Skip to main content

1966 01

Page 1

WW TW

Tilburgs Hogeschoolblad jaargang 3

-

maandblad

Redactie: P. J. G. Aarts P. H. A. de Bekker B.J. M. Giesen Redactie-adres: Hogeschoollaan 225, Tilburg

Januari 19S6

nummer 1

W. A. F. M, van der Kruys L. P. H, Hensgens H. G. AL Dgstelbloem J. J. M. de Bont (Hoofd Bureau Senaat)

Zalig Nieuwjaar Bij het eerste nummer van de derde jaargang van het Hogeschoolblad, past het, U allen een Zalig Nieuwjaar en een voorspoedig 1966 toe te wensen.

Bovendien zullen wij onze aandacht richten op de huisvestingsproblematiek van de studenten. y.

Er op vertrouwende d a t U dit een idee kan geven, welke hulp er van uw kant mogelijkerwijs zou kunWij, de redactie, hopen in het komende jaar de idealen, die wij hebben met betrekking tot ons nen komen. Hogeschoolblad, te kunnen verwezenlijken. O m deze Rest ons nog de aangename taak, allen te danken, idealen te kunnen bereiken behoeven wij uw aller die in het afgelopen jaar de redactie met raad en 'hulp. Hul p in de vorm van kritiek, hulp in de daad hebben bijgestaan. vorm van mededelingen of suggesties. Het Hogeschoolblad is hiermede zijn derde levensI n de nabije toekomst zullen wij een nummer wijjaar ingegaan, en wij verwachten d a t 1966 met uw den a a n het probleem van de ontwikkelingshulp hulp een goede voedingsbodem zal blijken te hebalsmede aan de lezingen van het zo juist gehouden ben, opdat dit blad k a n uitstoelen tot een waar Afrika-congres, daar deze ook relevant zijn voor Hogeschool-gemeenschaps-blad een ruimere lezerskring. De Redactie.

Management Automation en het schaakspel Denkt U zich in d a t 5 schakers A, B, C, D en E simultaan tegen elkaar spelen (dus o p 10 borden tegelijkertijd). De winnaar van deze halve competitie zal zeker over niet alledaagse kwaliteiten beschikken; zijn aandacht zal tevens verdeeld moeten zijn over de verschillende borden, de organisatie, d e tijd, de notering der zetten etc. Toch geeft een dergelijke ingewikkelde constructie bij lange na niet de complexiteit van het bedrijfsgebeuren weer, een complexiteit echter waar d e bedrijfsleiding voortdurend mee wordt geconfronteerd. Niettemin zijn er een aantal gemeenschappelijke elementen, waardoor een vergelijking, welke voor dit betoog niet uitputtend zal zijn, interessant wordt. Allereerst zijn er de spelregels, min of meer eenvoudige regels waaraan een ieder zich heeft t e houden. Daarna de zetten zelf, tijdens iedere beurt kunnen uit een aantal mogelijkheden, soms veel, soms wat minder, verschillende relevante, in- piiiiclpë—fnj

"^stnr.

aanmerking komende, tegenmaatregelen worden gekozen. Wellicht is slechts één zet optimaal, maar de consequenties zijn niet precies te bepalen. Bovendien moet men met de tegenstander rekening houden. De zet op zichzelf en het psychologische effect op de tegenstander doen dan een soort kansrekening noodzakelijk worden, hetgeen het kiezen van d e beste zet nog moeilijker maakt. E r zijn situaties in het schaakspel, met name tijdens de opening en het eindspel, waarvoor allerlei vuistregels en schema's t e r beschikking staan. Bedrijven die zich een aandeel van de markt willen veroveren en bedrijven die consolideren kennen die ook. H u n gedrag zal rationeler zijn; zij zullen minder risico kunnen nemen en zich van een gokje moeten onthouden, ook al is de kans op een groot voordeel aanwezig. Zolang men d e positie nog niet heeft ingenomen om verlies te kunnen dragen, of veel te verliezen heeft, houde men zich beter bij het veiliger schema en de vTiistj^g-plf

TPTIIIIJII

IIIIIIIIII

| aen gunstig

Byerwachtelbeslissing,

KATHOLIEKE lOGESCHOOLUJf

i


Tevens zal de nodige aandacht moeten worden besteed aan de organisatie, de tijdslimiet en de notering der zetten; acties even lastig als noodzakelijk en nuttig, welke merendeel routinematig kunnen worden gedaan als er het goede systeem voor is gevonden. De essentie van het betoog is wat volgt: Ook al worden, en vooral van Amerikaanse zijde, belangrijke vorderingen verwacht op het gebied van de Management Automation, daarbij het gehele gebied bedoelend; het zal niet meer kunnen omvatten

dan het hierboven genoemde routinematig werk zoals routing, planning, levertijdbewaking en administratie. Echte Management welke rekening moet houden met kans en psychologisch effect zal wel niet geautomatiseerd kunnen worden, zolang wij zelfs niet in staat blijken de computer met ons te laten schaken. Tenzij management zoals wel eens beweerd wordt op vuistregels b e n u t ; de vraag rijst dan waarom men dit dan nog niet heeft kunnen automatiseren. A. J. van Reeken.

Studenteii Dit artikel is overgenomen uit het Handelsblad van 31 december 1965. Wij heben dit gedaan, daar het naar onze mening getuigd van een zekere objectieve kijk op het studentenleven in het algemeen en het studeren in Drienerlo in het bijzonder. Ook in Tilburg zitten wij met snel veranderende omstandigheden en gebruiken. Wat heden nog vreemd en onduidelijk is of schijnt te zijn, kan in de naaste toekomst heel acceptabel of zelfs heel gewoon blijken te zijn. Het studentenleven aan de hogeschool duurt ril. meestal hoogstens 6 jaar. I n deze zes jaren maakt de student reeds drie sterk gescheiden fasen mee, n.l. propodeux, kandidaats en doctoraal. Slechts fasen onderscheiden naar studieresultaat. Andere fasen die hier doorheen lopen, laten wij dus nog buiten beschouwing. Het doel van deze korte inleiding is om vooral de oudere jaars er op te attenderen, dat de gebruiken en geldende normen van hun propadeuse of kandidaats zowel op studieus als studentikoos terrein, misschien, en zelfs hoogstwaarschijnlijk sterker veranderd zijn als zij zelf bemerken. Zij moeten daarom in hun adviezen en bij het verkondigen van hun mening hiermede eens sterker of in ieder geval bewuster rekening houden. Zij zouden dan veel brokken en/of misverstand dat er nu bestaat kunnen voorkomen of verhelpen. Wij hopen dat dit artikel U een vingerwijzing mag geven. Iets wat 4 jaren geleden in de Nederlandse hogeronderwijswereld voor onmgelijk werd gehouden .,dreigt" uit te groeien tot een waarlijk sukses. P. J. G. Aarts. Handelsblad, 31 december 1965. Ze beginnen op Drienerlo langzamerhand al een beetje meesmuilend te glimlachen, als ze het woord „isolement" horen. Dat is hun al zo vaak voor de voeten geworpen! De studenten zouden er te weinig contact heben met de maatschappij en zouden te

2

weinig gelegenheid hebben het gewone leven, zoals zich dat buiten de TH-Twente voltrekt, te leren kennen. Wij spraken daarover met enkele tweedejaars van Drienerlo. Eén ervan zei: „Er zijn wel contacten met de Twentse bevolking, maar voornamelijk in organisatorisch verband, door sportontmoetingen en culturele uitwisselingen. Individuele contacten zijn er veel minder, maar dat ligt ook wel aan de mentaliteit van de bevolking hier, die helemaal niet zo toeschietelijk is om nieuwe contacten te leggen." En een ander: „Als je wilt kun je altijd naar Hengelo of Enschede gaan. Ikzelf ga elke week naar de markt in Enschede, omdat ik dat gezellig vind.'" „Ja", tekent een derde hierbij aan, „maar de behoefte om de wereld buiten de campus op te zoeken is niet groot. Er is maar een geringe prikkel om weg te gaan, want je hebt hier zoveel. J e kunt sport doen, er is een bibliotheek en een discotheek, er zijn een hele massa verenigingen, je hebt je studie en bovendien wonen gewoonlijk al je vrienden hier. Wat moet je dan in Hengelo of Enschede, als je niet toevallig je haar moet laten knippen ?'.' Er is een levensmiddelen zaak en er zal in de nabije toekomst een boekhandel bijkomen, maar voor alle enigszins buiten het dagelijkse kader vallende inkopen zullen de studenten ook in de toekomst naar Hengelo of Enschede moeten. Hierbij valt aan te tekenen: 1. dat men zich bepaald geen overdreven voorstellingen moet maken van de mate, waarin de gemiddelde student in bijvoorbeeld Wageningen of Delft contact heeft met niet tot de universitaire wereld behorende mensen; ; 2. dat het feit, dat de studenten hun vrienden uitsluitend op de campus hebben slechts daarom een handicap zou kunnen betekenen, omdat zij allen technische wetenschappen studeren; 3. dat tegenover dit betrekkelijk isolement een zo wijd scala van culturele mogelijkheden bestaat (op het gebied van bijvoorbeeld muziek, toneel, beeldende kunst, literatuur, discussies en lezingen over levensbeschouwing en politiek, studie in de maatschappijwetenschappen), dat er een


behoorlijke garantie is. dat de studenten zich in de- loop van de studie op een breed terrein oriënteren. Wat betreft het laatste: die mogelijkheden zijn er in de meeste andere steden ook «rel, maar in Drienerlo is de kans, dat de studenten er inderdaad gebruik van maken veel groter. „Er zijn hier geen -nihilisten', zei ons een THT-functionaris. „ E r zijn wel mensen, die wat minder aan de verschillende studentenactiviteiten deelnemen dan andere»", vult een student aan, „maar dan worden er toch vaak informele pogingen in het werk gesteld om hem er toch bij te betrekken. En ruim een kwart van het aantal studenten vervult een of andere functie in het studentenleven." Studentenleven, een term, die in Nederland meteen al bepaalde gebruiken en gewoonten impliceert. Wat is op Drienerlo, waar, zoals de rector-magnificus het uitdrukt „academische tradities met voeten worden getreden", van het vanouds bekende studentenleven overgebleven? Zoals over alle facetten van het campusleven is er uitvoerig beraad geweest over de vraag welke traditionele kenmerken van het student-zij n op de T H T gehandhaafd moesten blijven. De meest opvallende daarvan zijn nu de sociëteitsavond vrijdags na elven, het l o Vivat en de gelegenheidskleding bij officiële gelegenheden.En men concludeert tevreden: „We worden helemaal geaccepteerd door studenten in andere steden". Voorlichtingsman Manger vertelde daarover: , 3 i j de corpora aanvaarden ze onze studenten wel, veel eerder dan bijvoorbeeld Unitasstudenten. Laatst hebben ze hier om twee uur in de nacht nog een bus gecharterd en daar zijn ze mee naar Groningen getogen om daar de sociëteit te veroveren. Nou, dat lukte niet, want daar hebben ze geen ervaring in. M a a r het i s een heel gezellige boel geworden daar. Trouwens, hier gaat het vaak ook heel geanimeerd toe op de sociëteit. Er wordt soms flink gedronken en er zijn ook al een paar heel merkwaardige gebruiken ontstaan." Wel degelijk een echt studentenleven, dus daar op Drienerlo en helemaal niet zo nieuw als het in eerste instantie lijkt. D e studenten zeggen dan ook: „We hebben helemaal niet de pretentie, dat we alles anders moeten doen dan het elders gebeurt." Maar van jaarverschillen, lichamelijke ontgroeningen of dispuutsrivaliteit geen sprake. En dat is hoewel men zich realiseert, dat dergelijke dingen zouden kunnen groeien in ieder geval een gezonde aanzet. Bij een onlangs gehouden'interne enquête op Drienerlo is gebleken, dat de grote meerderheid van de tweedejaarsstudenten ook na het tweede studiejaar, als er voor hen geen woonplicht meer bestaat, op de campus wil blijven wonen. En dat kennelijk niet alleen, omdat het zo gemakelijk is, maar ook en vooral, omdat de combinatie van studeren, wonen en leven, zoals die in Drienerlo is doorgevoerd uitstekend in de smaak is gevallen. Een groot compliment voor degenen, die deze combinatie ontwierpen en uitwerkten. M a ar ook een situatie, die verplichtingen schept. In de eerste plaats de verplichting om voor de toekomst meer rekening te

houden op het gebied van huisvesting en voeding dan men deed, toen men verwachtte, dat na het tweede jaar velen buiten de campus souden gaan wonen. En in de tweede plaats de verplichting om nog meer dan al gedaan wordt te zorgen, dat op de (toch!) betrekkelijk besloten campus de studenten het contact, met de „buitenwereld" behouden. Anders zou men bet gevaar lopen, dat door het het Twentse campussysteem weliswaar een soepele en geleide overgang van middelbare school naar universiteit is geschapen, maar dat later de overgang van universiteit naar werkkring nog moeilijker zal zijn, dan hij thans al voor vele afgestudeerden is. Het image van Drienerlo laat de mensen van de TH-Twente in het algemeen bepaald niet koud. De rector-magnificus, prof. dr. G. Berkhoff, deelde ons mee dat de SVB, die aanvankelijk sceptisch tegenover dit „experiment in het bos" stond, zo langzamerhand haar mening drastisch herzien schijnt te hebben. En daar is ook wel reden voor. Er is, al experimenterend in het bos, al heel wat bereikt, wat de SVB op andere universiteiten maat wat graag tot stand zou brengen. Terecht zegt de adjunct-campusdecaan: „Er is geen universiteit en geen campus-hogeschool met zoveel mcdebeleid en medeweten door studenten als hier op Drienerio". Dat uit zich bij de huisvesting (de studenten zijn betrokken bij de verdeling van de woonruimte, de accomodatie van de kamers en de regeling van het leefklimaat), bij de voeding (studenten praten in de boerderij commissie mee over de menu's), bij de lichamelijke opvoeding en de sport, bij het geestelijk en cultureel leven, bij het organiseren van het studium generale. En vooral: Drienerlo kent voor Nederland het verst gaande medeoverleg van studenten in zake de studie via de studieraden, waarmede daar al van de aanvang af wordt geëxperimenteerd. Doordat de studenten zo nauw betrokken zijn bij de gang van zaken in Drienerlo en trouwens door het hele klimaat op de campus, is de verhouding student-docent sterk afwijkend van wat wé als normaal zijn gaan beschouwen. „Als mijn man in Delft studenten op bezoek vroeg, waren ze hoogst verbaasd", verteld de echtgenote van professor Rodenburg, „maar hier vinden ze eigenlijk, dat het er zo'n beetje bijhoort". „Er wordt ook verwacht, dat je meedoet aan verschillende activiteiten op de campus", zegt mevrouw Idenburg, getrouwd met een wetenschappelijk ambtenaar van de T H T , „en daardoor ontstaat een heel informeel contact met de studenten, dat ik in mijn eigen studententijd helemaal niet gekend heb." Het zal nog wel even duren voor we zulke uitspiaken ook in andere universiteitssteden kunnen optekenen. Ze hebben niet graag, dat je dat zegt, maar toch geloven wij, dat in Drienerlo wel een beetje de victorie begint! OBSERVATOR.


PROMOTIE Samenvatting van het proefschrift „Problematiek van de Sociale Werkplaatsen" van de heer P. N . A. de Bres, die op donderdag 16 december 1965 aan de Katholieke Hogeschool bij prof. dr. F . J. H . M. van der Ven gepromoveerd is tot doctor in de sociale wetenschappen. D e heer P. N . A. de Bres is in 1910 geboren. Hij slaagde in 1936 voor het doctoraal examen economische wetenschappen aan de Katholieke Hogeschool. T o t 1948 is hij werkzaam geweest bij het bureau van de Provinciale Voedselcommissaris voot Noord-Brabant; vervolgens tot 1961 bij de Sociale Dienst van de Gemeente Tilburg. De heer De Bres is momenteel in dienst van het Ministerie van Sociale Zaken en Volksgezondheid, Dienst Complementaire en Sociale Voorzieningen. Onder sociale werkvoorziening wordt doorgaans begrepen de Gemeentelijke Sociale Werkvoorziening voor Handarbeiders (G.S.H.) en de Sociale Werkvoorzieningsregeling voor Hoofdarbeiders (S.W.H.). Tot op heden vindt de sociale werkvoorziening voor zowel de hoofd- als handarbeider haar juridische basis in ministeriële beschikkingen en circulaires. E r bestaan evenwel plannen tot wettelijke regeling van de sociale werkvoorziening. Bij een wettelijke regeling zullen onderdelen, die tot nog toe niet om principiële standpuntbepaling vroegen, nu wel ten principale moeten worden beslist. De werknemer-hoofdarbeider is steeds opgenomen geweest in de Werkeloosheidswet; de werknemer hand-arbeider is daarvan steeds uitgesloten. N a een korte beschouwing over de ontwikkeling van de rechtspositie van de werknemers in de sociale werkvoorziening, komt de schrijver tot een afzonderlijke overeenkomst voor deze werknemers, omdat deze groep nu eenmaal een bijzonder beschutte positie nodig heeft. Ofschoon deze overeenkomst elementen bevat en aan de zelfkant ligt van de arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht, is van een normale arbeidsovereenkomst afgezien om daardoor het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen (B.B.A.) voor de dienstbetrekking in de sociale werkvoorziening uit te sluiten. De heer De Bres beschouwt het G.S.W.-loonsysteem, dat als een merit-rating wordt aangeduid, als te ingewikkeld voor werkgever en werknemer. De werknemer heeft er te weinig macht in en staat er dus wantrouwig tegenover. Hij voelt zich te veel afhankelijk van zijn baas of werkmeester. Voor de werkgever is het systeem moeilijk, omdat behalve de meetbare produktiefaktoren als kwantiteit en kwaliteit ook het gedrag van de werknemer mee moet wegen bij de bepaling van het loon. Een werkmeester kan door direkte waarneming het gedrag van de werknemer als geheel kwalificeren als slecht, minder goed, goed, prima, uitstekend. M a a r veelal is het voor de eenvoudige werkmeester te moeilijk om gezichtspunten als toewijding, interesse, houding ten opzichte van de omgeving en interne voorschriften, zorg voor materiaal, gereedschap en gebouw aan te geven, want deze gezichtspunten liggen

4

„achter" het gedrag als een eenheid verborgen en moeten door de werkmeester voor elke werknemer afzonderlijk geïnterpreteerd worden. Voor de G.S.W. zouden alle gedragsfaktoren moeten worden samengevat tot één faktor: gedrag. Ook zou het loonsysteem aan objectiviteit winnen door de verhouding te wijzigen tussen produktie-faktoren en gedragsfaktor(en) J bijvoorbeeld 2/3 voor de produktie- en 1/3 voor de gedragsfaktor. Ook het subsidiesysteem ware te vereenvoudigen. De schrijver is voorstander van een systeem van subsidie per werkelijke (dus niet per potentiële) arbeidsplaats, door een subsidie in de loonkosten van de werknemers in rendabele èn onrendabele objekten. Door het huidige systeem wordt het Gnancieel-economische beleid van de sociale werkplaatsen onnodig versluierd. Bij sommige werkplaatsen ontbreekt zelfs een verantwoord beleid. Het accent ligt dikwijls te veel op het sociale aspekt, terwijl dit sociale aspekt toch juist het best tot zijn recht kan komen in een economisch goed geleide werkplaats. Naarmate de arbeidsmarkt krapper werd, vonden de werknemers uit de G.S.W. hun weg naar het vrije bedrijf en werden op de G.S.W.-objekten meer en meer werknemers geplaatst die al een rente genoten ingevolge de Invaliditeitswet en voor wie de G.S.W. een eindstation betekende. Daarmee ontstond het probleem van het samenlopen van G.S.W.-loon en invaliditeitsrente. Aan de z.g. anticumulatieregeling wordt in het proefschrift uitvoerig aandacht besteed. Behandeling van de vraag, in hoeverre de sociale werkvoorziening tevens als arbeidsrevalidatie-instituut kan worden beschouwd, leidt tot de conclusie d a t daaraan nog veel ontbreekt. In het laatste hoofdstuk wordt de strukturele opbouw van de sociale werkvoorziening besproken. H e t recht op arbeid wordt menigmaal als fundamenteel beginsel van de sociale werkvoorziening naar voren geschoven. Recht op arbeid voor iedereen, ook voor de lichamelijk en geestelijk gehandicapte mens. Met het geleidelijk aan meer en meer opnemen van aanvankelijk slechts licht-, doch later ook zwaar lichamelijk en geestelijk gehandicapte werknemers in de sociale werkvoorziening kwam steeds sterker geprononceerd naar voren de problematiek rond de verhouding: 1. uitkering of bijstand op basis van arbeidsongeschiktheid en 2. loon uit arbeid ingevolge de sociale werkvoorziening. Het recht op uitkering of bijstand is een positief recht, voortvloeiende uit een positieve rechtsorde, i.e. de sociale zekerheidsrechtsorde. H e t recht o p arbeid daarentegen is een algemeen menselijk recht, voortvloeiende uit de algemeen menselijke natuur. Het recht op uitkering of bijstand is afdwingbaar, dit in tegenstelling tot het recht op arbeid. Dit alles heeft zijn konsekwenties voor de gedeeltelijk


arbeidsgeschikte persoon, die een afdwingbaar recht op uitkering of bijstand heeft en in alle vrijheid zal beslissen of hij zijn resterend arbeidsvermogen ten dienste zal stellen van zichzelf en de gemeenschap. De promovendus geeft aan het einde van dit hoofdstuk een eigen ontwerp van het instituut van de sociale werkvoorziening met zijn uitvoerende, adviserende, toezichthoudende, stimulerende en coördinerende funkties en taken. Hij komt daarbij tot een centrale raad en provinciale raden voor de sociale werkvoorziening. Van bijzonder belang is de provinciale raad als stimulerende-, coördinerende-, maar ook beroepsinstantie.

Deze provinciale raad is mede van belang om de provinciale federaties van werkplaatsen die moeilijk of niet van de grond komen in de provinciale raad te kunnen opnemen. De sociale werkvoorziening heeft na haar ietwat stormachtige ontwikkeling in de breedte het stadium bereikt van coördinatie en ontwikkeling in de diepte. Bij deze verdere ontplooiing heeft de centrale overheid een opvoedende taak door de eerste aanzetten te geven en een wettelijk kader te leveren, waarbinnen deze ontwikkeling zich kan ontplooien. De heer D e Bres heeft aan zijn proefschrift toegevoegd een proeve van een voorontwerp van wet voor de sociale werkvoorziening van bijna 90 artikelen.

Uittreksel van een gastcollege gegeven door Prof. Mr. A. Pitlo.

Goede trouw, r e c h t s z e k e r h e i d e n r e c h t s z u i v e r h e i d Het burgerlijk recht heeft de laatste eeuw enorme veranderingen ondergaan. Er valt een duidelijke ontwikkeling te constateren van een star, formalistisch legisme naar een soepel en ethisch getint recht. De hoofdoorzaken van deze ontwikkeling zijn: 1. De vermaatschappelijking van het recht. V a n individualisme is men gekomen tot een sterke maatschappelijke gebondenheid (socialisme) hetgeen een verlies van de individuele vrijheid met zich meebrengt. 2. De relativering in ons denken. Recht is geen bestaand gegeven, doch wijzigt zich met het denken. Wanneer wy onze opvattingen over het recht veranderen, wijzigen wij daarmee het recht. Houwing, Scholten, Molengraaff en Eggens zijn belangrijke figuren in deze ontwikkeling van absolutistisch, analyserend denken naar relativerend, synthetisch denken. Socialisering en relativering behoeven niet samen te gaan. Relativering zet in wanneer een maatschappij niet langer gelooft in haar eigen overgeleverde waarden. Relativering betekent het preluderen op een maatschappelijke verandering. Wij vinden een zodanige verandering met de daaraan voorafgaande relativering ook in de kentering van de Middeleeuwen naar de moderne tijd, een kentering die na de gebondenheid van de Middeleeuwse maatschappij het accent naar het individu verlegde. De vermaatschappelijking van het recht nu, die door sommigen gezien wordt als een nieuwe dageraad (Valkhoff: Een eeuw rechtsontwikkeling) en door anderen als een symptoom van een naderende ondergang (Ripert: Le déclin du droit) en die onze verdere aandacht zal hebben houdt i n : A. Toeneming van rechtsregels ter bescherming van de maatschappelijk zwakken. Deze regelen moeten zijn van dwingend recht, willen zij het beoogde effect sorteren. In dit opzicht is de rechtsverhouding waarin wij leven een volkomen andere dan

die waarin onze voorouders van honderd j a a r geleden leefden. Als voorbeeld moge dienen dat in de vergadering van de Nederlandse Juristenvereniging van 1872 door Mr. Gratama kon worden opgemerkt, dat er geen beschaafd land ter wereld was, waar de burger niet vrij was in het bepalen van zijn eigen rechtspositie. Thans kan men eerder het omgekeerde zeggen: er is geen beschaafd land ter wereld, waar de burger vrij is in het bepalen van zijn eigen rechtspositie. Overal zijn bindende maatregelen gekomen, die de persoonlijke vrijheid hebben ingedamd. H e t belang- van de gemeenschap prevaleert boven het belang van het individu. Deze stroming houdt derhalve tevens in d a t het privaatrecht doordrenkt wordt van publiekrecht. Vroeger kon men zeggen, dat het publiekrecht als uitzondering op het privaatrecht lag. Weliswaar kan men thans nog niet naar juistheid het omgekeerde beweren, maar ontegenzeggelijk heeft het privaatrecht aan betekenis ingeboet tegenover het publiekrecht. De eerste die van de nieuwe stroming het nut heeft ondervonden is het kind geweest. De Kinderwetten van 1901 reduceren de ouderlijke macht tot ouderlijke plicht. Hier kunnen wij tevens constateren het begin van het algemene gezagsverval, dat onze maatschappij kenmerkt. H e t gezag van de ouder tegenover het kind, van de man tegenover de vrouw, van de werkgever tegenover de werknemer, bevindt zich in dalende lijn. Belangrijk zijn in deze ontwikkeling de Wet op het arbeidscontract van 1907 en de Pachtwet van 1937. Deze laatste wet houdt zoveel dwingend recht in, dat de wetgever het pachtrecht uit het B.W. heeft gelicht en in een aparte wet heeft ondergebracht. Voorts kan men wijzen, in het bijzonder in de crisisjaren die aan de Tweede Wereldoorlog voorafgingen, op vele sociale maatregelen, die het eigendomsrecht, het droit inviolable et sacré van onze voorvaderen, in sterke mate hebben uitgehold. Een verschijnsel dat vooral bij onroerend goed sterk tastbaar is. Onder de ouderen is er menigeen die jammert over deze gang van zaken en meent dat de grens van

5


de beperkingen van de persoonlijke vrijheid is bereikt. Wie zo spreekt, kent zijn geschiedenisles niet. Telkens zijn er perioden geweest, zowel in Egypte als in Athene en in Rome, waarin de vrijheid van het individu nog veel sterker teruggedrongen was dan in de tijd waarin wij leven. Of de mens a c h hierin gelukkig voelt hangt af van de vraag of hij het staatsideaal, dat deze gang van zaken weerspiegelt, deelachtig is. Er ójn evenveel soorten vrijheid als er ideologieën zijn. B. Doorwerking van ethische begrippen als goede trouw, behoren, fatsoen e.d. in het burgerlijk recht. Het is een lange weg, die de mensheid omhoog voert van amoraliteit naar het morele besef. Men mag dan ook constateren, d a t het een vrucht van hoog beschavingsniveau is, wanneer de wetgever — zoals in ons art. 1374 lid 3 — verklaart, dat het gegeven woord bindt. Dit wil geenszins zeggen dat in onze samenleving een ieder zo fatsoenlijk zou zijn, te beseffen dat hij door zijn woord gebonden is. Menigeen schaamt zich helaas niet zich aan zijn verplichtingen te onttrekken door erop te wijzen, dat hij niets zwart op wit heeft gezet, hetgeen betekent d a t hij zo slim is geweest aan de ander geen bewijsmateriaal te verschaffen. Het taalgebruik legt van deze povere houding getuigenis af door de verwarring van de woorden akte en contract. Men bezigt immers vaak het woord contract voor het schriftelijk stuk. Dit neemt niet weg, dat de wetgever de goede trouw in het contractenrecht tot richtsnoer heeft gegeven. De verdere ontplooiing van het begrip goede trouw heeft slechts moeizaam kunnen verlopen, aangezien elke nieuwe codificatie een periode van strak legisme met zich meebrengt, daar het juristendom als zo'n reuzenarbeid tot stand is gebracht verlangt er een muur omheen op te trekken. Sommige artikelen uit onze Wet Algemene Bepalingen leggen daar getuigenis van af. Men kan zeggen dat in het begin van deze eeuw met Houwing een nieuwe periode werd ingeluid. Deze nieuwe periode bracht mee een soepeler hanteren van de wet. Dit maakte een instroming van ethische beginselen mogelijk. Hiervan is Scholten de vertolker geweest, die waarschijnlijk de grootste invloed heeft gehad. Zijn leven was getuigen en van hem is het grote woord: Er is geen recht zonder rechtvaardigheid. Het arrest van 1919 over art. 1401, misschien het belangrijkste arrest door onze H. R. ooit gegeven, liet de fatsoensnormen via het artikel over de onrechtmatige daad in ons recht binnenstromen. Onrechtmatig is sindsdien niet slechts onwetmatig maar al hetgeen strijdt met de maatschappelijke fatsoensnormen. Geheel in dezelfde lijn ligt het arrest van 1926 van de Goudse Bouwmeester met betrekking tot het begrip natuurlijke verbintenis. Natuurlijke verbintenis is volgens deze uitspraak niet alleen die verbintenis, waarop de wet dit stempel met zoveel woorden drukt, maar ook elke dwingende verplichting van moraal en fatsoen. Door deze beide arresten werd dus buiten het contractenrecht grote winst geboekt. T e betreuren is het evenwel, d a t de H. R. in het Sarong-arest van 6

1926 en het Mark is Markarrest van 1931 niet die uitbouw aan art. 1374 lid 3 heeft gegeven die mogelijk was geweest. De H . R. heeft in deze arresten de werking van de goede trouw beperkt tot aanvulling van het overeengekomene en heeft er de kracht aan ontzegd het overeengekomene te wijzigen. Weliswaar zijn er sindsdien uitspraken geweest, die het uitgangspunt van beide bedoelde arresten hebben gematigd, maar tot een expliciete erkenning, dat het onder bepaalde omstandigheden mogelijk is met een beroep op de goede trouw de letter van het overeengekomene ter zijde te schuiven, is de H. R. nog steeds niet gekomen. Elders heeft de H. R. echter de werking van de goede trouw sterk verruimd door de goede trouw als beginsel te erkennen ook buiten het contractenrecht. I n arresten van 1946, 1952 en 1957 heeft de H. R. ook niet-contractuele rechtsbetrekkingen zoals die tussen deelgenoten in een gemeenschap en onderhandelende partijen aan het beginsel van de goede trouw onderworpen verklaard. De H . R. heeft evenwel deze weg nog niet ten einde afgeschreden, want in een arrest van 1959, gegeven naar aanleiding van een vraag met betrekking tot de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking, heeft de H. R. de gelegenheid laten voorbijgaan kort en goed het Recht als bron van verbintenissen te erkennen. Het was slechts een geclausuleerd neen — maar dan toch een neen. Niet alle juristen begroeten het loslaten van de letter van de wet en van het contract met gejuich. Er zijn er die vrezen, dat de rechtszekerheid hiermee kan worden aangetast en d a t men in de keuze tussen rechtszekerheid en rechtszuiverheid de rechtszekerheid moet laten prevaleren. Wie echter de mening is toegedaan, dat de samenleving in laatste instantie door regelen van goede trouw, fatsoen, billijkheid en andere ethische normen dient te worden geregeerd, merkt op, dat men in deze tegenstelling tussen rechtszekerheid en rechtszuiverheid de begrippen scheeftrekt, want dat de uiterste rechtszekerheid op niets anders kan steunen dan op de rechtszuiverheid en d a t zij, die de mening zijn toegedaan, dat de rechtszuiverheid moet wijken voor de rechtszekerheid, een tweederangs rechtszekerheid in het hoofd hebben. Ieder jurist zal naar eigen aard zijn houding in deze controverse dienen te bepalen en zal moeten beslissen in hoeverre hij de regel van wet en contract wil laten wijken voor de billijkheid. Hij die, aan het einde van zijn juridische werkzaamheden gekomen, naar eigen overtuiging de rechtszekerheid zo goed mogelijk heeft gediend, kan tevreden op zijn juridische loopbaan terugzien.


M ededelingen Algemeen

Sectie

„ S T U D I U M G E N E R A L E" Onlangs bereikte ons het bericht, dat het voor Prof. E. Schillebeeckx onmogelijk zal zijn, om op de aangegeven datum 3 maart 1966 naar Tilburg te komen voor een tweetal colleges in het kader van Studium Generale. Daarom werd ons gevraagd, de afspraak voor 3 maart te verplaatsen naar 24 maart 1966. Intussen is contact opgenomen met Mgr. G. de Vet, die bereid was om zijn colleges in Tilburg te geven op 3 maart. Vandaar wordt U de volgende wijziging van het programma Studium Generale bij dezen bekend gemaakt: 3 maart 1966

De noodzaak van een zielzorg op Europees plan Z. H. Exc. Mgr. G. H. de Vet. 24 maart 1966 De verhouding tussen het empirisch en theologisch denken Prof. Mag. Dr. E. Schillebeeckx. Zoals bekend worden de colleges gegeven op donderdag-middag van 15.00 tot en met 17.00 uur. De Commissie voor het Studium Generale 1965-'66,

Economie prof. dr. C. F. Scheffer Commissies voor statistisch Onderzoek prof. dr. J. J. J. Dalmulder (voorz.) prof. dr. J. Godefroy Commissie Internationale Zaken prof. dr. J. M . Pieters Commissie Doceren en Studeren prof. dr. L. H. Janssen s.j. Commissie Algemene Vragen Wetenschappelijk Onderzoek prof. dr. R. A. de Moor.

*

*

*

BENOEMINGEN. LEERSTOEL ZIEKENHUISWEZEN. Het bestuur van de Stichting Wetenschappelijk Onderwijs en Onderzoek Ziekenhuiswezen heeft meegedeeld dat als leden van het College van Curatoren, belast met het toezicht op de bijzondere leerstoel ziekenhuiswezen, zijn benoemd de heren mr. J. T h . M. de Vreeze, F. H . J. van den Eerenbeemt en mr. W. A. Schouten. Eerstgenoemde is benoemd tot voorzitter en laatstgenoemde tot secretaris.

Zoals U bekend zal zijn kennen wij in Nederland een Academische Raad.

Namens de Katholieke Hogeschool zijn als leden van het College van Curatoren benoemd prof. dr. J. Godefroy, hoogleraar in de demografie en sociografie, en prof. dr. C. F. Scheffer, hoogleraar in de bedrijfshuishoudkunde (in het bijzonder het financiewezen van de onderneming).

Deze Raad heeft diverse commissies. Namens onze Hogeschool nemen aan deze commissies diverse hoogleraren deel:

De bijzondere leerstoel ziekenhuiswezen wordt, zoals bekend in Tilburg en Nijmegen bezet door prof. dr. J. B. Stolte.

*

*

*

Commissie Geesteswetenschappen prof. dr. M. G. Plattel o.p. Sectie Wijsbegeerte prof. dr. M. G. Plattel o.p. Sectie Rechtsgeleerdheid prof. dr. J. M. Pieters prof. mr. H. J. M, Jeukens Sectie Geschiedenis prof. dr. H . F. J. M. van den Eerenbeemt Commissie Exacte Wetenschappen Sectie Wiskunde prof. dr. M . Euwe Commissie Maatschappijwetenschappen prof. dr. J. M . Pieters Sectie sociologie en politicologie prof. dr. R. A. de Moor Sectie Sociale Geografie prof. dr. R. H . A. Cools Sectie Psychologie prof. dr. F. J. P. van Dooren

Tot bijzonder hoogleraar voor de leerstoel voor sociale en economische vraagstukken in het middenen kleinbedrijf aan de Katholieke Hogeschool te Tilburg is benoemd dr. mr. A. F. H . C. Schrijvers te Voorburg. Hij volgt prof. dr. H. O . Goldschmidt op, die in verband met zijn drukke werkzaamheden als gewoon hoogleraar heeft gevraagd te worden ontheven van de taak van bijzonder hoogleraar. De heer Schrijvers is in 1910 in Eindhoven geboren. Hij studeerde rechten aan de Gemeentelijke Universiteit in Amsterdam en economische wetenschappen aan de hogescholen te Rotterdam en Tilburg. Hij promoveerde in 1942 aan de Katholieke Hogeschool bij prof. dr. P. P. van Berkum tot doctor in de economische wetenschappen op een proefschrift „Bouwspaarkassen".

7


Prof. Schrijvers is directeur van de N.V. Bouwkas R O H Y P . Daarnaast is hij onder meer wethouder van openbare werken van de gemeente Voorburg, voorzitter van de Raad voor het Midden- en Kleinbedrijf en bestuurslid van het Economisch Instituut Tilburg.

*

*

*

T e r voorziening in de vacature ontstaan door het overlijden van lector Janssens is benoemd tot buitengewoon lector in de accountancy aan de Katholieke Hogeschool de heer J. W. van Belkum te Rotterdam. De heer Van Belkum is accountant en lid van het N.I.v.A. Hij is lid van de Maatschap Moret, De Jong en Starke te Rotterdam. Hij heeft reeds eerder aan de Katholieke Hogeschool gedoceerd in het kader van het aanvullend onderwijs door het Studiecentrum voor Administratieve Automatisering.

*

*

ALGEMENE T I L B U R G S E S T U D E N T E N ORGANISATIE. H e t Dagelijks Bestuur der Algemene Tilburgse Studenten-organisatie heeft de eer U mede te delen dat het zich voor het j a a r 1965-66 als volgt heeft samengesteld: J. V. M . Lot, president; M. J. J. Dijstelbloem, vice-president; J. M. A. M . de Wit, secretaris: A. B. T h . M. van Schalk, penningmeester Voor het Bestuur, J. M . A. M . de Wit, secretaris.

$

$

>|t

* COLLEGE ROOSTER

GESLAAGD Maandag 21 december. Doctoraal Examen Fiscaal juridische Studierichting. W. Schipper en H . Vaessea. Candidaats examen economische wetenschappen. J. P. F. M. van Aalst, P. A. J. Govers, A. W. P. Jordans, M . E. M. Snelden. ^

't*

Doctoraal examen. W. J. M. Asselbergs, G. J. A. M. Bos, A. W. C. M. Wouter», C. J. Rijnvos, J. A. P. M. v. d. Boom, W. B. Bovy, J. Lu M . Geelen, W. J. J. M. Luchtman, J. J. Nijhui», A. Remkes, F. S. J. Timmermans, P. M. M. Vola, W. A. M. Wehmeyer, H . G. M. Kristen.

*

*

BESTUURSWISSELINGEN. Het Bestuur van de juridische Faculteitsvereniging Tilburg heeft de eer U mede te delen d a t het zich voor het studiejaar 1965-1966 heeft geformeerd als volgt: C. J . M . R. Roovers, praeses; P. A. W. Groot, vicepraese; F. J. F. Tak, abt-actis; A. J. M . Smetsers. fiscus; Mej. M. L. Kruijssen, adressor. Voor het Bestuur, F. J. F. Tak, H . T . abt-actis. 8

vangt zijn colleges aan maandag

O m 14.00 u u r geeft hij college „Sociale en economische vraagstukken van het midden en kleinbedrijf".

*

$

Geslaagd voor Accountancy. 17 december 1965. Drs. J. A. de Bruijn, Rosmalen; Dr». J. J. C. Lammertink, Tilburg; Drs. G. J. Sistermans, Leeuward e n ; Drs. J. J. Waagen, Hilvarenbeek; Drs. D . B. M. v. d. Walle, Amsterdam.

*

Prof. Goldschmidt 24 januari a.s.

*

*

Vanaf maandag 17 januari a.s. zullen de colleges Logica en Ethica I e jaars van Prof. Loeff als volgt worden gegeven: maandag

10 - 12.00 uur:

voor degenen die zijn ingedeeld in de werkgroep A Statistiek Ie jaars en de werkgroep B Organisatie van de onderneming Ie jaars (dinsdag 9 - 1 1 u u r ) ; dinsdag 9-11 uur: voor de overige economen Ie jaars. woensdag 3-5 uur: voor de sociologen Ie jaars.

*

*

*

De colleges Psychologie voor doctoraal-studenten zullen op maandag 17 januari aanvangen met Sociale Psychologie; op 24 januari worden de colleges bedrijfspsychologie gegeven. Het college inleiding in de Psychologie voor candidandi op donderdag 20 januari valt uit.


PAX ROMANA

ALMA

O p 28 en 29 januari a.s. organiseert Pax Romana ALMA in samenwerking met T.S.F. - SIB te H ü varenbeek een symposium over het Caraibisch gebied. HET

PROGRAMMA

VRIJDAG

28

JANUARI

11.00 Ontvangst en borrel. 13.00 Vertrek met bus naar Hilvarenbeek. 13.30 Lunch. 14.30 „Santo Domingo in de 19e eeuw: basis van strukturele en culturele aspecten van het politieke systeem in het Caribisch gebied en Latijns-Amerika", door: prof. dr. H . Hoelink, buitengewoon hoogleeraar, Rotterdam. 15.30 „Communisme in het Caribisch gebied", door: dr. A. L. Constandse. 16.30 Theepauze. 17.00 Discussie o.l.v. prof. dr. L. H . Janssen, hoogleraar te Tilburg. 18.30 Diner. 20.00 Social evening: Optreden bekend Antillaans guitarist in Nederland J. Koko.

ZATERDAG

29

8.00

Kerkdienst.

9.00

Ontbijt.

S T U D I E B E U R Z E N BESCHIKBAAR G E S T E L D D O O R DE N O O R S E R E G E R I N G V O O R H E T A C A D E M I S C H JAAR 1966- 1967. In het kader van het Nederlands-Noors cultureel verdrag stelt de Noorse Regering voor het Academisch jaar 1966- 1967 twee studiebeurzen van 9 maanden ter beschikking van Nederlandse studenten. De beurs is bestemd voor studenten, die tenminste twee jaren academische studie hebben verricht. Zij, die het kandidaatsexamen hebben afgelegd, genieten echter de voorkeur. Zo ook studenten, die een studie-onderwerp hebben, dat betrekking heeft op Noorwegen (taal, literatuur, geschiedenis, recht, folklore, biologie, geologie, enz.). D e maximum leeftijd der kandidaten is o p 30 jaar gesteld. De beurzen zullen in de eerste plaats dienen voor studie aan een Noorse instelling van hoger onderwijs, w.o. de Staatsakademie voor Beeldende Kunsten, maar kunnen ook gebruikt worden voor studie aan andere wetenschappelijke instellingen, bibliotheken, enz. Het bedrag van de b e u n is vastgesteld op 800 N. Kr. per maand. Bij wijze van uitzondering kan eventueel aan twee kandidaten een beurs van vier maanden worden toegekend. Bij aankomst in Noorwegen wordt voorts een extra toelage van N. Kr. 200 verstrekt, teneinde te kunnen voorzien in de eerste uitgaven (b.v. ziektekostenverzekering, enz.}. Reiskosten in Noorwegen kunnen worden vergoed, alsmede de kosten voor de aankoop van studieboeken gedurende het academisch j a a r tot een bedrag van N . K r . 200,—. De reiskosten heen en terug komen voor rekening van de beurshouder.

JANUARI Sollicitaties dienen vóór 1 april 1966 gericht te worden tot de afdeling Internationale Culturele Betrekkingen van het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen, Nieuwe Uitleg 2 te 's-Gravenhage.

10.00 „Problemen van de industrialisatie in het Caribisch gebied", door: drs. Linneman. 11.00 Discussie o.l.v. prof. dr. L. H . Janssen. 12.30 Lunch. 14.00 „E.E.G. - Caribisch gebied", door: dhr. de la Parra. 15.00 Discussie o.l.v. prof. dr. L. H . Janssen. 16.30 Theepauze. 17.00 „Impressies van Cuba", door: dhr. T. Regtiën. 18.00 Diner. 20.00 Vertrek deelnemers. Voor nadere informatie en/of opgave voor deelname, kan men zich vervoegen bij : M. de Castro, Telegraafstraat 60, Tilburg en I P. Merkelbach, Philip Vingboonstraat 19, Tilburg. De Symposiumcommisie.

Hierin moet worden vermeld: 1. personalia; 2. behaalde diploma's en verrichte studie; 3. een duidelijke omschrijving van het studiedoel in Noorwegen, met opgave van de instelling, waaraan men wil studeren; 4. een mededeling omtrent de kennis van Noorse taal en andere vreemde talen; Voorts moet worden bijgevoegd:

de

5. aanbevelingen van twee bij de studie betrokken hoogleraren of andere daartoe gekwalificeerde personen, zo mogelijk gesteld in de Engelse taal; 6. een pasfoto. De minister, namens deze, de chef van de afdeling Internationale Culturele Betrekkingen, voor deze, Mej. mr. E. Talsma.

9


BEURZEN V O O R Z O M E R C U R S U S S E N IN D U I T S L A N D , 1966.

ZWITSERSE STUDIEBEURZEN V O O R NEDERLANDSE S T U D E N T E N , 1966 - 1967.

Hierbij deel ik u mede, dat de „Deutscher Akademischer Austauschdienst" te Bad Godesberg voor 1966 twaalf beurzen voor Nederlandse studenten beschikbaar stelt voor: 1. deelneming aan een der zomercursussen van de universiteiten en 2. deelneming aan muziek-weken aan enkele conservatoria in de Bondsrepubliek Duitsland. Het bedrag van een beurs bedraagt D M 600,—. Dit bedrag is bestemd voor cursusgeld en kosten van levensonderhoud voor een periode van drie tot vier weken. D e reiskosten heen en terug, evenals het zakgeld komen voor rekening van de student. De beurzen zijn in de eerste plaats bestemd voor studenten die reeds enige jaren Duits studeren en jonge leraren in d e Duitse taal. Ook andere belangstellenden kunnen een aanvrage indienen. Kandidaten moeten tenminste 20 jaar zijn en kunnen slechts in uitzonderingsgevallen ouder zijn dan 30 jaar.

Hiermede bericht ik U , dat de Zwitserse Regering voor het akademisch jaar 1966 -196 7 (oktober 1966-juli 1967) twee beurzen ter beschikking stelt v a n Nederlandse studenten, die zo mogelijk het kandidaatsexamen hebben afgelegd en voor pas afgestudeerden, die ter voortzetting van hun studie of specialisatie een jaar aan een Zwitserse universiteit willen studeren; kennis van de Duitse en/of Franse taal is een vereiste, I n verband m e t d e grote toeloop tot de Franstalige universiteiten, zyn deze beurzen bij voorkeur bestemd voor studie aan een Duits-talige universiteit. D e beurs bedraagt 550 tot 700 Zwitserse francs per maand. Het hangt af van d e kwalificaties van d e kandidaat hoeveel hij zal ontvangen. Reiskosten komen ten laste van de kandidaat.

Sollicitaties moeten voor 15 februari 1966 worden gericht a a n d e afdeling Internationale Culturele Betrekkingen van het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen, Nieuwe Uitleg 2 te 's-Gravenhage. De aanmeldingen dienen i n drievoud te geschieden op een formulier d a t bij genoemde afdeling is te verkrijgen.

Deze moeten geschieden op een formulier d a t te verkrijgen is bij genoemde afdeling. Het formulier moet in viervoud worden ingediend. Hierbij dienen aanbevelingen v a n twee bij de studie betrokken hoogleraren (zo mogelijk ook in h e t Duits, Frans of Engels) gevoegd te worden, alsmede een pasfoto.

de chef van de afdeling Internationale Culturele Betrekkingen, Mej. mr. E. Talsma.

Aanvragen kunnen vóór 15 februari 1966 worden ingediend bij de afdeling Internationale Culturele Betrekkingen van het Ministerie van Onderwijs e i Wetenschappen, Nieuwe Uitleg 2 te 's-Gravenhage.

de chef van d e afdeling Internationale Culturele Betrekkingen, Mej. m r . E. Talsma.

Prijsvraag - voorwaarden T e r herdenking van het feit, d a t de Nederlandse Consumentenbond 12 J/a jaar geleden werd opgericht, heeft het Bestuur besloten een prijsvraag uit te schrijven voor een wetenschappelijke studie over het onderwerp: „Betaalt de consument uit de lagere inkomensgroepen voor soortgelijke goederen en diensten meer dan de consument uit de hogere inkomensgroepen ?'' Het stellen van deze vraag vloeide voort uit kennisneming van een onderzoek, verricht in de V e r Staten gepubliceerd onder de titel „The poor pay more",*) waarin deze vraag voor bepaalde categorieën der bevolking in bepaalde omstandigheden bevestigend beantwoord werd. D e Nederlandse Consumentenbond stelt er thans prijs op gegevens en/of verantwoorde aanwijzingen dienaangaande te verkrijgen over de situatie in Nederland. Bij de beantwoording van de vraagstelling kunnen mede i n beschouwing genomen worden factoren als gezinsgrootte en -samenstelling, opleidingsniveau en andere relevante criteria. 10

Het is niet nodig, d a t de vraag in zijn volle omvang voor geheel Nederland en/of voor alle bestedingscategorieën beantwoord wordt. Beperking tot een bepaalde deel-groep, bijv. wijk, is toegestaan, evenals beperking tot één of enkele goederenof dienstensoorten. Evenmin is voorgeschreven, dat het genoemde Amerikaanse onderzoek als uitgangspunt of vergelijkingsbasis wordt gebruikt. Slechts inzendingen, waaraan feitenmateriaal ten grondslag ligt, komen voor bekroning in aanmerking. De keuze van de onderzoekmethode is vrij; gedacht wordt bijv. a a n analyse van bestaand statistisch materiaal, observatie, participatie, interviewing etc. Uitsluitend literatuuronderzoek voldoet echter niet aan de voorwaarden. Verwacht wordt een oorspronkelijk en wetenschappelijk verantwoord werkstuk v a n niet meer dan 15.000 woorden. V a n deze omvangsbeperking zijn uitgesloten eventuele bijlagen, welke bewerkte gegevens, grondmateriaal of een verantwoording van


de toegepaste methodiek bevatten. De tekst moet getypt worden ingeleverd met een vóórmarge van tenminste 8 cm en op papier, dat aan één zijde blanco is. *) Caplovitz, D . „The poor pay more - consumer practices of low income families". Free press of Glencoe, 1963, 240 biz. Columbia University, Bureau of Applied Social Research. Prijs ƒ21,05. De ingezonden werkstukken worden beoordeeld door een jury, bestaande uit Prof. Dr. H. W. J Bosman, hoogleraar aan de Kath. Econ. Hogeschool te Tilburg; Dr. A. van Braam, Hoofd van de Afd. Soc. Statistieken van het Centraal Bureau voor de Statistiek te 's-Gravenhage; Prof. Dr. P. J. A. ten Hoeven, hoogleraar aan de Nederl. Economische Hogeschool te Rotterdam. De beste inzending, die aan de gestelde voorwaarden voldoet, wordt beloond met een prijs van ƒ 1000,—. Tevens wordt een tweede prijs van ƒ 500,— uitgeloofd. Indien een inzending kennelijk bijzondere kwaliteiten of een hoog wetenschappelijk niveau heeft, kan de daaraan toe te kennen eerste prijs worden verhoogd tot ƒ 2000,—, zulks ter beoordeling van de jury.

blikatie in aanmerking komen, behoudt laatstgenoemde zich het recht voor tot deze publikatie over te gaan en zal dan aan de inzenders een bedrag van ƒ 200,— voor auteursrechten betalen. Inzendingen die noch voor bekroning, noch voor publikatie in aanmerking komen, zullen aan de inzenders worden geretourneerd. Alle inzenders, ook van de bekroonde en van de voor publikatie uitgekozen werkstukken, hebben en behouden het recht, zowel vóór als na de prijsuitreiking, het door hen samengestelde werkstuk te doen dienen als scriptie, gevorderd voor een academisch examen, op voorwaarde d a t het werkstuk dan niet verder verspreid of voor lezers toegankelijk gemaakt wordt dan voor dergelijke stukken minimaal vereist of gebruikelijk is. Inzending van de werkstukken moet plaats vinden vóór 31 december 1966 en aangetekend geschieden onder motto aan het adres van notaris Dr. J. R. K. Buining, Zeestraat 86, '»-Gravenhage. Een afzonderlijke gesloten enveloppe, aan de buitenzijde vermeldende „Motto Prijsvraag N C B " eo inhoudende naam en adres van d e inzender alsmede het door hem/haar gebezigde motto, moet eveneens aangetekend aan bovengenoemde notaris worden toegeoznden.

De bekroonde werkstukken worden eigendom van de Nederlandse Consumentenbond, die daarmede het recht verkrijgt de inhoud te publiceren op een door hem te kiezen wijz en tijdstip.

Dé uitslag van de prijsvraag en het oordeel van de jury zullen tenminste worden bekend gemaakt in de Consumentengids gedurende het tweede halfjaar 1967 of zoveel eerder als mogelijk is en naar behoren aan de prijswinnaars worden medegedeeld.

Indien niet-bekroonde inzendingen naar het oordeel van de Consumentenbond eveneens voor pu-

Aan de deelnemers worden geen andere eisen gesteld dan in deze voorwaarden genoemd.

Het bestuur van de T.E.F, zal voortaan per trimester verslag uitbrengen aan haar leden. O p deze wijze hoopt bet bestuur een betere communicatie tot stand te brengen en haar leden meer inzicht te geven in de aard van haar werkzaamheden.

Tijdens de maand oktober werden de gebruikelijke kennismakings-bezoeken bij enkele hoogleraren afgelegd. Voorts kon het bestuur bemiddeling verlenen inzake enkele wijzigingen van minder gunstig vastgestelde tentamendata en werden ook de moeilijkheden opgelost, die voor een aantal doctoraal studenten (economisch bestuurswetenschappelijke richting) waren ontstaan ten gevolge van een wijziging in het studieprogramma. In dit trimester werd een begin gemaakt met de voorbereidingen voor de uitgifte van college-dictaten. De dictaten zullen in principe per trimester worden uitgegeven en alleen na verkregen toestemming van de betreffende hoogleraar. In eerste instantie zal de uitgifte verzorgd worden van de prop.- en candidaats-dictaten van Prof. Scheffer, Prof. Bosman en Prof. Goldschmidt. H u n volledige toestemming en medewerking (o.a. correctie) werd reeds verkregen. Prof. Plattel wil proberen om de hoofdlijnen van zijn betoog reeds vooraf op stencil te verstrekken, zodat er meer mogelijkheid tot discussie wordt geschapen. Het bestuur is van mening, dat een centrale regeling van de uitgifte van dictaten de meeste kansen heeft en vraagt hierbij de medewerking van de leden .

VERSLAG O V E R H E T Ie T R I M E S T E R . Op 6 oktober 1965 werd de overdrachtsvergadering gehouden in het Eigen Huis. Het bestuur werd als volgt samengesteld: G. J. H. Vinke praeses P. J. Bollen vice-praeses G. L. Aquina ab-actis J. W. G. van Raay quaestor J. A. M. Theeuwes assessor Na de installering nam het bestuur contact op met de voorzitter van de economische faculteit, Prof. Dr. C. F. Scheffer, om de moeilijkheden met betrekking tot de tentamen- en examen-data te bespreken. Naar aanleiding hiervan werd door Prof. Scheffer een sluitende examen- en tentamenregeling opgesteld voor de propaedeuse, het candidaats- en het doctoraal examen. Een aparte vermelding van het hierbij behorende Protocol voor de uitreiking van de candidaats-diploma's is op zijn plaats, omdat hierdoor {in tegenstelling tot het recente verleden) een stijlvol geheel wordt gewaarborgd.

11


Voor het tweede trimester werd georganiseerd : a. een introductie-bijeenkomst voor 1ste jaars studenten, op woensdag 19 januari; b. een inleiding over studiemethode en studietechniek door Prof. van Dooren, vooral voor 1ste jaars studenten; c. een inleiding in het kader van de lezingencyclus „D2 en dan ?" Deze inleiding zal gehouden worden op donderdag 10 februari 1966 in de voorzaal van het Eigen Huis te 20.00 uur. Voor het bestuur J. A. M . Theeuwes, h. t. assessor. POSTKAMER VERHUISD. De centrale postkamer is verhuisd naar de kamer naast de hoofdingang aan de zijde .van de bibliotheek. Het telefoonnummer blijft 154. BODE De bode maakt viermaal per dag een route langs de afdelingen om post te brengen of mee te nemen. Hij neemt dan ook opdrachten mee voor de druk-

GEWIJZIGD SPORTROOSTER M E T INGANG VAN 18 J A N U A R I 1966 MAANDAG: 9.00—16.00 16.15—17.15 17.15—18.15 18.15—19.15 18.15—19.15 19.15—20.75 19.15—22.00 20.30—22.00 DINSDAG : 9.00—12.00 12.15—13.15 13.15—16.15 75.75—76.00 16.15—17.15 17.15—18.15 18.15—19.15 19.15—20.30 18.15—19.15 19.15—20.15 20.30—uur WOENSDAG : 9.00—16.00 16.15—17.15 17.15—18.15 18.15—19.15 18.15—19.15 19.15—20.15 19.15—20.30 20.30—21.30 21.30—22.30 DONDERDAG: 9.00—13.00 13.00—14.00 14.00—15.00

12

uur uur uur uur uur uur uur uur

zaal tennis indoor doctoraalstudenten tennisles gevorderden indoor algemeen JUDO BEGINNERS JUDO GEVORDERDEN badminton basketball

uur uur uur uur uur uur uur uur uur uur

zaaltennis indoor roeien zaaltennis TRAMPOLINE DAMES tennisles beginners indoor algemeen zaalvoetbal volleybaltraining BOKSEN voor gevorderden BOKSEN voor beginners volleybalcompetitie

uur uur uur uur uur uur uur uur uur

zaaltennis indoor I e en 2e jaars zaalvoetbal indoor algemeen JUDO GEVORDERDEN JUDO BEGINNERS damessport zaalhockey lager dan 2e kl. zaalhockey 2e kl. en hoger

uur uur uur

zaaltennis zaalvoetbal zaalvoetbaltraining comp. spelers

kerij en levert later het drukwerk af bij de afdelingen. De routes van de bode liggen tussen de volgende tijden : 08.45 — 09.15 uur 15.00—15.15 uur 10.45—11.15 uur 16.30—17.00 uur ZELF DRAAIEN I N T E L E F O O N C E L In de telefooncel bij de hoofdingang kan men voortaan zelf lokale en interlokale verbindingen tot stand brengen. N a afloop van het gesprek moet men de gesprekkosten betalen aan de telefoniste. NIEUWE KOPIEERMACHINE In het souterrain tegenover de drukkerij staat een nieuwe kopieermachine, waarmee men zelf onmiddellijk droge kopieën kan maken. De kosten bedragen 25 cent per kopie en moeten meteen worden betaald. Men kan met deze machine geen kopieën maken uit boeken en tijdschriften. De kopieën zijn direct bruikbaar als offsetplaat voor de drukkerij; zij kunnen dus zonder verdere behandeling worden vermenigvuldigd. (Het overtypen van brieven of rapporten is dus niet meer nodig en er hoeft op de afdelingen geen archief van offsetplaten meer te worden bijgehouden. )

15.00—16.00 16.00—17.00 17.00—18.00 18.00—19.00 19.00—20.00 20.00—22.00

uur uur uur uur uur uur

20.00—22.00 uur VRIJDAG : 9.00—17.00 17.15—18:15 18.15—19.15 19.15—21.00 20.00—23 00

uur uur uur uur uur

tennisles beginners tennisles beginners indoor algemeen indoor roeien zaalhandbal TAFELTENNISTRAINING zaal voetbalcompetitie disputen zaaltennis tennisles indoor algemeen zaalvoetbal SCHERMEN

ZATERDAG : 9.00—12.00 uur : Alleen tennis voor hoogleraren en wetensch. staf. TOELICHTING : Boksen - judo - schermen - tafeltennis en trampoline vinden plaats in de kleine zaal. De rest van de sporten in de grote zaal. Badminton : Alleen op maandagavond in de grote zaal. Tennislessen worden gegeven in groepen van 10 man Inschrijvingen moeten schriftelijk worden ingediend. Toewijzing geschiedt naar datum van binnenkomst. Niet-ingeschrevenen hebben geen toegang tot de tennisles. Trampoline heren geschiedt o.l.v. de commissaris op overeengekomen tijdstippen. Eventuele gegadigden kunnen zich hiervoor schriftelijk opgeven, (waarschijnlijk donderdagmiddag). Indien de kleine zaal overdag of 's avonds niet in gebruik is, kan hierin op eigen gelegenheid badminton en tafeltennis gespeeld worden. Het Pendragon-bestuur.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook