotte aangevuld met enkele sociaalpsychologische beschouwingen. Met gebruikmaking van het aldus verkregen normsysteem en begripsinstrumentarium wordt dan de balans van de medezeggenschap opgemaakt. Met betrekking tot de ,Aufsichtsrat' luidt de conclusie, dat de aanwezigheid van werknemers daarin niet tot moeilijkheden heeft geleid en dat deze zich in grote lijnen zijn gaan gedragen zoals een lid van de ,Aufsichtsrat' zich altijd gedragen had. Ten aanzien van de ,Arbeitsdirektor' is evenmin van schokkende veranderingen sprake geweest; het instituut is niet zo iets bijzonders als men gewoonlijk denkt. De medezeggenschap in de ,Betriebsrat' heeft over het algemeen gunstige resultaten opgeleverd, ook al heeft de vakorganisatie daarbij — althans formeel — minder invloed. De positie van deze vakorganisatie en de wijze waarop deze opereert kunnen tot bedenkelijke situaties leiden ten aanzien van de democratische besluitvorming in Duitsland. De studie eindigt met de toepassing van de besproken Duitse ervaringen op de Nederlandse situatie, vooral met betrekking tot enige voorstellen uit het rapportVerdam. Na enkele algemene opmerkingen wordt een korte bespreking gewijd aan de verschillende meningen omtrent het doel van de onderneming, haar gezagsstructuur, de belangentegenstellingen die daarin voorkomen en de realisatie van de medezeggenschap op de verschillende niveaus. Daarna worden de voorstellen van de commissie-Verdam met betrekking tot het werknemerscommissafiaat aan een onderzoek onderworpen en geconfronteerd met de veel verdergaande bepalingen en praktijk in West-Duitsland. Betreurd wordt, dat de herziening van de bevoegdheden van commissarissen en de introductie van de werknemerscommissaris niet afzonderlijk zijn behandeld en dat niet, zowel ten aanzien van de overwegingen als van de bestaande praktijk, grondiger onderzoek heeft plaatsgevonden. Onder alle voorbehoud wordt tenslotte gepleit voor een systeem, waarbij de benoeming van commissarissen door coöptatie plaatsvindt uit kandidaten, die vooraf zowel door aandeelhoudersvertegenwoordigers als door werknemersvertegenwoordigers acceptabel zijn geacht. Ten aanzien van de ondernemingsraad wordt eveneens een vergelijking gemaakt tussen de Duitse wetgeving en praktijk enerzijds en de Nederlandse voorstellen anderzijds. Geconstateerd wordt, dat het probleem van de verzakelijking der relaties tussen werkgever en werknemers in de huidige discussies een grote rol speelt. Aan de hand van de Duitse ervaringen wordt duidelijk


gemaakt, dat een herziening van de opzet der ondernemingsraden, waardoor deze een grotere mate van onafhankelijkheid verkrijgen, 'niet behoeft te gaan ten koste van de samenwerking in de onderneming. Onder erkenning van de belangrijke taken, die de vakbeweging in

het verleden vervuld heeft en nog vervult, wordt het mede in haar belang geacht, dat zij de eigen aard van de ondernemingsraad als orgaan van de onderneming erkent en deze niet hanteert als een instrument van vakverenigingspolitiek binnen de onderneming.

Mededelingen Rijksstudietoelagen In januari 1967 kunnen rijksstudietoelagen worden aangevraagd voor het jaar 1967—1968. Men moet er echter op bedacht zijn dat daarbij een enigszins andere procedure zal worden gevolgd dan in het verleden gebruikelijk was, aangezien wordt overgegaan tot een mechanische administratie. Bij de aanvragers voor 1967—1968 zullen twee groepen kunnen worden onderscheiden:

belangen een rekestformulier afhalen. O p dit rekestformulier worden de gegevens ingevuld, die nodig zijn om de aanvrager te identificeren en in te brengen in de mechanische administratie. Daarom moet van dit formulier gebruik gemaakt worden en kan men niet om toezending van inlichtingenformulieren verzoeken met anders geredigeerde brieven.

I. studenten, die voor het jaar 1966—1967 een toelage hebben ontvangen;

Het is zoals uit het bovenstaande blijkt dus mogelijk om op twee manieren een studietoelage aan te vragen:

II. studenten, die om welke reden dan ook voor het jaar 1966—1967 geen toelage hadden aangevraagd, of op wier verzoek afwijzend werd beschikt.

I. met gebruikmaking van het toegezonden aanmeldingsformulier (speciaal voor continueringen);

DE STUDENTEN VAN GROEP I Deze zijn voor het overgrote deel door de afdeling Rijksstudietoelagen van het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen reeds opgenomen ia de mechanische administratie. Dit maakt het mogelijk hun in de loop van de maand december 1966 rechtstreeks een eenvoudig aanmeldingsformulier toe te zenden. Omdat nog niet alle studenten van groep I geregistreerd zijn op bovenbedoelde wijze, moeten zij, die vóór 1 januari 1967 nog geen aanmeldingsformulier hebben ontvangen, de voor groep II voorgeschreven procedure volgen. DE STUDENTEN VAN GROEP II zijn a. degenen die nog nooit eerder een aanvraag indienden;

II. met gebruikmaking van een op de instelling van wetenschappelijk onderwijs af te halen rekestformulier indien vóór 1 januari 1967 geen aanmeldingsformulier is ontvangen of is te verwachten (nieuwe aanvragen). Het is dus niet meer mogelijk om zoals voorheen op de universiteiten en hogescholen staten van inlichtingen te ontvangen. Beide hierboven genoemde formulieren moeten vóór ultimo januari 1967 bij de afdeling Rijksstudietoelagen zijn ingediend. Men ontvangt dan van deze afdeling een inlichtingenformulier (vergelijkbaar met de oude witte en grijze staten van inlichtingen), dat binnen drie weken ingevuld moet worden teruggezonden.

c. degenen op wier aanvraag voor 1966—1967 afwijzend werd beschikt, maar die toch voor 1967—1968 opnieuw een aanvraag willen indienen.

Aanmeldings- of rekestformulieren die na 1 februari 1967, dan wel inlichtingenformulieren die met vertraging worden ingediend, zullen slechts in behandeling genomen worden, indien de te late indiening een gevolg is van onvoorzienbare omstandigheden. Is dit het geval, dan zal niettemin de afdoening uitgesteld worden totdat de tijdig ingediende aanvragen zijn afgehandeld.

De categorieën genoemd onder a, b en c moeten in de maand januari bij het Bureau Studenten-

Dit zal dus onvermijdelijk tot latere uitbetaling van een eventuele toelage leiden.

b. degenen die wel eerder toelagen hebben genoten, maar voor het jaar 1966—1967 niet aanvroegen;

7


P R O P A E D E i m S C H EXAMEN STATISTIEK JANUARI 1967 Diegenen, welke ia januari 1967 deelnemen aan het propaedeutisch examen Statistiek, moeten de volgende stof bestuderen: 1. Gestencild dictaat 1966/1967, Hoofdstuk I, II, UI en IV. 2. Gestencild dictaat 1965/1966. Steekproeven Analyse van de historische reeksen en Korrilatierekening. }. Kollegedictaat 1965/1966. Indekscijfers.

PROMOTIE Op donderdag 1 december promoveerde aan de Katholieke Hogeschool te Tilburg drs. J. F. Schobre tot doctor in de sociale wetenschappen. Promotor was prof. dr. F. J. H. M. vta der Ven. De heer J. F. Schobre is geboren te Woensel in 1917. Hij heeft gestudeerd aan de Katholieke Hogeschool en is thans directeur van Sociale Zaken van het DAFconcern. De heer Schobre is bestuurslid M a een aantal sociale- en werkgeversorganisaties; hij is lid van de Gemeenteraad in zijn woonplaats Waalre en lid van de Agglomeratieraad van het stadsgewest Eindhoven. In verband met zijn aktiviteiten ter bevordering van de Nederlands-Belgische samenwerking is hij onlangs benoemd tot Ridder in de Kroonorde van België.

4. De Wolf: Bedrij fsstatistiek. Hoofdstuk If.

STUDENTENDECAAN PRAE-TENTAMEN STATISTIEK JANUARI 1967 Op maandag 16 januari 1967 wordt het prae-tentamen Statistiek afgenomen. Een ieder, die vóór januari 1968 het propaedeutisch examen zal afleggen, is verplicht aan dit prae-tentamen deel te nemen. De stof voor het prae-tentamen omvat: 1. Dictaat Statistiek 1966/1967, blz. 1 t / m 104. 2. De Wolf: Bedrijfsstatistiek, Hoofdstuk II.

Curatoren van de Katholieke Hogeschool hebben met ingang van 1 januari 1967 benoemd tot studentendecaan drs. H. ƒ. E. M. Vtraart te Rosmalen, staffunktionaris van het Katholiek Verbond voor Kinderbescherming te 's-Hertogenbosch. De heer Veraart volgt drs. M. Jaspers op, die onlangs een andere funktie heeft aanvaard. De heer Veraart is in 1928 in Kerkrade geboren. Hij studeerde sociale wetenschappen aan de Katholieke Hogeschool en werd vervolgens directeur van de Vereniging Liefdewerk Kinderbescherming te Tilburg. In 1963 werd hij in zijn huidige funktie benoemd.

3. Statistisch Zakboek 1966. T.a.v. het Statistisch Zakboek geldt, dat men op het prae-tentamen bij enkele vraagstukken het Zakboek moet kunnen hanteren. Inschrijving per tentamenkaan vóór 20 december 1966.

KEUZEVAK VOOR HET DOCTORAALEXAMEN: HANDELSRECHT Zij die vóór 1 juni 1966 op hun conduitestaat het keuzevak handelsrecht — zoals dat gold vóór genoemde datum — hebben laten aantekenen op hun conduitestaat, kunnen alsnog in dit keuzevak tentamen en examen doen volgens de vóór genoemde datum geldende regeling mits zij zulks doen met gunstig gevolg vóór 1 juni 1967. Zij die m.b.t. deze datum bijzondere reden tot uitstel menen te kunnen laten gelden, kunnen zich in verbinding stellen met de hoogleraar. De vóór 1 juni 1966 geldende regeling hield in, dat voor het tentamen of examen geen collegestof behoefde te worden bestudeerd, doch alleen literatuur. Deze literatuur bestaat uit de „verplichte literatuur onderdeel, Handelsrecht" zoals vermeld op pag. 16 van de literatuurlijst van de Faculteit der Economische Wetenschappen d.d. oktober 1966. Prof, mr. F. W. J. Löwensteyn 8

AAN EERSTE- EN TWEEDEJAARSSTUDENTEN VAN DE SOCIALE FACULTEIT Bij de aanvang van het collegejaar is door mij medegedeeld, dat na beëindiging van de colleges in het eerste trimester een week responsiecolleges zouden worden georganiseerd voor de bespreking van verplichte literatuur voor het vak Algemene Sociologie. Doordat de colleges tot en met 16 december worden gegeven, bleek het wenselijk deze responsiecolleges te organiseren op het einde van de kerstvacantie en wel van 16 tot en met 20 januari 1967. Behandeld zullen worden: E. Katz and P. Lazarsfeld: „Personal influence" en P. Blau en W . Scott : „Formal organizations". De responsiecolleges zullen worden gehouden op de genoemde dagen van 10.00—12.00 uur en van 14.00— 16.00 uur. Van de studenten, die hieraan willen deelnemen, wordt verwacht: 1. dat zij intekenen op de lijst ad valvas; van hen die intekenen wordt verlangd dat zij alle colleges bijwonen; ' 2. dat zij de genoemde boeken hebben gelezen. De deelnemers zullen worden ingedeeld in kleine groepen. Pro/, dr. R. A. de Moor


