Skip to main content

Vivo 3 vmbo-k, deel B

Page 1

BIOLOGIE 3 VMBO-K DEEL B

B

Vi·vo - ik leef; levend Bij biologie leer je over alles wat leeft. Over hoe planten, dieren en mensen in elkaar zitten én hoe zij met elkaar samenleven. Ook jij leeft. Dus biologie gaat ook over jou. Met Vivo kom je alles te weten over het leven in jou en om jou heen.

De biologie van je leven

BIOLOGIE 3 VMBO-K DEEL B NAAM KLAS

versie 1.1

LJ3vmbo-K_omslagen_vivo.indd 1

9 789006 731170

25/03/2025 16:48


9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 212

25/03/2025 14:04


BIOLOGIE 3 VMBO-K DEEL B

Beste leerling, Dit boek gebruik je samen met de digitale leeromgeving. Het is van jou, dus je mag je aantekeningen erin schrijven. Na dit schooljaar mag je het boek houden. Dan kun je het boek volgend jaar nog gebruiken om te leren voor je eindexamen. Veel succes en plezier met biologie! Team Vivo

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 1

25/03/2025 14:02


COLOFON Auteurs Rob Melchers, Anne van Rossum, Martine van der Wiel, Rik Smale, Willy Stein Eindredactie Ilse Gmelig, Ramon Verwijst Taalredactie Maurice Breugelmans, Marcella Sleeuwenhoek Illustraties Gemma Stekelenburg, Rogier Trompert, Marjolein Luiken Ontwerp Omslag: Carlo Polman - OudZuid Ontwerp Binnenwerk: Tom Lamers - Reclamers Opmaak Crius Group, Hulshout Omslagbeeld Shutterstock / blue-sea.cz

Over ThiemeMeulenhoff ThiemeMeulenhoff is een educatieve uitgeverij die zich inzet voor het voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs. De mensen van ThiemeMeulenhoff zijn er voor onderwijsprofessionals – met ervaring, expertise en doeltreffende leermiddelen. Ontwikkeld in doorlopende samenwerking met de mensen in het onderwijs om samen het onderwijs nog beter te maken. We ontwikkelen lesmethodes die goed te combineren zijn met andere leermiddelen, naar eigen inzicht aan te passen en bewezen effectief zijn. En natuurlijk worden al onze lesmethodes zo duurzaam mogelijk geproduceerd. Zo bouwen we samen met de mensen in het onderwijs aan een mooie toekomst voor de volgende generatie.

Alle rechten voorbehouden. Tekst- en datamining, AItraining en vergelijkbare technologieën niet toegestaan. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16B Auteurswet 1912 j° het Besluit van 23 augustus 1985, Stbl. 471 en artikel 17 Auteurswet 1912, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan Stichting Publicatie- en Reproductierechten Organisatie (PRO), Postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp (www.stichting-pro.nl). Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet) dient men zich tot de uitgever te wenden. Voor meer informatie over het gebruik van muziek, film en het maken van kopieën in het onderwijs zie www.auteursrechtenonderwijs.nl. De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen die desondanks menen zekere rechten te kunnen doen gelden, kunnen zich alsnog tot de uitgever wenden.

Samen leren vernieuwen. www.thiememeulenhoff.nl ISBN 978 90 06 73117 0 Editie 1, druk 1, oplage 1, 2025 � ThiemeMeulenhoff, Amersfoort, 2025

Deze uitgave is volledig CO2-neutraal geproduceerd. Het voor deze uitgave gebruikte papier is voorzien van het FSC®-keurmerk. Dit betekent dat de bosbouw op een verantwoorde wijze heeft plaatsgevonden.

2

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 2

25/03/2025 14:02


INHOUD ZO WERK JE MET VIVO

4

Deel A

Deel B

Hoofdstuk 1 Leven 1.1 Hoe hangt al het leven samen? 1.2 Levenskenmerken 1.3 Organisatieniveaus 1.4 Cellen en weefsels 1.5 Organen en orgaanstelsels 1.6 Organismen en soorten 1.7 Organismen in een ecosysteem 1.8 Alles in samenhang 1.9 Examenopgaven

Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie SE 6 4.1 Hoe worden eigenschappen doorgegeven? 8 13 4.2 Erfelijke eigenschappen SE 22 4.3 Meiose en bevruchting SE 32 4.4 Overerven van eigenschappen SE 43 4.5 Mutaties SE 52 4.6 DNA-onderzoek SE 61 4.7 Evolutie SE 4.8 Alles in samenhang 72

Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen SE 2.1 Hoe blijven organismen in vorm? 2.2 Botten SE 2.3 Beenverbindingen SE 2.4 Spieren SE 2.5 Been en kraakbeen SE 2.6 Blessures SE 2.7 Aanpassingen aan de leefomgeving 2.8 Alles in samenhang 2.9 Examenopgaven

Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid 5.1 Hoe blijft de aarde leefbaar? 5.2 Verspreiding van organismen 5.3 Voedselketens 5.4 Mens en milieu SE 5.5 Biotechnologie SE 5.6 Koolstofkringloop 5.7 Alles in samenhang 5.8 Examenopgaven

Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten 3.1 Wat is de rol van seks? 3.2 Groei en ontwikkeling 3.3 Geslachtsorganen 3.4 Omgaan met seksualiteit en seks 3.5 Menstruatiecyclus en bevruchting 3.6 Zwangerschap en geboorte 3.7 Soa’s en voorbehoedsmiddelen 3.8 Alles in samenhang 3.9 Examenopgaven

Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese 130 6.1 Waarom kun je niet zonder planten? 132 6.2 Verschillende planten 137 6.3 Fotosynthese 148 6.4 Bladeren, stengels en wortels 158 6.5 Bloemen en geslachtelijke voortplanting 169 6.6 Zaadverspreiding en overleven 179 6.7 Ongeslachtelijke voortplanting 190 6.8 Alles in samenhang 200 6.9 Examenopgaven 202 Register Knipblad Illustratieverantwoording

74 76 80 89 99 106 114 123 125

209 213 214

3

VIVO 3vmbo K_H1_Zo werk je met.indd 3

27/03/2025 13:08


ZO WERK JE MET VIVO – De biologie van je leven In Vivo vind je alles wat je nodig hebt voor de voorbereiding op je examen. Hieronder zie je alle onderdelen van een hoofdstuk uitgelegd.

Hoofdstuk 1 Leven

Hoe hangt al het leven samen? 1.1

Hoofdstuk 1 Leven

1.1 Hoe hangt al het leven samen?

Organisatieniveaus 1.3

1.3 Organisatieniveaus

In dit hoofdstuk leer je over biologie en het leven. In het grote plaatje zie je welke hoofdstukvraag en

Aan het eind van deze paragraaf kun je:

hoofdpunten daarbij centraal staan en welke verbanden er zijn met andere onderwerpen.

• • • •

Welke verbanden zijn er?

Wat leer je in dit hoofdstuk?

verschillende organisatieniveaus benoemen. voorbeelden geven bij de verschillende organisatieniveaus. weefsels, organen en orgaanstelsels beschrijven. uitleggen dat je in de biologie op verschillende organisatieniveaus onderzoek doet.

Bij deze paragraaf horen de volgende practica:

H1 H2 - Stevigheid en bewegen beweging

• •

Hoe hangt al het leven samen?

Slak

STARTOPDRACHT

Biologie bekijkt het leven vanuit verschillende organisatieniveaus

Organismen zijn opgebouwd uit één of meer cellen

Verschillende soorten leven samen in een ecosysteem

Levensprocessen vinden in samenhang plaats

H6 - Planten en fotosynthese energie

1

Groeispurt

Overleg met je docent of je deze practica gaat uitvoeren.

1

Weefsel Het lichaam van een organisme bestaat uit cellen en meestal ook uit weefsels en organen. Die zie je op de tekeningen.

O2

A

C

D

Leg uit waarom.

Het grote plaatje

4

VIVO 3vmbo GT_H1_Leven.indd 4

B

a Bij welke tekening(en) heb je te maken met een weefsel?

18

VIVO 3vmbo GT_H1_Leven.indd 18

20/09/2024 10:14

STARTEN MET HET HOOFDSTUK

• Het hoofdstuk start met de grote vraag. Deze vraag ga je aan de hand van het hoofdstuk beantwoorden. • De hoofdstukvraag staat in een overzichtstekening: het grote plaatje. Daarin zie je de samenhang met andere hoofdstukken en de belangrijkste zaken van dit hoofdstuk om te onthouden. • In de eerste paragraaf ontdek je waarom het onderwerp van het hoofdstuk belangrijk is, voor jouw leven én onze planeet. Ook ontdek je hoe het onderwerp samenhangt met andere onderwerpen in de biologie.

20/09/2024 10:14

WERKEN MET DE PARAGRAFEN

• Bij de paragraaftitel zie je aan de iconen welke hoofdpunten uit het grote plaatje in de paragraaf terugkomen. • Aan de leerdoelen zie je wat je in deze paragraaf gaat leren. • Bij de practica ga je zelf iets onderzoeken: je docent bepaalt welke je gaat doen. Je vindt deze online. • In de practica en opdrachten oefen je ook met verschillende vaardigheden die nodig zijn voor je examen. Bijvoorbeeld met een microscoop werken of tabellen gebruiken. Hiervoor zijn online vaardigheidskaarten te vinden. • De paragraaf begint met een startopdracht. In deze opdracht ga je meteen actief aan de slag met het onderwerp van de paragraaf. Zo ontdek je wat je al weet en begrijp je de stof sneller en beter.

4

VIVO 3vmbo K_H1_Zo werk je met.indd 4

25/03/2025 14:29


WERKEN IN HET BOEK OF ONLINE Je kunt aan de slag in je leerwerkboek of online. In je boek vind je alles wat je nodig hebt: theorie en opdrachten. Deze staan natuurlijk ook online, plus handige extra’s. Boek • Theorie • Opdrachten • Examenvoorbereiding

Hoofdstuk 1 Leven

5

Online • Theorie • Opdrachten • Examenvoorbereiding

Organisatieniveaus 1.3

Hoofdstuk 1 Leven

Alles in samenhang 1.8

b Wat heb je over elk hoofdpunt geleerd?

Populaties in een sloot

Noteer je antwoorden in de vakjes.

Leerlingen onderzoeken een sloot voor een opdracht. Noem de soortnamen van twee populaties dieren en twee populaties planten die ze daar aan kunnen treffen.

6

• Verder oefenen op maat (Herhaling en Plus) • Practica en vaardigheidskaarten • Kennistoets en proeftoets

Biologie bekijkt het leven vanuit verschillende organisatieniveaus.

Kijk terug naar paragraaf 3 en 6.

Organismen zijn opgebouwd uit één of meer cellen.

Kijk terug naar paragraaf 4.

Levensprocessen vinden in samenhang plaats.

Kijk terug naar paragraaf 2 en 5.

Functie van orgaanstelsels A

B

C

D

E

F

O2

Verschillende soorten leven samen in een ecosysteem.

Kijk terug naar paragraaf 6 en 7.

Zet de orgaanstelsels bij de juiste functie. Kies uit: ademhalingsstelsel | bloedvatenstelsel | skelet (bottenstelsel) | spierstelsel | verteringsstelsel | zenuwstelsel

c Je hebt in paragraaf 1 antwoord gegeven op de grote vraag van dit hoofdstuk: Hoe hangt al

vervoeren van stoffen (A)

het leven samen? Wat is nu je antwoord op de grote vraag?

regelen, doorgeven en verwerken van informatie (B)

Kijk nog even terug naar je antwoord in paragraaf 1. En kijk ook naar je antwoorden bij opdracht a en b.

zuurstof opnemen, koolstofdioxide afgeven (C) voedsel kleiner en oplosbaar maken (D) stevigheid geven, beschermen (E) beweging mogelijk maken (F)

VERDER OEFENEN Maak online de proeftoets bij dit hoofdstuk.

24

VIVO 3vmbo GT_H1_Leven.indd 24

74

VIVO 3vmbo GT_H1_Leven.indd 74

20/09/2024 10:14

WERKEN MET DE PARAGRAFEN

• In de theorie zie je blauwgedrukte woorden: de belangrijkste begrippen. • In groene kaders staan weetjes. Je ziet bijvoorbeeld hoe het onderwerp van de paragraaf terugkomt in het dagelijks leven. • Iedere paragraaf heeft zes à acht basisopdrachten. Daarna is er een Terugkijkopdracht om te zien of je de leerdoelen al beheerst. Wat gaat goed en waar moet je nog aan werken? • Online krijg je na de basisopdrachten een advies op maat om verder te oefenen: Herhaling of Plus.. In het boek zie je ook altijd een herhaalopdracht en een plusopdracht . • Bij de opdrachten staat soms een icoon. Staat bij opdrachten waar je samenwerkt met klasgenoten. Staat bij opdrachten waar je iets moet doen. Leren door te doen! Staat bij opdrachten waar je kritisch nadenkt.

20/09/2024 10:15

ALLES IN SAMENHANG

• Je kijkt terug op het grote plaatje. Begrijp je de verbanden en kun je de hoofdstukvraag beantwoorden met wat je hebt geleerd? • Aan je docent kun je ook een samenvatting van het hoofdstuk vragen. • Wil je verder oefenen? Met de afsluitende examenopgave in de Examenparagraaf oefen je de stof uit het huidige en andere hoofdstukken in combinatie. • Met de online kennistoets en proeftoets controleer je of je de theorie goed hebt geleerd.

EXAMENPARAGRAAF

• Hier vind je eindexamenopgaven die horen bij de theorie van het hoofdstuk. Bij elke paragraaf die over eindexamenstof gaat, horen één of meer opgaven. Ook is er een grote examenopgave waarin de stof van meerdere hoofdstukken wordt gecombineerd. Zo kun je je goed voorbereiden. • Bij elke opgave hoort ook een hint.

5

VIVO 3vmbo K_H1_Zo werk je met.indd 5

25/03/2025 14:29


4 Erfelijkheid en evolutie SE

INHOUD Basis 4.1 Hoe worden eigenschappen doorgegeven?

................

8

4.2 Erfelijke eigenschappen SE

...................................

13

4.3 Meiose en bevruchting SE

....................................

22

4.4 Overerven van eigenschappen SE

...........................

32

4.5 Mutaties SE . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 43 4.6 DNA-onderzoek SE

.............................................

52

4.7 Evolutie SE . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 61

Afsluiting 4.8 Alles in samenhang

............................................

72

VAARDIGHEDEN - kruisingsvraagstukken - natuurwetenschappelijk onderzoek doen - werken met de microscoop

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 6

25/03/2025 14:02


9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 7

25/03/2025 14:02


Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie

Hoe worden eigenschappen doorgegeven? 4.1

4.1 Hoe worden eigenschappen doorgegeven? In dit hoofdstuk leer je over erfelijkheid en evolutie. In 'het grote plaatje' zie je welke hoofdstukvraag en hoofdpunten daarbij centraal staan en welke verbanden er zijn met andere onderwerpen.

Welke verbanden zijn er?

Wat leer je in dit hoofdstuk?

H4 H1 - Leven soorten

Hoe worden eigenschappen doorgegeven?

Je erfelijke eigenschappen komen van je vader en je moeder

DNA en omgeving bepalen eigenschappen van organismen

H3 - Seksualiteit en voortplanten bevruchting

Evolutie gaat over de veranderingen van soorten

1

Een stamboom laat verwantschap tussen organismen zien

Het grote plaatje

8

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 8

25/03/2025 14:02


Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie

Hoe worden eigenschappen doorgegeven? 4.1

THEORIE Jouw unieke eigenschappen

Niemand is hetzelfde. Elk organisme bestaat uit een unieke combinatie van DNA. In elke cel van jouw lichaam zit jouw unieke DNAcombinatie. Alle lichaamscellen hebben hetzelfde DNA. Je erft de meeste eigenschappen van je biologische ouders (figuur 2). Door geslachtelijke voortplanting geven je ouders een combinatie van hun DNA aan jou door. Soms veranderen eigenschappen. Bijvoorbeeld: je haarkleur verandert als je

2

je haar verft. Na een val op straat heb je

Jongere met een ouder

misschien een litteken op je kin en is dus de vorm van je kin veranderd. Je DNA verandert dan niet. Lichaamscellen delen voortdurend. Soms verandert het DNA daarbij een beetje. Dat kan zorgen voor nieuwe eigenschappen. Als die nieuwe eigenschappen worden doorgegeven aan nakomelingen veranderen organismen heel geleidelijk. En kunnen er uiteindelijk nieuwe soorten ontstaan.

Welke verbanden zijn er? Bekijk het ‘grote plaatje’ in figuur 1.

•

Er leven vele miljoenen soorten organismen op aarde. Alle organismen hebben uniek DNA en daardoor hun eigen kenmerken (hoofdstuk 1).

•

Bij de bevruchting smelten twee geslachtscellen samen. Een nakomeling heeft dus een combinatie van DNA van beide ouders (hoofdstuk 3).

Wat leer je in dit hoofdstuk? Bekijk het ‘grote plaatje’ in figuur 1.

•

Je erfelijke eigenschappen komen van je vader en je moeder. Je biologische ouders gaven je elk de helft van je DNA. Bij de bevruchting smolten de celkernen van de eicel en de zaadcel samen en kwam het DNA samen. Daarmee heb je eigenschappen van zowel je vader als je moeder gekregen.

•

DNA en omgeving bepalen eigenschappen van organismen. Planten, dieren, bacteriën en schimmels hebben DNA in hun cellen. In het DNA zijn eigenschappen vastgelegd, zoals hoe het organisme werkt en eruitziet. Naast het DNA heeft ook de leefomgeving invloed op hoe een organisme werkt en eruitziet. Bijvoorbeeld: als het weinig regent, verandert het wortelstelsel van een plant. De wortels groeien dan dieper de grond in om meer water op te nemen.

•

Een stamboom laat verwantschap tussen organismen zien. Tussen grootouders, ouders en kinderen is verwantschap. DNA wordt doorgegeven van generatie op generatie en hiermee bepaalde eigenschappen. Met een stamboom kun je laten zien dat eigenschappen worden doorgegeven.

•

Evolutie gaat over de veranderingen van soorten. Organismen passen precies bij de omgeving om er te kunnen overleven. Soms heeft een organisme een net iets betere eigenschap dan een soortgenoot en daarmee een grotere overlevingskans. Wanneer die gunstige eigenschap wordt doorgegeven aan nakomelingen kan een soort veranderen en een nieuwe soort ontstaan. 9

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 9

25/03/2025 14:02


Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie

Hoe worden eigenschappen doorgegeven? 4.1

OPDRACHTEN 1

Familie Van der Dussen Dit is de familie Van der Dussen, geschilderd in 1640 door Hendrick Cornelisz van Vliet. Het paar in het zwart was 15 jaar getrouwd en dat werd gevierd. Een foto nemen kon in die tijd nog niet. Een schilder moest heel nauwkeurig kijken en alles exact naschilderen.

a Het is nu bijna 400 jaar later. Waaraan zie je dat de ouders erfelijk eigenschappen hebben doorgeven aan hun kinderen? Geef minstens twee voorbeelden.

b Het DNA van de familie van der Dussen is doorgegeven aan kinderen en kleinkinderen. Deze kleinkinderen gaven het weer door, zodat het nu nog steeds aanwezig is. Een generatie duurt ongeveer 25 jaar. Hoeveel generaties zijn er ongeveer geweest vanaf 1640 tot 2025? Rond je antwoord af op hele generaties.

10

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 10

25/03/2025 14:02


Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie

2

Hoe worden eigenschappen doorgegeven? 4.1

Erfelijke eigenschappen Sommige eigenschappen heb je geërfd van je biologische ouders. Sommige eigenschappen zijn afkomstig van je omgeving. Kijk eens naar jezelf. Zijn jouw eigenschappen afkomstig van je biologische vader, je biologische moeder of van geen van beiden? Of is de eigenschap afkomstig van je omgeving? Geef het aan met een kruisje in de tabel. vader

moeder

geen van beiden

omgeving

kleur van je ogen vorm van je ogen lengte van je vingers gaatjes in je oren lichaamslengte kleur van je haren lengte van je haren

3

Verwantschap bij honden In de afbeelding zie je een stamboom van een hond die Darwin heet. Thorkel Bombke

OVER MIJ Stamboeknummer: Ras/variëteit: Geslacht: Geboortedatum: Kleur:

3291163 Stabijhoun Reu 18-09-2022 Zwart en wit

Frouke Darwin Bottas Atari Liefke

a Darwin is een hond. Verschillende hondenrassen behoren samen tot de soort 'honden'. Welk ras is Darwin?

b Hoe heten de ouders van hond Darwin?

c Wat zijn Frouke en Liefke van Darwin? Ze zijn beiden ...

● oma ● tante ● zus d Welke vachtkleur heeft Darwin?

11

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 11

25/03/2025 14:02


Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie

4

Hoe worden eigenschappen doorgegeven? 4.1

Het dinotijdperk In de tekening zie je een landschap met dinosauriërs en planten. Men denkt dat het leven er 60 miljoen jaren geleden zo uitzag.

Hoe zijn planten en dieren aan de omgeving aangepast om te overleven? Kruis aan.

5

planten

dieren

een lange nek om van hoge bomen te eten

■

■

ogen om de omgeving waar te nemen

■

■

een mogelijkheid om zuurstof op te nemen

■

■

mogelijkheid om eigen voedingsstoffen te maken met behulp van zuurstof

■

■

een hard pantser om een aanval af te weren

■

■

scherpe tanden om een prooi aan stukken te scheuren

■

■

Hoe worden eigenschappen doorgegeven? De grote vraag van dit hoofdstuk is Hoe worden eigenschappen doorgegeven? Wat is jouw antwoord op deze vraag? Gebruik in je antwoord de informatie van deze paragraaf.

12

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 12

25/03/2025 14:02


Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie

Erfelijke eigenschappen 4.2

4.2 Erfelijke eigenschappen

SE

Aan het eind van deze paragraaf kun je:

• • • •

benoemen dat erfelijke eigenschappen zijn vastgelegd in je DNA. benoemen dat genen die ‘aanstaan’ de cel besturen. benoemen dat je eigenschappen worden bepaald door je DNA en je omgeving. uitleggen wat er gebeurt tijdens mitose.

Bij deze paragraaf horen de volgende practicumopdrachten:

• •

Mitose in de worteltop Erfelijke eigenschappen

Overleg met je docent of je deze practica gaat uitvoeren.

STARTOPDRACHT 1

Wat herinner je je nog …? Wat herinner je je nog over erfelijkheid uit de onderbouw? Dit heb je nodig:

•

pen en papier

Dit ga je doen: 1 Maak kloppende zinnen met de woorden. Je laat hiermee zien wat de begrippen betekenen. 2 Je mag woorden meerdere keren gebruiken. Gebruik alle woorden minstens één keer. 3 Deel de zinnen met een klasgenoot. Lees om-en-om een zin voor. 4 Controleer of de zinnen kloppen en verbeter ze waar nodig. Gebruik deze woorden:

• • • • • • •

• • • • • •

celkern chromosomen chromosomenparen DNA erfelijke eigenschap fenotype

genotype geslachtschromosomen lichaamscel nakomelingen X-chromosoom Y-chromosoom

gen

13

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 13

25/03/2025 14:02


Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie

Erfelijke eigenschappen 4.2

THEORIE Eigenschappen in je DNA

Alle organismen zien er anders uit en toch kun je vaak zien dat mensen, dieren en planten familie van elkaar zijn. Misschien heb je dezelfde groene ogen als je moeder of hetzelfde steile haar als je neef. Sommige eigenschappen zijn erfelijk, zoals je oogkleur of de vorm van je kin. De informatie voor deze erfelijke eigenschappen ligt in je DNA. DNA bevindt zich in de celkern en regelt alles wat er in de cel gebeurt. Dus ook de hoeveelheid kleurstof die wordt aangemaakt in de iris van je ogen of de haarvorm die ontstaat vanuit de haarzakjes. cel

chromosoom

DNA

celkern 1

Chromosomen bestaan uit DNA.

DNA ligt als lange strengen in de celkern. Deze strengen noem je chromosomen (figuur 1). Iedere lichaamscel van een organisme bevat een vast aantal chromosomen (figuur 2). Een mens heeft 46 chromosomen die je kunt sorteren in 23 chromosomenparen. Beide chromosomen van een paar zijn even groot en hebben dezelfde vorm, met uitzondering van het 23e paar. Een verzameling van chromosomen noem je ook wel een chromosomenportret (figuur 3). organisme

aantal chromosomen

fruitvlieg

8

spinazie

12

tomaat

24

reuzenkangoeroe

32

appel

34

cavia

46

paard

64

heremietkreeft

254

2

Het aantal chromosomen van verschillende organismen

14

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 14

25/03/2025 14:02


Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie

3

Erfelijke eigenschappen 4.2

1

2

3

4

5

6

7

8

9

10

11

12

13

14

15

16

17

18

19

20

21

22

XY

Chromosomenportret

Verschillen

DNA bevat de informatie voor al je erfelijke eigenschappen. Een gen is een stukje van het DNA dat de informatie voor één

haar

haar

haarkleur

erfelijke eigenschap bevat. Elk chromosoom bevat een groot

oog

oog

oogkleur

aantal genen. Elk chromosoom van een chromosomenpaar

neus

neus

vorm van de neus

huid

huid

huidskleur

bevat informatie voor dezelfde erfelijke eigenschappen, zoals voor de aanmaak van kleurstof van je ogen of de vorm van je haar (figuur 4). Genen kunnen aan of uit staan in een cel. In cellen van je iris staan de genen voor kleurstof aan, maar de genen voor de vorm van je haar of voor de kleur van je haren uit. Cellen in de maag maken maagsap en spiercellen zorgen ervoor dat spieren aantrekken. In deze cellen staan weer andere genen aan of uit. Cellen hebben dus hetzelfde DNA maar verschillen van elkaar doordat genen aan of uit staan (figuur 5).

4

Een chromosomenpaar met genen

huidcellen

zenuwcellen spiercellen

bloedcellen 5

Cellen verschillen doordat genen aan of uit staan.

15

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 15

25/03/2025 14:02


Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie

Erfelijke eigenschappen 4.2

Genotype en fenotype

Alle informatie voor je erfelijke eigenschappen bij elkaar is je genotype. Maar hoe je eruitziet, wie je bent en hoe je lichaam werkt wordt niet alleen bepaald door het genotype. Zo kun je steil haar krullen of gekleurde ooglenzen indoen. Ook als je valt en een litteken krijgt, als je je spieren traint of als je in de zon zit, verandert je uiterlijk. Je uiterlijk wordt dus bepaald door het genotype en door de omgeving en wat je doet. Dit noem je omgevingsfactoren. Alle eigenschappen van een organisme noem je het fenotype (figuur 6). genotype

de omgeving en wat je doet

fenotype

Invloeden uit de omgeving hebben invloed op jouw uiterlijk:

+

haar

oog

6

kam, shampoo, schaar

bril, lenzen

neus

verkoudheid door virus

huid

zon, regen, wind

=

Het fenotype wordt bepaald door het genotype en de omgevingsfactoren.

Mitose

Ooit begon jouw leven als één enkele lichaamscel die zich deelde tot miljarden lichaamscellen waaruit je nu bestaat. Celdeling is nodig voor de groei, voor de vervanging van oude cellen en voor het herstel van weefsels. De celdeling gaat in een aantal stappen.

• •

Eerst splitst de celkern van de moedercel zich in tweeën. Daarna splitst de cel zich in twee nieuwe dochtercellen. De nieuwe cellen zijn eerst nog klein.

•

De cellen maken vervolgens cytoplasma bij om even groot te worden als de moedercellen (figuur 7).

kerndeling

celdeling

plasmagroei dochtercellen

7

Celdeling: een moedercel deelt zich tot twee dochtercellen.

Nieuwe lichaamscellen ontstaan door mitose of gewone celdeling. Hierbij wordt het DNA in de cel gekopieerd en daarna verdeeld over de dochtercellen. De mitose gaat als volgt:

•

Het DNA rolt op en krult in elkaar. Daardoor worden de chromosomen korter en dikker en zijn ze zichtbaar met een microscoop. Er zijn dan 23 chromosomenparen (46 chromosomen) te zien.

•

Elk chromosoom verdubbelt zich tot twee identieke DNA-draden.

16

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 16

25/03/2025 14:02


Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie

•

Erfelijke eigenschappen 4.2

De DNA-draden van de moedercel verdelen zich over twee dochtercellen. De dochtercellen zijn precieze kopieën van de oorspronkelijke moedercel en bevatten dus weer 23 chromosomenparen.

•

Elke lichaamscel bezit hierdoor DNA met dezelfde DNA-code.

8

Mitose met twee chromosomen

TIP Scan de QR-code en bekijk het filmpje Wat is mitose?

OPDRACHTEN 2

Erfelijke informatie in cellen Vul de ontbrekende begrippen in. Kies uit: chromosoom | chromosomenparen | DNA | genen Het

bevat de erfelijke informatie van een organisme en deze zit in de

celkern. Een erfelijke eigenschap ligt vast in een stukje DNA. Deze stukjes DNA noem je . Elk

bestaat uit DNA.

Chromosomen vormen tweetallen. Dit zijn

3

.

Chromosomenportret In de afbeelding staat het chromosomenportret van een mens. Aan het chromosomenportret kun je zien dat deze persoon een afwijking in het DNA heeft.

1

2

3

4

5

6

7

8

9

10

11

13

14

15

16

17

18

19

20

21

22

X

12

Y

17

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 17

25/03/2025 14:02


Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie

Erfelijke eigenschappen 4.2

a Waaraan zie je dat deze persoon een afwijking in het DNA heeft als je kijkt naar het aantal per paar?

b Welk chromosomenpaar is afwijkend van de andere chromosomenparen als je kijkt naar de vorm?

4

Actieve genen Welk gen is actief in een spiercel? Een gen dat zorgt voor …

● de afbraak van zetmeel tot glucose ● het vervoer van zuurstof in het bloed ● het samentrekken van spieren 5

Een kijkje in de spiegel Kijk nog eens naar jezelf. Dit heb je nodig:

•

spiegel of een foto van jezelf

Dit ga je doen: 1 Kijk in de spiegel of naar de foto. Geef een beschrijving van jouw fenotype. 2 Noteer een kenmerk dat zeker bepaald wordt door je genotype. 3 Welk kenmerk is beïnvloed door de omgeving?

6

Fenotype of genotype Gaat de uitspraak over het fenotype, het genotype of over beide? Zet een kruisje bij het juiste antwoord. fenotype

genotype

In de spiegel zie je uiterlijke kenmerken van jezelf.

■

■

Je uiterlijk kan veranderen door de omgeving.

■

■

Het DNA verandert niet tijdens je leven.

■

■

Het DNA bepaalt dat je blauwe ogen hebt.

■

■

18

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 18

25/03/2025 14:02


Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie

7

Erfelijke eigenschappen 4.2

Tweelingen Eeneiige tweelingen ontstaan vroeg in de zwangerschap. Een bevruchte eicel splitst zich in twee klompjes cellen. In elke cel is het DNA dan identiek.

Deze eeneiige tweeling lijkt veel op elkaar, maar er zijn ook verschillen. Hoe komt dat? Maak de zinnen kloppend door de juiste combinaties te maken.

8

De meisjes lijken op elkaar doordat

•

•

ze identiek DNA hebben.

Het rechter meisje is kleiner dan het linker meisje, dit betekent dat

•

•

hun voeding verschilt.

Het verschil in lengte kan ontstaan doordat

•

•

hun fenotype verschilt.

Kippenveren Er bestaan kippen met witte veren en kippen met bruine veren. Er is een gen dat de kleur van kippenveren bepaalt. Je ziet in de afbeelding delen van een lichaamscel van een bruine kip. De delen zijn aangegeven met letters A tot en met E.

A

D

B

C

E

a Welke letter geeft het gen voor de kleur van kippenveren aan?

19

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 19

25/03/2025 14:02


Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie

Erfelijke eigenschappen 4.2

b In het najaar verliezen kippen hun versleten veren. Daarna delen moedercellen van de huid zich en groeien er weer nieuwe veren. Leg uit hoe nieuwe veren ontstaan.

9

Cellen van de groene kikker Jos is bioloog en heeft een klein stukje weefsel afgenomen bij een groene kikker. Jos maakt hiervan een preparaat om deze onder de microscoop te kunnen bekijken.

a Onder de microscoop ziet Jos de lichaamscellen delen. Hoeveel dochtercellen ontstaan na mitose uit één delende moedercel?

● een dochtercel ● een moedercel ● twee dochtercellen ● twee moedercellen b Het oculair en objectief vergroten allebei 10×. Hoe sterk vergroot de microscoop de lichaamscellen van de kikker? Gebruik eventueel de vaardigheidskaart Werken met de microscoop.

● 10× ● 20× ● 100× 10

Terugkijken Kijk terug op deze paragraaf.

a Hoe heb je de opdrachten per leerdoel gemaakt? Noteer 0, – –, –, + of + +. 0 betekent: niets gemaakt. ++ betekent: alles goed. Je kunt ...

opdrachten

score

extra oefenen? (Herhaling en Plus)

1. benoemen dat erfelijke eigenschappen zijn vastgelegd in je DNA.

2, 3

H13, P12

2. benoemen dat genen die ‘aanstaan’ de cel besturen.

4

H12, P10

3. benoemen dat je eigenschappen worden bepaald door je DNA en je omgeving.

5, 6, 7

H11, H12

4. uitleggen wat er gebeurt tijdens mitose.

8, 9

H10, P10, P11, P12

20

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 20

25/03/2025 14:02


Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie

Erfelijke eigenschappen 4.2

b Bekijk je scores van vraag a. Kies minstens één opgave waarmee je nog wil oefenen, nu of in voorbereiding op de toets. TIP Noteer alvast enkele begrippen uit deze paragraaf. Die heb je later nodig bij 4.8 Alles in samenhang.

HERHALING EN PLUS Online kun je extra oefenen met Herhaling en Plus. Opdracht 11 en 15 staan ook in je boek.

11

Opgroeien Maak de zinnen kloppend. Jonge organismen groeien. Door celdeling | fotosynthese | verbranding komen er meer cellen en weefsels bij. Een ander woord voor gewone celdeling is kerndeling | symbiose | mitose | plasmagroei. Door mitose kan het weefsel van het organisme ook beschadigen | herstellen | waarnemen, nadat het organisme een wond heeft opgelopen.

15

Mitose in worteltoppen Op de foto zie je cellen van de uiteinden van de wortels van een uienplant. Deze worteltoppen zijn vergroot door een microscoop.

Geef bij elke uitspraak aan of deze juist of onjuist is. juist

onjuist

Alle cellen zitten in dezelfde fase van mitose.

●

●

Alle cellen bezitten genen die informatie bevatten voor stengels en bladeren van de uienplant.

●

●

Alle dochtercellen bezitten chromosomenparen.

●

●

Moeder- en dochtercellen bevatten evenveel chromosomen.

●

●

21

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 21

25/03/2025 14:02


Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie

Meiose en bevruchting 4.3

4.3 Meiose en bevruchting

SE

Aan het eind van deze paragraaf kun je:

• • • •

uitleggen wat er gebeurt met de chromosomen tijdens de bevruchting. meiose (reductiedeling) vergelijken met mitose (gewone celdeling). toelichten dat door geslachtelijke voortplanting een uniek genotype ontstaat. uitleggen hoe geslachtschromosomen het geslacht bepalen bij de bevruchting.

Bij deze paragraaf hoort de volgende practicumopdracht:

•

Karyogram

Overleg met je docent of je dit practicum gaat uitvoeren.

STARTOPDRACHT 1

Bananenvliegen Een bananenvlieg heeft 8 chromosomen in 4 chromosomenparen. De vlieg heeft deze chromosomen van zijn ouders gekregen.

a Hoeveel chromosomen heeft een nakomeling van de moeder? En van de vader?

● De vlieg heeft tussen 0 en 8 chromosomen van de moeder en de rest van de vader. ● De vlieg heeft 4 chromosomen van de moeder en 4 van de vader. ● De vlieg heeft 6 chromosomen van de moeder en 2 van de vader. ● De vlieg heeft 8 chromosomen van de moeder en 8 van de vader. Bij de celdeling is dat gehalveerd.

b In de afbeelding zie je een lichaamscel van de vadervlieg. Van elk chromosomenpaar van de vadervlieg komt één chromosoom in de geslachtscel terecht.

22

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 22

25/03/2025 14:02


Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie

Meiose en bevruchting 4.3

Welke van onderstaande geslachtscellen zijn mogelijk? A

B

C

D

■A ■B ■C ■D c Hoeveel unieke combinaties van chromosomen zijn in een geslachtscel van deze vlieg mogelijk?

d In de tekening zie je de kern van een lichaamscel van de vadervlieg. Van elk chromosomenpaar van de moedervlieg komt één chromosoom in de geslachtscel terecht. Teken twee verschillende geslachtscellen en kleur deze in met de passende kleuren. chromosomen kern lichaamscel A

B

23

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 23

25/03/2025 14:02


Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie

Meiose en bevruchting 4.3

THEORIE Geslachtscellen en bevruchting

Ooit begon jouw leven als één enkele cel met 46 chromosomen. Die cel is ontstaan uit de versmelting van een eicel en een zaadcel. Bij de bevruchting kwam de helft van het DNA van je moeder en de helft van het DNA van je vader bij elkaar (figuur 1). Jouw DNA is dus een combinatie van DNA van jouw beide ouders. Elke lichaamscel heeft 46 chromosomen. Een eicel of een zaadcel heeft maar 23 chromosomen. Een geslachtscel heeft dus precies de helft van het aantal chromosomen van een lichaamscel.

23

eicel

23

zaadcel 1

23

46

bevruchting

eerste lichaamscel

23

Chromosomen komen samen bij de bevruchting.

WIST JE DAT? Geslachtschromosomen bij dieren. Bij zoogdieren, zoals een hond of een kat, hebben vrouwtjes twee X-chromosomen en mannetjes een X- en een Y-chromosoom. Bij reptielen en vogels is het net andersom: mannetjes hebben twee gelijke geslachtschromosomen en vrouwtjes twee ongelijke. Insecten, zoals bijen, mieren en wespen, hebben geen aparte geslachtschromosomen. Mannetjes ontstaan uit onbevruchte eitjes en vrouwtjes uit bevruchte eitjes. Daardoor hebben de lichaamscellen van mannetjes enkele chromosomen en de lichaamscellen van vrouwtjes chromosomenparen.

24

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 24

25/03/2025 14:02


Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie

Meiose en bevruchting 4.3

Meiose

Om ervoor te zorgen dat geslachtscellen precies de helft van het aantal chromosomen hebben, ondergaan lichaamscellen een speciale celdeling. Deze speciale celdeling heet meiose of reductiedeling. Meiose vindt plaats in de geslachtsorganen: in de eierstokken en teelballen. Bij de deling van een lichaamscel in de teelbal ontwikkelen vier zaadcellen. Bij de deling van een lichaamscel in de eierstok ontwikkelt zich maar één eicel. De andere cellen sterven af tijdens het proces. Een cel in meiose deelt zich twee keer. Tijdens de meiose zijn de chromosomen korter en dikker en daardoor zichtbaar met een microscoop. Na de meiose bezit elke geslachtscel slechts één chromosoom van een chromosomenpaar en dus 23 enkele chromosomen (figuur 2).

23 46

23

lichaamscel in eierstok

23

23

eicel

23 1e deling

en

2e deling

in geslachtsorganen

23

23

23 23 46 lichaamscel in teelbal

23 23 23

2

23

23

zaadcellen 23

Vorming van geslachtscellen door meiose

Je bent uniek

Elk chromosoom bevat heel veel genen. Tijdens de meiose wordt per toeval bepaald welke 23 chromosomen in de geslachtscel terechtkomen. Bij de bevruchting komen een zaadcel en een eicel samen en vormen in de bevruchte eicel zich weer 23 chromosomenparen. Dit zorgt voor een unieke combinatie van genen: er ontstaat een baby met een uniek genotype. 25

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 25

25/03/2025 14:02


Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie

Meiose en bevruchting 4.3

Geslachtschromosomen en geslacht

Van de 23 chromosomenparen zijn de eerste 22 even groot en hebben dezelfde vorm. Het 23e paar bevat de geslachtschromosomen. Dit paar is anders en bepaalt je geslacht (sekse). Het lange chromosoom is het X-chromosoom. Het korte chromosoom is het Y-chromosoom (figuur 4). Bij bevruchting komen twee geslachtshormonen samen. Met twee X-chromosomen ontwikkelt het lichaam zich tot geslacht meisje (XX). Met een X-chromosoom en een Y-chromosoom ontwikkelt het lichaam zich tot geslacht jongen (XY). De celkern van een eicel bevat altijd een X-chromosoom. De celkern van de zaadcel bevat een X- of een Y-chromosoom. Het geslachtschromosoom in de celkern van een zaadcel bepaalt dus het geslacht van de baby (figuur 5).

X

Y X

X

X

XX

X 4

X

X

Geslachtschromosomen

X

Y

X

XY

Y 5

Het geslacht wordt bij de bevruchting bepaald.

OPDRACHTEN 2

Meiose Kies het juiste woord. Het produceren van geslachtscellen vindt plaats door meiose | mitose. Het produceren van geslachtscellen vindt plaats in alle organen in het lichaam | in de geslachtsorganen. In geslachtscellen komt elk chromosoom één keer | twee keer voor. In de teelbal van de man delen lichaamscellen zich door mitose | meiose tot zaadcellen.

3

Bevruchting Kies het juiste woord. Geslachtscellen bevatten de helft van het aantal chromosomen | alle chromosomen van de ouder. Als twee geslachtscellen samensmelten noem je dat meiose | mitose | bevruchting. Door bevruchting ontstaat er een cel met een uniek | identiek genotype. Chromosomen in een bevruchte eicel bezitten alleen chromosomen van de moeder | chromosomen van beide ouders.

26

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 26

25/03/2025 14:02


Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie

4

Meiose en bevruchting 4.3

Mitose of meiose? Mitose en meiose zijn twee verschillende celdelingen.

a Welke andere woorden zijn er voor mitose en meiose? mitose = meiose =

b Geef bij elk kenmerk aan of het bij mitose of bij meiose hoort.

5

mitose

meiose

Dit vindt overal in het lichaam plaats.

●

●

Dit vindt plaats in de eierstok.

●

●

Er ontstaan zaadcellen.

●

●

Zo delen cellen zich voor haargroei uit de hoofdhuid.

●

●

De dochtercellen hebben enkelvoudige chromosomen.

●

●

Een cel bezit alleen een Y-chromosoom en geen ander geslachtschromosoom.

●

●

Het aantal chromosomen van moedercellen en dochtercellen is gelijk.

●

●

kersenpit (zaad)

DNA in kersen In april en mei bloeien de kersenbomen. Tijdens de bloei kan bestuiving plaatsvinden. Vervolgens kan een stuifmeelkorrel de eicel bevruchten. Na bevruchting groeit het vruchtbeginsel uit tot een vrucht: de kers. In de vrucht zitten zaden: de kersenpitten. Deze kunnen uitgroeien tot nieuwe kersenbomen. Hieronder staan vier uitspraken. Voor welk deel van de kersenboom geldt de uitspraak? cellen van een blad

cellen van een stuifmeelkorrel

cellen van de kers (vrucht)

Bevat hetzelfde DNA als de stam van de kersenboom.

■

■

■

■

Bevat chromosomen in paren.

■

■

■

■

De chromosomen komen enkelvoudig voor.

■

■

■

■

Het DNA is voor de helft afkomstig van deze kersenboom.

■

■

■

■

27

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 27

25/03/2025 14:02


Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie

6

Meiose en bevruchting 4.3

Sterilisatie Naar: Examen GL/TL 2010-2 Bij sterilisatie van een man worden de zaadleiders onderbroken. In de afbeelding zijn enkele organen van een man schematisch weergegeven.

P

a Welke letter geeft de zaadleider aan? Q R

b Waar vinden reductiedelingen plaats?

S

● bij P ● bij Q ● bij R ● bij S 7

Stekelbaarsjes

a Een stekelbaarsmannetje produceert cellen met behulp van meiose. Welk soort cellen ontstaan door meiose?

b De celkern van een cel uit de staartvin bevat genen die de kleur van de buik regelen. Juist of onjuist? Leg je antwoord uit.

c Het stekelbaarsmannetje maakt een nestje waarin een stekelbaarsvrouwtje haar eicellen legt. Welke uitspraken over deze nog onbevruchte eicellen zijn juist?

■ De eicellen bevatten chromosomenparen. ■ De eicellen bevatten enkele chromosomen. ■ Het DNA in de eicellen verschilt van elkaar. ■ Het DNA in elke eicel is hetzelfde.

28

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 28

25/03/2025 14:02


Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie

Meiose en bevruchting 4.3

d Het stekelbaarsmannetje bevrucht met zijn sperma de eicellen van het vrouwtje. Stekelbaarsjes hebben 42 chromosomen in de celkernen van hun lichaamscellen. Vul het schema in.

8

21 chromosomen

42 chromosomen

onbevruchte eicel

●

●

bevruchte eicel

●

●

zaadcel

●

●

lichaamscel van mannetje

●

●

Toos de lapjeskoe Toos is een lapjeskoe en is een nakomeling van een zwarte stier en een rode koe. Lapjeskoeien zijn zeer zeldzaam.

a De zaadcel van een mannelijke koe (stier) bevat 30 chromosomen. Hoeveel chromosomen bevat een lichaamscel van Toos?

● 60 chromosomen ● 60 chromosomenparen ● 30 chromosomen b Op de foto zie je geslachtskenmerken van Toos. Welke geslachtschromosomen heeft Toos in haar lichaamscellen?

● stier: XY ● koe: XX ● stier: XX ● koe: XY c In welke cellen zitten de unieke genen die zorgen voor de vacht van een lapjeskoe?

● alleen in de eicellen van de koe ● alleen in de lichaamscellen van de vacht ● in alle lichaamscellen van de koe

29

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 29

25/03/2025 14:02


Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie

9

Meiose en bevruchting 4.3

Een donorhart Een donorhart, afkomstig van een vrouw, was getransplanteerd in het lichaam van een man. Artsen deden een bijzondere ontdekking bij dit donorhart. Tussen de vrouwelijke cellen van het getransplanteerde hart bevonden zich na enige tijd ook enkele mannelijke cellen. Of een cel mannelijk of vrouwelijk is, kun je zien aan de chromosomen. Welk verschil is er tussen de chromosomen in een cel van een man en die in een cel van een vrouw?

10

Terugkijken Kijk terug op deze paragraaf.

a Hoe heb je de opdrachten per leerdoel gemaakt? Noteer 0, – –, –, + of + +. 0 betekent niets gemaakt, + + betekent alles goed. Je kunt ...

opdrachten

score

extra oefenen? (Herhaling en Plus)

1. uitleggen wat er gebeurt met de chromosomen tijdens de bevruchting.

3, 5, 7

H12, P10, P11

2. meiose (reductiedeling) vergelijken met mitose (gewone celdeling).

2, 4, 5, 6

H11, H12, P12

3. toelichten dat door geslachtelijke voortplanting een uniek genotype ontstaat.

3, 5, 7, 8

H10, H13, P11, P12

4. uitleggen hoe geslachtschromosomen het geslacht bepalen bij de bevruchting.

8, 9

H10, H13, P10

b Bekijk je scores van vraag a. Kies minstens één opgave waarmee je nog wil oefenen, nu of in voorbereiding op de toets. TIP Noteer alvast enkele begrippen uit deze paragraaf. Die heb je later nodig bij 4.8 Alles in samenhang.

30

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 30

25/03/2025 14:02


Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie

Meiose en bevruchting 4.3

HERHALING EN PLUS Online kun je extra oefenen met Herhaling en Plus. Opdracht 11 en 15 staan ook in je boek.

11

DNA-onderzoek Een forensisch onderzoeker neemt huidcellen van een man weg. Uit deze cellen haalt hij de Y-chromosomen. Hoeveel Y-chromosomen bevat de celkern van een cel uit de huid van een man? Leg je antwoord uit.

15

Hortensia’s Een hortensia kan zich geslachtelijk voortplanten.

Hoe brengt de hortensia unieke nakomelingen voort? Zet de stappen in de juiste volgorde. Zet de nummers 1 tot en met 5 in de juiste vakjes. Het stuifmeel bestuift de stamper van de bloem. Het zaad ontkiemt en groeit uit tot een unieke hortensiaplant. In het vruchtbeginsel van de bloem vindt bevruchting van de eicel plaats. Uit iedere bevruchting ontwikkelt zich een zaad met een uniek genotype. In de meeldraad en het vruchtbeginsel worden geslachtscellen gevormd door meiose.

31

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 31

25/03/2025 14:02


Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie

Overerven van eigenschappen 4.4

4.4 Overerven van eigenschappen

SE

Aan het eind van deze paragraaf kun je:

• • •

uitleggen hoe genen het genotype bepalen. een kruisingsschema maken. de kans op een bepaald genotype en fenotype berekenen.

Bij deze paragraaf horen de volgende practicumopdrachten:

• •

Kruising tomaat Kruising fruitvlieg

Overleg met je docent of je deze practica gaat uitvoeren.

STARTOPDRACHT 1

Het zit in de familie Binnen een familie zie je eigenschappen bij meerdere familieleden terug, bijvoorbeeld een wipneus of krullend haar. Je ziet hier een stamboom met drie generaties. grootouders opa

opa

oma

oma

ouders vader

moeder

kinderen dochter

zoon

dochter

32

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 32

25/03/2025 14:02


Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie

Overerven van eigenschappen 4.4

Welke eigenschappen deel jij met je familieleden? Laat het zien in een stamboom. Dit heb je nodig:

• •

A4-papier Je hebt thuis (foto’s van) familieleden bekeken.

Dit ga je doen: 1 Teken een stamboom van je familie met minstens drie generaties. 2 Je kunt ook een stamboom maken van de familie van een vriend of een beroemd persoon. 3 Noteer in de stamboom de namen van de familieleden. 4 Kies één erfelijke eigenschap die je zelf hebt. TIP Een erfelijke eigenschap kan bijvoorbeeld zijn: de vorm van het haar (steil, krullend, golvend) of dat iemand zijn/haar tong kan rollen (ja/nee) of oogkleur (bruin, groen of blauw). 5 Geef elk familielid die die bepaalde eigenschap ook bezit een kleur. Weet je het niet? Ga dan op onderzoek uit. Vraag het bijvoorbeeld thuis of zoek naar familieleden van de beroemde persoon. 6 Maak een legenda bij de stamboom. Hiermee laat je zien wat een kleur betekent. TIP Voor tongrollen maak je in de legenda een rood vierkant (man) of een rode cirkel (vrouw) en noteert erachter = tongrollen. 7 Hoe ben jij aan die bepaalde eigenschap gekomen? Waar zie je de eigenschap terug? Bij je ouders? Bij je grootouders? Of anders?

THEORIE Welke genen erf je?

Iedereen is uniek, maar toch zie je bepaalde eigenschappen bij meerdere mensen in een familiestamboom. Erfelijke eigenschappen kunnen worden doorgegeven van ouders op kinderen (figuur 1). Dit heet overerven.

1

Overerving van vachtkleur bij honden

33

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 33

25/03/2025 14:02


Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie

Overerven van eigenschappen 4.4

De overerving van een eigenschap maak je zichtbaar met een stamboom. Bepaalde erfelijke eigenschappen zie je vaak terug in een familie. Toch zijn er ook familieleden waarbij een eigenschap niet tot uiting komt in het fenotype. Soms slaat een erfelijke eigenschap een generatie over en komt deze terug in het fenotype van de volgende generatie (figuur 2). Legenda AA

aa

Aa

AA

vrouw man

Aa

Aa

AA 2

aa

Aa

Een stamboom met drie generaties

Alle informatie die de genen bezitten vormen het genotype. Wanneer op een chromosomenpaar twee dezelfde genen voor een haarkleur zitten, dan is die persoon homozygoot voor die haarkleur. Wanneer er twee verschillende varianten op een chromosomenpaar zitten, dan is het organisme heterozygoot voor die eigenschap. Er is dan één gen dat domineert. Een dominant gen onderdrukt het andere gen. Het gen voor zwart haar is dominant over het gen voor blond haar. Die persoon heeft dan zwart haar. Het gen dat wordt onderdrukt noem je een recessief gen (figuur 3).

2. Twee chromosomen vormen een chromosomenpaar, omdat ze genen bezitten voor dezelfde eigenschappen.

1. De kern van een lichaamscel bevat chromosomen in paren.

A

bc

De

a

BC

d E

3. Er kunnen twee varianten bestaan van een gen voor dezelfde eigenschap: dominant of recessief. 3

A

a

4. Een dominant gen is sterker dan een recessief gen.

Twee genen op een chromosomenpaar vormen het genotype.

34

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 34

25/03/2025 14:02


Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie

Overerven van eigenschappen 4.4

Kort noteren

Om informatie over genotypen kort op te schrijven gebruik je letters. Een dominant gen schrijf je met een hoofdletter, bijvoorbeeld A. Een recessief gen schrijf je met een kleine letter, in dit geval a. Je schrijft verschillende genotypen dus als volgt.

• • •

homozygoot dominant: AA heterozygoot: Aa homozygoot recessief: aa

Een voorbeeld: Konijnen hebben staande of hangende oren. Het gen voor staande oren is dominant (A) over het gen voor hangoren. De eigenschap hangoren is dus recessief (a). Bij een homozygoot dominant genotype heeft het konijn dus een fenotype met staande oren. Ook bij een heterozygoot genotype heeft het konijn staande oren. Een konijn met een homozygoot recessief genotype heeft hangoren (figuur 4). genotype

afkorting genotype

homozygoot recessief

aa

chromosomen

a

a

fenotype

hangende oren

A

homozygoot dominant

A

AA staande oren

A

a

heterozygoot

Aa staande oren

4

Het genotype en het fenotype van konijnen

Een kruisingsschema maken

Met het genotype van de vader en het genotype van de moeder kun je de kans berekenen op mogelijke genotypen van de nakomelingen. Daarmee kun je de kans op een mogelijk fenotype bepalen. Dit doe je met een kruisingsschema. Dat is een tabel waarin je mogelijke combinaties van de genen invult. Een voorbeeld van een kruising van twee konijnen met staande oren:

Aa 5

×

Aa

Bij een kruising noteer je de genotypen van de ouders: Aa × Aa.

35

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 35

25/03/2025 14:02


Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie

Overerven van eigenschappen 4.4

Een vader is heterozygoot (Aa) voor een erfelijke eigenschap. Er zijn dan zaadcellen met een dominant gen A en zaadcellen met een recessief gen a. Deze mogelijkheden plaats je in de bovenste rij van het kruisingsschema (figuur 6). Ook de moeder (Aa) is heterozygoot voor de erfelijke eigenschap. Zij heeft daardoor eicellen met een dominant gen A of een recessief gen a. Deze mogelijkheden plaats je in de eerste kolom. Bij de bevruchting kunnen verschillende combinaties ontstaan. De combinaties noteer je in de vier cellen van het kruisingsschema. De mogelijke genotypen van de nakomelingen van de kruising met twee heterozygote ouders zijn dan: AA, Aa of aa. A

a

AA

Aa

Aa

aa

A

a

6

Een kruissingsschema

Kansen bij kruisen

Elke combinatie in een vakje van het kruisingsschema heeft evenveel kans om te ontstaan, namelijk 25%. Een nakomeling heeft dus 25% kans op genotype AA, 50% kans op genotype Aa en 25% kans op genotype aa. De verhouding van genotypen kun je ook opschrijven als AA : Aa : aa = 1 : 2 : 1. Met het genotype kun je vervolgens ook het fenotype voorspellen. Bij een kruising met twee heterozygote ouders heeft een nakomeling 75% kans op de zichtbaarheid van de dominante eigenschap (staande oren). Een nakomeling heeft 25% kans op de zichtbaarheid van de recessieve eigenschap (hangende oren). De verhouding van fenotypen kun je ook opschrijven als staande oren : hangende oren = 3 : 1.

OPDRACHTEN 2

Verschillende genen a Maak de zinnen af. Dat genen worden overgedragen op nakomelingen noem je

.

Een gen dat je altijd terugziet in het fenotype noem je

.

Een gen dat vaak verborgen blijft noem je

.

b Hoe noem je deze genotypen? AA = Aa = aa =

36

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 36

25/03/2025 14:02


Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie

3

Overerven van eigenschappen 4.4

PKU PKU is een ziekte waarbij stoffen ophopen in het bloed. Het gen voor PKU is recessief. In de afbeelding zie je een familiestamboom van een familie waarin de ziekte voorkomt. 1

2

3

4

Legenda 5

6

7

8 PKU

9

10

11

12

geen PKU

a Welke personen hebben PKU?

b Welk genotype heb je als je de ziekte PKU hebt?

● aa ● Aa ● AA c Wat is het genotype van nummer 3?

● aa ● Aa ● AA 4

Geslachtscellen Heleen en Jorgos verwachten samen een kind. Heleen heeft blond haar (aa). Jorgos heeft donker haar (Aa).

a Welk gen of welke genen bevatten de eicellen van Heleen?

●A ●a ● aa b Welk gen of welke genen bevatten de zaadcellen van Jorgos?

● alleen a ● alleen A ● A of a ● Aa ● Aa

37

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 37

25/03/2025 14:02


Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie

5

Overerven van eigenschappen 4.4

Kippen Een kip met genotype Bb en een haan met genotype bb paren met elkaar. In de figuur zie je een kruisingsschema. De kuikens zijn genummerd van 1 tot en met 4.

B

b

b 1

2

3

4

b

a Welke genotypen kunnen de kuikens hebben?

■ bb ■ Bb ■ BB b Welk kuiken heeft welk genotype? Kruis aan. 1

6

2

3

4

homozygoot dominant (BB)

■

■

■

■

homozygoot recessief (bb)

■

■

■

■

heterozygoot (Bb)

■

■

■

■

Gestreepte muizen Twee heterozygote muizen brengen een gezin voort met twaalf jongen. Drie jongen zijn streeploos. De andere negen zijn gestreept.

a Welk genotypen hebben de ouders? Leg uit hoe je aan je antwoord bent gekomen.

38

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 38

25/03/2025 14:02


Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie

Overerven van eigenschappen 4.4

b Met welk kruisingsschema geef je de genotypen van dit muizengezin weer? g

G

g

gg

Gg

g

gg

Gg

●

7

G

g

G

GG

Gg

g

Gg

gg

●

g

g

G

Gg

Gg

G

Gg

Gg

●

Cavia Cavia’s heb je in allerlei kleuren. In het schema zie je twee zwarte en een bruine cavia met het

fenotype

bijbehorende genotype.

genotype

BB

Bb

bb

a Het homozygote dominante mannetje wordt gekruist met het homozygoot recessieve vrouwtje.

P

Vul het kruisingsschema in.

........

Gebruik eventueel de vaardigheidskaart

eicellen en zaadcellen P

Kruisingsvraagstukken.

•

Noteer bij P de kruising. Noteer de

×

...

...

F1 fenotype

genotypen van de ouders. Kleur de vacht van de ouders (P).

F1 genotype

........

b Noteer de genen in de geslachtscellen.

eicellen en zaadcellen F1

...

•

........

c Welke genotypen hebben de nakomelingen?

........

...

×

...

...

........

........

........

........

........

........

........

........

Noteer de genotypen van de F1-nakomelingen in het kruissingsschema hiernaast. F2 fenotype en genotype

d Kleur de vacht van de nakomelingen. e Twee nakomelingen paren ook met elkaar. Noteer de mogelijke genen in geslachtscellen.

f

Vul het kruisingsschema in.

g Noteer de genotypen van de F2-nakomelingen en kleur de vachten van de cavia's in het kruissingsschema hiernaast. Kleur de vachten van de cavia’s.

39

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 39

25/03/2025 14:02


Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie

8

Overerven van eigenschappen 4.4

Kruisingsschema’s In de kruisingsschema’s zijn de genen van de geslachtscellen of de mogelijke combinaties al ingevuld.

a Maak de kruisingsschema’s compleet. A

A

b

A

b

a

b

b tt Tt

Dd

d

E

dd

Ee

d

E

Ee

b In het kruisingsschema met gen b zijn de nakomelingen allemaal:

● heterozygoot ● homozygoot dominant ● homozygoot recessief c In het kruisingsschema met gen E zijn de nakomelingen allemaal:

● heterozygoot ● homozygoot dominant ● homozygoot recessief d De kans op homozygoot dominant genotype bij het kruisingsschema met gen a is:

● 25% ● 50% ● 75% ● 100% 9

Oorlellen in de familie Je ziet een familiestamboom van vijf mensen. Toon Aa

Irma

vaste oorlel Mies

An

losse oorlel

Johan

40

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 40

25/03/2025 14:02


Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie

Overerven van eigenschappen 4.4

a Welk genotype is van Mies?

● AA ● Aa ● aa

A

A losse oorlel

b De genen van Mies zijn afkomstig van Toon en Irma. Welk genotype heeft Irma?

A

■ AA ■ Aa ■ aa

losse oorlel

c An en Johan hebben hetzelfde fenotype en hiervoor zijn twee genotypen mogelijk. Welke genotypen zijn dit?

a

a vaste oorlel

■ AA ■ Aa ■ aa 10

a

Terugkijken Kijk terug op deze paragraaf.

a Hoe heb je de opdrachten per leerdoel gemaakt? Noteer 0, – –, –, + of + +. 0 betekent niets gemaakt, + + betekent alles goed. Je kunt ...

opdrachten

score

extra oefenen? (Herhaling en Plus)

1. uitleggen hoe genen het genotype bepalen.

2, 3, 4

H10, H11, P12

2. een kruisingsschema maken.

5, 7, 8

H12, P10, P11

3. de kans op een bepaald genotype en fenotype berekenen.

6, 8, 9

H12, P10

b Bekijk je scores van vraag a. Kies minstens één opgave waarmee je nog wil oefenen, nu of in voorbereiding op de toets. TIP Noteer alvast enkele begrippen uit deze paragraaf. Die heb je later nodig bij 4.8 Alles in samenhang.

41

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 41

25/03/2025 14:02


Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie

Overerven van eigenschappen 4.4

HERHALING EN PLUS Online kun je extra oefenen met Herhaling en Plus. Opdracht 11 en 15 staan ook in je boek.

11

Genotypen Genen van een chromosomenpaar combineren bij de bevruchting tot een homozygoot of een heterozygoot genotype. Elk genotype kun je kort noteren met behulp van twee letters. Kruis bij elk genotype de bijbehorende letters aan.

15

genotype Rr

genotype TT

genotype gg

heterozygoot

●

●

●

homozygoot dominant

●

●

●

homozygoot recessief

●

●

●

Kansen op vormen van overerven Joost heeft genotype Aa en heeft krullend haar. Desiree heeft genotype aa en heeft steil haar. Desiree is zwanger van hun kind. Wat is de kans dat het kind stijl haar heeft? Dit ga je stap voor stap onderzoeken met hulp van een kruisingsschema.

a Je noteert eerst de kruising. P: genotype Joost × genotype Desiree P:

×

b Welke genen hebben de geslachtscellen van Joost? Desiree  Joost 

c Welke genotypen hebben de nakomelingen? Vul de mogelijke genotypen in het kruisingsschema in.

d Krullend haar (A) is dominant over steil haar (a). Welke fenotypen hebben de nakomelingen? Schrijf dit erbij.

e Wat is de kans op de volgende fenotypes? kans op AA = kans op Aa = kans op aa = Dit geef je weer als: krullend haar : steil haar =

42

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 42

25/03/2025 14:02


Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie

Mutaties 4.5

4.5 Mutaties

SE

Aan het eind van deze paragraaf kun je:

• • • •

uitleggen waardoor mutaties ontstaan. uitleggen wat het effect van een mutatie kan zijn. uitleggen hoe erfelijke variatie ontstaat. uitleggen hoe kunstmatige selectie wordt gebruikt.

STARTOPDRACHT 1

Invloed van de zon Dit heb je nodig:

•

flesje zonnebrandcrème

a Bekijk het etiket van de zonnebrandcrème. Op het etiket van de zonnebrandcrème staat de SPF-factor. Wat is SPF?

b Waartegen beschermt zonnebrandcrème?

c Waar let je op als je zonnebrandcrème kiest? Waarom?

43

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 43

25/03/2025 14:02


Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie

Mutaties 4.5

THEORIE DNA kan veranderen

DNA zit veilig opgeslagen in de celkern. Toch kan DNA veranderen of beschadigen. Zo’n verandering of beschadiging van DNA noem je een mutatie. Een mutatie kan spontaan ontstaan of door invloed van buitenaf. Bijvoorbeeld door uv-straling, röntgenstraling of chemische stoffen, zoals teer in tabak of uitlaatgassen van dieselmotoren (figuur 1). Ook virussen kunnen mutaties veroorzaken, bijvoorbeeld het HPV-virus (figuur 1). Een mutatie kan ook ontstaan tijdens de celdeling. Als chromosomen verkeerd worden verdeeld, krijgt een dochtercel te veel of te weinig chromosomen.

1

Mutatie door invloed van buitenaf

Effecten van mutaties in een lichaamscel

Meestal ruimt het lichaam een lichaamscel met een mutatie zelf op. Als de cel toch in leven blijft dan heeft dat meestal geen grote gevolgen. De mutatie kan door celdeling in dochtercellen terechtkomen. De mutatie komt zo niet in alle lichaamscellen terecht. Wanneer een gen beschadigt, verandert de informatie voor een bepaalde erfelijke eigenschap. Het gevolg kan dan zijn dat de cel zijn functie niet meer goed uitvoert. Door een mutatie kan een cel zich ook sneller gaan delen. De dochtercellen delen dan ook sneller. Zo ontstaat een gezwel of tumor. Als de tumor door andere organen heen groeit spreek je over kanker (figuur 2). gezonde cellen delen gezond weefsel

gewone celdeling

gezonde cel mutatie cellen delen sneller

kankercel

tumor

kankercellen delen 2

Het ontstaan van kanker

Als een mutatie optreedt in een geslachtscel of een bevruchte eicel, kan de mutatie worden doorgegeven aan nakomelingen. Na de bevruchting deelt de bevruchte eicel steeds opnieuw. Het DNA met de mutatie wordt dan ook steeds opnieuw gekopieerd. Elke lichaamscel van de nakomeling bevat dan het DNA met de mutatie.

44

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 44

25/03/2025 14:02


Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie

Mutaties 4.5

Natuurlijke selectie en erfelijke variatie

Een mutatie kan slecht of goed zijn voor een organisme. Bij albinisme maakt de huid geen pigment aan. Een dier met albinisme is wit en valt daardoor op in de natuur. Een wit dier wordt dus sneller gepakt door roofdieren en plant zich daardoor niet voort. De mutatie is in dit geval negatief voor het dier. Een grote staartvin bij een vis is een voorbeeld van een positieve mutatie. Een vis met een grote staartvin zwemt sneller dan soortgenoten met een kleine staartvin en kan dus beter overleven bij gevaar. De vis kan deze gunstige mutatie doorgeven aan nakomelingen (figuur 3). Dit heet natuurlijke selectie. Mutaties zorgen voor erfelijke verschillen tussen organismen. Dit heet genetische of erfelijke variatie. Een populatie met een grote erfelijke variatie heeft een grotere kans om te overleven. De organismen met de gunstige eigenschappen zullen overleven als er iets verandert in de leefomgeving. Je kunt ook zeggen: deze organismen zijn aangepast aan de leefomgeving. Vissen hebben gen A. Bij een vis muteert gen A naar gen B.

Na een paar generaties: vissen met gen B hebben een grotere overlevingskans dan vissen met gen A. Gen B komt wat meer voor.

Een groot deel van de populatie heeft gen B en de vissen met gen A sterven uit.

gen A: kleine staartvin gen B: grote staartvin 3

Een grote staartvin is een gunstige eigenschap voor een vis.

Kunstmatige selectie

In de land- en tuinbouw maken mensen gebruik van de erfelijke variatie binnen een soort. Wanneer een koe veel melk produceert wil een boer graag nakomelingen van deze koe. Dan past de boer kunstmatige selectie toe. De boer selecteert dieren met een bepaalde eigenschap en laat ze vervolgens geslachtelijk voortplanten. Het selecteren van dieren en ze laten voortplanten, noem je fokken. Tuinders zoeken steeds naar de mooiste en meest smaakvolle gewassen. Een tuinder selecteert bijvoorbeeld tomatenplanten die mooie tomaten geven én tomatenplanten die smaakvolle tomaten geven. Door deze planten met elkaar te kruisen, hoopt een tuinder tomatenplanten te krijgen die mooie en smaakvolle tomaten geven. Het selecteren van planten en deze laten voortplanten heet veredelen.

45

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 45

25/03/2025 14:02


Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie

Mutaties 4.5

WIST JE DAT? Bizarre genen Een mutatie van een gen kan een effect hebben dat lijkt op iets bekends. De genen die daarvoor verantwoordelijk zijn krijgen soms bijzondere namen. Er zijn zebravissen met een soort puntoren door het ‘spock1gen’. Spock is een personage uit de oude televisieserie Star Trek en is te herkennen aan inderdaad - zijn puntoren.

OPDRACHTEN 2

Mutaties met verschillende oorzaken Hoe ontstaat een mutatie? chemische stof

3

straling

toevallig

Het DNA verandert door in de zon zitten.

●

●

●

Het DNA verandert tijdens de celdeling.

●

●

●

Na een celdeling heeft een zaadcel 22 chromosomen.

●

●

●

Het DNA van een longcel van een roker verandert.

●

●

●

DNA-beschadiging Mutaties kunnen op verschillende manieren ontstaan. Waardoor kan DNA niet beschadigen?

● bestrijdingsmiddelen ● harde muziek ● radioactieve straling ● röntgenstraling ● sigarettenrook ● uv-straling ● virussen

46

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 46

25/03/2025 14:02


Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie

4

Mutaties 4.5

Mutatie voorkomen Kijk naar de tekening. Je ziet vier personen. Mutaties kunnen optreden door invloeden van buitenaf. In veel gevallen kun je je daartegen beschermen.

Ik rook al jaren een pakje sigaretten per dag.

In het ziekenhuis waar ik werk, maak ik regelmatig foto’s van gebroken botten.

Ik heb gewandeld aan het strand met mijn hond. Maar nu ben ik verbrand.

Ik werk in een laboratorium. Hier moet ik zorgvuldig omgaan met bijtende stoffen.

Tegen welke invloeden kunnen deze personen zich beschermen?

5

Effecten Welke mutatie heeft effect op alle lichaamscellen van een mens?

● een wratje dat vanzelf overgaat ● een moedervlek die ontstaat door uv-licht ● een bevruchte eicel waarvan het DNA verandert ● een zaadcel met 22 chromosomen die doodgaat 6

Uv-straling Je huid kan verbranden door de schadelijke uv-straling van de zon. Je huid beschermt je tegen verbranding. Pigmentcellen maken hiervoor melanine aan. Melanine houdt een deel van de uv-straling tegen.

a Uv-straling beschadigt DNA in de cellen van de huid. In welk deel van de cel bevindt zich dit DNA?

b Hoe kun je jezelf het best beschermen tegen de zon? Geef drie tips. TIP Gebruik de story van NPO-Kennis.

47

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 47

25/03/2025 14:02


Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie

Mutaties 4.5

c Noteer de woorden die passen bij het juiste organisatieniveau. Kies uit: huid | lederhuid | mens | pigmentcel celniveau weefselniveau orgaanniveau organismeniveau

7

De vos en de muizen In het bos leven lichtgekleurde muizen en vossen.

Zet de gebeurtenissen in de juiste volgorde. Noteer de cijfers 2 tot en met 5 in de vakjes.

1

Bij een vrouwtjesmuis treedt een mutatie op in een bevruchte eicel. Het is een mutatie van het gen dat zorgt voor de vachtkleur. De donkere muizen planten zich voort en geven zo het gen voor donkere vachtkleur door aan nakomelingen. Er worden lichtgekleurde en donkergekleurde muizen geboren. De vos ziet de lichtgekleurde muizen het best en eet ze op. De donkere muizen ontsnappen. In het bos leven vooral donkergekleurde muizen.

48

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 48

25/03/2025 14:02


Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie

8

Mutaties 4.5

Wilde kool In de afbeelding zie je wilde kool. Alle koolsoorten die je kunt eten zijn door veredeling ontstaan uit de wilde kool. Tuinders maakten voor deze groenten steeds een selectie op bloemen of bladeren die je kunt eten. Op welke kenmerken hebben tuinders

oorspronkelijke soort: wilde kool

geselecteerd om tot bloemkool, broccoli, spruiten en rode kool te komen? Vul de juiste groente in. Door kunstmatige selectie op: groene bloemen witte bloemen veel grote bladeren veel kleine blaadjes

rode kool

9

broccoli

bloemkool

spruitjes

Grasparkieten In de natuur komen vooral groene grasparkieten voor. Er zijn verschillende variaties van het gen dat zorgt voor de kleur van de veren. Daardoor is het mogelijk dat er af en toe ook blauwe, gele en witte grasparkieten uit het ei komen.

In de natuur zijn de meeste grasparkieten groen en niet wit. Leg dit uit en gebruik hierbij het begrip natuurlijke selectie.

49

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 49

25/03/2025 14:02


Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie

10

Mutaties 4.5

Terugkijken Kijk terug op deze paragraaf.

a Hoe heb je de opdrachten per leerdoel gemaakt? Noteer 0, – –, –, + of + +. 0 betekent niets gemaakt, + + betekent alles goed. Je kunt ...

opdrachten

score

extra oefenen? (Herhaling en Plus)

1. uitleggen waardoor mutaties ontstaan.

2, 3

H11, P11

2. uitleggen wat het effect van een mutatie kan zijn.

4, 5, 6

H12

3. uitleggen hoe erfelijke variatie ontstaat.

7, 8, 9

H14

4. uitleggen hoe kunstmatige selectie wordt gebruikt.

8, 9

H13, H14, P10, P12

b Bekijk je scores van vraag a. Kies minstens één opgave waarmee je nog wil oefenen, nu of in voorbereiding op de toets. TIP Noteer alvast enkele begrippen uit deze paragraaf. Die heb je later nodig bij 4.8 Alles in samenhang.

HERHALING EN PLUS Online kun je extra oefenen met Herhaling en Plus. Opdracht 11 en 15 staan ook in je boek.

11

Mutatie Op welke manieren ontstaan mutaties in het DNA? Noteer drie manieren.

50

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 50

25/03/2025 14:02


Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie

15

Mutaties 4.5

Runderen Mensen houden al eeuwenlang runderen. Door steeds de dieren te selecteren met de beste eigenschappen en deze met elkaar te kruisen, ontstaan rassen. De Holstein Friesian is een zwartbont of roodbont ras. Dit ras is slank en is niet geschikt voor de vleesproductie. Maar het ras levert wel veel goede melk.

a Is hier sprake van selectie? En zo ja, welke manier van selectie?

● ja, kunstmatige selectie ● ja, natuurlijke selectie ● nee b Door fokken ontstaan ook andere runderrassen. Noteer er twee en zoek hiervan een afbeelding.

51

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 51

25/03/2025 14:02


Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie

DNA-onderzoek 4.6

4.6 DNA-onderzoek

SE

Aan het eind van deze paragraaf kun je:

• • •

benoemen waarvoor DNA-onderzoek wordt gebruikt. verschillende vormen van prenataal onderzoek beschrijven. situaties noemen waarin je kunt kiezen voor genetisch advies.

Bij deze paragraaf hoort de volgende practicumopdracht:

•

DNA isoleren

Overleg met je docent of je dit practicum gaat uitvoeren.

STARTOPDRACHT 1

Jouw profiel Waaraan ben jij te herkennen? Wat zijn jouw eigenschappen? Dit heb je nodig:

• •

profielkaart (knipblad) potlood

Dit ga je doen: 1 Op de profielkaart staan verschillende eigenschappen. Welke eigenschappen passen bij jou? Kleur de hokjes in de laatste kolom in. 2 Jouw eigen profiel bestaat nu uit een kleurcode. Lever jouw profiel in bij de docent. 3 Je ontvangt van de docent een profielkaart van een andere leerling. Bij wie past deze kaart? Zoek de eigenaar en check of het klopt. Je mag daarbij vragen stellen over eigenschappen die niet direct te zien zijn.

52

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 52

25/03/2025 14:02


Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie

DNA-onderzoek 4.6

THEORIE DNA geeft informatie

Genen zijn opgebouwd uit stukjes DNA. Als je weet hoe DNA is opgebouwd kun je daar veel informatie uit halen. Bij verwantschapsonderzoek wordt onderzocht of twee mensen overeenkomsten in het DNA hebben. Zo kan er worden bepaald of mensen familie van elkaar zijn. Iedereen heeft uniek DNA maar stukjes DNA van familieleden kunnen wel overeenkomen. Bij forensisch onderzoek vergelijken onderzoekers het DNA dat op de plaats delict (de plaats waar het misdrijf plaatsvond) is gevonden, bijvoorbeeld DNA in bloed of in speeksel. Deze DNA-sporen kunnen helpen om een verdachte te vinden en dienen als bewijs in een rechtszaak. Om DNA met elkaar te kunnen vergelijken maken onderzoekers van het DNA een DNAprofiel. Dit is een bandenpatroon of piekenpatroon dat het unieke DNA van iemand weergeeft (figuur 1).

1

Een DNA-profiel

Prenataal onderzoek

DNA-onderzoek kan plaatsvinden voor de geboorte van een baby. Dit heet prenataal onderzoek. DNA van de foetus wordt onderzocht op erfelijke aandoeningen. Het kan dan gaan om aandoeningen veroorzaakt door een mutatie van het DNA, zoals een open ruggetje (spina bifida). Het kan ook gaan om een afwijking van het aantal chromosomen. Iemand met het Downsyndroom heeft een extra chromosoom naast het 21e chromosomenpaar. Er zijn verschillende vormen van DNA-onderzoek tijdens de zwangerschap mogelijk (figuur 2).

•

De NIPT vindt plaats vanaf de 10e zwangerschapsweek. Hierbij wordt bloed van de moeder afgenomen en onderzocht of er een chromosoom teveel is op chromosomenpaar 13, 18 of 21. Bij een NIPT is er geen risico op een miskraam.

•

Een vlokkentest vindt plaats tussen de 12e en 14e week van de zwangerschap. Hierbij wordt placentaweefsel via de vagina of via de buik van de moeder weggenomen en onderzocht op eventuele mutaties van het DNA. Bij een vlokkentest is er een kleine kans op een miskraam.

•

Bij een vruchtwaterpunctie vanaf de 15e zwangerschapsweek wordt via de buik vruchtwater met een holle naald opgezogen. Vruchtwater bevat cellen van de foetus en kan ook worden onderzocht op mutaties. Een vruchtwaterpunctie geeft een kleine kans op een miskraam.

Toekomstige ouders bepalen zelf of ze een prenataal onderzoek willen laten doen. Ze komen door zo’n onderzoek meer te weten over de ontwikkeling en de mogelijke gezondheidsrisico’s van de baby.

53

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 53

25/03/2025 14:02


Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie

DNA-onderzoek 4.6

echoapparaat

slangetje

bloedafname van moeder, het bloed bevat DNA van moeder en van de foetus A

NIPT

placenta B Vlokkentest

echoapparaat holle naald

baarmoeder foetus vruchtwater C

Vruchtwaterpunctie

2

Verschillende vormen van prenataal onderzoek

De hielprik en genetisch advies

Binnen een week na de geboorte krijgt een baby de hielprik. Er worden daarbij een paar druppels bloed afgenomen voor onderzoek. Zo kun je verschillende erfelijke ziekten snel opsporen en een kind kan dan al vroeg de juiste behandeling krijgen. Een kind kan een aangeboren aanleg hebben voor een ziekte. Dan kan het die ziekte op latere leeftijd krijgen. Bijvoorbeeld bij de ziekte van Huntington of de erfelijke variant van borstkanker. Als een ziekte in je familie veel voorkomt, kun je erfelijkheidsonderzoek laten doen om te controleren of je een erfelijke aandoening hebt. Als je drager bent van een ziekte, heb je de ziekte zelf niet. Je kunt de genen met de ziekte wel doorgeven. Als je partner ook drager is van dezelfde erfelijke ziekte, dan kunnen je kinderen deze ziekte wel krijgen. Je bepaalt altijd zelf of je DNA-onderzoek laat doen en daarmee genetisch advies inwint. Het voordeel is dat je op tijd medische zorg kunt krijgen of andere maatregelen kunt nemen. Misschien wil je niet weten of je erfelijke aandoeningen hebt.

54

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 54

25/03/2025 14:02


Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie

DNA-onderzoek 4.6

WIST JE DAT? Forensisch onderzoeker plaats delict. De politie zoekt op een plaats delict naar

1

sporen, zoals huidschilfers, speeksel en

2

3

A

B

C

D

E

F

G

H

bloed. Forensisch onderzoekers van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) onderzoeken of er DNA in de sporen zit en maken er DNA-profielen van. Het maken van een DNA-profiel is een knip- en kopieerklus. Eerst wordt een stukje uit het DNA geknipt. Dat wordt verhit, bewerkt en vermeerderd tot vele gekopieerde stukjes DNA. Daarna worden de stukjes DNA met elektriciteit door een gel heengetrokken waardoor een bandenpatroon (zie afbeelding) of piekenpatroon (figuur 1) ontstaat.

Bandenpatronen van DNA-sporen en verdachten. DNAspoor 3 komt overeen met het bandenpatroon van verdachte F.

OPDRACHTEN 2

Erfelijk onderzoek Met welk doel kan DNA van mensen worden onderzocht? Verbind de beschrijving met de naam van het onderzoek. 1 Je vergelijkt DNA-profielen en vindt familieleden.

•

•

verwantschapsonderzoek

2 Je gebruikt DNA-profielen om bewijs te koppelen aan verdachten bij een misdrijf.

•

•

erfelijkheidsonderzoek

3 Je kijkt naar DNA-mutaties of een afwijking van het aantal chromosomen van een ongeboren kind.

•

•

prenataal onderzoek

4 Je onderzoekt of een erfelijke aandoening binnen een familie aanwezig is.

•

•

forensisch onderzoek

55

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 55

25/03/2025 14:02


Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie

3

DNA-onderzoek 4.6

Adoptie Willemijn is als baby geadopteerd. Inmiddels is ze 15 jaar. Online komt ze Anton tegen, die mogelijk biologische familie is.

a Ze vraagt Anton mee te werken aan DNA-onderzoek. Hoe heet dit onderzoek?

● erfelijkheidsonderzoek ● forensisch onderzoek ● prenataal onderzoek ● verwantschapsonderzoek b Wat heb je nodig voor dit onderzoek?

4

Voorlichting geven In ziekenhuizen en bij de verloskundige liggen folders die informatie geven aan aanstaande ouders. Je gaat een folder maken over een vorm van prenataal onderzoek. Dit heb je nodig:

• •

internet en printer papier, lijm, schaar

Dit ga je doen: 1 Kies een vorm van prenataal onderzoek: NIPT, vlokkentest of vruchtwaterpunctie. 2 In de folder beschrijf je: -

wat prenataal onderzoek betekent en waarom het belangrijk is;

-

wat met deze vorm van prenataal onderzoek kan worden onderzocht;

-

hoe het onderzoek verloopt in drie stappen.

TIP Je mag online extra informatie opzoeken.

5

Een tweeling Bij een zwangerschap kies je zelf of je een NIPT laat uitvoeren of niet. Wat kunnen redenen zijn om dit te laten doen? Noem minstens drie redenen.

56

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 56

25/03/2025 14:02


Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie

6

DNA-onderzoek 4.6

Ziekte van Pompe De ziekte van Pompe wordt veroorzaakt door een mutatie op een recessief gen. Iemand kan deze spierziekte erven van twee ouders die drager zijn van het gen. In de figuur zie je de families van Pien en Evert. In beide families komt de ziekte van Pompe voor. AA

Aa

Aa

AA

Legenda = vrouw = man

Pien

Evert ?

a Pien en Evert verwachten een kind. Ze willen een prenataal onderzoek laten doen om zeker te zijn dat hun kind het gen voor de ziekte van Pompe niet heeft. Een NIPT is daarvoor niet geschikt. Leg uit waarom niet.

b Welk prenataal onderzoek is geschikt om het gemuteerde gen dat de ziekte van Pompe veroorzaakt op te sporen? Leg je antwoord uit.

c Kunnen Pien en Evert een kind krijgen met het gen dat de ziekte van Pompe veroorzaakt? Leg je antwoord uit met behulp van de stamboom.

57

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 57

25/03/2025 14:02


Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie

7

DNA-onderzoek 4.6

Genetisch advies Misschien wil je weten of je drager bent of een erfelijke aandoening hebt. Misschien ook niet. Welke argumenten zijn er om te kiezen voor erfelijkheidsonderzoek? En welke argumenten zijn er om niet te kiezen voor erfelijkheidsonderzoek? Zet de argumenten voor en tegen overzichtelijk in het schema. Bespreek je antwoorden met een klasgenoot. Vul dan de argumenten aan. argumenten voor

8

argumenten tegen

Voorspellingen Door erfelijkheidsonderzoek kun je veel te weten komen. Zou jij als je gezond bent de uitslag wel willen weten? Vul het schema in. Wissel je antwoorden uit met een klasgenoot. Verschillen jullie van mening? Ga met elkaar in gesprek en gebruik daarbij argumenten. ja

misschien

nee

Ik zou de risico’s willen weten als er in mijn familie een erfelijke ziekte is.

■

■

■

Ik zou de ontdekking van een erfelijke ziekte liever willen uitstellen.

■

■

■

58

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 58

25/03/2025 14:02


Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie

9

DNA-onderzoek 4.6

Wat zou Sanne doen? Sannes moeder heeft borstkanker gehad. Sanne vraagt zich af of zij ook een verhoogd risico op borstkanker heeft en maakt zich zorgen. Ook wil Sanne weten of ze dit verhoogde risico kan doorgeven aan haar kinderen. Haar zus heeft ervoor gekozen zich niet te laten onderzoeken. Waarom wil Sanne onderzoek? Zet een kruisje in de meest passende vakjes. Sanne

10

Het kan helpen om onverklaarde gezondheidsklachten op te helderen.

■

Het kan lastig zijn om een relatie te hebben als Sanne ziek kan worden.

■

Hierdoor weet Sanne dat er een risico is dat familieleden misschien eerder overlijden.

■

Ze kan te weten komen dat het verstandig is om medische zorg te vragen als ze kinderen wil.

■

Ze kan bij een bepaalde uitslag alsnog haar levensstijl aanpassen om de kans op ziekte te verkleinen.

■

Ze kan een onzekere uitslag krijgen. Dan zal ze zich steeds afvragen of ze nu wel of niet ziek gaat worden.

■

Ze weet dan zeker dat ze het risico loopt om de ziekte door te geven.

■

Voor de uitslag is ze minder bezorgd dan na de uitslag.

■

Terugkijken Kijk terug op deze paragraaf.

a Hoe heb je de opdrachten per leerdoel gemaakt? Noteer 0, – –, –, + of + +. 0 betekent niets gemaakt, + + betekent alles goed. Je kunt ...

opdrachten

score

extra oefenen? (Herhaling en Plus)

1. benoemen waarvoor DNA-onderzoek wordt gebruikt.

2, 3

H11, H12, P12

2. verschillende vormen van prenataal onderzoek beschrijven.

4, 5, 6

H10, P11

3. situaties noemen waarin je kunt kiezen voor genetisch advies.

7, 8, 9

H13, P10

b Bekijk je scores van vraag a. Kies minstens één opgave waarmee je nog wil oefenen, nu of in voorbereiding op de toets. TIP Noteer alvast enkele begrippen uit deze paragraaf. Die heb je later nodig bij 4.8 Alles in samenhang.

59

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 59

25/03/2025 14:02


Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie

DNA-onderzoek 4.6

HERHALING EN PLUS Online kun je extra oefenen met Herhaling en Plus. Opdracht 11 en 15 staan ook in je boek.

11

Prenataal onderzoek In het schema staan drie vormen van prenataal onderzoek. Vul het schema in. Kies uit: 10 | 12 | 15 | bloedafname | via de vagina | via de buik (2×) | bloed van de moeder | placentaweefsel | vruchtwater prenataal onderzoek

vanaf zwangerschaps-week

Hoe gaat het onderzoek?

Welke materiaal wordt onderzocht?

NIPT

vlokkentest

vruchtwaterpunctie

15

Twijfelen Werk samen met een klasgenoot. Sommige familieleden van Marieke hebben een erfelijke vorm van darmkanker gehad: ‘Het zit in de familie’. Haar vader is zelfs aan darmkanker overleden. Marieke is zwanger en wil haar DNA laten onderzoeken. Voordat ze haar DNA afstaat voor onderzoek, twijfelt ze. Ze vraagt zich af of ze het allemaal wel wil weten. Welke gedachten geven een voordeel aan voor Marieke? En welke een nadeel? Geef een voordeel aan met een plusje en een nadeel met een minnetje. Twijfelen jullie? Geef dat dan aan met een stip. Dit zijn Mariekes gedachten over DNA-onderzoek: “In mijn DNA zitten ook genen die ik doorgeef aan mijn ongeboren kind. Als ik die laat onderzoeken, kan de uitslag ook gelden voor de baby. De baby kan niet beslissen om het wel of niet te weten.” “Misschien komen mijn verwante familieleden ook dingen te weten over hun DNA die twijfels of vragen oproepen.” “Ik kan erachter komen of ik zelf risico heb om darmkanker te krijgen.” “Ik kan erachter komen of mijn ongeboren kind risico loopt op darmkanker.” “Misschien kom ik iets te weten wat mij en mijn familie kan helpen.”

60

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 60

25/03/2025 14:02


Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie

Evolutie 4.7

4.7 Evolutie

SE

Aan het eind van deze paragraaf kun je:

• • • •

uitleggen wat evolutie betekent. benoemen dat fossielen laten zien dat organismen evolueren. uitleggen hoe nieuwe soorten ontstaan. benoemen dat levende organismen afstammen van eerder levende organismen.

Bij deze paragraaf hoort de volgende practicumopdracht:

•

Microsuccessie

Overleg met je docent of je dit practicum gaat uitvoeren.

STARTOPDRACHT 1

Evolutie in actie Evolutie gaat over het ontstaan van nieuwe soorten. Soorten organismen die nu leven, leefden miljoenen jaren geleden nog niet. Verzin met elkaar een verhaal over hoe vijf voorwerpen met elkaar verbonden zijn.

a Presenteer kort jullie verhaal aan de klas en leg uit waarom jullie denken dat de voorwerpen of afbeeldingen op deze manier met elkaar verbonden zijn. Dit heb je nodig:

• • •

een groot vel papier of een magnetisch whiteboard stiften of markers verschillende afbeeldingen of voorwerpen van dieren, planten, fossielen en oude voorwerpen (zoals een schelp, een bot, een blad, een steen, enz.)

•

lijm of magneten (om de voorwerpen op het bord te plakken)

Dit ga je doen: 1 Je werkt samen in een groep van vier. 2 Elke groep ontvangt vijf afbeeldingen of voorwerpen (bijvoorbeeld een fossiel, een plant, een plant uit het verleden, een schelp, een opgezet dier of een skelet van een dier uit het verleden).

61

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 61

25/03/2025 14:02


Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie

Evolutie 4.7

3 Leg binnen 10 minuten alle voorwerpen of afbeeldingen op volgorde van het oudst naar het meest recent. Verzin een verhaal over hoe de voorwerpen met elkaar verbonden zijn en hoe de organismen zijn geëvolueerd. Hierbij mag je je fantasie gebruiken, zolang het verhaal maar logisch klinkt. Na de presentaties bekijken jullie met elkaar welke delen van de verhalen misschien echt kunnen kloppen en hoe dit met evolutie te maken heeft. Beantwoord dan de volgende vragen.

b Wat zegt de volgorde van de voorwerpen over hoe het leven op aarde is veranderd?

c Waarom zouden sommige dieren of planten veranderd zijn, terwijl andere hetzelfde zijn gebleven?

THEORIE Evolutie

De aarde is ruim 4,5 miljard jaar geleden ontstaan. In het begin was er nog geen leven, maar dat veranderde. Uit eenvoudige levensvormen die lijken op bacteriën, ontstonden steeds ingewikkelder organismen. Deze gingen uit steeds meer cellen bestaan (figuur 1). Organismen waren eerst alleen in water te vinden. Later ontstonden er ook dieren die op het land leven. Ze ontwikkelden organen om te ademen, waar te nemen, zich voort te bewegen en zich voort te planten. In de honderden miljoenen jaren dat de aarde bestaat, leefden er veel soorten die ook weer zijn uitgestorven. Er ontstonden ook veel nieuwe soorten. Een soort ontstaat niet ineens, maar door een geleidelijke verandering over een lange tijd. Dit heet evolutie.

de eerste meercellige dieren in de zee

de eerste bacteriën

de eerste meercelligen

ontstaan van de aarde

4,6 MLD

de eerste grassen

539 MLN

3400 MLN

252 MLN

66 MLN

NU

tijd precambrium paleozoïcum mesozoïcum kenozoïcum MLD: miljard MLN: miljoen

de eerste landplanten

de eerste moderne zoogdieren

de eerste vissen de eerste ongewervelde dieren op het land de eerste gewervelde dieren op het land de eerste reptielen

de eerste aapachtigen

de eerste vogels

de eerste mensachtigen

de eerste dinosauriërs

1

Het ontstaan van organismen 62

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 62

25/03/2025 14:02


Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie

Evolutie 4.7

Fossielen

In figuur 2 zie je een fossiel van een zeedier dat 500 miljoen jaar geleden leefde en is uitgestorven. In figuur 3 zie je het skelet van een T-Rex, een dinosauriër die 70 tot 66 miljoen jaar geleden leefde. Een overgebleven skelet is ook een fossiel. Fossielen zijn versteende resten van organismen die vroeger hebben geleefd. Al het materiaal waaruit het organisme bestond, is in de loop van de tijd veranderd in steen (figuur 2). Onderzoekers gebruiken fossielen om erachter te komen hoe de organismen eruitzagen, hoe ze leefden en hoe hun leefomgeving eruitzag. Zo wordt het steeds duidelijker hoe het leven zich in de loop van de tijd heeft ontwikkeld.

2

Fossiel van een Trilobiet

3

Skelet van een dinosauriër

Nieuwe soorten

Op een Waddeneiland leven verschillende soorten krabben op het strand, zoals strandkrabben (figuur 4). Je spreekt over een soort als organismen zich onderling kunnen voortplanten en daarbij vruchtbare nakomelingen krijgen. De strandkrab komt niet alleen in het Waddengebied voor, maar ook langs de Noordzeekust. Deze soort leeft dus in verschillende gebieden. De krabben uit de verschillende leefgebieden ontmoeten elkaar niet. Het zijn verschillende populaties. Een populatie is een groep organismen van dezelfde soort in een bepaald gebied die zich met elkaar kunnen voortplanten.

4

Strandkrabben

63

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 63

25/03/2025 14:02


Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie

Evolutie 4.7

Niet alle organismen in een populatie zijn even goed aangepast aan hun omgeving. Organismen die niet zijn aangepast gaan dood. Organismen die wel zijn aangepast overleven. Wanneer ze zich voortplanten geven ze hun erfelijke eigenschappen door aan hun nakomelingen. Een populatie met een grote erfelijke variatie heeft een grotere kans om te overleven. Wanneer er iets verandert in de leefomgeving, bijvoorbeeld door klimaatverandering, dan zullen de organismen met een gunstige eigenschap vaker overleven en zich voortplanten. Door deze natuurlijke selectie komt de gunstige eigenschap steeds vaker voor in de populatie. Zo verandert geleidelijk de soort (figuur 5).

1. Een roofdier vangt en eet gemakkelijker de krabben met de dunne schaal. Het aantal krabben met een dunne schaal neemt hierdoor af.

2. De krabben met de dikke schaal hebben een grotere overlevingskans en kunnen zich voortplanten. De nakomelingen hebben ook een dikke schaal.

3. Na enige tijd hebben alle krabben een dikke schaal.

Legenda krab met dikke schaal krab met dunne schaal roofdier 5

Natuurlijke selectie bij krabben

Uiteindelijk leiden die veranderingen er toe dat soortgenoten van verschillende populaties zich niet meer met elkaar kunnen voortplanten. Op dat moment zijn er twee soorten ontstaan.

64

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 64

25/03/2025 14:02


Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie

Evolutie 4.7

Verwantschap tussen soorten

Mensen en chimpansees hebben veel gemeenschappelijke kenmerken (figuur 6). Maar het zijn verschillende soorten en ze stammen niet van elkaar af. De chimpansee en de mens zijn wel verwant aan elkaar. Dat betekent dat ze een gemeenschappelijke voorouder hebben. In een evolutionaire stamboom kun je de verwantschap tussen soorten goed zien. Hoe dichter twee soorten bij elkaar in een stamboom staan, hoe meer verwant ze zijn. De gemeenschappelijke voorouder vind je daar waar de lijnen kruisen (figuur 7).

6

Mens en chimpansee

mens

gemeenschappelijke voorouder

chimpansee bonobo gorilla orang-oetan

7

Evolutionaire stamboom van mensen en mensapen

WIST JE DAT? Op reis eet je alles De Britse wetenschapper Charles Darwin schreef een boek over de evolutietheorie. Darwin bestudeerde veel dieren, en hij at ze ook op! Samen met enkele vrienden vormde hij een bijzondere eetclub. Ze aten vlees van dieren die anderen niet eten, zoals haviksvlees en uilenvlees. Ook tijdens zijn reis met de Beagle smulde hij van stukjes gordeldier, schildpad en poema. De club bestond niet lang. Het eindigde na een het eten van een onsmakelijke oude en taaie bruine uil.

65

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 65

25/03/2025 14:02


Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie

Evolutie 4.7

OPDRACHTEN 2

Variatie in een populatie Erfelijke variatie en mutaties spelen een belangrijke rol bij evolutie. Maak de zinnen af. Kies uit: erfelijke variatie | evolutie | geslachtelijke voortplanting | mutaties | natuurlijke populatie | selectie. Genetische verschillen tussen organismen van eenzelfde soort noem je Erfelijke variatie ontstaat door Een

.

in het DNA van organismen.

met een grote erfelijke variatie heeft een grotere kans om te overleven.

Gunstige eigenschappen worden door

doorgegeven aan

nakomelingen. Organismen planten zich voort met soortgenoten die het beste zijn aangepast aan de omgeving. .

Dit noem je

Organismen passen zich aan aan hun omgeving. Dit geleidelijke proces noem je

3

.

Tijdperken De aarde is ongeveer 4540 miljoen jaar oud. De eerste bacteriën zijn 3400 miljoen jaar geleden geleidelijk ontstaan. Vele miljoenen jaren later ontstonden meercellige organismen, waaronder schimmels, planten en dieren. Op de tijdbalk (figuur 1) kun je zien wanneer welke organismen zijn ontstaan. De kleuren geven de verschillende tijdperken aan.

a Er zijn gewervelde en ongewervelde dieren. Maak de zinnen af. Kies uit: amfibieën | insecten | reptielen | vissen | vogels | weekdieren | wormen | zoogdieren Ongewervelde dieren zijn Gewervelde dieren zijn

,

en

,

,

. ,

en

.

b De verschillende dieren zijn geleidelijk ontstaan door de geschiedenis heen. Maak de zinnen af. Kies uit: kenozoïcum | mesozoïcum | paleozoïcum (3×) | precambium Ongewervelde dieren in zee ontstonden in het tijdperk

.

Ongewervelde dieren op land ontstonden in het tijdperk

.

Gewervelden in zee ontstonden in het tijdperk

.

Gewervelden op land ontstonden in het tijdperk

.

De eerste vogels ontstonden in het tijdperk

.

De eerste mensachtigen ontstonden in het tijdperk

.

66

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 66

25/03/2025 14:02


Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie

4

Evolutie 4.7

Evolutie in beeld a Maak een poster waarmee je de veranderingen van een vogelsoort naar een andere soort laat zien en uitlegt. Dit heb je nodig:

• • • •

A3-papier pen of potlood kleurpotloden laptop met internet

Dit ga je doen: 1 Teken hoe deze vogels over een lange tijd zijn veranderd door evolutie. Doe dit in drie tekeningen. Denk bijvoorbeeld aan watervogels die zich ontwikkelen tot loopvogels of aan vogels met verschillende snavels. 2 Beschrijf hoe deze groep vogels kan veranderen in een nieuwe soort. Schrijf dit bij de tekeningen op de poster. Beantwoord daarvoor eerst de volgende vragen.

b Op welke manier is de leefomgeving van de vogels veranderd?

c Welke eigenschap van de vogels zorgde ervoor dat ze konden overleven?

5

Fossielen in de stad Bekijk het filmpje Fossielen in de stad.

a Hoe zijn fossielen in de stenen terechtgekomen?

b Hoe zijn de fossielen ontstaan?

c Welke informatie geven de fossielen in de stenen?

67

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 67

25/03/2025 14:02


Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie

6

Evolutie 4.7

Scheiten Een geit heeft 60 chromosomen in een lichaamscel en een schaap 54. Wanneer ze samenleven, bijvoorbeeld op een kinderboerderij, dan kunnen ze paren. Ze brengen soms nakomelingen voort. Die heten dan gapen of scheiten. Gapen en scheiten zijn onvruchtbaar.

Behoren schapen en geiten tot dezelfde soort? Leg je antwoord uit.

7

Slakken In een tuin leeft een populatie slakken. Er zijn slakken met gele huisjes en slakken met bruine huisjes. De bodem is bedekt met bruin strooisel. De grootste bedreiging voor slakken zijn vogels die graag slakken eten. Na een paar jaar zijn er minder slakken met gele huisjes en meer slakken met bruine huisjes.

a Hoe komt het dat het aantal slakken met bruine huisjes in deze populatie toeneemt?

b Hoe heet dit proces?

8

Evolutie van dieren Tijdens de evolutie van organismen ontstaan er door

hagedis

mutaties aanpassingen aan de omgeving. Je ziet een evolutionaire stamboom. Aanpassingen zijn aangegeven met een rode stip en een letter.

A

krokodil C duif

B

muis chimpansee

68

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 68

25/03/2025 14:02


Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie

Evolutie 4.7

a De huid van deze dieren verschilt. Dit zijn aanpassingen aan de omgeving. Hebben deze dieren schubben, haren of veren? schubben

haren

veren

hagedis

●

●

●

krokodil

●

●

●

duif

●

●

●

muis

●

●

●

chimpansee

●

●

●

b Welke aanpassing ontstond volgens de stamboom het eerst?

● haren ● schubben ● veren c Welke aanpassing is wanneer ontstaan? Maak de juiste combinaties.

9

A

•

•

haren

B

•

•

veren

C

•

•

schubben

Olifantsvogel Je ziet een fossiel van de olifantsvogel. Deze loopvogels konden niet vliegen, maar hun voorouders wel. Waaraan kun je zien dat de olifantsvogel loopt en niet vliegt? Noem drie eigenschappen.

69

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 69

25/03/2025 14:02


Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie

10

Evolutie 4.7

Terugkijken Kijk terug op deze paragraaf.

a Hoe heb je de opdrachten per leerdoel gemaakt? Noteer 0, – –, –, + of + +. 0 betekent niets gemaakt, + + betekent alles goed. Je kunt ...

opdrachten

score

extra oefenen? (Herhaling en Plus)

1. uitleggen wat evolutie betekent.

2, 3, 4

H11, P11

2. benoemen dat fossielen laten zien dat organismen evolueren.

5, 8

H10, P12

3. uitleggen hoe nieuwe soorten ontstaan.

4, 6, 7, 9

H12, P12

4. benoemen dat levende organismen afstammen van eerder levende organismen.

8

H13, P10, P12

b Bekijk je scores van vraag a. Kies minstens één opgave waarmee je nog wil oefenen, nu of in voorbereiding op de toets. TIP Noteer alvast enkele begrippen uit deze paragraaf. Die heb je later nodig bij 4.8 Alles in samenhang.

HERHALING EN PLUS Online kun je extra oefenen met Herhaling en Plus. Opdracht 11 en 15 staan ook in je boek.

11

Op zoek naar fossielen Een onderzoeker is in een gebied op zoek naar fossielen. Voorzichtig graaft zij steeds dieper. Ze komt verschillende aardlagen tegen met overblijfselen. Aan het eind van het onderzoek heeft ze het volgende gevonden.

• • • •

de resten van stenen gereedschap een afdruk van een sporenplant een afdruk van een eenvoudige vis het bot van een dinosauriër

In welke lagen van boven naar onder heeft de onderzoeker deze overblijfselen gevonden?

70

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 70

25/03/2025 14:02


Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie

15

Evolutie 4.7

Paarden In de figuur zie je de evolutionaire stamboom van het paard dat we tegenwoordig kennen. De paardachtigen leefden op verschillende continenten: Zuid-Amerika, Noord-Amerika en Europa en Azië (samen Eurazië).

• •

De letters geven de verschillende paardachtigen aan. Wanneer de lijnen niet verder lopen, dan is de soort uitgestorven. ZuidAmerika

NoordAmerika

1

P

Hippidion

P

Eurazië

Q

10

Hipparion

Calippus Hypohippus

Q

30 Parahippus Anchitherium

R 40

R S

S 60 T

miljoenen jaren

T

Lees de uitspraken. Zijn deze juist of onjuist? juist

onjuist

Het paard van nu (P) is ontstaan in Eurazië.

●

●

Paardachtige R leefde 40 miljoen jaar geleden.

●

●

De gemeenschappelijke voorouder van alle paardachtigen leefde 60 miljoen jaar geleden in Noord-Amerika.

●

●

Er zijn drie paardachtigen in Eurazië uitgestorven.

●

●

71

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 71

25/03/2025 14:02


Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie

Alles in samenhang 4.8

4.8 Alles in samenhang TERUG NAAR HET GROTE PLAATJE 1

Erfelijkheid en evolutie Dit hoofdstuk hangt samen met twee andere hoofdstukken. Daarnaast bevat het vier hoofdpunten. In paragraaf 1 heb je dit al gezien in het 'grote plaatje'. Je vat nu samen wat je hierover hebt geleerd.

a Wat heb je geleerd over de samenhang tussen Erfelijkheid en evolutie en andere hoofdstukken? Noteer je antwoorden in de vakjes.

H1 Leven: soorten

H3 Seksualiteit en voortplanten: bevruchting

72

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 72

25/03/2025 14:02


Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie

Alles in samenhang 4.8

b Wat heb je over elk hoofdpunt geleerd? Noteer je antwoorden in de vakjes. Kijk terug naar paragraaf 2, 3, 4 en 5.

Je erfelijke eigenschappen komen van je vader en je moeder. Kijk terug naar paragraaf 2, 5 en 6.

DNA en omgeving bepalen eigenschappen van organismen. Kijk terug naar paragraaf 4 en 7.

Een stamboom laat verwantschap tussen organismen zien. Kijk terug naar paragraaf 7.

Evolutie gaat over veranderingen van soorten.

c Je hebt in paragraaf 1 antwoord gegeven op de grote vraag van dit hoofdstuk: Hoe worden eigenschappen doorgegeven? Wat is nu je antwoord op de grote vraag? Kijk nog even terug naar je antwoord in paragraaf 1. En kijk ook naar je antwoorden bij opdracht a en b.

VERDER OEFENEN Maak online de kennistoets en de proeftoets bij dit hoofdstuk.

73

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 73

25/03/2025 14:02


5 Leefomgeving en duurzaamheid

INHOUD Basis 5.1 Hoe blijft de aarde leefbaar? . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 76 5.2 Verspreiding van organismen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 80 5.3 Voedselketens

..................................................

89

5.4 Mens en milieu SE . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 99 5.5 Biotechnologie SE

............................................

106

5.6 Koolstofkringloop

............................................

114

Afsluiting 5.7 Alles in samenhang

..........................................

123

5.8 Examenopgaven . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 125

VAARDIGHEDEN - determineren - feiten en meningen - natuurwetenschappelijk onderzoek doen

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 74

25/03/2025 14:02


9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 75

25/03/2025 14:02


Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid

Hoe blijft de aarde leefbaar? 5.1

5.1 Hoe blijft de aarde leefbaar? In dit hoofdstuk leer je hoe de aarde leefbaar kan blijven. In het grote plaatje zie je welke hoofdstukvraag en hoofdpunten daarbij centraal staan en welke verbanden er zijn met andere onderwerpen.

Welke verbanden zijn er?

Wat leer je in dit hoofdstuk?

H5 H2 - Stevigheid en bewegen aanpassingen

Hoe blijft de aarde leefbaar?

Organismen hebben elkaar nodig

Elk organisme heeft zijn eigen plek

Je hebt zelf invloed op je leefomgeving

Duurzame keuzes beschermen de aarde

H6 - Planten en fotosynthese glucose

1

Het grote plaatje

76

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 76

25/03/2025 14:03


Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid

Hoe blijft de aarde leefbaar? 5.1

THEORIE Een leefbare omgeving

Organismen gebruiken hun leefomgeving om in te wonen, als schuilplaats en om voedsel te vinden (figuur 2). Ook vinden organismen soortgenoten in hun leefomgeving om zich voort te planten. Organismen hebben een voedselrelatie met elkaar. Planten zijn producenten en maken zelf de voedingsstoffen die ze nodig hebben. Dieren zijn consumenten en halen voedingsstoffen uit andere organismen. Schimmels en bacteriën zijn reducenten en ruimen de resten van dode organismen op. Hierbij ontstaan stoffen die andere planten weer kunnen opnemen. Organismen hebben invloed op hun leefomgeving, maar alleen mensen beïnvloeden hun leefomgeving zodanig dat er onherstelbare schade optreedt. Door betere keuzes te maken, kunnen mensen bijdragen aan het in stand houden van de leefomgeving.

2

De grote bonte specht gebruikt boomstammen om een hol te maken en om eetbare insecten te zoeken.

Welke verbanden zijn er? Bekijk het ‘grote plaatje’ in figuur 1.

• •

De bouw van organismen is aangepast aan de omgeving waarin ze leven (hoofdstuk 2). Planten maken glucose. Uit glucose maken ze andere koolhydraten, eiwitten en vetten. Dit zijn niet alleen belangrijke voedingsstoffen voor de planten, maar ook voor alle andere organismen (hoofdstuk 6).

Wat leer je in dit hoofdstuk? Bekijk het ‘grote plaatje’ in figuur 1.

•

Organismen hebben elkaar nodig. Elk organisme heeft soortgenoten nodig voor de voortplanting. Organismen van een andere soort kunnen dienen als voedsel. Struiken en bomen zijn de woonplek voor allerlei insecten, vogels en voor eekhoorns.

•

Elk organisme heeft zijn eigen plek. In een ecosysteem heeft elk organisme zijn eigen plek. Planten produceren zelf voedsel. Alle dieren leven van het voedsel dat planten maken. Ze eten de planten op, of ze eten planteneters op. Schimmels en bacteriën ruimen de overblijfselen van dode planten en dieren op.

•

Duurzame keuzes beschermen de aarde. Milieuvervuiling en klimaatverandering vormen wereldwijd een bedreiging voor de biodiversiteit. Milieuvervuiling en klimaatverandering tegengaan kan door zuinig om te gaan met grondstoffen en energie. Zo blijft de biodiversiteit in stand.

•

Je hebt zelf invloed op je leefomgeving. De wereld verbeteren begint bij jezelf. Je scooter vervangen door een fiets helpt al tegen klimaatverandering. En als je je hamburger vervangt door een vegaburger bespaar je grondstoffen. Zo help je zelf mee aan het verbeteren van je leefomgeving.

77

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 77

25/03/2025 14:03


Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid

Hoe blijft de aarde leefbaar? 5.1

OPDRACHTEN 1

Omgevingsfactoren Organismen hebben te maken met allerlei factoren in hun leefomgeving. Sommige factoren zijn levend of hebben geleefd, andere hebben nooit geleefd. Zet achter elke omgevingsfactor een kruisje in de juiste kolom. levend of heeft geleefd

2

heeft nooit geleefd

temperatuur

●

●

voedsel

●

●

water

●

●

roofdier

●

●

partner

●

●

wind

●

●

Voedselrelaties In de figuur zie je een plant en dieren die een voedselrelatie met elkaar hebben. vos spin vogel

konijn

muis insect

blad zaden

bessen

a Met welke organismen heeft de vogel een voedselrelatie?

■ insect ■ konijn ■ muis ■ spin ■ vos

78

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 78

25/03/2025 14:03


Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid

Hoe blijft de aarde leefbaar? 5.1

b Leg uit of de vogel zonder planten kan leven.

3

Milieuvervuiling Milieuvervuiling kan verschillende oorzaken hebben. Zet bij elke oorzaak de vervuiling die het veroorzaakt. Kies uit: bodemvervuiling | luchtvervuiling | watervervuiling

4

De open haard geeft veel roet af.

•

•

watervervuiling

Een benzinepomp heeft een grote tank die lekt.

•

•

luchtvervuiling

In de gracht ligt een oude fiets.

•

•

bodemvervuiling

Duurzaam leven Duurzaam leven betekent dat je rekening houdt met het klimaat, de omgeving en de natuur. Dit ga je doen: 1 Werk in een tweetal. 2 Kies samen een sector uit het dagelijks leven. Kies uit: mode, sport, school, vervoer, voeding en wonen. 3 Bedenk samen drie manieren om deze sector duurzamer te maken. Schrijf jullie oplossingen op. 4 Bespreek in een klassengesprek de duurzame oplossingen. Vul je eigen lijstje aan.

5

Hoe blijft de aarde leefbaar? De grote vraag van dit hoofdstuk is Hoe blijft de aarde leefbaar? Wat is jouw antwoord op deze vraag? Gebruik in je antwoord de informatie van deze paragraaf.

79

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 79

25/03/2025 14:03


Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid

Verspreiding van organismen 5.2

5.2 Verspreiding van organismen Aan het eind van deze paragraaf kun je:

• • • •

verschillende ecosystemen benoemen. uitleggen hoe leefomgevingen van elkaar kunnen verschillen. benoemen dat planten en dieren zijn aangepast aan hun omgeving. uitleggen dat er verschillen bestaan tussen individuen van een soort.

Bij deze paragraaf horen de volgende practicumopdrachten:

• •

Abiotische factoren Water als abiotische factor

Overleg met je docent of je deze practica gaat uitvoeren.

STARTOPDRACHT 1

Biotische en abiotische factoren In jouw omgeving kom je allerlei factoren tegen die jouw leven beïnvloeden. Soms op een prettige manier, soms op een onprettige manier. Je kunt al deze factoren indelen in biotische en abiotische factoren.

a Maak een tabel van biotische en abiotische factoren. Dit heb je nodig:

•

schrijfmateriaal

Dit ga je doen: 1 Werk in een tweetal. 2 Loop door de school en maak een tabel van biotische en abiotische factoren die je tegenkomt.

80

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 80

25/03/2025 14:03


Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid

Verspreiding van organismen 5.2

biotisch

abiotisch

b Bedenk een biotische en een abiotische factor die jij mist op school en die je graag zou willen toevoegen.

THEORIE Inzoomen op de aarde

De astronaut André Kuipers heeft in 2012 lange tijd doorgebracht in de ruimte. Vanuit het ruimtestation kon hij de aarde goed zien (figuur 1). Hij zag woestijnen, bossen en oceanen met eilanden. Vanuit de ruimte zag hij hoe dun de dampkring is die het leven op aarde mogelijk maakt. Ook de luchtvervuiling boven grote steden en het verdwijnen van bossen was goed zichtbaar.

1

De aarde gezien vanuit de ruimte

De bossen, woestijnen en oceanen die Andre Kuipers zag, zijn voorbeelden van ecosystemen. Een ecosysteem is een bepaald gebied met alle levende wezens en alle nietlevende factoren daarin (figuur 2). Ecosystemen kunnen heel groot zijn, maar ook heel klein. Overal om je heen zijn ecosystemen. Ze variëren van een tropisch woestijngebied tot een aquarium in de woonkamer. 81

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 81

25/03/2025 14:03


Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid

Verspreiding van organismen 5.2

Alle organismen in een ecosysteem vormen samen een levensgemeenschap. Een levensgemeenschap bestaat uit diverse populaties. Alle organismen van dezelfde soort in een ecosysteem noem je een populatie. Elk individu uit een populatie is een organisme. laag

poolijs

temperatuur

toendra

naaldbos (taiga)

woestijn

woestijn

hoog

struikvegetatie

grasland

(steppe en prairie)

naaldbos

tropisch loofbos

grasland (savanne)

tropisch regenwoud

neerslag

weinig 2

loofbos

veel

Temperatuur, neerslag en bodem bepalen welk ecosysteem je aantreft.

TIP Wil je meer weten over ecosystemen? Bekijk het filmpje Wat is een ecosysteem?

Biotische en abiotische factoren

In een vochtig weiland leven andere planten en dieren dan in een droog heideveld. Een kievit vindt in een weiland voldoende wormen, maar in een heidegebied kan dezelfde kievit geen wormen vinden. Bodemsamenstelling en vochtigheid bepalen waar veel wormen voorkomen. Waar de kievit kan leven, hangt af van verschillende factoren. Bodemsamenstelling en vochtigheid zijn voorbeelden van abiotische factoren. Abiotische factoren zijn alle factoren die nooit hebben geleefd, zoals temperatuur, licht en wind. De wormen in de bodem zijn een voorbeeld van een biotische factor. Biotische factoren zijn alle levende organismen en dode natuur. De dode natuur bestaat uit de overblijfselen van dode organismen, voedsel en ontlasting. Abiotische en biotische factoren samen bepalen hoe groot het verspreidingsgebied van een soort is en hoe groot een populatie kan worden.

82

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 82

25/03/2025 14:03


Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid

Verspreiding van organismen 5.2

Aanpassen aan de omgeving

Bij scholeksters is de lichaamsbouw aangepast aan het leven aan de kust. Dankzij hun lange poten kunnen ze door laag water lopen (figuur 3). Zwemvliezen zorgen ervoor dat ze niet wegzakken in de zachte bodem. En dankzij hun lange snavel kunnen ze schelpdieren en wormen uit de zachte bodem halen. Organismen kunnen niet zomaar in elke omgeving voorkomen, maar zijn aangepast aan de omgeving waarin ze leven. Een aanpassing is een verandering in de bouw of in het gedrag

3

Scholekster

4

Door watergebrek laat de boom zijn bladeren eerder vallen.

waardoor het organisme beter kan overleven. Aanpassingen in de lichaamsbouw ontstaan door evolutie. Veranderingen in de erfelijke eigenschappen kunnen tot gevolg hebben dat een organisme meer kans heeft om te overleven en zich voort te planten. Zo worden aanpassingen doorgegeven aan volgende generaties. Onder invloed van biotische en abiotische factoren kunnen er ook verschillen ontstaan tussen individuen van dezelfde soort. Een ruwe berk verliest zijn bladeren snel tijdens een droge periode (figuur 4). Tijdens een vochtige periode blijven de bladeren langer aan de boom zitten.

WIST JE DAT? Na-aperij Ben jij bang voor wespen? Dat is niet zo gek, want ze kunnen gemeen steken. Gelukkig herken je een wesp gemakkelijk door zijn opvallende kleuren. Door die kleuren weten andere dieren dat ze maar beter uit de buurt kunnen blijven. Zweefvliegen apen de wespen na. Ze zijn totaal ongevaarlijk en kunnen niet steken zoals wespen. Toch hebben ze dezelfde opvallende kleuren als wespen. Dat schrikt andere dieren af. Door deze aanpassing lopen zweefvliegen geen

Zweefvlieg

gevaar. Een ander dier na-apen zodat je zelf geen gevaar loopt, noem je mimicry.

83

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 83

25/03/2025 14:03


Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid

Verspreiding van organismen 5.2

OPDRACHTEN 2

Ecosysteem Zet de begrippen in de juiste volgorde van klein naar groot. Noteer de cijfers 1 tot en met 4 in de vakjes. Kies uit: ecosysteem | levensgemeenschap | organisme | populatie Begin met het woord 'organisme'. populatie levensgemeenschap ecosysteem

1 3

organisme

Tuinvijver In een tuinvijver leven verschillende planten en dieren. Een tuinvijver is een voorbeeld van een:

● populatie ● levensgemeenschap ● ecosysteem 4

De terugkeer van de wolf Sinds enkele jaren is de wolf weer terug in Nederland. De Veluwe is een belangrijk leefgebied voor deze dieren. Door de wolven verandert er veel in de leefomgeving. Je mag online informatie opzoeken.

a Zoek op welke invloed de komst van wolven heeft op de dieren in hun omgeving.

b Zoek op welke invloed de komst van wolven heeft op de plantengroei.

c Hoe denk jij over de terugkeer van de wolf? Is de terugkeer van de wolf goed voor het landschap of moet de wolf worden bestreden? Noteer je mening en geef daarbij jouw argumenten. Gebruik hierbij eventueel de vaardigheidskaart Feiten en meningen.

84

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 84

25/03/2025 14:03


Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid

Verspreiding van organismen 5.2

d Vind een klasgenoot die een andere mening heeft dan jij. Discussieer samen over de vraag of we wel of niet blij moeten zijn met de terugkeer van de wolf. Ben je van mening veranderd? Zo ja, door welk argument?

5

Bevers Bevers knagen complete bomen om. Ze gebruiken de bomen als voedsel en als bouwmateriaal om dammen en burchten te bouwen. Hierdoor ontstaan open plekken en moerassige gedeelten. Welke leefomgeving is het meest geschikt voor bevers?

● een duingebied ● een uitgestrekt heideveld ● een waterrijk bosgebied ● het Waddengebied 6

Verschillen tussen vossen In de figuur zie je drie soorten vossen: een vos uit een hete woestijn, een vos uit Nederland en een poolvos. Net als honden hebben vossen nauwelijks zweetklieren. De binnenkant van hun oren bevat veel bloedvaten. Via deze bloedvaten kan een vos warmte afgeven.

vos 1

vos 2

vos 3

Welke vos is het best aangepast aan het leven in het poolgebied?

● vos 1 ● vos 2 ● vos 3

85

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 85

25/03/2025 14:03


Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid

7

Verspreiding van organismen 5.2

Aangepaste planten

Aan welk ecosysteem is deze plant aangepast?

● tropisch regenwoud ● loofbos ● grasland ● woestijn 8

De kanoetstrandloper De kanoetstrandloper kun je tijdens het trekseizoen tegenkomen in het Waddengebied (foto links). In de zomer is de toendra het broedgebied. In het broedseizoen ziet deze vogel er heel anders uit (foto rechts). Het dier zal daardoor niet opvallen tussen de planten op de toendra.

Ontstaat het kleurverschil tussen deze vogels door een biotische of een abiotische factor?

86

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 86

25/03/2025 14:03


Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid

9

Verspreiding van organismen 5.2

Flamingo’s Flamingo’s komen met witte veren uit het ei. Ze krijgen roze veren door het eten van pekelgarnalen. In deze garnalen zit een kleurstof die de veren roze kleurt.

a Zijn de pekelgarnalen een biotische of een abiotische factor?

b Sommige flamingo’s hebben moeite met het filteren van pekelgarnalen uit de modder. Hoe verandert de kleur van flamingo’s die geen pekelgarnalen kunnen opnemen?

10

Terugkijken Kijk terug op deze paragraaf.

a Hoe heb je de opdrachten per leerdoel gemaakt? Noteer 0, – –, –, + of + +. 0 betekent: niets gemaakt. ++ betekent: alles goed. Je kunt ...

opdrachten

score

extra oefenen? (Herhaling en Plus)

1. verschillende ecosystemen benoemen.

2, 3

H11

2. uitleggen hoe leefomgevingen van elkaar kunnen verschillen.

4, 5

H12, P16

3. benoemen dat planten en dieren zijn aangepast aan hun omgeving.

6, 7

H13, P15, P17

4. uitleggen dat er verschillen bestaan tussen individuen van een soort.

8, 9

H14

b Bekijk je scores van vraag a. Kies minstens één opgave waarmee je nog wil oefenen, nu of in voorbereiding op de toets. TIP Noteer alvast bij vraag 1b in 5.7 Alles in samenhang wat je in deze paragraaf hebt geleerd.

87

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 87

25/03/2025 14:03


Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid

Verspreiding van organismen 5.2

HERHALING EN PLUS Online kun je extra oefenen met Herhaling en Plus. Opdracht 11 en 15 staan ook in je boek.

11

Ecosystemen in Nederland In Nederland zijn verschillende ecosystemen.

a Wat is een ecosysteem?

b Geef vier voorbeelden van ecosystemen die in Nederland voorkomen.

15

Boerenzwaluwen in verschillende kleuren Dit zijn drie boerenzwaluwen.

Leg uit welke zwaluw de kleinste kans heeft om in deze omgeving te overleven.

EXAMENOPGAVEN Bij deze paragraaf kun je oefenen met eindexamenopgaven. Overleg met je docent of je de eindexamenopgave Wormen gaat maken.

88

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 88

25/03/2025 14:03


Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid

Voedselketens 5.3

5.3 Voedselketens Aan het eind van deze paragraaf kun je:

• • •

een voedselketen met producenten en consumenten opstellen. uitleggen wat de rol is van schimmels en bacteriën in een ecosysteem. in een kringloop met producenten, consumenten en reducenten een voedselketen aanwijzen.

•

een piramide van aantallen en een piramide van biomassa aflezen.

Bij deze paragraaf horen de volgende practicumopdrachten:

• •

Organismen ontdekken en herkennen Voedselketens

Overleg met je docent of je deze practica gaat uitvoeren.

STARTOPDRACHT 1

Maak een voedselketen In een voedselketen eet het ene organisme het andere op.

a Maak samen een voedselketen van vier organismen. Dit heb je nodig:

•

een bol touw

Dit ga je doen: 1 Verdeel de klas in groepjes van vier leerlingen. 2 In elke groep krijgt één leerling de bol touw. Als je als eerste het touw krijgt, ben je het eerste organisme in de voedselketen. Bedenk welk organisme je bent en zeg welk organisme je voorstelt. 3 Rol het touw naar een volgende leerling, maar houdt het uiteinde vast. Zo verbind je de verschillende schakels uit de voedselketen met elkaar. 4 Als jij de volgende leerling bent die het touw krijgt, zeg je welk organisme jij voorstelt in deze voedselketen. 5 Herhaal dit totdat iedereen uit de groep een organisme uit de voedselketen voorstelt.

89

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 89

25/03/2025 14:03


Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid

Voedselketens 5.3

b Welke voedselketen hebben jullie bedacht?

c Stel je voor dat de plant uit de voedselketen verdwijnt. Welk gevolg heeft dat voor de planteneter?

d Wat gebeurt er met de vleeseters als de planten verdwijnen?

THEORIE Voedselketen

Trek in iets lekkers? Geen probleem. Met een handige app op je telefoon kun je een heerlijke maaltijd thuis laten bezorgen. In de natuur moeten planten en dieren zelf voor hun voedsel zorgen. Planten maken glucose bij de fotosynthese. Van glucose maken planten weer allerlei koolhydraten, eiwitten en vetten. Omdat planten zelf voedingsstoffen maken, noem je ze producenten. Planteneters eten de planten op en zijn daarna weer voedsel voor vleeseters. Alleseters eten planten en dieren. Planteneters, vleeseters en alleseters noem je consumenten. Een voedselketen laat zien hoe voedingsstoffen worden doorgegeven van de ene naar de andere soort. Voedselketens beginnen altijd met planten. De pijlen laten zien wie door wie wordt opgegeten (tekening 1).

eikenblad 1

rups

boomkruiper

havik

Een voorbeeld van een voedselketen

90

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 90

25/03/2025 14:03


Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid

Voedselketens 5.3

Voedselweb

vos

Een voedselweb is ingewikkelder dan een voedselketen. Een voedselweb

kleine vogel

laat alle voedselketens in een ecosysteem zien (figuur 2). Een dier kan verschillende andere

konijn

dieren eten, maar kan zelf ook door

muis

sprinkhaan

verschillende dieren worden gegeten. Zo’n dier komt dan in meerdere voedselketens voor. Daardoor zijn verschillende voedselketens met wortel

elkaar verbonden. Een voedselketen in een voedselweb vind je door de pijlen te volgen.

2

gras

graan

Een voedselweb

Schimmels en bacteriën

Niet alle planten en dieren in een ecosysteem worden tijdens hun leven opgegeten. Dode planten en afgevallen takken en bladeren blijven op de grond achter. Dat geldt ook voor dode dieren en ontlasting van dieren. Hierin zitten nog veel voedingsstoffen voor allerlei afvaleters, zoals insecten, regenwormen en pissebedden. Uiteindelijk blijven er resten over die het voedsel zijn voor bacteriën en schimmels. Schimmels en bacteriën noem je reducenten. Zij breken die resten af tot stoffen (mineralen) die planten weer kunnen opnemen (figuur 3). Met deze mineralen maken planten weer nieuwe stoffen, zoals eiwitten. Zo is de kringloop rond. Reducenten zijn heel belangrijk in een ecosysteem. Zonder reducenten zouden alle dode organismen voor altijd in de natuur achterblijven.

producenten (planten)

dode resten voedingsstoffen (mineralen)

3

voedingsstoffen

consumenten (planteneters)

dode resten

voedingsstoffen

consumenten (vleeseters)

dode resten

reducenten (schimmels en bacteriën)

Reducenten breken dode resten af tot mineralen.

TIP Als je meer wilt weten over de voedselkringloop, scan dan de QR-code en bekijk het filmpje. 91

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 91

25/03/2025 14:03


Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid

Voedselketens 5.3

WIST JE DAT? Kadavers kijken In het Kuinderbos in Flevoland kun je van dichtbij zien wat afvaleters doen met dode dieren. Staatsbosbeheer heeft in het bos een plek vrijgemaakt waar de boswachter aangereden dieren neerlegt. Allerlei dieren zorgen ervoor dat het lichaam van een dode ree na enkele weken is verteerd. Een dood dier betekent voedsel voor meer dan 1000 soorten insecten, spinnen, duizendpoten, pissebedden en wormen. Bij de insecten gaat het om zo’n

Dode dieren zorgen voor voedsel in de natuur.

750 soorten kevers, 150 soorten vliegen en allerlei vlinders, sprinkhanen, mieren en wespen. TIP Als je meer wilt weten over afvaleters, scan dan de QR-code en bekijk het filmpje over het Kuinderbos.

Voedselpiramides

Voedselrelaties kun je ook weergeven in de vorm van een voedselpiramide. Er zijn twee soorten voedselpiramides:

• •

een voedselpiramide van aantallen (figuur 4); een voedselpiramide van biomassa (figuur 5).

In een piramide van aantallen zie je hoeveel individuen er in elke schakel van een voedselketen voorkomen.

consumenten (1)

buizerd (1,2 kg)

consumenten (100)

konijnen (150 kg)

producenten (100 000) 4

Piramide van aantallen

gras (250 kg) 5

Piramide van biomassa

Een grasveld bestaat uit een groot aantal grasplanten. De grasplanten vormen de onderste laag van de voedselpiramide. Konijnen eten het gras op, maar het aantal konijnen is kleiner dan het aantal grasplanten. Daarom is de laag van de konijnen in de figuur smaller dan de laag van de planten. De buizerd eet konijnen. Het aantal buizerds is weer kleiner dan het aantal konijnen. Bij een piramide van aantallen is de onderste laag niet altijd het breedst. De voedselketen kan bijvoorbeeld ook bestaan uit één boom waar heel veel rupsen in leven. De laag van de producenten is dan veel smaller dan de laag van de planteneters.

92

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 92

25/03/2025 14:03


Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid

Voedselketens 5.3

Als je alle organismen in de schakel van de voedselketen samenneemt dan krijg je de biomassa. In een voedselpiramide van biomassa zie je hoeveel de organismen in één schakel van de voedselketen wegen. Het gewicht van alle grasplanten samen is groot. De konijnen eten niet alle planten op. Bovendien kunnen ze niet al het gras verteren. Daardoor wegen de konijnen in totaal minder dan het gras. Op deze manier neemt de biomassa in elke volgende schakel af.

OPDRACHTEN 2

Voedselketen In de afbeeldingen zie je vier soorten organismen die in een bos kunnen voorkomen. Deze soorten vormen samen een voedselketen.

boom

boommarter

kever

zwarte specht

a Noteer de juiste volgorde van de voedselketen. →

→

→

b Waarom kan een vleeseter niet overleven zonder planten?

3

Een mens in de voedselketen Maak een voedselketen van vier schakels waar de mens in voorkomt.

93

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 93

25/03/2025 14:03


Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid

4

Voedselketens 5.3

Beschimmelde aardbeien Aardbeien kun je het beste in de koelkast bewaren. Buiten de koelkast zijn de aardbeien al snel bedekt met schimmeldraden.

De schimmels op de aardbeien zijn:

● afvaleters ● consumenten ● producenten ● reducenten 5

Voedselbederf Het bederven van voedsel komt overeen met een proces uit de natuur. Welk proces wordt hier bedoeld?

● het maken van voedingsstoffen ● het eten van plantaardig voedsel ● het eten van dierlijk voedsel ● het afbreken van de dode resten 6

Een voedselweb havik b bonte specht koolmees

eekhoorn

muis

c

a

eik Welke letter uit de tekening geeft de reducenten aan? letter

94

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 94

25/03/2025 14:03


Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid

7

Voedselketens 5.3

De ooievaar Ooievaars komen de laatste jaren steeds meer voor in Nederland.

a Zoek online op wat een ooievaar allemaal eet. Noem tenminste vier dieren.

b Zoek online op wat deze prooidieren eten. Zet de prooidieren en hun voedsel in de tabel. prooidier

voedsel van het prooidier

c Teken een voedselweb waar de ooievaar in voorkomt.

95

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 95

25/03/2025 14:03


Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid

8

Voedselketens 5.3

Een voedselpiramide In de tekening zie je naast de voedselketen een voedselpiramide.

Is dit een piramide van aantallen of een piramide van biomassa? Leg dit uit.

9

Wel of geen vlees eten? In Nederland eten we per persoon gemiddeld 40 kilogram vlees. Dit vlees is afkomstig van koeien, varkens en kippen. Deze dieren krijgen voer dat bestaat uit allerlei plantaardig materiaal. Voor 1 kilogram vlees is ongeveer 5 kilogram voer nodig.

a Plaats in de piramide in het juiste niveau: de biomassa van planten, de biomassa van vee en de biomassa van mensen.

b Sommige mensen eten uitsluitend plantaardige producten. Er is dan geen vee nodig. Teken een piramide van biomassa. Plaats de biomassa van plantaardige producten en de biomassa van de mens in het juiste niveau.

96

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 96

25/03/2025 14:03


Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid

Voedselketens 5.3

c Hoe kunnen er meer mensen worden gevoed: door veganistisch te eten of door vlees te gebruiken?

d Vind jij dat meer mensen veganistisch moeten gaan eten? Leg je antwoord uit. Gebruik hierbij eventueel de vaardigheidskaart Feiten en meningen.

10

Terugkijken Kijk terug op deze paragraaf.

a Hoe heb je de opdrachten per leerdoel gemaakt? Noteer – –, –, + of + +. 0 betekent: niets gemaakt. + + betekent: alles goed. Je kunt ...

opdrachten

score

extra oefenen? (Herhaling en Plus)

1. een voedselketen met producenten en consumenten opstellen.

2, 3

H11, P15

2. uitleggen wat de rol is van schimmels en bacteriën in een ecosysteem.

4, 5

H12, P17

3. in een kringloop met producenten, consumenten en reducenten een voedselketen aanwijzen.

6, 7

H13

4. een piramide van biomassa en een piramide van aantallen aflezen.

8, 9

H14, P16

b Bekijk je scores van vraag a. Kies minstens één opgave waarmee je nog wil oefenen, nu of in voorbereiding op de toets. TIP Noteer alvast enkele belangrijke begrippen uit deze paragraaf. Die heb je later nodig bij 5.7 Alles in samenhang.

97

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 97

25/03/2025 14:03


Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid

Voedselketens 5.3

HERHALING EN PLUS Online kun je extra oefenen met Herhaling en Plus. Opdracht 11 en 15 staan ook in je boek.

11

Voedselrelaties Jonge planten worden gegeten door veldmuizen en sprinkhanen. Sprinkhanen worden gegeten door kikkers. Geef met drie pijlen de beschreven voedselrelaties tussen deze organismen weer.

15

Teken Een teek is een spinnetje dat leeft van bloed uit het lichaam van mensen en dieren. Maak een voedselketen van een teek die bloed uit het lichaam van een kat opneemt.

Een teek

EXAMENOPGAVEN Bij deze paragraaf kun je oefenen met eindexamenopgaven. Overleg met je docent of je de eindexamenopgave De eikenbladroller gaat maken.

98

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 98

25/03/2025 14:03


Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid

Mens en milieu 5.4

5.4 Mens en milieu

SE

Aan het eind van deze paragraaf kun je:

• • • •

beschrijven hoe mensen ecosystemen beïnvloeden. uitleggen wat het broeikaseffect is. uitleggen welke gevolgen het versterkte broeikaseffect heeft. met voorbeelden aangeven hoe je duurzaam omgaat met het milieu.

Bij deze paragraaf horen de volgende practicumopdrachten:

• • •

Broeikaseffect Verontreiniging en groei van planten Zelfreinigend vermogen van water

Overleg met je docent of je deze practica gaat uitvoeren.

STARTOPDRACHT 1

Mindmap over het broeikaseffect Maak een mindmap over het ontstaan en de gevolgen van het broeikaseffect. Dit heb je nodig:

• • •

papier schrijfmateriaal stiften in verschillende kleuren

Dit ga je doen: 1 Schrijf in het midden van het papier het woord ‘broeikaseffect’ en omcirkel het. 2 Kies een stift en teken een lijn van het middelste woord naar buiten. Schrijf aan het eind van de lijn een deelonderwerp, bijvoorbeeld ‘ontstaan broeikaseffect’. 3 Teken met andere kleuren andere takken met andere deelonderwerpen. 4 Aan de grote takken die je nu getekend hebt, kun je kleinere takken toevoegen. Zo splits je de deelonderwerpen weer verder op. TIP Je kunt een mindmap ook maken op de computer.

99

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 99

25/03/2025 14:03


Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid

Mens en milieu 5.4

THEORIE Leefomgeving in gevaar

Onze leefomgeving noem je ook wel het milieu. Door onze manier van leven tasten we het milieu steeds verder aan.

•

Fossiele brandstoffen, zoals kolen, gas en olie, komen uit de natuur. Met deze brandstoffen worden energie en allerlei grondstoffen gemaakt. Langzamerhand raken deze fossiele brandstoffen op.

• • •

Steeds meer natuur maakt plaats voor huizen, wegen, industrie en landbouw. Allerlei afvalstoffen vervuilen de lucht, de bodem en het water. Door het gebruik van bestrijdingsmiddelen in de landbouw (figuur 1) komen veel schadelijke stoffen in de voedselketens terecht.

1

Bestrijdingsmiddelen beschermen gewassen.

Het broeikaseffect

Het glas van een broeikas laat zonlicht door, maar houdt de meeste warmte binnen. Daardoor is het in een broeikas altijd lekker warm. Bovendien schommelt de temperatuur in een broeikas veel minder dan daarbuiten. De aarde lijkt wel wat op een broeikas. Een dikke laag lucht zit als een deken om de aarde. De warmte van de zon weerkaatst tegen het aardoppervlak, en vervolgens houdt de lucht om de aarde die warmte vast (figuur 2). Dit noem je het broeikaseffect. Zonder het broeikaseffect zou de gemiddelde temperatuur op aarde −18 oC zijn. Zonder broeikaseffect zou het leven op aarde zoals we dat nu kennen niet voorkomen. Zonlicht wordt gedeeltelijk teruggekaatst door wolken, water en ijs.

Een deel van het zonlicht wordt opgenomen in de atmosfeer.

Het zonlicht wordt gedeeltelijk opgenomen door het aardoppervlak.

2

De warmte die de aarde afgeeft, wordt voor een deel teruggekaatst door de atmosfeer, waardoor de temperatuur stijgt.

De dampkring houdt de warmte van de zon vast. 100

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 100

25/03/2025 14:03


Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid

Mens en milieu 5.4

Gevolgen van het versterkte broeikaseffect

De luchtlaag om de aarde bestaat uit verschillende gassen. Een van die gassen is koolstofdioxide. Koolstofdioxide is een belangrijk broeikasgas. Dit betekent dat het de warmte van de zon vasthoudt. Door verkeer en industrie komt er steeds meer koolstofdioxide in de lucht. Hierdoor houdt de lucht steeds meer warmte vast en wordt het op aarde steeds warmer. Dit noem je het versterkte broeikaseffect. Overal op aarde treedt klimaatverandering op door het versterkte broeikaseffect. Verandering van het klimaat kan verschillende gevolgen hebben.

• • • •

De zeespiegel stijgt. Overstromingen komen vaker voor. Tijdens langdurige droogte ontstaat er tekort aan water. De leefomgeving verandert en is voor sommige planten- en diersoorten niet meer geschikt.

Het versterkte broeikaseffect heeft in Nederland tot gevolg dat:

• • •

de gemiddelde temperatuur stijgt. extreme regenbuien steeds vaker voorkomen (figuur 3). plaagdieren uit andere landen naar Nederland komen, bijvoorbeeld de eikenprocessierups.

3

Extreme regenbuien kunnen grote gevolgen hebben.

TIP Wil je meer weten? Scan de QR-code en bekijk dan het filmpje over het broeikaseffect.

WIST JE DAT? Groene daken De meeste platte daken zijn bedekt met bitumen. Niks mis mee, maar het kan milieuvriendelijker. Je kunt een dak ook bedekken met planten. Natuurlijk kun je geen grote struiken of bomen op het dak zetten. Een groen dak bestaat meestal uit mos, gras, sedum en andere planten. Tussen de planten leven allerlei insecten, een goede voedselbron voor vogels.

Met een groen dak help je de natuur.

Groene daken helpen ook tegen wateroverlast. De wortels van de planten houden het water vast en geven het later langzaam weer af.

101

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 101

25/03/2025 14:03


Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid

Mens en milieu 5.4

Duurzame keuzes maken

De land- en tuinbouw gebruikt giftige stoffen om gewassen te beschermen tegen ongewenste planten, insecten en schimmels. Sommige van deze stoffen zijn slecht afbreekbaar. Dit betekent dat ze heel lang giftig blijven. Via de voedselketen kan zo’n stof in het lichaam van mensen en dieren komen. Daar hopen deze stoffen zich op als het lichaam ze niet kan afbreken of uitscheiden (figuur 5). Hoe hoger een dier in de voedselketen zit, des te meer giftige stoffen zich in het dier ophopen per kilogram lichaamsgewicht. Door die stoffen kunnen deze dieren ernstig ziek worden. hoeveelheid bestrijdingsmiddel hoeveelheid biomassa

5

Giftige stoffen hopen zich op in de voedselketen.

Een duurzame manier om gewassen te beschermen, is gebruikmaken van biologische bestrijding. Hierbij zet je de natuurlijke vijanden van schadelijke dieren uit op gewassen. Zo kun je in kassen bladluizen bestrijden door lieveheersbeestjes uit te zetten (figuur 6). Een ander voorbeeld is het uitzetten van aaltjes (figuur 7). Dit zijn kleine wormpjes die in de grond leven en daar larven van insecten opeten.

6

Biologische bestrijding van bladluizen met behulp van lieveheersbeestjes

7

Microscopisch kleine aaltjes worden gebruikt bij biologische bestrijding.

OPDRACHTEN 2

Energiebronnen Welke energiebronnen kun je het beste gebruiken als je de leefomgeving wilt beschermen?

■ aardgas ■ aardolie ■ steenkool ■ wind ■ zon 102

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 102

25/03/2025 14:03


Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid

3

Mens en milieu 5.4

Elektrisch of op benzine? Vanaf 2035 mogen er geen personenauto’s meer verkocht worden die op benzine rijden. Voorlopig rijden er nog veel auto’s op benzine.

a Leg uit dat het gebruik van benzine eraan bijdraagt dat de fossiele brandstoffen opraken.

b Leg uit dat het gebruik van benzine ook bijdraagt aan de vervuiling van de aarde.

4

Broeikaseffect In de volgende zinnen staat hoe het broeikaseffect ontstaat. Zet de zinnen in de juiste volgorde. Noteer de cijfers 1 t/m 5 in de vakjes. De luchtlaag om de aarde houdt de warmte vast. De warmte van de zon bereikt de aarde. De aarde weerkaatst de warmte. De gemiddelde temperatuur op aarde stijgt. De zon geeft warmte af.

5

Het broeikaseffect op Mars Op de planeet Mars is de dampkring veel dunner dan de dampkring op aarde. Kies het juiste woord. Het broeikaseffect op Mars is daardoor gelijk aan | sterker dan | zwakker dan het broeikaseffect op aarde. De temperaturen tussen dag en nacht verschillen daardoor evenveel | meer | minder dan op aarde.

6

Parende kikkers Kikkers houden een winterslaap. Na de winterslaap paren ze. Wereldwijd begint het paarseizoen van kikkers elke tien jaar gemiddeld acht dagen eerder. Leg uit dat het versterkte broeikaseffect hieraan bijdraagt.

103

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 103

25/03/2025 14:03


Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid

7

Mens en milieu 5.4

Broeikaseffect op school Een cartoon is een grappige tekening waarin commentaar wordt gegeven op een bepaalde situatie. De tekening beeldt de persoon of de situatie waarover het gaat altijd overdreven uit. Net als in een stripverhaal kun je in een cartoon ook tekst gebruiken. In de afbeelding zie je een voorbeeld van een cartoon.

Maak een cartoon met de titel ‘Broeikaseffect op school’. Laat met de cartoon zien wat jouw school kan doen om het versterkte broeikaseffect tegen te gaan.

8

Spintmijten Tuinders die komkommers kweken hebben last van spintmijten. Spintmijten kun je bestrijden door roofmijten uit te zetten. Hoe noem je deze manier van bestrijding?

9

Onbespoten groente Landbouwers beschermen groenten met bestrijdingsmiddelen tegen schadelijke schimmels en insecten. De meeste winkels verkopen vooral groenten die zijn bespoten. Door deze groenten te eten kunnen de bestrijdingsmiddelen in je lichaam komen. Sommige winkels verkopen vooral onbespoten groenten. Welk voordeel voor de gezondheid kan het eten van onbespoten groente hebben?

104

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 104

25/03/2025 14:03


Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid

10

Mens en milieu 5.4

Terugkijken Kijk terug op deze paragraaf.

a Hoe heb je de opdrachten per leerdoel gemaakt? Noteer – –, –, + of + +. 0 betekent: niets gemaakt. ++ betekent: alles goed. Je kunt ...

opdrachten

score

extra oefenen? (Herhaling en Plus)

1. beschrijven hoe mensen ecosystemen beïnvloeden.

2, 3

H11, P16

2. uitleggen wat het broeikaseffect is.

4, 5

H12

3. uitleggen welke gevolgen het versterkte broeikaseffect heeft.

6, 7

H13, P15

4. met voorbeelden aangeven hoe je duurzaam omgaat met het milieu.

8, 9

H14, P17

b Bekijk je scores van vraag a. Kies minstens één opgave waarmee je nog wil oefenen, nu of in voorbereiding op de toets. TIP Noteer alvast enkele belangrijke begrippen uit deze paragraaf. Die heb je later nodig bij 5.7 Alles in samenhang.

HERHALING EN PLUS Online kun je extra oefenen met Herhaling en Plus. Opdracht 11 en 15 staan ook in je boek.

11

Fossiele brandstoffen Welke energiebronnen zijn fossiele brandstoffen?

■ aardgas ■ aardolie ■ steenkool ■ wind ■ zon 15

PFAS PFAS is een verzameling stoffen die in allerlei producten worden gebruikt. Bij de productie komen deze stoffen ook in het milieu terecht en inmiddels zijn ze ook aangetroffen in het lichaam van mensen. PFAS kan schadelijk zijn voor de gezondheid. In gebieden waar veel PFAS is gevonden, hebben inwoners het advies gekregen om geen groente uit de moestuin te eten. Leg uit waarom dit advies is gegeven.

105

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 105

25/03/2025 14:03


Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid

Biotechnologie 5.5

5.5 Biotechnologie

SE

Aan het eind van deze paragraaf kun je:

• • • •

voorbeelden noemen waarvoor je biotechnologie kan inzetten. uitleggen dat bacteriën en schimmels een rol spelen in biotechnologie. uitleggen hoe je DNA kunt aanpassen. argumenten van voor- en tegenstanders van biotechnologie noemen.

Bij deze paragraaf hoort de volgende practicumopdracht:

•

Werken met gist

Overleg met je docent of je dit practicum gaat uitvoeren.

STARTOPDRACHT 1

Bacteriën en schimmels op het menu Een succesvol restaurant onderscheidt zich van andere door de keuze van de gerechten. Zo zijn er vegetarische restaurants, visrestaurants en restaurants die zich specialiseren in buitenlandse gerechten. Doe deze opdracht in een groepje van vier. Jullie gaan een menu samenstellen voor een nieuw bijzonder restaurant: een restaurant dat alleen gerechten serveert die gemaakt zijn met behulp van bacteriën en schimmels. Dit heb je nodig:

• • • •

papier schrijfmateriaal tekenmateriaal internet

Dit ga je doen: 1 Werk in groepjes van vier. 2 Omdat een menukaart uit verschillende delen bestaat, verdeel je de taken. Ieder lid van de groep houdt zich bezig met één onderdeel van het menu. De verschillende delen van het menu zijn:

• •

• •

voorgerechten; hoofdgerechten;

toetjes; dranken.

106

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 106

25/03/2025 14:03


Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid

Biotechnologie 5.5

3 Ieder lid van de groep gaat op zoek naar drie gerechten of dranken die alleen gemaakt kunnen worden met behulp van bacteriën of schimmels. 4 Bedenk voor elk gerecht een mooie naam. Zet erbij welke ingrediënten het bevat. 5 Maak een menukaart. Zet de naam van je restaurant bovenaan. Zet de gerechten eronder.

THEORIE Biotechnologie

Bij biotechnologie passen mensen de eigenschappen van dieren of planten aan. Je hebt oude en moderne biotechnologie. De oude biotechnologie wordt al eeuwen gebruikt. Hierbij selecteren mensen planten, vee en huisdieren met gewenste eigenschappen (figuur 1 en 2). Alleen die planten en dieren mogen zich voortplanten. Na vele generaties komen er dan steeds meer planten en dieren die de gewenste eigenschappen hebben. Zo ontstaan er nieuwe rassen met betere eigenschappen. Bij deze vorm van biotechnologie duurt het lang voordat je een goed resultaat hebt. Toch wordt deze vorm van biotechnologie nog steeds gebruikt.

1

Nieuwe rassen kweken uit wilde kool

2

Uit de wolf zijn heel veel verschillende hondenrassen voortgekomen.

107

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 107

25/03/2025 14:03


Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid

Biotechnologie 5.5

Bij de moderne biotechnologie worden verschillende technieken gebruikt om het DNA van organismen te veranderen. Hierdoor kun je de eigenschappen van organismen veel sneller aanpassen dan bij de oude biotechnologie. Bij de moderne biotechnologie worden vaak bacteriën en schimmels gebruikt. Het DNA van bacteriën en schimmels is makkelijker te veranderen dan het DNA van andere organismen. Bovendien planten zij zich heel snel voort en is het aantal nakomelingen bijzonder groot. Zo kun je snel heel veel bacteriën en schimmels krijgen met aangepaste eigenschappen. Het veranderen van DNA noem je genetische modificatie.

Bacteriën en schimmels in de biotechnologie

In veel light frisdranken is suiker vervangen door de zoetstof aspartaam. Om aspartaam te maken, is een bepaald eiwit nodig. Dat eiwit wordt gemaakt door de bacterie Bacillus proteolicus. Deze bacteriën zijn genetisch gemodificeerd, zodat ze meer van dit eiwit maken. Daardoor kan er voldoende aspartaam worden gemaakt. Bacteriën en schimmels worden al heel lang gebruikt om voedsel te maken. Met gist kun je brood, bier en wijn maken. Melkzuurbacteriën zijn nodig om yoghurt, kaas en zuurkool te maken. Door middel van genetische modificatie kun je:

• • •

de opbrengst van planten en dieren vergroten; bruikbare stoffen maken met verbeterde eigenschappen; organismen beschermen tegen schadelijke schimmels of insecten.

WIST JE DAT? Bacteriën eten plastic Bacteriën zijn de opruimers in de natuur. Ze breken dode organismen af tot voedingsstoffen die planten weer kunnen opnemen. Maar er zijn bacteriën die nog veel meer opruimen. Zij eten en verteren plastic. Plastic zwerfafval is een groot probleem. Per jaar gooien Nederlanders per persoon meer dan 8 kilogram plastic verpakkingen weg. Helaas kan dat lang niet allemaal worden afgebroken door bacteriën. Daarvoor gaat de afbraak door bacteriën te langzaam. Voorkomen

Zo help je de bacteriën een handje met opruimen.

is beter dan opruimen. En daar kan iedereen een handje bij helpen.

108

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 108

25/03/2025 14:03


Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid

Biotechnologie 5.5

DNA veranderen

In sommige landbouwgewassen is het DNA aangepast om het gewas andere eigenschappen te geven (figuur 3). Zo zijn er nu aardappelen die bestand zijn tegen aardappelziekte, tomaten die je langer kunt bewaren en mais dat beter bestand is tegen rupsen.

3

Op een etiket kun je lezen of een product genetisch gemodificeerde ingrediënten bevat.

Bij genetische modificatie wordt het DNA van organismen aangepast om de eigenschappen van organismen te veranderen. Soms gebeurt dat door een gen van de ene soort in te bouwen in het DNA van een andere soort. Het gemodificeerde organisme noem je dan transgeen. Een voorbeeld van een transgene plant is de zogenaamde gouden rijst (figuur 4). Aan deze rijstplanten is een stukje DNA toegevoegd, waardoor de rijstkorrels vitamine A bevatten. Vitamine A is een belangrijke voedingsstof.

4

Gouden rijst en witte rijst

Een andere methode van genetische modificatie is klonen. Hierbij plaats je de celkern uit een lichaamscel in een onbevruchte eicel. Uit die onbevruchte eicel ontwikkelt zich een nakomeling die precies dezelfde eigenschappen heeft als het individu dat de celkern heeft afgestaan. Het eerste dier dat gekloond werd was een schaap. TIP Wil je meer weten? Scan de QR-code en bekijk dan het filmpje over genetische modificatie.

Voorstanders en tegenstanders

Over het toepassen van genetische modificatie denkt niet iedereen hetzelfde. Voorstanders zijn blij met het verbeteren van de voedselproductie en de toepassingen waarbij zieke mensen beter kunnen worden geholpen. Tegenstanders vinden dat er nog te weinig onderzoek is gedaan naar de gevolgen voor de natuur. Voor het toepassen van genetische modificatie zijn allerlei regels. Die regels kunnen per land verschillen. In de meeste landen is het bijvoorbeeld verboden om een huisdier te klonen, maar in China is het toegestaan.

109

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 109

25/03/2025 14:03


Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid

Biotechnologie 5.5

OPDRACHTEN 2

Nuttige schimmels en bacteriën Bij het maken van veel voedingsproducten worden bacteriën en schimmels gebruikt. Geef vier voorbeelden van dit soort voedingsproducten.

3

Bacteriën Bacteriën planten zich niet voort door middel van eicellen en zaadcellen. Bij bacteriën vindt de voortplanting plaats door celdeling. Leg uit dat bacteriën daardoor heel geschikt zijn voor genetische modificatie.

4

Insuline Veel mensen met diabetes hebben insuline nodig. Vroeger werd insuline gehaald uit de alvleesklier van dode koeien en varkens. Door genetische modificatie is het mogelijk het DNA van een bepaalde soort bacteriën aan te passen. Die bacteriën maken nu de insuline die mensen met diabetes nodig hebben. Waardoor kunnen bacteriën sneller insuline geven dan koeien en varkens?

5

Orchideeën kweken Wilde orchideeën hebben kleine bloemen. Gekweekte orchideeën hebben grote bloemen in allerlei kleuren. De gekweekte planten moeten kunnen leven in huizen waar de temperatuur en luchtvochtigheid nogal verschillen. Sommige orchideeën worden gebruikt om planten te kweken die geschikt zijn om langdurig in de huiskamer te houden.

110

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 110

25/03/2025 14:03


Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid

Biotechnologie 5.5

Welke eigenschappen hebben deze orchideeën?

■ De planten hebben grotere bloemen. ■ De planten nemen weinig water op. ■ De planten verliezen snel water door grote bladeren. ■ De planten zijn gevoelig voor temperatuurschommelingen. ■ De planten zijn minder gevoelig voor ziekten. 6

Transgeen Wanneer noem je een organisme een transgeen organisme?

● als er een stukje DNA is weggehaald ● als er een stukje DNA van een ander organisme is ingebouwd ● als het een kloon is ● als het genetisch gemodificeerd is 7

Biotechnologie Welke bewering over biotechnologie is juist?

● Biotechnologie is een voorbeeld van genetische modificatie. ● Door te klonen ontstaat een transgeen organisme. ● Een genetisch gemodificeerd organisme is altijd een transgeen organisme. ● Genetische modificatie is een voorbeeld van biotechnologie. 8

Voorstanders en tegenstanders In voedsel komen ingrediënten voor die genetisch gemodificeerd zijn. Gebruik hierbij eventueel de vaardigheidskaart Feiten en meningen.

a Noem argumenten voor het toestaan van genetische modificatie bij de productie van voedsel.

b Noem argumenten tegen het toestaan van genetische modificatie bij de productie van voedsel.

TIP Je mag online voor- en nadelen opzoeken.

c Wissel verschillende meningen met elkaar uit in een groepje. 1 Maak een groepje van vier. Zorg dat er voorstanders en tegenstanders in jullie groepje zitten. 2 Elke deelnemer krijgt 1 minuut de tijd de om zijn of haar argumenten te geven. 3 Als iedereen aan de beurt is geweest, volgt een vragenrondje van maximaal 10 minuten. In deze ronde mogen jullie elkaar vragen stellen over argumenten die nog niet duidelijk zijn. 4 Nu ga je met elkaar in discussie. Luister goed naar elkaar en probeer vervolgens elkaar te overtuigen met goede argumenten. Deze ronde duurt ook 10 minuten.

111

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 111

25/03/2025 14:03


Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid

Biotechnologie 5.5

d Waarover zijn jullie het met elkaar eens geworden? En waarover verschillen jullie duidelijk van mening?

9

Microvarkentjes In China worden microvarkentjes gehouden als huisdier. Deze varkens zijn genetisch gemodificeerd, zodat ze klein en licht blijven. Hoe denk jij over het toepassen van genetische modificatie om dieren geschikt te maken als huisdier? Leg je antwoord uit.

10

Terugkijken Kijk terug op deze paragraaf.

a Hoe heb je de opdrachten per leerdoel gemaakt? Noteer – –, –, +of + +. 0 betekent: niets gemaakt. ++ betekent: alles goed. Je kunt ...

opdrachten

score

extra oefenen? (Herhaling en Plus)

1. voorbeelden noemen waarvoor je biotechnologie kan inzetten.

2, 3

H14, P15

2. uitleggen dat bacteriën en schimmels een rol spelen in biotechnologie.

4, 5

H12

3. uitleggen hoe je DNA kunt aanpassen.

6, 7

H13, P16, P17

4. argumenten van voor- en tegenstanders van biotechnologie noemen.

8, 9

H11

b Bekijk je scores van vraag a. Kies minstens één opgave waarmee je nog wil oefenen, nu of in voorbereiding op de toets. TIP Noteer alvast enkele belangrijke begrippen uit deze paragraaf. Die heb je later nodig bij 5.7 Alles in samenhang.

112

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 112

25/03/2025 14:03


Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid

Biotechnologie 5.5

HERHALING EN PLUS Online kun je extra oefenen met Herhaling en Plus. Opdracht 11 en 15 staan ook in je boek.

11

Wel of geen genetische modificatie? Er zijn voor- en tegenstanders van genetische modificatie. Zet achter de argumenten of ze gebruikt worden door voorstanders of tegenstanders. argumenten

voorstanders of tegenstanders

De opbrengst van allerlei gewassen neemt toe. Genetisch gemodificeerde gewassen zijn voor veel boeren te duur. Genetische modificatie kan helpen bij de bestrijding van erfelijke aandoeningen. Planten die niet genetisch gemodificeerd zijn, worden verdrongen door genetisch gemodificeerde planten. Genetische modificatie werkt sneller dan het kruisen van organismen.

15

Zuurkool De smaak van zuurkool ontstaat als bacteriën suikers omzetten in melkzuur. Is het maken van zuurkool een voorbeeld van oude of moderne biotechnologie?

113

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 113

25/03/2025 14:03


Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid

Koolstofkringloop 5.6

5.6 Koolstofkringloop Aan het eind van deze paragraaf kun je:

• •

de koolstofkringloop beschrijven. uitleggen welke rol reducenten spelen in de koolstofkringloop.

Bij deze paragraaf hoort de volgende practicumopdracht:

•

Bladgrootte

Overleg met je docent of je dit practicum gaat uitvoeren.

STARTOPDRACHT 1

De biologie-pubquiz Bij een pubquiz stelt een spelleider vragen aan teams over allerlei onderwerpen, zoals muziek, sport, films enzovoort. De deelnemers halen zo snel mogelijk allerlei ‘weetjes’ uit hun geheugen naar boven.

a Jullie gaan zelf een pubquiz voorbereiden en spelen. Alle vragen gaan over fotosynthese en verbranding. Dit heb je nodig:

• • • • •

A4-papier schaar pen stopwatch internet of Vivo 1 KGT deel B

Dit ga je doen: 1 Je werkt in groepjes van 2 tot 4 personen. 2 Knip het A4-papier in 4 stukken. Elk team heeft 10 stukken papier nodig. 3 Bedenk minstens 10 vragen en antwoorden bij het onderwerp fotosynthese en verbranding. 4 Schrijf op de voorkant van elk papiertje een vraag. Zet op de achterkant het juiste antwoord. 5 Controleer online of Vivo 1 KGT deel B of alle antwoorden goed zijn. 6 Speel de pubquiz. Je docent is de spelleider.

114

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 114

25/03/2025 14:03


Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid

Koolstofkringloop 5.6

7 Elke groep heeft pen en papier nodig. Schrijf op het papier de namen van alle groepsleden. 8 De spelleider leest telkens één vraag hardop voor. 9 Je krijgt maximaal 30 seconden om in je groep te overleggen en het antwoord op te schrijven. 10 Na afloop geef je het papier met de antwoorden aan een andere groep. Jullie krijgen de antwoorden van weer een andere groep. 11 De spelleider leest de vragen en de juiste antwoorden op. 12 Controleer de antwoorden van de groep waarvan jullie de antwoorden hebben gekregen. Elk goed antwoord levert 1 punt op. Tel hoeveel punten er in totaal zijn behaald. 13 De groep met de meeste punten is de winnende groep.

b Wat zijn de belangrijkste begrippen die jullie noemen in jullie antwoorden op de quiz over fotosynthese en verbranding?

THEORIE Fotosynthese en verbranding in een kringloop

Planten zijn de enige organismen die met behulp van (zon)licht koolstofdioxide en water kunnen omzetten in glucose. Dit proces heet fotosynthese. Glucose is een soort suiker. Van glucose en mineralen maken planten weer andere energierijke stoffen, zoals koolhydraten, eiwitten en vetten. Dieren eten planten of andere dieren. Bij de verbranding halen ze energie uit de energierijke stoffen in hun voedsel. Reducenten zetten dode planten, dode dieren en de resten daarvan om in koolstofdioxide, water en voedingsstoffen. Planten nemen deze stoffen weer op. Zo ontstaat er een kringloop van stoffen (figuur 1).

zuurstof en glucose

fotosynthese

verbranding koolstofdioxide en water 1

In de natuur worden stoffen telkens opnieuw gebruikt.

115

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 115

25/03/2025 14:03


Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid

Koolstofkringloop 5.6

De koolstofkringloop

Planten gebruiken koolstof om allerlei energierijke stoffen te maken. Dieren eten planten en nemen al deze stoffen op. Zo komt de koolstof uit deze stoffen ook in het lichaam van dieren terecht. Planten en dieren verbranden een deel van de stoffen waar koolstof inzit om energie vrij te maken. De koolstof vormt dan samen met zuurstof de stof koolstofdioxide. Bacteriën en schimmels breken dode planten en dieren af en daarbij ontstaat ook koolstofdioxide. Al die koolstofdioxide wordt afgegeven aan de lucht. Vervolgens kunnen de planten die koolstofdioxide weer opnemen. Zo ontstaat een kringloop waarin koolstof steeds opnieuw wordt gebruikt. Deze kringloop noem je de koolstofkringloop (figuur 2). koolstofdioxide

vetten

vetten

vetten

eiwitten koolhydraten

eiwitten koolhydraten

eiwitten koolhydraten

eiwitten vetten koolhydraten

vetten eiwitten koolhydraten 2

De koolstofkringloop

De meeste dode planten en dieren worden afgebroken door bacteriën en schimmels. Een deel van de planten en dieren die miljoenen jaren geleden zijn gestorven, is omgezet in fossiele brandstoffen. Dat komt doordat de overblijfselen van deze planten en dieren zijn bedolven onder een laag aarde of slib. Bij de juiste temperatuur en onder de juiste druk ontstaat uit die overblijfselen aardgas, steenkool of aardolie. Deze fossiele brandstoffen bevatten daardoor veel koolstof. Ook in de oceanen zit veel meer koolstof dan in de lucht. Doordat veel koolstof is opgeslagen in fossiele brandstoffen en in de oceanen, blijft de koolstofkringloop in balans. TIP Wil je meer weten over de koolstofkringloop? Scan de QR-code en kijk dan naar het filmpje.

116

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 116

25/03/2025 14:03


Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid

Koolstofkringloop 5.6

WIST JE DAT? De stadsherder Op de hei zie je vaak schaapherders met schapen. Die schapen eten gras dat tussen de heide groeit. Zo krijgt de heide meer kans om uit te groeien. Je kunt een schaapskudde ook tegenkomen in de stad. In Rotterdam trekt een stadsherder van april tot november met een kudde door de stad. De schapen houden het gras kort in parken en op plekken waar een maaimachine niet kan komen. Met hun vacht verspreiden de schapen zaden

Stadsherder Maria met haar schapen

van allerlei planten. Zo vergroten ze de biodiversiteit. TIP Scan de QR-code en bekijk het filmpje over de stadsherder.

OPDRACHTEN 2

De koolstofkringloop Je ziet een schematische weergave van de koolstofkringloop. Producenten, consumenten en reducenten spelen in de koolstofkringloop een rol. koolstofdioxide 1

2

4

6

5

3

117

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 117

25/03/2025 14:03


Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid

Koolstofkringloop 5.6

a Kies bij elke afbeelding het juiste woord. Kies uit: consument | producent | reducent

producent | consument | reducent

producent | consument | reducent

producent | consument | reducent

producent | consument | reducent

producent | consument | reducent

b Kies het juiste woord. Aan de richting van pijl 1 zie je dat er koolstofdioxide wordt opgenomen / afgegeven.

c Kies het juiste woord. Aan de richting van pijl 2 zie je dat er koolstofdioxide wordt opgenomen / afgegeven.

d Welk proces geeft pijl 1 aan?

e Welk proces geeft pijl 2 aan?

f

Omschrijf wat pijl 3 aangeeft.

g Omschrijf wat pijl 4 aangeeft.

118

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 118

25/03/2025 14:03


Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid

Koolstofkringloop 5.6

h Omschrijf wat pijl 5 aangeeft.

3

i

Omschrijf wat pijl 6 aangeeft.

j

Leg uit waarom deze kringloop de koolstofkringloop heet.

Belangrijke processen De koolstofkringloop wordt in stand gehouden door twee processen.

a Welke twee processen?

b Door welke energiebron wordt de koolstofkringloop in stand gehouden?

● eiwitten ● glucose ● koolhydraten ● (zon)licht c Op welk organisatieniveau speelt de koolstofkringloop zich af? Omcirkel het juiste niveau.

cel

4

weefsel

orgaan

orgaanstelsel organisme

populatie

ecosysteem

biosfeer

Een nieuwe leerling Er komt een nieuwe leerling in de klas. Op haar oude school was de koolstofkringloop nog niet behandeld. De docent vraagt jou om haar de koolstofkringloop uit te leggen. Schrijf op hoe je de koolstofkringloop uitlegt. Gebruik daarbij deze begrippen: bacteriën | consumenten | dieren | dode resten | fotosynthese | kringloop | koolstof | koolstofdioxide | planten | producenten | schimmels | verbranding

119

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 119

25/03/2025 14:03


Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid

5

Koolstofkringloop 5.6

Jouw CO2-voetafdruk We stoten allemaal op allerlei verschillende manieren koolstof uit in de vorm van CO2

(koolstofdioxide). Te veel CO2-uitstoot brengt de koolstofkringloop uit balans. Hoeveel CO2 jouw gezin uitstoot noem je de CO2-voetafdruk.

Bij deze opdracht bepaal je de CO2-voetafdruk van jouw huishouden. Wat heb je nodig:

• •

laptop overzicht van het jaarlijks energiegebruik. Je ouders of verzorgers ontvangen dit via de energieleverancier.

Wat ga je doen:

• •

Scan de QR-code en ga naar Bereken je CO2-voetafdruk. Kies ‘Start’ en beantwoord de vragen.

a Geef in de tabel aan hoe groot de CO2-uitstoot van jouw huishouden is in vergelijking met andere huishoudens.

zeer hoog

hoog

gemiddeld

klein

zeer klein

energie in huis auto en openbaar vervoer vliegen eten kleding spullen

b Bij welke onderdelen zou je jouw CO2-voetafdruk willen verkleinen?

■ energie in huis ■ auto en openbaar vervoer ■ vliegen ■ eten ■ kleding ■ spullen

c Leg uit hoe je jouw CO2-voetafdruk hiervoor kan verkleinen.

d Waarom is het belangrijk dat we onze CO2-voetafdruk verkleinen?

120

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 120

25/03/2025 14:03


Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid

6

Koolstofkringloop 5.6

Schimmels en bacteriën Welke rol hebben schimmels en bacteriën in de koolstofkringloop?

7

De oesterzwam Oesterzwammen leven op stammen van dode of beschadigde bomen. Omdat oesterzwammen veel eiwitten bevatten, zijn ze geschikt als vleesvervanger. In eiwitten komt koolstof voor.

Waar komt de koolstof in de eiwitten van de oesterzwammen vandaan?

8

Terugkijken Kijk terug op deze paragraaf.

a Hoe heb je de opdrachten per leerdoel gemaakt? Noteer 0, – –, –, + of + +. 0 betekent niets gemaakt, + + betekent alles goed. Je kunt ...

opdrachten

score

extra oefenen? (Herhaling en Plus)

1. de koolstofkringloop beschrijven.

2, 3, 4, 5

H9, H10, P12, P13

2. uitleggen welke rol reducenten spelen in de koolstofkringloop.

6, 7

H11, P14

121

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 121

25/03/2025 14:03


Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid

Koolstofkringloop 5.6

b Bekijk je scores van vraag a. Kies minstens één opgave waarmee je nog wil oefenen, nu of in voorbereiding op de toets. TIP Noteer alvast enkele belangrijke begrippen uit deze paragraaf. Die heb je later nodig bij 5.7 Alles in samenhang.

HERHALING EN PLUS Online kun je extra oefenen met Herhaling en Plus. Opdracht 9 en 12 staan ook in je boek.

9

Fotosynthese en verbranding Bij fotosynthese maken planten glucose en zuurstof. Bij verbranding komen koolstofdioxide en water vrij. In welke stoffen komt koolstof voor?

■ eiwitten ■ glucose ■ koolstofdioxide ■ vetten ■ water ■ zuurstof 12

Koolstofdioxide compenseren Bedrijven brengen soms veel koolstofdioxide in de lucht door het verbranden van fossiele brandstoffen. Sommige bedrijven planten bomen om de toename van de hoeveelheid koolstofdioxide in de lucht tegen te gaan. Leg uit hoe het planten van bomen de toename van de hoeveelheid koolstofdioxide in de lucht kan tegengaan.

EXAMENOPGAVEN Bij deze paragraaf kun je oefenen met eindexamenopgaven. Overleg met je docent of je de eindexamenopgave Aquaria gaat maken.

122

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 122

25/03/2025 14:03


Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid

Alles in samenhang 5.7

5.7 Alles in samenhang TERUG NAAR HET GROTE PLAATJE 1

Leefomgeving en duurzaamheid Dit hoofdstuk hangt samen met twee andere hoofdstukken. Daarnaast bevat het vier hoofdpunten. In paragraaf 1 heb je dit al gezien in het 'grote plaatje'. Je vat nu samen wat je hierover hebt geleerd.

a Wat heb je geleerd over de samenhang tussen Leefomgeving en duurzaamheid en andere hoofdstukken? Noteer je antwoorden in de vakjes.

H2 Stevigheid en bewegen: aanpassingen

H6 Planten en fotosynthese: glucose

123

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 123

25/03/2025 14:03


Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid

Alles in samenhang 5.7

b Wat heb je over elk hoofdpunt geleerd? Noteer je antwoorden in de vakjes. Kijk terug naar paragraaf 2 en 3.

Organismen hebben elkaar nodig. Kijk terug naar paragraaf 2, 3 en 6.

Elk organisme heeft zijn eigen plek. Kijk terug naar paragraaf 4 en 6.

Duurzame keuzes beschermen de aarde. Kijk terug naar paragraaf 4, 5 en 6.

Je hebt zelf invloed op je leefomgeving.

c Je hebt in paragraaf 1 antwoord gegeven op de grote vraag van dit hoofdstuk: Hoe blijft de aarde leefbaar? Wat is nu je antwoord op de grote vraag? Kijk nog even terug naar je antwoord in paragraaf 1. En kijk ook naar je antwoorden bij opdracht a en b.

VERDER OEFENEN Bij deze paragraaf kun je oefenen met een grote eindexamenopgave. Hierin komt ook stof uit andere hoofdstukken terug. Overleg met je docent of je de eindexamenopgave Wieren gaat maken. Maak online de kennistoets en de proeftoets bij dit hoofdstuk.

124

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 124

25/03/2025 14:03


Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid

Examenopgaven 5.8

5.8 Examenopgaven Maak de eindexamenopgaven bij de verschillende paragrafen. Met eindexamenopgaven oefen je de stof op examenniveau en wen je aan de vraagstelling van het eindexamen. Gebruik hierbij de vaardigheidskaart Examenopgaven maken. Kijk achter aan het hoofdstuk voor de hints en uitwerkingen bij elke opgave.

VERSPREIDING VAN ORGANISMEN 1

Wormen Uit: Examen BK 2023-1 Wormen leven in de bovenste laag van de bodem. Wormen eten de bladeren die van de bomen afgevallen zijn, om er voedingsstoffen uit te halen. Biologen onderzochten de invloed van milieufactoren op de aanwezigheid van wormen. In gebieden met verschillende milieus deden zij waarnemingen. In elk gebied bepaalden zij:

• • •

het aantal verschillende soorten wormen; het aantal wormen per liter bodem; gewicht van de wormen per liter bodem.

In de afbeelding zie je de invloed van milieufactoren op de aanwezigheid van wormen. Hoe groter de cirkel is, hoe belangrijker die milieufactor is. aantal soorten wormen

aantal wormen per liter bodem

gewicht wormen per liter bodem

hoeveelheid begroeiing 1p

grondsoort

neerslag

temperatuur

a Welke milieufactor is een biotische factor?

● begroeiing ● grondsoort ● neerslag ● temperatuur 1p

b Welke milieufactor is het minst belangrijk voor het aantal soorten wormen?

● begroeiing ● grondsoort ● neerslag ● temperatuur 125

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 125

25/03/2025 14:03


Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid

1p

Examenopgaven 5.8

c De milieufactoren temperatuur en hoeveelheid begroeiing hebben invloed op de aanwezigheid van wormen in de bodem. Kruis in de tabel de juiste antwoorden aan. zijn de wormen gemiddeld zwaarder.

zijn er meer soorten wormen.

zijn er meer wormen per liter bodem.

Bij een goede temperatuur Bij een goede hoeveelheid begroeiing

1p

d De activiteit van wormen is ook gunstig voor planten, omdat wormen schimmels door de bodem verspreiden. Leg uit dat de aanwezigheid van schimmels gunstig is voor planten.

VOEDSELKETENS 2

De eikenbladroller Uit: Examen KB 2021-1

De eikenbladroller

De eikenbladroller is een vlindersoort. In het najaar leggen de vrouwtjes eitjes in de bladknoppen van eikenbomen. In het voorjaar komen rupsen uit de eitjes. De rupsen eten de jonge bladeren en bloemknoppen van de eikenbomen op. Hierdoor blijven de bomen lang kaal en kunnen ze minder goed groeien. Nadat de rupsen vlinders geworden zijn, groeien nieuwe bladeren aan de eikenbomen, maar de eikenbomen kunnen dan geen bloemen meer maken. Koolmezen voeden zich met de rupsen, maar eekhoorns hebben door de rupsen juist minder voedsel. In het najaar groeien er namelijk voor de eekhoorns geen eikels aan de eerder kaal gegeten eikenbomen. 1p

a In de informatie worden enkele organismen genoemd die deel uitmaken van voedselketens. Welke voedselketen is juist?

● eikenbladroller → eikenboom → eekhoorn ● eikenbladroller → eikenboom → koolmees ● eikenboom → eikenbladroller → eekhoorn ● eikenboom → eikenbladroller → koolmees

126

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 126

25/03/2025 14:03


Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid

Examenopgaven 5.8

2p

b Leg uit waardoor bomen minder goed groeien als veel bladeren zijn opgegeten.

1p

c In een eikenboom met veel rupsen valt zo veel rupsenpoep omlaag dat het lijkt alsof het regent. In de bodem zetten bepaalde organismen deze poep om in koolstofdioxide, water en mineralen. Hoe worden deze organismen genoemd?

● consumenten ● producenten ● reducenten KOOLSTOFKRINGLOOP 3

Aquaria Uit: Examen KB 2016-1

2 alleen een vis

1 alleen een plant

3 een plant en een vis

In de afbeelding zie je drie aquaria met organismen. De aquaria staan in het licht. Esther meet gedurende enige tijd de gehaltes aan koolstofdioxide en zuurstof in het water van elk aquarium. De diagrammen hieronder geven de resultaten weer van haar metingen. gehalte

gehalte

Q

Legenda: koolstofdioxide

gehalte

tijd

R

tijd

S

tijd

zuurstof

Op de uitwerkbijlage staan de nummers van de aquaria in een tabel. Welk diagram hoort bij welk aquarium? Noteer de letters Q, R en S op de juiste plaats in de tabel. aquarium

diagram

1 2 3 127

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 127

25/03/2025 14:03


Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid

Examenopgaven 5.8

ALLES IN SAMENHANG 4

Wieren Uit: Examen KB 2022-1 In zee leven verschillende groepen planten, zoals groenwieren, roodwieren en bruinwieren. Groenwieren hebben bladgroenkorrels. Roodwieren en bruinwieren hebben andere kleurstofkorrels die dezelfde functie hebben als bladgroenkorrels. Wieren worden ook geteeld als voedsel voor mensen.

a Zijn wieren consumenten, producenten of reducenten?

● consumenten ● producenten ● reducenten b Zonlicht bestaat uit verschillende kleuren licht. Elke kleur licht heeft een eigen golflengte (gemeten in nanometer (nm), zie de tabel). Hoe kleiner de golflengte is, hoe dieper die kleur licht doordringt in zeewater. kleuren en golflengtes van het licht (nm)

gebruikt door

rood (690 nm)

oranje (610 nm)

geel (580 nm)

blauw (470 nm)

paars (400 nm)

bruinwieren en groenwieren

bruinwieren en groenwieren

groenwieren

roodwieren en groenwieren

roodwieren en groenwieren

Welke groep wieren kan het diepst in zee leven, de roodwieren of de bruinwieren? Leg je antwoord uit.

Op verschillende plaatsen in Nederland wordt onderzoek gedaan naar het gebruik van wieren als voedsel voor mensen en dieren. Wieren bevatten veel mineralen en vitaminen en zijn makkelijk te telen. Wieren nemen voedingsstoffen op uit het zeewater en halen koolstofdioxide uit de lucht.

c Wieren nemen koolstofdioxide op. Waarvoor gebruiken ze die koolstofdioxide?

128

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 128

25/03/2025 14:03


Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid

2p

Examenopgaven 5.8

d Bij het telen van wieren moet rekening gehouden worden met abiotische factoren en biotische factoren in het zeewater, die invloed hebben op de groei. Geef een voorbeeld van zo’n biotische factor. Leg ook uit hoe deze factor de groei van de wieren beïnvloedt.

HINTS BIJ EINDEXAMENOPGAVEN Verspreiding van organismen

• • • •

Wormen a: Biotisch is levend. Wormen b: Kijk naar de bolletjes achter het aantal soorten wormen. Wormen c: Kijk naar de grootte van de bolletjes. Wormen d: Schimmels zijn reducenten.

Voedselketens

• • •

De eikenbladroller a: Planten staan aan het begin; pijlen gaan vanaf dit begin. De eikenbladroller b: Bladeren hebben bladgroenkorrels. De eikenbladroller c: De organismen in de bodem zijn bacteriën en schimmels.

Koolstofkringloop

•

Aquaria: Planten maken zuurstof.

Alles in samenhang

• • • •

Wieren a: Bladgroenkorrels maken glucose. Wieren b: Rood licht heeft de kleinste golflengte. Wieren c: Opnemen van koolstofdioxide gebeurt bij een stofwisselingsproces. Wieren d: Biotisch is levend.

129

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 129

25/03/2025 14:03


6 Planten en fotosynthese

INHOUD Basis 6.1 Waarom kun je niet zonder planten? . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 132 6.2 Verschillende planten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 137 6.3 Fotosynthese . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 148 6.4 Bladeren, stengels en wortels . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 158 6.5 Bloemen en geslachtelijke voortplanting . . . . . . . . . . . . . . . . . 169 6.6 Zaadverspreiding en overleven

............................

179

6.7 Ongeslachtelijke voortplanting

............................

190

..........................................

200

Afsluiting 6.8 Alles in samenhang

6.9 Examenopgaven . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 202

VAARDIGHEDEN - biologische tekening maken - determineren - natuurwetenschappelijk onderzoek doen - werken met een loep - werken met de microscoop

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 130

25/03/2025 14:03


9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 131

25/03/2025 14:03


Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese

Waarom kun je niet zonder planten? 6.1

6.1 Waarom kun je niet zonder planten? In dit hoofdstuk leer je over planten en fotosynthese. In het 'grote plaatje' zie je welke hoofdstukvraag en hoofdpunten daarbij centraal staan en welke verbanden er zijn met andere onderwerpen.

Welke verbanden zijn er?

Wat leer je in dit hoofdstuk?

H6 H5 - Leefomgeving en duurzaamheid producenten

Waarom kun je niet zonder planten?

Planten zijn aangepast aan hun leefomgeving H9 - Ademhalen en verbranden zuurstof

O2

Planten zijn belangrijk voor andere organismen

1

Planten doen aan fotosynthese

Planten zijn organismen die zich voortplanten

Het grote plaatje

132

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 132

25/03/2025 14:03


Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese

Waarom kun je niet zonder planten? 6.1

THEORIE Onkruid of niet?

Overal om je heen zie je planten, in allerlei soorten en maten. Sommige groeien perfect op de ene plek, terwijl ze op andere plekken nauwelijks kunnen overleven. Planten hebben slimme aanpassingen om te groeien waar ze zich thuis voelen. In een tuin vind je grassen, klimplanten, struiken, bomen en misschien zelfs planten die je er liever niet ziet. Als je ze niet verwijdert, planten ze zich snel voort en voor je het weet staat je tuin ermee vol. Maar bedenk voordat je ze zomaar weghaalt dat ook deze planten waarschijnlijk belangrijk zijn voor andere organismen. Door ze te laten staan, help je

2

bijen, vlinders of bladluizen en mieren (figuur 2). Wat jij onkruid noemt,

Bladluizen en een mier onder een blad

kan voor hen een belangrijke voedselbron zijn.

Welke verbanden zijn er? Bekijk het ‘grote plaatje’ in figuur 1.

•

Voedingsstoffen zijn niet zomaar beschikbaar. Planten maken voedingsstoffen tijdens fotosynthese. Zij zijn producenten. Producenten leveren voedingsstoffen voor andere organismen, de consumenten (hoofdstuk 5).

•

In elke cel van je lichaam vindt verbranding plaats. Voor deze verbranding zijn glucose en zuurstof nodig. Deze stoffen zijn afkomstig van planten. Planten verbruiken deze stoffen zelf ook om in leven te blijven. Zuurstof en voedingsstoffen worden gemaakt tijdens fotosynthese en verbruikt tijdens verbranding (hoofdstuk 9).

Wat leer je in dit hoofdstuk? Bekijk het ‘grote plaatje’ in figuur 1.

•

Planten zijn aangepast aan hun leefomgeving. Planten overleven in verschillende omstandigheden. In de woestijn heeft een cactus bijvoorbeeld dikke bladeren en een waslaagje om water vast te houden. In regenwouden hebben planten brede bladeren om meer zonlicht op te vangen. De leefomgeving bepaalt hoe een plant eruitziet en wat hij nodig heeft om te overleven.

•

Planten doen aan fotosynthese. Planten maken hun eigen voedsel via fotosynthese. Dit proces vindt plaats in de bladgroenkorrels van de bladeren. Met zonlicht, water en koolstofdioxide maken planten glucose. Hierbij komt zuurstof vrij, die je inademt. Fotosynthese is dus niet alleen belangrijk voor planten, maar ook voor alle andere organismen.

•

Planten zijn organismen die zich voortplanten. Planten zorgen dat er steeds nieuwe planten komen. Sommige planten maken zaden, met behulp van bloemen die insecten aantrekken om hun stuifmeel te verspreiden. Andere planten gebruiken uitlopers, zoals aardbeienplanten. Zelfs zonder zaden kunnen sommige planten zich voortplanten, bijvoorbeeld doordat een stukje van de plant weer uitgroeit tot een nieuwe plant.

•

Planten zijn belangrijk voor andere organismen.

O2

Planten vormen de basis van de voedselketen. Dieren eten planten voor energie en mensen eten bijvoorbeeld groenten, fruit en graan die van planten afkomstig zijn. Daarnaast zorgen planten voor zuurstof, die je inademt. Ze bieden ook schuilplaatsen voor dieren, zoals vogels die nesten maken in bomen. 133

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 133

25/03/2025 14:03


Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese

Waarom kun je niet zonder planten? 6.1

OPDRACHTEN 1

Aangepast aan de leefomgeving Planten zijn aangepast aan hun leefomgeving. Kruis in de tabel aan of de planten in een droge of vochtige leefomgeving groeien. droge leefomgeving

vochtige leefomgeving

cactus

varen

dotterbloem

134

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 134

25/03/2025 14:03


Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese

2

Waarom kun je niet zonder planten? 6.1

Producenten Planten zijn producenten. Ze produceren voedingsstoffen voor zichzelf. Andere organismen kunnen planten eten. Zij krijgen zo de voedingsstoffen uit de planten binnen. Beantwoord de volgende vragen. 1 Welke voedingsmiddelen heb je gisteren gegeten? Noteer ze hieronder. 2 Welke voedingsmiddelen van je lijst zijn gemaakt van planten? Arceer deze groen. 3 Welke voedingsmiddelen van je lijst zijn gemaakt van dieren? Arceer deze geel. 4 Wat hebben die dieren gegeten om aan hun voedingsmiddelen te komen?

3

Pluisjes In de afbeelding zie je een uitgebloeide paardenbloem. Op de plaats van de bloem zijn allemaal pluisjes ontstaan. Aan elk pluisje zit een zaadje. Als het waait, waaien de pluisjes weg. Ze landen dan ergens anders op de grond.

a Wat is de functie van een zaadje?

b Wat is de functie van de pluisjes?

135

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 135

25/03/2025 14:03


Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese

4

Waarom kun je niet zonder planten? 6.1

Nuttig Welke functie van planten is in de volgende situaties van belang? 1 Je ademt snel als je aan het sporten bent. bescherming | glucose aanmaken | zuurstof produceren 2 Om te groeien heb je de juiste voedingsstoffen nodig. bescherming | glucose aanmaken | zuurstof produceren 3 Een merel maakt een nest voor zijn jongen. bescherming | glucose aanmaken | zuurstof produceren

5

Waarom kun je niet zonder planten? De grote vraag van dit hoofdstuk is: Waarom kun je niet zonder planten? Wat is jouw antwoord op deze vraag? Gebruik in je antwoord de informatie van deze paragraaf.

136

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 136

25/03/2025 14:03


Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese

Verschillende planten 6.2

6.2 Verschillende planten Aan het eind van deze paragraaf kun je:

• • • •

planten indelen in drie groepen op basis van kenmerken. uitleggen hoe planten zich geslachtelijk en ongeslachtelijk voortplanten. uitleggen hoe planten zijn aangepast aan hun leefomgeving. groeifactoren van planten benoemen.

Bij deze paragraaf horen de volgende practicumopdrachten:

• •

Planten determineren Aanpassingen bij planten

Overleg met je docent of je deze practica gaat uitvoeren.

STARTOPDRACHT 1

Planten indelen Planten kun je indelen in verschillende groepen. Weet jij nog tot welke groep iedere plant behoort? Dit heb je nodig:

• •

telefoon of fototoestel plantenboek of planten-app (bijvoorbeeld PictureThis)

Dit ga je doen: 1 Werk in een tweetal. 2 Ga naar een park, schooltuin of een andere groene omgeving. 3 Maak foto’s van minstens drie planten uit elk van de drie groepen: algen, sporenplanten en zaadplanten. In totaal fotografeer je dus minimaal negen planten. 4 Noteer in de tabel op de bladzijde hierna de naam van elke plant. Gebruik een plantenboek of een app (bijvoorbeeld PictureThis) om de planten te identificeren en te bepalen tot welke groep ze behoren. 5 Noteer in de laatste kolom van de tabel typische kenmerken van elke plant. Benoem hierbij ook hoe je kunt zien tot welke plantgroep de plant behoort.

137

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 137

25/03/2025 14:03


Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese

naam van de plant

Verschillende planten 6.2

plantgroep

kenmerken horend bij de plantgroep

THEORIE Soorten planten

Er zijn meer dan 380 000 verschillende soorten planten. Je kunt ze indelen in drie hoofdgroepen op basis van hun kenmerken en manier van voortplanten. Deze groepen zijn:

•

Algen: veel soorten algen hebben geen echte wortels, bladeren of bloemen (figuur 1). Ze groeien vaak op vochtige plekken en planten zich meestal voort door celdeling. Sommige algensoorten worden tegenwoordig niet meer tot de planten gerekend, omdat ze eenvoudiger zijn en vaak eencellig. Een aantal algen, zoals groenwieren, lijken wel veel op planten doordat ze ook fotosynthese gebruiken. TIP Scan de QR-code en bekijk het filmpje voor meer informatie over algen.

1

Algen groeien vaak in het water.

138

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 138

25/03/2025 14:03


Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese

•

Verschillende planten 6.2

Sporenplanten: hiertoe behoren planten zoals varens. Ze hebben wortels, stengels en bladeren, maar geen bloemen. Ze planten zich voort met sporen (figuur 2). Mossen gebruiken ook sporen, maar ze hebben geen vaatbundels, zoals de meeste andere sporenplanten.

2

Varens planten zich voort door middel van sporen.

•

Zaadplanten: dit is de grootste en meest diverse plantengroep. Zaadplanten hebben wortels, stengels, bladeren en bloemen (figuur 3). Ze planten zich voort met zaden. De belangrijkste planten in deze groep zijn: -

Loofbomen: deze hebben een stevige houtachtige stam. Loofbomen hebben vlakke bladeren.

-

Naaldbomen: naaldbomen hebben naaldvormige of schubvormige bladeren.

-

Grassen en andere kruidachtige planten: deze hebben geen houtachtige stengels en zijn meestal zacht en buigzaam.

-

Planten die groeien uit bollen of knollen: bollen en knollen slaan hun reservevoedsel ondergronds op.

3

Een paardenbloem is een voorbeeld van een zaadplant.

139

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 139

25/03/2025 14:03


Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese

Verschillende planten 6.2

Voortplanting van planten

Planten kunnen zich geslachtelijk en ongeslachtelijk voortplanten. Bij geslachtelijke voortplanting smelten mannelijke en vrouwelijke geslachtscellen samen. Bij zaadplanten gaat dit via bloemen. De stuifmeelkorrels (mannelijke geslachtscellen) worden van de meeldraden overgebracht naar de stamper (vrouwelijk voortplantingsorgaan) van een andere bloem. Dit kan gebeuren door de wind, insecten of andere dieren. Nadat vervolgens bevruchting heeft plaatsgevonden, ontstaat er een zaadje waaruit een nieuwe plant kan groeien. Bij ongeslachtelijke voortplanting is er geen bevruchting nodig. Planten kunnen door celdeling nieuwe planten maken uit stukjes van zichzelf. Ongeslachtelijke voortplanting is daardoor meestal sneller dan geslachtelijke voortplanting. Voorbeelden van ongeslachtelijke voorplanting zijn:

• •

stekken, een stuk van een plant in de grond zetten om een nieuwe plant te laten groeien; wortelstokken of uitlopers, bijvoorbeeld een aardbeienplant die nieuwe planten vormt via stengels die over de grond kruipen.

Aanpassingen van planten aan de leefomgeving

Planten overleven door zich aan te passen aan hun leefomgeving. Woestijnplanten, zoals cactussen, leven in droge en warme gebieden. Om te overleven hebben ze dikke stengels om water op te slaan en kleine bladeren of helemaal geen bladeren om zoveel mogelijk waterverlies te voorkomen (figuur 4). Daarnaast hebben ze wortelstelsels die heel diep of heel breed zijn om zoveel mogelijk water te kunnen vinden. Als er heel weinig water is, sluiten planten ook hun huidmondjes om verdamping te voorkomen.

4

Cactussen groeien vaak in de woestijn en houden zoveel mogelijk water vast.

Vaste planten beschermen zich tegen vrieskou door in de winter bovengronds af te sterven. Zij slaan reservevoedsel op in hun wortels, zodat ze in het voorjaar weer kunnen groeien. Andere planten laten alleen hun wortelrozet boven de grond leven. Dit noem je rozetvormende planten. Hierbij zitten de bladeren allemaal dicht op een kring net boven de grond. Deze kring noem je een rozet (figuur 5).

5

Een sleutelbloem maakt een rozet van bladeren.

140

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 140

25/03/2025 14:03


Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese

Verschillende planten 6.2

Voorjaarsbloeiers, zoals narcissen, bloeien in het vroege voorjaar. In de zomer en herfst slaan deze bloemen veel energie op, zodat ze in het voorjaar al vroeg kunnen bloeien (figuur 6).

6

Narcissen bloeien vroeg in het voorjaar.

Planten die in het water leven, hebben zich aangepast aan hun omgeving door bijvoorbeeld te zorgen dat ze blijven drijven. Hiervoor hebben ze holle stengels en bladeren met luchtholtes (figuur 7). Daarnaast bevinden de huidmondjes zich bij deze waterplanten met drijvende bladeren niet aan de onderkant, maar aan de bovenkant van het blad.

7

Waterplanten zoals riet hebben als aanpassing holle stengels. Zo blijven ze drijven en kunnen ze zuurstof naar de wortels transporteren.

141

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 141

25/03/2025 14:03


Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese

Verschillende planten 6.2

Klimplanten zoals klimop hebben zich zo aangepast dat ze overal tegenaan kunnen groeien. Met hun hechtwortels zetten ze zichzelf vast aan bijvoorbeeld een muur of boom (figuur 8).

8

Met hechtwortels zorgt een klimop ervoor dat hij tegen muren omhoog kan groeien.

Soms zie je planten groeien op een plaats waar je ze niet verwacht. Bijvoorbeeld in dakgoten, op andere planten of tegen een muur (figuur 9). Planten passen zich op allerlei manieren aan hun omgeving aan en kunnen zo in bijzondere omstandigheden overleven.

9

Muurleeuwenbek groeit op een muur.

Planten groeien met behulp van groeifactoren: water, licht, temperatuur, lucht en voedingsstoffen. Mangroven hebben bijvoorbeeld luchtwortels om in zuurstofarme grond te overleven (figuur 10). Bergplanten blijven laag bij de grond tegen kou en vleesetende planten vangen insecten voor extra voedingsstoffen.

10 Mangroven hebben een aangepast wortelstelsel. 142

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 142

25/03/2025 14:03


Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese

Verschillende planten 6.2

WIST JE DAT? Groeien met weinig voedingsstoffen in de bodem Bekerplanten zijn vleesetende planten. Ze hebben bladeren die de vorm hebben van een diepe beker met gladde wanden. Insecten worden gelokt door een zoete geur en glijden vervolgens in de beker, waar ze niet meer uit kunnen. De plant verteert de insecten en haalt zo extra voedingsstoffen uit de prooi binnen. Hierdoor kunnen bekerplanten groeien op plaatsen waar de bodem weinig voedingsstoffen bevat. Bekerplant met prooi

OPDRACHTEN 2

Hoofdgroepen van planten Je kunt planten indelen in drie hoofdgroepen op basis van hun kenmerken en manier van voortplanten.

a Welke drie hoofdgroepen van planten ken je?

b Welke groep planten groeit vaak op vochtige plekken en heeft geen echte wortels of bladeren?

c De planten in de afbeelding planten zich voort door middel van sporen.

Bij welke groep horen deze planten?

143

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 143

25/03/2025 14:03


Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese

3

Verschillende planten 6.2

Planten kiezen Stel dat je een zonnige plek in je tuin hebt waar je planten met bloemen wilt planten. Je wilt dat de planten in de maanden maart en april bloeien.

a Welke groep planten zou je het best kunnen kiezen voor deze locatie? Leg uit waarom.

b Vingerhoedskruid is een plant die 1,5 meter hoog kan worden. Hij staat met zijn wortels graag in vochtige grond. Het eerste jaar vormt de plant bladeren die in een rondje dicht op elkaar staan. Bij welke groep planten hoort vingerhoedskruid? Kies uit: klimplanten | rozetvormende planten | waterplanten Leg je antwoord uit.

4

Verspreiding van ongewenste planten Het bestrijden van ongewenste kruidachtige planten kan lastig zijn. Deze ongewenste planten kunnen zich verspreiden door zaden of door uitlopers te vormen. Kruis in de tabel aan of er sprake is van geslachtelijke of ongeslachtelijke voortplanting.

5

geslachtelijke voortplanting

ongeslachtelijke voortplanting

verspreiding door zaden door de wind

●

●

aanmaken van wortelstokken

●

●

verspreiding van zaden door insecten

●

●

Kruipend zenegroen Kruipend zenegroen is een bodembedekker. Deze plant vormt lange stengels over de grond die nieuwe wortels en plantjes vormen. Hierdoor vormt hij een dicht tapijt op de bodem, zie de foto.

144

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 144

25/03/2025 14:03


Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese

Verschillende planten 6.2

a Hoe noem je de stengels van kruipend zenegroen die over de grond kruipen en nieuwe planten vormen?

b Welke vorm van voortplanting is dit? Dit is een vorm van geslachtelijke | ongeslachtelijke voortplanting.

6

Naaldbomen Naaldbomen leven vaak in koude gebieden waar minder water is (zie de foto).

Bladeren bezitten huidmondjes. Kleinere bladeren hebben minder huidmondjes dan grotere bladeren.

a Wat is de functie van huidmondjes?

b Welke aanpassing hebben naaldbomen in gebieden waar minder water is?

c Waardoor hebben planten met minder huidmondjes minder water nodig?

7

Aanpassing van de waterlelie De waterlelie heeft grote, brede bladeren die op het wateroppervlak drijven. Waardoor komt dat?

● De bladeren beschermen de wortels van de waterlelie tegen roofdieren. ● De bladeren helpen de waterlelie om op warme dagen niet te snel uit te drogen. ● De bladeren voorkomen dat vissen in de buurt van de wortels komen. ● De bladeren zorgen ervoor dat de waterlelie meer zonlicht kan opvangen.

145

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 145

25/03/2025 14:03


Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese

8

Verschillende planten 6.2

Groeifactoren Welke groeifactor speelt de belangrijkste rol in de volgende situaties? 1 Een kamerplant staat in een hoek waar weinig zonlicht binnenkomt en groeit langzaam en verbleekt. licht | temperatuur | voedingsstoffen | water 2 Een zaadje dat je in het voorjaar buiten plant, komt pas in de lente uit de grond als het warmer wordt. licht | temperatuur | voedingsstoffen | water 3 Een plant in een kas groeit snel en stevig, maar de bladeren beginnen geel te worden en vallen uit. licht | temperatuur | voedingsstoffen | water 4 Na een aantal zonnige dagen zonder regen in de zomer beginnen de bladeren van een plant slap te hangen en te krullen. licht | temperatuur | voedingsstoffen | water

9

Groeifactoren bij kamerplanten In veel huiskamers is de groeifactor licht een beperkende factor. Leg uit hoe dit komt.

10

Terugkijken Kijk terug op deze paragraaf.

a Hoe heb je de opdrachten per leerdoel gemaakt? Noteer 0, – –, –, + of + +. 0 betekent: niets gemaakt. + + betekent: alles goed. Je kunt ...

opdrachten

score

extra oefenen? (Herhaling en Plus)

1. planten indelen in drie groepen op basis van kenmerken.

2, 3

H14

2. uitleggen hoe planten zich geslachtelijk en ongeslachtelijk voortplanten.

4, 5

H12, H14, P15

3. uitleggen hoe planten zijn aangepast aan hun leefomgeving.

6, 7

H13, P16

4. groeifactoren van planten benoemen.

8, 9

H11, P17

b Bekijk je scores van vraag a. Kies minstens één opgave waarmee je nog wil oefenen, nu of in voorbereiding op de toets. TIP Noteer alvast enkele belangrijke begrippen uit deze paragraaf. Die heb je later nodig bij 6.8 Alles in samenhang.

146

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 146

25/03/2025 14:03


Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese

Verschillende planten 6.2

HERHALING EN PLUS Online kun je extra oefenen met Herhaling en Plus. Opdracht 11 en 15 staan ook in je boek.

11

Te veel groeifactor Welke groeifactor is te veel aanwezig in de verschillende gebieden? in een hete woestijn licht | temperatuur | voedingsstoffen | water in een meer licht | temperatuur | voedingsstoffen | water in een weiland vol dieren licht | temperatuur | voedingsstoffen | water op een open vlakte licht | temperatuur | voedingsstoffen | water

15

Hoe plant een plant zich voort? Kruis in de tabel aan of er sprake is van geslachtelijke of ongeslachtelijke voortplanting. geslachtelijke voortplanting

ongeslachtelijke voortplanting

Een eik laat eikels op de grond vallen.

●

●

Een paardenbloem laat zaadjes door de wind meevoeren.

●

●

IJsgras maakt onder de grond wortelstokken aan.

●

●

Blauwe druifjes maken nieuwe bollen aan.

●

●

EXAMENOPGAVEN Bij deze paragraaf kun je oefenen met eindexamenopgaven. Overleg met je docent of je de eindexamenopgave Wieren gaat maken.

147

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 147

25/03/2025 14:03


Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese

Fotosynthese 6.3

6.3 Fotosynthese Aan het eind van deze paragraaf kun je:

• • • •

O2

benoemen waarom planten belangrijk zijn voor andere organismen. uitleggen hoe planten glucose en zuurstof maken met behulp van licht. uitleggen welke stoffen planten maken van glucose en waar ze die voor gebruiken. uitleggen dat planten door fotosynthese energie vastleggen en dat energie weer vrijkomt bij verbranding.

Bij deze paragraaf horen de volgende practicumopdrachten:

• •

Licht en de vorming van zetmeel Fotosynthese bij waterpest

Overleg met je docent of je deze practica gaat uitvoeren.

STARTOPDRACHT 1

Plantaardig of dierlijk product? Je wilt een cake bakken en vraagt jezelf af welke ingrediënten van de cake plantaardig zijn en welke dierlijk. Daarnaast wil je graag weten of je de dierlijke producten kunt vervangen door plantaardige producten, zodat de cake helemaal plantaardig is.

a Kruis in de tabel op de bladzijde hierna aan welke producten dierlijk en welke producten plantaardig zijn.

b Zoek daarna op hoe je de dierlijke producten kunt vervangen door plantaardige producten. dierlijk product

plantaardig product

vervangen door

bloem

148

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 148

25/03/2025 14:03


Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese

Fotosynthese 6.3

dierlijk product

plantaardig product

vervangen door

boter

suiker

melk

eieren

vanille

c Heb je nog meer alternatieven gevonden om dierlijke producten door plantaardige producten te vervangen? Zo ja, welke?

d Ga met een aantal klasgenoten in gesprek over waarom je wel of niet dierlijke producten (af en toe) zou vervangen door plantaardige producten.

149

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 149

25/03/2025 14:04


Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese

Fotosynthese 6.3

THEORIE Fotosynthese, de basis van leven

Als je een boterham eet, verteert je lichaam die boterham om de voedingsstoffen eruit te kunnen halen. Deze voedingsstoffen breek je vervolgens verder af en zet je om in energie die je nodig hebt om je lichaam goed te laten werken. Ieder organisme breekt stoffen af om te zorgen dat er energie vrijkomt. Planten doen iets unieks. Ze maken glucose en zuurstof uit koolstofdioxide en water (figuur 1). Zo maken ze hun eigen energierijke stof. Dit proces heet fotosynthese. Alleen planten kunnen aan fotosynthese doen, omdat ze als enige bladgroenkorrels hebben. zonlicht

koolstofdioxide

fotosynthese

zuurstof

glucose water

1

Fotosynthese

Zonder planten zou er geen leven op aarde mogelijk zijn. Andere organismen gebruiken glucose en zuurstof van planten om te kunnen leven. Planten zijn erg belangrijk voor andere organismen, omdat deze afhankelijk zijn van de glucose en zuurstof die planten maken. TIP Scan de QR-code en bekijk het filmpje Wat is fotosynthese?

Fotosynthese kun je in het volgende schema weergeven.

water + koolstofdioxide

bladgroenkorrels lichtenergie

glucose + zuurstof

Waar halen planten de stoffen en energie voor fotosynthese vandaan?

• • •

Het water halen ze met hun wortels uit de grond. Koolstofdioxide nemen ze met hun huidmondjes op uit de lucht. Zonlicht vangen ze op via alle groene delen van de plant.

150

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 150

25/03/2025 14:04


Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese

Fotosynthese 6.3

Van glucose naar voedingsstoffen

Je hebt voedsel nodig dat verschillende voedingsstoffen bevat. Planten maken hun eigen voedingsstoffen (figuur 2). Tijdens de fotosynthese maakt een plant glucose. Deze glucose wordt weer omgezet in andere voedingsstoffen die de plant gebruikt. Een plant kan glucose omzetten in:

• • • • •

cellulose, die in de celwand van de plant zit;

2

Doordat planten glucose opslaan, kunnen andere organismen dit als voedsel gebruiken.

suiker, die wordt opgeslagen in wortels, stengels en zaden; vet, dat wordt opgeslagen in zaden; zetmeel, dat wordt opgeslagen in bladeren en wortels; eiwitten, die onder andere worden opgeslagen in zaden.

Planten, maar ook andere organismen, gebruiken deze stoffen als brandstof, bouwstof en reservestof.

•

Brandstof: is nodig voor de verbranding. De glucose die niet als brandstof nodig is, gebruikt een plant voor het maken van andere stoffen.

•

Bouwstoffen: eiwitten zijn belangrijke bouwstoffen en zijn nodig voor de vorming van cytoplasma, DNA en cellulose.

•

Reservestof: deze wordt meestal als zetmeel opgeslagen voor later. Elke cel bevat een klein beetje reservestof en de rest wordt opgeslagen in bijvoorbeeld zaden of knollen. Mensen gebruiken deze vaak als voedsel, zoals aardappelen.

Groene bladeren

Is het je weleens opgevallen dat de meeste bladeren groen zijn? Dit komt door bladgroenkorrels. Bladgroenkorrels zitten in alle groene delen van de plant, dus in de bladeren, maar ook in de stengels. Bladgroenkorrels bevatten chlorofyl. Dit zorgt voor de groene kleur van de bladeren (figuur 3). In de bladgroenkorrels vindt de fotosynthese plaats.

3

Bladgroenkorrels bekeken met een microscoop

151

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 151

25/03/2025 14:04


Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese

Fotosynthese 6.3

Verbranding

Planten hebben net als alle andere organismen energie nodig om te kunnen groeien. Die energie komt vrij door verbranding van glucose. Bij verbranding gebeurt het omgekeerde als bij fotosynthese. Voor verbranding heb je glucose en zuurstof nodig. In de cellen wordt de glucose omgezet in koolstofdioxide en water. Hierbij komt energie vrij die een plant gebruikt om te groeien en te leven. Verbranding vindt zowel overdag als ’s nachts plaats. Fotosynthese kan alleen plaatsvinden als de plant voldoende licht krijgt. In een schema ziet verbranding er als volgt uit.

glucose + zuurstof

cellen

⚡

koolstofdioxide + water + energie

WIST JE DAT? Organismen doen al meer dan drie miljard jaar aan fotosynthese Cyanobacteriën waren de eerste organismen die fotosynthese gebruikten om energierijke stoffen te maken, lang voordat planten bestonden. Deze bacteriën konden net als planten energie maken met behulp van licht. Deze bacteriën worden ook wel blauwalgen genoemd. Bij te veel nitraat en fosfaat in het water groeien ze hard, waardoor er waterbloei kan ontstaan. Dit zorgt voor giftige stoffen in het water. Cyanobacteriën op een wateroppervlak

OPDRACHTEN 2

Wat eet je? Maak een overzicht van de voedingsmiddelen die je eet. Dit ga je doen: 1 Werk in een tweetal. 2 Noteer in de linker kolom van de tabel op de bladzijde hierna wat jullie gisteravond hebben gegeten. Je maakt één lijst met voedingsmiddelen die jij hebt gegeten en die je klasgenoot heeft gegeten. 3 Noteer of het voedingsmiddel plantaardig is of niet dierlijk. 4 Als een voedingsmiddel plantaardig is, noteer dan in de derde kolom van de tabel welk onderdeel van een plant je hebt gegeten. 5 Je mag online extra informatie zoeken.

152

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 152

25/03/2025 14:04


Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese

voedingsmiddel

3

Fotosynthese 6.3

dierlijk / plantaardig

welk onderdeel van de plant?

Leven zonder planten Stel je voor dat je op een plek bent waar geen planten leven.

a Wat zou er gebeuren met de hoeveelheid zuurstof in de lucht? Leg je antwoord uit.

b En wat zou er gebeuren met de hoeveelheid voedsel? Leg je antwoord uit.

4

Fotosynthese in een plant Kies de juiste antwoorden. 1 Planten hebben licht nodig om glucose en zuurstof te kunnen maken. juist | onjuist 2 Op de foto staan wortels van een plant. In deze onderdelen vindt fotosynthese plaats. juist | onjuist 3 Tijdens fotosynthese zet de plant koolstofdioxide en water om in glucose en zuurstof. juist | onjuist 4 Alle planten met bladgroenkorrels kunnen aan fotosynthese doen. juist | onjuist Wortels van een plant

153

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 153

25/03/2025 14:04


Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese

5

Fotosynthese 6.3

Proefje met waterpest Stel dat je een proefje doet om aan te tonen dat planten zuurstof maken.

•

Je vult een reageerbuisje voor twee derde met water en legt hierin een takje met waterpest.

• •

Je zet de reageerbuis op een plek in de zon met een constante temperatuur. Elke ochtend om negen uur tel je het aantal gasbelletjes dat je gedurende één minuut ziet opstijgen.

•

Je houdt de resultaten en de weersomstandigheden gedurende vijf dagen bij. dag

weersomstandigheden

aantal gasbelletjes per minuut

1

zonnig

14

2

bewolkt

5

3

zonnig

16

4

half bewolkt

8

5

regen

3

a Welke conclusie kun je uit deze proef trekken?

b Wat zou er met de resultaten gebeuren als je dit proefje opnieuw uitvoert, maar het reageerbuisje met de waterpest in een donkere ruimte zonder zonlicht staat?

6

Opslagplaats Waar worden stoffen in een plant opgeslagen? Zet de juiste opslagplaats achter de stof. Kies uit: wortels | zaden | celwanden cellulose vet zetmeel

154

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 154

25/03/2025 14:04


Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese

7

Fotosynthese 6.3

Functies van voedingsstoffen Kruis de meest passende voedingsstof aan bij elke functie in de plant.

8

cellulose

eiwitten

glucose

vet

zetmeel

bouwstof voor celwanden

●

●

●

●

●

energiebron

●

●

●

●

●

opslag in zaden

●

●

●

●

●

reservestof

●

●

●

●

●

vorming van cytoplasma

●

●

●

●

●

Dag en nacht Op de foto zie je een jonge plant in de aarde.

a Maakt de plant op dit moment glucose aan? Leg je antwoord uit.

b Leg uit of de plant ’s nachts glucose aanmaakt.

c Leg uit waarom een plant meestal naar het licht toe groeit.

d In welke delen van de plant kan fotosynthese plaatsvinden?

155

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 155

25/03/2025 14:04


Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese

9

Fotosynthese 6.3

Het verschil tussen fotosynthese en verbranding Leg in eigen woorden het verschil tussen fotosynthese en verbranding uit.

10

Terugkijken Kijk terug op deze paragraaf.

a Hoe heb je de opdrachten per leerdoel gemaakt? Noteer 0, – –, –, + of + +. 0 betekent: niets gemaakt. + + betekent: alles goed. Je kunt ...

opdrachten

score

extra oefenen? (Herhaling en Plus)

1. benoemen waarom planten belangrijk zijn voor andere organismen.

2, 3

H14, P16

2. uitleggen hoe planten glucose en zuurstof maken met behulp van licht.

4, 5

H12

3. uitleggen welke stoffen planten maken van glucose en waar ze die voor gebruiken.

6, 7

H13, P16, P17

4. uitleggen dat planten door fotosynthese energie vastleggen en dat energie weer vrijkomt bij verbranding.

8, 9

H11, P15

b Bekijk je scores van vraag a. Kies minstens één opgave waarmee je nog wil oefenen, nu of in voorbereiding op de toets. TIP Noteer alvast enkele belangrijke begrippen uit deze paragraaf. Die heb je later nodig bij 6.8 Alles in samenhang.

156

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 156

25/03/2025 14:04


Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese

Fotosynthese 6.3

HERHALING EN PLUS Online kun je extra oefenen met Herhaling en Plus. Opdracht 11 en 15 staan ook in je boek.

11

Verbranding of fotosynthese Kruis in de tabel aan of het gaat om fotosynthese of verbranding. fotosynthese

15

verbranding

koolstofdioxide en water nodig

●

●

glucose en zuurstof nodig

●

●

lichtenergie nodig

●

●

energie komt vrij

●

●

vindt plaats in de bladgroenkorrels

●

●

Zuurstof in het aquarium Je hebt een aquarium met vissen en waterplanten. Overdag zet je het aquarium in direct zonlicht, maar ’s nachts staat het aquarium in een donkere kamer.

a Leg uit hoe fotosynthese in de waterplanten invloed heeft op het zuurstofgehalte in het water gedurende de dag en de nacht.

b Wat kun je doen om ervoor te zorgen dat de vissen altijd voldoende zuurstof hebben?

EXAMENOPGAVEN Bij deze paragraaf kun je oefenen met eindexamenopgaven. Overleg met je docent of je de eindexamenopgave Aardappelen gaat maken.

157

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 157

25/03/2025 14:04


Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese

Bladeren, stengels en wortels 6.4

6.4 Bladeren, stengels en wortels Aan het eind van deze paragraaf kun je:

• • • •

O2

de functies en onderdelen van bladeren benoemen. de functies en onderdelen van stengels benoemen. de functies en onderdelen van wortels benoemen. uitleggen hoe planten hun stevigheid verkrijgen en hoe het transport in de plant verloopt.

Bij deze paragraaf horen de volgende practicumopdrachten:

• •

Vaatbundels Huidmondjes

Overleg met je docent of je deze practica gaat uitvoeren.

STARTOPDRACHT 1

Eetbare planten Er zijn veel planten of onderdelen van planten die je kunt eten. Veel eetbare planten ken je waarschijnlijk wel, maar er zijn ook planten waar je niet meteen aan denkt en die ook eetbaar zijn. Zoek over deze planten meer informatie op en voeg een foto toe. Vul het schema op de bladzijde hierna in.

naam

foto

dovenetel

eetbare deel

smaak

andere functie

bijzonderheden

jonge blaadjes en bloemen

als sla, licht zoet

je kunt er thee van maken

lijkt op een brandnetel, maar prikt niet

zevenblad

158

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 158

25/03/2025 14:04


Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese

naam

foto

eetbare deel

Bladeren, stengels en wortels 6.4

smaak

andere functie

bijzonderheden

paardenbloem

viooltje

brandnetel

THEORIE Het blad

Net als een mens heeft een plant verschillende organen, zoals bladeren, stengels en wortels. Elk van deze organen heeft specifieke functies. Bladeren spelen een belangrijke rol in het leven van de plant. Belangrijke functies zijn:

• • •

fotosynthese; gaswisseling; verdampen van water.

Hoewel bladeren er per plant verschillend uitzien,

hoofdnerf

hebben ze allemaal een aantal basisonderdelen

adertjes

(figuur 1):

•

Bladsteel: hiermee zit het blad vast aan de stengel.

•

Bladnerven: deze zorgen voor het transport van voedingsstoffen en water door het blad. Ze bestaan uit hoofdnerven en zijnerfjes, die

stengel

bladsteel

overgaan in fijne adertjes.

•

Bladmoes: hierin bevinden zich de

1

bladgroenkorrels, die fotosynthese

bladmoes zijnerf

Onderdelen van een blad

mogelijk maken. Ook bevinden zich hier de huidmondjes, die zorgen voor de opname van koolstofdioxide en afgifte van zuurstof.

159

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 159

25/03/2025 14:04


Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese

Bladeren, stengels en wortels 6.4

Als je een blad doorsnijdt, zie je de verschillende weefsels. Deze weefsels bestaan uit lagen en structuren (figuur 2). Enkele belangrijke onderdelen zijn:

• •

Waslaagje: beschermt het blad tegen uitdroging. Huidmondjes: via de huidmondjes vindt gaswisseling plaats. De kleine openingen laten water verdampen en zorgen ervoor dat de plant kan ademen (figuur 3). Als ze gesloten zijn, stopt de fotosynthese.

• • •

Opperhuid: bevat de huidmondjes en beschermt tegen uitdroging en beschadiging. Bladmoes: zoals bij figuur 1 al benoemd. Vaatbundels: deze lopen door het bladmoes en transporteren water en voedingsstoffen naar verschillende delen van het blad.

opperhuid hoofdnerf zijnerf

weefsel met bladgroenkorrels vaatbundel

bladmoes adertjes

stengel bladsteel

2

waslaagje huidmondje

Doorsnede van een blad

gesloten huidmondje

koolstofdioxide zuurstof water open huidmondje 3

Huidmondje

Stengels en wortels

De bladeren van een plant zitten vast aan de stengels. In de stengels komen soms bladgroenkorrels voor. De stengel heeft een aantal belangrijke functies:

•

Het vervoeren van water en mineralen van de wortels naar de bladeren en voedingsstoffen terug naar de rest van de plant.

• •

Het opslaan van reservestoffen, zoals zetmeel. Het geven van stevigheid aan de plant.

De wortels hebben ook een aantal belangrijke functies:

• • •

Het opnemen van water en mineralen uit de bodem via wortelharen. Het vastzetten van de plant in de grond. Het opslaan van reservestoffen die de plant kan gebruiken in tijden van schaarste.

160

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 160

25/03/2025 14:04


Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese

Bladeren, stengels en wortels 6.4

De wortels nemen water en mineralen op uit de bodem via wortelharen (figuur 4). Dit water met mineralen wordt vervolgens door de vaatbundels via de stengel omhoog getransporteerd naar de bladeren.

stengel en bladeren

water en mineralen bodemdeeltjes

wortelharen 4

wortelcellen

Wortels met wortelharen

Wortels bieden ook stabiliteit aan de plant en kunnen reservestoffen opslaan. De wortels bevatten vaak een grote hoeveelheid zetmeel en andere stoffen die als reservestof dienen.

Transport en stevigheid

Het transport in planten vindt plaats via de vaatbundels in de bladeren, de stengel en de wortels (figuur 5). Vaatbundels bevatten twee soorten vaten:

•

Houtvaten: deze lopen van de wortels naar de bladeren en vervoeren water en mineralen. Houtvaten bestaan uit stevige dode cellen die daardoor extra stevigheid aan een plant geven. In de houtvaten beweegt water omhoog dankzij de zuigkracht die ontstaat door verdamping van water uit de bladeren.

•

Bastvaten: deze lopen van de bladeren naar andere delen van de plant en vervoeren energierijke stoffen zoals glucose. Bastvaten bevinden zich aan de buitenkant van de stengel.

vaatbundel

blad:

stengel: vaatbundel

wortel: vaatbundels

161

VIVO 3vmbo K_H6_Planten en fotosynthese.indd 161

27/03/2025 13:08


Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese

Bladeren, stengels en wortels 6.4

Planten zijn stevig door:

•

Waterdruk in de vacuole van de cellen, vooral bij kruidachtige planten. Als de cellen goed zijn gevuld met water, staan de stengels en bladeren stevig overeind. Als er te weinig water is, verliest de plant stevigheid en gaan de stengels en bladeren hangen (figuur 6).

•

Houtstof in houtachtige planten, waardoor de cellen in de stengel steviger zijn.

water in cel celwand

6

Stevigheid door vacuole

WIST JE DAT? Planten kunnen bloeden ABC-planten, zoals de acer (esdoorn), betula (berk) en cornus (kornoelje), zijn populair, omdat ze snel groeien en je tuin mooi maken. Maar in het voorjaar snoeien? Dat kun je beter niet doen. In die periode groeien deze bomen volop. Daarnaast bevatten de stengels van ABCplanten in het voorjaar veel sap. Als je in het voorjaar snoeit, snijd je als het ware in de ‘waterleiding’ van de plant. Hierdoor kunnen de stengels te veel sap verliezen, wat betekent dat de plant ook te veel

Bloedende boom

water verliest. Het is alsof je een lekke kraan hebt die je niet kunt dichtdraaien.

162

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 162

25/03/2025 14:04


Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese

Bladeren, stengels en wortels 6.4

OPDRACHTEN 2

Bladeren De bladeren van planten hebben verschillende onderdelen en functies.

a Noteer in de afbeelding de verschillende onderdelen van het blad. Gebruik de volgende woorden: adertjes | bladmoes | hoofdnerf | stengel | waslaagje| zijnerf

...................

...................

...................

................... ...................

b Bladeren hebben verschillende functies. Welke drie functies zijn het belangrijkst?

■ glucose maken ■ koolstofdioxide maken ■ mineralen opnemen ■ water verdampen ■ water opnemen ■ zuurstof maken c Planten hebben huidmondjes op hun bladeren. Maak de tekst compleet. Kies uit: fotosynthese | huidmondjes | koolstofdioxide | mineralen |open | verdampen | verdamping | water | zuurstof Planten hebben kleine openingen op hun bladeren, de zijn, kan de plant voor het proces van

. Wanneer deze

opnemen uit de lucht. Dit gas is nodig , waarbij de plant glucose maakt.

Tijdens dit proces komt er

vrij, die de plant via de huidmondjes weer

afgeeft aan de omgeving. Het openen van de huidmondjes zorgt ook voor het van

. Deze verdamping helpt om water en

omhoog te

trekken vanuit de wortels naar de bladeren. Wanneer er weinig water beschikbaar is, sluiten de huidmondjes om de

te

verminderen. Op deze manier voorkomt de plant dat hij te veel water verliest en uitdroogt.

163

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 163

25/03/2025 14:04


Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese

3

Bladeren, stengels en wortels 6.4

Bladeren van rietplanten Rietplanten groeien vaak in open gebieden waar de weersomstandigheden grote invloed op de planten hebben. Bij koude oostenwind rollen de bladeren van rietplanten zich op. Dit heeft invloed op de verdamping van water door de huidmondjes van de bladeren. Welke invloed heeft dit op de verdamping van water?

● Er vindt geen verdamping meer plaats. ● Er vindt minder verdamping plaats dan voor het oprollen. ● Er vindt evenveel verdamping plaats als voor het oprollen. ● Er vindt meer verdamping plaats dan voor het oprollen. 4

Functies van stengels Wat zijn de drie belangrijkste functies van de stengels van planten?

5

Herfst In de winter hebben bomen geen bladeren, maar hun stengels en wortels helpen bomen om de koude periode door te komen. Welke twee functies van de stengels en wortels dragen bij aan de overleving van een boom in de winter?

■ De wortels nemen geen water en mineralen op in de winter, omdat de boom geen bladeren heeft.

■ De wortels slaan reservestoffen op, zoals zetmeel, die de boom in de winter van energie voorzien.

■ De stengels slaan water en voedingsstoffen op die direct beschikbaar zijn voor de fotosynthese.

■ De stengels zorgen voor stevigheid bij harde wind en koude temperaturen. 6

Functies van wortels De wortels van een plant hebben verschillende functies.

a Wat zijn de drie belangrijkste functies van de wortels van planten?

b Over welk organisatieniveau gaat het als je de wortels van een plant onderzoekt? Omcirkel het juiste niveau.

cel

weefsel

orgaan

orgaanstelsel organisme

populatie

ecosysteem

biosfeer

164

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 164

25/03/2025 14:04


Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese

7

Bladeren, stengels en wortels 6.4

Wortelharen De wortelharen van een plant hebben ook functies.

a Wat zijn de gevolgen voor de opname van water en mineralen als een plant te weinig wortelharen heeft?

b Wat betekent het voor de groei van een plant als hij te weinig wortelharen heeft?

8

De functie van houtvaten en bastvaten Vaatbundels bevatten twee soorten vaten: houtvaten en bastvaten.

a Leg uit hoe houtvaten bijdragen aan de stevigheid van een plant.

b Wat gebeurt er als er niet genoeg water door de houtvaten kan stromen?

c Wat is de belangrijkste functie van de bastvaten aan de buitenkant van de stengel?

9

Transport in anjers Je gaat ontdekken hoe het transport van water door de vaten van een plant verloopt en hoe dit bijdraagt aan de stevigheid van de plant. Dit heb je nodig:

• • • • • •

witte anjers ecoline twee reageerbuizen reageerbuisrekje snoeischaar water

165

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 165

25/03/2025 14:04


Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese

Bladeren, stengels en wortels 6.4

Dit ga je doen: 1 Werk in een tweetal. 2 Vul één reageerbuisje met water en de ander met een oplossing van water en ecoline. 3 Knip bij minimaal twee anjerstengels de stelen schuin af. 4 Zet de ene anjer in de reageerbuis met water en de andere anjer in de reageerbuis met de ecoline-oplossing. 5 Zet de bloemen weg en kom later op de dag terug naar het lokaal. Neem een foto van de anjers.

a Hoe komt de kleur van de ecoline in de blaadjes terecht?

b Wat denk je dat er gebeurt als een plant geen water meer opneemt?

c Wat zal er gebeuren met de stevigheid van de plant als de vaatbundels beschadigd zijn?

10

Terugkijken Kijk terug op deze paragraaf.

a Hoe heb je de opdrachten per leerdoel gemaakt? Noteer 0, – –, –, + of + +. 0 betekent: niets gemaakt. + + betekent: alles goed. Je kunt ...

opdrachten

score

extra oefenen? (Herhaling en Plus)

1. de functies en onderdelen van bladeren benoemen.

2, 3

H12, H13

2. de functies en onderdelen van stengels benoemen.

4, 5

H13

3. de functies en onderdelen van wortels benoemen.

6, 7

H13, H14, P17

4. uitleggen hoe planten hun stevigheid verkrijgen en hoe het transport in de plant verloopt.

8, 9

H11, P15, P16

b Bekijk je scores van vraag a. Kies minstens één opgave waarmee je nog wil oefenen, nu of in voorbereiding op de toets. TIP Noteer alvast enkele belangrijke begrippen uit deze paragraaf. Die heb je later nodig bij 6.8 Alles in samenhang.

166

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 166

25/03/2025 14:04


Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese

Bladeren, stengels en wortels 6.4

HERHALING EN PLUS Online kun je extra oefenen met Herhaling en Plus. Opdracht 11 en 15 staan ook in je boek.

11

Houtvaten en bastvaten Het transport in planten vindt plaats via de vaatbundels in de stengel en de wortels.

a Vul de ontbrekende woorden in de zinnen in. Kies uit: boven | beneden | buitenkant | binnenkant en liggen aan de

Bastvaten vervoeren het vocht naar

van de

stengel. en liggen aan de

Houtvaten vervoeren het vocht naar

van de

stengel.

b Door welke vaten vindt transport van glucose naar de wortels plaats?

● alleen door de bastvaten ● alleen door de houtvaten ● door de bastvaten en de houtvaten c Wat gebeurt er met het meeste water dat in de bladeren aankomt?

15

Engerlingen In een grasveld zijn engerlingen (larven van kevers) actief en die vreten de wortels van het gras aan. Na een tijdje wordt het gras steeds slapper en begint het bruin te worden. Leg uit hoe het komt dat het gras zijn stevigheid verliest door de activiteit van de engerlingen.

EXAMENOPGAVEN Bij deze paragraaf kun je oefenen met eindexamenopgaven. Overleg met je docent of je de eindexamenopgave Witlof gaat maken.

167

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 167

25/03/2025 14:04


Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese

Bloemen en geslachtelijke voortplanting 6.5

6.5 Bloemen en geslachtelijke voortplanting Aan het eind van deze paragraaf kun je:

• • • •

uitleggen hoe bloemen zorgen voor geslachtelijke voortplanting. de functies van de delen van bloemen benoemen. kenmerken van bloemen met wind- of insectenbestuiving vergelijken. uitleggen wat er gebeurt bij de bevruchting van een zaadplant.

Bij deze paragraaf hoort de volgende practicumopdracht:

•

De bloem

Overleg met je docent of je dit practicum gaat uitvoeren.

STARTOPDRACHT 1

Onderdelen van een tulp Je bekijkt een bloem van dichtbij en noteert kenmerken van de verschillende onderdelen. Dit heb je nodig:

• • •

een tulp papier loep

Dit ga je doen:

• •

Werk in een tweetal. Bestudeer de verschillende onderdelen van de bloem en onderzoek de kenmerken van deze onderdelen.

•

Noteer de kenmerken van de onderdelen in de tabel hierna.

168

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 168

25/03/2025 14:04


Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese

onderdeel

Bloemen en geslachtelijke voortplanting 6.5

kenmerken

kroonblad

meeldraad

stamper

THEORIE De bloem

Bloemen zijn vaak erg mooi om te zien (figuur 1). Ze zijn daarnaast ook noodzakelijk voor de voortplanting van zaadplanten. Ondanks dat bloemen er allemaal verschillend uitzien, bevatten ze wel dezelfde onderdelen (figuur 2). Deze onderdelen hebben elk hun eigen functie:

• •

Kroonbladeren: deze zijn vaak felgekleurd om insecten te lokken. Kelkbladeren: deze zijn meestal groen en bevinden zich vaak aan de onderkant van de bloem. Als de bloem nog in de knop zit, beschermen de kelkbladeren de knop tegen weersinvloeden en insecten.

•

Meeldraden: dit zijn de mannelijke geslachtsorganen. Ze bestaan uit een helmdraad en een helmknop. In de helmknop ontstaan stuifmeelkorrels, de mannelijke geslachtscellen.

•

Stamper: dit is het vrouwelijke geslachtsorgaan. Een stamper bestaat uit de stempel, de stijl en het vruchtbeginsel. Dit vruchtbeginsel bevat eicellen, de vrouwelijke geslachtscellen.

169

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 169

25/03/2025 14:04


Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese

Bloemen en geslachtelijke voortplanting 6.5

Planten hebben dus net als mensen mannelijke en vrouwelijke geslachtscellen. Ook bij planten worden de geslachtscellen gevormd door meiose.

1

Bloemen zijn mooi om te zien.

stempel stijl

meeldraad

stamper kroonblad kelkblad zaadbeginsel

vruchtbeginsel

eicel

2

Doorsnede van een bloem

Bestuiving

Als planten zich geslachtelijk voortplanten, moeten ze elkaar eerst bestuiven. Bij bestuiving komt stuifmeel van de ene bloem op de stempel van een andere bloem van dezelfde soort. Doordat de stempel plakkerig is, blijven de stuifmeelkorrels daarop liggen. Bestuiving kan op verschillende manieren plaatsvinden: door insecten of door de wind.

170

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 170

25/03/2025 14:04


Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese

Bloemen en geslachtelijke voortplanting 6.5

Bij insectenbestuiving vindt bestuiving plaats door insecten. De vaak kleurrijke bloemen bevatten nectar. Insecten zoals bijen, vliegen en vlinders komen op de kleuren af en willen nectar uit de bloem ophalen. De insecten kruipen langs de helmknoppen op zoek naar nectar (figuur 3).

3

Bestuiving door insecten

De stuifmeelkorrels blijven aan de insecten kleven. Als de insecten vervolgens op een andere bloem landen, blijven de stuifmeelkorrels plakken op de plakkerige stempel van de bloem (figuur 4). De bloem is bestoven.

4

Een insect bestuift een bloem.

Insecten zoals bijen zijn dus belangrijk voor bestuiving van bloemen. Het gaat alleen niet goed met de bijenpopulatie. Dit kan negatieve gevolgen hebben voor onze voedselproductie. TIP Als je meer wilt weten over bijen, scan dan de QR-code en bekijk het filmpje.

171

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 171

25/03/2025 14:04


Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese

Bloemen en geslachtelijke voortplanting 6.5

Bij windbestuiving vindt bestuiving plaats door de wind. De bloemen (figuur 5) zijn heel anders dan insectenbloemen. De kroonbladeren zijn meestal klein en onopvallend van kleur (vaak groen). De stempel is vaak groter dan bij insectenbloemen, zodat de kans groter is dat er stuifmeel wordt opgevangen. De stempel en de helmknoppen hangen meestal buiten de bloem. Zo kan de wind de lichte stuifmeelkorrels gemakkelijk wegblazen. Als de stuifmeelkorrels op een stempel

5

Grassen zijn windbloemen.

terechtkomen, is de bestuiving geslaagd.

Bevruchting

Na de bestuiving vindt de bevruchting plaats. Als een stuifmeelkorrel op de stempel komt, dan vormt de stuifmeelkorrel daar een stuifmeelbuis (figuur 6). Deze buis groeit door de stijl naar een zaadbeginsel in het vruchtbeginsel. Zodra de buis het zaadbeginsel heeft bereikt, gaat de kop van de stuifmeelbuis open. De kern van de stuifmeelkorrel kan dan de eicel bereiken en met de eicel versmelten. Dit is bevruchting. Hierbij wordt zaad gevormd, bijvoorbeeld een boon. Dit heet geslachtelijke voortplanting. Rondom het zaadje groeit een vruchtbeginsel dat een vrucht wordt.

stuifmeelkorrel

stempel

stuifmeelbuis stijl

stamper

meeldraad zaadbeginsel vruchtbeginsel

eicel

6

Bevruchting en zaadvorming

In elk zaadje zit een kiem, die kan uitgroeien tot een kiemplantje als het op de juiste plaats terechtkomt (figuur 7).

kiem

7

Een kiemplantje in een boon

172

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 172

25/03/2025 14:04


Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese

Bloemen en geslachtelijke voortplanting 6.5

WIST JE DAT? Sommige orchideeën foppen hun bestuivers De bijenorchidee (Ophrys apifera) lijkt zo sterk op een vrouwtjesbij dat mannetjesbijen proberen te paren met de bloem. Tijdens dit mislukte romantische moment blijft stuifmeel aan het lijfje van de mannetjesbij plakken, die het vervolgens naar de volgende bloem brengt. Zo zorgt de orchidee voor bestuiving zonder nectar aan te bieden. Een slimme truc, toch? De bijenorchidee zonder bij

OPDRACHTEN 2

Voortplantingsorganen Planten hebben net als mensen mannelijke en vrouwelijke geslachtscellen. Kies de juiste woorden. De stamper | meeldraad is een voorbeeld van een mannelijk geslachtorgaan van een plant. In de stamper zitten helmknoppen en helmdraden | vruchtbeginsel en stijl.

3

Meiose Bloemen zorgen voor geslachtelijke voortplanting. Meiose speelt daarin een belangrijke rol.

a Wat gebeurt er tijdens meiose?

b In welke onderdelen van de bloem vindt meiose plaats?

c Waarom kan er geen geslachtelijke voortplanting plaatsvinden zonder meiose?

173

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 173

25/03/2025 14:04


Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese

4

Bloemen en geslachtelijke voortplanting 6.5

Hoe werkt een bloem? Je gaat onderzoeken hoe de onderdelen van een bloem samen voor voortplanting en overleving zorgen. Dit heb je nodig:

• • •

werkblad of kladpapier loep (gebruik eventueel de vaardigheidskaart Werken met een loep) insectenbloem (één per tweetal)

Dit ga je doen: 1 Werk in een tweetal. 2 Je gaat werken aan de volgende onderzoeksvraag: ‘Hoe zorgen de onderdelen van een bloem samen voor voortplanting en overleving?’ (Gebruik eventueel de vaardigheidskaart Natuurwetenschappelijk onderzoek doen).

a Analyseer de bloem. Bekijk de bloem met een loep en bespreek samen de volgende vragen:

•

Lokkers: welke bloemonderdelen trekken insecten aan? Hoe doen ze dat?

•

Beschermers: welke onderdelen beschermen de bloem tegen schade of uitdroging?

•

Voortplanters: welke onderdelen zijn direct betrokken bij het maken van zaden? Hoe herken je die?

b Vergelijk en denk verder. • Wat valt je op aan de vorm, kleur en plaatsing van de verschillende onderdelen?

•

Bedenk samen waarom bloemen in zoveel verschillende vormen en kleuren voorkomen. Welke voordelen heeft dat?

174

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 174

25/03/2025 14:04


Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese

Bloemen en geslachtelijke voortplanting 6.5

c Schrijf een conclusie. Beantwoord in twee zinnen de onderzoeksvraag: ‘Hoe zorgen de onderdelen van een bloem samen voor voortplanting en overleving?’

5

Een appel In de afbeelding zie je een appel.

P Q

a Benoem de onderdelen P en Q. P= Q=

b Hoeveel keer heeft in deze bloem minimaal bevruchting plaatsgevonden? Leg je antwoord uit.

6

Insectenbloemen of windbloemen Gaan de volgende zinnen over insectenbloemen of windbloemen? insectenbloemen | windbloemen

De bloemen zijn meestal klein.

7

De bloemen geuren.

insectenbloemen | windbloemen

De bloemen hebben nectar.

insectenbloemen | windbloemen

De kroonbladeren zijn meestal gekleurd.

insectenbloemen | windbloemen

Er zijn heel veel stuifmeelkorrels aanwezig.

insectenbloemen | windbloemen

De stempels zijn klein.

insectenbloemen | windbloemen

Stuifmeelkorrels Planten die aan windbestuiving doen, maken meer stuifmeelkorrels aan dan planten die door insecten worden bestoven. Waarom is dit?

175

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 175

25/03/2025 14:04


Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese

8

Bloemen en geslachtelijke voortplanting 6.5

Bevruchting bij planten Na bestuiving kan bevruchting plaatsvinden. Hieronder staan vier stappen die plaatsvinden bij de bevruchting van een zaadplant. Zet de stappen in de juiste volgorde. Noteer de nummers 1 tot en met 4 in de vakjes. Het stuifmeel groeit uit tot een stuifmeelbuis die door de stijl naar het vruchtbeginsel groeit. De stuifmeelbuis brengt de zaadcel naar de eicel, waar bevruchting plaatsvindt. Na bestuiving komt een stuifmeelkorrel op de stempel van een bloem terecht. Een zaad ontstaat in het vruchtbeginsel, waaruit een nieuwe plant kan groeien.

9

Bevruchting bij verschillende bloemen Kan bij insectenbloemen en windbloemen bevruchting plaatsvinden?

● A. Alleen bij insectenbloemen, want zij worden door insecten bestoven. ● B. Alleen bij windbloemen, want zij worden door de wind bestoven. ● C. Bij zowel insectenbloemen als windbloemen, want bij zaadplanten vindt bevruchting plaats als een zaadcel samensmelt met een eicel.

● D. Bij geen van beide, want het zijn verschillende typen bloemen met een andere manier van voortplanting.

10

Terugkijken Kijk terug op deze paragraaf.

a Hoe heb je de opdrachten per leerdoel gemaakt? Noteer 0, – –, –, + of + +. 0 betekent: niets gemaakt. + + betekent: alles goed. Je kunt ...

opdrachten

score

extra oefenen? (Herhaling en Plus)

1. uitleggen hoe bloemen zorgen voor geslachtelijke voortplanting.

2, 3

H11, P15

2. de functies van de delen van bloemen benoemen.

4, 5

H13, P17

3. kenmerken van bloemen met wind- of insectenbestuiving vergelijken.

6, 7

H12, P16

4. uitleggen wat er gebeurt bij de bevruchting van een zaadplant.

8, 9

H14

b Bekijk je scores van vraag a. Kies minstens één opgave waarmee je nog wil oefenen, nu of in voorbereiding op de toets. TIP Noteer alvast enkele belangrijke begrippen uit deze paragraaf. Die heb je later nodig bij 6.8 Alles in samenhang.

176

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 176

25/03/2025 14:04


Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese

Bloemen en geslachtelijke voortplanting 6.5

HERHALING EN PLUS Extra oefenen met de stof uit deze paragraaf? Ga online verder met Herhaling en Plus. Herhaalopgave 11 en Plusopgave 15 staan ook in je boek.

11

Een bloem Bloemen hebben verschillende onderdelen, denk bijvoorbeeld aan de meeldraden en de stamper.

a Wat is de functie van bloemen?

b Is er een onderdeel van bloemen niet nodig is bij de voortplanting?

● Ja, dat is de stamper. ● Ja, dat zijn de meeldraden. ● Nee, elk onderdeel van de bloem heeft een functie bij de geslachtelijke voortplanting. 15

Bestuiving in een kas In kassen waar je tomaten kweekt, worden vaak hommels ingezet om de bloemen te bestuiven.

a Wat is de rol van de hommels?

b Wat gebeurt er als de bloemen niet worden bestoven?

EXAMENOPGAVEN Bij deze paragraaf kun je oefenen met eindexamenopgaven. Overleg met je docent of je de eindexamenopgave Nectar gaat maken.

177

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 177

25/03/2025 14:04


Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese

Zaadverspreiding en overleven 6.6

6.6 Zaadverspreiding en overleven Aan het eind van deze paragraaf kun je:

• • • •

de levenscyclus van een plant uitleggen. het verschil tussen eenjarige, tweejarige en vaste planten benoemen. verschillende manieren van zaadverspreiding uitleggen. uitleggen hoe een plant kan overwinteren.

Bij deze paragraaf horen de volgende practicumopdrachten:

• •

Eigenschappen van zaden Esdoornzaad

Overleg met je docent of je deze practica gaat uitvoeren.

STARTOPDRACHT 1

Fantasieplant Verzin een fantasieplant die zijn zaad op een creatieve manier verspreidt. Beschrijf in wat voor soort gebied deze plant staat en waarom hij zich op deze manier voortplant. Hoe zorgt jouw plant voor een goede verspreiding van zijn zaden, zodat hij op verschillende plaatsen kan groeien?

a Maak van de plant een tekening en benoem de onderdelen van de plant.

b Op welke wijze verspreidt jouw plant zijn zaden?

178

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 178

25/03/2025 14:04


Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese

Zaadverspreiding en overleven 6.6

THEORIE Levenscyclus van een plant

Het leven van een plant begint bij het ontkiemen van een zaadje. Hieruit groeit een kiemplantje. Na een periode van groei gaat de plant bloeien. Na bestuiving en bevruchting groeien vruchtbeginsels uit tot vruchten met daarin zaden. De zaden zijn ontstaan uit de bevruchte eicel en bevatten het kiempje. Wanneer de plant een volgende stap van zijn levenscyclus begint, is afhankelijk van de omstandigheden waarin de plant groeit. Dit wordt onder andere beïnvloed door de hoeveelheid zonlicht, de temperatuur en de hoeveelheid water. Bij sommige planten duurt de levenscyclus één jaar, bij andere twee jaren en bij weer andere meerdere jaren. Eenjarige planten vormen zaad in het eerste jaar en sterven daarna af (figuur 1).

1

Viooltjes zijn eenjarige planten die tuinen opvrolijken.

Bij tweejarige planten duurt de levenscyclus twee jaar (figuur 2). In het eerste jaar maakt de plant wortels, stengels en bladeren en legt hij veel reservevoedsel aan. In het tweede jaar vormt de plant bloemen, zaden en vruchten. Hierna sterft de plant af.

2

Duizendschoon is een tweejarige plant, in het tweede jaar bloeit hij uitbundig.

179

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 179

25/03/2025 14:04


Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese

Zaadverspreiding en overleven 6.6

Vaste planten kunnen meerdere jaren zaad vormen (figuur 3). Vaste planten zijn kruidachtig of houtachtig. Bomen en struiken zijn houtachtige vaste planten die erg oud kunnen worden.

3

De hortensia is een vaste plant die ieder jaar weer opnieuw bloeit.

Verspreiding van zaden

Voor het voortbestaan van een plantensoort is voortplanting nodig. Zaadplanten doen dit via zaden. Planten doen vervolgens aan zaadverspreiding, zodat de kiemplantjes ver van de moederplant gaan groeien. Daar ontvangen ze voldoende ruimte, licht en voedingsstoffen.

Verspreiding door wind Sommige planten hebben zaden die licht zijn en de vorm van een pluisje hebben (figuur 4). Andere planten hebben zaden met ‘vleugels’, zoals de zaden van een linde of een esdoorn (figuur 5). Deze vormen zorgen ervoor dat de zaden gemakkelijk door de wind worden verspreid. Zo heeft de plant een groot verspreidingsgebied en komen de zaden op veel verschillende plaatsen terecht.

4

Planten zoals de akkerdistel maken pluisjes die 5 Zaadjes van de esdoorn. Door de speciale vorm van worden meegenomen door de wind. deze zaadjes verspreiden ze zich verder van de boom.

180

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 180

25/03/2025 14:04


Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese

Zaadverspreiding en overleven 6.6

Verspreiding door dieren Sommige planten hebben vruchten die door dieren worden gegeten. Vogels eten bijvoorbeeld bessen (figuur 6). De zaden uit de bessen worden verspreid via de uitwerpselen van deze vogels. Andere planten hebben zaden die blijven plakken aan de vacht van dieren (figuur 7). Zo zorgen deze dieren ervoor dat de zaden op een andere plaats terechtkomen. Planten zoals de kastanje en de eik hebben vruchten die recht onder de ouderplant vallen en door dieren worden verspreid.

6 Een vogel eet een lijsterbes. 7 De zaadjes blijven plakken aan de vacht van dieren en zorgen zo voor verspreiding.

Verspreiding door de plant zelf Er zijn ook planten die de zaden zelf verspreiden. Deze zaden komen onder spanning te staan. Zodra de spanning eraf gaat, schiet het zaad weg uit de vrucht. Soms gebeurt dit bij aanraking door een mens of dier, bijvoorbeeld bij klein springzaad (figuur 8).

8

Klein springzaad schiet zijn zaden weg.

TIP Scan de QR-code en bekijk het filmpje Verhuisplanten als je meer wilt weten over de verspreiding van zaden.

181

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 181

25/03/2025 14:04


Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese

Zaadverspreiding en overleven 6.6

Verspreiding via het water Veel water- en oeverplanten maken gebruik van verspreiding via het water. Hun zaden kunnen op het water drijven (figuur 9).

9

De zaden van een waterlelie verspreiden zich via het water.

Overwinteren

Lage temperaturen en minder zonlicht maken het moeilijker voor planten om te overwinteren. Daarom gaan veel planten in winterrust. Veel bomen en struiken laten hun bladeren vallen. De plant verbruikt hierdoor minder energie en kan zo overleven. Vaak sterven bovengrondse delen van een plant, zoals de stengel en de bladeren, in de winter af. Soms blijven ze in de winter aanwezig, vaak in de vorm van een rozet (figuur 10).

10 Bovengrondse delen die overwinteren in de vorm van een rozet

182

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 182

25/03/2025 14:04


Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese

Zaadverspreiding en overleven 6.6

Sommige planten hebben meer suikers in hun wortels en stengels, waardoor ze niet zo snel bevriezen. Ook slaan veel planten energie op in de vorm van zetmeel in hun wortels of knollen (figuur 11). Tijdens de winter en in het voorjaar kan de plant deze reservestoffen gebruiken.

11 Aardappels zijn knollen die veel zetmeel bevatten.

WIST JE DAT? Maagsap nodig om te ontkiemen Sommige zaden kunnen alleen ontkiemen nadat ze door het spijsverteringskanaal van een dier zijn gegaan. Een goed voorbeeld hiervan is de jeneverbes. De zaden zitten in de blauwe ‘besjes’ die vogels zoals merels en lijsters graag eten. Tijdens de reis door de maag van de vogel wordt het harde laagje rondom het zaad verweekt, waardoor het zaad later beter kan ontkiemen. Na een tijdje poept de vogel het zaadje uit, vaak op een andere plek, en zo krijgt de plant een nieuwe

Cederpestvogel die een jeneverbes eet.

kans om te groeien.

183

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 183

25/03/2025 14:04


Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese

Zaadverspreiding en overleven 6.6

OPDRACHTEN 2

Tweejarige plant Maak de levenscyclus van een tweejarige plant compleet. Verwerk in de tekening de volgende fasen in de juiste volgorde: Kies uit: bloei | groei van de plant | ontkieming | overwinteren | vrucht- en zaadproductie | zaadverspreiding | zaaien ....................................

....................................

....................................

....................................

....................................

.................................... ....................................

3

Levenscyclus De levenscyclus van een plant bestaat uit verschillende stappen.

a Wat gebeurt er als een plant tijdens zijn levenscyclus geen vruchten aanmaakt?

● De plant kan geen nieuwe zaden maken, waardoor er geen voortplanting plaatsvindt. ● De plant slaat deze stap over, maar groeit normaal door. ● De plant stopt met groeien en sterft onmiddellijk. ● De zaden die worden gevormd, zijn niet levensvatbaar. b In het najaar rapen veel mensen tamme kastanjes. Die kun je poffen en vervolgens opeten. Wat gebeurt er als mensen alle vruchten van een plant openbreken en de zaden opeten?

● De plant kan zich niet meer voortplanten, omdat er geen zaden overblijven. ● De plant maakt automatisch nieuwe zaden om het verlies te compenseren. ● De zaden worden door de mensen via hun uitwerpselen verspreid. ● De zaden worden volledig verteerd en dragen niet bij aan verspreiding.

184

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 184

25/03/2025 14:04


Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese

4

Zaadverspreiding en overleven 6.6

Verschillende soorten Planten hebben verschillende levenscycli.

a Wat is het belangrijkste kenmerk van een eenjarige, een tweejarige en een vaste plant?

b Wat zijn voorbeelden van winterharde vaste planten die het hele jaar in de grond blijven? Je mag online informatie opzoeken.

c Hoe kun je half-winterharde eenjarige planten beschermen tegen vrieskou? Je mag online informatie opzoeken.

5

Plantensoorten Bekijk de volgende situaties en kies de juiste plantengroep. 1 Een boer zaait tarwe in de lente en oogst deze tarwe na de zomer. eenjarige plant | tweejarige plant | vaste plant 2 Een tuinier plant wortels in het eerste jaar en oogst ze pas in het tweede jaar. eenjarige plant | tweejarige plant | vaste plant 3 Een struik in het bos bloeit elk voorjaar opnieuw zonder opnieuw te zaaien. eenjarige plant | tweejarige plant | vaste plant

6

Verspreiding door de wind Welke van de volgende aanpassingen helpt zaden het best om door de wind te worden verspreid?

● een glanzend oppervlak dat zonlicht reflecteert ● een harde schil die de zaadkern beschermt ● een plakkerig laagje dat aan dieren kleeft ● een pluim of parachutevorm 7

Mierenbroodjes Viooltjes gebruiken mierenbroodjes om hun zaad te verspreiden. Zoek online op hoe dit werkt en beantwoord dan de vraag. Leg in je eigen woorden uit hoe viooltjes en mieren samenwerken.

185

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 185

25/03/2025 14:04


Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese

8

Zaadverspreiding en overleven 6.6

Overleven in de winter Planten slaan vaak voor de winter energie op in hun wortels en knollen.

a Waarom is het belangrijk voor planten om energie op te slaan in hun wortels of knollen voordat de winter begint?

b Wat zou er kunnen gebeuren als planten niet voldoende reserve-energie opslaan?

9

Planten afdekken Op de afbeelding staat een plant die wordt afgedekt.

Waarom wordt dit gedaan?

● De plant wordt beschermd tegen de kou. ● De plant wordt beschermd tegen de zon. ● De plant wordt beschermd tegen knaagdieren. ● De plant wordt beschermd tegen regen.

186

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 186

25/03/2025 14:04


Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese

10

Zaadverspreiding en overleven 6.6

Terugkijken Kijk terug op deze paragraaf.

a Hoe heb je de opdrachten per leerdoel gemaakt? Noteer 0, – –, –, + of + +. 0 betekent: niets gemaakt. + + betekent: alles goed. Je kunt ...

opdrachten

score

extra oefenen? (Herhaling en Plus)

1. de levenscyclus van een plant uitleggen.

2, 3

H12, H14, P15, P16

2. het verschil tussen eenjarige, tweejarige en vaste planten benoemen.

4, 5

H13, P17

3. verschillende manieren van zaadverspreiding uitleggen.

6, 7

4. uitleggen hoe een plant kan overwinteren.

8, 9

H11

b Bekijk je scores van vraag a. Kies minstens één opgave waarmee je nog wil oefenen, nu of in voorbereiding op de toets. TIP Noteer alvast bij vraag 1b in 6.8 Alles in samenhang wat je in deze paragraaf hebt geleerd.

HERHALING EN PLUS Extra oefenen met de stof uit deze paragraaf? Ga online verder met Herhaling en Plus. Herhaalopgave 11 en Plusopgave 15 staan ook in je boek.

11

Winterse kou Welke strategie helpt een plant om in de winter te overleven?

● De plant slaat extra water op in zijn bladeren om bevriezing te voorkomen. ● De plant vergroot zijn bladeren om tijdens de winter meer zonlicht op te vangen. ● De plant verhoogt zijn fotosynthese-activiteit om meer glucose te produceren. ● De plant vermindert zijn energieverbruik door in winterrust te gaan en slaat energie op in zijn wortels of knollen.

187

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 187

25/03/2025 14:04


Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese

15

Zaadverspreiding en overleven 6.6

Wat te doen zonder bloem? Stel dat een plant niet tot bloei komt, dan kunnen twee stappen uit de levenscyclus niet plaatsvinden.

a Leg uit welke twee dat zijn en waarom deze niet kunnen plaatsvinden.

b Welke gevolgen heeft dit voor de levenscyclus van de plant?

EXAMENOPGAVEN Bij deze paragraaf kun je oefenen met eindexamenopgaven. Overleg met je docent of je de eindexamenopgave De eikenbladroller gaat maken.

188

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 188

25/03/2025 14:04


Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese

Ongeslachtelijke voortplanting 6.7

6.7 Ongeslachtelijke voortplanting Aan het eind van deze paragraaf kun je:

• • •

O2

uitleggen hoe planten zich ongeslachtelijk voortplanten. voorbeelden geven van ongeslachtelijke voortplanting bij planten. het verschil uitleggen tussen ongeslachtelijke en geslachtelijke voortplanting bij planten.

•

het verschil tussen bollen en knollen benoemen.

Bij deze paragraaf hoort de volgende practicumopdracht:

•

Bollen en knollen

Overleg met je docent of je dit practicum gaat uitvoeren.

STARTOPDRACHT 1

Ongeslachtelijke voortplanting Planten kunnen zich ongeslachtelijk voortplanten. Dat heeft voor- en nadelen. Dit heb je nodig:

• •

A4-papier schrijfmateriaal

Dit ga je doen: 1 Werk in een viertal. 2 Verdeel een vel A4 in vier gelijke vakken. 3 Elke leerling beantwoordt een van de vragen en schrijft het antwoord op in een vak. 4 Je mag als groepje overleggen en elkaar helpen.

a Beantwoord de volgende vragen. • Wat is ongeslachtelijke voortplanting?

• •

Noem minimaal vier planten die zich ongeslachtelijk kunnen voortplanten.

189

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 189

25/03/2025 14:04


Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese

Ongeslachtelijke voortplanting 6.7

•

Welke voordelen hebben planten bij ongeslachtelijke voortplanting?

•

Welke nadelen zijn er bij ongeslachtelijke voortplanting?

b Vergelijk je antwoorden met die van een ander groepje. Pas je antwoorden zo nodig aan als je denkt dat dit nodig is.

THEORIE Ongeslachtelijke voortplanting

Planten kunnen zichzelf voortplanten. Kijk maar eens in een natuurgebied zoals een bos. Hier groeien steeds nieuwe planten. Deze ontstaan door geslachtelijke voortplanting. Er vindt bevruchting plaats doordat twee geslachtscellen samensmelten (waarbij DNA van beide ouders samenkomt). Zo ontstaat er een zaadje. Als dat zaadje in de grond terechtkomt, groeit er een nieuwe plant uit. Planten kunnen zich ook zonder geslachtelijke voortplanting voortplanten. Bij ongeslachtelijke voortplanting vindt er geen bevruchting plaats. Uit een deel van een bestaande plant groeit een nieuwe plant. Bij ongeslachtelijke voortplanting vindt mitose plaats. Bij mitose hebben de beide dochtercellen dezelfde erfelijke eigenschappen als de moedercel. Na ongeslachtelijke voortplanting hebben alle nakomelingen hetzelfde genotype als de moederplant. Er zijn verschillen tussen geslachtelijke en ongeslachtelijke voortplanting (figuur 1). geslachtelijke voortplanting

ongeslachtelijke voortplanting

bevruchting

geen bevruchting

verschillende nakomelingen  verschillende genotypen

gelijke nakomelingen  hetzelfde genotype

kleine planten als start

al snel grotere planten

zaadverspreiding

bollen, knollen, uitlopers, wortelstokken

zaaien

stekken, scheuren, enten

kost veel energie en tijd

kost weinig energie en tijd

1

Verschillen tussen geslachtelijke en ongeslachtelijke voortplanting

190

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 190

25/03/2025 14:04


Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese

Ongeslachtelijke voortplanting 6.7

Bollen en knollen

In het voorjaar zie je overal bloemen opkomen. Deze komen vaak uit bloembollen of knollen. Er zijn verschillende soorten bollen en knollen. Sommige kun je eten en sommige zijn gekweekt voor de sier. Bollen die je kunt eten zijn bijvoorbeeld de ui en de knoflook. Bollen die worden gekweekt voor de sier zijn bijvoorbeeld narcissen en blauwe druifjes (figuur 2). Knollen die je kunt eten zijn bijvoorbeeld de aardappel (figuur 3) en de aardpeer. Een bekende bloeiende knol is de dahlia.

2

Narcissen en blauwe druifjes zijn bollen die 3 Aardperen zijn eetbare knollen. uitbundig bloeien.

Een plant maakt bollen of knollen om te overleven in de winter. In zo'n bol of knol zit veel reservevoedsel opgeslagen waardoor de plant in het voorjaar weer kan uitgroeien. Het grootste verschil tussen een bol en een knol is zichtbaar aan de binnenkant. Een bol is opgebouwd uit allemaal verschillende laagjes. Deze laagjes noem je rokken (figuur 4). Eigenlijk zijn het verdikte bladeren waarin de plant voedsel opslaat. Het bevat al het begin van een klein plantje.

4

Dwarsdoorsnede van een ui. De rokken zijn goed zichtbaar.

191

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 191

25/03/2025 14:04


Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese

Ongeslachtelijke voortplanting 6.7

Na de groei- en bloeifase vormen zich een aantal nieuwe bolletjes rondom de oude bol. Op deze manier vermeerdert de plant zich door ongeslachtelijke voortplanting (figuur 5). De nieuwe bollen hebben hetzelfde genotype als de bol waaruit ze zijn gegroeid.

5

De tulp groeit uit één bol en vormt na de bloei nieuwe bollen.

Een knol groeit op een hele andere manier dan een bol. Een knol bestaat uit één vast deel. De plant groeit uit knopjes (ogen) die ontstaan aan de buitenkant. Knollen zijn verdikte wortels waaruit een of meerdere stengels kunnen groeien. De bekendste knol in Nederland is waarschijnlijk de aardappel. Uit een knol groeien een of meer stengels. Tijdens de groei vormen er nieuwe knollen aan de wortels (figuur 6). Uit deze knollen groeien het volgende jaar weer nieuwe planten. Om te zorgen dat ze niet allemaal op dezelfde plaats gaan groeien, maken veel knollen uitlopers (figuur 7) waardoor ze een stukje verderop uitgroeien tot een plant.

6

Vanuit één knol groeit een plant. Aan de wortels van die plant ontstaan nieuwe knollen.

7

Een knol met uitlopers

192

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 192

25/03/2025 14:04


Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese

Ongeslachtelijke voortplanting 6.7

Waarom ongeslachtelijk voortplanten?

Bij geslachtelijke voortplanting ontvangt het zaad eigenschappen van de vader- en van de moederplant. Het zaad krijgt een nieuw genotype. Als kwekers eenmaal een goede plant hebben, willen ze het liefst zoveel mogelijk planten met hetzelfde genotype produceren. Daarom kiezen veel kwekers ervoor om planten ongeslachtelijk te laten voortplanten. Ongeslachtelijk voortplanten heeft een aantal voordelen:

• • •

De nieuwe planten zijn gelijk aan de oude plant in uiterlijk. Je kunt in een korte tijd veel nieuwe planten produceren. Je kunt sterke en gezonde planten krijgen door een gezonde en sterke moederplant te gebruiken.

•

Het kost planten zelf weinig energie en tijd om nakomelingen te produceren.

Een nadeel is dat een mutatie in de moederplant ook altijd wordt doorgegeven aan de nieuwe plant. Naast bol- en knolvorming zijn er verschillende manieren die mensen gebruiken om planten zich ongeslachtelijk te laten voortplanten. Je kunt bijvoorbeeld een stukje van de plant afsnijden en dit opnieuw planten. Dat heet stekken. De plant waarvan je een stukje afsnijdt heet de moederplant. Zo kun je snel aan veel nieuwe planten komen. Bij scheuren haal je een plant uit de grond en splits je de wortelkluit in twee of meer delen. Elk deel bevat wortels en scheuten. Deze plant je weer apart in de grond, zodat ze verder kunnen groeien als nieuwe planten.

WIST JE DAT? Wist je dat aardbeienplanten zichzelf kunnen ‘klonen‘ via uitlopers? Deze lange stengels, die je ook wel ‘runners’ noemt, groeien van de moederplant naar een nieuwe plek, waar ze wortel schieten en een identieke nieuwe plant vormen. Zo maken ze een hele ‘aardbeienfamilie’, zonder ooit een zaadje nodig te hebben. Het is alsof de plant zichzelf

Aardbeienplant met uitlopers

kopieert en een heel netwerk van aardbeienplanten maakt, klaar om overal vruchten te laten groeien.

OPDRACHTEN 2

Ongeslachtelijke voortplanting bij planten Welk proces hoort bij ongeslachtelijke voortplanting?

● bevruchting van eicellen door stuifmeel ● groeien van nieuwe planten uit uitlopers ● verspreiding van stuifmeel door de wind ● vorming van zaden door bloemen

193

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 193

25/03/2025 14:04


Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese

3

Ongeslachtelijke voortplanting 6.7

Hoe dan? Planten hebben verschillende manieren van ongeslachtelijke voortplanting. Kies bij elke uitleg over welke manier van ongeslachtelijke voortplanting het gaat. Kies uit: bollen | knollen | stekken

•

Hierbij wordt een deel van de plant, zoals een takje of blad, afgesneden en in de grond gezet. Dit stuk groeit uit tot een nieuwe plant. Dit is handig, omdat de nieuwe plant precies dezelfde eigenschappen heeft als de ouderplant.

•

Hierbij gebruikt de plant verdikte lagen (rokken) vol reservevoedsel. Elk jaar groeien er nieuwe rokken in de oude. Dit is handig, omdat ze onder de grond goed zijn beschermd en de plant snel kan groeien als de omstandigheden goed zijn.

•

Hierbij groeit een nieuwe plant uit een verdikte stengel of wortel die vol reservevoedsel zit. Knoppen (ogen) vormen nieuwe scheuten die uitgroeien tot planten. Dit is handig, omdat ze een grote hoeveelheid voedsel bevatten die de nieuwe plant energie geeft om te groeien.

4

Voortplanten Hieronder staan vier manieren waarop planten zich kunnen voortplanten. Gaat het om geslachtelijke of ongeslachtelijke voortplanting? Vul het juiste antwoord in. 1 Een aardbeienplant maakt uitlopers die nieuwe plantjes vormen. 2 Een appelboom maakt zaden in de appels, die kunnen uitgroeien tot nieuwe bomen. 3 Een tulp groeit uit een bol die elk jaar een nieuwe plant vormt. 4 Een bonenplant groeit uit een zaadje dat ontkiemt in de grond.

5

Uien Op de foto staat een ui.

P

a Hoe heet het onderdeel dat is aangegeven met de letter P?

b Waarmee is dit onderdeel voornamelijk opgevuld?

194

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 194

25/03/2025 14:04


Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese

6

Ongeslachtelijke voortplanting 6.7

Kastanjebloedingsziekte De kastanjeboom op de foto wordt bedreigd door de kastanjebloedingsziekte. Deze ziekte tast de bast aan en zorgt ervoor dat bomen verzwakken en uiteindelijk sterven. De kastanjeboom kan zichzelf voortplanten door uitlopers te maken vanuit de wortels (ongeslachtelijke voortplanting) of door zaden te laten groeien uit bloemen (geslachtelijke voortplanting).

Welke methode is in deze situatie het best, en waarom?

7

Snel voortplanten Sommige planten kunnen zich snel vermenigvuldigen zonder dat ze bloemen of zaden nodig hebben.

a Hoe doen die planten dat?

b Waarom is het handig voor planten om snel nakomelingen te krijgen als er niets verandert in hun leefomgeving?

c Wat is de naam van de methode waarbij je een deel van een tak of blad afsnijdt om een nieuwe plant te maken?

195

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 195

25/03/2025 14:04


Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese

8

Ongeslachtelijke voortplanting 6.7

Eetbare knollen In deze opdracht onderzoek je de eetbaarheid, voedingswaarde en smaak van verschillende knollen. Dit heb je nodig:

• •

internet eventueel: verschillende eetbare knollen om te proeven TIP Scan de QR-code en kijk op www.voedingswaardetabel.nl om de voedingswaarde van producten op te zoeken.

Dit ga je doen: 1 Werk in een tweetal. 2 Onderzoek welke knollen eetbaar zijn (bijvoorbeeld aardappelen, wortels). 3 Onderzoek de voedingswaarde en smaak van verschillende knollen. Maak een poster waarop je informatie geeft over de verschillende eetbare knollen, hun smaak en voedingswaarde.

9

Bol of knol? Wat is een belangrijk verschil tussen een bol en een knol?

● Een bol is gelaagd, terwijl een knol massief is. ● Een bol slaat geen voedsel op, maar een knol wel. ● Een knol bevat bladeren, terwijl een bol die niet heeft. ● Een knol groeit altijd onder de grond, terwijl een bol altijd boven de grond groeit.

196

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 196

25/03/2025 14:04


Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese

10

Ongeslachtelijke voortplanting 6.7

Terugkijken Kijk terug op deze paragraaf.

a Hoe heb je de opdrachten per leerdoel gemaakt? Noteer 0, – –, –, + of + +. 0 betekent: niets gemaakt. + + betekent: alles goed. Je kunt ...

opdrachten

score

extra oefenen? (Herhaling en Plus)

1. uitleggen hoe planten zich ongeslachtelijk voortplanten.

2, 3

H14, P15

2. voorbeelden geven van ongeslachtelijke voortplanting bij planten.

4, 5

H11

3. het verschil uitleggen tussen ongeslachtelijke en geslachtelijke voortplanting bij planten.

6, 7

H13, P16

4. het verschil tussen bollen en knollen benoemen.

8, 9

H12, P17

b Bekijk je scores van vraag a. Kies minstens één opgave waarmee je nog wil oefenen, nu of in voorbereiding op de toets. TIP Noteer alvast enkele belangrijke begrippen uit deze paragraaf. Die heb je later nodig bij 6.8 Alles in samenhang.

197

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 197

25/03/2025 14:04


Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese

Ongeslachtelijke voortplanting 6.7

HERHALING EN PLUS Extra oefenen met de stof uit deze paragraaf? Ga online verder met Herhaling en Plus. Herhaalopgave 11 en Plusopgave 15 staan ook in je boek.

11

Voorbeelden van ongeslachtelijke voortplanting Vul de juiste woorden in. Kies uit: bollen | knollen | uitlopers | wortelstokken om zich ongeslachtelijk voort te planten.

Aardbeienplanten gebruiken

die onder de grond groeien.

Bij aardappelen ontstaan nieuwe planten uit

die elk jaar naast de oude

Tulpen planten zich voort door middel van groeien. De plant in de afbeelding plant zich voort door middel van

15

.

Grassen Je ziet in een park een groot grasveld. Als je goed kijkt, zie je dat het gras zich niet alleen door zaden verspreidt, maar ook via ondergrondse uitlopers. Daardoor groeit het grasveld steeds verder en wordt het steeds dichter. Waarom is ongeslachtelijke voortplanting via ondergrondse uitlopers een slimme strategie voor gras?

EXAMENOPGAVEN Bij deze paragraaf kun je oefenen met eindexamenopgaven. Overleg met je docent of je de eindexamenopgave Aardappelen gaat maken.

198

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 198

25/03/2025 14:04


Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese

Alles in samenhang 6.8

6.8 Alles in samenhang TERUG NAAR HET GROTE PLAATJE 1

Planten en fotosynthese Dit hoofdstuk hangt samen met twee andere hoofdstukken. Daarnaast bevat het vier hoofdpunten. In paragraaf 1 heb je dit al gezien in het 'grote plaatje'. Je vat nu samen wat je hierover hebt geleerd.

a Wat heb je geleerd over de samenhang tussen Planten en fotosynthese en andere hoofdstukken? Noteer je antwoorden in de vakjes.

H5 Leefomgeving en duurzaamheid: producenten

H9 Ademhalen en verbranden: zuurstof

199

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 199

25/03/2025 14:04


Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese

Alles in samenhang 6.8

b Wat heb je over elk hoofdpunt geleerd? Noteer je antwoorden in de vakjes. Kijk terug naar paragraaf 2 en 6.

Planten zijn aangepast aan hun leefomgeving. Kijk terug naar paragraaf 3 en 4.

Planten doen aan fotosynthese. Kijk terug naar paragraaf 5, 6 en 7.

Planten zijn organismen die zich voortplanten. O2

Kijk terug naar paragraaf 3, 4 en 7.

Planten zijn belangrijk voor andere organismen.

c Je hebt in paragraaf 1 antwoord gegeven op de grote vraag van dit hoofdstuk: Waarom kun je niet zonder planten? Wat is nu je antwoord op de grote vraag? Kijk nog even terug naar je antwoord in paragraaf 1. En kijk ook naar je antwoorden bij opdracht a en b.

VERDER OEFENEN Bij deze paragraaf kun je oefenen met een grote eindexamenopgave. Hierin komt ook stof uit andere hoofdstukken terug. Overleg met je docent of je de eindexamenopgave Spruitjesteelt gaat maken. Maak online de kennistoets en de proeftoets bij dit hoofdstuk.

200

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 200

25/03/2025 14:04


Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese

Examenopgaven 6.9

6.9 Examenopgaven Maak de eindexamenopgaven bij de verschillende paragrafen. Met eindexamenopgaven oefen je de stof op examenniveau en wen je aan de vraagstelling van het eindexamen. Gebruik hierbij de vaardigheidskaart Examenopgaven maken. Kijk achter aan het hoofdstuk voor de hints en uitwerkingen bij elke opgave.

VERSCHILLENDE PLANTEN 1

Wieren Uit: Examen KB 2022-1 Bij het telen van wieren moet rekening gehouden worden met abiotische factoren en biotische factoren in het zeewater, die invloed hebben op de groei.

2p

Geef een voorbeeld van zo’n biotische factor. Leg ook uit hoe deze factor de groei van de wieren beïnvloedt.

201

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 201

25/03/2025 14:04


Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese

Examenopgaven 6.9

FOTOSYNTHESE 2

Aardappelen Uit: Examen KB 2021-1 Petra legt een zak aardappelen in haar keukenkast. In de kast is het donker. Na enkele weken zijn er uit de aardappelknollen witte stengels gegroeid. De aardappelen zelf zijn kleiner en zachter geworden. De binnenkant van de zak met aardappelen is vochtig geworden.

Petra plant de aardappelen met witte stengels in haar tuin. Na enige tijd groeien de witte stengels uit tot nieuwe aardappelplanten.

1p

a De witte stengels hebben tijdens hun groei in de keukenkast een reservestof uit de knollen verbruikt. Welke reservestof is dat?

● glucose ● glycogeen ● vet ● zetmeel 1p

b Het water aan de binnenkant van de zak met aardappelen is gedeeltelijk ontstaan bij een bepaald stofwisselingsproces in de aardappelcellen. Geef de naam van dit stofwisselingsproces.

202

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 202

25/03/2025 14:04


Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese

Examenopgaven 6.9

BLADEREN, STENGELS EN WORTELS 3

Witlof Uit: Examen KB 2021-2 Witlof wordt gekweekt uit witlofwortels. Deze wortels worden in het donker in een bak met water en voedingsstoffen gezet. Aan een wortel groeien dan witte bladeren die samen een kropje vormen. Na drie weken kunnen de witlofkropjes geoogst worden. Wanneer de bak met wortels in het licht wordt gezet, groeien er groene kropjes aan de wortels.

in het donker: witte kropjes

in het licht: groene kropjes

witlofwortels

1p

a Vindt fotosynthese in volledig witte kropjes plaats? En vindt fotosynthese in groene kropjes plaats?

● alleen in volledig witte kropjes ● alleen in groene kropjes ● zowel in volledig witte als in groene kropjes 1p

b Het water in de bak bevat voedingsstoffen die opgenomen worden door de witlofwortels. Nemen de wortels glucose op? En nemen ze voedingszouten (mineralen) op?

● alleen glucose ● alleen voedingszouten ● zowel glucose als voedingszouten

203

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 203

25/03/2025 14:04


Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese

Examenopgaven 6.9

BLOEMEN EN GESLACHTELIJKE VOORTPLANTING 4

Nectar Uit: Examen KB 2021-1 In de afbeelding zie je de bloemen van twee planten. Een van deze planten maakt nectar die door bijen wordt verzameld.

wildemanskruid 1p

haver

Welke van de twee planten maakt nectar? Noteer de naam van de plant. Noteer ook een kenmerk uit de afbeelding waaruit je kunt afleiden dat de plant nectar maakt naam van de plant die nectar maakt: kenmerk uit de afbeelding:

204

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 204

25/03/2025 14:04


Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese

Examenopgaven 6.9

ZAADVERSPREIDING EN OVERLEVEN 5

De eikenbladroller Uit: Examen KB 2021-1 De eikenbladroller is een vlindersoort. In het najaar leggen de vrouwtjes eitjes in de bladknoppen van eikenbomen. In het voorjaar komen rupsen uit de eitjes. De rupsen eten de jonge bladeren en bloemknoppen van de eikenbomen op. Hierdoor blijven de bomen lang kaal en kunnen ze minder goed groeien. Nadat de rupsen vlinders geworden zijn, groeien nieuwe bladeren aan de eikenbomen, maar de eikenbomen kunnen dan geen bloemen meer maken.

Koolmezen voeden zich met de rupsen, maar eekhoorns hebben door de rupsen juist minder voedsel. In het najaar groeien er namelijk voor de eekhoorns geen eikels aan de eerder kaal gegeten eikenbomen. 1p

Eikels zijn de vruchten van de eikenboom. Leg uit waardoor zich geen eikels ontwikkelen aan bomen die in het voorjaar door rupsen kaal gegeten worden.

205

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 205

25/03/2025 14:04


Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese

Examenopgaven 6.9

ONGESLACHTELIJKE VOORTPLANTING 6

Aardappelen Uit: Examen KB 2021-1 Petra legt een zak aardappelen in haar keukenkast. In de kast is het donker. Na enkele weken zijn er uit de aardappelknollen witte stengels gegroeid. De aardappelen zelf zijn kleiner en zachter geworden. De binnenkant van de zak met aardappelen is vochtig geworden.

Petra plant de aardappelen met witte stengels in haar tuin. Na enige tijd groeien de witte stengels uit tot nieuwe aardappelplanten. 1p

Aan de nieuwe aardappelplanten in de tuin van Petra zijn na de zomer weer aardappelknollen gegroeid. Is dit een voorbeeld van geslachtelijke voortplanting of van ongeslachtelijke voortplanting? Leg je anwoord uit.

206

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 206

25/03/2025 14:04


Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese

Examenopgaven 6.9

ALLES IN SAMENHANG 7

Spruitjesteelt Uit: Examen KB 2019-1 Boer Henk teelt spruitjes. Spruitjes zijn knoppen van spruitkoolplanten. Alle andere planten op zijn akker noemt hij onkruid.

1p

a Als er veel onkruid op zijn akker staat, groeien de spruitkoolplanten minder goed. Eén oorzaak is dat spruitkoolplanten door de schaduw van het onkruid minder licht krijgen. Noem een andere oorzaak waardoor spruitkoolplanten minder goed kunnen groeien als er veel onkruid op zijn akker staat.

1p

b Het bestrijden van onkruid is lastig. Onkruid verspreidt zich door zaden en wortelstokken te vormen. In de tabel staan deze twee manieren van voortplanting. Kruis bij elke manier aan of deze manier van voortplanting geslachtelijk of ongeslachtelijk is. geslachtelijk

ongeslachtelijk

voortplanting door zaden

●

●

voortplanting door wortelstokken

●

●

Boer Henk heeft ook last van koolwitjes. Deze vlinders leggen eitjes op spruitkoolplanten. De rupsen die uit de eitjes komen, eten van de bladeren. Boer Henk is blij met sluipwespen, want zij leggen hun eitjes in de rupsen van de koolwitjes. De sluipwesp-larven vreten de rupsen van binnenuit op.

2p

c Met de gegevens uit de informatie kan je een voedselketen met drie schakels maken. Schrijf deze voedselketen op.

207

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 207

25/03/2025 14:04


Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese

Examenopgaven 6.9

HINTS BIJ EINDEXAMENOPGAVEN Verschillende planten

•

Wieren: Biotisch is levend

Fotosynthese

•

Aardappelen: De reservestof is plantaardig.

•

Witlof: Fotosynthese vindt plaats in cellen met bladgroenkorrels.

Bloemen en geslachtelijke voortplanting

•

Nectar: Stuifmeel wordt door insecten verspreid

Zaadverspreiding en overleven

•

De eikenbladroller: Bloemknoppen worden opgegeten.

Ongeslachtelijke voortplanting

•

Aardappelen: Heeft er bestuiving en bevruchting plaats gevonden?

Alles in samenhang

•

Spruitjesteelt: Wat heeft onkruid, net als spruitjes, nodig om te groeien?

•

Spruitjesteelt: Voor geslachtelijke voortplanting zijn stuifmeelkorrels en eicellen nodig.

•

Spruitjesteelt: Een voedselketen begint altijd met een plant

208

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 208

25/03/2025 14:04


Register A

chlorofyl

151

aangeboren aanleg

54

chromosomenpaar

14

aanpassing

83

chromosomenportret

14

aardbeienplant

194

chromosoom

ABC-plant

162

consument

77, 90

abiotische factor

82

cyanobacterie

152

adertje

159

cytoplasma

16

afvaleter

91

albinisme

45

D

alg

138

dampkring

100

alleseter

90

Darwin

65

aspartaam

108

DNA

14, 53

DNA-profiel

53, 55

14

DNA-spoor

53

108

dochtercel

16

bandenpatroon

53

dode natuur

82

bastvat

161

dominant gen

34

bekerplant

143

Downsyndroom

53

bestrijdingsmiddel

100

drager

54

bestuiving

171

B bacterie

insectenbestuiving windbestuiving bevruchting

172

E

172

ecosysteem

24, 173, 191

81

eenjarige plant

139, 180 115, 151

biologische bestrijding

102

eiwit

biomassa

93

energie

biotechnologie

150

107

erfelijke eigenschap

moderne biotechnologie

108

erfelijke variatie

14, 34 45

oude biotechnologie

107

erfelijkheidsonderzoek

54

biotische factor

82

evolutie

62

bladgroenkorrel

151

evolutionaire stamboom

65

bladmoes

159

bladnerf

159

F

hoofdnerf

159

fenotype

zijnerf

159

fokken

bladsteel

159

forensisch onderzoek

152

fossiel

63

fossiele brandstof

100

blauwalg bol

139, 192

bouwstof

151

brandstof

151

broeikaseffect

100

C cactus celdeling

140 16, 138

fotosynthese

16, 34 45 53, 55

115, 150

G gaswisseling

160

gemeenschappelijke voorouder

65

gen

15

genetisch advies

54

16

genetische modificatie

108

cellulose

151

genotype

16, 34, 191

chemische stof

44

geslacht

26

gewone celdeling

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 209

25/03/2025 14:04


geslachtelijke voortplanting 140, 191

levensgemeenschap

82

geslachtscel

loofboom

139

24, 171

geslachtschromosoom

24

X-chromosoom

26

M

Y-chromosoom

26

meeldraad

gewone celdeling

16

meiose

102

mimicry

83

115, 150

mitose

16, 191

giftige stof glucose

170 25, 171

gras

139

moderne biotechnologie

108

groeifactor

142

moedercel

16

groen dak

101

moederplant

181

grote staartvin

45

mutatie

44

gunstige eigenschap

45

H

negatieve mutatie

45

positieve mutatie

45

hechtwortel

142

N

helmdraad

170

naaldboom

helmknop

170

natuurlijke selectie

heterozygoot

34

nectar

172

hielprik

54

negatieve mutatie

45

homozygoot

34

NIPT

53

hoofdnerf

159

houtstof

162

O

houtvat

161

omgevingsfactor

huidmondje

160

ongeslachtelijke voortplanting

I insectenbestuiving

172

J jeneverbes

184

K

139 45, 64

16 140, 191, 194

opperhuid

160

orchidee

174

oude biotechnologie

107

overerven

33

overwinteren

183

P

kanker

44

piekenpatroon

kelkblad

170

piramide van aantallen

kerndeling

16

plaats delict

53, 55

kiem

173

planteneter

90

kiemplantje

173

plasmagroei

16

populatie

klimaatverandering

101

positieve mutatie

klimplant

142

prenataal onderzoek

klonen

109

producent

knol

139, 193

koolstofdioxide

101, 116

53 92

63, 82 45 53 77, 90

R

koolstofkringloop

116

recessief

34

kroonblad

170

reducent

77, 91, 115

kruisingsschema

35

reductiedeling

25

kunstmatige selectie

45

reservestof

151

rozetvormende plant

140

runner

194

L leefomgeving

77

levenscyclus

180

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 210

25/03/2025 14:04


S

ongeslachtelijke

scheuren

194

scholekster

83

vruchtbeginsel

170

sekse

26

vruchtwaterpunctie

53

soort

63

spock1gen

46

W

sporenplant

139

waslaagje

160

stadsherder

117

waterdruk

162

stamboom

34

waterplant met drijvend blad

141

stamper

170

windbestuiving

172

stekken

194

winterrust

183

stempel

170

wortelhaar

161

stengel

160

stijl

170

X

strandkrab

63

X-chromosoom

stuifmeelbuis

173

stuifmeelkorrel

171

Y

suiker

151

Y-chromosoom

T

voortplanting

140, 191, 194

26

26

Z

transgeen

109

zaad

173

tumor

44

zaadbeginsel

173

zaadplant

139

zaadverspreiding

181

tweejarige plant

139, 180

U

zetmeel

uitloper

193

V vaatbundel

160

vacuole

162

vaste plant

139, 140, 181

verbranding

115, 152

veredelen verspreidingsgebied

151, 160

zijnerf

159

zweefvlieg

83

45 83, 181

versterkte broeikaseffect

101

vervuiling

100

verwant

65

verwantschapsonderzoek

53

vet

151

vleeseter

90

vlokkentest

53

voedingsstof

151

voedselketen

90

voedselpiramide

92

voedselpiramide van aantallen 92 voedselpiramide van biomassa 92 voedselweb

91

voorjaarsbloeier

140

voortplanting

140

geslachtelijke voortplanting

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 211

140, 191

25/03/2025 14:04


9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 212

25/03/2025 14:04


Knipblad bij startopdracht paragraaf 4.6

DNA-kaart eigenschappen

variatie

natuurlijke haarkleur

blond

profiel

bruin rood zwart natuurlijke haarstructuur

krul slag steil

natuurlijke oogkleur

blauw bruin groen grijs

kuiltje

in kin in wangen

tongrollen

kan tongrollen kan niet tongrollen

oorlellen

vastgegroeid loshangend

sproeten

veel weinig geen

lichaamslengte

onder 1.60 m tussen 1.60 m en 1.70 m boven 1.70 m

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 213

25/03/2025 14:04


Illustratieverantwoording © Getty Images / Vittorio Ricci 6 © Shutterstock, Marjolein Luiken 8, 76 © Shutterstock / Drazen Zigic 8 © Shutterstock / Marian Fil 9 © Wikipedia 10, 69 © TM 11, 26, 32, 37-39, 42, 44, 45, 47, 49, 57, 64, 65, 68, 71, 78, 90, 91-93, 94, 96, 100, 102, 115-117, 150, 152, 159, 160 © Shutterstock / AI Generator 12 © Shutterstock / OlegD 13 © Gemma Stekelenburg 14-17, 24, 25, 34-36, 41, 44, 54, 62, 82, 161, 162, 171 © Shutterstock 15-17, 19, 32, 33, 53, 44, 45, 47, 49, 64, 65, 68, 71, 78, 9093, 96, 102, 107, 115-117, 121, 132, 159, 160, 173, 193 © Shutterstock / Kallayanee Naloka 21 © Shutterstock / Thanhnguyenphotography 22 © Shutterstock / Pavaphon Supanantananont 28 © Shutterstock / ONYXprj 28 © ANP / Vidiphoto 29 © Shutterstock / Panumas Yanuthai © Shutterstock / Ellis Berankova 32 © Shutterstock / tratong 43 © Shutterstock / Ken Griffiths | © Shutterstock / Novajzna 49 © Shutterstock / MandriaPix 52 © Getty Images / Oliver Helbig 61 © Shutterstock / Dima Moroz | © Shutterstock / Puwadol Jaturawutthichai 63 © Getty Images / Eric Hepp 63 © Shutterstock / Aleksei Verhovski 68 © Shutterstock / jo Crebbin 74 © Shutterstock / Panumas Yanuthai 76, 99 © Shutterstock / David Savile 77 © Shutterstock / NetPix 80 © Shutterstock / D-VISIONS 81 © Shutterstock / dinotayuyus 83 © Shutterstock / Archaeopteryx Tours 83 © Shutterstock / Catstyecam 83 © Shutterstock, Getty Images, Shutterstock 85 © Shutterstock / aricancaner 86 © Shutterstock / Bouke Atema, Brian E Kushner 86 © Shutterstock / Henner Damke 87 © imago images / R. Kistowski / wunderbare-Erde 88 © Rogier Trompert 26, 91 © Shutterstock / Chris Moody 92 © Shutterstock / RussieseO 94 © Shutterstock / Albert Beukhof 95, 114 © Shutterstock / Melnikov Dmitriy 98 © Shutterstock / Fotokostic 100 © ANP / Huisman Media 101 © Shutterstock / Rene Notenbomer 101 © Shutterstock / Tunatura Shutterstock / D. Kucharski K. Kucharska 102 © Shutterstock / Tote 104 © Shutterstock / Tomasz Klejdysz 104 © Shutterstock / otsphoto 108 © Shutterstock / Miljan Zivkovic 108 © Shutterstock / uladzimir zgurski 109 © ANP / Hans van Rhoon 117 © Cito 127 © Shutterstock / Oleksandrum 130 © Shutterstock / Panumas Yanuthai | © Shutterstock / Vladislav Havrilov 132 © Shutterstock / Miguel Angel RM 133 © Shutterstock / Brian A Jackson 135 © Shutterstock / FabriGallo_WildChicken 137 © Shutterstock / Dhesi Andra 138 © Shutterstock / Iris Petrovic 139 © Shutterstock / Licvin 139 © Shutterstock / LHBLLC 140 © Shutterstock / Zenobia Southcombe 140 © Shutterstock / MNStudio 141 © Shutterstock / juerginho 141 © Shutterstock / Wiert nieuman 142 © Shutterstock / IvanaStevanoski 142 © Shutterstock / Delpixel 142 © Shutterstock / sebloe 143 © Shutterstock / Jeff Holcombe 143

9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 214

© Getty Images / iStock / seven75 144 © Shutterstock / Julia Sudnitskaya 145 © Shutterstock / Barbol 148 © Shutterstock / yusufdemirci 150 © Shutterstock / ifiStudio 151 © Shutterstock / Sinhyu Photographer 151 © Shutterstock / Kletr 152 © Shutterstock / Shutter Essence 155 © Shutterstock / Peter Hermes Furian 158 © Shutterstock / Zhabska T. 160 © Shutterstock / Kaentian Street 162 © Shutterstock / kukuruxa 169 © Shutterstock / rudolfgeiger 171 © Shutterstock / Lima_84 172 © Shutterstock / Nairit Roy 173 © Shutterstock / Andi111 174 © Shutterstock / Tanya_mtv 176 © Shutterstock / Katho Menden 179 © Shutterstock / Kabar 180 © Shutterstock / Alexey Medvedniko 180 © Shutterstock / Mariola Anna S 181 © Shutterstock / olko1975 | © Shutterstock / AlessandroZocc 181 © Shutterstock / Konstantin Dem 182, 192 © Shutterstock / Kateryna Puchka 182 © Shutterstock / Andreas von Mallinckrodt 182 © Shutterstock / Kginger 183 © Shutterstock / Dan4Earth 183 © Shutterstock / New Africa 184 © Shutterstock / Thomas Stanton 184 © Shutterstock / S.O.E 187 © Shutterstock / FotoDuets 190 © Shutterstock / Rhoenbergfoto | © Shutterstock / NetPix 192 © Shutterstock / Yeti studio 192, 195 © Shutterstock / nednapa 193 © Shutterstock / Elena Masiutkina 194 © Shutterstock / Jizu 196 © Shutterstock / pundapanda 19

25/03/2025 14:04


9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 212

25/03/2025 14:04


9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 212

25/03/2025 14:04


9789006731170 VIVO 3vmbo K_B.indb 212

25/03/2025 14:04


BIOLOGIE 3 VMBO-K DEEL B

B

Vi·vo - ik leef; levend Bij biologie leer je over alles wat leeft. Over hoe planten, dieren en mensen in elkaar zitten én hoe zij met elkaar samenleven. Ook jij leeft. Dus biologie gaat ook over jou. Met Vivo kom je alles te weten over het leven in jou en om jou heen.

De biologie van je leven

BIOLOGIE 3 VMBO-K DEEL B NAAM KLAS

versie 1.1

LJ3vmbo-K_omslagen_vivo.indd 1

9 789006 731170

25/03/2025 16:48


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook