Skip to main content

Vivo 3 vmbo-k deel A

Page 1

BIOLOGIE 3 VMBO-K DEEL A

A

Vi·vo - ik leef; levend Bij biologie leer je over alles wat leeft. Over hoe planten, dieren en mensen in elkaar zitten én hoe zij met elkaar samenleven. Ook jij leeft. Dus biologie gaat ook over jou. Met Vivo kom je alles te weten over het leven in jou en om jou heen.

De biologie van je leven

BIOLOGIE 3 VMBO-K DEEL A NAAM KLAS

versie 1.1

LJ3vmbo-K_omslagen_vivo.indd 1

9 789006 731163

25/03/2025 16:54


9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 252

25/03/2025 11:34


BIOLOGIE 3 VMBO-K DEEL A

Beste leerling, Dit boek gebruik je samen met de digitale leeromgeving. Het is van jou, dus je mag je aantekeningen erin schrijven. Na dit schooljaar mag je het boek houden. Dan kun je het boek volgend jaar nog gebruiken om te leren voor je eindexamen. Veel succes en plezier met biologie! Team Vivo

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 1

25/03/2025 11:30


COLOFON Auteurs Rob Melchers, Anne van Rossum, Martine van der Wiel, Rik Smale, Willy Stein Eindredactie Ilse Gmelig, Ramon Verwijst Taalredactie Maurice Breugelmans, Marcella Spithoven Illustraties Gemma Stekelenburg, Rogier Trompert, Marjolein Luiken Ontwerp Omslag: Carlo Polman - OudZuid Ontwerp Binnenwerk: Tom Lamers - Reclamers Opmaak Crius Group, Hulshout Omslagbeeld Shutterstock / blue-sea.cz

Over ThiemeMeulenhoff ThiemeMeulenhoff is een educatieve uitgeverij die zich inzet voor het voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs. De mensen van ThiemeMeulenhoff zijn er voor onderwijsprofessionals – met ervaring, expertise en doeltreffende leermiddelen. Ontwikkeld in doorlopende samenwerking met de mensen in het onderwijs om samen het onderwijs nog beter te maken. We ontwikkelen lesmethodes die goed te combineren zijn met andere leermiddelen, naar eigen inzicht aan te passen en bewezen effectief zijn. En natuurlijk worden al onze lesmethodes zo duurzaam mogelijk geproduceerd. Zo bouwen we samen met de mensen in het onderwijs aan een mooie toekomst voor de volgende generatie.

Alle rechten voorbehouden. Tekst- en datamining, AItraining en vergelijkbare technologieën niet toegestaan. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16B Auteurswet 1912 j° het Besluit van 23 augustus 1985, Stbl. 471 en artikel 17 Auteurswet 1912, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan Stichting Publicatie- en Reproductierechten Organisatie (PRO), Postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp (www.stichting-pro.nl). Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet) dient men zich tot de uitgever te wenden. Voor meer informatie over het gebruik van muziek, film en het maken van kopieën in het onderwijs zie www.auteursrechtenonderwijs.nl. De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen die desondanks menen zekere rechten te kunnen doen gelden, kunnen zich alsnog tot de uitgever wenden.

Samen leren vernieuwen. www.thiememeulenhoff.nl ISBN 978 90 06 73116 3 Editie1, druk 1, oplage 1, 2025 � ThiemeMeulenhoff, Amersfoort, 2025

Deze uitgave is volledig CO2-neutraal geproduceerd. Het voor deze uitgave gebruikte papier is voorzien van het FSC®-keurmerk. Dit betekent dat de bosbouw op een verantwoorde wijze heeft plaatsgevonden.

2

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 2

25/03/2025 11:30


INHOUD ZO WERK JE MET VIVO

4

Deel A

Deel B

Hoofdstuk 1 Leven 1.1 Hoe hangt al het leven samen? 1.2 Levenskenmerken 1.3 Organisatieniveaus 1.4 Cellen en weefsels 1.5 Organen en orgaanstelsels 1.6 Organismen en soorten 1.7 Organismen in een ecosysteem 1.8 Alles in samenhang 1.9 Examenopgaven Hints

6 8 12 22 32 44 56 68 78 80 87

88 Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen 2.1 Hoe blijven organismen in vorm? 90 94 2.2 Botten SE 106 2.3 Beenverbindingen SE 117 2.4 Spieren SE 127 2.5 Been en kraakbeen SE 136 2.6 Blessures SE 2.7 Aanpassingen aan de leefomgeving 146 2.8 Alles in samenhang 157 2.9 Examenopgaven 159 SE

Hoofdstuk 3 Voortplanten en seksualiteit 3.1 Wat is de rol van seks? 3.2 Groei en ontwikkeling 3.3 Geslachtsorganen 3.4 Omgaan met seksualiteit en seks 3.5 Menstruatiecyclus en bevruchting 3.6 Zwangerschap en geboorte 3.7 Soa’s en voorbehoedsmiddelen 3.8 Alles in samenhang 3.9 Examenopgaven Register Knipbladen Illustratieverantwoording

162 164 169 182 195 204 215 226 239 241

Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie SE 4.1 Hoe worden eigenschappen doorgegeven? 4.2 Erfelijke eigenschappen SE 4.3 Meiose en bevruchting SE 4.4 Overerven van eigenschappen SE 4.5 Mutaties SE 4.6 DNA-onderzoek SE 4.7 Evolutie SE 4.8 Alles in samenhang Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid 5.1 Hoe blijft de aarde leefbaar? 5.2 Verspreiding van organismen 5.3 Voedselketens 5.4 Mens en milieu SE 5.5 Biotechnologie SE 5.6 Koolstofkringloop 5.7 Alles in samenhang 5.8 Examenopgaven Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese 6.1 Waarom kun je niet zonder planten? 6.2 Verschillende planten 6.3 Fotosynthese 6.4 Bladeren, stengels en wortels 6.5 Bloemen en geslachtelijke voortplanting 6.6 Zaadverspreiding en overleven 6.7 Ongeslachtelijke voortplanting 6.8 Alles in samenhang 6.9 Examenopgaven

247 249 254

3

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 3

25/03/2025 11:30


ZO WERK JE MET VIVO – De biologie van je leven In Vivo vind je alles wat je nodig hebt voor de voorbereiding op je examen. Hieronder zie je alle onderdelen van een hoofdstuk uitgelegd.

Hoofdstuk 1 Leven

Hoe hangt al het leven samen? 1.1

Hoofdstuk 1 Leven

1.1 Hoe hangt al het leven samen?

Organisatieniveaus 1.3

1.3 Organisatieniveaus

In dit hoofdstuk leer je over biologie en het leven. In het grote plaatje zie je welke hoofdstukvraag en

Aan het eind van deze paragraaf kun je:

hoofdpunten daarbij centraal staan en welke verbanden er zijn met andere onderwerpen.

• • • •

Welke verbanden zijn er?

Wat leer je in dit hoofdstuk?

verschillende organisatieniveaus benoemen. voorbeelden geven bij de verschillende organisatieniveaus. weefsels, organen en orgaanstelsels beschrijven. uitleggen dat je in de biologie op verschillende organisatieniveaus onderzoek doet.

Bij deze paragraaf horen de volgende practica:

H1 H2 - Stevigheid en bewegen beweging

• •

Hoe hangt al het leven samen?

Slak

STARTOPDRACHT

Biologie bekijkt het leven vanuit verschillende organisatieniveaus

Organismen zijn opgebouwd uit één of meer cellen

Verschillende soorten leven samen in een ecosysteem

Levensprocessen vinden in samenhang plaats

H6 - Planten en fotosynthese energie

1

Groeispurt

Overleg met je docent of je deze practica gaat uitvoeren.

1

Weefsel Het lichaam van een organisme bestaat uit cellen en meestal ook uit weefsels en organen. Die zie je op de tekeningen.

O2

A

C

D

Leg uit waarom.

Het grote plaatje

4

VIVO 3vmbo GT_H1_Leven.indd 4

B

a Bij welke tekening(en) heb je te maken met een weefsel?

18

VIVO 3vmbo GT_H1_Leven.indd 18

20/09/2024 10:14

STARTEN MET HET HOOFDSTUK

• Het hoofdstuk start met de grote vraag. Deze vraag ga je aan de hand van het hoofdstuk beantwoorden. • De hoofdstukvraag staat in een overzichtstekening: het grote plaatje. Daarin zie je de samenhang met andere hoofdstukken en de belangrijkste zaken van dit hoofdstuk om te onthouden. • In de eerste paragraaf ontdek je waarom het onderwerp van het hoofdstuk belangrijk is, voor jouw leven én onze planeet. Ook ontdek je hoe het onderwerp samenhangt met andere onderwerpen in de biologie.

20/09/2024 10:14

WERKEN MET DE PARAGRAFEN

• Bij de paragraaftitel zie je aan de iconen welke hoofdpunten uit het grote plaatje in de paragraaf terugkomen. • Aan de leerdoelen zie je wat je in deze paragraaf gaat leren. • Bij de practica en verslagen ga je zelf iets onderzoeken: je docent bepaalt welke je gaat doen. Je vindt deze online. • In de practica en opdrachten oefen je ook met verschillende vaardigheden die nodig zijn voor je examen. Bijvoorbeeld met een microscoop werken of tabellen gebruiken. Hiervoor zijn online vaardigheidskaarten te vinden. • De paragraaf begint met een startopdracht. In deze opdracht ga je meteen actief aan de slag met het onderwerp van de paragraaf. Zo ontdek je wat je al weet en begrijp je de stof sneller en beter.

4

VIVO 3vmbo K_H1_Zo werk je met.indd 4

25/03/2025 12:22


WERKEN IN HET BOEK OF ONLINE Je kunt aan de slag in je leerwerkboek of online. In je boek vind je alles wat je nodig hebt: theorie en opdrachten. Deze staan natuurlijk ook online, plus handige extra’s. Boek • Theorie • Opdrachten • Examenvoorbereiding

Hoofdstuk 1 Leven

5

Online • Theorie • Opdrachten • Examenvoorbereiding

Organisatieniveaus 1.3

Hoofdstuk 1 Leven

Alles in samenhang 1.8

b Wat heb je over elk hoofdpunt geleerd?

Populaties in een sloot

Noteer je antwoorden in de vakjes.

Leerlingen onderzoeken een sloot voor een opdracht. Noem de soortnamen van twee populaties dieren en twee populaties planten die ze daar aan kunnen treffen.

6

• Verder oefenen op maat (Herhaling en Plus) • Practica en vaardigheidskaarten • Kennistoets en proeftoets

Biologie bekijkt het leven vanuit verschillende organisatieniveaus.

Kijk terug naar paragraaf 3 en 6.

Organismen zijn opgebouwd uit één of meer cellen.

Kijk terug naar paragraaf 4.

Levensprocessen vinden in samenhang plaats.

Kijk terug naar paragraaf 2 en 5.

Functie van orgaanstelsels A

B

C

D

E

F

O2

Verschillende soorten leven samen in een ecosysteem.

Kijk terug naar paragraaf 6 en 7.

Zet de orgaanstelsels bij de juiste functie. Kies uit: ademhalingsstelsel | bloedvatenstelsel | skelet (bottenstelsel) | spierstelsel | verteringsstelsel | zenuwstelsel

c Je hebt in paragraaf 1 antwoord gegeven op de grote vraag van dit hoofdstuk: Hoe hangt al

vervoeren van stoffen (A)

het leven samen? Wat is nu je antwoord op de grote vraag?

regelen, doorgeven en verwerken van informatie (B)

Kijk nog even terug naar je antwoord in paragraaf 1. En kijk ook naar je antwoorden bij opdracht a en b.

zuurstof opnemen, koolstofdioxide afgeven (C) voedsel kleiner en oplosbaar maken (D) stevigheid geven, beschermen (E) beweging mogelijk maken (F)

VERDER OEFENEN Maak online de proeftoets bij dit hoofdstuk.

24

VIVO 3vmbo GT_H1_Leven.indd 24

74

VIVO 3vmbo GT_H1_Leven.indd 74

20/09/2024 10:14

WERKEN MET DE PARAGRAFEN

• In de theorie zie je blauwgedrukte woorden: de belangrijkste begrippen. • In groene kaders staan weetjes. Je ziet bijvoorbeeld hoe het onderwerp van de paragraaf terugkomt in het dagelijks leven. • Iedere paragraaf heeft zes à acht basisopdrachten. Daarna is er een Terugkijkopdracht om te zien of je de leerdoelen al beheerst. Wat gaat goed en waar moet je nog aan werken? • Online krijg je na de basisopdrachten een advies op maat om verder te oefenen: Herhaling of Plus.. In het boek zie je ook altijd een herhaalopdracht en een plusopdracht . • Bij de opdrachten staat soms een icoon. Staat bij opdrachten waar je samenwerkt met klasgenoten. Staat bij opdrachten waar je iets moet doen. Leren door te doen! Staat bij opdrachten waar je kritisch nadenkt.

20/09/2024 10:15

ALLES IN SAMENHANG

• Je kijkt terug op het grote plaatje. Begrijp je de verbanden en kun je de hoofdstukvraag beantwoorden met wat je hebt geleerd? • Aan je docent kun je ook een samenvatting van het hoofdstuk vragen. • Wil je verder oefenen? Met de afsluitende examenopgave in de Examenparagraaf oefen je de stof uit het huidige en andere hoofdstukken in combinatie. • Met de online kennistoets en proeftoets controleer je of je de theorie goed hebt geleerd.

EXAMENPARAGRAAF

• Hier vind je eindexamenopgaven die horen bij de theorie van het hoofdstuk. Bij elke paragraaf die over eindexamenstof gaat, horen één of meer opgaven. Ook is er een grote examenopgave waarin de stof van meerdere hoofdstukken wordt gecombineerd. Zo kun je je goed voorbereiden. • Bij elke opgave hoort ook een hint.

5

VIVO 3vmbo K_H1_Zo werk je met.indd 5

25/03/2025 12:22


1 Leven

INHOUD Basis 1.1 Hoe hangt al het leven samen?

...............................

8

1.2 Levenskenmerken . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 12 1.3 Organisatieniveaus

............................................

22

1.4 Cellen en weefsels . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 32 1.5 Organen en orgaanstelsels . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 44 1.6 Organismen en soorten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 56 1.7 Organismen in een ecosysteem

.............................

68

............................................

78

Afsluiting 1.8 Alles in samenhang

1.9 Examenopgaven . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 80

VAARDIGHEDEN - biologische tekening maken - determineren - natuurwetenschappelijk onderzoek doen - werken met de loep - werken met de microscoop

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 6

25/03/2025 11:31


9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 7

25/03/2025 11:31


Hoofdstuk 1 Leven

Hoe hangt al het leven samen? 1.1

1.1 Hoe hangt al het leven samen? In dit hoofdstuk leer je over biologie en het leven. In het grote plaatje zie je wat de hoofdstukvraag en hoofdpunten zijn. Je ziet daar ook wat dit onderwerp te maken heeft met andere onderwerpen.

Welke verbanden zijn er?

Wat leer je in dit hoofdstuk?

H1 H2 - Stevigheid en bewegen beweging

Hoe hangt al het leven samen?

Biologie bekijkt het leven vanuit verschillende organisatieniveaus H6 - Planten en fotosynthese energie

O2

Verschillende soorten leven samen in een ecosysteem

1

Organismen zijn opgebouwd uit één of meer cellen

Levensprocessen vinden in samenhang plaats

Het grote plaatje

8

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 8

25/03/2025 11:31


Hoofdstuk 1 Leven

Hoe hangt al het leven samen? 1.1

THEORIE Leven op aarde

De aarde is tot nu toe de enige planeet waarvan we weten dat er leven is. Er leven miljoenen soorten organismen op aarde. Er zijn hele kleine organismen die uit één cel bestaan, zoals het pantoffeldiertje. Er zijn ook grote organismen die uit miljarden cellen bestaan, zoals de giraf. Al deze organismen leven samen in ecosystemen, zoals het bos, het regenwoud, de woestijn of de zee. Organismen kun je in vier grote groepen verdelen: bacteriën, schimmels, planten en dieren. De bouw van cellen is bij elke groep anders. Bij organismen vinden levensprocessen als ademhalen en voeden plaats. Bij planten vindt ook fotosynthese plaats. Eéncelligen nemen zuurstof op door de cel. Grotere organismen hebben daar organen en orgaanstelsels voor. Bijvoorbeeld: het ademhalingsstelsel van de giraf heeft een luchtpijp en longen om zuurstof binnen te halen. Het bloedvatenstelsel, met het hart en de bloedvaten, zorgt ervoor dat die zuurstof op alle plaatsen in het lichaam komt.

Welke verbanden zijn er? Bekijk het ‘grote plaatje’ in figuur 1.

•

In cellen vindt verbranding plaats waarbij energie vrijkomt. Deze energie wordt onder andere gebruikt om te bewegen (hoofdstuk 2).

•

Planten maken tijdens de fotosynthese zuurstof en energie in de vorm van glucose. Dit proces vindt met behulp van zonlicht plaats in bladgroenkorrels in de plantencel (hoofdstuk 6).

Wat leer je in dit hoofdstuk? Bekijk het ‘grote plaatje’ in figuur 1.

•

Biologie bekijkt het leven vanuit verschillende organisatieniveaus. Om het leven te bestuderen, kun je het grote geheel onderzoeken: de gehele aarde en alle organismen die daar leven. Je kunt ook inzoomen op een enkel organisme. Of je zoomt nog verder in: op het kleinste levende deel van een levend wezen, namelijk de cel.

•

Organismen zijn opgebouwd uit één of meer cellen. Er zijn organismen die uit één cel bestaan, andere organismen zijn meercellig. Cellen van bacteriën, schimmels, planten en dieren verschillen van elkaar. Die verschillen ontdek je als je met een microscoop naar de bouw van de verschillende cellen kijkt.

•

Levensprocessen vinden in samenhang plaats. Bij ééncelligen vinden alle levensprocessen binnen die ene cel plaats. Organismen

O2

die uit meerdere cellen bestaan zijn groter. Om de levensprocessen daar goed te laten verlopen werken cellen samen in weefsels, organen en orgaanstelsels.

•

Verschillende soorten leven samen in een ecosysteem. Elk organisme is belangrijk in een ecosysteem, want organismen zijn afhankelijk van elkaar. Planten maken door fotosynthese hun eigen voedingsstoffen. Dieren eten planten of andere dieren en nemen zo die voedingsstoffen op en geven ze door. Bacteriën en schimmels breken dode organismen af en maken daar stoffen van. Planten gebruiken die stoffen weer om nieuwe voedingsstoffen te maken.

9

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 9

25/03/2025 11:31


Hoofdstuk 1 Leven

Hoe hangt al het leven samen? 1.1

OPDRACHTEN 1

Een organisme als huis In de eerste kolom van het schema staan de biologische organisatieniveaus van klein naar groot onder elkaar. Stel een organisme voor als een huis. Elk biologisch organisatieniveau kun je vergelijken met een onderdeel van een huis. Vul de niveaus van een huis in achter de niveaus van een organisme. Kies uit: baksteen | raam | ramen en deuren | muur | stad | straat met dezelfde huizen cel weefsel orgaan orgaanstelsel organisme

huis

populatie ecosysteem

2

Cellen In de afbeelding zie je twee cellen.

1

2

Zijn de beweringen over de twee cellen juist of onjuist? juist

onjuist

De twee cellen kunnen in één organisme voorkomen.

●

●

Het zijn cellen van twee verschillende groepen organismen.

●

●

Cel 1 kan een onderdeel van een weefsel zijn.

●

●

Een orgaan kan een onderdeel van cel 2 zijn.

●

●

Je kunt de cellen met het blote oog zien.

●

●

Cel 1 kan van een meercellig organisme zijn.

●

●

10

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 10

25/03/2025 11:31


Hoofdstuk 1 Leven

3

Hoe hangt al het leven samen? 1.1

Zoeken naar leven Wetenschappers zoeken in het heelal naar plaatsen waar leven mogelijk is. Ze zoeken naar dezelfde omstandigheden die leven en levensprocessen hier op aarde mogelijk maken. Zoek uit welke omstandigheden onmisbaar zijn voor het leven. Dit ga je doen: 1 Werk in een tweetal. 2 Noteer in het schema achter het levensproces wat nodig is voor dat levensproces. 3 Noteer ook welke andere omstandigheden belangrijk zijn. 4 Vergelijk daarna in een klassengesprek de lijstjes en vul je eigen lijstje aan. levensproces

nodig

andere omstandigheden

ademhalen voeden

fotosynthese

4

Ecosysteem het bos Het bos is een ecosysteem waar bepaalde planten en dieren voorkomen. Dit zijn de levende factoren. Ook heb je daar te maken met niet-levende factoren.

a Welke plantensoorten kun je in een bos tegenkomen?

b Welke dieren kun je in een bos tegenkomen?

c Welke niet-levende factoren zijn belangrijk voor een bos?

5

Hoe hangt al het leven samen? De grote vraag van dit hoofdstuk is: Hoe hangt al het leven samen? Wat is jouw antwoord op deze vraag? Gebruik in je antwoord de informatie van deze paragraaf.

11

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 11

25/03/2025 11:31


Hoofdstuk 1 Leven

Levenskenmerken 1.2

1.2 Levenskenmerken Aan het eind van deze paragraaf kun je:

• • • •

O2

levenskenmerken benoemen. uitleggen wanneer je spreekt van een organisme. uitleggen dat bij een organisme de levensprocessen samenwerken. uitleggen waarvoor het lichaam energie nodig heeft.

Bij deze paragraaf horen de volgende practicumopdrachten:

• •

Van boon tot bonenplant Voorwaarden voor ontkieming

Overleg met je docent of je deze practicumopdrachten gaat uitvoeren.

STARTOPDRACHT 1

Bruine bonen In de supermarkt kun je droge bruine bonen kopen. Deze zitten in een pakje. Dit heb je nodig:

• • • • •

droge bruine boon geweekte bruine boon tekenmateriaal eventueel loep eventueel prepareermateriaal

Je gaat de bonen uit zo’n pakje eens beter bekijken.

a Welk deel van de plant is dit?

b Welke functie heeft dit deel voor de plant?

c Denk je dat een boon leeft? Leg uit waarom.

12

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 12

25/03/2025 11:31


Hoofdstuk 1 Leven

Levenskenmerken 1.2

d Maak een tekening van een droge bruine boon. Zorg dat in de tekening het naveltje te zien is. Dit is de plek waarmee de boon aan de peul heeft vastgezeten (zie de foto). navel

Buitenaanzicht bruine boon

e Pak nu de geweekte bruine boon. 1 Haal voorzichtig de bruine zaadhuid van de geweekte boon af. 2 De boon bestaat uit twee helften: de zaadlobben. Aan één van de helften zit een uitsteeksel vast: een worteltje. 3 Haal de helften voorzichtig uit elkaar. Zorg dat het worteltje vast blijft zitten. 4 Je kunt aan de helft met het worteltje nu ook een klein blaadje zien. Dit blaadje heeft dezelfde kleur als de zaadlob. Maak een tekening van de zaadlob met het worteltje en het blaadje. Gebruik hierbij eventueel de vaardigheidskaart Biologische tekening maken.

Zaadlob met worteltje en blaadje

f

Je hebt de bruine boon nu beter bekeken. Denk je dat zo’n bruine boon leeft? Waaraan kun je dat zien?

13

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 13

25/03/2025 11:31


Hoofdstuk 1 Leven

Levenskenmerken 1.2

THEORIE Levenskenmerken

Een levend wezen noem je in de biologie een organisme. Maar wat is precies levend? Probeer maar eens te beschrijven wat leven is. Dat is niet zo makkelijk. Zelfs wetenschappers geven verschillende antwoorden. Ze zijn het wel over één ding eens: een organisme kan verschillende levenskenmerken vertonen (figuur 1 en 2). levenskenmerk

omschrijving

voorbeeld

gaswisseling

opnemen en afgeven van gassen

ademen

voeden

voedingsstoffen opnemen

eten, drinken

uitscheiden

afvalstoffen uit het lichaam verwijderen

plassen, zweten

groeien/ontwikkelen

groter en zwaarder worden/ veranderen, nieuwe delen krijgen

van klein naar groot van rups naar vlinder

waarnemen

prikkels uit de omgeving opmerken

zien, horen, voelen, proeven, ruiken

reageren/bewegen

een actie ondernemen op een prikkel

lopen

voortplanten

zorgen voor nakomelingen

eieren leggen

1

Levenskenmerken

Gaswisseling, voeden en uitscheiden worden samen ook wel stofwisseling genoemd.

2

Waarnemen en reageren/bewegen (links) en uitscheiden (zweten) (rechts)

WIST JE DAT? Bamboe Het levenskenmerk ‘groeien’ kun je goed zien bij bamboeplanten. Bamboe hoort bij de familie van de grassen. Er zijn veel verschillende soorten bamboeplanten. Er zijn soorten die maar een paar centimeter hoog worden, maar ook reuzen van wel 30 meter. Bamboe groeit heel snel onder gunstige omstandigheden, dus bij genoeg zonlicht en genoeg water. De moso-bamboe kan onder deze omstandigheden bijna een meter per dag groeien. Hij wordt dan binnen een paar maanden 20 meter hoog.

Moso-bamboe

De moso-bamboe is daarmee de snelst groeiende plant ter wereld en staat vermeld in het Guinness Book of Records. 14

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 14

25/03/2025 11:31


Hoofdstuk 1 Leven

Levenskenmerken 1.2

Levend, dood en levenloos

Planten, dieren, schimmels en bacteriën zijn de biotische (levende) factoren in een gebied. Een organisme is levend als het levenskenmerken vertoont. Dat hoeven niet alle levenskenmerken tegelijk te zijn. Zo vindt gaswisseling doorlopend plaats, maar voortplanten gebeurt alleen op sommige momenten als een organisme volwassen is. Als een organisme geen levenskenmerken meer vertoont, is het dood. Dat geldt ook voor dingen die van delen van organismen zijn gemaakt, zoals een wollen trui of een houten tafel (figuur 3). Organismen gaan dood door ouderdom, ziekte of omdat ze worden opgegeten.

3

'Dode' jurk gemaakt van een schimmel

Als iets nooit heeft geleefd, noem je het levenloos. Voorbeelden daarvan zijn stenen, water, licht en temperatuur. Je noemt deze ook wel abiotische (levenloze) factoren. Een steen kan wel in beweging komen, maar niet uit zichzelf. Ook kan een steen zich niet voortplanten en heeft dat ook nooit gekund.

levend

dood

levenloos 4

Levend, levenloos en dood op één foto

TIP Het verschil tussen levend en dood is soms lastig te zien. Scan de QR-code en kijk maar eens naar het filmpje over sponzen.

15

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 15

25/03/2025 11:31


Hoofdstuk 1 Leven

Levenskenmerken 1.2

Je kunt bepalen of iets levend, dood of levenloos is door twee vragen te stellen (figuur 5).

Vraag 1 Heeft iets op dit moment één of meerdere levenskenmerken? ja

nee

Dan is het levend.

Vraag 2 Heeft iets levenskenmerken gehad? ja Dan is het dood.

5

nee Dan is het levenloos.

Levend, dood of levenloos?

Een gezonde samenwerking geeft energie

Bij een gezond organisme werken de levensprocessen goed samen. Ademhaling, voeding en vertering zorgen ervoor dat er zuurstof en voedingsstoffen in ons lichaam komen. Uitscheiding zorgt ervoor dat de afvalstoffen worden afgevoerd. Voedingsstoffen worden in je lichaam afgebroken met behulp van zuurstof. Dit proces, waarbij energie vrijkomt, heet verbranding. Er ontstaan ook koolstofdioxide en water (figuur 6). De energie wordt gebruikt om de levensprocessen uit te voeren en ook om te bewegen, te denken, te groeien en je lichaam op temperatuur te houden. Warmte is een vorm van energie. Als je longen niet goed werken of als je te weinig eet, dan heeft dat gevolgen voor de hoeveelheid energie die je hebt. Je bent dan sneller moe en je kunt slechter denken. Het is dus verstandig om elke dag te ontbijten. koolstofdioxide

zuurstof

verbranding

water

voedingsstof 6

energie

Verbranding

16

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 16

25/03/2025 11:31


Hoofdstuk 1 Leven

Levenskenmerken 1.2

OPDRACHTEN 2

Levenskenmerken Je zit in het klaslokaal.

a Welke levenskenmerken kun je bij jezelf waarnemen?

b Welke levenskenmerken neem je niet waar, maar heb je wel?

c Welke levenskenmerken vertoon je nu niet?

3

Levenskenmerken bij planten Lees de dingen die met planten kunnen gebeuren. Zet het juiste levenskenmerk van de plant erachter. Een plant raakt via de bladeren zuurstof kwijt. Een bamboeplant kan in korte tijd meters hoger worden. Insecten nemen stuifmeel uit een bloem mee naar een andere bloem. Een plant draait zijn stengel en bladeren naar het licht. Een insect komt in contact met het blad van een vleesetende plant. Een plant neemt voeding op uit de bodem. Een plant geeft zuurstof af en neemt koolstofdioxide op.

4

Levend, levenloos, dood Geef in het schema aan of het levend, levenloos of dood is. levend

levenloos

dood

water

●

●

●

katoenen T-shirt

●

●

●

paardenbloem

●

●

●

rieten mand

●

●

●

glazen ruit

●

●

●

broodschimmel

●

●

●

17

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 17

25/03/2025 11:31


Hoofdstuk 1 Leven

5

Levenskenmerken 1.2

Een verzameling maken Maak met een klasgenoot een verzameling van levende, levenloze en dode dingen. 1 Verzamel van tevoren (kleine) spulletjes en neem die mee naar school. Er moeten dingen bij zitten die levend, levenloos en dood zijn. 2 Werk in een tweetal. 3 Kies tien dingen uit. Jullie verzameling moet dode, levende en levenloze dingen bevatten. 4 Laat een ander tweetal jullie verzameling verdelen in levenloos, levend en dood. 5 Hebben ze alles goed? Hebben ze fouten gemaakt? Overleg met elkaar. Vraag hulp aan je docent als je er niet uit komt. 6 Draai de rollen om. Verdeel nu de verzameling van het andere tweetal.

6

Wat als? Wat gebeurt er bij je als … je uitscheiding niet goed werkt?

je te weinig voedingsstoffen binnenkrijgt?

je te veel voedingsstoffen binnenkrijgt?

je ademhaling niet goed werkt?

7

Groeispurt In de puberteit groei je in een korte periode heel snel. In de tabel zie je de gemiddelde lengte van pubers in Nederland. Om te groeien moeten een aantal delen van je lichaam samenwerken. Je hormonen en botten spelen hierbij een rol. leeftijd

gemiddelde lengte meisje in cm

gemiddelde lengte jongen in cm

12 jaar

155,3

154,0

13 jaar

160,8

160,9

14 jaar

164,7

168,2

15 jaar

167,1

174,4

16 jaar

168,6

178,7

Dit heb je nodig:

•

meetlint

Dit ga je doen: 1 Werk in een tweetal. 2 Meet je lengte. 3 Vergelijk je lengte met de gemiddelde lengte in de tabel. 4 Beantwoord de vragen. Je mag online extra informatie zoeken.

18

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 18

25/03/2025 11:31


Hoofdstuk 1 Leven

Levenskenmerken 1.2

a Wat valt je op als je naar de gemiddelde lengtes van jongens en meisjes in de tabel kijkt?

b Ben jij groter of kleiner dan gemiddeld? c In de inleiding staat ‘hormonen en botten spelen een rol’. Welke twee hormoonklieren hebben te maken met de groei?

d Waar in je lichaam zijn deze hormoonklieren te vinden?

e Op welke manier werken het hormoonstelsel en de botten samen?

8

Verbranding Verbranding is een belangrijk proces.

a Welke twee stoffen zijn nodig voor verbranding?

b Welke twee stoffen ontstaan bij verbranding?

c Wat ontstaat er nog meer bij verbranding?

9

Energie nodig? Geef bij de volgende situaties aan wanneer er meer energie nodig is en waarom. 1 Je zit buiten op een bankje. Wanneer heb je meer energie nodig, in de zomer of in de winter?

2 Een zebra staat te grazen. Ineens ziet zij een leeuw en slaat op de vlucht. Wanneer heeft zij meer energie nodig, grazend of op de vlucht?

3 De buitentemperatuur is 10 °C. Een schildpad is een koudbloedig dier dat zijn lichaamstemperatuur aan de omgeving aanpast. Een even groot warmbloedig dier, zoals een rat, heeft een constante lichaamstemperatuur van 38 °C. Beide dieren zitten stil. Welk dier heeft de meeste energie nodig, de schildpad of de rat?

19

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 19

25/03/2025 11:31


Hoofdstuk 1 Leven

10

Levenskenmerken 1.2

Terugkijken Kijk terug op deze paragraaf.

a Hoe heb je de opdrachten per leerdoel gemaakt? Noteer 0, – – , –, + of + +. 0 betekent: niets gemaakt. + + betekent: alles goed. Je kunt ...

opdrachten

score

extra oefenen? (Herhaling en Plus)

1. levenskenmerken benoemen.

2, 3

H13

2. uitleggen wanneer je spreekt van een organisme.

4, 5

H12, P15

3. uitleggen dat bij een organisme de levensprocessen samenwerken.

6, 7

H11, P16

4. uitleggen waarvoor het lichaam energie nodig heeft.

8, 9

H14, P17

b Bekijk je scores van vraag a. Kies minstens één opgave waarmee je nog wil oefenen, nu of in voorbereiding op de toets. TIP Noteer alvast enkele belangrijke begrippen uit deze paragraaf. Die heb je later nodig bij 1.8 Alles in samenhang.

HERHALING & PLUS Online kun je verder oefenen met Herhaling en Plus. Opdracht 11 en 15 staan ook in je boek.

11

Hardlopen Er gebeurt van alles in je lichaam als je gaat hardlopen.

a Wat gebeurt er met je ademhaling?

b Wat gebeurt er met je hartslag?

c Gebruik de antwoorden van a en b om uit te leggen waarom dat belangrijk is voor je spieren.

20

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 20

25/03/2025 11:31


Hoofdstuk 1 Leven

15

Levenskenmerken 1.2

Barbecue Noem twee levende, twee dode en twee levenloze dingen die je op de foto ziet.

EXAMENOPGAVEN Bij deze paragraaf kun je oefenen met examenopgaven. Overleg met je docent of je de examenopgaven Samenwerking tussen planten en bacteriën gaat maken.

21

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 21

25/03/2025 11:31


Hoofdstuk 1 Leven

Organisatieniveaus 1.3

1.3 Organisatieniveaus Aan het eind van deze paragraaf kun je:

• • • •

verschillende organisatieniveaus benoemen. voorbeelden geven bij de verschillende organisatieniveaus. weefsels, organen en orgaanstelsels beschrijven. uitleggen dat je in de biologie op verschillende organisatieniveaus onderzoek doet.

Bij deze paragraaf horen de volgende practicumopdrachten:

• •

Groeispurt Slak

Overleg met je docent of je deze practicumopdrachten gaat uitvoeren.

STARTOPDRACHT 1

Weefsel Het lichaam van een organisme bestaat uit cellen en meestal ook uit weefsels en organen. Die zie je op de tekeningen.

A

B

C

D

a Bij welke tekening(en) heb je te maken met een weefsel? Leg uit waarom.

22

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 22

25/03/2025 11:31


Hoofdstuk 1 Leven

Organisatieniveaus 1.3

b De buitenkant van een orgaan bestaat uit een weefsel dat het orgaan beschermt. In de afbeelding zie je één cel uit dat weefsel.

Teken met potlood een weefsel dat bestaat uit vijf van deze cellen.

THEORIE Van cel tot biosfeer

Een amoebe is een ééncellig organisme zonder vaste vorm (figuur 1). Een amoebe leeft in water, en soms ook in de menselijke darm. Die ene cel kan alle levenskenmerken vertonen.

1

Amoebe

23

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 23

25/03/2025 11:31


Hoofdstuk 1 Leven

Organisatieniveaus 1.3

Grotere organismen, zoals de mens, bestaan uit miljarden cellen. Die cellen werken samen, zodat het organisme goed functioneert. Het samenwerken gebeurt in weefsels, organen en orgaanstelsels. Dit noem je organisatieniveaus. Organismen zoals de amoebe en de mens horen bij de natuur. Je kunt de hele natuur in organisatieniveaus indelen. Alle organisatieniveaus zie je van klein naar groot in figuur 2 en 3.

klein

groot 2

organisatieniveau

omschrijving

voorbeeld

cel

kleinste levende onderdeel van een organisme

maagcel

weefsel

een aantal cellen met dezelfde vorm en functie

maagweefsel

orgaan

deel van een organisme met een eigen functie, bestaat uit een aantal weefsels

maag

orgaanstelsel

een groep organen die samenwerken, heeft een eigen functie

verteringsstelsel

organisme

een levend wezen met samenwerkende orgaanstelsels

konijn

populatie

groep organismen van dezelfde soort in een bepaald gebied

konijnengroep

ecosysteem

alle levende organismen en abiotische factoren in een bepaald gebied

duingebied

biosfeer

alle ecosystemen samen

de planeet aarde

Definities van organisatieniveaus

orgaanstelsel

organisme

orgaan

populatie biosfeer

ecosysteem weefsel

cel 3

Organisatieniveaus 24

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 24

25/03/2025 11:31


Hoofdstuk 1 Leven

Organisatieniveaus 1.3

Weefsels, organen en orgaanstelsels Weefsels, organen en orgaanstelsels komen alleen

voor bij organismen die uit meer cellen bestaan. Een aantal cellen met ongeveer dezelfde vorm en dezelfde functie noem je een weefsel. In de stengel van een plant komen verschillende weefsels voor (figuur 4). Bijvoorbeeld dekweefsel, dat voor bescherming zorgt, en transportweefsel, waardoor stoffen vervoerd worden. Een orgaan is een deel van een organisme. Een orgaan heeft een bepaalde functie en bestaat uit verschillende weefsels (figuur 5). Het hart is een voorbeeld van een

4

orgaan. Het zorgt voor het rondpompen van bloed door het lichaam. Een voorbeeld van een orgaan bij

Microscopische afbeelding van de doorsnede van een stengel van mais met verschillende weefsels

planten is de wortel. Wortels zorgen voor stevigheid en nemen water en andere stoffen op uit de bodem.

vetweefsel

spierweefsel

5

Buitenkant van een varkenshart met vetweefsel en spierweefsel

In een orgaanstelsel werken een aantal organen samen. In het verteringsstelsel verteren onder andere de maag en de darmen het voedsel (figuur 6). Andere orgaanstelsels bij dieren zijn het spierstelsel, het zenuwstelsel, het ademhalingsstelsel en het hart- en bloedvatenstelsel. Bij planten is het wortelstelsel een voorbeeld van een orgaanstelsel. Het bestaat onder andere uit een hoofdwortel met zijwortels en wortelharen. darm

boekmaag

netmaag slokdarm

pens lebmaag

6

Verteringsstelsel van een koe

TIP Kijk eens naar de organen van de mens op deze interactieve schoolplaat. Scan de QR-code.

25

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 25

25/03/2025 11:31


Hoofdstuk 1 Leven

Organisatieniveaus 1.3

WIST JE DAT? Het zwaarste orgaan van de mens De huid is het grootste en zwaarste orgaan van de mens. De taken van de huid zijn: bescherming, waarneming en temperatuurregeling. Als je de huid zou wegen, kom je aan een gewicht van 15 tot 20 kg. De bovenste laag huid van een volwassene is ongeveer 0,1 mm dik, zo dun als een vel papier. Het bovenste deel van die laag bestaat uit dode cellen

Je kunt waarnemen met de huid.

die je verliest en die van de onderkant weer aangevuld worden. Elke minuut verlies je tot 40 000 oude huidcellen. In je huid zitten ook zintuigen. Je kunt daarmee voelen, pijn ervaren en temperatuurverschillen waarnemen. Mensen die blind zijn, kunnen met de zintuigen in hun huid braille lezen.

Onderzoek per organisatieniveau

Volgens onderzoek van de Vlinderstichting is het aantal vlinders in Nederland sinds 1992 met bijna 40% afgenomen. Een vlindersoort waar het heel slecht mee gaat, is de heivlinder (figuur 7).

7

De heivlinder

Een onderzoek begint met nieuwsgierigheid of verwondering. Je vraagt je af hoe het komt dat je steeds minder heivlinders ziet. Waarschijnlijk is daar al eens onderzoek naar gedaan. Dat onderzoek kun je dan gaan lezen. Of je gaat zelf onderzoek doen. Je kunt zo’n onderzoek op verschillende organisatieniveaus aanpakken.

• •

Cel en weefsel: je onderzoekt delen van heivlinders onder een microscoop. Orgaan en orgaanstelsel: je onderzoekt het zintuigstelsel (onder andere de ogen) van heivlinders met een loep.

• • •

Organismen: je onderzoekt de uiterlijke kenmerken van heivlinders. Populatie: je doet in twee gebieden onderzoek naar heivlinders. Ecosysteem: je onderzoekt in een gebied welke biotische en abiotische factoren invloed hebben op het aantal heivlinders.

Elk onderzoek heeft een andere aanpak nodig. Het verschil kan zitten in het organisme dat je onderzoekt, de plek waar je het onderzoek doet, de materialen die je nodig hebt en of je het onderzoek alleen of samen doet.

26

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 26

25/03/2025 11:31


Hoofdstuk 1 Leven

Organisatieniveaus 1.3

OPDRACHTEN 2

Van groot naar klein Noteer de verschillende organisatieniveaus van groot naar klein achter elkaar. –

3

–

–

–

–

–

–

Microscooppreparaten Kirsten krijgt van haar docent vier microscooppreparaten. Op elk preparaat zit een etiketje (zie de afbeelding). Ze bekijkt de preparaten onder de microscoop. eencellige boomalgen

bacteriën uit tandplak

zaadcellen van een stier

vlies van een ui

1

2

3

4

Welke organisatieniveaus zijn er te zien? Schrijf de preparaatnummers achter het organisatieniveau.

4

Verschillende organisatieniveaus

cel

weefsel

orgaan

orgaanstelsel organisme

populatie

ecosysteem

biosfeer

Bij welk organisatieniveau horen de volgende voorbeelden? Kies uit: cel | ecosysteem | orgaan | organisme | populatie Eikenbomen kunnen gemakkelijk 200 jaar oud worden. Het kleinste levende deel van een eekhoorn. Eiken en eekhoorns op de Veluwe hebben last van de droogte. De eekhoorns op de Veluwe eten vooral eikels. Via de bladeren van een eik verdampt veel water.

27

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 27

25/03/2025 11:31


Hoofdstuk 1 Leven

5

Organisatieniveaus 1.3

Populaties in een sloot Leerlingen onderzoeken de verschillende populaties in een sloot.

a Wat zijn populaties?

b Noem de soortnamen van twee populaties dieren die ze daar aan kunnen treffen.

c Noem twee populaties planten die ze daar aan kunnen treffen.

6

Functie van orgaanstelsels A

B

C

D

E

F

Zet de orgaanstelsels bij de juiste functie. Kies uit: ademhalingsstelsel | bloedvatenstelsel | skelet (bottenstelsel) | spierstelsel | verteringsstelsel | zenuwstelsel vervoeren van stoffen (A) regelen, doorgeven en verwerken van informatie (B) zuurstof opnemen, koolstofdioxide afgeven (C) voedsel kleiner en oplosbaar maken (D) stevigheid geven, beschermen (E) beweging mogelijk maken (F)

28

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 28

25/03/2025 11:31


Hoofdstuk 1 Leven

7

Organisatieniveaus 1.3

Trilhaarcellen in de luchtpijp Je haalt adem door je luchtpijp. Tegen de wand van de luchtpijp van de mens zit een laagje trilhaarcellen.

a De luchtpijp is een voorbeeld van een:

● orgaan ● orgaanstelsel ● weefsel b Tot welk organisatieniveau behoort het laagje trilhaarcellen van de luchtpijp? Omcirkel het juiste organisatieniveau.

cel

8

weefsel

orgaan

orgaanstelsel organisme

populatie

ecosysteem

biosfeer

Botten en lengte Er is bij een opgraving een bot gevonden. Het is een opperarmbeen van 20 cm lang. Het opperarmbeen is het lange bot in je bovenarm. Je gaat onderzoeken hoe lang de persoon is geweest waar het opperarmbeen bij hoort. Je doet onderzoek op het organisatieniveau van de organen, want een bot is een orgaan.

a Je gaat vijf klasgenoten opmeten. Dit heb je nodig:

•

meetlint

Dit ga je doen: 1 Meet van vijf klasgenoten de lengte van de bovenarm. 2 Meet ook de lichaamslengte van die leerlingen. 3 Schrijf de gegevens op.

b Hoe zou je onderzoek verder kunnen gaan?

c Hoe lang zou de persoon zijn geweest als je jouw onderzoeksresultaten gebruikt?

29

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 29

25/03/2025 11:31


Hoofdstuk 1 Leven

9

Organisatieniveaus 1.3

Onderzoek op niveau Wetenschappers doen verschillende biologische onderzoeken. Ze formuleren onderzoeksvragen voor deze onderzoeken. Op welk niveau vinden de onderzoeken plaats? Omcirkel het juiste antwoord.

10

Hoeveel wolven zijn er op de Veluwe?

ecosysteem | organen | organisme | populatie

Wat is de oorzaak van de dood van de wolf die gevonden is?

ecosysteem | organen | organisme | populatie

Waardoor gaan er zo veel bomen in het bos dood?

ecosysteem | organen | organisme | populatie

Op welke delen van het lichaam heeft het coronavirus invloed?

ecosysteem | organen | organisme | populatie

Terugkijken Kijk terug op deze paragraaf.

a Hoe heb je de opdrachten per leerdoel gemaakt? Noteer 0, – – , –, + of + +. 0 betekent niets gemaakt, + + betekent alles goed. Je kunt ...

opdrachten

score

extra oefenen? (Herhaling en Plus)

1. verschillende organisatieniveaus benoemen.

2, 3

H12

2. voorbeelden geven bij de verschillende organisatieniveaus.

4, 5

H11, P17

3. weefsels, organen en orgaanstelsels beschrijven.

6, 7

H14, P16

4. uitleggen dat je in de biologie op verschillende organisatieniveaus onderzoek doet.

8, 9

H13, P15

b Bekijk je scores van vraag a. Kies minstens één opgave waarmee je nog wil oefenen, nu of in voorbereiding op de toets. TIP Noteer alvast enkele belangrijke begrippen uit deze paragraaf. Die heb je later nodig bij 1.8 Alles in samenhang.

30

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 30

25/03/2025 11:31


Hoofdstuk 1 Leven

Organisatieniveaus 1.3

HERHALING EN PLUS Online kun je verder oefenen met Herhaling en Plus. Opdracht 11 en 15 staan ook in je boek.

11

Een slagader De wand van een slagader bestaat uit drie lagen.

• • •

De binnenlaag is ongeveer één laag cellen dik. De middenlaag bestaat uit spiercellen en elastisch bindweefsel. De buitenlaag bestaat uit bindweefsel.

Leg uit of een slagader een weefsel of een orgaan is.

15

Zorgen om egels Onderzoekers hebben ontdekt dat het aantal egels in Nederland sterk afneemt.

a Hoe komt dat? Scan de QR-code en bekijk eerst het filmpje over egels.

b Op welk organisatieniveau is het onderzoek gedaan?

c Hoe zou je de egel kunnen helpen en beschermen?

EXAMENOPGAVEN Bij deze paragraaf kun je oefenen met eindexamenopgaven. Overleg met je docent of je de eindexamenopgave Een torso gaat maken.

31

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 31

25/03/2025 11:31


Hoofdstuk 1 Leven

Cellen en weefsels 1.4

1.4 Cellen en weefsels Aan het eind van deze paragraaf kun je:

• • • •

delen van een cel en hun functies benoemen. uitleggen dat je een cel als één geheel kunt zien. cellen van planten, dieren, bacteriën en schimmels vergelijken. de functie van verschillende weefsels beschrijven.

Bij deze paragraaf horen de volgende practicumopdrachten.

• • •

Cellen van het wangslijmvlies Cellen van de waterpest Cellen van de broodschimmel

Overleg met je docent of je deze practicumopdrachten gaat uitvoeren.

STARTOPDRACHT 1

Een model van een cel Onder de microscoop lijkt een cel op een plat bouwsteentje. Maar in werkelijkheid zijn cellen een soort zakjes water, waar van alles in zweeft. Je gaat een model van een cel maken.

a Noem de delen waaruit een plantencel bestaat. Kun je er zes noemen? Vul jouw rijtje aan met de delen die klasgenoten weten.

b Maak een eenvoudig model van een plantencel. Dit heb je nodig:

• • • • •

bekerglas plastic boterhamzakje bruine boon een aantal erwten water

32

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 32

25/03/2025 11:31


Hoofdstuk 1 Leven

Cellen en weefsels 1.4

Dit ga je doen: 1 Werk in een tweetal. 2 Doe een bruine boon en de erwten in het boterhamzakje. 3 Vul het zakje met water en knoop het goed dicht. 4 Leg het zakje in het bekerglas. 5 Je hebt nu een eenvoudig model van een cel gemaakt.

c Zet de delen van de cel bij het juiste materiaal dat je gebruikt hebt. Kies uit: bladgroenkorrel | celkern | celmembraan | celwand | cytoplasma materiaal

deel van de cel

bekerglas boterhamzakje water bruine boon erwten

THEORIE Functie en bouw van een cel

Een cel is de kleinste levende bouwsteen van een organisme met alle erfelijke informatie van dat organisme. Cellen zijn zo klein, dat je ze alleen met een microscoop kunt zien. Eéncellige organismen bestaan uit één cel (figuur 1). De meeste organismen zijn meercellig. Ze zijn opgebouwd uit meerdere cellen die samen een geheel vormen.

1

Euglena of oogdiertje, een ééncellig organisme

33

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 33

25/03/2025 11:31


Hoofdstuk 1 Leven

Cellen en weefsels 1.4

Organismen hebben energie nodig voor hun levensprocessen. Door verbranding van glucose komt in alle levende cellen energie vrij. Deze energie wordt onder andere gebruikt om te bewegen, te groeien en te ademen. Cellen met bladgroenkorrels kunnen door fotosynthese met behulp van licht zelf glucose maken. Elke cel van een bacterie, schimmel, plant of dier bevat in ieder geval de volgende delen (figuur 2).

•

Het celmembraan, een heel dun vlies aan de buitenkant van de cel. Gassen en water gaan via het celmembraan de cel in en uit.

•

Het cytoplasma, het vocht dat in een cel zit. In het cytoplasma zweven delen van de cel. Het cytoplasma bevat ook opgeloste stoffen, zoals glucose.

Verder kunnen cellen de volgende delen bevatten.

•

De celkern, meestal het grootste zichtbare deel in een cel. De celkern bevat DNA met erfelijke informatie over de bouw en werking van de cel. Hiermee wordt de cel aangestuurd.

•

De bladgroenkorrels, die de groene kleur geven aan bladeren en stengels. In de bladgroenkorrels vindt fotosynthese plaats waardoor glucose ontstaat.

•

De kleurstofkorrels geven bloemen of vruchten bijvoorbeeld een rode, oranje of gele kleur.

•

Zetmeelkorrels voor de opslag van zetmeel als reservevoedsel dat later gebruikt kan worden.

•

De vacuole, een blaasje met water en daarin opgeloste stoffen. Het vocht zorgt voor de stevigheid van binnenuit. Net als de lucht, die van de binnenkant tegen de wand van een opgeblazen ballon aandrukt.

Om de buitenkant van het celmembraan ligt bij sommige cellen nog een stevig laagje, de celwand. Dit laagje geeft cellen stevigheid en bescherming tegen ziekteverwekkers.

bladgroenkorrels celkern cytoplasma zetmeelkorrels

celmembraan celwand vacuole kleurstofkorrels

2

Delen van de cel

34

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 34

25/03/2025 11:31


Hoofdstuk 1 Leven

Cellen en weefsels 1.4

Verschillende soorten cellen

De cellen van bacteriën, schimmels, planten en dieren verschillen van elkaar. Hierdoor kun je deze organismen van elkaar onderscheiden. Een bacterie is een ééncellig organisme dat ongeveer 10× kleiner is dan de cellen van andere organismen. Daarom zijn bacteriën onder een gewone microscoop bijna niet te zien. Een bacterie bestaat uit cytoplasma met daaromheen een celmembraan en een celwand. Een bacterie heeft geen celkern, het DNA drijft los in het cytoplasma (figuur 3). TIP Scan de QR-code als je meer wilt weten over relatieve celgroottes. Je kunt inzoomen met de schuif onder de afbeelding. Let op: de site is Engelstalig. DNA cytoplasma celmembraan

celmembraan celwand celkern vacuole cytoplasma celwand

3

Een bacterie

4

Een schimmelcel

Een cel van een schimmel bestaat uit cytoplasma met een celkern. Daaromheen zit een celmembraan en een celwand (figuur 4). Een plantencel bestaat uit cytoplasma met een celkern en een grote vacuole. Het cytoplasma kan kleurstofkorrels, zetmeelkorrels of bladgroenkorrels bevatten. Bladgroenkorrels komen voor in cellen die licht opvangen. Deze cellen zijn meestal te vinden in stengels en bladeren. Om het cytoplasma zit een celmembraan en een celwand (figuur 5). celkern vacuole zetmeelkorrel cytoplasma bladgroenkorrel celmembraan celwand 5

Bouw van een plantencel

celkern cytoplasma celmembraan 6

Bouw van een dierlijke cel

Een dierlijke cel bestaat uit cytoplasma met een celkern. Om het cytoplasma zit een celmembraan. Dierlijke cellen hebben geen celwand en zijn daardoor minder stevig (figuur 6).

35

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 35

25/03/2025 11:31


Hoofdstuk 1 Leven

Cellen en weefsels 1.4

Wil je weten of de cel van een bacterie, een schimmel, een plant of een dier is? Beantwoord dan de volgende drie vragen (figuur 7).

nee

Vraag 1 Heeft de cel een celwand om zich heen?

ja

Het is een dierlijke cel.

Vraag 2 Heeft de cel een celkern? ja

nee Het is een bacterie.

Vraag 3 Zijn er in de cel bladgroenkorrels te zien? ja

nee Het is een schimmelcel.

7

Het is een plantencel.

Welke cel is het?

Weefsels

Een groep cellen met ongeveer gelijke vorm en dezelfde functie noem je een weefsel. Voorbeelden van weefsels bij dieren zijn spierweefsel dat zorgt voor beweging, en vetweefsel onder de huid dat zorgt voor warmte en opslag van reservestof. Voorbeelden bij planten zijn transportweefsel in de stengel dat zorgt voor transport van stoffen, en steunweefsel dat zorgt voor stevigheid. Een weefsel dat zowel bij planten als bij dieren voorkomt is dekweefsel. Dekweefsel vind je bij de mens onder andere in de buitenste laag van de huid (figuur 8, links) en in de wanden van bloedvaten en darmen. Dekweefsel bij planten zit in de buitenste laag van wortels, stengels en bladeren (figuur 8, rechts). Dekweefsel beschermt tegen uitdroging en tegen schadelijke invloeden van buitenaf, zoals wind en ongedierte. dekweefsel

dekweefsel

8

bindweefsel

weefsels met bladgroenkorrels

vetweefsel

dekweefsel

Weefsels in de huid (links) en weefsels in een blad (rechts)

36

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 36

25/03/2025 11:31


Hoofdstuk 1 Leven

Cellen en weefsels 1.4

WIST JE DAT? Samenwerkende schimmels en planten Je hebt ze waarschijnlijk wel eens gezien: die platte, gele, lichtgroene of witte plekken op de stoep, op muurtjes, bomen of dakpannen. Het is geen mos, maar het zijn korstmossen. Dit is een samenwerking tussen schimmels en eencellige planten. De planten zijn omgeven door schimmeldraden. In de planten ontstaat glucose door fotosynthese. De schimmeldraden gebruiken een deel daarvan. De schimmel vormt een laag, die water vasthoudt, dat gebruikt kan worden voor de

Twee verschillende korstmossen op een tak

fotosynthese. Ook maakt de schimmel een zuur waardoor de plant gemakkelijker stoffen uit de grond op kan nemen. Zo hebben ze allebei voordeel van de samenwerking. Korstmossen kunnen slecht tegen luchtvervuiling. Als er bij jou in de buurt veel korstmossen voorkomen, dan is dat een teken dat de luchtkwaliteit goed is.

OPDRACHTEN 2

Delen van een cel In de tekening van de cel zijn de delen met letters aangegeven.

P R

a Welke delen zorgen voor stevigheid?

Q

b In welk deel vindt fotosynthese plaats?

S

c Welk deel hoort eigenlijk niet bij de cel?

T U

37

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 37

25/03/2025 11:31


Hoofdstuk 1 Leven

3

Cellen en weefsels 1.4

Plantencel Hier zie je een tekening van een plantencel.

1 2 3 4

a In welk genummerd deel zit DNA? in deel

b Welk genummerd deel bevat vocht en zorgt voor stevigheid? deel

c Wat is de naam van deel 1?

d Is in de figuur een weefsel te zien? Hoe weet je dat?

4

Fotosynthese en verbranding Fotosynthese en verbranding zijn belangrijk.

a Wanneer vindt in levende cellen verbranding plaats?

● alleen in het donker ● alleen in het licht ● altijd b Wanneer vindt in levende cellen fotosynthese plaats?

● alleen in het donker ● alleen in het licht ● altijd c Welk celdeel is nog meer nodig voor fotosynthese?

● bladgroenkorrel(s) ● celkern ● cytoplasma ● vacuole

38

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 38

25/03/2025 11:31


Hoofdstuk 1 Leven

5

Cellen en weefsels 1.4

Waterplanten en watervlooien In de tekening zie je reageerbuizen met waterplanten.

buis 1 in het licht een waterplant met bladgroen

buis 2 in het licht twee waterplanten met bladgroen

buis 3 in het licht een waterplant met bladgroen en vijf watervlooien

buis 4 in het licht watervlooien

buis 5 in het donker twee waterplanten met bladgroen

a In welke buizen vindt verbranding plaats?

b Wordt daardoor zuurstof gemaakt of verbruikt?

c In welke buizen vindt fotosynthese plaats?

d Wordt daardoor zuurstof gemaakt of verbruikt?

e In welke buis zal na verloop van tijd de meeste zuurstof aanwezig zijn? in buis

39

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 39

25/03/2025 11:31


Hoofdstuk 1 Leven

6

Cellen en weefsels 1.4

Cellen herkennen Als je cellen onder de microscoop bekijkt, kun je zien of de cellen van een bacterie, schimmel, plant of dier zijn. Dat zie je aan de aanwezige delen van de cel of aan de aanwezigheid van een celwand.

a Zet een kruisje als een deel aanwezig is. bacterie

schimmel

plant

dier

celkern

■

■

■

■

bladgroenkorrels

■

■

■

■

celwand

■

■

■

■

cytoplasma

■

■

■

■

celmembraan

■

■

■

■

b Vul het juiste woord in. •

Als een cel geen celkern heeft, is het een

.

•

Als een cel geen celwand heeft, is het een cel van een

.

•

Als een cel bladgroenkorrels heeft, is het een cel van een

.

•

Als een cel een celkern en een celwand heeft maar geen bladgroenkorrels, is het een cel van een

7

.

Organismen raden Kun jij raden welk organisme je klasgenoot in gedachten heeft? Je mag bij de opdracht de volgende organismen gebruiken: paard, paardenbloem, champignon (schimmel), broodschimmel, salmonella (bacterie), koe, tulp, pneumokokken (bacterie). Gebruik bij deze opdracht ook figuur 7 uit de theorie. Dit ga je doen: 1 De een neemt één van de organismen in gedachten. 2 De ander probeert achter de naam van het organisme te komen door vragen te stellen over de aanwezigheid van de celkern, bladgroenkorrels en de celwand. Je mag ook nog naar andere kenmerken vragen. 3 Geef alleen antwoord met ja of nee. 4 Als een organisme geraden is, draai je de rollen om. 5 Zorg dat je ieder minstens 3× aan de beurt komt.

40

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 40

25/03/2025 11:31


Hoofdstuk 1 Leven

8

Cellen en weefsels 1.4

Een blad van een jasmijn Links zie je een foto van een jasmijn. Rechts zie je een doorsnede van een jasmijnblad onder de microscoop.

a Op welke plaatsen is dekweefsel te vinden?

b De functie van dekweefsel is bescherming. Waartegen wordt het blad beschermd?

c Beschrijf de cellen van het dekweefsel. Noem minstens twee eigenschappen.

9

Bloed Bloed wordt ook tot de weefsels gerekend. Bloed is in dat opzicht wel bijzonder.

a Wat is een weefsel?

b Noem minstens één verschil tussen bloed en andere weefsels.

c Noem minstens één functie van bloed.

41

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 41

25/03/2025 11:31


Hoofdstuk 1 Leven

10

Cellen en weefsels 1.4

Terugkijken Kijk terug op deze paragraaf.

a Hoe heb je de opdrachten per leerdoel gemaakt? Noteer 0, – – , –, + of + +. 0 betekent niets gemaakt, + + betekent alles goed. Je kunt ...

opdrachten

score

extra oefenen? (Herhaling en Plus)

1. delen van een cel en hun functies benoemen.

2, 3

H12, P15

2. uitleggen dat je een cel als één geheel kunt zien.

4, 5

H13, P16, P17a

3. cellen van planten, dieren, bacteriën en schimmels vergelijken.

6, 7

H11

4. de functie van verschillende weefsels beschrijven.

8, 9

H14, P17b

b Bekijk je scores van vraag a. Kies minstens één opgave waarmee je nog wil oefenen, nu of in voorbereiding op de toets. TIP Noteer alvast enkele belangrijke begrippen uit deze paragraaf. Die heb je later nodig bij 1.8 Alles in samenhang.

42

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 42

25/03/2025 11:31


Hoofdstuk 1 Leven

Cellen en weefsels 1.4

HERHALING EN PLUS Online kun je verder oefenen met Herhaling en Plus. Opdracht 11 en 15 staan ook in je boek.

11

Delen en functies van de cel Zet de delen van de cel bij de juiste functie. Kies uit: bladgroenkorrel | celkern | celmembraan | cytoplasma | vacuole | zetmeelkorrel functie

deel van de cel

aansturen van processen in de cel glucose en zuurstof maken buitenste laag van de cel, die stoffen door kan laten stevigheid geven aan de cel van binnenuit vloeistof waarin de delen van cellen zweven opslaan van reservevoedsel

12

Een plantencel tekenen Teken een plantencel met bladgroenkorrels en een celkern. Geef in de tekening met horizontale lijnen aan waar de celwand, het celmembraan, de vacuole en het cytoplasma zitten.

EXAMENOPGAVEN Bij deze paragraaf kun je oefenen met eindexamenopgaven. Overleg met je docent of je de eindexamenopgave Een tandvleesontsteking gaat maken.

43

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 43

25/03/2025 11:31


Hoofdstuk 1 Leven

Organen en orgaanstelsels 1.5

1.5 Organen en orgaanstelsels Aan het eind van deze paragraaf kun je:

• • • •

de functie van verschillende orgaanstelsels benoemen.

O2

organen in het menselijk lichaam aanwijzen. de functie van verschillende organen benoemen. uitleggen dat bij een organisme orgaanstelsels samenwerken.

STARTOPDRACHT 1

Organen Het middenrif verdeelt de romp van een mens in een bovenste en een onderste helft (zie de tekening).

middenrif

a Noem een orgaan van het ademhalingsstelsel en een van het bloedvatenstelsel dat zich boven het middenrif bevindt.

44

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 44

25/03/2025 11:31


Hoofdstuk 1 Leven

Organen en orgaanstelsels 1.5

b In de onderste helft van de romp zitten ook organen, zoals de maag, lever, alvleesklier, dikke darm, dunne darm, blinde darm en nieren. Je gaat een tekening maken van de hele romp met het middenrif en de organen. Dit heb je nodig:

• •

(behang)papier van 60 cm lang potlood

Dit ga je doen: 1 Werk in een tweetal. 2 Neem de afbeelding van de romp over. Gebruik het hele papier. 3 Teken de organen op de juiste plaats. Geef ze de juiste vorm. 4 Zet de namen in de tekening.

THEORIE Orgaanstelsels

Als je iets eet, werken een aantal organen samen. De tong, maag en darmen zijn organen die bij het verteringsstelsel horen. Het verteringsstelsel zorgt voor het opnemen, vervoeren en verteren van het voedsel (figuur 1). Een aantal organen die samenwerken, noem je een orgaanstelsel. TIP Scan de QR-code en bekijk het filmpje De spijsverteringsorganen.

tong

slokdarm

maag twaalfvingerige darm dunne darm dikke darm

blinde darm

endeldarm

1

Het orgaanstelsel voor het vervoeren en verteren van voedsel

45

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 45

25/03/2025 11:31


Hoofdstuk 1 Leven

Organen en orgaanstelsels 1.5

Je lichaam heeft meerdere orgaanstelsels die zorgen voor de werking van de verschillende levensprocessen (figuur 2 en 3). levensproces

orgaanstelsel

twee voorbeelden van organen

functie

gaswisseling

ademhalingsstelsel

luchtpijp, longen

zuurstof opnemen, koolstofdioxide afgeven

voeden

verteringsstelsel

maag, darmen

voedsel kleiner maken, zodat voedingsstoffen kunnen worden opgenomen

bloedvatenstelsel

hart, slagaders

stoffen door het lichaam vervoeren

uitscheidingsstelsel

nieren, lever

afvalstoffen uit het lichaam verwijderen

groeien en ontwikkelen

hormoonstelsel

schildklier, eierstokken

langzame, langdurende processen regelen, zoals groei

waarnemen

zintuigstelsel

ogen, oren

veranderingen in de omgeving opmerken

reageren en bewegen

zenuwstelsel

hersenen, zenuwen

snelle, kortdurende processen zoals beweging regelen, informatie verwerken en het lichaam aansturen

spierstelsel

armbuigspier, kuitspier

beweging mogelijk maken

skelet

rib, opperarmbeen

stevigheid en vorm geven, beschermen, beweging mogelijk maken

voortplantingsstelsel

baarmoeder, prostaat

zorgen voor nakomelingen

uitscheiden

voortplanten

2

Levensprocessen en orgaanstelsels

skelet (bottenstelsel) 3

ademhalingsstelsel

bloedvatenstelsel

verteringsstelsel

zenuwstelsel

Verschillende orgaanstelsels

46

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 46

25/03/2025 11:31


Hoofdstuk 1 Leven

Organen en orgaanstelsels 1.5

Organen en hun functies

In je lichaam gebeuren veel dingen zonder dat je het merkt. Als je eet en drinkt zijn een aantal organen aan het werk. Als je beweegt zijn daarbij organen van het zenuwstelsel, het skelet en het spierstelsel betrokken. Zelfs als je stilzit zijn er organen aan het werk. Een orgaan is een deel van het lichaam met een eigen functie (figuur 4). Je longen en je maag zijn voorbeelden van organen. Je longen zorgen voor de opname van zuurstof en de afgifte van koolstofdioxide. Je maag verteert voedsel.

hersenen

huid longen hart

maag

4

Een torso met organen

TIP Scan de QR-code om de interactieve schoolplaat over organen te bekijken. Ook planten hebben organen met een eigen functie. Wortels zorgen voor de opname van stoffen uit de bodem en voor opslag van reservevoedsel. Ook zorgen wortels ervoor dat de plant stevig in de grond blijft zitten. De wortels vormen samen een orgaanstelsel: het wortelstelsel (figuur 5). In stengels vindt vervoer van stoffen plaats. Houtachtige stengels bij een boom zorgen voor stevigheid. In de bladeren vindt fotosynthese plaats. De bloemen zorgen voor voortplanting.

5

Het wortelstelsel van een plant

47

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 47

25/03/2025 11:31


Hoofdstuk 1 Leven

Organen en orgaanstelsels 1.5

Samenwerkende orgaanstelsels Orgaanstelsels werken samen. Als je bijvoorbeeld een training doet, luister je naar de instructie van de trainer en ga je aan de slag met een oefening. Ondertussen reageer je op zijn aanwijzingen. Hierbij werken het zintuigstelsel (luisteren), het zenuwstelsel (denken en spieren aansturen), het skelet en het spierstelsel (bewegen) samen (figuur 6). Tegelijkertijd zijn er ook een aantal andere orgaanstelsels actief. Het ademhalingsstelsel zorgt dat je zuurstof binnenkrijgt en het bloedvatenstelsel zorgt voor transport van zuurstof en glucose door het lichaam. Zuurstof en glucose worden over de verschillende organen verdeeld. Op de plekken in je lichaam die actief zijn is de meeste energie nodig. Die

6

Beweging: spierstelsel en skelet werken samen.

plekken ontvangen dus de meeste glucose en zuurstof. In dit geval zijn dat de spieren.

WIST JE DAT? Hart op de verkeerde plaats Je organen hebben een vaste plek in je lichaam. Je hart zit een beetje links van het midden in je borstholte. Je lever, galblaas en blinde darm zitten aan de rechterkant van je buikholte. Dit is niet bij iedereen zo. Bij minder dan 1 op de 10 000 mensen zitten de organen aan de andere kant van het lichaam. Dat kan met alle organen het geval zijn, maar het kan ook maar om een paar organen gaan. In het begin van de zwangerschap gaan de organen naar hun plek in het lichaam van het embryo. Het is niet bekend waarom dat soms gespiegeld gebeurt. Meestal hebben mensen met deze aandoening geen klachten, maar wordt het bij toeval ontdekt. Bijvoorbeeld als bij een blindedarmontsteking de blindedarm niet rechts, maar links in de buikholte blijkt te zitten.

Links: Röntgenfoto (vooraanzicht) van een 11-jarige jongen. Het hart zit met de punt aan de andere kant van het midden. Rechts: Röntgenfoto (vooraanzicht) van een persoon. Het hart zit waar bijna alle mensen het hebben. 48

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 48

25/03/2025 11:31


Hoofdstuk 1 Leven

Organen en orgaanstelsels 1.5

OPDRACHTEN 2

Functie van orgaanstelsels Zet het juiste orgaanstelsel voor de functie. Kies uit: hormoonstelsel | skelet | uitscheidingsstelsel | verteringsstelsel | zenuwstelsel | zintuigstelsel langzame langdurende processen regelen informatie verwerken, lichaam aansturen voedsel kleiner en oplosbaar maken veranderingen in de omgeving waarnemen stevigheid, bescherming en vorm geven aan het lichaam afvalstoffen uit het lichaam verwijderen

3

De ziekte van Lyme Teken zijn spinachtige diertjes. Ze zijn een paar millimeter groot en leven in struikgewas. Ze laten zich vallen, zodat ze op mensen terechtkomen en zich aan de huid kunnen hechten. Uit de huid van de gastheer zuigen ze bloed op. Een deel van de teken in Nederland hebben bacteriën die de ziekte van Lyme bij een mens kunnen veroorzaken.

Meest voorkomende klachten bij patiënten met de ziekte van Lyme moeheid gewrichtsklachten zenuwpijn / tintelingen vergeetachtigheid oogklachten hoofdpijn hartritmestoornissen huidklachten verlammingen 0

10

20 30

40 50 60 70 80 90 percentage

Noem twee orgaanstelsels die volgens de informatie door de ziekte van Lyme aangetast kunnen worden.

49

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 49

25/03/2025 11:31


Hoofdstuk 1 Leven

4

Organen en orgaanstelsels 1.5

Organen in het lichaam Voorbeelden van organen in ons lichaam zijn: hersenen (1), lever (2), schildklier (3), baarmoeder (4), opperarmbeen (5), hart (6), luchtpijp (7), maag (8), ogen (9) en nieren (10). Geef in de tekening met nummers aan waar deze organen zitten. Je mag online extra informatie zoeken.

5

Een scan in het ziekenhuis In het ziekenhuis is een scan gemaakt van een gedeelte van de romp van een patiënt (zie afbeelding).

a Is de onderkant van de afbeelding de rugzijde of de buikzijde? Hoe weet je dat?

b Is dit een doorsnede door de borstholte of door de buikholte? Hoe weet je dat? Gebruik hierbij eventueel de vaardigheidskaart Biologische tekening maken.

c Hoe heten de twee organen die in de afbeelding rood zijn aangegeven?

50

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 50

25/03/2025 11:31


Hoofdstuk 1 Leven

6

Organen en orgaanstelsels 1.5

Organen en hun functies Maak het schema met organen en hun functie compleet. TIP Gebruik de interactieve schoolplaat nog een keer of zoek het online op. Dit ga je doen: 1 Werk bij deze opdracht in een tweetal. 2 Schrijf in het schema achter elk orgaanstelsel minstens twee organen die erbij horen. 3 Schrijf de functie van deze organen in de rechter kolom van het schema. orgaanstelsel

organen

functie

zenuwstelsel

bloedvatenstelsel

hormoonstelsel

ademhalingsstelsel

zintuigstelsel

skelet

spierstelsel

51

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 51

25/03/2025 11:31


Hoofdstuk 1 Leven

7

Organen en orgaanstelsels 1.5

Organen van planten In de afbeelding zie je een veld met tulpen.

a Welke drie organen zijn op deze afbeelding bij de tulpen te zien?

b Welk orgaan is niet te zien?

c In welke organen kan fotosynthese plaatsvinden? Leg uit waarom.

8

Samenwerkende orgaanstelsels Orgaanstelsels werken samen.

a Welke orgaanstelsels werken samen als je beweegt tijdens een sportwedstrijd? Noem er drie.

b Welke orgaanstelsels werken samen als je groeit? Noem er drie.

c Welke orgaanstelsels werken samen als je naar een concert gaat en naar de artiest luistert? Noem er twee.

d Welke orgaanstelsels werken samen als je seks hebt? Noem er twee.

52

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 52

25/03/2025 11:31


Hoofdstuk 1 Leven

9

Organen en orgaanstelsels 1.5

Wagenziekte Als je last hebt van wagenziekte, dan voel je je niet lekker tijdens een autorit. Het evenwichtsorgaan in je oren heeft informatie nodig uit je ogen, spieren en hersenen. Als die informatie niet met elkaar klopt, ontstaat wagenziekte. Het lukt de hersenen dan niet om het evenwicht goed te regelen en je wordt misselijk. Welke orgaanstelsels werken niet goed samen als je wagenziek bent?

10

Terugkijken Kijk terug op deze paragraaf.

a Hoe heb je de opdrachten per leerdoel gemaakt? Noteer 0, – – , – + of + +. 0 betekent niets gemaakt, + + betekent alles goed. Je kunt ...

opdrachten

score

extra oefenen? (Herhaling en Plus)

1. de functie van verschillende orgaanstelsels benoemen.

2, 3

H12, P17

2. organen in het menselijk lichaam aanwijzen.

4, 5

H11

3. de functie van verschillende organen benoemen.

6, 7

H13, P15abc, P16

4. uitleggen dat bij een organisme orgaanstelsels samenwerken.

8, 9

H14, P15d

b Bekijk je scores van vraag a. Kies minstens één opgave waarmee je nog wil oefenen, nu of in voorbereiding op de toets. TIP Noteer alvast enkele belangrijke begrippen uit deze paragraaf. Die heb je later nodig bij 1.8 Alles in samenhang.

53

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 53

25/03/2025 11:31


Hoofdstuk 1 Leven

Organen en orgaanstelsels 1.5

HERHALING EN PLUS Online kun je verder oefenen met Herhaling en Plus. Opdracht 11 en 15 staan ook in je boek.

11

CT-scans In een ziekenhuis worden twee CT-scans gemaakt van de romp van een mens. In de afbeelding zie je scans van dwarsdoorsneden van twee plaatsen van de romp. Een scan is van de borstholte, de andere scan is van de buikholte.

a Op welke scan is de borstholte afgebeeld? Welke organen zie je daar? Gebruik hierbij eventueel de vaardigheidskaart Biologische tekening maken.

b Welke scan is van de buikholte? Welke organen zie je daar?

15

Dolfijnen Naar: Examen GT/GL 2016-1 Dolfijnen zijn zoogdieren en hebben net als mensen een constante lichaamstemperatuur. Ze komen regelmatig boven water om adem te halen en verversen de lucht in de longen dan via het spuitgat boven op de kop (zie de tekening). Het spuitgat speelt ook een rol bij het maken van geluiden, bijvoorbeeld voor het contact tussen een moeder en haar jong. spuitgat

Q

54

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 54

25/03/2025 11:31


Hoofdstuk 1 Leven

Organen en orgaanstelsels 1.5

a In de figuur geeft de letter Q een orgaan aan. Hoe heet dat orgaan? Je mag online extra informatie zoeken.

b Bij welk orgaanstelsel hoort het spuitgat?

c Hoe werken het orgaanstelsel uit a en het orgaanstelsel van het spuitgat samen?

EXAMENOPGAVEN Bij deze paragraaf kun je oefenen met eindexamenopgaven. Overleg met je docent of je de eindexamenopgave Medicijnresten in het oppervlaktewater gaat doen.

55

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 55

25/03/2025 11:31


Hoofdstuk 1 Leven

Organismen en soorten 1.6

1.6 Organismen en soorten Aan het eind van deze paragraaf kun je:

• • • •

dieren ordenen in groepen. werken met een determineertabel. benoemen wat een soort is. uitleggen dat het erfelijk materiaal van soorten verschilt.

Bij deze paragraaf horen de volgende practicumopdrachten:

• • •

Regenworm Mossel Determineren

Overleg met je docent of je deze practicumopdrachten gaat uitvoeren.

STARTOPDRACHT 1

Determineren van diergroepen Dieren met dezelfde kenmerken kun je in groepen verdelen. Met een determineertabel kun je de namen van de groepen vinden. Noteer de juiste diergroep achter elke letter. Als je het niet weet, mag je overleggen met klasgenoten of online zoeken naar informatie. Kies uit de volgende groepen: amfibieën | insecten | kreeftachtigen | ongewervelde dieren | reptielen | spinnen | vissen | vogels | weekdieren 1 Begin bij vraag 1. 2 Schrijf op de plek van de hoofdletter A de juiste naam in. 3 Ga volgens de aanwijzingen naar het nummer van de volgende vraag. 4 Kijk naar de kenmerken en vul vervolgens de namen van de andere diergroepen in.

56

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 56

25/03/2025 11:31


Hoofdstuk 1 Leven

Organismen en soorten 1.6

Determineertabel 1a Het dier heeft een wervelkolom. ...............................gewervelde dieren, 2 A 1b Het dier heeft geen wervelkolom. .........................................................., 4 2a De huid is bedekt met schubben. ........................................................... 3 B 2b De huid is slijmerig. ................................................................................. C ........... 2c De huid is bedekt met veren. ........................................................

2d De huid is bedekt met haren. .................................................. zoogdieren D 3a Het dier ademt met kieuwen. ............................................................. ....... E 3b Het dier ademt met longen. ........................................................... .......

4a Het dier heeft geen skelet. ........................................................... wormen 4b Het dier heeft een uitwendig skelet. ........................................................5 F 5a Het skelet is een huisje of een schelp. ....................................... ..............

5b Het is een uitwendig skelet van kalk. .................................. stekelhuidigen 5c Het is een uitwendig skelet van chitine. ........................... geleedpotigen, 6 G 6a Het dier heeft 6 poten. .............................................................................. H 6b Het dier heeft 8 poten. .............................................................................. I 6c Het dier heeft 10 poten. ............................................................................

6d Het dier heeft meer poten. .......................................................veelpotigen

THEORIE Dieren ordenen

Je kunt organismen in vier grote groepen ordenen: bacteriën, schimmels, planten en dieren. Er zijn vele miljoenen soorten organismen op aarde. Het grootste deel daarvan zijn bacteriën. Elke dag worden er nieuwe soorten bacteriën en schimmels ontdekt. Ook ontdekken wetenschappers nog af en toe een nieuwe soort plant of dier. Veel planten en dieren zijn al door wetenschappers beschreven, maar vooral in ontoegankelijke oerwouden en in de oceanen leven nog steeds onbekende soorten (figuur 1). Al die organismen hebben hun eigen kenmerken, maar hebben ook overeenkomsten. Je kunt de dieren ordenen in twee groepen: de gewervelde en de ongewervelde dieren. Deze groepen kun je weer

1

In de diepzee worden soms nog nieuwe diersoorten ontdekt. Dit is de lintzaagstaartvis.

verder indelen.

57

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 57

25/03/2025 11:31


Hoofdstuk 1 Leven

Organismen en soorten 1.6

De gewervelde dieren hebben allemaal een inwendig skelet met een wervelkolom. De vissen, amfibieën, reptielen, vogels en zoogdieren behoren tot de gewervelde dieren (figuur 2). De gewervelde dieren kun je ordenen in groepen als je kijkt naar andere kenmerken, zoals de ademhaling, voortplanting en huidbedekking. voorbeelden

ademhaling

voortplanting

huidbedekking

vissen

haai goudvis

kieuwen

eieren zonder schaal

schubben

amfibieën

kikker salamander

kieuwen en huid (jong) longen en huid (volwassen) alleen huid (winter)

eieren zonder schaal

slijmerige huid

reptielen

krokodil schildpad

longen

eieren met een leerachtige schaal

schubben

vogels

kip kraai

longen

eieren met kalkschaal

veren

zoogdieren

koe mens

longen

levendbarend

haren

2

De gewervelde dieren

58

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 58

25/03/2025 11:31


Hoofdstuk 1 Leven

Organismen en soorten 1.6

Ongewervelde dieren hebben geen wervelkolom. Maar sommige ongewervelde dieren hebben wel een inwendig of uitwendig skelet. Een inwendig skelet zit in het lichaam, een uitwendig skelet zit buiten het lichaam. Voorbeelden van ongewervelde dieren zijn wormen, weekdieren, stekelhuidigen en geleedpotigen (figuur 3). De geleedpotigen zijn de grootste groep. voorbeeld

aantal poten

skelet

wormen

regenworm lintworm

geen

geen

weekdieren

slak mossel

geen

uitwendig huisje, schelp

stekelhuidigen

zeester zeeëgel

geen

inwendig kalk

geleedpotigen

vlieg (insect) kruisspin (spinachtige) krab (kreeftachtige) duizendpoot (veelpotige)

6 8 10 meer dan 10

uitwendig pantser

3

Ongewervelde dieren

Geleedpotigen zijn dieren met poten die uit meer delen bestaan (figuur 4). Als je naar het aantal poten kijkt, kun je geleedpotigen verder indelen in insecten (zes poten), spinachtigen (8 poten), kreeftachtigen (10 poten) en veelpotigen (meer dan 10 poten).

4

De acht poten van de Tarantula, een spinachtige, bestaan uit meer delen.

WIST JE DAT? Een worm in je buik Als je rundvlees eet dat rauw of niet goed doorbakken is, zoals filet americain, kun je eitjes of larven van de lintworm in je darmen krijgen. Ze voeden zich met het voedsel dat in de darm zit. De kop van de jonge lintworm hecht zich aan de darmwand, blijft groeien en legt eitjes. Een lintworm is meestal wit of geelachtig. De lintworm kan wel een paar meter lang worden en bestaat uit platte, dunne

Een lintworm

stukjes. De lintworm die in Nederland het meest voorkomt, is de runderlintworm. Deze lintworm is ongevaarlijk, meestal merk je er niets van. Soms zie je platte witte of gele stukjes in je poep of ondergoed. Natuurlijk wil je een lintworm niet in je darm laten zitten. Om hem kwijt te raken moet je naar de huisarts. Dan krijg je een medicijn dat de worm doodt. De dode worm verlaat je lichaam via de anus.

59

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 59

25/03/2025 11:31


Hoofdstuk 1 Leven

Organismen en soorten 1.6

Werken met een determineertabel

Bij determineren kijk je naar de uiterlijke kenmerken. Op basis hiervan bepaal je de naam van een organisme. Je kunt daar een determineertabel bij gebruiken, zoals in de startopdracht. In zo’n tabel staan uitspraken waarbij je steeds een keuze moet maken. Elke keuze stuurt je naar een volgende uitspraak. Je begint altijd bij 1 en je gaat door tot je bij de naam van het organisme komt. Een bijzondere determineertabel is de zoekkaart (figuur 5). Bij een zoekkaart staan de vragen in hokjes. Je begint bij start en beantwoordt de vragen steeds met ‘ja’ of ‘nee’. Uiteindelijk kom je dan bij de naam van het organisme terecht.

ja

nee

Bestaat het lichaam uit een aantal ringen (= segmenten)?

huisjesslak ja Draagt het dier een huisje op z’n rug?

insectenlarven

nee

ja

Zitten er voelsprieten op de kop?

nee Heeft het dier echte poten?

nee

naaktslak

ja

Heeft het dier 2 poten?

nee

nee ja Heeft het dier een duidelijke bek?

ja nee

ja

vogels

Heeft het dier poten?

reptielen amfibieën START

5

Een deel van een zoekkaart

Er zijn ook allerlei apps die het zoekwerk voor je doen. Je maakt een foto van een plant of dier en de app zoekt voor je uit wat de naam van het organisme is. TIP Kijk bijvoorbeeld eens op de site van waarneming.nl.

Een soort

Wanneer horen organismen bij dezelfde soort? Je spreekt over een soort als organismen zich onderling kunnen voortplanten en daarbij vruchtbare nakomelingen krijgen. De nakomelingen kunnen dus zelf ook nakomelingen krijgen. Organismen van dezelfde soort lijken meestal veel op elkaar. Toch zijn er ook organismen die wel op elkaar lijken maar niet tot dezelfde soort behoren. Bijvoorbeeld Aziatische en Afrikaanse olifanten (figuur 6). Ze kunnen geen nakomelingen krijgen die zelf weer jongen kunnen krijgen.

60

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 60

25/03/2025 11:31


Hoofdstuk 1 Leven

6

Organismen en soorten 1.6

De Afrikaanse olifant (links) en de Aziatische olifant (rechts)

Een grijze wolf en een poedel lijken niet op elkaar, maar ze kunnen wel vruchtbare nakomelingen krijgen. Een grijze wolf en een hond behoren dus wel tot dezelfde soort (figuur 7).

7

Een grijze wolf en een poedel

Door het DNA van twee dieren te vergelijken kun je vaststellen of ze tot dezelfde soort behoren. Als het DNA overeenkomt, dan horen ze bij dezelfde soort. Als het DNA te veel verschilt, zijn het verschillende soorten.

OPDRACHTEN 2

Diergroepen Het dier op de foto heeft een wervelkolom en schubben. Bij welke groep dieren wordt dit dier ingedeeld?

TIP Je mag de determineertabel uit de startopdracht gebruiken.

● Bij de gewervelde dieren: het dier heeft een slijmerige huid, het is een amfibie. ● Bij de gewervelde dieren: het dier heeft schubben, het is een reptiel. ● Bij de ongewervelde dieren: het dier heeft schubben, het is een reptiel. ● Bij de ongewervelde dieren: het dier heeft schubben, het is een vis.

61

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 61

25/03/2025 11:31


Hoofdstuk 1 Leven

3

Organismen en soorten 1.6

Een kijkje in de dierentuin In dierentuin Burgers’ Zoo in Arnhem wonen allerlei verschillende dieren in hun natuurlijke omgeving.

a Kruis de gevonden diergroepen in het schema aan en geef van elk een voorbeeld. Dit ga je doen: 1 Werk in een tweetal. 2 Scan de QR-code en ga naar de site van Burgers’ Zoo. 3 Onderzoek welke diergroepen er volgens de site in Burgers’ Zoo te vinden zijn. Gebruik eventueel de vaardigheidskaart Determineren. diergroep

aanwezig

voorbeeld

gewervelden - vissen gewervelden - amfibieën gewervelden - reptielen gewervelden - vogels gewervelden - zoogdieren wormen weekdieren geleedpotigen - insecten geleedpotigen - spinachtigen geleedpotigen - kreeftachtigen geleedpotigen - veelpotigen

b Welke diergroep is vooral te zien in Burgers' Zoo en waarom?

62

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 62

25/03/2025 11:31


Hoofdstuk 1 Leven

4

Organismen en soorten 1.6

Hooikoorts Hooikoorts wordt veroorzaakt door stuifmeelkorrels. In de afbeelding zie je een stuifmeelkorrel zoals hij er onder de microscoop uitziet.

Van welke plant is de stuifmeelkorrel afkomstig? Gebruik de determineertabel.

Determineerlijst stuifmeelkorrels 1a De stuifmeelkorrel heeft de vorm van een driehoek. ................................4 1b De stuifmeelkorrel heeft een andere vorm. ..............................................2 2a De stuifmeelkorrel heeft de vorm van een peer. .............................. zegge 2b De stuifmeelkorrel heeft een andere vorm. .............................................. 3 3a De stuifmeelkorrel heeft een bolvorm. ..................................................... 5 3b De stuifmeelkorrel heeft een langwerpige vorm. ...................................... 7 4a De stuifmeelkorrel heeft een glad oppervlak. .................................. acacia 4b De stuifmeelkorrel heeft stekels . ...................................................... distel 5a De stuifmeelkorrel heeft een glad oppervlak. ................................... zuring 5b De stuifmeelkorrel heeft geen glad oppervlak. ........................................ 6 6a De stuifmeelkorrel heeft deuken en richels. ....................................... berk 6b De stuifmeelkorrel heeft stekels . ........................................... zonnebloem 7a De stuifmeelkorrel heeft een glad oppervlak. .............................. kastanje 7b De stuifmeelkorrel heeft een ruw oppervlak. ...................................... wilg

63

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 63

25/03/2025 11:31


Hoofdstuk 1 Leven

5

Organismen en soorten 1.6

Kenmerken op een zoekkaart Hier zie je een zoekkaart voor rondvissen.

eerste rugvin

Zoekkaart rondvissen vis langgerekt, bek buisvormig

ja 1

borstvin zeenaald

nee 2 vis met buikvin

nee 3

nee 4

zwarte vlek op de snuit, bek niet ver uitstulpbaar

nee 7

buiklijn is ruw

eerste rugvin twee keer zo hoog als tweede rugvin

nee 11

afstand tussen de rugvinnen even groot als de lengte van de eerste rugvin

ja 16

ja 13

makreel

koornaarvis

5

smelt

nee 8

haring

ja

ja 10

buikvin anaalvin buiklijn staartvin

zandspiering

ja

ja 6 vis met twee rugvinnen

tweede rugvin

9

sprot

nee 12

voorste rugvin zwart, lichte stip op staartbasis

nee 14 ja 15

zeedonderpad

kleine pieterman

a Noteer de kenmerken van een makreel.

b Maak een tekening van de makreel met deze kenmerken.

64

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 64

25/03/2025 11:31


Hoofdstuk 1 Leven

6

Organismen en soorten 1.6

Boombladeren In Nederland komen verschillende boomsoorten voor. Zoek uit welke soorten er in je schoolomgeving voorkomen. Je gebruikt hiervoor een handige app. Maak samen met de andere groepjes in de klas een tentoonstelling met de verschillende bladeren. Dit heb je nodig:

• •

de app Obsidentify of een andere determineerapp 5 vellen A4-papier

Dit ga je doen: 1 Werk in een tweetal. 2 Verzamel vijf bladeren van verschillende soorten bomen in je schoolomgeving. 3 Plak elk blad op een apart vel papier. 4 Zoek uit hoe de app werkt. 5 Zoek met behulp van de app uit wat de naam van de verschillende bomen is. 6 Schrijf de naam van de boom bij elk blad.

7

Een nieuwe soort Onderzoekers hebben in het tropisch regenwoud van Brazilië een dier gevonden (zie afbeelding). Het dier heeft een harde buitenkant van chitine.

a Gebruik de determineertabel van de startopdracht om uit te vinden bij welke diergroep het dier hoort.

b Het dier lijkt heel erg op een andere kever, die de onderzoekers al beschreven hebben. Hoe kwamen de onderzoekers er vroeger achter of de beide kevers tot dezelfde soort behoren?

c Hoe kunnen ze er tegenwoordig veel sneller achter komen?

8

Erfelijke en uiterlijke kenmerken Verschillende soorten organismen hebben verschillend DNA.

a In welk deel van de cel is DNA te vinden?

b Een mens, een chimpansee, een hond en een vlinder hebben verschillend DNA. Leg uit welk DNA het meest op dat van de mens zal lijken, en welk DNA het minst.

65

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 65

25/03/2025 11:31


Hoofdstuk 1 Leven

9

Organismen en soorten 1.6

DNA in olifanten Er zijn twee soorten olifanten. De Aziatische olifant leeft in het zuiden en zuidoosten van Azië en de Afrikaanse olifant komt voor in Afrika ten zuiden van de Sahara.

a Noem een uiterlijke eigenschap waarin de Aziatische en de Afrikaanse olifant verschillen.

b Is er een verschil tussen het DNA van de Aziatische en de Afrikaanse olifant? Hoe weet je dat?

c Waarom zullen Aziatische en Afrikaanse olifanten in de natuur normaal gesproken nooit met elkaar paren?

d Waar zou dat eventueel wel kunnen gebeuren?

10

Terugkijken Kijk terug op deze paragraaf.

a Hoe heb je de opdrachten per leerdoel gemaakt? Noteer 0, – – , –, + of + +. 0 betekent niets gemaakt, + + betekent alles goed. Je kunt ...

opdrachten

score

extra oefenen (Herhaling en Plus)

1. dieren ordenen in groepen.

2, 3

H11, P15

2. werken met een determineer­ tabel.

2, 4, 5, 7a en b

H12, P17

3. benoemen wat een soort is.

6, 7a en b

H13, P16

4. uitleggen dat het erfelijk materiaal van soorten verschilt.

7c, 8, 9

H14

b Bekijk je scores van vraag a. Kies minstens één opgave waarmee je nog wil oefenen, nu of in voorbereiding op de toets. TIP Noteer alvast enkele belangrijke begrippen uit deze paragraaf. Die heb je later nodig bij 1.8 Alles in samenhang.

66

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 66

25/03/2025 11:31


Hoofdstuk 1 Leven

Organismen en soorten 1.6

HERHALING EN PLUS Online kun je verder oefenen met Herhaling en Plus. Opdracht 11 en 15 staan ook in je boek.

11

Gewervelde dieren In de afbeelding zie je een aantal gewervelde dieren. Ze zijn in de afbeelding ongeveer even groot, maar in werkelijkheid verschillen ze in grootte.

1

2

3

4

Bij welke van deze dieren legt het vrouwtje eieren om zich voort te planten?

15

Kenmerken van dieren Dieren hebben bepaalde kenmerken waardoor ze bij een groep ingedeeld worden. Vul het schema verder in. Zoek uit bij welke groep de dieren horen en noteer bij elk dier twee kenmerken. Je mag online extra informatie zoeken. naam

groep

kenmerk 1

paard

zoogdieren

haren

kenmerk 2

zeepaardje schildpad vogelspin bij

EXAMENOPGAVEN Bij deze paragraaf kun je oefenen met eindexamenopgaven. Overleg met je docent of je de eindexamenopgave Konijnen gaat maken.

67

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 67

25/03/2025 11:31


Hoofdstuk 1 Leven

Organismen in een ecosysteem 1.7

1.7 Organismen in een ecosysteem Aan het eind van deze paragraaf kun je:

• • • •

de functie van producenten en consumenten in een ecosysteem benoemen. de functie van reducenten in een ecosysteem benoemen. uitleggen welke plek producenten en consumenten in een voedselketen innemen. uitleggen hoe een organisme bij de levensprocessen energie opneemt, gebruikt en verliest.

Bij deze paragraaf horen de volgende practicumopdrachten.

• •

Zetmeel aantonen Bacteriën in de bodem

Overleg met je docent of je deze practicumopdrachten gaat uitvoeren.

STARTOPDRACHT 1

Woordzoeker ecosystemen In Nederland komen zeven ecosystemen voor.

a Kruis aan welke ecosystemen in Nederland voorkomen.

■ heide ■ koraalrif ■ loofbos ■ naaldbos ■ plas ■ poolgebied ■ regenwoud ■ savanne ■ sloot ■ steppe ■ toendra ■ wadden ■ weiland ■ woestijn

68

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 68

25/03/2025 11:31


Hoofdstuk 1 Leven

Organismen in een ecosysteem 1.7

b Zoek alle veertien ecosystemen op in de woordzoeker. De namen kunnen van links naar rechts en van boven naar beneden staan, of omgekeerd. U

S

H

R

F

Z

N

X

Q

I

L

T

Q

T

A

N

V

Y

S

F

I

F

J

C

W

D

J

W

A

S

J

V

H

P

K

T

W

U

O

S

L

O

O

T

L

O

O

F

B

O

S

S

E

S

V

K

W

F

Q

K

D

I

D

L

C

F

P

O

E

A

Q

D

K

D

U

K

O

X

A

K

U

B

X

G

D

E

W

L

H

G

P

T

D

U

J

L

X

T

O

B

Y

Y

K

Y

O

P

E

V

G

W

A

D

D

E

N

M

W

N

C

D

U

C

E

E

X

W

S

Q

B

U

G

N

T

C

N

C

W

E

S

M

S

P

O

W

E

R

T

N

S

G

O

Y

E

N

J

U

Y

J

T

P

D

E

I

V

M

J

V

E

E

P

G

J

B

J

F

F

I

E

H

I

C

Q

W

R

A

I

N

M

E

N

D

E

J

J

J

T

W

L

K

E

A

M

X

J

D

V

R

F

S

J

B

D

N

S

V

A

R

N

V

I

B

U

R

N

V

J

O

Y

H

D

B

G

E

N

I

N

S

X

H

D

A

D

E

I

B

E

G

L

O

O

P

D

P

A

Z

K

A

E

E

C

N

A

A

L

D

B

O

S

W

L

P

V

Q

I

L

J

U

E

D

I

E

H

K

Y

P

C

T

S

O

A

S

Q

B

K

O

R

A

A

L

R

I

F

Y

O

M

V

L

S

Y

K

N

X

P

K

Z

Y

I

T

P

N

M

G

U

K

THEORIE Producenten en consumenten

Een voorbeeld van een ecosysteem dat in Nederland voorkomt, is het loofbos. In loofbossen staan bomen die in de herfst hun bladeren verliezen, zoals de eik en de beuk (figuur 1).

1

Loofbos

69

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 69

25/03/2025 11:31


Hoofdstuk 1 Leven

Organismen in een ecosysteem 1.7

In bomen en in de planten die onder die bomen groeien, zoals mossen en varens, vindt fotosynthese plaats. De planten leggen de energie van de zon vast als glucose. Van glucose maken planten weer allerlei andere stoffen, zoals zetmeel, die veel energie bevatten. Ze gebruiken die stoffen om te groeien en te ontwikkelen. Wat ze niet meteen nodig hebben, wordt opgeslagen als zetmeel. Zetmeel is dus een soort reservevoedsel. De energierijke stoffen zijn ook belangrijk als voedsel voor alle andere organismen. Omdat planten energierijke stoffen produceren, noem je ze producenten (figuur 2).

2

Planten produceren energierijke stoffen die als voedsel dienen voor dieren.

Via voedsel komen de energierijke stoffen uit planten in het lichaam van dieren. Een ecosysteem is een systeem van eten en gegeten worden. Organismen die andere organismen eten om zichzelf te voeden, noem je consumenten. Voorbeelden van consumenten zijn: een koe die gras eet, een vos die een konijn eet en de made van een vlieg die rottend vlees eet.

Voedselketens

De verschillende soorten organismen in een loofbos zijn afhankelijk van elkaar. Die afhankelijkheid heeft vaak te maken met voedsel. Elk organisme is een schakel in een voedselketen met een plant als eerste schakel (figuur 3). Elke pijl in de voedselketen betekent: ‘wordt gegeten door’. Dus: gras wordt gegeten door een konijn en een konijn wordt gegeten door een vos.

gras 3

konijn

vos

Een voedselketen

70

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 70

25/03/2025 11:31


Hoofdstuk 1 Leven

Organismen in een ecosysteem 1.7

Een ecosysteem bestaat uit verschillende voedselketens. Alle voedselketens in een gebied samen vormen een voedselweb (figuur 4).

uil

kikker

muis

sprinkhaan

vos

konijn

gras 4

paardenbloem

eik

Een voedselweb

Wanneer een dier een plant of een ander dier opeet, krijgt hij energierijke stoffen binnen. Die energie wordt voor een deel gebruikt om te groeien en te ontwikkelen. Een ander deel van de energie komt door verbranding vrij en wordt gebruikt om te bewegen en om de lichaamstemperatuur constant te houden. Stoffen uit het voedsel die niet verteren en niet worden gebruikt, poept een dier weer uit. Zo wordt niet alle energie in een voedselketen steeds doorgegeven. Daardoor bevat elke volgende schakel van de voedselketen minder energierijke stoffen (figuur 5).

energieverlies energie naar volgende schakel

consumenten (vleeseters)

energieverlies

energie van de zon energie naar volgende schakel

consumenten (planteneters) energieverlies

producenten 5

Energieverlies in een voedselketen

71

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 71

25/03/2025 11:31


Hoofdstuk 1 Leven

Organismen in een ecosysteem 1.7

Reducenten

Je ziet soms van die glanzende groene bromvliegen. Zij leggen hun eitjes in dode dieren. Uit de eitjes komen larven (maden) die het vlees eten. In elk voedselweb vind je consumenten die van dode organismen, delen van dode organismen en uitwerpselen leven. Je noemt dit soort consumenten ook wel afvaleters. Uiteindelijk blijven er alleen maar dode resten over. Die resten zijn weer voedsel voor bacteriën en schimmels. Je noemt bacteriën en schimmels reducenten. Reducenten breken de resten van (dode) organismen helemaal af tot mineralen. Deze mineralen komen in de bodem en in het water terecht. Planten nemen met hun wortels water met mineralen op en gebruiken ze om van glucose andere stoffen te maken. Door dit hergebruik ontstaat er een kringloop van voedingsstoffen: de voedselkringloop (figuur 6).

producenten (planten)

voedingsstoffen

dode resten voedingsstoffen (mineralen)

6

consumenten (planteneters)

voedingsstoffen

consumenten (vleeseters)

dode resten

dode resten

reducenten (schimmels en bacteriën)

Een voedselkringloop

WIST JE DAT? Leven in een vulkaan Is er leven in een vulkaan? Of in een geiser, zo’n fontein van kokend water? Of op de bodem van de diepzee, 11 kilometer onder het wateroppervlak? Je zou denken van niet, maar er zijn inderdaad eencellige organismen gevonden op extreme plekken. Ze lijken op bacteriën, maar vormen een aparte groep omdat hun DNA heel anders is. Dus eigenlijk zijn er niet vier groepen organismen, maar vijf. Wetenschappers zijn heel geïnteresseerd in deze vijfde groep organismen, omdat ze misschien

Geiser in Yellowstone Park

ook wel op plekken in het heelal voor kunnen komen. Plekken waarvan tot nu toe gedacht werd dat er geen leven mogelijk is.

72

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 72

25/03/2025 11:31


Hoofdstuk 1 Leven

Organismen in een ecosysteem 1.7

OPDRACHTEN 2

Kabeljauw Veel mensen eten kabeljauw. Deze vis wordt veel gevangen in de Atlantische Oceaan. Kabeljauwen eten vis zoals haring. Haringen eten onder andere plantaardig plankton uit het zeewater.

a Vul het schema in. Kies de rol die het organisme speelt. producent

consument

reducent

mens

●

●

●

kabeljauw

●

●

●

haring

●

●

●

plantaardig plankton

●

●

●

b Wat is de functie van een producent in een ecosysteem?

3

Van glucose naar zetmeel Een plant maakt glucose bij fotosynthese, en dit wordt voor een deel omgezet in zetmeel: reservevoedsel voor de plant. In veel van wat jij eet, zit dit zetmeel. Je kunt zetmeel aantonen met jodium: in aanraking met zetmeel verandert dit van geel-oranje naar blauw/paars/zwart.

a Waar denk je dat zetmeel in zit, in brood of kaas? Waarom denk je dat?

b Onderzoek in welk voedsel zetmeel zit: in de kaas of in het brood. Dit heb je nodig:

• •

druppelflesje jodium petrischaaltje met een stukje brood en een stukje kaas

Dit ga je doen: 1 Werk in een tweetal en bespreek wat je ziet gebeuren. 2 Doe een druppeltje jodium op het brood en de kaas. Let op dat er geen jodium op je kleren of boeken knoeit! Gebruik eventueel de vaardigheidskaart Natuurwetenschappelijk onderzoek doen.

c Geef een verklaring waarom je antwoord op vraag b logisch is.

d In welk deel van de plant is zetmeel te vinden? e In welk deel van de cel wordt dit reservevoedsel opgeslagen?

73

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 73

25/03/2025 11:31


Hoofdstuk 1 Leven

4

Organismen in een ecosysteem 1.7

Reducenten Op de stam van een beuk groeien algen. Onder deze beuk groeien paddenstoelen op de afgevallen beukenbladeren. Op de levende bladeren aan de boom leven bladluizen. Lieveheersbeestjes eten de bladluizen.

a Welke van deze organismen zijn reducenten?

● algen ● bladluizen ● lieveheersbeestjes ● paddenstoelen b Wat is de functie van reducenten?

5

Relatieschema In de schema's A, B, C en D staan relaties tussen producenten, consumenten en reducenten. consumenten

consumenten producenten

afvaleters

reducenten

afvaleters producenten

reducenten schema A

schema B consumenten

afvaleters

consumenten producenten

reducenten

reducenten

producenten afvaleters

schema C

schema D

Welk schema geeft die relaties juist weer? schema

6

Organismen in de zee In de afbeelding zie je een voedselweb. De organismen in dit voedselweb leven in zee, behalve de mens. Plankton is een verzamelnaam voor allerlei kleine organismen in de zee. mens platvis

rondvis

garnaal

dierlijk plankton

worm

plantaardig plankton

a Hoeveel schakels heeft de langste voedselketen in dit voedselweb? schakels

74

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 74

25/03/2025 11:31


Hoofdstuk 1 Leven

Organismen in een ecosysteem 1.7

b Noteer de langste voedselketen in dit voedselweb waarin de worm voorkomt.

7

Kikkerbilletjes Kikkerbilletjes worden in een aantal landen als een lekkernij gegeten. De kikkers worden massaal gevangen in rijstvelden in Indonesië. Een nadeel hiervan is dat er minder rijst groeit in velden waar kikkers worden gevangen. Op 1 hectare rijstveld leven meer dan 12 000 kikkers, die dagelijks meer dan 3 miljoen insecten eten. Rijstplanten en kikkers zijn onderdeel van dezelfde voedselketen.

a Over welke voedselketen gaat het hier?

b Er groeit minder rijst in velden waar veel kikkers worden gevangen. Hoe kan dat? Kies steeds het juiste woord. Er zijn door het vangen meer | minder kikkers. Er worden meer | minder insecten gegeten. Er zijn daardoor meer | minder insecten. Die insecten eten meer | minder van de rijstplanten. Daardoor blijft er meer | minder rijst over.

8

Fouten in voedselketens Welke fout kun je ontdekken in de volgende voedselketens? Maak het kloppend. met fout

goed

worm  platvis  mens

gras – koe – mens

paardenbloem  konijn  vos

gras  leeuw  antilope

75

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 75

25/03/2025 11:31


Hoofdstuk 1 Leven

9

Organismen in een ecosysteem 1.7

Energie Een boer geeft zijn varkens graan als voer. Het graan en het varken zijn een deel van deze voedselketen: graan  varken  mens Het varken is in een bepaalde periode 1 kg zwaarder geworden. Het heeft in die periode geen ander voer dan graan gekregen.

a Waar heeft het varken het voer voor nodig?

b Hoeveel graan heeft het varken in die periode gegeten: 1 kg, minder dan 1 kg of meer dan 1 kg?

c Leg je antwoord uit.

10

Terugkijken Kijk terug op deze paragraaf.

a Hoe heb je de opdrachten per leerdoel gemaakt? Noteer 0, – – , –, + of + +. 0 betekent niets gemaakt, + + betekent alles goed. Je kunt ...

opdrachten

score

extra oefenen? (Herhaling en Plus)

1. de functie van producenten en consumenten in een ecosysteem benoemen.

2, 3

H13, P16

2. de functie van reducenten in een ecosysteem benoemen.

4, 5

H12, P15

3. uitleggen welke plek producenten en consumenten in een voedselketen innemen.

6, 7, 8

H11

4. uitleggen hoe een organisme bij de levensprocessen energie opneemt, gebruikt en verliest.

9

H14, P17

b Bekijk je scores van vraag a. Kies minstens één opgave waarmee je nog wil oefenen, nu of in voorbereiding op de toets. TIP Noteer alvast enkele belangrijke begrippen uit deze paragraaf. Die heb je later nodig bij 1.8 Alles in samenhang.

76

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 76

25/03/2025 11:31


Hoofdstuk 1 Leven

Organismen in een ecosysteem 1.7

HERHALING EN PLUS Online kun je verder oefenen met Herhaling en Plus. Opdracht 11 en 15 staan ook in je boek.

11

Mollen en ooievaars Ooievaars zijn mollenvangers. Maar eigenlijk is een mol als prooidier te groot voor een ooievaar. De klauwen van een ingeslikte mol kunnen wonden in de slokdarm van een ooievaar veroorzaken. Het aantal mollen in ons land is flink toegenomen. Daardoor eten de ooievaars meer mollen dan vroeger en gaan er meer ooievaars dood door een beschadigde slokdarm. Mollen en ooievaars zijn vleeseters. In de tekst wordt een gedeelte van een voedselketen genoemd: ooievaar en mol. Uit hoeveel schakels bestaat deze voedselketen minstens? Welke schakels kunnen dit bijvoorbeeld zijn?

15

Ötzi In de Alpen is in 1991 in een gletsjer een ijsmummie van 5300 jaar oud gevonden. Ötzi, zoals hij genoemd is, wordt bij –6 °C bewaard en tentoongesteld.

a Wat gebeurt er normaal gesproken met een lijk na verloop van tijd?

b Welke organismen zorgen daarvoor?

c Hoe komt het dat dit bij Ötzi niet gebeurd is?

d Onder welke omstandigheden werken bacteriën en schimmels dus minder goed?

e Waarom bewaren wij voedsel in een koelkast?

EXAMENOPGAVEN Bij deze paragraaf kun je oefenen met eindexamenopgaven. Overleg met je docent of je de eindexamenopgave De eikenbladroller gaat doen.

77

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 77

25/03/2025 11:31


Hoofdstuk 1 Leven

Alles in samenhang 1.8

1.8 Alles in samenhang TERUG NAAR HET GROTE PLAATJE 1

Leven Dit hoofdstuk hangt samen met twee andere hoofdstukken. Daarnaast bevat het vier hoofdpunten. In paragraaf 1 heb je dit al gezien in het 'grote plaatje'. Je vat nu samen wat je hierover hebt geleerd.

a Wat heb je geleerd over de samenhang tussen Leven en andere hoofdstukken? Noteer je antwoorden in de vakjes.

H2 - Stevigheid en bewegen: beweging

H6 - Planten en fotosynthese: energie

78

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 78

25/03/2025 11:31


Hoofdstuk 1 Leven

Alles in samenhang 1.8

b Wat heb je over elk hoofdpunt geleerd? Noteer je antwoorden in de vakjes. Kijk terug naar paragraaf 3 en 6.

Biologie bekijkt het leven vanuit verschillende organisatieniveaus. Kijk terug naar paragraaf 4.

Organismen zijn opgebouwd uit één of meer cellen. O2

Kijk terug naar paragraaf 2 en 5.

Levensprocessen vinden in samenhang plaats. Kijk terug naar paragraaf 6 en 7.

Verschillende soorten leven samen in een ecosysteem.

c Je hebt in paragraaf 1 antwoord gegeven op de grote vraag van dit hoofdstuk: Hoe hangt al het leven samen? Wat is nu je antwoord op de grote vraag? Kijk nog even terug naar je antwoord in paragraaf 1. En kijk ook naar je antwoorden bij opdracht a en b.

VERDER OEFENEN Bij deze paragraaf kun je oefenen met een grote eindexamenopgave. Hierin komt ook stof uit andere hoofdstukken terug. Overleg met je docent of je de eindexamenopgave Cellen en organismen gaat maken. Maak online de kennistoets en de proeftoets bij dit hoofdstuk.

79

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 79

25/03/2025 11:31


Hoofdstuk 1 Leven

Examenopgaven 1.9

1.9 Examenopgaven Maak de eindexamenopgaven bij de verschillende paragrafen. Met eindexamenopgaven oefen je de stof op examenniveau en wen je aan de vraagstelling van het eindexamen. Gebruik hierbij de vaardigheidskaart Examenopgaven maken. Kijk achteraan het hoofdstuk in deze paragraaf voor de hints bij elke opgave.

LEVENSKENMERKEN 1

Samenwerking tussen planten en bacteriën Uit: Examen KB 2023-1 Sommige planten werken samen met bepaalde bacteriën die in hun wortels leven. De bacteriën gebruiken stikstofgas uit de lucht om stikstofhoudende mineralen te maken. De mineralen geven ze aan de plant. De plant heeft deze mineralen nodig om te kunnen groeien. In ruil daarvoor krijgen de bacteriën suikers van de plant. De plaatsen waar veel van deze bacteriën leven, zijn zichtbaar en worden wortelknolletjes genoemd.

1p

Stofwisseling, waaronder voeden en uitscheiden, zijn levenskenmerken van een plant. Geef nog een ander levenskenmerk van een plant uit de informatie.

80

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 80

25/03/2025 11:31


Hoofdstuk 1 Leven

Examenopgaven 1.9

ORGANISATIENIVEAUS 2

Een torso Uit: Examen KB 2021-1 In de afbeelding zie je een torso met organen in de borstholte en de buikholte.

1p

In de afbeelding zijn delen van het verteringsstelsel met een letter aangegeven. Kies in de tabel of in de afbeelding ook een deel van het ademhalingsstelsel en een deel van het bloedvatenstelsel met een letter aangegeven zijn. deel van het ademhalingsstelsel

wel | niet

deel van het bloedvatenstelsel

wel | niet

81

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 81

25/03/2025 11:31


Hoofdstuk 1 Leven

Examenopgaven 1.9

CELLEN EN WEEFSELS 3

Een tandvleesontsteking Uit: Examen KB 2017-1 Als je je tanden niet goed poetst, kunnen bacteriën die in de tandplak achterblijven een tandvleesontsteking veroorzaken. Ook een schimmel kan de oorzaak zijn van een ontsteking van het tandvlees.

1p

Edwin heeft een tandvleesontsteking. Om de oorzaak te achterhalen wordt wat slijm uit zijn mond onderzocht. In het slijm zijn cellen aanwezig met een celkern en een celwand. Kunnen deze cellen bacteriën zijn? En kunnen het schimmelcellen zijn?

● geen bacteriën en geen schimmelcellen ● alleen bacteriën ● alleen schimmelcellen ● zowel bacteriën als schimmelcellen ORGANEN EN ORGAANSTELSELS 4

Medicijnresten in het oppervlaktewater Uit: Examen GT 2023-2 Medicijnen helpen je om een ziekte te bestrijden. Medicijnen worden na inname verbruikt en afgebroken, maar een deel van elk medicijn komt via urine of ontlasting in het riool terecht. Rioolwater wordt gezuiverd maar medicijnresten kunnen niet goed worden verwijderd. Deze medicijnresten komen daarom met het gezuiverde water in het oppervlaktewater terecht. Medicijnresten hebben effect op de organismen die in het water leven. Je ziet een tabel waar het effect van verschillende soorten medicijnresten op vissen is beschreven. medicijn wordt gebruikt voor

effect op vissen bij te hoge concentratie medicijn in het oppervlaktewater

depressie

verminderde activiteit en eetlust

pijn

weefselschade aan kieuwen

hoge bloeddruk

verandering in voortplantingsgedrag

kalmering

verminderde activiteit

Vanaf een bepaalde concentratie zijn medicijnresten in het oppervlaktewater een risico voor vissen. Onderzoekers hebben voor verschillende medicijnresten die risicogrens vastgesteld. Bij een waarde hoger dan 1 is de gemeten concentratie medicijnen hoger dan de risicogrens. Je kunt informatie hierover terugzien in de grafiek hieronder.

82

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 82

25/03/2025 11:31


Hoofdstuk 1 Leven

Examenopgaven 1.9

Je kunt informatie hierover terugzien in de grafiek hieronder.

Risico van medicijnresten in oppervlaktewater, 2009-2018 naam medicijn

werking

diclofenac

pijnstiller

azitromycine

antibiotica

oxazepam

kalmerend

dipyridamol

trombose

metoprolol

bloeddruk

paracetamol

pijnstiller 0

0,5 1,0 1,5 2,0 2,5 3,0 3,5 4,0

index (risicogrens = 1) risicogrens 1p

a Resten van pijnstillers in het water veroorzaken ‘weefselschade aan kieuwen bij vissen’. Leg uit wat een weefsel is.

1p

b Bij welk orgaanstelsel horen de kieuwen?

83

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 83

25/03/2025 11:31


Hoofdstuk 1 Leven

Examenopgaven 1.9

ORGANISMEN EN SOORTEN 5

Konijnen Uit: Examen KB 2021-2

Informatie 1 Wild en tam

Op veel plaatsen in Nederland komen wilde konijnen voor die vrij in de natuur leven. Tamme konijnen worden gehouden als huisdier of gefokt voor het vlees. Er zijn meer dan 100 rassen bij tamme konijnen. Deze rassen verschillen in onder andere kleur, grootte, oorlengte en beharing. In de afbeelding zijn twee van zulke rassen weergegeven.

5cm

5cm konijn P

2p

konijn Q

In informatie 1 staan twee konijnen van een verschillend ras afgebeeld. Het zwarte streepje onder elke afbeelding is in werkelijkheid 5 centimeter groot. Bepaal met behulp van de determineertabel tot welk ras konijn P behoort. Schrijf ook de nummers op van de stappen uit de tabel die je hebt genomen. Determineertabel voor enkele konijnenrassen 1

a b

De haren zijn langer dan 7 cm ...................................................................... 2 De haren zijn korter dan 7 cm ....................................................................... 3

2

a b

Wel oorpluimen ............................................................................................ 4 Geen oorpluimen ............................................................................. voskonijn

3

a b

De oren zijn kleiner dan 5 cm ........................................................ kleurdwerg De oren zijn groter dan 5 cm......................................................................... 5

4

a b

Licht gekleurde ogen .................................................................. angorakonijn Donker gekleurde ogen ................................................................. Amerikaan

5

a b

Lengte van de oren gelijk aan vier maal de lengte van de kop . Engels hangoor Lengte van de oren minder dan vier maal de lengte van de kop .................... 6

6

a b

Vacht met zebratekening ................................................................. Japanner Vacht zonder zebratekening .............................................................. Papillon

84

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 84

25/03/2025 11:31


Hoofdstuk 1 Leven

Examenopgaven 1.9

ORGANISMEN IN EEN ECOSYSTEEM 6

De eikenbladroller Uit: Examen KB 2021-1 De eikenbladroller is een vlindersoort. In het najaar leggen de vrouwtjes eitjes in de bladknoppen van eikenbomen. In het voorjaar komen rupsen uit de eitjes. De rupsen eten de jonge bladeren en bloemknoppen van de eikenbomen op. Hierdoor blijven de bomen lang kaal en kunnen ze minder goed groeien. Nadat de rupsen vlinders geworden zijn, groeien nieuwe bladeren aan de eikenbomen, maar de eikenbomen kunnen dan geen bloemen meer maken.

Koolmezen voeden zich met de rupsen, maar eekhoorns hebben door de rupsen juist minder voedsel. In het najaar groeien er namelijk voor de eekhoorns geen eikels aan de eerder kaal gegeten eikenbomen. 1p

In de informatie worden enkele organismen genoemd die deel uitmaken van voedselketens. Welke voedselketen is juist?

● eikenbladroller  eikenboom  eekhoorn ● eikenbladroller  eikenboom  koolmees ● eikenboom  eikenbladroller  eekhoorn ● eikenboom  eikenbladroller  koolmees

85

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 85

25/03/2025 11:31


Hoofdstuk 1 Leven

Examenopgaven 1.9

ALLES IN SAMENHANG 7

Cellen en organismen Uit: Examen KB 2019-1 P

cel 1 2p

Q

cel 2

R

cel 3

a Welke letter geeft een vacuole aan? En welke letter geeft een plaats aan waar zich cytoplasma bevindt? Schrijf je antwoord zo op: vacuole: letter cytoplasma: letter

2p

b Hieronder staan afbeeldingen van drie verschillende soorten organismen: champignons, een kip en een tulp.

Gebruik de tabel om je antwoord in te vullen. Kruis bij elk organisme aan welk type cel uit de informatie hierbij hoort. cel 1

cel 2

cel 3

champignon kip tulp

1p

c Heeft een kip organen? En heeft een tulp organen?

● Alleen een kip heeft organen. ● Alleen een tulp heeft organen. ● Een kip en een tulp hebben allebei organen.

86

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 86

25/03/2025 11:31


Hoofdstuk 1 Leven

Examenopgaven 1.9

HINTS BIJ EINDEXAMENOPGAVEN Levenskenmerken •

Samenwerking tussen planten en bacteriën: Waar hebben planten mineralen voor nodig?

Organisatieniveaus •

Een torso: Longen horen bij het ademhalingsstelsel, het hart bij het bloedvatenstelsel.

Cellen en weefsels •

Een tandvleesontsteking: één rijk heeft geen celkernen.

Organen en orgaanstelsels •

Medicijnen in het oppervlaktewater: Kieuwen halen zuurstof uit het water.

Organismen en soorten •

Konijnen: Bij een determineertabel kies je steeds tussen a en b.

Organismen in een ecosysteem •

De eikenbladroller: Een voedselketen begint met een plant.

Alles in samenhang • • •

Champignons zijn schimmels. Een vacuole is een blaasje met vocht. Een orgaan is een (onder)deel van een levend wezen.

87

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 87

25/03/2025 11:31


2 Stevigheid en bewegen SE

INHOUD Basis 2.1 Hoe blijven organismen in vorm? . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 90 2.2 Botten SE

........................................................

94

2.3 Beenverbindingen SE . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 106 2.4 Spieren SE

.....................................................

117

2.5 Been en kraakbeen SE . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 127 2.6 Blessures SE . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 136 2.7 Aanpassingen aan de leefomgeving

......................

146

..........................................

157

Afsluiting 2.8 Alles in samenhang

2.9 Examenopgaven . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 159

VAARDIGHEDEN - biologische tekening maken - natuurwetenschappelijk onderzoek doen - tabellen en diagrammen maken - werken met de microscoop

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 88

25/03/2025 11:31


9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 89

25/03/2025 11:31


Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen

Hoe blijven organismen in vorm? 2.1

2.1 Hoe blijven organismen in vorm? In dit hoofdstuk leer je over erfelijkheid en evolutie. In 'het grote plaatje' zie je welke hoofdstukvraag en hoofdpunten daarbij centraal staan en welke verbanden er zijn met andere onderwerpen.

Welke verbanden zijn er?

Wat leer je in dit hoofdstuk?

H2 H1 - Leven cellen

Hoe blijven organismen in vorm?

Een skelet geeft een lichaam vorm

Botten en spieren zorgen voor beweging

Vorm en leefomgeving passen bij elkaar

Botten en kraakbeen bevatten cellen

H9 - Ademhalen en verbranden energie

1

Het grote plaatje

90

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 90

25/03/2025 11:31


Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen

Hoe blijven organismen in vorm? 2.1

THEORIE 100 meter sprint

De 100 meter sprint is één van de afstanden voor atletiekwedstrijden. De een legt de 100 meter net wat sneller af dan de ander. Voor veel mensen is rennen geen probleem. Toch is het bijzonder dat je spieren je botten op zo’n manier laten bewegen dat jij de 100 meter in een rechte lijn aflegt. Alle botten samen vormen je skelet. Je skelet zorgt ervoor dat je niet als een plumpudding in elkaar zakt. Botten zijn sterk en hard. De botten zijn op verschillende manieren met elkaar verbonden. Kraakbeen, zoals in je oorschelp of neus, is erg flexibel bot. De bouw en functie hebben altijd met elkaar te maken. Dankzij het kniegewricht kan Femke Bol rennen

2

Femke Bol na een wedstrijd op de 400 m.

én over hordes heen springen (figuur 2).

Welke verbanden zijn er? Bekijk het ‘grote plaatje’ in figuur 1.

•

Orgaanstelsels, zoals je skelet of je spierstelsel, bestaan uit organen: je botten en spieren. Elk bot en elke spier is opgebouwd uit weefsels. En die weefsels zijn opgebouwd uit verschillende cellen: beencellen, kraakbeencellen en spiercellen (hoofdstuk 1).

•

Om te bewegen is energie nodig en daarvoor vindt er verbranding in cellen plaats. Voor de verbranding is glucose en zuurstof nodig. Daarbij komt energie vrij, onder andere in de vorm van beweging. Hoe meer je beweegt, hoe meer verbranding er plaatsvindt (hoofdstuk 9).

Wat leer je in dit hoofdstuk? Bekijk het ‘grote plaatje’ in figuur 1.

•

Een skelet geeft een lichaam vorm. De vorm van je lichaam heb je voor een groot deel te danken aan je skelet. Dankzij de wervelkolom blijft je bovenlichaam rechtop staan. De vorm van je schedel bepaalt de vorm van je hoofd. Kraakbeen zorgt voor de vorm van je neus en oren.

•

Botten en spieren zorgen voor beweging. Spieren brengen botten in beweging. Hiervoor spannen de spieren aan, waardoor de botten naar elkaar toe bewegen. Of de spieren ontspannen, waardoor de botten weer terug bewegen. Maar niet alle botten kunnen in beweging worden gebracht. Zo zit er geen beweging tussen de botten van het heiligbeen of de botten van de schedel.

•

Botten en kraakbeen bevatten cellen. Botten en kraakbeen zijn opgebouwd uit weefsel. En weefsel bestaat weer uit beencellen en kraakbeencellen. De verschillende cellen zorgen ervoor dat kraakbeen buigzamer is dan bot en bot harder is dan kraakbeen.

•

Vorm en leefomgeving passen bij elkaar. Organismen passen bij hun leefomgeving. Organismen hebben allerlei aanpassingen om daar te leven. Een vis heeft een staart om snel te kunnen zwemmen en een giraffe heeft een lange nek om naar de bladeren van bomen te bewegen.

91

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 91

25/03/2025 11:31


Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen

Hoe blijven organismen in vorm? 2.1

OPDRACHTEN 1

Verschillende vormen Een skelet geeft een lichaam vorm. Aan deze vorm kun je mensen en dieren herkennen.

a Welke organismen herken jij in hun schaduw? A= B

B= C= D= E=

C

b Raad de schaduw.

A

Dit heb je nodig:

• •

tekengerei en papier, of klei met placemat

E

Dit ga je doen:

D

1 Werk in een tweetal.

2 Zoek allebei een voorbeeld van een dier. Gebruik hierbij een boek of zoek het online op. Laat het nog niet aan elkaar zien! 3 Teken de schaduw na of maak het na van klei. 4 Raad van elkaar welke schaduw jullie hebben getekend of gemaakt.

2

Nadenken Over sommige bewegingen denk je na. Deze bewegingen maak je bewust. Andere bewegingen maak je zonder dat je erbij nadenkt. Deze bewegingen maak je onbewust. Maak je de volgende bewegingen bewust, onbewust of allebei? bewust

onbewust

knipperen met je ogen

●

●

kloppen van je hart

●

●

een boterham uit je broodtrommel pakken

●

●

kippenvel krijgen als het koud is

●

●

been uitstrekken om een voetbal weg te schieten

●

●

92

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 92

25/03/2025 11:31


Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen

3

Hoe blijven organismen in vorm? 2.1

Kraakbeen Je botten zijn hard en nauwelijks buigzaam. Kraakbeen is erg flexibel. Op verschillende plaatsen in je lichaam komt kraakbeen voor. Op welke plaatsen in je lichaam komt kraakbeen voor? Waarom is juist daar veel kraakbeen? Zet deze plaatsen van het lichaam in de linkerkolom. Vul in de rechterkolom in waarom hier veel kraakbeen is. De eerste is voorgedaan. Vergelijk je antwoorden met die van een klasgenoot en vul eventueel de lijst aan.

4

plaats in het lichaam

Waarom is juist hier veel kraakbeen?

puntje van je neus

Daardoor is het puntje van je neus flexibel.

De mol In de afbeelding zie je een mol. Mollen leven onder de grond en hebben aanpassingen om daar te kunnen leven. Welke aanpassingen heeft een mol om onder de grond te kunnen leven? Noem minimaal twee eigenschappen.

5

Hoe blijven organismen in vorm? De grote vraag van dit hoofdstuk is: Hoe blijven organismen in vorm? Wat is jouw antwoord op deze vraag? Gebruik in je antwoord de informatie van deze paragraaf.

93

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 93

25/03/2025 11:31


Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen

Botten 2.2

2.2 Botten

SE

Aan het eind van deze paragraaf kun je:

• •

de functies van het skelet benoemen. uitleggen hoe botgroepen het lichaam beschermen of zorgen voor beweging.

• •

botten van het skelet benoemen. uitleggen hoe de wervelkolom is opgebouwd.

Bij deze paragraaf horen de volgende practicumopdrachten:

• •

Braakballen Stevigheid en vorm

Overleg met je docent of je deze practicumopdrachten gaat uitvoeren.

STARTOPDRACHT 1

Een fossiel als bouwpakket Een paleontoloog heeft een aantal fossiele botten van een dinosauriër gevonden. Voorzichtig haalt de paleontoloog de botten uit het gesteente en stuurt ze naar een museum. Daar onderzoekt de paleontoloog hoe de botten het skelet vormden. Hiervoor wordt een reconstructie van de dinosauriër gemaakt.

a Maak je eigen reconstructie van een dinosauriër. Dit heb je nodig:

• • • • •

de twee knipbladen met botten achter in het boek schaar tekenpapier A3 plakstift tekenmateriaal

Dit ga je doen: 1 Knip de botten uit. 2 Vorm met de botten het skelet. 3 Plak de onderdelen op het tekenvel. 4 Teken de omtrek van de dinosauriër. Gebruik één kleur. 5 Hang het tekenvel op in het lokaal. 94

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 94

25/03/2025 11:31


Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen

Botten 2.2

b Welke functies heeft een skelet? Noem minstens twee functies.

c Bekijk de verschillen tussen dinosauriërs van je klasgenoten. Wat leer je hieruit?

d Hoe komt een dinosauriër nog meer aan zijn vorm behalve door het skelet? Noem twee soorten weefsel.

THEORIE Functies van het skelet

Organismen kunnen bewegen. Dat is een levenskenmerk. Bewegen doen ze op verschillende manieren. Het skelet is voor gewervelde dieren belangrijk voor het bewegen. Botten noem je ook wel beenderen. Andere woorden voor skelet zijn het beenderenstelsel of geraamte (figuur 1). Het skelet zorgt samen met je spieren ervoor dat je kunt bewegen. Het skelet heeft meer functies.

• •

Het skelet beschermt kwetsbare organen. Het skelet geeft stevigheid en vorm aan je lichaam.

•

Een aantal botten in het skelet maakt rode bloedcellen aan.

Botgroepen

Op verschillende plaatsen in je lichaam werken meerdere botten samen, bijvoorbeeld om je lichaam te beschermen of delen te laten bewegen. Deze botgroepen zijn:

• • • • • •

1

de schedel

Het skelet van een mens

de wervelkolom de borstkas de schoudergordel de bekkengordel de ledematen

95

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 95

25/03/2025 11:31


Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen

Botten 2.2

Je schedel beschermt je hersenen en je ogen. Je schedel bestaat uit een paar botten die stevig aan elkaar vast zitten (figuur 2). Alleen je onderkaak zit los van de bovenkaak. Hierdoor kun je bijten en kauwen. In de wervelkolom liggen zenuwen. Je wervelkolom beschermt deze zenuwen. Je wervelkolom bestaat uit verschillende wervels en heeft vier bochten boven elkaar. Samen vormen ze twee S-vormen. Dankzij deze dubbele S-vorm kan de rug een beetje

onderkaak

‘veren’ en zo schokken opvangen, bijvoorbeeld als je springt en weer neerkomt (figuur 3).

2

Een schedel

halswervels

S borstwervels

lendenwervels

S heiligbeen

staartbeen 3

De wervelkolom, gezien vanaf de rugkant (links) en de zijkant (rechts)

96

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 96

25/03/2025 11:32


Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen

Botten 2.2

Je borstkas beschermt je longen en je hart. Je borstkas bestaat uit je ribben, borstwervels en borstbeen (figuur 4). Spieren zorgen ervoor dat je borstkas kan uitzetten, waardoor je kunt ademhalen. Je schoudergordel zorgt ervoor dat je armen aan je romp vast blijven zitten. De schoudergordel bestaat uit je sleutelbeenderen en schouderbladen (figuur 4).

sleutelbeen schoudergordel schouderblad borstbeen borstkas

ribben borstwervels

4

De borstkas en schoudergordel

Je bekkengordel of bekken verbindt de romp met je benen en biedt je lichaam ondersteuning

heupbeen

wanneer je zit, staat, loopt en springt. Je bekkengordel bestaat uit je heupbeenderen, heiligbeen en staartbeen (figuur 5).

heiligbeen

Je benen en armen zijn ledematen en bestaan uit

staartbeen

verschillende botten (figuur 6). De botten van een been en een arm hebben veel overeenkomsten. 5

Het bekken

opperarmbeen dijbeen

knieschijf

ellepijp spaakbeen

kuitbeen scheenbeen

handwortelbeentjes middenhandsbeentjes vingerkootjes

voetwortelbeentjes middenvoetsbeentjes teenkootjes 6

De ledematen: been (links) en arm (rechts)

97

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 97

25/03/2025 11:32


Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen

Botten 2.2

De botten van je skelet

Je skelet bestaat uit verschillende botten (figuur 7). Veel botten in je lichaam zijn rond van vorm, bijvoorbeeld je dijbeen en je opperarmbeen. In figuur 8 zie je een dwarsdoornede van het opperarmbeen. Deze ronde botten heten pijpbeenderen. De ronde vorm geeft de botten extra stevigheid, waardoor ze meer gewicht kunnen dragen en minder snel breken. In je lichaam zitten ook platte botten, bijvoorbeeld je schouderblad en je heupbeen. Deze platte beenderen maken rode bloedcellen aan.

schedel

onderkaak sleutelbeen schouderblad borstbeen opperarmbeen rib wervels spaakbeen ellepijp heiligbeen heupbeen staartbeen

dijbeen

knieschijf

kuitbeen scheenbeen

7

De botten van het skelet

98

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 98

25/03/2025 11:32


Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen

Botten 2.2

bloedvaten

bloedvaten

8

Het opperarmbeen

De wervelkolom

Je wervelkolom bestaat uit 24 wervels (figuur 3) waardoor je je rug kunt bewegen. De wervelkolom is flexibel doordat de wervels met elkaar verbonden zijn door stukjes kraakbeen. Deze noem je de

wervel tussenwervelschijf zenuw

tussenwervelschijven (figuur 9). De tussenwervelschijven helpen je soepel te bewegen en vangen schokken op. Als je bijvoorbeeld springt, dempt het kraakbeen de schok en beschermt zo je wervelkolom. En dat is nodig omdat door de holtes van de wervels zenuwen lopen. De botten van de wervelkolom beschermen deze zenuwen. Bij iedere wervel komt er een zenuw uit het ruggenmerg. Aan de bovenzijde van de rug lopen er zenuwen naar de

9

Wervels, zijaanzicht

armen en aan de onderzijde naar de benen.

99

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 99

25/03/2025 11:32


Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen

Botten 2.2

WIST JE DAT? Grote en kleine botten Je skelet bestaat uit 206 verschillende botten. Het grootste bot in het lichaam van een mens is het dijbeen. Dit kan bij sommige mensen wel 50 centimeter lang zijn! Het kleinste botje zit in je oor: de stijgbeugel. Dit botje is ongeveer 2,8 mm groot. Het grootste bot bij dieren is de onderkaak van de blauwe vinvis. Die kan tot wel 6 meter lang zijn. Het kleinste botje zit in het binnenoor van sommige kikkers. Deze stijgbeugel kan minder dan 1 mm groot zijn.

Een boog van onderkaken van de blauwe vinvis op Schiermonnikoog

OPDRACHTEN 2

Functies van het skelet Zet de juiste functie van het skelet achter de omschrijving. Kies uit: bescherming | beweging | rode bloedcellen aanmaken | stevigheid en vorm 1 Je verliest bloed door een wondje. 2 Je longen liggen veilig in je borstkas. 3 Je zakt niet als een pudding in elkaar als je op je stoel gaat zitten. 4 Je fietst naar school.

3

Vorm Eén van de functie van het skelet is dat het vorm geeft aan je lichaam. Welk bot of welke botgroep is erg belangrijk voor de vorm van je lichaam?

● kuitbeen ● middenvoetsbeentjes ● schedel

100

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 100

25/03/2025 11:32


Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen

4

Botten 2.2

Bescherming In het schema zie je organen en botgroepen staan. Kruis in het schema aan welke organen worden beschermd door welke botgroep. hart

5

hersenen

longen

zenuwen

borstkas

■

■

■

■

schedel

■

■

■

■

wervelkolom

■

■

■

■

Bescherming bij dieren Het skelet van een gewerveld dier is aangepast aan zijn levenswijze en leefomgeving. Vergelijk het skelet van een schildpad met het skelet van een kikker. Dit ga je doen: 1 Werk in een tweetal. 2 De één zoekt informatie op over het skelet van een schildpad en de ander over het skelet van een kikker. 3 Vergelijk de informatie met elkaar. 4 Beantwoord samen de volgende vragen.

a Wat is er bijzonder aan de bouw van het skelet?

b Zorgt het skelet voor bescherming van het organisme tegen roofdieren? Leg je antwoord uit.

c Op welke manieren beschermen deze organismen zich tegen roofdieren?

101

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 101

25/03/2025 11:32


Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen

6

Botten 2.2

Het skelet Je ziet een menselijk skelet. 1

1

2 3

2 3

4

4 5 6

5 6

7 8

7

9

8 9

10

14 15

11 12 13

10 11 12 13 14 15

16

16

17

17 18

18

19

19

20

20

a Hoe heten de verschillende botten? Noteer de namen bij de onderdelen. b Kleur in de tekening de verschillende botgroepen. het bekken – geel de borstkas – groen de schoudergordel – oranje

102

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 102

25/03/2025 11:32


Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen

7

Botten 2.2

Het skelet van een hond In de tekening zie je het skelet van een hond. A

A

B

B C D C D

Hoe heten de botten A t/m D in het skelet van de hond?

8

Wervels Beantwoord de vragen. Kies uit: tussenwervelschijven | wervelkolom | zenuwen 1 Hoe heten de kraakbeenschijfjes tussen de wervels?

2 Welke onderdelen worden door een wervel beschermd?

3 Hoe noem je alle wervels bij elkaar?

103

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 103

25/03/2025 11:32


Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen

9

Botten 2.2

Hernia Een hernia is een aandoening waarbij een tussenwervelschijf uitpuilt en op een zenuw drukt. Het kan door tillen, draaien of slijtage ontstaan en komt vaak voor in de onderrug. Een hernia kan pijn, gevoelloosheid of zwakte veroorzaken in het gebied waar de zenuw signalen naartoe vervoert.

wervel tussenwervelschijf zenuw

pijngebied

Hoe komt het dat je bij een hernia last kunt hebben van je benen?

10

Terugkijken Kijk terug op deze paragraaf.

a Hoe heb je de opdrachten per leerdoel gemaakt? Noteer 0, – –, –, + of + +. 0 betekent: niets gemaakt. + + betekent: alles goed. Je kunt ...

opdrachten

score

extra oefenen? (Herhaling en Plus)

1. de functies van het skelet benoemen.

2, 3

H12, P17

2. uitleggen hoe botgroepen het lichaam beschermen of zorgen voor beweging.

4, 5

H13, P16

3. botten van het skelet benoemen.

6, 7

H11

4. uitleggen hoe de wervelkolom is opgebouwd.

8, 9

H14, P15

104

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 104

25/03/2025 11:32


Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen

Botten 2.2

b Bekijk je scores van vraag a. Kies minstens één opgave waarmee je nog wil oefenen, nu of in voorbereiding op de toets. TIP Noteer alvast enkele belangrijke begrippen uit deze paragraaf. Die heb je later nodig bij 2.8 Alles in samenhang.

HERHALING EN PLUS Online kun je extra oefenen met Herhaling en Plus. Opdracht 11 en 15 staan ook in je boek.

11

Functies van de wervelkolom Leg bij elk van de functies van het skelet uit hoe je deze terugziet in de wervelkolom. Noteer de functie en daarachter een voorbeeld. 1 2 3 4

15

Botten van een vogel Je ziet het skelet van een raaf. Benoem de gekleurde botten in de tekening. 1 2 3 4

2

3

1

4

105

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 105

25/03/2025 11:32


Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen

Beenverbindingen 2.3

2.3 Beenverbindingen

SE

Aan het eind van deze paragraaf kun je:

• • • •

uitleggen hoe botten met elkaar verbonden zijn. uitleggen hoe botten ten opzichte van elkaar bewegen. voorbeelden van verschillende gewrichten noemen. de delen van een gewricht benoemen.

Bij deze paragraaf horen de volgende practicumopdrachten:

• •

Gewrichten Kippenvleugel

Overleg met je docent of je deze practicumopdrachten gaat uitvoeren.

STARTOPDRACHT 1

Leven zonder knie Je dijbeen is het grootste bot van je lichaam. Stel dat je dijbeen nog langer zou zijn, tot aan je voet. Hoe zou dat zijn?

a Je gaat bewegen zonder je knie te gebruiken. Dit heb je nodig:

• • •

4 plankjes of balkjes van 50–75 centimeter lengte touw, tape of reepjes doek een stoel

Dit ga je doen: 1 Leg aan beide kanten van je been een balkje of plankje, met je knie ter hoogte van het midden van deze plankjes. 2 Bind de balkjes of plankjes om je been vast. Doe dit boven en onder je knie. 3 Doe hetzelfde bij je andere been. Als het goed is kun je beide knieën nu niet meer buigen. 4 Bedenk wat er gebeurt als je nu gaat lopen, zitten en opstaan. Vul dat in het schema in bij ‘voorspelling’. 5 Loop een stukje, ga even zitten op een stoel en sta dan weer op.

106

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 106

25/03/2025 11:32


Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen

Beenverbindingen 2.3

b Wat gebeurt er als je loopt, zit en opstaat? Vul in het schema jouw waarnemingen in. voorspelling

waarneming

lopen

zitten

opstaan

c Het dijbeen is een deel van je been. Uit welke botten bestaat je been nog meer? Noem minstens drie botten.

d Wat is het nut van je knieën?

THEORIE Verbindingen tussen botten

Het skelet van een mens is een verzameling van kleine en grote botten. Bijna ieder bot is met een ander bot verbonden. Er zijn verschillende beenverbindingen mogelijk (figuur 1). Sommige botten kunnen ten opzichte van elkaar bewegen, sommige een klein beetje en sommige helemaal niet (figuur 2). vingerkootje

schedelbeenderen gewrichten

heiligbeen

borstbeen rib

staartbeen

kraakbeen

gewrichten (vingerkootjes) 1

kraakbeenverbindingen (ribben en borstbeen)

vergroeiing (wervels in het heiligbeen)

naadverbinding (schedelbeenderen)

Verschillende beenverbindingen

107

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 107

25/03/2025 11:32


Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen

Beenverbindingen 2.3

beenverbinding

voorbeelden

kenmerk

beweging mogelijk?

gewricht

• pols • knie • enkel

botten bewegen ten opzichte van elkaar

ja, veel

kraakbeenverbinding

• de verbinding tussen je

botten verbonden door kraakbeen

ja, een beetje

•

ribben en borstbeen tussenwervelschijf

naadverbinding

• schedelbeenderen van

botten door naden met elkaar verbonden

nee

vergroeiing

• wervels van het

botten vormen samen een geheel

nee

de schedel

• 2

heiligbeen botten van het staartbeen

Kenmerken van beenverbindingen

Weinig tot geen beweging Botten die met elkaar zijn vergroeid

bewegen niet ten opzichte van elkaar. Net als botten die zijn verbonden door een naadverbinding. Door de gekartelde randen is deze verbinding extra stevig (figuur 3). Dankzij deze verbindingen kunnen je schedelbeenderen niet bewegen en zijn je hersenen goed beschermd. Bij de geboorte van een baby liggen de schedelbeenderen op een aantal plaatsen nog ver van elkaar af. Daar zorgt stevig weefsel onder de huid voor de bescherming

3

Naadverbinding

van de hersenen. Door deze fontanellen (figuur 4) kan de schedel tijdens de geboorte een beetje worden samengedrukt, zonder dat de hersenen beschadigd worden. Na 12 tot 18 maanden zijn de fontanellen dicht en na ongeveer vier jaar zijn de schedelbeenderen aan elkaar vast gegroeid. grote fontanel

kleine fontanel

grote fontanel

kleine fontanel

zijfontanellen zijaanzicht 4

bovenaanzicht

De fontanellen in een babyschedel

108

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 108

25/03/2025 11:32


Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen

Beenverbindingen 2.3

Botten die met elkaar zijn verbonden door kraakbeenverbindingen bewegen een beetje ten opzichte van elkaar. De meeste ribben zitten met een kraakbeenverbinding vast aan het borstbeen (figuur 5). Hierdoor kan de borstkas als geheel bewegen. Als je ademt, bewegen je ribben op en neer.

borstbeen wervel

rib

gewricht

tussenwervelschijf

kraakbeen

5

Kraakbeenverbindingen bij de ribben en het borstbeen

6

Tussenwervelschijven en gewrichten van de wervelkolom

Tussen de wervels van je wervelkolom zitten tussenwervelschijven (figuur 6). Een tussenwervelschijf is een kraakbeenverbinding en maakt de wervelkolom buigzaam. Een tussenwervelschijf bestaat uit stevig kraakbeen aan de buitenkant en een soort gelei aan de binnenkant. De borstwervels zijn onderdeel van je borstkas en zijn met kleine gewrichten verbonden met je ribben.

Veel beweging

Gewrichten maken verschillende bewegingen mogelijk. De beweging in je schouder is anders dan de beweging in je elleboog. Er zijn verschillende soorten gewrichten (figuur 7).

•

Het kogelgewricht kan in alle richtingen bewegen. Voorbeelden van een kogelgewricht zijn het schoudergewricht en het heupgewricht.

•

Met het scharniergewricht kun je in twee richtingen bewegen: strekken en buigen. De knie en de elleboog zijn scharniergewrichten.

•

Het rolgewricht maakt een rolbeweging van een bot mogelijk. Vlak bij je ellebooggewricht zit zo’n rolgewricht. Door dat gewricht rolt je spaakbeen over je ellepijp als je je hand omdraait.

scharniergewricht (twee richtingen)

kogelgewricht (alle richtingen)

rolgewricht (twee richtingen)

sleutelbeen schouderblad

opperarmbeen

opperarmbeen spaakbeen

7

opperarmbeen ellepijp spaakbeen ellepijp

Drie soorten gewrichten

109

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 109

25/03/2025 11:32


Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen

Beenverbindingen 2.3

De onderdelen van een gewricht Gewrichten zorgen ervoor dat botten ten opzichte van elkaar kunnen bewegen. Gewrichten hebben meestal twee botstukken

gewrichtskapsel

die in elkaar passen. De gewrichtskom heeft

gewrichtskop

een holte en de gewrichtskop heeft een

kraakbeen

ronding (figuur 8). Op de gewrichtskom en op de gewrichtskop zit een laagje kraakbeen. Gewrichtssmeer zorgt

gewrichtssmeer gewrichtskom

ervoor dat het kraakbeen glad blijft, waardoor het gewricht soepel werkt. Kraakbeen en gewrichtssmeer beschermen het gewricht tegen slijtage. Een gewrichtskapsel houdt de twee botstukken van het gewricht bij elkaar.

8

Vaak is een gewricht extra verstevigd met

Onderdelen van een schoudergewricht

gewrichtsbanden, zoals bij het heupgewricht en het kniegewricht. Ook aangespannen spieren houden een gewricht bij elkaar. TIP Scan de QR-code en bekijk het filmpje Gewrichten: hoe zitten de botten aan elkaar vast.

WIST JE DAT? Extreem beweeglijk Jij kunt je hoofd ongeveer 80° draaien, terwijl een uil dat tot wel 270° graden kan. Een uil kan zijn hoofd bijna helemaal rond draaien doordat hij geen 7 halswervels heeft, zoals jij, maar 14. Een dier dat nog beweeglijker is, is de koningspython. Deze slang kan tot wel 400 wervels hebben die door gewrichten met elkaar verbonden zijn. Hierdoor kan deze wurgslang extreme bewegingen maken.

De koningspython

110

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 110

25/03/2025 11:32


Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen

Beenverbindingen 2.3

OPDRACHTEN 2

Verschillende verbindingen Met welke verbinding zijn de botten verbonden? 1 Verbinding tussen je dijbeen en je heupbeenderen 2 De botten van je staartbeen zijn met elkaar verbonden. 3 Verbinding tussen je ribben en je borstbeen 4 De botten van je schedel zijn met elkaar verbonden.

3

Beenverbindingen Bij vogels en zoogdieren zijn de ribben en het borstbeen met elkaar verbonden. Welke beenverbinding is dit?

● gewricht ● kraakbeen ● naad ● vergroeiing 4

Wel of geen beweging? Tussen botten kunnen verschillende beenverbindingen zijn met meer, minder of geen beweging. Is beweging mogelijk en zo ja, in welke mate? Zet een kruisje in de juiste kolom. geen beweging

een beetje beweging

veel beweging

heiligbeen

●

●

●

wervelkolom

●

●

●

elleboog

●

●

●

schedel

●

●

●

111

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 111

25/03/2025 11:32


Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen

5

Beenverbindingen 2.3

Het bekken

vooraanzicht

In de tekening zie je een mannelijk en een vrouwelijk bekken.

bekken van een vrouw

bovenaanzicht

bekken van een man

a Welk verschil zie je tussen het bekken van een man en dat van een vrouw?

b Waarom zal dit verschil er zijn?

c Aan de voorkant van het bekken zie je dat botten met elkaar verbonden zijn door kraakbeen. Wat is de functie van deze verbinding?

112

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 112

25/03/2025 11:32


Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen

6

Beenverbindingen 2.3

Verschillende gewrichten Op de afbeelding zie je een leerling. Welke soorten gewrichten zitten er op plaats 1, 2 en 3? 1

1 2 3

2

3

7

Rollen maar Je gaat samen met een klasgenoot ervaren hoe een rolgewricht werkt. Dit ga je doen: 1 Werk in een tweetal. 2 Steek een arm recht vooruit, met de handpalm omhoog. 3 Je klasgenoot pakt de arm losjes met twee handen vast en draait de hand met de handpalm naar beneden. 4 Draai dan de rollen om. Wat voel je gebeuren als je arm wordt gedraaid?

8

Gewrichten In de tekening zie je verschillende onderdelen van een gewricht. Benoem de aangegeven onderdelen. Kies uit: gewrichtsbanden | gewrichtskapsel | gewrichtskom | gewrichtskop | gewrichtssmeer | kraakbeenlaagje 1

1

2

2 3 4 5

3 4 5 6

6

113

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 113

25/03/2025 11:32


Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen

9

Beenverbindingen 2.3

Een botziekte bij paarden Naar: Examen KB 2004-1 De kop en de kom van een gewricht zijn bekleed met kraakbeen. Dat is niet alleen bij mensen, dit is bij paarden precies zo. Maar bij sommige renpaarden komt in het bot van de kop en van de kom extra kraakbeen voor. Dit heet osteochondrose. Bij deze aandoening verandert tijdens het eerste levensjaar het soepele kraakbeen niet in hard bot. Hierdoor kunnen onder het kraakbeenlaagje verdikkingen ontstaan.

a Noem twee functies van het laagje kraakbeen op de kop en de kom van een gewricht. normale situatie

b Waar vind je dit gewricht in het skelet van een paard?

situatie met osteochondrose

Legenda: beenweefsel kraakbeenweefsel

■ bij A ■ bij B ■ bij C ■ bij D

C

A

D

B

c Hoe zal een paard met osteochondrose bewegen?

114

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 114

25/03/2025 11:32


Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen

10

Beenverbindingen 2.3

Terugkijken Kijk terug op deze paragraaf.

a Hoe heb je de opdrachten per leerdoel gemaakt? Noteer 0, – – , –, + of + +. 0 betekent: niets gemaakt. + + betekent: alles goed. Je kunt ...

opdrachten

score

extra oefenen? (Herhaling en Plus)

1. uitleggen hoe botten met elkaar verbonden zijn.

2, 3

H13, P17

2. uitleggen hoe botten ten opzichte van elkaar bewegen.

4, 5

H11, P16

3. voorbeelden van verschillende gewrichten noemen.

6, 7

H12, P15

4. de delen van een gewricht benoemen.

8, 9

H14

b Bekijk je scores van vraag a. Kies minstens één opgave waarmee je nog wil oefenen, nu of in voorbereiding op de toets. TIP Noteer alvast enkele belangrijke begrippen uit deze paragraaf. Die heb je later nodig bij in 2.8 Alles in samenhang.

HERHALING EN PLUS Online kun je extra oefenen met Herhaling en Plus. Opdracht 11 en 15 staan ook in je boek.

11

Beweging bij botten Zowel je borstbeen en ribben als je mond zijn belangrijk om te kunnen ademhalen.

a Op welke manier zijn je borstbeen en je ribben met elkaar verbonden? gewricht | kraakbeen | vergroeid

b Hoeveel beweging is er mogelijk door deze verbinding? een beetje | veel | weinig

c Waarom is je onderkaak op een andere manier verbonden aan je schedel dan je borstbeen aan je ribben?

115

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 115

25/03/2025 11:32


Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen

Beenverbindingen 2.3

d Waarom is het nog meer belangrijk dat je onderkaak los met de schedel is verbonden? Noem twee functies.

15

Paarden In de tekening zie je het skelet van een paard. Het skelet van een paard bestaat uit 205 botten. De botten hebben dezelfde namen als de overeenkomstige botten bij de mens.

P

bekken

opperarmbeen

Q scheenbeen

spaakbeen

spronggewricht

a Benoem de botten P en Q. P Q

b In de tekening is ook het spronggewricht weergegeven. Met welk gewricht van de mens komt het spronggewricht overeen?

● met het ellebooggewricht ● met het enkelgewricht ● met het kniegewricht ● met het polsgewricht

116

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 116

25/03/2025 11:32


Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen

Spieren 2.4

2.4 Spieren

SE

Aan het eind van deze paragraaf kun je:

• • • •

benoemen hoe spieren botten in beweging brengen. uitleggen hoe spieren samenwerken. de functie van verschillende spieren uitleggen. de delen van een spier benoemen.

Bij deze paragraaf horen de volgende practicumopdrachten:

• •

Vermoeide spieren Spierweefsel

Overleg met je docent of je deze practicumopdrachten gaat uitvoeren.

STARTOPDRACHT 1

Squatten Je gebruikt je spieren om te bewegen. Heeft het gebruik van je spieren invloed op je ademhaling en op je lichaamstemperatuur? Je gaat ervaren of dat zo is. Je beantwoordt eerst de twee onderzoeksvragen a en b. De antwoorden zijn jouw hypotheses.

a Wat is de invloed van beweging op je ademhaling? Na beweging is mijn ademhaling langzamer dan / gelijk aan / sneller dan voor de beweging.

b Wat is de invloed van beweging op je lichaamstemperatuur? Na beweging is mijn lichaamstemperatuur lager dan / gelijk aan / hoger dan voor de beweging.

117

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 117

25/03/2025 11:32


Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen

Spieren 2.4

c Doe de oefening en ervaar wat er gebeurt als je je spieren gebruikt. Dit heb je nodig:

•

stopwatch

Dit ga je doen: 1 Ga rustig op een stoel zitten. Concentreer je 1 minuut op je ademhaling. 2 Ga naast je stoel staan en voer 10 squats uit. 3 Ga weer zitten op je stoel. 4 Focus opnieuw op je ademhaling en let op je lichaamstemperatuur. Beantwoord daarna de vragen. De antwoorden zijn de conclusies op de onderzoeksvragen. Gebruik hierbij eventueel de vaardigheidskaart Natuurwetenschappelijk onderzoek doen.

d Wat is de invloed van beweging op je ademhaling?

e Wat is de invloed van beweging op je lichaamstemperatuur?

f

Op je huid verschijnt misschien al zweet en je ademt meer waterdamp uit. Door welk proces in de spiercellen ontstaat er water?

● fotosynthese ● verbranding g Het gebruik van je spieren heeft dus invloed op je ademhaling. Hoe kun je dit verklaren?

h Het gebruik van je spieren heeft dus invloed op je lichaamstemperatuur. Hoe kun je dit verklaren?

118

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 118

25/03/2025 11:32


Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen

Spieren 2.4

THEORIE Spieren laten je botten bewegen

Je skelet zorgt ervoor dat je lichaam kan bewegen. Je botten bewegen niet uit zichzelf. Daar heb je spieren en gewrichten voor nodig. Alle spieren samen noem je het spierstelsel. Je lichaam bestaat voor ongeveer de helft uit spieren. Veel spieren zitten vlak onder de huid (figuur 1), zoals de spieren in je bovenarm en de kauwspier bij je wang. Die spieren kun je gemakkelijk voelen als je je hand op je huid legt. Als spieren samentrekken en er daardoor enkele botten meebewegen, noem je die spieren skeletspieren.

1

Veel spieren liggen vlak onder je huid.

Spieren zitten met pezen aan je botten vast. Pezen zijn taai en sterk. Een voorbeeld van een sterke, dikke pees is je achillespees (figuur 2). Pezen kunnen niet samentrekken, spieren kunnen dat wel. Als een spier samentrekt, wordt hij korter en dikker. Als een spier ontspant, wordt hij langer en dunner.

kuitspier

achillespees

hielbeen 2

Achillespees

119

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 119

25/03/2025 11:32


Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen

Spieren 2.4

Spieren werken samen

De spier in je bovenarm heet biceps (figuur 3). Als je biceps samentrekt, buigt je arm. Als je biceps ontspant, strekt je arm zich niet vanzelf uit. Het strekken van je arm gebeurt doordat de triceps zich aanspant. Je biceps en je triceps laten je onderarm buigen en strekken met tegengestelde bewegingen (figuur 3). Als twee spieren zorgen voor tegengestelde bewegingen zijn het antagonisten. biceps

biceps

triceps 3

triceps

Biceps en triceps zijn antagonisten

Je kunt je spieren sterk houden door ze te trainen. Door je spieren steeds iets meer en zwaarder te belasten dan normaal, kun je spieren zelfs dikker en sterker maken. Door regelmatig te trainen (figuur 4) verklein je de kans op blessures en houd je je rug gemakkelijker rechtop als je zit.

4

Planking is een goede training voor je buikspieren.

Spieren in je lichaam

Het spierstelsel bestaat uit veel verschillende spieren. Niet alle spieren zijn skeletspieren en brengen botten in beweging. De spieren in je darmen maken peristaltische bewegingen zonder dat er botten bewegen. Zo duwen de spieren in je slokdarm het voedsel van de mondholte naar je maag. De hartspier beweegt en zorgt dat je hart klopt, maar zonder dat je skelet beweegt. En terwijl jij deze tekst leest, zorgen spieren in en rondom je ogen ervoor dat je de letters scherp ziet.

120

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 120

25/03/2025 11:32


Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen

Spieren 2.4

De bouw van een spier

Een skeletspier (figuur 5) is opgebouwd uit spiervezels. De spiervezels zijn lang en dun. Spiervezels bestaan uit een aantal samengesmolten kleine spiercellen. Daarom zie je meerdere celkernen in één spiervezel. Meerdere spiervezels bij elkaar vormen een spierbundel. Meerdere spierbundels vormen samen een spier. Tussen de spierbundels lopen bloedvaten en zenuwen. De bloedvaten voorzien de spieren van voedingsstoffen en zuurstof, zodat verbranding kan plaatsvinden. En de bloedvaten voeren afvalstoffen, zoals water en koolstofdioxide, weer af.

spiervezel

spierbundel

celkern

bot pees spier

5

De bouw van een skeletspier

Er zijn verschillende soorten spierweefsel, zoals glad spierweefsel en dwarsgestreept spierweefsel. Glad spierweefsel bestaat uit langwerpige, dunne cellen. Dit weefsel komt voor in je darmwand en je bronchiën. Deze spieren trekken zich niet zo snel samen als skeletspieren, zijn onvermoeibaar en trekken samen zonder dat je je daar bewust van bent. Skeletspieren bestaan uit dwarsgestreept spierweefsel (figuur 6). Je stuurt deze spieren bewust aan vanuit het centrale zenuwstelsel. Je hart bestaat uit hartspierweefsel. Dit weefsel lijkt op dwarsgestreept spierweefsel, maar je hart klopt gelukkig gewoon door zonder dat je erover na hoeft te denken.

6

Dwarsgestreept spierweefsel onder de microscoop

121

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 121

25/03/2025 11:32


Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen

Spieren 2.4

WIST JE DAT? Supertong Dat je je tong kunt uitsteken is misschien geen gek idee. Maar wat nu als je tong bijna 2,5 keer zo lang is als je lichaam? En je die tong ook nog eens met bijna 100 kilometer per uur uit je mond kunt laten schieten? Bij kameleons is dat het geval. Geduldig wachten zij tot hun prooi binnen bereik is. Om vervolgens vliegensvlug toe te slaan. Daarna halen zij hun tong, met hun prooi daarop vastgeplakt, weer binnen.

Een kameleon vangt een insect met zijn supertong.

OPDRACHTEN 2

Beweging Hoe laten spieren je botten bewegen? Vul de juiste woorden in. Kies uit: botten | ontspannen | pezen | samentrekken | spieren Spieren laten je

bewegen. Dit gebeurt wanneer je spieren

Ze worden dan dikker en korter. Spieren zitten met spieren

3

, worden je

.

vast aan je botten. Als je

langer en dunner.

Je voet strekken Een spier kan in een normale toestand verkeren of samengetrokken of ontspannen zijn. Kijk naar de tekeningen van een spier.

A

Welke afbeelding laat zien hoe een spier eruitziet in een ontspannen toestand? Leg je antwoord uit.

B

C

122

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 122

25/03/2025 11:32


Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen

4

Spieren 2.4

Bewegingen In het schema zie je spieren en bewegingen staan. Geef in het schema aan of de spieren ontspannen of samengetrokken zijn. ontspannen

5

samengetrokken

gebogen arm: biceps is

●

●

gebogen arm: triceps is

●

●

gestrekte arm: biceps is

●

●

gestrekte arm: triceps is

●

●

Antagonisten in je been Je kuitspier en je scheenbeenspier werken samen. In deze opdracht voel je dat. Dit ga je doen: 1 Werk in een tweetal en spreek af wie A is en wie B is. 2 A gaat zitten en legt zijn voeten omhoog op de stoel. Stroop je broek op tot aan je knie. 3 B legt een hand net onder de knie op het scheenbeen van A. Leg je andere hand onder aan de kuit. 4 A beweegt zijn tenen afwisselend langzaam naar zich toe en van zich af. De ander voelt wat er in het scheenbeen en in de kuit gebeurt. 5 Wissel de rol nu om.

a Wanneer voelde je de scheenbeenspier van je klasgenoot samentrekken?

b Wanneer voelde je de kuitspier van je klasgenoot samentrekken?

c Leg uit waarom de kuitspier en de scheenbeenspier antagonisten zijn.

d Verklaar dat antagonisten nodig zijn om een lichaamsdeel als je voet te laten bewegen.

123

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 123

25/03/2025 11:32


Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen

6

Spieren 2.4

Rechtop zitten Het is belangrijk om rechtop te zitten. Als je krom of in elkaar gedoken zit, kun je last krijgen. Je zult per ademhaling waarschijnlijk minder zuurstof in je bloed opnemen. Hoe komt het dat je per ademhaling waarschijnlijk minder zuurstof in je bloed zult opnemen?

● Je spieren kunnen je borstkas minder ver laten uitzetten. ● Je spieren kunnen minder goed samentrekken. ● Je spieren kunnen minder zuurstof opnemen uit de lucht. 7

Sporten Voor een fit lichaam is het belangrijk dat je tijdens het sporten verschillende oefeningen doet.

a Waarom is het belangrijk dat je verschillende oefeningen doet en niet steeds dezelfde?

b Welke spieren train je vooral tijdens het doen van een push-up?

c Tijdens het sporten is niet alleen het dwarsgestreept spierweefsel van de skeletspieren meer doorbloed. Ook het hartweefsel en glad spierweefsel zijn meer doorbloed. Leg de functie daarvan uit.

8

Spierweefsels Is er sprake van glad spierweefsel of dwarsgestreept spierweefsel? 1 spieren om je bloedvaten: glad spierweefsel | dwarsgestreept spierweefsel 2 spieren die kippenvel veroorzaken: glad spierweefsel | dwarsgestreept spierweefsel 3 je biceps en je triceps: glad spierweefsel | dwarsgestreept spierweefsel

9

Bouw van een spier Uit welke delen bestaat een spier? Zet de delen in de juiste volgorde van klein naar groot. spiervezel spierbundel spiercel

124

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 124

25/03/2025 11:32


Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen

10

Spieren 2.4

Terugkijken Kijk terug op deze paragraaf.

a Hoe heb je de opdrachten per leerdoel gemaakt? Noteer 0, – –, –, + of + +. 0 betekent: niets gemaakt. + + betekent: alles goed. Je kunt ...

opdrachten

score

extra oefenen? (Herhaling en Plus)

1. benoemen hoe spieren botten in beweging brengen.

2, 3

H13, P16

2. uitleggen hoe spieren samenwerken.

4, 5

H12

3. de functie van verschillende spieren uitleggen.

6, 7

H14, P15

4. de delen van een spier benoemen.

8, 9

H11, P17

b Bekijk je scores van vraag a. Kies minstens één opgave waarmee je nog wil oefenen, nu of in voorbereiding op de toets. TIP Noteer alvast enkele belangrijke begrippen uit deze paragraaf. Die heb je later nodig bij in 2.8 Alles in samenhang.

HERHALING EN PLUS Online kun je extra oefenen met Herhaling en Plus. Opdracht 11 en 15 staan ook in je boek.

11

Spierbouw In de schematische tekening zie je een

1

dwarsdoorsnede van een spier. Hoe heten de genummerde delen?

2

1 2 3 3

125

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 125

25/03/2025 11:32


Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen

15

Spieren 2.4

Je hart Je hartspier pompt bloed rond door je lichaam. Hierdoor worden zuurstof, voedingsstoffen en afvalstoffen in je lichaam vervoerd. Door twee tot drie keer per week intensief te bewegen, kun je je hartspier sterker maken. Als je hartspier sterker wordt, heeft dat gevolgen voor het bloed dat je hart per hartslag rondpompt.

a Hoe reageert je hartspier op intensieve beweging?

● Door intensief te bewegen gaat je hart langzamer kloppen. ● Door intensief te bewegen gaat je hart onregelmatig kloppen. ● Door intensief te bewegen gaat je hart sneller kloppen. b Welk gevolg heeft een sterkere hartspier voor het bloed dat per hartslag wordt rondgepompt?

● Het bloed kan langzamer en zachter door het lichaam worden gepompt. ● Het bloed kan extra zuurstof in zich opnemen terwijl het door het lichaam wordt gepompt.

● Het bloed kan sneller en krachtiger door het lichaam worden gepompt.

126

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 126

25/03/2025 11:32


Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen

Been en kraakbeen 2.5

2.5 Been en kraakbeen

SE

Aan het eind van deze paragraaf kun je:

• • • •

uitleggen waardoor botten stevig en buigzaam zijn. uitleggen waardoor kraakbeen beweeglijk is. uitleggen hoe je kalkstof en lijmstof in botten aantoont. uitleggen hoe de verhouding tussen kraakbeen en bot verandert tijdens je leven.

Bij deze paragraaf horen de volgende practicumopdrachten:

• • •

Cellen van kraakbeen Cellen van been Kalkstof en lijmstof

Overleg met je docent of je deze practicumopdrachten gaat uitvoeren.

STARTOPDRACHT 1

Breekbaar of buigbaar Een levend takje buigt, maar een dood takje breekt gemakkelijk. Hoe zit dat met een gum?

a Je gaat onderzoeken hoe buigzaam of hoe breekbaar een gum is. Dit heb je nodig:

•

een gum

Dit ga je doen: 1 Pak de gum vast met twee handen. 2 Probeer de gum eerst te buigen. Probeer de gum daarna te breken.

b Kun je een gum gemakkelijk buigen? c Kun je een gum gemakkelijk breken? d Kraakbeen kun je vergelijken met een gum: een soort bot dat je gemakkelijk kunt buigen. Geef een voorbeeld van een plek in je lichaam waar kraakbeen zit.

127

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 127

25/03/2025 11:32


Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen

Been en kraakbeen 2.5

THEORIE Stevige botten

De botten van je skelet geven stevigheid

kraakbeen sponsachtig beenweefsel

aan je lichaam. Vooral de buitenkant van het bot is hard, glad en zwaar. Veel botten zijn van binnen hol en opgevuld met sponsachtig weefsel. Dit sponsachtig weefsel bevat beenmerg. De meeste botten hebben aan de uiteinden sponsachtig beenweefsel (figuur 1).

bloedvaten

Onder de microscoop zie je dat beenweefsel bestaat uit beencellen met tussencelstof (figuur 2). De tussencelstof bestaat uit veel kalkstof (ook wel kalkzouten genoemd) en weinig lijmstof. Kalkstof geeft je botten stevigheid. Als botten alleen maar zouden bestaan uit kalkstof, zouden ze snel breken. Lijmstof zorgt ervoor dat botten een beetje kunnen buigen, dus dat ze flexibel zijn. Door het beenweefsel lopen bloedvaten die voedingsstoffen en zuurstof aanvoeren. Daardoor kan een bot groeien en herstellen als het is gebroken.

1

Compact en sponsachtig beenweefsel in het opperarmbeen

tussencelstof uitloper van de beencel 2

beencel

Beenweefsel 128

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 128

25/03/2025 11:32


Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen

Been en kraakbeen 2.5

Beweegbaar kraakbeen

Het skelet bestaat niet alleen uit botten, maar ook uit kraakbeen. Kraakbeen zit op veel plaatsen, zoals in je gewrichten, in je neus en oren en in je wervelkolom. Kraakbeen is lichter dan bot. Kraakbeenweefsel bestaat net als beenweefsel uit cellen met tussencelstof ertussen. De tussencelstof bestaat voor het grootste deel uit lijmstof. Door kraakbeenweefsel lopen in tegenstelling tot beenweefsel geen bloedvaten. De huid vervoert bloed met zuurstof en voedingsstoffen naar het kraakbeen toe. Zo transporteert de huid van je oor bloed naar het kraakbeen eronder. Voedingsstoffen en zuurstof komen hierdoor minder gemakkelijk bij de kraakbeencellen. Daardoor herstelt beschadigd kraakbeen langzaam of niet goed. Er is verschil in beweeglijkheid van kraakbeen. Dit komt door een verschil in de bouw van het weefsel (figuur 3).

•

Het kraakbeen in je gewrichten is stevig en glad. Het zit daarom vaak tussen twee bewegende botdelen die tegen elkaar worden gedrukt. Kraakbeen zorgt ervoor dat botten soepel langs elkaar glijden.

•

Het kraakbeen van je oorschelp en het puntje van je neus is stevig en elastisch, waardoor het een beetje kan vervormen.

•

Het kraakbeen van de tussenwervelschijven van de wervelkolom is stevig en weinig vervormbaar. Het vangt daardoor de schokken van bewegingen op.

2

1 4 1 = kraakbeen in het kniegewricht 2 = kraakbeen van het puntje van je neus 3 = kraakbeen van tussenwervelschijven 3

5

3

4 = kraakbeencel 5 = tussencelstof

Drie voorbeelden van kraakbeen

Stoffen in botten aantonen

Door een eenvoudige proef kun je kalkstof en lijmstof in botten aantonen (figuur 4). Wanneer je een botje in zoutzuur legt en er na een tijdje uithaalt, kun je het botje gemakkelijk buigen. Dit komt doordat de kalkstof oplost en de lijmstof overblijft. Wanneer je een botje in een vlam houdt, verbrandt de lijmstof in het bot en de kalkstof blijft over. Als je dan een beetje kracht zet, breek je het botje zo doormidden.

4

Kalkstof en lijmstof aantonen

TIP Scan de QR-code en bekijk dit filmpje als je meer wilt weten over botten.

129

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 129

25/03/2025 11:32


Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen

Been en kraakbeen 2.5

Veranderingen van het skelet

De botten van een ongeboren baby bestaan eerst uit kraakbeen. Voor de geboorte wordt het kraakbeenweefsel steeds meer omgezet in beenweefsel (figuur 5). Bij de geboorte bestaat een groot deel van het skelet uit beenweefsel, zoals bij de lange pijpbeenderen. De uiteinden van die botten zijn nog van kraakbeen. Tijdens je leven neemt de hoeveelheid lijmstof in je botten af en de hoeveelheid kalkstof in je botten neemt toe. Daardoor zijn botten van oudere mensen minder buigzaam en breken ze sneller. Om je botten gezond te houden is het belangrijk om voldoende mineralen (kalk) en vitaminen (vitamine D) met je voeding binnen te krijgen. Ook is het belangrijk om voldoende te bewegen. groeischijf

kraakbeen bot

A

B

C

D

F

E

voor de geboorte 5de week

G

H

I

na de geboorte 40ste week

1 jaar 1 jaar

4 jaar 4 jaar

17 jaar 15 jaar

18-21 jaar 16-18 jaar

toename verbening van skelet 5

De vorming en groei van pijpbeenderen

WIST JE DAT? Bloemkooloren Beoefenaars van contactsporten, zoals MMA, rugby en worstelen, hebben vaak last van bloemkooloren. Bloemkooloren kunnen ook ontstaan na het zetten van een piercing of een oorbel in het kraakbeen. Bloemkooloren zijn vervormde, bobbelige oren, die lijken op de vorm van bloemkoolroosjes. De vervorming ontstaat doordat het kraakbeen van de oorschelp beschadigd raakt. Het bestaande weefsel sterft af en nieuw kraakbeen groeit, maar dit nieuwe

Reza Madad, een oud-vechtsporter met bloemkooloren

kraakbeen is dan bobbelig van vorm.

130

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 130

25/03/2025 11:32


Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen

Been en kraakbeen 2.5

OPDRACHTEN 2

Stevigheid Als het hard waait zie je hoge bomen heen en weer wiegen. Een boom is behoorlijk buigzaam. Maar als je bij de boom staat en ertegen duwt, zul je merken dat de boom ook heel stevig is. Zo werkt het ook met je botten. Als je op de grond valt, buigen ze een beetje door. Maar als je een deur openduwt, zijn je botten heel stevig. Hoe komt het dat je botten zo stevig zijn?

● Kalkstof maakt je botten stevig. ● Lijmstof en kalkstof samen maken je botten stevig. ● Lijmstof maakt je botten stevig. 3

Engelse ziekte Mensen met de Engelse ziekte hebben last van skeletafwijkingen, vertraagde groei en zwakkere botten. Daardoor breken hun botten sneller dan de botten van mensen die de ziekte niet hebben en groeien hun botten soms krom. De Engelse ziekte is een ziekte die ontstaat door een vitamine D-tekort. Je lichaam gebruikt vitamine D om kalk op te nemen. Zo kunnen je botten groeien. De meest voorkomende oorzaak van een vitamine D-tekort is een gebrek aan zonlicht. Leg uit hoe de Engelse ziekte skeletafwijkingen en zwakkere botten veroorzaakt.

4

Bot en kraakbeen Kraakbeen zit op veel plaatsen in het lichaam.

a In het schema staan vier delen van het lichaam. Bevat het deel vooral bot of vooral kraakbeen? bot

kraakbeen

arm

●

●

neus

●

●

oor

●

●

voet

●

●

131

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 131

25/03/2025 11:32


Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen

Been en kraakbeen 2.5

b Waar bevindt zich kraakbeen in het gezicht? Omcirkel de plaatsen in de schedel.

5

Kraakbeen Op verschillende plaatsen in je lichaam komt veel kraakbeen voor. Bijvoorbeeld in uitstekende delen zoals het puntje van je neus en in je oren. Welk voordeel heeft kraakbeen op deze plaatsen?

6

Kalkstof Botten bestaan voornamelijk uit kalkstof en lijmstof. Van welke stof is het meeste aanwezig in je dijbeen?

● kalkstof ● lijmstof ● Van beide stoffen is evenveel aanwezig.

132

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 132

25/03/2025 11:32


Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen

7

Been en kraakbeen 2.5

Beenweefsel Naar: Examen GT/TL 2004-2 Bij een patiënt met de ziekte van Kienböck functioneert het polsgewricht niet goed. Hierdoor ontstaat pijn in dit gewricht, vooral als de hand bewogen wordt. De aandoening ontstaat als één van de handwortelbeentjes te weinig bloed krijgt toegevoerd en dan afsterft. In de tekening zie je een stukje beenweefsel, gezien door een microscoop.

P

Q R

a Zie je hier een dwarsdoorsnede of een lengtedoorsnede van een stuk bot? Gebruik hierbij eventueel de vaardigheidskaart Biologische tekening maken.

b Welke letter geeft de plaats aan waar zich een bloedvat bevindt? letter

c Door het slecht functioneren van het polsgewricht ontstaat slijtage. Vooral het gewrichtskraakbeen wordt dan aangetast. Noem een functie van het kraakbeen in een gewricht.

8

Flexibele baby Baby’s zijn ontzettend flexibel en kunnen met gemak hun teen in hun mond steken. Dit komt mede doordat hun botten nog voor een groot deel bestaan uit een bepaald weefsel.

a Welk weefsel is dat?

● beenweefsel ● kraakbeenweefsel b Kies het juiste woord. Baby’s hebben in verhouding meer kalkstof | lijmstof in de botten dan ouderen.

133

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 133

25/03/2025 11:32


Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen

9

Been en kraakbeen 2.5

Samenstelling van botten Als je ouder wordt, verandert de samenstelling van je botten. In het diagram zie je een

percentage

grafiek getekend van de hoeveelheid lijmstof in je botten.

lijmstof

leeftijd Teken een grafiek die de verandering van de hoeveelheid kalkstof in je botten weergeeft. Gebruik hierbij eventueel de vaardigheidskaart Tabellen en diagrammen maken.

10

Terugkijken Kijk terug op deze paragraaf.

a Hoe heb je de opdrachten per leerdoel gemaakt? Noteer 0, – –, –, + of + +. 0 betekent: niets gemaakt. + + betekent: alles goed. Je kunt ...

opdrachten

score

extra oefenen? (Herhaling en Plus)

1. uitleggen waardoor botten stevig en buigzaam zijn.

2, 3

H11, P16

2. uitleggen waardoor kraakbeen beweeglijk is.

4, 5

H13, P15, P17

3. uitleggen hoe je kalkstof en lijmstof in botten aantoont.

6, 7

H14

4. uitleggen hoe de verhouding tussen kraakbeen en bot verandert tijdens je leven.

8, 9

H12

b Bekijk je scores van vraag a. Kies minstens één opgave waarmee je nog wil oefenen, nu of in voorbereiding op de toets. TIP Noteer alvast enkele belangrijke begrippen uit deze paragraaf. Die heb je later nodig bij 2.8 Alles in samenhang.

134

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 134

25/03/2025 11:32


Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen

Been en kraakbeen 2.5

HERHALING EN PLUS Online kun je extra oefenen met Herhaling en Plus. Opdracht 11 en 15 staan ook in je boek.

11

De bouw van botten Je botten zijn opgebouwd uit verschillende stoffen. Welke stoffen horen bij de genoemde eigenschap? Deze stof geeft stevigheid aan je botten.

kalkstof | lijmstof

Deze stof zorgt voor flexibiliteit van je botten. kalkstof | lijmstof

15

Een schedel gevonden Wanneer een mens overlijdt en begraven wordt, is na verloop van tijd alleen het skelet nog over. De rest is verteerd. Op de foto zie je een gevonden schedel van een konijn. Waarom zitten er geen oren aan deze schedel?

135

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 135

25/03/2025 11:32


Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen

Blessures 2.6

2.6 Blessures

SE

Aan het eind van deze paragraaf kun je:

• • • •

uitleggen hoe blessures ontstaan. enkele blessures benoemen. uitleggen hoe je in conditie blijft. uitleggen hoe je lichamelijke problemen voorkomt.

Bij deze paragraaf hoort de volgende practicumopdracht:

•

Blessures

Overleg met je docent of je dit practicum gaat uitvoeren.

STARTOPDRACHT 1

Topsporters geblesseerd Frenkie de Jong moest in 2024 het EK aan zich voorbij laten gaan vanwege een enkelblessure. Je kent vast wel meer topsporters die niet aan een wedstrijd konden deelnemen door een blessure. Maak samen een top 3 van blessuregevoelige sporten en de daarbij voorkomende blessures. Dit heb je nodig:

• •

A4-papier toegang tot internet

Dit ga je doen: 1 Noteer de naam van een topsporter midden op het A4’tje. Denk ook aan andere sporten zoals schaatsen, skateboarden, hockey, turnen, bmx'en, tennis, paardrijden, ... 2 Schrijf de antwoorden op de vragen eromheen. -

Welke sport beoefent deze sporter?

-

Welke blessure heeft of had deze sporter?

-

Welke klachten geeft de blessure?

-

Hoelang duurt of duurde het herstel?

-

Wat moet je doen of juist niet doen tijdens het herstellen?

3 Bespreek de resultaten in de klas. Maak met elkaar: -

een top 3 van sporten waarbij de meeste blessures voorkomen;

-

een top 3 van blessures die bij die sporten het meeste voorkomen. 136

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 136

25/03/2025 11:32


Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen

Blessures 2.6

THEORIE Beschadigingen van het lichaam

Bewegen is gezond, maar soms gaat het mis. Je stoot je aan de punt van de tafel en krijgt een blauwe plek. Je verzwikt je enkel op een stoeprand of je scheurt een spier terwijl je over een plas water springt. Bij sporten beweeg je extra veel en daardoor is de kans op blessures groter. Daarom moet je bij veel sporten beschermende kleding dragen, zoals een helm of scheenbeschermers. Je skelet, gewrichtsbanden, pezen en spieren vormen samen een heel stevige constructie. Toch kan er iets misgaan. Als een bot, spier, pees of gewricht beschadigd raakt, noem je dat een blessure. Blessures ontstaan vaak door overbelasting en snelle onverwachte bewegingen. Bij overbelasting voer je (te) vaak dezelfde beweging uit, waardoor spieren of pezen beschadigd kunnen raken. Als een beschadiging van je lichaam voor klachten zorgt, noem je die beschadiging ook wel letsel.

Veel voorkomende blessures

Je kunt verschillende blessures oplopen. Vaak kun je zelf al iets doen om verdere schade te voorkomen.

•

Een blauwe plek is een bloeduitstorting. Dit is een beschadiging van bloedvaten onder de huid die vanzelf wegtrekt (figuur 1).

•

Een kneuzing is een zwelling waarbij een bult ontstaat en vaak een blauwe plek. Koel de plek minstens 20 minuten. De bloedvaten vernauwen en er hoopt minder bloed op.

•

Een verstuiking treedt op wanneer spieren,

1

Een ‘blauwe’ plek krijgt verschillende kleuren.

2

Een botbreuk

gewrichtsbanden en pezen te ver uitrekken door een verkeerde beweging. Geef het lichaamsdeel rust en bel je huisarts als je na een uur niet goed kunt staan.

•

Bij een ontwrichting, zoals een 'arm uit de kom', is de gewrichtskop uit de gewrichtskom geschoten. Koel het lichaamsdeel om de pijn te verminderen. Ondersteun je arm door een mitella te dragen. Een arts zal de botten weer op zijn plaats zetten.

•

Bij een botbreuk zit er een breuk of scheur in het bot. Vaak zie je dit niet aan de buitenkant en alleen op een röntgenfoto (figuur 2). Houd het gebroken lichaamsdeel zo stil mogelijk en ga naar je huisarts of spoedeisende hulp. Als de botten niet goed staan, worden ze rechtgezet en krijg je er gips of een spalk omheen. Deze houden je botten op hun plaats, zodat ze goed kunnen aangroeien. TIP Scan de QR-code en bekijk het filmpje over het herstel van een botbreuk.

137

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 137

25/03/2025 11:32


Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen

Blessures 2.6

Je conditie op peil houden Je conditie geeft aan hoe fit

je bent. Het gaat dan over je uithoudingsvermogen in combinatie met spierkracht, lenigheid en snelheid. Er zijn verschillende manier om je conditie op peil te houden.

•

Regelmatig bewegen. Beweeg elke dag minimaal een half uur actief, bijvoorbeeld door te fietsen, wandelen of sporten.

•

Gevarieerd voedsel. Eet genoeg groenten, fruit, volkoren producten en eiwitten (figuur 3). Vermijd te veel suiker en junkfood.

•

Voldoende slaap. Slaap 8 tot 10 uur per nacht om goed te

3

Gevarieerd eten met hulp van de Schijf van Vijf

herstellen.

• • •

Genoeg water drinken. Drink dagelijks 1,5 tot 2 liter water. Ontspannen. Neem tijd voor jezelf om stress te verminderen. Dat is goed voor je hart en herstel. Gezondheidscontroles. Ga bijvoorbeeld regelmatig naar de tandarts voor controles. Je gebit is belangrijk voor het verteren van voedsel.

Lichamelijke problemen voorkomen

Het voorkomen van blessures en letsel is beter dan het behandelen ervan. Veel mensen hebben lichamelijke problemen doordat ze te weinig bewegen en een verkeerde lichaamshouding hebben. Zorg voor minimaal één uur per dag lichte beweging en drie keer per week intensieve beweging (figuur 4).

4

Beweegrichtlijnen van het Kenniscentrum Sport & Bewegen

TIP Scan de QR-code en kijk voor meer beweegtips naar het filmpje.

138

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 138

25/03/2025 11:32


Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen

Blessures 2.6

Sta of zit niet te lang in dezelfde houding. Dat is belangrijk voor een goede lichaamshouding. Beweeg dus tussen het leren of het gamen door. Voorkom daarbij een ingezakte houding als je zit en staat. Als je hoofd, nek en wervelkolom één lijn vormen zit je netjes rechtop. Houd daarbij je kin een klein beetje omhoog en span je buikspieren licht aan (figuur 5). Veel sportblessures kun je voorkomen door voldoende te trainen en van tevoren je spieren rustig op te warmen tijdens een warming-up (figuur 6). Begin je training rustig en bouw dan de training op. Belast je spieren dus niet meteen te zwaar. Ook is het belangrijk om kleding en schoenen te dragen die geschikt zijn voor jouw sport (figuur 7).

5

Zorg voor een goede lichaamshouding.

6

Warming-up

7

Goede sportschoenen zijn belangrijk.

WIST JE DAT? Vrouwenvoetbal Wist je dat vrouwen die voetballen meer kans hebben op knieblessures dan mannen die voetballen? Vrouwen hebben bredere heupbeenderen dan mannen en hierdoor staat het bovenbeen in een andere hoek op de knie. Ook beïnvloeden hormonen de stabiliteit van de knieën. Vrouwen hebben daardoor vaker last van knieblessures, zoals een gescheurde kruisband. Het is voor vrouwen dus nog belangrijker om de knie- en heupspieren te versterken en de juiste

Vivianne Miedema in duel

techniek te gebruiken.

139

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 139

25/03/2025 11:32


Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen

Blessures 2.6

OPDRACHTEN 2

Kans op een blessure De kans op een blessure is in de ene situatie groter dan in de andere situatie. Hoe groot is de kans op een blessure in de volgende situaties? Zet een kruisje in de juiste kolom.

3

grote kans op blessure

kleine kans op blessure

5 kilometer meewandelen met de avondvierdaagse

●

●

zonder warming-up 1 kilometer sprinten

●

●

invallen tijdens een volleybalwedstrijd terwijl je niet wekelijks volleybalt

●

●

na je eigen wedstrijd nog een wedstrijd mee voetballen met het andere team omdat zij te weinig spelers hebben

●

●

Vermoeidheid Vermoeidheid kan je reactievermogen verminderen. Dan reageer je soms net iets langzamer. Hierdoor heb je meer kans op een blessure zoals een enkelverstuiking of een blauwe plek.

a Hoe komt het dat de kans op een blessure groter is als je vermoeid bent?

b Heb jij wel eens een blessure opgelopen door vermoeidheid? Leg uit welke blessure dat was.

140

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 140

25/03/2025 11:32


Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen

4

Blessures 2.6

Verschillende blessures Lees de beschrijvingen van blessures. Welke blessure hoort erbij? Kies uit: blauwe plek | blessure | ontwrichting | verstuiking Beschadiging van het lichaam door beweging, val of botsing: Tijdelijk uitrekken van spieren, gewrichtsbanden en pezen van een gewricht: De kop schiet uit de kom van het gewricht en gaat niet meer terug: Beschadiging van de huid en bloedvaten onder de huid:

5

Knieblessure Je ziet een röntgenfoto van een knie (links) en een MRI-scan van een knie (rechts). Op een röntgenfoto zie je vooral de botten goed. Op een MRI-scan zie je botten én zachtere weefsels, zoals spieren, banden en pezen. Als een sporter een knieblessure oploopt, maken artsen regelmatig een MRI-scan na een röntgenfoto.

Röntgenfoto (links) en MRI-scan (rechts) van een knie

Wat kan een arts beter zien op een MRI-scan dan op een röntgenfoto bij een blessure aan het kniegewricht?

● of er scheuren in de gewrichtsbanden of in het kraakbeen zitten ● of er scheuren in het dijbeen of het scheenbeen zitten ● of het gewricht nog steeds goed kan bewegen

141

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 141

25/03/2025 11:32


Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen

6

Blessures 2.6

Hoeveel beweeg jij? Door te bewegen houd je je botten en je spieren sterk en gezond. Het is dan ook belangrijk dat je naast sporten ook voldoende ‘gewoon’ beweegt.

a Je gaat bijhouden hoeveel jij beweegt op een dag. Dit ga je doen: 1 Kies een dag waarop je deze opdracht uitvoert. 2 Houd deze dag bij hoeveel je beweegt. Bijvoorbeeld 5 minuten wandelen naar de supermarkt of 15 minuten fietsen naar school. Als je een stappenteller hebt, kun je deze dag je stappen bijhouden. 3 Noteer je gegevens in de tabel. activiteit

doel

duur

aantal stappen

eenmalig of dagelijks

bijv. wandelen

bijv. hond uitlaten

bijv. 20 minuten

bijv. 1200 stappen

bijv. dagelijks

totaal Bereken de totale tijd en het totale aantal stappen dat je gezet hebt.

b Hoe lang heb jij op deze dag bewogen?

c Beweeg jij voldoende volgens de Beweegrichtlijnen van het Kenniscentrum Sport & Bewegen? Gebruik figuur 4 om deze vraag te beantwoorden. Kijk naar hoelang je beweegt. Leg je antwoord uit.

d Als je minder beweegt, hoe kun je meer beweging in je dag inbouwen? En als je voldoende beweegt, hoe kun je ervoor zorgen dat je dit elke dag doet?

142

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 142

25/03/2025 11:32


Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen

7

Blessures 2.6

Advies Tom zit in de derde klas en fietst elke dag naar school en doet aan voetbal. Hij eet gevarieerd met veel groenten en fruit. Hij drinkt ook dagelijks voldoende water en gaat jaarlijks naar de tandarts voor controles. Tom merkt dat hij zich vaak gestrest voelt door schoolwerk. Daardoor slaapt hij minder goed. Na het voetballen heeft hij de afgelopen weken last gehad van spierpijn in zijn bovenbenen. Dat is gek, want dat had hij daarvoor nooit. Tom krijgt het advies om zijn stress door schoolwerk op school te bespreken met zijn mentor.

a Waarom zal Tom dit advies krijgen?

b Welk gevolg zal vermindering van stress hebben voor zijn botten en spieren?

8

Warming-up Een warming-up is een serie rustige bewegingen waarmee je je lichaam voorbereidt op een training of sportwedstrijd.

a Wat gebeurt er in je lichaam tijdens de warming-up?

■ Er komt meer bloed in je spieren. ■ Er komt minder bloed in je hersenen. ■ Je gaat sneller en dieper ademhalen. ■ Je hart gaat sneller kloppen. ■ Je lichaamstemperatuur gaat omhoog. ■ Je spieren maken extra spiercellen aan. b Wat is het nut van een warming-up voordat je gaat sporten?

c Geef twee voorbeelden van een oefening tijdens een warming-up.

143

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 143

25/03/2025 11:32


Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen

9

Blessures 2.6

Starten met hardlopen Mia wil graag beginnen met hardlopen. Ze wil blessures voorkomen. Daarom vraagt ze jou om advies over de opbouw van haar training en over haar kleding.

a Welk advies kun je Mia geven over haar training? Geef twee adviezen.

b Welk advies kun je Mia geven over haar kleding? Geef twee adviezen.

10

Terugkijken Kijk terug op deze paragraaf.

a Hoe heb je de opdrachten per leerdoel gemaakt? Noteer 0, – –, –, + of + +. 0 betekent: niets gemaakt. + + betekent: alles goed. Je kunt ...

opdrachten

score

extra oefenen? (Herhaling en Plus)

1. uitleggen hoe blessures ontstaan.

2, 3

H13, P16

2. enkele blessures benoemen.

4, 5

H14, P17

3. uitleggen hoe je in conditie blijft.

6, 7

H11

4. uitleggen hoe je lichamelijke problemen voorkomt.

8, 9

H12, P15

b Bekijk je scores van vraag a. Kies minstens één opgave waarmee je nog wil oefenen, nu of in voorbereiding op de toets. TIP Noteer alvast enkele belangrijke begrippen uit deze paragraaf. Die heb je later nodig bij 2.8 Alles in samenhang.

144

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 144

25/03/2025 11:32


Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen

Blessures 2.6

HERHALING EN PLUS Online kun je extra oefenen met Herhaling en Plus. Opdracht 11 en 15 staan ook in je boek.

11

Elektrische fiets Steeds meer mensen fietsen op een elektrische fiets. Onder jongeren worden fatbikes steeds populairder. Het aantal ongevallen met fatbikes is de afgelopen jaren toegenomen. Het aantal steeg van zeven in 2022 naar 59 in 2023. In de eerste vier maanden van 2024 zijn er al 33 ongevallen gemeld. Bij een val met een fatbike is de kans op botbreuken en hersenletsel groter dan bij een gewone fiets.

a Welke gevolg heeft het voor je conditie als je fietst op een elektrische fiets of een fatbike in plaats van op een normale fiets?

b Hoe kun je de grotere kans op botbreuken en hersenletsel verklaren?

15

Hond Tijdens een verjaardag vertelt Puck grappend het advies dat ze kreeg van haar buurman om haar conditie te verbeteren: "Neem een hond".

Waarom is dat advies toch helemaal zo gek nog niet?

145

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 145

25/03/2025 11:33


Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen

Aanpassingen aan de leefomgeving 2.7

2.7 Aanpassingen aan de leefomgeving Aan het eind van deze paragraaf kun je:

•

uitleggen hoe dieren hun vorm behouden in verschillende leefomgevingen (land, water).

• •

uitleggen hoe gewervelde dieren zich voortbewegen (land, water, lucht). uitleggen hoe ongewervelde dieren zich voortbewegen.

Bij deze paragraaf hoort de volgende practicumopdracht:

•

Voortbeweging

Overleg met je docent of je dit practicum gaat uitvoeren.

STARTOPDRACHT 1

Leven in een andere omgeving Het menselijk lichaam is zo gebouwd dat het past bij de omgeving waarin we als mensen leven. Je kunt prima op blote voeten rondlopen, zeker in de zomer en met een beetje training ook in de winter. Het lichaam is minder goed gebouwd om te overleven in andere delen van de wereld. Zo is het in de woestijn overdag veel te warm om op blote voeten te lopen. Onze voeten zouden verbranden. Op de Noordpool zouden onze voeten juist bevriezen. En ook in het water zouden we het niet lang volhouden, want onze voeten zijn niet gemaakt om lang te zwemmen. Welke aanpassingen aan hun voeten hebben mensen nodig om op verschillende plaatsen zo goed mogelijk te kunnen voortbewegen? Dit heb je nodig:

•

flinke dosis creativiteit en inbeeldingsvermogen

Je mag online informatie opzoeken.

a Kies één van de drie leefomgevingen: woestijn, de zee of de Noordpool.

146

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 146

25/03/2025 11:33


Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen

Aanpassingen aan de leefomgeving 2.7

b Geef een beschrijving van de abiotische leefomgeving. TIP Abiotisch betekent niet-levend.

c Door welke eigenschappen van jouw voeten kun je in die leefomgeving niet goed bewegen?

d Welke aanpassingen kun je doen aan je voeten om in die omgeving wel goed te kunnen bewegen?

e Leg uit waarom je juist die aanpassing wilt doen en waarom het je helpt om te kunnen bewegen.

THEORIE Lichaamsvorm past bij de omgeving

Gewervelde dieren hebben allemaal een inwendig skelet met een wervelkolom. Als ze dat niet zouden hebben, zouden ze eruitzien als een pudding. Zonder skelet is er geen enkele ondersteuning. Toch hebben niet alle dieren een skelet. Gewervelde dieren hebben een inwendig skelet dat is opgebouwd uit botten. Vissen, amfibieën, reptielen, vogels en zoogdieren horen bij de gewervelde dieren (figuur 1). Zij hebben naast een wervelkolom ook ribben en een schedel. De meeste groepen gewervelden hebben ledematen, zoals poten, vinnen of vleugels. Slangen hebben geen ledematen.

skelet van een vis

skelet van een slang

1

skelet van een zwemmend zoogdier

skelet van een vliegend zoogdier

skelet van een vogel

skelet van een lopend zoogdier

Gewervelde dieren

147

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 147

25/03/2025 11:33


Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen

Aanpassingen aan de leefomgeving 2.7

Dieren zonder wervelkolom zijn ongewervelde dieren. Maar sommige ongewervelde dieren hebben wel een inwendig of uitwendig skelet. Inktvissen hebben een inwendig skelet in de vorm van een schelp in het lichaam (figuur 2). Het lichaam van ongewervelde waterdieren behoudt zijn vorm door de druk van het water. Sommige dieren zoals kwallen, regenwormen en naaktslakken zijn stevig doordat ze veel water in hun lichaam opnemen (figuur 3). Je kunt hun lichaam vergelijken met een ballon gevuld met

2

water.

3

Skelet van een inktvis

Ongewervelde dieren: kwal, regenworm en naaktslak

Bij sommige dieren zit de ondersteuning aan de buitenkant van hun lichaam. Ze hebben een uitwendig skelet of exoskelet. Het exoskelet van weekdieren bestaat vooral uit kalk, zoals een schelp (figuur 4). Insecten hebben een exoskelet van chitine (figuur 5). Kreeftachtigen hebben een exoskelet van chitine en kalk (figuur 6). Een exoskelet geeft stevigheid aan het lichaam. Het beschermt als een pantser tegen natuurlijke vijanden. Een exoskelet groeit niet mee met een dier en daardoor vervellen insecten en kreeftachtigen.

4

Weekdier met een exoskelet van kalk, bijvoorbeeld een mossel

5

Insect met een exoskelet van chitine

6

Kreeftachtige met een exoskelet van kalk en chitine

Aanpassingen van gewervelde dieren

Lopende zoogdieren zetten allemaal hun poten op de grond. Aan de botten in hun poten en hun voetafdruk is te zien dat ze dat op verschillende manieren doen.

•

Hoefgangers, zoals paarden, koeien en gazelles, raken alleen met de toppen van de tenen (of met één teen) de grond (figuur 7a). De kootjes eindigen in een hoef. De dieren kunnen zich daarmee goed afzetten tegen een harde ondergrond. De middenhands- en middenvoetsbeentjes zijn heel lang. Daardoor hebben ze lange poten, waarmee ze grote stappen nemen en snel kunnen bewegen.

•

Teengangers, zoals honden en katten, raken de grond met hun kootjes (figuur 7b) en hebben daardoor weinig contact met de ondergrond. De poten zijn in verhouding lang, waardoor teengangers hard kunnen rennen. 148

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 148

25/03/2025 11:33


Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen

•

Aanpassingen aan de leefomgeving 2.7

Zoolgangers, zoals beren en ratten, raken met de hele voetzool de grond (figuur 7c). Ze zakken niet snel weg in een zachte bodem en glijden ook niet snel uit op een gladde ondergrond. Zoolgangers zijn meestal geen snelle dieren, maar ze kunnen zich wel goed afzetten en iets vastgrijpen.

7a Hoefganger

b

Teenganger

c

Zoolganger

De meeste vogels kunnen vliegen. Als ze toch ergens op hun poten staan, lopen of zwemmen dan zie je dat ook hun poten goed aangepast zijn aan hun leefomgeving. Een buizerd en een uil zijn roofvogels. Zij grijpen met hun sterke klauwen hun prooi vast. Deze klauwen bevatten sterke tenen met daaraan scherpe nagels (figuur 8a). Reigers en flamingo’s staan vaak in ondiep water. Zij hebben lange poten en gedeeltelijke zwemvliezen aan hun tenen. Hierdoor kunnen zij stabiel in ondiep water staan (figuur 8b). Eenden en zwanen hebben zwemvliezen tussen hun tenen om goed te kunnen zwemmen (figuur 8c).

8a Klauwen

b

Lange poten en gedeeltelijke zwemvliezen

c

Zwemvliezen

Voortbewegen van ongewervelde dieren Ongewervelde dieren hebben geen botten. Toch kunnen

ze zich door spierbewegingen wel voortbewegen. Vlooien springen met krachtige achterpoten (figuur 9) en bijen vliegen door hun vleugels snel op en neer te bewegen. Wormen kruipen bijvoorbeeld door hun spieren samen te trekken en te ontspannen. Slakken glijden met behulp van spieren in hun voet en slijm. Kwallen bewegen hun spieren, waardoor ze zich met hun lichaam afzetten tegen het water. En eencellige organismen, zoals pantoffeldiertjes, gebruiken trilhaartjes om te bewegen.

9

Een vlo

149

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 149

25/03/2025 11:33


Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen

Aanpassingen aan de leefomgeving 2.7

WIST JE DAT? Leven in een luchtbel Een waterspin leeft onder water. Hij leeft in een soort luchtbel die hij zelf heeft gemaakt. De waterspin bouwt tussen waterplanten een web van spinrag (zie figuur). Daarna neemt de spin bij iedere duik lucht mee tussen de haartjes op zijn lijf. De spin vult zo zijn web met lucht vanaf het wateroppervlak. Het web is nu een soort tunnel gevuld met lucht. Hierin kan de waterspin zich onder water voortbewegen en zelfs prooien

Een waterspin onder water

vangen. Hij hoeft dus niet meer naar de oppervlakte om adem te halen.

OPDRACHTEN 2

Lichaamsvorm Dieren herken je aan hun vorm. Een skelet is belangrijk voor deze vorm. Welk skelet hebben de volgende dieren? Zet een kruisje in de juiste kolom. inwendig skelet

uitwendig skelet

geen skelet

kip

●

●

●

vleermuis

●

●

●

kwal

●

●

●

sprinkhaan

●

●

●

potvis

●

●

●

150

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 150

25/03/2025 11:33


Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen

3

Aanpassingen aan de leefomgeving 2.7

Kip Vogels zijn gewervelde dieren. Ze hebben dus een skelet waarvan bijna alle onderdelen vergelijkbaar zijn met het skelet van de mens. Bekijk de tekening van het skelet van de kip. Hoe noem je de skeletdelen P, R, S en T bij de mens? P = dijbeen | ellepijp | heupbeen | spaakbeen R = dijbeen | ellepijp | heupbeen | spaakbeen S = dijbeen | ellepijp | heupbeen | spaakbeen

R P

T = dijbeen | ellepijp | heupbeen | spaakbeen

S T

4

Manier van lopen Hier zie je een tekening van het skelet van een hond.

a Is de hond een hoefganger, een teenganger of een zoolganger?

● hoefganger ● teenganger ● zoolganger b Welk dierspoor hoort bij het skelet?

● spoor A ● spoor B ● spoor C

A

B

C

151

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 151

25/03/2025 11:33


Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen

5

Aanpassingen aan de leefomgeving 2.7

Drassige weide In het voorjaar gaan koeien vanuit de stal vaak naar buiten, de wei in. Als het veel heeft geregend en het weiland erg drassig is, houdt de boer de koeien langer op stal staan. Koeien zijn hoefgangers.

a Waarom blijven de koeien langer op stal staan als de weide drassig is?

● omdat natte hoeven eerder geblesseerd raken, waardoor koeien kreupel worden

● omdat ze eerder uitglijden als de weide drassig is

● omdat ze met hun hoeven in de modder zouden wegzakken b Stel dat koeien op hun hele zool zouden lopen, net als wij mensen doen. Zouden koeien dan even goed, beter of juist slechter op een drassig weiland kunnen lopen?

● beter ● even goed ● slechter

6

Hoe bewegen ongewervelden? Ongewervelde dieren bewegen zich op verschillende manieren. In de theorie staat een aantal voorbeelden. In deze opdracht gaan jullie op zoek naar meer voorbeelden. Jullie maken een kwartetspel over de voortbeweging van ongewervelde dieren. Het kwartetspel bestaat uit verschillende setjes van vier kaarten. Dit heb je nodig:

• • •

setje van vier blanco kaarten of de knipbladen achter in het boek schaar en lijm tekenspullen

Dit ga je doen: 1 Werk in een tweetal. 2 Elk tweetal maakt één kwartet (set van vier kaarten). 3 Kies een manier van voortbewegen: kruipen, lopen, zwemmen, vliegen, springen of bewegen met trilharen. Stem jullie keus met de klas en de docent af. 4 Kies vier diersoorten die zich op die manier voortbewegen. Maak daar een kwartet van. Bijvoorbeeld: je kiest 'kruipen' als manier van voortbewegen. Je kwartet 'kruipen' krijgt vier kaartjes met deze dieren: worm, rups, naaktslak, zee-egel. 5 Zoek op namen en afbeeldingen bij elk dier. 6 Teken of plak een afbeelding van elk dier op het kwartet. 7 Is jullie kwartet klaar? Wissel dan jullie kaartjes uit met een ander tweetal. Controleer elkaars kwartet. 8 Kloppen de kwartetten en zijn andere tweetallen ook klaar? Speel het kwartetspel dan met elkaar.

152

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 152

25/03/2025 11:33


Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen

7

Aanpassingen aan de leefomgeving 2.7

Verschillende manieren van voortbewegen Insecten ontwikkelen zich in verschillende fasen. Larven zien er regelmatig anders uit dan de volwassen dieren. Ze bewegen zich ook vaak op een andere manier voort. Op de foto zie je een rups (larve) die zich verpopt tot een vlinder (volwassen dier).

a Wat is het verschil in bouw tussen een rups en een vlinder?

b Op welke manier bewegen de rups en de vlinder zich voort?

153

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 153

25/03/2025 11:33


Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen

8

Aanpassingen aan de leefomgeving 2.7

Ideale leefomgeving De ene leefomgeving is heel droog, de andere heel nat.

In welke leefomgeving kunnen deze dieren het beste leven? TIP Op de foto zie je een savanne.

bosgebied met veel drassige delen

9

savanne

bosgebied met droge en drassige delen

bruine beer

●

●

●

gazelle

●

●

●

zwarte panter

●

●

●

Gibbons Gibbons zijn mensapen. Ze zijn uitstekend aangepast aan het leven in de bomen in de oerwouden van Zuidoost-Azië. Als ze van tak naar tak slingeren, zie je dat gibbons erg lange armen hebben. In de afbeelding van het skelet zie je de verhouding tussen de romp, armen en benen.

a Je ziet dat de armen en vingers van gibbons heel lang zijn. Welke voordelen geeft dat?

b Stel dat mensen net zulke lange armen hebben als gibbons. Die eigenschap heeft voor- en nadelen. Noem een voordeel en een nadeel.

154

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 154

25/03/2025 11:33


Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen

10

Aanpassingen aan de leefomgeving 2.7

Terugkijken Kijk terug op deze paragraaf.

a Hoe heb je de opdrachten per leerdoel gemaakt? Noteer – –, –, + of + +. 0 betekent niets gemaakt, + + betekent alles goed. Je kunt ...

opdrachten

score

extra oefenen? (Herhaling en Plus)

1. uitleggen hoe dieren hun vorm behouden in verschillende leefomgevingen (land, water).

2, 3

H11, P15

2. uitleggen hoe gewervelde dieren zich voortbewegen (land, water, lucht).

4, 5, 9

H12, H14, P16

3. uitleggen hoe ongewervelde dieren zich voortbewegen.

6, 7, 8

H13, P17

b Bekijk je scores van vraag a. Kies minstens één opgave waarmee je nog wil oefenen, nu of in voorbereiding op de toets. TIP Noteer alvast enkele belangrijke begrippen uit deze paragraaf. Die heb je later nodig bij 2.8 Alles in samenhang.

HERHALING EN PLUS Online kun je extra oefenen met Herhaling en Plus. Opdracht 11 en 15 staan ook in je boek.

11

Skeletten Hieronder staan verschillende begrippen en beschrijvingen. Welke beschrijving hoort bij welk begrip? Kies uit: chitine | exoskelet | gewervelde dieren | ongewervelde dieren een skelet aan de buitenkant van het lichaam dieren met een wervelkolom dieren zonder wervelkolom stof waaruit het skelet van insecten bestaat

155

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 155

25/03/2025 11:33


Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen

15

Aanpassingen aan de leefomgeving 2.7

Zeepaardjes Het skelet van zeepaardjes is anders dan het skelet van veel andere vissen. Ze hebben zowel een inwendig als een uitwendig skelet. Dit skelet bestaat uit een botachtig pantser dat hun lichaam bedekt en ondersteunt. Het lijkt op een harnas dat een ridder beschermt.

a Welke overeenkomst zie jij tussen het harnas van een ridder en het pantser van een zeepaardje?

b Welk verschil zie jij tussen het harnas van een ridder en het pantser van een zeepaardje?

EXAMENOPGAVEN Bij deze paragraaf kun je oefenen met een eindexamenopgave. Overleg met je docent of je de eindexamenopgave Impala gaat maken.

156

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 156

25/03/2025 11:33


Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen

Alles in samenhang 2.8

2.8 Alles in samenhang TERUG NAAR HET GROTE PLAATJE 1

Stevigheid en bewegen Dit hoofdstuk hangt samen met twee andere hoofdstukken. Daarnaast bevat het vier hoofdpunten. In paragraaf 1 heb je dit al gezien in het 'grote plaatje'. Je vat nu samen wat je hierover hebt geleerd.

a Wat heb je geleerd over de samenhang tussen Stevigheid en bewegen en andere hoofdstukken? Noteer je antwoorden in de vakjes.

H1 - Leven: cellen

H9 - Ademhalen en verbanden: energie

157

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 157

25/03/2025 11:33


Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen

Alles in samenhang 2.8

b Wat heb je over elk hoofdpunt geleerd? Noteer je antwoorden in de vakjes. Kijk terug naar paragraaf 2 en 5.

Een skelet geeft een lichaam vorm. Kijk terug naar paragraaf 2, 3, 4 en 6.

Botten en spieren zorgen voor beweging. Kijk terug naar paragraaf 5.

Botten en kraakbeen bevatten cellen. Kijk terug naar paragraaf 7.

Vorm en leefomgeving passen bij elkaar.

c Je hebt in paragraaf 1 antwoord gegeven op de grote vraag van dit hoofdstuk: Hoe blijven organismen in vorm? Wat is nu je antwoord op de grote vraag? Kijk nog even terug naar je antwoord in paragraaf 1. En kijk ook naar je antwoorden bij opdracht a en b.

VERDER OEFENEN Maak online de kennistoets en de proeftoets bij dit hoofdstuk.

158

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 158

25/03/2025 11:33


Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen

Examenopgaven 2.9

2.9 Examenopgaven Maak de eindexamenopgaven bij de verschillende paragrafen. Met eindexamenopgaven oefen je de stof op examenniveau en wen je aan de vraagstelling van het eindexamen. Gebruik hierbij de vaardigheidskaart Examenopgaven maken. Kijk achter aan het hoofdstuk in deze paragraaf voor de hints en uitwerkingen bij elke opgave.

AANPASSINGEN AAN DE LEEFOMGEVING 1

Impala Uit: Examen KB 2015-1

1p

De impala is een hoefdier. In de afbeelding zie je een poot van een impala, met aan het uiteinde een hoef. Dieren met zulke hoeven zijn, wat betreft hun voortbeweging, aangepast aan een harde ondergrond.

Leg uit dat dieren met zulke hoeven zich beter kunnen voortbewegen op een harde ondergrond dan bijvoorbeeld op een moerassige ondergrond.

HINTS BIJ EINDEXAMENOPGAVEN Aanpassingen aan de leefomgeving •

Impala: Wat is het verschil tussen een harde en een moerassige ondergrond?

159

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 159

25/03/2025 11:33


3 Seksualiteit en voortplanten

INHOUD Basis 3.1 Wat is de rol van seks? . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 164 3.2 Groei en ontwikkeling

.......................................

169

3.3 Geslachtsorganen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 182 3.4 Omgaan met seksualiteit en seks . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 195 3.5 Menstruatiecyclus en bevruchting . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 204 3.6 Zwangerschap en geboorte

................................

215

3.7 Soa’s en voorbehoedsmiddelen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 226

Afsluiting 3.8 Alles in samenhang

..........................................

239

3.9 Examenopgaven . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 241

VAARDIGHEDEN - natuurwetenschappelijk onderzoek doen - presentaties maken - tabellen en diagrammen maken - werken met de microscoop

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 160

25/03/2025 11:33


9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 161

25/03/2025 11:33


Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten

Wat is de rol van seks? 3.1

3.1 Wat is de rol van seks? In dit hoofdstuk leer je hoe je je ontwikkelt tot een volwassen mens. In het grote plaatje zie je wat de hoofdstukvraag en hoofdpunten zijn. Je ziet daar ook wat dit onderwerp te maken heeft met andere onderwerpen.

Welke verbanden zijn er?

Wat leer je in dit hoofdstuk?

H3 H1 - Leven voortplantingsstelsel

Wat is de rol van seks?

Iedereen is anders

Voortplanten houdt de soort in stand

H4 - Erfelijkheid en evolutie overerven

Je bepaalt je eigen wensen en grenzen

1

Bij onveilige seks kun je een soa oplopen

Het grote plaatje

162

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 162

25/03/2025 11:33


Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten

Wat is de rol van seks? 3.1

THEORIE Verliefdheid

Verliefdheid is spannend. Je doet nieuwe ervaringen op met jezelf en met anderen. Iedereen is hierbij anders. Je vindt iemand leuk omdat je met de ander kunt lachen (figuur 2), omdat je wordt gesteund in een moeilijke tijd of omdat je iemand aantrekkelijk vindt. Als je verliefd bent, wil je steeds vaker bij die ander zijn en krijg je steeds meer gevoelens voor de ander. Je ontdekt daarbij wat je prettig vindt en ook wat de ander fijn en minder fijn vindt. Langzamerhand ontdek je je eigen wensen en

2

Gedrag als je iemand leuk vindt

grenzen. Seks is een onderdeel van je ontwikkeling naar volwassenheid. Door seks kun je je voortplanten, je kunt kinderen krijgen. Maar je kunt ook plezier hebben in seks en het fijn hebben met iemand anders of met jezelf. Om te voorkomen dat je zwanger raakt of een geslachtsziekte krijgt, is het verstandig om voorbehoedsmiddelen te gebruiken.

Welke verbanden zijn er? Bekijk het ‘grote plaatje’ in figuur 1.

•

Het voortplantingsstelsel bestaat uit organen, zoals de baarmoeder. De baarmoeder bestaat uit verschillende weefsels en cellen (hoofdstuk 1).

•

Kinderen lijken vaak op hun biologische ouders. Dat komt doordat ouders erfelijke eigenschappen doorgeven aan hun kinderen (hoofdstuk 4).

Wat leer je in dit hoofdstuk? Bekijk het ‘grote plaatje’ in figuur 1.

•

Iedereen is anders. Hoe je je voelt, hoe je lichaam eruitziet en hoe je dat laat zien is bij iedereen verschillend. Bij je geboorte wordt gekeken naar je geslachtsorganen. Zo wordt je geslacht bepaald. Bij de meeste mensen komt hun geslacht of sekse overeen met hoe ze zich voelen tijdens de rest van hun leven, dus als ze kind, puber en volwassen zijn. De meeste mensen voelen zich man of vrouw, maar bij sommige mensen is dat anders.

•

Voortplanten houdt de soort in stand. Alle organismen planten zich voort en krijgen nakomelingen. Dit kunnen ze heel eenvoudig doen, bijvoorbeeld door gewone celdeling. Dit noem je ongeslachtelijke voortplanting. Mensen en veel andere dieren hebben een voortplantingsstelsel met geslachtsorganen die geslachtscellen maken. Hiermee kunnen ze zich voortplanten. Dit noem je geslachtelijke voortplanting.

•

Bij onveilige seks kun je een soa oplopen. Door onbeschermde seks te hebben kun je een soa (seksueel overdraagbare aandoening) krijgen, of ongewenst zwanger worden. Je kunt jezelf tegen beide beschermen door een condoom te gebruiken. Een condoom beschermt je tegen beide. Andere voorbehoedsmiddelen beschermen je alleen tegen een ongewenste zwangerschap.

•

Je bepaalt je eigen wensen en grenzen. Door te onderzoeken wat je zelf fijn of lekker vindt kun je dat ook met iemand anders delen. Het is daarbij belangrijk dat je rekening houdt met iemand anders en dat die ander rekening houdt met jou.

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 163

163

25/03/2025 11:33


Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten

Wat is de rol van seks? 3.1

OPDRACHTEN 1

Iedereen is anders Werk bij deze opdracht samen in een groepje van vier leerlingen. Op de middelbare school leer je nieuwe mensen kennen. Sommigen hebben overeen­ komsten met je, anderen minder. Je gaat je eigen identiteit ontwikkelen en je eigen vrienden maken. Bij wie voel je je prettig? Bij wie voel je je op je gemak en met wie kun je interesses delen? Houden jullie van dezelfde of juist van andere muziek, woon je bij elkaar in de buurt of zit je allebei op een sport? Er ontstaan groepjes die soms jaren met elkaar om blijven gaan. Groepjes met ongeveer dezelfde soort kleren, dezelfde ideeën en hobby’s.

Je maakt een poster over verschillende groepen jongeren. Dit heb je nodig:

• • • •

A3-papier kladpapier teken- en schrijfmateriaal vaardigheidskaart Presentaties maken

Dit ga je doen: 1 Overleg met elkaar of je minstens vier verschillende groepen kunt bedenken die in je omgeving voorkomen. Kijk eventueel eens op straat of je bepaalde groepen kunt spotten. 2 Schrijf kenmerken van die groepen op het kladpapier en maak schetsen. 3 Verdeel het A3-papier in vier gelijke delen. 4 Maak de poster. Schrijf en teken de vier groepen in de vier vakken. 5 Hang de poster op. Bekijk en bespreek de resultaten met de rest van de klas.

164

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 164

25/03/2025 11:33


Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten

2

Wat is de rol van seks? 3.1

Zwangerschap en geboorte Bij een zwangere vrouw groeit en ontwikkelt zich een baby in de buik (zie foto).

a Welke beweringen over de zwangerschap bij de mens zijn juist?

■ De baby in de buik brengt organen van de vrouw, zoals de maag, in de verdrukking. ■ De vrouw op de foto is ongeveer drie maanden zwanger. ■ Mensen planten zich voort door ongeslachtelijke voortplanting. ■ De zwangerschap bij een mens duurt ongeveer negen maanden. b Sommige dieren, zoals de haas, kunnen meteen na de geboorte lopen. Konijnen worden blind en hulpeloos in een hol geboren. Met welk pasgeboren dier kun je een pasgeboren mens het best vergelijken? Leg uit waarom.

c Wat is het gewicht en wat is de lengte van een pasgeboren kind ongeveer?

d De meeste pasgeboren baby’s wegen tussen de 2500 en 4500 gram, maar soms komt een baby ter wereld met een afwijkend gewicht. Noem twee redenen waardoor het geboortegewicht kan afwijken.

165

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 165

25/03/2025 11:33


Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten

3

Wat is de rol van seks? 3.1

Wat is consent? ‘Consent’ is een Engels woord en betekent ‘toestemming’. Scan de QR-code en bekijk het filmpje over consent. 'Consent' betekent dus toestemming. Hoe geef je toestemming? Noteer de voorwaarden uit het filmpje.

4

Verschillende voorbehoedsmiddelen Voorbehoedsmiddelen beschermen je tegen ongewenste zwangerschap en soa's.

a Twee voorbeelden van voorbehoedsmiddelen zijn de pil en het condoom. Noem drie andere voorbehoedsmiddelen. TIP Je mag samenwerken of het online opzoeken.

b Kies twee voorbehoedsmiddelen en vergelijk ze. Noem drie verschillen. Denk bij je vergelijking bijvoorbeeld aan: Hoe werkt het? Voor wie is het? Hoe gebruik je het? Hoe ziet het eruit?

5

Wat is de rol van seks? De grote vraag van dit hoofdstuk is: Wat is de rol van seks? Wat is jouw antwoord op deze vraag? Gebruik in je antwoord de informatie van deze paragraaf.

166

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 166

25/03/2025 11:33


Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten

Groei en ontwikkeling 3.2

3.2 Groei en ontwikkeling Aan het eind van deze paragraaf kun je:

• • • •

de verschillende levensfasen van mensen beschrijven. de primaire en secundaire geslachtskenmerken benoemen. de invloed van hormonen op de secundaire geslachtskenmerken uitleggen. groei en ontwikkeling bij dieren beschrijven.

Bij deze paragraaf horen de volgende practicumopdrachten:

• •

Metamorfose meelworm Kippenei

Overleg met je docent of je deze practicumopdrachten gaat uitvoeren.

STARTOPDRACHT 1

Kop of munt Het geslacht van een baby wordt bepaald op het moment dat de celkernen van de eicel en een zaadcel samenkomen. Er zijn twee verschillende typen zaadcellen en er is maar één type eicel. Bevrucht het ene type zaadcel de eicel, dan wordt het een jongetje. Als het andere type dat doet, wordt het een meisje. De kans op een jongen of een meisje kun je vergelijken met het opgooien van twee munten: Eicel: munt Zaadcel: kop of munt

a Bereken de kans op een jongen of een meisje en vul de tabel in. Dit heb je nodig:

•

een munt, bijvoorbeeld van 50 eurocent

Dit ga je doen: 1 Vul eerst de kolom onder 'eicel' verder in. 2 Gooi het muntstuk op. Noteer het resultaat (kop of munt) in de kolom bij ‘zaadcel’. 3 Gooi de munt nog drie keer op en vul de tabel in. 4 Wat is het geslacht van deze combinaties van eicel en zaadcel? Is het resultaat bij eicel en zaadcel allebei ‘munt’, vul dan bij geslacht ‘meisje’ in. Is het resultaat bij eicel en zaadcel ‘munt’ en ‘kop’, vul dan bij geslacht ‘jongen’ in.

167

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 167

25/03/2025 11:33


Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten

worp

eicel

1

munt

Groei en ontwikkeling 3.2

zaadcel

geslacht j/m

2 3 4

b Hoe noem je het moment dat de celkernen van een eicel en een zaadcel samenkomen?

c Hoeveel kinderen worden bij je kansberekening geboren?

d Heeft iedereen in de klas hetzelfde resultaat?

e Waar is het resultaat van afhankelijk?

f

Waardoor wordt het geslacht bepaald?

THEORIE Groei en ontwikkeling bij mensen

Vanaf de bevruchting van een eicel door een zaadcel deelt de bevruchte eicel zich steeds verder. Door deze gewone celdeling (mitose) ontstaan uit een lichaamscel steeds twee precies dezelfde lichaamscellen (figuur 1). Dit gaat je hele leven door. Door deze celdelingen komen er lichaamscellen bij en groei je. Maar er gaan ook cellen dood, oude lichaamscellen worden vervangen en weefsel hersteld. Bijvoorbeeld als je een wondje hebt in je huid.

moedercel 1

2 dochtercellen

Een lichaamscel deelt zich in twee precies dezelfde cellen.

Je groeit en ontwikkelt je tijdens je kinder- en puberjaren heel snel. Door groei word je groter en zwaarder. Door lichamelijke ontwikkeling veranderen delen van je lichaam. Je krijgt bijvoorbeeld lichaamsbeharing. Je verandert niet alleen lichamelijk, er vindt ook geestelijke ontwikkeling plaats. Je leert steeds meer en daarmee verandert ook je manier van denken. Je groei en lichamelijke ontwikkeling stoppen rond je 18e. Je geestelijke ontwikkeling gaat veel langer door.

168

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 168

25/03/2025 11:33


Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten

Groei en ontwikkeling 3.2

Een mens doorloopt een aantal levensfasen waarin lichamelijke en geestelijke ontwikkeling plaatsvindt (figuur 2). levensfase

leeftijd in jaren*

ontwikkeling

baby

0–1,5

krijgt tanden, leert kruipen, lopen, reageert op de omgeving

peuter

1,5–4

leert praten, eten met een lepel, speelt alleen

kleuter

4–6

leert fietsen, veters strikken, tekenen, speelt met andere kinderen

schoolkind

6–12

wisselt tanden en krijgt blijvend gebit, leert lezen, rekenen, schrijven

puber

12–16

groeispurt, wordt vruchtbaar, graag bij een groep horen, stemmingswisselingen, zoekt grenzen op

jongvolwassene

16–21

groei stopt, je wordt steeds zelfstandiger

volwassene

21–67

zelfstandig, krijgt misschien kinderen

oudere

67+

krijgt vaker lichamelijke en geestelijke gebreken

*De leeftijden zijn gemiddelden.

2

Verschillende levensfasen van mensen

WIST JE DAT? Je hebt een ingebouwde biologische klok Mensen hebben een ingebouwde biologische klok. Dat is het ritme van allerlei lichamelijke processen. Een van die processen is slapen. De biologische klok voor slapen schuift in de puberteit twee tot drie uur naar achteren. Pubers worden daardoor avondmensen en vallen later in slaap. Omdat ze ongeveer acht uur slaap per nacht nodig hebben is het ook lastig om op tijd op te staan. Pubers slapen te kort en zijn moe. Dat is niet handig als je in de klas moet opletten. Zou het niet beter zijn om school pas om 10.00 uur te laten beginnen?

169

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 169

25/03/2025 11:33


Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten

Groei en ontwikkeling 3.2

Primaire en secundaire geslachtskenmerken

Bij de bevruchting wordt het geslacht van de baby al bepaald. Bij de geboorte van een baby bepaalt de arts of verloskundige het geslacht of sekse. Heeft de baby een penis, dan komt er ‘M’ op de geboorteakte te staan. Als de baby schaamlippen heeft, dan staat er ‘V’. Penis en schaamlippen noem je de primaire geslachtskenmerken (figuur 3). vulva in ontwikkeling sekse meisje

anus

anus

sekse jongen

week 9

penis in ontwikkeling

week 14

3

In de puberteit groei je snel tijdens de groeispurt en ontwikkel je je lichamelijk en geestelijk. De lichamelijke kenmerken die tijdens de puberteit ontstaan noem je secundaire geslachtskenmerken (figuur 4 en 5). meisjes

jongens

haargroei bij geslachtsorganen, oksels, benen

haargroei bij geslachtsorganen, oksels, benen, borst, gezicht

bredere heupen

bredere schouders

meer vetweefsel, borsten

meer spieren

groei van de schaamlippen

groei van penis en balzak

rijping van eicellen, eerste eisprong en menstruatie

productie van zaadcellen, eerste zaadlozing lagere stem

4

Secundaire geslachtskenmerken

170

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 170

25/03/2025 11:33


Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten

levensfase / leeftijd fase 1 pasgeboren

fase 2 3-5 maanden fase 3 5-6 maanden fase 4 0,5 - 1,5 jaar fase 5

Groei en ontwikkeling 3.2

kenmerken Is kaal, blind en doof. Heeft geen zichtbare geslachtskenmerken. Kan niet uit zichzelf poepen en plassen. Wordt gevoed met moedermelk. Kan de lichaamstemperatuur niet constant houden. Begint met kruipen. Kan zelfstandig poepen en plassen. Wordt gevoed met moedermelk. Begint met lopen. Leert bamboe eten. Verlaat af en toe het hol. Drinkt soms moedermelk. Geslachtskenmerken zijn zichtbaar. Klimt in bomen. Eet bamboe. Drinkt geen moedermelk meer.

1,5 - 5 jaar

Is zelfstandig. Groeit snel. Wordt geslachtsrijp.

fase 6

Is volgroeid.

vanaf 5 jaar

5

Secundaire geslachtskenmerken

TIP Scan de QR-code en bekijk het filmpje Zijn pubers van nature lui?

Hormonen in de puberteit

De puberteit wordt in gang gezet door een hormoonklier: de hypofyse. De hypofyse is zo groot als een erwt en zit aan de onderkant van de hersenen (figuur 6). Deze klier maakt hormonen aan die door het bloed door je lichaam worden vervoerd. Deze hormonen zorgen ervoor dat je groeit en dat de geslachtsorganen geslachtshormonen gaan maken. Deze hormonen zorgen voor de secundaire geslachtskenmerken.

hypofyse

6

Hersenen met hypofyse

TIP Scan de QR-code en bekijk het filmpje over de puberteit en de hypofyse.

171

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 171

25/03/2025 11:33


Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten

Groei en ontwikkeling 3.2

Groei en ontwikkeling bij dieren

Bij zoogdieren, zoals de mens, gaat de groei en ontwikkeling tot een volwassen individu vaak op dezelfde manier. Een jong is meestal een kleine versie van een volwassen dier (figuur 7). Soms ontwikkelen dieren zich op een bijzondere manier. Het jong en het volwassen dier lijken dan niet op elkaar. Bijvoorbeeld bij amfibieën zoals kikkers en insecten zoals vlinders.

7

Volwassen hond met puppy

Een vlinder doorloopt tijdens zijn leven verschillende stappen (figuur 8). De vlinder legt eitjes. Uit die eitjes komen rupsen (larven). Rupsen eten bladeren en groeien. Ze maken uiteindelijk een soort slaapzak voor zichzelf: de pop. In de pop verandert de rups in een vlinder. Een volwassen vlinder kan zich voortplanten en weer eieren leggen. Als deze stappen noem je de levenscyclus.

vlinder

ei

pop 8

rups

De levenscyclus van een monarchvlinder met gedaanteverwisseling

TIP Scan de QR-code en bekijk het filmpje Het koolwitje.

172

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 172

25/03/2025 11:33


Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten

Groei en ontwikkeling 3.2

OPDRACHTEN 2

Ontwikkeling en leeftijd Schrijf de juiste levensfase achter elke ontwikkeling. Kies uit: baby | kleuter | oudere | peuter | puber | schoolkind | volwassene leren praten leren kruipen, lopen vruchtbaar worden leren lezen, rekenen kinderen krijgen vaker lichamelijke gebreken leren met andere kinderen spelen

3

Groei Cellen delen zich en daardoor groei je. Er gaan ook cellen dood.

a Als je groeit, wordt het totaal aantal cellen dan meer of minder, of blijft dat gelijk?

b Op een bepaald moment stopt de groei, je wordt niet langer. Stopt het delen van cellen dan? Leg je antwoord uit.

c Celdeling is niet alleen om te groeien. Noem nog twee andere functies van celdeling.

4

Geestelijke en lichamelijke ontwikkeling In de puberteit vinden veel veranderingen plaats. Je ontwikkelt je zowel geestelijk als lichamelijk. Bij welke veranderingen gaat het om geestelijke ontwikkeling?

■ Een jongen krijgt meer lichaamsbeharing. ■ Een meisje krijgt borsten. ■ Je krijgt seksuele gevoelens. ■ Je voelt je onzeker. ■ Je wisselt tanden en kiezen en krijgt een blijvend gebit. ■ Je wordt verliefd. 173

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 173

25/03/2025 11:33


Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten

5

Groei en ontwikkeling 3.2

Slaapproblemen Slaapproblemen komen vaak voor bij pubers. Dit komt doordat hun biologische klok verandert, maar er zijn ook andere dingen die ervoor zorgen dat ze niet snel in slaap vallen.

a Maak een informatieve poster met tips hoe pubers beter in slaap kunnen komen. Dit heb je nodig:

• • •

kladpapier A3-papier stiften

Gebruik hierbij eventueel de vaardigheidskaart Presentaties maken. Dit ga je doen: 1 Werk in tweetallen. 2 Bedenk minimaal vijf tips. Je mag internet gebruiken. 3 Maak eerst een ontwerp van de poster. 4 Illustreer de tips met tekeningen of foto’s. 5 Bekijk de tips op de posters van de andere tweetallen.

b Welke vijf beste tips heb je gezien? 1 2 3 4 5

6

De hypofyse Naar: Examen GL/TL 2005-1 De puberteit begint gemiddeld bij jongens als ze elf jaar zijn. Bij sommige kinderen raakt die ontwikkeling verstoord. Daardoor komen zij eerder in de puberteit, soms al vóór hun achtste jaar. In de afbeelding zie je een doorsnede van het hoofd.

a Welke letter in de afbeelding geeft de hypofyse aan?

P Q R S

b Hoe worden de hormonen die de hypofyse produceert door het lichaam vervoerd?

c De hormonen van de hypofyse stimuleren twee ontwikkelingen. Welke twee ontwikkelingen?

174

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 174

25/03/2025 11:33


Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten

7

Groei en ontwikkeling 3.2

Lengtegroei Naar: Examen GL/TL 2005-1 Als kinderen in de puberteit komen, krijgen ze een ‘groeispurt’. Dat is een periode waarin de groei heel snel gaat. De groeispurt wordt veroorzaakt door groeihormonen uit de hypofyse. In het diagram is de groei van twee jongens weergegeven: Adiel en Rob.

lengte in cm

210

Adiel

200

Rob

190 180 170 160 150 140 130 120 110 100 90 80 0 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 leeftijd in jaren

a Vergelijk de groei van de twee jongens. Welke jongen krijgt het eerst de groeispurt?

b Welke jongen wordt uiteindelijk groter?

c Rob is eerder in de puberteit gekomen dan Adiel door een niet goed werkende hypofyse. Daardoor zijn de secundaire geslachtskenmerken ook eerder zichtbaar. Welke secundaire kenmerken heeft Rob eerder dan Adiel? Noem er twee.

175

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 175

25/03/2025 11:33


Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten

8

Groei en ontwikkeling 3.2

Van kikkerdril tot kikker Scan de QR-code en bekijk het filmpje Gedaanteverwisseling van de groene kikker.

a Zet de zinnen in de juiste volgorde. De staart verdwijnt en het ademhalingsstelsel verandert. Er ontwikkelen zich achterpootjes. De vrouwtjeskikker legt eitjes (kikkerdril). Uit die eitjes komen kikkervisjes die in het water leven. Er ontwikkelen zich voorpootjes.

1

Een volwassen kikker leeft in het water en op het land en eet dierlijk voedsel. Kikkervisjes eten plantaardig voedsel en ademen met kieuwen en door de huid.

b Welke twee orgaanstelsels veranderen in het lichaam van de kikker?

c Welke organen zijn nodig om te ademen in het water?

d Welk voedsel is moeilijker te verteren: dierlijk of plantaardig voedsel? Leg je antwoord uit. TIP Denk aan de bouw van cellen.

e Welke organisatieniveaus zijn in deze opdracht aan bod gekomen? Schrijf de namen van de niveaus op die in de opdracht aan bod zijn gekomen. Schrijf er een voorbeeld achter.

cel

weefsel

orgaan

orgaanstelsel organisme

populatie

ecosysteem

biosfeer

176

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 176

25/03/2025 11:33


Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten

9

Groei en ontwikkeling 3.2

Groei van een kikker In de afbeelding is de groei en ontwikkeling van een kikkersoort te zien. 1 dag

5 dagen 15 dagen

29 dagen

40 dagen

42 dagen

50 dagen

60 dagen

a Maak een tabel en een lijngrafiek van de groei van deze kikker. Dit heb je nodig:

• • •

grafiekpapier/mm-papier potlood geodriehoek

Dit ga je doen: 1 Meet met een geodriehoek van elk kikkervisje en elke kikker de lengte in mm. 2 Zet de gegevens in de tabel. leeftijd kikker(visje) in dagen

lengte kikker(visje) in mm

1 5 15 29 40 42 50 60

3 Maak van de gegevens in de tabel een lijngrafiek. Zet de lengte op de verticale as en de dagen op de horizontale as. Gebruik hierbij eventueel de vaardigheidskaart Tabellen en diagrammen maken. TIP Neem voor het gemak aan dat de afbeelding in het boek op ware grootte is. In werkelijkheid is dat natuurlijk niet zo. De kikkers zijn in werkelijkheid groter!

b Wat valt je op als je naar de lichaamslengte van het dier kijkt? Hoe kun je dat verklaren?

177

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 177

25/03/2025 11:33


Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten

10

Groei en ontwikkeling 3.2

Terugkijken Kijk terug op deze paragraaf.

a Hoe heb je de opdrachten per leerdoel gemaakt? Noteer 0, – –, –, + of + +. 0 betekent: niets gemaakt. + + betekent: alles goed. Je kunt ...

opdrachten

score

extra oefenen? (Herhaling en Plus)

1. de verschillende levensfasen van mensen beschrijven.

2, 3

H13, P16, P17

2. de primaire en secundaire geslachtskenmerken benoemen.

4, 5

H12

3. de invloed van hormonen op de secundaire geslachtskenmerken uitleggen.

6, 7

H11, P15

4. groei en ontwikkeling bij dieren beschrijven.

8, 9

H14

b Bekijk je scores van vraag a. Kies minstens één opgave waarmee je nog wil oefenen, nu of in voorbereiding op de toets. TIP Noteer alvast enkele belangrijke begrippen uit deze paragraaf. Die heb je later nodig bij 3.8 Alles in samenhang.

HERHALING EN PLUS Online kun je extra oefenen met Herhaling en Plus. Opdracht 11 en 15 staan ook in je boek.

11

Jeugdpuistjes Hormonen zorgen in de puberteit voor veranderingen in de huid. De talgkliertjes gaan meer talg maken. Talg is een vettige stof. Als de uitgang van zo’n kliertje verstopt raakt, kan er een ontsteking ontstaan. Je krijgt dan een jeugdpuistje (zie de foto).

178

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 178

25/03/2025 11:33


Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten

Groei en ontwikkeling 3.2

a Waar worden deze hormonen gemaakt?

b Hoe bereiken de hormonen de huid?

15

Voortplanting bij vogels Vogels hebben geen penis en geen vagina. Hoe gaat de voortplanting bij vogels er dan aan toe? Je zoekt dit uit en werkt het uit in een ‘Wist je dat’-verhaal of je maakt een kort stripverhaal. Dit ga je doen: 1 Werk in drietallen. 2 Zoek informatie op over de voortplanting van vogels. Ieder beantwoordt een vraag. Hoe paren een mannetjesvogel en een vrouwtjesvogel? Hoe ontstaan eieren? Wat gebeurt er voordat de eieren uitkomen? 3 Deel de gevonden informatie met elkaar. 4 Schrijf een ‘Wist je dat’-verhaal van maximaal 100 woorden en voeg twee afbeeldingen toe die erbij passen. Of maak een kort stripverhaal waarin je de antwoorden op de vragen verwerkt. 5 Laat het resultaat aan je docent of een ander groepje zien.

EXAMENOPGAVEN Bij deze paragraaf kun je oefenen met eindexamenopgaven. Overleg met je docent of je de eindexamenopgave Orka in de overgang gaat maken.

179

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 179

25/03/2025 11:33


Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten

Geslachtsorganen 3.3

3.3 Geslachtsorganen Aan het eind van deze paragraaf kun je:

• • • •

de functies van delen van het vrouwelijke voortplantingsstelsel benoemen. de functies van delen van het mannelijke voortplantingsstelsel benoemen. uitleggen hoe geslachtscellen zich ontwikkelen. verschillen tussen eicellen en zaadcellen benoemen.

Bij deze paragraaf horen de volgende practicumopdrachten:

• •

Zaadcellen Eierstok

Overleg met je docent of je deze practicumopdrachten gaat uitvoeren.

STARTOPDRACHT 1

Een zaadcel bouwen Een zaadcel bestaat uit een kop en een staart.

a Je maakt in deze opdracht een model van een zaadcel met een knoop en een draadje. Je zorgt dat de verhoudingen hetzelfde zijn. Dit heb je nodig:

• • • •

knoop met gaatjes stukje draad geodriehoek schaar

Dit ga je doen: 1 Meet in de afbeelding de lengte van de kop. Schrijf de afmeting in mm bij de afbeelding. 2 Doe hetzelfde bij de staart. 3 Bereken hoeveel keer de staart groter is dan de kop. Schrijf de berekening met uitkomst onder de afbeelding. 4 Maak het draadje aan de knoop vast. 180

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 180

25/03/2025 11:33


Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten

Geslachtsorganen 3.3

5 Meet de lengte (doorsnede) van de knoop. Schrijf de afmeting in mm onder de afmeting van de kop van de zaadcel. 6 Bereken hoe lang de staart moet zijn als je dezelfde verhouding gebruikt als de afbeelding. 7 Knip de staart op de juiste lengte af. Daarmee heb je een model van een zaadcel.

b Ga er even van uit dat de kop van een zaadcel rond is, net als bij de knoop. Een eicel is 0,12 mm groot en net met het blote oog zichtbaar. Een zaadcel is veel kleiner. De kop is ongeveer 0,005 mm groot. Reken uit hoeveel keer zo groot de eicel is ten opzichte van de zaadcel. Laat de berekening zien.

THEORIE Het vrouwelijke voortplantingsstelsel

Aan de buitenkant van het lichaam van een vrouw zijn de schaamlippen, de clitoris met de eikel en de opening van de vagina te zien. Dit zijn de uitwendige geslachtsorganen. Deze noem je samen de vulva (figuur 1). Bij de vaginaopening kan een huidplooi zitten. Dat is het maagdenvlies. Ook aan de binnenkant van het lichaam bevinden zich delen van het vrouwelijke voortplantingsstelsel (figuur 2). Deze geslachtsorganen hebben elk hun eigen functie (figuur 3).

eikel van de clitoris buitenste schaamlip

plasbuisopening

binnenste schaamlip vaginaopening

anus 1

Een vulva van onderen gezien

181

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 181

25/03/2025 11:33


Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten

baarmoeder

Geslachtsorganen 3.3

eileider

eierstok

baarmoederhals baarmoedermond

vagina

eikel binnenste schaamlippen zwellichaam vagina 2

Inwendige vrouwelijke geslachtsorganen waarbij de clitoris vergroot is weergegeven.

naam

functie

eierstokken

• rijpen van eicellen • produceren van geslachtshormonen, zoals oestrogeen

eileiders

• de eicel bij de eisprong opvangen • vervoeren van de (bevruchte) eicel naar de baarmoeder

baarmoeder

• in het slijmvlies ontwikkelt de bevruchte eicel zich tot baby • de gespierde baarmoederwand duwt bij de geboorte de baby naar buiten

vagina

• opvangen van sperma • bloed en slijm van de menstruatie afvoeren • hierdoor komt de baby bij de geboorte naar buiten

clitoris

• is gevoelig voor seksuele prikkels

eikel

• onderdeel van de clitoris, gevoelig voor seksuele prikkels

binnenste en buitenste schaamlippen

• zijn gevoelig voor seksuele prikkels en zwellen daardoor op • beschermen de opening van de vagina • maken vocht aan dat beschermt tegen infecties

3

Geslachtsorganen van de vrouw en hun functies

182

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 182

25/03/2025 11:33


Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten

Geslachtsorganen 3.3

Het mannelijk voortplantingsstelsel

De uitwendige geslachtsorganen van een man bestaan uit de penis met de eikel en voorhuid en de balzak (figuur 4). Aan de binnenkant van het lichaam liggen andere delen van het mannelijk voortplantingsstelsel met elk hun eigen functie (figuur 5 en 6).

balzak eikel voorhuid plasbuisopening 4

Uitwendige mannelijke geslachtsorganen

zaadleider zaadblaasje prostaat plasbuis penis zwellichaam bijbal eikel teelbal

5

Inwendige mannelijke geslachtsorganen

183

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 183

25/03/2025 11:33


Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten

Geslachtsorganen 3.3

naam

functie

teelballen

• produceren van zaadcellen • produceren van geslachtshormonen, vooral testosteron

bijballen

• tijdelijk opslaan van zaadcellen

zaadleiders

• vervoeren van zaadcellen naar de penis

zaadblaasjes

• produceren van vocht dat zaadcellen in leven houdt

prostaat

• produceren van vocht dat zaadcellen in leven houdt

plasbuis

• vervoeren van urine en sperma (zaadcellen en vocht uit zaadblaasje en prostaat)

penis

• sperma in de vagina van de vrouw brengen

eikel

• onderdeel van de penis, gevoelig voor seksuele prikkels

voorhuid

• beschermen van de eikel

6

door de penis

Geslachtsorganen van de man en hun functies

Een erectie bij mannen en vrouwen

Als een man seksueel opgewonden raakt, lopen zwellichamen in de penis vol bloed en wordt de penis stijf. Dit noem je een erectie (figuur 7). Ook een vrouw kan een erectie krijgen. Dit gebeurt bij de clitoris, die ook zwellichamen bevat. Dat valt minder op omdat bij de clitoris alleen de eikel zichtbaar is.

zwellichamen bloedvaten

erectie

erectie zwellichamen bloedvaten

plasbuis 7

Zwellichamen in de penis en clitoris

Geslachtscellen

Celdelingen gebeuren overal in het lichaam. Door een gewone celdeling (mitose) worden lichaamscellen gekopieerd en hebben ze precies hetzelfde DNA. Geslachtscellen ontstaan op een andere manier. Ze ontstaan in de eierstokken en de teelballen door een bijzondere celdeling: de meiose of reductiedeling. De geslachtscellen die daarbij ontstaan, hebben maar de helft van het DNA. Als een zaadcel een eicel bevrucht, bevat de bevruchte eicel weer net zoveel DNA als een lichaamscel (figuur 8).

184

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 184

25/03/2025 11:33


Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten

mitose

8

meiose

Geslachtsorganen 3.3

bevruchting

Mitose, meiose en bevruchting

Bij meisjes zijn eicellen al voor de geboorte gevormd. Vanaf de puberteit rijpen elke maand een of twee eicellen in de eierstokken. Vanaf dat moment kan een vrouw zwanger raken. In de overgang, rond het 50e levensjaar, stopt dit rijpingsproces. Bij jongens worden vanaf de puberteit zaadcellen in de teelballen geproduceerd. Vanaf de eerste zaadlozing is een jongen vruchtbaar. Bij een zaadlozing komen miljoenen zaadcellen vrij. Mannen kunnen tot op hoge leeftijd vruchtbaar zijn. Een eicel is de grootste cel van een mens. De eicel bevat reservevoedsel. Dit is om de eerste dagen na de bevruchting energie te hebben. Een zaadcel is veel kleiner dan een eicel (figuur 9). Een zaadcel bestaat uit een kop en een zweepstaart, waarmee hij zich voortbeweegt.

9

Eicel met zaadcellen

WIST JE DAT? Mannelijk geslachtshormoon als doping Het mannelijke geslachtshormoon testosteron bevordert de opbouw van spieren. Sommige sporters willen daarom extra testosteron hebben. Gewichtheffers, bodybuilders en kogelstoters kunnen zo hun prestaties verbeteren. Maar testosteron wordt in de sport beschouwd als doping en is dus verboden. Testosteron heeft ook veel nadelen. Mannen hebben een verhoogde kans op prostaatkanker. Vrouwen krijgen er een zwaardere stem door, meer beharing en verminderde borstgroei. 185

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 185

25/03/2025 11:33


Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten

Geslachtsorganen 3.3

OPDRACHTEN 2

Vrouwelijke geslachtsorganen: namen Schrijf het juiste onderdeel achter de omschrijving. Kies uit: baarmoeder | clitoris | eierstok | eileider | vagina | vulva de plaats waar een eicel wordt bevrucht de plaats waar de bevruchte eicel uitgroeit tot baby de plek die heel gevoelig is voor seksuele prikkels de plaats waar eicellen rijpen de plaats waar sperma in het vrouwelijk lichaam wordt opgevangen de uitwendige vrouwelijke geslachtsorganen

3

Vrouwelijke geslachtsorganen: ligging In de twee tekeningen zijn schematisch de ligging van de geslachtsorganen, de urineblaas en de plasbuis van een vrouw weergegeven. A B C

1 2 3 4 5 6 7

D E F G

tekening 1

tekening 2

De tweede tekening ziet er iets anders uit. Vul het schema in. Welke letter geeft hetzelfde onderdeel aan en wat is de naam van dat onderdeel? tekening 1

tekening 2

naam

1 2 3 4 5 6 7

186

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 186

25/03/2025 11:33


Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten

4

Geslachtsorganen 3.3

Sperma Sperma bestaat uit verschillende bestanddelen.

a Welke bestanddelen zijn dat en in welke drie delen van het voortplantingsstelsel worden ze geproduceerd?

b Welke functie heeft het vocht dat wordt toegevoegd aan de zaadcellen?

5

Sterilisatie van een man Sterilisatie is een manier om bevruchting te voorkomen en kan zowel bij mannen als bij vrouwen worden toegepast. Bij sterilisatie van een man worden beide zaadleiders afgebonden en eventueel onderbroken. Dit zie je bij P in de tekening.

1

2

P P

3

a Kunnen na sterilisatie bij een man nog zaadcellen worden gevormd?

b Kan in de zaadblaasjes en de prostaat nog vocht worden gemaakt?

c Waaruit bestaat sperma?

187

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 187

25/03/2025 11:33


Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten

Geslachtsorganen 3.3

d Als een gesteriliseerde man een orgasme krijgt, komt er vocht uit zijn penis. Waarom is het woord sperma niet de juiste omschrijving voor het vocht?

e Welke bewering over teelballen na een sterilisatie is juist?

● Teelballen maken alleen geslachtshormonen. ● Teelballen maken alleen zaadcellen. ● Teelballen maken geen geslachtshormonen en geen zaadcellen. ● Teelballen maken zowel geslachtshormonen als zaadcellen. 6

Twee soorten deling Er zijn twee soorten celdeling: mitose en meiose. Schrijf achter elke omschrijving of je te maken hebt met mitose of met meiose. spiercellen delen zich een bevruchte eicel deelt zich een cel in de teelballen deelt zich een eicel wordt gemaakt groei herstellen van een wondje een cel heeft de helft van het DNA

7

Zaadcellen en een spijkerbroek Teelballen hebben een temperatuur van 35 °C. Dat is lager dan de lichaamstemperatuur van 37 °C. Studenten onderzoeken of de temperatuur van teelballen invloed heeft op de beweeglijkheid van zaadcellen. Werk in een tweetal. Gebruik hierbij eventueel de vaardigheidskaart Natuurwetenschappelijk onderzoek doen.

a Bedenk eerst ieder apart een passende onderzoeksvraag.

b Vergelijk jullie onderzoeksvragen en vul elkaar dan aan zodat er een goede onderzoeksvraag staat.

188

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 188

25/03/2025 11:33


Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten

Geslachtsorganen 3.3

c Bedenk een hypothese (wat verwacht je?).

d Beantwoord de volgende vragen. 1 Welk voordeel hebben beweeglijke zaadcellen op de vruchtbaarheid?

2 Noem een instrument dat de onderzoekers nodig hebben bij dit onderzoek.

e Uit het onderzoek blijkt dat de beweeglijkheid van de zaadcellen bij een temperatuur van 35 °C het hoogst is. Als het warmer of kouder is, dan zijn ze minder beweeglijk. Een vervolgonderzoek zou kunnen zijn welke invloed de vorm van de bovenkant van een spijkerbroek (strak of wijd) heeft op de beweeglijkheid van zaadcellen. Hoe zou je dit onderzoek kunnen aanpakken? Schrijf vier stappen op. 1

2

3

4

8

Eicel en zaadcel Geef aan of de omschrijving gaat over een eicel of een zaadcel. is al bij de geboorte aanwezig in het lichaam

eicel | zaadcel

is een onderdeel van sperma

eicel | zaadcel

er worden er miljoenen van gemaakt

eicel | zaadcel

bevat reservevoedsel

eicel | zaadcel

kan bewegen door een zweepstaart

eicel | zaadcel

is de grootste cel van het menselijk lichaam

eicel | zaadcel

189

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 189

25/03/2025 11:33


Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten

9

Geslachtsorganen 3.3

De bouw van geslachtscellen Bij mensen is de bouw van eicellen anders dan de bouw van zaadcellen. Dit verschil in bouw heeft te maken met het verschil in functie van beide typen cellen.

a Welk type geslachtscellen heeft een zweepstaart? Leg uit waarom deze geslachtscellen een zweepstaart moeten hebben.

b Welk type geslachtscellen is het grootst? Leg uit waarom deze geslachtscellen groter zijn.

10

Terugkijken Kijk terug op deze paragraaf.

a Hoe heb je de opdrachten per leerdoel gemaakt? Noteer 0, – –, –, + of + +. 0 betekent niets gemaakt, + + betekent alles goed. Je kunt ...

opdrachten

score

extra oefenen? (Herhaling en Plus)

1. de functies van delen van het vrouwelijke voortplantingsstelsel benoemen.

2, 3

H12, P15

2. de functies van delen van het mannelijke voortplantingsstelsel benoemen.

4, 5

P17

3. uitleggen hoe geslachtscellen zich ontwikkelen.

6, 7

H11, H13, P16

4. verschillen tussen eicellen en zaadcellen benoemen.

8, 9

H14

b Bekijk je scores van vraag a. Kies minstens één opgave waarmee je nog wil oefenen, nu of in voorbereiding op de toets. TIP Noteer alvast enkele belangrijke begrippen uit deze paragraaf. Die heb je later nodig bij 3.8 Alles in samenhang.

190

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 190

25/03/2025 11:33


Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten

Geslachtsorganen 3.3

HERHALING EN PLUS Online kun je extra oefenen met Herhaling en Plus. Opdracht 11 en 15 staan ook in je boek.

11

Het verschil tussen mitose en meiose a Vul de juiste celdeling in. Kies uit mitose of meiose.

15

Geslachtscellen ontstaan door

.

Lichaamscellen ontstaan door

.

Een

is een celdeling die in het hele lichaam kan plaatsvinden.

Een

kan alleen in de teelballen en eierstokken plaatsvinden.

Buikholte In de afbeelding is de buikholte met enkele organen weergegeven.

P Q R S T

U V W X

a Is dit de buikholte van een man of van een vrouw? Leg je antwoord uit.

b Welke letters geven geslachtsorganen aan? Noteer de letters en de namen.

191

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 191

25/03/2025 11:33


Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten

Geslachtsorganen 3.3

EXAMENOPGAVEN Bij deze paragraaf kun je oefenen met eindexamenopgaven. Overleg met je docent of je de eindexamenopgave Een anticonceptie-gel gaat maken.

192

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 192

25/03/2025 11:33


Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten

Omgaan met seksualiteit en seks 3.4

3.4 Omgaan met seksualiteit en seks Aan het eind van deze paragraaf kun je:

•

uitleggen dat je je op verschillende manieren aangetrokken kunt voelen tot iemand.

• • •

uitleggen dat je op verschillende manieren seks kunt hebben. uitleggen wat er gebeurt bij een orgasme. je eigen grenzen aangeven en de grenzen van anderen respecteren.

STARTOPDRACHT 1

Verliefd Als je verliefd bent, gebeurt er iets in je hersenen. Er worden stoffen aangemaakt in je hersenen als je die ene persoon ziet. Die stoffen zijn verslavend, waardoor je steeds vaker die persoon wilt zien. Maar hoe begint verliefd worden?

Scan de QR-code en bekijk het filmpje Hoe werkt verliefdheid?

193

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 193

25/03/2025 11:33


Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten

Omgaan met seksualiteit en seks 3.4

a In het filmpje worden twee stoffen genoemd die ervoor zorgen dat je het verliefdheidsgevoel krijgt. Welke twee zijn dit?

b De stoffen die je bij a hebt ingevuld zijn stoffen die ervoor zorgen dat zenuwcellen signalen kunnen doorgeven. Daarnaast spelen bij verliefdheid ook twee geslachtshormonen een rol. Welke?

c Bespreek de volgende vragen in twee-, drie- of viertallen. • Wat vind jij aantrekkelijk in iemand? Waar let je op? • Hoe gedraag je je als je verliefd op iemand bent? • Hoe merk je dat iemand verliefd op jou is? Eventueel volgt een klassengesprek over verliefd zijn.

THEORIE Je aangetrokken voelen

Seksualiteit en seks zijn voor veel mensen belangrijk. Seksualiteit is een verzamelbegrip. Het heeft te maken met je lichaam, je emoties (gevoelens) en je cultuur (normen en waarden). Seks gaat over de handelingen waardoor je seksueel opgewonden raakt. In de puberteit ontdekken de meeste jongeren zichzelf. Je leert jezelf zowel lichamelijk als geestelijk goed kennen. En dat is belangrijk om te bepalen hoe je jezelf opstelt ten opzichte van anderen in verschillende situaties. En ook tot wie je je aangetrokken voelt. Als je verliefd wordt op mensen van een andere sekse dan jijzelf, noem je dat heteroseksueel. Val je op mensen van dezelfde sekse, dan heet dat homoseksueel. Vrouwen die op vrouwen verliefd worden noem je lesbisch en mannen die op mannen vallen noem je homo. Mensen die zich zowel tot mannen als tot vrouwen aangetrokken voelen zijn biseksueel. Er zijn ook mensen die geen seksuele gevoelens voor anderen hebben. Zij zijn aseksueel. Maar zij kunnen zich wel vriendschappelijk tot iemand aangetrokken voelen.

1

Verliefd

Soms is het niet gemakkelijk om mensen in je omgeving te vertellen wat je seksuele voorkeur is. Dit noem je ‘uit de kast komen’. In de Nederlandse Grondwet staat dat iedereen die zich in Nederland bevindt in gelijke gevallen gelijk moet worden behandeld. Je mag dus niet iemand discrimineren wegens een seksuele voorkeur. Maar homoseksualiteit wordt niet overal ter wereld geaccepteerd. Er zijn ook landen waar homoseksualiteit verboden is.

194

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 194

25/03/2025 11:33


Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten

Omgaan met seksualiteit en seks 3.4

Seks met jezelf en met een ander Seks heeft bij mensen niet alleen maar een functie voor de voortplanting (figuur 2). Mensen hebben ook seks om te laten zien dat ze van elkaar houden en omdat ze het fijn vinden. Seks begint vaak in je gedachten. Je kunt opgewonden raken door je fantasie, maar ook door aanrakingen, zoenen of het zien van bepaalde plaatjes of films. Bij seks gaat het dus om meer dan alleen geslachtsgemeenschap, waarbij de penis in de vagina of anus gaat. Je kunt ook in je eentje seks hebben. Als je bij

2

Seks gaat niet alleen om voortplanting.

jezelf fijne seksuele gevoelens opwekt, noem je dat masturberen: vingeren bij vrouwen of aftrekken bij mannen. Door masturberen kun je onderzoeken wat je fijn en lekker vindt. Als je opgewonden wordt, merk je dat aan je lichaam. Je gaat sneller ademen en je hart klopt sneller. Je krijgt rodere lippen en je lichaam wordt gevoeliger voor aanrakingen. Bij een vrouw zwellen de schaamlippen, de vaginawand en de clitoris op en worden vochtig. Bij een man wordt de penis stijf en de eikel wordt vochtig. In dit voorvocht kunnen al zaadcellen zitten. Als je de clitoris of eikel blijft stimuleren, wordt je opwinding steeds groter en kun je een orgasme krijgen (klaarkomen). Dit is een fijn gevoel. Bij een vrouw trekken daarbij de spieren rond de vagina en de baarmoeder samen. Bij een man komt bij een zaadlozing sperma uit de penis.

Jouw grenzen en die van anderen Seks is fijn als je je eigen grenzen bewaakt en die van iemand anders respecteert (figuur 3). Het is goed om voor jezelf na te denken wat je wilt en hoever je wilt gaan op seksueel gebied. Ook is het goed om je grenzen bij de ander aan te geven. Helaas komt seksueel grensoverschrijdend gedrag nog veel voor en op allerlei manieren:

• • •

ongewenste seksistische opmerkingen ongewenste aanrakingen (aanranding) (door)sturen van seksueel getinte

3

Geef je eigen grenzen aan.

berichten en foto’s (sexting)

• •

nafluiten of nasissen op straat verkrachting

Vaak heeft dit gedrag te maken met macht. Als de een afhankelijk is van de ander is het soms moeilijk om nee te zeggen. Ook groepsdruk kan ervoor zorgen dat je dingen doet die je eigenlijk liever niet wilt.

195

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 195

25/03/2025 11:33


Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten

Omgaan met seksualiteit en seks 3.4

WIST JE DAT? MeToo Machtsmisbruik en seksueel geweld in Hollywood was de aanleiding voor de MeToo-beweging. Op 15 oktober 2017 twitterde actrice Alyssa Milano: "Als alle vrouwen die seksueel zijn misbruikt hun status zouden veranderen in MeToo dan wordt duidelijk hoe groot dit probleem is." De tweet ging viral! 24 uur later was hij al 4,7 miljoen keer gedeeld. Op die manier lieten ongekend veel vrouwen, en ook mannen, weten dat ze te maken hebben gehad met seksueel grensoverschrijdend gedrag. En dat is zeker niet alleen in Hollywood.

OPDRACHTEN 2

Aangetrokken voelen Schrijf de juiste naam achter de beschrijving. Kies uit: aseksueel | biseksueel | heteroseksueel | homoseksueel | lesbisch een vrouw die op vrouwen valt een vrouw die op mannen valt iemand die op een ander van hetzelfde geslacht valt iemand die geen seksuele gevoelens heeft iemand die zowel op mannen als op vrouwen valt

3

Hoe denk jij erover? Ben je het eens of oneens met deze stellingen over seksualiteit? Dit ga je doen: 1 De docent of een leerling leest de stellingen één voor één voor. 2 Je bedenkt of je het eens of oneens bent met de stelling. Ben je het eens? Ga dan links in het lokaal staan. Ben je het oneens? Ga dan rechts in het lokaal staan. 3 Praat daarna over het resultaat.

196

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 196

25/03/2025 11:33


Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten

Omgaan met seksualiteit en seks 3.4

Stellingen:

• • • • • • • •

4

Als twee meisjes gearmd lopen zijn ze waarschijnlijk hetero. Als twee jongens gearmd lopen zijn ze zeker homo. Een heterojongen en een heteromeisje kunnen niet alleen maar vrienden zijn. Homoseksuele mensen komen te vaak op televisie. Je mag homo als scheldwoord gebruiken. Een meisje weet pas dat ze lesbisch is als ze het ook met een man heeft geprobeerd. Iedereen wordt biseksueel geboren. Een jongen die opgevoed wordt door homoseksuele vaders wordt zelf ook homoseksueel.

Seks of niet? Er zijn redenen om wel seks te hebben en redenen om geen seks te hebben.

a Noem twee redenen om seks met iemand te hebben.

b Noem ook twee redenen om (nog) geen seks te hebben.

5

Vragen over seks Er zijn veel websites waar je informatie kunt krijgen over seks.

a Welk soort websites zijn het meest betrouwbaar als het gaat over lichamelijke en medische zaken? Kies er twee. Een website …

■ boven aan de lijst van Google na een zoekopdracht ■ van de overheid die gericht is op voorlichting ■ van een bekende artiest ■ van een online shop ■ van een vlogger ■ van een ziekenhuis b Welke websites bevatten feiten en welke meestal meningen? Een website ... bevat feiten

bevat meestal meningen

boven aan de lijst van Google na een zoekopdracht

●

●

van de overheid die gericht is op voorlichting

●

●

van een bekende artiest

●

●

van een online shop

●

●

van een vlogger

●

●

van een ziekenhuis

●

●

197

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 197

25/03/2025 11:33


Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten

Omgaan met seksualiteit en seks 3.4

c Zoek drie betrouwbare sites waar je antwoorden kunt vinden op vragen die je hebt over seks. Vul je lijstje aan met websites die een klasgenoot vindt.

6

Orgasme Zowel mannen als vrouwen kunnen een orgasme krijgen.

a Hoe merk je dat een vrouw opgewonden wordt en een orgasme krijgt?

b Hoe merk je dat een man opgewonden wordt en een orgasme krijgt?

7

Reclame Er zijn verschillende seksspeeltjes te koop die het plezier in seks kunnen vergroten. In een webshop van seksspeeltjes staat dat vrouwen vooral klaarkomen door het gebruik van seksspeeltjes die de clitoris aanraken, en niet door een penis die in de vagina beweegt.

a Waarom zou je de webshop niet direct moeten geloven? Leg je antwoord uit.

b Sense.info is een voorbeeld van een betrouwbare website. Noem nog een andere betrouwbare site. TIP Zoek dit uit met hulp van een betrouwbare website. Noem bij je antwoord de website die je hebt gebruikt.

198

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 198

25/03/2025 11:33


Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten

8

Omgaan met seksualiteit en seks 3.4

Over de grens of niet? Op een muziekfestival van meerdere dagen blijf je slapen in een tentje. Zo kun je fijn feesten en hoef je niet heen en weer naar huis. Na de eerste avond ontmoet je een leuk iemand. Jullie zoenen en de ander wil meer en mee naar jouw tent. Twijfel je of het goed is wat er gebeurt? Scan de QR-code en bekijk de stellingen van Sense.info. Wat vind je van de stellingen? Helpen ze om je grens te bepalen? Leg je antwoord uit.

9

Ja en nee Als je seks hebt met zijn tweeën moet je rekening houden met elkaar. Hoe merk je of de ander iets wel of niet wil?

a Hoe herken je nee-signalen? Noem er drie.

b Hoe herken je ja-signalen? Noem er drie.

199

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 199

25/03/2025 11:33


Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten

10

Omgaan met seksualiteit en seks 3.4

Terugkijken Kijk terug op deze paragraaf.

a Hoe heb je de opdrachten per leerdoel gemaakt? Noteer 0, – –, –, + of + +. 0 betekent niets gemaakt, + + betekent alles goed. Je kunt ...

opdrachten

score

extra oefenen? (Herhaling en Plus)

1. uitleggen dat je je op verschillende manieren aangetrokken kunt voelen tot iemand.

2, 3

H11, P16

2. uitleggen dat je op verschillende manieren seks kunt hebben.

4, 5

H12, P17

3. uitleggen wat er gebeurt bij een orgasme.

6, 7

H14

4. je eigen grenzen aangeven en de grenzen van anderen respecteren.

8, 9

H13, P15

b Bekijk je scores van vraag a. Kies minstens één opgave waarmee je nog wil oefenen, nu of in voorbereiding op de toets. TIP Noteer alvast enkele belangrijke begrippen uit deze paragraaf. Die heb je later nodig bij 3.8 Alles in samenhang.

HERHALING EN PLUS Online kun je extra oefenen met Herhaling en Plus. Opdracht 11 en 15 staan ook in je boek.

11

LHBTIQA+ In de theorie las je een aantal termen.

Scan de QR-code en bekijk het scrollverhaal over LHBTIQA+. 200

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 200

25/03/2025 11:33


Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten

Omgaan met seksualiteit en seks 3.4

Koppel elke term aan de juiste omschrijving.

15

I

•

•

Queer: Je wilt niet homo, bi, lesbisch, man, vrouw enzovoort genoemd worden.

Q

•

•

Transgender: Je voelt je man terwijl je als vrouw bent geboren, of je voelt je vrouw terwijl je als man bent geboren.

T

•

•

Er zijn nog veel meer groepen. De naam van een groep waar jij bij past, staat er niet bij.

+

•

•

Je voelt je geen man en geen vrouw.

non-binair

•

•

Intersekse: Je hebt mannelijke en vrouwelijke kenmerken.

Macht Als iemand afhankelijk is van een ander, heeft de ander meer macht.

a Bedenk drie omstandigheden waarin de ene persoon afhankelijk is van de andere en er een situatie kan ontstaan van seksueel overschrijdend gedrag.

b Zoek hierbij een actuele zaak die in de media is verschenen. Beschrijf in eigen woorden wat er hier aan de hand is.

201

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 201

25/03/2025 11:33


Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten

Menstruatiecyclus en bevruchting 3.5

3.5 Menstruatiecyclus en bevruchting Aan het eind van deze paragraaf kun je:

• • • •

uitleggen hoe de menstruatiecyclus verloopt. benoemen welke invloed hormonen hebben op de menstruatiecyclus. uitleggen hoe een eicel wordt bevrucht. uitleggen wanneer een vrouw tijdens de menstruatiecyclus vruchtbaar is.

Bij deze paragraaf hoort het volgende practicum:

•

Tampon

Overleg met je docent of je dit practicum gaat uitvoeren.

STARTOPDRACHT 1

Menstrueren Je maakt met de klas een woordwolk over de menstruatiecyclus.

a Schrijf voor jezelf drie woorden op waar je aan denkt bij het woord ‘menstruatie’.

b Zijn de volgende stellingen over de menstruatie juist of onjuist? juist

onjuist

Vrouwen zijn elke week ongesteld.

●

●

Ongesteldheid duurt enkele weken.

●

●

Een menstruatiecyclus is gemiddeld 28 dagen.

●

●

Vrouwen zijn altijd chagrijnig tijdens de menstruatie.

●

●

Je verliest tijdens de menstruatie ongeveer 50 mL bloed. Dat is zo’n 2 tot 5 eetlepels.

●

●

Bij gebruik van de pil verlies je minder bloed.

●

●

202

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 202

25/03/2025 11:33


Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten

Menstruatiecyclus en bevruchting 3.5

c Je docent heeft van de hele klas de woorden van opdracht a verzameld. Bijvoorbeeld door ze op het bord te schrijven, een poll te laten invullen of door een app te gebruiken. Er is een woordwolk ontstaan waarbij je kunt zien welke antwoorden het meest zijn gegeven. Welke drie woorden zijn het meest genoemd? Is dat verrassend? Zit een van jouw woorden erbij?

THEORIE De menstruatiecyclus

In de puberteit, tussen het 10e en 15e levensjaar, menstrueren de meeste meisjes voor het eerst. vagina. Vlak voordat je ongesteld wordt, kun

sommige vrouwen last van extreme buikpijn tijdens de menstruatie. Voordat de menstruatie plaatsvindt is er in het lichaam al een aantal dingen gebeurd. Er zijn vier fasen in de menstruatiecyclus van gemiddeld

rijping cellen

verdrietig en geïrriteerd zijn. Ook hebben

ie at

je last hebben van buikkrampen en sneller

men st ru

oe baarm derslijm vli oei r es g

Hierbij verliest een vrouw slijm en bloed via de

o v u l a ti e

28 dagen (figuur 1). 1 Er rijpen een of twee eicellen in de eierstokken. Dit zie je aan de rechterkant van de cyclus.

1

Menstruatiecyclus

2 De eisprong of ovulatie vindt plaats. Een rijpe eicel ‘springt’ uit de eierstok naar de eileider (figuur 2). 3 Het baarmoederslijmvlies wordt dikker. Hierin kan een bevruchte eicel zich nestelen. 4 De menstruatie of ongesteldheid. Ongeveer veertien dagen na de eisprong wordt het dikke baarmoederslijmvlies met bloedvaatjes afgestoten. Slijm en bloed verlaten het lichaam via de vagina.

eileider

Een onbevruchte eicel wordt afgebroken in de eileider.

eicelrijping spierlaag

eisprong

verdikt baarmoederslijmvlies 2

Eicelrijping in de eierstok en eisprong

203

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 203

25/03/2025 11:33


Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten

Menstruatiecyclus en bevruchting 3.5

TIP Scan de QR-code en bekijk het filmpje Waarom worden meisjes ongesteld?

De tijd tussen twee menstruaties kan in de puberteit onregelmatig zijn. Ook de lengte van de cyclus kan verschillen, bijvoorbeeld door stress, eetproblemen, extreem sporten of door het gebruik van medicijnen. Tussen het 45e en 55e levensjaar komt een vrouw in de overgang. De menstruatiecyclus wordt onregelmatig en niet elke maand rijpt er een eicel meer. Na een tijdje is er geen eisprong meer en stoppen de menstruaties.

Hormonen zijn actief

Tijdens de menstruatiecyclus zijn meerdere hormonen actief. De hypofyse en de eierstokken maken hormonen die in de vier fasen de processen regelen.

•

De hypofyse maakt een hormoon dat eicellen laat rijpen (A) en een hormoon dat de ovulatie in gang zet (B).

•

De eierstokken maken hormonen die de groei van het baarmoederslijmvlies bevorderen (C) en die het slijmvlies klaarmaken voor de innesteling (D) (figuur 3).

Als de eicel niet bevrucht wordt, begint de cyclus opnieuw. Wordt de eicel wel bevrucht, dan wordt er na de innesteling in de baarmoeder zwanger­ schaps­hormoon gemaakt. Dit hormoon stopt de menstruatiecyclus. Er rijpen geen nieuwe eicellen meer en er vinden geen menstruaties plaats. A B C D

eicellen rijpen menstruatie dag 3

ovulatie

1

14

groei baarmoederslijmvlies 28

Hormoonproductie

204

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 204

25/03/2025 11:33


Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten

Menstruatiecyclus en bevruchting 3.5

Bevruchting en innesteling

Na de eisprong kan een eicel in de eileider bevrucht worden door een zaadcel. Tijdens de menstruatiecyclus is een vrouw maar kort vruchtbaar. Een eicel die na ongeveer één dag niet is bevrucht, wordt in de eileider afgebroken. Zaadcellen die bij een zaadlozing in de vagina komen leven twee tot drie dagen. In die tijd bewegen ze via de baarmoeder naar de eileiders (figuur 4). Onderweg gaan veel zaadcellen dood. Alleen de sterksten bereiken de eicel in de eileider.

eicel wordt bevrucht eileider

zaadcellen

baarmoeder

eierstok

baarmoedermond zaadcellen vagina

penis

4

Zaadlozing in de vagina en bevruchting in de eileider

Vanaf het moment dat de eerste zaadcel de eicel binnendringt is de eicel ondoordringbaar voor andere zaadcellen. De bevruchting vindt plaats. De kernen van eicel en zaadcel smelten samen. Na de bevruchting deelt de eicel zich meerdere keren door mitose. Het klompje cellen dat ontstaat verplaatst zich door de eileider naar de baarmoeder.

205

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 205

25/03/2025 11:33


Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten

Menstruatiecyclus en bevruchting 3.5

Na ongeveer een week vindt de innesteling plaats in het verdikte baarmoederslijmvlies met bloedvaten (figuur 5). De bloedvaten zorgen ervoor dat het klompje cellen voldoende zuurstof en voedingsstoffen krijgt om zich verder te delen.

eileider

baarmoeder

eierstok

bevruchting

innesteling in baarmoederslijmvlies

5

Bevruchting en innesteling in het baarmoederslijmvlies

WIST JE DAT? Hoe werkt een zwangerschapstest? Word je niet op tijd ongesteld en heb je seks gehad? Wil je weten of je zwanger bent? Dan kun je een zwangerschapstest doen. De test meet of er zwangerschapshormoon in de urine zit. Een zwangerschapstest is te koop via internet of bij een supermarkt of drogisterij. Je kunt een zwangerschapstest uitvoeren vanaf de dag dat je de menstruatie verwacht. Op een bijsluiter staat een gebruiksaanwijzing:

• •

Haal met droge, schone handen de dop van de test. Houd de stift 10–15 seconden in de urinestraal of in een schoon bakje met opgevangen urine.

• • •

Plaats de dop terug op de stift en leg de test op een vlakke ondergrond. Wacht 5–10 minuten om het resultaat in het venster af te lezen. Zie je twee streepjes? Dan ben je zwanger.

206

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 206

25/03/2025 11:33


Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten

Menstruatiecyclus en bevruchting 3.5

OPDRACHTEN 2

De menstruatiecyclus In de afbeelding zijn de vier fasen van de menstruatiecyclus in volgorde met een letter aangegeven. A

B

C

D

a Hoelang duurt de menstruatiecyclus gemiddeld?

b In welke fase is het baarmoederslijmvlies op zijn dikst?

c In welke fase vindt de menstruatie plaats?

d In welke fase vindt de ovulatie plaats?

e In welke fase is de vrouw vruchtbaar?

3

Sterilisatie vrouw Wanneer een vrouw zich laat steriliseren worden de eileiders onderbroken.

a Welk onderdeel van het voortplantingsstelsel functioneert daardoor niet meer?

● baarmoeder ● eierstok ● eileider ● vagina b Welke functie wordt daardoor uitgeschakeld?

● het maken van slijmvlies voor de innesteling ● het maken van geslachtshormonen ● het rijpen van eicellen ● het vervoeren van de eicel naar de baarmoeder ● het vervoeren van zaadcellen c Vindt er na sterilisatie nog menstruatie plaats? En ovulatie?

● alleen menstruatie ● alleen ovulatie ● geen menstruatie en geen ovulatie ● zowel menstruatie als ovulatie

207

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 207

25/03/2025 11:33


Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten

4

Menstruatiecyclus en bevruchting 3.5

Hormoonklieren In de tekening zie je de ligging van enkele hormoonklieren in het lichaam van een vrouw.

1

a Welke twee hormoonklieren zijn bij de vrouw betrokken bij het

2

begin van de puberteit en het starten van de menstruatiecyclus? Noem de nummers en de namen van de hormoonklieren.

3 4

b Wat zijn de functies van deze twee hormonen? 5

5

Een gouden medaille Bij mannen en vrouwen worden zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtshormonen gemaakt. Bij vrouwen meer vrouwelijk geslachtshormoon, bij mannen meer mannelijk geslachtshormoon. Bij de Olympische Spelen won een vrouwelijke Algerijnse bokser de gouden medaille. Bij haar werd meer dan gemiddeld mannelijk geslachtshormoon geproduceerd dan bij andere vrouwen. Er was discussie over of hier sprake was van een gelijke strijd.

a Welk voordeel heeft een vrouwelijke bokser met meer dan gemiddeld mannelijk geslachtshormoon?

b Was er sprake van een gelijke strijd met andere vrouwelijke boksers? Wat vind jij? Bespreek je antwoord met een of twee klasgenoten. Wat vinden jullie, is dit eerlijk? Geef met elkaar minstens één argument voor en één argument tegen.

6

De juiste plaatsing Een vrouw wordt zwanger. Waar vinden de volgende gebeurtenissen plaats in het lichaam van een vrouw? Koppel elke gebeurtenis aan de juiste plaats. bevruchting

•

•

eileider

innesteling

•

•

eierstok

ontwikkeling baby

•

•

baarmoeder

rijping eicel

•

•

vagina

zaadlozing

•

•

baarmoederslijmvlies

208

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 208

25/03/2025 11:33


Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten

7

Menstruatiecyclus en bevruchting 3.5

Buitenbaarmoederlijke zwangerschap Een eileider kan gaan ontsteken en daardoor bijna geheel verstopt raken. Zaadcellen kunnen nog wel langs deze verstopping, maar een eicel niet. Zo kan soms een buitenbaarmoederlijke zwangerschap ontstaan (zie tekening).

P

a Hoe heet orgaan P?

b Waar vindt de buitenbaarmoederlijke zwangerschap plaats?

c Waarom kan de bevruchte eicel niet uitgroeien tot een baby?

d Waarom is een buitenbaarmoederlijke zwangerschap levensgevaarlijk voor de moeder?

209

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 209

25/03/2025 11:33


Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten

8

Menstruatiecyclus en bevruchting 3.5

Vruchtbaarheid van de man Naar: Examen GT 2015-2 De vruchtbaarheid van een man hangt onder andere af van de beweeglijkheid van de zaadcellen. Zaadcellen leggen een grote afstand af voordat ze een eicel kunnen bevruchten. Ook het aantal zaadcellen per mL sperma speelt een rol. Het sperma dat bij een zaadlozing vrijkomt, bevat gemiddeld 140 miljoen zaadcellen. Per mL sperma zijn dat er gemiddeld 35 miljoen. Dit heb je nodig:

• •

twee maatcilinders water

a Waar in het voortplantingsstelsel van een vrouw vindt bevruchting plaats?

● in de baarmoeder ● in de vagina ● in een eierstok ● in een eileider b Hoeveel mL sperma komt er gemiddeld vrij bij een zaadlozing volgens deze gegevens? Laat de berekening zien.

c Wat ga je doen? • Vul een maatcilinder met water met het volume sperma per zaadlozing. • De hoeveelheid bloed die een vrouw bij de menstruatie verliest is 20 tot 50 mL. Vul de andere maatcilinder met water met het volume van een menstruatie. Vergelijk de twee maatcilinders. Wat valt je op?

9

Vloggers en wetenschap Een vrouw meet elke ochtend op hetzelfde tijdstip haar temperatuur. Zo kan ze het moment van haar ovulatie bepalen. Zij mag vlak voor het bepalen van de temperatuur niets anders doen. Ook niet even drinken of uit bed gaan. Lees de volgende twee uitspraken.

•

Een vlogger met meer dan een miljoen volgers zegt dat het opmeten van de ochtendtemperatuur een heel betrouwbare manier is om zwangerschap te voorkomen.

•

Een wetenschapper laat een onderzoek onder 30 000 jongeren zien dat aantoont dat het opmeten van de ochtendtemperatuur minder betrouwbaar is dan het gebruik van de pil, het spiraaltje of een condoom.

a Welk antwoord is juist?

● Wat de vlogger en de wetenschapper zeggen, is allebei een mening. ● Wat de vlogger en de wetenschapper zeggen, is allebei een feit. ● Wat de vlogger zegt, is een feit, wat de wetenschapper zegt, is een mening. ● Wat de vlogger zegt, is een mening, wat de wetenschapper zegt, is een feit. 210

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 210

25/03/2025 11:33


Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten

Menstruatiecyclus en bevruchting 3.5

b Wat maakt de ochtendtemperatuurmethode onbetrouwbaar om te gebruiken als voorbehoedsmiddel? Noem minimaal twee redenen.

10

Terugkijken Kijk terug op deze paragraaf.

a Hoe heb je de opdrachten per leerdoel gemaakt? Noteer 0, – –, –, + of + +. 0 betekent niets gemaakt, + + betekent alles goed. Je kunt ...

opdrachten

score

extra oefenen? (Herhaling en Plus)

1. uitleggen hoe de menstruatie­ cyclus verloopt.

2, 3

H12, P17

2. benoemen welke invloed hormonen hebben op de menstruatiecyclus.

4, 5

H14, P16

3. uitleggen hoe een eicel wordt bevrucht.

6, 7

H13, P15

4. uitleggen wanneer een vrouw tijdens de menstruatiecyclus vruchtbaar is.

8, 9

H11

b Bekijk je scores van vraag a. Kies minstens één opgave waarmee je nog wil oefenen, nu of in voorbereiding op de toets. TIP Noteer alvast enkele belangrijke begrippen uit deze paragraaf. Die heb je later nodig bij 3.8 Alles in samenhang.

HERHALING EN PLUS Online kun je extra oefenen met Herhaling en Plus. Opdracht 11 en 15 staan ook in je boek.

11

Voortplantingsorganen en hormonen Voortplantingsorganen maken zelf hormonen en worden ook beïnvloed door hormonen. Welke beweringen zijn juist?

■ Eierstokken maken zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtshormonen. ■ Eierstokken worden beïnvloed door hormonen uit de hypofyse. ■ Teelballen maken alleen mannelijke geslachtshormonen. ■ Teelballen worden beïnvloed door hormonen uit de hypofyse.

211

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 211

25/03/2025 11:33


Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten

15

Menstruatiecyclus en bevruchting 3.5

Verminderde vruchtbaarheid Naar: Examen GT 2013-2 Verminderde vruchtbaarheid kan bij een vrouw verschillende oorzaken hebben. Een van de oorzaken is een verstopping van een eileider, bijvoorbeeld als gevolg van een ontsteking.

a Waardoor is de kans op een bevruchting kleiner als een eileider verstopt is? Leg je antwoord uit.

b Verminderde vruchtbaarheid kan ook het gevolg zijn van een eileider die veel te wijd is. In zo’n geval wordt die eileider soms verwijderd. Leg uit dat er toch een bevruchting kan plaatsvinden als een eileider is verwijderd.

EXAMENOPGAVEN Bij deze paragraaf kun je oefenen met eindexamenopgaven. Overleg met je docent of je de eindexamenopgave De menstruatiecyclus gaat maken.

212

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 212

25/03/2025 11:33


Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten

Zwangerschap en geboorte 3.6

3.6 Zwangerschap en geboorte Aan het eind van deze paragraaf kun je:

• • • •

uitleggen hoe een bevruchte eicel uitgroeit tot een baby. benoemen waarvoor prenataal onderzoek wordt gebruikt. uitleggen hoe een tweeling ontstaat. uitleggen hoe een baby wordt geboren.

Bij deze paragraaf horen de volgende practicumopdrachten:

• •

Vruchtwater Hartslag van een foetus

Overleg met je docent of je deze practicumopdrachten gaat uitvoeren.

STARTOPDRACHT 1

Groei en ontwikkeling ongeboren baby Je bekijkt de groei en ontwikkeling van een ongeboren baby. Beantwoord eerst de volgende twee vragen.

a Een eicel is een van de grootste cellen in het menselijke lichaam en net met het blote oog te zien. Schat hoe groot een bevruchte eicel is.

b Schat hoe groot een net geboren baby is. TIP Misschien heb je een geboortekaartje waar het op staat?

213

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 213

25/03/2025 11:33


Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten

Zwangerschap en geboorte 3.6

c Volg de groei van een ongeboren baby. Scan de QR-code en bekijk het filmpje Ontwikkeling ongeboren baby. Vul tijdens het kijken de lengte van de baby in de tabel in. Zet hiervoor het filmpje af en toe stop. Wat is de lengte van de baby in maand 6 en maand 8? Maak een schatting en vul de tabel aan. na maand

1

2

3

4

5

6

7

8

9

lengte in cm

THEORIE Zwangerschap

Vanaf het moment dat de eicel bevrucht is, is een vrouw zwanger. Het klompje cellen bereikt na ongeveer zes dagen vanuit de eileider de baarmoeder. Daar vindt de innesteling in het baarmoederslijmvlies plaats. Bloedvaten in dat slijmvlies voeren zuurstof en voedingsstoffen aan. Het klompje cellen ontwikkelt zich hier tot een embryo. Na vier weken ontwikkelt zich de navelstreng. Dit is de verbinding tussen het embryo en de placenta. De navelstreng bestaat uit weefsel van het kind (figuur 1). De placenta bestaat voor een deel uit weefsel van de moeder en voor een deel uit weefsel van het embryo. In de placenta worden stoffen uitgewisseld door dunne vliezen tussen moeder en embryo. Bloed van de moeder en het kind vermengen zich hierbij niet. Zuurstof en voedingsstoffen gaan van de moeder via de navelstreng naar het embryo. Koolstofdioxide en afvalstoffen gaan via de navelstreng van het embryo naar de moeder. Ook alcohol, nicotine (de verslavende stof in sigaretten) en virussen kunnen de placenta passeren. placenta

baarmoederslijmvlies slagader van de moeder ader van de moeder bloedvaten van het embryo

navelstrengslagaders

navelstreng navelstrengader

1

De navelstreng en placenta

214

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 214

25/03/2025 11:33


Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten

Zwangerschap en geboorte 3.6

Na acht weken zwangerschap zijn alle organen aanwezig. Ze moeten nog wel verder groeien en zich ontwikkelen. Vanaf dit moment spreek je over de foetus (figuur 2). De foetus is omgeven door twee vruchtvliezen gevuld met vruchtwater. Zowel vruchtvliezen als vruchtwater zijn weefsels van het kind. Vruchtvliezen beschermen het kind tegen ziekteverwekkers. Het vruchtwater beschermt tegen schokken, uitdroging en temperatuurwisselingen.

2 weken 2

12 weken

20 weken

28 weken

36 weken

40 weken

Ontwikkeling van de foetus

Na tien weken zwangerschap kun je met een echo de foetus voor het eerst zien en je kunt het hart zien kloppen (figuur 3). De echo is een voorbeeld van prenataal onderzoek en werkt met geluidsgolven. Het wordt gebruikt om de groei en ontwikkeling van de foetus te volgen. Bij een 20 wekenecho kan de verloskundige ook het geslacht van de foetus zien.

3

Echo

215

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 215

25/03/2025 11:33


Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten

Zwangerschap en geboorte 3.6

Tweelingen

Bij een ovulatie komen er een of meer eicellen vrij. Soms valt het klompje cellen, dat ontstaan is uit een bevruchte eicel, in twee stukken uiteen (figuur 4). Deze stukken groeien dan uit tot een eeneiige tweeling. Het zijn kinderen van hetzelfde geslacht en ze lijken heel veel op elkaar (figuur 5). Als twee eicellen vrijkomen en ze worden allebei bevrucht, ontstaat er een twee-eiige tweeling. Een twee-eiige tweeling kan ook uit een jongen en een meisje bestaan. Ze lijken minder op elkaar dan een eeneiige tweeling. twee-eiige tweeling

eeneiige tweeling

vroege embryo splitst na innesteling placenta

4

Ontstaan van tweelingen

5

Een twee-eiige tweeling (links) en een eeneiige tweeling (rechts)

216

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 216

25/03/2025 11:33


Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten

Zwangerschap en geboorte 3.6

Geboorte

De draagtijd bij mensen, van bevruchting tot geboorte, is gemiddeld negen maanden of 40 weken. Dan is de foetus volgroeid en ligt de baby meestal met het hoofd naar beneden tegen de baarmoedermond aan. De bevalling gaat in een aantal fasen (figuur 6).

•

De ontsluiting. De moeder krijgt weeën. De spieren van de baarmoederwand trekken op dat moment samen. De vruchtvliezen breken en het vruchtwater loopt weg.

•

De uitdrijving. De weeën worden steeds sterker. De persweeën duwen het kind naar buiten. Na de geboorte wordt de navelstreng doorgeknipt. De baby moet nu zelf ademen.

•

De nageboorte. De placenta, de vruchtvliezen en een deel van de navelstreng worden door weeën naar buiten geduwd.

ontsluiting

baarmoedermond vagina

uitdrijving

nageboorte navelstreng

placenta 6

De drie fasen van de geboorte

WIST JE DAT? Leven in een buidel Kangoeroes komen alleen in Australië voor. Een kangoeroe-embryo zit heel kort in één van de twee baarmoeders die zijn moeder heeft. Na ongeveer een maand wordt het roze beestje ter grootte van een jellybean geboren. Het jong kruipt naar de buidel van zijn moeder. Hij komt bij een tepel in de buidel door een geurspoor te volgen. Daar drinkt het kangoeroejong moedermelk. Het jong groeit daardoor flink en kan na ruim zes maanden de buidel verlaten. Daarna gaat hij af en toe terug om bij zijn moeder te drinken.

217

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 217

25/03/2025 11:33


Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten

Zwangerschap en geboorte 3.6

OPDRACHTEN 2

Zwangerschap In de tekening zie je een eileider met daarin celdelingen. 2

1

3 5

4

6

7

1

2

3

4

5

6

7

morula

blastula

bevruchte eicel 2-cellig stadium 4-cellig stadium 8-cellig stadium 16-cellig stadium

a Vinden deze delingen plaats door mitose of door meiose? Leg je antwoord uit.

b Als cellen zich delen, ontstaan nieuwe cellen die in de meeste gevallen net zo groot zijn als de oorspronkelijke cel. Wat valt je op aan het klompje cellen in de eileider? Leg uit waarom dit belangrijk is.

218

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 218

25/03/2025 11:33


Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten

3

Zwangerschap en geboorte 3.6

Roken en zwangerschap Roken is schadelijk voor de gezondheid. Als een zwangere vrouw rookt tijdens de zwangerschap komen schadelijke stoffen ook terecht in het bloed van de baby. Zwangere vrouwen die roken krijgen daardoor gemiddeld kleinere baby's dan vrouwen die niet roken. Maar ook als ouders roken voor een zwangerschap kan dat invloed hebben op de gezondheid van een baby. Op de verpakkingen van sigaretten staan daarom waarschuwingen. Bijvoorbeeld ‘Roken kan het sperma beschadigen en vermindert de vruchtbaarheid’.

a Waar worden deze schadelijke stoffen uit het bloed van de moeder overgedragen aan het bloed van de baby?

b Door roken vermindert de kwaliteit van zaadcellen. Leg uit dat daardoor de vruchtbaarheid van een man vermindert.

c Op een sigarettenverpakking staat een waarschuwende zin die waarschuwt om niet te roken of mee te roken tijdens de zwangerschap. Bedenk zo’n zin en maak een tekening van dit sigarettenpakje.

4

Het ontstaan van een tweeling Tweelingen kunnen bij de mens op de volgende manieren ontstaan. 1 Een bevruchte eicel deelt zich. De beide klompjes cellen raken los van elkaar en groeien elk uit tot een kind. 2 Uit elk van beide eierstokken komt een eicel vrij. Beide eicellen worden bevrucht. 3 Uit één eierstok komen twee eicellen vrij, die beide worden bevrucht.

a Hoeveel eicellen en zaadcellen zijn nodig voor het ontstaan van een tweeling? Vul in het schema de juiste getallen in. aantal eicellen

aantal zaadcellen

ééneiige tweeling twee-eiige tweeling

b Er komen ook ééneiige drielingen voor. Hoeveel eicellen en zaadcellen zijn daarvoor nodig?

219

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 219

25/03/2025 11:33


Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten

5

Zwangerschap en geboorte 3.6

Een tweeling Uit één bevruchte eicel ontstaat een tweeling. De eerstgeboren baby is een jongen. Hoe groot is de kans dat de andere baby óók een jongen is? Leg je antwoord uit.

6

20 wekenecho Als je zwanger bent, kun je zelf kiezen voor een 20 wekenecho of niet. Een echo doet geen pijn en is niet gevaarlijk. Bij de 20 wekenecho kan de verloskundige behalve de groei en ontwikkeling ook het geslacht zien. Ook kunnen eventuele lichamelijke afwijkingen worden vastgesteld. Bespreek in een groepje deze vragen over de 20 wekenecho. 1 Zou je een 20 wekenecho laten doen? Waarom wel of niet? Noteer argumenten voor en tegen. 2 Hoeveel wil je tijdens de zwangerschap al weten over je kind? Wat wel en wat niet?

7

Gapen Met echoscopie is aangetoond dat mensen al vóór de geboorte gapen (zie de afbeelding).

a Over de functie van gapen bestaan verschillende ideeën. Gapen begint met een diepe inademing. Vroeger dacht men daarom dat gapen werd veroorzaakt door zuurstoftekort. Door te gapen zou er dan meer zuurstof in het bloed komen. Leg uit dat gapen bij een ongeboren baby niet tot gevolg kan hebben dat er meer zuurstof in het bloed komt.

220

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 220

25/03/2025 11:33


Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten

Zwangerschap en geboorte 3.6

b Zal de afbeelding bij een 10 wekenecho of bij een 20 wekenecho zijn gemaakt? Waarom denk je dat?

c Waarvoor wordt prenataal onderzoek gebruikt? TIP Meer weten over gapen? Scan de QR-code en bekijk het filmpje.

8

De bevalling Scan de QR-code en bekijk het filmpje over de bevalling. Zet de nummers van de gebeurtenissen tijdens de bevalling in de juiste volgorde.

1

Het kind gaat met het hoofd naar de uitgang van de baarmoeder liggen. De navelstreng wordt doorgeknipt. De geboorte vindt plaats. De vruchtvliezen springen stuk. De moeder krijgt weeën. Het kind gaat zelf ademhalen. De nageboorte komt naar buiten. Het vruchtwater stroomt naar buiten. De baarmoedermond wordt wijder. De persweeën beginnen.

9

Bevallen in bad Er zijn vrouwen die er de voorkeur aan geven om in een bad met warm water te bevallen. Door de temperatuur van het water is de bevalling voor het kind meer ontspannen. Vaak zijn pasgeboren kinderen daardoor rustiger en huilen ze minder.

a Waardoor zal de bevalling in water minder stressvol zijn voor het kind?

221

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 221

25/03/2025 11:33


Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten

Zwangerschap en geboorte 3.6

b Bestaat de kans dat het pasgeboren kind verdrinkt in het badwater? Leg je antwoord uit.

10

Terugkijken Kijk terug op deze paragraaf.

a Hoe heb je de opdrachten per leerdoel gemaakt? Noteer 0, – –, –, + of + +. 0 betekent niets gemaakt, + + betekent alles goed. Je kunt ...

opdrachten

score

extra oefenen? (Herhaling en Plus)

1. uitleggen hoe een bevruchte eicel uitgroeit tot een baby.

2, 3

H12, P15

2. benoemen waarvoor prenataal onderzoek wordt gebruikt.

4, 5

H11

3. uitleggen hoe een tweeling ontstaat.

6, 7

H13, P17

4. uitleggen hoe een baby wordt geboren.

8, 9

H14, P16

b Bekijk je scores van vraag a. Kies minstens één opgave waarmee je nog wil oefenen, nu of in voorbereiding op de toets. TIP Noteer alvast enkele belangrijke begrippen uit deze paragraaf. Die heb je later nodig bij 3.8 Alles in samenhang.

HERHALING EN PLUS Online kun je extra oefenen met Herhaling en Plus. Opdracht 11 en 15 staan ook in je boek.

11

Prenataal onderzoek Een echo(scopie) is een voorbeeld van prenataal onderzoek.

a Om welke reden wordt bij een zwangere vrouw een echo gemaakt?

222

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 222

25/03/2025 11:33


Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten

Zwangerschap en geboorte 3.6

b Wat is bij een 10 wekenecho te zien en wat bij een 20 wekenecho?

15

Draagtijd De draagtijd, de tijd dat het ongeboren kind zich ontwikkelt in de baarmoeder, is bij de mens negen maanden.

a Wat is de draagtijd van de dieren in de tabel? Je mag het online opzoeken. dier

draagtijd

kat koe muis olifant paard schaap

b Zet de dieren in volgorde van een korte draagtijd tot een lange draagtijd.

c Kijk naar de draagtijd van deze dieren. Welke conclusie kun je dan trekken?

● De grootte van het dier en de draagtijd hebben geen verband. ● Hoe kleiner het dier, hoe korter de draagtijd. ● Hoe kleiner het dier, hoe langer de draagtijd. d Het grootste zoogdier, de blauwe vinvis, is ongeveer 4× zo lang als een olifant en weegt ongeveer 25× zoveel. De draagtijd van een blauwe vinvis is 12 maanden. Trek je nog dezelfde conclusie als bij vraag c? Leg je antwoord uit.

EXAMENOPGAVEN Bij deze paragraaf kun je oefenen met eindexamenopgaven. Overleg met je docent of je de eindexamenopgave De navelstreng gaat maken.

223

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 223

25/03/2025 11:33


Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten

Soa’s en voorbehoedsmiddelen 3.7

3.7 Soa’s en voorbehoedsmiddelen Aan het eind van deze paragraaf kun je:

• •

uitleggen hoe je besmet kunt raken door een soa. uitleggen hoe je een soa kunt voorkomen en wat je kunt doen als je besmet bent.

• •

uitleggen hoe je een ongewenste zwangerschap kunt voorkomen. uitleggen wat je kunt doen als je ongewenst zwanger bent.

Bij deze paragraaf horen de volgende practicumopdrachten:

• •

Het condoom Aids-bekerspel

Overleg met je docent of je deze practicumopdrachten gaat uitvoeren.

STARTOPDRACHT 1

Niet zwanger worden Je ziet hier verschillende middelen en voorwerpen die je kunt gebruiken om zwangerschap te voorkomen. B

D

A

C Werk in tweetallen. Schrijf de letters op.

a Welke (voorbehoeds)middelen worden gebruikt door vrouwen?

224

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 224

25/03/2025 11:33


Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten

Soa’s en voorbehoedsmiddelen 3.7

b Welke middelen worden gebruikt door mannen?

c Welke middelen worden gebruikt vóór de geslachtsgemeenschap?

d Welke middelen worden gebruikt tijdens de geslachtsgemeenschap?

e Welke middelen werken gedurende langere tijd?

f

Bij welke middelen heb je een arts nodig om te plaatsen?

g Hoeveel pillen zitten in B? De strip bevat

pillen.

h Bij A zie je een thermometer. Leg uit hoe je een thermometer kunt gebruiken om een zwangerschap te voorkomen. Dit is overigens een onbetrouwbare methode.

i

Wat zijn de namen van B, C en D?

THEORIE Seksueel overdraagbare aandoeningen

Om te voorkomen dat je zwanger wordt of een soa (seksueel overdraagbare aandoening) oploopt, is het verstandig dat je van tevoren nadenkt en je voorbereidt op seks. Neem condooms mee. Als je een condoom gebruikt, kun je zowel een zwangerschap als een geslachtsziekte (soa) voorkomen. Je kunt op verschillende manieren een soa krijgen:

• • • • •

via voorvocht uit de penis via vocht uit de vagina via de mond of anus via sperma door contact met besmet bloed

225

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 225

25/03/2025 11:33


Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten

Soa’s en voorbehoedsmiddelen 3.7

Soa’s worden door bacteriën en virussen veroorzaakt (figuur 1). Je merkt niet altijd dat je een soa hebt. Of je denkt dat het vanzelf over gaat. Als je dan niets doet, kunnen de gevolgen ernstig zijn. Je kunt bijvoorbeeld onvruchtbaar worden of anderen besmetten. De meest voorkomende klachten bij soa’s zijn pijn bij het plassen, pijn in de onderbuik en afscheiding uit de vagina, penis of anus. Afscheiding bestaat uit slijmerig vocht dat normaal helder of wit en geurloos is. Afscheiding met een andere kleur of geur wijst meestal op een soa (figuur 2). Met antibiotica kun je genezen van soa’s die veroorzaakt zijn door bacteriën. Soa’s veroorzaakt door virussen, zijn moeilijker te bestrijden. soa

ziekteverwekker

klachten

chlamydia

bacterie

meestal geen

gonorroe

bacterie

meisjes: meestal geen jongens: witgelig of groen vocht uit de penis

syfilis

bacterie

zweertjes bij de mond, vagina, penis of anus De zweertjes verdwijnen na een aantal weken, maar de soa is niet uit je lichaam.

herpes

virus

blaasjes of zweertjes vol vocht, koortslip, één week na de seks De blaasjes verdwijnen, maar de soa is niet uit je lichaam.

genitale wratten

virus

wratten op penis, vagina, anus Gaat vanzelf over.

hiv (aids)

virus

klachten na een aantal weken die lijken op griep Het afweersysteem wordt kapot gemaakt. Als je ziekteverschijnselen krijgt, heb je aids.

HPV

virus

meestal geen Later kun je wel genitale wratten of kanker krijgen.

1

Soa's met ziekteverwekkers en klachten

2

Bij een soa merk je vaak dat plassen pijn doet, en dat er afscheiding met een andere kleur of geur in je onderbroek zit.

TIP Scan de QR-code voor meer informatie over soa’s.

226

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 226

25/03/2025 11:33


Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten

Soa’s en voorbehoedsmiddelen 3.7

Voorbehoedsmiddelen

Voorbehoedsmiddelen of anticonceptiemiddelen voorkomen een ongewenste zwangerschap en soa’s (figuur 3). Het condoom doet beide. Veelgebruikte voorbehoedsmiddelen zijn de (anticonceptie)pil en het spiraaltje. Ze beschermen ieder op hun eigen manier tegen een ongewenste zwangerschap. Bij goed gebruik zijn deze voorbehoedsmiddelen heel betrouwbaar en is de kans op een zwangerschap klein. voorbehoedsmiddel

werking

bijzonderheid

condoom

tegenhouden van zaadcellen door een hoesje van latex om de penis

beschermt ook tegen soa’s

pil

voorkomen van de eisprong door het slikken van hormonen

Je slikt 21 dagen elke dag een pil en daarna 7 dagen niet.

spiraaltje

voorkomen van innesteling in baarmoederwand door hormonen of koper

• hormoonspiraaltje of

andere anticonceptiemiddelen met hormonen

voorkomen van de eisprong door hormonen

bijvoorbeeld: • prikpil • anticonceptiepleister • ring • staafje

pessarium

tegenhouden van zaadcellen door een kapje over de baarmoedermond

Je brengt het zelf in.

3

koperspiraaltje

• wordt door een arts ingebracht

Voorbehoedsmiddelen

TIP Scan de QR-code voor meer informatie over voorbehoedsmiddelen.

Er zijn ook onbetrouwbare methoden om zwangerschap te voorkomen.

•

Het terugtrekken van de penis uit de vagina vlak voor de zaadlozing. De methode is onbetrouwbaar, want in het voorvocht kunnen al zaadcellen zitten.

•

Het bepalen van de vruchtbare periode tijdens de menstruatiecyclus. Je voorkomt een zwangerschap door tijdens de vruchtbare periode geen geslachtsgemeenschap te hebben. De methode is niet betrouwbaar.

227

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 227

25/03/2025 11:33


Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten

Soa’s en voorbehoedsmiddelen 3.7

De vruchtbare periode bepaal je door tijdens de menstruatiecyclus je lichaamstemperatuur te meten (figuur 4). Rond de ovulatie stijgt de lichaamstemperatuur. Dit is het signaal dat je geen veilige seks kunt hebben. Een andere manier is om je menstruatiecyclus nauwkeurig op een kalender bij te houden. Bij een menstruatiecyclus van

lichaamstemperatuur

28 dagen ben je tussen de 11e en 15e dag vruchtbaar en is seks onveilig.

dagen 1

7

14

21

28

ovulatie

4

Lichaamstemperatuur tijdens de menstruatiecyclus

Als je niet zwanger wilt worden, dan is sterilisatie mogelijk. Dit kan bij zowel de man als de vrouw. Hierbij worden de zaadleiders of de eileiders onderbroken, zodat een zaadcel niet bij de eicel kan komen (figuur 5).

5

Sterilisatie van de vrouw en van de man

Als het misgaat

Voorkomen is beter dan genezen. Een condoom beschermt je zowel tegen een ongewenste zwangerschap als tegen een soa. Als je onveilige seks hebt gehad en je zorgen maakt of je een soa hebt, ga dan naar de dokter of GGD. Veel soa’s gaan snel over met antibiotica. Als uit een test blijkt dat je een soa hebt opgelopen, is het belangrijk dat je je sekspartner inlicht. Deze kan dan ook een test doen en zo voorkom je dat misschien anderen ook besmet raken. TIP Scan de QR-code voor meer informatie over een soa-test.

228

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 228

25/03/2025 11:33


Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten

Soa’s en voorbehoedsmiddelen 3.7

Heb je onveilige seks gehad en ben je bang dat je zwanger wordt? Haal dan meteen een morning-afterpil bij de apotheek of drogist (figuur 6). De morning-afterpil stelt de eisprong uit en voorkomt zo dat een eicel wordt bevrucht. TIP Scan de QR-code voor meer informatie over ongewenst zwanger worden.

6

Morning-afterpil?

WIST JE DAT? De geschiedenis van het condoom In 1564 werd er voor het eerst geschreven over een condoom. Het was een linnen omhulsel dat met een lint werd bevestigd en de eikel bedekte. Het was bedoeld om te beschermen tegen syfilis, waar in die tijd veel mensen aan stierven. Later, in de 17e eeuw, werden condooms gemaakt van dierlijke darmen en blaas en ook gebruikt om zwangerschap te voorkomen. Condooms waren duur en werden vooral gebruikt door rijkere mensen. Ze werden pas goedkoper toen er vanaf 1930 rubberen condooms in een fabriek werden gemaakt. Tegenwoordig zijn condooms gemaakt van een veel dunnere soort rubber.

Antiek condoom

229

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 229

25/03/2025 11:33


Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten

Soa’s en voorbehoedsmiddelen 3.7

OPDRACHTEN 2

Ziekteverwekkers Soa's worden veroorzaakt door bacteriën of virussen.

a Welke soa’s worden veroorzaakt door een bacterie?

■ aids ■ chlamydia ■ gonorroe ■ herpes ■ HPV ■ syfilis b Hoe bestrijd je ziekten die veroorzaakt worden door een bacterie? Hoe worden ziekten die veroorzaakt worden door een bacterie bestreden?

3

Aids-besmetting Aids kun je krijgen door seks te hebben met iemand die besmet is met hiv. Maar je kunt ook op een andere manier aids krijgen.

a Waardoor kun je ook aids oplopen?

b Geef drie voorbeelden van deze manier.

c De kans is niet groot dat je in Nederland op die manier besmet raakt. Waardoor is de kans klein in Nederland en groter in andere delen van de wereld? Leg je antwoord uit.

4

Condoomgebruik neemt af De Wereldgezondheidsorganisatie WHO heeft onderzoek gedaan naar condoomgebruik onder 15-jarigen tussen 2014 en 2022. Daaruit blijkt dat het condoomgebruik op die leeftijd in Europa is afgenomen. In 2014 gebruikte 70% van de jongens een condoom, in 2022 was dat 61%. Bij meisjes is de daling minder sterk: van 63% naar 57%. Aan het onderzoek deden 242 000 jongeren uit 42 Europese landen mee. Gebruik bij vraag a en b eventueel de vaardigheidskaart Tabellen en diagrammen maken. 230

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 230

25/03/2025 11:33


Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten

Soa’s en voorbehoedsmiddelen 3.7

a Zet de percentages condoomgebruik overzichtelijk in de tabel. % condoomgebruik

2014

2022

jongens meisjes

b Maak van de tabel een staafdiagram op grafiekpapier. c Waarom is het belangrijk dat jongeren een condoom gebruiken?

d Hoe kun je het condoomgebruik onder jongeren stimuleren? Bedenk twee manieren.

5

Aantal besmettingen Het RIVM heeft in 2022 en 2023 onderzoek gedaan naar een aantal soa's in Nederland. In de tabel zie je het aantal besmettingen per soa. Het aantal positieve testen, dus het aantal mensen dat besmet is, is 21% van het totale aantal. soa

2022

2023

chlamydia

24 684

24 048

1574

1693

10 600

13 853

144

141

syfilis gonorroe hiv

verschil

Welke soa komt het meest voor in Nederland?

a Zijn er in 2023 meer of minder besmettingen per soa? Vul de kolom verschil in.

b Bij welke soa is het aantal besmettingen het meest gestegen sinds 2022?

231

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 231

25/03/2025 11:33


Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten

Soa’s en voorbehoedsmiddelen 3.7

c Het is lastig om goede informatie te verzamelen over het precieze aantal besmettingen. Leg uit waarom dat zo is. Geef twee redenen.

6

Niet in verwachting In het schema staan vier manieren om zwangerschap te voorkomen. De werking van deze vier manieren is niet dezelfde. Zet een kruisje bij de juiste werking.

7

er komt geen eicel in de eileider

er komt geen zaadcel in de eileider

gebruik van de pil

●

●

gebruik van een condoom

●

●

sterilisatie van de man

●

●

sterilisatie van de vrouw

●

●

Pessarium en spiraaltje Het pessarium is een rond, rubberen kapje dat de ingang van de baarmoeder afsluit. Het pessarium wordt vóór de geslachtsgemeenschap ingebracht. Een vrouw doet dat via het orgaan dat is aangegeven met de letter P (zie pessarium

tekening).

a Geef de naam van het orgaan dat in de afbeelding is aangegeven met de

P

letter P.

b Een ander voorbehoedsmiddel is het spiraaltje. Dit wordt door een arts in een voortplantingsorgaan van een vrouw geplaatst. Het verhindert de innesteling van een bevruchte eicel in dat orgaan. Welk orgaan wordt hier bedoeld?

c Noem twee verschillen tussen het gebruik van het pessarium en het spiraaltje.

232

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 232

25/03/2025 11:33


Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten

8

Soa’s en voorbehoedsmiddelen 3.7

Handleiding zwangerschapstest Emma heeft onveilige seks gehad en wil weten of ze zwanger is. Ze haalt in een supermarkt een zwangerschapstest en leest de gebruiksaanwijzing. 1 Haal het teststaafje uit de verpakking en verwijder de dop. zwanger

niet zwanger

5

1-5 min

5 of 20

sec

sec

2

3

4

Houd het absorberende uiteinde 5 seconden lang in je urinestraal.

5 of 20 seconden (afhankelijk van de test die je gebruikt) in het urinemonster onderdompelen dat je in een schone, droge container hebt verzameld.

Houd het absorberende uiteinde tijdens het testproces met het uiteinde naar benenden gericht, d.w.z. draai het staafje nooit met het absorberende uiteinde naar boven gericht.

5

Wacht gedurende 1 tot 5 minuten volgens de instructies van de test en lees het resultaat af.

a Daarna gaat ze naar het toilet. Ze plast vijf seconden over het absorberende uiteinde dat naar boven wijst. Ze plaatst het kapje terug en legt het plat neer. Ze wacht een half uur en kijkt dan naar het resultaat. Welke twee fouten heeft Emma gemaakt bij het gebruik van de test?

b De uitslag van de test is dus niet betrouwbaar. Emma haalt een nieuwe test en doet de test opnieuw en nu goed. In de handleiding is de volgende afbeelding te zien. resultatenvenster

controlevenster

zwanger

niet zwanger

niet zwanger

zwanger

In welk geval is ze zwanger? Streep de onjuiste woorden door. dik | dun | geen kruisje in het resultatenvenster een streepje| geen streepje in het controlevenster

233

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 233

25/03/2025 11:33


Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten

9

Soa’s en voorbehoedsmiddelen 3.7

Morning-afterpil of morning-afterspiraaltje Een morning-afterpil kun je nog innemen tot vijf dagen nadat je onveilige seks hebt gehad. Een morning-afterpil stelt de eisprong uit.

a Wanneer werkt de morning-afterpil niet meer?

b Waarom moet je de morning-afterpil zo snel mogelijk na onveilige seks innemen?

c Je kunt ook binnen vijf dagen na onveilige seks een morning-after spiraaltje later plaatsen door een arts. Wat is de werking van zo’n spiraaltje?

d Wat is een voordeel van het spiraaltje ten opzichte van de morning-afterpil?

e Wat kan een nadeel zijn?

234

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 234

25/03/2025 11:33


Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten

10

Soa’s en voorbehoedsmiddelen 3.7

Terugkijken Kijk terug op deze paragraaf.

a Hoe heb je de opdrachten per leerdoel gemaakt? Noteer 0, – –, –, + of + +. 0 betekent niets gemaakt, + + betekent alles goed. Je kunt ...

opdrachten

score

extra oefenen? (Herhaling en Plus)

1. uitleggen hoe je besmet kunt raken door een soa.

2, 3

H12

2. uitleggen hoe je een soa kunt voorkomen en wat je kunt doen als je besmet bent.

4, 5

H11, P17

3. uitleggen hoe je een ongewenste zwangerschap kunt voorkomen.

6, 7

H13, P15, P16

4. uitleggen wat je kunt doen als je ongewenst zwanger bent.

8, 9

H14

b Bekijk je scores van vraag a. Kies minstens één opgave waarmee je nog wil oefenen, nu of in voorbereiding op de toets. TIP Noteer alvast enkele belangrijke begrippen uit deze paragraaf. Die heb je later nodig bij 3.8 Alles in samenhang.

HERHALING EN PLUS Online kun je extra oefenen met Herhaling en Plus. Opdracht 11 en 15 staan ook in je boek.

11

Double Dutch Het gelijktijdig gebruiken van de pil en een condoom noem je Double Dutch. Wat is het voordeel van het tegelijk gebruiken van deze twee voorbehoedsmiddelen?

235

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 235

25/03/2025 11:33


Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten

15

Soa’s en voorbehoedsmiddelen 3.7

De mannenpoli Naar: Examen GL/TL 2024-1 Hans en Karlijn willen geen kinderen meer. In de mannenpoli van het ziekenhuis stellen ze vragen over sterilisatie. Na het gesprek bespreken Hans en Karlijn wat er verandert aan de zaadlozing. Hans zegt dat er na de operatie geen zaadcellen worden gemaakt, waardoor hij onvruchtbaar is. Karlijn zegt dat er na de operatie geen testosteron (mannelijk geslachtshormoon) meer gemaakt wordt, waardoor Hans onvruchtbaar is.

a Wie heeft of hebben gelijk?

● Alleen Hans heeft gelijk. ● Alleen Karlijn heeft gelijk. ● Geen van beiden heeft gelijk. ● Ze hebben allebei gelijk. b Leg je antwoord uit.

c Kan bij een gesteriliseerde man tijdens geslachtsgemeenschap nog een vochtlozing plaatsvinden? Zo ja, uit welk orgaan of welke organen is dit vocht afkomstig?

EXAMENOPGAVEN Bij deze paragraaf kun je oefenen met eindexamenopgaven. Overleg met je docent of je de eindexamenopgave Een anticonceptie-gel gaat maken.

236

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 236

25/03/2025 11:33


Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten

Alles in samenhang 3.8

3.8 Alles in samenhang TERUG NAAR HET GROTE PLAATJE 1

Seksualiteit en voortplanten Dit hoofdstuk hangt samen met twee andere hoofdstukken. Daarnaast bevat het vier hoofdpunten. In paragraaf 1 heb je dit al gezien in het ‘grote plaatje’. Je vat nu samen wat je hierover hebt geleerd.

a Wat heb je geleerd over de samenhang tussen Seksualiteit en voortplanten en andere hoofdstukken? Noteer je antwoorden in de vakjes.

H1 - Leven: voortplantingsstelsel

H4 - Erfelijkheid en evolutie: overerven

237

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 237

25/03/2025 11:34


Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten

Alles in samenhang 3.8

b Wat heb je over elk hoofdpunt geleerd? Noteer je antwoorden in de vakjes. Kijk terug naar paragraaf 2 en 4.

Iedereen is anders. Kijk terug naar paragraaf 3, 4, 5 en 6.

Voortplanten houdt de soort in stand. Kijk terug naar paragraaf 7.

Bij onveilige seks kun je een soa oplopen. Kijk terug naar paragraaf 4 en 7.

Je bepaalt je eigen wensen en grenzen.

c Je hebt in paragraaf 1 antwoord gegeven op de grote vraag van dit hoofdstuk: Wat is de rol van seks? Wat is nu je antwoord op de grote vraag? Kijk nog even terug naar je antwoord in paragraaf 1. En kijk ook naar je antwoorden bij opdracht a en b.

VERDER OEFENEN Bij deze paragraaf kun je oefenen met een grote eindexamenopgave. Hierin komt ook stof uit andere hoofdstukken terug. Overleg met je docent of je de eindexamenopgave Doe-hetzelf-zaadtest gaat maken. Maak online de kennistoets en de proeftoets bij dit hoofdstuk.

238

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 238

25/03/2025 11:34


Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten

Examenopgaven 3.9

3.9 Examenopgaven Maak de eindexamenopgaven bij de verschillende paragrafen. Met eindexamenopgaven oefen je de stof op examenniveau en wen je aan de vraagstelling van het eindexamen. Gebruik hierbij de vaardigheidskaart Examenopgaven maken. Kijk achter aan het hoofdstuk voor de hints bij elke opgave.

GROEI EN ONTWIKKELING 1

Orka in de overgang Uit: Examen KB 2022-1 Orka’s zijn zoogdieren die in zee leven. Hun geslachtsorganen en hormoonklieren hebben dezelfde namen en functies als bij mensen. Vrouwelijke orka’s worden geslachtsrijp als ze tussen de 6 en 10 jaar oud zijn. Een vrouwelijke orka kan wel 90 jaar worden, maar vanaf haar 30e jaar wordt de vruchtbaarheid minder en komt ze in de overgang. Vanaf ongeveer haar 40e jaar stopt de ovulatie.

1p

Geef de naam van de levensfase waarin een mens geslachtsrijp wordt.

239

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 239

25/03/2025 11:34


Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten

Examenopgaven 3.9

GESLACHTSORGANEN 2

Een anticonceptie-gel Uit: Examen KB 2022-1 Onderzoekers zijn bezig om een nieuw voorbehoedmiddel voor mannen te testen. Het nieuwe middel is een gel die een arts bij een man inspuit. De anticonceptie-gel blokkeert de zaadleiders, zodat de zaadcellen er niet doorheen kunnen. De man kan nog wel klaarkomen. De gel blijft in de zaadleiders zitten totdat de man weer vruchtbaar wil zijn. Dan kan een arts de ingreep terugdraaien. In de afbeelding zie je het voortplantingsstelsel van een man.

frequentie

groep 1

groep 2

groep 3

groep 4

30% van de eeneiige tweelingen

67% van de eeneiige tweelingen

3% van de eeneiige tweelingen

100% van alle twee-eiige tweelingen

geen gezamenlijke vruchtvliezen

één gezamenlijk vruchtvlies

twee gezamenlijke vruchtvliezen

geen gezamenlijke vruchtvliezen

1-3 dagen na bevruchting

3-5 dagen na bevruchting

8-12 dagen na bevruchting

niet

situatie in de baarmoeder

bevruchte eicel splitste zich

2p

Sperma bestaat uit zaadcellen en zaadvocht. Tijdens het klaarkomen komt er bij deze man alleen zaadvocht uit de penis. Door welke twee organen is het zaadvocht van deze man geproduceerd? Kruis deze twee organen aan.

■ bijbal ■ prostaat ■ teelbal ■ urineblaas ■ zaadblaasje

240

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 240

25/03/2025 11:34


Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten

Examenopgaven 3.9

MENSTRUATIECYCLUS EN BEVRUCHTING 3

De menstruatiecyclus Uit: Examen KB 2021-2 In de afbeelding zijn de veranderingen in de dikte van het baarmoederslijmvlies van Yvonne weergegeven gedurende een aantal weken.

Bij Yvonne is in de weken die in de afbeelding zijn weergegeven, geen bevruchting opgetreden. Als er wel een bevruchting optreedt en een vrouw zwanger wordt, zijn de veranderingen in het baarmoederslijmvlies anders. In de afbeelding hieronder zijn twee diagrammen weergegeven.

Welk cijfer geeft het diagram weer van de dikte van het baarmoederslijmvlies van een vrouw die zwanger wordt als er een bevruchting optreedt op tijdstip T, cijfer 1 of cijfer 2? Leg je antwoord uit.

ZWANGERSCHAP EN GEBOORTE 4

De navelstreng Uit: Examen KB 2021-2 Tijdens de zwangerschap verbindt de navelstreng het ongeboren kind met de placenta. Door de navelstreng worden stoffen vervoerd naar het kind toe en van het kind af. Na de geboorte wordt de navelstreng afgebonden en doorgeknipt.

1p

Behoren de bloedvaten in de navelstreng tot de bloedsomloop van het kind, van de moeder, of van beiden?

● alleen van het kind ● alleen van de moeder ● zowel van het kind als van de moeder

241

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 241

25/03/2025 11:34


Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten

Examenopgaven 3.9

SOA'S EN VOORBEHOEDSMIDDELEN 5

Een anticonceptie-gel Uit: Examen KB 2022-1 Onderzoekers zijn bezig om een nieuw voorbehoedmiddel voor mannen te testen. Het nieuwe middel is een gel die een arts bij een man inspuit. De anticonceptie-gel blokkeert de zaadleiders, zodat de zaadcellen er niet doorheen kunnen. De man kan nog wel klaarkomen. De gel blijft in de zaadleiders zitten totdat de man weer vruchtbaar wil zijn. Dan kan een arts de ingreep terugdraaien. In de afbeelding zie je het voortplantingsstelsel van een man.

1p

Een condoom gebruiken en sterilisatie zijn twee andere manieren van anticonceptie voor mannen. Welke van deze twee manieren komt het meest overeen met de werking van de anticonceptie-gel? Leg je antwoord uit.

242

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 242

25/03/2025 11:34


Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten

Examenopgaven 3.9

ALLES IN SAMENHANG 6

Doe-het-zelf-zaadtest Uit: Examen KB 2023-1 Marieke en Wesley willen graag een kind. Ze hebben vaak seks, maar het lukt niet om zwanger te worden. Wesley koopt een apparaat waarmee hij zijn sperma kan testen. Het apparaat werkt zo: Wesley doet wat sperma op een teststaafje. Via een app op zijn telefoon ziet hij het resultaat. Zie ook onderstaande afbeelding.

1p

a Sperma bestaat uit zaadcellen en veel vocht met voedingsstoffen. Tijdens de zaadlozing wordt het vocht toegevoegd aan de zaadcellen. Geef de naam van een orgaan dat het vocht toevoegt.

● eikel ● bijballen ● zaadblaasjes ● zwellichamen 1p

b Wesley leest op zijn smartphone dat er weinig zaadcellen in zijn sperma aanwezig zijn. In welk deel van het mannelijk voortplantingsstelsel worden zaadcellen geproduceerd?

● in de bijballen ● in de teelballen ● in de prostaat ● in de zaadleiders 1p

c Het apparaatje meet ook de beweeglijkheid van de zaadcellen. Leg uit waarvoor het belangrijk is dat de zaadcellen goed kunnen bewegen.

2p

d De huisarts raadt aan om kunstmatige inseminatie te proberen. Daarbij worden in een laboratorium de meest beweeglijke zaadcellen geselecteerd en in een vloeistof gedaan. Deze vloeistof wordt op een gunstig moment in de baarmoeder van Marieke gebracht. Op welk moment in de menstruatiecyclus is de kans op bevruchting na kunstmatige inseminatie het grootst? Leg je antwoord uit.

243

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 243

25/03/2025 11:34


Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten

Examenopgaven 3.9

HINTS BIJ EINDEXAMENOPGAVEN Groei en ontwikkeling •

Orka in de overgang: Vanaf welke levensfase kan de mens kinderen krijgen?

Geslachtsorganen •

Anticonceptiegel: De twee organen hebben een verbinding met de zaadleider.

Menstruatiecyclus en bevruchting •

Menstruatiecyclus: Na een bevruchting is geen menstruatie.

Zwangerschap en geboorte •

Navelstreng: Na de geboorte komen de onderdelen die het kind gemaakt heeft naar buiten.

Soa’s en voorbehoedsmiddelen •

Anticonceptiegel: Sperma bevat geen zaadcellen.

Alles in samenhang • • • •

Bedenk de meest logische plek waar de verschillende organen liggen. Bij het maken van sperma ontstaan eerst de zaadcellen. Zaadcellen moeten de eicel bevruchten. Hoe lang duurt het voordat de eicel in de baarmoeder is?

244

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 244

25/03/2025 11:34


Register A

C

aanranding 197

cel

abiotische factor

15

celkern 34

achillespees 119

celmembraan 34

ademhalingsstelsel 46

celwand 34

afscheiding 228

clitoris 184

afvaleter 72

conditie 138

amfibie 58

condoom 229

amoebe 23

consument 70

antagonist 120

cytoplasma 34

antibiotica

228, 230

anticonceptiemiddel 229

D

aseksueel 196

dekweefsel

24, 33

25, 36

determineertabel 60

B

dierlijke cel

35

baarmoeder 184

DNA 34

bacterie 35

dochtercel 170

balzak 185

dood 15

bamboe 14

draagtijd 219

beenderen 95

dwarsgestreept spierweefsel

beenderenstelsel 95

121

beenmerg 128

E

beenverbinding 107

echo 217

beenweefsel 128

ecosysteem 24

bekkengordel 97

eéncellig organisme

33

bevalling 219

eeneiige tweeling

218

bevruchting

187, 207

eicel 187

beweegrichtlijn 138

eicelrijping 205

bewegen 14

eierstok 184

biceps 120

eikel

bijballen 186

eileider 184

binnenste schaamlippen

184

eisprong 205

biologische klok

171

embryo 216

184, 185

biosfeer 24

energie

biotische factor

15

erectie 186

biseksueel 196

euglena 33

bladgroenkorrel 34

exoskelet 148

blauwe plek

137

16, 34, 71

blessure 137

F

bloedvatenstelsel 46

foetus 217

bloemkooloren 130

fontanellen 108

borstkas 97

fotosynthese

bot 95

34, 70

botbreuk 137

G

botgroep 95

gaswisseling 14

buidel 219

gedeeltelijke zwemvliezen

149

buitenste schaamlippen

geestelijke ontwikkeling

170

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 245

184

25/03/2025 11:34


geleedpotigen 59

kraakbeenverbinding 109

geraamte 95

kraakbeenweefsel 129

geslacht 172 geslachtsgemeenschap 197

L

geslachtshormoon 173

lange poten

geslachtskenmerk 172

ledematen 97

149

172

lesbisch 196

secundair geslachtskenmerk 172

letsel 137

primair geslachtskenmerk geslachtsorgaan

184, 186

levend 15

inwendig geslachtsorgaan

levenloos 15

levenscyclus 174

184, 185

levensfase 171

uitwendig geslachtsorgaan 183, 185

levenskenmerk 14

gewervelde dieren

58, 147

levensproces 16

gewone celdeling

170

lichaamshouding 139

gewricht 108

lichamelijke ontwikkeling

170

kogelgewricht 109

lijmstof 128

rolgewricht 109

lintworm 59

scharniergewricht 109

loofbos 69

gewrichtsband 110 gewrichtskapsel 110

M

gewrichtskom 110

maagdenvlies 183

gewrichtskop 110

masturberen 197

gewrichtssmeer 110

meercellig organisme

glad spierweefsel

33

121

meiose 186

grenzen 197

menstruatie 205

groei

14, 170

menstruatiecyclus 205

groeispurt 172

MeToo-beweging 198 mineralen 72

H

mitose

170, 186

hartspierweefsel 121

moedercel 170

heteroseksueel 196

morning-afterpil 231

hoefganger 148 homo 196

N

homoseksueel 196

naadverbinding 108

hormoonstelsel 46

nageboorte 219

huid 26

natuur 24

hypofyse 173

navelstreng 216

I

O

innesteling

208, 216

onderzoek 26

inwendig geslachtsorgaan

184, 185

ongesteldheid 205

inwendig skelet

58, 147

ongewervelde dieren

59, 148

ontsluiting 219

K

ontwikkelen 14

kalkstof 128

ontwrichting 137

klauwen 149

opgewonden 197

kleurstofkorrel 34

orgaan 24

kneuzing 137

orgaanstelsel

kogelgewricht 109

organisatieniveau 24

korstmos 37

organisme

kraakbeen

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 246

99, 110, 129

24, 45 14, 24

eéncellig 33

25/03/2025 11:34


meercellig 33

spierbundel 121

orgasme 197

spierstelsel

overbelasting 137

spiervezel 121

overgang 206

spierweefsel 121

ovulatie 205

dwarsgestreept spierweefsel 121 glad spierweefsel

P

46, 119

121

hartspierweefsel 121

pees 119

spiraaltje 229

penis

sponsachtig weefsel

185, 186

128

persweeën 219

stekelhuidigen 59

pessarium 229

sterilisatie 230

pijpbeenderen 98

steunweefsel 36

pil 229

stofwisseling 14

placenta 216 plantencel 35

T

plasbuis 186

teelballen 186

platte beenderen

98

teenganger 148

populatie 24

testosteron 187

prenataal onderzoek

217

tong 122

primair geslachtskenmerk

172

transportweefsel

25, 36

producent 70

triceps 120

prostaat 186

tussencelstof 128 tussenwervelschijf

R

99, 109

tweeling 218

reageren 14

eeneiige tweeling

218

reducent 72

twee-eiige tweeling

218

reductiedeling 186 reptiel 58

U

respecteert 197

uitdrijving 219

rolgewricht 109

uithoudingsvermogen 138 uitscheiden 14

S

uitscheidingsstelsel 46

schaamlippen 184 binnenste schaamlippen

184

buitenste schaamlippen

184

uitwendig geslachtsorgaan 183, 185

V

scharniergewricht 109

vacuole 34

schedel 96

vagina 184

schimmel 35

verbranding 16

schoudergordel 97

vergroeiing 108

secundair geslachtskenmerk

172

verliefdheid 165

seks 196

verstuiking 137

sekse 172

verteringsstelsel 46

seksualiteit 196

vis 58

seksueel grensoverschrijdend gedrag

voeden 14

197

voedselketen 70

sexting 197

voedselkringloop 72

skelet

46, 95

voedselweb 71

skeletspieren 119

vogel 58

soa 227

voorbehoedsmiddel 229

soort 60

voorhuid

sperma 186

voortplanten 14

spier 119

voortplantingsstelsel 46

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 247

185, 186

25/03/2025 11:34


vruchtbare periode

230

vruchtvliezen 217 vruchtwater 217 vulva 183

W waarnemen 14 waterspin 150 weeën 219 weefsel dekweefsel

24, 36 25, 36

steunweefsel 36 transportweefsel

25, 36

weekdier 59 wervelkolom 96 wervel 96 worm 59 wortel 47 wortelstelsel

25, 47

Z zaadblaasje 186 zaadcel 187 zaadleider 186 zaadlozing 197 zenuwstelsel 46 zetmeel 70 zetmeelkorrel 34 zintuigstelsel 46 zoekkaart 60 zoogdier 58 zoolganger 148 zwanger 216 zwangerschapstest 208 zwellichaam 186 zwemvliezen 149 gedeeltelijke zwemvliezen

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 248

149

25/03/2025 11:34


Knipblad bij Startopdracht 2.2 (I) 2.2 Knipblad bij Startopdracht paragraaf

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 249

25/03/2025 11:34


9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 250

25/03/2025 11:34


9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 251

25/03/2025 11:34


9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 252

25/03/2025 11:34


Knipblad bij opdracht 7 paragraaf 2.7

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 253

25/03/2025 11:34


Illustratieverantwoording © Shutterstock / Arif Supriyadi 6 © TM 8, 13, 16, 23, 36, 44, 49, 57, 63, 64, 70, 71, 74, 83, 85, 134, 187, 209 © Shutterstock 8, 36, 57, 67, 70, 71, 92, 96, 118, 135, 139, 141, 153, 171, 173, 174, 176, 182, 219, 229, 230, 24 © Marjolein Luiken 8, 16, 24, 27, 60, 64, 177, 178, 235 © Shutterstock / Panumas Yanuthai 8 © Gemma Stekelenburg 10, 22, 23, 35-39, 43, 45, 54, 99, 108-110, 121, 125, 128, 129, 172, 184-186, 205, 208 © Shutterstock / Martin Janca 12 © Shutterstock / Hortimages 13 © Getty Images / iStockphoto | © Shutterstock / Zenzeta 14 © Shutterstock / yoshi0511 14 © By Aniela Hoitink 15 © Shutterstock / sophiecat 15 © Shutterstock / New Africa 21, 226, 229 © Shutterstock / Reinier Holster 22 © Shutterstock / Lebendkulturen.de 23 © Shutterstock / Balkonsky 25 © Shutterstock / VectorMine 25 © Shutterstock / Ekky Ilham 25, 33 © Shutterstock / Stephan Morris 26 © Shutterstock / vectorfusionart 26 © Shutterstock / GraphicsRF.com 28 © Shutterstock / Mohamedfathy1 29 © Shutterstock / Choksawatdikorn 32 © Shutterstock / Designua 34 © Shutterstock / HAOS 37 © Shutterstock / Fordvika | © Shutterstock / D. Kucharski K. Kucharska 41 © Shutterstock / Jacob Lund 44 © Shutterstock / first vector trend 46 © Shutterstock / Black_Kira 47 © Shutterstock / Glasscage 47 © Shutterstock / Suttha Burawonk 48 © Shutterstock / M_LIZZARD 48 © Shutterstock / design36 48 © Shutterstock / Monet_3k 50 © Shutterstock / jannoon028 52 © Cito 54, 63, 81, 82, 114, 116, 133, 159, 194, 222 © Shutterstock / Marius Dobilas 56 © Shutterstock / Diego Grandi 57 © Shutterstock / ejmcaskill 58 © Shutterstock / Jason Mintzer 58 © Shutterstock / Arunee Rodloy 58 © Shutterstock / Crevis 59 © Shutterstock / Vera Larina 59 © Shutterstock / Salmons | © Shutterstock / Independent birds 61 © Shutterstock / Jim Cumming | © Shutterstock / Anna_Bondarenko 61 © Shutterstock / FOTOGRIN 61 © Shutterstock / Anton Kozyrev 65 © Shutterstock / Spiks 68 © Shutterstock / Marijs Jan 69 © Shutterstock / smereka 70 © Rogier Trompert 72, 96-99, 103, 107, 109, 112, 113, 120, 128-130, 147149, 151, 183, 185, 207, 211, 216-220 © Shutterstock / Bonnie Fink 72 © Shutterstock / Eric Isselee, Sujatha Vempaty 84 © Shutterstock / Gucio_55 86 © Getty Images / iStock / Gudkov.Andrey. 88 © Shutterstock / Marjolein Luiken 90 © Shutterstock / Panumas Yanuthai © Shutterstock / oneinchpunch 90 © Shutterstock / Marco Iacobucci Epp 91 © Shutterstock / nipa74 93 © Getty Images / Pier Marco Tacca 94 © Shutterstock / DM7 95 © Shutterstock / Thomas B Lee 97 © Shutterstock / Yvonne60 100 © Shutterstock / Alexonline 103 © Shutterstock / yamamedal 105 © Shutterstock / Andrew M. Allport 106 © Shutterstock / SS1001 108 © Shutterstock / BikerPhoto 110 © Shutterstock / Ljupco Smokovski 113

9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 254

© Shutterstock / Anton Vierietin 117 © Shutterstock / adike 119 © Shutterstock / BlueRingMedia 119 © Shutterstock / larisa Stefanjuk 120 © Shutterstock / Jose Luis Calvo 121 © Shutterstock / Svoboda Pavel 122 © Shutterstock / VectorPlotnikoff 122 © Getty Images / STEVE GSCHMEISSNER 127 © Shutterstock / Stefan Holm 130 © Shutterstock / Bunsinth-Nan-Pua 131 © Shutterstock / Macrovector 132 © Shutterstock / Panumas Yanuthai | © Getty Images / Torrance Daily Breeze 136 © Shutterstock / dreii 137 © Shutterstock / Somsak Thapthimthong 137 © Kenniscentrum Sport & Bewegen 138 © Voedingscentrum 138 © Shutterstock / Cultura Creative | © Shutterstock / trek6500 139 © Shutterstock / Romain Biard 139 © Shutterstock / Lazy_Bear 145 © ANP / Rob Engelaar 145 © Shutterstock / Marina Ibrahem00 146 © Shutterstock / David A Litman | © Shutterstock / Kat KTM | © Shutterstock / galitsin 148 © Shutterstock / JIANG HONGYAN 148 © Shutterstock / Mr. SUTTIPON YAKH 148 © Shutterstock / Prachaya Roekdeethaweesab 148 © Getty Images / Sebastian Condrea | © Shutterstock / Alex Castor 149 © ANP / Nature Picture Library 149 © imago images / blickwinkel 150 © Shutterstock / Mr. SUTTIPON YAKHAM 152 © Getty Images / iStock / DarthArt 154 © Shutterstock / bluehand 156 © Getty Images / Art Images 162 © Shutterstock, Marjolein Luiken 164 © Shutterstock / Motortion Films 164 © Shutterstock / antoniodiaz 165 © Shutterstock / Hryshchyshen Serhii 166 © Shutterstock / bbernard 167 © Getty Images / Maskot 169 © Shutterstock / Alejo Miranda 170 © Getty Images / E+ 171 © Shutterstock / YuliDor 173 © Shutterstock / otsphoto 174 © Shutterstock / Kurit afshen 179 © Shutterstock / Zay Nyi Nyi 180 © Getty Images / iStock / luismmolina 182 © Getty Images / Science Source / F1online 187 © Getty Images / iStockphoto 187 © Shutterstock / EmeCeDesigns 188, 193 © Shutterstock / Alexander_P 189 © Shutterstock / Gustavo Frazao 195 © Shutterstock / oneinchpunch 195 © Getty Images / joan corominas | © Getty Images / Raul Mellado Ortiz | © Shutterstock / Inside Creative House 196 © Shutterstock / Juice Dash 197 © Shutterstock / MDV Edwards 197 © Shutterstock / Sk Hasan Ali 198 © Getty Images / Corbis 204 © TM, Shutterstock 205 © Shutterstock / Pikovit 206, 210 © Shutterstock / Thanumporn Thongkongkaew 208 © Shutterstock / Arif biswas 215 © Shutterstock / GagliardiPhotography 217 © Getty Images / E+ | © Getty Images / FOTOGRAFIA INC. 218 © Getty Images / Thom Lang 226 © Shutterstock / Pair Srinrat 228 © Shutterstock / Ekaterina43 229 © Shutterstock / 5 second Studio 229 © Shutterstock / ONYXprj 230 © Shutterstock / Image Point Fr 231 © Getty Images / Fine Art Images 231 © Shutterstock / Sakurra 234

25/03/2025 11:34


9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 252

25/03/2025 11:34


9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 252

25/03/2025 11:34


9789006731163 VIVO 3vmbo K_A.indb 252

25/03/2025 11:34


BIOLOGIE 3 VMBO-K DEEL A

A

Vi·vo - ik leef; levend Bij biologie leer je over alles wat leeft. Over hoe planten, dieren en mensen in elkaar zitten én hoe zij met elkaar samenleven. Ook jij leeft. Dus biologie gaat ook over jou. Met Vivo kom je alles te weten over het leven in jou en om jou heen.

De biologie van je leven

BIOLOGIE 3 VMBO-K DEEL A NAAM KLAS

versie 1.1

LJ3vmbo-K_omslagen_vivo.indd 1

9 789006 731163

25/03/2025 16:54


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Vivo 3 vmbo-k deel A by ThiemeMeulenhoff - Issuu