De Italiaanse regering stelt in het kader van het Nederlands-Italiaans cultureel verdrag voor het studiejaar 1967—1968 ( 1 november 1967—1 juU 1968) een aantal beurzen ter beschikking van Nederlanders tussen de 21 en 33 jaar. De beurzen zijn in principe bestemd voor hen, die hun studie aan een Nederlandse instelling van hoger onderwijs bijna of sinds kort hebben beëindigd en die hun studie in Italië wensen voort te zetten of zich aldaar op een bepaald gebied wensen te specialiseren. Van Italiaanse zijde zou men gaarne enkele van deze beurzen bestemmen voor kandidaten in de exacte en technische wetenschappen. Voorts zal een van deze beurzen ten behoeve van een jonge veelbelovende kunstenaar op het gebied van de beeldende kunsten gereserveerd worden. Het beursbedrag bedraagt 90.000 lire per maand. Reiskosten van Nederland naar Italië en retour komen ten laste van de kandidaat. Enige kennis van de Italiaanse taal wordt geëist. Hiernaar zal, in samenwerking met het Italiaanse Cultureel Instituut te 's-Gravenhage, een onderzoek worden ingesteld. Indien de kennis van het Italiaans onvoldoende geacht wordt, zal de kandidaat de verplichting op zich moeten nemen om vóór zijn vertrek naar Italië zich verder in de Italiaanse taal te bekwamen. Zij die naar een dergelijke beurs wensen te solliciteren, Tcunnen tot uiterlijk 15 februari 1967 een verzoek bij de afdeling Internationale Culturele Betrekkingen van het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen, Nieuwe Uitleg 4 te 's-Gravenhage, indienen (in tweevoud). De aanvrage dient te geschieden op formulieren, die bij voornoemde afdeling kunnen worden aangevraagd. In de aanvrage dient te worden vermeld of een beurs van 4, 6 of 8 maanden nodig is. Mej. mr. E. Talsma

• De Alexander van Humboldt-Stichting te Bad Godesberg stelt zich ten doel stipendia te verlenen aan jonge buitenlandse geleerden teneinde hen in de gelegenheid te stellen wetenschappelijk werk te verrichten aan een universiteit of hogeschool of wetenschappelijk instituut in de Bondsrepubliek Duitsland of West-Berlijn. Voor het akademisch jaar 1967—1968 worden een aantal stipendia beschikbaar gesteld in twee categorieën: A. stipendia voor een periode van 10 maanden, dat is voor een akademisch jaar dat van 1 oktober 1967— 31 juli 1968 loopt, ten bedrage van DM 1.000,— per maand; B. stipendia voor een periode van 6 tot 12 maanden waarbij de begindatum niet is vastgesteld, ten bedrage van DM 1.400,— per maand. De beurzen kunnen zo nodig verlengd worden. De reiskosten en eventuele collegegelden komen ten laste van de Stichting. De beurzen zijn bestemd voor personen, die hun univer-

sitaire studie voltooid hebben en die voor categorie A tenminste 2 jaren en voor categorie B tenminste 5 jaren wetenschappelijk werk verricht hebben of tenminste 5 jaren onderwijs gaven. De kandidaten moeten tenminste 25 jaar en als regel niet ouder dan 35 jaar zijn. Aanvragen voor een Alexander von Humboldt-Stipendium moeten vóór 1 januari 1967 gericht worden tot bet secretariaat van de Alexander von Humboldt-Stichting, Schillerstrasse 12, 532 Bad Godesberg. Deze dienen op aanvraagformulieren te geschieden, welke te verkrijgen zijn bij de afdeling Internationale Culturele Betrekkingen van het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen, Nieuwe Uitleg 4 te 's-Gravenhage. Mej. Mr. E. Talsma

• De Franse regering stelt voor het akademisch jaar 1967—1968 (1 oktober 1967—31 juli 1968) een aantal beurzen ter beschikking van Nederlanders. De beurzen zijn in principe bestemd voor hen, die hun universitaire studie hebben beëindigd, maar die voor een speciaal doel, zoals bijvoorbeeld voorbereiding proefschrift of specialisatie, enige tijd in Frankrijk moeten studeren of werken (maximum leeftijd 30 jaar). Ook beeldende kunstenaars, musici of toneelspelers, die hun studie hebben beëindigd, doch voor wie het van belang geacht wordt in Frankrijk nog een speciale opleiding te volgen, kunnen naar een beurs mededingen (maximum leeftijd 30 jaar). De beurzen zijn in principe bedoeld voor een studieverblijf van 8 maanden. Het is echter ook mogelijk enkele daarvan in beurzen van kortere duur (minimum 1 maand) te verdelen onder meerdere kandidaten, zoals bijvoorbeeld aan wetenschappelijke onderzoekers voor het verrichten van veldwerk gedurende de zomermaanden. Het verdient derhalve aanbeveling reeds in de aanvrage te vermelden hoeveel maanden voor het beoogde studiedoel nodig zijn, alsmede op te geven welk tijdstip voor het studieverblijf het best gelegen komt. Hét bedrag van de beurs is gesteld op 480 F. francs per maand. Deze beurzen zijn niet bestemd voor hen, die enige tijd in Frankrijk wensen te verblijven ter verbetering van de kennis van de Franse taal, zulks in verband met het relatief beperkt aantal beschikbaar gestelde beurzen en het grote aantal gegadigden. Akademisch gevormden boven de 30 jaar, die reeds meer dan 5 jaar een beroep hebben uitgeoefend, doch voor wie een studieverblijf in Frankrijk alsnog van groot belang is, kunnen bij wijze van uitzondering voor een „bourse de marque" worden voorgedragen. Beursbedrag is gesteld op 800 F. francs per maand. Sollicitaties, in de Franse taal gesteld, dienen vóór 15 januari 1967 te worden gericht tot het Institut Francais d'Amsterdam (Maison Descartes), Museumplein 11, Amsterdam-7, onder vermelding „Commission

9


des Bourses", bij welke instantie men eveneens de invulformulieren kan aanvragen. De binnengekomen aanvragen worden in het voorjaar door een gemengde Frans-Nederlandse commissie beoor-

Mej. Mr. E. Talsma

Binnenkort verschijnt de negende druk van de bekende uitgave

de Hoge Raad en de voornaamste literatuur vermeld.

HOOFDLIJNEN VAN NEDERLANDS BURGERLIJK PROCESRECHT door mr. W. Hugenholtz, bewerkt door mr. W. H. Heemskerk.

Het boek is onmisbaar voor leder, die zich met de studie van het burgerlijk procesrecht bezighoudt of op enige wijze betrokken is bij de beoefening van de rechtspraktijk. Het is geheel ingesteld op de eisen, die momenteel gelden voor het doctoraal examen Nederlands recht, het doctoraal examen notariĂŤle studierichting en het doctoraal examen fiscaal-juridische studierichting.

Deze nieuwe druk Is geheel herzien en bijgewerkt. Daarin wordt onder meer de nieuwe wettelijke regeling van de cassatieprocedure, van de kantongerechtsprocedure, van de procureurstelling in kort geding, van de tenuitvoerlegging van buitenlandse executoriale titels en van de procedure tot beperking van de aansprakelijkheid van de reder behandeld. In verband met da voortschrijdende ontwikkeling van het burgerlijk procesrecht zijn vele onderwerpen geheel herschreven. Bij ieder onderwerp ia de nieuwste jurisprudentie van

10

deeld en geselecteerd, waarna de in aanmerking gekomen kandidaten aan de Franse regering, die over de uiteindelijke toekenning beslist, worden voorgedragen.

Prijs in linnen band f 28,—. Een gezamenlijke uitgave van P. NOORDHOFF N.V./GRONINGEN en VUGA-BOEKERIl/'S-GRAVENHAGE. Besteladres: VUGA N.V. Postbus 230, Delft. Ook in de boekhandel verkrijgbaar.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook