Issuu on Google+

Bewusteloos Duelleren Het toepassen van onbewuste processen binnen de schermsport door: Alexander J. Moraru & J Divendal

Korte Samenvatting Het leren van motorische vaardigheden is binnen de schermsport erg belangrijk. In de wetenschap zijn er op dit gebied een aantal ontdekkingen gedaan, die in de praktijk toegepast kunnen worden. Deze ontdekkingen hebben voornamelijk te maken met leren op een onbewust niveau. Deze methoden blijken vaak betere leerresultaten op te leveren, op het gebied van de snelheid van leren of de robuustheid tegen verstoringen, zoals mentale stress en vermoeidheid. Er zal gekeken worden naar de positieve effecten op het leerresultaat en prestatie van een externe focus, impliciet leren en differentieel leren.

Het bewustzijn en het onbewuste Het bewustzijn en onbewuste zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Toch is het soms handig om hier een onderscheid in te maken. Het bewustzijn is de aandacht die we bewust kunnen richten, en het onbewuste zijn alle processen die automatisch geregeld worden. Bewegingen die onbewust uitgevoerd kunnen worden zijn vloeiend en snel, terwijl bewegingen die op een bewust niveau worden uitgevoerd zijn houterig en langzaam. Het is dan ook niet verbazend dat het onbewuste een veel grotere informatieverwerkingscapaciteit heeft dan het bewustzijn. Volgens Dijksterhuis (2007) is dit zelfs maximaal 60 bits/s voor het bewustzijn, en 11,2 miljoen bit/s voor het onbewuste. Uiteindelijk is het de bedoeling dat de schermer zijn bewegingen onbewust kan uitvoeren zodat zijn bewuste aandacht vrij is voor andere taken. Het oude idee is dat een beweging geautomatiseerd wordt door hem eerst bewust aan te bieden, waarna deze langzaam steeds automatischer uitgevoerd kan worden. Door de relatief kleine verwerkingscapaciteit van het bewustzijn gaat dit slechts op een erg inefficiĂŤnte manier. Juist door de bewegingen zo snel mogelijk aan het onbewuste te presenteren, kan er een optimale leerprestatie geboekt worden.

Aandacht Tijdens het leren en het uitvoeren van bewegingen kan de aandacht op verschillende punten gericht worden. Hierbij kunnen we onderscheid maken tussen interne en externe focus. Een belangrijke meta-studie hiernaar is die van Wulf en Prinz (2001). Hieruit komt eenduidig naar voren dat een externe focus superieur is aan aan interne focus. Zowel op het gebied van instructie geven als op het gebied van feedback lijkt de regel op te gaan, dat hoe verder een de focus van het lichaam verwijderd is, hoe beter het resultaat. Deze uitkomsten werden verklaard door middel van de constrained action hypothesis. Volgens deze hypothese hebben mensen, die zich richten op hun bewegingen of effecten daarvan dicht bij hun lichaam, meer de neiging de bewegingen actief te controleren, dan mensen die zich richten op een effect dat verder van hen is verwijderd. Juist het bewust controleren lijkt er voor te zorgen dat de coĂśrdinatie wordt beperkt. Een voordeel van het richten van de aandacht op het effect van de beweging is dus, dat het onbewuste sturingsprocessen de bewegingen laat controleren, die nodig zijn om dit effect te bewerkstelligen, wat resulteert in een betere prestatie en leerresultaat.


Kennis Kennis kan zowel impliciet als expliciet zijn. Expliciete kennis bestaat uit feiten en regels waarvan we ons specifiek bewust zijn en daarom onder woorden kunnen brengen. Impliciete kennis, daarentegen, bestaat uit de dingen die we ‘weten’ maar waar we ons toch niet bewust van zijn, waardoor we die kennis dus ook niet onder woorden kunnen brengen en kan dus beschouwd worden als onbewuste kennis. Als een beweging eerst expliciet is aangeleerd (er is expliciete kennis over aanwezig) en later is geautomatiseerd (er is impliciete kennis ontstaan) dan hebben mensen de neiging om onder druk terug te grijpen op de expliciete (bewuste) uitvoering van beweging, waardoor de prestatie van de beweging achteruit gaat. Dit is volgens de herinvestering van explicite kennis theorie van Masters (1992) een van de dingen die gebeurt tijdens 'chocking under pressure'. Door een beweging direct impliciet aan te leren wordt er voorkomen dat er kan worden teruggegrepen op expliciete kennis. Impliciete leermethoden zorgen voor een stabiel leerresultaat onder mentale stress (Masters 1992), anaerobe uitputting (Poolton et al. 2007), aerobe uitputting (Masters et al. 2008), en tijdens het maken van complexe beslissingen in beperkte tijdspanne (Masters et al. 2008). We kunnen drie verschillende methoden van impliciet leren onderscheiden: Leren met een dubbeltaak, analogie leren en foutloos leren. Tijdens het leren met een dubbeltaak wordt het bewustzijn afgeleid met een cognitieve taak, zoals het tellen van signalen. Hierdoor is er geen mogelijkheid voor het bewustzijn om de beweging te analyseren en tot zich te nemen en kan de beweging alleen nog maar op onbewust niveau geleerd worden. Met analogie leren wordt de beweging uitgelegd door middel van een biomechanische metafoor. Het is als het ware een explicite regel die de gehele beweging kan uitleggen. Bijvoorbeeld in stelling staan, alsof je op het puntje van een stoel zit. Het idee van foutloos leren, is het steeds het punt opzoeken waarop alle bewegingen nog net goed uitgevoerd kunnen worden. Doordat er geen fouten worden gemaakt, hoeven er geen bewuste correcties worden uitgevoerd, die tot expliciete kennis kunnen leiden.

Variatie Wat variatie betreft, is er altijd vanuit gegaan dat, om een beweging goed te leren deze heel vaak herhaald moet worden. Hierbij wordt er vanuit gegaan dat er slechts een ideale manier is om de beweging uit te voeren en dat door veel te herhalen of drillen en fouten te corrigeren deze ideale beweging gerealiseerd kan worden. Nieuwe inzichten laten echter zien dat er zelfs in topsport een hoge mate van variatie van beweging tussen personen is (Schöllhorn en Bauer 1998). De vraag is dus of er naar een algemeen ideaal bewegingspatroon gestreefd moet worden.

Hypothetical graph for the unification of several learning approaches uit Schöllhorn et al. (2009)


In de laatste jaren is er een kwalitatief nieuwe manier van oefenen ontwikkeld: Differentieel leren (Schöllhorn et al 2009, en Frank et al. 2008). Hoewel deze methode nog in de kinderschoenen staat is hij erg veelbelovend. Differentieel leren stapt helemaal van het idee van een bewegingsideaal af. Door zo veel mogelijk variatie aan te bieden binnen het bewegingsdoel en zelfs de zogenaamde fouten te laten maken kan de sporter verkennen welke mogelijkheden er zijn, waarna zijn lichaam zelf opzoek gaat naar de efficiëntste manier van bewegen voor hem. Binnen de context van differentieel leren bestaan er dan ook geen fouten, alleen maar fluctuaties en verkenningspogingen. Tevens zijn er geen blauwdrukken voor ideale technische uitvoeringen van bewegingen. Differentieel leren gaat uit van een proces van ‘neurale zelforganisatie’ om een nieuw bewegingspatroon te laten ontstaan. De optimale uitvoeringswijze ontwikkeld zich autonoom op een voor het individu kenmerkende wijze. Verder is de overgang in de bewegingspatronen van de atleet onderhevig aan een ‘niet-lineaire fase transitie’ d.w.z onder invloed van aanzienlijke fluctuaties in uitvoering. Deze fluctuaties zijn toevallig van aard en verschaffen de informatie die nodig is om te komen tot een nieuw bewegingspatroon. Schöllhorn spreekt van “toevoegen van ruis” doormiddel van variatie waarmee de beschikbare informatie over de optimale uitvoeringwijze wordt versterkt en daardoor beter detecteerbaar is. Ondanks dat er nog relatief weinig onderzoek naar gedaan is lijkt deze manier van oefenen betere resultaten op te leveren op gebied van snelheid van leren en retentie, ten opzichte van het herhalen, en bijschaven van een zogenaamd bewegingsideaal (Beckman en Schöllhorn 2003).

Graphic representation of learning curves for differential and traditional learning: based on Beckman and Schöllhorn (2003)

Volgens Beek (2011) zijn er drie aangrijpingspunten voor het aanbrengen van variatie in het kader van differentieel leren: de taak, de omgeving en de individu. Binnen onze vereniging werken wij met deze drie termen en hebben er 1 toegevoegd:  De taken (contextuele interferentie),  Het bewegingsdoel  De omgeving,  De individu


De taken (contextuele interferentie), Contextuele interferentie stelt het belang centraal van random variëren van situaties in trainingen. Het: Hoe?-Wat?-Waarom?-Waar? Wie? van de schermacties als integrale uitvoeringselementen en in random volgorde. Strategische keuzes staan hier in principe los van, maar kunnen wel geïntegreerd worden. Bij contextuele interferentie staat centraal het zogenaamde CI-effect. (Contextuele Interferentie effect) Dit, door meerdere wetenschappers, aangetoonde positieve effect op prestaties in de retentieperiode zou veroorzaakt worden door sterk afwisselen van de oefentaken van sporters. Verbetering tijdens het oefenen is in dit leerconcept geen indicatie voor werkelijke vooruitgang. Oefenen is interfereren en d.m.v. variatie dus ook verstoren van oefensituaties om later effect te zien in situaties dat de atleet zelfstandig moet ageren en onder druk. Er zijn wel meerdere niveau’s van variatie mogelijk. Een hoge variatie lijkt vooral geschikt voor ervaren atleten. De oorzaak van het CI-effect is nog niet overtuigend bewezen. Sommigen beweren dat het zou ontstaan doordat bij een hoge variatie de sporter een doelmatigere focus creëert en relevante informatie uit de omgeving destilleert en daarmee ook een betere geheugenprestatie veroorzaakt. Deze verklaring wordt de bewerkingshypothese genoemd. Een andere verklaring die door wetenschappers geopperd wordt is de zogenaamde actie-plan-hypothese, die oppert dat het leervoordeel veeleer is gelegen in het feit dat het lerende individu bij elke nieuwe poging een nieuw actieplan moet opstellen omdat eerder actieplannen geheel of gedeeltelijk verloren zijn gegaan door de contextuele interferentie omdat hetzelfde aanbod niet herhaald wordt. Hierdoor ontstaat een impliciet geleerde, en robuust in het brein verankerde, vaardigheid die zowel de prefrontale cortex (waar bewegingen geland worden) als de motorische cortex (waar bewegingen uitgevoerd worden) optimaal uitdaagt. Zie voor meer info: Sportgericht nr.5/2011 – jaargang 65 Het bewegingsdoel Het bewegingsdoel kan ook een variant zijn in het concept van differentieel leren. Het lijkt de trainersstaf van HS dat met name bij ervaren atleten die een marginale verbetering nodig hebben (omdat hij of zij net niet de taak goed uitvoert) in een bepaalde situatie doormiddel van grote fluctuaties in de uitvoering door bijvoorbeeld pogingen opzettelijk: te missen, te hard te voeren, te laat of te vroeg te starten, en via het oefenprincipe van overcompensatie in de uitvoeringen een soort ‘reset’ veroorzaakt kan worden in de neurale organisatie van een bepaalde actie-situatie. Met het oefenen van de ideale uitvoeringen lijkt geen verbetering meer mogelijk omdat deze teveel op de bestaande foute uitvoering lijkt. De omgeving Variatie aanbrengen in de omgeving zou een ander element kunnen zijn waarmee de hersenen extra kunnen worden uitgedaagd. Dit zou bereikt kunnen worden door bijvoorbeeld de ondergronden waarop getraind wordt te variëren d.m.v. verhogingen of onstabiele ondergronden of door harde muziek te draaien of het licht in de ruimte te doseren. Schöllhorn liet kogelstoter Valentiner werken met worpen springend van verhogingen of op een hinkelbaan. In Pisa werkt maestro Antonio Di Ciolo met lessen en andere oefeningen op banken en verhogingen. De individu Variatie in de toestand van de atleet kunnen als variant worden toegevoegd. Te denken valt aan het veroorzaken van duizeligheid door ronddraaien of erge vermoeidheid. De atleet kan de opdracht krijgen om ogen gesloten te houden of zich als een dronken, slappe of extreem gespannen individu te gedragen. Ademhalingsinvloeden kunnen worden toegepast of bewegingsbeperkingen als op één been. Kortom alles om de beleving van de atleet te veranderen en zodoende nog meer de hersenen te stimuleren.


Video -Differentieel kogelstoten Peter Valentiner: http://www.youtube.com/watch?v=U2AMfyyUt5c - Voordracht over differentieel leren (Duits). http://www.youtube.com/watch?v=1hZo18LYflk -Uitleg van werkwijze bij differentieel leren. Welke observaties en interventies worden gedaan? Alexander Moraru 2013: http://www.youtube.com/watch?v=U0LsufnhZPc -Korte uitleg expliciet en impliciet leren in cricket (Engels) http://www.youtube.com/watch?v=ctFmp_TQqkI&feature=related - The inner game of tennis Timothy Gallwey 1974 (Engels) Inspirerend verhaal van één van de vaders van de sportpsychologie over ondermeer onbewuste processen van leren http://www.youtube.com/watch?v=SUdTxXkecr8&feature=related -Maestro Livio Di Rosa: grondlegger van het moderne floretschermen legt uit over leren zonder uitleg. Beelden uit 1985: http://www.youtube.com/watch?v=SClnPrhUOss

Literatuur Beek, P.J. (2011). 'Nieuwe, prakitsch relevante inzichten in techniektraining, Motorisch leren: het belang van random variaties in de uitvoering (deel 5)' Sportgericht nr. 6/ 2011 – 65 Dijksterhuis, A. (2007). 'Het slimme onbewuste' uitgeverij Bert Bakker, ISBN 978 90 351 2968 9, pp 9-28 Frank, T.D., Michelbrink, M., Beckmann, H., Schöllhorn, W.I. (2008). 'A quantitative dynamical systems approach to differencial learning: self-organization principle and order parameter equations' Biol Cybern, 98:19-31 Masters, R.S.W. (1992) 'Knowledge, knerves and know-how: The role of explicit versus implicit knowledge in the breakdown of a complex motor skill under pressure' British Journal of Psychology, 83, 33433-358 Masters, R.S.W., Poolton, J.M., Maxwell, J.P. (2008). 'Stable implicit motor processes despite aerobic locomotor fatigue' Consciousness and Cognition 17, 335-338 Masters, R.S.W., Poolton, J.M., Maxwell, J.P., Raab, M. (2008). 'Implicit Motor Learning and Complex Decision Making in Time-Contrained Enviroments' Journal of Motor Behavior, 2008, Vol. 40, No. 1, 71-79 Poolton, J.M., Masters, R.S.W., Maxwell, J.P. (2007). 'Passing thoughts on the evolutionary sability of implicit motor behaviour: Performance retention under physiological fatigue' Consciousness and Cognition 16, 456-468 Schöllhorn, W. I., and Bauer, H. U. (1998). Identifying individual movement styles in high performance sports by means of self-organizing Kohonen maps. In H. J. Riehle, and M. Vieten (Eds.), Proceedings of the XVI Congress of the ISBS, 1998 (pp. 754–557). Konstanz: Konstanz University Press. Beckmann H, Schöllhorn W (2003) 'Differential learning in shot put.' In: Schöllhorn WI, Bohn C, Jäger JM, Schaper H, Alichmann M (eds) European workshop on movement sciences. Sport & Buch Strauß, Cologne pp 68–68 Schöllhorn, W.I., Mayer-Kress, G., Newell, K.M., Michelbrink, M. (2009) 'Time scales of adaptive behavior and motor learning in the presence of stochastic perturbations.' Human Movement Science 28 (2009) 319–333 Wulf, F., Prinz, P. (2001). 'Directing attention to movement effect enhances learning: A review'. Psychonomic Bulletin &Review, 2001, 8 (4), 648-660.


Samenvatting onbewustduelleren