Page 1

Omslag TM • Ethisch leren denken • Eva Schouten, studio Pietje Precies bno, Hilversum fictieve rugdikte: 9 mm • formaat 170 * 243 mm • fc

Er verandert veel in de beroepen van hulpverlening, verzorging en sociale dienstverlening. Morele reflectie op die beroepsuitoefening vraagt om voortdurende aanpassingen en vernieuwingen. In deze vierde druk is de inhoud geheel herzien. De casussen zijn geactualiseerd. En er is met name meer aandacht voor de omgang met cliënten uit andere culturen, voor contacten waarin dwang en drang een grote rol spelen, voor management, kwaliteitszorg en voor de jeugdproblematiek. In dit boek is de Beroepscode voor de jeugdzorgwerker als bijlage opgenomen.

Ethisch leren denken

Met dit boek scholen studenten zich in het ethisch leren denken in de praktijk. Dit boek is gebaseerd op de mbo kwalificatiedossiers Welzijn 2011 voor de opleidingen Pedagogisch Werker (niveau 3 en 4), Medewerker Maatschappelijke Zorg (niveau 3 en 4), Onderwijsassistent (niveau 4), Sociaal Cultureel Werker (niveau 3 en 4) en Sociaal Maatschappelijke Dienstverlener (niveau 4). Het is een studieboek met veel oefen- en leermogelijkheden. Bij elk hoofdstuk zijn opdrachten opgenomen om de leerstof te verwerken en toe te passen in praktijksituaties. Ook bevat het boek veel casussen waarin beroepsethische dilemma’s aan de orde komen.

Jan Ebskamp, Syll Damave

In de beroepsuitoefening van werkers spelen waarden en normen een grote rol. Een deel van die normen zijn in gedragscodes vastgelegd, zonder dat het om recepten gaat. Van belang is dat werkers zich tijdens de opleiding scholen in het professioneel hanteren van morele dilemma’s: hoe ga ik met vertrouwelijke informatie om, in hoeverre mag ik iemand dwingen, moet ik een rapportage eerst door een cliënt laten lezen?

Ethisch leren denken Jan Ebskamp Syll Damave


Ethisch leren denken Jan Ebskamp Syll Damave

14219_BW_Ethisch leren denken.indd 3

12-03-13 10:01


Auteurs Jan Ebskamp Syll Damave Redactie Singeling Tekstproducties, Amersfoort Ontwerp Studio Pietje Precies, Hilversum Opmaak Imago MediaBuilders, Amersfoort Illustraties Bas van der Schot Shutterstock

Over ThiemeMeulenhoff ThiemeMeulenhoff is dé educatieve mediaspecialist en levert educatieve oplossingen voor het Primair Onderwijs, Voortgezet Onderwijs, Middelbaar Beroepsonderwijs en Hoger Onderwijs. Deze oplossingen worden ontwikkeld in nauwe samenwerking met de onderwijsmarkt en dragen bij aan verbeterde leeropbrengsten en individuele talentontwikkeling. ThiemeMeulenhoff haalt het beste uit élke leerling. Meer informatie over ThiemeMeulenhoff en een overzicht van onze educatieve oplossingen: www.thiememeulenhoff.nl of via de Klantenservice 088 800 20 16 ISBN 978 90 06 95264 3 Vierde druk, eerste oplage, 2013 © ThiemeMeulenhoff, Amersfoort, 2013 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16B Auteurswet 1912 j° het Besluit van 23 augustus 1985, Stbl. 471 en artikel 17 Auteurswet 1912, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan Stichting Publicatie- en Reproductierechten Organisatie (PRO), Postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp (www.stichtingpro.nl). Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet) dient men zich tot de uitgever te wenden. Voor meer informatie over het gebruik van muziek, film en het maken van kopieën in het onderwijs zie www.auteursrechtenonderwijs.nl. De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen die desondanks menen zekere rechten te kunnen doen gelden, kunnen zich alsnog tot de uitgever wenden.

Deze uitgave is voorzien van het FSC-keurmerk. Dit betekent dat de bosbouw voor het gebruikte papier op een verantwoorde wijze heeft plaatsgevonden.

14219_BW_Ethisch leren denken.indd 4

12-03-13 10:01


5

Inhoudsopgave

Inhoudsopgave Inleiding bij de vierde, geheel herziene uitgave

9

Over de auteurs

13

1 Wat betekent moraal? 1.1 Inleiding 1.2 Het morele perspectief 1.3 Normen en waarden 1.4 Hoe komen we aan moraal? 1.5 Ontwikkelingsfasen van het moreel oordelen 1.6 Morele vorming als deel van beroepsvorming 1.7 Meerdere soorten moraal 1.8 Opdrachten

15 15 18 18 20 21 23 24 25

2 Communiceren over je keuze in morele dilemma’s 2.1 Inleiding 2.2 Hoe kom je tot een afweging in je keuze? 2.3 Stappenplan ‘ethisch leren denken’ 2.4 Moreel beraad in de praktijk 2.5 Het stappenplan in de praktijk 2.6 Opdrachten

29 29 29 31 36 37 42

3 Beroepsethiek 3.1 Ethiek: iets anders dan methodiek 3.2 Rechten van cliënten 3.3 Waarden van het beroep 3.4 Waarden van de hulpverlener 3.5 Beroepscode en instellingscode 3.6 Opdrachten

45 45 46 47 49 53 55

4 Respect als grondhouding 57 4.1 Inleiding 57 4.2 Eigen verantwoordelijkheid centraal 57 4.3 Verantwoordelijkheid in ontwikkeling 60 4.4 Valkuilen 61 4.5 Spanningsvelden 62 4.6 Respect voor eigen verantwoordelijkheid van demente ouderen 64 4.7 Respect voor eigen verantwoordelijkheid bij euthanasie en hulp bij zelfdoding 66 4.8 Opdrachten 70

14219_BW_Ethisch leren denken.indd 5

12-03-13 10:01


6

Ethisch leren denken

5 Omgaan met verschillen in cultuur, religie en politiek 5.1 Inleiding 5.2 Voorbeelden van culturele verschillen 5.3 Verschillen in levensovertuiging en religie 5.4 Verschillen in politieke opvattingen 5.5 Omgaan met verschillen in cultuur, religie en politiek 5.6 Tips voor het omgaan met verschillen 5.7 Opdrachten

73 73 74 78 81 82 84 85

6 Respect voor privacy, intimiteit en seksualiteit 6.1 Inleiding 6.2 Wat is privacy? 6.3 Zwijgplicht vanuit je beroep 6.4 Zwijgplicht en beroepsgeheim 6.5 Respect voor intimiteit in seksuele relaties 6.6 Seksuele hulpverlening 6.7 Gewenste en ongewenste intimiteit 6.8 Opdrachten

89 89 89 90 92 93 95 96 98

7 Omgaan met schriftelijke informatie over cliĂŤnten 7.1 Inleiding 7.2 Observeren en rapporteren 7.3 Observeren is communiceren 7.4 Zorgvuldig omgaan met schriftelijke rapportages 7.5 De Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) 7.6 Doorgeven van schriftelijke informatie 7.7 Informatie verzamelen via de computer 7.8 Opdrachten

101 101 101 103 104 106 107 109 110

8 Gedwongen hulpverlening 8.1 Inleiding 8.2 Macht, dwang en drang 8.3 Kwaliteitscriteria voor gebruik van macht, dwang en drang 8.4 Voorbeelden van machtsgebruik en machtsmisbruik 8.5 Morele dilemma’s bij de opvang van verslaafden 8.6 Opdrachten

111 111 112 114 116 119 119

14219_BW_Ethisch leren denken.indd 6

12-03-13 10:01


7

Inhoudsopgave

9 De organisatie 9.1 De hulpverleningsinstelling 9.2 CliĂŤntgericht is meer dan klantvriendelijk 9.3 Ethisch overleg in een hulpverleningsinstelling 9.4 Verantwoordelijkheden 9.5 Loyaliteit 9.6 Gewetensbezwaren 9.7 Collegialiteit 9.8 Samenwerken met vrijwilligers 9.9 Opdrachten

123 123 123 125 125 126 127 128 129 130

10 Relatie met de samenleving, signalering en preventie 10.1 Inleiding 10.2 Het zal mij een zorg zijn 10.3 Maatschappelijke ontwikkelingen 10.4 Signalering en preventie als taak van de hulpverlening 10.5 Correcte beeldvorming van het beroep 10.6 Opdrachten

133 133 133 136 138 142 143

Literatuurlijst 145 Bijlage: Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker

14219_BW_Ethisch leren denken.indd 7

147

12-03-13 10:01


Inleiding bij de vierde, geheel herziene uitgave

9

Inleiding bij de vierde, geheel herziene uitgave Normen en waarden staan op dit moment midden in de belangstelling. Dat geldt voor de politiek en het openbare leven, maar evenzeer voor de beroepsuitoefening in de verschillende sectoren van de samenleving. Gedragscodes in bedrijven en instellingen voor gezondheidszorg behoren tot het dagelijks beleid. Beroepsopleidingen besteden serieus aandacht aan de normen en waarden van de beroepsbeoefenaren. Dit boek is gebaseerd op de kwalificatiedossiers Welzijn 2011 voor de opleidingen Pedagogisch Werker (niveau 3 en 4), Medewerker Maatschappelijke Zorg (niveau 3 en 4), Onderwijsassistent (niveau 4), Sociaal Cultureel Werker (niveau 3 en 4) en Sociaal Maatschappelijke Dienstverlener (niveau 4). Omgaan met mensen vraagt uiterst zorgvuldig gedrag van de werkers in deze sectoren. Beroepsethiek en kwaliteitszorg ondersteunen het nadenken hierover. Welke houding, welke attitude mag er worden verwacht van mij als professionele hulpverlener? En waarom? Wat zijn de ‘goede manieren’ van mij als beroepsbeoefenaar? Maar er is meer aan de hand. Waarom is ethiek zo ‘in’? Hebben wij behoefte aan een nieuwe moraal, aan een gedragscode met geboden en verboden? Integendeel. Er komen echter veel nieuwe vragen van morele aard op ons af: over de omgang met mensen uit andere culturen, over gedwongen hulpverlening, over omgaan met agressie, over het milieu, over hulp bij zelfdoding, over recht op privacy in een computermaatschappij, over kunstmatige bevruchting, over genmanipulatie, enzovoort. Tegelijkertijd varen individuele mensen niet meer op de koers van de groep, de omgeving, de kerkgemeenschap. Mensen willen zelf weten waarom het goed en verantwoord is om iets te doen of te laten. Er is geen behoefte aan een nieuwe gebodenlijst. Er is behoefte aan een ethiek die de discussie over morele kwesties begeleidt. Er is vraag naar een praktische handreiking bij discussies en argumentaties van morele aard. Een dergelijke ethiek levert geen onveranderlijke zekerheden op, maar geeft wel houvast. Hulpverleners, begeleiders, verzorgenden en sociale dienstverleners, maar ook vrijwilligers werken voor het welzijn, het belang van de cliënt als hulpvrager. Wat betekent dat voor hun handelen? Hoe verhoudt het belang van de cliënt zich tot hun eigen belangen? Of tot de belangen van de instelling waarin zij werken? Mogen zij een cliënt tegen zijn zin dwingen tot een activiteit? Mogen zij een rapport over iemand schrijven zonder het hem te laten lezen? Dat zijn ethische vragen die in de dagelijkse praktijk al werkend beantwoord moeten worden op basis van min of meer bewuste keuzes. Deze vragen komen zowel bij beroepskrachten als bij vrijwilligers naar voren. Deze laatste groep is sterk vertegenwoordigd in welzijnswerk en gezondheidszorg. Als vrijwilliger hebben zij geen beroepsopleiding en geen beroepscode. Een beroepsethische reflectie, zoals in dit boek wordt gegeven, kan hen echter helpen de ethische vragen in de omgang met cliënten aan de orde te stellen.

14219_BW_Ethisch leren denken.indd 9

12-03-13 10:01


10

Ethisch leren denken

De laatste jaren hebben beroepsverenigingen van activiteitenbegeleiders, groepsleiders, jeugdhulpverleners en spelleiders zich ingespannen een beroepscode te ontwikkelen voor hun beroepsgroep. Daarin staat kort omschreven welk gedrag mag worden verwacht van werkers in deze sector. Ze hebben mede als richtlijn gefungeerd bij het samenstellen van deze vierde druk. Dit boek biedt de mogelijkheid beroepsethische vragen in de opleiding meer systematisch aan de orde te stellen. Het is een studieboek met veel oefen- en leermogelijkheden. Bij elk hoofdstuk zijn opdrachten opgenomen om de leerstof te verwerken en toe te passen in praktijksituaties. Ook stellen we met behulp van allerlei casussen beroepsethische dilemma’s aan de orde. Het werken aan de casussen en de leervragen is een wezenlijk onderdeel van het leerproces. In de praktijk van het onderwijs is dit boek goed te gebruiken bij een modulaire opzet. Door de overzichtelijke indeling en de gerichtheid op de beroepspraktijk kan de inhoud gemakkelijk over meerdere onderwijseenheden worden verdeeld. De eerste drie hoofdstukken bieden uitgangspunten om de ethische aspecten in de beroepspraktijk te herkennen. In het eerste hoofdstuk komt vooral naar voren wat wij onder moraal, waarden en normen verstaan. In hoofdstuk 2 komt het systematisch kunnen communiceren over morele dilemma’s in de beroepspraktijk aan de orde. In hoofdstuk 3 staan de centrale waarden en normen van het beroep centraal om een goede hulpverlening te garanderen. De hoofdstukken 4 tot en met 8 behandelen de relatie tussen werker en cliënt. Daarbij komen aan de orde: respect voor zelfbeschikking van de cliënt, omgaan met mensen uit andere culturen en godsdiensten, respect voor privacy en intimiteit, omgaan met schriftelijke informatie en het gebruik/misbruik van machts -en dwangmiddelen. De laatste twee hoofdstukken gaan over morele dilemma’s die kunnen optreden in de voorwaarden waaronder de hulp- en dienstverlening plaatsvindt. Dan hebben we het over de waarden en normen binnen de instelling en organisatie waarin je werkt. Het laatste hoofdstuk laat zien welke keuzes wij als samenleving maken met betrekking tot de mensen die hulp nodig hebben. Daar we het storend vinden om in de tekst steeds naar literatuur te verwijzen, vind je achter in het boek een overzicht van de geraadpleegde boeken. De aanspreekvorm ‘je’ wordt gebruikt omdat studenten en leerlingen in de opleidingen waarvoor dit boek bestemd is meestal zo worden aangesproken. Waar in de tekst over ‘hij’ wordt gesproken, kan ook ‘zij’ worden gelezen. Er verandert veel in de beroepen van hulpverlening, verzorging en sociale dienstverlening. Morele reflectie op die beroepsuitoefening vraagt om voortdurende aanpassingen en vernieuwingen. Dat maakte een herziene uitgave noodzakelijk. Enkele hoofdstukken werden geheel of gedeeltelijk herschreven. In de meeste hoofdstukken zijn veranderingen aangebracht. We hebben met name meer aandacht geschonken aan de omgang met cliënten uit andere culturen, aan contacten waarin dwang, drang en bemoeizorg een grote rol spelen en aan management en kwaliteitszorg. De casussen zijn geactualiseerd en ook de vormgeving is aangepast. Bij de opdrachten

14219_BW_Ethisch leren denken.indd 10

12-03-13 10:01


Inleiding bij de vierde, geheel herziene uitgave

11

wordt meer gebruikgemaakt van informatie die via het internet is te vinden. We hopen dat deze herziening studenten zal helpen bij een eigentijdse beroepsvorming. We ontvangen dan ook graag opmerkingen, kritiek of suggesties voor verbeteringen. Syll Damave en Jan Ebskamp Voorjaar 2013

14219_BW_Ethisch leren denken.indd 11

12-03-13 10:01


14219_BW_Ethisch leren denken.indd 12

12-03-13 10:01


Over de auteurs

13

Over de auteurs Jan Ebskamp is jarenlang docent geweest aan de Hogeschool Haarlem. Hij gaf les in beroepsethiek en methodiek activiteitenbegeleiding aan de opleidingen mbo-spw/ab en hbo-sph/mwd. Daarnaast heeft hij zich als onderwijskundige intensief beziggehouden met de ontwikkeling van het leerplan hbo-sph en de organisatie van die opleiding. Sinds hij met pensioen is blijft hij als auteur actief betrokken bij ethische vraagstukken. Zo heeft hij meegewerkt aan het boek Moresprudentie (2012) en het opstellen van de Beroepscode voor Jeugdzorgwerkers (2010). In 2013 zal hij participeren in de implementatie van deze beroepscode en tuchtrecht voor jeugdzorginstellingen. Syll Damave heeft na de Sociale Academie vijf jaar gewerkt als groepswerker en zestien jaar als maatschappelijk werker. Na haar studie docent/trainer omgangskunde heeft zij les gegeven bij de Hogeschool Haarlem aan de Welzijn opleidingen op mbo 4 niveau. Sinds twaalf jaar is zij als (BPV)docent en supervisor verbonden aan Hogeschool INHOLLAND – School of Social Work, studierichting sph en mwd in de vakken methodiek en supervisie.

14219_BW_Ethisch leren denken.indd 13

12-03-13 10:01


14219_BW_Ethisch leren denken.indd 14

12-03-13 10:01


Wat betekent moraal?

15

1 Wat betekent moraal? 1.1 Inleiding Dit hoofdstuk gaat over moraal. Over het leven en werken van alledag, over bewustwording waarom je dingen doet zoals je ze doet. Maar wat heeft dat met moraal te maken? Moraal is het geheel van opvattingen, beslissingen en handelen waarmee mensen uitdrukken wat zij behoorlijk vinden. (Henk Kroon) Moraal wordt gevormd door normen en waarden waarmee we ons eigen gedrag reguleren en dat van anderen beoordelen. Moraal gaat over de voorstellingen van goed of kwaad. Moraal gaat over de vraag: wat is juist handelen? Wanneer doe je het goede, wanneer het kwade of het minst kwade? Vaak heeft de morele vraag de vorm van een dilemma, een situatie waarin je moet kiezen tussen twee wegen, die beide grote bezwaren opleveren. Casus Abdul In het kader van resocialisatie moeten bij een instelling voor jongeren gesprekken plaatsvinden tussen ouders en groepsleiding. Iedere jongere heeft een mentor en hij voert deze gesprekken. Abdul is mentor van Sophie Verhagen. Sophies ouders hebben te kennen gegeven dat zij niet met een zwarte willen praten. Dit heeft meneer Verhagen tegen een collega van Abdul gezegd. Binnen de instelling geldt als regel dat de mentor het gesprek met de ouders voert, dit is ook aan de ouders van Sophie verteld. Ook is het belang van de gesprekken met de mentor en hun dochter benadrukt. Tijdens het eerste gesprek kwamen meneer en mevrouw Verhagen niet opdagen. Per brief zijn zij door Abdul nogmaals uitgenodigd voor een gesprek. De ouders hebben toen via de maatschappelijk werker van de instelling laten weten niet met een zwarte te willen praten. De coördinator heeft hierover gesproken met het management. In dit geval is de mening dat een ‘witte’ groepsleider de gesprekken moet gaan voeren. De groepsleiding is het hier niet mee eens, zij willen niet meegaan in het gedrag van de ouders. De coördinator heeft daarom een teamvergadering met de maatschappelijk werker, een lid van het managementteam en de groepsleiding voorgesteld om tot een eenduidig standpunt te komen.

Het dilemma is hier: verzet de instelling zich tegen discriminerend gedrag en zal er dus geen gesprek plaatsvinden, of weegt het belang om het gesprek door te laten gaan zwaarder? Daarover zal men zich binnen deze instelling een mening moeten vormen, om daarna tot handelen over te gaan. Moraal heeft betrekking op opvattingen, oordelen en beslissingen van waaruit we handelen en daarmee uitdrukken wat we goed vinden. Als je wilt weten of iemand koorts heeft, kun je dat aflezen van een thermometer. Wat goed handelen is, kun je niet afle-

14219_BW_Ethisch leren denken.indd 15

12-03-13 10:01


16

Ethisch leren denken

zen. Daarover moet je praten, denken en oordelen op grond van argumenten. Je maakt afwegingen en keuzes. Soms heb je een spontane reactie, een morele intuïtie. Bijvoorbeeld: ‘Wat de ouders van Sophie doen, kan absoluut niet.’ Het is belangrijk dat je je bewust wordt van die intuïtie, dat morele aanvoelen. Die bewustwording ontstaat door erover te denken en te praten, omdat je op deze manier je handelen kunt verantwoorden naar jezelf en anderen. Op een aantal gebieden kun je geen afwegingen en keuzes maken. Het pompen van je hart en je spijsvertering gebeuren bijvoorbeeld zonder dat je daarover een beslissing neemt. Zo kies je ook niet de tijd waarin en de plaats waar je geboren bent. Of je talenten. Dit alles is voor jou bepaald. Daarnaast zijn er activiteiten die je zélf kunt bepalen, maar die je doet zonder erbij na te denken. Je doet ze uit gewoonte; je loopt, eet en poetst je tanden. Daarover maak je doorgaans geen afwegingen, al kun je natuurlijk ook nadenken over je gewoontes. Niet alle afwegingen zijn morele afwegingen. Ga je op de fiets naar je werk of lopend? Kies je voor groene stoelen in het dagcentrum of voor blauwe? Dat zijn geen afwegingen over goed of kwaad, over wat mensen behoren te doen; het zijn niet-morele afwegingen. Hieronder wordt dit in schema nog eens weergegeven. is bepaald activiteiten

morele afweging

zelfbepaling gewoonte

niet-morele

Figuur 1.1

Een elementaire voorwaarde om morele afwegingen te kunnen maken, is vrijheid. Immers, wanneer je geen vrijheid van handelen hebt, kun je geen gevolg geven aan de keuze die je maakt. Vrijheid is ja of nee kunnen zeggen, kunnen beslissen: ‘ik doe het op deze manier’. Een morele afweging is een vorm van zelfbepaling. Wanneer je geen keuzevrijheid hebt omdat alles al vastligt, kun je geen afwegingen maken. Binnen een instelling zullen bepaalde zaken vastliggen in bijvoorbeeld protocollen, maar veel zaken ook niet. Zo worden mensen grotendeels bepaald door hun opvoeding, maar niet helemaal. Ze kunnen nadenken over hun eerste reactie, over hun spontane mening. Dat is een vorm van afwegen. Abduls eerste reactie kan zijn: ‘Ik laat me niet discrimineren omdat ik zwart ben’. Misschien heeft Abdul wel een hekel aan iemand als Sophie. Hij kan dan bij voorbaat geneigd zijn niet zoveel voor het meisje te doen. Door zich van zijn eerste reactie bewust te worden en hierover met collega’s te praten, kunnen Abdul en het team zo goed en zo kwaad als het kan tot een eerlijke afweging komen. Een discussie kan helpen je bewust te worden waarom je op een bepaalde manier over iets denkt. Pas als je weet waardoor je handelen wordt bepaald, waarom je doet zoals je doet, kun je je handelen ter discussie stellen en verantwoorden.

14219_BW_Ethisch leren denken.indd 16

12-03-13 10:01


Wat betekent moraal?

17

Feiten, normen en emoties Wanneer er in het voorbeeld van Sophie Verhagen afwegingen gemaakt moeten worden, is het belangrijk dat de groepsleiding en de maatschappelijk werker goed zicht hebben op de situatie. In gesprekken over situaties waarin mensen centraal staan, zijn altijd drie aspecten te onderscheiden en kunnen er vanuit drie perspectieven vragen gesteld worden: Perspectief

Onderwerp

Soort uitspraak

Kennis

Feiten

Feitelijke uitspraak

Wat is waar?

Moreel oordelen

Normen en waarden

Normatieve uitspraak

Wat is goed?

Ervaren

Gevoelens

Emotionele uitspraak

Wat is waarachtig?

Figuur 1.2 Drie perspectieven

Samen geven deze drie aspecten een goed zicht op het totaal van een menselijke situatie. • Wat is waar? Klopt het wat ik weet? Wat hebben meneer en mevrouw Verhagen precies gezegd? Wanneer spreek je van discriminatie? • Wat is goed? Wat vinden we behoorlijk in zo’n situatie? Welke normen laten we gelden voor onszelf en voor anderen? En waarom? Welke hulp behoort de instelling aan Sophie te geven? • Wat is waarachtig? Wat voel je in deze situatie? Hoe reageer je intuïtief op zoiets als discriminatie? Hoe beleef je zelf de verschillen in cultuur en levensstijl? In alledaagse gesprekken lopen deze drie perspectieven door elkaar heen. Bijvoorbeeld in de uitspraak: ‘in de groepsruimte mag niet gerookt worden want roken is slecht voor de gezondheid, niet iedereen kan er tegen en het stinkt bovendien.’ Hier tref je in één uitspraak een emotie (stinkt), een feit (de gezondheid schaden) en een norm (er mag niet gerookt worden). Feiten, normen en emoties vormen samen een menselijke situatie. Voor een moreel oordeel moet je goed zicht hebben op de situatie in zijn geheel. Pas dan kun je gaan afwegen welke norm hier geldt, wat je behoorlijk vindt, wat je goed vindt. Over kwaliteit van het leven Wanneer het team van de instelling de situatie rondom Sophie bespreekt, gaat het om belangen van mensen. De belangen van Sophie én van mensen in de samenleving die de dupe worden van discriminatie. Het gaat erom de kwaliteit van het leven zo optimaal mogelijk te behartigen. Om goed te doen en niet te schaden. Dát is de inzet van moraal. Moraal is dus geen kwestie van persoonlijke smaak. Moraal gaat over gedrag waarbij gezocht wordt naar het meest menselijke, naar wat zo optimaal mogelijk de kwaliteit van het leven van alle betrokkene behartigt. Zo kun je een morele afweging maken, een moreel standpunt innemen.

14219_BW_Ethisch leren denken.indd 17

12-03-13 10:01


18

Ethisch leren denken

1.2 Het morele perspectief Er zijn heel goede redenen te geven waarom discriminatie niet wenselijk is. Toch is discriminatie niet te bewijzen. Je moet het ook aanvoelen. Een moreel gevoel of een morele intuïtie kun je ontwikkelen. Dat kan alleen als je ervoor openstaat, als je wilt zoeken naar het meest menselijke, naar kwaliteit. Je kunt het morele perspectief ook ontkennen. Wat je niet wilt zien, zie je niet. Bijvoorbeeld door te stellen dat in het geval van Sophie alleen maar sprake is van verschillende belangen. En dat ieder mens uit is op zijn eigen belang. In dit geval het belang van de ouders om vast te houden aan hun overtuiging dat mensen met een donkere huidskleur minderwaardig zijn, en het belang van Abdul om zich niet te laten discrimineren. Vanuit deze standpunten kun je moeilijk morele vragen herkennen. Naast een moreel perspectief is eenzelfde situatie ook vanuit een juridisch perspectief te bezien. Is de instelling niet wettelijk verplicht Sophie zo goed mogelijk te helpen? En, vanuit het economisch perspectief: welke financiële consequenties kan het hebben wanneer de instelling voet bij stuk houdt en niet ingaat op de eis van de ouders? Loopt de instelling subsidiegelden mis wanneer zij de behandeling van Sophie niet centraal stelt?

1.3 Normen en waarden De coördinator vindt dat de instelling allereerst gericht moet zijn op de hulp aan jongeren. ‘We zijn er voor de jongeren en niet voor de ouders, het belang van Sophie gaat voor alles.’ Die waarde, hulp geven aan Sophie, gebruikt hij als criterium voor zijn beoordeling. Aan die waarde ontleent hij de norm voor het handelen. Abdul en zijn collega’s vinden het onbehoorlijk dat iemand op grond van zijn huidskleur wordt afgewezen. Dat gaat over een andere waarde: gelijkwaardigheid. Het goede (samen)leven: waarden Waarden zijn een soort idealen. Het verwerkelijken van die idealen geeft het leven en het samenleven kwaliteit. Dat maakt het de moeite waard. Waarden ordenen ons denken over het leven: ze leveren ons prioriteiten aan. Zij geven richtlijnen voor ons oordelen. Waarden motiveren en inspireren ook. De groepsleiders zijn zeer gemotiveerd om zich te verzetten tegen discriminatie. Een dergelijk onderwerp leidt vaak tot heftige discussies. Persoonlijke motieven komen aan bod: dat wat je echt raakt, wat voor jou waardevol is. Die idealen en motieven vindt niet iedereen zelf uit. De samenleving, de groep waarin je leeft, de cultuur, reiken die aan. Het zijn gemeenschappelijke (collectieve) opvattingen over wat goed is voor mensen. Waarden zijn collectieve voorstellingen over het goede leven en de goede samenleving. Normen zijn handelingsvoorschriften over wat wij in een bepaalde situatie behoren te doen of te laten.

14219_BW_Ethisch leren denken.indd 18

12-03-13 10:01


Wat betekent moraal?

19

Handelingsvoorschriften: normen Normen geven voorschriften voor concreet handelen. De min of meer abstracte idealen, de waarden, moeten gerealiseerd worden. De collectieve voorstellingen over (goed) samenleven vragen om regelingen voor bepaalde situaties. Dat je je belastingaangifte naar waarheid invult, is een concretisering van de waarde rechtvaardigheid. Die papieren juist invullen is de norm (gedrag). Voor de bespreking van morele vragen kan het belangrijk zijn de waarden van de ander en jezelf te (her)kennen. Als je weet welke waarden de ander nastreeft, begrijp je soms beter waarom hij zo aan die norm vasthoudt. Een docent bijvoorbeeld, die rechtvaardigheid erg belangrijk vindt, zal het misschien moeilijk vinden een bepaalde student extra ondersteuning te geven wanneer deze door eigen toedoen de stof niet beheerst. Om goed te kunnen communiceren, is het nuttig te weten vanuit welke waarden de ander oordeelt. Maar je hoeft het niet eens te zijn over die waarden om samen tot een morele beoordeling te komen. Vaak komen oplossingen van een moreel vraagstuk, de normen voor het handelen, tegemoet aan verschillende waarden. Als de docent uit het voorbeeld een extra opdracht geeft aan een student en deze later met hem bespreekt, wordt de student wel ondersteuning geboden maar moet hij er zelf ook iets voor doen. Aan verschillende waarden wordt dan enigszins tegemoetgekomen. Verschillende soorten waarden Morele waarden en normen hebben betrekking op de kwaliteit van het bestaan, op goed samenleven. Soms zijn ze aan het gedrag van de individuele mens toe te schrijven. Iets voor een ander over hebben bijvoorbeeld, of trouw zijn aan je partner. Maar ook een organisatie kan morele waarden realiseren, zoals openheid en zorgvuldigheid. De waarde van gelijkheid is een ideaal van de samenleving in zijn geheel. In sommige gevallen, mensenrechten bijvoorbeeld, spreken we zelfs van universele waarden. Iedere ochtend kun je in de krant de waarde van de euro lezen; die heeft echter niets met een morele waarde te maken. Hier gaat het over de economische waarde, net als bij de waarde van een huis. Studenten spreken over de maatschappelijke waarde van hun diploma. Later over de wetenschappelijke waarde van hun scriptie. Nog veel later over de historische waarde van beide. Waarden kunnen gemakkelijk met elkaar botsen. Het scheppen van werkgelegenheid door het aanleggen van de nieuwe weg kan botsen met de zorg voor het milieu. Het centraal stellen van een bepaalde waarde kan een manier van denken typeren, een levensbeschouwing bijvoorbeeld. Ook spelen belangen bijna altijd een grote rol. Voor een morele discussie kan het wenselijk zijn die belangen te bespreken en die specifieke manier van denken aan de orde te stellen. Een waarde leidt niet altijd tot dezelfde toepassing van de norm. Je vindt misschien de waarde van gelijkwaardigheid heel belangrijk. Maar zal je een collega niet eerder helpen dan een vreemde? Je maakt dan een andere afweging en laat de waarde van collegialiteit zwaarder wegen. Moraal is heel normaal. We zijn er dagelijks mee bezig. We maken regelmatig afwegingen, keuzes, die betrekking hebben op wat we goed vinden. Steel je wel of geen fiets als de jouwe

14219_BW_Ethisch leren denken.indd 19

12-03-13 10:01


20

Ethisch leren denken

gestolen is? Ben je eerlijk naar de ander, ook wanneer dat voor jou nadelig is? Moraal is gericht op de kwaliteit van leven en samenleven, op waarden als eerlijkheid en rechtvaardigheid. En op normen die daarvan worden afgeleid, zoals niet stelen en niet liegen. Daarbij maken mensen verschillende afwegingen. Islamitische ouders hebben vaak strengere normen over de seksualiteit van hun dochters dan andere ouders. Orthodoxe katholieken willen euthanasie verboden houden in ons land. Is het goede dan voor iedereen verschillend? En hoe ga je om met die verschillen? Hoe komen we eigenlijk aan onze waarden? Over dit soort vragen gaat het tweede deel van dit hoofdstuk.

1.4 Hoe komen we aan moraal? Het geweten De moeder van Sophie laat weten dat zij wil praten. Zij heeft het er thuis met haar man over gehad en het voelde niet goed zoals het gegaan was. Ze vertelt dat ze in het begin niet met Abdul hadden willen praten en daarom hadden ze geen gehoor gegeven aan de afspraak. Maar aan die beslissing had zij geen goed gevoel overgehouden. Ze had er spijt van dat het zo gelopen was. Daarom wilde ze komen praten. Iets in haar bleef knagen, haar geweten. Het weten over goed en kwaad. Je weet of iets waar is door je kennis. Je weet of iets mooi is door je gevoel. Je weet of iets goed is door je geweten. Het geweten is een vorm van weten, een aspect van het bewustzijn, namelijk het morele bewustzijn. Je kunt naar je geweten luisteren of ertegenin gaan. Tegen beter weten in iets doen of laten. Wanneer je innerlijke stem opkomt, kun je die wegpraten. Je kunt je geweten sussen. Het morele bewustzijn kan doven. Dan wordt het stelen van een fiets of het bedriegen van je collega een doodgewone zaak. We kunnen ook de situatie opnieuw overwegen, zoals meneer en mevrouw Verhagen later deden. Aangespoord door het geweten maken we dan opnieuw onze afwegingen. Zo kunnen we met ons geweten in het reine komen en weer een zuiver geweten krijgen. Schuld en schuldgevoel De ouders van Sophie voelden zich schuldig. Door tegen je geweten in te gaan, kan een bepaald gevoel ontstaan, het schuldgevoel. Het geweten in een volwassen stadium kan de bron zijn van een reëel schuldgevoel. Vanuit je eigen overtuiging beseffen dat je anders had moeten handelen. ‘Ik weet dat het niet goed is om te discrimineren. Ik wil daarom mijn excuses aanbieden.’ Mijn excuses, mijn veront-schuld-igingen. Dat je je schuldig voelt in zo’n situatie is een uiting van gezond aanvoelen van wat goed is bij mensen, wat kwaliteit van leven is. Het schuldgevoel kan ook veel psychisch leed geven. Mensen kunnen gebukt gaan onder schuldgevoelens die opvoeders hen hebben aangepraat om gehoorzaamheid af te dwingen. Wanneer zij ‘nee’ zeggen tegen ouders (of een andere autoriteit) voelen zij zich schuldig. Over dat soort schuldgevoel hebben wij het niet, omdat dit schuldgevoel

14219_BW_Ethisch leren denken.indd 20

12-03-13 10:01


Wat betekent moraal?

21

voortkomt uit druk die een ouder aan je opgelegd heeft. Bij dit soort schuldgevoel voel je angst en schuld wanneer je nee zegt. Een volwassene is verantwoordelijk voor de afwegingen die hij maakt. Daarom kan hij schuldig zijn. Iedereen is onder normale omstandigheden toerekeningsvatbaar; in principe kunnen wij verantwoordelijk gesteld worden voor wat wij doen. Verantwoordelijk omdat wij anders hadden kunnen handelen. Schuldig omdat we anders hadden moeten handelen. Ouders zijn verantwoordelijk voor de opvoeding van hun kinderen. Soms zijn ze ook schuldig aan een slechte opvoeding. Er kunnen ‘verzachtende omstandigheden’ zijn; dan zijn ze niet schuldig. Schaamte Bij schaamte heeft een mens de neiging zijn daad te verbergen. Bij een schuldgevoel wil hij juist voor de dag komen met zijn daad. Hij wil bekennen, het weer goed maken, verontschuldiging aanbieden. Eventueel zelfs een genoegdoening geven. Dat wil hij om geëxcuseerd te worden. Het schuldgevoel betrekt ons bij de kwaliteit van leven en samenleven. Het laat een rood lampje branden als onze inzet voor kwaliteit onder de maat is. De moeder van Sophie voelde zich schuldig omdat zij discrimineerde. Ze wist in haar hart dat dit niet goed was. Haar geweten ging spreken. Daarom wilde zij praten. Eerst met haar man, later met de instelling. Schuld leidt tot communicatie over het gedrag. Schaamte leidt tot verbergen. Schuld is op het innerlijk gericht, schaamte is naar buiten gericht. ‘Wat zullen anderen hiervan wel zeggen?’ In groepen met een sterke gemeenschapsidentiteit komt het gevoel van schaamte veel voor. Dat geldt voor kleine christelijke groeperingen, maar ook voor een hele cultuur zoals de Marokkaanse. Schaamte beperkt zich niet tot degene die de daad stelt of die verantwoordelijk is. Schaamte wordt ook opgeroepen door het gedrag van iemand die bij jou hoort. Een Marokkaanse familie schaamt zich diep voor de vernielingen die een ander familielid heeft aangericht. Priesters schamen zich voor seksuele vergrijpen van een collega. Een ouder schaamt zich voor het stelen van zijn kind. Schuld en geweten zijn individuele zaken. Schaamte heeft meer betrekking op het collectieve, op anderen of voor anderen. Het kan zijn dat de ouders van Sophie geen zwarte hulpverlener willen uit schaamte voor de familie. ‘Je gaat toch niet met een buitenlander over je kind praten, wat zal de familie wel denken?’ Toch worden de ouders als individu op dit gedrag aangesproken. Er wordt een beroep gedaan op hun geweten.

1.5 Ontwikkelingsfasen van het moreel oordelen Angst voor straf Hoe groeit het geweten? Dat het groeit, is duidelijk te zien bij de ontwikkeling van een kind. We kunnen kleine kinderen nog niet verantwoordelijk stellen voor hun gedrag. Zij handelen vanuit gevoelens van lust en onlust, weten nog niet wat ze doen. Een kind pakt

14219_BW_Ethisch leren denken.indd 21

12-03-13 10:01


22

Ethisch leren denken

speelgoed van een ander kind of prikt met zijn vingertjes in de ogen van de kat. Zolang alleen lust en onlust het gedrag bepalen, is er nog geen sprake van afwegen, van vrijheid om te kiezen of van verantwoordelijkheid. Angst voor straf of hoop op beloning laten het eerste afwegen ontstaan. Dat is de eerste vorm van geweten. Tot een jaar of tien speelt het gezag van de ouders en leerkrachten een zeer grote rol. Gehoorzaamheid aan het gezag is dan het belangrijkste motief voor het morele handelen. Rond het tiende jaar dringt het besef door dat je er zelf voordeel van kunt hebben als je anderen goed behandelt. Je houdt er wat aan over, namelijk zelf ook goed behandeld worden. Het is de moraliteit van ‘voor-wat-hoort-wat’. Mensen bij wie de groei van het geweten is mislukt, noemen we ontoerekeningsvatbaar. Wat de groep vindt In de puberteit ben je vooral gericht op de normen en waarden van de eigen groep. Je wilt beantwoorden aan de verwachtingen van de mensen om wie je geeft. Je wilt graag dat die mensen goed over je denken (sociale goedkeuring). Sociale goedkeuring maakt dat je je ook goed over jezelf voelt (zelfwaardering). In de laatste jaren van de puberteit kan het besef doordringen dat regels en wetten belangrijk zijn voor het samenleven. In eerste instantie voor het samenleven in de groep waartoe pubers behoren. Zij kunnen ook gaan beseffen dat ze medeverantwoordelijk zijn voor de samenleving waar ze deel van uitmaken. Jongvolwassenen kunnen bij morele overwegingen de rechten en waardigheid van ieder individu centraal stellen. Menselijkheid en solidariteit worden dan de leidraad bij het morele oordelen. De samenleving dient een rechtvaardige ordening te zijn, waardoor iedereen de kans krijgt zich te ontplooien. Van waarden overtuigd Een volwassen geweten ten slotte kenmerkt zich door de bereidheid om waarden als rechtvaardigheid op alle mensen te betrekken, en te zoeken naar een universele verwezenlijking van menselijkheid en solidariteit. Tegelijkertijd staat het eigen morele oordeel steeds ter discussie en wordt in een open communicatie gezocht naar een optimale invulling van het goede leven en het goede samenleven. Het geweten is een ingewikkeld proces. Het weten van goed en kwaad komt tot stand door opvoeding en vorming. Het komt van buiten, maar vormt de kern van een persoonlijkheid. Vanuit die kern vormt ieder zelf zijn geweten door na te denken en zich door anderen te laten beĂŻnvloeden. De lichamelijke ontwikkeling gaat bij iedereen praktisch vanzelf. Je wordt geboren, groeit op en wordt vanzelf oud. Zo gaat het niet met de ontwikkeling van het morele oordelen. Velen belanden niet of nauwelijks in de laatste stadia. Motieven uit vroegere stadia blijven het denken en handelen van volwassenen kenmerken. Verschillende motieven kunnen tegelijkertijd van invloed zijn op een handeling. We zetten de ontwikkeling van motieven in verschillende stadia nog eens op een rij. Dat kan wellicht helpen ze bij jezelf en anderen te herkennen:

14219_BW_Ethisch leren denken.indd 22

12-03-13 10:01


Wat betekent moraal?

• • • • • • •

23

angst voor straf, zoeken naar beloning (peuter/kleuter); gehoorzaamheid aan het gezag (kleuter/basisschoolkind); eigen voordeel bij goed handelen (basisschoolkind/prepuberteit); wat mijn groep vindt, is goed (puber); regels voor intermenselijk verkeer zijn belangrijk (puber/adolescent); rechten en waardigheid van ieders individu respecteren (adolescent/jongvolwassene); in open gesprekken zoeken naar de hoogste vorm van menselijkheid (volwassene).

1.6 Morele vorming als deel van beroepsvorming Morele vorming In de kinderjaren is het denken en handelen sterk gericht op het eigenbelang. In de puberteit wordt de groep waartoe je behoort het belangrijkst. Wat zullen anderen ervan denken wat ik doe? Hoe hoor ik bij de groep? Hoe krijg ik een goed imago? De eigen groep is de beste. Het eigen volk eerst. De eigen instelling eerst. Het volwassen geweten steunt op een overtuiging. Niet de aanpassing van de groep, niet het eigen voordeel is het uitgangspunt bij het morele oordelen, maar een zelfstandig oordelen op basis van eigen inzicht en een persoonlijk gevoel. Dat is het individuele aspect van het volwassen geweten. Het universele aspect betreft de bereidheid ieder mens kwaliteit van leven te gunnen. Niet alleen de mensen in eigen land, ook de Derde Wereld. Niet alleen de eigen belangen of de belangen van de eigen instelling, maar willen denken aan de belangen van iedere betrokkene. Groepsleiders zullen niet alleen de belangen van hun gediscrimineerde collega moeten zien, maar ook de belangen van de familie Verhagen bij hun afweging moeten betrekken en zo beslissen welke waarden het zwaarste wegen. Willen, inzien en voelen Moraal heeft te maken met willen; je maakt afwegingen, kiest in vrijheid en bent daarom verantwoordelijk. Moraal heeft te maken met inzicht; bij het maken van je afwegingen spelen argumenten, redenen een grote rol. Moraal heeft te maken met gevoel; je voelt je aangesproken, geraakt door het leed wat anderen wordt aangedaan. ‘Je zult zelf maar gediscrimineerd worden op grond van je huidskleur’ zegt een van de teamleden. Morele vorming is dus gericht op het willen, het inzicht en het gevoel. Onderdeel van beroepsvorming Morele vorming is een onderdeel van de beroepsvorming. Iemand die sociaal dienstverlener wordt, zal de waarden van dat beroep ook echt moeten realiseren. Hij kiest er dan voor om niet alleen hulp te bieden aan mensen die hij sympathiek vindt, maar aan iedere mens die hij in zijn werk ontmoet. Morele waarden doen een beroep op het gevoel van de professionele hulpverlener voor de kwaliteit van het leven van de ander. Een hulpverlener moet inzicht hebben in de morele aspecten van een praktijksituatie en in een morele discussie argumenten kunnen aandragen voor een verantwoorde oordeelsvorming. In veel oplei-

14219_BW_Ethisch leren denken.indd 23

12-03-13 10:01


24

Ethisch leren denken

dingen voor sociale beroepen wordt daarom aandacht geschonken aan beroepsethiek. Ethisch verantwoord handelen in de hulpverlening vraagt om een goed gevormd geweten.

1.7 Meerdere soorten moraal Cultuurgebonden moraal In de subcultuur van de familie Verhagen tilt men niet zo zwaar aan discriminatie. ‘Ze bezetten onze woningen en onze banen’ zo wordt gezegd. In de kring van de familie Verhagen maakt men andere afwegingen dan in het team van Abdul. Er bestaan verschillende soorten moraal in onze samenleving. Is de ene moraal beter dan de andere? Wie zal dat bepalen? Wat geeft de ene groep het recht hun moraal aan de andere groep op te dringen? En hoe kunnen we omgaan met meerdere soorten moraal in één samenleving? Ook binnen een groep of een gezin kunnen verschillende opvattingen bestaan. Toen de vijftienjarige Freya zwanger bleek te zijn, adviseerde haar moeder een abortus. Zij vond dat kinderen echt gewenst moeten zijn en dat een vrucht van vier weken nog geen mens is. Bovendien vond zij Freya veel te jong voor het moederschap. Haar vader stelde dat je niet het recht hebt een menselijk leven te beëindigen, hoe pril dan ook. En dat het geboren worden van een kind niet mag afhangen van het gegeven of het moederschap je al dan niet uitkomt. Ook binnen een beroep werken mensen met verschillende soorten moraal. Fatima is stagiaire mdgo in een verpleeghuis. Dat gaf eerst problemen, want ze wilde alleen vrouwen wassen. Als moslim mag zij een man niet in zijn mannelijkheid zien. Het afdelingshoofd was bereid hiermee rekening te houden. Rechten van de mens Velen vinden dat wij onze waarden niet mogen opdringen aan andere culturen. Waarom zouden de onze beter zijn? Polygamie is in veel culturen de normale vorm van getrouwd zijn. Waarom zou een huwelijk van een man met meer vrouwen, of van een vrouw met meer mannen slechter zijn dan ons monogame huwelijk? Zuid-Afrika is jarenlang geboycot vanwege de rassendiscriminatie. We vinden discriminatie niet goed, moreel verwerpelijk. In onze cultuur, maar ook in andere culturen, mag niet worden gediscrimineerd. Etnische zuiveringen mogen nergens plaatsvinden. Een dergelijke waarde laten we gelden voor alle culturen, voor alle mensen. Zoals we ons ook verzetten tegen martelen en het laten verhongeren van kinderen. In de Universele verklaring van de rechten van de mens worden zulke waarden verwoord. Ten aanzien van de (culturele) verschillen in morele opvattingen nemen we deze standpunten in. Soms respecteren we verschillen en soms verzetten we ons tegen andere morele opvattingen dan de onze. Hoe is dat te verantwoorden? Minimale moraal Naast de verschillen in moraal zie je ook een aantal overeenkomsten. Iedere samenleving regelt de bescherming van menselijk leven; moord wordt onderscheiden van ‘recht-

14219_BW_Ethisch leren denken.indd 24

12-03-13 10:01


Wat betekent moraal?

25

vaardig doden’. Je moet afblijven van de eigendommen van een ander; niet stelen. Je moet de waarheid spreken; niet liegen. Incest is praktisch overal verboden en er zijn verplichtingen tussen ouders en kinderen. Zulke morele regels heeft iedere samenleving nodig. Voor het samenleven is deze moraal een minimale voorwaarde. Een minimale moraal. Het is redelijk om deze moraal van ieder lid in de samenleving te vragen, omdat anders het samenleven onmogelijk wordt. Dat is een reden die aan een bepaalde morele voorkeur voorafgaat. Een dergelijke moraal is niet aan een persoon of een cultuur gebonden. Daarom is het volgens de meeste mensen verantwoord deze moraal aan iedereen ‘op te dringen’. Daarnaast zijn er waarden die misschien wel typisch westers zijn, maar die we van ieder lid van onze cultuur vragen. Voor de manier waarop wij hier willen samenleven, zijn dat minimale voorwaarden. Discriminatie op ras of sekse strijdt met een grondwaarde van onze cultuur. Wij kennen de vrijheid van meningsuiting, van godsdienst en politieke overtuiging; het recht op onderwijs en huisvesting. Dat zijn duidelijk gedeelde waarden van onze cultuur. Soms zijn die grondwaarden in wetten vastgelegd, soms gaat moraal verder dan de wet. Ook zijn er waarden die in hun oorsprong cultuurgebonden zijn, maar die steeds meer iets ‘algemeen menselijks’ lijken te zijn. Daarom proberen we andere culturen daarvan te overtuigen. Voorbeelden daarvan zijn de strijd van Amnesty International tegen het martelen, of gelijke rechten voor mannen en vrouwen. Ruimte voor verschillende soorten moraal Ten slotte zijn er verschillen in morele opvattingen die we van elkaar kunnen tolereren. De ouders van Freya komen tot tegengestelde oordelen over abortus. Voor beide opvattingen is ruimte binnen onze cultuur. Wel moet er een beslissing worden genomen; wat het zwaarst weegt zal de doorslag geven. (Hoe je zo’n beslissing neemt, komt aan de orde in hoofdstuk 2.) Fatima krijgt werk dat past bij haar waarden en normen als moslimvrouw. Waar mogelijk kunnen we verschillen in moraal tolereren. Tolerantie behoort tot de grondwaarden van onze samenleving, van íedere samenleving. We noemen vier manieren van omgaan met verschillende soorten moraal. • Wat iedere samenleving nodig heeft, moet veiliggesteld worden (Rechten van de Mens). • Grondwaarden voor de eigen cultuur moeten door ieder lid van de samenleving worden nageleefd (westers: vrijheid van meningsuiting, godsdienst, enzovoort). • Een aantal waarden lijkt algemeen menselijk; daar kunnen we anderen van proberen te overtuigen (niet martelen, gelijkheid tussen man en vrouw). • Waar enigszins mogelijk geven we ruimte aan verschillen in moraal (tolerantie).

1.8 Opdrachten 1 ‘In het gewone maatschappelijke verkeer worden situaties niet alleen beschreven maar ook beoordeeld. Dan is men bezig met moraal.’ Is dit waar of onwaar? Motiveer je antwoord.

14219_BW_Ethisch leren denken.indd 25

12-03-13 10:01


26

Ethisch leren denken

2 ‘Docenten moeten meer beschikbaar zijn voor studenten.’ Is dit een feitelijke uitspraak of niet? Motiveer je antwoord. 3 Zijn de volgende uitspraken normatief, feitelijk of emotioneel? a Ethiek is een leuk vak b Van de ouderen in Nederland is 40% dement. c Ik heb vernomen, meneer de voorzitter, dat de nieuwe directeur van het jongerencentrum ruim 4000 euro per maand gaat verdienen. d Dat is een onredelijk hoge honorering. e Ik vind dit bedrag afschuwelijk wanneer ik denk aan de bezuinigingen elders. f Hij heeft toch een hbo-diploma. g Maar hij moet wel heel veel presteren om zo’n salaris te rechtvaardigen. 4 Geef van onderstaande uitspraken aan of zij een waarde of een norm weergeven. a Je moet je belastingpapieren eerlijk invullen b Wij streven naar rechtvaardigheid. c Obama mag als president niet liegen. d Het gaat het team om gelijkwaardigheid. e Freya voelt zich aangetast in haar integriteit. 5 Aan het begin van dit hoofdstuk staat de casus van de familie Verhagen. In de tekst van dit hoofdstuk werd hierover enige aanvullende informatie gegeven. Beantwoord de volgende vragen in kleine groepjes. a Wat zijn de relevante feiten? Welke normen zijn in het geding? Welke emoties spelen kennelijk een rol? b Bespreek het voorbeeld in een groepje en formuleer een beslissing over wat het jongerencentrum moet doen. Welke waarden wegen voor jullie het zwaarst? Welke hebben minder gewicht? Wat zijn de belangrijkste argumenten? 6 Hoe oordeel jij over het gedrag van Joost en Dorien in onderstaande casus? Casus Joost zit wat krap bij kas. Het duurt nog twee weken voordat hij zakgeld van zijn ouders krijgt. Bovendien heeft hij al een voorschot gehad en kan daar niet nog eens om vragen. Toch heeft hij nu echt geld nodig om met zijn vrienden op vakantie te gaan. Dan bedenkt hij ineens dat zijn oma regelmatig gul geeft van haar pensioen. Ze wordt ouder en bovendien vergeetachtig. Zij weet niet meer dat ze hem twee weken geleden ook nog dertig euro heeft gegeven. ‘Dat kun je niet maken’, vindt zijn vriendin Dorien. ‘Schaam je je niet dat je misbruik wilt maken van haar slechte geheugen.’ Joost: ‘Ze heeft geld genoeg. Dat gaat anders toch maar naar die rijke familieleden. Ik voel me daar helemaal niet schuldig over.’ Dorien: ‘Als je ouders daar achter komen, zullen zij zich doodschamen voor de familie.’ Joost: ‘Ik laat mij geen schuldgevoel aanpraten door jou, ik ben voor mezelf verantwoordelijk.’ Dorien: ‘Een mooie manier om je geweten te sussen.’

14219_BW_Ethisch leren denken.indd 26

12-03-13 10:01


Wat betekent moraal?

27

7 In dit hoofdstuk staat beschreven hoe je geweten zich ontwikkelt. Geef in een half A4 aan hoe jij terugkijkt op je eigen gewetensontwikkeling. Geef aan in welk stadium je op dit moment zit en waar je soms/vaak gebruikmaakt van argumenten uit een eerder stadium. Schrijf voor jezelf vijf waarden op en de daarbij behorende normen die je van huis uit hebt meegekregen. Gelden ze voor jou nog steeds? Waarom? 8 Ga naar internet en zoek informatie onder andere over de film over de kwestie Brandon. a Beschrijf in het kort het dilemma van de sociaal-pedagogische begeleidster van Brandon. b Welke waarden en normen staan in dit dilemma op het spel? c Hoe heeft de begeleidster dit dilemma opgelost? Hoe beoordeel jij dit? 10 Ga naar internet en zoek informatie over de situatie van Mauro, die op negenjarige leeftijd uit Angola als minderjarige asielzoeker naar Nederland komt en in een pleeggezin wordt opgenomen. Hoe beoordeel jij de wijze waarop met hem is omgegaan?

14219_BW_Ethisch leren denken.indd 27

12-03-13 10:01


14219_BW_Ethisch leren denken.indd 28

12-03-13 10:01


Communiceren over je keuze in morele dilemma’s

29

2 Communiceren over je keuze in morele dilemma’s 2.1 Inleiding In hoofdstuk 1 hebben wij gezien wat moraal inhoudt, hoe je aan een moraal komt en hoe jouw eigen moraal zich heeft ontwikkeld. Aan de hand van een praktijkvoorbeeld zagen wij hoe jongerenwerker Abdul voor een moeilijk dilemma komt te staan: moet hij toegeven aan de ouders van Sophie, die niet met een zwarte begeleider willen praten of moet hij ‘zijn poot stijf’ houden. Dat is voor hem een dilemma: hij moet kiezen uit twee alternatieven met ieder nadelige effecten. Als je echt met een probleem zit, waarbij je moet kiezen tussen goed en minder, of als je moet kiezen uit twee kwaden, dan heb je een ethisch dilemma. Je kunt een opdracht uitvoeren of weigeren. Vaak ook kun je alternatieven bedenken, mogelijkheden waaruit je vervolgens weer kunt kiezen. Er zijn situaties waarin het zaak is even goed na te denken over de gevolgen, bijvoorbeeld omdat het welzijn van jezelf of van anderen in het geding is. Zo’n situatie kan ontstaan wanneer je collega ziek is en je voor de derde achtereenvolgende week wordt gevraagd naast je bestaande werk een weekenddienst over te nemen. Of er staat een zwaar gehandicapte vrouw bovenaan de wachtlijst van het gezinsvervangend tehuis en je hebt de mogelijkheid te kiezen voor nummer twee, die aanmerkelijk minder zorg vraagt. Of je bent het totaal oneens met het beleid van de instelling, waarin bewoners worden betutteld en klein gehouden en je overweegt ontslag te nemen. In dit tweede hoofdstuk gaan wij kijken hoe je nu in zo’n situatie tot een afweging moet komen, wat geeft de doorslag om voor het één of voor het ander te kiezen? Hoe kom je tot een verantwoorde keuze? Dit laatste is mede belangrijk om tegenover andere mensen, collega’s, management, cliënten, te kunnen beargumenteren waarom je kiest voor dit en niet voor het andere alternatief. In privésituaties hoef je je keuze vaak alleen voor jezelf te verantwoorden, in je werk dien je standpunten ook naar anderen te kunnen verwoorden en beargumenteren. Daarom leer je in dit hoofdstuk ook hoe je over morele problemen kunt communiceren met collega’s en andere mensen. Aan de hand van een stappenplan kun je systematisch tot een besluit komen in deze vaak lastige kwesties.

2.2 Hoe kom je tot een afweging in je keuze? In het algemeen gelden in dit soort situaties drie perspectieven: • Perspectief 1: gevolgen. • Je kijkt naar de gevolgen, welk alternatief levert het meeste voordeel op voor zoveel mogelijk mensen?

14219_BW_Ethisch leren denken.indd 29

12-03-13 10:01


30

Ethisch leren denken

• Perspectief 2: plichten en normen. • Welke principes, regels en normen gelden in dit soort situaties en welke zijn voor jou de belangrijkste? • Perspectief 3: persoonseigenschappen. • Wat voor persoon wil ik zijn, ben ik in de keuze die ik maak? Deze drie perspectieven zijn onderling heel verschillend en zij vullen elkaar aan om tot een verantwoord besluit te komen. Je kunt ze niet eenvoudig bij elkaar optellen. Zij hebben alle drie hun voor- en nadelen. Samen geven zij je een verantwoord besluit in een dilemma. Wij zullen ze alle drie kort bespreken aan de hand van een concreet praktijkvoorbeeld. Casus In leefgroep ‘Harlekijn’ van het MKD wordt Danny (12 jaar) op een middag gepest door enkele groepsgenoten. Danny is geen lieverdje, een grote pestkop die altijd anderen loopt te treiteren. Ingrid werkt als groepsleidster in deze groep en ziet dit gebeuren. Zij heeft een hekel aan Danny omdat hij altijd de zaak verziekt en een grote mond heeft. Nu wordt hij een keer gepest, net goed, denkt Ingrid. Het liefst wil zij de groep jongens laten begaan, maar eigenlijk vindt Ingrid ook dat ze moet ingrijpen, zoals ze normaliter ook zou doen en moet opkomen voor Danny. Wat moet ze nu doen: moet zij ingrijpen of de groep zijn gang laten gaan?

Je kunt vanuit drie verschillende perspectieven naar dit dilemma kijken. Perspectief 1: Vanuit de gevolgen (gevolgenethiek) Wanneer Ingrid niet ingrijpt en de groep zijn gang laat gaan, kan dat wel eens flink uit de hand lopen en dan heb je de poppen echt aan het dansen. Dan is de ‘schade’ voor Danny en voor de andere jongens wellicht groot. Danny raakt waarschijnlijk helemaal overstuur en de andere kunnen hun ongenoegens tegenover Danny kwijt. Wanneer Ingrid wel ingrijpt en de andere kinderen verbiedt om Danny nog langer te treiteren, dan helpt ze Danny uit zijn benarde positie en stelt ze de andere jongens een klein beetje teleur. In dit geval is duidelijk dat het tweede alternatief: ‘ingrijpen’ als leidster het minste schade berokkent zowel voor Danny als de andere jongens. Deze laatste leren dat je niet door treiteren de problemen onderling oplost. Deze manier om moeilijke vragen op te lossen lijkt in eerste instantie erg simpel. Je maakt als het ware een eenvoudige rekensom, je telt dingen bij elkaar op en dat leidt dan vanzelf tot een besluit. Zo eenvoudig is het echter meestal niet. Eén van de mogelijke problemen die zich voordoen is de vraag: naar welke gevolgen kijk je? Kijk je alleen naar: ‘plezier, pijn, genot, vreugde’ of kijk je ook naar bijvoorbeeld de financiële gevolgen. In dit voorbeeld gaat het vooral om plezier of verdriet. Welk alternatief Ingrid ook kiest dat heeft geen financiële gevolgen.

14219_BW_Ethisch leren denken.indd 30

12-03-13 10:01


Communiceren over je keuze in morele dilemma’s

31

Perspectief 2: vanuit de waarden en normen (plichtethiek) In de leefgroep zijn in het verleden een aantal afspraken gemaakt op basis waarvan de groepsleiding gemeenschappelijk handelt zowel naar elkaar, de kinderen als de ouders. Het voorkomen en afstraffen van pestgedrag behoort duidelijk tot de gedragscode van de groepsleiding, omdat pestgedrag als afkeurenswaardig wordt gezien. Op grond van dit ‘principe’, dat in een afspraak is vastgelegd, dient Ingrid in te grijpen. Het is een plicht en een norm, die voor alle leidsters geldt. Ingrid is het daar ook mee eens. De vraag al of niet ingrijpen, is daarmee al beantwoord. Er gelden op dat punt bepaalde principes/beginselen/plichten, bijvoorbeeld alle kinderen gelijk behandelen, niet discrimineren, geen schade toebrengen. Het is niet altijd gemakkelijk om voor jezelf duidelijk te krijgen hoe je in zo’n situatie moet handelen. Een goede manier om daar achter te komen is de vraag te stellen: stel dat ik in de schoenen van Danny zou staan, hoe zou ik dan behandeld willen worden? Het antwoord op die vraag is vaak een goede richtlijn voor je eigen handelen. Het is de zogenaamde gouden regel: ‘Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet.’ Perspectief 3: vanuit de persoonseigenschappen (deugdethiek) Danny eens lekker pesten door niet in te grijpen, een soort ‘wraak’ of ‘compensatie’ voor alle ellende die hijzelf door zijn pestgedrag heeft veroorzaakt in het verleden, is een houding die je van een groepsleider niet verwacht. Een groepsleider behoort boven dit soort ‘oog om oog, tand om tand’ gedrag te staan. Zij dient haar eigen gevoelens van ‘vergelding’ te beheersen. Dat is een basishouding die je van iedere opvoeder mag verwachten. Het is goed te begrijpen dat Ingrid stiekem denkt: ‘Laat die Danny nu maar eens op de blaren zitten. Hij is zo vaak lastig geweest ook voor mij.’ Van groepsleidsters mogen wij verwachten dat het personen zijn die een mentaliteit en een houding hebben, die boven het platvloerse ‘oog om oog, tand om tand’ staan. Zoals je van een goede arts mag verwachten dat hij geduld kan opbrengen om naar een patiënt te luisteren, mag je van een groepsleidster verwachten dat deze geen ‘wraakgevoelens’ naar de groepsleden toont... Goede artsen, groepsleiders, verpleegkundigen en therapeuten worden door hun cliënten in de eerste plaats herkend op grond van hun kwaliteiten als persoon. Conclusie Op grond van deze drie afwegingen mag je concluderen dat Ingrid voor het alternatief ‘ingrijpen’ kiest in dit dilemma.

2.3 Stappenplan ‘ethisch leren denken’ Nu je hierboven hebt geleerd hoe je vanuit de drie perspectieven tot een afweging en besluit komt, gaan we kijken hoe je hierover communiceert met anderen, zoals je collega’s in een teamvergadering. Meestal neem je belangrijke beslissingen niet alleen, maar overleg je met collega’s of anderen mensen. Hiervoor kun je gebruikmaken van

14219_BW_Ethisch leren denken.indd 31

12-03-13 10:01


32

Ethisch leren denken

een stappenplan om tot een verantwoord besluit te komen. In zo’n plan ga je stap voor stap na welke vragen je moet stellen waarop je een antwoord moet formuleren. Bovengenoemde drie perspectieven zijn verwerkt in dit stappenplan. Het is een praktisch hulpmiddel dat je behoedt voor ondoordacht handelen waar je later spijt van hebt. Bovendien biedt het je de mogelijkheid aan anderen je keuze te verantwoorden. Het geeft aan hoe jij met vrijheid en verantwoordelijkheid bent omgegaan. Bovendien biedt dit stappenplan je een leidraad om met collega’s gezamenlijk een dilemma te bespreken. Om een ethische discussie goed te kunnen voeren, is het gemakkelijk die discussie in stappen te onderscheiden. De onderstaande vijf stappen volgen logisch op elkaar. De volgorde is belangrijk voor het ordelijk analyseren en bespreken van de problemen. Stappenplan Stap 1: wat zijn de feiten en wat is precies het dilemma voor wie? Stap 2: welke handelingsmogelijkheden zijn er en welke overwegingen spelen daarbij een rol? Stap 3: welke waarden en normen staan er op het spel; wat weegt het zwaarst; wat zegt je beroepscode hierover; welke gevolgen wegen het zwaarste voor wie; wat voor persoon ben ik wanneer ik voor het ene of het andere alternatief kies? Stap 4: beslissen en toetsen; Stap 5: uitvoeren van het besluit en evaluatie.

Hieronder worden de vijf stappen afzonderlijk toegelicht. In het tweede gedeelte van dit hoofdstuk zullen we het stappenplan toepassen op een concreet dilemma in de beroepspraktijk. Stap 1: wat zijn de feiten en wat is precies het dilemma voor wie? Wat is er aan de hand? Verkenning en beschrijving van de situatie is een eerste vereiste voor het proces van ethisch oordelen. Het gaat dan om feiten die relevant zijn voor het probleem. Een uiteindelijk oordeel kan anders uitpakken wanneer er nieuwe feiten aan het licht komen. Op het eerste gezicht lijkt dit vrij gemakkelijk. Bij nader inzien vereist dit een behoorlijke vaardigheid. Wij kennen allemaal het voorbeeld van het verkeersongeluk. Verschillende mensen hebben eenzelfde ongeluk gezien, wanneer ze later bij de politie moeten getuigen, hebben ze ieder hun eigen verhaal van het gebeuren. Dat komt doordat onder meer emoties, verwachtingen, ervaringen uit het verleden de bril kleuren waardoor we de wereld om ons heen bekijken. Wij kunnen dan ook beter spreken van een zo objectief mogelijke beschrijving van de situatie. Maak onderscheid tussen de feiten en de interpretatie van de feiten. Het gaat in deze fase alleen om het beschrijven van de situatie, niet om een oordeel. De eerste stap eindigt met nog eens heel kort het ethisch dilemma te omschrijven. Het beste kan dat in de vorm van een vraag : moet x wel of niet ...? Dat werkt in de praktijk goed. Er dient in aantoonbaar gedrag te worden aangegeven wat het dilemma is en voor wie. Dus niet: moet er voor mezelf of voor het belang van de cliënt worden gekozen?

14219_BW_Ethisch leren denken.indd 32

12-03-13 10:01


Communiceren over je keuze in morele dilemma’s

33

Deze formulering is niet concreet genoeg, geeft geen aantoonbaar gedrag aan en er wordt niet aangegeven voor wie het een dilemma is. Dus: moet ik wel of niet deze cliënt blijven begeleiden? Casus Marian Stel: groepsleidster Marian heeft op het dagverblijf voor ouderen ’s middags een vervelend contact (ruzie) met de ouders van een bezoeker. Het gaat er nogal heftig en emotioneel aan toe. Er komen zaken uit de thuissituatie aan de orde die duidelijk tot de privacy van het gezin behoren. Het zit Marian heel erg dwars. ’s Avonds heeft zij een verjaardagsfeestje met vrienden. Mag zij daar haar hart luchten en over dit conflict praten?

• Wat is hier het dilemma en voor wie? • Mag Marian op het feestje met vrienden praten over deze ruzie of moet zij daarover zwijgen?

• Figuur 2.1 Stap 2: welke handelingsmogelijkheden zijn er; welke overwegingen spelen daarbij een rol? Voordat je de vraag stelt: ‘Wat moet ik doen?’ beantwoord je eerst de vraag: ‘wat kan ik doen?’ Wat de handelingsmogelijkheden betreft, moet je nagaan of er sprake is van een zekere vrijheid van handelen of dat die vrijheid juist ontbreekt. Waar geen alternatieven zijn, daar is geen keuze en speelt de moraal geen rol. Ook is het van belang na te gaan of het in de gegeven situatie realistische alternatieven zijn, of ze in principe uitvoerbaar zijn. In bovengenoemd voorbeeld (stap 1) heeft Marian twee mogelijkheden: 1 Zij kan op het verjaardagsfeestje haar hart luchten en vertellen over de ruzie op het werk. Een overweging daarbij is dat zij meer ontspannen aan het feestje kan deelnemen. Ze kan haar opgekropte emoties kwijt.

14219_BW_Ethisch leren denken.indd 33

12-03-13 10:01


14219_BW_Ethisch leren denken.indd 132

12-03-13 10:01


Relatie met de samenleving, signalering en preventie

133

10 Relatie met de samenleving, signalering en preventie 10.1 Inleiding Als hulpverlener werk je niet alleen als individuele werknemer maar ook als lid van een hulpverleningsinstelling in een samenleving. Meestal word je betaald door die samenleving en werk je in opdracht daarvan. De verantwoordelijkheid voor zorg en hulpverlening wordt mede als een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid gezien. Wanneer ouderen hulp nodig hebben, is dat zowel een zaak van individuen (bijvoorbeeld familie) als van de samenleving, die meer verpleeghuizen bouwt en professionele zorg subsidieert. De politiek is mede verantwoordelijk. Wat geldt voor de hulpverlening, gaat ook op voor de problemen en ziektes waarmee mensen te maken hebben. Wanneer iemand in de WIA terechtkomt, is dat enerzijds een zaak van die individuele persoon, maar dat hij ziek is geworden kan te maken hebben met slechte arbeidsomstandigheden. Er zijn maatschappelijke ontwikkelingen die positief of negatief werken met betrekking tot de gezondheid van mensen. Deze maatschappelijke dimensie van de hulpverlening is onderwerp van dit laatste hoofdstuk. Aan de orde komen: rol zorg-samenleving, maatschappelijke ontwikkelingen, signalering en preventie en beeldvorming van de hulpverlening in de samenleving.

10.2 Het zal mij een zorg zijn Casus In een nieuwbouwwijk van de jaren zestig van de vorige eeuw wonen in verhouding veel allochtone jongeren. Al jaren is er sprake van achterstand in scholing, werkgelegenheid en is er veel agressiviteit en onveiligheid op straat. Steeds zijn er weer nieuwe groepen die problemen veroorzaken: drugsdealers, zwervers, verslaafden, dak- en thuislozen. De autochtone bevolking trekt steeds meer weg uit deze wijk en van een spreidingsbeleid komt niet veel terecht. Er zijn wel allerlei projecten van maatschappelijk werk en jeugdzorg. De gemeente staat daar welwillend tegenover, maar het resultaat is: pappen en nathouden.

Dak-en thuislozen naast de deur. Twintig jaar geleden was dit een onbekend verschijnsel. Nu lopen wij er dagelijks bij langs. Maar ervaren wij het ook als onze verantwoordelijkheid of is het meer: ieder zijn keuze, het zal mij een zorg zijn, wat heb ik ermee te maken ? Aan de ene kant is er een grote tolerantie tegenover mensen met afwijkend gedrag, bijvoorbeeld van zwervers: ieder heeft het recht zelf zijn leefwijze te kiezen. Van de andere kant is een dergelijk bestaan voor veel betrokkenen niet leuk. Ze doen het meestal niet voor de lol, het is vaak een mislukte poging om problemen in de persoonlijke leefsfeer

14219_BW_Ethisch leren denken.indd 133

12-03-13 10:01


134

Ethisch leren denken

op te lossen. Hetzelfde geldt voor drugsgebruikers. Een zekere tolerantie ten aanzien van drugsgebruikers is wel te verdedigen, maar de meeste zijn maar wat graag van hun verslaving af. Een uitbehandelde psychiatrische patiënt die voorbijgangers lastig valt, wordt vaak als een probleem ervaren. Al deze groepen die gebruikmaken van de publieke ruimte veronderstellen een basispakket van waarden en normen om ‘normaal’ met elkaar te kunnen communiceren. Welk moreel appel doet dit op ons? Er bestaat een actieve en een passieve acceptatie van deze problemen. De eerste betekent: afzijdig houden, ieder gaat zijn eigen gang. De tweede is: probeer actief hulp te bieden door de onderliggende problemen aan te pakken. Kernpunt hierbij is dat niet alleen vanuit de individuele kant naar het probleem wordt gekeken, maar ook vanuit de maatschappelijke invalshoek. De laatste jaren is het maatschappelijk klimaat veranderd: de tolerantie is afgenomen. Er is meer een houding ontstaan van: ‘aanpakken die problemen’. Bij Justitie wordt steeds vaker een ‘lik op stuk’ beleid gevoerd, zero tolerance. In de hulpverlening wordt meer gewerkt vanuit een outreachende benadering: meer bemoeizorg, eropaf met drang en dwang ( zie hoofdstuk 8). De veranderende houding in de relatie hulpverlening-samenleving van de afgelopen halve eeuw staat hieronder schematisch weergegeven. Kenmerken sociale hulp na 1945 1945 – 1965: wederopbouw en bevoogding

ERBOVENOP

1965 – 1985: emancipatie en identificatie

ERNAAST

1985 – 2002: no-nonsense, markt en distantie

ERVANDAAN

2002 – nu: herontdekking leefwereld, betrokkenheid en professionaliteit

EROPAF

Van der Lans, 2008

Eropaf ‘Je ziet het in het maatschappelijk werk, je ziet het in de sociale zekerheid, je ziet het in de achterstandsgebieden alias prachtwijken, je ziet het in de groeiende professionele belangstelling om ‘achter de voordeur’ te komen. Huisbezoek is weer normaal aan het worden. Zijn we daarmee terug bij af? Mogen we weer bemoeizuchtig, paternalistisch te werk gaan?’ Van der Lans, 2008

Die angst om bemoeizuchtig, paternalistisch te werk te gaan, is volgens Van der Lans onterecht, omdat burgers mondiger zijn geworden en professionals professioneler. De nieuwe sociaal werker zal, als het goed is: ‘Sturen, trekken, sleuren en onderhandelen, maar nooit dicteren. (…) Het vraagt om nieuwe vormen van leidinggeven, die ruimte mogelijk maken voor professioneel handelen en tegendruk leveren aan bureaucratie. (…) Het vraagt om andere profes-

14219_BW_Ethisch leren denken.indd 134

12-03-13 10:01


Relatie met de samenleving, signalering en preventie

135

sionals. Het vraagt vooral om durf, durf om het anders te doen, durf om te ontregelen, durf om risico’s te nemen. Dat is niet minder dan een kleine ontregelrevolutie. Waarvan we nog maar pas aan het begin staan.’ Van der Lans, 2008

Netwerkbenadering Mensen met een chronische psychiatrische aandoening of verstandelijk gehandicapten dienen zoveel mogelijk in de gewone samenleving te wonen en te werken. Het is niet alleen hun individuele problematiek, het gaat evenzeer om de sociale context waarin deze mensen met hun problemen leven. Zijn er aangepaste woon- en werkvoorzieningen? Zij ervaren door hun handicap veel belemmeringen; mensen kunnen echter ook veel zelf doen wanneer de sociale context daarop wordt aangepast. Dan blijkt dat met de nodige hulpstructuren veel mogelijk is: begeleiding bij aangepast wonen, dagbesteding, scholing en werk. Veel cliënten blijken na rehabilitatieprogramma’s meer te kunnen dan zij zelf of hun familie voor mogelijk hielden. Het vraagt een samenwerking van de professionele hulpverlening met het sociale netwerk van de cliënt. Hulpverleners zullen meer dienen samen te werken met andere maatschappelijke organisaties zoals sociale diensten, politie, uitkeringsinstanties. Voor de samenleving is het beter dat mensen met problemen in hun maatschappelijk functioneren zichtbaar blijven in de samenleving. De professionele hulpverlening als afschuifsysteem Wanneer oudere mensen in een verzorgingshuis dement worden, zeker wanneer dit ernstige vormen gaat aannemen, wordt het steeds moeilijker om contact met hen te krijgen. Dat ervaren de werkers in het verpleeghuis, maar ook de familie, buren en kennissen. Dat kan ertoe leiden dat de familie steeds minder op bezoek komt, vanuit de onuitgesproken gedachte ‘Wat heb ik eraan om nog op bezoek te gaan, we kunnen toch nergens meer over praten, moeder weet niet meer dat ik er geweest ben. Het is zelfs de vraag of ze mij nog kent. De werkers in het verpleeghuis weten veel beter hoe ze met moeder moeten omgaan, zij hebben ervoor geleerd en worden ervoor betaald.’ In deze gedachtegang kan de professionele hulpverlening de plaats gaan innemen van de ‘normale’ zorg voor elkaar, bijvoorbeeld tussen ouders en kinderen. Dat het contact met diepdemente ouderen moeilijk is, is juist. Dat de zorg voor diepdemente ouderen eenzijdig wordt afgeschoven op de professionele hulpverlening, is ethisch gezien onjuist. Werkers dienen ervoor te waken dat zij ongemerkt in deze positie worden gedrongen. Een gesprek tussen werkers en familie zal die gemeenschappelijke zorg en ieders bijdrage daarin kunnen verhelderen. Er zijn verpleeghuizen die onder druk van de bezuinigingen familie van bewoners verplicht hebben hun cliënten minimaal twee keer per maand te bezoeken. Natuurlijk roept deze verplichting ook weer vragen op: sommige cliënten hebben geen familie of wonen erg ver weg. In zijn algemeenheid kunnen we stellen dat de primaire verbanden waarin mensen leven, zoals woonmilieu, onderwijs en arbeidsmilieu, voor het welzijn en de gezondheid van mensen ook de primaire verantwoordelijkheid hebben. Dat kan en mag de profes-

14219_BW_Ethisch leren denken.indd 135

12-03-13 10:01


136

Ethisch leren denken

sionele hulpverlening niet overnemen. Dat een dergelijke afweging niet gemakkelijk is, blijkt uit het volgende voorbeeld. Casus Een gezin doet een beroep op gezinszorg voor een aantal uren per dag. De moeder ligt in het ziekenhuis, de kinderen zijn overdag naar school en de vader werkt alleen ’s morgens (50% afgekeurd). De leidster van de gezinszorg komt op bezoek en overlegt over de hulpvraag. In het gesprek blijkt dat er geen professionele hulp nodig is wanneer de vader meer huishoudelijke taken op zich neemt. Daar voelt hij niets voor. Voor een paar dagen prima, maar het ziet ernaar uit dat het langer gaat duren. Hij heeft dat nooit gedaan en vindt het ook geen mannenwerk. Bovendien moet hij dan altijd ’s middags thuis blijven.

10.3 Maatschappelijke ontwikkelingen Dubbele vergrijzing Mensen worden steeds ouder; er komen dus meer ouderen bij in de samenleving. Dat legt een grote druk op de hulpverlening. Het is met name deze groep die veel gebruikmaakt van allerlei zorgvoorzieningen. Dat roept in de samenleving de vraag op hoe men met ouderen en met name hulpbehoevende ouderen wil omgaan. Dat is enerzijds een technisch probleem van organisatie en efficiënt beleid, anderzijds is het een zingevingprobleem. Bij dit laatste komen vragen naar voren als: hoe waarderen wij het ouder worden en welke plaats nemen en krijgen ouderen in de vele sectoren van de samenleving? Worden zij nog serieus genomen? De laatste tijd laten ouderen meer van zich horen, bijvoorbeeld door middel van de ouderenbonden en politieke partijen. Oudere mensen kunnen door een betere gezondheid ook nog veel langer actief zijn op allerlei terreinen, bijvoorbeeld in de zorg voor kleinkinderen en in het vrijwilligerswerk. Onze samenleving is echter erg gericht op dynamiek, jong zijn, snelheid, vooruitgang en succes. Stilstand is achteruitgang. De plaats in het productieproces en de arbeidsmarkt bepaalt je maatschappelijke positie. Bij sollicitaties gaan jongeren voor. In vergelijking daarmee kan ouderdom alleen maar gezien worden als een proces van achteruitgang en aftakeling. Dan worden ouderen mensen die het niet kunnen bijbenen, die achterblijven en afhankelijk worden van de hulpverlening. Deze vrij negatieve beoordeling van het ouder worden, staat in schril contrast met andere culturen waarin ouderen in de samenleving belangrijke posities innemen in het bestuur van het land. Door hun levenservaring en wijsheid hebben zij een waardevolle en specifieke inbreng. Ouder worden heeft zijn eigen ontwikkelingsmogelijkheden. Ouderen kunnen op enige afstand nieuwe ontwikkelingen beter relativeren en op waarde schatten. Zij maken zich minder druk om uiterlijkheden en hebben scherper door waar het in het leven echt om gaat. De betekenis die de samenleving aan het ouder worden toekent, komt mede tot uiting in de plaats van de hulpverlening aan ouderen. Dan rijzen morele vragen als: mag bij de

14219_BW_Ethisch leren denken.indd 136

12-03-13 10:01


Relatie met de samenleving, signalering en preventie

137

keuzes in de hulpverlening het leeftijdscriterium een rol gaan spelen? Hebben jongeren meer en eerder recht op hulp dan ouderen? Is de samenleving bereid zoveel geld ter beschikking te stellen aan verpleeg- en verzorgingshuizen dat ouderen daar zelf hun eigen leefwereld kunnen bepalen en bijvoorbeeld voldoende privacyruimte hebben? Zijn wij bereid dementerende ouderen zoveel mogelijk zelf hun leven te laten bepalen, ook al kost dat veel begeleiding? Een veilige samenleving vol angst De moderne mens is welvarend, ziet er goed uit, voorzien van een koffiebeker, laptoptas, smartphone. Hij is druk, druk ,druk, onderweg van zijn werk naar een bruisend sociaal leven. Hij twittert en facebookt en is alleen tussen zes en acht offline. Hij is reuze flexibel, efficiĂŤnt en dynamisch, maar ook neurotisch. Zo typeert hoogleraar Paul Verhaeghe de moderne mens in zijn boek Identiteit (Verhaeghe, 2012). Het leidt tot veel mensen met depressies, burn-out of angststoornis. Meer dan een miljoen mensen hebben ADHD. Tussen 1996 en 2011 steeg het gebruik van antidepressiva in Nederland met 230 procent. Deze stoornissen zijn uitingen van een verziekte samenleving. Depressies komen vaak voort uit stress op het werk of arbeidsconflicten. Er is een enorme toename van het medicijngebruik bij kinderen vanwege problemen in de opvoeding. Ouders durven moeilijk grenzen te stellen, kinderen krijgen via de flatscreen te horen dat zij alles kunnen krijgen, dat ze perfect kunnen zijn. Lukt je dat niet, dan maken ze elkaar uit voor loser. Er is in heel de samenleving een verplichting om permanent te genieten, alles moet leuk zijn. Er ontstaat een illusie dat deze perfectie mogelijk is en die wordt via de reclame en rolmodellen voortdurend voorgehouden. Dit in tegenstelling tot alle grote ideologieĂŤn en religies uit het verleden waarin je moest leren leven met onvervulde verlangens, uitstel van behoeftebevrediging en het ontwikkelen van zelfbeheersing. Wachtlijsten in de jeugdzorg In januari 2002 stonden 1770 gezinnen op een wachtlijst voor screening door het Bureau jeugdzorg en wachtten 632 gezinnen op nader onderzoek door het Advies- en meldpunt kindermishandeling. Daarnaast stonden 473 families op de lijst voor daghulp, wachtten 619 kinderen op een plek in een internaat en 474 kinderen op pleegzorg. In 2011 stonden bijna 3000 kinderen langer dan 9 weken op de wachtlijst. Dat zijn er 100 meer dan in 2010. Er wordt een steeds groter beroep op de jeugdzorg gedaan (Trouw, 13 maart 2012). Hier ligt enerzijds een financieel probleem: hoeveel geld willen wij als samenleving aan jeugdzorg besteden om de wachtlijsten weg te werken? Anderzijds ligt er een verantwoordelijkheidsprobleem. In Nederland is het niet gebruikelijk je te bemoeien met andermans kinderen. Het gezin is heilig. Zelfs in gezinnen waarvan je zeker weet dat alleen dwang helpt, worden ouders niet altijd door de Raad van de kinderbescherming gedwongen hulp te accepteren. Het blijkt echter dat vrijwillige hulpverlening niet altijd werkt. Het lijkt soms dweilen met de kraan open, omdat de overheid zich niet bemoeit met de opvoeding van kinderen. Dit is de taak van de ouders. Nu heeft iedere ouder

14219_BW_Ethisch leren denken.indd 137

12-03-13 10:01


138

Ethisch leren denken

recht op kinderen, dus ook ouders waarbij keer op keer de kinderen uit huis worden geplaatst: verstandelijk gehandicapten, drugsverslaafden, psychiatrisch zieke mensen. Zou het daarom beter zijn wanneer de overheid zich zou bezighouden met de vraag wie wel of niet kinderen mogen krijgen? Wie zijn wel en wie zijn geen goede opvoeders? Of is het voldoende wanneer de overheid preventieve opvoedcursussen aan jonge ouders aanbiedt? En moet de overheid sneller ingrijpen wanneer het misgaat? Commercialisering in de hulpverlening De laatste tijd zien we op verschillende terreinen naast de gesubsidieerde instellingen ook particuliere instellingen op commerciële basis hulpverlenen, bijvoorbeeld in de gezinszorg. Deze concurrentie daagt de instellingen uit een zo goed mogelijk hulpverleningsaanbod te doen. Het dwingt tot een goede kwaliteit. Ethisch gezien is dat een goede zaak. Er zitten echter ook enkele aspecten aan die ethische vragen oproepen. De eigen financiële bijdrage voor de hulpverlening kan er bijvoorbeeld toe leiden dat bepaalde vormen van hulpverlening voor kansarme groepen niet meer bereikbaar en betaalbaar zijn. Dan ontstaat er een tweedeling in de maatschappij. Dat is strijdig met de belangrijke waarden van gelijkheid en wederkerigheid. Er dreigt een soort tweedeling in de zorg. Mensen met veel geld kunnen meer van de hulpverlening gebruikmaken dan mensen met een kleine beurs. Ook kan de subsidiëring per prestatie ertoe leiden dat de voorgeschreven prestaties kunstmatig worden opgeschroefd. Het gevaar is dan niet denkbeeldig dat cliënten worden geronseld of dat hulpvragers langer aan het lijntje worden gehouden dan ethisch verantwoord is. De hulpverlening is er niet voor om werkloze hulpverleners bezig te houden.

10.4 Signalering en preventie als taak van de hulpverlening De sociale dienstverlener die merkt dat bij heel veel cliënten een bepaalde regeling, bijvoorbeeld de voordeurdeling, niet goed functioneert, kan daarvoor bij iedere individuele cliënt opnieuw oplossingen zoeken. Hij kan zoiets ook binnen het team aan de orde stellen. De dienst kan dan als geheel actie ondernemen naar de gemeente of naar de rijksoverheid om hier verandering in te brengen. De werker ontdekt in zo’n geval dat de hulpvraag van de individuele cliënt voortkomt uit maatschappelijke situaties die voor veel meer cliënten gelden. De werker heeft dan de ethische plicht een signaal af te geven naar de desbetreffende instantie. De laatste jaren is steeds duidelijker geworden dat de hulpverlening zich niet alleen kan beperken tot enkel individuele hulpverlening, omdat die vaak alleen maar ‘oplapwerk’, symptoombestrijding of niet meer dan een tijdelijk noodverband is. Het is dan slechts een druppel op een gloeiende plaat. Dat is vooral het geval in situaties waarin hulpvragers het slachtoffer zijn van ontoereikende wetgeving, van structurele tekorten en van onrechtvaardige ellende in de samenleving. Natuurlijk zal de werker in eerste instantie oog hebben voor de individuele nood van de cliënt. Daarnaast zal hij meestal samen met collega’s een signaal afgeven om de structurele kant van het probleem aan te pakken.

14219_BW_Ethisch leren denken.indd 138

12-03-13 10:01


Relatie met de samenleving, signalering en preventie

139

We hebben mondigere professionals nodig De beroepscode voor de sociaalagogisch werker benoemt de signaleringsplicht niet expliciet. De toelichting bij deze code stelt wel dat juist sociaalagogisch werkers dienen op te komen voor de belangen van doelgroepen als geestelijk, lichamelijk en maatschappelijk gehandicapten. Signaleren van zaken die hun belangen tegengaan, is dan een impliciete norm. De beroepscode voor de jeugdzorgwerker (zie bijlage) omschrijft de signaleringsplicht wel expliciet. De sociaal werker doet zijn werk in een samenleving die hem daartoe legitimeert en dat – via diverse (financiering)vormen – van hem vraagt. Die samenleving mag daarom ook van hem verwachten dat hij knelpunten of misstanden in zijn werk of in de samenleving signaleert. Knelpunten of misstanden die (potentiële) cliënten belemmeren om tot hun recht te komen. Hij stelt die signalen normaal gesproken eerst binnen zijn organisatie met collega’s en leiding aan de orde, doet zo nodig nader onderzoek en zet daarna – zoveel mogelijk samen met de leiding – stappen naar buiten. Bijvoorbeeld om bepaalde bureaucratische procedures of werkvormen die haaks staan op de waarden van het werk bij de eigen instelling of andere instanties aan de orde te stellen. Vastgebonden aan muur: Brandon Het tv-programma ‘Uitgesproken EO’ toonde de achttienjarige verstandelijk gehandicapte Brandon, die met een riem is vastgeketend aan een muur. Het personeel zou bang zijn voor zijn gedrag. De Tweede Kamer gaat met spoed over dit beleid in instellingen praten en van alle kanten volgen commentaren. Terecht, want er zijn genoeg vragen. Maar minstens zo belangrijk is het feit dát het verhaal naar buiten komt. Sociaalagogisch werker Iris Mourits heeft Brandon eerst intern (directie en inspectie) en daarna extern (EO) op de maatschappelijke agenda geplaatst. Hulpverleners hebben inderdaad de plicht om (grote en kleine) maatschappelijke gebreken en inadequate beleidskeuzes naar buiten te brengen. Maar anno 2011 hebben veel hulpverleners daar moeite mee. Want de druk is groot door belangen en eisen van werkgevers. En die druk neemt onder meer door bureaucratie alleen maar toe. Dit betekent minder professionele ruimte om volgens ethische en kwalitatieve beroepsrichtlijnen te werken. Moet je als werker meebuigen met interne bureaucratische ‘normen’ of vasthouden aan beroepsnormen? Iris Mourits gaf aan collega hulpverleners het voorbeeld hoe het moet. Haar verhaal lijkt op dat van maatschappelijk werker (en klokkenluider) Fred Spijkers, die weigerde de weduwe van een militair voor te liegen over de oorzaak van de dood van haar man. Spijkers werd met een psychiatrische diagnose ontslagen. Uiteindelijk kreeg hij eerherstel. Ik hoop dat het optreden van Iris Mourits met haar moed om sector en samenleving een spiegel voor te houden wél direct op juiste waarde wordt geschat. Iris Mourits en Fred Spijkers tonen collega’s, cliënten en samenleving dat beroepsethiek een serieuze zaak is. Hulpverleners hebben de plicht er alles aan te doen de cliënt zoveel mogelijk tot zijn recht te laten komen. Als dat actie tegen gevestigde belangen inhoudt (bijvoorbeeld van de werkgever), dan moet dat. Maar de samenleving in casu de politiek, doet er goed aan die kant van dit verhaal ook tot zich door te laten dringen en hulpverleners die hun ethiek in stand houden te beschermen. Jaap Buitink, de Volkskrant, 2011

14219_BW_Ethisch leren denken.indd 139

12-03-13 10:01


140

Ethisch leren denken

Signaleren en emancipatie Emancipatie is de bevrijding uit een als onrechtvaardig ervaren achtergestelde of onderdrukkende situatie door middel van het opheffen of verminderen van de machtsongelijkheid. Emancipatie is gericht op een streven naar basale gelijk­ heid met optimale individuele vrijheid en zo weinig mogelijk privileges en dis­ criminatie. Dit houdt in dat de sociaal werker opkomt voor sociale gelijkheid ten koste van ongebreidelde individuele vrijheid. Vrijheid wordt nagestreefd voor zover zij ongelijkheid niet bevordert; gelijkheid wordt nagestreefd voor zover zij onvrijheid niet bevordert De sociaal werker staat voor emancipatorische hulpverlening; hij streeft er in zijn handelen naar dat cliënt(en) zich beter bewust worden van hun maatschappelijke positie en is uit op het uitbreiden van hun handelingsvermogen. Emancipatie en integratie liggen dan dicht bij elkaar. De sociaal werker streeft ernaar dat (potentiële) cliënten in een achtergestelde situatie (meer) aansluiting krijgen bij sociale verbanden. Dit zonder de eigenheid van cultuur en waarden geweld aan te doen. Integratie betekent ook ‘ontmoeten’ in de ruimste zin van het woord: een verstandelijk gehandicapte die gaat werken in een supermarkt zal zich zoveel mogelijk aan moeten passen aan de normen in dat bedrijf. Maar andere medewerkers in het bedrijf zullen zich ook moeten aanpassen. Zij zullen hun gehandicapte collega moeten accepteren met zijn eigenheid en mogelijkheden. Internethulpverlening is emanciperende hulpverlening De initiatieven op het gebied van internethulpverlening geven aan dat sociaal werkers zich inderdaad bewust zijn van de maatschappelijke positie van cliënten en uit zijn op de uitbreiding van hun handelingsvermogen. Want via nieuwe digitale wegen bereiken ze ook nieuwe doelgroepen, die op deze manier eerder worden bereikt dan via de reguliere weg. Anonieme hulpverlening via internet blijkt in een behoefte te voorzien en draagt daardoor bij aan emancipatie. Denk bijvoorbeeld aan een doelgroep als chronisch zieken, die via deze weg beter bereikt worden. Er bestaan verschillende vormen van internethulpverlening (of welke naam ze ook krijgen), zoals digitale hulpverlening, digihulp, e-health, telemedicine, e-mental health, e-hulp, online hulp en online hulpverlening. De belangrijkste aanleidingen om online hulpverlening aan te bieden, zijn (Schalken, 2010): • doelgroepen bereiken die tot nu toe beperkt bereikt werden; • een effectieve manier van hulpverlening bieden; • aanbod laten aansluiten op de leefwereld van de doelgroep; • keuzemogelijkheid bieden naast bestaande vormen van hulpverlening; • zelfredzaamheid van hulpvragers stimuleren; • verzorgingsgebied van de organisatie vergroten; • hulpverlening goedkoper kunnen aanbieden.

14219_BW_Ethisch leren denken.indd 140

12-03-13 10:01


Relatie met de samenleving, signalering en preventie

141

Meer over internethulpverlening is bijvoorbeeld te vinden op www.e-hulp.nl. Wij wijzen hier nog kort op de beroepsethische kanten van de online hulp. Deze hulp wordt als anoniem en veilig aangemerkt. Anoniem is het in principe wel, maar over de veilige kant van internet wordt veel discussie gevoerd. Als aanbieders van internethulpverlening bijvoorbeeld vragen om een postcode en een e-mailadres, kun je je afvragen of die combinatie echt wel zo veilig is. Hoewel nog wel eens opgemerkt wordt dat voor internethulpverlening eigenlijk nog geen beroepsethiek is ontwikkeld, stellen wij dat de beroepscode volledig van toepassing is op internethulpverlening. Er is geen artikel dat niet van toepassing is. De beroepscode voor de maatschappelijk werker wijst er – op het gebied van vertrouwelijkheid – op dat e-mail extra attentie vraagt bij het kunnen realiseren van de artikelen 10 (geheimhouding gegevens in intern automatiseringssysteem) en 12 (blijvend zorgvuldig omgaan met een toestemming). Het is belangrijk dat sociaal werkers beroepsethische aspecten van internethulpverlening gaan uitwisselen, om daardoor meer specifieke aandachtspunten te verzamelen. Vragen bij e-hulp zouden bijvoorbeeld kunnen zijn: • Hoe kan de wisselwerking met de omgeving van de cliënt voldoende aandacht krijgen? • Welke invloed heeft de deskundigheid van de werker op de professionele relatie? • Hoe kun je het beste goede informatie over de hulpverlening bieden? • Hoe kan de rechtspositie van de cliënt worden gewaarborgd? • Hoe kan worden ingegrepen bij signaleren van geweld? • Is er een digitale mogelijkheid het dossier in te zien? Het verzamelen en bespreken van ethische dilemma’s kunnen interessante aanknopingspunten bieden over alle beroepsethische aspecten van internethulpverlening. Voorbeelden van websites voor hulpverlening via internet zijn www.internethulpverlening.nl en www.alcoholdebaas.nl. Maar er zijn er veel meer. Hulpvragen via internet - ‘Ik beleef een heel slecht gevoel als er thuis ruzie is. Ik heb vier zussen en een broer. Daar klikt het gelukkig nog mee. Met mijn mama klikt het ook nog als ze niet dronken is en mijn papa is gestorven. Mijn mama gaat elke avond op café waardoor ze ons slaat, en ons zelf voor dagen verlaat en we niet weten wat we moeten doen. Waardoor ik me ben beginnen snijden en drinken, drugs.’ - ‘Ik wil al ongeveer zes maanden dood maar ik weet niet of ik et wel durf. Mijn twee beste vrienden hebben zelfmoord gepleegd zonder hun heb ik egt niks meer behalve mijn vriendje. Hij is de enige reden dat ik nu nog leef maar ja hij woont in een ander land en ik heb hem nog nooit in het echt gezien. Mijn leven is gewoon kut het is waarschijnlijk beter als ik dood ben want het kan niemand iets schelen.’ - ‘Ik word al maandenlang bedreigd via internet door een onbekende jongen. Hij stuurt mails met dreigementen zoals dat hij me komt verkrachten of vermoorden. Het is begonnen sinds ik een vriend heb, die hij ook bedreigd en zelfs bij hem inbreekt op zijn computer. Hij houdt maar niet op en zegt telkens dat hij in de buurt is. Dus dit maakt me nogal bang. Ik zou graag willen weten wat ik eraan kan doen.’ - ‘Ik heb een zoontje van 13 jaar. Het is naar zomer vakantie heel erg veel gebeurd ik ben een zomer vakantie geen moeder meer geen nichtjes een hij ok niet hij is zo depressief hij wil

14219_BW_Ethisch leren denken.indd 141

12-03-13 10:01


142

Ethisch leren denken

niet meer naar school hij wil liefste dood gaan een ik ben zo moe omdat dat ik niet kan helpen want alles wat ik zeg verkeerd hij wil met niemand praten ik ben echt kapot van verdriet ik kan gewoon niet.’ www.internethulpverlening.nl

10.5 Correcte beeldvorming van het beroep Elke sociaal werker heeft er belang bij dat zijn beroep op een juiste manier naar buiten komt en dat de beeldvorming over het werk klopt. Waarom is dit belangrijk? Ten eerste om potentiële cliënten een correct beeld te geven van wat ze kunnen verwachten wanneer ze een beroep kunnen of – bij gedwongen hulpverlening – moeten doen op hulp- en dienstverlening. Daarnaast draagt een correcte beeldvorming bij aan het bestaansrecht van de organisatie en daarmee van een blijvende financiering. Niet op de laatste plaats is het belangrijk dat je eigen beroep de aandacht en waardering krijgt die het verdient. Professionals kunnen op dit gebied samenwerken binnen de organisatie en binnen de professie. Om deze beroepswaarden in collectief verband – en collectieve kracht – te realiseren, is het lidmaatschap van een beroepsvereniging belangrijk. De in de NVMW verenigde jeugdzorgwerkers namen bijvoorbeeld het initiatief gezamenlijk een positief tegengeluid te laten horen tegen alle negatieve media-aandacht over de jeugdzorg. Zij verzamelden ervaringen van collega’s en cliënten en bundelden die in een gemakkelijk leesbaar boekje met positieve verhalen uit de sector Jeugdzorg (NVMW, 2009). Het boekje haalde zelfs de landelijke media. Enkele citaten eruit: ‘Ik ben gelukkig dat we ons niet laten meezuigen in cynisme en beseffen hoe waardevol ons werk is.’ ‘Mijn visie is dat de media vooral de negatieve zaken uitgebreid belichten. Maar wie is er geïnteresseerd in de zaken die goed aflopen, kinderen die goed terechtkomen? Als ik trots vertel dat ik na een ondertoezichtstelling van twee jaar, met een puber die zelfs gesloten geplaatst is geweest, ter afscheid heb paardgereden, vallen mensen echt van hun stoel. Dat deze cliënt mij vertelde dat ze me echt heeft gehaat, maar wel erg dankbaar en trots is op wat ze bereikt heeft, is een mooi compliment voor mij als gezinsvoogdijwerker.’ Vanuit de beroepsethiek is het vanzelfsprekend dat je actief bijdraagt aan een goede beeldvorming over het beroep. Dit kan zowel collectief als individueel. Bijvoorbeeld door (mee te werken aan) onderzoek of publicaties en het publiceren van leerzame casussen uit de praktijk. Dit laatste is nuttig voor zowel (beginnende) collega’s als potentiële cliënten en andere mogelijke geïnteresseerden uit de samenleving (politici, samenwerkingspartners, enzovoort). Bijdragen aan een goede beeldvorming doe je ook als je knelpunten in zorg en welzijn of de samenleving signaleert en op een verantwoorde wijze naar buiten brengt.

14219_BW_Ethisch leren denken.indd 142

12-03-13 10:01


Relatie met de samenleving, signalering en preventie

143

‘Situaties waarin we komen zijn nooit zwart-wit’ Het imago van de jeugdzorg is niet altijd goed geweest. Jeugdzorg zou zomaar kinderen uit huis plukken. Of juist ‘uit de neus eten’ als er echt wat aan de hand is. Gezinsvoogd Paul Philipsen: ‘De situaties zijn altijd complex. Bovendien gun je het kinderen altijd om bij de ouders op te groeien.’ Philipsen is gezinsvoogd bij Bureau Jeugdzorg Flevoland. Hij werkt met gezinnen die onder toezicht zijn gesteld (OTS) door de rechter of waarbij de ouders ontheven zijn uit de voogdij. ‘Ik krijg te maken met extreme emoties en zeer complexe problematiek. Situaties waarbij de ontwikkeling van het kind wordt belemmerd. Mensen hebben geen weet van wat gezinsvoogden soms tegenkomen. Het is heel zwaar werk, maar voor mij ook een uitdaging om er samen met de ouders goed uit te komen.’ (….) De samenwerking met ouders verloopt niet altijd goed. Soms zie je al bij stap een dat het misloopt, stelt Philipsen. ‘Als ik mijn zorgen uit en de ouders bagatelliseren het probleem of werken niet mee, dan zal ik uiteindelijk dwang moeten gebruiken. In het ergste geval moet ik een uithuisplaatsing aanvragen bij de kinderrechter.’ Dat zijn geen simpele beslissingen, vindt de gezinsvoogd. (…) Het imago van de jeugdzorg is de afgelopen tijd iets verbeterd, vindt Philipsen. ‘De media presenteren sommige gebeurtenissen nog heel zwart-wit, terwijl het juist aan hen is om nuance aan te brengen.’ De simpele voorstelling van geëscaleerde situaties, daar wordt het werk niet beter van, vindt de voogd. ‘Natuurlijk heeft gedwongen hulpverlening altijd met een vorm van stigmatisering te maken. Gezinnen die te maken krijgen met jeugdzorg krijgen al snel een label opgeplakt en voelen zich weggezet. Dat is lastig, maar we moeten een kind kunnen garanderen dat er voor hem wordt gezorgd en dat hij zich normaal kan ontwikkelen.’ De gezinsvoogd hoopt dat in de toekomst niet wordt getornd aan de verbeteringen die al zijn bereikt in de jeugdzorg. ‘Het is nog onduidelijk of en hoe de verantwoordelijkheid terechtkomt bij de gemeente. De caseload is in de laatste jaren langzaam gedaald van dertig à vijfendertig naar vijftien à zeventien kinderen per voogd. Ik vind dat trouwens nog hoog. We moeten ons goed verantwoorden, maar ook de tijd nemen voor ieder gezin.’ www.zorgwelzijn.nl

10.6 Opdrachten 1 Welke veranderingen hebben de besproken maatschappelijke ontwikkelingen de laatste tijd veroorzaakt in de instelling waar jij werkt of stage loopt? Welke morele keuzes zijn daarbij gemaakt? 2 Als leidster van de gezinszorg merk je dat steeds meer mensen die samenleven met een dementerende oudere, huishoudelijke hulp aanvragen. De zorg voor de dementerende vader of moeder valt hen zwaar. Jij merkt echter dat het geven van huishoudelijke hulp niet een passende hulpverlening is. Het probleem zit in de onmacht om de dementerende vader of moeder op te vangen. De familieleden voelen zich vaak schuldig, voelen zich tekortschieten en denken dat het aan hen zelf ligt. Verschillende gezinsverzorgsters hebben dit signaal bij jou als leidinggevende afgegeven. Wat doe jij?

14219_BW_Ethisch leren denken.indd 143

12-03-13 10:01


144

Ethisch leren denken

3 Stel dat in de instelling waar jij werkt of stage loopt het budget met 10 procent wordt verminderd. Jij zit in de commissie die een voorstel moet maken om deze bezuiniging door te voeren. Op welke onderdelen ga jij de hulp- en dienstverlening verminderen en op grond van welke argumenten? 4 Welke taken heeft in jouw sector de professionele hulpverlening overgenomen van de vrijwilligers? Hoe is de afstemming tussen deze twee op dit moment en hoe oordeel je daarover? 5 ‘Hoe meer professionele hulpverlening, hoe meer mensen er een beroep op doen.’ Zij doen minder zelf. In hoeverre gaat die stelling op in jouw sector? 6 Signaleren is niet alleen een taak van de individuele hulpverlener maar ook van het team en de instelling. Op welke wijze wordt daar in jouw werkplek vorm aan gegeven? 7 Is er in jouw sector een vorm van commerciële hulpverlening? Is dat beroepsethisch gezien een vooruitgang? Geef argumentatie. 8 Zoek meer websites die internethulpverlening aanbieden dan in dit hoofdstuk genoemd zijn en wat zij zeggen over aspecten van privacy en vertrouwelijkheid Formuleer je eigen mening over beroepsethiek en internethulpverlening 9 Noem vier redenen waarom een goede beeldvorming over je werk belangrijk is. Geef ook aan waarom een hulpverlener daar zelf een eigen verantwoordelijkheid in heeft en wat daarbij het belang van een beroepsvereniging is.

14219_BW_Ethisch leren denken.indd 144

12-03-13 10:01


Literatuurlijst

145

Literatuurlijst Arend, A. van der (1997). Ethisch zorg verlenen. 3e druk. Nijkerk. Bauduin, D., & Kanne, M. (2010). Tijd voor reflectie. Amsterdam: SWP. Bergmans, R. (2001). Kwaliteit van dwang en drang in de psychiatrie. Eindrapport GGZ Nederland. Boerman, R., & Ebskamp, J. (2002). Een waardevolle leraar. Baarn: HBuitgevers. Buitink, J.A. (2011). Vastgebonden aan muur. Volkskrant, 20 januari. Buitink, J., & Ebskamp, J. (2012). Beroepscode voor de jeugdzorgwerker. Utrecht: NVMW. Buitink, J., Ebskamp, J., & Groothoff, R. (2012). Moresprudentie. Amersfoort: ThiemeMeulenhoff. Dohle, M. (1999). Opvoeden tot moreel besef. Heemstede: Esstede. Drost, J. (2002). Morele paniek over opvoeding en criminaliteit onterecht. SPH, tijdschrift voor sociaal pedagogische hulpverlening, 46(juni), 22-27. Dunning, A.J. (1991). Kiezen en delen. Rijswijk: Ministerie van WVC. Ebbers, S. (2002). Seksualiteit en seksueel misbruik. Baarn: HBuitgevers. Ebskamp, J., & Kroon, H. (1999). Beroepsethiek voor sociale & pedagogische hulpverlening. Nijkerk. Ebskamp, J. (2012). Basisboek Beroepsethiek voor Social Work. Amersfoort: ThiemeMeulenhoff. Heyl, B. (1993). Interculturele samenwerking in gezondheidszorg en dienstverlening. Baarn. Jansen, J.H.G. (2007). De nieuwe code gedecodeerd. Nijkerk: HBuitgevers. Kolen, M. (2001). Zingeving en ethiek in de jeugdzorg. Maarssen: Elsevier. Lans, J. van der (2008). Ontregelen. De herovering van de werkvloer. Amsterdam: Augustus. Manschot, H. & Dartel, H. van (2003). In gesprek over goede zorg. Amsterdam: Boom. Nussbaum, M. (1999). Wat liefde weet. Emoties en moreel oordelen. Amsterdam: Boom. Nationaal Ziekenhuis Instituut (1992). Ethiek in de top. Utrecht. NVMW (2009). Gewoon Professioneel. Positieve verhalen uit de sector Jeugdzorg. Utrecht: Nederlandse Vereniging van Maatschappelijk Werkers. Oosterik, H., & Schilder, L. (2001). Leren van dilemma’s in de onvrijwillige hulpverlening. Arnhem. Rothfusz, J. (2008). Ethiek in sociaal-agogische beroepen. Amsterdam: Pearson Education. Roumen, T. (1988). Ethos en Eros. Kampen. Sandel, M.J. (2010). Rechtvaardigheid. Wat is de juiste keuze? Utrecht: Ten Have. Savater, F. (1996). Het goede leven. Utrecht: Bijleveld. Schaaf, J. (2002). Dilemma’s en keuzes. Damon. Schalken, F. (2010). Handboek online hulpverlening. Houten: Bohn Stafleu Van Loghum. Struijs, A., & Brinkman, F. (1996). Botsende waarden. Utrecht: NIZW. Tenwolde, H. (1993). Met alle respect. Nijkerk. Tonkens, E. (2008). Mondige burgers, getemde professionals. Amsterdam: Van Gennep.

14219_BW_Ethisch leren denken.indd 145

12-03-13 10:01


146

Ethisch leren denken

Verhaeghe, P. (2012). Identiteit. Amsterdam: De Bezige Bij. Verhagen, A.(1999). Communiceren over morele dilemma’s. Amsterdam: Elsevier/Tijdstroom. Widdershoven, G.A.M., & Abma, T.A. (2008). Hulp en dwang vanuit zorgethisch perspectief. Justitiële Verkenningen, 8(3). Internetsites: www.alcoholdebaas.nl www.casusconsult.nl www.ethiek.nl www.euthanasie.pagina.nl www.metwaardenhelen.nl www.nvmw.nl www.nvve.nl www.wetwegwijzer.nl www.nrc.nl www.volkskrant.nl www.intermediar.nl www.internethulpverlening.nl www.privacy.pagina.nl www.internetprivacy.nl www.parnassia.nl www.minjust.nl www.rechter.kub.nl www.zorgwelzijn.nl www.zorgethiek.nl

14219_BW_Ethisch leren denken.indd 146

12-03-13 10:01


Bijlage: Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker

147

Bijlage: Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker Inleiding Ideaal Jeugdzorg is een kwestie van beschaving. Wie in de jeugdzorg werkt, in welk beroep dan ook, draagt namens de samenleving en de overheid zorg voor jeugd en jongeren. Bijvoorbeeld als hun eerst verantwoordelijke ouders of verzorgers daarom vragen of daartoe niet of onvoldoende in staat zijn. Opdat de fundamentele kinderrechten van deze kwetsbare jonge mensen gerespecteerd worden en zij tot hun recht komen; Opdat zij beschermd worden als dat nodig is; Opdat zij optimaal de kans krijgen zich te ontwikkelen tot gezonde zelfstandige mensen die verantwoordelijkheid kunnen dragen voor zichzelf, anderen en de samenleving. De centrale doelstelling bij dit alles is om voor de jeugdige te komen tot veiligheid, bescherming en ontwikkeling. Hoe moeilijk haalbaar dit soms ook kan zijn. Dit is het ideaal van de jeugdzorg waar we als samenleving naar streven.

Inspiratiebron, leidraad en toetssteen Goed werk in de jeugdzorg getuigt van professionele deskundigheid en vindt plaats binnen de geldende wettelijke kaders. Daarnaast komt goed werk in de jeugdzorg overeen met de beroepsethische opvattingen die professionals in de sector er op na houden. De Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker vormt daarvan een bindende uitdrukking, zodat sprake is van een (met name beroepsethische) consensus binnen de jeugdzorg. Wie in de jeugdzorg werkt en lid is van de Nederlandse Vereniging van Maatschappelijk werkers/NVMW en/of geregistreerd staat in het Beroepsregister van Agogisch en Maatschappelijk werkers/BAMw neemt deze Beroepscode voor Jeugdzorgwerker als inspiratiebron, leidraad en toetssteen voor eigen morele reflectie en oordeelsvorming omtrent zijn beroepsmatig handelen en zijn werkhouding. Hij is bereid zich tegenover cliÍnten, collega’s, leidinggevenden en de samenleving te verantwoorden in termen van de beroepscode. Hij is door zijn lidmaatschap en/of registratie toetsbaar middels het tuchtrecht, wanneer tuchtrechtelijke toetsing van zijn handelen en houding als jeugdzorgwerker gevraagd wordt. De beroepscode voor de Jeugdzorgwerker vormt geen handleiding met precieze richtlijnen, maar is een ethische leidraad die professionals vanuit hun verantwoordelijkheid aanzet tot continue nadenken over het professionele handelen. De code staat naast wet- en regelgeving, richtlijnen en organisatorische kaders. Vanzelfsprekend kunnen tussen deze kaders spanningen ontstaan. De beroepscode kan deze spanningen niet wegnemen of uitsluiten. Het behoort tot de professionele vaardigheden om in dit spanningsveld te opereren.

14219_BW_Ethisch leren denken.indd 147

12-03-13 10:01


148

Ethisch leren denken

Kernkwaliteiten en voorwaarden Wie werkt in de jeugdzorg kan te maken krijgen met ingewikkelde situaties en moeilijke vragen. Het getuigt van professionaliteit om daar goed mee om te gaan. Een professionele jeugdzorgwerker beschikt over de competenties die in het competentieprofiel van de jeugdzorgwerker(3) geformuleerd zijn. Daarnaast beschikt een jeugdzorgwerker over professionele en persoonlijke kwaliteiten, zoals: • Betrokkenheid bij het welzijn en de ontwikkeling van jeugd en jongeren en hun sociale omgeving. • Betrouwbaarheid voor cliënten en relevante anderen. • Moed om, zo nodig, lastige beslissingen te nemen en om er doortastend naar te handelen. • Bezonnenheid en zelfstandig oordeelsvermogen om bij tegenstrijdige belangen en conflicterende normen en waarden, afgewogen en te verantwoorden beslissingen te nemen, in overleg met cliënten en in samenspraak met collega’s. Daarbij is het ideaal van de jeugdzorg richtinggevend. Met deze kernkwaliteiten kunnen jeugdzorgwerkers hun verantwoordelijkheid nemen voor goede jeugdzorg. Voorwaarde is wel dat ze de ruimte en het vertrouwen krijgen om naar eigen deskundig inzicht te oordelen en te handelen. Dat zij de eigen kracht en verantwoordelijkheid van jeugdigen, hun ouders/opvoeders en andere betrokkenen serieus nemen en stimuleren en dat ze de volmacht van de samenleving en de overheid krijgen. In het competentieprofiel ‘jeugdzorgwerker’ wordt beschreven welke competenties de jeugdzorgwerker dient te hebben om zijn werk adequaat uit te voeren. In deze Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker wordt beschreven welke onderliggende waarden en normen hieraan ten grondslag liggen, wat er van een beroepskracht mag worden verwacht en welke intenties en principes een beroepskracht dient te bezitten. Beroepscode en competentieprofiel vullen elkaar aan. Ondanks alle kwaliteitsmaatregelen kan nooit worden voorkomen dat er toch dingen misgaan. Wij leven niet in een totaal maakbare samenleving, dus ook niet in een totaal maakbare jeugdzorg.

Landschapskenmerken van de jeugdzorg De jeugdzorg heeft enkele kenmerken die de beroepsethiek, respectievelijk het gehele beroepsmatig handelen in deze sector een eigen kleur geven. Ze hangen mede samen met de professionele relatie tussen jeugdzorgwerkers, cliënten en hun sociale omgeving: • De jeugdige cliënt maakt bijna altijd deel uit van een sociale omgeving met andere mensen, in het bijzonder met ouders, verzorgers en eventueel andere gezinsleden. De wettelijke vertegenwoordigers hebben daarbij een specifieke zorgverantwoordelijkheid voor en gezag over de jeugdige cliënt. Ook genoemde mensen uit die sociale omgeving kunnen cliënt zijn van de jeugdzorgwerker.

14219_BW_Ethisch leren denken.indd 148

12-03-13 10:01


Bijlage: Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker

149

• Wie ook de cliënt is van de professional en welke specifieke zorgverantwoordelijkheid voor en gezag over het kind deze cliënt ook heeft, voor de jeugdzorgwerker vormen, mede gelet op het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK), in het bijzonder artikel 3, de belangen van het kind de eerste overweging. • Jeugdzorg speelt zich bij uitstek af op het speelveld van meerdere, vaak tegenstelde belangen. Wanneer de jeugdzorgwerker niet alleen de jeugdige maar ook leden uit bijvoorbeeld het gezinssysteem als cliënt heeft, neemt hij een houding aan van meervoudige partijdigheid. Dat betekent dat hij in dergelijke gevallen het gemeenschappelijk belang van het gezin behartigt, maar daarbij de belangen van het kind voorop stelt zonder die van andere leden van het gezin uit het oog te verliezen. Zo zal bijvoorbeeld een gezinsvoogd die een Ondertoezichtstelling (OTS) professioneel uitvoert deze houding van meervoudige partijdigheid aannemen. • De professionele relatie tussen de jeugdzorgwerker en zijn cliënt(en) ontstaat lang niet altijd voor vrije keus en op initiatief van de cliënt(en) zelf. Jeugd en jongeren die bescherming nodig hebben, kunnen bijvoorbeeld ook cliënt worden zonder daar zelf om gevraagd te hebben. Regelmatig ontstaat een professionele relatie door een door de rechter opgelegde maatregel en zijn cliënten niet vrij deze op eigen initiatief te verbreken. Dit geldt in het bijzonder voor jeugdzorgwerkers in de justitiële hulp- en dienstverlening; zoals bij beperking van het ouderlijk gezag door de kinderrechter, bij informatie uitwisseling in strafrechtelijk kader of bij adviezen voor het Hof of rechtbank in gezags- en omgangszaken. • Het gezag dat de professionele jeugdzorgwerker heeft in verhouding tot zijn cliënt(en) berust in belangrijke mate op zijn professionele deskundigheid. Wanneer de jeugdzorgwerker echter op gezag van autoriteiten optreedt, is hij/zij een jeugdzorgwerker met bestuursrechtelijke bevoegdheden. Of cliënten dat nu erkennen of niet. Een begeleider in de gesloten jeugdzorg of justitiële jeugdinrichting werkt bijvoorbeeld met jongeren die daar op gezag van de (kinder)rechter verblijven. • In de jeugdzorg is vaak sprake van ketenzorg waarbij achtereenvolgens verschillende hulpverleners en professionele relatie met dezelfde cliënt(en) aangaan. Daarnaast komt het vaak voor dat verschillende professionals tegelijkertijd een professionele relatie met dezelfde cliënt(en) aangaan. Goede samenwerking, informatie-uitwisseling en overdracht is bij een dergelijke ‘meervoudige professionaliteit’ van groot belang. Vertrouwelijkheid tussen elk van de betrokken professionals en zijn cliënt(en) is dat echter ook. Meervoudige professionaliteit in de jeugdzorg vereist daarom zorgvuldige regie, goede afstemming en transparante verdeling en toeschrijven van (eind)verantwoordelijkheden. • In de jeugdzorg zijn meerdere beroepen actief in verschillende voorzieningen en functies. Deze functie hebben ieder hun unieke karakter en focus. Zo zijn sommige jeugdzorgwerkers hoofdzakelijk preventief bezig om op voorhand te voorkomen dat er problemen ontstaan, zij bieden gezinnen ondersteuning bij de opvoeding. Andere jeugdzorgwerkers zijn hoofdzakelijk bezig de hulpvraag helder te krijgen en de gewenste hulp- of dienstverlening vast te stellen, bijvoorbeeld door middel van een indicatiebesluit of advies aan de (kinder)rechter. Weer andere jeugdzorgwerkers hou-

14219_BW_Ethisch leren denken.indd 149

12-03-13 10:01


150

Ethisch leren denken

den zich primair bezig met het uitvoeren van interventies om een onwenselijke situatie op te lossen (zie competentieprofiel jeugdzorgwerker pagina 18). De beroepsethische normen in deze beroepscode zijn onverminderd van toepassing op alle taken. Deze kenmerken samen maken de jeugdzorg tot een gecompliceerd beroepsethisch landschap, op macro en op micro (instellingsniveau). Als de jeugdzorgwerker over de genoemde kernkwaliteiten beschikt kan hij goed werk verrichten in dit landschap.

Tuchtrechtspraak in de jeugdzorg Het klachtrecht in de jeugdzorg is geregeld in de Wet op de Jeugdzorg. Door het indienen van een klacht kan een cliënt opkomen voor zijn belangen, met een beoogd positief effect op de kwaliteit van de zorg. Dit kunnen klachten zijn over procedures of gedragingen van alle voor de betreffende organisatie werkzame personen. Een goede interne klachtbehandeling voorkomt verdere stappen van de cliënt. Als cliënten daarna of daarnaast het idee hebben dat specifiek jeugdzorgwerkers niet werken of handelen conform hun beroepswaarden, zoals vastgelegd in deze beroepscode, dan kunnen ze een schriftelijke klacht indienen bij het College van Toezicht van de NVMW – een onafhankelijk tuchtcollege waar klachten over jeugdzorgwerkers worden behandeld. Met tuchtrechtspraak borgen professionals zelf de kwaliteit van hun beroepsuitoefening. Door de tuchtrechtspraak voor jeugdzorgwerkers die lid zijn van de beroepsvereniging NVMW en/of ingeschreven zijn in het BAMw-register te bundelen, wordt eenheid en transparantie van kwaliteitsborging in de sector en een gelijke beoordeling van jeugdzorgwerkers nagestreefd, ongeacht of ze nu een opleiding maatschappelijk werker of sociaal agogisch werker hebben. Er is nauwe verwantschap tussen deze Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker en de generieke beroepscodes voor respectievelijk de maatschappelijk werker en de sociaal agogisch werker. Veel jeugdzorgwerkers hebben een opleiding maatschappelijk werker of sociaal agogisch werker. Bij de ontwikkeling van deze code is daarom gebruik gemaakt van beide beroepscodes. De inhoud en indeling van de artikelen komt bijvoorbeeld in grote lijnen overeen met de volgorde en inhoud van artikelen uit die beroepscodes. Tuchtrechtspraak voor jeugdzorgwerkers zal alleen toetsen op grond van de artikelen uit de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker en niet op grond van verwante artikelen uit andere beroepscodes.

Ethische leidraad In de beschrijving van de inhoud van deze beroepscode worden artikelsgewijs normen geformuleerd voor de jeugdzorgwerker. Bij de tuchtrechtelijke toetsing voor geregistreerde jeugdzorgwerkers zijn deze normen leidend. Deze Beroepscode voor Jeugdzorgwerker functioneert niet alleen als tuchtrechtelijk toetsingsinstrument, maar bovenal ook als ethische leidraad bij het werk in de jeugdzorg. Zo bezien is deze beroepscode geënt op de beroepsethiek van maatschappelijk werkers en sociaal agogisch werkers.

14219_BW_Ethisch leren denken.indd 150

12-03-13 10:01


Bijlage: Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker

151

Leeswijzer Met de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker is het mogelijk om de beroepspraktijk te duiden aan de hand van artikelen verdeeld over zes hoofdstukken, waarbij de volgorde niets zegt over de belangrijkheid van de artikelen. In sommige hoofdstukken zijn artikelen op basis van verschillende deelaspecten gegroepeerd. Het is voor de toepassing van de beroepscode van belang de artikelen in hun onderlinge samenhang te lezen. Per artikel wordt onderscheid gemaakt tussen de gedragsregel in strikte zin en een daarmee nauw verbonden toelichting. Bij het lezen van de artikelen is kennisname van de verklarende begrippenlijst raadzaam.

1 Algemeen A Jeugdige cliënt tot zijn recht laten komen De jeugdzorgwerker bevordert dat de jeugdige cliënt in zijn opvoeding en ontwikkeling tot zijn recht komt en werkt daartoe samen met diens sociale omgeving. Toelichting • Meer nog dan voor volwassen cliënten is de sociale omgeving voor het welzijn en de ontwikkeling van jeugd en jongeren van groot belang. De jeugdzorgwerker verstaat onder het bevorderen van het tot zijn recht komen van de cliënt dat hij en diens sociale omgeving actief bijdraagt aan een zo groot mogelijke eigen verantwoordelijkheid, respectievelijk zelfredzaamheid van de cliënt. De jeugdzorgwerker baseert zich zoveel mogelijk op de eigen kracht van de jeugdige en diens sociale omgeving.

B Bevordering deskundigheid De jeugdzorgwerker oefent zijn beroep deskundig uit op basis van actuele kennis en in nauwe aansluiting op ontwikkelingen in de jeugdzorg. Toelichting • De jeugdzorg is sterk in ontwikkeling. Dit vraagt van de jeugdzorgwerker speciale aandacht om recente kennis, inzichten en maatschappelijke behoeften bij zijn deskundigheidsbevordering te betrekken. Met name de groeiende culturele verscheidenheid vraagt extra aandacht. Het deskundig uitoefenen van het beroep is gebaseerd op de beroepsstandaard.

14219_BW_Ethisch leren denken.indd 151

12-03-13 10:01


152

Ethisch leren denken

C Bereid iedere cliënt te helpen De jeugdzorgwerker toont ten aanzien van iedere cliënt gelijke bereidheid te helpen bij opvoedings- en ontwikkelingsvragen. Toelichting • Gelijke bereidheid impliceert dat iedereen gelijke kansen behoort te krijgen tot het aangaan van een professionele relatie. Dit betekent dat de jeugdzorgwerker geen onderscheid maakt op grond van ras, etniciteit, seksuele geaardheid, aard van de problemen, geslacht, handicap, ziekte, levens- of politieke overtuiging bij het aangaan van de relatie. • Gelijke bereidheid impliceert ook dat de jeugdzorgwerker zelf het initiatief kan nemen voor het aangaan van een professionele relatie.

D Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg De jeugdzorgwerker bevordert door het naleven van de beroepsnormen – en door daar persoonlijk verantwoording over af te leggen – het vertrouwen in de jeugdzorg. Toelichting • De jeugdzorg wordt gekenmerkt door een gecompliceerd beroepsethisch landschap (zie inleiding). Daarom is het belangrijk dat elke jeugdzorgwerker zich bewust is van zijn verantwoordelijkheid een bijdrage te leveren aan het vertrouwen in de jeugdzorg. De basis voor die bijdrage ligt in het werken vanuit de beroepswaarden en –normen, zoals geformuleerd in de beroepsstandaard. • De jeugdzorgwerker legt verantwoording af over de naleving van dit artikel conform met name artikel S.

2 Relatie met de jeugdige cliënt en ouders/opvoeders E Respect De jeugdzorgwerker respecteert de persoon van: • de jeugdige cliënt met diens kwetsbaarheid, groeiende zelfstandigheid en eigen verantwoordelijkheid; • de ouder/opvoeder met zijn eigen verantwoordelijkheid en opvoedingsvisie, voor zover niet in strijd met wettelijke kaders.

14219_BW_Ethisch leren denken.indd 152

12-03-13 10:01


Bijlage: Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker

153

Toelichting • ‘Respect’ kan in situaties waarin het welzijn van kwetsbare jeugdigen wordt bedreigd ook actieve ‘bescherming’ betekenen. • De jeugdzorgwerker zal – ook in geval van ontheffing uit de ouderlijke macht – binnen de wettelijke kaders zoeken naar mogelijkheden om de ouderrol vorm te geven. • Indien de rechter het gezag van de ouders heeft beperkt, blijft de jeugdzorgwerker binnen de wettelijke kaders zoeken naar mogelijkheden om de ouderrol vorm te geven. • De jeugdzorgwerker respecteert dat ieder gezin binnen de grenzen van de wet eigen keuzes maakt in de opvoeding en ontwikkeling van jeugdigen.

F Informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening De jeugdzorgwerker verschaft de jeugdige cliënt en diens wettelijke vertegenwoordigers de voor een goede professionele relatie relevante informatie, zoveel mogelijk in een voor de cliënt(en) begrijpelijke taal. Toelichting • Het verschaffen van informatie vindt plaats op basis van wetgeving, kwaliteitskaders, instellingsbepalingen en beroepswaarden. Met informatie op basis van beroepswaarden wordt ten minste bedoeld: – de mogelijkheden en vormen van de hulp- en dienstverlening en eventuele kosten; – informatie over deze Code en het daaraan gekoppelde Tuchtrecht; – de (rechts)positie van de cliënt (met name in de gedwongen (jeugd)hulpverlening of jeugdzorg), zoals privacy, dossier en klachten; – informatie over in- of externe ketensamenwerkingsverbanden (met als consequentie dat mogelijk meerdere professionals een relatie aan kunnen gaan met de cliënt); – informatie over wie waar voor verantwoordelijk is. • Alle informatievoorziening vindt plaats in voor de cliënt(en) zoveel mogelijk begrijpelijke en duidelijke taal en in afstemming met de sociale omgeving, zoals bedoeld in artikel A; daarbij gaat de jeugdzorgwerker na of de jeugdige cliënt en diens wettelijke vertegenwoordigers de informatie hebben begrepen.

G Overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening De jeugdzorgwerker overlegt met de jeugdige cliënt en/of met diens ouders/opvoeders om tot overeenstemming/instemming te komen over de hulp- en dienstverlening of andere (wettelijk opgelegde) taken. Toelichting • In geval van door de rechter opgelegde jeugdzorg, bijvoorbeeld een gedwongen plaatsing, is er meestal geen sprake van overeenstemming/instemming.

14219_BW_Ethisch leren denken.indd 153

12-03-13 10:01


154

Ethisch leren denken

• Waar mogelijk zal de jeugdzorgwerker bij de jeugdige cliënt (en zo nodig diens ouders/opvoeders en andere betrokkenen) proberen een proces op gang te brengen met als doel mee te werken aan de hulp- en dienstverlening. • Wettelijk bepaalde leeftijdsgrenzen bepalen of de jeugdzorgwerker met de jeugdige cliënt zelf en/of met diens wettelijke vertegenwoordiger(s) overlegt.

H Macht en afhankelijkheid in de professionele relatie De jeugdzorgwerker wendt het gezag en de invloed die hij ten opzichte van cliënt(en) heeft ten positieve aan en misbruikt deze niet. Hij is zich er van bewust dat de (jeugdige) cliënt mogelijk zeer afhankelijk van hem is. Toelichting • De professionele relatie tussen jeugdzorgwerker en jeugdige cliënt is meer nog dan de professionele relatie met een volwassen cliënt asymmetrisch, zeker in het geval van gedwongen hulpverlening. De jeugdzorgwerker heeft gezag en invloed, de jeugdige cliënt is (soms) sterk van hem afhankelijk. • Mocht het gebruik van fysieke machtsmiddelen als uiterste middel noodzakelijk zijn, dan verantwoordt en beargumenteert de jeugdzorgwerker dit als zijnde geen machtsmisbruik.

I Beëindiging van de professionele relatie De jeugdzorgwerker is verantwoordelijk voor een zorgvuldige afsluiting van de hulpverlening als hij niet (meer) kan voldoen aan de hulpvraag. Hij verantwoordt zijn beslissing tegenover de cliënt, begeleidt deze eventueel bij een verwijzing en is bereid tot nazorg. Toelichting • Onder een ‘zorgvuldige afsluiting van de hulpverlening’ wordt verstaan dat de jeugdzorgwerker de hulpverlening niet onnodig laat voortduren als voldoende aan de hulpvraag is voldaan en dat hij er op toeziet dat de cliënt met voldoende eigen verantwoordelijkheid en zelfredzaamheid tot zijn recht kan komen (zie artikel A). • Met name in de jeugdzorg is sprake van een grote mate van afhankelijkheid in de relatie tussen jeugdige cliënt en hulpverlener. Een zorgvuldige afsluiting betekent onder andere dat de jeugdzorgwerker vanuit vakmatig of persoonlijk oogpunt de grenzen van zijn mogelijkheden bewaakt in relatie tot datgene wat de cliënt vraagt of nodig heeft. • Onder het niet meer kunnen voldoen aan de hulpvraag wordt ook verstaan dat de jongere meerderjarig is geworden, een kinderbeschermingsmaatregel is opgeheven of een justitiële titel wordt beëindigd, bijvoorbeeld in geval van schorsing, voorlopige hechtenis of niet verlengen van een ‘Plaatsing in een Inrichting voor Jeugdigen’(zogenaamde pij-maatregel).

14219_BW_Ethisch leren denken.indd 154

12-03-13 10:01


Bijlage: Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker

155

• De jeugdzorgwerker geeft in zijn verantwoording over de beslissing aan de cliënt aan in welke mate de afsluiting of verwijzing bijdraagt aan het belang van de jeugdige cliënt.

J Vertrouwelijkheid De jeugdzorgwerker behandelt informatie over de jeugdige cliënt, diens ouders/opvoeders en hun omstandigheden vertrouwelijk. • Hij informeert of zijn cliënt in geval van door wet- en regelgeving verplichte rapportage aan of overleg met derden. • Hij vraagt toestemming aan zijn cliënt en/of aan zijn wettelijke vertegenwoordiger als hij meent dat het noodzakelijk is om met derden vertrouwelijke informatie uit te wisselen. • Toestemming is in het geval van een (voorbereiding of uitvoering van een) kinderbeschermingsmaatregel of opname in een justitiële jeugdinrichting niet vereist. Toelichting • De doorgaans grotere kwetsbaarheid en afhankelijkheid van de jeugdige cliënt legt extra nadruk op vertrouwelijkheid. • Wettelijk bepaalde leeftijdsgrenzen bepalen of de jeugdzorgwerker aan de jeugdige cliënt zelf en/of aan diens wettelijke vertegenwoordiger(s) toestemming vraagt. • De jeugdzorgwerker legt uit waarom en aan wie gegevens (moeten) worden verstrekt, voor zover nodig voor het realiseren van de overeengekomen doelstelling van de hulpverlening. • De jeugdzorgwerker wisselt slechts cliëntgegevens uit in overleg- en samenwerkingscontacten, indien de andere hulpverleners eveneens een functionele professionele relatie met dezelfde cliënt hebben en de cliënt hiervan op de hoogte is, bijvoorbeeld bij overleg binnen de instelling. • Bij externe samenwerkings- en overlegsituaties vindt verstrekking van informatie plaats op basis van toestemming van de cliënt (of wettelijke vertegenwoordiger) en voor zover noodzakelijk voor de te bieden hulp of het afstemmen van de hulp. • Krijgt de jeugdzorgwerker geen toestemming voor dit overleg, of kan toestemming niet worden gevraagd, dan verstrekt hij slechts gegevens van een cliënt aan een derde indien: – de cliënt of een gezinslid in een ernstige situatie verkeert en dringend op hulp of bescherming is aangewezen en – deze hulp en bescherming alleen kan worden gerealiseerd door het aan een derde verstrekken van informatie (zie hierover ook artikel K). • In het kader van justitiële hulp- en dienstverlening vindt overleg plaats, zoals is geregeld in de Wet Bescherming Persoonsgegevens (met in achtneming van het eerste punt van dit artikel).

14219_BW_Ethisch leren denken.indd 155

12-03-13 10:01


156

Ethisch leren denken

K Vermoeden kindermishandeling De jeugdzorgwerker bespreekt een vermoeden van fysieke, seksuele en/of psychische kindermishandeling met de betrokken minderjarige en relevante betrokkenen uit het cliëntsysteem, tenzij dit alles niet in het belang van de minderjarige is. Toelichting • De jeugdzorgwerker handelt bij een vermoeden van fysiek of psychisch geweld conform de beroepsstandaard (met name: voert relevant overleg). • De jeugdzorgwerker past de geldende meld code toe als het vermoeden blijft bestaan of wordt bevestigd en meldt zijn vermoeden bij een regulier meldpunt.

L Beroep op plicht om vertrouwelijk om te gaan met informatie De jeugdzorgwerker doet indien hij door een rechter als getuige wordt opgeroepen een beroep op zijn plicht om vertrouwelijk om te gaan met informatie over de cliënt, indien hij meent dat hij daartoe, alle belangen afwegend, verplicht is. Toelichting: • De rechter beoordeelt of de jeugdzorgwerker terecht een beroep doet op zijn plicht om vertrouwelijk om te gaan met informatie over zijn cliënt.

M Verslaglegging/dossiervorming De jeugdzorgwerker geeft de jeugdige cliënt desgevraagd de gelegenheid tot inzage in en aanvulling of correctie van het dossier, voor zover nodig na overleg met en instemming van de ouder(s) en/of wettelijke vertegenwoordiger(s). Toelichting: • Verslaglegging en dossiervorming vinden plaats conform de beroepsstandaard. • Bij het toepassen van deze norm weegt de jeugdzorgwerker zorgvuldig af of inzage in het dossier er toe bijdraagt dat de jeugdige cliënt tot zijn recht komt. • Bij aanvullingen en/of correcties (inclusief verwijderingen) van tekst in het dossier, geeft de jeugdzorgwerker aan van wie aanvullingen en/of correcties afkomstig zijn. • De jeugdzorgwerker let er op dat de cliënt geen privacygevoelige informatie over derden in het dossier kan inzien. • Afhankelijk van de leeftijd van de jeugdige cliënt worden ouder(s) en/of wettelijke vertegenwoordiger(s) wel of niet betrokken bij de inzage in het dossier. • Met name in de vrijwillige hulp- en dienstverlening wordt de cliënt in de informatieverschaffing attent gemaakt op de mogelijkheid tot inzage. Dit wordt veelal geregeld in het kader van kwaliteitsbeleid.

14219_BW_Ethisch leren denken.indd 156

12-03-13 10:01


Bijlage: Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker

157

• In de gedwongen hulpverlening kan op basis van wettelijke bepalingen worden afgeweken van deze norm. De wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) en specifieke regels in strafrechtzaken gelden als minimumgrens bij het kunnen voldoen aan dit artikel.

3 Samenwerking in de hulp- en dienstverlening N Samenwerking in de hulp- en dienstverlening De jeugdzorgwerker zet zich in voor een goede en efficiënte samenwerking en een duidelijke verdeling van de verantwoordelijkheden en draagt daarmee bij aan een transparante en eenduidige regie van de hulpverlening. Toelichting: • In de jeugdzorg is sprake van ketenhulpverlening. Mede gelet op de extra afhankelijke positie van de jeugdige cliënt heeft de jeugdzorgwerker mede de verantwoordelijkheid om er voor zorg te dragen dat duidelijk is wie de regie/coördinatie heeft, wie inhoudelijk eindverantwoordelijk is, wie aanspreekpunt is voor de cliënt en dat het tijdspad duidelijk is. In geval de jeugdzorgwerker ook de casemanager bij betreffende cliënt is, draagt hij die verantwoordelijkheid zelf en draagt hij tevens zorg voor een regelmatige evaluatie van de samenwerking.

O Beroepsuitoefening en samenwerking De jeugdzorgwerker draagt vanuit zijn eigen deskundigheid bij aan de ketenhulpverlening, erkent daarbij de grenzen van zijn eigen expertise en is bereid zijn professionele oordelen ter discussie te stellen. Toelichting: • De inzet en erkenning van de eigen beroepsdeskundigheid van de jeugdzorgwerker is essentieel voor de kwaliteit van de jeugdzorg en draagt bij aan goede samenwerking, zoals in artikel N genoemd.

14219_BW_Ethisch leren denken.indd 157

12-03-13 10:01


158

Ethisch leren denken

4 Relatie met de organisatie P Aanvaarding organisatie als beleidskader De jeugdzorgwerker aanvaardt de organisatie als het kader voor zijn beroepsuitoefening en werkt mee aan de beleidsdoelstellingen voor zover in overeenstemming met de beroepsstandaard. Toelichting: • In geval dat de jeugdzorgwerker een tegenstrijdigheid signaleert, overlegt hij dit met collega’s en stelt hij dit via de gebruikelijke kanalen binnen de instelling aan de orde. • Met name bij de aanvaarding van een functie toetst de jeugdzorgwerker of deze functie overeenkomt met zijn beroepsstandaard. In de jeugdzorg betekent dit vooral of hij artikel A kan realiseren: het bevorderen dat de (jeugdige) cliënt in zijn opvoeding en ontwikkeling tot zijn recht komt.

Q Toetsing beroepsmatig en functioneel handelen aan de waarden en normen van het beroep De jeugdzorgwerker toetst bij het ontwikkelen en uitvoeren van het beleid van zijn organisatie of dit overeenkomt met de beroepsstandaard. Toelichting: • Dit artikel legt de nadruk op het blijvend toetsen of functie en beroepsstandaard overeenkomen. Het legt daarmee een belangrijke verantwoordelijkheid bij de jeugdzorgwerker om dit te beoordelen en is daarmee een echte kwaliteitsnorm: als functie en beroepsstandaard niet (meer) overeenkomen kan de kwaliteit van het werk onder druk komen te staan. • Zodra de jeugdzorgwerker signaleert dat er een spanning is tussen functie en beroepsstandaard bespreekt hij dit met beroepsgenoten en leiding en wijst hij op de gevolgen voor de (met name jeugdige) cliënten.

R Verantwoording aan werkgever De jeugdzorgwerker verantwoordt zijn werk aan de leiding van de organisatie en verstrekt relevante gegevens voor de ontwikkeling en evaluatie van het beleid. Toelichting: • De verantwoording betreft gevraagde en ongevraagde rapportages over niet tot individuele personen herleidbare gegevens ten behoeve van beleidsontwikkeling en het kunnen realiseren van de gezamenlijke doelstelling: verantwoorde zorg aan cliënten.

14219_BW_Ethisch leren denken.indd 158

12-03-13 10:01


Bijlage: Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker

159

5 Relatie tot beroepsgenoten S Collegiale toetsing en beroepsethische reflectie De jeugdzorgwerker toetst zijn beroepsmatig handelen aan het professioneel en beroepsethisch oordeel van zijn collega’s. Toelichting: • De jeugdzorgwerker is er zich van bewust dat in de hulpverlening aan jeugdige cliënten maatschappelijke normen en waarden een grote rol spelen. • Beroepsethische reflectie in collegiaal verband zal er toe bijdragen dat de jeugdzorgwerker beter toegerust is om zorgvuldig en verantwoord met morele kwesties in de jeugdzorg om te gaan.

T Schending vertrouwen in het beroep en de jeugdzorg door een collega De jeugdzorgwerker is attent op signalen die erop wijzen dat collega’s met het schenden van de beroepsstandaard het vertrouwen in de jeugdzorg schaden en onderneemt relevante stappen. Toelichting: • Het schenden van de beroepsstandaard houdt bijvoorbeeld in dat een collega jeugdzorgwerker onvoldoende de normen in deze code naleeft en daarmee de belangen van de jeugdige cliënt schaadt. • De jeugdzorgwerker gaat zorgvuldig om met betreffende signalen: hij zal deze met betreffende collega bespreken. En indien nodig daarna ook met andere collega’s en/ of deskundigen. Leidt dit niet tot een bevredigende oplossing, dan meldt hij dit aan de leidinggevende (indien het een collega betreft binnen de eigen organisatie). Mocht ook dat niet tot verbetering leiden dan kan via de beroepsvereniging of beroepsregister een beroep worden gedaan op het College van Toezicht. Over deze en over andere stappen die hij zet, licht hij zijn collega in. • Deze norm ligt in het verlengde van artikel D en is daarmee in het belang van het vertrouwen in de jeugdzorg.

U Medewerking aan professionalisering van de jeugdzorg De jeugdzorgwerker ondersteunt – en werkt mee aan – activiteiten die ten goede komen aan de professionalisering van de jeugdzorg.

14219_BW_Ethisch leren denken.indd 159

12-03-13 10:01


160

Ethisch leren denken

Toelichting: • Elke jeugdzorgwerker beseft dat een gezamenlijke investering in de voorwaarden voor een goede beroepsuitoefening noodzakelijk is om de kwaliteit en het imago van de jeugdzorg te verbeteren. • De jeugdzorgwerker draagt, via het ter beschikking stellen van kennis aan – en het begeleiden van – stagiaires, eveneens bij aan de professionalisering van de jeugdzorg.

6 Relatie met de samenleving V Ondersteuning maatschappelijke activiteiten De jeugdzorgwerker signaleert en ondersteunt maatschappelijke activiteiten die de emancipatie van kinderen en jongeren met een geestelijke, lichamelijke en/of maatschappelijke beperking of achterstand, bevorderen. Toelichting: • Mede afgeleid van artikel A impliceert dit artikel dat de jeugdzorgwerker meewerkt aan onderzoek en voorlichting over de beoogde emancipatie. Dit alles vanuit en gerelateerd aan zijn professionele deskundigheid en werk.

W Signalering misstanden in de jeugdzorg De jeugdzorgwerker signaleert misstanden in de jeugdzorg en beijvert zich er voor dat de hulpverlening in de jeugdzorg zo toegankelijk mogelijk is. Toelichting: • De jeugdzorgwerker gaat in overleg met collega’s en leidinggevende zo nodig over tot passende actie in geval van misstanden. • De jeugdzorgwerker draagt door realisering van deze norm bij aan de imageverbetering van de jeugdzorg in de samenleving (zie ook artikel X).

X Voorlichting over de jeugdzorg De jeugdzorgwerker werkt actief mee aan een juiste beeldvorming over de jeugdzorg. Toelichting: • De jeugdzorgwerker draagt bij aan het realiseren van deze norm door relevante meningen en informatie te geven en daarbij de kernwaarden in de jeugdzorg uit te dragen.

14219_BW_Ethisch leren denken.indd 160

12-03-13 10:01


Bijlage: Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker

161

• Realisering van deze norm gaat niet zonder overleg en afstemming met collega’s en niet zonder bijdragen aan gezamenlijke acties voor een bijdrage aan een juiste beeldvorming over de jeugdzorg. • Onder jeugdzorg dient in eerste instantie de eigen deelsector te worden verstaan. Bijdragen aan de beeldvorming van de eigen deelsector dragen ook bij aan verbetering van de beeldvorming van de totale jeugdzorg. Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker. NVMW, 2012

14219_BW_Ethisch leren denken.indd 161

12-03-13 10:01


Ethisch leren denken  

Met dit boek scholen studenten zich in het ethisch leren denken in de praktijk. Dit boek is gebaseerd op de mbo kwalificatiedossiers Welzijn...

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you