Volkskunde 124 - 2023:3

Page 1


124e jaargang – 2023 | 3 (aug. - dec.)

tijdschrift over de cultuur van het dagelijks leven

ISSN 0042-8523

Uitgegeven met steun van de Vlaamse overheid, de Universitaire Stichting van België, het Vera Himlerfonds en Musea en Erfgoed Antwerpen vzw

Redactie: lic. Paul Catteeuw (redactiesecretaris; Kontich), dra. Sofie De Ruysser (Antwerpen), prof. dr. Hester Dibbits (Amsterdam), prof. dr. Sophie Elpers (Arnhem), dra. Roselyne Francken (Antwerpen), prof. dr. Hans Geybels (Leuven), prof. dr. Marc Jacobs (Brugge), prof. dr. Maarten Larmuseau (Kessel-Lo), prof. dr. Theo Meder (Almere), dra. Jorijn Neyrinck (Brugge), dra. Hilde Schoefs (Bilzen), prof. dr. Annick Schramme (Berchem), dra. Els Veraverbeke (Gent), prof. dr. Johan Verberckmoes (Heverlee)

Verantwoordelijke uitgever: dr. Jur. Paul Peeters (’s-Gravenwezel/Schilde), lic. Sigrid Peeters (Oelegem/Ranst)

Beeld- en eindredactie: Paul Catteeuw & Johan Verberckmoes

Adressen

Redactie: J.B. Reykerslaan 28, 2550 Kontich, redactie@volkskunde.be

Beheer-Uitgeverij: vzw Centrum voor Studie en Documentatie, Gillès de Pélichylei 97, 2970 ’s-Gravenwezel (Schilde), info@volkskunde.be

Website https://www.volkskunde.be

Jaarabonnement

Voor België: € 24,00 – buiten België € 30,00

Voor nummers buiten abonnement: info@volkskunde.be

Het tijdschrift Volkskunde werd opgericht in 1888 door August Gittée en Pol de Mont. In 1894 werd Alfons De Cock redacteur.

Van 1914 tot 1920 hield “Volkskunde” op te verschijnen. Daarna berustte de leiding bij Victor de Meyere, vanaf 1936 bijgestaan door Jan de Vries. Vanaf 1938 hebben Jan de Vries, Maurits De Meyer, Pieter Jacobus Meertens en Karel Constant Peeters het tijdschrift voortgezet samen met Jan Gessler en Paul De Keyser.

De nieuwe reeks begon met de 43e jaargang (1940-41). Vanaf 1967 werd de redactie geleid door P.J. Meertens en K.C. Peeters, vanaf 1972 aangevuld door Jan Theuwissen en Johannes Jacobus Voskuil.

Na het overlijden van K.C. Peeters werd vanaf 1976 de redactie geleid door Jan Theuwissen en Stefaan Top. Van 2008 tot 2020 was Stefaan Top eindredacteur. In 2012 werd de reeks vanaf de 113e jaargang in zijn huidige vorm vernieuwd.

Vanaf 2021 leiden Paul Catteeuw en Johan Verberckmoes de beeld- en eindredactie. De redactie is interdisciplinair en Vlaams-Nederlands samengesteld.

marc jacobs reculer/sauter

‘Daar spreken we nog over…’

Over disciplinaire vertogen en praktijken, voor en met elektronische dataverwerking

“Veel literatuur is hier bijeengebracht, (…), het onderwerp schijnt onuitputtelijk, maar is dan ook gesplitst en onder-ondergesplitst in tallooze rubrieken en rubriekjes. Een typisch Duitsche bibliografie, die in elkaar sluit als de verschuifbare wanden en vakjes van een Japansch houtsnij-doosje. Ook de registers maken deel uit van de vernuftige structuur”(1928)1

In dit nummer verschijnen de eerste bijdragen van een gelegenheidsreeks onder het motto “reculer pour mieux sauter”, over wat er, in meer dan twintig jaar (voor en) na 2000/2003 is veranderd in Volkskunde en andere “folklore studies”-tijdschriften die in Web of Science worden ontsloten, en, bij uitbreiding in de rest van de wereld. Dit wordt met name onderzocht in het licht van het loslaten van het plan Hoffmann-Krayer enerzijds en de groeiende impact van (en eventueel op) de UNESCO-conventie voor het borgen van immaterieel erfgoed uit 2003 anderzijds. In de voorbije kwarteeuw verschenen in dit tijdschrift verschillende bijdragen die een afscheid van (folklore/volkskunde in) “de lange 20e eeuw” en een bredere, meer diverse doorstart in de 21e eeuw probeerden te markeren. Er ontbreken er ook, zoals een los eindje over het afronden van de Nederlandse, de Vlaams-Belgische en de Internationale Volkskundige bibliografieën, iets wat in dit nummer wordt vastgeknoopt. Een goede sleutel om te begrijpen wat hier wordt bedoeld, is de combinatie van de laatste bijdragen van Stefaan Top in Volkskunde in 1994 over de ontwikkelingen in de Internationale Volkskundige Bibliografie, in combinatie van de paratekst die vanaf dan tot in 2000 (bij de dan opgeheven) tijdschriftenschouw in Volkskunde verscheen: “Er wordt – om praktische redenen – geen rekening gehouden met het vernieuwde classificatieplan Hoffmann-Krayer: de vermelde rubrieken slaan op de oudere versie van bedoeld plan”.2 Een andere sleutel wordt geboden door enkele bijdragen in een zeldzaam geworden groen boekje dat in dit tijdschrift nog

1 Anonieme bibliografische nota over de Volkskundliche Bibliographie 1921-1922 van Eduard HoffmannKrayer in Bibliotheekleven 13, 1928, p. 228.

2 L. Desmet en J. Van Loon, ‘Tijdschriftenschouw 2000/4’, Volkskunde. Driemaandelijks tijdschrift voor de studie van het volksleven 101:2, 2000, p. 414-422 (waar relevant geef ik de volledige ondertitel).

onvoldoende aandacht heeft gekregen: het in 2000 verschenen bundeltje Wissenschaftlicher Diskurs und elektronische Datenverarbeitung. 3 Als kwartiermaker voor deze reeks bijdragen (die aangeboden worden in dit nummer en in de volgende jaargang) voelde ik me onder meer uitgedaagd door enkele scherpe inzichten die werden gedeeld in het interessante interview met Paul Peeters, gepubliceerd in dit tijdschrift in 2017. Op de vraag hoe hij tegen de wereld van de volkskundigen aankeek, hakte hij gewoon die Gordiaanse knoop door.

“Dit is een vraag die ik moeilijk kan beantwoorden, omdat de wereld van de volkskundigen niet meer bestaat. Er zijn dus ook geen volkskundigen meer. Ik laat terzijde of dat ook iets te maken heeft met het complex voor “volk”. Vandaag is het allemaal “immaterieel erfgoed” geworden. Ik vind dit zeer positief, omdat het een allesomvattende term is (…). Ook de vraag in de universitaire wereld tot welke faculteit de leerstoel Volkskunde (…) behoort, Geschiedenis, Germaanse of Communicatiewetenschap heeft nu geen zin meer. Intussen werkt iedereen naarstig verder.”4

Een leerstoel “Volkskunde” bestaat vandaag niet meer in België. Sinds vorig academiejaar is er wel een hoogleraar Immaterieel Erfgoed en Etnologie aan de slag in een afstudeerrichting met dezelfde titel in een master erfgoedstudies in de Faculteit Ontwerpwetenschappen aan de Universiteit Antwerpen. Ik ben de laatste om het belang van (het borgen van) immaterieel erfgoed te ontkennen, maar ik denk dat het nog vruchtbaarder is om dit te verruimen tot meer types van erfgoed en het woord allesomvattend sterk te nuanceren. Het is tijd om twee decennia na de aanname van de UNESCO-conventie voor het borgen van immaterieel cultureel erfgoed na te gaan wat de impact was van de grote proliferatie van het concept erfgoed in het algemeen en immaterieel erfgoed in het bijzonder, op tijdschriften zoals Volkskunde. En zo mogelijk ook vice versa. Hoe traceer je zoiets in een “volkskundig” tijdschrift? Welke bibliografische instrumenten zijn er voorhanden?

In de vorige eeuw zou de sleutel van het antwoord wellicht het Plan Hoffmann-Krayer zijn geweest. Maar nu moet men onmiddellijk vaststellen dat er steeds minder een goede match met de evoluerende inventarissen van immaterieel erfgoed is, dat er allerlei onderwerpen en rubrieken uit het Plan dan buiten beschouwing moeten worden gehouden, net als nieuwe onderwerpen die in de 21e eeuw relevant zijn (cybercultuur, smartphones, gaming, virtuele en augmented reality, artificiële intelligentie, interculturele communicatie, superdiversiteit, genetische genealogie, …) en dat vormen van borgen daarin ook niet goed passen. Het maken van instrumenten op basis van oudere en nieuwere versies van dat Plan Hoffmann-Krayer werd overal kort voor of na 2000 afgevoerd. Je zou kunnen stellen dat “een wereld” – die van “folklore” en “het volksleven” – gemaakt door volkskundigen daarmee

3 R. Alsheimer, E. Doelman & R. Weibezahn (red.), Wissenschaftlicher Diskurs und elektronische Datenverarbeitung. Bericht über zwei Tagungen der Internationalen Volkskundlichen Bibliographie (IVB) in Amsterdam & Trest, Bremen-Amsterdam, Universität Bremen/Meertens Instituut, 2000.

4 P. Catteeuw, ‘Ten huize van … Paul Peeters’, Volkskunde 118:1, 2017, p. 43-58, p. 51.

werd afgerond en wetenschappelijk erfgoed werd, niet alleen in Vlaanderen maar ook in Europa. Over die grote bibliografische projecten worden in dit nummer drie bijdragen voorgesteld. Het (blijven) werken aan geschiedenissen en analyses van wat volkskundigen deden en welke monumenten zoals de Nederlandse Volkskundige Bibliografie (waartoe de familie Peeters heeft bijgedragen) daarvan bestaan, is relevanter dan ooit. Dit is niet alleen het geval vanuit het immaterieel-erfgoedparadigma, maar ook vanuit het brede transdisciplinaire en internationale paradigma van erfgoed (-theorie, -beleid en -praktijk) en vanuit de sociale studies van wetenschap en technologie. Er wordt momenteel volop gewerkt aan de constructie van een basis van voorlopers en wetenschappelijke genealogieën van het brede paradigma van (kritische) erfgoedstudies in de 21e eeuw, zoals de Noorse etnologe Anne Eriksen in 2014 heeft gedemonstreerd met haar boek From Antiquities to Heritage. Transformations of Cultural Memory 5

Zijn instrumenten zoals Web of science in de 21e eeuw een alternatief voor dat oude instrument van het Plan Hoffmann-Krayer? Dat valt voor dit onderzoeksveld op het eerste gezicht tegen, zoals blijkt uit een bijdrage in dit nummer waar voorbeelden van toepassing van dergelijke instrumenten worden verkend. Er wordt duidelijk gemaakt hoe fout het kan lopen als men zonder veel veldkennis, die instrumenten inschakelt. Vervolgens wordt een overzicht geboden van (reflectie over de) toepassing van dit soort bibliometrische instrumenten in tijdschriften zoals Volkskunde, en met name in de bestaande categorie “folklore studies” in Web of Science. In het licht van de strategische keuze binnen het paradigma van het borgen van immaterieel erfgoed à la UNESCO, om met een beperkte set van “appropriate vocabulary” door te starten in de 21e eeuw en dus woorden zoals “authenticiteit” en “folklore” te mijden, is het opmerkelijk dat precies dat woord nog de cluster bepaalt waarmee men via Web of Science die evolutie zou moeten capteren. Daarom wordt in de diverse bijdragen speciaal aandacht besteed aan de evoluties en relaties tussen de begrippen “folklore”, “volkscultuur” en “immaterieel erfgoed”, tot en met het voor de zoveelste keer opnieuw evoceren van de lancering van Folk-Lore in 1846 en kijken naar de langetermijngeschiedenis van volkskunde/folklore in de Lage Landen, maar nu met probleemstellingen in het hoger vermelde boekje van Eriksen als attenderende instrumenten.

Met de resultaten in dit nummer wordt daarna aan de slag gegaan met vervolgbijdragen, waarbij de vraag over de impact van de UNESCO-conventie voor het borgen van immaterieel erfgoed in twintig jaar met verschillende methodes wordt behandeld, niet alleen voor het tijdschrift Volkskunde, maar ook voor het Turkse zustertijdschrift - Millî Folklor en soortgelijke tijdschriften. Verder wordt nagegaan op welke alternatieve manieren dergelijke impact kan worden gemeten en welke strategische conclusies daaruit voor dergelijke periodieke publicaties kunnen worden getrokken.

5 A. Eriksen, From Antiquities to Heritage. Transformations of Cultural Memory, New York, Berghahn, 2014.

In het hoger geciteerde interview werd in 2017 ook de vraag gesteld hoe Paul Peeters de nabije toekomst zag voor Volkskunde. Hij zag, naast ingrepen in de lay-out en het grote belang dat alles voor 2027 volledig zowel digitaal als gedrukt beschikbaar zou zijn, het potentieel van een traject “waarin alle aspecten van het immaterieel erfgoed aan bod kunnen komen”. Wat we in de hier gestarte cluster artikels verkennen is de stelling dat de blik nog ruimer zou moeten worden opengesteld.

Het maken van de reeks bijdragen die hier en in de volgende jaargang worden aangeboden, kan leiden tot diverse inzichten en strategische keuzes. Een van de meest verrassende ontdekkingen voor mij persoonlijk was dat UNESCO (en zelfs zijn voorganger voor de Tweede Wereldoorlog) al decennia een significante rol speelde in dit verhaal, een van de “genealogie”-inzichten die kan meegenomen worden om de impact van de UNESCO-conventie voor het borgen van immaterieel erfgoed op de wetenschappelijke praktijken te bespreken en het belang van het maken van bruggen met documentair erfgoed te legitimeren. In de bespreking van de geschiedenis van de Internationale Volkskundige Bibliografie en de interacties met CIAP en daarna SIEF, blijkt dat UNESCO sponsor was voor het opzetten van internationale systemen om kennis over “folklore” te delen, met name door het ondersteunen van het Europese traject van het werken met het plan Hoffmann-Krayer dat in Duitstalige gebieden voor en na de Eerste Wereldoorlog tot stand was gekomen. In de jaren zeventig en tachtig van de 20e eeuw werd gediscussieerd over “folklore en traditionele cultuur”, wat uiteindelijk leidde tot een UNESCO Recommendation on the Safeguarding of Traditional Culture and Folklore in 1989. Op het eerste gezicht leek dit te gaan over copyright, maar uit een analyse van de mislukking tien jaar later bleek onder andere dat de greep van wetenschappelijke praktijken en instituten voor “volkskunde” of “folklore”(studies) te verstikkend was om vruchtbaar te zijn en klaar te zijn voor de 21e eeuw. Dit is een van de redenen waarom een “reboot”- of “ctrl-alt-delete”-poging werd ondernomen in de vorm van een nieuwe Convention for the safeguarding of intangible heritage in 2003. Samen met stormachtige ontwikkelingen in de wereld van documentair erfgoed (die tot nog toe nog niet goed via UNESCO konden worden gecapteerd of gekanaliseerd), is het wereldwijde succes van die conventie op beleid en praktijk in vele landen in de wereld, in de jaren 2020, een van de grote uitdagingen in de pogingen om te komen tot geïntegreerde en integrale erfgoedbeleid, -praktijken en theorieën. Het kan attenderend werken om ook in een ecosysteem zoals volkskunde in het Nederlands taalgebied te begrijpen welke rol wetenschappelijke keuzes voor toegankelijkheid spelen, niet zozeer of alleen qua taal en verstaanbaarheid van de eindproducten, maar ook tot de productie-instrumenten in de gereedschapskist. De cluster van bijdragen die hier wordt gepresenteerd, kan leiden tot het met andere ogen benaderen van een van de aardbevingen die al tot uiting kwamen in dit tijdschrift in het midden van de jaren 1970; structurele tegenstellingen die mee ertoe hebben geleid dat, zoals de verantwoordelijke uitgever van het tijdschrift Volkskunde in 2017 stelde, er nu geen volkskundigen meer (lijken te) zijn (tenzij ze dit als geuzenterm zouden toe-eigenen). Lees, en herlees na het doornemen van de bijdragen in dit traject, de weergave van de allereerste ontmoeting tussen

| ‘daar spreken we nog over…’

J.J. Voskuil en K.C. Peeters in 1962, op een receptie in het toenmalige Museum voor Volkskunde te Gent. Volgens mij bevat het sleutels om te duiden waarmee het veld van onderzoek van folklore tot volksleven tot volkscultuur tot immaterieel erfgoed blijft worstelen:

’Gij weet wie ik ben?’

‘Professor Pieters,‘ antwoordde Maarten voor hij zich bedacht had, en hij had daar meteen het land over omdat hij het idioot vond mensen met hun titel aan te spreken.

‘Juist!’ zei de man tevreden. ‘Ik heb van doctor Beerta gehoord dat gij een zeer groot kaartsysteem hebt. Is dat juist?’

‘Niet zo groot,’ zei Maarten uit een instinctieve neiging nog onbekend onheil af te wenden.

‘Doctor Beerta sprak van honderdduizend steekkaarten.’

‘Zoiets. Ongeveer honderd bakken.’

‘Dat noem ik groot’.

Maarten lachte.

Pieters pakte hem bij zijn arm. ‘Gij gaat voor mij een artikel over uw kaartsysteem voor Ons Tijdschrift schrijven. Een artikel van acht pagina’s.’

Maar het is niet bedoeld voor het publiek,’ protesteerde Maarten. ‘Het is uitsluitend voor ons eigen onderzoek.’

‘Daar spreken wij nog over,’ zei Pieters, in zijn arm drukkend. Ik kom een keer naar Amsterdam om daarover te praten. Onthoud voorlopig wat ik u gevraagd heb!6

In dit nummer van Volkskunde wordt een systeem voor het verwerken van informatie onderzocht, waarvoor steekkaarten en volkskundige bibliografieën symbool kunnen staan, en dat opkwam en wegdeemsterde in de twintigste eeuw. De overgang tussen 1999 en 2000 betekende op vele manieren het einde van die periode. Maar er kwam niet onmiddellijk een alternatief systeem, breed gedeelde heuristische demarches, binnen wetenschappelijke (inter) disciplines zoals etnologie of erfgoedstudies. Naast voor gebruikers relatief open systemen en reeksen toepassingen van Big Data zoals Google, groeiden ook achter academische institutionele muren beschikbare instrumenten zoals Web of Science of Scopus enorm. Via het internet werd veel mogelijk. Tegelijkertijd overspoelde het concept erfgoed in de 21e eeuw het beleid, de praktijken en theorieën. Vandaag lijken toepassingen van artificiële intelligentie buitengewone mogelijkheden te bieden of te beloven. Het wordt tijd om te kijken hoe één en ander systematisch kan aangepakt en geconsolideerd kan worden, en welke lessen en data we uit de vorige eeuw al dan niet kunnen en willen meenemen. Het is goed ons te realiseren van waar een (sub)sector komt en wat in het verleden de aspiraties en ervaringen waren, “reculer” om een aanloop te nemen. Dat is wat er in deze aflevering van Volkskunde gebeurt. Het is wel de bedoeling om dan in volgende nummers na te denken hoe dan best gesprongen wordt (“pour mieux sauter”) en welke mogelijkheden computersystemen, algoritmes, applicaties en andere elektronische instrumenten we daarvoor kunnen inzetten.

6 J.J. Voskuil, Het Bureau I. Meneer Beerta, Amsterdam, Uitgeverij G. A. Van Oorschot, 1996, p. 524.

Als u nog eens Het Bureau zou herlezen of er nog aan moet beginnen, is het interessant te letten op de rol die fiches (bibliografisch, verwerking van enquêtes, …) en het documentatiecentrum spelen. In die zin is de afbeelding en de titel op de voorpagina van een boekje dat Geert van Oorschot uitgaf in 2000 uitstekend gekozen. [Fichebakken], Ingang tot Het Bureau van J.J. Voskuil, Amsterdam, G.A. Van Oorschot B.V., 2000.

marc jacobs reculer/sauter

Steekkaarten, -bakken en publicaties

De ingewanden van de ‘volkskunde’ in de 20e eeuw

“Buitenrust Hettema kwam een paar stappen dichterbij en bleef voor de bakken staan.

‘Welke indeling heb je gevolgd?’ vroeg hij.

‘Het heeft geen indeling. Het is een trefwoordencatalogus.’ Hij trok een willekeurige bak open en schoof hem langzaam weer dicht.

Buitenrust Hettema keek hem enigszins bevreemd aan. ‘Maar dan heb je toch een lijst van trefwoorden?’

‘Nee. In principe staat ieder woord erin.’

Buitenrust Hettema trok een la open en ging met zijn vingers door de fiches. Hij stokte. ‘Ik zoek nu buxus, maar dat staat er niet in’.

‘Een ogenblik,’ zei Maarten. Hij liep naar zijn machine, nam een rood fiche van een stapel, draaide dat erin, tikte linksboven buxus en daaronder, op de eerste regel, zie: palm en kwam met het fiche terug naar de bakken. ‘Nu staat het erin’, zei hij terwijl hij het fiche op de opengemaakte plaats zette. Hij had moeite zijn lachen te bedwingen. (…)

Buitenrust Hettema zette de fiches terug en schoof de la weer dicht. ‘Je kaartsysteem behoeft nog wel een ordenende hand;’ vond hij.

Maarten meende te horen dat zijn stem onvast was, maar het kon ook heel goed zijn dat hij zich dat verbeeldde.”1

Combineer deze passage uit de eerste aflevering van Het Bureau met:

[Maarten Koning= J.J. Voskuil] “’Neen, wij houden ons bezig met de Nederlandse cultuur.’

‘En als die zigeuners nu in Nederland wonen?’

‘Dan blijft het zigeunercultuur.’

‘En wat doen we met de cultuur van de Israëlieten?’

‘Ook niets.’

‘Ik vind dat nogal racistisch. Het spijt me dat ik dit moet zeggen.’

‘Racistisch?’ herhaalde Maarten verbaasd. ‘Het is onze opdracht. We moeten cultuurgrenzen vaststellen. Daar heeft die cultuur van zigeuners en joden geen invloed op.’

‘Daar ben ik zo zeker nog niet van.’, zei Bart koppig. ‘Dat zou ik toch eerst bewezen willen zien’.

1 J.J. Voskuil, Het Bureau I. Meneer Beerta, Amsterdam, Uitgeverij G. A. Van Oorschot, 1996, p. 529-531.

Maarten zweeg. Hij vond die opmerking onzinnig, maar omdat hij over dit probleem nog niet eerder had nagedacht, kon hij haar zo gauw niet weerleggen.”2

Belangrijk is naar onze mening …

Waarom stonden er vanaf de eerste aflevering van de Nederlandse Volkskundige Bibliografie. Systematische Registers op Tijdschriften, Reekswerken en Gelegenheidsuitgaven (verder NVB) gedrukte stippellijntjes tussen elke bibliografische verwijzing naar een artikel? U kent ze misschien, die in een boekenkast indruk makende reeks van 37 afleveringen met harde of zachte oranje kaften. Waarom werd er in de eerste afleveringen achter elke titel nog eens afzonderlijk een codenummer uit het plan Hoffmann-Krayer bijgezet, ook al werden ze al gesorteerd aangeboden onder tussentitels met die code die in vier talen, Nederlands, Duits, Engels en Frans, werd uitgelegd? Stippellijntjes? Zou het …?

Jawel, het werd gefaciliteerd om na het verwijderen van de harde oranje kaften met schaar en lijm aan de slag te gaan, titel per titel en rubriekomschrijving per omschrijving. Deze verzameling parateksten floreerden pas echt als ze op steekkaarten werden gekleefd. Het evoceert een andere ambachtelijke wetenschappelijke wereld, uit de tijd van de (over)grootouders van de huidige

Voorpagina van de eerste aflevering van de Nederlandse Volkskundige Bibliografie met een oranje harde kaft.

De eerste pagina van de ontsluiting van Volkskunde volgens het plan Hoffmann-Krayer in de Nederlandse Volkskundige Bibliografie. Let op de stippellijntjes.

2 Ibidem, p. 299.

Detail uit de eerste aflevering met onder andere als eerste fiche een verwijzing naar een voorloper die mogelijk had kunnen uitgroeien tot een alternatief voor het plan Hoffmann-Krayer. Let op de stippellijntjes en het forma(a)t dat klaar is om te knippen en te plakken.

studenten. Met een reeks fichebakken heeft men (de illusie van) controle over de buitenwereld en greep op een binnenwereld van volkskundigen en andere wetenschappers.

K.C. Peeters, de initiatiefnemer en verantwoordelijke uitgever nam dit zo ernstig dat hij er in 1964 de nodige aandacht aan besteedde in de inleiding van de eerste aflevering van de Nederlandse Volkskundige Bibliografie, wat uiteindelijk zou uitgroeien tot een van de resistentste monumenten van zijn wetenschappelijke bedrijvigheid:

“Belangrijk is naar onze mening

a) de scheiding van de verschillende publicaties door een stippellijntje;

b) de vermelding bij elk nummer van de sigel van het tijdschrift en van het nummer en de letters van het classificatieplan.

De mogelijkheid bestaat dus om zonder enige moeite terug tot de steekkaarten te komen; men behoeft slechts per nummer uit te knippen en op de fiches te kleven. Men behoudt de aanduidingen van het tijdschrift (bv. De sigel Vk.=Volkskunde) op elke fiche evenals in de bovenhoek rechts de verwijzing naar het classificatieplan, met tevens in het midden de aanduiding “Rec.” voor de recensies”. Men heeft dus de keuze: men kan het register in boekvorm laten, doch men kan het ook helemaal op fiches kleven. Men moet zich in dit geval echter twee exemplaren aanschaffen, daar de tekst op de beide zijden van de bladen gedrukt werd.

Als later de hele reeks tijdschriften bewerkt is, kan men met de aldus vervaardigde fiches een volledige bibliografie samenstellen, zonder dat verwarring ontstaat, vermits de vermelding der sigels op elke fiche het mogelijk maakt telkens de bron terug te vinden.

De breedte van de bladspiegel (120 mm) is berekend op het gebruik van de fiches volgens het formaat van het internationale standaardtype (125 mm breedte).”3

Het zou een slimme commerciële strategie kunnen geweest zijn, want eigenlijk moest je als gebruiker dan idealiter best telkens drie exemplaren van elke aflevering kopen, één om ongeschonden in de bibliotheekkast te zetten, één om te verknippen voor de titels op rectozijde en één voor de versozijde. Maar het was evengoed een heuse wetenschappelijke strategie, waardoor de kansen tot aansluiting bij of versterken van “framing” en controle over een wereld van kennis, tot op zeker hoogte werden gedeeld. Dus niet alleen in een Centraal Instituut (“mainframe”) met bibliotheek met fichebakken en bijbehorende publicaties waarnaar wordt verwezen en die men zo bij de hand heeft, maar ook binnen handbereik van onderzoekers thuis, ofwel in boekvorm en/of helemaal ontplooid in de vorm van fichebakken.

Net als in vele andere wetenschappen is ook in volkskunde/Europese etnologie een van de tastbaarste en meest zichtbare evoluties in de praktijk, dat bij de overgang van de 20e naar de 21e eeuw, de steekkaarten en fichebakken zijn verdwenen. In tal van onderzoeksinstellingen liet men de fichebakken links liggen, tot ze “in de weg begonnen te staan” en werden afgevoerd, of net lang genoeg bleven staan tot ze nu als wetenschappelijk erfgoed en tentoonstellingsmateriaal worden (h)erkend. Dit is in bibliotheekgangen of leeszalen in tal van bibliotheken gebeurd, soms pas in de voorbije tien jaar. Dit gebeurt ook bij particulieren thuis, bijvoorbeeld na overlijden, waarbij alle steekkaarten worden weggekieperd en afgevoerd met het oud papier, wat begrijpelijk is als de nabestaanden niet met bijvoorbeeld volkskunde bezig zijn.

Een halve eeuw geleden had je een wetenschappelijk actieve volkskundige kunnen identificeren, aan de hand van het pakje steekkaarten in de boekentas of in een “bureau” of werkkamer thuis. Ik heb het leermeesters en collega’s zo vaak zien doen en heb het in de jaren 1980 ook regelmatig zelf gedaan: bij bezoeken aan bibliotheken en onderzoekscentra het pakje steekkaarten met een elastiekje errond uit een tas halen en parateksten noteren, net zoals vandaag een notebook of een smartphone met ingebouwde camerafuncties wordt bovengehaald.

In de 21e eeuw is de wetenschappelijke praktijk fundamenteel veranderd, onder meer door de doorbraak van Google en in het voorgaande decennium, in de jaren 1990, door de doorbraak van het wereldwijde web en andere netwerkoplossingen. Tegelijkertijd voltrok zich een andere evolutie, waarbij universiteiten, onderzoeksinstituten en internationale bedrijven zoals Thomson Reuters/ Clarivate of Elsevier zich opnieuw een geprivilegieerde, zeg maar machtspositie bij elkaar construeerden, ditmaal via toegang tot onlinesystemen achter betaalmuren, waarbij niet alleen de metadata van wetenschappelijke artikels, maar ook de pdf’s van die teksten vlot(ter) toegankelijk waren voor wie in het systeem zit dan voor wie erbuiten zit. Deze machtsstrategie wordt al bijna een kwarteeuw gecultiveerd in de

3 K.C. Peeters, ‘Inleiding’, in: Systematische Registers op Tijdschriften, Reekswerken en Gelegenheidsuitgaven.

Inleiding door Prof. Dr. K.C. Peeters. Deel I Volkskunde 1888-1938 door I. Peeters – Verbruggen, Antwerpen, Centrum voor Studie en Documentatie v.z.w., 1964, pp. I-X, p. IX.

| steekkaarten, -bakken en publicaties

wetenschappelijke wereld en de gated communities van experten. Helemaal pervers wordt het als financiering van onderzoeksgroepen van universiteiten zich gaat oriënteren op een misbruik van een heuristisch systeem, zoals momenteel helaas nog steeds in Vlaanderen het geval is, en zelfs structureel voor het kleinhouden van de menswetenschappen wordt gebruikt, hoewel bijvoorbeeld in Nederland het NWO een alternatief systeem heeft. Het zou kunnen dat dit een aflopende zaak is.

Het kan een sleutel zijn om de geschiedenis van een wetenschappelijk traject zoals volkskunde en met name een van de fasen in de geschiedenis van het tijdschrift Volkskunde structureel te begrijpen en te duiden, als iets anders dan een handvol botsende karakters van witte individuen in de jaren 1960 en 1970. Het ging enerzijds om de opbouw van wetenschappelijke eindproducten zoals boeken, artikels en recensies en hoe sterk die op zich retorisch en empirisch waren geconstrueerd. Maar het ging ook over toegang tot de productiemiddelen en de manier waarop die door bepaalde types van expertculturen waren afgeschermd.

Van “Dit

is het mijne” tot gedrukte bibliografieën

Het is niet eenvoudig om in het midden van de jaren 2020 voorbij Google, het internet en personal computers te denken. Dit is nodig bij het benaderen van de periode van de in de jaren 1930 in België opgerichte Nationale Commissie voor Folklore en de in 1998-1999 afgeschafte opvolgster Koninklijke Belgische Commissie voor Volkskunde, Vlaamse afdeling. Deze generatie van de in de vijf decennia na de Tweede Wereldoorlog actieve volkskundigen ontvalt ons helaas snel. Heel recent nog werd in dit tijdschrift een In Memoriam gepubliceerd voor voormalig redactielid Dirk Callewaert (1941-2022) waarin expliciet aandacht werd gevraagd voor die periode, zowel in zijn belangrijke bijdrage tot de studie van het “volksleven” binnen het “frame” met het classificatieplan HoffmannKrayer en de Nederlandse Volkskundige Bibliografie in het bijzonder, als ook voor de eerste stappen rond digitalisering van volkskundig bronnenmateriaal.4

Het is interessant dit te vergelijken met een boekbespreking in 1967 van de eerste grote realisatie van wijlen Dirk Callewaert5 door de Brugse volkskundige Hervé Stalpaert. Hij citeerde daarbij een bedenking van Lodewijk de Wolf (1876-1929) in Biekorf uit 1921. Dit ging niet over zijn belangrijke doch niet gecontinueerde poging om een Volkskundige Boekenschouw/Bibliographia Folklorica-reeks te lanceren in 1908, maar wel over de problemen bij het ontsluiten van één tijdschrift na de Eerste Wereldoorlog, namelijk Rond den Heerd:

4 P. Catteeuw & M. Jacobs, ‘I B 2, II B, X B, XII D, ... In memoriam Dirk Callewaert (1941-2022)’, Volkskunde 124:1, 2023, p. 79-82.

5 D. Callewaert, Nederlandse Volkskundige Bibliografie. Systematische Registers op Tijdschriften, Reekswerken en Gelegenheidsuitgaven. Deel III Rond den Heerd 1865-1902, Antwerpen, Centrum voor Studie en Documentatie, 1966.

Foto van steekkaartenbakken van wijlen Dirk Callewaert met daarin foto’s en referenties aan beeldmateriaal, overgebleven in 2023, in het huis van de overleden volkskundige. De steekkaarten met bibliografische informatie, inclusief de geknipte en geplakte strookjes uit de Nederlandse Volkskundige Bibliografie, werden ondertussen afgevoerd met het oud papier, ter opvolging van de inschatting van Dirk die meende dat niemand anders ze later nog ooit zou gebruiken en ze weg mochten worden gegooid.

“’n Gaan we nooit van RdH. niet een inhoudwijzer zien: een gedrukten, een algemeenen, volledigen en die de 25 jaargangen overgaat? Onder gevrienden hadden wijzelf een gemaakt... vóór den oorlog; ’n eendelijk werk... eens voor altijd! Maar de bommen zijn er ook al mee door. Ware er nergens entwie meer, die er ook nog een heeft, een... waar dat er ‘ne mensch nu en dan mocht in kijken’” (blz. 142)6

Dit attendeerde op de kwetsbaarheid van die wetenschappelijke documentatie en zelfgemaakte ontsluitingssystemen, met in het extreemste geval een vernieling tijdens de oorlog, zoals dat het geval was voor Lodewijk De Wolf die zijn materiaal en zoek- en vindinstrumenten tijdens de Eerste Wereldoorlog verloor. In Biekorf, het tijdschrift dat De Wolf in 1919 onmiddellijk na het

6 H. Stalpaert, ‘Rond den Heerds volkskundige bibliografie’, Biekorf 68:9-10, 1967, p. 273-276.

Biekorf, het bibliografisch monnikenwerk van Dirk Callewaert in de Nederlandse Volkskundige Bibliografie, afleveringen VIII en XXXVI.

einde van de Eerste Wereldoorlog, en dus na het verdwijnen van de Duitse bezettingstroepen, had heropgestart, werd dit onmiddellijk na de Tweede Wereldoorlog, na het opnieuw verdwijnen van de Duitse bezetters en het opnieuw opstarten van de periodieke publicatie Biekorf, in herinnering gebracht door Maurits Van Coppenolle. Terwijl Lodewijk De Wolf in 1914 als onderpastoor van Beselare op de vlucht in Ieper nog een deel de archieven van Guido Gezelle had kunnen redden en naar Versailles laten overbrengen, had hij al zijn eigen boeken, tijdschriften en ontsluitingsinstrumenten in Beselare moeten achterlaten. Daar werd dat materiaal door de in de pastorij ingekwartierde Duitse soldaten tijdens de winter van 1915 gebruikt om op te stoken in de kachel. Lodewijk De Wolf probeerde achteraf schadevergoeding te krijgen en maakte een “Lijst der veroorloogde boeken en verzamelingen”, niet alleen van tijdschriftenreeksen en van noties, maar ook de bijhorende steekkaartensystemen. Revelerend is dat hij dit alles ook, tot op vijf centiem na, in geldwaarde probeerde uit te drukken. Hieruit blijkt hoe waardevol de steekkaartensystemen in 1914-1918 wel werden ingeschat, wellicht door de hoeveelheid werk en expertise die er waren ingekropen. Maar ook hoe belangrijk het verzamelen van volledige reeksen, hij had er meer dan 70, van tijdschriften wel was, ook in vergelijking met basisboeken. Het werpt ook een extra licht op het strategisch belang van de steekkaartensystemen:

Schrijnen, Folklore als Wetenschap, 0,80 fr. Kernkamp, Opvatting der Volkskunde, 1,15 fr. (…)

A. De Cock, Volksgeneeskunde in Vlaanderen, 3,75 (…)

Rond den Heerd en Archievenblad (volledig) 125,(…)

‘t Daghet in den Oosten (26 jaar: 39,- fr.).

Revue des traditions populaires (13 jaar: 130,- fr.).

Ons Volksleven (11 jaar: 16,50 fr.).

Volk en Taal (7 jaar: 14,- fr.).

En dan zijn ‘Eigen Studiën en Verzamelingen.

1. Verzameling: een 6000 fichen zijnde handschriften en aanvullingen van Volkskundige Boekenschouw, bestemd immers om ineens heruitgegeven te worden met vollediging (op last der Koninklijke Vlaamsche Académie): Schatting 500,(…)

2. Verzameling: een 10.000 fichen zijnde een reeks van 5000 woorden (uit den mond van het volk opgeraapt, en totnogtoe ongeboekt) met even zooveel studies daarover, bestemd tot een Westvl. Idioticon opgevat als vervolg en aanvulling van De Bo’s Westvl. Idioticon en Gezelle’s Loquela, 2.000,- fr (…)”7

Ex-libris van Lodewijk De Wolf na de Eerste Wereldoorlog.

7 M. Van Coppenolle, ‘De boekenschat van Lodewijk De Wolf te Beselare vernield 1915-1916’, Biekorf 47:6, 1946, p. 151-156, waar ook de ex libris van de Lodewijk De Wolf, getekend door J. Fonteyne in afgebeeld staat. Hij kreeg geen compensatie toegewezen.

steekkaarten, -bakken en publicaties

Stalpaert formuleerde het probleem van die praktijk, niet alleen wegens het gevaar op verlies bij rampspoed (oorlog, brand, overlijden, …) maar ook omwille van het collectief tijdverlies: “ook al bestonden er enkele persoonlijke en beperkte registers, die door historici en volkskundigen in onze gewesten voor eigen gebruik werden vervaardigd. Dit geschiedde ten koste van schromelijk veel tijdverlies, omdat niemand het register eens systematisch tot nut van de gemeenschap samenstelde. Niet van RdH.’s register alléén bleef men gespeend, ook onze Biekorf lag in hetzelfde beddeke ziek...”8 Dergelijke bibliografische steekkaartenverzamelingen waren van grote waarde, zo merkte Paul Allossery, biograaf van Adolf Duclos (1841-1925), op, “RdH., ook een goudmijn, is haast onbenuttigbaar bij gemis aan degelijke tafels, tenzij voor hem die het doet met een buitengewone dosis geduld”.9 Het was volgens Stalpaert in de jaren 1920 geweten dat Duclos over zo’n zelfgemaakte tafel beschikte en dat als erfenis binnen de familie doorgaf aan Michel English.

Het is in dit licht dat Stalpaert (het belang van) de Nederlandse Volkskundige Bibliografie kaderde: “Het blijft de grote verdienste van Prof. Dr. K.C. Peeters (…) In 1946 publiceerde hij hierover een scherp memorandum in Oostvlaamsche Zanten, in 1964 realiseerde hij zijn droom.”10 Noteer ook hier de appreciatie van de recensent voor de publicatie van het register op volkskundige bijdragen in Rond den Heerd voor de periode 1865 en 1902 en voor de praktische, academische (!) bruikbaarheid dank zij de knip- en plakvoorzieningen: “Door een speciale voorzorg bij het opstel en het drukken van iedere bibliografische nota wordt tevens de mogelijkheid geboden het hele boek te knippen en op steekkaarten te kleven. Dit geschiedde met het vooruitzicht verschillende universitaire instituten belangrijke diensten te bewijzen.”11

In 1971 zou Hervé Stalpaert goedkeurend vaststellen dat de eerste tien delen verschenen waren na het verwerken van 28.078 bibliografische steekkaarten (waarvan 3350 over recensies) en er nog 20 andere delen al geprogrammeerd waren. Hij benadrukte voor de lezers van Biekorf het belang van een andere realisatie van Dirk Callewaert, namelijk de ontsluiting van hun tijdschrift tussen 1890 en 1960 als deel VIII van de NVB, daarbij ook bijzondere informatie meegevend over hoe dat deelproject werd gerealiseerd, niet in Brugge zelf, maar in Congo.12 Opvallend is dat hij opnieuw expliciet de aandacht vestigde op het

8 Stalpaert, ‘Rond den Heerd’, p. 273.

9 Ibidem.

10 Ibidem.

11 Stalpaert, ‘Rond den Heerd’, p. 275.

12 H. Stalpaert, ‘Nederlandse volkskundige bibliografie. Eerste afgewerkte reeks’, Biekorf 72: 5-6, 1971, p. 147-152, p. 150-151: “Dirk Callewaert had reeds Rond den Heerd als licentiaatsthesis bewerkt en als deel III in de reeks uitgegeven. Als afgestudeerde germanist ging hij dan drie jaar leraren in de Republiek Kongo-Leopoldstad en wel in de havenstad Boma. Na een eerste jaar evenaarsbelevenissen bracht hij zijn vakantie door in zijn vaderland en zocht naar werk om de Kongolese vrije tijd nuttig te besteden. We lieten hem warm draaien voor de inventarisatie van Biekorf en professor Peeters deed de rest om Callewaert volledig op het spoor Biekorf te rangeren. Een zekere collectie Biekorven in veilige koloniale kisten opgeborgen ondernam de zeereis naar Boma en ze keerden een paar jaren later veilig terug samen met meer dan vierduizend steekkaarten van Callewaerts ‘Boma’ans’ werk. Ook een opgetogen auteur kwam in zijn vaderland terug omdat de lektuur van een volledige Biekorf veel tropische dagen en nachten aangenaam had ingekort. Zo werd Biekorfs volkskundige bibliografie in Kongo samengesteld door een Westvlaming, die aldaar ook een poging ondernam om de plaatselijke studerende jeugd in het Frans wetenschappelijk te oriënteren. Wat we tegenwoordig al niet beleven!”

belang van een artikel van K.C. Peeters in Oostvlaamsche Zanten in 1946: “In 1946 lucht een minder bekende K.C. Peeters zijn gemoed over bibliografische verzorging van de volkskunde en ontwerpt als een verre toekomstdroom een werkplan, een projekt dat slechts enkelen die de ontwerper kennen ernstig opnemen.”13

Vooraleer dat sleutelartikel nader te bekijken, nemen we nog kennis van een interessante bedenking die een andere protagonist in de volkskunde in Brugge bij het begin van het volgende decennium zou formuleren. Willy Dezutter wees de lezers van Biekorf op het feit dat de ondertitel van hun tijdschrift in 1980 was veranderd naar Westvlaams archief voor geschiedenis, oudheidkunde, taal- en volkskunde. “Volkskunde” was in de plaats gekomen van “folklore”. Hoewel hij aangaf eigenlijk, op basis van impulsen in de wetenschappelijke literatuur in Duitsland en de pogingen om afscheid te nemen van een begrip als Volksleben, in principe het alternatief empirische cultuuranalyse te verkiezen, zag hij vanuit de eigentijdse opvatting een probleem: “Wetenschappelijk gezien is de term folklore te eng omdat hij slechts betrekking heeft op de geestelijke en niet op de materiële volkscultuur.”14 Hij wees erop dat onder meer in het tijdschrift Volkskunde op het einde van de 19e eeuw de ondertitel Tijdschrift voor de Nederlandsche folklore was, waarbij die twee woorden door elkaar werden gebruikt. Dit was ook het geval van een andere publicatie uit 1888, namelijk het Vraagboek tot het zamelen van Vlaamsche folklore of volkskunde van Auguste Gittée, waarin ook het begrip “ethnographie” werd gebezigd. “De term folklore was in de periode 19301960 in Vlaanderen meer gangbaar dan volkskunde. De laatste twintig jaar is daar echter verandering in gekomen.” zo stelde de conservator van het museum die bij zijn aantreden in 1973 direct de naam van het “Museum voor folklore” in Brugge naar het “Museum voor volkskunde” veranderde. Verwijzend naar tenoren zoals Stefaan Top en Jozef van Haver in de Koninklijke Belgische Commissie voor Volkskunde, Vlaamse afdeling, stelde hij vast: “Verder is het een feit dat het woord folklore een betekenisuitbreiding heeft ondergaan in pejoratieve zin in de betekenis van ouderwets, achterlijk of minderwaardig. Daarnaast staan de woorden folklore en folkloristisch voor allerhande artificiële vormen van animatie, die niets met volkskunde te maken hebben maar wel alles met de toeristische industrie. De Amerikanen hebben daarvoor het nieuwe woord fakelore uitgevonden, en de Duitsers spreken over Folklorismus. Wij zouden in het Nederlands het woord folklorisme kunnen invoeren. In vakkringen is men het er dan ook over eens om het woord folklore te vermijden bij de wetenschappelijke studie van het volksleven.”15

Opklimmend naar het verleden: de “Vlaamsche folklore”

Het woord volksleven stond vanaf 1940 in de ondertitel van het doorgestarte tijdschrift Volkskunde. Het zou daar blijven staan tot het jaar 2000, toen voor enkele jaren het concept volkscultuur werd gehanteerd, vooraleer naar “dagelijks leven” te evolueren, op een ogenblik dat binnen UNESCO, op basis

13 Stalpaert, ‘Nederlandse volkskundige bibliografie’, p. 148.

14 W. Dezutter, ‘Bij een titelwijziging. Van folklore naar volkskunde’, Biekorf 80: 1-2, 1980, p. 80-87.

15 Dezutter, ‘Bij een titelwijziging’, p. 86.

van een advies van een internationaal marketingbureau, “living heritage” als alternatief voor “intangible heritage” naar voor geschoven werd.

De verhoudingen tussen de begrippen volksleven, folklore en volkskunde waren in het Nederlands in de jaren 1940 volop in beweging en dat zou nog tot het einde van de eeuw blijven duren. De concepten volksleven en volkskunde haalden de volgende dertig jaar de bovenhand, terwijl de reikwijdte en het gebruik van “folklore” krompen. In het oeuvre en de profilering van K.C. Peeters tekende deze evolutie zich in de 35 jaar na de start van de Tweede Wereldoorlog al vrij vroeg af. Terwijl de titel van zijn proefschrift waarmee hij in 1938 tot doctor in de Opvoedkundige (‘paedagogische’) Wetenschappen was gepromoveerd nog luidde: “De psychologische aspecten en de paedagogische beteekenis van de folklore.”, omarmde en propageerde hij de benaming volkskunde tegen het einde van de jaren 1940. Stefaan Top zou in 2003 allerlei aspecten belichten van de onverkwikkelijke manier waarop dit moest gebeuren in de schoot van de afdeling Germaanse talen van de Katholieke Universiteit Leuven, mede door de territoriumstrijd onder de professoren Jan Gessler (1878-1952) die voor de benaming “folklore” ging en Hendrik J. Van de Wijer (1883-1968) die tegen Gessler ageerde en daarbij het begrip (“wetenschappelijke”) “volkskunde” inzette. Terwijl in de jaren 1940 diverse studenten in die strijd tussen die Leuvense hoogleraars werden vermalen en geschaad (zoals bijvoorbeeld Simon van de Velde uit Limburg), kon K.C. Peeters blijkbaar daartussen laveren. Hij kon in het laatste kwart van de jaren 1940 nog “onder” Gessler toch het woord volkskunde geleidelijk mee smokkelen en naar voor schuiven (zoals zelfs kan worden geïllustreerd met een affiche uit het najaar van 1947 waarmee het woord “Volkskunde” heel vet werd gedrukt, terwijl het concept “folklore” van Gessler in kleinere letters werd meegenomen).16

In 1970 blikte K.C. Peeters in de televisiereeks Ten huize van … terug op zijn oeuvre en leven. In de uitzending en in het boek dat Joost Florquin kon publiceren vijf jaar later, krijgen we een idee van de indeling van zijn toenmalige leefomgeving: “De werkvertrekken van de gastheer bevinden zich op de gelijkvloerse verdieping. Het zijn drie doorlopende kamers met elk een eigen bestemming. Dit is de werkkamer met de schrijftafel (…) In de tweede kamer staan duizenden steekkaarten en andere volkskundige dokumenten opgeborgen. (…) In de vier bakken op tafel steken 25.000 fiches. (…)

Een eerste opmerkelijke vaststelling is dat hij in dat televisieprogramma in 1970 publiek scherp afstand nam van een concept als “folklore” in het antwoord op de vraag: “Bestaat er overal interesse voor de volkskunde?” “In alle landen maar er zijn verschillende interessegroepen: er zijn groepen die aan folkloristisch vertoon doen en die denken dat men de gebruiken moet laten zien als een soort maskerade. Het woord folklore gebruiken wij zelfs niet meer omdat het een pejoratieve betekenis heeft gekregen. Tot een beter soort vertoon

16 S. Top, ‘Van “folklore” (J. Gessler) naar “volkskunde” (K.C. Peeters): een “onverkwikkelijke geschiedenis” aan de Leuvense Alma Mater (1937-1959)’, Volkskunde 105:4, 2003, p. 445-484, met de hier overgenomen affiche uit 1947 op p. 467. Zie ook de passage over de transfert van fiches van J. Gessler (in voorbereiding van een “folkloristico-bibliografisch” werk) naar K.C. Peeters (die dan in 1962 “volkskundige aantekeningen” zou publiceren) op p. 462-463.

Affiche voor de lezingenreeks over Volkskunde/folkloristische voordrachten in het Maria-Theresiacollege van de Katholieke Universiteit Leuven vanaf november 1947.

van volksgebruiken behoren het vendelzwaaien, de volksdansen, de volkszang, de meiboomplanting, dingen die door volkskunstgroepen worden beoefend. Dat is goed vertoon maar dat interesseert ons niet als dusdanig, het valt buiten ons terrein. Ons kan het interesseren te weten of die bewegingen invloed hebben op het volk in het algemeen.”17

Vervolgens duidt hij de aanleiding, doelstellingen en beperkte wetenschappelijke ambities van Eigen Aard, dat diverse edities kende (1946, 1963 en in 1975), op een bijzondere manier: wat was het opzet? “Eigenaardig genoeg de illustratie. Op zekere dag komt de illustrator Henri Lievens mij teksten vragen, die hij zou kunnen illustreren. Voor mij was dat een gelegenheid materiaal dat ik al sedert jaren bezat, uit te werken. Zelfs dokumentatie die ik voor mijn doctorale dissertatie had verzameld, kon ik daar bij te pas brengen. Het voorstel trok me aan, we vonden de uitgeverij De Vlijt bereid het boek uit te geven en ik zette mij aan het werk. De teksten werden gauw meer dan Lievens vroeg en zo groeide het boek meer en meer. De eerste editie was uitverkocht vóór ze verschenen was. Dat had wel een zeer biezondere reden, die wellicht niet direkt iets te maken heeft met de waarde van het boek. Er waren heel wat mensen die getroffen waren door de repressie en niet wisten van welk hout pijlen te maken. Die zijn met dat en andere boeken van dorp tot dorp gegaan en hebben op die manier voor een ruime verspreiding gezorgd. Nu wekte het boek door zijn illustratie en onderwerp wel zeer veel interesse, zodat het een sukses werd. Er kwam dan ook onmiddellijk een tweede uitgave en wel in de nieuwe spelling, die intussen van kracht was geworden.

Waarover gaat het dan precies in dat boek? Het is, zoals de ondertitel het zegt, een overzicht van het Vlaamse volksleven. Het behandelt het hele gebied van de volkskultuur (…) Het zal toch wel de overvloedige illustratie geweest zijn die het sukses van het boek heeft gemaakt. De derde editie heb ik volledig omgewerkt. Ik heb de voetnoten, aantekeningen en bibliografie aangevuld en losgemaakt uit het boek zodat het boek voor de gewone leek veel gemakkelijker leest. Al die informatie heb ik dan samengebracht in een apart boek onder de titel: Volkskundige aantekeningen en daarin staat, meen ik, de status questionis van het volkskundig onderzoek in Vlaanderen, met een uitvoerige bibliografie. Eigen Aard zou nu weer herwerkt moeten worden, want ook de derde editie is bijna uitverkocht. (…) Een leuk detail is wellicht dat de Aantekeningen zeer duur werden verkocht aan het grote publiek om het mogelijk te maken een goedkope editie te bezorgen aan de studenten. Voor de volgende editie zal ik hetzelfde doen.

Zij die toch direct informatie willen hebben over ‘Het Vlaamse volksleven’, vinden die wel in de Vlaamse pocket die u bij Heideland hebt uitgegeven. Die tekst heb ik eigenlijk geschreven vóór Eigen Aard verscheen. Het is een meer bescheiden werk maar bevat toch een overzicht dat leert hoe het volk is en hoe het leeft, hoe het gekleed gaat en hoe het spreekt, hoe het jubelt, hoe het rouwt en hoe het zijn traditionele gebruiken in ere houdt.”18

18 Florquin, ‘Prof. dr. K.C. Peeters’, p. 211-212.

De ondertitel van Eigen aard evolueerde van Grepen uit de Vlaamsche folklore (De Vlijt, 1946, met in 1946/1947 een tweede druk in nieuwe spelling, dus Vlaamse folklore) naar Overzicht van het Vlaamse volksleven (De Vlijt, 1963, 1975, 1980). Zijn werk Volkskundige aantekeningen: nota’s en bibliografie bij «Eigen aard» verscheen bij De Vlijt in 1962. De pocket Het Vlaamse volksleven was in de jaren voor het interview bekend via de uitgave door de Hasseltse uitgeverij Heideland in 1962 in de reeks Vlaamse Pockets (nr. 73). Maar zoals Peeters in het interview zelf hintte, was er een voorganger, tijdens de Tweede Wereldoorlog, die niet alleen in het Nederlands, maar ook in het Duits en in Duitsland verscheen. Het Vlaamsche volksleven werd “in 1943”, uitgegeven te Brugge door «Wiek op» (effectief opgeleverd in april 1944). Die uitgeverij werd gecoördineerd door de Vlaams-nationaliste Martha Vande Walle (1902-1980), die toen ook onder meer ook de werken van Cyriel Verschaeve (1874-1949) uitgaf en later, na de oorlog, in de omstreden cultus rond die figuur actief zou blijven. Er verscheen toen, effectief in 1943, ook een versie van het in 1941 bestelde manuscript in het Duits, Flämisches Volkstum, vertaald door Erika Libal en uitgegeven in Jena door het Eugen Diederichs Verlag. Merk trouwens de paratekst (in het Engels bovendien) op in de publicatie in het Nederlands door Wiek Op op p. [6]: “Copyright Eugen Diederichs Verlag, Jena”. Dat K.C. Peeters zich erg bewust was van het feit dat dit publicatieproject een probleem zou kunnen vormen in de toekomst, in het geval NAZI-Duitsland de oorlog zou verliezen, zeker ook gelet op de andere collaborerende auteurs die zowel in de publicatiestal van Wiek Op als Eugen Diederichs Verlag figureerden, en daarom erg lette op wat hij schreef, zodat dit in diverse contexten verdedigbaar was (en uiteindelijk moest worden verdedigd) blijkt uit documenten die Paul Peeters vrijgaf in 2003.19 Onder de vlag “volksleven”, die in 1940 in Volkskunde geïntroduceerd was en tot het eind van de 20ste eeuw zou blijven gebruikt worden als ondertitel van het tijdschrift, kon dus blijkbaar inhoud passeren die zowel in nazitijd als ervoor en erna functioneerde.

Deze werken illustreren de continuïteit van lijnen in de volkskunde in Vlaanderen voor, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog en ook de schemerzones in het semantisch veld tussen folklore en volksleven. Het is in die context dat, zoals Hervé Stalpaert later herhaaldelijk zou onderstrepen, K.C. Peeters het belangrijke artikel “Naar een bibliographie van de Vlaamsche folklore” zou publiceren. Dat is volgens mij een van de sleutelteksten om de geschiedenis van “folklore”, “volkskunde” en “het volksleven” in “Vlaams-België”, in de tweede helft van de 20e eeuw te begrijpen en te duiden, en als fase te onderscheiden (en af te sluiten).20 Daarin worden de blauwdruk en een startkapitaal van steekkaarten voorgesteld om een paratextuele reproductiemachine voor een volkskundige canon in Vlaanderen op gang te brengen, dank zij een collectieve inspanning van volkskundigen en andere geïnteresseerden.

19 P. Peeters, ‘K.C. Peeters: een levensschets’, Volkskunde 105:4, 2003, p. 385-444, p. 423-428.

20 Zie ook R. van der Linden, ‘Geschiedenis van het tijdschrift “Oostvlaamsche Zanten”’, Systematische Registers op Tijdschriften, Reekswerken en Gelegenheidsuitgaven. Deel VII Oostvlaamsche Zanten (19261960), Antwerpen, Centrum voor Studie en Documentatie v.z.w., 1968, p. V-XXIII, p. XXI: “De programmaverklaring van Dr. K.C. Peeters was een mijlpaal, een breuk met alle middelmaat, een baken om onze volkskunde op Europees peil te brengen”.

Er stond veel op het spel: de wetenschap folklore/volkskunde zelf, in casu niet zozeer wegens de ervaringen met cultuurpolitieke framing en het opereren in grijze zones met de ideologie van de Nieuwe Orde of recuperatie, maar de systematiek, de methode, de orde(ning) dit keer: “Van de onmisbaarheid eener degelijke bibliographie bij de beoefening van gelijk welke wetenschap is elkeen overtuigd. Voor de folklore, waarvan het materiaal zoozeer verspreid ligt, kan men, meer dan voor welke andere wetenschap ook, getuigen, dat geen ernstig werk te leveren is, indien men niet kan beschikken over een zoo volledig mogelijke bibliographie”.21

Van Vlaamsche Folklore tot…

De titel van het artikel uit 1946 werkt in twee richtingen, want na het woordje “naar” volgt een woordenrij die twintig jaar eerder al twee keer prijkte in de titels van soortgelijke artikels in hetzelfde tijdschrift Oostvlaamsche Zanten. Hoewel K.C. Peeters er in 1946 opmerkelijk genoeg minimaal en zonder concrete voetnoten naar verwijst, mogelijk omdat de auteur (ook promotor van zijn proefschrift) Paul De Keyser toen nog was geschorst omwille van zijn disposities tijdens de net afgelopen bezetting in België, kan gewezen worden op die twee artikels die verschenen zijn in de eerste twee nummers van de eerste jaargang van Oostvlaamsche Zanten

In het eerste nummer in 1926 werd een interpretatie van het concept “folklore” uitgelegd met verwijzing naar de lancering van William Thoms en naar methodes om kennis te vergaren, namelijk het beantwoorden van enquêtes en bibliografie. Er werd ook direct een vragenlijst bijgevoegd over volkshumor, met name benamingen van groepen, met vragen zoals: “(…) 7) Wat wordt er van den Waal verteld? De schepping van den Waal?; 8) Hoe worden de inwoners van de naburige landen genoemd? (b.v. Hollanders: Kaaskoppen)”. Tegelijkertijd wordt het project gelinkt aan een programma zoals Ambrose Merton alias William Thoms dat zestig jaar eerder had uitgespeld voor Groot-Brittannië, bij de lancering van het concept Folk-Lore en daarna het opzetten van een rubriek in Notes & Queries: “Zoals men ziet, is de omvang der folklore groot en valt er veel te zanten. Mochten wij, dank aan onze bereidwillige medewerkers, iets vernemen over dat alles, mochten zij getrouw de vragenlijsten, die wij in ieder nummer geven, invullen, in korten tijd zouden wij in Vlaanderen eene documentatie bezitten die, later in artikel gevormd, een heerlijke parel zou zijn aan de kroon van ons eigenaardig gebleven Vlaamsche Volk”.22

21 K.C. Peeters, ‘Naar een bibliographie van de Vlaamsche folklore’, Oostvlaamsche Zanten 21, 1946, p. 91-136, p. 92.

22 G. Celis, ‘Wat is folklore’, Oostvlaamsche Zanten 1:1, 1926, p. 9-10. Hij evoceerde ook een meer recent referentiekader dan William Thoms, met auteurs zoals Arnold Van Gennep, Paul Sébillot, Jozef Schrijnen, zijn eigen werk en het oeuvre van Isidoor Teirlinck, met name Le folklore flamand: “Van de verschillende bepalingen der folklore, vinden wij de beste, deze van Is. Teirlinck. Zij is de studie van alles wat betrekking heeft op het volksgeloof, het volksleven, de volksliteratuur, de volkskunst en de volkswetenschap. In een woord alles wat in het volk berust en uit het volk komt”(Ibidem, p. 10).

Paul De Keyser legde in het eerste artikel de uitgangspunten uit: “De folklore is de studie van de uitingen van het volksleven van heden en verleden (…) Waarop we dan enkel nog den nadruk willen leggen met het oog op de “Bibliografie van de Vlaamsche Folklore is dat men tegenwoordig een tamelijk scherp onderscheid maakt tusschen 1. Historische folklore en 2. Actueele folklore”. Dit weerspiegelt volgens De Keyser de geschiedenis van het vak. In de eerste helft van de 19e eeuw was er vooral “de belangstelling van de Romantiek voor alles wat van ver of nabij het volksverleden betrof: volkslied, sprookje, sage en legende.” In de tweede helft van de 19e eeuw kwamen er naast de taalkundigen-folkloristen, ook etnografen, sociologen en psychologen bij: “Het gevolg was het systematisch onderzoek van schier gansch den aardbol en het inschuren van geweldige stapels folkloristisch materiaal.”23 Om het gevaar op wat men vandaag “information overload” noemt te vermijden, kon een gespecialiseerde bibliografie een manier zijn. Na het falen van de poging van Lodewijk De Wolf, was de internationale bibliografie van Hoffmann-Krayer het antwoord. “Geen wetenschappelijk vak heeft meer behoefte aan een zorgvuldige bibliografie in de breedte als in de diepte dan de folklore”. Het project van Hoffmann-Krayer werkte in de breedte (en in principe zelfs wereldwijd) maar voor de diepte waren andere instrumenten nodig zoals voor “Vlaanderen” een “bibliografie van de Vlaamsche Folklore”. Dit uitdiepen zou dan enerzijds in de tijd moeten gebeuren, door in allerlei gegevens over “folklore” in het verleden te vinden en samen te brengen en anderzijds in de actualiteit, in de breedte, maar dan in een beperkt en overzichtelijk gebied (zoals Oost-Vlaanderen), om zo binnen een breder project over Vlaanderen gepast te worden.

Voor de actuele bibliografie – in de breedte – zag hij een model in het internationale plan van Hoffmann-Krayer en een mogelijk hulpmiddel in een toen bestaand Belgisch project van Paginae Bibliographicae. Maar hij stelde voor te kiezen voor een vereenvoudigd model van de Catalogus van folklore in de Koninklijke Bibliotheek, Den Haag, Koninklijke Bibliotheek, 1919-1922, waarbij de volgende definitie werd gebruikt:

“Folklore omvat de kennis van de voorstellingen en gewoonten (gedachten en praktijk) die het onpersoonlijk leven uitmaken van een gemeenschap van menschen. De uitdrukking van onpersoonlijk of instinctief leven duidt hierbij aan den trap van beschaving van het “volk” welks Folklore men onderzoekt. Zoodanige voorstellingen en gewoonten, die ten onrechte den hooger beschaafden en zelfs wetenschappelijk ontwikkelden mensch slechts voorkomen als curiositeiten, zijn overblijfselen van een oudere, voor een deel primitieve wereldbeschouwing, van oudere economische en sociale levensverhoudingen, van vroegere wetenschap (…) Er is ontwikkeling in het leven der menschheid, maar niet alle groepen eener gemeenschap hebben daaraan gelijkelijk deel.”24

Het is natuurlijk een beetje dubbel om (vast) te stellen dat “we” dit een eeuw later problematisch vinden, zo’n model van niveaus van beschavingen of evoluties van primitief tot geëvolueerd tot “wetenschappelijk ontwikkelde”,

23 Beide citaten uit P. De Keyser, ‘Bibliografie van de Vlaamsche Folklore’, Oostvlaamsche Zanten 1:1, 1926, p. 12–14, p. 12; https://openjournals.ugent.be/oz/article/id/85547/ (bezocht op 1-2-2024).

24 Catalogus van folklore in de Koninklijke Bibliotheek, Den Haag, Koninklijke Bibliotheek, 1919, deel 1, p. VII.

steekkaarten, -bakken en publicaties

waarvan er dan enkelen in staat zijn de waarde te zien in die overblijfselen. Het maakt wel duidelijk dat er een onderscheid kon worden gemaakt tussen groepen van elders – buiten Europa – én met de elite, waarvan er dan blijkbaar zijn die de folklore niet naar waarde schatten, tenzij dan als potentiële lezer of bezoeker van een volkskundemuseum.

Als men die bibliografie bekijkt, ziet men dat breed antropologische literatuur wordt gecoverd, over cultuur binnen en ook buiten Europa. Maar er zit wel een bepaald “plan” of “wereldbeeld” achter, dat onder andere met verwijzing naar standpunten van Hoffmann-Krayer wordt geadstrueerd. De “folklore” die men voor ogen had is anders dan wat de etnologen (in de jaren 1910 en 1920) bestudeerden volgens de bibliografen van Den Haag. Etnologen bestuderen volgens hen natuurvolken namelijk als “die volken, welke ons voorkomen nog slechts een geringe ontwikkeling te bezitten en waarvan alle individuen op ongeveer denzelfden trap van beschaving staan. De folklorist daarentegen neemt voornamelijk als voorwerp van studie een cultuurvolk. Maar dat volk interesseert hem niet in zijn geheel, hij houdt zich alleen met dat deel ervan bezig dat in den regel “het volk” (d.i. volksklasse) wordt genoemd, n.l. voor zooverre het resten van oudere cultuur heeft bewaard. Kan dus de Ethnologie in ruimer zin voor den folklorist nooit rechtstreeks doel zijn, toch mag hij zich niet onthouden van ethnologische studiën. Aangenomen dat alle volken een ongeveer gelijken ontwikkelingsgang doormaken, zoo is er zelfs bij de meest gecultiveerde volken de herinnering aan een stadium der natuurvolken. Immers vele voorstellingen en gebruiken maken daar nog deel uit van een levend organisme, waarvan later slechts enkele versteende overblijfselen bewaard zijn.”25

Let hier trouwens op de metafoor “levend”. Paul De Keyser vond het plan het beste dat in zijn tijd beschikbaar was, maar wou opteren voor een vereenvoudigde versie, door alleen de hoofdrubrieken over te nemen en sterk te focussen op een beperkt gebied (Vlaanderen, in casu meer bepaald de Belgische provincie Oost-Vlaanderen). Dit was een verhaal van fiches, naar internationaal model, steekkaarten van 125 mm en 75 mm, waarop periteksten zoals auteursnamen, titel, plaats en datum van publicaties konden worden genoteerd en waar epiteksten in de vorm van codes die inpassing in een classificatiemodel mogelijk maakten.

De Keyser gaf aan dat men kon voortbouwen op bestaande fichereeksen, waarbij alvast de productie in het tijdschrift Volkskunde van bij de start was ontsloten, dankzij het werk van Robert Foncke en een schenking van 2000 ingevulde steekkaarten van P. van den Broeck. Om dit tot een goed einde te brengen werd tot samenwerking tussen belangstellenden opgeroepen.26

Er zijn vele overeenkomsten tussen die twee teksten uit 1926 van Paul de Keyser en zijn achterban en de tekst van K.C. Peeters precies 20 jaar later, tot en met de stelling dat kon worden voortgebouwd op een al deels gevuld steekkaartenapparaat (in het geval van K.C. Peeters die van hemzelf en Gessler). Geen precieze bronverwijzing maar wel de melding dat “Reeds in de eerste

25 Catalogus van folklore, p. VIII

26 P. De Keyser, ‘Bibliografie van de Vlaamse Folklore II’, Oostvlaamsche Zanten 1:2, 1926, p. 4-10, p. 4.

Zie in de eerste aflevering van de Nederlandse Volkskundige Bibliografie de rubriek uit het plan HoffmannKrayer I C 3 d: Ethnologie, Cultuur-anthropologie, primitieve beschaving.

nummers van Oost-Vlaamsche Zanten (1926) werd een oproep tot medewerking gericht tot alle welwillende zanters en werd een classificatieplan medegedeeld, evenals instructies voor de medewerkers en een zeer onvolledige list van te excerperen tijdschriften”.27

K.C. Peeters gaf aan dat binnen de Bond der Oostvlaamsche Folkloristen de volgende twintig jaar diverse initiatieven volgden, dat in 1930 al melding kon gemaakt worden van een apparaat met een 3000-tal steekkaarten, dat er een Ontwerp van een Bibliographie over de Volkskunde van het Oude Graafschap Vlaanderen gepubliceerd was in 1932 waarin opnieuw de voorkeur werd gegeven aan de indeling van Den Haag in plaats van het plan Hoffmann-Krayer en dat tussen 1941 en 1946 was gewerkt aan een Oostvlaamsche folkloristische bibliographie, waaruit in Oostvlaamsche Zanten ook acht publicaties waren gerealiseerd. Het belangrijkste wat al die inspanningen die gekaderd waren door Paul de Keyser, René Apers en Maurits Gysseling hadden opgeleverd, was volgens Peeters duizenden steekkaarten in de Universitaire bibliotheek van Gent.

Interessant is dat hij in het overzicht in zijn artikel in 1946 nog een ander traject terloops aanstipt: “het initiatief van de Zuidnederlandsche Centrale voor Folklore-onderzoek tot het samenstellen van een Bibliographie van de Vlaamsche Folklore, waarvan ons geen resultaten bekend zijn, evenmin als van de werking dezer centrale.”28 Het ging nochtans om een project waarbij diverse collega’s uit zijn eigenlijke Alma Mater en zijn promotor, en allerlei andere collega’s uit de wereld van de folklore/volkskunde ruim een decennium ervoor betrokken. Maar het was toen ik in 1986 de archieven van die Centrale ontdekte in de Seminariebibliotheek Volkskunde van de Universiteit Gent, al zo uit de vakgeschiedenis volkskunde verdwenen, dat ik het woord “de ontbrekende schakel” gebruikte in de titel van een publicatie daarover.

De in 1932 opgerichte Zuidnederlandsche Centrale voor Folklore-onderzoek had zeer ambitieuze plannen: naast een systematische steekkaartenverzameling en gedrukte bibliografie, ook atlasprojecten, het uitsturen van enquêtes, radioprogramma’s en internationale activiteiten. De bibliografische ambities waren tweeledig. Enerzijds moest retroactief worden gewerkt door alle relevante boeken, artikels en brochures die tussen 1830 en december 1934 over “Vlaamsche Folklore” waren verschenen, systematisch te ontsluiten in een bibliografie. Anderzijds wou men voortaan kort op de bal spelen en de nieuw verschijnende literatuur over “folklore” zo snel mogelijk ontsluiten.29 Er is voor het midden van de jaren 1930 zelfs een gedrukt document van de Zuidnederlandsche Centrale voor Folklore-onderzoek beschikbaar met “Onderrichtingen voor de medewerkers aan de Bibliografie van de Vlaamsche Folklore”. Het waren heel precieze instructies voor het maken van steekkaarten met bibliografische gegevens over boeken en brochures, tijdschriften, en afzonderlijk ook recensies, in het Nederlands, Frans, Engels en Duits, verschenen tussen 1830 en december 1934 en met relevantie voor de studie van “Vlaamsche folklore”. Het was de bedoeling dat die fiches van 75 x 125 mm rechtstreeks naar een drukker zouden worden gestuurd

27 Peeters, ‘Naar een bibiographie’, p. 96-97.

28 Peeters, ‘Naar een bibliographie’, p. 96.

29 M. Jacobs, Volkskunde in het interbellum. De Zuidnederlandse Centrale voor Folklore-Onderzoek, een ontbrekende schakel?, Gent, K.B.O.V., 1989.

Onderrichtingen voor de medewerkers aan de Bibliografie van de Vlaamsche Folklore, door Zuidnederlandsche Centrale voor Folklore-onderzoek, 1935-1936 (de eerste twee van vier pagina’s).

en daar verwerkt.30 Om diverse redenen, waaronder de carrièreswitch van de trekker Frans Olbrechts (die zich op Congo en het Museum in Tervuren zou oriënteren), bleven de ambitieuze plannen stokken in enkele pilootprojecten en internationale bijeenkomsten.

Een aantal van de plannen van de Zuidnederlandsche Centrale werden meegenomen in een door een Koninklijk Besluit van 30 september 1937 ingestelde Nationale Commissie voor Folklore, met een Vlaamse en Waalse afdeling. Ze begonnen met het maken en de publicatie van een selectie van recent verschenen literatuur uit 1939 in de eerste aflevering, maar nu direct via het plan Hoffmann-Krayer. De Tweede Wereldoorlog onderbrak de werkzaamheden van de Nationale Commissie voor Folklore en ook rond deze nationale bibliografie.

30 Zie de reproductie van dat instrument in Jacobs, Volkskunde, p. 80-83.

Het plan met het Plan

In zijn artikel in Oostvlaamsche Zanten in 1946 gaf K.C. Peeters er een extra dimensie aan. Wie nader toekijkt, ontdekt dat er in Vlaanderen een constructivistische strategie achter zat: het construeren en voeden van een canon van de “Vlaamsche folklore”, met medewerking van andere onderzoekers. K.C. Peeters hield daarover op 16 december 1945 te Gent een lezing voor de Bond van Oostvlaamsche folkloristen, met inbegrip van bijvoorbeeld René Apers, de hoofdbibliothecaris van de Rijksuniversiteit Gent. De sleuteltekst werd in 1946 in Oostvlaamsche Zanten door K.C. Peeters gepubliceerd (gedateerd op 1 september 1946): een oproep om samen te werken aan een “bibliographie van de Vlaamsche folklore”. Hij situeerde het voorstel in een reeks van buitenlandse initiatieven sinds de jaren 1880 (inclusief trajecten zoals in L’Année sociologique te Parijs of de Bibliographie méthodique van Arnold Van Gennep in 1937-1939). Hij suggereerde dat in het begin van de 20e eeuw er zoveel materiaal zo verspreid voorhanden was, dat het alle kanten uitging en dat de nood aan een classificatieplan zo groot was geworden dat er sprake was van een grote crisis in “folkloristische kringen” in Europa: “den grooten Zwiterschen folklorist, Edward Hoffmann-Krayer, (…) was de scherpe crisis evenmin ontgaan. Hij droeg het zijne bij tot de oplossing ervan”.31 Naast zijn boek Die Volkskunde als Wissenschaft, gepubliceerd te Zürich in 1902, was een systematiek in de vorm van een bibliografisch plan het antwoord. Peeters voegde er onmiddellijk en pragmatisch aan toe dat in Vlaanderen een kans was gemist door niet een project zoals dat van Lodewijk De Wolf te steunen met subsidies: Bibliographia Folklorica (in het Nederlands én het Latijn):

“Het is jammer, dat het opzet van De Wolf mislukt is. Indien hij over de noodige geldmiddelen had kunnen beschikken, zou hij tevens hebben kunnen rekenen op buitenlandsche medewerking en zou zijn bibliographie de latere van HoffmannKrayer overbodig hebben gemaakt; ze was onder vele opzichten heel wat beter.”32

Verder wees K.C. Peeters ook op het bibliografisch werk in het Seminarie voor Folklore aan de Rijksuniversiteit Gent, wat voor, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog up-to-date werd gehouden.33 Hij gaf aan dat hij zijn magnum opus Eigen Aard had voorbereid en ook een bijbehorende bibliografie zou publiceren. Dit stoelde op een apparaat met ruim 14.000 fiches, titels telkens met een Hoffmann-Krayer-code. Dat kon als kern dienen voor een groter project, als er medewerking kon komen van anderen om dit aan te vullen. Hij gooide zijn kaarten figuurlijk op tafel. Wat er kon samenkomen, naast de Gentse collectie, waren ook “de duizenden steekkaarten van wijlen Victor de Meyere, die mevrouw de

31 Peeters, ‘Naar een bibliographie’.

32 Peeters, ‘Naar een bibliographie’, p. 96-97.

33 Ibidem, p. 98. De ironie van het lot maakt dat de laatste grondige update van recente publicaties met het ‘traditionele plan Hoffmann-Krayer’, in het fichesysteem in het Seminarie voor Volkskunde in de Blandijnberg te Gent, door mij gebeurde in 1985-1987. Kort daarna werd heel dat Seminarie voor Volkskunde en de cursussen traditionele volkskunde en volkskunst opgedoekt en zowel de boeken, de tijdschriften als het bijbehorende in de jaren 1980 op punt gestelde fichesysteem afgevoerd.

Meyere zeer zorgvuldig bewaard had”, steekkaartenverzamelingen van Maurits van Coppenolle of Hervé Stalpaert, de fiches van Gessler, … Zijn eigen kapitaal van 14.000 fiches, voorzien van de codes van het Plan Hoffmann-Krayer, hadden het pad bepaald.

Peeters formuleerde het duidelijk:

“Alvorens over de indeeling of het classificatieplan te spreken, wensch ik er de nadruk op te leggen dat voor medewerking alleen ervaren folkloristen in aanmerking komen. Het moet immers een bibliografie zijn samengesteld door en voor folkloristen. De indeeling en de heele opvatting moeten, van folkloristisch standpunt uit, in orde zijn. Wat nu de indeeling betreft. Ik ben accoord met Prof. Apers, dat die van Den Haag beter is dan die van Hoffmann-Krayer. Doch wij hebben geen keuze; 1° De “Volkskundliche Bibliographie”, thans voortgezet door P. Geiger, is vrijwel overal ingeburgerd; 2° Onze bibliographie zal slechts loopen tot 1938.”34

Verder gaf Peeters aan dat de Nationale Commissie had beslist dat in België het plan Hoffmann-Krayer zou worden gebruikt: “Doch dat plan moet aangepast worden aan de Vlaamsche folklore”.35 Peeters leverde vervolgens direct ook een detailkritiek over allerlei problemen en classificatie-uitdagingen “We zouden de kritiek kunnen voortzetten. Er zijn indeelingen die ons meer bevallen dan die van Hoffmann-Krayer. We hebben echter gemeend, ondanks haar vele tekortkomingen en feilen, toch de algemeene indeeling van HoffmannKrayer te moeten aanvaarden. Onze bibliographie moet kunnen passen in het internationale kader en moet jaarlijks aangevuld worden door de Nationale Commissie, die werkt volgens het (ongewijzigde) Zwitsersche plan.”36

Peeters had een eigen paratextueel apparaat gemaakt, in grote lijnen (de codes van hoofdrubrieken) zo gemaakt dat het in het internationaal instrument kon worden gepast, maar dan verder uitgewerkt met een soort canon van “folklore” in Vlaams-België van 1800 tot 1938 voor ogen, zodat literatuur die dat model bevestigde, kon worden gecapteerd. Er werd een hiërarchie van concepten voorgesteld, samen met een varia-categorie. Het kan ook worden gezien als een manier om de kritiek op de methode van het jaarboek 1939 op te vangen, waarbij vooral de Waalse medewerkers meer dan een steekkaart over dezelfde titel maakten en onder verschillende rubrieken onderbrachten. Dit moest anders: “Hoofdzaak is immers, dat er geen twijfel bestaat omtrent de afdeeling waarin een fiche thuishoort, en voor den gebruiker, omtrent de plaats waar hij de bibliographische gegevens over een bepaald onderwerp moet zoeken”.37 Het was een lerend systeem, waarbij de fiches als tastbare meter konden fungeren om als het tijd was in te grijpen, dankzij een varia-categorie in verschillende hoofdrubrieken:

34 Ibidem, p. 101.

35 Ibidem, p. 101.

36 Ibidem, p. 103.

37 Ibidem, p. 103-104.

“Als op een gegeven oogenblik het aantal fiches onder Varia te aanzienlijk wordt, dan is zulks een teeken, dat er iets hapert en dat een nieuwe onderafdeeling moet voorzien worden. Het plan is vatbaar voor aanpassing en wijziging indien dit noodig moest blijken.” 38

Het classificatieplan Hoffmann-Krayer in België/Vlaanderen in de tweede helft van de 20e eeuw: “een kwestie van orde en van tucht”

De door een Koninklijk Besluit van 30 september 1937 ingestelde Nationale Commissie voor Folklore, met een Vlaamse en Waalse afdeling, had voor de oorlog, in 1939, nog een Jaarboek met bibliografie kunnen uitgeven, gebaseerd op het plan Hoffmann-Krayer, maar moest daarna de werkzaamheden staken. Dit nam niet weg dat er diverse activiteiten rond tijdschriftenschouwen en pogingen tot systematische besprekingen en ordening bleven ontplooid worden, onder andere door Jozef van Overstraeten die in het blad in de werking van het Verbond voor Heemkunde, begon met een systematische heemkundige bibliografie sinds 1940, waarbij hij ook een luik “volkskundige zantingen” voorzag, gekoppeld aan de oproepen in Oostvlaamsche Zanten in 1926.39 Ook volkskundig onderzoek werd verder gezet, zie bijvoorbeeld het onderzoeks- en schrijfwerk dat K.C. Peeters zelf deed of in de Bond der Oostvlaamsche Folkloristen of aan de Universiteit Gent.40

Na het op papier heropstarten van de afdelingen van de “Nationale commissie voor Folklore” bij ministerieel besluit van 9 juni 1947, kwam de hele (Belgische) commissie samen op 29 mei 1948. De Waalse ondervoorzitter Félix Rousseau (1887-1981, historicus, rijksarchivaris en volkskundige) benadrukte daarbij dat een hoge prioriteit moest worden gegeven aan de publicatie van een “volledige bibliographie van de jaren 1940-1948”. Na die brug en het achter zich laten van die periode, kon het werk worden verdergezet. Tijdens de eerste vergadering van de Vlaamse sectie op 6 november 1948 werd dit als hoogste prioriteit bevestigd. Op de volgende vergadering op 12 december 1948 werd de bibliografische arbeid verdeeld en werd besloten “de methode van classificatie” van het jaarboek 1939 toe te passen. In de zes volgende vergaderingen werden “alle theoretische en practische problemen besproken die oprezen bij het opstellen der bibliographie”.41 In de inleiding tot het bibliografisch overzicht in het jaarboek

38 Ibidem, p. 104.

39 Zie bijvoorbeeld https://histories.be/aanbod/publicaties/ons-heem/ (bezocht op 1-2-2024); Heemkunde, V.T.B. 15/7/1942, in https://histories.be/wp-content/uploads/2020/12/Jg2_4_juli.pdf (bezocht op 30/12/2023).

40 Zie onder andere B. Rzoska en B. Henkes, ‘Volkskunde en Groot-Germaanse cultuurpolitiek in Vlaanderen, 1934-1944’, BEG-CHTP 11, 2003, p. 71-100, waar bibliografische projecten niet aan bod komen. In Oostvlaamsche Zanten bijvoorbeeld verscheen in hetzelfde nummer waar Lutz Mackensen, gastprofessor in 1940-1941 aan de Universiteit Gent en informant over de opinies van collega’s, een uitgebreide bijdrage in het Duits mocht plegen, ook een Oostvlaamsche Folkloristische Bibliografie, echter niet geordend via het Plan Hoffmann-Krayer maar een bonte mengeling van krantenartikelen, brochures en artikels.(Oostvlaamsche Zanten, 16:4-5, 1941, p. 166-169).

41 ‘Werkzaamheden der Commissie’, in: Nationale Commissie voor Folklore. Jaarboek II 1940-1948, Brussel, Ministerie van Openbaar Onderwijs, s.d., p. 8-9.

van de Vlaamse sectie moest worden toegegeven dat men er niet in geslaagd was een met dezelfde parateksten georganiseerd bibliografisch systeem op steekkaarten met de twee commissies in één gedrukt overzicht te krijgen: dus twee jaarboeken en twee bibliografieën, wel via het plan Hoffmann-Krayer. Er werd de intentie uitgedrukt vanaf de beschrijving van het jaar 1949 met één Belgische bibliografie te komen: “maatregelen werden dan ook genomen om volgend jaar, opnieuw met een enkele bibliographie voor de dag te komen”.42

Dit zou nooit worden gerealiseerd en vanaf de Tweede Wereldoorlog zouden de twee bibliografische instrumenten en de Vlaamse en Waalse afdelingen in “Belgische folklore(studie)” geleidelijk uit elkaar groeien. In de inleiding van de Waalse versie van de bibliografie 1940-1948, werd aangegeven dat men het in de twee landsdelen anders had aangepakt. Enerzijds werd in de Franstalige versie alleen de paratekst van de codes gebruikt, terwijl in Vlaanderen er ook de “vertaling van de code in woorden” in het Nederlands was bijgedrukt. De Waalse afdeling gaf toe dat de eerste versie in 1939, die men naast de Vlaamse sectie had gemaakt, wel kritiek had geoogst, met name op de consistentie en het feit dat verschillende titels meerdere keren onder diverse codes gepubliceerd werden. Maar deze kritiek wordt weggewuifd:

“Parmi les critiques faites à l’Annuaire de 1939, il en est une dont nous n’avons pu tenir compte. On lui a reproché de contenir plusieurs fois l’indication d’un même ouvrage, mais à des indices différents. Ces répétitions voulues sont justifiées. Si un ouvrage folklorique contient des matières diverses, relatives à diverses parties du Folklore, il doit être renseigné dans l’intérêt du lecteur, à chacune de ces matières (…) Telle qu’elle est, la Bibliographie n’est pas parfait (Aucune ne l’est d’ailleurs)”.43

Dit raakte uiteraard de kern van het paratextuele instrument, dat kracht wint door systematisch de paratextuele elementen die een bijdrage karakteriseren te koppelen aan één code in een hiërarchisch system van thema’s. Door alle of vele onderwerpen die in een bijdrage aan bod komen allemaal te coderen, haalt men het systeem onderuit en is men eigenlijk een register op thema’s, personen of plaatsnamen aan het maken. Maar als men dit consequent doet, loopt een gedrukte bibliografie (en de kost van het drukken) totaal uit de hand. Dit soort ontsluiting kan in de 21e eeuw door elektronische ontsluiting van pdf’s gebeuren. Maar in het midden van de 20e eeuw was dit niet binnen het bereik van volkskundige projecten, voor zover de technologie het al zou hebben toegelaten. Wie ooit met enkele honderden artikels en het plan HoffmannKrayer aan de slag is gegaan en die oefening heeft gemaakt met de vraag “wat zou een onderzoeker nodig hebben?”, heeft ervaren dat het vaak heel lastig is om de keuze voor één (of zelfs enkele) code of thematische insteek of onderwerpen

42 ‘Volkskundige Bibliographie voor 1940-1948’, in: Nationale Commissie voor Folklore. Jaarboek II 1940-1948, Brussel, Ministerie van Openbaar Onderwijs, s.d, p. 15-16.

43 La Commission, ‘Bibliographie’, in Commission Nationale Belge de Folklore. Annuaire II 1940-1948, Bruxelles, Ministère de l’instruction Publique, s.d.

De parateksten op de voorpagina’s van de twee versies van het eerste naoorlogse Jaarboek van respectievelijk Vlaamse en Waalse Sectie vertellen op zich al een verhaal. De exemplaren werden allemaal uitgegeven door het Ministerie van Openbaar Onderwijs. Ze werden overigens, zo valt af te leiden uit de paratekst op de achterflap, allemaal gedrukt door Drukkerij Charles Peeters te Zoutleeuw. Let niet alleen op het foute adres van het Ministerie in de Vlaamse versie (het moest Wetstraat 155 zijn), maar vooral op het verschil van de benaming van de commissie op de voorpagina van Jaarboek II: zonder het adjectief Belgisch in de Nederlandstalige versie en met het adjectief Belge in de Franstalige versie. In de officiële benaming in het koninklijk besluit van 30 september 1937 en het ministerieel besluit van 9 juni 1947 ontbrak overigens het woord “Belgisch/Belge”, dus de Waalse collega’s benadrukten het extra. De volgende afleveringen van de Waalse versie bleven systematisch het woord “Belge” opnemen. Vanaf Jaarboek III werd gesproken over Nationale Commissie voor Folklore. Vlaamse Afdeling.

te maken. Het standpunt dat de Waalse commissie innam is begrijpelijk, maar het toont vooral aan dat dit systeem van bij de aanvang in moeilijkheden kwam door systematische, vaak subjectieve beslissingen, in dit geval door diverse mensen die elk afzonderlijk dat werk deden en fiches aanleverden en codes voorstellen; waarna dan editors nog eens selectiebeslissingen nemen. Het eindresultaat is kwetsbaar en de kritische reflecties waren vaak terecht. We stellen vast dat van bij de start heel fundamentele kritiek en de ervaring van twijfel rond allerlei subjectieve beslissingen aanwezig waren.

Jaarboek III 1949-1950 verscheen gedrukt in 1951, met het Ministerie voor Openbaar Onderwijs als uitgever. Daarin verscheen ook een jaarverslag waarbij opnieuw werd vastgesteld dat er problemen waren met het toepassen van het plan Hoffmann-Krayer: “Bij het rangschikken der fiches van het jaarboek 1940-1948, werd ondervonden dat het internationaal aanvaarde bibliografische schema van Hoffman-Crayer (MJ: sic) geen voldoening meer geeft. De Commissie heeft de bedoeling het uitgewerkte plan mede te delen aan het internationale organisme, de “C.I.A.P”.

Dit werk, dat een langdurige voorstudie en een diepgaande discussie vergt, kon in 1950 niet voltooid worden”44

Een jaar later, in Jaarboek IV, werden niet alleen de “Belgische” ambities herbevestigd, maar vooral ook herhaald hoe problematisch het werken met het plan was.

“Het opmaken van een jaarlijkse Bibliographie der publicaties van Belgische folkloristen en over Belgische folklore blijft een der voorname doeleinden van de Nationale Commissie. Bij de overweging dat de bibliographische indeling, in 1917 ingevoerd door J. Meyer en E. Hoffmann-Krayer en in de “Bibliographie Internationale des Arts et Traditions Populaires” toegepast, niet langer voldoening blijkt te geven, werd de studie van de hervorming voortgezet en tot een goed einde gebracht. De Vlaamse sectie van de Commissie stelde een lijst op van talrijke wijzigingen en aanvullingen, dewelke, na coordinatie met deze van de Waalse afdeling, aan de C.I.A.P. werd voorgelegd.”45

In de Waalse Commissie was het ook scherp gesteld: “Ce plan n’a pas que des mérites. Depuis longtemps, notre Commission souhaite qu’on y apporte de sérieuses améliorations, voir qu’il fasse l’objet d’une refonte complète”.46

De moeilijkheden met het classificatieplan zaten de leden in België zo hoog dat ze het hadden laten agenderen op een Internationaal Congres voor Europese en Westerse Etnologie te Stockholm (26/8 tot 5/9/1951). Konden de in België ondervonden problemen met het proberen te maken van volkskundige bibliografieën met het classificatieplan de basis voor een discussie en hervorming zijn? Maar de Commissie moest vaststellen dat de Belgische overheid geen budget voor de reis wou vrijmaken en dit niet doorging.47 Uit het Waalse jaarboek bleek dat men erop rekende dat Albert Marinus, Roger Pinon en K.C. Peeters er konden zijn, onder andere om te wegen op de bibliografie; waarbij fijntjes werd opgemerkt: ”Notre Commission pratique une politique de présence”.

44 M. Jacobs, ‘De afronding van een bibliografisch project uit de 20e eeuw: publicaties over “volkscultuur” in Vlaamse periodieke publicaties tussen 1994 en 1999 ontsloten’, in: M. Jacobs, J. Walterus e.a., Bibliografie volkscultuur 1994, aflevering XLVI, Brussel, Vlaams Centrum voor Volkscultuur, 2003, p. 3-15, p. 6-7.

45 ‘De werking van de Commissie in 1951’, in: Nationale Commissie voor Folklore. Vlaamse Afdeling. Jaarboek IV 1951, Brussel, Ministerie van Openbaar Onderwijs, 1953, p. 13-15.

46 ‘Activité de la Commission pendant l’Année 1951’, in: Commission nationale belge de Folklore, Annuaire IV 1951, Bruxelles, Ministère de l’Instruction Publique, 1953, p. 5-13, p. 6.

47 Ibidem. In de in hetzelfde nummer opgenomen “Volkskundige Bibliographie voor 1951”(p. 17) staan wel twee verslagen van dat Congres: P. De Keyser, ‘Internationaal Congres voor Europese en Westerse Ethnologie te Stockholm’, Oostvlaamsche Zanten 26, 1951, p. 140-142; J. Weyns, ‘Het eerste Internationaal Congres voor Volkskunde (Stockholm 26 Aug-5 Sept 1951)’, Wetenschappelijke Tijdingen 11, 1951, p. 328-331. Door zijn handelingen tijdens de Tweede Wereldoorlog was P. De Keyser geen lid meer van de Nationale Commissie voor Folklore. Jozef Weyns was toen nog geen lid.

steekkaarten, -bakken en

Ondertussen publiceerde Roger Pinon de Waalse bibliografie voor 1951. Hij maakte een kritische analyse van het werk aan de bibliografie in de eerste publicaties, door de complexiteit van het plan en allerlei problemen.48 Pinon bleef eraan werken, ondanks alle blijvende problemen en kritiek die hijzelf en anderen formuleerden. Hij stipte aan dat men ondanks alles toch zou volharden om ze te maken; ondanks het lauwe onthaal bij gebruikers van het eindresultaat:

“Cet instrument de travail, auquel en Belgique, folkloristes, historiens, dialectologues, chercheurs et animateurs, professeurs et dirigeants du tourisme, ne foint pas l’acceuil qu’il mérite”.49

Er werd geen radicale verandering doorgevoerd en de werkzaamheden binnen dezelfde volkskundige bandbreedte gingen naarstig verder. In Wallonië kende het bibliografisch project in de jaren 1980 een opmerkelijke maar korte heropleving.50

Op 23 november 1956 werd het Koninklijk besluit (verschenen in het Belgische Staatsblad op 7-8 januari 1957) genomen om de Nationale Commissie voor Folklore en de Commissie voor het Oude Volkslied samen te smelten in de Koninklijke Belgische Commissie voor Volkskunde. In artikel 10§1 van het besluit werd de mogelijkheid voorzien dat de Minister van Openbaar Onderwijs op voordracht van de Commissie medewerkers kon aanstellen. Een van de mogelijke taken (tegen betaling) was “een bibliografie op te maken van de studies met betrekking tot de Belgische volkskunde”.51 In de volgende aflevering van het jaarboek, dook dan ook de referentie “Belgische” op in de paratekst van de voorpagina: Koninklijke Belgische Commissie voor Volkskunde. Vlaamse Afdeling.

De KBCV, Vlaamse afdeling, bleef bibliografieën volgens dat plan publiceren tot en met jaar 1993. In het Jaarboek XXIII-1970 van de KBCV, Vlaamse Afdeling, publiceerde commissielid K.C. Peeters een bijdrage met de titel “Het plan Hoffmann-Krayer. Historiek en aanvullingen”. Ondanks zware kritiek op het Plan – de Ordening – moesten de keuzes die in 1917/1919 en in 1937-1939 waren genomen en de daarop volgende inspanningen worden volgehouden, zo stelde Peeters. Orde en tucht, in functie van de aanvaarding van de modellen van de voorbije decennia in het Duitse taalgebied:

“Er bestaan vele andere systemen en wellicht zijn er betere. Alleszins is het zeker dat sommige onderdelen van het plan H.K. niet beantwoorden aan de normen van classificatie die in sommige landen worden gesteld. Welke ook de kritiek moge zijn

48 R. Pinon, ‘Avant-propos’, Commission nationale belge de Folklore, Annuaire IV 1951, Bruxelles, Ministère de l’Instruction Publique, 1953, p. 49-53.

49 R. Pinon, Commission royale belge de folklore, Section Wallonne, Annuaire XVII 1963-1964, Bibliographie 19561958, Bruxelles, Ministère de la culture française, 1969, p. 15-484, p. 16.

50 ‘Publications des années 1981-1982’, Tradition Wallonne. Revue annuelle de la Commission royale belge de folklore 1, 1984, p. 96- 170. Ook in jaargang 5, 1988 was er een bibliografie volgens het oude plan Hoffmann-Krayer.

51 Nationale Commissie voor Folklore. Vlaamse Afdeling. Jaarboek IX 1956, Brussel, Ministerie van Openbaar Onderwijs, 1958, p. 9.

De laatste afleveringen van de jaarlijkse volkskundige bibliografie door respectievelijk de Koninklijke Belgische Commissie, Vlaamse afdeling en, in opdracht, het Vlaams Centrum voor Volkscultuur. 1999 was het eindjaar.

op het systeem, wij aanvaarden het omdat het internationaal gebruikt wordt. Het is een kwestie van orde en van tucht.”52

Er werden in 1970 enkele kleine wijzigingen aangebracht voor gebruik in Vlaanderen, zoals bijvoorbeeld het alfabetisch rangschikken van namen van dorpen en steden (IIB) of van heiligen (XIID2). Andere categorieën en omschrijvingen zoals bijvoorbeeld IC3 d ‘Ethnologie, Cultuur-anthropologie, primitieve beschaving” bleven ongewijzigd. Ondanks het feit dat de Internationale Volkskundige Bibliografie in de jaren 1980 en 1990 zeer verregaande aanpassingen onderging (zie de bijdrage over de Zwanenzang53), was het ordewoord in Vlaanderen (akte nemen en) verder doen; zo lang mogelijk in de 20e eeuw met oudere versies van het plan werken, met naar Vlaanderen en Nederland georiënteerde aanpassingen: het oude plan zoals K.C. Peeters het had vastgesteld in 1946, en daarna aangepast indien noodzakelijk.

K.C. Peeters organiseerde de bibliografische monumentenbouw in de jaren 1960 en 1970 voor “Vlaanderen en Brussel”, met wat Noord-Nederlandse uitlopers; met de algemene rubrieken van het plan Hoffmann-Krayer als algemene leidraad en een Vlaams volkskundig classificatieplan als operationele aanvullingen. In elk deel werd de relevant geachte inhoud van een tijdschrift

52 K.C. Peeters, ‘Het Plan Hoffmann-Krayer. Historiek en aanvullingen’, in: Koninklijke Belgische Commissie voor Volkskunde. Vlaamse Afdeling. Jaarboek XXIII, Brussel, 1970, p. 17-31, p. 17.

53 M. Jacobs, ‘Een zwanenzang en praktische bezwaren: Het plan Hoffmann-Krayer en de Internationale (Europese) Etnologische Bibliografie in het begin van de 21e eeuw’, Volkskunde 124:3, 2023, p. 401-422.

of een reeks tijdschriften verdeeld over de rubrieken, vanaf het ontstaan tot de jaren 1960, desnoods in afleveringen. Er werden tientallen studenten van de Katholieke Universiteit Leuven voor ingeschakeld.

In de inleiding van het eerste deel van de NVB, over Volkskunde 18881938, linkte projectleider Karel Constant Peeters het expliciet aan de Zwitserse bibliografie en aan de Duitse bibliografie onder redacteurschap van HoffmannKrayer.

“Er bestaan natuurlijk andere classificatieplannen en alle systemen zijn voor kritiek vatbaar. Wij zijn ervan overtuigd, dat het hier gevolgd systeem kan gewijzigd en verbeterd worden. Wij zijn persoonlijk niet akkoord met sommige indelingen ervan. Wij volgen het plan echter uit tuchtgevoel en omdat de CIAP en de Belgische Koninklijke Commissie voor Volkskunde dit systeem hebben aanvaard.”54

Het is ook interessant hoe K.C. Peeters probeerde om te gaan met grote structurele veranderingen zoals de gemeentefusies in de jaren 1970. Hoe kan men dat opvangen in een indeling of in een register die wordt gerealiseerd met hetzelfde plan gekoppeld aan een verondersteld stabiel aantal gemeenten en gemeentegrenzen, over de tijdspanne van veertig jaar? Peeters stelt voor om met dat soort veranderingen, in casu de vrij ingrijpende gemeentefusies van de jaren 1970, (zo lang mogelijk) geen rekening te houden.55 Een van de reacties op de grote beweging van fusies van gemeenten in België in de jaren 1970, zou overigens het oprichten van vele heemkundige kringen zijn, vaak georiënteerd op die oude deelgemeenten of parochies, al dan niet met een eigen tijdschrift.

De nazomer van het volksleven

K.C. Peeters, die in december 1975 overleed, zou de fusiegolf in België in de volgende jaren niet meer meemaken en evenmin de discussies die internationaal binnen SIEF werden gevoerd over de Internationale Volkskundige Bibliografie. Zijn bibliografisch project werd wel nog 25 jaar verdergezet, niet alleen door bijkomende delen van de Nederlandse Volkskundige Bibliografie te maken, maar ook in het tijdschrift Volkskunde actief te zijn. Zijn medewerker Steven Van den Eijnde, verbonden aan het Instituut voor Volkskunde te Antwerpen (dat na het overlijden werd omgedoopt tot K.C. Peeters-Instituut), verzorgde vanaf het derde nummer van 1975 tot zijn overlijden in augustus 1997 onder andere de tijdschriftenschouw. In een bijzonder kaderbericht nam de redactie van het tijdschrift toen afscheid van een medewerker achter de schermen:

54 K.C. Peeters, ‘Inleiding’, in: Systematische Registers op Tijdschriften, Reekswerken en Gelegenheidsuitgaven. Inleiding door Prof. Dr. K.C. Peeters. Deel I Volkskunde 1888-1938 door I. Peeters – Verbruggen, Antwerpen, Centrum voor Studie en Documentatie v.z.w., 1964, pp. I-X, p. VII.

55 K.C. Peeters, ‘Ter inleiding’, in: Nederlandse Volkskundige Bibliografie Systematische Registers op Tijdschriften, Reekswerken en Gelegenheidsuitgaven. C Persoons- en plaatsnamenindiex op delen XI-XX, Antwerpen, Centrum voor Studie en Documentatie v.z.w., 1975, p. I-II, p. I.

“Onder leiding van prof. dr. K.C. Peeters heeft Van den Eijnde het plan HoffmannKrayer onder de knie gekregen en kon hij zelfstandig als medewerker van het Instituut voor Volkskunde de lezers van Volkskunde op de hoogte houden van wat in onze tijdschriften verscheen (…) Zo bleef ‘Volkskunde’ ondersteund door een fundament en een vaste administratieve waarde; De redactie gedenkt hem met dankbaarheid voor zijn niet aflatende inspanning en medewerking”.56

Op de kaft van het nummer 1 van 2001, werd de ondertitel van Volkskunde veranderd van “Driemaandelijks tijdschrift voor de studie van het volksleven” in “Driemaandelijks tijdschrift voor de studie van de volkscultuur”. Bovendien werd vanaf dat nummer de rubriek “tijdschriftenschouw” niet meer gecontinueerd. In de laatste aflevering van het jaar 2000, verscheen de laatste tijdschriftenschouw in het laatste nummer en ontsloot literatuur tot en met 1999.57

Net als alle bijdragen die sinds het vierde nummer van de jaargang 95 in 1994 verschenen waren, was de allerlaatste aflevering voorzien van de boodschap dat de geëxcerpeerde tijdschriften te raadplegen zijn in de bibliotheek van het K.C. Peeters-Instituut voor Volkskunde te Antwerpen maar ook van een merkwaardige en opvallende disclaimer: “Er wordt – om praktische redenen – geen rekening gehouden met het vernieuwde classificatieplan Hoffmann-Krayer: de vermelde rubrieken slaan op de oudere versie van bedoeld plan”.58

Deze paratekst verscheen sinds het jaar 1994 waarin Stefaan Top voor het laatst uitgebreid berichtte in Volkskunde over de Internationale Volkskundige Bibliografie.59 In een andere bijdrage, onder de titel “een zwanenzang en praktische bezwaren”, bespreek ik het vervolg van dat verhaal en sluit ik het af.

Nog een paar om het af te leren?

De Koninklijke Belgische Commissie voor Volkskunde, Vlaamse Afdeling hield op te bestaan in 1998. In 1999 werd een opvolger, het Vlaams Centrum voor Volkscultuur, opgericht door de Vlaamse overheid. Een van de vele opdrachten was het afronden van de bibliografische representatie via het plan Hoffmann-Krayer van bijdragen over folklore/volkscultuur van in België sinds 1939 verschenen tijdschriften. De Koninklijke Belgische Commissie voor Volkskunde, Vlaamse Afdeling, was tot het representeren van bijdragen tot

56 [Redactie], ‘Wij nemen afscheid van Steven van den Eijnde (03.07.1039-21.08.1997)’, Volkskunde 98:3, 1997, p. [157]. De volgende afleveringen van de Tijdschriftenschouw werden verzorgd door Marijke Wienen en daarna Lynsey Desmet en Johan Van Loon.

57 Met uitzondering van acht bijdragen uit de eerste twee nummers van het Heemkundig handboekje voor de Antwerpse regio in het jaar 2000 die de redacteurs Lynsey Desmet en Johan van Loon wellicht overenthousiast er nog hadden ingestopt.

58 L. Desmet en J. Van Loon, ‘Tijdschriftenschouw 2000/4’, Volkskunde. Driemaandelijks tijdschrift voor de studie van het volksleven 101:2, 2000, p. 414-422.

59 S. Top, ‘Internationale Volkskundige Bibliografie (IVB)’, Volkskunde 95:1, 1994, p. 33-43; S. Top, ‘Internationale Volkskundige Bibliografie (IVB)’, Volkskunde 95:4, 1994, p. 271-273.

en met 1993 geraakt. In de beheersovereenkomst gesloten met de Raad van Bestuur onder leiding van Stefaan Top, had de Afdeling Volksontwikkeling van het Ministerie voor Cultuur (ongetwijfeld op vraag van sommige bestuurders) bepaald dat dit minstens tot 1999 ‘in schoonheid’ moest worden afgewerkt. Als nieuwe directeur van het VCV werd ik geconfronteerd met deze opdrachten (tussen vele andere) die we met een klein team moesten klaren, mede met behulp van een gespecialiseerde bibliotheek over volkscultuur en erfgoed. Het moest ook op papier worden gepubliceerd, om de “reeks volledig te maken”. Na het afronden van die achterstand zou dan worden geëvalueerd of en hoe dit in de 21e eeuw zou worden verdergezet.

Ik herinner me dat een van de grote objecten die we bij de start van het VCV in de Gallaitstraat in Schaarbeek aantroffen het met bibliografische steekkaarten gevulde meubel met fichebakken was van een institutionele voorganger, het Centrum voor Vlaamse Volkscultuur. De steekkaartencollectie was een van de belangrijkste resultaten van meer dan een jaar werk van de voorgangers twintig jaar eerder, op dezelfde locatie. Het leek haast een teken aan de wand, een plots als dino opduikend steekkaartenmonument uit de hoogdagen van de studie van het volksleven, dat na een politieke wissel van een CVP-minister naar een liberale minister van cultuur met een vingerknip was gestopt in 1981/1982.

Met een kleine ploeg van medewerkers en jobstudenten hebben we dit systematisch aangepakt met de in Vlaanderen tussen 1994 en 1999 verschenen tijdschriften. Dit nam de vorm aan van de consultatie van duizenden artikels en het overtikken van auteursnamen, titels en andere bibliografische data en het vervolgens cursief lezend snel proberen in te schatten welke code moest worden aangebracht. Dit werd dan gedubbelcheckt door een of twee andere collega’s. Hiervoor konden wel de pc, rekenbladen, databank en word-files worden gebruikt. Heel veel bleek een kwestie van menselijke inspiratie, interpretatie, inspanningen en frustratie, resulterend in zes delen die tussen 2003 en 2004 verschenen.

Dit was mijn conclusie als wetenschappelijk directeur en teamlid, die ik bij het opleveren van de eerste publicatie deelde: “Nog los van de kosten-batenanalyse die zowel voor de personeelsinvestering als voor de productie van deze publicaties op papier vandaag de dag zeer ongunstig blijkt te zijn, zijn er ook wetenschappelijke redenen om het oude project hier af te ronden. De metafoor van het te kleine Procrustesbed omschrijft nog het best wat we volop ervaren hebben met het oude bibliografische plan Hoffmann-Krayer (…) hoe Procrustes reizigers gevangen nam, in een te klein of te groot bed legde en hun ledematen door verminking of uittrekken aanpaste aan de maten van het bed. (…) De ‘reizigers’ (behandelde onderwerpen) blijken immers in de loop van de 20e eeuw flink gegroeid, gediversifieerd en veranderd te zijn”. 60

Het meest tijdrovend bleek de codering en hercodering van de meer dan 30.000 titels in access-bestanden. De discussies over andere interpretaties en het uithalen van kunstgrepen om nieuwe thema’s in het systeem te doen

60 M. Jacobs, ‘De afronding’, p. 3 en 4.

passen bleken lang, heftig of gelaten: “Uiteindelijk zijn we de hele opdracht gaan beschouwen als een soort van overgangsritueel, als de confrontatie met een oudere volkskundige canon.”61

Er lag veel interessanter en meer impactrijk werk op de plank, zoals de integratie van (verenigingen en thema’s onder de vlag) “volkscultuur” in de “boomende” erfgoedsector en voor mezelf ook het werken aan het paradigma van het borgen van immaterieel erfgoed en ander UNESCO-werk. De maandenlange ervaring met alle problemen waar al sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog door onze illustere voorgangers over werd geklaagd en het inzicht dat zeker het oude plan onhoudbaar was, maakte het besluit in 2004 van mijn collega’s en mezelf, gelukkig gesteund door de Raad van Bestuur, voor de hand liggend. Dit mechanisme werd gestopt.

Voortaan documentair erfgoed en/of elektronisch

Maar wat nu? In de 21e eeuw zijn die steekkaartenbakken met duizenden, tienduizenden of zelfs honderdduizenden fiches, met bibliografische informatie, krantenknipsels, of overgeschreven of getikte antwoorden op

Documentatie en zijn onderdelen, synthesebeeld in het Traité de documentation, Bruxelles, Mundaneum, 1934 van Paul Otlet (1868-1944) waarbij met steekkaarten de wereld veranderd zou kunnen worden.

61 Jacobs, ‘De afronding’, p. 4.

enquêteformulieren (schijnbaar) overbodig geworden. Ze worden in elk geval niet meer op papier of karton in het format 75 x 125 mm aangevuld. Wat moet men ermee doen, met de steekkaarten(bakken) en afgeleide producten? De opname van het Mundaneum, een project opgebouwd rond steekkaarten met globale ambities om de wereld te vatten en te redden, in het Memory of the World-register van UNESCO illustreert op een extreme manier één optie; tot erfgoed proclameren en zo als bezienswaardigheid exploiteren (http://www. mundaneum.org/nl). Een andere optie is het in een tentoonstelling plaatsen samen met de producten zoals atlassen en bibliografie, als instrumenten om een bepaald soort (Zwitser)land te representeren en te creëren, zoals in december 2023 in het Landesmuseum in Zürich in een andere optie te zien was.62 Weggooien of verbranden, net zoals de Duitse soldaten dat met de instrumenten van Lodewijk De Wolf in Beselare hadden gedaan in 1915-1916, is ook een mogelijkheid. Of laten staan, zolang “het niet in de weg staat”? Of toch nog als kennissysteem uit de 20e eeuw digitaliseren? John Helsloot heeft hierover enkele jaren geleden een opmerkelijk rapport geschreven, met de titel Een dinosaurus op het Meertens Instituut. De Volkskundige Trefwoorden Catalogus in 2014”, dat tien jaar later nog steeds de moeite waard is om te lezen.

Index, A History of the is een in 2021 gepubliceerde geschiedenis van systematische registers en het maken van indexen in (ingebonden) teksten, al dan niet volgens een bepaald plan of systematiek. Daarin wordt “de menselijke factor” sterk benadrukt bij het nastreven van kwaliteit:

“The arrival of computing into the indexing process, then, has been a huge timesaver (…) But machines can only speed up the tasks that can be sped up –sorting, layout, error checking. The work of compiling a subject index is still, principally, a subjective, humanistic one. It is a job of deep reading, of working to understand a text in order to make the most judicious selection of its key elements (…) The indexer will want a feel, before they begin, for the concepts that will need to be flagged, or taxonomized with subheadings (…) Indexing software has removed the need for cards and shoeboxes, scissors and wood glue, but reading –patient, active reading for the preparation of an index; alert and attentive (…) is the same task it was in the days of Woolf, or Pope, of Gessner”.63

Het is ook voor “folklore studies/volkskunde” uit de 19e en 20e eeuw nodig om de routines waarmee drie à vijf generaties volkskundigen mee opgeleid zijn te doorgronden om voldoende referentiekaders te hebben. Dat soort van onderzoek is nuttig om te snappen wat de voordelen en nadelen van het omarmen van het classificatieplan Hoffmann-Krayer zijn en ook na te gaan wat de padafhankelijkheid of omkadering als impact had. Dit geldt vandaag even goed voor de werking van indexeringsinstrumenten zoals Google of Web of Science en wat verder nodig is om relevante literatuur te vinden, te gebruiken en te ontsluiten. Welke rol Artificiële Intelligentie hierbij zal spelen is nog niet

62 Zie ook het fascinerende verhaal over de inzet van volkskundige documentatiesystemen in https://blog.nationalmuseum.ch/en/2023/10/the-bruenig-napf-reuss-line-a-cultural-boundarythrough-switzerland/ (bezocht op 30/12/2023).

63 D. Duncan, Index, A History of the, s.l., Allen Lane, 2021, p. 250.

duidelijk: een van de frontzones voor onderzoek op de schat aan documentair erfgoed die volkskundigen hebben achtergelaten en om hedendaagse fenomenen (en literatuur daarover) te ontsluiten. Maar misschien is schat een te zachte en te voorzichtige term: gifkast of medicijnkast is een andere metafoor. Nadat Gerard Rooijakkers er al het door Hoffmann-Krayer mee gemaakte Handwörterbuch des deutschen Aberglaubens, in geplaatst had, naast de atlassen, de volkskundige enquêtes, en de volksverhalenbanken van deze wereld, hoort wellicht ook het plan Hoffmann-Krayer of “folklore” thuis in de giftkast of historische museumapotheek vol instrumenten en hulpbronnen die slechts hanteerbaar zouden mogen zijn met kennis van zaken.64

Bram Vannieuwenhuyze vestigde onlangs in Tijd-schrift de aandacht op het potentieel (erfgoed)belang van de steekkaartenverzamelingen die overal worden weggegooid:

“Iedereen kent ze wel: de massieve ijzeren kasten vol steekkaarten die in bibliotheken en archieven staan. Deze databanken avant-la-lettre puilen uit van de informatie, maar staan ook meer en meer in de weg. Ongetwijfeld is een aantal van die steekkaartencollecties reeds op de container beland. Andere liggen en staan in kelders, zolders of achteraan in depots. Wat moeten we er in deze digitale tijden nog mee aanvangen? Worden catalogi en repertoria tegenwoordig niet digitaal opgesteld en online aangeboden?”65

Als je er op begint te letten, valt het inderdaad op. Ik ben als onderzoeker al vier decennia in de leeszalen van vele tientallen bibliotheken geweest en als ik er nu terugkom, zie ik overal de lege plekken waar in mijn ‘mentale kaart’ of geheugen de fichebakken stonden. Nostalgie of aanknopingspunten bij het ouder worden, het idee dat ik hetzelfde kan doen als toen ik twintig of dertig was (in steekkaartenbakken snuisteren en op steekkaarten overschrijven), is geen voldoende reden om te vragen dat ze overal blijven staan. Naast onderzoek over de aspiraties en de mate waarin men zich bijvoorbeeld door projecten zoals Mundaneum had laten inspireren, zag Bram Vannieuwenhuyze nog andere redenen: “Onze huidige digitale databanken zijn natuurlijk honderden keren flexibeler dan de logge kasten en bakken vol papieren steekkaarten. De uitbreidings-, aanpassings- en zoekmogelijkheden verbeteren continu en de applicaties worden ook steeds gebruiksvriendelijker. Maar toch hebben ook de steekkaartencollecties wat te bieden: de tastbaarheid van het materiaal. Een speurtocht in de kaartenbakken levert niet alleen vuile vingers op, maar biedt een betere indruk van de omvang en heterogeniteit van de collectie. Bovendien liet het schrappen, amenderen of openlaten van gegevens sporen na, terwijl dat in digitale databanken vaak geruisloos gebeurt. Fouten en onvolledigheden zijn veel zichtbaarder. De complexiteit en diversiteit van het originele bronnenmateriaal én van de

64 G. Rooijakkers, ‘Vieren en markeren. Feest en ritueel’, in: T. Dekker, H. Roodenburg, G. Rooijakkers (red.), Volkscultuur. Een inleiding in de Nederlandse etnologie, Nijmegen, Uitgeverij SUN, 2000, p. 173-230, p. 179.

65 B. Vannieuwenhuyze, ‘Oud papier? Twee steekkaartencollecties over laatmiddeleeuwse en vroegmoderne Brusselaars’, Tijd-schrift 8:1, 2018, p. 133-137, p. 134.

geschiedenis komen veel beter tot uiting. Handmatig zoeken is gemakkelijker en een papieren steekkaartencollectie levert doorgaans ook veel meer toevalsvondsten op. Alleen al omwille van die ‘historische sensaties’ verdienen steekkaartencollecties als materieel erfgoed gekoesterd te worden en te blijven.”66

Dat fichebakken en steekkaarten ondertussen weer andere functies vervullen, in wat het eigentijdse erfgoedregime zou kunnen genoemd worden, bleek treffend in de tentoonstelling (2017-2018) in het STAM te Gent over de relatie tussen de stad en de universiteit. In een van de zalen stond, als interactief instrument, de “fichebak der herinneringen”. Daar kon de bezoeker een steekkaart nemen en de “mooiste herinnering, grappigste anekdote of belangrijkste gebeurtenis” in de tijd als student, neerpennen en dan klasseren op jaartal. Het was tegelijkertijd voor de oudere bezoekers, vijftigplussers, een punt van herkenning aan de hand van een voorwerp, een apparaat, dat uit het dagelijks (studenten)leven is verdwenen, maar ook een kans om iets te doen wat je normaal gezien in die universitaire fichebakken niet mocht doen, namelijk zelf direct informatie toevoegen en zelfs klasseren (dus ook de andere kaartjes manipuleren en herschikken, en aansluiten bij een cohorte in de academische geschiedenis). Enkele van de kaarten werden, na het anonimiseren, gescand en online in een facebookgroep aangeboden. De rest van de ingevulde steekkaarten werden na afloop van de tentoonstellingen bewaard en opgenomen in de collectie. Het steekkaartenkastje werd afgevoerd…67

Opstelling van de “fichebak der herinneringen” in de tentoonstelling “stad en universiteit. sinds 1817”. (Stam Gent, 06/10/2017-27/03/2018) (foto Phile Deprez & STAM)

66 Vannieuwenhuyze, ‘Oud papier?’, p. 136-137.

67 Met dank aan Lars De Jaegher, Coördinator collectie & tentoonstellingen, STAM Gent voor de informatie en gescande beelden.

Voorbeelden van ingevulde steekkaarten voor de fichebak der herinneringen, in het kader van de tentoonstelling.

marc jacobs reculer/sauter

Parateksten, folklore, volkskunde en bibliografische instrumenten in de 20e eeuw.

The Athenæum in 1846.

Bekijk de voorpagina in 1846 van een literair tijdschrift dat tussen 1828 en 1921 in Londen verscheen: The Athenæum. Vanaf 1829 tot 1846 was Charles Wentworth Dilke (1789-1864) uitgever. Daarna werd het uitgeverschap aan Thomas Kibble Hervey (1799-1853) overgedragen. We zien zowel een hoofdtitel (The Athenæum, het hoofdwoord vetjes gedrukt) als een ondertitel Journal of Literature, Science, and the Fine Arts. Er kan worden gediscussieerd over de vraag of “for the year 1846” nog bij de ondertitel hoort (maar er staat wel een punt achter Arts), of eigenlijk een jaartal is of een aanduiding van een jaargang? Sowieso wijst een andere paratekst op het jaartal, de datum in Romeinse cijfers. De plaats van uitgave is Londen. Een set parateksten identificeert respectievelijk de drukker en de uitgever en stelt een brede groep distributieverkooppunten voor: “Sold by all booksellers and newsmen in town and country”. Verder worden agenten voor Schotland, Ierland en het Continent, via Parijs, geïdentificeerd.

Voor de studie van parateksten werden gespecialiseerde tijdschriften en (dan) websites ontwikkeld.1 Dit is ook het geval voor registers en indices.2 Een relatief vroeg digitaal ontsluitingsproject van de jaargangen van The Athenæum, meer dan drie decennia geleden, gaf aanleiding tot methodologische bespiegelingen. Het was een samenwerkingsproject van een VUB-professor, Oskar Wellens (1941-2017) en (momenteel) UGent-onderzoekster Marysa Demoor, en London City University. Zij benadrukten het speciale karakter van het tijdschrift The Athenæum dat grotendeels dreef op reviews: boekbesprekingen en commentaarartikels, vaak verzorgd door auteurs die doorgaans anoniem wensten te blijven of met schuilnamen werkten. De VUB- & LCU-onderzoekers beschikten over een reeks afleveringen van The Athenæum waar in de marge in handschrift de echte namen van de auteurs waren genoteerd bij bijna elke bijdrage, wellicht om auteursvergoedingen te regelen. Het project illustreert de overgang van werken met steekkaarten en fiches in de jaren 1970 en 1980 naar het inschakelen van computers, uiteindelijk personal computers. In de eerste fase werden onder leiding van Wellens ongeveer 150.000 fiches gemaakt. Ze werden chronologisch gerangschikt: de jaargang, de paginanummers, het besproken boek of item werd aangeduid, samen met de anonieme aanduiding, het pseudoniem of de schuilnaam en dan de echte voor- en familienaam van de auteurs. In een bijdrage in 1991 bespraken de projectmedewerkers van de London City University de problemen die de overdracht van de gegevens in een databank veroorzaakten, niet alleen de selectie van informatie om de hoeveelheid gegevensruimte op een harde schijf beperkt te houden (dertig jaar later als criterium nog moeilijk te begrijpen), maar ook de vele interpretatieproblemen en onzekerheden die overbleven bij de transcriptie van informatie.3 Er werden duizenden uren gewerkt aan de steekkaarten en de invoering van gegevens in een databank. The Athenæum bood een van de

1 Zie ook D. Duncan, Index, A History of the. A Bookish Adventure, s.l. Allen Lane, 2021.

2 https://www.theindexer.org/publication/issues/ (bezocht op 1-2-2024) en pdf-versie: https://www.liverpooluniversitypress.co.uk/journal/index (bezocht op 1-2-2024).

3 M. Hancock-Beaulieu & S. Holland, ‘Indexing The Athenæum: aims and difficulties’, The Indexer 17:3, 1991, p. 167-172, https://www.liverpooluniversitypress.co.uk/doi/epdf/10.3828/indexer.1991.17.3.7 (bezocht op 1-2-2024).

| parateksten, folklore, volkskunde en bibliografische instrumenten

frontzones in de overgang van oude systemen om parateksten te verwerken en te ontsluiten naar elektronische databanken.

Vandaag is de hele collectie gedigitaliseerd. Het soort van monnikenen pionierswerk dat amper een halve eeuw geleden nog werd verricht door studenten, professoren, administratief en technisch personeel en vele liefhebbers om de inhoud van reeksen publicaties te ontsluiten, is vandaag haast ondenkbaar in Europa. Nu wordt de computer ingeschakeld, mede met grote databanken en artificiële intelligentie (en daaronder verscholen nog steeds ontelbare uren van mensen die in het globale zuiden dat soort programma’s trainen). In de vorige eeuw zijn heel wat onderzoekers, ondersteunend personeel en vrijwilligers in volkskunde/folklore studies, vele uren in de weer geweest met notities maken of knippen en plakken van informatie op steekkaarten, parateksten, vaak aan de hand van een lees- en invulraster zoals het plan Hoffmann-Krayer. Om reliëf te zien en kritisch greep te krijgen op wetenschappelijke praktijken en geschiedenissen vandaag, is het belangrijk daar inzicht in te verwerven, vooraleer Big Data operaties uit te voeren.

Dit is een paratekst

Wat is nu eigenlijk een paratekst? Denk bijvoorbeeld aan de elementen op de voorpagina van een gedrukt boek: de titel zelf, auteursnamen, de plaats en datum van uitgave of de jaargang, de naam van de uitgever of de drukker. Of kijk naar allerlei andere randteksten zoals een woord vooraf, een opdracht, een korte inhoud, een blurb, een inhoudstafel, een bibliografie of een voetnotenapparaat. Of bekijk het plaatsnamen-, trefwoorden- of auteursregister: al deze elementen kunnen parateksten worden genoemd. De letterkundige Gérard Genette lanceerde het begrip paratekst in een boekje met de titel Seuils, uitgegeven door uitgeverij Seuil.4 Seuil betekent drempel, de overgang van binnen naar buiten (en omgekeerd). Een gedrukte tekst is zelden een lang, eenvormig blok van letters en wordt meestal niet alleen via het gebruik van alinea’s of de lay-out toegankelijker, leesbaarder en aantrekkelijker gemaakt. Parateksten zoals titels, boven- en tussentitels, een inhoudstafel, een korte omschrijving of foto van de auteur op de achterflap, een aantrekkelijke titel of afbeelding op de voorpagina (allemaal paratextuele elementen) helpen een tekst over de drempel, over de toonbank en in de bibliotheek.

Sinds de lancering van de boekdrukkunst in Europa in de 15e eeuw werd er een heel arsenaal van parateksten voor drukwerk ontwikkeld. De naam van de drukker of uitgever, gekoppeld aan een adres (de naam van een stad, soms tot en met de naam van de straat en van het bedrijf) en een datum, was nodig om het boek te bestellen en om commerciële rechten te claimen. Of om overtreders van wetten en normen te vervolgen: denk aan de vermelding van de “verantwoordelijke uitgever” als je vandaag iets laat drukken, bijvoorbeeld een affiche. Sommige van die elementen bevinden zich letterlijk aan de buitenzijde van de kerntekst, zoals op een titelpagina in een ingebonden boek of achteraan in eindnoten, registers of inhoudstafel of onderaan in het geval

4 G. Genette, Seuils, Parijs, Seuil, 1987.

Schuiven met bibliografische steekkaarten die deel uitmaakten van Paul Otlets Universeel Bibliografisch

Systeem, als deel van het Mundaneum, nu Bergen, België. (foto Zinneke, CC-BY-SA-3.0)

van voetnoten. Of een “nihil obstat”: de toelating tot drukken, na controle verleend door een vertegenwoordiger van een kerkelijke overheid. Dat zijn, aldus Genette, periteksten. Er bestaan ook externe teksten over de kerntekst, epiteksten, zoals publiciteitsfolders of boekbesprekingen.

In de geschiedenis(sen) van de wetenschappen spelen combinaties van diverse parateksten een belangrijke rol. Bibliotheken konden worden georganiseerd door sortering op auteursnamen en/of titels, met lijsten of met steekkaarten die alfabetisch werden geordend. Die konden ook worden gedrukt en leverden dan bibliografieën op. Combinaties van auteursnaam, titel, plaats, datum en uitgevers konden worden opgenomen in een catalogus, klaar om te worden besteld. Er kon worden voortgebouwd op resultaten van onderzoek van anderen door precieze verwijzingen naar een via auteursnaam, titel, uitgever en datum te identificeren boek of tijdschrift, met opgave van paginanummers. Naast de glossen die bijvoorbeeld in de marge van juridische teksten werden geplaatst, werd vanaf de 17e eeuw het gebruik van noten met verwijzingen naar pagina’s in publicaties steeds meer gebruikelijk.5

5 Zie A. Grafton, The Footnote. A Curious History, Harvard University Press, 1997.

Tegen het einde van de 17e eeuw ontstonden ook de eerste tijdschriften die de oude systemen van kennisopbouw via correspondentie een veel grotere reikwijdte, transparantie en zekerheid gaven. In de loop van de 19e eeuw kristalliseerde dit zich verder uit in gespecialiseerde tijdschriften die vaak op specifieke onderwerpen waren gericht, net zoals er mede daardoor afzonderlijke wetenschappelijke disciplines ontstonden. Geleidelijk aan werden ook formules uitgewerkt om die productie in kaart te brengen en te faciliteren, bijvoorbeeld via bibliografische overzichten of steekkaartensystemen.

Met zijn werk The Footnote heeft Grafton gedemonstreerd hoe vruchtbaar het kan zijn om types van parateksten op lange termijn te volgen. In 2021 verscheen een ander meesterwerkje, Index, A history of the. A Bookish Adventure from Medieval Manuscripts to the Digital Age. Hierbij wordt gefocust op een specifieke reeks producten in de tijd, niet zozeer de informatie op rollen, maar op datacollecties in een boekformaat, de “codex” met ingebonden bladzijden. Het gaat over een geschiedenis van een achttal eeuwen, beginnend in de scriptoria van kloosters en kerken, en daarna aan de hoven van machthebbers. Duncan vraagt terecht om goed te kijken:

“The very first webpage, after all, was a subject index. As for the search engine, the port of embarkation for so much of our internet navigation, Google engineer Matt Cutts explains that ‘The first thing to understand is that when you do a Google search, you aren’t actually searching the web. You’re searching Google’s index of the web”6

William Thoms (1803-1885) & Folk-Lore (studies)

Op 22 augustus 1846 werd in The Athenæum een item gepubliceerd onder het kopje “Folk-Lore”. Het was een nieuw soort paratekst, een categorie, waaronder bijdragen konden worden gepubliceerd. De argumentatie voor de paratekst wordt in de tekst zelf gegeven; een pleidooi bij de uitgever om voortaan de paratextuele operatie van de clustering onder folklore uit te voeren. Het is een expliciete interventie om gepaste woordenschat – op het metaniveau van categorieën – te introduceren en vervolgens consistent te gebruiken; een recept dat in het begin van de 21e eeuw opnieuw zou worden gebruikt door UNESCO in verband met het borgen van immaterieel erfgoed. Het concept dat boven de tekst prijkt wordt in de eerste zin tussen haakjes geïntroduceerd en enkele alinea’s verder – opnieuw tussen haakjes expliciet geclaimd “Remember I claim the honour of introducing the epithet Folk-Lore”.7 Het gaat over het samenbrengen onder een noemer van specifieke kennis, die dreigt te verdwijnen en moet worden vastgelegd.

6 Duncan, Index, p. 1-2.

7 A[mbrose] Merton, [pseudonym voor William J. Thoms], ‘Folk-Lore’, The Athenæum, No. 982, 22/8/1846, p. 862c–863a. Ook de volgende citaten komen uit deze bijdrage. Voor een introductie in het oeuvre van verschillende tijdgenoten, zie R. Dorson, The British Folklorists. A History, Chicago, The University of Chicago Press, 1968.

“Your pages have so often given evidence of the interest which you take in what we in England designate as Popular Antiquities, or Popular Literature (though by-the-bye it is more a more a Lore than a Literature, and would be most aptly described by a good Saxon compound, Folk-Lore,-the Lore of the People)-that I am not without hopes of enlisting your aid in garnering the few ears which are remaining, scattered over that field from which our forefathers might have gathered a goodly crop. No one who has made the manners, customs, observances, superstitions, ballads, proverbs, &c., of the olden time his study, but must have arrived at two conclusions:

- the first, how much that is curious and interesting in these matters is now entirely lost

- the second, how much may yet be rescued by timely exertion.”

Het zou er volgens het voorstel op neer komen allerlei gegevens die in de geheugens en observaties van mensen in het land verspreid zaten samen te brengen en op papier vast te leggen, tot er iemand die in een syntheseboek zou verwerken: “gather together …number of minute facts, illustrative of the subject I have mentioned, which are scattered over the memories of its thousands of readers, and preserve them in its pages”. Het zou dan wachten zijn tot er een soort “James” Grimm zal opstaan die voor de Britse eilanden een soortgelijke antiquarische en filologische prestatie zou leveren als Jacob Grimm voor Duitsland in zijn Deutsche Mythologie had gedaan. Kleine feitjes samenbrengen, ook al lijken die afzonderlijk triviaal en onbelangrijk: samen, als systeem, konden die een enorme waarde aannemen of krijgen.8

De sleutel zat volgens het voorstel in de lancering van een paratekst, “FolkLore”, in combinatie met de kracht van een periodieke publicatie of grote gegevensverzamelsystemen, wat een hefboomeffect zou kunnen sorteren (vergelijk dit met de aspiratie van de lancering van het concept “intangible cultural heritage/patrimoine culturel immatériel/immaterieel cultureel erfgoed” of het opgeleukte concept “levend erfgoed” in de 21e eeuw): “How many such facts would one word from you evoke, from the north and from the south”... De lezers zouden collectief hun geheugen en ervaring kunnen mobiliseren en iets toesturen uit dankbaarheid voor wat ze elke week in de periodieke publicatie krijgen: “forwarding you some record of old Time – some recollection of a now neglected custom –some fading legend, local tradition, or fragmentary ballad!”. Vervolgens benadrukte de auteur de internationale relevantie van dit traject: “Nor would such communications be of service to the English antiquary alone. The connexion between the Folk-Lore of England (…) and that of Germany is so intimate that such communications will probably serve to enrich some future edition of Grimm’s Mythology.”9 In een postscriptum beschrijft “Ambrose Merton” zijn initiatief als een experiment en kondigt hij een (nooit afgerond) onderzoeksproject over “Folk-Lore” aan.

8 Vergelijk met het initiatief van “Dear mister Thoms”-brieven als een soort folklore-e-tijdschrift in https://ambrosemerton.org/.

9 Zie ook de poging tot contact in S. Miller, ‘‘Trifles Show Respect’: William J. Thoms’s Letter to Jacob Grimm in 1848’, Folklore 125:3, 2014, p. 339-343.

parateksten, folklore, volkskunde en bibliografische instrumenten

P.S.-It is only honest that I should tell you I have long been contemplating a work upon our ‘Folk-Lore’ (under that title, mind Messrs. A, B, and C,-and so do not try to forestall me);-and I am personally interested in the success of the experiment which I have, in this letter, albeit imperfectly, urged you to undertake.”10

“De redactie” (wellicht Thoms zelf) van The Athenæum reageerde in hetzelfde nummer onder meer als volgt, dat ze met het oog op het werk van toekomstige historici “oude gebruiken” en “gevoelens” (!) zouden selecteren. Wie een bijdrage zou inleveren, zou bij een pseudoniem idealiter ook aan de redactie de echte identiteit (echte naam en adres) moeten prijsgeven.

10 Alle voorgaande citaten komen uit Merton, Folk-Lore.

William John Thoms. (Wellcome_V0028368)

“(…) We have finally decided that, if our antiquarian correspondents be earnest and wellinformed, and subject their communications to the condition of having something worthy to communicate, we may—now that the several antiquarian societies have brought their meetings, for the season, to a close—at once add to the amusement of a large body of our readers and be the means of effecting some valuable salvage for the future historian of old customs and feelings, within a compass that shall make no unreasonable encroachment upon our columns. With these views, however, we must announce to our future contributors under the above head, that their communications will be subjected to a careful sifting—both as regards value, authenticity, and novelty; and that they will save both themselves and us much unnecessary trouble if they will refrain from offering any facts or speculations which do not at once need recording and deserve it.”11

De nieuwe rubriek Folk-Lore verscheen een week later, op 28 augustus 1846, met opnieuw een bijdrage van Ambrose Merton (alias William Thoms).

Daarbij gaf hij verschillende voorbeelden van legendes en andere verhalen die konden worden opgetekend en gepubliceerd. Hij riep ook op om gegevens over kalenderfeesten door te geven, met aandacht voor wat er werd gedaan en gegeten. Dit was geen oproep om in oude geschriften of publicaties te gaan zoeken, maar om zelf te observeren of zich actief te herinneren.12 Thoms vulde de volgende maanden en jaren onder zijn pseudoniem verschillende volgende bijdragen in, maar slaagde er ook in bijdragen van anderen te rekruteren. Tussen augustus 1846 en november 1849 zouden na de twee opstartbijdragen van “Merton” 85 afleveringen verschijnen.13

Daarna schakelde hij over op een nieuw project, Notes and Queries, oorspronkelijk met de ondertitel A Medium of Inter-Communication for Literary Men, Artists, Antiquaries, Genealogists, etc., dat via een vragen- en antwoordensysteem informatie wou oogsten bij antiquaren, andere onderzoekers en geleerden. Thoms gebruikte voortaan zijn eigen naam als hoofdredacteur en lanceerde de nieuwe publicatie op 9 november 1849 met in het eerste nummer beschouwingen over heiligenlegenden en motieven zoals dat van de drie ballen in het Sinterklaasverhaal. Hij lanceerde er een “Folk Lore”-rubriek vanaf 2 februari 1850 en presenteerde het als een vraag van diverse lezers, naar analogie van wat in het tijdschrift The Athenæum wordt gelanceerd. Zo zou ook via dit nieuwe kanaal onder de gelanceerde paratekst (zonder verbindingsstreepje) materiaal worden verzameld: “that any contributions illustrative of The Folk Lore of England, the Manners, Customs, Observances, Superstitions, Ballads, Proverbs, &c., of the Olden Time, will always find welcome admission to our pages. We think, too, we may venture to promise that such communications shall be illustrated, when they admit of it, from the writing of continental antiquaries”.14

11 The Athenæum, No. 982, 22/8/1846, p. 863b & c.

12 A[mbrose] Merton, ‘Folk-Lore’, The Athenæum, 983, 29/8/1846, p. 886c-87a.

13 S. Miller, ‘The Athenæum: The Folklore Columns (1846-9)’, Folklore 122:3, 2011, p. 327-341.

14 Notes & Queries, First Series, I (2/2/1850, 1).

| parateksten, folklore, volkskunde en bibliografische

De herlancering van het concept “folklore” in zijn Notes & Queries ging gepaard met een soort één-twee van Thoms/Merton met zichzelf, als initiator en rubriekeditor in The Athenæum en nu als hoofdredacteur in de nieuwe publicatie. Duncan Emrich omschreef de demarche als “one of the most delightful hoaxes in the whole history of our science!”15 Het gebruik van zijn eigen naam om het folklore-experiment van “Ambrose Merton” te herlanceren en de lezers in het ongewisse te laten was een techniek om een breder draagvlak en potentieel voor de paratekst te suggereren en te genereren. Het werd een succes want tussen 1850 en 1872, onder het hoofdredacteurschap van Thoms, werden ongeveer 3000 bijdragen over folklore gepubliceerd. In 1872 claimde hij de lancering van het woord om een hele stroming te kanaliseren: “The subject was ‘tapped’... in that journal on the 22nd August, 1846, in a paper written by myself under the pseudonym of Ambrose Merton, and headed Folk-Lore.”16

Meer dan een kwarteeuw later zou Thoms in Notes & Queries terugblikken op de voorgeschiedenis:

“In the year 1846, when the railroad mania was at its height, and the iron horse was trampling under foot all our ancient landmarks, and putting to flight all the relics of our early popular mythology, I had written to the editor of The Athenæum, suggesting what good service he might render to students of popular antiquities by consenting to open his columns to notices of old-world manners, customs, and popular superstition, before they had been all swept away. I was invited to call at Wellington Street and talk the matter over. But instead of seeing the editor, I was received by Mr. Dilke. The result was his ready consent to do what I had asked, on condition that all communications on the subject should be sent on to me, and that I should select for publication such portions of them as in my judgment were worthy of preservation ...”17

In Notes & Queries verschenen duizenden bijdragen die onder de categorie “folklore” vallen. Het duurde nog tot 2021 voor de eerste tien decennia (18491947) via onderwerpsregister werden ontsloten. Het is tekenend dat men het nodig vond allerlei ingrepen te doen om dit op een politiek correct geachte manier te presenteren; een nieuwe ontwikkeling in het paratextuele repertoire: “A number of ethnic labels have been edited for cultural sensitivity, so Eskimo appears as Inuit, Gypsy as Roma, Hottentot as Khosian, Lapp as Sámi, and Negro as African American. As regards the n-word, it appears once in the title of a proverb and is represented as n*.”18

15 Duncan Emrich, “Folk-Lore”: ‘William John Thoms’, California Folklore Quarterly 5:4, 1946, p. 355-374, p. 366.

16 Notes and Queries, Fourth Series, X (26/10/1872), p. 339-340.

17 Notes and Queries, Fifth Series, VI (15/7/1876), p. 4.

18 S. Miller, The Notes and Queries Folklore Column, 1849-1947: Subject Indexes, Newcastle upon Tyne, Cambridge Scholars Publication, 2021, p. XII. Op zich ook een mooie case van paratextuele magie: de uitgever heeft niets te maken met Cambridge University Press of de universiteit van Cambridge, behalve dat enkele personeelsleden er gestudeerd hebben. Toch wordt mee gesurft op het symbolisch kapitaal van “Cambridge”.

Van (ook) oudheden tot (ook) folklore tot (ook) volksleven en volkskunde tot (ook) volkscultuur en etnologie tot (ook) immaterieel erfgoed en kritische erfgoedstudies tot …

Dit soort benaderingen is niet alleen relevant voor de studie van parateksten of voor de geschiedenis van volkskundig onderzoek. Het heeft momenteel een bijzondere betekenis en urgentie in de huidige golf van erfgoed, erfgoedbeleid, erfgoedpraktijken en kritische erfgoedstudies en het streven om dit als een recente ontwikkeling te zien in een bredere historische evolutie. Het is een operatie in de identificatie van voorlopers en het opstellen van (wetenschappelijke) genealogieën. Zo is recent het “antiquarianisme” in de 18e en 19e eeuw weer sterk in de belangstelling gekomen, als onderdeel van het uitbouwen van “critical heritage studies”, met name de ontrafeling en/of uitrol van een zinvolle voorgeschiedenis, voorlopers en genealogieën (deels zoals historiografie voor “geschiedenis”/geschiedwetenschap werd ontwikkeld, wat als geheel in de transdiscipline “erfgoedstudies” kan worden gerecupereerd en geïntegreerd). Naast bijvoorbeeld het oeuvre van Alain Schnapp19, moet hier gewezen worden op het baanbrekende werk van de etnologe Anne Eriksen uit Noorwegen: “From Antiquities to Heritage”.20 Zij benadrukte dat de opeenvolging van begrippen in de tijd, niet betekent dat wat vooraf kwam zomaar mag worden gereduceerd of weggevaagd, maar dat dit nader moet worden bekeken. Het gaat om meer dan de stellingen als: ‘“oudheden” of “monumenten”. Deden ze toen ook al aan erfgoed?’

“To grasp the full meaning of the changing terminology – from antiquities to heritage – it is then necessary to explore the relationship between these terms and the age-based values they represent on the one hand and the variety of shifting concerns, meanings and interests on the other. Which issues have been relevant and dominant, and how are they entangled with the age-based values? In what ways does the changing terminology reflect such contemporary concerns rather than describe the old objects it refers to? This implies that rather than taking eighteenth-century antiquarianism as a simple indication that ‘they were interested in heritage too!’ the language used in different periods will be taken to indicate time-specific ways of relating to the past and producing knowledge about it (…) Including eighteenth-century antiquarianism means entering a landscape where knowledge was structured in other ways and where scholarly disciplines formed other patterns and relations than what came to happen later. This does not only situate the interest in ‘heritage’ within a wider historical frame, it also gives a means to ask other questions about the genealogy of the modern concepts.”21

Hoewel de etnologe Anne Eriksen dit niet verder uitwerkt, is de evolutie binnen het volkskundig veld een interessante case. De lancering van het concept

19 A. Schnapp e.a. (red.), World Antiquarianism. Comparative Perspectives, Los Angeles, J. Paul Getty Trust, 2013.

20 Zie de cursus “Erfgoed: genealogieën en voorlopers”, direct voortbouwend op het werk van A. Eriksen, From Antiquities to Heritage: Transformations of Cultural Memory, New York, Berghahn, 2004.

21 Eriksen, From Antiquities, p. 12 en p. 10.

| parateksten, folklore, volkskunde en bibliografische instrumenten

folklore in The Athenæum en Notes & Queries en dan later in de benaming van verenigingen was een bewuste poging om los te komen van(uit) de benadering van “antiquaren”, in het voorstel van William Thoms/Ambrose Merton door observaties én geheugen/herinneringen in de eigen tijd; ook direct veel ruimer dan “literatuur”. Eriksen zoomt in haar sleutelboek in op die transitie van antiquaren, via nationalisme dat hoogtij vierde in de 19e en vroege 20e eeuw, naar werelderfgoed, beïnvloed door de Conventie voor het natuurlijk en cultureel erfgoed van UNESCO uit 1972: “nation building, with its drive towards what is specific and unique to the individual nation, has its own international grammar: to a certain extent, all nations are unique in approximately the same way; they develop the same repertoire of uniqueness (…) The contemporary heritage discourse is international for other reasons. Its core and primary proponent is UNESCO, whose work also lay behind the heritage term when it came into frequent use from the 1970s onwards. Today, the vocabulary developed by UNESCO has thoroughly influenced the entire field, far beyond the monuments and sites that are, or strive to be, on UNESCO’s own World Heritage List.”22

Het is in dit licht interessant om na te denken over de keuzes in het paradigma van de UNESCO-conventie 2003 over het borgen van immaterieel erfgoed, waarbij men zowel probeert afstand te nemen van de terminologieën en hiërarchieën van de werelderfgoedconventie van 1972 en de werelderfgoedlijst, van concepten zoals (nationaal) “uniek” maar ook van concepten zoals folklore en volksleven/volkscultuur/volkskunde. Dit ontrafelen en de meerlagigheid, zowel in de tijd als in de ruimte, voldoende rijk en niet reductionistisch in beeld laten komen en manieren te vinden om dit te representeren en te hanteren: dat is wat volgens mij niet op de agenda staat maar moet worden gezet. Dit moet dan weer ingepast worden in de inspanningen om “kritische erfgoedstudies” te positioneren ten opzichte van fasen in die 19e-eeuwse disciplines, zoals folklorestudies of “bronnen-gebaseerde” geschiedschrijving.

Het brede onderzoeksprogramma dat Anne Eriksen lanceerde, laat ook toe om bepaalde strategieën die in die eerste basisteksten van William Thoms over “Folk-Lore” kunnen worden gedetecteerd, te zien en te begrijpen. Zie bijvoorbeeld de volgende passage die linkt met een van grote debatten in erfgoedstudies, namelijk rond historiciteitsregimes en het oeuvre van Koselleck en Hartog over evoluties in de 19e eeuw/het nieuwe historiciteitsregime:

“Only the scientist, the new history scholar, is able to understand the meaning of past events and to analyse the underlying structures of the historical processes. Hartog points out how an expectation of synthesis and generalization followed the discipline of history during the nineteenth century, together with an inclination towards teleological history writing. The new historians were expected to be able to find patterns and to establish laws that would explain past events and assemble all historical facts. Such an operation could only be executed from the future – the present of the new scholars – towards the past. The past must be seen from the future for its true meaning to be discovered (…) The nineteenth century saw the

22 Eriksen, From Antiquities, p. 12.

birth of a number of disciplines all informed by the new regime. In addition to history itself, archaeology, ethnology and folklore studies, religious history and modern historical philology entered the scene, sharing the basic assumption of history as a process of change.”23

Zoals kan blijken uit de volgende citaten, vestigt Eriksen er niet alleen de aandacht op dat UNESCO-referentiekaders vandaag de terminologie zwaar beïnvloeden. Ze benadrukt ook dat men niet zomaar alle voorgaande kaders en welke uitgangspunten, methoden en concepten daarmee verbonden zijn, mag wegvegen en vervangen door het begrip erfgoed, maar een andere verhouding moet zoeken of moet trachten te doorgronden welke structurele kenmerken en mechanismen in een “black box” zoals “folklore studies” of “volkskunde” zaten in de tweede helft van de 19e en de 20e eeuw. Een van de vragen die daarbij relevant kan zijn is te kijken naar een paratextueel mechanisme, een machine haast, die misschien zelfs een “canon” genereerde, die tot het begin van de 21e eeuw stand hield. Biedt het oude classificatieplan Hoffmann-Krayer die insteek, is een van de vragen die worden behandeld? En wat kwam er dan in de plaats? Zoals in een aantal bijdragen in dit nummer van Volkskunde duidelijk wordt, biedt het citatie-indexapparaat van Web of Science, daarin niet voldoende houvast. Het zal breder moeten worden benaderd en de hypothese van Anne Eriksen dat we ook hier weer moeten kijken naar historiciteitsregimes houdt steek. In de laatste twee à drie decennia van de 20e eeuw en het begin van de 21e eeuw, vond er volgens Hartog opnieuw een verschuiving van het historiciteitsregime plaats: op het heden gericht. Wat betekent het (te borgen immaterieel erfgoed) NU in het (samen)leven van mensen (gemeenschappen groepen en individuen, stakeholders) is een van de belangrijkste vragen in de UNESCO-conventietekst uit 2003.

“The presentist regime, and the dominant position of heritage within it, (…) Its distinctive feature is a lack of direct communication with both past and future, leading it to circle around the present, to historicize it and to see the past exclusively from the perspective of its usefulness to the present. (…) Is it simply a contemporary hiatus before we return to believe in a more or less glorious future, or does it represent a genuinely new mode of temporal experience caused by the revolution in information technology and globalization.”24

Op het pad van Hoffmann-Krayer: de Internationale Volkskundige Bibliografie

In Zwitserland zou een bibliografie over volkskundige onderwerpen, die in het Schweizerisches Archiv für Volkskunde verscheen tussen 1898 en 1918 de basis leggen voor een van de grote bibliografische systemen in de 20e eeuw. Een sleutelfiguur hierbij was Eduard Hoffmann-Krayer (1864-1936). Hij lag in 1896 mee aan de basis van het Schweizerische Gesellschaft für Volkskunde. Hij was redacteur van het tijdschrift Schweizerisches Archiv für Volkskunde (vanaf 1897,

23 Eriksen, From Antiquities, p. 24-25.

24 Eriksen, From Antiquities, p. 26.

parateksten, folklore, volkskunde en bibliografische instrumenten

momenteel ook ontsloten in Web of Science)25 en het contactblad Schweizer Volkskunde (1911-2019, toen ook die dominosteen viel). Hij publiceerde Die Volkskunde als Wissenschaft (1902). Hij zou ook meewerken aan het reuzeproject van het Handwörterbuch des deutschen Aberglaubens (1927-1941). Wat ons hier vooral aanbelangt, is zijn rol in het maken van een paratextueel apparaat, een hiërarchisch systeem van codes die als metadata aan artikelen in tijdschriften en boeken werden toegevoegd. Hoffmann-Krayer legde die basis in 1902 voor de ontsluiting van teksten in Zwitserland. Hij mocht vanuit Bazel de redactie verzorgen van de eerste aflevering van een Internationale Volkskundliche Bibliographie, te beginnen in het jaar 1917. Hij bouwde verder op zijn systeem van net na de eeuwwisseling. Hiermee wordt, in de vorm van een samenhangende, hiërarchische reeks rubrieken, een systeem geïntroduceerd dat processen van padafhankelijkheid genereert. Hoe meer onderzoekers en instituten het systeem overnemen, hoe meer gegevens kunnen worden gecombineerd en vergeleken, zowel in de tijd als in de ruimte. Hoe groter dit systeem wordt, hoe moeilijker het is ervan af te stappen. Zo werd in diverse landen, organisaties en netwerken in die jaren systemen opgezet op basis van dat plan, wat in concreto vorm kreeg in georganiseerde steekkaartensystemen en publicaties, een beweging die na de Tweede Wereldoorlog wordt versterkt. Dit pad zou zo intensief worden bewandeld en de feedbackprocessen en bereidheid tot aanpassing en transformatie zouden zo moeilijk lopen dat alles kort voor en kort na het jaar 2000 implodeerde.

De eerste aflevering van de (internationale, vooral Duitstalige) Volkskundliche Bibliographie verscheen in Straatsburg in 1919. Het werd door Uitgeverij Walter de Gruyter (Berlijn) gepubliceerd van 1920 (over het jaar 1918) tot 1941 (over de jaren 1935/36). Hoffmann-Krayer drukte zijn stempel tot 1931, toen zijn leerling Paul Geiger uit Bazel de redactie overnam (om de literatuur uit 1925 en 1926 in zijn eerste deel te behandelen). Het laatste deel onder de titel Volkskundliche Bibliographie (over de jaren 1935/36) verscheen in 1941. Pas in 1957 zou door Akademie Verlag te Berlijn de bibliografie van de ontbrekende jaren 1937-1938 worden gepubliceerd. In 1949 werd de selectie van titels over “folklore” voor de jaren 1939 tot 1941 en in 1950 voor de jaren 1942-1947 gepubliceerd. Ondertussen waren immers in Zwitserland, bij G. Krebs te Bazel, nog de afleveringen voor 1948-1949 (in 1954), 1950-1951 (1955) verschenen en zou in 1959 de aflevering over 1952-1954 verschijnen. Daarna werd het project overgenomen door de uitgeverij R. Habelt te Bonn, die in 1962 de aflevering van 1955-1956 publiceerde en in 1979 de aflevering van 1975-1976.

Omtrent Europese (en mondiale) folklore en volkscultuur

Een van de opmerkelijke lijnen in dit verhaal is dat UNESCO en zijn voorganger herhaaldelijk een rol hebben gespeeld in het versterken en daarna verlaten van het pad van Hoffmann-Krayer. In oktober 1928 was in Praag de Commission des Arts et Traditions Populaires (CIAP) opgericht, tijdens een Congrès des arts

25 De hele reeks van 1897 tot vandaag is in de vorm van een pdf per jaargang beschikbaar op https:// www.e-periodica.ch/digbib/vollist?UID=sav-001 (bezocht op 2-2-2024).

populaires, georganiseerd door de Volkerenbond. Een langetermijngeschiedenis over de rol van de Volkerenbond en daarna UNESCO in het verhaal van passende woordenschat, moet nog worden gemaakt. Bjarne Rogan heeft getracht een aanzet te geven tot een geschiedenis van SIEF en CIAP. Hij citeerde daarbij onder meer Albert Marinus die aanduidde hoe een woord zoals “folklore” of “etnografie” al in het interbellum problematisch werd geacht en dat werd getracht het te vermijden.

“The Belgian participant, Albert Marinus, gives a fuller explanation (Actes […] 1956, 18): You have perhaps observed that the word “folklore” was used neither for the congress nor for the commission [CIAP] that came out of it. The simple reason is that to the former League of Nations, the word “folklore” was banished, just as was the word “ethnography”. Actually, they believed that the word “folklore” would give stuff to political claims, and that the populations would not resist from claims, with reference to similarities in costume, songs, etc. Such attitudes were to be feared especially for disputed regions between neighbouring countries.”26

Het verdient nader onderzoek welke bibliografische strategieën in deze netwerken werden ontplooid. Terwijl in de Duitstalige gebieden het werk aan de Volkskundliche Bibliographie gewoon verderging, en er in diverse landen initiatieven waren om hier ook mee te werken, hadden de terugtrekking van Duitsland (1933) en Italië (1936) uit de Volkerenbond en de ideologie van nazisme en fascisme, een verlammende impact op internationale samenwerking en op CIAP, net als de werking van het IIIC.

Vanaf 1945 werden stappen gezet om CIAP herop te richten, mede onder impuls vanuit de pas opgerichte organisatie UNESCO. Na de heroprichting in 1947, kon CIAP vanuit Parijs, meer bepaald het Musée des Arts et Traditions Populaires, een werking als ledenvereniging ontplooien. Een van de belangrijke stappen was het deel uit maken van een UNESCO-satelliet, CIPSH (Conseil International de Philosophie et des Sciences Humaines), wat toegang gaf tot een financiering. Een van de instrumenten die ze onmiddellijk presenteerden voor subsidies was de internationale volkskundige bibliografie. Ze konden hiermee een brug slaan naar de interbellumperiode, het project onttrekken aan het verslagen Duitsland en de internationalisering afdwingen. Maar tegelijkertijd bleef men met hetzelfde paratextueel apparaat aan de slag gaan, met andere woorden de vooroorlogse canon (vanuit Midden-Europa) reproduceren.

In 1949 werd de selectie van titels over “folklore” voor de jaren 1939 tot 1941 en in 1950 voor de jaren 1942-1947 gepubliceerd. Er werd geopteerd om niet alleen het droge codenummer als paratekst te gebruiken, maar de titels voluit te spellen, en direct in drie talen. Dit was ook een politieke keuze, naast Duits, werden de voertalen van UNESCO voortaan ook gebruikt.

Bjarne Rogan heeft de geschiedenis van CIAP onderzocht en gewezen op de in zijn ogen wel heel bijzondere transitie (in 1964) naar SIEF, versta ook de buitengewoon hardnekkige ruzies en machtsstrijd. Een factor bleek de financiering van UNESCO en hoe (slecht) dat blijkbaar beheerd werd. Er was

26 B. Rogan, ‘When the Folklorists Won the Battle but Lost the War: The Cumbersome (Re-)Birth of sief in 1964’, Cultural Analysis 13, 2014, p. 23-50.

| parateksten, folklore, volkskunde en bibliografische instrumenten

binnen CIAP ook een heftige inhoudelijke strijd rond fundamentele kwesties: “One of the main issues at stake was the relation between folklore and ethnology (understood as the study of material culture and social life), another the relation to anthropology, a third the delimitation of the field (Europe or the whole world), a fourth the designation of the discipline(s).”27

Vanaf 1957 was de druk vanuit UNESCO opgevoerd op CIAP om de financiën in orde te brengen en de legitieme aanwending van de projectmiddelen voor de bibliografie en een woordenlijst te verantwoorden. Er was ook druk om een fusie met IUAES (The International Union of Anthropological and Ethnological Sciences) te overwegen, zeker nadat ze vanaf 1959 een zitje binnen CIPSH moesten delen. Dit kan ook geduid worden als een reeks impulsen om het Europese referentiekader van “folklore” door globale perspectieven in te ruilen (zoals in 2003 uiteindelijk zou gebeuren). In het verhaal van Bjarne Rogan over de machtsstrijd tussen enerzijds Sigurd Erixon (1888–1968) en anderzijds Kurt Ranke (1908-1985), professor volkskunde in Göttingen (en onder andere K.C. Peeters) wordt duidelijk dat de financiering van de IVB een van de kwesties en hefbomen was. Enerzijds waren er de impulsen om bredere referentiekaders te aanvaarden, met de combinatie van antropologie, etnologie en folklore. Anderzijds waren er middelen om te trachten het traject weer meer onder controle te krijgen vanuit volkskundige netwerken.

Vanaf 1959 bood Ranke aan de Internationale Volkskundliche Bibliographie met Duitse Marken te cofinancieren (waardoor de druk en US dollars van UNESCO om het Europese kader te overstijgen en in de richting van globale antropologie te bewegen konden worden geneutraliseerd), op voorwaarde dat het beheer van de IVB van Zwitserland naar West-Duitsland zou worden verplaatst en dat een Duitse uitgever de publicatie zou mogen verzorgen. Rogan heeft de kunstgrepen gereconstrueerd om te snappen hoe een groep volkskundigen de volgende jaren geleidelijk greep op CIAP probeerde te krijgen en om die in een ander type van organisatie te veranderen, om de continuïteit te verzekeren. Hij reconstrueerde hoe Ranke en zijn medestanders (Roger Lecotté, Roger Pinon, Robert Wildhaber en Karel Constant Peeters) de organisatie overnamen/kaapten/heroriënteerden/redden (afhankelijk van het perspectief) en herdoopten in SIEF. Enerzijds kan hierover, aldus Rogan, een roman worden geschreven, suggererend dat “The Gang soon declared themselves the legal Board of CIAP and started deliberations with UNESCO. They dreamed of a worldembracing organization with splendid headquarters in Brussels—in the fashionable Palais de Congrès or the no less famous Parc du Cinquantenaire.”28 Hier lijken ook echo’s van het Mundaneum door te klinken. Anderzijds was het een strijd over de relatie tussen onderzoekers die focusten op materiële cultuur en technologie versus onderzoekers van wat we vandaag immaterieel erfgoed zouden noemen (“folklore”, “folkloristen”), of meer uitgebreid tot het volksleven. Of onderzoekers en beleidsmakers die voor een koepel of platform willen blijven gaan en hoe breed die dan moest zijn (empirische cultuurwetenschap, “volkskunde” en/of antropologie in de brede zin; vandaag erfgoed).

27 Zie voor deze paragraaf https://www.siefhome.org/about/history (bezocht op 28-12-2023).

28 Rogan, When, p. 35.

De strategische en tactische maneuvers leidden in 1964 tot een opheffing van CIAP en diverse afsplitsingen. Het was de start van SIEF, onder impuls van protagonisten zoals Kurt Ranke en K.C. Peeters (die ook van 1964 tot 1971 voorzitter zou zijn). Zoals al blijkt uit de F en E in SIEF, werden verhalenonderzoek/folklore en etnologie/studie van groepsculturen toch nog onderscheiden, was er geen directe aansluiting met antropologie, bleef de focus Europa (en gebieden buiten Europa waar de taal van de Europese kolonisator nog werd gesproken, inclusief Zuid-Afrika) en kon een benaming zoals volkskunde nog steeds functioneren, naast folklore, onder de bredere term “volksleven” en aanverwante begrippen. Het plan Hoffmann-Krayer was voor die aanpak goed geschikt.

In de jaren 1970 werden er binnen het veld van “volkskunde” in WestDuitsland heftige discussies gevoerd over concepten zoals volksleven, over de relatie met de periode voor, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog en over de vraag of er geen radicale breuklijnen en transformaties moesten zijn, tot en met het herdopen van de benaming van het vakgebied.29 Deze discussies werden mutatis mutandis in verschillende landen gevoerd, inclusief Nederland. SIEF bleek in het laatste kwart van de 20e eeuw niet de structuur die dit kon kanaliseren of sterk faciliteren. Grotere hervormingen bleven uit, ook in de volkskundige bibliografie, al werden wel pogingen ondernomen.

De IVB-werkgroepen van Alsheimer (1990-1998)

In de late jaren 1980 en in de jaren 1990 probeerde Rainer Alsheimer (1941-2013) vanuit en met de Universiteit van Bremen het IVB-project te redden. Hij poogde eigentijdse technologie te omarmen (zoals cd-romtechnologie of de combinatie van input uit databanken.) Hij probeerde verder het classificatieplan uit 1917 te hervormen. Hij gaf aan dat er daarrond veel weerstand en bezorgdheid was, onder andere vanuit België, met expliciete verwijzing naar enkele artikels in Volkskunde, onder meer in de jaren 1970: “Zuletzt am Band 1975/76 (1979) hatte Rolf W. Brednich geringfügige Systematikänderungen vorgenommen: Das Kapitel I (Gesamtvolkskunde) war im allgemeinen Teil der ‘International Bibliography of Social and Cultural Anthropology’ angeglichen worden und die Systematikgruppe XXII (Namen) wurde aufgegeben. Titel zur Namenkunde fanden Platz in den Kapiteln Sprache oder Siedlung (z.B. Ortsnamen). Aber selbst diese geringfügigen Korrekturen führten zu einer warnenden Kritik aus Belgien”.30

Hij ondernam een nieuwe poging na 1989, door een “institutionaliseringsoperatie” uit te voeren31 en de coördinatie in Bremen te centraliseren, maar tegelijkertijd ook in te spelen op de ontwikkelingen door de val van

29 J.J. Voskuil, ‘De Tübingers nemen afscheid om te blijven’, Volkskunde 72:4, 1971, p. 369-375.

30 De bijbehorende referenties waren Brednich, en Stefaan Top, ‘Het plan-Hoffmann-Krayer gewijzigd’, Volkskunde 80, 1979, p. 311-318. Zie Rainer Alsheimer, ‘Die Systematikdiskussion der IVB-Mitarbeiter als Austausch von europäischen (Volks-)Kulturmodellen’, in: Rainer Alsheimer e.a. (red.), Internationale Volkskundliche Bibliographie. Systematik und Datenbanken, Wenen, Verein für Volkskunde, 1996, p. 11-18, citaat p. 13.

31 Zie Rainer Alsheimer, ‘Die Internationale Volkskundliche Bibliographie (IVB) auf dem Wege zu einer Institutionalisierung’, Ethnologia Europaea 19, 1989, p. 203-205 .

| parateksten, folklore, volkskunde en bibliografische instrumenten

de communistische regimes en van het IJzeren Gordijn. Er werden diverse studiedagen georganiseerd, met de medewerkers uit verschillende landen, waarover ook in het tijdschrift Volkskunde werd gerapporteerd.32

Het bleek heel moeilijk om de impliciete canon op te geven en los te komen van het schema van Hoffmann-Krayer. De problemen van padafhankelijkheid bleven meespelen, ondanks de groeiende ervaring van problemen, ontbrekende categorieën en problematische concepten. Men wou de onderlinge vergelijkbaarheid en ‘eenvoudige zoek- en vind-strategieën’ niet opgeven. Rainer Alsheimer maakte een haarscherpe analyse. “Nicht nur Hoffmann-Krayers Kulturmodell, sondern auch solche in Jahrzehnten gewachsenen Unregelmäßigkeiten hatten die verschiedenen Herausgeber der IVB in Kauf genommen, um dem Benutzer die Vergleichbarkeit der Kapitel zwischen den verschiedenen Bänden zu erhalten (…) Der Preis für die versuchte Treue zur ursprünglichen Gliederung war häufig Unverständlichkeit oder Redundanz.”33 “Trouw”, of zoals K.C. Peeters het in 1964 uitdrukte “tucht”, was een sleutel om te begrijpen in welke canon deze discipline gevangen zat en hoe moeilijk het was het open te breken. Het is volgens mij een van de redenen waarom ctrl-alt-delete of “reboot”-operaties, het opnieuw opstarten van systemen, in het begin van de 21e eeuw nodig waren. Denk aan operaties zoals de poging tot naams- en referentiekaderveranderingen in het boek Volkscultuur. Een inleiding in de Nederlandse etnologie (2000) of de “safeguarding intangible heritage”-operatie op het niveau van UNESCO (2003) of in de jaren 1990 het de facto een punt proberen te zetten in de “Volkskundige Bibliografie”-trajecten. Alsheimer probeerde nog een ultieme doorstart, maar daarvoor was een grondige reflectie over een update en mogelijk herstructurering of grondige aanpassing van het plan Hoffmann-Krayer aan de orde. Om dit te begeleiden (stimuleren, remmen of kanaliseren?) werd binnen SIEF een Europese Commissie voor de volkskundige/etnologische bibliografie opgericht. Het project bleef functioneren via een aanlevermechanisme vanuit verschillende landen. Rainer Alsheimer organiseerde verschillende werkbijeenkomsten met de correspondenten en andere belangstellenden. De vergaderingen vonden plaats in onder andere Lilienthal (bij Bremen) in 1990, Neusiedl am See (Burgenland) in 1991, in Petronell-Carnuntum (Neder-Oostenrijk) en Kittsee (Burgenland) in 1994, Amsterdam in 1996 en in Třešt (Tsjechië) in 1998. In dit tijdschrift besprak Stefaan Top in 1994 al de eerste vergaderingen. Hier brengen we nog enkele andere accenten aan en gaan we nader in op de laatste twee vergaderingen en de rijke verslagboeken van de laatste twee samenkomsten.

Bij de start van de discussies in de bijeenkomst in Lilienthal in het voorjaar van 1990, waar een dertigtal medewerkers van IVB uit twaalf landen aan deelnamen, liepen de emoties hoog op. Het werd duidelijk dat het ging over de impliciete canon en bij uitbreiding het vakgebied volkskunde zelf en de noodzaak tot updating en aanpassingen. De groepsdynamiek lag heel moeilijk. Alsheimer gaf aan dat men de breuk kon redden door de discussie naar volgende vergaderingen op te schuiven. Er werd getracht concepten zoals etniciteit, groepen, milieu, gender of economie een plaats te geven en de problematiek

32 Stefaan Top, ‘Internationale Volkskundige Bibliografie (IVB)’, Volkskunde 95, 1994. p. 33-42.

33 Alsheimer, Internationale, p. 14.

van mogelijk “etnische”, religie- of taalgebonden spanningen (zoals die in de Balkan in de jaren 1990 opflakkerden en tot oorlog leidden) onder ogen te zien en de implicaties van oude ordeningen en modellen te begrijpen. Kon er een plaats worden gegeven aan diverse modellen over cultuur en maatschappij of over wat later in debatten duurzaamheid en diversiteit werd genoemd? Was het beter zoveel mogelijk bij elkaar te houden zoals het was en zo lang mogelijk met de klassieke volkskundige canon te werken of op een andere manier met historiciteit en diversiteit om te gaan? De volkskundige netwerken in Europa rond de volkskundige bibliografie raakten er niet uit. Kon een concept als “volkscultuur” tussen aanhalingstekens soelaas bieden? Dat kwam in de jaren 1990 op tafel. Rainer Alsheimer merkte op dat het begrip “volkscultuur” in de sociale (cultuur)geschiedenis in Engeland en Frankrijk met interessante nieuwe inhoud werd opgeladen, denk aan het oeuvre van onderzoekers zoals Peter Burke, Robert Muchembled of Roger Chartier, terwijl de “Volk”-concepten in Duitsland al sinds de jaren 1960 onder vuur lagen. Dit werd onder meer door de vertegenwoordigers vanuit Nederland (uit het Meertens Instituut) op tafel gelegd, met nadruk op dynamische groepsprocessen. Wat hier werd bedoeld, zou enkele jaren later worden samengevat in het Volkscultuur-boek uit 2000. Dit leek voor ondergetekende toen ook de beste optie, ook in de strategie van het Vlaams Centrum voor Volkscultuur waarvan ik in 1999 directeur was geworden, om in te zetten op het concept “volkscultuur”, tussen aanhalingstekens. Er werd getracht in te spelen op de technische ontwikkelingen, zoals de cd-rom-technologie in het midden van de jaren 1990, toen veelbelovend, vandaag achterhaald. De ontwikkelingen van “cloud”-oplossingen in het begin van de 21e eeuw en het verdwijnen van cd en cd-romspelers, ook in notebooks bijvoorbeeld, maakte dit tot een niet duurzame keuze.34 Het is duidelijk dat in de jaren 1990 kansen zijn gemist, niet alleen in het proberen het plan HoffmannKrayer te updaten, maar ook mogelijke online-applicaties. In het woord vooraf in het verslagboek van de eerste bijeenkomst in 1990 poneerde Klaus Beitl van het Oostenrijkse volkskundemuseum in Wenen dat “Die Volkskunde/ Europäische Ethnologie ist eine „ordentliche“Wissenschaft. Sie pflegt, ihr Äußeres mit einem gelegentlichen Blick in den Spiegel zu prüfen: „Die Internationale Volkskundliche Bibliographie (IVB) bleibt das wichtigste Forschungsinstrument der Volkskundler in der westlichen Welt“ (James Dow).35 Dow was niet alleen een Amerikaanse

34 In de bundel wordt ook gewezen op het feit dat toen ook ISI met cd-roms in de weer was: zie op p. 63, ARTS & HUMANITIES CITATION INDEX COMPACT, DISC EDITION (A & HCl CDE) met 7000 tijdschriften sinds 1990; zie Rainer Alsheimer e.a. (red.), Internationale Volkskundliche Bibliographie. Systematik Und Datenbanken, Wenen, Verein für Volkskunde, 1996 (Papiere der 5. Tagung der Arbeitsgruppe für die Internationale Volkskundliche Bibliographie (IVB) vom 8. bis 10. September 1994 in Petronell-Carnuntum (Niederösterreich) und Kittsee (Burgenland). Im Auftrag des Vereins für Volkskunde in Wien und der SIEF-Kommission für Bibliographie, Information und Dokumentation): https://permalink.obvsg.at/AC01615814 (bezocht op 2-2-2024). De databanken van ISI, het latere Web of Science, speelden nog geen belangrijke rol in de strategie van de volkskundige bibliografie.

35 K. Beitl & E. Kausel, Internationale und nationale volkskundliche Bibliographien. Spiegel der Wissenschaft Volkskunde/Europäische Ethnologie, Wenen, Verein für Volkskunde, 1991.

| parateksten, folklore, volkskunde en bibliografische instrumenten

professor gespecialiseerd in de geschiedenis van Duitsland en Volkskunde, maar gedurende een decennium, de jaren 1980; ook de voorgaande eindredacteur van de Internationale Volkskundliche Bibliographie. Beitl vertelde maar de helft van het verhaal waaruit hij het citaat geplukt had. In de inleiding van de laatste door hem gecoördineerde IVB benadrukte Dow dat het erg belangrijk en dringend zou zijn samen te werken met een soortgelijk instrument, namelijk de MLA, en ook omdat daar volop met digitale ontsluiting werd gewerkt. In de toekomst zouden de (para)teksten online moeten kunnen worden aangeboden en doorzocht.36

Dow was een professor Duitse taalkunde en folklore studies aan Iowa State University. Hij was niet alleen gespecialiseerd in folklore studies in Amerika (onder andere over de amishgroepen of volkscultuur in Wyoming), maar ook in de studie van volkskunde in Duitsland en Oostenrijk, in het bijzonder in de Naziperiode.37 In de bijdrage van Dow tot de bundel van de bijeenkomst in 1990 klinkt een heel andere boodschap door. Hij rakelt op dat hij enkele maanden na de publicatie van de vorige aflevering van de IVB, per luchtpost van de voorzitter van het Deutsche Gesellschaft für Volkskunde moest vernemen dat hij afgezet en vervangen was als hoofdredacteur van de IVB, zonder verdere discussie of motivatie. Toen de nieuwe coördinator, Rainer Alsheimer, hem enkele maanden later in de marge van het DGV-Kongress in Göttingen vroeg of hij verder als IVB-vrijwilliger bijdragen over Amerikaanse publicaties wou leveren, was het antwoord: “Nein, danke …”. Hiermee werd ook de aansluiting met de MLA-folklore-databank gemist, een traject waaraan Dow zich voortaan zou wijden (naast het schrijven van enkele baanbrekende studies over hoe volkskunde en nazisme in de jaren 1930 en 1040 zich samen ontwikkelden). De MLA-bibliografie werd vanaf 1923 gemaakt en gedrukt. Ze hadden echter de switch gemaakt naar een elektronische versie, eerst om de gedrukte bibliografie te maken, daarna om in de jaren 1990 via cd-roms te werken, en uiteindelijk online te functioneren (sinds 2009 is het maken van gedrukte werken opgegeven). In 1989 was deze transitie volop bezig. Er werd een afzonderlijk volume V “Folklore” uitgegeven in de MLA International Bibliography of Books and Articles on the Modern Languages and Literatures. Dow duidde aan wat de uitdaging was. In een eeuw tijd was de situatie veranderd van een werkwijze waarbij (academische) onderzoekers eigenlijk vooral een handvol tijdschriften lazen, waarop ze individueel waren geabonneerd of die in de bibliotheek van de instelling waaraan ze waren verbonden beschikbaar waren (variërend van 1 tot een 30-tal). Er werden instrumenten ontwikkeld om dit te verruimen, enerzijds door terug in de tijd te gaan en anderzijds om breder te volgen (in realiteit vaak binnen het net aangehaalde bereik). Een instrument als IVB of MLA kon dit via pooling en selectie oprekken tot honderden of zelfs “7000” tijdschriften. Maar er waren veel meer tijdschriften en boeken op de markt en dit noopte volgens Dow tot andersoortige bibliografieën. In de taal- en

36 J. Dow (red.), Internationale Volkskundliche Bibliographie für die Jahre 1983 und 1984, Bonn, Rudolf Habelt, 1988, p. V. J. Dow, ‘Recent Developments in the ‘International Folklore Bibliography.’’, Folklore Americano 43, 1987, p. 33-41.

37 Zie James R. Dow, German Folklore: A Handbook, Bloomsbury Publishing, 2006.

communicatiewetenschappen in de Verenigde Staten was het MLA-instrument een van de vroege zwaluwen.

James Dow spelde het in 1990/1991 uit voor de Europese collega’s: “Neue Bereiche geistigen Forschens und neue Methoden der kritischen Analyse haben schon Generationen von modernen Geisteswissenschaftlern angezogen. Ebenso wie die Gebiete und die Methodologie wissenschaftlicher Forschung expandierten, nahm auch das Bedürfnis nach neuer Forschungsliteratur zu. Während Wissenschaftler früherer Zeiten sich auf dem Laufenden hielten, indem sie eine Handvoll von Zeitschriften lasen, steht dem heutigen Wissenschaftler nicht nur eine größere Bandbreite von relevanten Forschungsgebieten offen, sondern auch ein enormes Aufgebot von Zeitschriften und Monographien, die diese Forschungsgebiete dokumentieren”.38 Dow stelde dat in het begin van de jaren 1990 bibliotheken en onderzoekers ofwel de vijf delen van de MLA (1989) kochten ofwel een van de vijf boekdelen die thematisch georiënteerd waren (deel V was folklore, ongeveer 3000 items per aflevering). Er werd gewerkt met een vaste thesaurus en met velden met eigen trefwoorden. Hij speculeerde over de mogelijkheid dat bijvoorbeeld mensen die in genderstudies waren geïnteresseerd in de toekomst een gedrukt volume met alle relevante verwijzingen in de vijf delen zouden kunnen bestellen; een soort print-out-on-demand, dankzij de beschikbare elektronische databanken van de MLA. Verder legde hij uit dat de praktijk zo was dat bibliografische steekkaarten nog steeds werden ingevuld en dan werden ingetikt op de mainframecomputer in New York. Hij voorzag dat in de nabije de toekomst mensen misschien op “diskettes” de informatie zouden kunnen invoeren en dan met de post zouden opsturen naar de Big Apple.

MLA basisplan voor Folklore

Folklore

History and Study of Folklore

History of Folklore

Archives

Museums

Research Methods (Folklore)

Ethnomusicology

Folk Dance

Folk Music

Musical Instruments

Folk Rituals

Festivals

Folk Drama

Games

Rites

Folk Literature

Folk Speech Play

Folk Narrative

Folk Poetry

Folk Belief Systems

Folk Medicine

Magic

Religion

Science

Material Culture

Folk Art

Folk Craft

Technology

38 Citaten en overzicht in J. Dow & D. Uchitelle, ‘Volkskundliche Arbeit bei der MLA’, in: K. Beitl & E. Kausel, Internationale und nationale volkskundliche Bibliographien. Spiegel der Wissenschaft Volkskunde/ Europäische Ethnologie, Wenen, Verein für Volkskunde, 1991, p. 69-88.

| parateksten, folklore, volkskunde en bibliografische instrumenten

“Wissenschaftlicher

In het jaar 2000 verscheen een laatste boekje, waar de lezingen en conclusies van de bijeenkomsten van de IVB-werkgroepen, gehouden te Amsterdam (1996) en te Třešt (1998).39 Het boekje kende, zeker in België en Nederland geen goede verspreiding en het werd jammer genoeg niet eens uitvoerig in dit tijdschrift (Volkskunde) besproken. Het biedt nochtans een mooie momentopname van het einde van anderhalve eeuw Folk-Lore studies en volkskunde en het begin van een nieuw datatijdperk. Het bevat ook een bijdrage van Eveline Doelman waarvan stukken van de inhoud niet had misstaan in het in hetzelfde jaar gepubliceerde sleutelwerk Volkscultuur: een inleiding in de Nederlandse etnologie van haar mannelijke collega’s in het Meertens Instituut.

Bernd Stickfort stelde vast dat het internet, in het bijzonder het wereldwijde web, in de tweede helft van de jaren 1990, steeds nuttiger en belangrijker leek te worden, ook voor volkskundigen. Voor zijn vakgenoten bood hij tips over nieuwsgroepen en websites. Hij detecteerde het sinds 1 januari 1998 genomen initiatief van de bibliotheek van de Humboldt-Universität te Berlijn om een “Sammelschwerpunkt Allgemeine und vergleichende Volkskunde”, te beginnen met een portaalsite dat de weblinks en de aanwezige cd-romverzameling ordende onder de rubrieken “volkskunde/visuele etnologie/muzieketnologie/migratie/ cultuurwetenschappen in de praktijk/virtuele cultuur”. Hij gaf mee dat vragen vanop afstand per e-mail of per brief konden worden gesteld. Verder merkte hij op dat er wellicht een generatieprobleem was, aangezien de meeste volkskundigen toen niet verder geraakten dan het gebruik van e-mail, voor zover ze daar al voor openstonden.40 Eveneens interessante tijdsdocumenten zijn de verslagen van de perikelen om met de toen beschikbare software in de computers waarmee de IVB verwerkt en drukklaar werd gemaakt, in het bijzonder in de lay-outfase, verschillende lettertekens in verschillende talen weer te geven. Zeker als dit in één veld moest gebeuren, bijvoorbeeld bij het naast elkaar zetten van de in woorden uitgedrukte rubriektitels van het plan Hoffmann-Krayer in het Engels, het Duits en het Frans. Helemaal moeilijk was de transcriptie van titels, zoals het voorbeeld van de plek waar de IVBbijeenkomst plaatsvond kan illustreren: Třešt.41

39 E. Doelman, ‘Die Methodendiskussion im Spiegel der IVB’, in: R. Alsheimer, E. Doelman, & R. Weibezahn (red.), Wissenschaftlicher Diskurs und elektronische Datenverarbeitung. Bericht über zwei Tagungen der Internationalen Volkskundlichen Bibliographie (IVB) in Amsterdam und Třešt, Bremen, Universität Bremen/Meertens Instituut, 2000, p. 45-56.

40 B. Stickfort, ‘Internet-Ressourcen für Volkskunde/Europäische Ethnologie’, in: R. Alsheimer, E. Doelman, & R. Weibezahn (red.), Wissenschaftlicher Diskurs und elektronische Datenverarbeitung. Bericht über zwei Tagungen der Internationalen Volkskundlichen Bibliographie (IVB) in Amsterdam und Třešt, Bremen, Universität Bremen/Meertens Instituut, 2000, p. 116-145.

41 R. Weibezahn, ‘Die IVB als Buch. Layout und Druckausgabe’, in: R. Alsheimer, E. Doelman, & R. Weibezahn (red.), Wissenschaftlicher Diskurs und elektronische Datenverarbeitung. Bericht über zwei Tagungen der Internationalen Volkskundlichen Bibliographie (IVB) in Amsterdam und Třešt, Bremen, Universität Bremen/Meertens Instituut, 2000, p. 153-166.

Andreas Bimmer stelde zich openlijk vragen wie eigenlijk zo’n volkskundige bibliografie nodig heeft en gebruikt. Hij stelde vast dat studenten, in 1996 (!), niet meer in de weer waren met steekkaarten en dikke boeken, maar veel liever online (in de OPACs of in cd-roms) zochten. Bovendien was er vaak een mismatch tussen de actuele onderwerpen die studenten behandelden en wat er in de IVB werd ontsloten, denk bijvoorbeeld aan onderzoek waar media een belangrijke rol speelden. In hun zoekdemarches grepen studenten eerst naar de onlinecatalogi van hun universiteit, dan cd-roms en slechts in laatste instantie, als ze dat nog deden en “grondig” wilden zijn, de IVB ter hand nemen om helemaal zeker te zijn. Ook de docenten droegen bij aan dit ondergebruik, zo klaagde Bimmer (aan): “Immer wieder sind die drei zentralen Argumente gegen die IVB, die man immer wieder hört, die Unvollständigkeit, der Mangel an Aktualität und die Irrelevanz für das heutige Fachverständis. Nicht selten hört man diese Klagen verstärkt von Kolleginnen und Kollegen, die die IVB, wie est scheint, nurr dann zu Hand nehmen, um die Repräsentanz ihrer eigenen Titel nachzuprüfen.”42

Bimmer probeerde zich doelgroepen en mogelijke kopers voor te stellen en kwam tot de conclusie dat het best was om de dure boekvorm achter zich te laten: een gedrukt volume van parateksten had zijn beste tijd gehad. De oplossing en de toekomst waren voor hem in die tijd duidelijk, volop inzetten op cd-roms. Dat zou ook de aantrekkelijkheid van het vak volkskunde in de toekomst helemaal ten goede komen: “’Volkskunde auf CD-ROM’ wird das Image des Faches in der Öffentlichkeit heben, das Fach zeigt, daß es sich den modernen Formen der Wissens- und Informationsvermittlungen stellt. Hierauf muß die Werbung abheben”.43

Dodelijk, scherp en visionair was de bijdrage van een jonge etnologiester uit Nederland, Gerard Rooijakkers. Na een gerecycleerde uiteenzetting over zijn toen recente ervaringen in de clash tussen biermarketing, Heineken, museumwerk en -sponsoring en reflectieve etnologie, zat het venijn of de boodschap in de staart. Brutaal stelde hij vast dat hij heel zijn artikel en onderzoek had kunnen realiseren, zonder de IVB te gebruiken: zo werd onderzoek écht gedaan, ook door professionals. Hij had nog extra checks gedaan om de irrelevantiegraad vast te stellen. Veel nuttiger was het gebruik van internetsites, OPACs en hulpbronnen en literatuur uit andere disciplines. Hij stelde dat er door actieve onderzoekers in de jaren 1990, en dat zou later alleen maar versterkt worden, zo voorspelde hij, met trefwoorden werd gezocht in heel grote databestanden. De toekomst lag volgens hem onder andere in websites. En in heuristische instrumenten zoals de Arts and Humanities Citation Index en de Social Science Citation Index (die zijn in de 21e eeuw in Web of Science

42 A. Bimmer, ‘Marketing für die IVB. Ungewohnte Gedanken zu einer traditionsreichen Bibliographie’, in: R. Alsheimer, E. Doelman, & R. Weibezahn (red.), Wissenschaftlicher Diskurs und elektronische Datenverarbeitung. Bericht über zwei Tagungen der Internationalen Volkskundlichen Bibliographie (IVB) in Amsterdam und Třešt, Bremen, Universität Bremen/Meertens Instituut, 2000, p. 107-114, p. 110.

43 Bimmer, Marketing, p. 114.

| parateksten, folklore, volkskunde en bibliografische instrumenten

geïntegreerd en verruimd), zo legde hij uit, en nieuwe heuristische demarches, waarbij citaten en referenties konden worden gevolgd. Dan kan men ook uitkomen op de auteurs die er echt toe deden (Pierre Bourdieu, Clifford Geertz, Anthony Giddens, James Clifford, …), in de sociologie en de antropologie en die in de IVB onzichtbaar leken. Er zou ook behoefte zijn aan, zo mogelijk gratis, online zoekinstrumenten en elektronisch beschikbare teksten. Rooijakkers sloeg in 1996/2000 de nagels op de koppen:

“(…) make this transfer from paper to digits, from categories to random searches, from massive bulk to refined significance, from titles to citations (…) The present IVB shows in fact how relatively hermetic our profession is by processes of institutionalising and canonising science, constructing an own circuit of knowledge and, subsequently, in a way excluding others. It is one of the implicit symbolical functions of the IVB, and it would be naïve to underestimate this organizational mechanism. (…) When it might not be possible due to exploitation to provide free access to the IVB on the internet, the edition of a CD-ROM is a reasonable option. After each new accumulated release you could publish the old version on the world wide web (…) with regard to market European ethnology free availability has to be preferred – a project which should be feasible in an united Europe (…)”44

Rainer Alsheimer verkende in zijn bijdrage al eens voorzichtig in welke mate volkskundige publicaties al vertegenwoordigd waren in instrumenten als de Science Citation Index in 1996 en wat men daar uit kon halen. Dat viel dik tegen.45 In welke mate het een kwarteeuw later beter zou zijn, wordt in andere bijdragen in deze reeks onderzocht.

Zwanenzang?

De Internationale Volkskundliche Bibliographie was in 2000, in een reeks sinds 19171919, tot het jaar 1998 geraakt. In de 21e eeuw moesten dus nog de jaren 1999 en 2000 worden gedekt. Vanaf 15 augustus 2002 werd het project van Rainer Alsheimer overgenomen door/doorgegeven aan actoren in Estland, met name de Chair of Estonian and Comparative Folklore in de Universiteit van Tartu, op dat ogenblik bekleed door dr. Ülo Valk, en het Department of Folkloristics in het Estonian Literary Museum, toen geleid door Dr. Mare Kõiva. In de praktijk kwam het coördinatie- en redactiewerk op de schouders van de bibliografe Karin Maria Rooleid, die opereerde vanuit Tallinn. Het plan was om de reeks

44 G. Rooijakkers, ‘The Flush of History. On Beer, Stereotypes and Corporate Identity’, in: R. Alsheimer, E. Doelman, & R. Weibezahn (red.), Wissenschaftlicher Diskurs und elektronische Datenverarbeitung. Bericht über zwei Tagungen der Internationalen Volkskundlichen Bibliographie (IVB) in Amsterdam und Třešt, Bremen, Universität Bremen/Meertens Instituut, 2000, p. 93-105, p. 102-103.

45 R. Alsheimer, ‘Ein Science Citation Index für das Fach Volkskunde/Europäische Ethnologie?’ , in: R. Alsheimer, E. Doelman, & R. Weibezahn (red.), Wissenschaftlicher Diskurs und elektronische Datenverarbeitung. Bericht über zwei Tagungen der Internationalen Volkskundlichen Bibliographie (IVB) in Amsterdam und Třešt, Bremen, Universität Bremen/Meertens Instituut, 2000, p. 21-30. Zie M. Jacobs, ‘Fragmentair bibliometrisch onderzoek naar en in “volkskundige tijdschriften” in de 21e eeuw: verkenningen via Web of Science’, Volkskunde 124:3, 2023, p. 447-473.

vol te maken en te laten drukken door het Dr. Rudolf Habelt GmbH Verlag te Bonn, maar tegelijk ook zo snel mogelijk aan te bieden via internet, met name via de Universiteit van Bremen (via databankmanager Klaus-Peter Busche). Het project werd nog steeds gepatroneerd door de Société Internationale d’Ethnologie et de Folklore (SIEF). Het einde van het project wordt in een andere bijdrage met de titel “Een Zwanenzang en praktische bezwaren” nader besproken.46 Rooleid leverde de publicatie van 1999 nog op en die werd door de uitgever in Bonn gepubliceerd in 2003. Er volgde voor de onder leiding van Alsheimer ontsloten jaren nog een versie op cd-rom en uiteindelijk nog een onlineversie.47 Naast een licht verder aangepaste versie van het plan HoffmanKrayer, was een van de andere grote paratextuele interventies in het gedrukte volume tot en met 1999 de naamverandering in het Engels van de “International Folklore Bibliography” (IFB) naar “International Bibliography of Ethnology’”(IBE).

Enerzijds werd de Internationale Volkskundige/Etnologische Bibliografie vervangen door een elektronisch platform voor etnologie: EVIFA, die virtuelle Fachbibliothek der ethnologischen Fächer. 48 Die werd en wordt verzorgd door de Fachinformationsdienst Sozial- und Kulturanthropologie van de HumboldtUniversität te Berlijn. De door Bernd Stickfort in 1998 al gedetecteerde webactiviteit had de voorsprong twee decennia later verzilverd als een van de centrale referentiebronnen. De link met het paratextuele apparaat dat sinds de lancering van Folk-Lore/Volkskunde in de tweede helft van de negentiende eeuw en in de twintigste eeuw was uitgekristalliseerd, werd echter doorgesneden: het einde van het gebruik van het Plan Hoffmann-Krayer. SIEF had ondertussen de patronage helemaal losgelaten en ook de Duitse volkskundigen waren de laatste jaren met andere uitdagingen bezig. In 2022 viel een van de laatste dominostenen van de oude “Volkskunde”-wereld in het 20e eeuwse Europa, toen het Deutsche Gesellschaft für Volkskunde (DGV) van naam veranderde: voortaan het Deutsche Gesellschaft für Empirische Kulturwissenschaft (DGEKW). En ook de paratekst van de titel van het tijdschrift moest er uiteindelijk aan geloven; sinds 2022 vaart de periodieke publicatie onder de titel: Zeitschrift für Empirische Kulturwissenschaft. Journal for Cultural Analysis and European Ethnology (ZEKW). Centraal staat voortaan geen papieren versie meer, maar een gratis, online open access platform.49

Anderzijds was in dezelfde periode het UNESCO-paradigma voor het borgen van immaterieel cultureel erfgoed (2003), na een lange aarzeling in sommige landen in het eerste decennium (Duitsland, Nederland, …) en na een onmiddellijke cultivering in andere landen (België, Frankrijk, …), ook in Europa de hoofdstroom geworden in het veld dat vroeger onder meer “folklore” werd genoemd.50 Als symptoom of mijlpaal in dit verhaal zouden we

46 M. Jacobs Een zwanenzang en praktische bezwaren. Het plan Hoffmann-Krayer en de Internationale (Europese) Etnologische Bibliografie in het begin van de 21e eeuw, Volkskunde 124:3, 2023, p. 401-422.

47 Internationale Volkskundliche Bibliographie (IVB) online (ISSN: 2365-189X)

48 https://zdb-katalog.de/title.xhtml?idn=026392364&view=brief (bezocht op 2-2-2024).

49 https:///www.zekw.de (bezocht op 2-2-2024).

50 M. Jacobs, Ctrl-D, Ctrl-H, Shift-Ctrl-X, Crtl-Alt-Del, in en na 2000. Etnologie, Volkscultuur, Immaterieel Erfgoed‘, Volkskunde 124:3, 2023, p. 423-446.

| parateksten, folklore, volkskunde en bibliografische instrumenten

de oproep door Sophie Elpers, in de SIEF-nieuwsbrief in 2020, om bij te dragen tot een interactieve bibliografische databank op de website van UNESCO: de ‘2003 Convention Research Bibliography’, selecteren51 Maar was in de 21e eeuw in volkskundige/etnologische/empirisch-cultuurwetenschappelijke wereld het 2003 UNESCO Conventie-paradigma ook viraal aan het gaan of was het aan de kaders van de oude folklore studies/volkskunde-kaders in Europa of de wereld ontsnapt en ontgroeid? Deze vraag wordt in andere bijdragen (in het “sauter”gedeelte) in deze publicatiereeks onderzocht.

51 https://www.siefhome.org/downloads/newsletters/SIEF-spring-2020.pdf. https://ich.unesco.org/ en/2003-convention-and-research-00945 (bezocht op 2-2-2024).

marc jacobs reculer/sauter

Een zwanenzang en praktische bezwaren.

Het plan Hoffmann-Krayer en de Internationale (Europese)

Etnologische Bibliografie in het begin van de 21e eeuw.

“Maar doodslaan deed hij niet, want tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren, en ook weemoedigheid, die niemand kan verklaren, en die des avonds komt, wanneer men slapen gaat. Zo gingen jaren heen. De kindren werden groot.” (uit Het Huwelijk, Willem Elsschot, 1910)

“Sommigen van de werkgroep wilden nog verder gaan en nog drastischer ingrijpen. Een meerderheid vond dit nu niet opportuun. Immers ook het planHoffmann-Krayer is innig verbonden met de geschiedenis van het vak volkskunde en dus kun je niet zo maar alles op zijn kop zetten of gewoon elimineren. Dit nieuwe plan wordt voortaan in de IVB toegepast. De toekomst zal uitwijzen of het het jaar 2000 zal halen”.(Stefaan Top, 1994).1

“Er wordt – om praktische redenen – geen rekening gehouden met het vernieuwde classificatieplan Hoffmann-Krayer: de vermelde rubrieken slaan op de oudere versie van bedoeld plan” (disclaimer gepubliceerd bij elke aflevering van de tijdschriftenschouw in bijna elk nummer van Volkskunde van 1994/4 tot 2000/4)

“Is dit nu later?” (Stef Bos, 1990)

Parateksten knippen, plakken en combineren: een volkskundige canon?

Sinds het academiejaar 2023-2024 bestaat er in Vlaanderen op masterniveau opnieuw een afstudeeroptie die men in de vorige eeuw respectievelijk “licentie/licentiaat” en “volkskunde” zou genoemd hebben. De major “immaterieel erfgoed en etnologie/intangible heritage and ethnology” is een van de tien afstudeerprofielen binnen de tweejarige master erfgoedstudies

1 S. Top, ‘Internationale volkskundige bibliografie (IVB)’, Volkskunde 95:1, 1994, p. 33-42, p. 42. De ondertitel van het tijdschrift was toen nog: “Driemaandelijks tijdschrift voor de studie van het volksleven”.

aan de Universiteit Antwerpen. De kern in het afstudeerjaar bestaat uit een masterscriptie en stage binnen de bandbreedte van de major, en in casu vakken over “participatieve methodes” (Suzie Thomas), “repertoires” (Marc Jacobs) en vooral het “borgen van immaterieel erfgoed”, gedoceerd door hoogleraar Sophie Elpers. De laatstgenoemde professor focust op en gaat uit van de concepten en instrumenten die binnen het paradigma van de Conventie voor het borgen van immaterieel erfgoed (UNESCO, 2003) worden gebruikt, aangevuld met etnologische literatuur, praktijken en werkingen die binnen de reikwijdte en bandbreedte van SIEF2 vallen. In het vak “repertoires: van volkscultuur tot cybercultuur” bespreek ik zelf in één les en passant het plan Hoffmann-Krayer. Ik bezoek samen met de deelnemers enkele eerbiedwaardige monumenten, meer bepaald het erfgoed van de Nederlandse Volkskundige Bibliografie (NVB), de jaarboeken (1939-1993) van de Koninklijke Belgische Commissie voor Volkskunde (KBCV), Vlaamse (en een tijdlang ook de Waalse) afdeling, met aanvulling door het Vlaams Centrum voor Volkscultuur (voor de jaren 1994-1999) en tenslotte de Internationale Volkskundliche Bibliographie (1917-1999). Enerzijds doe ik dit omdat ik vind dat de studenten die zich specialiseren in immaterieel erfgoed en etnologie minstens op de hoogte moeten zijn van dat soort wetenschappelijk erfgoed (een stukje voorgeschiedenis) in hun vakgebied, maar ook omdat ze zich bewust moeten zijn van de kans op een aanvullende operatie bij zoektochten via Google en de elektronische bibliografische zoekinstrumenten (met downloadbare pdf-faciliteiten) waartoe ze via de universiteit (geprivilegieerd) toegang hebben. Ik druk de studenten op het hart dat ze bij gespecialiseerd onderzoek rond een item uit volkscultuur in Vlaanderen en Nederland best ook nog de oefening via de oranje en gele instrumenten doen. Niet al die instrumenten zijn al gedigitaliseerd, dus voorlopig moet het nog op ouderwetse wijze in de bibliotheek, door aan de hand van thematische codes tientallen boekwerken vast te nemen en te doorploegen. Ik roep ook even herinneringen op aan de tijd van de fichebakken en reeksjes met parateksten gevulde of lege fiches, al dan niet met elastiekjes errond. Die behoorden een halve eeuw geleden tot de materiële cultuur van de opleiding en onderzoekspraktijk van hun voorgangers, in sommige gevallen hun grootouders of ouders.

Anderzijds gebruik ik het plan Hoffmann-Krayer uit de 20e eeuw om de deelnemers aan de cursus te wijzen op de breuklijnen en dijkbreuken die er in de 21e eeuw in het studiegebied of de stroom-met-vele-namen (van folklore, volkskunde en volkscultuur over Europese etnologie tot erfgoedstudies) zijn ontstaan en zich nauwelijks nog laten onderschikken in oude schema’s of plannen. Denk hierbij in het kwart van deze eeuw naast borgen van immaterieel erfgoed en veel meer diversiteit van cultuuruitingen à la UNESCO, aan doorgedreven interdisciplinariteit, digitale paratekstinstrumenten (de steekkaarten en de bergen fotokopies zijn verdwenen) en benaderingen van “erfgoed” (beleid en praktijk) in de breedste zin van het woord, maar ook aan cybercultuur, studie van sociale media en digitale etnografie.

2 https://www.siefhome.org/ (bezocht op 1-2-2024).

Ondergetekende maakte zelf kennis met het instrument van de “volkskundige bibliografie” in 1983, in de eerste licentie geschiedenis aan wat toen nog de Rijksuniversiteit Gent was, toen ik een keuzevak “volkskunde” volgde. Dat was een inwijding(sritueel) gedoceerd door dr. René Haeseryn (1929-2016). Hij maakte duidelijk dat dit instrument, “hét plan HoffmannKrayer”, samen met de collecties in volkskundige musea en volkskundige enquêtes/atlassen, als een manier kon worden gezien om de traditionele canon van het vakgebied ”volkskunde” te vatten.3 Ook al behoorde het niet tot de standaard heuristische instrumenten die ik als student geschiedenis kreeg ingelepeld, dankzij die inleiding in de volkskunde, heb ik er toen (1983-1985), in de oertijd van fiches, leeszalen en fotokopies, zeer nuttig gebruik van kunnen maken voor mijn licentiaatsverhandeling over charivari in Vlaanderen. Na het afstuderen heb ik nog twee jaar (1985-1987) burgerdienst moeten doen in de seminariebibliotheek voor volkskunde in de Rijksuniversiteit Gent. Ik heb in de steekkaartencatalogus met het plan Hoffmann-Krayer de aanwezige en binnenkomende literatuur mogen ontsluiten en had toen al het gevoel als alternatieve dienstplichtige voltijds bezig te zijn met forceren, oprekken en negeren. Ook al werd kort na het einde van mijn (burger)dienstplicht de actieve volkskundeseminariebibliotheek en onderwijs van klassieke volkskunde te Gent gewoon stopgezet en ontmanteld, mede door de pensionering van dr. Haeseryn, en ook al ging dus het op punt gestelde steekkaartensysteem (en mijn werk) zo stomweg verloren, het heeft mij wel de gelegenheid gegeven om als jonge twintiger bijna twee jaar vredevol en “slow science”-gewijs te lezen en me die “volkskundige canon” eigen te maken. Het brengt ook de ficheperiode, de kloeke boeken en ambachtelijk in harde kaften ingebonden jaargangen van tijdschriften in het menswetenschappelijk onderzoek van voor de jaren 1990 in herinnering. Of hoe het systeem van Hoffmann-Krayer een materiële vorm had buiten gedrukte bladzijden, voor en soms ook na publicatie. Het is moeilijk na te gaan hoeveel exemplaren van de “oranje” Nederlandse Volkskundige Bibliografie werden ontmanteld en geknipt op de voorgedrukte stippellijntjes tussen de titels, op fiches gekleefd en in de eigen studeerkamer in kaartenbakken verwerkt.4

In een “Vlaamse bijdrage” tot de bundel Antiquaren, liefhebbers en professoren (themanummer van Volkskundig Bulletin in 1994 en verzorgd door Stefaan Top) over volkskundige bedrijvigheid aan de Katholieke Universiteit Leuven tussen 1939 en 1994, wordt niet alleen het bibliografisch werk van K.C. Peeters (1929-

3 M. Jacobs, De methode, eerst de oranje (NVB), dan de gele (jaarboeken KBCV), dan de grijs-witte (tijdschriftenschouw in nummers van Volkskunde) en tenslotte de groene reeksen (IVB), naast de thematische fichebakken in de seminariebibliotheek van de universiteit of het volkskundemuseum te Gent, werd me als aanbevolen “wandelroute” door René Haeseryn aangeleerd, ingeval ik ambities zou hebben (gehad) ook “academisch volkskundige” te worden.

4 Zie https://faro.be/blogs/marc-jacobs/afscheid-van-dr-rene-haeseryn-volkskundige-uit-de-gentseschool (bezocht op 1-12-2023); P. Catteeuw en M. Jacobs, ‘I B 2, II B, X B, XII D, ... In memoriam Dirk Callewaert (1941 - 2022)’, Volkskunde 124:1, 2023, p. 79-82; vergelijk met het onderzoeksmateriaal van Theresa Perabo in: M. Jacobs, ‘Theresa Perabo, Wilhelm Mannhardt und die Anfänge der Volkskunde: neue Wege der Wissensproduktion im 19. Jahrhundert. Münster, Waxmann, 2022’, Volkskunde 124:1, 2023, p. 305-311.

1975) en zijn studenten dat leidde tot de NVB, in herinnering gebracht: “Naast de onuitputtelijke sagen heeft K.C. Peeters ook nog gezorgd voor een praktisch instrument, dat in Vlaanderen al vele jaren een desideratum was, namelijk een volkskundige bibliografie. Vanaf het begin van de jaren ’60 heeft hij tientallen studenten weten aan te trekken om een eindverhandeling te wijden aan de geschiedenis van een tijdschrift en aan de inhoudelijke ontsluiting ervan volgens het plan-Hoffmann-Krayer. Aldus ontstond de Nederlandse Volkskundige Bibliografie”.5

Het is interessant op te merken hoe ook Top vervolgens als lesgever in zijn kerncursus in de jaren 1980, 1990 en het begin van de 21e eeuw, het onderliggende plan en de bibliografische constructie linkte aan een canonperspectief: “In de cursus ‘Nederlandse volkskunde’ komen de volgende onderwerpen aan bod: omschrijvingen van het begrip volkskunde, de verschillende benaderingswijzen en methodes, de volkskundige canon (kanttekeningen bij het plan-Hoffmann-Krayer) en zijn heuristiek, aspecten van de volksverhaal- en de volksliedstudie”.6 Maar ook die cursus, de leerstoel en de seminariebibliotheek volkskunde zouden in de 21e eeuw aan de Katholieke Universiteit Leuven worden ontmanteld.

Willem Frijhoff heeft het belang en enkele functies van het classificatieplan in de 20e eeuw gecapteerd en benadrukt in een sleuteltekst in 1997: “Ondanks de congenitale onzekerheid over de formele definitie van ‹volkscultuur› als object van de volkskunde, bestaat er internationaal een hoge mate van feitelijke overeenstemming over het onderzoeksterrein dat door de volkskunde empirisch wordt bestreken. In feite ligt dit reeds sinds 1917 besloten in het classificatieplan dat de Zwitserse volkskundige Eduard Hoffmann-Krayer (1864-1936) op basis van eerdere rubriceringen toen ontwierp voor de Internationale Volkskundliche Bibliographie, die nog steeds verschijnt. De indeling van de bibliografie fungeert als matrix voor de zogenaamde ‹volkskundige canon› van themagebieden die internationaal tot het werkterrein van de volkskunde worden gerekend. Daartoe vallen thema’s als feesten, rituelen, geloofsvoorstellingen, kleding, voeding, wooncultuur, omgangsvormen, muzikale uitingsvormen, vertelcultuur, streek-, groeps- en spreektaal.”7

Het langzaam uitfaserende internationale referentiekader: de IVB

In een vorige bijdrage over de rol van enkele parateksten in de geschiedenis van volkskunde en folklore, waaronder de codes van Hoffmann-Krayer, ben ik dieper ingegaan op de geschiedenis, impact en wegdeemsteren van het

5 S. Top, ‘Volkskundig onderwijs en onderzoek aan de Katholieke Universiteit van Leuven (1937-1994). Bijdrage tot de wetenschapsgeschiedenis van een discipline’, Volkskundig Bulletin 20:3, 1994, p. 375393, p. 382.

6 Top, Volkskundig, p. 378.

7 W. Frijhoff, Volkskunde en cultuurwetenschap: de ups en downs van een dialoog, Amsterdam, KNAW, 1997, p. 13.

jacobs | een zwanenzang en praktische bezwaren

classificatieplan.8 De Internationale Volkskundliche Bibliographie was in Europa het referentiepunt om mogelijke aanpassingen en actualiseringen van het plan te volgen. Het is niet toevallig dat zowel K.C. Peeters als Stefaan Top in diverse bijdragen de aanpassingen van het plan Hoffmann-Krayer in de Internationale volkskundige bibliografie nauwgezet opvolgden en regelmatig de veranderingen signaleerden en publiceerden De bestaande systemen, bijvoorbeeld in de tot het einde van de 20e eeuw lopende oranje Nederlandse Volkskundige Bibliografie, werden niet direct aangepast. Er werd getracht de reeks volgens grotendeels hetzelfde classificatieplan van een à twee decennia eerder tot het einde van de eeuw vol te houden. Daarna kon eventueel een update, als de 20e eeuw netjes neergelegd zou zijn (hoewel dan strikt genomen ook 2000 zelf nog had moeten worden meegenomen).

Het is sinds 1994 geleden dat in dit tijdschrift nog eens een geactualiseerde versie van “het plan” (en dus de “canon”) door Stefaan Top werd gepubliceerd. Dit was in de periode toen Rainer Alsheimer van de Universiteit Bremen de coördinatie van de internationale volkskundige bibliografie waarnam en bezig was om het project na 1989 op een nieuw millennium voor te bereiden. Pro memorie, 1989 was het jaar van de val van het IJzeren Gordijn en de Berlijnse Muur in het bijzonder, de implosie van de USSR en haar satellietregimes en het opstarten van staatkundige wijzigingen in het her-één-te-maken-Duitsland en in andere gebieden van het vroegere Oostblok. Het was het jaar van de uitvinding van het wereldwijde web. 1989 was ook het jaar van de UNESCOaanbeveling voor traditionele cultuur en folklore, die grotendeels dode letter bleef.

Zoals uit een van de motto’s (citaat van Top van 1994 in het begin van dit artikel), blijkt, was het IVB-traject work in progress, vol onzekerheid, verandering en hoop. En dan vroeg Top als Belgisch vertegenwoordiger in de IVB zich in dit tijdschrift openlijk af of het jaar 2000 zou worden gehaald. Wat “het” te halen fenomeen was, daarover kan discussie zijn. Was het de al dan niet “radicale” vernieuwing van het classificatieplan? Ging het over de vraag of diverse lopende bibliografische trajecten zich hierin zouden schikken, of niet? Over de Internationale Volkskundige Bibliografie of de “traditionele volkskundige canon”? Of over “het volksleven”, de (pas in 2001 effectief vervangen) ondertitel van het tijdschrift Volkskunde, het vakgebied of de discipline van/ in volkskunde zelf?

In de jaargang 1994 publiceerde Stefaan Top nog een korte aanvulling op zijn bijdrage eerder dat jaar. Hij signaleerde dat er belangrijke hangende problemen waren omdat men er niet in slaagde overeenstemming te krijgen over de vertaling van begrippen, in functie van het opstellen van een drietalig trefwoordenregister.9 Top signaleerde ook een diepere discussie die was aangekaart door Manuel Dannemann uit Santiago in Chili, die vond dat er te

8 M. Jacobs, ‘Parateksten, folklore, volkskunde, bibliografische instrumenten en nieuwe woorden in de 20e en de 21e eeuw’, Volkskunde 124:3, 2023, p. 375-399; M. Jacobs, ‘Daar spreken we nog over …’. Over disciplinaire vertogen en praktijken, voor en met elektronische dataverwerking, Volkskunde 124:3, 2023, p. 333-337.

9 S. Top, ‘Internationale Volkskundige Bibliografie (IVB)’, Volkskunde 95:4, 1994, p. 271-273.

veel sociale wetenschappen dreigden aan bod te komen. Dannemann, maar ook Top, komt dan tot het volgende veelzeggende statement waaruit blijkt dat in 1994, alle afscheidsdemarches ten spijt, een notie als “volksleven” nog wordt gekoesterd: “In zijn ogen glijdt de Europese volkskunde langzaam maar zeker af van haar primair object, namelijk de echte, doorleefde volkscultuur, zoals die nog in de Zuidamerikaanse landen springlevend is. (…) Terwijl de Zuidamerikaanse “folklore” zo te zeggen voor het grijpen ligt, is dit in Europa beslist niet meer het geval. En nochtans maken wij ook nog volksleven, dat over honderd jaar wellicht als “folklore” beschouwd zal worden”.10

In diezelfde bijdrage signaleerde Top nog een probleem rond de aflevering van pakjes steekkaarten voor de IVB voor de jaren 1991 en 1992. De fiches voor 1991 waren nog door Frans Silis van de Koninklijke Bibliotheek te Brussel voor zijn pensionering aangeleverd en voor 1992 zou het werk misschien verdeeld kunnen worden tussen Gent, Antwerpen en Leuven, zo stelde Top voor. “Misschien komt er een andere (betere) oplossing, aangezien er sprake is dat de Koninklijke Belgische Commissie voor volkskunde grondig hervormd wordt”.11 Dit kreeg in 1998 decretaal en in 1999 in de praktijk zijn beslag met de oprichting van het Vlaams Centrum voor Volkscultuur en de afschaffing van de KBCV, Vlaamse afdeling.12

In de eerste jaren van de 21e eeuw waren er nog diverse onderzoekers, ook ondergetekende, in Vlaanderen in opdracht bezig met het afronden van bibliografische projecten op basis van het classificatieplan Hoffmann-Krayer, trajecten die uiteindelijk met het referentiejaar 1999 bleken te eindigen. Dit gaat over het hoger vermelde traject van het in 1999 opgerichte VCV dat het werk van de KBCV moest afronden voor de jaren 1994-1999, waarna het niet werd gecontinueerd.

Rainer Alsheimer was in staat om nog afleveringen van de Internationale Volkskundliche Bibliographie te coördineren en op te leveren tot en met het jaar 1998. In 1999 was hij samen met zijn correspondenten tot in 1996 geraakt.13 De uitgever, Dr. Rudolf Habelt GmbH, Bonn, zou ook de volgende afleveringen met betrekking tot de jaren 1997 (gepubliceerd in 2000), 1998 (gepubliceerd in 2001) en 1999 (gepubliceerd in 2004) uitgeven. In een fondscatalogus van de uitgever uit 2008, waar die delen te koop werden aangeboden, staat voor het jaar 2000 nog “in voorbereiding”. Wie vandaag bij de uitgever-boekhandelaarantiquaar op de bestelwebsite zoekt, komt van een koude kermis thuis. De Internationale Volkskundliche Bibliographie is niet meer leverbaar door Dr. Rudolf Habelt GmbH, ook niet antiquarisch en is sinds 2013 helemaal uit het fonds

10 Ibidem, p. 272-273.

11 Ibidem, p. 273.

12 M. Jacobs, “Steekkaarten, -bakken en publicaties: de ingewanden van de ‘volkskunde’ in de 20e eeuw”, Volkskunde 124:3, 2023, p. 339-374.

13 R. Alsheimer, e.a. (red.), Internationale Volkskundliche Bibliographie = International Folklore Bibliography = Bibliographie Internationale d’Ethnologie. Für das Jahr 1996 mit Nachträgen für die vorhergehenden Jahre. Im Auftrag der Deutschen Gesellschaft für Volkskunde e.V. und der Universität Bremen, Bonn, Habelt, 1999.

een zwanenzang en praktische bezwaren

gehaald. Er is nooit een aflevering over 2000 gepubliceerd. De IVB over 1998, en zeker die voor 1999, blijkt haast onvindbaar, ook bij de bekende webshops of in antiquariaten. De uitgever Habelt was zo vriendelijk mij bij het voorbereiden van deze tekst een pdf toe te sturen van die zeldzame laatste aflevering, verzorgd door Karin Maria Rooleid.

“In this regard no decisions were made in either way; although for practical reasons no further support”

Toch was blijkbaar in extremis nog getracht om het project binnen SIEF door te geven en over te dragen naar Estland, met name naar een enthousiaste bibliografe die al enkele jaren had meegewerkt, Karin Maria Rooleid. Zij liet in januari 2003 weten dat de coördinatie van het project door haar en collega’s in Tallinn en Tartu was overgenomen. Achteraf bekeken is het zowel veelzeggend als pijnlijk te moeten lezen dat de nieuwe coördinatrice en haar instelling zelf de reeks niet hadden en moesten vaststellen dat in heel Estland samen er geen volledige set aanwezig was: “Unfortunately, the full set of IFB is not available in the libraries of Estonia. Out of the number of 44 volumes there are obtainable only 31 volumes, and even those are divided in between Tartu (17 vol.) and Tallinn (14 vol.).”14 Wie in 2003 in Estland die onvolledige reeks wou consulteren, moest zeven verschillende instellingen bezoeken. Rooleid voelde zich verplicht direct ook haar voorganger Rainer Alsheimer van harte te danken dat hij zo vriendelijk was geweest een zestal oudere jaargangen te sturen naar Estland. Karin Rooleid moest eerst de opdracht vervullen om de 20e eeuw af te ronden, dus de aflevering voor het jaar 1999 (en eventueel 2000) en aanvullingen voor de voorgaande jaren samen te stellen en in druk op te leveren, en daarna na te gaan wat er over de 20e eeuw in een digitale vorm kon worden aangeboden in samenwerking met de Universiteit van Bremen waar ze over de databank van Alsheimer beschikten. Na het afwerken van die opdrachten van haar voorgangers kon ze dan proberen het internationaal bibliografisch werk voor de 21e eeuw door te starten, te beginnen met het jaar 2000 of 2001. De eerste twee opdrachten zijn gelukt. In 2004 werd de aflevering voor 1999 opgeleverd.15 Ook een elektronische versie van de bibliografie voor de jaren 1985 tot 1998, wat door Rainer Alsheimer al opgeleverd was in gedrukte vorm, kon ook worden gerealiseerd. Vandaag is “de IVB-online” helaas niet meer beschikbaar of online vindbaar, tenzij fragmenten via de Wayback-machine (archive.org). Hieruit blijkt dat naast zoeken op woorden in de databanken, ook werken via de in 1998 gebruikte versie van het plan Hoffmann-Krayer

14 K. Rooleid, ‘On the International Bibliography of Ethnology’, Folklore. Electronic Journal of Folklore 23:1, 2003, p. 115-131.

15 Internationale Volkskundliche Bibliographie = International Bibliography of Ethnology = Bibliographie Internationale d’Ethnologie für das Jahr 1999 mit Nachträgen für die vorausgehenden Jahre, herausgegeben von Karin Maria Rooleid im Auftrag der Deutschen Gesellschaft für Volkskunde e.V. in Zusammenarbeit mit der Universität Bremen, Bonn, Dr. Rudolf Habelt GmbH, 2004.

mogelijk was via de EVIFA-website. In 2023 lijkt deze optie van zoeken via die bijzondere parateksten tot nader order verdwenen.16

Vanaf 2008 werd het relatief stil in de internationale gepeerreviewde literatuur. Een in 2008 terloops geformuleerde opmerking in een artikel van Bjarne Rogan in Ethnologia Europaea over de megaprojecten in de volkskunde en over SIEF in de 20e eeuw is veelzeggend: “The last vestige of its fundraising function is die Internationale Volkskündliche Bibliographie, a project still supervised by SIEF through a working group – in the name, but in practice?”17

Echo’s van de zwanenzang binnen en buiten SIEF klinken nog door in de online vindbare nieuwsbrieven van SIEF die in die periode onder redactie van Peter Jan Margry (1956) werden uitgegeven. In de nieuwsbrief van 2004 kondigde Karin Maria Rooleid nog trots aan dat het volume van de IVB over het jaar 1999 klaar was en dat SIEF-leden met korting het volume bij de uitgever Habelt in Bonn konden bestellen. Het was een nieuw begin, sterk gemarkeerd door het vervangen van de titel International Folklore Bibliography door International Bibliography of Ethnology! Rooleid vond het verder belangrijk om de lezers het voorstel voor een nieuwe versie van het classificatieplan te presenteren: klaar voor een nieuwe eeuw (strikt genomen vanaf 2001) en een nieuw millennium. In dat nummer van de SIEF-nieuwsbrief publiceerde ze pro memorie ook de nieuwe versie van het classificatieschema dat voortaan zou worden gehanteerd.18 Dat had ze ook in een licht andere vorm in haar artikel in het online tijdschrift Folklore. Electronic Journal of Folklore al weergegeven. Een jaar later, in 2005, publiceerde Rooleid in de SIEF-nieuwsbrief opnieuw wat “News from the International Bibliography of Ethnology-IBE (IVB/IFB)” waarbij ze een Bibliographic Workshop in het Estonian Literary Museum op 27 en 28 juli 2005 probeerde te presenteren of herverpakken als eigenlijk bijna een SIEFwerkgroep en eigenlijk bijna een IVB-bijeenkomst zoals haar voorganger Rainer Alsheimer die met meer Deutsche Marken in de jaren 1990 had kunnen organiseren. Daarbij werd niet onder stoelen of banken gestoken dat de coördinatrice voluit botste op problemen, zeker bij de combinatie van diverse talen en vakjargons en de omgang met vereisten van online databanken: “terminological problems, which she had faced during her bibliographical work. She observed a large number of synonymous terms, used by ethnologists, folklorists, cultural and social anthropologists, and cultural historians, that nevertheless should be unified in the IVB online version. Difficulties arise, when it comes to selection: what kind of words or phrases should be chosen as main entries for the subject index” (…) As the terminological problems aren’t all solved, we need to continue our objective, scholarly

16 “Die IVB-Online ist die elektronische Ausgabe der Druckversion der Internationalen Volkskundlichen Bibliographie. Sie wird von der Deutschen Gesellschaft für Volkskunde herausgegeben und berücksichtigt mit dem aktuellen Datum die Daten aus den Jahren 1985-1998.” Hierbij werd gewezen op de EVIFA - Virtuelle Fachbibliothek Ethnologie - Universitätsbibliothek der Humboldt-Universität zu Berlin: http://www. evifa.de (bezocht op 1-2-2024). In februari 2024 werkt de referentie https://www.evifa.de/cms/de/ evifa_recherche/ivb_online/ niet meer.

17 B. Rogan, ‘The troubled past of European Ethnology. SIEF and International Cooperation from Prague to Derry’, Ethnologia Europaea. Journal of European Ethnology 38:1, 2008, p. 66-78, p. 75.

18 K. Rooleid, ‘News from the IVB/IBE: new volume and new structure’, SIEF Newsletter 3:2, 2004, p. 19-22.

and favourable discussion. 19 Maar blijkbaar bleef het stil, de geleerden bleven haperen op “vertaalproblemen” – die ook over de grenzen van de canon of het studiedomein gingen (zie bijvoorbeeld de discussie over de vraag of 19K nu popsongs of Schlager als rubriek is, wat in het Nederlands twee andere genres zijn). Hoe kies je tussen de twee en hoe sterk speelt de regio of het netwerk mee waarin je zo’n keuze maakt? De oplossing is … alleen “19K” gebruiken.

In SIEF Newsletter, 7:2, 2009, p. 29 verscheen nog een (hieronder geciteerd) anoniem berichtje onder de titel “International Folklore Bibliography”. Die ongelukkige, slordige of zelfs nalatige woordkeuze, “adding insult to injury”, nadat door Rooleid zo expliciet gekozen was om vanaf 1999/2004 in het Engels voortaan de titel met etnologie in plaats van folklore te gebruiken, spreekt boekdelen over de stiefmoederlijke opvolging en afhandeling binnen de top van SIEF in die periode. “International Folklore Bibliography. After the coordination and production of the yearly volume of the International Folklore Bibliography (IVB) had been transferred from Bremen in Germany to Tartu in Estonia (at the Estonian Literary Museum), Karin Maria Rooleid made a successful restart with the editing of the volume over 1999 (published in 2004). Unfortunately since then, due to different circumstances, the publication of subsequent volumes ceased. As the IVB was edited in ‘Auftrag der Deutschen Gesellschaft für Volkskunde’ and was ‘virtually’ placed on SIEFs website, both the boards of the DGV and SIEF started a discussion if the bibliographic endeavour should be continued or not. In this regard no decisions were made in either way; although for practical reasons no further support for the existing waning project could be given anymore. What SIEF concerns, as the IVB-project was once erroneously arranged among the SIEF Working Groups it was decided to correct this positioning. This year there was on H-Folk a discussion on the need (yes!) of a bibliographic instrument, see: http://www.h-net.org/~folk/ and check the July 2009 logs.”20

Eerder een dieptepunt dan een orgelpunt, voor een instrument dat in de voorgaande eeuw in het traditioneel volkskundig academisch onderwijs de “traditionele canon” moest uitdrukken. Maar die werd nu ook internationaal losgelaten, na outsourcing naar Oost-Europa, door de sterkhouders in en buiten Duitsland, inclusief in SIEF, een organisatie die zich in die periode ook uitermate moeizaam probeerde te verhouden met het nieuwe paradigma van het borgen van immaterieel erfgoed (UNESCO-conventie 2003).

19 K. Rooleid, ‘News from the International Bibliography of Ethnology-IBE (IVB/IFB)’, SIEF Newsletter 4:1, 2005, p. 23.

20 [Anoniem], ‘International Folklore Bibliography’, in: SIEF Newsletter 7:2, 2009, p. 29.

Volkskunde in Vlaanderen in het laatste kwart van de 20e eeuw in actie: Stefaan Top met een exemplaar van de oranje Nederlandse Volkskundige Bibliografie. (foto collectie familie Top)

De laatste versie van het classificatieplan

Er zijn diverse losse eindjes. Een ervan is in dit tijdschrift, dat we hierbij proberen in/op te lossen. Sinds het artikel van Stefaan Top dertig jaar geleden verscheen er in Volkskunde in het Nederlands nooit de meest recente versie van het classificatieplan dat de Internationale Etnologische Bibliografie in de 21e eeuw had moeten schragen. We baseren ons hiervoor op de versie die Rooleid in de interne SIEF-nieuwsbrief in 2004 onder de aandacht had proberen te brengen, in combinatie met de tegenwoordig nauwelijks nog te vinden Internationale Etnologische Bibliografie en de publicatie in 2003 in Folklore. Electronic Journal of Folklore. Het volgende overzicht rondt in het Nederlands een reeksje artikels van Peeters en Top uit onder andere 1946, 1979 en 1994 af.21 Dit is niet alleen een kwestie van de creatie van een extra bron, maar ook van wat Amerikaanse psychologen zo mooi ”closure” noemen, “het een plekje geven”, om dan verder te gaan. Cursief staat wat er in de laatste versie veranderd was.

1 Etnologie als wetenschap

A. Bibliografie en bronnen

1. Bibliografie

2. Bronnen

B. Berichten over etnologisch onderzoek

1. Onderwijs- en onderzoeksinstellingen, wetenschappelijke verenigingen

2. Congressen

3. Musea, verzamelingen, tentoonstellingen22

4. Personalia

5. Synthetische rapporten23

C. Geschiedenis, theorie en methoden24

1. Geschiedenis van de etnologie

2. Theorie van de etnologie

3. Methoden, technieken, hulpmiddelen

4. Etnologie en verwante disciplines

D. Culturele processen

21 K.C. Peeters, ‘Naar een bibliographie van de Vlaamsche folklore’, Oostvlaamsche Zanten 21, 1946, p. 91-136; K.C. Peeters, ‘Het plan Hoffmann-Krayer. Historiek en aanvullingen’, in: Jaarboek van de Koninklijke Belgische Commissie voor Volkskunde 23, 1970, p. 17-31; Top, ‘Het plan-Hoffmann-Krayer gewijzigd’, Volkskunde 80:3, 1979, p. 311-318; Top, Internationale.

22 In S. Top, ‘Internationale Volkskundige Bibliografie (IVB)’, Volkskunde 95:4, 1994, p. 272 wordt gesignaleerd dat in een meeting van de IVB-medewerkers in Peronell-Camumum (Oostenrijk) overeengekomen was om IB3 tot een afzonderlijke rubriek te maken, namelijk ID Museum en museumkunde en als onderdelen 1. Algemeen. 2. Geschiedenis van Musea, 3. Methoden en technieken. 4. Museumgidsen. 4A. Algemeen. 4B Nationaal. 4C. Regionaal. 4D. Lokaal. Culturele processen zou dan IE worden. “De reden hiervoor is dat honderden steekkaarten over deze onderwerpen handelen, zodat het geheel enigszins onoverzichtelijk”(p. 272) wordt.

23 In plaats van “5. Overzichten m.b.t. landen en volkeren.”

24 In plaats van “C. Geschiedenis, theorieën en methoden van de volkskunde”.

2 Regionale etnologie

A. Algemeen

1. Verscheidene taalgebieden

2. Engels taalgebied25

3. Frans taalgebied26

4. Italiaans taalgebied27

5. Spaanse, Catalaanse en Portugese taalgebieden28

6. Overige Romaanse taalgebieden29

7. Duits taalgebied30

8. Nederlands en Fries Taalgebied31

9. Noord-Germaans taalgebied32

10. Grieks taalgebied

11. Oost-Slavisch taalgebied33

12. West-Slavisch taalgebied34

13. Zuid-Slavisch taalgebied35

14. Keltisch taalgebied

15. Andere Indo-Europese taalgebieden36

16. Fins-Oegrische taalgebieden37

17. Andere taalgebieden38

3 Etniciteit, identiteit, levensstijlen39

A. Algemeen

B. Stereotypen, waarden, normen

C. Thuisland, Nationaliteit40

D. Minderheden

E. Migratie

25 Geschrapt “, inclusief het Engels-Amerikaans”.

26 Geschrapt “, inclusief het Provençaals en het Frans buiten Europa”.

27 Geschrapt “, inclusief het Sardisch”.

28 Geschrapt “, inclusief de Iberisch-Romaanse taalgebieden buiten Europa”.

29 Geschrapt “(Retoromaans, Roemeens)”.

30 Geschrapt “, inclusief het Duits-Amerikaans en het Jiddisch”.

31 Geschrapt “inclusief het Afrikaans”.

32 Geschrapt “(Deens, Zweeds, Noors, Ijslands, Faeröers)”.

33 Geschrapt “(Russisch, Oekraïens, Witrussisch)”.

34 Geschrapt “Kaschubisch, Pools, Tsjechisch, Slowaaks, Servisch”).

35 Geschrapt “(Sloveens, Kroatisch, Servisch, Macedonisch, Bulgaars)”.

36 Geschrapt “(Litouws, Lets, Albanees, Ossich, Armeens, Zigeunertaal)”.

37 Geschrapt “(Hongaars, Fins, Estlands, Livisch, Laps)”.

38 Geschrapt “(Baskisch, Turks, Kaukasisch)”.

39 Noteer dat in de versie die Stefaan Top in 1994 in dit tijdschrift gepubliceerd heeft, alle rubrieken onder 3. Etniciteit, identiteit, levensstijlen; 4. Leeftijden, geslacht, groepen; 5. Economie, wereld van de arbeid, beroepen, cursief gedrukt waren. Al deze onderdelen waren dus toen al recent geüpdatet.

40 Top, Internationale, geeft B. Stereotypen en C. Waarden, normen. Hier worden dus blijkbaar stereotypen, waarden en normen samengevoegd en “Thuisland, Nationaliteit” ertussen geschoven. Dit kunst- en vliegwerk lijkt me voor discussie vatbaar. “Thuisland” is de vertaling van “Homeland”.

4 Leeftijd, gender, groep

A. Algemeen

B. Vrouwen

C. Mannen

D. Huwelijk, familie41

E. Kinderen, adolescentie42

F. Oude mensen

G. Verwantschap, adoptie, peetouders43

H. Buurt44

I. Andere sociale groepen

5. Economie, wereld van de arbeid, beroepen

A. Algemeen

B. Verzamelen, jagen, vissen

C. Landbouw en veeteelt, bosbouw, tuinbouw

D. Mijnbouw

E. Andere takken van de economie

F. Ambachten45

G. Arbeiders, landarbeiders, fabrieksarbeiders, seizoenarbeiders

H. Verkeer en vervoer

I. Handel, maten en gewichten, geld

J. Kalender, tijdrekening

K. Toerisme

L. Militaire dienst, politie46

6.

Volkskunst, populaire esthetiek

A. Algemeen

B. Beeldtaal47

C. Textiel

D. Hout

E. Keramiek

F. Steen

G. Metaal

41 Moet “family” als familie of als gezin vertaald worden? Hoe past men LGBTQ+ of andere gender- of samenlevingsvormen dan M/V of een huwelijk in dit patroon?

42 In plaats van “jongeren”.

43 In plaats van verwantschap, adoptie, peterschap.

44 “Neighbourhood”, bij Top, Internationale; “Buren”.

45 “Handicrafts”.

46 Dit is grondig door elkaar geschud. Vergelijk met Top, Internationale, p. 35-36: G. Arbeiders, H. Landarbeiders, I. Fabrieksarbeiders, J. Seizoenarbeiders, L. Verkeer en transport, toerisme, 1. Verkeer en Transport, 2 toerisme, L. Handel, M. Kalender, tijdrekening, maten, gewichten, geld. Nieuw is dus het extra benadrukken van toerisme en van leger en politie.

47 “imagery”. In Top, Internationale, p. 36: “B. Prentkunst”.

H. Glas

I. Overige48

7. Tekens, symbolen, gesticulaties, gebaren.49

A. Algemeen

B. Specifiek

8. Kledij

A. Algemeen

B. Kledingstijlen

C. Kledingstukken

D Accessoires, Versieringen50

9. Voeding

A. Algemeen

B. Technieken51

48 Bij Top, Internationale is er nog een J. Kunststoffen en wordt in plaats van de materialen ook over textielkunst, hout-, steen- en metaalbewerking gesproken.

49 “Tokens, Symbols, Gesticulations, Gestures”. Bij Top, Internationale, “T. Uithangtekens, symbolen, gebaren, tekens”.

50 “Accessories, Ornamentation.” Deze rubriek (“dress”) is bij Top, Internationale, nog: 8. Kledij, A. Algemeen, B. Kleding, C. Onderdelen. 1. Afzonderlijke kledingstukken. 2. Accessoires. 3. Juwelen.” Kledij was een van de domeinen die uitgekozen waren om in de jaren 1990 over te discussiëren in de werkgroepen van de IVB. Na het evacueren van “traditionele klederdracht” als concept, kwamen ook mode, kledingindustrie, enzovoort in beeld. Zie Rainer Alsheimer, ‘Die IVB-Fachsystematik und Gliederung. Ergebnisse der Tagung in Lilienthal 1990’, in: Klaus Beitl & Eva Kausel, Internationale und nationale volkskundliche Bibliographien. Spiegel der Wissenschaft Volkskunde/Europäische Ethnologie, Wenen, Verein für Volkskunde, 1991, p. 9-40, p. 14-15. In de volgende publicatie over de IVB deed Rainer Alsheimer het boekje iets meer open en maakte hij duidelijk hoe gevoelig en gevaarlijk deze discussie te Lilienthal in 1990 wel was: “Nicht deutlich erkennbar in den „Notizen“ Beitls: der erste „Krach“ innerhalb der Arbeitsgruppe. Kolleginnen und Kollegen aus West-Deutschland hatten anhand der Überschrift des Kapitels VIII (damals: Tracht, Schmuck) die Kanon-Diskussion der endsechziger Jahre wieder entfacht. Am Beispiel der „Tracht“ wurde ausdauernd über die Verwendbarkeit dieser Bezeichnung für regionale Kleidungsformen gestritten. Zum Verdruß verschiedener Vertreter anderer europäischer Länder (Polen, Norwegen, Belgien), die zu erkennen gaben, daß sie nicht bereit waren, die bundesrepublikanische Folklorismus-Debatte nachzuvollziehen. Als dennoch ein terminologischer Purismusstreit ausbrach, den wir zur Genüge aus der deutschen Museumslandschaft kennen (dort werden mißbeliebige Benennungen verboten: Tracht, Volkskunst, Heimatmuseum, Kitsch usw.), drohten einige Europäer, die Arbeitsgruppe zu verlassen. Gerettet wurde die weitere Zusammenarbeit durch den Vorschlag, einzelne Teile der Systematik jeweils Spezialisten unseres Faches zur Überarbeitung und Neugliederung anzuvertrauen und sich so für die 1991 in Neusiedl (Österreich) geplante

2. Sitzung der Arbeitsgruppe vorzubereiten.” Zie R. Alsheimer, ‘Die Systematikdiskussion der IVBMitarbeiter als Austausch von europäischen (Volks-)Kulturmodellen’, in: R. Alsheimer e.a. (red.), Internationale Volkskundliche Bibliographie. Systematik Und Datenbanken, Wenen, Verein für Volkskunde, 1996, p. 11-18, citaat p. 14.

51 Heel de rubriek negen was cursief in Top, Internationale. In B werd “(bereiding, bewaring) geschrapt.

C. Voedingsgewoonten

D. Afzonderlijke voedingsmiddelen, specerijen, luxe-items52

10. Nederzetting, cultuurlandschap

A. Algemeen

B. Landelijke nederzetting

C. Stedelijke nederzetting

D. Cultuurlandschap53

E. Overige

Architectuur, bouwen, wonen54

A. Algemeen

B. Woonhuis en levenswijzen

C. Boerderij- en bedrijfsgebouwen

D. Andere gebouwen: kerken, kapellen, openbare gebouwen

E. Begraafplaatsen

F. Monumenten

G. Overige

12. Objecten

A. Algemeen

B. Meubels en huisraad

C. Gereedschap

D. Andere objecten

52 “D Individual Food Items, Spices, Luxury Items.” Bij Top, Internationale, p. 36: “D. Afzonderlijke voedingsmiddelen, kruiden, genotmiddelen (drugs)”. Het vervangen van “drugs” door “luxe-items” is voor discussie vatbaar, zeker als men de dynamiek in het heden wou/wil vatten. Waar zou men dan marihuana- (al dan niet “eigen kweek”), cocaïne- of heroïnegebruik of XTC, doping of tabak en alcohol moeten onderbrengen? Onder 3. Etniciteit, identiteit, levensstijlen; of onder 13. Gebruiken, feesten, spelen, vrijetijd; of onder 16. Gezondheid, ziekte, lichamelijkheid?

53 In vergelijking met Top, Internationale, werd “landschappen” vervangen door “cultuurlandschap” en werden meervouden (nederzettingen, landschappen) in het enkelvoud gezet.

54 In vergelijking met Top, Internationale, werd het onderscheid “B. Landelijke architectuur” en “C. Stedelijke architectuur” weggewerkt. Opmerkelijk is ook het samensmelten van “boerderij- en bedrijfsgebouwen” en “D. Andere gebouwen: kerken, kapellen, openbare gebouwen” en het apart zetten van “F. Monumenten”.

13. Gebruik, festival, spel, vrije

A. Algemeen

B. Folk Festival, Folklorebeweging56

C. Levensloop

1. Algemeen

2. Geboorte, doop

3. Liefde, verloving, huwelijk

4. Dood en begrafenis

D. Kalenderfeesten57

1. Algemeen

2. Lente

3. Zomer

4. Herfst

5. Winter

E. Sport, Spellen

F. Vakantie, Reizen58

55

G. Stielen, beroepen, verenigingen, broederschappen

14.

Religie, vroomheid59

A. Algemeen

B. Concepten en fenomenen

C. Instellingen, gemeenschappen, spirituele bewegingen

1. Algemeen

2. Missionaire activiteiten

D. Personages

E. Riten, Cultussen

1. Algemeen

2. Heiligenaanbidding, Bedevaart

3. Tijden, plaatsen

4. Voorwerpen

5. Wijdingen, gebeden

6. Magie, hekserij

55 “Custom” werd als gebruik vertaald. Bij Top, Internationale, p. 37 staat er “13. Gebruiken, feesten, spelen, vrijetijd”.

56 Dit is een opmerkelijke toevoeging ter vervanging van “B. Dagelijks leven”. Top, Internationale, p. 37.

57 Eigenlijk staat er “The Year’s Round” wat ook als de jaarronde of jaarcyclus kan worden vertaald.

58 (“Holidays, Travel”). De volgorde van de letters is veranderd ten opzichte van de indeling besproken door Top, Internationale, p. 38, door het weglaten van E. Sexegebonden gebruiken en F. Lokale, regionale feesten.

59 “Piety”, in Top, Internationale, p. 38 “devotie”. Voor een kritische reflectie, zie onder andere P. Nissen, ‘Percepties van sacraliteit. Over religieuze volkscultuur’, in: T. Dekker, H. Roodenburg, G. Rooijakkers (red.), Volkscultuur. Een inleiding in de Nederlandse etnologie, Nijmegen, Uitgeverij SUN, 2000, p. 231-281.

15. Populaire kennis

A. Algemeen

B. Plantenkennis

C. Dierenkennis

D. Weer- en sterrenkennis60

E. Astrologie, waarzeggerij, helderziendheid, droomverklaring

F. Volkseducatie, school61

G. Technologie, Alchemie

H. Overige

16 Gezondheid, ziekte, lichamelijkheid

A. Algemeen

B. Ziekten

C. Genezing

D. Hygiëne

E. Seksualiteit

F. Lichaam62

G. Overige

17. Juridische etnologie 63

A. Algemeen

B. Bijzonder

18. “Folklore”64

A. Algemeen

B. Collecties

C. Context en functie

19. Liederen

A. Algemeen

B. Collecties

C. Context en functie

60 Top, Internationale, p. 38 gebruikt de terminologie “15. Volkswetenschap, B. Volksplantkunde, C. Volksdierkunde, D. Weer- en sterrenkunde.”

61 Folk Education, School.

62 F. Lichaam (“Body”) werd er aan toegevoegd en C1. Genezers en C2 Middelen tot genezing werd weggelaten.

63 Top, Internationale, p. 39 gebruikte het gebruikelijke “17. Rechterlijke volkskunde”.

64 In het Engels: folklore. Bij Top, Internationale, p. 39, gepresenteerd als “18. Literaire volkskunde: motieven en thema’s”. In de IVB 1999 in het Frans “18. poésie populaire”, in het Engels “18. Folklore” en in het Duits “18 Volksdichtung”.

D. Balladen en epische gezangen

E. Historische liederen, politieke liederen, liedbladen (“broadside ballads”), gezelschapsliedjes

F. Geestelijke liederen

G. Liefdesliederen en lyrische gezangen

H. Rituele liederen, feestliederen

I. Beroeps- en professionele liedjes

J. Kinderliedjes, slaapliedjes

K. Popsongs ([M. Jacobs:] in het Engels, vergelijk: in het Duits Schlager en in het Frans Tubes populaires)

L. Andere nummers65

20. Muziek, dans

A. Algemeen

b. Collecties

C. Context en functie

D. Vocale muziek

E. Instrumentale muziek

F. Muziekinstrumenten

G. Dans

21. Populaire literatuur en verhalen66

A. Algemeen

B. Gemengde collecties

C. Context en functie

D. Motieven en thema’s

E. Verhalen 1. Studies 2. Collecties

F. Sprookjes 1. Studies 2. Collecties

G. Sagen 1. Studies 2. Collecties

H. Fabels

I. Grappen, anekdotes, komische verhalen

J. Christelijke legendes

65 Bij Top, Internationale, volgt onder M dan een overzicht van “volksliederen per taalgebied”, waarbij weer alle talen die onder “2. Regionale volkskunde” gedifferentieerd werden opnieuw de revue passeren.

66 Vergelijk met de bespreking van het veld in die periode in T. Meder & E. Venbrux, ‘Vertelcultuur’, in: T. Dekker, H. Roodenburg, G. Rooijakkers (red.), Volkscultuur. Een inleiding in de Nederlandse etnologie, Nijmegen, Uitgeverij SUN, 2000, p. 282-336.

K. Andere populaire literatuur en leesmateriaal

L. Kleine genres

1. Algemeen

2. Collecties

3. Spreekwoorden, gezegden

4. Raadsels

5. Andere kleine genres

22. Taal

A. Algemeen

B. Collecties

C. Context en functie

D. Dialecten

E. Sociolecten

F. Namen

23. Populair drama, circus, entertainment

A. Algemeen

B. Collecties

C. Context en functie

D. Populair drama, epische toneelstukken67

E. Circus

F. Overig

24. Media

A. Algemeen

B. Pers, kranten, tijdschriften, magazines

C. Film, televisie, video

D. Radio, geluidsdragers

E. Telecommunicatie, computers, multimedia

Is het nu later/te laat?

Het volstaat om alleen al maar te reflecteren over de laatste categorie “24. Media” die in het door Stefaan Top in 1994 in Volkskunde gepubliceerde overzicht nog leeg bleef, om een belangrijk probleem met de houdbaarheidsdatum te vatten. Of hoeveel moet 24E niet dekken? In 2000 pleitte ik in het laatste nummer van Volkskundig Bulletin expliciet om ook in etnologisch of volkskundig onderzoek veel aandacht te besteden aan cybercultuur, computerondersteunde

67 Top, Internationale, p. 41, splitst dit op in twee categorieën die niet onbekend waren in het sociaalcultureel werk (toen “volksontwikkeling” genoemd) in Vlaanderen in die periode: “D. Volkstoneel. E. Amateurtoneel”.

communicatie en “volkscultuur” op het internet, cyberetnologie, ... Het is een interessante oefening na te denken hoe allerlei vormen van digitaal erfgoed, de vele manier waarop gsm’s en smartphones worden gebruikt, cybercultuur en fenomenen op sociale media of in gaming een plaats hadden moeten krijgen in de vakjes van de hierboven weergegeven parateksten.68 Sociale media, smartphones, Twitter/X, YouTube, TikTok, streaming, het wereldwijde web, netwerken allerhande: het heeft het (samen)leven grondig veranderd. Vele mensen ter wereld kregen niet alleen toegang tot heel veel informatie en allerlei werelden van ‘augmented’ of ‘virtual reality”, “gaming”, maar ook tot veel bovenlokale, vaak globale netwerken van mensen waarmee men interactie kon komen en waarbij tradities en vormen van groepscultuur ontstonden en ontstaan. De geografische of taalkundige grenzen, maar ook de sociale grenzen, die mee de kern van het plan Hoffmann-Krayer bepaalden, werden meer dan ooit irrelevant.

Allerlei demografische evoluties onder invloed van migratie die in de 21e eeuw duidelijk werden, passen niet in de kaders van de “Europese etnologie”. Hoeveel kan men stoppen in een varia-categorie als 2A17: Andere taalgebieden? Wat met het in vele Belgische en Nederlandse huiskamers gesproken Arabisch? Of de Tamazight-talen bijvoorbeeld? Of Chinees of allerlei Afrikaanse talen? Wat met expats, politieke vluchtelingen en mensen zonder papieren? Wat met moskeeën en synagoges? Strooiweides of natuurbegraafplaatsen? Studio 100-producten?

Naast de stormachtige technologische (nieuwe) mediarevoluties en ingrijpen demografische evoluties met grote effecten op de vormen van samenleven en groepsculturen, waarvan de effecten slechts geleidelijk te merken zijn, was er een andere grote conceptuele revolutie die zich zou voltrekken in het begin van de 21e eeuw, in het hart van de “oude volkskundige canon”, namelijk de verbreding en proliferatie van het erfgoedparadigma in het algemeen en vooral (maar niet alleen) heel de impact van de Conventie voor het borgen van immaterieel erfgoed (UNESCO, 2003). Dit wordt onderzocht in andere bijdragen in dit nummer van Volkskunde.

Toch een millenniumbug voor volkskunde: de implosie van de IVB in het begin van de 21e eeuw

Het in 1994 en daarna 2004 gelanceerde bibliografisch plan was een poging om een monument uit 1917-1919 (dat toen al de wetenschappelijke productie in de studie van “folklore” en volkskunde in de twee decennia voor en na 1900 probeerde te capteren) op te kalefateren. In 1994 besprak Stefaan Top de nieuwe indeling kritisch en onderstreepte hij de verschillen tussen de officiële

68 M. Jacobs, ‘Folklore in Cyberië in het Jaar Twee Kilo. Oude modellen en nieuwe media’, Volkskundig Bulletin 26, 2000, 3, p. 3-41. Over het in schoonheid afronden van een eeuw of publicatiereeks gesproken, in het genereuze aanbod van gedigitaliseerde versies van (bijna) alle nummers van Volkskundig Bulletin, bleek in 2023 het laatste nummer uit 2000 nog steeds vergeten te zijn: https://www.meertens.knaw.nl/meertenspublicaties/index.php?act=vb (bezocht op 10-12-2023).

Wanneer wordt dit loshangend eindje opgelost …?

een zwanenzang en praktische

Duitse, Engelse en Franse benamingen van de rubrieken. Met andere woorden, de interne consistentie, binnen de bandbreedte, maar over de grenzen van Europese landen heen. Eigenlijk hadden Rainer Alsheimer (Duits), Alexander Fenton (Engels) en Thomas Schippers (Frans) hun eigen stijl en interpretaties gelegd in de parateksten die één conform systeem hadden moeten vormen; waarom niet: eenheid in verscheidenheid, “lost and found in translation”. Zoals eerder aangeduid botste Rooleid er tien jaar later ook frontaal op: al die verschillende benamingen en interpretaties van medewerkers en tolken. Top wees op diverse doodlopende straatjes en fouten (waarom is er een 2A en geen 2B, …?). Zelfs de algemene coördinatrice van het project, Karin Rooleid, zou tien jaar later blijk geven van enige reserve: “in the course of the present editorial work the undersigned one had tried to comprehend the arrangement of the bibliography.”69 De nieuwe generatie die met het systeem aan de slag ging of moest gaan in de 21e eeuw, merkte hoe moeilijk het was om met de oude volkskundige blik te blijven selecteren, zelfs en onder andere in een groep van tijdschriften die in Web of Knowledge/Web of Science nog met het koepelbegrip folklore werden aangeduid. In Vlaanderen werd in de jaren 1990 en 2000 niet eens met het systeem dat Top in 1994 beschreef gewerkt, maar werd in het tijdschrift Volkskunde, in de laatste afleveringen van de Nederlandse Volkskundige Bibliografie, en in de Jaarboeken van de Koninklijke Belgische Commissie voor Volkskunde, Vlaamse Afdeling en daarna het Vlaam Centrum voor Volkscultuur – in opdracht van het bestuur – nog met oudere versies van het plan Hoffmann-Krayer gewerkt.

De bijdrage voor de laatste aflevering van de Internationale Etnologische Bibliografie over de productie in het jaar 1999 werd niet langer door Stefaan Top, maar door Jeroen Walterus, een professionele medewerker van het toen pas opgerichte Vlaams Centrum voor Volkscultuur (VCV) aangeleverd. Hij kon gebruik maken van een grote databank die door een ploeg onderzoekers in het VCV (waarvan ik deel uitmaakte) in de eerste drie jaar van de 21e eeuw in opdracht van de Raad van Bestuur werd aangelegd om de volkskundige bibliografie in de Jaarboeken van Koninklijke Belgische Commissie voor Volkskunde, Vlaamse afdeling (die in 1998-1999 werd opgeheven) die tot 1993 was gerealiseerd, af te werken. Versta, tot en met 1999 verder te zetten. Er werden, doorgaans op papier (gelet op het feit dat het digitale aanbod nog heel beperkt was bij het begin van de eeuw: de grote operaties van Google of de kleine initiatieven à la DBNL.nl of Delpher.nl moesten toen nog op gang komen) vele duizenden titels van artikels geëxcerpeerd en in het keurslijf van het “oude” plan Hoffmann-Krayer gedwongen. Dat leidde tot vele honderden discussiepunten en -momenten, over de relevantie van dat plan in de 21e eeuw, de keuze van toewijzingen in een bepaalde categorie, frustratie over het niet aan diverse categorieën kunnen toewijzen van publicaties die volgens ons over volkscultuur gingen. Bovendien bleek dat de databank die we hadden aangelegd niet eens vlot bruikbaar om internationaal de oogst van 1999 aan te leveren, omdat we niet met het nieuwere plan hadden gewerkt en de rubrieken ook daarna in beweging zouden zijn en er dus zou moeten gewacht tot het

69 Rooleid, International, p. 123.

internationale bibliografisch comité, SIEF of andere gremia, iets zouden beslist hebben. IVB leek geen oplossing te bieden maar eerder een doodlopend straatje te zijn. Onze conclusie als jonge professionals van het Vlaams Centrum voor Volkscultuur was duidelijk: afsluiten en hier niet onze collectieve energie en uiteindelijk belastingsgeld insteken. Het team kon de Raad van Bestuur en voorzitter Stefaan Top van het Vlaams Centrum voor Volkscultuur overtuigen dat de voortzetting van een traject met de oude of opgekalefaterde versies van het plan Hoffmann-Krayer geen optimale investering van tijd, geld en andere middelen was voor een steunpunt voor volkscultuur dat impact wou hebben, onder meer op, via en in het zich toen snel ontwikkelende (immaterieel) erfgoedparadigma en -beleid en op de netwerken van vrijwilligers. Het gaf een zicht op meer vruchtbare benaderingen, de ctrl-alt-delete-operatie die gepaard ging met de afwijzing van de terminologie van folklore, volkscultuur en traditionele volkskunde en te trachten te werken met een beperkte set woorden uit een UNESCO Conventie (2003) en daarna van de operationele richtlijnen en andere instrumenten uit het Blauwe Boekje van de Basic Texts en zo terug op te bouwen. Dat leek voor de volgende drie à vier decennia een vruchtbaardere strategie, waarbij niet alleen door experten maar door “gemeenschappen, groepen en individuen” en andere stakeholders een rol wordt gespeeld, een kans ook om de technologische ontwikkelingen te gebruiken en te gaan voor nieuwe kansen voor vruchtbaar werk, kansen op nieuwe dromen en daden. De operatie rond “appropriate vocabulary” leek en (b)lijkt een heilzaam antibioticum, toch voor een tijd. Of is het slechts homeopathie? Er werd ook gewerkt aan het in beeld brengen van actoren (onder andere via het in Faro in 2005 in de kaderconventie van de Raad van Europa over de waarde van cultureel erfgoed voor de maatschappij gelanceerde concept van “erfgoedgemeenschappen”) in de wereld van “volkscultuur” en bij uitbreiding cultureel erfgoed. Er werd wat tijd gekocht, maar nieuwe oplossingen zijn nodig, onder meer om te werken rond dat heel brede concept van erfgoed en het zoeken en in beeld brengen van de rollen en het potentieel van “cultuur” voor (onder meer) duurzame ontwikkeling.

Er was het besef dat dit soort werk met op papier gedrukte tijdschriften geen wissel op de toekomst kon zijn, maar tegelijkertijd ook dat andere presentatieen zoekstrategieën mogelijk zouden worden, als al die tijdschriften niet meer op papier maar elektronisch konden worden verwerkt en gemobiliseerd. In tal van wetenschappen werd iets (door)ontwikkeld, via instrumenten zoals Web of Science of Scopus, en later diverse toepassingen van Google. Het is haast symbolisch dat in 2004, het jaar dat Google Scholar werd gelanceerd, op diverse niveaus de internationale bibliografische dromen en projecten in volkskunde/folklore studies/etnologie werden opgegeven. De tien jaar voor en na 2000 was de zwanenzang van een eeuw inspanningen met parateksten die op kartonnen steekkaarten pasten en het definitieve afscheid van een plan om die wereld gestructureerd en structurerend te (re)presenteren.

marc jacobs reculer/sauter

ctrl-d, ctrl-h, shift-ctrl-x, ctrl-alt-del, in en na 2000.

Etnologie, Volkscultuur, Immaterieel Erfgoed

Met ctrl-d kan je een bestand in de computerprullenmand plaatsen of verwijderen. Met de toetsencombinatie ctrl-h activeer je op je computer (met Microsoftprogramma’s) de “zoek en vervang”-functie. Dan gaat er een blokje met twee vakjes open. In het eerste vakje tik je het te vervangen woord (bijvoorbeeld folklore, beschermen, volkskunde, Internationale Volkskundige Bibliografie, …) en in het tweede vakje tik je dan het woord dat in de plaats komt (bijvoorbeeld immaterieel erfgoed, borgen, etnologie, Web of Science, …). Dit kan je dan in één beweging uitvoeren waarbij overal de woorden vervangen worden, of het kan vervanging per vervanging, context per context, bevestigd worden.

Met shift-ctrl-x opereer je niet op het niveau van woorden, maar op het bestand in zijn geheel: bewaren als … Je kan het een nieuwe naam geven of in ander format bewaren, zodanig dat data en samenhang tussen entiteiten kan migreren of transformeren naar een volgend stadium. (van WordPerfect tot Word-bestand of als pdf, …)

Met ctrl-alt-del grijp je (als je Windows 95 of een latere versie gebruikt) radicaal in en forceer je het systeem om ofwel helemaal terug op te starten ofwel tot het tonen van lopende programma’s en applicaties waarvan je er enkele kan uitschakelen, bijvoorbeeld om een “bevroren computer” te deblokkeren.1

Uit voorgaande bijdragen in deze reeks, werd vastgesteld dat het jaar 2000 in het veld van volkskunde en etnologie echt wel een breuklijn markeert. Heel wat initiatieven werden dan of kort erna gestopt. Dat het voor het plan HoffmannKrayer en de daarop gebaseerde producten (Internationale Volkskundige Bibliografie, Tijdschriftenschouw, Bibliografieën in de jaarboeken van de Koninklijke Belgische Commissie voor Volkskunde, Vlaamse Afdeling en van de aanvullingen van het toen kersverse Vlaams Centrum voor Volkscultuur) het

1 De toetsencombinatie heeft een langere geschiedenis en is na de uitvinding door IBM-ingenieur

David Bradley in het begin van de jaren tachtig een eigen leven gaan leiden: https://www.youtube.com/watch?v=Mpo6rgvOVGc&t=193s (bezocht op 13-2-2024).

einde betekende, werd in voorgaande bijdragen grondig behandeld. Niemand nam de moeite of het risico om de (steek)kaartenhuizen omver te blazen, ze werden achtergelaten. De Afdeling Volkskunde in het Meertensinstituut werd in 2000 afgeschaft maar ging over in etnologie (shiftctrl-x). Oost-Vlaamse Zanten zou stoppen in 2002 en ging over in Van Mensen en Dingen (shift-ctrl-x). Volkskunde nam in 2000 afscheid van een sinds 1940 in de ondertitel prijkend concept volksleven en omarmde het begrip volkscultuur (shift-ctrl-x).

Maar er begonnen ook veel “gamechangers” in en kort na 2000. De voor dit veld belangrijke UNESCO Conventie voor het Borgen van Immaterieel Cultureel Erfgoed werd tussen 2001 en 2003 voorbereid en op 17 oktober 2003 uitgevaardigd (ctrl-alt-delete, met het uitschakelen van oude reeksen woorden en referentiekaders en sterk activeren van artikel 2, 15 en 16 bijvoorbeeld, en daarna shift-ctrl-x). In tegenstelling tot Nederland en Duitsland, werd de Conventie in België (door een interessant samenspel van verschillende visies en daarvoor beschikbare middelen, wetenschappelijke en/of politieke energie), en Frankrijk snel (2006) geratificeerd en de volgende jaren intens opgevolgd en ingekleurd. Vanaf 2008 werden de Operationele Richtlijnen van de 2003 UNESCO Conventie elke twee jaar aangepast en uitgebreid (ctrlalt-del) net het uitrollen van de operationele richtlijnen en andere manieren om de conventie te realiseren, zowel binnen natiestaten als globaal(shiftctrl-X). In Vlaanderen werd door de ministers en het ministerie van cultuur, in het begin van de 21e eeuw, een boost gegeven aan erfgoed in het algemeen en volkscultuur in het bijzonder, via decretale omkadering en massering, onderzoek en pilootprojecten.

Einde-van-de-eeuw

Op het einde van de 20e eeuw probeerden sommige onderzoekers opzij en vooruit te kijken; hoe zat het nu met dat vak “volkskunde”? Waren er tekens voor een ander beleid? De ervaring van een breuk, een einde of nakende doorstart?

Een goed venster biedt het eerste nummer van 1999 van Oost-Vlaamse Zanten. Tijdschrift voor volkscultuur in Vlaanderen. Daarin werd niet alleen afscheid genomen van de net overleden Renaat van der Linden (1918-1999), één van de top tien volkskundigen in Vlaanderen in de tweede helft van de 20e eeuw. Hij was een amateurvolkskundige met een hoofdjob als leraar Latijn, maar een bijkomend leven als een protagonist in het volkskundig verenigingsleven, meester van zoeken en zanten en van communicatie aan diverse publieken in en buiten Oost-Vlaanderen. Zijn bibliotheek en archief zouden twee jaar later in het Vlaams Centrum voor Volkscultuur terechtgekomen en in 2006 worden ontsloten. Het was voor Annelies O een buitengewone uitdaging waarbij onder meer los en creatief gebruikgemaakt werd van het plan Hoffmann-Krayer en een door Paul Catteeuw ontworpen variant voor heemkundige kringen. Veel correspondentie en notities op blaadjes allerhande werden uit zijn bibliotheek gehaald en afzonderlijk bewaard. Tientallen met de hand van Renaat ingevulde steekkaartjes met losse bibliografische referenties die in allerlei boeken en tijdschriften zaten verspreid, mogelijk gebruikt als bladwijzer of als tussenfase

voor getypte steekkaarten, bleven de volgende jaren opduiken in de (dubbels van de) boeken en tijdschriften in de VCV-bibliotheek.2 In het nummer van 1999 verschenen ook artikelen over “volkskunde” op de elektronische snelweg, als eerste zwaluwen van een mogelijke nieuwe lente. Enerzijds was er een door Theo Meder verzorgde studie die duidelijk maakte dat het “volks”verhalenonderzoek moest worden aangevuld door verhaaltypes die via e-mail, nieuwsgroepen en het wereldwijde web circuleerden.3 Anderzijds was er een bijdrage van ondergetekende over de magere manier waarop volkskundemusea in Vlaanderen in 1999 op het wereldwijde web aanwezig waren of de ontwikkelingen daar representeerden en becommentarieerden in museumcontext, dit alles in contrast met het enorme potentieel.4 Dit sloot aan bij een reeksje artikels over nieuwsgroepen en over hoe op het wereldwijde web kon worden gezocht naar informatie, boekentitels en tijdschriftartikels

2 Eva Waeytens, ‘Het archieffonds “Renaat van der Linden”’, Mores, Tijdschrift voor volkscultuur in Vlaanderen 1:3, 2000, p. 17-18; Annelies O, De ontsluitingsproblematiek van heemkundige en volkskundige archieven & inventaris van het archief van Renaat van der Linden, Brussel, VUB, 2006, met op p. 19-23 en 121-128 beschouwingen over de worsteling met het plan Hoffmann-Krayer en de combinatie met P. Catteeuw, Thesaurus van de Heemkundige Bibliografie. Een heemkundig classificatiesysteem, Kontich, 1995.

3 T. Meder, ‘”Veel geluk, meneer Gorsky!” Volksverhalen op de electronische snelweg’, Oost-Vlaamse Zanten 74:1, 1999, p. 47-58. De aanleiding was het verhaal dat sinds 1995 in de Verenigde Staten op internet circuleerde en op 25 november 1995 zelfs het Rotterdams Dagblad haalde: een voorbeeld dat verhalenonderzoek heel andere wegen opging, zo maakte Meder duidelijk. Het blijft dertig jaar later wachten op een doorbraak in het paradigma van immaterieel cultureel erfgoed om ook dit soort van digitale verhalencircuits en -repertoires een plek te geven. “When Apollo Mission Astronaut Neil Armstrong first walked on the moon, he not only gave his famous “One small step for man; one giant leap for mankind” statement, but followed it by several remarks, including the usual COM traffic between him, the other astronauts, and Mission Control. Before he re-entered the lander, he made the enigmatic remark “Good luck, Mr. Gorsky.”Many people at NASA thought it was a casual remark concerning some rival Soviet Cosmonaut. However, upon checking, there was no Gorsky in either the Russian or American space programs. Over the years, many people have questioned him as to what the “Good luck, Mr. Gorsky” statement meant. On July 5, in Tampa Bay, FL, while answering questions following a speech, a reporter brought up the 26- year-old question to Armstrong. He finally responded. It seems that Mr. Gorsky had died and so Armstrong felt he could answer the question. When he was a kid, Neil was playing baseball with his brother in the backyard. His brother hit a fly ball which landed in front of his neighbors’ bedroom window. The neighbors were Mr. and Mrs. Gorsky. As he leaned down to pick up the ball, he heard Mrs. Gorsky shouting at Mr. Gorsky, “Oral sex? Oral sex you want? You’ll get oral sex when the kid next door walks on the moon!” (https://www.snopes.com/fact-check/good-luck-mrgorsky/, bezocht op 30-12-2023: het verhaal was overigens “fake”).

4 M. Jacobs, ‘De naakte coördinaten voorbij? Internet en volkskundemusea aan het einde van de twintigste eeuw’, Oost-Vlaamse Zanten 74:1, 1999, p. 28-46: “hoe volkskundige musea in het voorjaar van 1999 op het Wereldwijde Web aanwezig zijn. Laten we eufemistisch stellen dat de uitdrukking “in de kinderschoenen” een geschikte metafoor is. Niets zou mij meer plezier doen dan het feit dat dit artikel snel achterhaald zou blijken te zijn”? (p. 31). Na de naamsverandering van het Museum voor Volkskunde te Gent in het Huis van Alijn, pionierde dat museum met cybercultuur. Ik mocht toen al de volgende bijdrage leveren voor een legendarisch geworden tentoonstelling en “volkskundige” interventie in het langzaam uitkristalliserende erfgoedlandschap in Vlaanderen: M. Jacobs, ‘Tuinkabouters in beweging. Een bijdrage tot de (cyber)nanologie’, in: S. Dhaene, H. Vandenberghe en H. Cottyn (red.), Mannen met baarden. Over de tuinkabouter, Gent, Huis van Alijn/Van Halewijck, 2001, p. 65-100.

in het bijzonder.5 Dit werd enkele maanden later, in 2000, gevolgd door een op een koude steen vallende oproep in het allerlaatste afscheidsnummer waarmee Volkskundig Bulletin werd opgedoekt, om in volkskunde/etnologie “cybercultuur” als een van de prioritaire thema’s te kiezen (het onderzoek van Theo Meder uitgezonderd). Misschien is het een kwarteeuw later wel tijd.6

In de kern van het themanummer uit 1999, gebaseerd op een lezingenreeks te Gent op 8 maart 1998, werden diverse bijdragen geleverd over beleidsontwikkelingen in Vlaanderen, met name rond het “decreet houdende de erkenning en subsidiëring van organisaties voor volkscultuur en de oprichting van een Vlaams Centrum voor Volkscultuur” en hoe dat zou impact hebben op een breder veld van expertisecentra en verenigingen. Het bevatte ook een prikkelende visietekst van Gerard Rooijakkers over de “postmoderne volkskunde als uitdaging”, zowel in de wereld van musea, publicaties als onderzoek. De diagnose was scherp:

“Over wat we in de musea aan hedendaagse ‘volkscultuur’ moeten verzamelen, zijn de opvattingen hopeloos verdeeld. De tijd heeft de folkloristen voorgoed ingehaald. Hun getuigenissen van ‘levend volksleven’ zijn antiquarische grafmonumenten geworden die onthecht in vitrines stof liggen te vergaren. De verzamelingen zelf zeggen welbeschouwd meer over de cultuurdiagnosen van de toenmalige folkloreverzamelaars”.7

Hij meende ook dat – in 1999 – klassieke mechanismen (zoals de operaties met het plan Hoffmann-Krayer) hun beste tijd gehad hadden:

“De klassieke, grote thema’s uit de volkskundige canon, die ons in tijdschriftenschouwen volhardend worden voorgehouden, zijn inmiddels wel uitgekauwd; veel wetenschappelijk avontuur is er niet meer aan te beleven. Ja, het vak dreigt zelf geschiedenis te worden, zo lijkt het. Blijft de universitaire integratie marginaal en veelal problematisch, daarnaast is er sprake van een ware lost generation. Ook de vakbeoefenaren vergrijzen zonder dat zij daadwerkelijke opvolgers hebben die hen van de bak proberen te bijten.”8

“Never waste a good crisis” of “Niets is heilzamer voor een scherp inzicht dan de bijna-doodervaring”, zo poneerde Gerard Rooijakkers in 1999. Hij zag

5 M. Jacobs, ‘Internet: nieuwsgroepen en mailing lists voor cultuurwetenschap’, Oost-Vlaamse Zanten 72:1, 1997, p. 30-36; M. Jacobs, ‘Internet: literatuurinformatie, catalogi en tijdschriftartikelen’, OostVlaamse Zanten 72:2, 1997, p. 110-120.

6 M. Jacobs, ‘Folklore in Cyberië in het Jaar Twee Kilo. Oude modellen en nieuwe media’, Volkskundig Bulletin 26, 2000, p. 3-41. Vanaf het academiejaar 2023-2024 wordt in de masteropleiding erfgoedstudies aan de Universiteit Antwerpen het vak ‘repertoires: van volkscultuur tot cybercultuur’ gedoceerd.

7 G. Rooijakkers, ‘Postmoderne volkskunde als uitdaging’, Oost-Vlaamse Zanten 74:1, 1999, p. 5-11.

8 En dan was er ook politiek en beleid, waar een rol kon worden voorzien: (…) “volkskundigen belangrijk als waterdragers, constructeurs en legitimerende spreekbuizen van ‘eigenheid’ en ‘identiteit’: zogenaamd kwetsbare zaken die bij wijze van een voorouderlijk pand behouden dienen te blijven. Daar ligt de maatschappelijke taak van de volkskundige, zo laten wij ons bij voortduring geduldig voorhouden door politici die onze congressen openen om zich daarna, wegens ‘drukke belangrijke werkzaamheden elders’, snel uit de voeten maken.” Rooijakkers, Postmoderne, p. 6.

voor het volkskundige spel, verschillende, zo mogelijk uit elkaar te houden, speelvelden, zoals het “reflectief etnologische” en de “folkloristische” arena (“waarin een toe-eigening van inzichten, gestimuleerd door allerlei dilettanten en toeristische makelaars, plaatsvindt”).

Een kwarteeuw later lijken vele inzichten van Rooijakkers niet aan kracht en duiding te hebben verloren. Hij pleitte expliciet voor het blijven meenemen van “dark issues”, controverses, machtsprocessen, geweld, zonder het “reduceren tot een gerubriceerde verzameling safe stories waaraan niemand zich een buil lijkt te kunnen vallen”.9 Dit is volgens mij een belangrijke opmerking die relevanter is dan ooit, gelet op de impact van de UNESCO-conventie van 2003, met dat voor de “reflectieve-etnologische” invalshoek problematische maar voor de “folkloristisch-toeristische” invalshoek rustgevende laatste zinnetje in de definitie van “immaterieel erfgoed” in artikel 2.1 van de conventietekst: “Voor de toepassing van deze conventie wordt uitsluitend immaterieel cultureel erfgoed in aanmerking genomen dat verenigbaar is met bestaande internationale instrumenten op het gebied van mensenrechten en met de vereisten van wederzijds respect tussen gemeenschappen, groepen en individuen alsmede van duurzame ontwikkeling.” In de jaren 2020 wordt dit binnen het UNESCO-paradigma (en bijvoorbeeld de museumwereld) aangepakt via discussies over ethische principes en een gereedschapskist met instrumenten om daarmee om te gaan. Of binnen het veld van kritische erfgoedstudies, door controversy mapping en andere technieken te omarmen. Of, zoals aan de Universiteit Antwerpen, speciale cursussen rond “Dark Heritage” of “Heritage and Crime” in het curriculum voor conservatie-restauratie en erfgoedstudies of als microcredential op te nemen. 10

Gerard Rooijakkers gaf in 1999 nog mee dat het belangrijk zou zijn bij de exploratie van nieuwe thema’s telkens voldoende ruim te gaan en niet alleen in voor de hand liggende wegen te opteren: “Als het dan bijvoorbeeld gaat om onderzoek naar een recent fenomeen als internet, gaat het niet alleen om de wereldwijd circulerende verhaalrepertoires of beeldmotieven, maar ook wat deze informatietechnologie en de materiële neerslag daarvan in pc’s en computermeubels (uitvoering, plaatsing, gebruik, status) betekenen voor het gedrag van mensen met betrekking tot communicatie, consumptie, vrije tijd en werk.”11

Merk ten slotte nog op dat Rooijakkers in zijn briljante stuk uit 1999 nog een deur open liet voor het meenemen van heuristische instrumenten in het “volkskundige spel”, zolang die zelf maar de mogelijkheden van de nieuwe technologieën konden exploiteren. Maar de klassieke canon met rubrieken

9 Rooijakkers, Postmoderne, p. 9.

10 Zie onder andere M. Jacobs en J. Zhang, ‘Immaterieel controversieel erfgoed : de spagaat in het UNESCO-dozijn ethische principes, het nut van een instrumentarium en meer tenzij’, Volkskunde 123:3, 2022, p. 367-390; M. Jacobs, J. Zhang en H. Verreyke, ‘Erfgoed in de jaren 2020 : adjectieven, controverses en strijdwaarde’, Volkskunde 123:3, 2022, p. 367-390; M. Jacobs & J. Zhang, 有争议的非物 质文化遗产—— 以比利时佛兰德清单为例, 解析保护非物质文化遗产伦理原则, Folk Cultural Forum 6, 2023, p. 122-139; M. Jacobs, ‘The spirit of the Convention : interlocking principles and ethics for safeguarding intangible cultural heritage’, International Journal of Intangible Heritage 11, 2016, p. 71-87.

11 Rooijakkers, Postmoderne, p. 9

schoot hopeloos te kort. “Anderzijds, ik benadruk het nog maar eens, behoeven we onze vaktraditie niet te ontkennen, voor een pragmatisch werkinstrument als een Internationale Volkskundliche Bibliographie hoeven echt niet alle categorieën op hun kop, als bijvoorbeeld de zoek- en combinatiemogelijkheden (idealiter op een virtuele wijze) maar flexibel tot stand gebracht kunnen worden.”12

Pogingen tot shift-ctrl-x in 2000: Volkscultuur. Een inleiding in de Nederlandse etnologie

In 2000 verscheen de als synthese en herijking bedoelde bundel Volkscultuur. Een inleiding in de Nederlandse etnologie. Het Meertens Instituut pakte uit. In Vlaanderen kreeg dit weerklank. Was dit een poging tot ctrl-h, de naamsverandering van de “discipline” volkskunde in etnologie? ctrl-d, een poging tot het afscheid nemen en uitzwaaien van het perceptiekader van het “volksleven” en “volkskunde”? Of toch shift-ctrl-x?13 Het boek gaf in 2000 en 2001 aanleiding tot een van de zeldzame theoretische en strategische gedachtewisselingen in volkskundige tijdschriften in Vlaanderen.

Enerzijds verschenen diverse bijdragen in een heus discussienummer in Oost-Vlaamse Zanten. 14 Scherp was daar onder andere de uit Nederland afkomstige professor volkskunde aan de Universiteit van Bonn, Heinrich Cox die nog meer verwacht had, onder andere op basis van demografische analyses, met name over diversiteit: “Berthold Brechts gezegde ‘Wer statt Volk Bevölkerung sagt, unterstützt schon viele Lügen nicht’ is nog steeds geldig. Daarom vind ik de titel van het boek ‘Volkscultuur’ volkomen misleidend, en precies omdat - ondanks alle plechtige verzekeringen vanwege de redacteurs dat ze ook voor sociale gelaagdheden en geografische verschillen oog hebben - niet echt rekening gehouden wordt met de multi-etnische samenstelling van de bevolking van Nederland.”15 Ook Jan Art vond dat ze nog verder mochten (ge)gaan (zijn) en formuleerde enkele grote uitdagingen:

“Het ontbreekt m.a.w. aan een breder verband, aan een zicht op het betekenisgevings-systeem, aan een uitgewerkte definitie van cultuur (…) kiezen voor een waardegeladen en probleemgerichte aanpak vanuit een geëxpliciteerde cultuuropvatting (…) Kortom, ik vind dit boek erg goed waar het erop aankomt een overzicht te bieden van wat de Nederlandse volkskunde geweest is, maar minder overtuigend wanneer het over het huidige en geplande onderzoek gaat. Daar lijkt de Nederlandse etnologie nog wat de gevangene van zijn verleden, en wordt de erfgenaam door de erfenis geërfd. Men wil het definitief over een andere boeg gooien, maar aarzelt toch om de mooie, oude schepen te verbranden. Die tweeslachtigheid heeft veel te maken met de doelstelling van de auteurs die een

12 Rooijakkers, Postmoderne, p. 10.

13 M. Jacobs, ‘Afscheid van het volksleven: een stevige synthese’, Mores. Tijdschrift voor volkscultuur in Vlaanderen 1:4, 2000, p. 9-14; M. Jacobs, ‘”Met als gevolg dat elke generatie opnieuw dat vak uitvindt”. Van een discipline met een millenniumbug tot een vak met een inleiding’, Oost-Vlaamse Zanten. Tijdschrift voor volkscultuur in Vlaanderen 76, 2001, p. 115-131.

14 Downloadbaar via https://openjournals.ugent.be/oz/issue/23276/info/ (bezocht op 31-12-2024)

15 H. Cox, ‘Duitse reflecties bij een Inleiding in de Nederlandse etnologie’, Oost-Vlaamse Zanten. Tijdschrift voor volkscultuur in Vlaanderen 76, 2001, p. 135-140. Zie ook Stefaan Top, ‘In memoriam Prof. dr. Heinrich Leonard Cox (1935-2016)’, Volkskunde 118:1, 2017, p. 65-69.

introductie en dus een overzicht van de onderzoekstraditie wilden geven. Het toekomstperspectief, en datgene wat naar mijn aanvoelen de jongere etnologen bezielt, komt hierdoor wat in de verdrukking. Dit had kunnen vermeden worden door niet één, maar twee boeken te maken: één over de geschiedenis van de volkskunde en één over het huidige lopende onderzoek (…)16

In het memorabele themanummer van Oost-Vlaamse Zanten werden ook lovende én kritische bedenkingen afgevuurd door Johan Verberckmoes, Anton Schuurman, Rik Pinxten, Harlinda Lox, Bert De Munck en ondergetekende, waarna een wederwoord volgde door Ton Dekker, Gerard Rooijakkers en Herman Roodenburg.

Anderzijds verscheen er een meervoudige boekbespreking17 in het eerste nummer van het nieuwe millennium van Volkskunde. Daar becommentarieerde en verwelkomde Björn Rzoska, de toenmalige redactiesecretaris van dat tijdschrift, de Volkscultuurbundel als een programmaverklaring van het Meertens Instituut. Rzoska richtte volop de schijnwerpers op één van de centrale boodschappen in 1999-2000: “De gehanteerde terminologie is een duidelijke bevestiging van een eerdere keuze: volkskunde wordt definitief Nederlandse etnologie.”18 Tegelijkertijd poneerde hij een aantal interessante bedenkingen over de motieven om die stelling in te nemen, een nieuw onderzoeksplan te lanceren en het handboek te publiceren. Naast de wens om aan te sluiten bij ontwikkelingen in culturele antropologie en cultuurgeschiedenis in de voorgaande kwarteeuw en naast pogingen om de “fall-out” van de romanconstructie Het Bureau uit de jaren 1990 af te schudden, detecteerde hij meer algemene betrachtingen. Volgens Rzoska ging het om het ontsnappen aan de “traditionele volkskundige canon” en aan begrippen als continuïteit, authenticiteit of nationale of eigen volksaard of volksziel. Inspelend op het belangrijke historiografische overzichtsartikel van Ton Dekker in de besproken bundel, voegde Rzoska er zelf nog wat extra problematisering aan toe: “de premisse van de ‘twee’ volkskundes in de oorlogsjaren: de besmette en de niet-besmette of de foute en de goede (…) een constructie die volkskundigen na 1945 de kans gaf hun werk te laten aansluiten op de ‘goede’ en politiek correcte invulling, naast de andere en minder fraaie lijn (…) onhoudbaar.”19

In de door Jan Theuwissen (1933-2017) en Patricia Vansummeren (19582001) verzorgde bespreking in 2001 van de bijdrage van Gerard Rooijakkers over materiële cultuur wordt gewezen op de groeiende recontextualisering als cultureel erfgoed en dat dit nader en op innoverende wijze opgepikt zou moeten worden in musea en wetenschappelijke instellingen. Andere evoluties in de

16 J. Art, ‘Van volkskunde naar etnologie: niet meer zoals vroeger, maar hoe dan wèl’, Oost-Vlaamse Zanten. Tijdschrift voor volkscultuur in Vlaanderen 76, 2001, p. 132-134, p. 133-134.

17 In Web of Science slaagt men erin om de titel/dit dossier als volgt te omschrijven: “Cultural folklore: An introduction to Dutch ethnology” (https://www.webofscience.com/wos/woscc/full-record/ WOS:000168891400007, bezocht op 28-12-2023), geen wonder dat het belangrijkste neusje van de zalm in ontsluiting van wetenschappelijke productie niet ideaal is voor dit vakgebied; blunders waardoor dit soort bijdragen in een in het Nederlands uitgegeven tijdschrift, haast onvindbaar zijn.

18 Rzoska, Nederlandse, p. 76.

19 Rzoska, Nederlandse, p. 77.

daarop volgende kwarteeuw schatten de twee recensenten minder helderziend in: “Rooijakkers geeft goede vingerwijzingen, hun inhoud is zo ambitieus dat ze niet of slechts zeer ten dele realiseerbaar zijn, omdat de overheid geen wil toont er beleidspunt van te maken en dus ook geen middelen ter beschikking stelt en onze universiteiten slechts schoorvoetend hier en daar trachten bij te benen.”20 Alfons Roeck (1927-2014) besprak zeer lovend de bijdrage van Rooijakkers over feest en ritueel en legde daarbij sterk de nadruk op de kritiek op het plan Hoffmann-Krayer (waarbij ze wel beiden de oude versie gebruikten): “Net zoals in de andere hoofdstukken, is de rode draad die door het boek heenloopt, duidelijk waar te nemen. Wij bedoelen de afrekening, weliswaar op een beschaafde wijze, met de traditionele volkskunde en de beoefenaars ervan, de ‘folkloristen’. Zo vindt de omschrijving ‘Zeden en gebruiken. Feesten. Spelen’ (deel X van Hoffmann-Krayer’s Plan) geen genade – de argumenten die Rooijakkers aanhaalt overtuigen ons wel – en hij vervangt het lemma door ritueel, door feest, door vieren (…). Op het einde van zijn bijdrage stelt Rooijakkers ‘dat de traditionele (volkskundige) canon zijn beste tijd heeft gehad, dat de oude rubrieken hoogstens nog een attenderende functie hebben en nog nauwelijks een betekenis hebben’.”21

Voor de volledigheid citeer ik de hele passage uit het artikel van Rooijakkers zelf: “Uit de voorbeelden die in dit hoofdstuk zijn gegeven blijkt opnieuw dat de traditionele canon zijn beste tijd heeft gehad. De oude rubrieken hebben hoogstens nog een attenderende functie of worden toegepast om het vakgebied in bibliografische zin pragmatisch te verkavelen. In de sociale praktijk, waar het ons etnologen om te doen is, hebben ze nauwelijks een betekenis”.22

Uit de andere recensies in Volkskunde haal ik nog even de kritische bedenking van Stefaan Top aan dat er een vervolg op de bundel zou mogen worden gemaakt, omdat diverse andere werkvelden (die niet sterk in het Meertensinstituut werden ontgonnen, maar wel in het oude plan HoffmannKrayer en de in 1946 door K.C. Peeters aangeduide aanvulling op het plan) nauwelijks aan bod kwamen. “Dit geldt onder meer voor nochtans interessante en belangrijke werkvelden zoals volksgeneeskunde, sport en recreatie, straattoneel, poppenspel, ambachten, schuttersgilden, subculturen, de vele gewijzigde rituelen i.v.m. de levensloop”.23

De reacties in Volkskunde varieerden dus van wijzen op ontbrekende dekking in en van bepaalde rubrieken uit het (plan Hoffmann-Krayer over) volksleven (S. Top) tot het verwelkomen van jonge turken à la Rooijakkers

20 J. Theuwissen en P. Vansummeren, ‘Materiële cultuur’, Volkskunde 102:1, p. 79-80, p. 80. Ze bespraken G. Rooijakkers, ‘Mensen en dingen. Materiële cultuur’, in: T. Dekker, H. Roodenburg, G. Rooijakkers (red.), Volkscultuur. Een inleiding in de Nederlandse etnologie, Nijmegen, Uitgeverij SUN, 2000, p. 110-172. Zie Jacobs, Met als gevolg, p. 129.

21 A. Roeck, ‘Feest en ritueel’, Volkskunde 102:1, 2001, p. 80-81. Hij besprak G. Rooijakkers, ‘Vieren en markeren. Feest en ritueel’, in: T. Dekker, H. Roodenburg, G. Rooijakkers (red.), Volkscultuur. Een inleiding in de Nederlandse etnologie, Nijmegen, Uitgeverij SUN, 2000, p. 173-230, p. 173-174.

22 Rooijakkers, Vieren, p. 229-230.

23 S. Top, ‘Zangcultuur’, Volkskunde 102:1, 2001, p. 84-86.

of specialisten in de studie van verhalen.24 Jozef Van Haver (1926-2009) wou niet meegaan in wat hij als de introductie van een nieuw ‘classificatieplan’ beschouwde in verband met religieuze volkscultuur.25

Het boek Volkscultuur kwam voor ontwikkelingen in Vlaanderen precies op tijd. De definitie van het werkveld als “bestudering van breed gedragen cultuurverschijnselen in hun historische, sociale en geografische dimensie, waarbij ze deze dimensies opvat als dynamische, groepsgebonden processen van betekenisgeving en toe-eigening” werd in Vlaanderen mee geadopteerd en als koerscorrectie op de decretale opdracht van het in 1999 opgerichte Vlaams Centrum voor Volkscultuur ingezet. Vanaf 2004 werd deze omschrijving zelfs opgenomen in de aanzetten tot het erfgoeddecreet in Vlaanderen. Dit zou meer dan een decennium meegaan. Het is jammer dat het mijlpaalboek vandaag nergens als pdf beschikbaar en aangeboden lijkt te zijn, waardoor een shiftctrl-x-operatie moeilijker en moeilijker wordt.

Achteraf bekeken is een van de problemen niet zozeer het tussen aanhalingstekens te zetten begrip “volkscultuur” of “etnologie” maar het bijvoeglijk naamwoord “Nederlandse”. Wat moeten we daarmee in Vlaanderen en in de (wetenschappelijke of beleids-) wereld? Is het een referentie naar het Koninkrijk der Nederlanden, inclusief de gesublimeerde (neopost)koloniale dimensie van Overzeese gebieden die subtiel blijft worden gepropageerd in landen als Nederland, Frankrijk of Groot-Brittannië? Gaat het over taal of een “Dietse” interpretatie, die bij sommige kringen in Vlaanderen omarmd werd? Is er dan een verschil met wat K.C. Peeters meegaf in het interview van Joost Florquin: “Volkskunde zonder meer bestaat dus niet, ze moet altijd voorafgegaan worden door een adjektief: Vlaamse volkskunde, Engelse volkskunde, Schotse volkskunde, Duitse volkskunde. De vraag kan dan worden gesteld: bestaat er een Belgische volkskunde?”26 De vraag was toen minder retorisch dan ze lijkt, want die bestond volgens sommige auteurs, maar K.C. Peeters heeft actief bijgedragen om de ctrl-h (en mogelijk ctrl-d) operatie uit te voeren in het Noorden van België. Het blijft interessant om de wisselende positioneringen, ook bij K.C. Peeters zelf, doorheen de tijd te traceren en dan opmerkelijke zinnen te ontdekken, zoals te midden van zijn volkskundige aantekeningen uit 1962:

24 Inclusief verhalen in media, reclame, op het internet, in toerisme en pretparken: M. Van den Berg, ‘Vertelcultuur’, Volkskunde 102:1, 2001, p. 82-84; T. Meder & E. Venbrux, ‘Vertelcultuur’, in: T. Dekker, H. Roodenburg, G. Rooijakkers (red.), Volkscultuur. Een inleiding in de Nederlandse etnologie, Nijmegen, Uitgeverij SUN, 2000, p. 282-336.

25 J. Van Haver, ‘Religieuze volkscultuur’, p. 82 over P. Nissen, ‘Percepties van sacraliteit. Over religieuze volkscultuur’, in: T. Dekker, H. Roodenburg, G. Rooijakkers (red.), Volkscultuur. Een inleiding in de Nederlandse etnologie, Nijmegen, Uitgeverij SUN, 2000, p. 231-281, die inderdaad impliciet de categorieën rond vroomheid en religieuze volkscultuur van het plan Hoffmann-Krayer in vraag stelt en probeert te actualiseren en te verbreden.

26 J. Florquin, ‘Prof. dr. K.C. Peeters’, in: Ten huize van …, dl. 11, Brugge/Leuven, Orion/Davidsfonds, 1975, p. 185-218, p. 203-204.

“Vlaanderen is hier synoniem van Zuid-Nederland, het gedeelte van België waar Nederlands gesproken wordt. Volgens Prof. Vercouillie stamt het woord Vlaming af van vlame, een woord van Friese oorsprong, dat vluchteling betekent.”27

Zelf heb ik de voorbije kwarteeuw getracht om het uitsluitende adjectief “Vlaamse” bij “volkscultuur” systematisch te vervangen door “in Vlaanderen”: nog steeds iets dat als een aanvulling op spellings- en stijlcorrectie op de tekstverwerker van “volkskundigen”/erfgoedwerkers zou mogen ingesteld zijn: ctrl-h “Vlaams” -> “in Vlaanderen”! En ook niet “Nederlands”. Het gaat dan bijvoorbeeld over fenomenen die waarneembaar op het grondgebied dat na enkele staatshervormingen vandaag als entiteit wordt erkend, dus de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest, tot enkele decennia geleden ook als Vlaams-België aangeduid (vaak door Nederlandse collega’s).

In de pas verschenen synthese van de Encyclopedie van de Vlaamse beweging wordt de volgende omschrijving gegeven van wat vandaag als “Vlaanderen” verstaan wordt: “de Nederlandstalige noordelijke helft van het koninkrijk België, met inbegrip van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, voor zover die regio Nederlandstalig was of is. Dit administratieve begrip ‘Vlaanderen’ ontstond in de context van de staat België, waarvan het bestaan op de afscheiding van het Koninkrijk der Nederlanden in 1830 teruggaat. Vlaanderen valt als grondgebied samen met de huidige vijf Vlaamse provincies, het Vlaamse Gewest genaamd. De bevolking van Vlaanderen bestaat uit de bewoners van deze provincies en de Nederlandstaligen in Brussel, die samen de Vlaamse Gemeenschap vormen. Het moderne Vlaanderen is als gewest en gemeenschap in België een product van een reeks grondwetsherzieningen uit de tweede helft van de 20ste eeuw.”28

Van Nederlandse en Europese etnologie tot etnologie (of iets anders) in Nederland en Europa: ctrl-h en shift-ctrl-x

Naarmate de tijd vordert stoor ik me steeds meer aan het gemak waarbij de adjectieven “Nederlands” en “Europees” blijven worden gebruikt, zonder dat die blijkbaar sterk worden geproblematiseerd of als constructie worden gedecodeerd. Wie al eens buitenkomt, ik bedoel buiten Europa, wordt geconfronteerd met het concept Eurocentrisme, in het bijzonder in “elitecultuur” zoals die zich sinds het einde van het Ancien Régime heeft uitgekristalliseerd en waarvan de “uitvinding” van concepten zoals folklore, volkscultuur of volkskunde in de 19e eeuw een belangrijke fase zijn.29 Het is een

27 K.C. Peeters, Volkskundige aantekeningen. Nota’s en bibliografie bij “Eigen Aard”, Antwerpen, De Vlijt, 1962, p. 17. Zie ook de opmerkelijke discussie over Limburg en Loon op p. 18.

28 M. Beyen, M. Boone, Reginald de Schrijver, Jelle Haemers en René Vermeir, ‘Vlaanderen. De geschiedenis van een constructie’, in: Encyclopedie van de Vlaamse Beweging. De synthese, Tielt, Lannoo, 2024, p. 577-607, p. 577.

29 Vergelijk M. Jacobs, ‘Bruegel and Burke were here! Examining the criteria implicit in the UNESCO paradigm of safeguarding ICH: the first decade’, International Journal of Intangible Heritage 9, 2014, p. 100-118.

van de redenen waarom de ctrl-alt-delete-operatie van de UNESCO Conventie voor het borgen van immaterieel cultureel erfgoed is uitgevonden. Zeker nu, sinds het voorbije decennium, de Europese Commissie en andere gremia volop inzetten op erfgoed, inclusief immaterieel erfgoed, is het belangrijk (deco-re) constructief, maar reflectief en kritisch te blijven ageren, en het systematisch preciseren van het woord Europees als (vroeger of nu) in Europa een noodzaak. Lastig als je subsidies, erkenning, steun en appreciatie wil oogsten, maar toch…

Het was achteraf gezien, en na december 2023 minder dan ooit, geen goed idee om “Nederlandse etnologie” als concept te gebruiken bij het proberen te herdefiniëren van het veld in de 21e eeuw en, ondanks alle mogelijke goede bedoelingen, is het hoog tijd dat we dat idee afbouwen. Ik stel voor om dit vanaf nu te doen (ctrl-d), zeker nu Nederland (Pays-Bas) zich recent zelfs bij UNESCO ging profileren als Koninkrijk der Nederlanden en er de voormalige (ex-)“kolonies” in Midden-Amerika ook ging bijnemen. Is dit nu echt sympathieke ontwikkelingssamenwerking of samenwerkingsontwikkeling (ik hoop het) of iets anders? Reflectief handelen is cruciaal, net als het inzicht dat het allemaal niet simpel of simplistisch is, maar net meerlagig, contradictorisch, complex en daarom duurzaam en interessant. Of bedoelde men het zoals in de titel van het (re)productieapparaat van de Nederlandse Volkskundige Bibliografie, waarbij dat continentale deel van het Koninkrijk er als “NoordNederland” werd bijgenomen. Om nog maar te zwijgen over Afrikaans.

Het is natuurlijk legitiem voor overheden in soevereine (deel)staten om instellingen op te richten, tijdschriften en musea te financieren en “te richten”, maar het is ook verstandig om dan telkens het juiste “boundary object” te gebruiken, dus in “Nederland” (en desnoods in het Koninkrijk der Nederlanden) en in “Vlaanderen”.

Dit leek me lang ook wat een onderzoeker als J.J. Voskuil probeerde te doen, wat misschien het adopteren van een concept als “Nederlandse etnologie” kon legitimeren, ook al was dit niet de eerste keuze van Voskuil zelf. Maar al van in de jaren 1990 vertroebelde het beeld door de publicatie van de romancyclus Het Bureau. De recensies en effecten van die roman waren wellicht motieven om versneld het concept “Nederlandse etnologie” te adopteren voor een afdeling onderzoekers in het Meertens Instituut. Het Bureau leek amusant en soms hilarisch, de dagelijkse werkelijkheid op een werkvloer in het derde kwart van de 20e eeuw, zo’n in zichzelf gekeerd bolwerk van wetenschappelijke reproductie. Mensen die een deel van hun leven spenderen in instituten en andere organisaties herkenden mutatis mutandis situaties en patronen. Maar wie daar vandaag naar kijkt, vanuit de nadruk op maatschappelijke impact, reflexieve interventie, participatorische methodes en open delen van instrument in “commons” en “open access”-structuren, ziet vooral een bepaald type van wetenschap door een happy few insiders en ambtenaren in actie, een stijl die in de 21e eeuw wordt gecontesteerd.

Het Bureau is één grote paratekst bij de werking van een discipline, onderzoeksinstituten en hun realisaties in de 20e eeuw. En momenteel verschijnt daar nog eens een derde laag overheen, de dagboeken – voor zover ze de zelfcensuur van J.J. Voskuil en daarna zijn echtgenote Lousje Haspers hebben overleefd – die ook nog eens geannoteerd worden (nog een

paratekstuele laag erover heen). Ook voor een “fan” (zoals ondergetekende) van wat een “wetenschappelijke held” leek in de vorige eeuw en geattendeerd door breed gedeelde gevoeligheden voor woorden en omschrijvingen in de jaren 2020, is het nu soms confronterend en pijnlijk om te lezen. Niet zozeer de wetenschappelijke machtsspelen of andere spelletjes zijn een probleem, volgens mij, want dit gaat op een interessante manier in de richting van organisatiesociologie of wetenschap in actie. En natuurlijk is dit niets nieuws, want ook de antropologie heeft zoiets beleefd met de jarenlange heisa en sterk evoluerende standpunten rond A Diary in the Strict Sense of the Term van Bronislaw Malinowski (1884-1942).30

De momenteel denderende trein van de publicatie van Voskuils dagboeken zelf, recent nog Martelaarschap. Dagboeken 1965-1974 (eind 2023), geeft een nog minder gefilterd of opgeschoond beeld van menselijke interacties tussen witte mensen in de jaren 1950, 1960, 1970 en 1980. De recensies van bijvoorbeeld Elsbeth Etty in De Groene Amsterdammer worden uitgave na uitgave somberder, scherper en kritischer. De titel ‘Han, de hork’ in haar recensie in januari 2024 van Martelaarschap is niet lief bedoeld, net als haar kwalificatie van diverse dagboekfragmenten als “ontluisterend” of “schokkend.”31 Vandaag de dag zijn sommige antisemitische of racistische passages, echo’s van wat Lousje en Maarten blijkbaar ook dachten in de jaren 1970, bijzonder pijnlijk om te lezen, nog los van wat je verder ook vindt van het tragische/schandelijke wicked problem van de onderlinge relaties tussen “Palestina” en “Israël”. De voortdurende kritiek van Voskuil op de politieke referentiekaders en standpunten (die een halve eeuw later allerminst “woke” zouden worden genoemd) van sommige collega’s uit binnen- en buitenland of reflecties over de relatie tussen zijn vakgebied en antropologie, komen in een bijkomend licht te staan bij het lezen van passages uit zijn dagboek, bijvoorbeeld in 1973:

“In de trein was het stampvol. Ik ergerde me aan drie luid schreeuwende Surinamers die in gezelschap van een blond meisje naast ons kwamen zitten. Ze zat er zwoel bij en werd van tijd tot tijd afgelikt. Hun gesprek werd gevoerd in het Neger-engels, waarbij ze op de andere passagiers wezen en veel plezier hadden. Ik vroeg me af of ik ook zo geïrriteerd zou zijn als het vier Nederlanders in cowboykleding waren. Waarschijnlijk wel, maar ik zou het me niet zo bewust zijn. Ik ben een racist.”32

Het blijkt dat hij ook reflecteerde over de wetenschappelijke briefwisseling met K.C. Peeters, en nog meer prijsgeeft dan in de romanversie. In een passage in

30 B. Malinowski, A Diary in the Strict Sense of the Term, Stanford University Press, 1989 (eerste uitgave 1969).

31 E. Etty, ‘Han, de hork’, De Groene Amsterdammer 148: 1-2, 11/1/2024, p. 97.

32 J.J. Voskuil, Martelaarschap. Dagboek deel 3, 1965-1974, Amsterdam, Uitgeverij Van Oorschot, 2023, p. 244 en de passages op p. 248-249. Allerlei opmerkingen over ras, gender, gewicht of ouderdom die in de dagboeken naar boven woelen, kunnen vandaag als schokkend ervaren worden. Zie bijvoorbeeld ook Voskuil, Martelaarschap, p. 274: “Oude mannen met witte sokken wekken mijn irritatie (…) er stak er een heel langzaam de weg over met een dikke bril op (…) een nog grotere irritatie als jongetjes opschepperig op straat lopen of op hun brommers vlak langs je rijden en tegen je schreeuwen of hun hand uitsteken. Die jongens zou ik zo kunnen doodmaken. Die man niet, al zou ik hem maar heel weinig eten geven, vrees ik.”

Plankton spuit Maarten/Han eerst tegen Ad Müller/Ton Dekker zijn ideeën over de door K.C. Peeters gevraagde input voor een themanummer in Volkskunde over musea, om vervolgens door te pakken naar hun eigen taak samen met Bart Asjes (Jaap Baarspul):

“(…) ’Vind jij een museum dan zinloos? vroeg Ad ongelovig.

‘Ja!,’ zei Maarten met grote beslistheid. ‘Volstrekte nonsens! Gestolde heimwee naar grootmoeders tijd in een quasi wetenschappelijk jasje. ‘Mijn zoontje wil de sneeuw bewaren en vlinders op zijn petje dragen’. Onzin! Illusie!’.

‘Maar het bewaren van voorwerpen van vroeger heeft toch wel zin?’, wierp Ad tegen.

‘Het gaat ze niet om de voorwerpen!’ zei Maarten met grote stelligheid. ‘Dat zeggen ze wel, maar die voorwerpen interesseert ze geen bal! (…) Het is natuurlijk onzin om te denken dat je het verleden kunt reconstrueren.’

‘En wat is onze functie dan?’, vroeg Ad.

‘In de pap spugen! Ontmaskeren!’

‘En dat betaalt de gemeenschap ook.’

‘Ja’, gaf Maarten toe, ‘Van mij hoeft het niet, maar het heeft in ieder geval nog enige zin.’

‘Waar ik nou zo bang voor ben’, zei Bart, ‘is dat het alleen maar is omdat je een hekel aan de Belgen hebt.

‘Ik heb helemaal geen hekel aan de Belgen,’ zei Maarten verbaasd.

‘Waarom wind je je dan zo op als juist Pieters met zo’n plan komt, en niet bijvoorbeeld Buitenrust Hettema?’

‘Omdat ik niet tegen macht kan’, zei Maarten verbluft. ‘Ik vind dat Pieters zoiets moet overleggen’.

‘Nou, het spijt me dat ik het zeggen moet,’ zei Bart, ‘maar ik denk dat het toch ook is omdat hij een Belg is.’33

Zelf denk ik niet dat dit zo meespeelde, maar dat het vooral over manieren om aan wetenschap te doen ging en met name om reflectiviteit en het al dan niet expliciteren van een aantal machts- en andere processen ging. Voskuil probeerde dit ook reflectief te duiden, waarbij eens te meer duidelijk wordt, is dat het een interessante oefening zou zijn, om op het Bureau en de Dagboeken, maar ook het archief van het Meertens Instituut (of dat van K.C. Peeters bijvoorbeeld), een actornetwerktheoretische of wetenschapssociologische analyse los te laten (en geattendeerd bijvoorbeeld de rol van briefwisseling of steekkaartenbakken te traceren).

“In de machtsstrijd tussen Peeters en mij, die wat mij betreft vooral draait om mijn afkeer voor het autoritaire, nationalistische optreden van de man (…) Omdat hij de financiën en de drukker beheerst, doet hij wat hij wil. Het enige wat ik daar tegenover kan stellen is van tijd tot tijd een artikel (meestal een recensie) dat ongeveer het tegendeel is van de artikelen en recensies die hij door zijn adepten laat schrijven (…) In Volkskunde en in de Volkskunde ben ik nu eenmaal niet in mijn element. Ik speel aan de lopende band uitwedstrijden en dan nog in een sport die me tegenstaat (…) Als ik een hekel heb aan Volkskunde moet ik uit de

33 J.J. Voskuil, Het Bureau 3. Plankton, Amsterdam, Uitgeverij G.A. Van Oorschot, 1997, p. 30-31.

redactie gaan. Als ik er geen hekel aan heb, moet ik erin blijven, maar dan ook verantwoordelijkheid nemen. Het probleem is in dit geval dat ik geen hekel heb aan het tijdschrift (het interesseert me geen bal, al stonden de letters op hun kop), maar aan bepaalde mensen en in het bijzonder aan mensen die zich met behulp van de wetenschap handhaven. Ik bestrijd ze, maar ik bestrijd ze vanuit een valse positie. Van die positie begrijpt Jaap niets. Hij gelooft in de wetenschap. Hij wil geen mensen bestrijden. Dat is dom (…)”.34

Op een moment waarbij simplismen en eenvoudig doorprikbare identiteitsconstructies en politieke vertalingen daarvan opnieuw hoogtij vieren, is het minimale dat van “volkskundigen”, “etnologen”, erfgoedactoren of cultuurwetenschappers mag worden verwacht, dat ze enige complexiteit en diepgang inbouwen, door het gebruik van sommige adjectieven te vermijden en te werken met werkwoorden (liefst gerundia) en aanduidingen zoals “binnen een territorium” of nog beter in een (kritische35) zone op aarde, en à la limite, in het begin van de 21e eeuw nog steeds, (impliciet) “op deze planeet”.

(Immaterieel) Erfgoed. ctrl-alt-del: de passende woordenschat operatie. shift-ctrl-x: borgen

In publicaties in dit tijdschrift, onder andere in een artikel met de titel “Words matter”36, woorden doen ertoe, heb ik benadrukt hoe belangrijk het proberen te werken met een beperkte woordenschat was, in het paradigma van de 2003 UNESCO Conventie, namelijk die van de conventietekst zelf en van de opeenvolgende reeksen operationele richtlijnen.37 In hetzelfde themanummer uit 2020, in een samen met Jorijn Neyrinck geschreven artikel met de titel “transforming, not saving”, heb ik aangeven dat het wellicht al mogelijk is verschillende fasen te onderscheiden in de geschiedenis van het immaterieel erfgoedparadigma. Na een fase van het maken van het paradigma door een netwerk van enkele tientallen onderzoekers en beleidsmakers – de “epistemische generatie” van (het einde van) de jaren 1990 tot 2015, volgt een fase waarbij duurzame ontwikkeling het sleutelbegrip zou worden (20152025/2029).38 Waarom is dit in de reeks artikelen rond reculer/sauter waarvan deze bijdrage deel uitmaakt belangrijk?

34 Voskuil, Martelaarschap. p. 320 en 323.

35 B. Latour & P. Weibel (red.), Critical Zones. The Science and Politics of Landing on Earth, MITPress, 2020.

36 Marc Jacobs, ‘Words Matter… The Arsenal and the Repertoire: UNESCO, ICOM, and European Frameworks’, Volkskunde 121:3, 2020, p. 267-286.

37 Zie ook de inleiding van M. Jacobs, ‘“Borgen van immaterieel erfgoed.” Films en D.J. van der Ven’, Volkskunde 121:1, 2020, p. 45-51, p. 46.

38 M. Jacobs & J. Neyrinck, ‘Transforming, Not Saving. Intangible Cultural Heritage, Museums and/or the World’, Volkskunde 121:3, 2020, p. 481-502. Voor de periode na 2015, zie C. Bortolotto & A. Skounti (red.), Intangible Cultural Heritage and Sustainable Development. Inside a UNESCO Convention, London & New York, Routledge, 2024 en voor de keuze van de referentiedata 2025/2029, zie https://www. unesco.org/en/articles/unesco-world-conference-cultural-policies-and-sustainable-developmentmondiacult-2022 (bezocht op 5-2-2024).

Een voor tijdschriften belangrijke problematiek werd in het colloquium Mapping the History of Folklore Studies: Centers, Borderlands and Shared Spaces te Riga in 2014, uitstekend gecapteerd en uitgelegd door Anita Vaivade. Zij stelde vast dat erfgoed (“global heritage discourse”) en in casu “intangible cultural heritage” à la UNESCO sterk was verspreid en onder meer werd behandeld in platforms onder de vlag “cultural heritage studies”: “However, its longterm impact, conceptual or other, on scientific disciplines and inter alia folkloristics, is still to be seen”. Vaivade wees op de totstandkoming van de UNESCO Aanbeveling voor de bescherming (“safeguarding” eigenlijk, maar volgens mij nog niet in de betekenis van borgen) van traditionele cultuur en folklore uit 1989. Ze merkte daarbij op dat in het begin van de jaren 1970, in juli 1971 om precies te zijn, niet alleen Bolivië (wat in de literatuur en in lezingencircuits door een vele malen in allerlei vormen herhaald verhaal van Valdimar Hafstein als “mise en intrigue” werd gepropageerd) maar ook de Democratische Republiek Congo op de agenda werd gezet om iets te doen aan “protection of authors of works of folklore”.39 In de discussies in de jaren 1980 over de aanbevelingen bleek het woord “folklore” voor velen (onder andere in een reeks Frans en Spaans sprekende netwerken) problematisch.

Om consensus te bereiken, werden in de UNESCO-machine “de truken van de foor” bovengehaald. De Algemene Vergadering van UNESCO keurde in 1989 een tekst goed die in het Engels de titel “Recommendation on the Safeguarding of Traditional Culture and Folklore” meekreeg, maar in de juridisch evenwaardige Franse versie de “Recommandation sur la sauvegarde de la culture traditionnelle et populaire” en in de Spaanse versie “Recomendación sobre la Salvaguardia de la Cultura Tradicional y Popular.” Ze bleken weinig impact te hebben, maar, zo merkte Vaivade fijntjes op, ze zijn vandaag eigenlijk nog steeds van kracht. Tien jaar later werd in een Internationale bijeenkomst in Washington D.C. vastgesteld dat niet alleen het soort instellingen, netwerken en disciplines van die aanbeveling een probleem was geworden, maar ook woorden als “folklore” zelf. crtl-d drong zich op, Intangible cultural heritage kwam in de plaats (ctrl-h). “Folklore” werd zelfs een soort taboewoord.

Toch was “folklore” in de twee decennia na 2000 niet helemaal verdwenen.

Dit stelde Vaivade vast in de analyse van periodieke rapporten van lidstaten over de implementatie van de conventie. Het woord “folklore” dook niet alleen op in de referenties aan onderzoeksinstituten en vereniging en in publicaties en curricula. Maar ook in de nominatiedossiers voor de lijsten van immaterieel erfgoed. Dit werd geproblematiseerd als ongepaste woordenschat (inappropriate terminology/vocabulary) en vanaf de jaren 2010 ook expliciet zo benoemd en aangepakt in UNESCO door de officiële organen (Secretariaat, Intergouvernementeel Comité, Algemene Vergadering) en de adviesorganen (tussen 2009 en 2014 het Subsidiary Body, sinds 2014 het Evaluation Body) van UNESCO. Het ging echt om een ctrl-alt-delete-operatie waarbij men probeerde afstand te nemen van twee clusters van woorden. Enerzijds was er de te

39 A. Vaivade, ‘Discursive Legacies of Folklore in International Law’, in: D. Bula & S. Laime (red.), Mapping the History of Folklore Studies: Centres, Borderlands and Shared Spaces, Newcastle upon Tyne, Cambridge Scholars Publishing, 2017, p. 306-335, p. 311.

mijden terminologie van de 1972 UNESCO-Conventie over de bescherming van cultureel en natuurlijk werelderfgoed (werelderfgoed, “outstanding universal value”, uniek, authentiek, …). Anderzijds wou men af van een bepaald type van constructies rond “folklore”: “The other point of criticism touches upon substantial change to the conceptual framework within the field itself that has been debated within UNESCO for decades, previously using different dominant terminology, such as “folklore”, “traditional culture”, “masterpieces”, etc. As indicated, as present the concepts of “authenticity” and “uniqueness” cause a major difficulty, followed by criticism towards “essence”, “pure form” or “original character (…) carrying on the tradition in its purest form”, and “virtually unchanged over centuries”.40

Deze woorden werden in verschillende rapporten en richtlijnen van (ondersteunende organen van) het Intergouvernementeel Comité van de 2003 UNESCO-Conventie, aangemerkt als “inappropriate vocabulary”. Hoewel het geen strikte voorwaarde tot uitsluiting was, werd het wel in de loop van de jaren 2010 telkens in de rapporten en plenair in de vergaderingen van het intergouvernementeel comité vermeld als niet gewenste woordenschat werd gebruikt. Dat dergelijke woorden te vermijden waren en dat best binnen de terminologie en de aanpak van de Basic Texts werd gebleven, was een boodschap die wereldwijd werd verspreid, in beleidsrapporten, universitair onderwijs in erfgoedstudies, antropologie of andere wetenschappen.

Woorden als “folklore”, “tradition” en “traditional” werden volgens Anita Vaivade niet keihard geproblematiseerd of wat men tegenwoordig “gecanceld” zou noemen, maar werden ook niet gepropageerd als gepaste woordenschat. Ze werden in sommige contexten en middens nog gebruikt en soms zelfs gekoesterd, lokaal of internationaal, maar wel “being concealed within the gradually settled international political discourse on intangible cultural heritage. And the awareness of this concealed terminology seems to be growing, both for those willing to get in line with it, as well as those raising criticism on its globally homogenizing impact.”41

Anita Vaivade detecteerde een groeiende druk door de “appropriate vocabulary”-operaties: “Since the writing and adoption of the Convention, “folklore” has gradually become part of a concealed terminology, and this legislative and political context has a potential to have a direct influence on the prospects of folkloristics as a scientific discipline with its own name.”42 Maar de naamkeuze en organisatie van het vak hangt deels af van andere (veld)logica’s, namelijk structurering en -financieringsmechanismes van onderzoek, politieke agenda’s en zoektochten voor middelen.

Ik zou het toch iets sterker aanzetten, met name omdat de belangrijkste impulsen voor het afwijzen van het concept “folklore” vanuit Nederland (en Vlaanderen) kwam (terwijl Waalse beleidsmakers voor waren) en mee werd verdedigd. Die analyse heb ik gemaakt in een bijdrage in de mislukte poging om al eens te springen met cULTUUR. Tijdschrift voor Etnologie in 2005. Ik wees

40 Vaivade, Discursive, p. 324-325.

41 Vaivade, Discursive, p. 329.

42 Vaivade, Discursive, p. 329.

daar op de kritiek op het concept “folklore” tijdens een colloquium over de UNESCO-aanbeveling van 1999 in Washington D.C. Het woord werd helemaal afgeschoten tijdens de expertenfase in het hoofdkwartier in 2001-2003, onder andere onder invloed van de Nationale UNESCO-commissie van Nederland. Een protagonist was musicoloog Wim van Zanten die zeer actief aan de discussies deelnam en voorzitter was van de “glossarium”-commissie: “it was very problematic to use the terms ‘traditional culture’ and ‘folklore’, ‘which have evolved from an earlier system of colonialist thought and domination’”.43

Dit leverde overigens een discussie op in de Belgische delegatie waar de toenmalige minister van cultuur, Rudy Demotte, heel expliciet het woord folklore toch erin wilde, net als de notie “meesterwerk”. “Vlaanderen” (ik was de vertegenwoordiger) vond dat geen goed idee, gelet op de lotgevallen van dat woord in het Nederlands. Daardoor moest België zich regelmatig onthouden om standpunten in te nemen en te verdedigen in de discussies waar Frankrijk en Nederland zich wel konden laten gelden.

Bij het herlezen van de cULTUUR-bijdrage uit 2005, dus nog voor de Conventie van 2003 van kracht werd en voor de onderhandelingen over de operationele richtlijnen begonnen, valt op hoeveel tegengestelde meningen er moesten worden verzoend en hoe allerlei kwesties eigenlijk niet beslecht waren en dus in de volgende decennia zouden moeten uitgewerkt en geïnterpreteerd worden. Maar ook hoeveel werk het zou zijn om in plaats van een omkeerbare ctrl-h-operatie (vervang door immaterieel erfgoed, maar versta nog steeds folklore) het een shift-ctrl-x-operatie te maken (neem “safeguarding” telkens mee, en ontwikkel het).

Artikel 2.2 van de conventie waar inter alia enkele domeinen werden opgesomd, was wellicht beter achterwege gelaten, want het werkte eerder beperkend dan bevrijdend. Ingo Schneider verbaasde zich er in een van de eerste analyses in volkskundige tijdschriften over dat zoveel van de oude canon gedekt leek.44 We wilden – anno 2005 – toch meer halen uit de aanname van zo’n conventie en een alternatief zijn voor het soort volkslevensconstructies en volkskunde waarachter in 1999 een punt was gezet, zo bepleitte ook ik toen: “Strikt genomen is het voor Vlaanderen en Nederland een koud kunstje om te voldoen aan de bepaling dat er ‘registers’ of lijsten van I.C.E. op het eigen grondgebied opgesteld moesten worden; men struikelt over volkskundige bibliografieën, fichebakken en zelfs on-line databanken. Maar dat kan niet de bedoeling zijn, zeker niet als men de conventie van 2003 wil aangrijpen om enkele stappen vooruit te zetten en het vak maatschappelijk relevanter te maken. Canonreproductie is niet voldoende, andere methodes zijn nodig en de verschuiving naar voorbeeldpraktijken is de uitdaging”.45

43 Wim Van Zanten, ‘Constructing New Terminology for Intangible Cultural Heritage’, Museum International 56:1-2, 2004, p. 36-44, p. 37-38.

44 I. Schneider, ‘Wiederkehr der Traditionen? Zu einigen Aspekten der gegenwärtigen Konjunktur des kulturellen Erbes’, Österreichische Zeitschrift für Volkskunde 108:1, 2005, p. 1-20.

45 M. Jacobs, ‘Rijmt etnologisch of volkskundig op eerlijk? Omgaan met de UNESCO-conventie (2003) voor het koesteren van I.C.E.’, cULTUUR. Tijdschrift voor Etnologie 1:2, 2005, p. 100-120, p. 117-118.

Ook twintig jaar later is het een strijd, waarbij het wellicht nuttig is niet telkens opnieuw het warme water te moeten heruitvinden en dus de deconstructiereconstructie-operaties uit de laatste decennia van de 20e eeuw niet te diep in de archieven te begraven: “Er komt tegenwoordig van alles via de achterdeur terug binnen, dus misschien moeten we dan toch maar koppig de oude problemen, rampen en debatten in herinnering brengen, om iets te leren uit het verleden, al was het maar, als we het positief houden, om te begrijpen hoe en waarom begrippen elkaar hebben opgevolgd en proberen te verdringen/verdrinken/te neutraliseren”.46

Gemakshalve, toch nog Volkskunde, volkscultuur en zelfs folklore? Of vooral shift-ctrl-x, als public folklore en culturele makelaardij?

Een opmerkelijke episode in het begin van de 21e eeuw was de poging in Nederland (door een andere lobby dan die het hoge woord voerde in het hoofdkwartier van UNESCO) om dwarsliggend in te zetten op het concept “folklore”. In dit tijdschrift pleitte Albert van der Zeijden in 2003, sterk tegen de stroom in, voor een herlancering van de begrippen traditie en folklore. In het Nederlands Centrum voor Volkscultuur waar hij werkte, werd een grote campagne rond het concept “folklore” uitgerold, inclusief een Jaar van de Folklore in 2004. Dat was niet wat er toen nodig was, zo meen(de) ik, want hierdoor zouden “beleidstreinen” en kansen worden gemist, zowel voor innovatie, financiering, internationalisering als voor impact en het geven van meer vruchtbare kaders voor een nieuwe generatie erfgoedwerkers. (De wereld via) UNESCO had nu de horde genomen; geen sponsoring van Eurocentrische volkslevenreproductieprogramma’s via CIAP/SIEF en plan Hoffmann-Krayerinvuloefeningen zoals een halve eeuw eerder, maar de lancering van nieuwe instrumenten, referentiekaders en aanpak, niet Europees, maar globaal én glokaal. En toch weer “folklore”?

Ik heb in 2005 in dit tijdschrift luid gereageerd in een polemiserende bijdrage met de titel “De dromen van Pamela”. Dit verwees naar een in die tijd in “popular culture” nog bekende, beroemde scene van Bobby Ewing in de douche, uitgezonden in 1986 in de laatste aflevering van het negende seizoen van de soapserie Dallas. In het seizoen ervoor was Bobby Ewing neergeschoten en de acteur Patrick Duffy was uit de serie gestapt. En plots, als cliffhanger naar het volgende seizoen bleek de al 31 afleveringen dode broer, zoon en echtgenoot op het einde van de 31e aflevering plots te staan douchen. In september 1987 startte het nieuwe seizoen en er werd gedaan alsof de 31 episodes en de verhaallijnen die in het achtste seizoen gespeeld waren, nooit waren gebeurd: Bobby stapte uit de douche en ging voort met zijn leven. De fans en andere kijkers werden

46 Jacobs, Borgen, p. 46.

verwacht aan te nemen dat dit alles maar een droom van Pamela Ewing (de exvrouw van Bobby) was. Er werd gewoon gedaan alsof er niets was gebeurd in seizoen negen en gewoon voortgedaan.

Had Volkskunde-Pamela dan gedroomd dat het concept “folklore” al enkele jaren niet langer door UNESCO werd gepropageerd, dat het boek van het Meertens Instituut verschenen was en dat erfgoedwerk andere wegen had ingeslagen en anders probeerde om te gaan met cultuur van alledag?

Had Pamela dan gedroomd dat er een UNESCO-conventie van 2003 voor het borgen47 van immaterieel erfgoed was aangenomen en dat de expliciete afwijzing van concepten als folklore onderdeel was van die paradigmatische operatie?

Ik vond het geen goed idee om daarop in 2005, toen de strijd nog volop bezig was, toen de conventie nog in operationele richtlijnen moest worden uitgerold en eerst nog van kracht moest worden, een grote marketingcampagne en inhoudelijk offensief onder de vlag “folklore”, “traditie” of “authenticiteit” te voeren. Dit terwijl het woord folklore als wetenschapsconcept en koepelbegrip in beleid in Vlaanderen al meermaals ten grave was gedragen, ook in het tijdschrift Volkskunde. Dit alles zonder de activiteiten van de beoefenaars van volksdansen of folklore niet ernstig te nemen, integendeel: de 2003 UNESCO conventie en begrippen zoals “safeguarding”, “intangible cultural heritage” en artikel 15 waren ook voor hen (de folkloregroepen en andere beoefenaars) bedoeld (als ze dat zouden willen of nuttig vinden).

Dat niet iedereen het zag zitten of inzag welk soort ctrl-alt-del-operatie er op mondiaal niveau plaats had gevonden en op gang aan het komen was in het werkveld van folklore/volkscultuur/traditie/…, mag duidelijk zijn. Ik heb het hier niet over de PS-minister Rudy Demotte en het beleid in de Franstalige Gemeenschap van België.48 Mijn stuk botste op een repliek met zowaar mijn eigen naam in de titel, gebracht door de directrice van het Nederlandse Centrum voor Volkscultuur, mijn collega uit Utrecht, die dit soort van inzichten of stellingen van haar collega van het Vlaams Centrum voor Volkscultuur toen niet wou aanvaarden. Ineke Strouken protesteerde tegen het feit dat ik in

47 Opgelet: ik gebruik dit werkwoord hier anachronistisch, want toen werd nog over “beschermen” gesproken. “Borgen” werd pas na 2010 – ctrl-h- gelanceerd door de Vlaamse minister(iemedewerkers) van cultuur?

48 R. Demotte, ‘Les Politiques nationales en matière de patrimoine culturel immatériel: le cas de la communauté française de Belgique’, Museum international 16:221-222, 2004, p. 173-176.

2005 in Volkskunde49 en ook in het vakblad Museumpeil 50 had (vast)gesteld dat “folklore” in de 21e eeuw internationaal als problematisch werd aangemerkt en dat nu beter met het concept “immaterieel cultureel erfgoed” aan de slag zou worden gegaan. Dat doorkruiste hun plannen met het (zelf) uitroepen van een Jaar van de Folklore. Enerzijds stoorde Ineke Strouken zich aan de metaforen, haar interpretatie van een toon en uitspraken/inschattingen over de omvang van de folklorebeoefening: “Je vraagt je af: welk spook wordt hier eigenlijk bestreden?”, zo vroeg ze retorisch.51 Anderzijds maakte ze van de gelegenheid – waarom ook niet? - gebruik om in Volkskunde flink reclame te maken voor het centrum dat ze leidde, het Jaar van de Folklore, de gelegenheidswebsite, nieuwe publicaties, en uit te leggen dat folklore een wel heel ruime betekenis zou hebben: “levende geschiedenis, dialecten, verhalen, streekdrachten en volksmuziek, sporten en spelen, eten en drinken, reuzen, gilden en nog veel meer. (…) Een laatste aandachtspunt is nog de verhouding tussen folklore, volkscultuur en immaterieel erfgoed, de term die zozeer en vogue is gekomen toen de wereldcultuurorganisatie UNESCO er eind 2003 een conventie over aannam”.52

Ik vond het in 2005 opportuun niet te reageren op dat stuk (en andere stukken) in die aflevering van Volkskunde. De strijd rond de verdere implementatie van de Conventie moest internationaal nog grotendeels losbarsten en ik vond het voor een Centrum voor Volkscultuur in de Lage Landen, in Vlaanderen/België beter om de energie te focussen op het mee helpen goed, open en divers inkleuren van de samenhangende woordengroep “safeguarding intangible cultural heritage” dan achterhoedegevechten rond “folklore” te voeren. Dat was de strategie van het Vlaams Centrum voor Volkscultuur en van ondergetekende, samen met het mee aan de slag gaan met en veranderen van het het breder open te trekken begrip “erfgoed”. Onze zusterinstelling van het Nederlands Centrum voor Volkscultuur was in 1991 opgericht, als uitbreiding van het Informatiecentrum

49 M. Jacobs, ‘De dromen van Pamela? Van academische “drôle de guerre” tot kruisbestuiving en platform’, Volkskunde 106:4, 2005, p. 229-244.

50 M. Jacobs, ‘Moeilijk om te verzamelen? Immaterieel cultureel erfgoed en musea’, Museumpeil. Vakblad voor museummedewerkers in Vlaanderen en Nederland 23, 2005, p. 29-31. Herlees het stuk: https:// www.museumpeil.eu/museumpeil/Museumpeil-23.pdf (bezocht op 5-2-2024). Er staat een zin in, die een kritisch commentaar is op de UNESCO-conventie zelf, met name op de discussies in de expertmeetings waar de conventie werd onderhandeld en waar voor- en tegenstanders met elkaar in clinch gingen, wat tot een consensus-zoekende onderhandeling leidde: “Alleen de noties van ‘leefbaarheid’ of ‘levend erfgoed’ of begrippen als ‘revitaliseren’ komen problematisch over: de vampier van folklorisering loert om de hoek. Over het woordje ‘revitaliseren’ is zeer lang gediscussieerd en er werd strijd geleverd om dat begrip uit de tekst te houden. Het woord is meegesmokkeld door de folklorelobby onder het mom van ‘actueel houden van omgaan met erfgoed’” (p. 29). Concepten zoals “levensruimte” of de dubbelopconstructie “levend volksleven” of elke suggestie dat het zou gaan om een organisme, verdient kwalificatie. Ondertussen werd gekozen om de minder grijpbare term “immaterieel cultureel erfgoed” in het hoofdkwartier van UNESCO te vervangen door “Living Heritage” als benaming van de entiteit die de 2003 UNESCO Conventie aanstuurt. Hopelijk bedoelen ze iets als “erfgoed beleefd en doorgegeven door levende menselijke lichamen”.

51 I. Strouken, ‘De opportuniteit van het jaar van de folklore: repliek op Marc Jacobs’, Volkskunde 106:4, 2005, p. 371-373, p; 371. Voor een antwoord in verband met de spoken, zie Rooijakkers, Postmoderne, p. 10-11.

52 I. Strouken, Opportuniteit, p. 373.

Volkscultuur dat in 1984 was ingericht vanuit het “Beraad voor het Nederlands Volksleven” en “het Volkskundig Genootschap”. Het zou in 2011 transformeren in het Nederlands Centrum voor Volkscultuur en Immaterieel Erfgoed. Om al een jaar later tot het Kenniscentrum Immaterieel Erfgoed Nederland (KIEN) metamorfoseren, de naam die het vandaag nog draagt. Het concept folklore is nu uit de strategische missie- en visieteksten van dat centrum op hun website verdwenen, maar duikt momenteel wel op als verwijzing naar folkloredansgroepen en folkloredansen die nu – op hun vraag – figureren als bijgeschreven element op de Inventaris Immaterieel Erfgoed Nederland. 53

In 2012 werd de ondertitel van het tijdschrift Volkskunde opnieuw gewijzigd, van volkscultuur naar “cultuur van het dagelijks leven”. Het is interessant te merken hoe het loslaten van het begrip dat tien jaar eerder nog een wissel op de toekomst leek, samen spoort met de doorbraak van het verbrede erfgoedbegrip en de institutionele transformaties van het Vlaams Centrum voor Volkscultuur dat in 2008 opging in FARO. Vlaams steunpunt voor cultureel erfgoed of met de naamswijziging in 2012 van het net besproken Nederlands Centrum voor Volkscultuur in Kenniscentrum Immaterieel erfgoed Nederland.

Naast het vaststellen van een groeiende inter- en transdisciplinariteit in de etnologie/volkskunde, werd door de redactie van Volkskunde in 2012 onderstreept dat er een belangrijke invloed werd gevoeld van een nieuw erfgoedparadigma, met name impact van de 2003 UNESCO-conventie en dat de notie erfgoedgemeenschap geïnspireerd door de Kaderconventie van de Raad van Europa voor de maatschappij (Faro 2005). Het concept “folklore” (b) leek verdwenen in het editoriaal. Nu klonk de volgende klok:

“Het tijdschrift Volkskunde (…) over culturele praktijken en betekenisgeving die het dagelijks leven vorm geven of gaven in de Lage Landen (…) publiceert bijdragen over de cultuur van het dagelijks leven in heden en verleden in de Lage Landen, over immaterieel en materieel erfgoed en over erfgoedbeleid en cultuurpolitiek, telkens met oog voor het internationale wetenschappelijke debat (…) Volkskunde wil kortom een platform zijn voor interdisciplinaire kruisbestuiving tussen wetenschappers onderling en tussen wetenschappers en beleidsmakers” (…) omgaan met erfgoed kan worden gezien als vormgeven aan een bepaald soort burgerschap”.54

In de daaropvolgende bijdrage blikte Stefaan Top terug op de periode 18882011, te beginnen met het startconcept van verzamelen van ”folklore”. Interessant, veelzeggend en problematisch/relativerend is de woordkeuze en duiding: “Geen wonder dus dat Volkskunde in de eerste jaargangen goed gefunctioneerd heeft als verzamelbekken van wat wij nu gemakshalve immaterieel erfgoed noemen”.55 Hij benadrukte dat de publicatie van sporen in het interbellum nog niet was

53 https://www.immaterieelerfgoed.nl/nl/nederlandsefolklore (bezocht op 5-2-2024) en https://www. levendefolklore.nl/ (bezocht op 5-2-2024).

54 Redactioneel, ‘De nieuwe Volkskunde’, Volkskunde 113:1, 2012, p. 1-4.

55 S. Top, ‘Ruim een eeuw Volkskunde (1888-2011)’, Volkskunde 113:1, 2012, p. 5-12.

verdwenen: “Wie zou denken dat de term volkskunde vanaf de jaren 1920 het begrip ‘folklore’ definitief heeft verdreven, die moeten we ontgoochelen”.56 In de daarop aansluitende stuk van P.J. Margry wordt gesuggereerd dat volkscultuur, ondanks hét boek uit 2000, bij het begin van de 21e eeuw had afgedaan in academische kringen, maar nu plots ook weer leek op te duiken in de vorm van een politieke beleidsterm en daarna opnieuw via de UNESCO. Hij zag “erfgoedstudies” toen niet als bevrijdend loskomen van disciplinerende wetenschappen en “wetenschappelijke disciplines” naar transdisciplinaire en reflectieve mogelijkheden (dat is hoe ondergetekende dat ziet en cultiveert) maar wel als een “ingewikkelde positie nu het onderzoeksveld van bovenaf nogal eens tot het erfgoeddomein (‘erfgoedstudies’) wordt gereduceerd en ze haast als een soort gedwongen hoeders van het volkscultureel erfgoed moeten fungeren”.57 Uit de publicaties van Margry bleek herhaaldelijk dat hij erg kritisch stond ten opzichte van (wat hij in) de UNESCO-conventie van 2003 (meende te zien gebeuren). Tegelijkertijd zag hij in 2012 met verwijzing naar het oeuvre van onderzoekers zoals Simon Bronner en Dorothy Noyes en in interdisciplinariteit, mogelijkheden voor etnologen in de Lage Landen om te blijven zoeken. Hij had ook nog geen passende oplossing, tenzij het pleidooi om kritisch-reflectief te zijn, desnoods om een woord en een tijdschrift “volkskunde” als geuzenvlag verder te blijven gebruiken.

Ik zou een adjectief zoals “volkscultureel” niet gebruiken maar, zolang het nuttig lijkt, andere adjectieven cultiveren. Erfgoedstudies is volgens mij ook geen domein maar een platform of een pleidooi voor een inter- en transdisciplinaire aanpak, inderdaad gekoppeld aan kansen om enige verantwoordelijkheid te nemen om een veilig bureau te verlaten en maatschappelijke, glokale relevantie na te streven en toch, reflectief, impact te hebben. In “folklore studies” of “etnologie”, en nu in “erfgoedwerk” kon daarvoor onder andere de … “public folklore”-beweging in de Verenigde Staten op het einde van de 20e eeuw mogelijk inspiratie bieden. Dat was de weg die Margrys collega’s in Nederland, Herman Roodenburg en Albert van der Zeijden, en Barbara-Kirschenblatt Gimblett tijdens haar interventies in Vlaanderen naar aanleiding van de Campagne Actuele Volkscultuur, aan het begin van de 21e eeuw hadden gesuggereerd.

Dit ging niet over atomiseren, rubriceren, classificeren, of HoffmannKrayeriseren (een oefening die volgens Rooleid mede gestrand was op vertaalproblemen van de rubrieken zelf), maar over vertalen, reflectief interveniëren, luisteren, bemiddelen en transformeren. Het debat daarover was in 2001 niet in Volkskunde op gang getrokken, maar in een “cultuur van alledag”-campagne van de Koning Boudewijnstichting en, onder andere door Herman Roodenburg, in de tijdschriften van het Vlaams Centrum voor Volkscultuur en … het Nederlands Centrum voor Volkscultuur.” Roodenburg

56 Ibidem, p. 8.

57 P.J. Margry, ‘Volkskunde in verandering. Reflecties bij een disciplinaire status quo’, Volkskunde 113:1, 2012, p. 13-19.

stelde toen: “‘Public folklore’ is, strikt genomen, iets dat in Nederland en Vlaanderen geen naam heeft. Er is geen equivalent; het is, zoals dat ook voor Duitsland en meerdere Europese landen geldt, in feite onvertaalbaar (…) Zelfs in het vorig jaar gepubliceerde Volkscultuur. Een inleiding in de Nederlandse etnologie, is het onderwerp niet echt aan bod gekomen.”58 Roodenburg suggereerde in 2001 om veel ruimer te kijken dan de invloedssfeer van volkskunde in Duitsland of het Meertens Instituut. Een van de interessante eigenschappen van erfgoedstudies is het transdisciplinaire karakter en het feit dat beleidsontwikkelingen, praktijken en theorieën elkaar mogen beïnvloeden en uitdagen. Dit gebeurt op vele manieren. Een van de centrale actoren in Nederland vandaag in de beleidsontwikkelingen rond de UNESCO Conventie voor het borgen van immaterieel erfgoed of de implementatie van de Kaderconventie van de Raad van Europa over de Waarde van Cultureel Erfgoed in de Maatschappij (2005) is Gábor Kozijn. Hij publiceerde in 2013 in Volkskunde een artikel waarin hij allerlei ontwikkelingen die hierboven besproken worden bij elkaar gepuzzeld had en van commentaar voorzien, en zelfs een brug legde naar de beleidsontwikkelingen in Nederland voor en in 2012.59 Met andere woorden, in deze zone van het erfgoedparadigma lopen lijnen van theorie, beleid en praktijk, door, over en in elkaar, zowel in de arena van UNESCO als in de arena’s en netwerken binnen en tussen staten. Dit hoeft niet slecht of negatief te zijn, maar kan ook voordelen hebben. Dankzij actornetwerktheorie en sociale studies van wetenschap, technologie en beleid zijn er in de 21e eeuw andere perspectieven en verantwoorde kruisbestuiving mogelijk. Reflectiviteit – reflexivity/reflexivité – is daarbij meer dan ooit het sleutelwoord; misschien is die attitude wel de belangrijkste erfenis van de “etnologie”-episode in de Lage Landen voor en na 2000, samen met toegenomen gevoeligheid voor duurzaamheid, diversiteit en vertaal- en afstemmingsuitdagingen.

Ook al was ik als mede gastredacteur uiteraard op vele manieren betrokken partij (maar is dat erg of problematisch?), toch zou ik durven stellen dat een van de belangrijkste afleveringen van het tijdschrift Volkskunde in het vorige decennium, met significante impact, het themanummer Brokers, Facilitators and Mediation. Critical Success (F)Actors for the Safeguarding of Intangible Cultural

58 H. Roodenburg, ‘Tussen distantie en betrokkenheid. ‘Public Folklore’ en de volkskunde in Nederland en Vlaanderen’. Mores. Tijdschrift voor volkscultuur in Vlaanderen 2:1, 2001, p. 5-9, p. 6; H. Roodenburg, ‘Tussen distantie en betrokkenheid. ‘Public Folklore’ en de volkskunde in Nederland en Vlaanderen’, Alledaagse Dingen. Tijdschrift over Volkscultuur in Nederland 11:1, 2001, p. 5-8; vergelijk met Rzoska, ‘Nederlandse’, p. 79. Zie Alledaags is niet gewoon. Reflecties over volkscultuur en samenleven. Brussel, Koning Boudewijnstichting, 2002, gevolgd door de polemiek G. De Meyer en R. Soenen, ‘Alledaags is niet gewoon. Reflecties over volkscultuur en samenleven, Volkskunde 104:2, 2003, p. 195-217; M. Jacobs & B. Rzoska, ‘Een ongewoon, niet alledaags “wetenschappelijk” spektakel. De Meyer en Soenen uit de bocht’, Volkskunde 104:4, 2003, p. 349-363.

59 G. Kozijn, ‘Van volkscultuur naar immaterieel erfgoed. Een geschiedenis van de begrippen in de periode 1987 tot 2007 in Nederland’, Volkskunde 114:2, 2013, p. 129-152.

Heritage is.60 Maar hoe meet of bewijs je zoiets dan? Met bibliometrische methoden zoals web of science? Of op een andere manier? En welke implicaties heeft dit dan en welke lessen trek je daaruit? Dit wordt in andere bijdragen in deze reeks, Reculer/Sauter!, onderzocht.

60 Zie naast de andere bijdragen in dat nummer M. Jacobs, J. Neyrinck en A. Van der Zeijden, ‘UNESCO, Brokers and Critical Success (F)Actors in Safeguarding Intangible Cultural Heritage’, Volkskunde 115:3, 2014, p. 249-256 en M. Jacobs, ‘Cultural Brokerage, Addressing Boundaries and the New Paradigm of Safeguarding Intangible Cultural Heritage. Folklore Studies, Transdisciplinary Perspectives and UNESCO’, Volkskunde 115:3, 2014, p. 265–291. Zie ook A. Van der Zeijden, ‘Public folklore en immaterieel erfgoed. Verslag van een dialoog’, Volkskunde 118:1, 2017, p. 59-63. Voor een discussie over de rol van erfgoedactoren en publicaties (zoals het themanummer over brokerage), zie M. Jacobs, ‘How and why the SDGs entered the paradigm of safeguarding intangible heritage: the “Sixth Chapter”’, in: C. Bortolotto & A. Skounti (red.), Intangible Cultural Heritage and Sustainable Development. Inside a UNESCO Convention, London & New York, Routledge, 2024, p. 55-70 en andere bijdragen in deze bundel.

marc jacobs | ctrl-d, ctrl-h, shift-ctrl-x, ctrl-alt-del, in en na 2000

marc jacobs reculer/sauter

Fragmentair bibliometrisch onderzoek naar en in “volkskundige tijdschriften” in de 21e eeuw

Verkenningen via Web of Science

“(…) man is an animal suspended in webs of significance he himself has spun, I take culture to be those webs and the analysis of it to be therefore not an experimental science in search of law but an interpretive one in search of meaning” (Clifford Geertz, 1975)1

In de 21e eeuw is het maken (en de publicatie) van “volkskundige bibliografieën” op basis van het plan Hoffmann-Krayer stopgezet.2 Zijn er dus geen instrumenten meer beschikbaar die de nieuwe productie in etnologie/folklore studies/empirische cultuurwetenschappen, maar ook erfgoedstudies, in kaart brengen op basis van een plan en kaderen via “Vlaamse”/”Nederlandse”/“Belgische”/“Europese”/globale reproductiemachines en grote aantallen werkuren van hooggeschoolden en andere medewerkers? Maar hebben “we” dan nu niet Web of Science, Scopus, Google Scholar, of allerlei tijdschriften die al digitaal zijn of worden gedigitaliseerd, online inventarissen en webplatformen? Is er dan een oplossing van Big data, artificiële intelligentie en lerende machines? Dat wat je nodig hebt, een paar muisklikken verwijderd. Dit alles, in de veronderstelling dat je toegang hebt tot gespecialiseerde systemen, want vroeger had ook niet iedereen of iedere bibliotheek bijvoorbeeld de hele Internationale Volkskundliche Bibliographie (IVB) ter beschikking, zoals de schrijnende situatie in Estland in het begin van de 21e eeuw treffend illustreert?3

Bijna dertig jaar geleden, in 1996/2000, toen er nog geen sprake was van een UNESCO-conventie over het borgen van immaterieel erfgoed, Google of Chat GPT, gaf Gerard Rooijakkers al aan dat “volkskundigen” andere instrumenten nodig hadden dan de IVB en het oude plan Hoffmann-Krayer

1 C. Geertz, The interpretation of cultures, Stanford, Stanford University Press, 1973, p. 5.

2 M. Jacobs, ‘Parateksten, folklore, volkskunde en bibliografische instrumenten in de 20e eeuw.’ Volkskunde 124:3, 2023, p. 375-399.

3 M. Jacobs, ‘Een zwanenzang en praktische bezwaren. Het plan-Hoffmann-Krayer en de Internationale (Europese) Etnologische Bibliografie in het begin van de 21e eeuw’, Volkskunde 124:3, 2023, p. 401-422.

en zich meer moesten organiseren op impact en aantallen citaten, zoals in Arts and Humanities Citation Index en de Social Science Citation Index (tegenwoordig onderdelen van Web of Science) om te zoeken en te vinden, te ontsluiten en te organiseren. 4 In hetzelfde colloquium over de IVB in 1996 presenteerde de coördinator van de IVB, Rainer Alsheimer, de resultaten van experimenten met Arts and Humanities Citation Index via cd-roms. Uit zijn studie blijkt vooral hoe laag, partieel of statistisch irrelevant de aantallen citaten in 1996 waren voor het doen van uitspraken over individuele onderzoekers, tijdschriften of impact. Dat aan de slag gaan met citatie-indexen dus geen goed en bruikbaar beeld gaf van evoluties in volkskundige tijdschriften.5 Is het nu beter?

Naarmate in de 21e eeuw de steekkaarten en gedrukte bibliografieën verdwenen en databanksystemen en websites in de plaats kwamen, kwamen nieuwe instrumenten die in andere provincies van de wetenschappelijke wereld werden gebruikt in beeld. Bovendien werden allerlei deeldatabanken voor verschillende clusters van disciplines samengebracht en onderling verbonden, geleidelijk ontstond zo “Web of Science” zoals we dat vandaag kennen. Er bleven ook databanksystemen met bibliografische instrumenten, buiten dat Web, opereren. Er werden ook nieuwe opgericht, zoals Scopus van wetenschappelijke uitgever Elsevier of meer open applicaties zoals Scholar Google. Fantastische mogelijkheden om informatie, ideeën, methoden en inspiratie te vinden openden zich, toch binnen bepaalde structurerende kaders. Maar geleidelijk kwamen er ook andere “frames” mee in het spel, bepaalde vormen om “impact” te meten en op basis daarvan middelen en symbolisch kapitaal al dan niet toe te kennen.

Dit alles bouwde verder op wat we hier het “plan Eugene Garfield” zullen dopen, naar de onderzoeker-ondernemer die, geïnspireerd door een “citation index”-systeem om verwijzingen naar eerdere vonnissen in rechtspraak in de Verenigde Staten te traceren, in 1955 in Science had voorgesteld om alle artikels die werden geciteerd in wetenschappelijke literatuur in een elektronisch systeem te ontsluiten. Het hoofddoel was bibliografisch onderzoek te faciliteren. Zodra je een goed artikel over een onderwerp waarmee je bezig bent gevonden hebt, is het waarschijnlijk dat diverse boeken en artikels die daarin worden gebruikt, geciteerd worden in voetnoten of in de bibliografie opgenomen werden, nuttig zijn. Bij de consultatie van die bijdragen komt men dan weer andere relevante artikels op het spoor die in de noten of de bibliografie staan. En als een treffend artikel door andere publicaties wordt geciteerd, kom je nog meer potentieel relevante literatuur tegen. Dit met

4 G. Rooijakkers, ‘The Flush of History. On Beer, Stereotypes and Corporate Identity’, in: R. Alsheimer, E. Doelman, & R. Weibezahn (red.), Wissenschaftlicher Diskurs und elektronische Datenverarbeitung. Bericht über zwei Tagungen der Internationalen Volkskundlichen Bibliographie (IVB) in Amsterdam und Třešt, Bremen, Universität Bremen/Meertens Instituut, 2000, p. 93-105, p. 101-103.

5 R. Alsheimer, ‘Ein Science Citation Index für das Fach Volkskunde/Europäische Ethnologie?’, in: R. Alsheimer, E. Doelman, & R. Weibezahn (red.), Wissenschaftlicher Diskurs und elektronische Datenverarbeitung. Bericht über zwei Tagungen der Internationalen Volkskundlichen Bibliographie (IVB) in Amsterdam und Třešt, Bremen, Universität Bremen/Meertens Instituut, 2000, p.21-30, p. 24-29.

bibliometrisch onderzoek naar en in “volkskundige tijdschriften”

steekkaarten doen zou een enorm werk zijn en vele (honderd)duizenden fiches en uren vergen. Voor zoiets heb je computers nodig.6

Garfield richtte in 1959 een Institute for Scientific Information (ISI) op en slaagde er in de jaren 1960 in om middelen te bekomen. De gegevens werden met een mainframe verwerkt, maar gebruikers consulteerden de “citation indexes” tot diep in de jaren 1980 in gedrukte vorm. Het startte met de Science Citation Index in 1963. Daar kwam in 1973 de Social Science Citation Index bij en in 1978 de Arts and Humanities Citation Index. De parateksten werden op naam van de (eerste) auteur alfabetisch geordend en dan gecombineerd met referenties die alfabetisch elders in het boek waren te vinden. En die dan, na veel bladeren en zoeken, door gebruikers doorgaans … op steekkaarten werden genoteerd. Dit proces verbeterde sterk dankzij, na een tussenfase via compact disks in de jaren 1980 en 1990, de ontwikkeling van internet en de toegang tot de centrale databank via wetenschappelijke instellingen. Dit kreeg vanuit onderzoekersperspectief een enorme kracht toen naar sites kon worden doorgeklikt, bijvoorbeeld van de uitgevers of de tijdschriften zelf, waar mogelijk (al dan niet tegen betaling) pdf’s konden worden gedownload. Het ISI, dat in 1993 door Thomson Reuters werd gekocht, leverde wel geen gratis diensten, maar stond op onafhankelijkheid. De gebruikers, doorgaans de instellingen waaraan ze waren verbonden, betaalden. Zij hadden een quasi monopolie tot 2004, toen er met Scopus van Elsevier forse competitie kwam en daarna ook (Scholar) Google zich profileerde. In 2016 kocht Clarivate voor meer dan 3,5 miljard dollar de diensten van Web of Science van Thomson Reuters, waardoor ze naar eigen zeggen tegenwoordig de “global leader in trusted and transformative intelligence” zijn.7

Onderzoekers begonnen de data die werden samengebracht te gebruiken voor andere doelen dan het maken van bibliografieën rond bepaalde onderwerpen, methoden of thema’s. Zo konden bijvoorbeeld patronen in (sub)disciplines in wetenschappelijk onderzoek worden ontdekt, bijvoorbeeld in het kader van Social Studies of Science and Technology. Daarna begonnen ook autoriteiten en financiers mogelijkheden te zien in het instrument van ISI en soortgelijke databanken.

Fysicus Vassily Nalimov lanceerde in 1969 (het Russische woord voor) “scientometrics” om de kwantitatieve meting van wetenschappelijke activiteiten aan te duiden, daarbij rekening houdend met financiering, personeel en andere hulpmiddelen en ook met output, in de vorm van patenten en artikels. Technometrics focust op de keten van patenten. Bibliometrics legt zich toe op de analyse van publicaties, met name aan de hand van de meting van combinaties van parateksten. In principe gaat dit over allerlei documenten, tijdschriftartikels, boeken, proefschriften, onuitgegeven rapporten en ”grijze literatuur”. Op een halve eeuw is dit geëvolueerd van het manueel werken met steekkaarten en publicaties die noodzakelijkerwijs focusten op een beperkte hoeveelheid publicaties (tijdschriftenartikels, recensies en boeken)

6 E. Garfield, ‘Citation Indexes for Science. A New Dimension in Documentation through Association of Ideas’, Science 122:3, 1955, p. 108-111.

7 Zie https://clarivate.com (bezocht op 6-2-2024).

naar databanken op computers die veel sneller enorm veel meer informatie konden verwerken. In deze subdiscipline is de voorbije jaren, onder andere onder invloed van publicatieculturen in exacte wetenschappen (fysica, scheikunde, biologie, geneeskunde), gefocust op de relaties en evolutie van artikels in een specifieke set van tijdschriften. Hoewel in principe allerlei types van data kunnen worden verwerkt en ingesloten, werd gekozen voor een exclusieve beperkte set tijdschriften (waarvan een deel van de inhoud door gespecialiseerde review- en adviesystemen werden verbeterd en geselecteerd) en voor beperkte toegang tot de instrumenten om die informatie te ontsluiten.

Het werd tot het einde van de 20e eeuw gebruikt voor evaluaties en monitoring van wetenschappelijk onderzoek van instellingen of landen. Maar vanaf de 21e eeuw begon men het ook te gebruiken voor het evalueren van individuele onderzoekers. Dit is ook het punt waar het volgens vele onderzoekers, in het bijzonder in de humane wetenschappen, begon fout te lopen, omdat instrumenten die daarvoor helemaal niet geschikt waren noch op punt stonden voor specifieke vakgebieden (die niet biologie, scheikunde, fysica, wiskunde of geneeskunde waren), konden worden gebruikt en misbruikt.

Een scherpe evaluatie van dat soort evaluatiesystemen door Yves Gingras verdient alle aandacht.

“Despite warnings by many scientometricians, the practice of using bibliometric indicators to evaluate individual scientists has developed among managers and researchers improvising as experts in evaluation. This uncritical and undisciplined (and often invalid) use of bibliometric indicators has been facilitated by the fact that bibliographic databases now can be accessed easily through university libraries (i.e. Scopus and the WoS) and the Internet (i.e. Google Scholar). Today, scientists can play with publication and citation numbers without much regard for the meaning of the data, doing what I call “wild scientometrics”. 8

Het is een glijdende schaal tussen belangstelling voor de ontsluiting van de inhoud van tijdschriften en de hulp bij het vinden en mobiliseren van relevante literatuur voor een onderzoekstraject en voor het ontdekken van patronen in publicaties aan de ene kant en aan de andere kant het gebruik van de daarvoor ontwikkelde instrumenten om middelen (geld, werktijd, wetenschappelijke status) te vragen of te krijgen (en, anderen in of buiten het systeem, daarvan uit te sluiten) of voor van de inhoud losgezongen wetenschappelijke demarches uit te voeren in velden waarover men geen kennis of inzicht heeft (zoals we verder in deze bijdrage zullen ontdekken).

Systemen zoals Web of Science werken best in wetenschapsgebieden met clusters van tijdschriften met artikelen die optimaal met abstracts en trefwoorden zijn ontsloten, gemakkelijk vindbaar zijn en die heel vlot op elkaar inspelen. Dat is het geval in een aantal toptijdschriften in de exacte wetenschappen, die vaak ook in het Engels of met (scheikundige of wiskundige) formules opereren, onderling vlot toegankelijk waren en

8 Y. Gingras, Bibliometrics and Research Evaluation, Uses and Abuses, Cambridge, MIT Press, 2014, p. 9. Een deel van de voorgaande paragrafen is gebaseerd op dit werk van Gingras.

in formats waar op elkaar wordt voortgebouwd. Maar wat met het veld van “folklore studies” of “erfgoedstudies”, in al die talen, over allerlei onderwerpen en “eigenaardigheden”, in allerlei gebieden, over al die gemeenschappen, groepen en individuen, in tijdschriften die in de voorbije decennia vooral gepubliceerd werden op papier, in tijdschriften die met de slakkenpost worden opgestuurd en niet zomaar doorzoekbaar zijn. Ontsloten en gekanaliseerd in bibliografieën volgens het plan Hoffmann-Krayer die soms pas jaren na publicatie beschikbaar zijn en dan nog onvolledig, en waarbij die dan, als je de verwijzing vindt, niet met één muisklik beschikbaar zijn, maar in een leeszaal moeten worden verwerkt en gefotokopieerd, gescand of gefotografeerd worden, na het bestellen van de publicaties. Wat betekenen die trage mechanismen van verspreiding en ontsluiting als men bijvoorbeeld de scientometrische halveringstijd wil berekenen, vanuit de veronderstelling dat het aantal citaten onmiddellijk na publicatie het hoogst is en daarna uitfaseert (in wiskunde gemiddeld tien jaar en in fysica vijf jaar), als het voor de meeste volkskundigen/etnologen (zeker als ze niet in een universiteit of onderzoeksinstituut werken) vele maanden of jaren duurt voor artikels in tijdschriften waarop men niet is geabonneerd in beeld komen?

Laten we in het licht van dit alles nagaan hoe bibliometrie via marktleider Web of Science (en de samenstellende databanken) de voorbije twintig jaar werd toegepast in “volkskundige” literatuur.

Tijdschriften over “folklore” (studies, versta ook: volkskunde) in Web of Science voor 2013

Jordi Ardanuy (Universiteit van Barcelona) probeerde in 2017 in het Spaans een beeld te schetsen van het globale veld van “volkskundige bijdragen” die tot en met 2012 in Web of Knowledge/Web of Science, waren ontsloten.9 Hij gebruikte daarvoor een nieuwe zoekmodule die sinds 2012 door Web of Science wordt aangeboden, waardoor het mogelijk werd een cluster tijdschriften rond “folklore” (studies) te selecteren. Tot die in Web of Science gemaakte selectie van 29 tijdschriften (in 2012) behoren naast in dat wereldje als “toptijdschriften” beschouwde Journal of American Folklore, Western Folklore of Folklore, ook bijvoorbeeld Volkskunde en Millî Folklor als uitzonderingen die de regel van publicatie in het Engels bevestigen. In oktober 2013 ging het over de volgende publicatiereeksen die toen in Web of Science werden beschreven. In de uitzonderlijke gevallen waar dominant een andere taal dan het Engels gebruikelijk is, wordt die taal expliciet tussen haakjes vermeld.

- Acta ethnographica Academiae Scientarum Hungaricae (Hongarije)

- Asian Folklore Studies (voorheen Asian Ethnology)

- Fabula. International Society for Folk Narrative

- FF Communications (Folklore Fellows, Finland: eigenlijk een soort boekenreeks)

- Folk Life. Journal of Ethnological Studies (Wales, Groot-Brittannië)

9 J. Ardanuy, ‘Uso del Web of Science para el estudio de disciplinas minoritarias en Humanidades: el caso del folclore’, Investigación bibliotecológica 31/73, 2017, p. 111-129.

- Folk Music Journal (English Folk Dance and Song Society)

- Folklore (The Folklore Society, Groot-Brittannië)

- Folklore Americano (Mexico, in het Spaans)

- Folklore: Electronic Journal of Folklore (Estland)

- International Journal of Oral History

- Lied und populäre Kultur/Song and Popular Culture (voorheen Jahrbuch für Volksliedforschung, in het Duits)

- Journal of American Folklore

- Journal of Folklore Research (voorheen Journal of the Folklore Institute)

- Journal of Latin American Lore

- Kentucky Folklore

- Mélusine (in het Frans, maar eigenlijk hoort het in de reeks niet thuis)

- Millî Folklor (in het Turks)

- Mythlore

- New York Folklore

- Österreichische Zeitschrift für Volkskunde (in het Duits)

- Revista de Dialectología y Tradiciones Populares (in het Spaans)

- Revista de Etnografie si Folclor (Academia de Rumania, tegenwoordig vooral in het Engels)

- Schweizerisches Archiv für Volkskunde (in het Duits)

- Southern Folklore Quarterly,

- Ulster Folklife

- Voices. The Journal of New York Folklore

- Volkskunde (in het Nederlands)

- Western Folklore

- Zeitschrift für Volkskunde (in het Duits)

Er mogen volgens mij vraagtekens geplaatst worden bij enkele van deze door Jordi Ardanuy in de populatie toegelaten publicaties en hoe ze zich verhouden tot de bandbreedte waarin het Journal of American Folklore en Volkskunde als ankerpunten functioneren. Niet alleen ontbreken allerlei tijdschriften zoals Ethnologia Europaea, Lares10, Ethnologie française of eventueel het International Journal of Intangible Heritage in dit lijstje. Er staan er ook te veel in. De titel van het tijdschrift Mélusine bijvoorbeeld verwijst uiteraard naar een middeleeuwse fictievrouw/-fee en zou dus over verhalenonderzoek kunnen gaan. Maar deze in 1980 gestarte jaarboekenreeks focust zich expliciet op de studie van het surrealisme en wordt gedragen door (onderzoek naar de) netwerken van André Breton en diverse onderzoekseenheden in Paris III en elders. Daarbij wordt expliciet gefocust op surrealistische kunstpraktijk en de receptie ervan.11 Mythlore focust op een heel specifieke niche in literatuuronderzoek, met name naar de leden van een informele literaire kring uit Oxford (de Inklings, actief in

10 F. Dei, ‘Lares: A Journal in the History of Italian Anthropology’, in Bérose - Encyclopédie internationale des histoires de l’anthropologie, Paris, 2020, https://www.berose.fr/article1952.html?lang=fr (bezocht op 20-2-2024).

11 https://melusine-surrealisme.fr/wp/la-revue-melusine/ (bezocht op 6-2-2024).

het decennium voor en na de Tweede Wereldoorlog), met name het oeuvre van J.R.R. Tolkien, C.S. Lewis, en Charles Williams. Het gaat over het aan de slag gaan met mythologische elementen die een transformerend effect kunnen hebben op fictiekarakters en dan in tweede instantie op de lezers. Het is verbonden aan de Mythopoeic Society en drijft op academische netwerken die in de ban zijn van The Hobbit, The Lord of the Rings of andere publicaties (die ondertussen via films en games nog bijkomende levens hebben gekregen).12 Verder zou ik durven stellen dat de reeks van de Folklore Fellow Communications eigenlijk een gestage stroom aan boeken is, thesissen, monografieën en bundels, eerder dan een tijdschrift.

Ardanuy onderstreepte in zijn analyse zelf eerst en vooral dat dit een wetenschappelijk veld is waarin boeken nog steeds een heel centrale rol spelen, zeker in vergelijking met andere wetenschapsgebieden. Dat was in de instrumenten op basis van het plan Hoffmann-Krayer ook een issue; hoeveel plaats namen die recensies niet in en hoe belangrijk waren ze. In de oranje reeks van de Nederlandse Volkskundige Bibliografie werden recensies trouwens apart ontsloten: bij knip- en plakprocedures konden ze in afzonderlijke fichebakken terechtkomen. In de financieringssystemen van onderzoek gebaseerd op het plan Eugene Garfield tellen recensies overigens doorgaans niet mee: een groot deel van de inhoud van de tijdschriften komt dus niet eens in aanmerking. Het viel Ardanuy op dat in dit soort tijdschriften (de lezers van Volkskunde de laatste jaren zullen dit wellicht niet tegenspreken) opvallend veel ruimte wordt ingenomen door boekbesprekingen en literatuuroverzichten, maar dat die wegens het vaak niet gebruiken van noten in dat genre, onzichtbaar blijft. In de totale populatie van items die in de negenentwintig in Web of Science beschreven periodieke publicaties werden gepubliceerd zijn meer dan de helft recensies. Met andere woorden, deels doodlopende straten, verloren voor de wetenschap(smonitoring of “wat telt”). De besproken boeken variëren ook ruimer dan klassieke wetenschappelijke publicaties bij bekende internationale uitgevers, maar kunnen een ruim pallet bestrijken, in dit veld tot en met lokale historische studies, verhalenbundels, sprookjesbundels of literatuur over paranormale verschijnselen.

Opvallend in vergelijking met andere tijdschriftenculturen is dat in die populatie iets meer talen dan alleen het Engels worden gebruikt. Of dat de focus op specifieke gebieden, landen of regio’s ligt. Die twee vaststellingen hangen uiteraard samen.

Ardanuy wees er ook op dat er opvallend veel bijdragen met slechts één auteursnaam worden gepubliceerd en minder met meer, laat staan met veel, auteurs. In sommige wetenschapsvelden wordt vreemd opgekeken als er geen vijf of tien of twintig auteursnamen worden opgenomen, aangezien “collaborative authorship” daar de norm is. Een auteur die vaak alleen publiceert, wordt soms zelfs scheef bekeken: kan zij of hij niet samenwerken met anderen misschien? In andere, vaak humane wetenschappen wordt het net

12 https://www.mythsoc.org/ (bezocht op 6-2-2024).

wel gewaardeerd dat onderzoekers zelfstandig werken en dat het duidelijk is wie wat gedaan heeft. Waar er nog wat weerstand is tegen de gewoonte dat promotoren of collega’s als vanzelfsprekend hun naam erbij (laten) zetten, terwijl het belangrijkste en meeste werk door een andere is gedaan. Waarbij niemand durft te suggereren dat bij het tellen en honoreren van publicaties er een formule zou moeten worden toegepast waarbij het relatieve gewicht wordt gedeeld door het aantal auteursnamen. Of dat toch meer moet worden gemaakt van een voetnoot waarbij andere collega’s of promotoren worden bedankt in plaats van daar de paratextuele auteursnaam voor te gebruiken. Maar vandaag is dit in universiteiten in Vlaanderen/België en vele andere landen, een minderheidspositie. Tot overmaat van ramp blijven sommigen toch ook graag gewoon boeken publiceren en lezen. Of als output gebruik te maken van websites, of tijdschriften in de eigen taal, die niet achter betaalmuren zitten of niet worden erkend door bevoegde gremia of in databanken als Web of Science zijn opgenomen.

Het onderzoek van Ardanuy toonde aan dat in 2017 de meeste tijdschriften in “folklore studies” nog niet in die gezamenlijke samenwerkingsmodus opereren en op allerlei parameters tussen de mazen van het net glippen. Trouwens, er zijn al nauwelijks onderzoeksinstituten voor volkskunde met enige kritische massa en er is daar doorgaans sprake van thematische specialisatie en arbeidsverdelingspatronen: een trekker/specialist per thema. Deze basisvaststellingen maken volgens Ardanuy al duidelijk dat de in de exacte wetenschappen (zoals scheikunde of fysica, in de biologie of geneeskunde) gebruikelijke citatieoefeningen en -indicatoren weinig zin hebben in zo’n veld, ongeschikt zijn of beter niet worden gebruikt. Of een andere betekenis hebben dan in exacte wetenschappen vandaag. Enkele indicatoren zijn bijvoorbeeld de “obsolescence values”, die meten wanneer een artikel minder dan voorheen wordt geciteerd, bijvoorbeeld na 1, 3 of 5 jaar, wat een soort versheidsdatum kan aanduiden. Maar in tijdschriften in folklore studies worden sommige artikels soms pas na 3 of 5 jaar voor het eerst geciteerd, of in beperkte mate over decennia heen. Het heeft nauwelijks een operationele betekenis, vooral omdat het vaak ging om gedrukte tijdschriften die de steekkaartentijd amper hebben achtergelaten (en waar de meeste lezers en vele auteurs nauwelijks van deze problematiek wakker liggen).

Verder blijkt uit de analyse van Ardanuy welke buitensporige bias Web of Science heeft, waardoor de Amerikaanse en/of in het Engels verschijnende tijdschriften sterk domineren, dankzij hun aanwezigheid in publicatieculturen die meer vertrouwd zijn met deze referentiesystemen, waardoor ze meer vindbaar zijn en kunnen worden opgepikt. Aan de andere kant kan men stellen dat wat hier in beeld is, in dit veld slechts een topje van de ijsberg is. Er worden nog tientallen andere publicaties binnen het spectrum “folklore studies” of “volkskunde” gepubliceerd in andere talen die niet in beeld komen, ondanks de mogelijke kwaliteit van de bijdragen of de nationale of regionale impact. Ardanuy merkt zelf op dat op basis van de lage scores op indicatoren (maar die niet relevant zijn) van het kransje tijdschriften die in het ontsluitings- en reproductiesysteem zitten, er vele andere tijdschriften zijn die evengoed voor ontsluiting door Web of Science in aanmerking zouden komen.

| fragmentair bibliometrisch onderzoek naar en in “volkskundige tijdschriften”

Volkskunde en Millî Folklor in het licht van de analyse van Ardanuy

Ardanuy oogstte zijn data in oktober 2013 in online Web of Knowledge. Hij wilde “alles” bekijken wat in de categorie “folklore” (29 publicaties) was ontsloten vanaf de start van de opname tot en met 2012: dus de zoekopdracht “wc=(Folklore)”. De data werden gefilterd (onder meer de citaten uit 2013 eruit) en verder bewerkt in een spreadsheet. Dit leverde 33.656 items op: onder andere 57% boekbesprekingen, 28.9% artikels, 1% film- en documentairebesprekingen en 0,9% congresverslagen. Voor het jaar 1975 ging het vooral over het Journal of American Folklore en pas (lang) na 1975 werden de andere tijdschriften ontsloten. 9726 worden door het systeem zelf als artikels verwerkt. Een belangrijke vaststelling is dat van al die gepubliceerde items (33.656) slechts 15,4% minstens ooit een keer werd geciteerd (begrijpelijkerwijs is dat ook zo voor 6,9% voor boekbesprekingen). 58,9% van de artikels in de populatie zijn in het Engels; 19,6% in het Duits en 8% in het Spaans. 5,3% zijn in het Nederlands gepubliceerd: met andere woorden in het tijdschrift Volkskunde. 4,1% zijn in het Turks, toe te schrijven aan het feit dat sinds 2007 Millî Folklor wordt beschreven. Daarna komt Frans met 3,9%. Opmerkelijk is dat 51,4% van de boekbesprekingen in het Duits zijn en 42,1% in het Engels. 2,7% in het Nederlands/in Volkskunde en 2,3% in het Spaans.13

De opmerkelijke score van het Nederlands in beide gevallen heeft dan weer te maken met de lange aanwezigheid van het tijdschrift Volkskunde in deze subcategorie van volkskunde/folkloretijdschriften in (een voorganger van) Web of Science. Dit is ook te merken in de scores van productiefste auteurs. In de onderzochte populatie werden 6176 auteurs geregistreerd. Opvallend is dat het hierbij in niet minder dan 93,4 % van de gevallen gaat om artikels met één auteursnaam, 5,3 % met twee auteursnamen en 0,9 % met drie auteursnamen Daarvan waren er 15 namen die meer dan 20 keer als auteur van een artikel voorkomen. Als we alle soorten publicaties zouden tellen, dan zou de Zwitserse volkskundige Robert Wildhaber (1902-1982) de kroon spannen, met niet minder dan 332 boekbesprekingen (en drie artikels) in de referentieperiode. In de globale top 3 van auteurs van artikels gepubliceerd voor 2013 prijken twee auteurs … uit Vlaanderen, die hoofdzakelijk in het Nederlands hebben gepubliceerd: 1) Willy Braekman (1931-2006) met 78 bijdragen, allemaal in Volkskunde, en 3) Stefaan Top (1941) met toen 35 artikels in Volkskunde en twee andere in tijdschriften ontsloten door WoS. Tussen hen staat Alan Dundes (1934-2005) met 36 artikels in het Engels in acht 8 WoS-tijdschriften. In de top tien staat er nog een derde Belg, Alfons Thijs (1944-2014), met 25 bijdragen in Volkskunde. Een heel ander beeld geeft het aantal citaten per artikel. In de top 25 waren er niet minder dan 24 die in het American Journal of Folklore werden gepubliceerd. Het meest geciteerde artikel uit de onderzochte populatie was een bijdrage uit 1984 van Richard Handler en Jocelyn Linnekin, ‘Tradition, genuine or spurious’ in het American Journal of Folklore, met 253 citaten. De enige andere in de reeks, op nummer 19, werd gepubliceerd in het Britse tijdschrift Folklore. Er bleken in de

13 Ardanuy, Uso, p. 120.

populatie 12 artikels met meer dan 50 citaten te zijn, allemaal van Amerikaanse origine (versta: met in de VS geboren en/of werkende auteurs). Het is een lijstje van specialisten van top-folklore studies in de Verenigde Staten in de 20e eeuw: 2) Dan Ben-Amos, Toward a definition of folklore in context, 1971, 114 citaten, 3) Roger Abrahams, Introductory remarks to a rhetorical theory of folklore, 1968, 101 citaten. Zij worden gevolgd door Robert Georges (1969, 85 citaten), Alan Dundes (1962, 79 citaten), Roger Abrahams (1993, 72 citaten), Eric Wolf (1958, 68) en William Bascom (1965, 66 citaten).

Het hoogst scorende tijdschrift in dit systeem is het Journal of American Folklore (JAF) met 45,1% van het totaal aantal citaten in de populatie. Het telt een gemiddelde van 1,53 citaten per artikel. Op een verre tweede plaats staat het tijdschrift Western Folklore met 10,7% van de citaten. Daarna volgt het Journal of the Folklore Institute/Journal of Folklore Research (8.0%) en Folklore (6.9%). Volkskunde en andere soortgelijke tijdschriften scoorden nauwelijks.

Journal of American Folklore en Journal of Folklore Research

Er is in Web of Science slechts een heel beperkt aantal publicaties beschikbaar waarin bibliometrische analyse op folklore studies/volkskundige tijdschriften worden gepubliceerd in die tijdschriften zelf. Vaak wordt daarbij onderzocht wat daaruit voor het betrokken tijdschrift waarin de analyse verschijnt, kan worden geleerd. Een voorbeeld ervan is een bijdrage met de titel “Citation analysis, Journal of Folklore Research (1983-2010)” gepubliceerd in 2014.14 De auteur, Cody Behles, stelde vast dat van de 588 artikels die tussen 1983 en 2010 in het Journal of Folklore Research (JFR) werden gepubliceerd er (slechts?) 225 minstens een keer worden geciteerd (of preciezer, als dusdanig zichtbaar zijn op het Web of Science-platform. Dit zegt niets over gebruik in boeken, in andere tijdschriften of in andere media of contexten). Dit betekent dat een JFR-artikel uit die populatie gemiddeld 1,3 keer werd geciteerd. Per jaar werden gemiddeld 26,8 referenties aan een JFR-artikel in Web of Science genoteerd. Een vergelijking met het Journal of American Folklore (JAF), waar tussen 1983 en 2010 gemiddeld 78,03 citaten werden genoteerd, moet worden gerelateerd aan het veel hoger aantal gepubliceerde bijdragen (namelijk 2442), wat een gemiddelde citatiescore per artikel van amper 0,99 oplevert.

Behles laat diverse bibliometrische instrumenten op het tijdschrift los om te pogen iets te zeggen over de impact van JFR, in het bijzonder in relatie tot de grote JAF-zus. De aantallen zijn zo klein dat dit nauwelijks zin heeft, of in elk geval weinig overtuigend overkomt, om impactfactoren of uitbarstingsfactoren te berekenen. In een nogal geforceerde poging om te bewijzen “that JFR is a leading influential journal in the field; they also suggest that JFR has disproportionate strength in the field given its smaller size in comparison to JAF.”15 Noemenswaard is wel de disclaimer over conclusies over de relatief hoge cijfers van citaten van

14 C. Behles, ‘Citation analysis, Journal of Folklore Research (1983-2010)’, Journal of Folklore Research: An International Journal of Folklore and Ethnomusicology 51:1, 2014, p. 5-12.

15 Behles, Citation, p. 7.

fragmentair bibliometrisch onderzoek naar en in “volkskundige tijdschriften”

FF Communications die kunnen worden teruggeleid naar de oudere publicaties die werkinstrumenten in verhalenonderzoek zijn geworden: de Antti Aarnes Type Index (Aarne and Thompson 1928, 1961).16

Uit alle statistieken (voor zover die iets betekenen) borrelt het beeld op dat het Journal of American Folklore het belangrijkste is in de “folklore”-categorie. Het tijdschrift claimt een zeer lange voorgeschiedenis en vierde in 1988 zijn eeuwfeest. Het is dus “even oud” als het tijdschrift Volkskunde. Het eeuwfeest werd aangegrepen om een bibliografisch overzicht van titels, auteurs en onderwerpen te maken en te publiceren. Dit verscheen als aflevering 402 in jaargang 101.17

In 2013 publiceerden John Laudun en Jonathan Goodwin daarin een studie die bruikbaar is om een belangrijke transitie en evolutie in dit veld te vatten, toch binnen het Amerikaanse ecosysteem.

“When the Centennial Index of this journal arrived in mailboxes toward the end of 1988, it was the culmination of an enormous undertaking. Its five hundred pages represented a considerable amount of work performed by a team that numbered, according to the editor’s account, almost twenty (…) Held in the hand, a folklorist felt as though she held not only the key to unlocking the knowledge of the field but also could, simply by leafing through the pages, have a real sense of where the field had been and how it had gotten there. That is, it was both a map and a history. For a time, the index was the ready reference, the gateway to finding the various forms of folklore scholarship that had passed through the pages of the journal, but the index’s demise is anticipated in its last few pages: as the last number of volume 101, the number of the journal containing the index also carries the table of contents for the entire volume. At the very bottom of the first page of the table is an announcement with a straightforward title: “JAF Goes On-Line.”18

Uit verschillende studies blijkt dat dit Amerikaanse tijdschrift het best ingeplugd is in het Web of Science-systeem en door de vroege optie om teksten online consulteerbaar te maken of als pdf aan te bieden sneller aan het systeem was aangepast. Nog los van de vraag hoeveel mensen in de erfgoedsector in België of Nederland, zelfs die nieuwere generatie van het borgen van immaterieel erfgoed, dit tijdschrift consulteren, is het een belangrijke factor dat de Verenigde Staten, na opflakkerende engagementen (via Smithsonian Institution of Richard Kurin) in het begin van de 21e eeuw, de 2003 UNESCOconventie nog steeds niet heeft geratificeerd en in de voorbije jaren zelfs een hele tijd geen lid is geweest. In een andere bijdrage in Volkskunde, tien jaar

16 A. Aarne & S. Thompson, Types of the Folktale: A Classification and Bibliography. FF Communications 74, 1928; A. Aarne & S. Thompson, Types of the Folktale: A Classification and Bibliography, FF Communications 184, 1961.

17 The Centennial Index: 1888-89. American Folklore Society Centennial 1988-89, in: The Journal of American Folklore 101:402, 1988, p. 1-502, https://www.jstor.org/stable/i223745 (bezocht op 6-2-2024).

18 J. Laudun & J. Goodwin, ‘Computing folklore studies: Mapping over a century of scholarly production through topics’, The Journal of American Folklore 126: 502, 2013, p. 455-475.

geleden, werd al op een aantal consequenties gewezen. Er zitten dus diverse structurele problemen en breuken, in het hart van het studieveld die bij analyses moeten worden meegenomen.19

Folklore: Electronic Journal of Folklore

Kalmer Lauk onderzocht “volkskundig onderzoek” in Estland en had daarbij bijzondere aandacht voor de uitdagingen die het werken in een nichegebied in een relatief kleine gemeenschap heeft. Hij onderzocht naar eigen zeggen alle publicaties van “Estonian folklore researchers” tussen 2005 en 2014. Lauk meende dat hij daarbij kon concluderen dat “Estonia is a highly active country with an impact as immense as its neighbors and the world in this area of science.” Als reden duidde hij op het feit dat een van de tijdschriften in deze niche, het elektronisch tijdschrift Folklore: Electronic Journal of Folklore sinds 2008 in “Thomson Reuters Web of Science Core Collections Arts & Humanities Citation Index” werd ontsloten. Zo kon het vanaf 2008 groeien tot een regionaal belangrijk tijdschrift dat ook papers uit andere landen kon aantrekken en publiceren: “catching up with other big folklore journals. Estonia is on the huge map of world science not only with biology, genetics or physics, but also with folklore (…).”20 Maar eigenlijk is de conclusie dus dat door de opname van een vaktijdschrift uit Estland in Web of Science er enige supplementaire online zichtbaarheid werd bekomen, waardoor dan zogezegd Estland meer impact had. Er wordt een licht aantrekkingseffect gemeten door het feit dat het wordt gemeten. Waarbij het de vraag is of de artikels vlotter kunnen worden gevonden of gewoon de kansen om academisch te scoren (zelfs) in een folklore studies-tijdschrift met onbestaande impactfactor het verschil maakt. De vraag is echter wat de waarde ervan is, zeker als we merken dat, in tegenstelling tot wat ikzelf in UNESCO- en andere gremia vaststel(de), de internationale werking van de folklore-afdeling in de Universiteit van Tartu en bijvoorbeeld de betrokkenheid van Kristin Kuutma in die jaren bij de UNESCO-conventie van 2003 niet eens in de analyse in beeld komt. Er wordt gewerkt met zogezegd frequent geciteerde artikels, maar die citaten blijken telkens op één hand te tellen. Het gaat om tijdschriften in de Arts & Humanities Citation Index die

19 M. Jacobs, ‘Cultural Brokerage, Addressing Boundaries and the New Paradigm of Safeguarding Intangible Cultural Heritage. Folklore Studies, Transdisciplinary Perspectives and UNESCO’, Volkskunde 115:3, 2014, p. 265-291. Paradoxaal genoeg is precies dit artikel uit Volkskunde waarin ik de breuk met onderzoek en beleid in de Verenigde Staten aankaart hetgene dat dan in bijvoorbeeld het Journal of Folklore Research of Journal of American Folklore opduikt. Zie bijvoorbeeld R. Baron, ‘Brokerage revisited’, Journal of Folklore Research 58:2, 2021, p. 63-104; K. Bürkert, ‘Public Folklore?

German Fastnacht and Knowledge Production between Application, Participation, and Intervention’, Journal of Folklore Research 58:2, 2021, p. 105-130; R. Baron, ‘Public Folklore: Theory of/in Practice (A Response to Elliott Oring)’, Journal of American Folklore 132:524, p. 163-174. Bruggen maken door erop te wijzen dat in die tijdschriften bijdragen in Volkskunde niet geciteerd worden en vice versa. Oei, nu doen we het hier opnieuw… Zie ook R. Baron, ‘Public folklore dialogism and critical heritage studies’, International Journal of Intangible Heritage 22:8, 2016, p. 588-606.

20 K. Lauk, ‘Bibliometric Analysis of Estonian Folklore Research And Folklore: Electronic Journal Of Folklore’, Trames 20:1, 2016, p. 3-16.

naar en in “volkskundige tijdschriften”

eigenlijk geen Impact Factor (IF) hebben die door een

Journal Citation Report wordt opgeleverd.

Millî Folklor: de studies van Haydar Yalçÿn

Millî Folklor, letterlijk vertaald als nationale volkscultuur of folklore als u wil, werd in 2007 opgenomen in Arts & Humanities Citation Index (A&HCI). Auteurs en redacteurs van dit zustertijdschrift van Volkskunde gingen hier onmiddellijk mee aan de slag om te onderzoeken wat dit dan betekende. Nauwelijks drie jaar na de opname in Web of Science publiceerde Haydar Yalçÿn een analyse van de productie tussen 2007 en 2009.21 Hij was geen vaste redacteur of auteur maar een onderzoeker die soortgelijke analyse over diverse onderwerpen publiceerde. Het is dus een externe blik naar aanleiding van de indexering met dit online toegankelijke instrument. Er werden 174 artikels geïdentificeerd in de vier nummers die jaarlijks verschenen in 2007, 2008 en 2009. Die operatie nam op 23 januari 2010 enkele minuten in beslag door Millî Folklor in het veld “publication name” in te vullen. Uit de 206 hits werden 7 boekbesprekingen, 10 bibliografische signalementen en 15 editorialen weggefilterd. Daar werden de volgende vragen op losgelaten: Is er sprake van meerdere auteurs per artikel? Wat zijn de institutionele affiliaties van de auteurs? Welke bronnen worden geciteerd? Wat zijn de meest frequent geciteerde artikels? En hoe verhoudt Millî Folklor zich in een groep van 18 tijdschriften over “folklore studies” die in 2010 ontsloten worden via A&HCI tegenover die tijdschriften? Bijna alle artikels (203) waren in het Turks en van een auteur met Turkse affiliatie, een regel die werd bevestigd door drie uitzonderingen: twee in het Engels en een in het Frans. Er waren 169 auteurs; met Nebi Özdemir als de meest publicerende auteur, namelijk met vijf artikels en Öcal Oğuz, R. Aslıhan Aksoy Sheridan en Gökhan Tunç met vier artikels. De meeste referenties, 70,5% (n = 1814) waren aan informatie uit boeken. Als er uit een tijdschrift werd geciteerd, was dat doorgaans uit Millî Folklor zelf (81 keer). Een ander opmerkelijk cijfer is dat 97,21% van de tussen 2007-2010 in Millî Folklor gepubliceerde artikels (nog) niet werden geciteerd.

Haydar Yalçÿn is zelf geen volkskundige, maar een onderzoeker van sociale netwerken, technologie en sciëntometrie. Hij publiceerde een hele reeks analyses over mijnbouwtechnologie, blockchains en artificiële intelligentie, pedagogiek, innovatie en … de evolutie van het “folklore”-veld via de instrumenten van Web of Science 22 Elke zes jaar biedt hij een analyse aan voor publicatie in het in Web of Science ontsloten volkskundige tijdschrift op basis van sciëntometrie.

In 2016 publiceerde Yalçÿn samen met Kemal Yala een stuk in Millî Folklor, waarbij ze probeerden het wetenschappelijke veld van “folklore research” te karakteriseren via een sciëntometrische analyse van “folklore core publication journals”. Opnieuw stellen ze vast dat de meeste auteurs (93%)

21 https://www.millifolklor.com/PdfViewer.aspx?Sayi=85&Sayfa=202 (bezocht op 6-2-2024): H. Yalçÿn, ‘Millî Folklor dergisinin bibliyometrik profili (2007-2009)’, Millî Folklor 22:85, 2010, p. 205-211. 22 https://scholar.google.com.tr/citations?user=roWLf5ybkSIC&hl=tr (bezocht op 6-2-2024).

alleen werken en dat daar na 2010 geen verbetering in is gekomen om “collaborative publication patterns in folklore studies” vast te stellen: dus (nog) geen lange lijsten van coauteurs en promotoren. Ze concluderen daaruit dat deze discipline een relatief gesloten wetenschappelijke discipline is. Het corpus verzamelden ze in enkele seconden op 18 december 2015. Alle tot dan in de Arts and Humanities Citation Index (A&HCI) verschenen “folklore”-publicaties namen ze in aanmerking, wat een oogst van 35314 publicaties opleverde. De meerderheid van die items zijn boekbesprekingen. Ze vonden 10419 artikels en 11357 auteursnamen in 36 tijdschriften in de Thomson Reuters Master Journal List. Na controle in 2015 bleken er 18 tijdschriften echt nog actief te worden ontsloten. De overzichtstabel is helaas moeilijk leesbaar, versta: een beetje in de soep gelopen, en de ISBN-nummers blijken niet overal correct toegewezen. De einddatum van de steekproef is 2014.

Het Journal of American Folklore blijkt er sinds 1956 in te zitten en 1202 items te hebben gepubliceerd. Enkele tijdschriften blijken vanaf 1975 ontsloten, dus voor 39 jaar, terwijl andere er veel later in opgenomen worden. De auteurs mengen het aantal geïndexeerde jaren en de leeftijd van de periodieke publicaties door elkaar. Maar zo worden de conclusies wel erg voor discussie vatbaar. Zo doen ze uitspraken over het langst bestaande tijdschrift in 2014, namelijk Journal of American Folklore met 58 jaar; Folklore, Fabula en Western Folklore voor 39 jaar (sinds 1975), Volkskunde voor 35 jaar sinds 1979 en Österreichische Zeitschrift für Volkskunde (31 jaar). Samen nemen die tijdschriften 47% van de totale populatie voor hun rekening; wat natuurlijk een grote scheeftrekking betekent. Blijkbaar hebben de auteurs in hun telling het Zeitschrift für Volkskunde en Folk Music Journal, beide ook ontsloten sinds 1975 en dus “39 jaar” over het hoofd gezien. Het tijdschrift Volkskunde werd mee opgenomen met de volgende gegevens: ISSN 0361-204X (wat fout is), Volkskund (met ontbrekende eind-e), startjaar 1979, (zoals de andere) eindjaar steekproef 2014, aantal gepubliceerde items 578 en aantal jaren 35. Maar verschillende van de net genoemde tijdschriften, zoals Volkskunde (1888), Journal of American Folklore (1888), Zeitschrift für Volkskunde (1891), Österreichische Zeitschrift für Volkskunde (1895) bestonden al veel langer, dus wordt een heel corpus gemist en worden appels met peren vergeleken.

Hoewel allerlei alarmbellen hadden mogen afgaan (de zowel in tijd als ruimte zeer ongebalanceerde distributie van de populatie; het feit dat de meeste items, met name de recensies, niet worden meegenomen in de analyse, en de aantallen eigenlijk te klein zijn voor een verantwoorde statistische analyse, wordt toch doorgezet met de visuele representatie van de data in wereldkaarten, tabellen en indexen. Dit levert weinig overtuigende of niet echt zinvolle beelden op. Interessant is wel de analyse van trefwoorden voor Millî Folklor zelf. Noemenswaard is dat zo te merken het sleutelwoord “intangible cultural heritage” opduikt, naast “popular culture”, “oral culture”, “tradition”, “culture” en “folklore”.23

23 H. Yalçÿn & K. Yayla, ‘Folklor disiplininin temel dinamikleri: bilimetrik bir analiz’, Millî Folklor 112, 2016, p. 42-60, p. 56.

naar en in “volkskundige tijdschriften”

Boeiend is ook het overzicht van de meest gebruikte literatuur, waarbij naast Turkse publicaties, een mengeling van klassiekers uit folklore studies (Dundes en allerlei andere grote namen) en uit de antropologie in de tweede helft van de 20e eeuw naar boven borrelen. Wat nog nauwelijks voorkomt – in de analyse – is de UNESCO-conventie van 2003 en dat is vreemd, aangezien de hoofdredacteur, Öcal Oğuz, als twintig jaar een sleutelfiguur is in de delegatie van Turkije in de vergaderingen rond de UNESCO-conventie 2003 en later ook voorzitter van de UNESCO-commissie in Turkije zou worden. Dit moet dus (in een andere bijdrage) nader worden bekeken voor Millî Folklor, samen met de evolutie in Volkskunde: wat wordt qua impact niet opgepikt met het plan Eugene Garfield en daarop draaiende systemen.

Op basis van zijn ervaring in andere wetenschappelijke velden en op basis van zijn analyses kwam Haydar Yalçÿn tot de conclusie dat er werk aan de winkel is, met als prioriteit om meer tot samenwerkende netwerken aan te zetten, de realisatie van minder isolement van tijdschriften en auteurs. Hij suggereerde dat “folklore studies” en Millî Folklor nieuwe, veelbelovende terreinen konden aanboren die meer kansen geven voor samenwerking, dialoog, discussies over taal- en andere grenzen heen, en dus citaten en impact: enerzijds volop de kaart te trekken de studie van ICT-toepassingen in groepsculturen, “augmented reality”, “digital storytelling for cultural research” en anderzijds ook de troefkaart uitspelen van “intangible cultural heritage studies”.24

In 2022 werd in Millî Folklor door Haydar Yalçÿn opnieuw een soortgelijke studie gepubliceerd, ditmaal samen met Talih Öztürk. De basispatronen waren nog niet veranderd. Wel wordt de studie anders georganiseerd. Het is duidelijk dat de auteurs vertrouwder zijn geworden met het veld. Ze vertrekken vanuit een langetermijngeschiedenis, die zelfs verder gaat dan de 19e eeuw, en een aanzet tot een brede “genealogie” geeft. Dit is compatibel met het hedendaagse onderzoek in erfgoedstudies waarbij een geschikte voorgeschiedenis van het brede, transdisciplinaire en internationale erfgoedparadigma wordt gemaakt. In grote lijnen wordt dezelfde soort data gebruikt als in de voorgaande studie. Dit betekent dat de enorme vertekening door het meenemen van de jaren 1956-1974 van één tijdschrift (namelijk Journal of American Folklore) in het corpus aanwezig blijft, dat een beperkte set tijdschriften vanaf 1975 en later worden meegenomen en dat enkele publicaties zoals Millî Folklor of Folklore. Electronic Journal of Folklore pas vanaf 2007 werden meegerekend. In vergelijking met de voorgaande studies werden wel meer geavanceerde onderzoeksinstrumenten gebruikt, zoals het Vantage Point1 voor de organisatie van de data en programma’s zoals UCINET en VOSviewer werden ingeschakeld om netwerkanalysebestanden en visualiseringsmogelijkheden te maken. Verder werd ook een diversiteitsindex berekend. Bij de opmerkingen rond de dataset, is de vaststelling dat in Millî Folklor veel meer (korte) artikels per jaar verschijnen dan in de andere tijdschriften noemenswaard. Er wordt ook getracht om “citation delay”-scores te berekenen; de tijd die gemiddeld verstrijkt tussen het verschijnen van een artikel en de eerste citaten. Niet alleen zijn er tal van artikels die “nooit geciteerd” worden (versta: in de tijdschriften

24 Yalçÿn & Yayla, Folklor, p. 59.

die in Web of Science voorkomen) en die dan wel worden geciteerd, vaak in vrij kleine aantallen. Ook de berekening van halveringswaarden van citaten heeft wellicht weinig zin, aangezien het over kleine aantallen gaat en we al snel over meer dan een kwarteeuw lijken te spreken in het Folklore Studiesveld, bijvoorbeeld rond bepaalde rubrieken en thema’s. Interessant is ook het overzicht van tijdschriften die citaten bevatten naar artikels in de “folklore”categorie en dus mee in beeld komen: American Ethnologist, Ethnomusicology, American Anthropologist, Annual Review of Anthropology, Anthropos, Religions, maar ook bijvoorbeeld Journal of Popular Culture, Ethnology, International Journal of Heritage Studies, Ethnohistory, …

Uit de berekeningen blijkt dat er eilandjes van in Web of Science ontsloten tijdschriften in de categorie “folklore” bestaan, die vooral zichzelf of zustertijdschriften citeren en dat dit vaak met taal heeft te maken. Een voorbeeld van zo’n cluster waren de onderlinge referenties tussen het Zeitschrift für Volkskunde, Schweizerisches Archiv für Volkskunde en het Österreichische Zeitschrift für Volkskunde. Als geïsoleerde voorbeelden van in een nauwelijks in Web of Science gebruikte taal, zoals Millî Folklor (Turks) of Volkskunde (Nederlands), blijken de opgepikte scores vooral intern te zijn.25

In het hol van de leeuw, het International Journal of Intangible Heritage, dan?

In de cluster van tijdschriften voor “volkskunde” of “folklore studies” waar het tijdschrift Volkskunde momenteel in Web of Science geplaatst is, blijven we dus tot in 2023 op onze honger zitten; er zijn weinig overtuigende, laat staan baanbrekende studies rond bibliometrie. Zo blijken allerlei pogingen om Web of Science te gebruiken om de dynamiek in een veld te vatten (en bijvoorbeeld de opkomst van het paradigma van de UNESCO-conventie voor het borgen van immaterieel erfgoed in deze tijdschriften te bespreken) bij een kritische blik niet echt overeind te blijven.

Zou dit beter zijn in het International Journal of Intangible Heritage, een tijdschrift dat dicht bij die cluster van tijdschriften (en waarvan Volkskunde heel recent nog een artikel heeft overgenomen)26 te situeren valt, maar zichzelf heel centraal zou kunnen positioneren in het paradigma van de UNESCOconventie van 2003. In 2020 werd daarin een artikel opgenomen met de titel: “The academics of Intangible Cultural Heritage – knowledge map analysis based on CiteSpace (2003-2019)”.

Is dat dan het sleutelartikel dat we zochten en nodig hebben om de problematiek goed aan te pakken? Het abstract van de “academics”-bijdrage van Yulong Chen, Ke Xue en Megan Dai belooft veel:

25 T. Öztürk & H. Yalçÿn, ‘Folklor Alanında Bilimsel İletişim: Yerel ve Küresel Ağların Bibliyometrik İncelemesi’, Millî Folklor 136, 2022, p. 60-78.

26 A. Aral, ‘Adapting the Living Human Treasures idea in Flanders (Belgium): The case of craftsmanship’, International Journal of Intangible Heritage 18, 2023, p. 101-115; A. Aral, ‘Omtrent “vakmanschap”. Een alternatief voor de formule van Levende Menselijke Schatten in Vlaanderen’, Volkskunde 124:2, 2023, p. 137-158.

| fragmentair bibliometrisch onderzoek naar en in “volkskundige tijdschriften”

“Previous research in the academic field of intangible cultural heritage has mainly focused on qualitative research from the macro-perspective, and quantitative methodology has seldom been used to explore the relationship between the research trajectory and resulting literature from the micro-perspective. Based on the Web of Science database and Cite Space bibliometric analysis software, this paper analyses 1,097 papers on intangible cultural heritage produced between 2003 and 2019 from the co-citation network (author, research institution and journal), the scientific field, and the dominant or hot topics, and reveals the evolution and distribution of publications in the field of intangible cultural heritage across the globe. This paper describes global trends in academic research on intangible cultural heritage, leading to the shared innovation of cross-cultural horizontal communication and the sustainable exploration of vertical inheritance.”27

Een jaar later volgde nog een potentieel relevant artikel, met de titel Research flows and results of studies on intangible cultural heritage: A network analysis of articles in related international journals, 2002-2020. Opmerkelijk is hoe een op artikel 2.2 van de conventie gebaseerde paratekst over “domeinen” (verkeerd) wordt gebruikt in het tijdschrift om dit soort analyse/artikel te coderen: “Category: Social Practices, Rituals and Festive Events”. Dit is gewoon verkeerd. Het net vermelde artikel uit 2020 kreeg op de website van het tijdschrift de categorie “Others” opgekleefd. In zijn studie liet Oh Web of Science of Scopus links liggen en ging hij direct aan de slag met de online beschikbare pdf’s van de tijdschriften International Journal of Heritage Studies, Museum International en International Journal of Intangible Heritage, die hij kwalificeerde als “the representative international journals related to cultural heritage from 2002 to 2020”. Maar dit kan natuurlijk direct worden bekritiseerd, omdat het International Journal of Intangible heritage pas in 2006 werd opgericht (en daaruit bijna alles werd geselecteerd in tegenstelling tot de andere en dus de populatie onmiddellijk zware inconsistenties bevat, die de ontdekking van evoluties eigenlijk onderuit haalt) en de tijdschriften heel anders van aard, bereik en reikwijdte zijn. Hij identificeerde 365 bijdragen door het loslaten van de combinatie “intangible heritage”, en dus niet ook bijvoorbeeld safeguarding, bovendien voorbijgaand aan het feit dat Museum International en International Journal of Intangible Heritage ook in het Frans en het Koreaans werden gepubliceerd, en zo wellicht referenties aan hetzelfde artikel (maar in vertaling) werden gemist. De recensies werden er uitgegooid. Allerlei woorden werden als synoniem behandeld en geclusterd en dan vervolgens alles op een hoop gegooid en weer ontrafeld. Het interessante is dat een poging werd gewaagd om methodes toe te passen om die populatie van woorden te analyseren, door te kijken naar clusters van frequenties. De demarche heeft potentieel, maar is hier niet overtuigend, want het maken van de dataset hangt met haken en ogen aan elkaar. Maar toch wordt in het abstract geclaimd: “it is important to increase higher education and academic systems in ICH (…) through the

27 Y. Chen, K. Xue & M. Dai, ‘The academics of Intangible Cultural Heritage - knowledge map analysis based on CiteSpace (2003-2019)’, International Journal of Intangible Heritage 15, 2021, p. 182-196, p. 182.

keyword network analysis method based on big data analysis (…) this study contributes to the establishment of the academic system and status of ICH.”28

Misschien is de andere poging, die van Yulong Chen, Ke Xue, Megan Dai meer overtuigend? Wie het stuk aandachtig leest, stoot op allerlei imperfecties en fouten. De wenkbrauwen gaan van bij de eerste zin omhoog: “As the essence of traditional culture, intangible cultural heritage is a powerful embodiment of a country’s ‘soft power” De essentie? Belichaming van de zachte macht van een land? Wat verder wordt beweerd dat het concept intangible cultural heritage pas in 2001 bij de proclamatie van meesterwerken van immaterieel en oraal erfgoed door UNESCO werd geïntroduceerd, maar dat negeert dan veel literatuur, te beginnen met de spilfiguur in die periode Noriko Aikawa. De daarop volgende stelling dat sinds het begin van de 21e eeuw “UNESCO has continuously revised the definition of intangible heritage”29 is eigenaardig, of neen, gewoon fout (tenzij ze alleen tussen 2001 en 2003 zouden bedoelen). Hebben de auteurs anders iets gesnapt van de status en impact van het in 2003 vastleggen van artikel 2 in een conventie, die ondertussen in meer dan 181 lidstaten officieel van kracht is? Of de stelling dat “In 2002, Intangible Cultural Heritage (ICH) became a legal term“: dat zit er direct een jaar naast. Net als in de direct erop volgende foute claim dat de 2003 UNESCO-conventie “finally came into force in late 2005 after the final proclamation.”: dat was eigenlijk in 2006.

Moeten we nog verder lezen, want hoe betrouwbaar is de rest? Drie Chinese auteurs uit Shanghai, die duidelijk, zo blijkt uit de lezing van de eerste pagina’s van hun artikel, zelf geen specialisten zijn in het borgen van immaterieel erfgoed, noch in beleid, theorie of praktijk, laten dus hun licht schijnen over het veld. Ze menen dat het tijd is om te evolueren van kwalitatieve analyse naar kwantitatief onderzoek. Ze gebruiken daarvoor een recente versie van het programma CiteSpace5 en laten daarmee alle toeters en bellen los op een corpus van parateksten. Ze gebruikten daarvoor, onderling verbonden met “OR” niet alleen de zoekterm “intangible cultural heritage” maar de vreemde constructen in het Engels “non-material cultural heritage” en “non-physical cultural heritage”. Op 30 september 2019 oogsten ze zo 1838 items, waar ze dan eerst in wieden door er alle recensies en verslagen over vergaderingen uit te halen. Zo houden ze 1097 documenten over. Vervolgens formuleren ze op basis van de input diverse conclusies. Ze vinden het nuttig te werken met “landen die onderzoek over immaterieel erfgoed publiceerden”, en komen zo tot een lijstje met de Verenigde Staten op 87 (artikels), China op 80, Groot-Brittannië en Spanje op 70, Turkije op 66, Australië op 62, Italië op 46, Brazilië op 43, Frankrijk op 32 en Canada op 25. Maar wat zegt dat? Betekent het eigenlijk iets? Even waardevol is dan de berekening van meest geciteerde auteurs: met op de eerste plaats een zekere UNESCO (m/v), en dan een zekere Anoniem, en daarna Laurajane Smith, Richard Kurin, Barbara Kirshenblatt-Gimblett en Janet Blake. Hoewel het ook hier weer over veel te kleine aantallen over een zeer onevenwichtig

28 J. Oh, ‘Research flows and results of studies on intangible cultural heritage: A network analysis of articles in related international journals, 2002-2020’, International Journal of Intangible Heritage 15, 2021, p. 18-28.

29 Chen, Xue & Dai, Academics, p. 182.

samengestelde populatie gaat, wordt toch volhard in de cijferhubris en wordt een top vijf van tijdschriften aangeboden: 1) Museum International, 2) International Journal of Heritage Studies, 3) Annals of Tourism Research, 4) Tourism Management en 5) Journal of Cultural Heritage. Allerlei berekeningen worden gemaakt en daarbij blijkt dat de tekst van een UNESCO-conventie uit 2003 blijkbaar een erg belangrijke, vaak aangehaalde “studie” zou zijn. Lovenswaardig vind ik het gedeelde inzicht dat hun onderzoek beperkingen heeft, door het alleen gebruiken van drie zoektermen op Web of Science en het taalprobleem: “Only papers written in English were analysed, although a great deal of research is conducted in other languages”.30

Su, Li & Kang en Ho

Bij de uitvoering van een steekproef via de zoekopdracht ‘bibliometric research” en “intangible heritage” in de Web of Science core database leverde dit op 1 december 2023 vijftien treffers op. Daarbij sprong één artikel uit 2019 er in 2023 onmiddellijk uit, niet alleen als de scherpste match met de zoekopdracht (waardoor het als eerste treffer wordt aangeboden door het systeem) maar ook door het, voor de humane wetenschappen, relatief hoge aantal geregistreerde citaten van de titel binnen Web of Science zelf (in bijna vier jaar al 84 citaten). Het gaat over een bijdrage tot een online publicatieplatform opgezet door een bekende wetenschappelijke uitgever: A Bibliometric Analysis of Research on Intangible Cultural Heritage Using CiteSpace, in: SAGE Open, 2019, p. 1-18.31

Drie Chinese onderzoekers, Xinwei Su, Xi Li & Yanxin Kang, verzamelden via de woorden “research on intangible cultural heritage” een set van “249 papers”, meer precies de metadata die volgens hen in de kerndatabank (“core database”) van Web of Science worden aangeboden: de namen van de auteurs, affiliatie (waar werken ze?), de titels van het artikel en van het tijdschrift, het abstract (korte samenvatting) en de sleutelwoorden. Ze gebruikten die gegevens als input voor het programma CiteSpace om een bibliometrische analyse te maken. Su, Li en Kang overlopen in het artikel de resultaten die daaruit kwamen en komen tot boude stellingen over het onderzoeksveld rond immaterieel erfgoed in de 21e eeuw:

“The results show that there is not substantial collaboration among researchers, research institutions, or countries that conduct research on ICH. The relationship between high-yield and high-citation authorship is inconsistent and weak. High-yield countries are mainly concentrated in a small group that includes China, Australia, the United Kingdom, and the United States.”32

Opmerkelijk toch: in de top vier van de hoge opbrengstlanden komen naast China dus drie staten voor die de UNESCO-conventie van 2003 in 2023 (nog

30 Chen, Xue & Dai, Academics, p. 196.

31 Zie https://doi.org/10.1177/2158244019840119 (bezocht op 6-2-2024).

32 X. Su, X. Li & Y. Kang, ‘A Bibliometric Analysis of Research on Intangible Cultural Heritage Using CiteSpace’, in: SAGE Open, 2019, April-June, p. 1-18; https://doi.org/10.1177/2158244019840119 (bezocht op 20-2-2024).

steeds) niet hebben geratificeerd: Australië, het Verenigd Koninkrijk (GrootBrittannië) en de Verenigde Staten. Verklikt dit onmiddellijk een structurele bias in wat Web of Science dekt of ontsluit? En hoe dan is de eerste plaats van China te verklaren? Of fundamentele ongelijkheden in academisch onderzoek wereldwijd?

Ze gaan nog verder en stellen dat die ICE-onderzoekers “mainly focused on heritage protection, heritage space, heritage management, heritage policy, and the internationalization of heritage. In recent years, the focus of research has been on creative heritage tourism, community participation in heritage protection and development, and the authenticity of heritage.”33 Authenticiteit, het problematische taboewoord in het paradigma van het borgen van immaterieel erfgoed, als hoofdfocus?

Meer alarmbellen gaan af als je de inleiding van dit gretig geciteerde artikel leest, waarbij de UNESCO-conventie van 2003 als een congres of conferentie wordt vertaald of geïnterpreteerd, zoals in de volgende passage: “Hafstein (2008) considered the criteria and determinants of the Representative List of ICH, discussed at the 2003 ICH Congress, as the most controversial issue at the Congress.”34 Hebben de auteurs niet echt een inzicht in de inhoud waarover ze schrijven en blijven ze spelen in die ‘meta’wereld van verrijkte representaties via parateksten? Wie intenser betrokken is, trekt de wenkbrauwen op bij stellingen zoals: “In some countries, many violations of the UNESCO Convention have not been sanctioned in the practice of protecting elements on the ICH representative list”.35 Wat bedoelt men met inbreuken op de UNESCO-conventie? Bestaat er dan een sanctioneringssysteem, waar ondergetekende die de conventie al meer dan twintig jaar volgt van op de eerste rij, dan nog nooit van heeft gehoord? Er wordt een soort collage gemaakt van ideeën en inzichten die geplukt zijn uit de literatuur die in Web of Science werd geselecteerd. Dit leverde gedurfde en nauwelijks verdedigbare stellingen op zoals: “Only when ICH personnel are effectively trained can heritage protection work be sustainable”.36 Or “How to inherit the ICH whose value cannot be reflected in contemporary times, such as local music, opera, and handicrafts, has also been a research topic (Ren, 2017; J. X. Wang, Yao, & Feng, 2017; Z. Z. Zhang, 2017)”. Opera in Italië werd overigens in 2023 op de Representatieve Lijst gezet, naast onder andere Peking opera (2010), Tibetaanse en Yueyu opera in 2009, Kun Qu opera in 2008. Lokale muziekvormen en ambachtelijke vaardigheden zijn er bij de vleet. Kortom, een dergelijk artikel is geen goede inleiding in het onderzoek of de (beleids) praktijk van het borgen van immaterieel erfgoed.

Lukt de zelfverklaarde eigenlijke doelstelling – onderzoek naar het onderzoek van immaterieel erfgoed – dan wel? De auteurs pakken uit met een stevige ambitie of basisprobleemstelling:

33 Abstract in Su et al, Bibliometric, p. 1.

34 Su et al., Bibliometric, p. 1.

35 Su et al., Bibliometric, p. 1. De bijbehorende referentie is M. Sano, ‘International recognition and the future of traditional culture: A view from and toward UNESCO’, in: I. Shigemi & P. Fister (red.), Traditional Japanese arts and crafts in the 21st century: Reconsidering the future from an international perspective, Kyoto, International Research Center for Japanese Studies, 2005, p. 365-385.

36 Su et al., Bibliometric, p. 3.

“[T]his study intends to analyze the following problems using bibliometrics analysis: (a) identify the nature of the research frontier, (b) annotate the research field, and (c) identify new trends and mutations over time. That is, this study seeks to identify which literature in this field is groundbreaking and iconic, which literature has played a key role in the development of the field, which topics occupy the mainstream position across the whole field of research, what the knowledge base is in this field, and how research frontiers have evolved”.37

Wat bedoelen ze met “research frontier”; het onderzoeksfront of de onderzoeksgrens? Dit concept van Price38 uit 1965 werd gebruikt om dynamiek in onderzoeksvelden te capteren. Volgens de auteurs bestaat een onderzoeksfront in een veertig- à vijftigtal recente artikels die kunnen worden geïdentificeerd en waar je de opkomst van nieuwe onderwerpen en theoretische trends zou kunnen traceren. Zou dat nu echt zo gaan voor bijvoorbeeld onderzoek over immaterieel erfgoed? Zou dat nu echt zo zijn voor wetenschappelijk onderzoek in het algemeen? Maar wie soortgelijke recente bibliometrische studies bekijkt, herkent de zinnen die blijkbaar als paragraaf worden geknipt en geplakt. Het blijkt een kant-en-klare standaardprobleemstelling in dit soort bibliometrisch onderzoek te zijn, wat het onderwerp verder ook moge zijn.

Su, Li en Kang mobiliseerden CiteSpace, een gratis te downloaden programma dat werd ontwikkeld door een Chinese onderzoeker C. Chen, en dat erop was gericht materiaal uit Web of Science te verwerken. Ze lieten de zoekopdracht “Topic = Intangible cultural heritage + Document type = Article” op 13 april 2018 los op “Web of Science” en kregen zo in minder dan een seconde een set van 249 artikels. Ze namen de moeite om een snelle check te doen van de titels en abstracts om vast te stellen dat de bijdragen (volgens hen!) aan de voorwaarden voldeden. Ze gaven vervolgens de opdracht om de gevonden informatie via de door Web of Science aangeboden optie “Full Record and Cite References” in het “Plain text”-format te bewaren. Die hele fase van dataverzameling kan in een uurtje worden geklaard en dan kan een analyse met CiteSpace worden uitgevoerd, gecombineerd met een bloemlezing uit de resultaten.39

Voor wie, zoals ik, de werkzaamheden rond de UNESCO-conventie van 2003 al sinds de ontwerp- en onderhandelingsfase in 2001-2003 volgt, is het wonderlijk om te lezen dat Su, Li en Kang trefzeker de vroegste “ICH publication in the WoS database” konden identificeren: “The paper “Critical Natural Capital: A Socio-Cultural Perspective” published by Chiesura and de Groot in Ecological Economics in 2003. The study comprehensively investigates the key functions and their associated values of natural capital and emphasizes the importance of heritage, health, recreation, comfort, education, and so on to the quality of human life and sustainability (Chiesura & de Groot, 2003).

Since then, the research yield of ICH has been trending upwards”.40

37 Su et al., Bibliometric, p. 2.

38 D. Price, ‘Networks of scientific papers’, Science 145, 1965, p. 510-515.

39 Su et al., Bibliometric, p. 3.

40 Su et al., Bibliometric, p. 4.

2003? Dat jaar lijkt te sporen met een verhaal over een UNESCO-paradigma dat in dat jaar in de (buiten)wereld met een nieuwe conventie werd gelanceerd? Ik moet bekennen dat ik in de voorbije twintig jaar nog nooit met (een referentie aan) deze publicatie van Chiesura en de Groot ben geconfronteerd. Maar een controle van die bijdrage maakt duidelijk dat het helemaal niet in zo’n set thuishoort. Het artikel dat door twee onderzoekers van de Universiteit van Wageningen in 2001 werd ingestuurd bij Ecological Economics en in september 2002 voor publicatie werd aanvaard, gaat helemaal niet over immaterieel erfgoed, niet over borgen, en niet over UNESCO (de organisatie wordt één keer vermeld in het artikel maar dan als “conservation agency” voor werelderfgoed), wel vooral over diensten die “de natuur” kan leveren aan de maatschappij. Het artikel werd volgens Web of Science 178 keer geciteerd, maar vooral in bijdragen over “ecosystem services”, maar niet in literatuur over het borgen van immaterieel cultureel erfgoed of over de UNESCO-conventie van 2003, behalve dan die ene vermelding in het artikel van Su, Li en Kang uit 2019.41 Het loopt met andere woorden bij het eerste artikel al totaal fout.

Ze laten diverse instrumenten, de toeters en bellen van het Cite Space programma, los op de dataset, die onder andere bubbeldiagrammen genereren. Een van de artikels en thema’s die ze daarbij als mogelijk relevant naar boven zien “borrelen” is het volgende: “Rössler (2006) explored the evolution of UNESCO undefined strategy for heritage landscape conservation.”42 Mechtild Rössler dus, de recent gepensioneerde sleutelfiguur van de ontwikkeling van de UNESCOwerelderfgoedconventie in de voorbije drie decennia, Mrs. World Heritage in de wandelgangen. Mevrouw Conventie 1972 zelve? Het blijkt dan te gaan over het artikel “Rössler, M. (2006). World heritage cultural landscapes: A UNESCO flagship programme 1992-2006. Landscape Research, 31, 333-353”. Het is uitgerekend het artikel dat helemaal niet zou moeten worden geselecteerd in een discussie of een dataset over het programma van het borgen van immaterieel erfgoed, integendeel. Het gaat bij nader inzien vooral over de zogenaamde immateriële waarden verbonden aan landschappen. Dat is overigens een tautologie waarvan de functies door Smith en Campbell sindsdien werden ontmaskerd.43 Verder is er in een clusteranalyse44 weliswaar sprake over “UNESCO’s list”, maar zonder te specificeren welke? Voor mensen die met de UNESCO-conventie van 2003 enigszins vertrouwd zijn, is het evident om toch minstens aan te geven of het gaat om de Representatieve Lijst (artikel 16), de Lijst van immaterieel erfgoed dat dringend borging nodig heeft (artikel 17) of misschien het register van goede borgingspraktijken (artikel 18). Zo is het nauwelijks bruikbaar of zinvol. Er wordt niet uitgeweid over de UNESCO-conventie van 2003 of een

41 See Chiesura, A., & de Groot, R., ‘Critical natural capital: A socio-cultural perspective’, Ecological Economics 44, 2003, p. 219-231.

42 Su et al., Bibliometric, p. 4.

43 L. Smith & G. Campbell, ‘The Tautology of “Intangible Values” and the Misrecognition of Intangible Cultural Heritage’, Heritage & Society 10:1, 2017, p. 26-44.

44 Su et al., Bibliometric, p. 6.

fragmentair bibliometrisch onderzoek naar en in “volkskundige tijdschriften”

van de versies van operationele richtlijnen, en ook niet over het blauwe boekje met de Basic Texts.45

Verbazingwekkend is de top vijf van thema’s die Su, Li en Kang met het programma CiteSpace in de populatie identificeerden: “Heritage places 48, Intangible nature of cultural heritage, 46 Protection of intangible cultural heritage, 42 Landscape heritage, 38 Heritage education“. Dat naast het hele brede erfgoededucatie, er slechts één top-topic binnen het paradigma valt (en dan nog als “protection” in plaats van “safeguarding”), en drie over landschappelijk erfgoed blijken te gaan, is problematisch. De kwaliteit van de dataset en van de interpretatie laat sterk te wensen over. Hoe is het mogelijk dat dit artikel door de “peer review” procedure geraakte, in een vehikel dat met een topuitgeverij als SAGE werd geassocieerd?

In de volgende aflevering van Sage Open (2019) verscheen er direct een brief aan de editor waarbij kritische commentaren gemaakt werden over het artikel van Su, Li en Kang, onder andere over de methode en over de te kleine populatie om zinvolle statistische operaties met een instrument als CiteSpace uit te voeren. Yuh-Shan Ho (Asia University, Taichung, Taiwan) gaf aan dat hij met precies dezelfde sleutelwoorden niet 294 maar 884 artikels had geoogst bij Web of Science. Zoals ook in andere artikels met die methode en software over totaal andere onderwerpen meermaals werd aangeklaagd door Ho, was het belangrijk om in te zien dat Web of Science een koepel is waarin heel verschillende databanken samen werden gebracht en ontsloten.46 De auteur van deze brief specialiseert zich in het systematisch bekijken en bekritiseren van bibliometrisch onderzoek over allerlei onderwerpen, gaande van nierfalen, allerlei vormen van kankeronderzoek, tot de prestaties van lithiumbatterijen en radiotherapie. Op korte tijd kon deze onderzoeker uit Taiwan zo in vele tientallen artikels telkens soortgelijke kritische kanttekeningen plaatsen over methodologische problemen bij het gebruik van Web of Science en software in bibliometrische analyses, vaak van collega’s uit (vasteland)China die in het Engels publiceerden. Hij koos daarbij vaak de formule van een brief aan de uitgever of de redactie, om heel snelle publicaties te bekomen. Net als de mensen die hij bekritiseerde, is hij geen specialist in al die medische, psychologische en andere onderwerpen, wel in elementaire bibliometrische technieken en toegang tot Web of Science.

Die alarmbrief bij SAGE uit 2019 bleek echter niet het gebruik van het artikel van Su, Ling en Kang, tegen te houden. De bijdrage van Ho werd tot en met 2023 (in tijdschriften ontsloten in Web of Science) maar drie keer geciteerd: drie keer door hemzelf. Een keer in een bijdrage over een problematisch artikel over technologische licenties van drie collega’s uit de Volksrepubliek China in het International Review of Economics & Finance. Een keer in een vernietigende analyse van een bibliometrisch onderzoek door Chinese onderzoekers over bio-

45 Zie https://ich.unesco.org (bezocht op 13-2-2024); M. Jacobs, ‘Words Matter… The Arsenal and the Repertoire: UNESCO, ICOM, and European Frameworks’, Volkskunde 121:3, 2020, p. 267-286.

46 Y. Ho, ‘Comments on “A Bibliometric Analysis of Research on Intangible Cultural Heritage Using CiteSpace” by Su et al. (2019)’, SAGEOpen, October-December 2019, p. 1-2 DOI: 10.1177/2158244019894291.

elektrochemische systemen van grondwaterzuivering in het MDPI-tijdschrift Water. En dan nog eens over gezondheidsinformatica in Current Science, waar zijn bijdrage over immaterieel erfgoed er zonder een inhoudelijke link wordt bijgesleurd.47 Ho gebruikt vaak hetzelfde format en berijdt het citatensysteem volop. Hij merkt een bibliometrische analyse over om het even welk onderwerp op en stelt vast dat de Core Collectie van Web of Science (fout) is gebruikt. Hij heeft een checklist ontwikkeld van vaak gemaakte fouten en die laat hij dan los op het artikel. Als remedie raadt hij vaak aan om de WoS-filter ‘front page’ (titel, abstract en de sleutelwoorden van de auteur) te gebruiken.

Maar het hield in het geval van Su, Li en Kang niet tegen dat het artikel veel wordt aangehaald. Iemand die iets weet van over het paradigma van de 2003 Conventie en het artikel kritisch leest, merkt dat het rommel is. Maar vaak gaat het in de artikels waarin Su, Li en Kang worden geciteerd om bij de haren getrokken citaten, om aan te tonen dat men net zoals collega’s een databank kan gebruiken bij een bibliometrische analyse of misschien om een voetnotenapparaat te vullen met een vaak geciteerd artikel. Het grootste deel van de referenties aan het artikel zijn toe te schrijven aan het gebruik van bibliometrie en het gebruik van CiteSpace (of het programma Vosviewer), niet omwille van het immaterieel erfgoedparadigma? En ja, bij deze heb ook ik weer het artikel nog hoger gestuwd in de citatiescore van de auteurs Xinwei Su, Xi Li & Yanxin Kang, en daardoor bijgedragen tot hun carrière. En tot het succes van het open randproduct (tegen betaling) van een grote uitgeverij als Sage die nog wat extra geld kan verdienen in de marge.

Wat nu?

We hebben geleerd dat de databanken van Web of Science, voor zover u er al toegang zou toe hebben, niet zomaar met een zoekopdracht betrouwbare informatie geven en dat er een hele strategie aan te pas komt om het te gebruiken, al helemaal in een veld dat drie decennia geleden nog op het plan Hoffmann-Krayer dreef. En voor wat er in het paradigma van het borgen van immaterieel cultureel erfgoed nodig is en hoe het Plan Eugene Garfield daar van nut kan zijn, daarvoor moeten we misschien best terug naar de prille beginperiode, toen naar referenties aan de praktijk, in casu van rechters en advocaten in de Verenigde Staten. Verwijzen naar stabiele internetadressen of andere fenomenen, opent een weg die bijvoorbeeld Google al twee decennia met succes bewandelt. Dit uitwerken, “sauter”, is voor een andere bijdrage.

47 Y. Ho, ‘Comments on: Li et al. (2019) “Bioelectrochemical Systems for Groundwater Remediation: The Development Trend and Research Front Revealed by Bibliometric Analysis” Water, 11, 1532’, Water 12:6, 2020, DOI10.3390/w12061586; Y. Ho, ‘Comments on: Li et al. (2020) ‘Knowledge structure of technology licensing based on co-keywords network: A review and future directions’, in: International Review of Economics & Finance, 66, p. 154-165’; International Review of Economics & Finance 75, 2021, p. 267-268; Y. Ho, ‘Better methods and search words to improve bibliometric studies’, Current Science 121: 12, 2021, p. 1521.

Wat betreft het gebruik van het plan Eugene Garfield zoals het door Clarivate nu wordt gebruikt, maakt het een verschil hoeveel spelers in een veld zitten en hoe die zich organiseren. In de jaren 2020 is het zowel binnen UNESCO als Europa, en misschien binnenkort in Vlaanderen, een strategie om zoveel mogelijk onder het koepelconcept “erfgoed”, zeer transdisciplinair, onder te brengen en kritische massa te genereren. Het maakt een aantal schaalvoordelen mogelijk. Iets soortgelijks geldt in de academische sector. Het groepje tijdschriften dat bij elkaar gevoegd is onder de noemer “folklore studies” in Web of Science is klein en niet goed geïntegreerd. Iets proberen te doen aan de publicatie- en citeercultuur in het veld dat folklore/volkscultuur/ cultuur van alledag/immaterieel en ander erfgoed bestudeert of toch minstens door Deepl-behandelbare PDFs aan te bieden aan internationale onderzoekers, is laaghangend fruit, maar ook een druppel op een hete plaat. Een van de speerpunten van het 21e-eeuwse erfgoedparadigma is de werking met de 2003 UNESCO-conventie voor het borgen van immaterieel cultureel erfgoed en een van de hefbomen is daar om het woord “folklore” te vermijden in de 21e eeuw. En de tijdschriften waarvan men verwacht dat ze steeds meer aandacht aan dat globale UNESCO-paradigma besteden, opereren samen onder een vlag die net wordt vermeden. Zo is het moeilijker om elkaar te vinden en elkaar te versterken. Hoe kan “erfgoed”(studies) dan functioneren? Wat moet er veranderen of verbeteren? Dit wordt in een vervolgbijdrage onderzocht. Hoewel beleidsmakers en evaluatiecommissies in universiteiten en ministeries dit niet altijd (willen) snappen, legde Yves Gingras een vinger op een wonde:

“The absolute number of citations means little in itself or in comparison with other disciplines and always should be interpreted in relation to the practices of the discipline of the researcher at a given time. Not surprisingly, biomedical sciences have the most cited articles, and humanities the least cited, not because of their different “scientific impact”, but mainly as a consequence of the different citing cultures of these fields”.48

Een belangrijk, hopelijk snel weggewerkt probleem is dat in het brede veld van erfgoedwerk en -beleid velen zelfs geen toegang hebben tot Web of Science en door de betaalmuren die er lang bestonden ook niet veel recente wetenschappelijke literatuur meer lezen of volgen, laat staan produceren. En als studies mensen raken of inspireren, resulteert dit niet steeds in publicaties of wordt dat niet gecapteerd, waarbij dit niet wordt gemeten. Bovendien wordt in de erfgoedsector vaak niet in wetenschappelijke tijdschriften gepubliceerd of gezocht, maar wordt verwezen naar boeken, naar websites of vakbladen. In Vlaanderen is het meest impactrijke tijdschrift op beleid en praktijk in Vlaanderen wellicht Faro. Tijdschrift over Cultureel Erfgoed maar dat is niet ontsloten in Web of Science, telt academisch niet mee, …: impactrijk maar wetenschappelijk onzichtbaar. Dergelijke publicaties of boeken, ook al worden die wellicht meest gelezen, tellen niet mee of worden niet zo serieus meegenomen, omdat er geen impactfactor aan wordt meegegeven. Terwijl

48 Gingras, Bibliometrics, p. 14.

in disciplines als scheikunde heel veel medewerkers worden meegenomen, bij wijze van grap tot de favoriete labokat toe, blijft dit ongebruikelijk in menswetenschappen, waardoor er een vermenigvuldigingsfactor wordt gemist.

Waarom zouden beleidsmakers het in hun hoofd kunnen halen om bibliometrische parameters, gebaseerd op impactfactoren van tijdschriften of geaccumuleerde resultaten van citaties, een cruciale plaats te geven in de financiering van instellingen (waardoor die op hun beurt dit ook organiseren en bepaalde praktijken afdwingen in hun instellingen)? Gingras: “It is only in the mid-1990s that the integration of bibliometric data in university-funding formulas appeared in Australia, followed by Flanders Belgium in 2003. (….) These allocation systems, which push institutions to increase the number of publications, have been heavily criticized by scientists. In Australia, these criticisms led the government to abandon the original system.”49 In Vlaanderen bestaat dit nog steeds, iets wat voor exactwetenschappelijke takken van erfgoedwerk (zoals innoverende conservatie-restauratie) een voordeel is maar voor bijvoorbeeld immaterieel erfgoed of volkskunde/etnologie/folklore studies een uitdaging. Wat een contrast met Nederland, waar mensen in NWO-commissies die grote onderzoeksfinanciering (Veni, Vidi, …) verdelen de raad krijgen om met impactfactoren en cijfers over citaten in Web of Science absoluut geen rekening te houden, waarbij het soms zelfs niet toegelaten is impactfactoren op te geven. Er wordt aangedrongen om rekening te houden met publicatieculturen, als ze voor bepaalde velden bestaan en in beeld gebracht zijn.50

Voor wie zoals de meeste mensen niet (meer) aan een universiteit of onderzoeksinstituut werkt, zijn dit wellicht niet echt prangende problemen. Ook al vindt men het misschien jammer dat een en ander niet juist loopt voor studenten of beginnende onderzoekers die de toekomst van het vakgebied moeten helpen waarmaken en het in dit werkveld moeten opbouwen. Hoe kunnen zij springen in het tweede kwart van de 21e eeuw en hoe kunnen actoren buiten die systemen hiervan mee profiteren? Het hele systeem van zoeken, vinden, publiceren en ontsluiten moet worden herbekeken en nieuwe methodes moeten worden ontwikkeld voor transdisciplines zoals “kritische erfgoedstudies” en daar al dan niet (gedeeltelijk) onder vallende of opererende inter- of transdisciplines als “volkskunde”, “etnologie” of “folklore studies”. Dus vooral in contactzones waar beleid, theorieën en praktijken elkaar beïnvloeden en kunnen versterken. Het plan Hoffmann-Krayer is opgegeven. Het plan Eugene Garfield heeft een goede aanzet gegeven maar volstaat niet in huidige toepassingen. Computertechnologie, vertaalsoftware en nu ook artificiële intelligentie maken veel mogelijk. Of een nieuw plan het antwoord op vele van deze uitdagingen is, is maar de vraag. Een of meerdere algoritmes, nieuwe methodes om elektronische dataverwerking onder controle te krijgen en nieuwe verhoudingen tussen repertoires, archieven en ”bewaren als” (save

49 Gingras, Bibliometrics, p. 52-53.

50 Zie bijvoorbeeld https://www.nwo.nl/onderzoekers-kijk-niet-alleen-naar-wetenschappelijkekwaliteit (bezocht op 26-2-2024) of https://www.nwo.nl/publicatieculturen-nwo-domein-sociale-engeesteswetenschappen (bezocht op 26-2-2024).

fragmentair bibliometrisch onderzoek naar en in “volkskundige tijdschriften”

as, en in casu ook safeguarding)51 kunnen worden gezocht. Hoe springen we nu best, zeker nu we bijna een kwarteeuw later zijn? Als tijdschrift, als auteurs en lezers, als (deel)sector, als erfgoedveld …? Kunnen machines dit voldoende leren of blijft het iets van groepen en netwerken van mensen(werk)? Tot het stellen en aanpakken van deze vragen, heeft de in dit themanummer samengebrachte reeks artikelen onder de gelegenheidsrubriek “reculer pour mieux sauter” een aanzet gegeven in het veld van erfgoedstudies, -beleid en -praktijk in de 21e eeuw in het algemeen en voor het paradigma van het borgen van immaterieel erfgoed in het bijzonder. Wordt vervolgd.

51 D. Taylor, The Archive and the Repertoire. Performing Cultural Memory in the Americas, Durham, Duke University Press, 2003 en D. Taylor, ‘Save As... Knowledge and Transmission in the Age of Digital Technologies’ Imagining America7, 2020, https://surface.syr.edu/ia/7 (bezocht op 31-12-2023).

RECENSIES

Kevin Absilis, Het slechte geweten van Vlaanderen. Nationalisme, racisme en kolonialisme in de tijd van Hendrik Conscience, Leuven, Davidsfonds Uitgeverij, 1922, 287 blz., ill., ISBN 978-90 223 3853 7, € 27,99.

Ze hingen boven het bureau van mijn vader zaliger: twee vuilgroene gipsen bas-reliëfs, elk iets kleiner dan een A4’tje. De ene stelde Peter Benoit voor, met de tekst: “Hij leerde zijn volk zingen” en de andere Hendrik Conscience, uiteraard met het inmiddels gekende “Hij leerde zijn volk lezen”. Jammer genoeg zijn beide objecten in een of andere verhuisbeweging in een afvalcontainer beland. Misschien wel tekenend of symbolisch voor

het lot dat beide heren tot voor kort beschoren was: aan de rand van de muzikale en literaire vergeetput. Vooral Conscience heeft het moeten ontgelden: hij schrijft saaie, vervelende en veel te lange romans, hanteert een bombastische en moeilijk verteerbare taal, neemt een loopje met de geschiedenis, leerde niet enkel zijn volk lezen, maar ook vreemdelingen wantrouwen, en nog van dat fraais.

En toch heeft auteur dezes –ongetwijfeld samen met vele anderen – genoten van zijn Baas Gansendonck en De Loteling. En toch ligt hij onmiskenbaar aan de basis van de ontwikkeling van het Vlaamse nationale bewustzijn en kan hij eigenlijk niet gewist worden uit het Vlaamse collectief geheugen.

Erger is dat hij blijkbaar het slechte geweten van Vlaanderen belichaamt “als verspreider van ultranationalistisch, racistisch en kolonialistisch gedachtegoed” (K. Absilis op de achterflap van zijn boek). En dat wil wat zeggen, zeker in de huidige tijden van woke. Zelfs L.P. Boon en H. Claus waren er al als de kippen bij om Consciences Leeuw te beschouwen als een cocktail van geweld en racisme. “Voor Hugo Claus stond het als een paal boven water: Hendrik Conscience grossierde in ‘racistische kenmerken’” (p. 35). Kevin Absilis, docent Nederlandstalige literatuur en literatuurwetenschap aan de Universiteit Antwerpen, stelt zich de vraag waarom Conscience zo vaak dergelijke beschuldigingen moest

incasseren en wat hij precies dacht over migratie, slavernij en koloniale repressie. Zijn er wel degelijk bewijzen van Consciences donkere gedachten? Worden hem geen woorden in de mond gelegd die hij nooit heeft uitgesproken? Was hij werkelijk dat kleinburgerlijk mannetje dat in een quasi onleesbare taal sociaal onrecht predikte, vreemdelingenhaat en racisme? Het zijn immers al bij al niet de kleinste morele beschuldigingen. Bij dat alles moet Conscience zich ongetwijfeld al meerdere keren in zijn graf op het Schoonselhof hebben omgedraaid...

Alvast probeert Absilis in de eerste plaats Conscience te benaderen vanuit zijn eigen tijdsbeeld en vanuit zijn eigen teksten – niet van wat anderen er over beweerden. Vanuit dit perspectief slaagt de onderzoeker erin om een veel genuanceerder beeld te schetsen van de schrijver. “We onderzochten namelijk de vraag of Conscience migranten en etnische buitenstaanders als een bedreiging voor het voortbestaan van de Vlaamse (of Belgische) natie presenteerde. Dit blijkt in tamelijk overweldigende mate niet zo te zijn, in tegenstelling tot beweringen die hierover de ronde doen.” schrijft Absilis.

Wanneer men het vandaag de dag heeft over concepten zoals racisme, kolonialisme, slavernij, identitaire bewegingen, nationalisme of vreemdelingenhaat, beseffen we allemaal best dat je bijzonder voorzichtig moet zijn om niet op een van de vele lange tenen te trappen. Daarom is het knap en verrijkend – soms ontluisterend –hoe Absilis probeert te achterhalen waarom Conscience aan die twijfelachtige reputatie is geraakt, of beter: hoe zij op zijn rug werd gespeld. Het grondig onderzoek herstelt

zonder meer de mens Conscience in zijn eer, maar kan uiteraard niets veranderen aan de stijl van de auteur. Met klem - en met de nodige overtuigende argumenten uit de originele teksten (Absilis herlas gans Conscience) – argumenteert Absilis dat Conscience “de radicalisering van de Vlaamse beweging niet heeft meegemaakt, uiteraard ook nooit heeft gepromoot en dat zijn werk op de keper beschouwd wars was van de illusies over manhaftigheid en raszuiverheid die in de twintigste eeuw tot humanitaire catastrofes zou leiden.” (p. 224).

Vandaag de dag nog getuigen tal van extremistische nationalisten van een grote haat tegenover al was Frans is of klinkt. Een dergelijke nochtans zeer uitgesproken houding - Al wat wals is vals is – had bij Conscience niets te maken met racisme of vreemdelingenhaat – zijn vader Pierre Consciene was overigens van Besançon afkomstig. Wel dient een en ander gezien te worden als verzet tegen het imperialisme van Frankrijk, voor en na Napoleon, en dus als een bedreiging voor de eigen aard en beschaving. Dit had totaal niets met racisme of vreemdelingenhaat te maken. (p. 227) “In het Vlaanderen van de negentiende eeuw hoefde je om te beginnen heus geen verstokte flamingant te zijn om de Fransen met dwingelandij en terreur te associëren.” (p. 59) Overigens inspireerde “de patriottische bezieling [...] Conscience tot een groots opgezette roman waar zijn antiimperialistische boodschap sterker dan ooit uit opklonk: De Boerenkrijg (1853).” (p. 62). Dat is helemaal iets anders dan “extreemrechts” uitvinden en xenofobie propageren... Daarenboven blijkt uit zijn teksten

dat bij Conscience “de sociale gelaagdheid van de natie” prioritair was ten aanzien van “haar culturele en etnische verscheidenheid” (p. 227).

De reputatieschade van Conscience kwam van twee kanten. De enen beschouwden hem als de grondlegger van de Vlaamse beweging en identiteit, terwijl anderen in het verlengde daarvan hem racisme, ultranationalisme en kolonialisme toedichtten. Dat maakt dat Conscience door links verguisd werd en vaak herleid tot een karikatuur, en door rechts gecanoniseerd c.q. misbruikt.

Deze herhaalde beschuldigingen, zo besluit Absilis, missen evenwel elke goede grond (p. 215). Conscience kan in geen enkele mate verantwoordelijk gesteld worden voor hedendaagse vreemdelingenhaat, ultranationalisme of racisme. Zijn ideeëngoed hoefde dus echt niet zo omstreden te zijn als het in de vorige eeuw - en nu nog – was.

Soms heeft de lezer de indruk dat Absilis een bijna politioneel onderzoek voert: is Conscience schuldig of niet? De vragen van de onderzoeker zijn even divers als duidelijk: “wat vond de schrijver van kolonialisme en van slavernij? Welk beeld schetst hij in zijn werk van onder meer Afrikanen, Joden en oorspronkelijke Amerikanen? Hoe verbeeldde hij de Vlaamse natie [...] opvattingen over migratie en interculturele uitwisseling [...] etnische stereotypen” (p. 14). Daarbij kijkt Absilis eveneens naar gelijkaardige teksten, opinies en ideeën bij tijdgenoten van Conscience. Naar onze bescheiden mening is hoge kwaliteit van de grondige analyse van Absilis gebaseerd op drie krachtlijnen: (1) Conscience heeft wel degelijk veel méér geschreven dan De Leeuw van Vlaanderen, je moet

dus gans zijn oeuvre in aanmerking nemen. (2) Om de correcte impact van de teksten van Conscience te begrijpen moet je nagaan hoe zijn tijdgenoten omgingen met de door de schrijver behandelde thema’s. (3) Conscience moet je niet lezen als een auteur van de 20e eeuw, maar wel degelijk vanuit het perspectief en het ideeëngoed van de 19e eeuw. Al te zeer werd vrij radicaal-links zowel als rechts gedachtegoed, vooral uit de 20e eeuw, geprojecteerd op het werk van Conscience, als lag hij er aan de basis van. Het is, zo blijkt overduidelijk uit de studie van Absilis, de man fundamenteel onrecht aandoen. Conscience kan in vrede rusten. Er zijn immers geen excuses meer om hem van wat dan ook te beschuldigen. QED.

Alex Vanneste

Geert Berings, Hak om, die boom. Een verhaal van de kerstening in Vlaanderen, Deurne, Uitgeverij Ertsberg, 2023, ill., 314 blz., ISBN 978 94 6475 014 0 (ISBN e-boek: 978 94 6475 023 2); € 27,95.

De introductie van het christendom in Vlaanderen – de kerstening – zou volgens de traditie – de legende? – in belangrijke mate het werk geweest zijn van de heilige Amandus. De missionaris zou in de 7e eeuw Vlaanderen hebben aangedaan, hier het geloof hebben verspreid, tal van mensen hebben bekeerd en meerdere mirakels hebben verricht. Hij gaat door als de stichter van de Gentse Sint-Baafsabdij en van verschillende kerken en andere abdijen. De voorwaardelijke wijs in deze inleiding is ingegeven door het feit dat er over de heilige man in kwestie bijzonder weinig geloofwaardige bronnen beschikbaar zijn. Het was dan ook een kolfje naar de hand van een

doorgewinterd historicus als Geert Berings (°1957) om het toch te wagen een ernstig onderzoek over Amandus op te zetten en te publiceren. En dit nadat hij tijdens zijn studies geschiedenis al een masterproef had geschreven over de betrokken heilige.

De zoektocht naar bruikbaar bronnenmateriaal is altijd een boeiende aangelegenheid. Maar wat doe je als je plots vaststelt dat een aantal bronnen verwijzen naar Amantius, een andere missionaris die 300 jaar voor Amandus leefde? Zeker als blijkt dat die Amantius – dus een naamgenoot van Amandus – eigenlijk ongeveer hetzelfde blijkt te hebben gedaan als Amandus zelf: preken, bekeren, mirakels verrichten, enz.

Hoe dan ook blijkt dat de biografen van Amandus alles hebben opgetekend “van horen zeggen”, wellicht naar het model van andere heiligenlevens, zoals dat van Martinus, dat dateert uit de 4e eeuw. Dat was een vrij courante praktijk – het sjabloon is duidelijk: missionarissen preken nu eenmaal altijd, verrichten mirakels, laten kerken bouwen, stichten abdijen, enz. – zodat het vaak heel moeilijk is om de werkelijkheid te scheiden van de inventio. Overigens was het vaak zo dat één enkel mirakel volstond om het statuut van heilige te verwerven. Misschien is veel van wat opgetekend werd over Amandus in vrij grote mate een al dan niet bewerkte kopie van wat de hagiograaf toen wist over het leven van de heilige Martinus. Een kritisch onderzoek van de verhalen en bronnen drong zich dus volgens Berings op.

De 7e eeuw in onze contreien wordt beschouwd als een overgangsfase van de heidense natuurgodsdiensten naar het christendom, ook al dateren de meeste teksten over deze periode van

enkele eeuwen later. Wie iets of wat af weet van het vroegere polytheïsme en van de natuurgodsdiensten, zal ook weten dat elementen uit die periode nog min of meer aanwezig zijn in onze huidige traditionele christelijke feesten en gewoonten, weze het dan onder een andere en vaak “gekerstende” vorm. Heidense rituelen werden immers vaak vervangen door christelijke, maar de “heilige” bomen van de heidense voorouders werden wel systematisch omgehakt door de missionarissen. Overigens wijst het beeld van omgehakte bomen voor de auteur niet enkel op het uitroeien van heidense gebruiken, maar ook op zijn bedoelingen om oubollige en vaak gefantaseerde ideeën over de “bekering” van Vlaanderen uit de weg te ruimen.

De studie van Berings omvat drie grote delen. Allereerst en voornamelijk neemt de auteur een lange aanloop vanaf de 1e eeuw voor Christus om uiteindelijk terecht te komen in de 7e eeuw (149 blz.) In welke mate hebben de Romeinen landschap, cultuur en mens beïnvloed na de overheersing? En hoe zijn daaropvolgend de Germanen uiteindelijk omgegaan met de romanisering? Daarbij concentreert hij zich hoofdzakelijk op de ruime Scheldevallei, een regio waarover slechts fragmentaire informatie beschikbaar is, in tegenstelling met tal van andere vooral zuidelijker liggende gebieden. De auteur kenmerkt zijn zoektocht als “Het zwarte gat benaderen” (p. 12). Dit zeer uitgebreid hoofdstuk – zowat de helft van het boek – heeft nauwelijks rechtstreeks iets te maken met Amandus, wat niet belet dat Berings hier zijn vertellerstalent bijzonder goed weet te gebruiken om een zonder meer mooi en historisch gefundeerd

verhaal te vertellen over de vrij donkere en soms verwarde periode tot aan de 7e eeuw, dus voor de komst van Amandus. Op zich is dit uitgebreid hoofdstuk in feite een afzonderlijke publicatie waard. Daarbij illustreert de auteur zijn bevindingen en beschrijvingen op een vrij originele wijze, te weten o.a. door verslagen van persoonlijke bezoekjes en tochtjes naar allerlei historische plaatsen die in zijn verhaal aan bod komen. Op die wijze kan hij trouwens de resultaten van het meest recente archeologisch onderzoek doeltreffend integreren in zijn boek, naast die van, uiteraard, het traditioneel wetenschappelijk historisch onderzoek.

Vervolgens probeert Berings een synthese te maken over wat er op grond van het karig archiefmateriaal geweten is over “Amandus, de man achter de heilige” in de 7e eeuw (77 blz.) Een degelijk overzicht en grondige studie van de bronnen dragen duidelijk bij tot het sérieux van dit boek, net als, o.a., het relaas van de reizen van Amandus, zijn (al dan niet zogezegde) mirakels, zijn verhouding met machthebbers (zoals Dagobert) en zijn relatie met Rome. Onrechtstreeks was de materiële steun van koning Dagobert t.a.v. Amandus eigenlijk een “koninklijke” strategie met het oog op een betere controle van de noordelijke gebieden (p. 236). Onze heilige in spe wist zich overigens ook te verzekeren van de steun van de bisschoppen.

Tot slot behandelt onze historicus in het derde hoofdstuk het werk van Amandus in de Scheldevallei (65 blz.). De oorspronkelijk uit de omgeving van het Franse Nantes komende man kwam via Noord-Frankrijk naar onze streken. Men kan zich in dit verband uiteraard afvragen hoe hij

communiceerde met de plaatselijke bevolking. De gedegen historicus die Berings is, aarzelt niet om verhalen over een aantal “mirakels” die aan Amandus werden toegeschreven te counteren – de waarheid heeft haar rechten en vroegmiddeleeuwse hagiografen maakten er geen probleem van om de verhalen wat “straffer” te maken, natuurlijk met de bedoeling overtuigend te klinken en zieltjes te winnen. Einde 16e eeuw zou de Franse Henri IV bij zijn kroning de legendarische woorden “Paris vaut bien une messe” hebben uitgesproken, waarmee hij wilde aangeven dat zijn bekering tot het katholicisme een “nuttige” inspanning was om de troon te kunnen bestijgen. Wij zouden deze bekende historische zin kunnen parafraseren; “Une conversion vaut bien un mensonge” en stellen dat toenmalige kroniekschrijvers en hagiografen een analoog principe hanteerden waarbij het verzinnen (?) van een mirakel nuttig was of kon zijn in de bekering van heidenen en goddelozen. Berings is bijzonder eerlijk in zijn betoog: hij is niet de historicus die eens en voor altijd alle historische waarheden zal of wil verkondigen. Hij blijft kritisch t.a.v. het bronnenmateriaal en in de wijze waarop hij het benadert. Dat belet niet dat hij ons een bijzonder gedetailleerd inzicht verschaft over de duistere vroege middeleeuwen, een periode die in veel geschiedenisboeken nauwelijks op een gestructureerde wijze wordt behandeld. Het kersteningsverhaal brengt hij op een bijna holistische wijze t.t.z. niet enkele vanuit een puur religieus of kerkhistorisch perspectief. Hij volgt daarin zijn Gentse leermeester

Ludo Milis die het verloop van de kerstening in en van West-Europa in drie fasen opdeelt. Berings situeert zijn boek tijdens de eerste fase. Het is de periode waarin de kerk en de wereldlijke macht een nieuw sociaal collectief gedrag opleggen door onder meer alle publieke manifestaties in een exclusief christelijke vormgeving te bedden, zoals door de bouw van kerken, het inrichten van christelijke begraafplaatsen, de algemene verspreiding van kruisen, de organisatie van processies allerhande, de invoer van een liturgische kalender, enz. De tweede fase wordt gekenmerkt door de aanpassing van het individueel uiterlijk gedrag en de derde door de beïnvloeding op het inwendige gedrag van de mensen (blz. 300-301). Het boek van Berings bulkt misschien van feitjes en interessante weetjes, maar zij worden wel op een logische, verantwoorde, aangename en zeer leesbare wijze aangebracht, en zonder storend wetenschappelijk jargon. Kortom: geschiedenis zoals wij ze graag lezen.

Alex Vanneste

Jan-Auwke Diepenhorst, Rivalen in het beloofde land. Een geschiedenis van Joden en Palestijnen, Utrecht, Uitgeverij Omniboek, 2023, 528 blz., ISBN 9789401919227 - ISBN e-boek 9789401919234. € 34,99 en € 14,99.

Spreken of schrijven over de JoodsPalestijnse kwestie is altijd een beetje ongemakkelijk: het is een eeuwenoude en complexe zaak en, eigenaardig genoeg, zowel gemakkelijk als moeilijk om een kant te kiezen, ... Het boek van Diepenhorst “probeert het verleden te begrijpen, om zo beter over de toekomst te kunnen spreken.” (p. 14.) Een torenhoog cliché, maar toch niet zo zinloos: velen kennen immers de ware teneur of geschiedenis niet van de JoodsPalestijnse kwestie. Dat leidt natuurlijk vlug tot uitspraken waarbij zonder veel ernstige argumenten – of met verkeerde argumenten – positie wordt gekozen en vooroordelen de wereld worden ingestuurd.

Diepenhorst beweert in zijn boek geen stelling in te nemen, vooral door gewoon beide partijen afzonderlijk aan het woord te laten. In feite poogt hij de geschiedenis van het conflict te vatten rond 8 biografieën van belangrijke protagonisten ter zake: Flavius Josephus (41 bladzijden), Theodor Herzl (10 bladzijden), Chaim Weizmann (17 bladzijden), Jacob Israel de Haan (20 bladzijden), Moefti Amin el-Hoesseini (51 bladzijden), David Ben-Goerion (109 bladzijden), Golda Meir (94 bladzijden) en Yasser Arafat (119 bladzijden). Als de meningen soms diametraal tegenover elkaar staan, is er echter toch wel één rode draad of element dat steeds terugkomt, bij de enen zowel als bij de anderen, met name het bestaansrecht van de staat Israël zowel als dat van een Palestijnse staat. Sinds mensenheugenis bewonen beide volkeren hetzelfde gebied. Men reduceert gewoonlijk de geschiedenis van het conflict tot de laatste 75 jaar. Het moge dan ook duidelijk zijn dat Ben-Goerion, Meir en Arafat de meeste aandacht krijgen, met name ruim de helft van het boek. Maar eigenlijk situeren de diepste wortels van het conflict zich veel verder in het minder bekende verleden. Laten we proberen om samen met Diepenhorst aan de hand van een aantal belangwekkende historische feiten en personages de evolutie van vooral de eerste fasen van dit conflict te onderzoeken.

De eerste indicaties situeren zich in het jaar 68, in Jeruzalem, wanneer de Romeinen de stad innemen en de tempel verwoesten na een opstand van de plaatselijke Joodse bevolking. 40.000 Joden vinden de dood en 12.000 worden weggevoerd in slavernij. Tussen 132 en 136 volgt nog

een tweede opstand die zal leiden tot verdere verspreiding van Joden in de diaspora, vooral rond Middellandse Zee en over Europa. Een en ander is ons bekend door de historische teksten van Flavius Josephus. In de daaropvolgende eeuwen zien we verschillende migratiegolven naar en vanuit Israël en van de ene diaspora naar de andere. Tussen de 3e en 10e eeuw leven er vooral grote kolonies Joden in Babylon, maar ook in Spanje, Portugal en Frankrijk. Uiteindelijk willen de meesten onder hen ooit terug naar Israël. De Joden assimileren zich echter bijzonder slecht met de lokale bevolking, waar ze ook zijn. In de 15e eeuw zijn de Joden dan ook niet meer welkom in West-Europa, vooral niet in Engeland en Frankrijk: velen onder hen vluchten naar Oost-Europa. Tijdens de Verlichting zullen zij in feite uiteenvallen in drie groepen: de orthodoxe Joden, de gematigd orthodoxe en de progressief-liberale. Rond 1700 leefden er zowat één miljoen Joden in de wereld. En in 1900 leefden er 10,6 miljoen Joden over de ganse wereld, waarvan 90% in Oost-Europa.

De in 1860 geboren Theodor Herzl merkt dat assimilatie van de Joden niet werkt: zij worden vaak uitgespuwd en worden het slachtoffer van groeiend antisemitisme. Kortom, zij hebben een eigen staat nodig, zo predikte Herzl – waardoor sommigen hem beschouwen als een van de belangrijkste personages van de zionistische beweging. Hijzelf zal op een congres in Bazel (1897) expliciet het zionistisch axioma poneren, wat hem later doet verklaren: “In Bazel heb ik de Joodse staat opgericht.” Inmiddels houdt de migratie naar Israël niet op, met o.m. de bouw van nederzettingen (de eerste kibboetsen),

landaankopen en de bouw van de eerste Joodse stad: Tel Aviv (1909).

Ook Chaim Weizmann (°1874) was een overtuigd zionist, belangrijk voor het zogeheten Joods Nationaal Tehuis (in feite een Joodse staat). Aanvankelijk was hij natuurlijk tegen het verzet van de PalestijnsArabische bevolking. Hij leefde in Rusland, Zwitserland en Engeland. Tijdens de Eerste Wereldoorlog stonden veel Joden in de talrijke diaspora evenwel voor een moeilijke keuze. Weizmann was betrokken bij tal van onderhandelingen waarbij aan de nationalistische Palestijnen zou beloofd geweest zijn dat zij een deel van een Arabische staat zouden worden. Vanaf 1916 onderzochten een Britse en een Franse diplomaat, Sykes en Georges-Picot, hoe het Ottomaanse Rijk moest verdeeld worden. Palestina was belangrijk voor het christendom, het jodendom zowel als voor de islam. Toch vaardigde het Verenigd Koninkrijk in 1917 de Balfourverklaring uit waarbij Palestina werd beschouwd als een landstreek die uiteindelijk (ook) een nationale thuis moest worden voor het Joodse volk. Op de Conferentie van Versailles (1919) en in San Remo klonk daar hevig verzet tegen vanwege de Arabische landen. Immers, de Joden leken volgens de Balfourverklaring staatkundige garanties te krijgen, terwijl de moslims en de christenen enkel burgerlijke en religieuze rechten kregen (p. 85). Na de Eerste Wereldoorlog werd het gebied tussen de Middellandse Zee en de Jordaan uiteindelijk Brits mandaatgebied. Palestina had voordien al zowat 4 eeuwen tot het Ottomaanse Rijk behoord. In 1922 keurde de Volkenbond het principe goed dat het gebied werd opgedeeld in Palestina

en het afgesplitste Transjordanië, een Arabisch koninkrijk onder Hasjemitisch bewind.

De volgende in de rij bij Diepenhorst is Jacob Israël de Haan (1881-1924), een Joodse zionist. Na de Balfourverklaring emigreert hij in 1919 naar Palestina om de toestand ter plaatse te onderzoeken: hij ziet in de eerste plaats de onlusten en de wijze waarop de Joden de Palestijnen aanpakken. Ondanks alles, vooral ondanks zijn eerdere standpunten, wordt hij een fervent antizionist, zodanig dat Ben-Goerion hem als een verrader beschouwt. Niemand kon evenwel blind blijven bij het steeds sterker wordend Arabisch nationalisme. De Haan was voorstander van een regeling waarbij Joden en Palestijnen op gelijke voet zouden behandeld worden. Hij oordeelde dat onderhandelingen met Arabische leiders daartoe een geschikt middel waren. In 1924 wordt hij vermoord door een lid van een zionistische paramilitaire organisatie. Moefti Amin al-Hoesseini (1897-1974) was een Palestijnse nationalist, en later als grootmoefti van Jeruzalem een belangrijk islamitisch leider. Al tijdens de Eerste Wereldoorlog verzette hij zich tegen zowel de zionisten als tegen de Balfourverklaring. In 1920 werd hij veroordeeld omwille van zijn aandeel in gewelddadige protesten in Jeruzalem. De Britten verleenden hem evenwel een jaar later amnestie. Hij werd grootmoefti van Jeruzalem en nam belangrijke bestuursfuncties waar in het islamitisch bestel, wat hem bijzonder veel mogelijkheden verschafte om het zionisme te bestrijden: nationalistische propaganda, bewapening van medestanders die pogroms uitvoerden. In 1931 organiseerde

hij in Jeruzalem het tweede panislamitisch congres. Hij had ook de eigenlijke leiding van de grote en bloedige Palestijnse opstand van 1936 tot 1939 tegen de Joden en de Britten en zelfs tegen gematigde Palestijnen die wilden onderhandelen met de Joden. Die opstand zou ook gesteund geweest zijn – via wapenleveringen –door de nazi’s. De man die probeerde de eenheid onder de Arabische landen te behouden, werd door de Britten veroordeeld en vluchtte naar Libanon en later naar Irak. Hij bleef evenwel actief vanuit het buitenland. Na de oorlog vluchtte hij naar achtereenvolgens Zwitserland, Frankrijk en Egypte. Gesteund door de moslimbroederschap leidde hij van 1948 tot 1959 een Palestijnse regering, maar die werd als dusdanig niet erkend door Jordanië. Hij blijkt een belangrijke inspiratiebron te zijn geweest voor Yasser Arafat.

De komst van talrijke Joodse migranten bleef een doorn in het oog van de Arabieren. Het streven naar een eigen Joodse staat – het zionisme - wordt nog sterker na de Holocaust: de Palestijnen beschouwen dat als een bezetting van hun grond en verhevigen de opstand. Na de Tweede Wereldoorlog wordt Palestina in 1947 opgedeeld in een Joodse en een Arabische staat; Jeruzalem komt onder internationale controle. De steeds groeiende inwijking van Joden afkomstig uit de hele wereld en de verdeling van het land door de Verenigde Naties blijven evenwel stuiten op hevig verzet bij de Palestijnen. Zionisten willen hun aandeel binnen Palestina vergroten en de Arabieren willen te allen prijze beletten dat er ooit een Joodse staat komt.

Op 14 mei 1948 roep de Joodse voorman David Ben-Goerion (18861973) – met achter zich een sterk leger – de onafhankelijkheid van Israël uit. De Palestijnse reactie volgt meteen: de oprichting van de Palestijnse Nationale Raad. Na de Joods-Palestijnse oorlog van 1948 leiden de vijandelijkheden in 1949 tot een herverdeling van het land op grond van de VN-resolutie 181: nu krijgen de Joden niet 55, maar wel 80 procent van Palestina, Gaza valt onder de controle van Egypte en de Westelijke Jordaanoever onder die van Jordanië. Ruim 700.000 Palestijnse vluchtelingen worden uit hun woonplaatsen verdreven (Al Nakba, de catastrofe) naar Gaza (onder Egyptische controle), de Westelijke Jordaanoever (onder controle van Transjordanië, nu Jordanië) en buurlanden. Nu leven er nog een kleine 6 miljoen nakomelingen van die gevluchte Palestijnen in de vermelde gebieden. Ben-Goerion is 15 jaar lang premier geweest van de staat wiens onafhankelijkheid hij had uitgeroepen. Hij ging ervan uit dat de Palestijnen oorspronkelijk eigenlijk Joden waren die hun Joodse afkomst waren vergeten...

Tijdens de Zesdaagse oorlog van 1967 breidt Israël zijn grondgebied uit door de verovering van de Westelijke Jordaanoever op Jordanië, van OostJeruzalem, van de Golanhoogte op Syrië, van Gaza en tenslotte van de Sinaï op Egypte. De internationale gemeenschap erkent evenwel de annexatie van de Golanhoogte en van Oost-Jeruzalem niet. Na die bezettingen trekt Israël zich later terug uit Gaza. Het geeft Hamas de kans om er langzaam maar zeker zijn macht op te bouwen. Later zal Israël de Westelijke Jordaanoever onder

militaire controle stellen. Tegen het internationaal recht in bouwen kolonisten Joodse nederzettingen in de veroverde gebieden. De facto leidt dit tot een verdere reductie van Palestijns grondgebied. Aangezien de Palestijnen geen georganiseerd leger hebben wordt het militair verzet gevoerd door milities zoals Fatah (en later Hamas) dat kapingen en terroristische aanslagen pleegt. De in Kiev geboren politica Golda Meir (1898-1978) was premier van 1969 tot 1974. Die periode wordt gekenmerkt door bijzonder gewelddadig verzet van de PLO: vliegtuigkapingen, bomaanslagen en vooral de terreuraanslagen van de PLO, inzonderheid in München (1972). In 1973 wordt Israël aangevallen door Syrië en Egypte, gesteund door andere Arabische landen – de Jom Kipoeroorlog. De wapenstilstand, na enkele weken, leidt tot de start van diplomatieke onderhandelingen tussen Israël en Egypte. Zij leiden in 1978 uiteindelijk tot de akkoorden van Camp David. Zo krijgt Egypte de Sinaï terug en belooft Israël om de Palestijnen autonomie te geven. Bij dit alles kan Israël rekenen op de steun van de VS en kan het een bijzonder sterk en goed uitgerust leger uitbouwen “om zijn grenzen te verdedigen”. De Arabische Liga verzet zich evenwel zeer sterk tegen deze akkoorden. Al bij al was Meir een relatief zwakke leider en kreeg zij haar regeringsleden niet op een en dezelfde lijn. In 1974 werd ze opgevolgd door Yitzchak Rabin.

De Palestijnse Bevrijdingsorganisatie (PLO) onder leiding van de waarschijnlijk in Egypte geboren Yasser Arafat (1929-2004) bestrijdt het zionisme en de Joden vanuit Jordanië en Libanon. De belangrijkste groep

binnen de PLO is Al Fatah, eveneens geleid door Arafat. Dat leidt in 1982 tot een Israëlische inval in Libanon met het doel er de PLO te vernietigen. De Palestijnen in Libanon krijgen het nog harder te verduren wanneer tijdens de Libanese burgeroorlog Libaneeschristelijke milities gruweldaden plegen op honderden Palestijnen in de vluchtelingenkampen Sabra en Shatila. Van 1987 tot in het begin van de jaren 80 woedt de eerste intifada, de Palestijnse opstand tegen de Joodse onderdrukking en tegen de verdere bouw van Joodse nederzettingen in Palestijns gebied. In 1993 sluiten Yasser Arafat en de Israëlische president Yitzchak Rabin echter de zogenaamde Oslo-akkoorden. Het bestaansrecht van Israël wordt erkend door de PLO en Israël trekt zich terug uit een groot deel van de bezette gebieden die voortaan onder Palestijns gezag vallen (met name van het vroegere PLO). Het statuut van Jeruzalem zou later geregeld worden. Dit alles was verondersteld het embryo te zijn van een Palestijnse staat op de Westelijke Jordaanoever en Gaza. Hoewel vooral het Westen Arafat de facto als een terroristenleider beschouwt, krijgt hij in 1994, na het sluiten van de Osloakkoorden, samen met Yitzchak Rabin en Shimon Peres de Nobelprijs voor de Vrede. “Het staat vast dat [Arafat] geloofde in een historisch compromis en in een tweestatenoplossing gebaseerd op aanvaarde VN-resoluties, en dat hij het onderdrukte Palestijnse volk lange tijd hoop bood.” (p. 478) De bijzonder complexe en tere Osloakkoorden, de facto onuitvoerbaar, worden echter radicaal verworpen door de Palestijnse terreurorganisatie Hamas. Rabin wordt vermoord door Joodse extremisten en Palestijnen plegen

aanslagen op Joodse kolonisten. Vanaf 2000 woedt de 2e intifada en volgen terreur- en zelfmoordaanslagen van het radicaal-islamitisch Hamas elkaar op, met duizenden dodelijke slachtoffers: Hamas wil onder geen enkel beding de staat Israël erkennen. Israël trekt zich volledig terug uit Gaza dat nu volledig onder het gezag staat van dat extremistische Hamas en waarbij zelfs voorstanders van het meer gematigde PLO worden verdreven. De kleine strook langs de Middellandse Zee en aan de Egyptisch grens wordt door Israël compleet geïsoleerd en van de buitenwereld afgesloten: het is in feite een openluchtgevangenis. In 2003 begint Israël met de bouw van de zogeheten “veiligheidsmuur” op de Westelijke Jordaanoever.

Een nieuwe zinloze oorlog tussen Hamas en Israël is niet meer te vermijden (2014). Wanneer Donald Trump in 2017 Jeruzalem erkent als hoofdstad van Israël breken er in Gaza ernstige vijandelijkheden uit tussen de gekrenkte Arabieren en Israël. Er heerst inmiddels niet alleen geen vrede in die gebieden, er is evenmin afwezigheid van oorlog en geweld... Momenteel wonen er 3 miljoen Palestijnen op de Westelijke Jordaanoever en 450.000 Israëli’s in diverse nederzettingen.

In een epiloog beschrijft Diepenhorst nog kort de evolutie van de toestand tot in 2022. Tot in het najaar van 2023 een gruwelijke terroristische inval van Hamas met tal van Joodse dodelijke burgerslachtoffers in Israël wordt beantwoord door een al even gruwelijk en gewelddadig antwoord vanuit Israël met tal van dodelijke Palestijnse burgerslachtoffers in Gaza.

Het vergt een stevige inspanning van de lezer om het boek van Diepenhorst door te nemen. Het is niet alleen een dikke turf, maar bevat een indrukwekkende hoeveelheid aan feitenmateriaal en namen, ook van minder illustere protagonisten als Meir, Rabin, Peres of Arafat. Het is zeer moeilijk om in deze aangelegenheid volstrekt neutraal te blijven. Diepenhorst neigt nu eens naar de Palestijnse, dan weer naar de Israëlische kant – wat normaal lijkt, want een beschrijving of behandeling van de opeenvolging van conflicten kan moeilijk zonder enige inleving. Nochtans blijft de auteur consequent en objectief afstand houden van de partijen. “Voor een uiteindelijke oplossing van het conflict gaat het niet om het vaststellen van de historische waarheid en wie gelijk heeft, maar om begrip voor elkaars levensverhalen en situaties en om te beseffen hoe diep het trauma van de Holocaust zit bij Israëli’s en hoe dit nog steeds meespeelt bij allerlei beslissingen. Maar tevens hoe diep het trauma van de Nakba, de catastrofe, de vlucht van ruim 700.000 Palestijnen bij het ontstaan van Israël, is bij de Palestijnen en hoe dit van invloed blijft op hun besluiten en acties.” (p. 15).

Wie de moed heeft om de ruim 500 bladzijden van deze publicatie te trotseren, zal ongetwijfeld beslagen uit deze oefening komen. Diepenhorst verstaat immers de kunst om op een duidelijke wijze een complexe geschiedenis voor de ogen van de lezer te ontvouwen.

Dorina Dragnea, Emmanouil Ger. Varvounis, Evelyn Reuter, Petko Hristov and Susan Sorek, eds., Pilgrimage in the Christian Balkan World. The Path to Touch the Sacred and Holy, Turnhout, Brepols, 2023, 300 p., Ill., ISBN 978-2-503-60308-7; € 70

Pelgrimagestudies bloeien als nooit tevoren. Diverse uitgeverijen hebben zelfs speciale reeksen opgezet die aan het onderwerp gewijd zijn. Onderhavig volume heeft als bijzondere insteek de situatie in de Balkan, waar de meeste landen zich in jaren 1990 ontvoogden van een communistisch regime. Maar niet alleen dat maakt de regio bijzonder. Het is bovendien een smeltkroes van katholieken, orthodoxen en moslims die allen sinds de val van de muur hun religie opnieuw publiek mogen beleven, met als gevolg het openlijk praktiseren van religieuze rituelen, de resacralisering van heilige plaatsen, de promotie van oude pelgrimsoorden ter bevestiging van de eigen nationale

identiteit, het bouwen van nieuwe pelgrimsplaatsen als bezegeling van de goede samenwerking tussen kerk en staat.

De bedevaarten zijn nu al drie decennia opnieuw op gang gekomen, wat een vijftiental etnologen, historici en theologen van de Balkan bijeen heeft gebracht om het fenomeen te evalueren. Daarbij leggen ze een tweetal accenten: de ‘touch’ en de ‘path’. Met dat laatste wordt natuurlijk de reis, het onderweg zijn bedoeld. De ‘touch’ staat meer voor de psychische gewaarwordingen en resultaten van een bedevaart: het geraakt worden en het zich laten raken door de reliek, het genadebeeld, de icoon … Het gaat bijgevolg om een vrij traditionele insteek. Dat traditionele blijkt ook de inleiding die niets vernieuwends bijdraagt aan het debat. Het is een status quaestionis in het theoretische bedevaartonderzoek. Uit die inleiding blijkt onder meer dat het bedevaartfenomeen aan veranderingen onderhevig is die we ook in West-Europa waarnemen. Het pelgrimsoord wordt daar meer en meer een toeristische bestemming. De auteurs blijven zich er wel van bewust dat de grens tussen bedevaarder en toerist soms heel moeilijk te trekken is. Daarnaast constateren ze ook dat met het fenomeen ook veel commercialisering en economie gepaard gaat, maar dat is niet nieuw. Dan zijn er de typische onderwerpen voor de regio: hoe de bevolking opnieuw gecatechetiseerd moet worden op die heilige plekken om hen te zuiveren van het communisme. De bijdragen belichten heel diverse aspecten van het eigentijdse pelgrimsgebeuren in de Balkan. Daardoor krijgen we geen beeld van de vroegere – vaak voorkomende –

wissels van religie op een bepaalde plaats: nu eens christelijk, dan weer enkele decennia islamitisch en dan weer vice versa. We krijgen wel een beeld van bedevaartsoorden die door mensen van diverse christelijke strekkingen (katholieken, protestanten, orthodoxen), maar ook van diverse religies bezocht worden (zoals moslims en christenen in Albanië). Dat is een fenomeen waarmee we in de Nederlanden toch weinig vertrouwd zijn. Daarnaast is er de interferentie van wat de auteurs omschrijven als new age: de oude bedevaartsoorden worden bezocht door mensen die op zoek zijn naar allerlei vormen van spiritualiteit, niet in het minst het oude heidendom.

De bundel biedt een boeiende mix van theoretische artikels, casestudy’s en etnografische bijdragen. Er is ook een goede mix tussen lokale en regionale bijdragen (Albanië, Bulgarije, Kroatië, Griekenland, Moldavië, Roemenië en Servië). Een minpunt is het Engels in dit volume. Het geregeld opduiken van grammaticale fouten, doet me besluiten dat het volume niet op taal gecontroleerd is. Een ander bezwaar is dat de auteurs (zoals vele auteurs uit het voormalige Oostblok) comparatistisch blijven te werk gaan. Lubańska ziet in haar bijdrage over new age in oude Bulgaarse bedevaartsoorden de hand van Asklepios terugkomen in de zilveren hand op een icoon die sterk vereerd wordt. Daarvoor baseert ze zich op Hans Belting, maar dat is voor dit onderwerp toch niet de beste bron.

Hans Geybels

Alain Gerlache, Het verhaal van Wallonië, Deurne, Uitgeverij Ertsberg, 2023, 181 blz., ISBN 9789464750331 (e-boek: 97894664750461), € 24,95

Alain Gerlache (1952) is een Waals journalist die werkt voor de RTBF, maar momenteel ook columns produceert voor De Morgen. De licentiaat Germaanse Filologie (UCL) drukt zich zeer goed uit in het Nederlands en verschijnt regelmatig op de VRT, waar hij het vooral heeft/ had over de verhoudingen tussen de taalgemeenschappen. Hij werkte achtereenvolgens voor enkele vrije radio’s, en vervolgens o.a. als politiek journalist bij de RTBF, woordvoerder van Guy Verhofstadt, directeur van de RTBF-televisie, medewerker webjournalistiek aan de universiteiten van Luik en Bergen. Steevast geïnteresseerd in de relaties tussen Walen van Vlamingen maakte hij samen met Ivan De Vadder (VRT) een tweetalige podcast over

de verstandhouding tussen de taalgemeenschappen in België. Blijkbaar kon de man niet weerstaan aan de gezonde drang om aan de Vlamingen uit te leggen wie de Walen zijn of wat Wallonië is... Vandaar dit boek, geschreven met verve en passie – zonder meer een aanrader. De titel van het boek is misschien wel een variante op de televisiereeks en publicaties “Het verhaal van Vlaanderen”, Gerlache’s werk is evenwel geen geschiedenis van Wallonië, wel een poging om het actuele landsdeel met die naam en van zijn bewoners te vatten en om een en ander toe te lichten, te relativeren of recht te zetten bij de – laat ons wel wezen: voornamelijk – Vlaamse lezer. Daar waar nodig, verwijst Gerlache natuurlijk wel naar historische achtergronden. Hoe dan ook doet hij steeds beroep op ernstig bronmateriaal uit de politieke, sociale, economische en/of culturele sectoren, en natuurlijk ook op zijn eigen ruime journalistieke ervaring. De rode draad door dit boekje is een merkwaardige nuchterheid en objectiviteit: nergens betrap je de auteur op gratuite of louter communautair geïnspireerde beweringen. Het boek vertoont een eenvoudige structuur. Na een voorwoord van Isolde Van den Eynde (editoriaal en politiek journalist van Het Laatste Nieuws) behandelt de auteur achtereenvolgens 13 clichés, stereotypes en/of misverstanden over Wallonië. Een kleine selectie: “Wallonië mist zelfvertrouwen”, “Walen houden niet van het Nederlands”, “Franstaligen zijn intellectueel niet in staat om Nederlands te leren”, “De linkerzijde domineert Wallonië”, “De Walen doen niets om hun economische situatie te verbeteren” en “Wallonië staat op

de rand van het faillissement”. Stof genoeg om over na te denken. Zo verklaart hij het linkse imago – maar ook de aanwezigheid van een belangrijke maar weliswaar verdeelde linkerzijde in Wallonië – als een gevolg van het feit dat de sluiting van de mijnen en van de staalondernemingen in Wallonië niet gevolgd werd door een brede en doeltreffende economische reconversie. Er volgde wel een sociaal zwaar wegende werkloosheid die uiteindelijk leidde tot een klassenstrijd en tot een diep wantrouwen bij de bevolking, inzonderheid tegenover het kapitaal, de bezittende klasse en de grote en middelgrote ondernemingen. Daarom, zo stelt Gerlache, is het economisch herstel van Wallonië zo cruciaal.

Hij legt ook duidelijk de nadruk op het feit dat Franstaligen niet alleen in Wallonië wonen: Begin 2023 woonde een vijfde van de Belgische Franstaligen niet in Wallonië. Franstalige Brusselaars wensen overigens hoegenaamd niet als Walen te worden beschouwd: “Als je tegen een Brusselaar zegt dat hij een Waal is, zal de reactie dezelfde zijn als wanneer je een Gentenaar probeert uit te leggen dat hij Antwerpenaar is.” (p. 34) Als er al zoiets is als een Waalse Beweging, dan is ze wel sterk tanend en heeft ze in Wallonië helemaal niet dezelfde impact als de Vlaamse beweging in Vlaanderen. M.a.w. het Waalse identiteitsgevoel is niet zo uitgesproken als het Vlaamse in Vlaanderen: “Voor de meeste inwoners van Wallonië is de vorming van een Waalse identiteit geen prioriteit.” (p. 43) Enige culturele verwantschap met Frankrijk is de Walen uiteraard niet vreemd. In tegenstelling tot wat veel Vlamingen denken, betekent dat niet

dat Franstalige Walen en Brusselaars meteen gewonnen zijn om deel uit te maken van “l’Hexagone”. Zij verkiezen duidelijk een middelgrote regio te zijn in België eerder dan een perifeer gebiedje in het grote Frankrijk (p. 66). En wat omtrent mogelijke staatshervorming? België is institutioneel een ingewikkeld land, met gewesten, gemeenschappen en provincies. Maar de Franstalige/Waalse instellingen zijn eigenlijk nog complexer: het Waals Gewest, de Franse Gemeenschap, het Brussels Gewest... (p. 98) Zonder het nog te hebben over onze Duitstalige vrienden. In Vlaanderen is het een stuk eenvoudiger: Gewest en Gemeenschap vallen samen en hebben slechts één Parlement. Een vereenvoudiging van het institutioneel systeem in Franstalig België/Wallonië is misschien wenselijk, maar zeker nog niet voor morgen. “Ongetwijfeld vrezen de Franstaligen ook dat als ze aan hun eigen interne structuur beginnen te sleutelen, ze een boodschap naar de Vlamingen zouden sturen dat een volgende staatshervorming mogelijk is, terwijl die in het zuiden van het land minder dan ooit gewenst is.” (p. 98)

De houding van Franstaligen inzake het gebruik en aanleren van het Nederlands evolueert in de goede richting, maar lijdt nog onder oude vooroordelen. Overigens houdt een verdere gewestvorming gevaren in voor het succes van het Nederlands in Wallonië. Nederlands leren in Wallonië is een teken van nationale loyauteit, terwijl een grotere onafhankelijkheid van de beide gewesten voor Franstaligen een argument kan zijn om toch maar geen Nederlands te moeten

leren. Toch zal Nederlands vanaf het schooljaar 2027-2028 hoe dan ook opnieuw een verplicht vak zijn vanaf het derde leerjaar van de basisschool. Daarnaast dweept Wallonië terecht met een aantal immersiescholen die veel betere resultaten bereiken dan de traditionele scholen, maar wel hoofdzakelijk jongeren aantrekken uit de hogere sociale klasse.

Dat de Waal per definitie een luiaard zou zijn – Walen werken niet (graag) hard – wordt door Gerlache pertinent tegengesproken, al was het maar omdat de gouden tijden van de Waalse kolen- en staalindustrie niet mogelijk zouden geweest zijn zonder noeste Waalse arbeiders en bedienden. Dat het nadien minder goed ging met Wallonië is natuurlijk niet te wijten aan een ingebakken luiheid bij de Walen, maar wel aan het feit dat de “déconfiture” van de Waalse industrie gepaard ging met de steile opgang van de Vlaamse economie die steeds meer binnenlands en buitenlands investeringskapitaal aantrok, en met, zioals gezegd, een sputterende economische reconversie. Een lichtpunt voor Gerlache is de successtory van Waals-Brabant dat stilaan een van de meest welvarendste provincies van België aan het worden is. Natuurlijk heeft dit ook te maken met de internationale functie van Brussel waarvan tal van gegoede vooral Europese hogere ambtenaren zich in het glooiend landschap bezuiden Brussel komen vestigen. De achillespees in het Waalse bestel is echter de astronomische schuld: “Wallonië staat met de rug tegen de muur” (p. 175). De schuld is verhoudingsgewijs bijna vijf maal groter dan die van Vlaanderen. Vooral in het licht van toekomstige regeringsvormingen,

mogelijke coalities en eventuele staatshervormingen zal dit ongetwijfeld een zeer belangrijke rol spelen. Deze realiteit zal in de nabije en verre toekomst in het zuiden “een radicale verandering in de politieke cultuur” vragen (p. 176).

Deze kleine keuze in de door Gerlache behandelde “clichés” illustreert dat de auteur probeert om een aantal misverstanden uit de weg te ruimen. Maar ook dat hij geen enkel probleem wegmoffelt, dat hij geen pleidooi houdt voor een geïdealiseerd en bloeiend Wallonië. Kortom, hij aarzelt geenszins om man en paard te noemen. Welke de toekomst van België – Vlaanderen, Wallonië en Brussel – ook moge zijn – federalisme, confederalisme, doorgedreven onafhankelijkheid van regio’s en/of gemeenschappen, en wat nog allemaal mogelijk is of verzonnen kan worden – een duidelijk begrip van en inzicht in elkaars eigenheid en realiteit is een absolute noodzaak om tot enig vergelijk te komen en om vertrouwensvol met elkaar te kunnen praten en onderhandelen. En dat geldt niet enkel voor politici die straks weer veroordeeld worden om aan de onderhandelingstafel plaats te nemen: het is misschien nog veel belangrijker voor de burgers van noord en zuid. Met stereotypes, misverstanden en vooroordelen is niemand gediend.

Gerlache heeft een meer dan lofwaardige poging ondernomen om objectief en eerlijk – vrank en vrij – over Wallonië en de Walen te schrijven, in vaak strenge bewoordingen. Zijn boekje is niet alleen geen communautair pamflet, het is evenmin een oratio pro domo. Dat is een zeer grote verdienste. Enkel zo

kan je respect afdwingen. Puik werk, mijnheer Gerlache of du beau travail!

Jan Huyghe, De IJzervloed. Westhoek, kerstnacht 1993, Eigen beheer (jan.huyghe@proximus.be), Oostduinkerke, 2023, ill., 208 blz., € 25.

Op pagina 181 van dit boek vraagt het dochtertje van broekrat Roel van Vijfhuizen naar aanleiding van de evacuatie van dieren bij de grote overstroming van de IJzervlakte in 1993: “Mogen de koetjes dikwijls met vakantie, papa?” En het antwoord luidt: “Nee hoor, niet dikwijls. Om de tien jaar of meer”. Hoe profetisch kunnen woorden zijn? Precies dertig jaar later, op de dag van de boekvoorstelling (12 november 2023) mochten de koetjes van Geert Leeman, aka Roel van Vijfhuizen, nog eens op vakantie. Ondanks alle

goede voornemens en gedane werken kende de Westhoek in november 2023 nog ergere overstromingen. Met een gevoel voor cynisme zou je de timing voor deze presentatie perfect kunnen noemen. Voor de slachtoffers was het uiteraard veel minder.

Verder zou je je kunnen afvragen wat een boek als De IJzervloed bij deze recensies komt doen. Een streekroman. Hoort die niet eerder thuis bij een literaire rubriek? Uiteraard, maar er is meer. Jan Huyghe, germanist en voormalig journalist, heeft de literaire vorm slechts gebruikt als vehikel om een beeld te schetsen van een periode in de geschiedenis van de Westhoek. Een beeld dat – ondanks, of misschien wel dankzij, de zware omstandigheden van de watervloed – veel verder gaat dan een beschrijving van hoe het was, overgoten met een romantisch sausje van het boerenleven in en om de IJzervallei (van Roesbrugge tot Diksmuide), inzonderheid het Blankaartbekken (Woumen, Merkem, Noordschote). Huyghe, een waardige discipel van Stefaan Top bij wie hij zijn licentiaatsverhandeling over volksliedonderzoek afwerkte, gebruikt die literaire vorm en de ramp om de grotere sociale context van het ondergelopen gebied te schetsen. Hij plaatst zijn hoofdfiguur binnen het grotere kader, net zoals zijn leermeester dat deed met zijn sagenonderzoek. De rol van de verteller is van groot belang. En ondertussen creëert hij een wereld waarin het volledige gamma van het culturele erfgoed aan bod komt.

De auteur schetst in eerste instantie de zeven millennia lange ontwikkeling van de IJzer, en zoomt vervolgens in op de omgeving van Woumen en de Blankaart. Een heel

erg rijk en boeiend natuurgebied. Net als het verhaal Gustave de Coninck de Merckem, een baron die in Woumen in 1860 een kasteel liet bouwen en samen met zijn niet adellijke echtgenote het waterrijke gebied mee beschermde. Het spreekt vanzelf dat dit kasteel, zoals de hele Westhoek, ten prooi viel aan inkwartiering en beschietingen tijdens de Eerste Wereldoorlog en tenslotte als ruïne aan de oorlog herinnerde. Maar zijn weduwe zorgde met haar achternicht (en aangenomen dochter) voor de heropbouw en het bloeiende culturele leven dat van het nieuwe kasteel uitging. Tegelijk toont Huyghe ook het belang van de Blankaart als erkend natuurreservaat, ondertussen beschermd als Natura-2000-gebied en Ramsargebied, een watergebied van internationale betekenis, in het bijzonder voor wat betreft watervogels. Tot en met een mogelijke herintroductie van otters, ooit in groten getale aanwezig. Een opstapje naar erkenning door UNESCO? Dit gedeelte van de geschiedenis wordt aangevuld met krantenartikels over het gebied die teruggaan tot 1849 en die de voortdurende strijd met het water illustreren.

Het verhaal gaat geruisloos over van de feitelijke geschiedenis naar de fictieve hervertelling van een familiegeschiedenis. Dit lijkt een gevaarlijke piste om op die manier nog in deze rubriek terecht te komen en niet te vervallen in een boerenfeuilleton dat lekker wegleest. Maar Jan Huyghe is niet in die val getrapt en heeft wel degelijk de gekende feiten en achtergrond gebruikt om op zijn manier een consistent en mogelijk verhaal te maken in plaats van een rauwe opsomming van de feiten. De conversaties geven een mogelijke

versie van de feiten weer, feiten die een correcte kapstok zijn om de IJzervloed tot leven te brengen.

Maar de sterkte van het boek uit volkskundig oogpunt ligt – zoals eerder aangehaald – in de sociale context die oog heeft voor ongeveer alle elementen van het culturele erfgoed dat in de Westhoek te zien, te horen en te voelen is. Naast het onroerende en roerende erfgoed passeert bijna de hele catalogus van immaterieel erfgoed de revue.

Huyghe schetst hoe de Blankaart op onroerend vlak eruitziet. De groei van kleine boerderijtjes naar wat grotere landbouwbedrijven wordt gereflecteerd in hoe die gebouwen dienstig zijn in de manier waarop moderne landbouw wordt gebruikt in een natuur die grotendeels beschermd is en die de landbouwers verplicht om anders te gaan boeren en daardoor vaak met de ecologisten in aanvaring komen. De ingrepen in de natuur die voor de enen te weinig en verkeerd zijn, zijn voor de anderen noodzakelijk om op zijn minst een status quo van de omgeving te bewerkstelligen.

Tegelijkertijd ontrollen zich voor de lezersogen alle mogelijke ingrediënten van het immateriële erfgoed. De gebruiken van het boerenleven, het sociale web van onderlinge hulp, de speciale woordenschat die bij de boerenstiel hoort. Het lijkt wat op een moderne versie van Eigen Aard. Tot en met de methode om eenden te vangen in een eendenkooi.

Als een soort intermezzo In een flash back heeft Jan Huyghe ook een verhaal ingevoegd waar hij de grootvader plaatselijke sagen laat vertellen, waarin je duidelijk hoort dat hier de volkskundige aan het woord

en het werk is. Lief en merkwaardig is het verhaal “haas vangt boer”. De auteur noteerde het uit de mond van zijn bron Geert Leeman die het op z’n beurt hoorde van zijn vader Roger (1931-2018). Maar … tijdens zijn research vond de auteur het verhaal ook in een krant van … 1867. Een straf staaltje van tegelijk schriftelijke en orale overlevering die tot sagevorming leidde.

Dit boek heeft geen wetenschappelijke pretenties, ondanks het gedegen opzoekwerk van oudjournalist Huyghe, maar dat was duidelijk ook niet de bedoeling. Jan Huyghe, ook documentalist van de Oostduinkerkse garnaalvisserij te paard (Volkskunde, 116 (2015), 199-216), heeft hier voor een andere voorstellingswijze gekozen. Aangezien de vele journalistieke telefoongesprekken met Geert Leeman in 1993 niet zijn opgenomen, zijn de gereconstrueerde gesprekken tegen de historische achtergrond een uitstekende keuze om deze uitzonderlijke periode in de IJzervlakte te beschrijven.

Als geboren West-Vlaming had ik geen moeite met het West-Vlaams idioom dat kwistig doorheen het verhaal werd gestrooid. Dat zou misschien een grotere verspreiding kunnen verhinderen, daarom was een verklarende woordenlijst misschien wel aangewezen. Peuren, aande of schute zijn niet meteen woorden die tot Standaardnederlands behoren, maar zorgen ervoor dat dit verhaal in zijn lokaal correcte context wordt geplaatst. Dat wordt nog versterkt door het korte poëtische voorwoord van bard Willem Vermandere.

Neen, dit boek zal je geen nieuwe volkskundige inzichten bezorgen, maar het is een aanrader om een

kleine gemeenschap in moeilijke omstandigheden beter te leren kennen als een nucleus van een erfgoedgemeenschap die op zichzelf en op elkaar is aangewezen. En alhoewel dit boek de overstromingen van 1993 beschrijft, is het – weliswaar onbedoeld – door de overstromingen van november 2023 een duidelijke waarschuwing dat dertig jaar na datum het probleem van ruimtelijke ordening nog altijd niet is opgelost. Veel leek ten goede veranderd, maar ook nu moest Geert Leeman zijn koeien in veiligheid brengen. Mens en water, het blijft een eeuwige strijd.

Chiara Mannoni, Artistic Canons and Legal Protection. Developing Policies to Preserve, Administer and Trade Artworks in 19 th-Century Rome and Athens, Frankfurt am Main, Vittorio Klostermann GmbH, 2023, 277 p., ISBN 976-3-465-0547-2, € 79 &

Chiara Mannoni, Art in Early Modern Law. Evolving procedures for heritage protection in 15 th- to 18 th-century Europe, Leiden, Sidestone Press, 2022, 246 p. ISBN 978-94-6426-131-8, € 45.

De internationale en interdisciplinaire doorbraak en verbreding van het “koepelconcept” “erfgoed” in 21e-eeuwse theorieën, beleidskaders en praktijken hebben niet alleen de ontwikkeling van de transdiscipline “kritische erfgoedstudies” gestimuleerd.Er is ook een onderzoeksstroom op gang gekomen over hoe het semantisch veld van alles wat beleidsmatig en juridisch in “erfgoed” convergeert vandaag, in de geschiedenis al dan niet in kruisbestuiving geëvolueerd is en ook wat er aan vooraf ging. Hoewel de stelling dat “patrimoine” in de Franse revolutie, of tussen de jaren 1789 en 1815, of bij uitbreiding tussen 1750 en 1850, zo niet is ontstaan, dan wel als fenomeen is uitgekristalliseerd, nog steeds interessant is, maar ondertussen al overstegen is, wordt vooral ingezoomd op de evoluties van erfgoed in “Europa” in de lange 19e en 20e eeuw en op de prille 21e eeuw. Maar wat gebeurde er precies in de eeuwen voor 1800? En in andere delen van de wereld? Heritage: precursors and genealogies is sinds 2022 niet toevallig een van de basiscursussen in de masteropleiding erfgoedstudies aan de Universiteit Antwerpen. In de voorbije jaren is dit thema op de agenda gezet en gelinkt aan het opkomende paradigma van kritische erfgoedstudies, onder andere via baanbrekende studies zoals van de Noorse etnologe Anne Eriksen, From Antiquities to Heritage. Transformations of Cultural Memory (Berghahn Books, 2016) of van Astrid Swenson, The

Rise of Heritage. Preserving the Past in France, Germany and England, 1789-1914 (Cambridge, Cambridge University Press, 2015).

In dit licht komen de hier besproken publicaties van Chiara Mannoni als geroepen. Het ene boek, Artistic Canons, onderzoekt welke beleidskaders en wettelijke regelingen er bestonden rond wat we vandaag onroerend en vooral roerend erfgoed zouden noemen (zoals delen van bouwwerken, schilderijen en beeldhouwwerken) in Rome, bij uitbreiding de Pauselijke Staten, en Athene, bij uitbreiding wat we vandaag Griekenland noemen, op het einde van de 18e eeuw en in de 19e eeuw (en bij uitbreiding de daaraan voorafgaande decennia en eeuwen). Het gaat hierbij uiteraard onder andere over de lotgevallen van beelden en andere kunstobjecten uit de Klassieke Oudheid, maar niet alleen: denk ook aan de kunstwerken in het Vaticaan en/of uit de renaissance of barok bijvoorbeeld. Mannoni ging terug in de tijd, maar focuste vooral op documenten zoals de Chirografo Chiaramonti te Rome in 1802 en het Edict Pacca in 1820, maar ook op een Duits-Grieks Gesetz in Athene in 1834. Dit is niet alleen interessant voor de ontsluiting en contextualisering van elk van die documenten op zich, maar ook voor comparatieve benaderingen en het traceren van internationale beïnvloeding in de 19e eeuw, iets waarvoor de hoger genoemde Astrid Swenson pleitte. Wat in de bespreking van de gebeurtenissen in de Pauselijke Staten in de jaren 1790 en in het begin van de 19e eeuw uiteraard volop aan bod komt, is het optreden van Frankrijk en in het bijzonder van Napoleon, maar dan wel vanuit “de andere

kant”. Het is een heel interessante aanvulling op de door Franse historici geproduceerde, bekende verhalen “patrimoine”, over “kunstschatten” die als oorlogsbuit, of afgedwongen geschenken of als roerend erfgoed in het Louvre en andere musea in Frankrijk zijn terechtgekomen. Er is recent veel aandacht voor de vele meervoudige boodschappen die Antoine Quatremère de Quincy (17551849) uitzond, maar hier krijgen we ook stemmen uit Rome te horen, zoals Carlo Fea (1753-1836). Precies dit bijkomende perspectief en alternatief bronnenmateriaal kunnen helpen om het langetermijnverhaal van erfgoed en kunstcollecties te voeden en bij te sturen.

In Artistic Canons brengt Mannoni ook een boeiend langetermijnverhaal hoe in de Pauselijke Staten in de loop van de voorbije 1000 jaar met monumenten en andere vormen van materiële cultuur werd omgegaan, welke juridische kaders en beschermingstrajecten er bestonden. Hoe kon worden verhinderd dat oude zuilen en overblijfselen uit de oudheid als bouwmaterialen, met name kalk, werden verwerkt? Of dat er een ongecontroleerde internationale handel, geschenkencircuit, souvenircultuur of mobiliteit van objecten op gang kwam of bleef? Het is een goede correctie op bepaalde verhalen over hedendaagse topmusea dat aandacht wordt besteed aan het schrijnende of brutale machtsvertoon van Frankrijk en figuren zoals sabeltijger Napoleon Bonaparte tijdens de Franse revolutie en hoe de praktijk functioneerde van bijkomende paragrafen in verdragen van wapenstilstanden, die als een soort shoppinglijsten kunnen worden beschouwd. Ik vind bijvoorbeeld de analyse van het

verdrag van Tolentino op 19 februari 1797 een eyeopener. Daaruit blijkt hoe de Paus(elijke Staten) werd(en) verplicht om aan Frankrijk 100 meesterwerken van beeldhouwkunst en schilderkunst en 500 verluchte manuscripten “af te staan”. Het ging om een boodschappenlijstje van topwerken uit de kunstgeschiedenis, die richting Musée central des arts de la République/Musée Napoléon/Musée Louvre gingen. Het blijft een cruciale episode in de Europese kunstgeschiedenis en erfgoedgeschiedenis. Boeiend, en vanuit comparatief perspectief zeker ook relevant voor erfgoedwerkers in België of Nederland, is het verhaal over wat er in en na 1815 (na Waterloo) gebeurde, omdat de objecten in de Pauselijke Staten niet zomaar automatisch naar de plek of verzameling teruggingen waar ze in “Italië” werden buitgemaakt, maar in een collectiebeleidslogica werden behandeld, een transformatie van de eigendomsstructuur en “affordances” (gebruiksmogelijkheden). Van de 506 van de Pauselijke Staten naar Frankrijk gevoerde topkunstwerken, bleven er na 1815 248 in Frankrijk en werden, op 9 verloren gegane werken na, 249 terug naar de Pauselijke Staten gevoerd, waar ze terechtkwamen in een logica waarbij kunst strategischer werd gepositioneerd (p. 66-73). In Griekenland was de geschiedenis in de 19e eeuw bijzonder woelig, onder andere door de opstanden tegen de Ottomaanse overheersing. Zo kreeg na 1834 een hof uit Beieren in Athene de macht en daaruit resulteerde een beleidsdocument dat focuste op “erfgoed”, de Gesetz uit 1834.

Na haar promotie kreeg Chiara Mannoni de kans om haar proefschriftonderzoek sterk te

verbreden . Dit resulteerde in het bij Sidestone Press uitgegeven andere boek, dat ook als pdf verkrijgbaar is en dat gratis online kan worden geconsulteerd op https://www. sidestone.com/books/art-in-earlymodern-law. Het is het resultaat van een Europees Horizon 2020-project, meer bepaald een Marie SkłodowskaCurie-beurs met de titel “LawLove. The origins of the legal protection of heritage. Legislation on the safeguard of monuments and artworks issued in 15th- to 18th-century Europe”. De kern is enerzijds een bronnenpublicatie van teksten over wat vandaag als “erfgoedbescherming en -borging”, “monumentenzorg” of “bescherming van roerend erfgoed” zou omschreven worden, maar dan wel “avant la lettre” van al die begrippen. Welke wetten en richtlijnen bestonden er daarover in Europa tussen de 15e en de 18e eeuw? Hoe werden aanvallen op kunstwerken of vandalisme (ook avant la lettre, de uitvinding van dat begrip door Abbé Grégoire is een van eindpunten van de periode en de start van expliciete formuleringen van concepten als erfgoed) omschreven in het ancien régime? Hoe werd het verkopen en handel drijven in objecten uit de klassieke oudheid gereguleerd of verboden? Waarom was het wegvoeren van beeldhouwwerken, manuscripten en schilderijen op een bepaald moment een probleem? Vanaf wanneer werd de aanwezigheid van bepaalde monumenten en kunstwerken als belangrijk voor de uitstraling, het prestige of (wat we nu) de identiteit (zouden noemen) gemarkeerd en met sancties ondersteund? De identificatie van die teksten is niet alleen vanuit kunstwetenschappelijk perspectief interessant, maar ook

als referentiepunten en bouwstenen voor een internationale en interdisciplinaire benadering van erfgoed avant la lettre in allerlei gebieden in Europa. Bovendien worden aanzetten gegeven om, zoals Astrid Swenson benadrukt, de onderlinge beïnvloeding van die processen, die voorheen vaak vanuit “nationale geschiedenissen” werden geschreven, te bestuderen.

De analyse is een goede aanzet voor verder onderzoek. Met het Europese project wordt dit gefaciliteerd door het systematisch in de oorspronkelijke talen (vroegmoderne versies van Italiaans, Spaans, Portugees, Deens, Zweeds, Nederlands, Duits en Latijn) als bron te publiceren en telkens de vertaling naar het Engels erbij te leveren. Hiermee wordt een krachtige impuls gegeven voor het nu opflakkerende onderzoek onder het motto “reculer pour mieux sauter” over de juridische en beleidsvoorgangers van erfgoedbeleidsteksten in de huidige natie- en deelstaten, maar ook op Europees en globaal (UNESCO)niveau. Voor het domein van volkskunde/ etnologie is dit niet alleen relevant voor de geschiedenis van noties zoals materiële (volks)cultuur, het denken over bijzondere gebouwen en objecten, over machtsprocessen en omgang met heden, verleden en toekomst, en de constructie van meerwaarden. Het kan ook de moeite zijn om te onderzoeken of er in dezelfde periode ook regelingen waren (of niet) over fenomenen die we vandaag documentair erfgoed, natuurlijk of immaterieel erfgoed noemen. In de bloemlezing door Mannoni wordt voor de Lage Landen één document in het Nederlands opgenomen, namelijk de “Resolutie van

Drost en Gedeputeerden van Drenthe van 21 juli 1734” over het ‘verkopen en doen removeren van Mark-Stenen, voordestenen en andere Scheijdstenen, ja selfs ook van de so genaamde Hunebedden, die allenthalven als waardige monumenten en van Ouds beroemde gedenk-teikenen behoorden geconserveert te worden” (p. 183). Dankzij de referentiecollectie die hier werd samengebracht is de uitdaging nu gesteld om soortgelijke documenten in Europa en daarbuiten, op te sporen en toe te voegen aan de populatie en de verhalen over de voorlopers van “erfgoed” (avant la lettre) te voeden met empirisch materiaal. In de studie van de Spaanse of Oostenrijkse periode in de Zuidelijke Nederlanden is het interessant om na te gaan wat er aan het hof in andere gebieden onder de Habsburgse heersers gebeurde en of dit elkaar beïnvloedde. Kortom, de bijdragen van Mannoni horen voortaan in referentiebibliografieën van erfgoedstudies thuis.

Marc Jacobs

Peter Pels, The Spirit of Matter. Modernity, Religion, and the Power of Objects, Methodology and History in Anthropology, 45, New York and Oxford, Berghahn, 2023, 371 blz., ill., ISBN 978-1-80539-014-5, £ 104.

De auteur van The Spirit of Matter stelt de moderne, westerse (cartesiaanse) opvatting in vraag die de soevereiniteit van geest over materie bepleit. Sedert Descartes primeert het geloof dat de natuur, menselijke lichamen en andere aardse materie beschouwd moeten worden als rationele ontwerpen voor een betere toekomst voor iedereen. De ondertitel van dit complexe boek illustreert verder die gedachte: moderniteit en modernistische zelf-representaties manifesteerden zich in betogen en praktijken met universalistische pretenties door de seculiere en “natuurlijke” fundering van kennis waarbij de geest in staat zou zijn om materie te overwinnen. Maar tegelijkertijd worden in die

betogen en praktijken overal en altijd religieuze metaforen gebruikt in een poging om de krachten van materiële objecten te bevrijden van zogenaamde traditionele en ouderwetse geloofssystemen. De auteur wil – met andere woorden – aantonen dat het moderne zelfverstaan materialiteit onbelangrijk tracht te maken, maar tegelijkertijd dat het door de geest van materialiteit voortdurend achtervolgd wordt.

Het boek behandelt culturele patronen waarbij de modernen een begeesterde omgang met materialiteit (bijvoorbeeld religieuze, maar ook seculiere relieken) steeds beschouwd hebben als restanten van oude magische en/bijgelovige praktijken, maar tegelijkertijd hoe de modernen zich nooit echt hebben kunnen bevrijden van religie en magie in hun omgang met de dingen. De reden is dat er kracht kan uitgaan van de dingen of van de materiële wereld. Ook in de Moderniteit kunnen mensen voelen dat ze geaffecteerd worden door bepaalde objecten, maar ze hebben grote moeite om te verklaren wat die affectie teweegbrengt omdat ze niet in de verlichte, rationele kraam van de Moderniteit past. Peter Pels onderzoekt het letterlijk “occulte” karakter van die krachten: ze zijn inderdaad moeilijk waar te nemen, omdat hun krachten ontstaan uit een contingente dialectiek van reïficatie en belichaming waarbij het materiële object in het geaffecteerde subject meerdere dimensies oproept: stukken verleden, stukken toekomst en hyperreële plaatsen die die objecten materieel aanwezig brengen.

Pels geeft body aan die antropologische methodiek door bijvoorbeeld te bestuderen of katholieken in de Moderniteit

exotische objecten (zoals in collecties van kloosters van missionarissen) met een andere blik bekeken dan anderen (bijvoorbeeld protestanten). Keken ze er met meer respect naar dan anders- of ongelovige mensen? Wordt het stereotiep bevestigd dat katholieken minder “modern” en meer bijgelovig zijn? En komt dit doordat ze – volgens vele protestanten – geloven in de “hocus pocus” van de transsubstantiatie? Pels nuanceert die opvattingen door net aan te geven dat iedereen in de Moderniteit op een ambigue manier omgaat met materialiteit. Denk maar aan wat er gebeurd is met de schedel van Descartes of met de “auto-icoon” van Jeremy Bentham die op de kaft van het boek is afgedrukt (allebei seculiere relieken). Ze tonen aan dat een “gewone” omgang met objecten ook in een geseculariseerde samenleving onmogelijk is.

Deze complexe academische studie van Pels is een antropologische (soms haast filosofische) methodologie die ons terugvoert naar de vooronderstellingen van de material turn en die in de gebruikelijke studies van de material turn nooit aan bod komen: wat fascineert ons precies in materiële objecten zodat ze “bezit” van ons kunnen nemen, zelfs in een totaal geseculariseerde samenleving als die van vandaag?

Karl Scheerlinck, Naar zee! Belgische kustaffiches 1886-1965 (Collectie Roland Florizoone), Veurne, Hannibal Books, 2023, 287 blz., ISBN 978 94 6466 649 6, € 59.

Een knoert van een boek (34 x 26 x 3 cm) met een stevige harde kaft –en terecht, want het is een kleurrijk kijkboek dat wellicht velen met heel wat nostalgie meer dan één keer zullen doorbladeren. Het bevat ruim 200 kustaffiches uit de collectie van Roland Florizoone, de zoon van Alberic Florizoone, gekend van het voormalige Melipark. Het is overigens niet het eerste boek met affiches uit de collectie van R. Florizoone, maar de hier voorgestelde publicatie is wel uitgebreider dan de vorige uit 1992 en beslaat ook een grotere tijdsspanne. Florizoone startte zijn verzameling vanuit een collectie uit het plaatselijk gemeentearchief van De Panne, met vooral affiches van de Westkust, maar breidde naderhand zijn collectie uit tot de hele kustlijn. Daarvoor aarzelde hij niet om in het buitenland unieke

exemplaren op te zoeken. Dat de hier voorgestelde collectie tot 1965 reikt, heeft te maken met het feit dat midden de jaren 1960 de professionele fotografie de overhand nam op het artisanale tekenen als basis voor de kustaffiches. De affiches worden altijd voorgesteld op een vol blad, (d.i. nagenoeg formaat A3), en soms over twee bladzijden voor affiches met een uitzonderlijk formaat.

Karl Scheerlinck schreef een inleidende tekst – met naast de (Nederlandse ook een Franse en Engelse versie) over de oorsprong en groei van de collectie en over de verschillende thema’s die kriskras in de affiches aan bod komen. In feite komt dat neer op een korte historiek van de ontwikkeling van het kusttoerisme en van de verschillende badplaatsen, in beeld gebracht door de sierlijke tekeningen op de affiches, vaak in een aantrekkelijke art-nouveaustijl. In feite gaat het om meestal boeiende en relevante commentaar, met heel wat interessante weetjes, maar we hadden toch liever een beter gestructureerde tekst gezien.

De affiches verraden verschillende trends in de beleving van het kusttoerisme. Zo werden er tot even voor 1900 nauwelijks vrouwen in badpak voorgesteld. De “bevallige” baadsters verschijnen eigenlijk pas vanaf 1912-1913. Vanaf dan zie je trouwens meer dan eens mooie geëmancipeerde vrouwen die champagne drinken, zwemmen, zonnen, sporten (golf, cricket) en de paardenwedrennen bijwonen. Aan het einde van de 19e eeuw en rond de eeuwwisseling was het kusttoerisme overigens hoofdzakelijk een zaak voor de vermogende klasse en was het aantal bezochte badplaatsen

relatief beperkt. Heel wat affiches zijn in het Frans, wat normaal is voor het tijdsvenster vanaf de jaren 1880, waarin de beau monde hetzij louter Franstalig was ofwel zich graag bewoog tussen de Franstalige sociale elite. “Gewone” burgers van de plaatselijke bevolking staan dan ook niet vaak afgebeeld op de affiches, ook niet in later verschenen affiches. Enkel hier en daar verschijnen soms wel eens vissers, meer als figuranten of om het pittoreske van de badplaatsen vorm te geven. De belle époque was in dat opzicht een paradecultuur voor de rijkeren, met luxehotels, de eerste riante villa’s, een casino – dat alles onder het motto zien en gezien worden. Het iconische Albertplein – de Place m‘as-tu vu – in het huidige Knokke is dus niets nieuws.

Een aantal belangrijke infrastructuurwerken en gebouwen aan onze kunst hebben we te danken aan de Britten. Voor de eeuwwisseling wisselde de Britse elite graag de ruwe Engelse rots- en keienstranden in voor de zachte Belgische zandstranden. Vandaar ook een aantal Engelstalige affiches, o.a. met promotie voor de scheepvaartroutes vanuit GrootBrittannië naar de Belgische kust.

Tijdens het interbellum kwam een voorzichtige democratisering van het kusttoerisme op gang: er werden familiehotels gebouwd en de eerste campings werden ingericht om o.a. de eerste genieters van de congés payés (1936) te onthalen. Na de Tweede Wereldoorlog evolueerde een en ander naar massatoerisme, het moest toen allemaal niet meer zo mooi of chic zijn, alleen functioneel en rendabel: er ontstond een wildgroei aan campings en er werd begonnen met de bouw van wat ik graag de kustmuur noem: legio appartementen

en studio’s in hoogbouw langs de dijk – die we overigens op de affiches niet zien! In verschillende badplaatsen ontstonden allerlei vormen van cultuurtoerisme dat ook buiten het zomerseizoen toeristen moest lokken: film, poëzie en kunst in KnokkeHeist, oorlogstoerisme in en rond Zeebrugge, het Melipark in Adinkerke (De Panne), de garnaalfeesten in Oostduinkerke, bloemencorso’s, enz. Vanaf de jaren 1960 werden de affiches ook een stuk realistischer en verloren ze enigszins het fijn gestileerd picturale van het interbellum. Maar ze getuigen stuk voor stuk van de hier net geschetste items, en van nog veel meer.

De gepubliceerde affiches zijn geklasseerd in negen pakketjes, maar jammer genoeg moet de lezer/ kijker, maar zelf die structuur en de thematische inhoud en eenheid ervan ontdekken, want nergens wordt dat duidelijk aangegeven. Zo onderscheiden we (1) een pakketje met affiches waarin bijna uitsluitend dames worden voorgesteld; (2) een pakketje met o.a. vissers; (3) het thema sport en ontspanning; (4) de vakantiekolonies; (5) gebouwen en hotels; (6) spoor en zeevaart; (7) kunst en tentoonstellingen; (8) feesten en evenementen en (9) een deeltje rond kinderen. De pakketjes met hoogst aantal affiches zijn (1), (3) en (8) met telkens ruim 30 stuks. Na elk van de pakketjes worden van elk van de affiches een aantal kenmerken en enige verklarende commentaar verschaft: de auteur van de tekening, de titel van de affiche (voornaamste tekst ervan), de afmetingen en het jaar van productie (telkens in drie talen). De commentaren hadden hier en daar misschien iets uitgebreider kunnen zijn en vooral fysisch dichter

bij de affiches zelf gestaan: nu moet de lezer voor enige toelichting gaan zoeken op een plaats waarvoor geen enkele verwijzing bestaat.

Deze bijzonder verzorgde uitgave heeft de medewerking vereist van een hele ploeg waaronder uiteraard de verzamelaar en de tekstschrijver, maar ook verantwoordelijken voor de fotografie, de grafische verwerking, de vertaling van teksten, het grafisch ontwerp.

Naar zee! is niet alleen zonder meer een aangenaam kijkboek, maar ook een bron van volkshistorische elementen. De Belgische kust is immers een van de pleisterplaatsen waar bijzonder weinig Belgen nooit op uitstap of vakantie zijn geweest.

Daar leven en overleven tradities en gewoonten, meer nog: onnoemelijk veel herinneringen die de tand des tijds zullen blijven doorstaan omdat ze zo nauw vastgeklonken zijn aan lieden van alle leeftijden en uit alle lagen van de bevolking, van de gegoede burger die de dure eetgelegenheden en casino’s bezoekt tot de minder bevoorrechte mannen en vrouwen die zon en zee opzoeken, al was het maar voor één dag, desnoods gewapend met een frigobox (wat wijlen burgemeester Lippens van Knokke-Heist daaromtrent ook heeft mogen beweren). Dit boek met kustaffiches raakt aan specifieke elementen van onze volkscultuur: het vakantiegevoel, de typische sport- en ontspanningsmogelijkheden aan de kust, de eigenzinnige en vaak niet zo fraaie architectuur, de magie van het water, de wind en de havens, de plaatselijke visserscultuur, de lokale volks- en andere feesten, enz.

De publicatie van deze affiches maakt dan ook een speciale vorm van volkscultuur toegankelijk zowel

voor het grote publiek als voor erfgoeddeskundigen en schetst op fraaie wijze de evolutie van een specifieke vorm van toerisme eigen aan onze contreien. Dit bewaren, archiveren, publiceren en commentariëren van de kustaffiches is vanuit volkskundig oogpunt zonder meer prima en zinvol werk.

Dan Stone, De Holocaust. Een onvoltooide geschiedenis, Antwerpen/ Amsterdam, Uitgeverij Atlas Contact, 2023, 351 blz., ill., ISBN 9789045046273, € 39,99.

“Het tegen de Joden gerichte actieplan omvatte het ontnemen van stemrecht, stigmatisering, ontzegging van burgerrechten, geweld tegen personen en goederen, deportatie, slavernij, dwangarbeid, uithongering, moord en massavernietiging. Er kan slechts een

inschatting worden gemaakt van de mate waarin de nazisamenzweerders slaagden in hun opzet, maar de uitroeiing was op veel plekken in Europa nagenoeg compleet. Van de 9.600.000 Joden in de door de nazi’s gedomineerde gebieden zijn er naar schatting zo’n 5.700.000 verdwenen, van wie de meesten doelbewust door de samenzweerders zijn omgebracht. Slechts hier en daar zijn kleine joodse gemeenschappen overgebleven. – Uit de aanklacht van het Internationaal Militair Tribunaal, Neurenberg, 7 juni 1946” (p. 7).

Dan Stone is hoogleraar moderne geschiedenis en directeur van het Holocaust Research Institute aan Royal Holloway van de University of Londen. Met dit werk over de holocaust is de auteur helemaal niet aan zijn proefstuk: hij publiceerde eerder al tal van artikels en boeken over dit onderwerp, waaronder Constructing the Holocaust: A Study in Historiography (2003), History, Memory and Mass Atrocity: Essays on the Holocaust and Genocide (2006), Histories of the Holocaust (2010), The Liberation of the Camps: The End of the Holocaust and its Aftermath (2015) en Concentration Camps: A Short History (2017).

De auteur brengt een vernieuwende en briljante kijk op dit in ons collectief bewustzijn verankerd dramatisch gebeuren, met name dat de holocaust natuurlijk plaats vond in de kampen, maar niet mogelijk zou geweest zijn zonder de hulp van landen en personen die niet of niet rechtstreeks verbonden waren met de nazi’s. Stone slaagt er dan ook in om op een objectieve wijze aan te tonen dat de holocaust niet uitsluitend een Duits project was – ondanks, uiteraard, de quasi mystieke kracht van het racistisch antisemitisme

van de nazi’s. Stone bewijst dat de holocaust eigenlijk een soort internationaal gedragen misdaad was waarvoor men gelijkgezinden en “collaborateurs” kon vinden in quasi gans Europa. Erger nog, Stond vindt tal van argumenten om aan te tonen dat veel oorlogsmisdadigers hieraan meewerkten... omdat ze er, cynisch genoeg, plezier aan beleefden. Vandaar dat de auteur spreekt over “een misdaad van continentale omvang” (p. 155).

Het blijkt trouwens dat de idee van enkel en alleen maar een “industriële moord” in de kampen onjuist is: vele Joden zijn immers omgekomen op de plaats waar zij leefden. De auteur wijst er inderdaad op dat men vaak vergeet dat niet alleen talloze Joden werden vergast, maar dat velen ook “gewoon” werden geëxecuteerd in of rond hun woonplaats of zelfs in de kampen.

Een andere dramatische gebeurtenis die vaak wordt vergeten is de deportatie van rond de 200.000 Joden naar Transnistrië tijdens de Roemeense bezetting van 1941-1942. Tijdens die oorlogswinter werden de gedeporteerden aan hun lot over-xgelaten, en stierven velen ten gevolge van ziektes die zij opliepen in de schuren en varkensstallen waarin zij werden opgesloten.

Voor Stone steunt het nazistisch denken en handelen dus zonder meer op een brede genocidale ideologie –die hij overigens diepgaand analyseert – en die ook medestanders had buiten nazimiddens.

Een belangrijk deel van het boek is gewijd aan de vaak “vergeten” nasleep van de holocaust. Veel overlevenden overleden kort na hun bevrijding uit de kampen, gewoon omdat ze te ziek of verzwakt waren om nog geholpen te kunnen worden (blz. 214

en volgende). Anderen leden onder het feit dat zij na de oorlog eigenlijk gevangenen bleven omdat zij niet in de mogelijkheid verkeerden om te gaan waar zij wilden en/of als paria’s werden beschouwd. Daarenboven werd het relaas van Joden die in WestEuropa alsnog konden terugkeren ondergesneeuwd door heldhaftige verhalen van en rond “de weerstand, vaderlandslievende opofferingen en nationale solidariteit”. Voor tal van Oost-Europese Joden bestond er overigens geen thuisland meer.

Stone is sceptisch ten aanzien van het zogezegd nut van holocausteducatie en -herinnering (blz. 245 en volgende). Zeker tot in de negentiger jaren was er nog een duidelijk bewustzijn omtrent de holocaust in het kader van mensenrechten, wereldburgerschap en progressieve ideeën. Maar vanaf 2000 is dit positief gedachtegoed enigszins ontspoord. De holocaust werd meer dan eens gebruikt – i.e. misbruikt – binnen nationalistische agenda’s, om vooral aan de rechterzijde geopolitieke allianties te vergemakkelijken of om progressieve denkers te beschuldigen van antisemitisme of antizionisme.

Deze en nog andere vaststellingen en opvattingen van Stone zijn zonder meer ontnuchterend en stemmen tot nadenken. M.a.w., de holocaust behoort zeker niet alleen tot het verleden.

De auteur komt tot een aantal belangwekkende constataties door een grondige en brede studie van de al dan niet wetenschappelijke literatuur over en benaderingen van de holocaust, waardoor duidelijk wordt dat een aantal belangrijke aspecten van de geschiedenis van de holocaust over het hoofd werden gezien – een

ten aanzien van de geschiedschrijving op zijn minst provocerende vaststelling. De auteur gebruikt nazidocumenten, naoorlogse getuigenissen, dagboeken en egodocumenten. Zelfs kenners van die geschiedenis zullen met verbazing de bevindingen van Stone ontdekken, zeker in het licht van zijn benadering van voorbije en actuele extreemrechtse, nationalistische, fascistische en/of xenofobische ideeën. Dat alles belet de auteur niet om een bijzonder goed overzicht te verschaffen van de feiten rondom en de nasleep van de holocaust en om – weeral –aan te tonen dat de geschiedenis ervan, ondanks de eindeloze rij publicaties, tot op heden alsnog onvolledig is. Het narratief van Stone is evenwel niet gericht op sensatie, maar blijft sereen en objectief. Het werk stoelt op wetenschappelijk onderzoek en is derhalve bijzonder goed gedocumenteerd (60 pagina’s eindnoten, 12 pagina’s bibliografie, enkele afbeeldingen, een zestal kaarten en een uitgebreid namenregister).

Dit is zonder meer een uiterst merkwaardig boek – een referentie, een standaardwerk waarvan ook het Engelse origineel bijzonder goed onthaald werd – met een vernieuwde, ruime en – wij herhalen het – ontnuchterende kijk op de verschrikkelijke ideologie die geleid heeft tot de holocaust.

Peter van der Veen & Marjolein van der Veen, The Linguist’s Family. Toraja in the Dutch Indies, prisoners of wartime Japan and the Republic of Indonesia, Electromagnetic Print (Amazon), 2023, ill., 298 blz., ISBN 978-1738790210, $ 24,68; e-book $ 10,49.

Linguïst Hendrik van der Veen (18881977) werkte vanaf 1916 als Nederlands missionaris In Tana Toraja (Sulawesi, Indonesië) op voorspraak van Antonie van de Loosdrecht, de eerste zendeling bij het bergvolk Toraja, die al een jaar later werd vermoord. Toch werd Toraja daarop vrij snel gekerstend. Van der Veen kreeg de opdracht om de bijbel in het Toraja te vertalen. Nog belangrijker was de publicatie van zijn woordenboek van het Sa’dan-Toraja. Van der Veen woonde tot 1960 in Indonesië, vijftien jaar na de onafhankelijkheid van het land.

In The Linguist’s Family vertellen zoon Peter (°1927) en kleindochter

Marjolein de geschiedenis van hun (groot)vader en zijn familie. Het is tegelijkertijd ook Peters geschiedenis, want hij groeide zelf op in het rurale Toraja en was ook zelf geïnterneerd in de Japanse kampen, zodat hij als ervaringsdeskundige perfect kan aanvullen wat hij uit de documenten heeft geleerd. Het is daardoor ook de geschiedenis van een stukje Indonesië in al zijn aspecten. Zowel sociaal, als economisch en politiek. Hieruit blijkt heel duidelijk hoe diep de familie in de Indonesische geschiedenis is geworteld, niet enkel door hun jarenlange verblijf, maar ook en vooral emotioneel. Vader Hendrik was aanwezig in vier periodes die het land hebben getekend: de koloniale periode, de bezetting door de Japanners, de oorlog met Nederland en tenslotte het onafhankelijke Indonesië en de dekolonisatie. Hierbij ontstaat – waarschijnlijk niet ten onrechte – de indruk dat Van der Veen veel beter begrijpt wat en hoe de Indonesiër voelt en denkt. Hoewel hij als zendeling naar Indonesië is gegaan, heeft hij veel meer begrip dan andere zendelingen voor het streven naar onafhankelijkheid van de Indonesische bevolking, waardoor we op zijn minst een andere, minder gekleurde versie van die periode krijgen.

Naast zijn lexicografisch werk was Van der Veen een goede observator van de Toraja gebruiken en rituelen en schreef daar ook uitvoerig over. Peter junior is niet in de val getrapt van een subjectief bericht over het leven van zijn vader, dit werk is het resultaat van degelijk en onderbouwd onderzoek (getuige hiervan het zeer uitgebreide kritische notenapparaat, de bibliografie en de woordenlijst). Hij kan dit meteen ook vastkoppelen

aan zijn eigen ervaringen, aangezien hij zelf in Indonesië is geboren en opgegroeid. Hij liep school in Batavia (het huidige Jakarta) en woonde in bij zijn oom J.M.J. Schepper, een overtuigde voorstander van de Indonesische onafhankelijkheid.

De Japanse bezetting verliep voor de familie Van der Veen dramatisch. De interneringen eisten hun tol, zowel lichamelijk als geestelijk. Vooral de dood van Dries, de oudere broer van Peter, in Japan was een harde slag. Toch klinkt door het boek steeds eerder een vreedzame vorm van vergeving voor wat er is gebeurd. Hendrik Van Veen keerde alleen terug naar Indonesië om zijn lexicografisch werk te beëindigen. Zijn woordenboek van het Toraja is een essentieel element in het begrijpen en bestuderen van de uitzonderlijke cultuur van de Toraja (Volkskunde, 119/1 (2018), p. 47-65).

Het relaas van deze familie is echter ook essentieel in het correct begrip van de dekolonisatie van Indonesië.

Het nawoord door Mariko Kage –eerder in contrast met het voorgaande – is een vlammend betoog tegen Japan. Volgens Kage herschrijft Japan de geschiedenis en is het een flagrante leugen dat Indonesië onafhankelijk is geworden dankzij de Japanse bezetting. Verder stelt ze dat Japan nog steeds zijn rol in Indonesië minimaliseert of zelfs ontkent (bijvoorbeeld de troostmeisjes). Ze veroordeelt het feit dat Japan tot op heden nooit enige vorm van erkenning van misdaden heeft toegegeven.

Paul Catteeuw

Jos Vandervelden, De mooiste geschiedenis van België. Het verleden van een land door de ogen van zijn grootste schilders, Leuven, Davidsfonds Uitgeverij, 2023, 246 blz., ill., ISBN 978 90 223 4065 3, € 26,99.

Een fraai geïllustreerd geschiedenisboek is altijd aantrekkelijk. Maar De mooiste geschiedenis van België heeft toch – vooral naar concept – nog iets meer. Het is met name geen traditionele chronologische rapportering van historische gebeurtenissen en/of personages. Zestig verschillende aspecten en/of gebeurtenissen van onze geschiedenis komen aan bod uitgaande van evenveel kunstwerken, telkens in 3 tot 5 bladzijden, waarbij het betrokken kunstwerk uiteraard wordt afgebeeld. De zestig onderwerpen worden gespreid over dertig hoofdstukjes die elk onder een kopje staan dat een tegenstelling uitdrukt, “Want in niets laat de geschiedenis zich beter zien dan in haar contrasten” (p. 10).

Bij elk van de doeken verwijst de auteur ook naar een aantal historische

feiten. We geven hier enkele voorbeelden.

Hemel en aarde met werken van respectievelijk Jean Brusselmans (De lente, 1935) en Valerius De Saedeleer (De oude perelaar in de winter, 1925). Het kleurrijke doek van Brusselmans uit 1935 stelt een bloeiende lente voor als beloftevol seizoen – de hemel op aarde. Het is in feite een prefiguratie van het hedendaags Vlaams bouwlandschap “met zijn grillige ruimtelijke ordening, zijn oprukkende bebouwing, ruilverkavelingen, rooilijnen en wachtgevels” (p. 15). 1935 is overigens ook het jaar vanaf wanneer de eengemaakte Nationale Maatschappij voor de Kleine Landeigendom (NMKL) de coördinatie verzorgt van de kleine land- en tuinbouwuitbatingen (p. 17). Het sombere doek van De Saedeleer toont ons daarentegen enkele schimmige, knoestige en dorre perelaars in een sneeuwlandschap. De voorgestelde bomen – zeker de perelaar vooraan – staan voor het steeds terugkerend leven, gevoed door de aarde. In november 1925 lag er in het Brusselse ruim 30 cm sneeuw en in Bastenaken zelfs 50 cm. Het smeltwater zou later in de Maasvallei overstromingen veroorzaken.

Achter de antithese Pijn en genot zitten Augustine ziek te bed (1905) van Eugeen Van Mieghem en De menselijke parodie van Félicien Rops (1881). Het indringend portret van de zieke Augustine – de muze en echtgenote van Eugeen Van Mieghem – drukt bijzonder scherp het lijden uit van een vrouw die ten onder ging aan “de volksziekte nummer één, tuberculose” (p. 66). Daarmee verwijst de tekenaar tevens zonder omwegen naar het trieste lot van onder meer het arme havenvolk dat zijn werken

bevolkt: “De man die hier met zwart krijgt de witte dood tekende, besefte maar al te goed de bikkelharde realiteit” (p. 68). In de marge verwijst Vandervelden naar enkele belangrijke aspecten van de vreselijke ziekte die tuberculose was: de ontdekking van de besmettelijkheid van de aandoening door dr. Koch en het feit dat besmettelijke ziekten – en vooral tuberculose – aan het einde van de 19e eeuw voor de helft van de sterfgevallen verantwoordelijk waren. De tegenstelling met het werk – en de ideologie – van Rops kan niet groter zijn. Hij was immers een “moderne vrijdenker” voor wie “de verlossing uit de hoer en de minnares” bestond (p. 70) – het verboden genot – hoewel syfilis toen “de kwelgeest van de prostitutie en het nachtleven” was (p. 71). De geschiedenisfeitjes die de auteur in deze context aanhaalt, zijn de eerste algemene regulering van de prostitutie door Napoleon (1811) en het op de markt brengen van Salversan, het eerste effectief middel tegen syfilis (1910).

Laat er ons nog maar het te verwachten thema Oorlog en vrede bijnemen. De keuze van het eerste doek viel op Dode Canadese officier (1918) van de Brusselse schilder Alfred Bastien. In het commentaar op dit doek vertelt de auteur ons wie de frontschilders waren van de Section artistique de l’Armée, in feite een door het leger erkende organisatie van 26 schilders – met toelatingsprocedure! – die via hun kunst een welbepaalde opdracht hadden: “het documenteren van het frontleven en propaganda voor de Belgische en geallieerde troepen” (p. 114). Het doek stelt een gesneuvelde Canadese soldaat voor, liggend aan een knotwilg. Het is zonder meer duidelijk dat de kunstschilder hier

het accent wilde leggen op een van de miljoenen “van God en iedereen verlaten” oorlogsslachtoffers (p. 114).

De historische weetjes verwijzen natuurlijk naar een aantal aspecten van de Eerste Wereldoorlog. Het tweede doek is een eenvoudig maar naar onze bescheiden mening bijzonder werkje van de vaak onderschatte Molse kunstenaar Jakob Smits: De hemel weent boven de puinen (1918). Het stelt een extreem sober landschap voor, waarbij enkel een kleine onderste strook van het werk figuratief is: een paar wankele kruisen, een struik en een Kempische schuur achter een afgeknakte boom. 80% van de oppervlakte van het tafereel stelt een immense en grijs stralende hemel voor, alsof “God huilt over wat de mens heeft aangericht” (p. 118). In de begeleidende tekst heeft de auteur het over de landelijke noodhulp en hulporganisaties tijdens de oorlog. Hij verwijst onder meer naar de Commission for Relief in Belgium en het Nationaal Hulp- en Voedingskomiteit.

De stuk voor stuk vlot leesbare en korte commentaren handelen over de auteur van het kunstwerk, het gekozen doek zelf en de ruimere historische context. Op enkele uitzonderingen na gaat het om werken van vrij “gerespecteerde” en gekende Belgische kunstenaars. Veel van de werken werden eerder al tentoongesteld in Het Kunstuur, het initiatief van de broers Joost en Hans Bourlon – die overigens ook instaan voor een voorwoord. Hierbij kan een beperkte groep toeschouwers (na reservatie) op 1 uur tijd een aantal Belgische topwerken aanschouwen die, via verhalen en muziek, stuk voor stuk worden belicht (https:// hetkunstuur.com/). Het verband tussen de aangebracht kunstwerken

en de commentaren met historische inslag is vrij duidelijk – dat is minder het geval met de historische weetjes in de marge, maar is niet storend.

De combinatie van kunst en geschiedenis in korte, behapbare en vloeiende teksten – zonder zwaarwichtige of technische terminologie – is een goede (en originele) vondst en maakt van de publicatie een makkelijk leesbaar boek. Je hoeft niet alles in een keer of na elkaar te lezen: de lezer kan vrij kiezen in functie van het thema of van de kunstenaar (aangegeven in de inhoudstafel). Het boek vereist geen voorkennis, integendeel, wellicht zal het menig lezer uitnodigen om via andere publicaties wat dieper te graven in de geschiedenis, het werk van een of andere kunstenaar of de schilderkunst in het algemeen. Een aparte index (enkel met een lijst) van de kunstenaars was wel handig geweest. De materiële uitvoering van het werk is zeer verzorgd, met een rustige lay-out en met een goede papierkwaliteit zodat de illustraties met een voldoende hoge resolutie netjes tot hun recht komen.

Zonder meer een geslaagde publicatie zowel qua concept als qua inhoud en vorm.

Vanneste

Stephan Vanfleteren, Atelier, Hannibal Books, Veurne, 20230, ill., 448 blz., ISBN 978-94-6466-655-7, € 69,95.

Kan een fotoboek onderwerp zijn van een recensie in dit tijdschrift? Het antwoord hierop is meerlagig.

Bij beroemde fotografen denk je onmiddellijk aan fotografiekunst, waarbij de nadruk vaak op het tweede deel van dit woord ligt. Het esthetisch genot staat hier voorop, de fotograaf wil behagen. Anderzijds heb je duizenden fotocollecties –ook van beroepsfotografen – die een blik werpen op het leven. Het gaat hier vaak om foto’s die door gewone mensen werden genomen om een beeld te vast te houden. Van familiale kiekjes tot afbeeldingen van wat je in de omgeving van die mensen kunt vinden. De tientallen en tientallen fotobanken die je alleen al in Vlaanderen kunt vinden zijn daarvan het mooiste bewijs. Ze zijn de moderne opvolgers van de vele fotoboekjes met titels als “Zo was

het in …”. Deze dragers bieden ons inderdaad informatie over het leven vroeger en nu in al zijn facetten. Het zijn vaak waardevolle documenten in de studie van het verleden.

Het fotoboek Atelier van Stephan Vanfleteren lijkt hier op het eerste gezicht erg van af te wijken. Over meer dan vierhonderd bladzijden presenteert hij portretten van mensen en, in veel mindere mate, dieren. Het gaat hier om stillevens, om verstild leven, verstilde schoonheid. Bij Vanfleteren gaat het altijd om meer. Uit zijn vroeger werk (zie Volkskunde 121/2 (2020), 203-205) weten we dat hij niet enkel registreert, maar ook interpreteert. Ondanks het verstilde beeld kun je bij heel wat beelden een leven in ontwikkeling zien. Een leven dat meer biedt dan dat ene moment dat wordt vastgelegd. In tegenstelling tot zijn magnum opus Present heeft de auteur deze keer geen begeleidende teksten geschreven. Spijtig, want Vanfleteren is niet enkel in beeld, maar ook in woord een uitstekende observator van de “cultuur van het dagelijks leven” (zoals de ondertitel van dit tijdschrift vermeldt). Waar we nu nog veel iconografische gegevens halen uit vroegere schilderijen (ook en zeker van stillevens), zo is dit werk van Vanfleteren ook een bron van informatie over de hedendaagse anonieme mens in zijn omgeving (mijnwerkers, vissers, de fanfare, dansers), naast bekende persoonlijkheden die zich letterlijk blootgeven.

Evenzeer – ook al lijkt dit vergezocht – biedt dit fotoboek een inzicht in de werkplaats, het atelier van de fotograaf als beroepsmens. Een smidse of een oude apotheek lijkt een duidelijker voorbeeld voor een volkskundige studie, maar het

zou fout zijn om aan die werkplaats van de kunstenaar geen aandacht te schenken. Naast zijn fototoestel is het licht in al zijn verschijningsvormen zijn belangrijkste werkinstrument. Je kunt licht niet in een alaambak stoppen, maar het is wel het noodzakelijkste ingrediënt van een beeld. Samen met tijd, de tijd waarin de fotograaf een opname maakt, evenzeer als de tijd die hij nodig heeft om het juiste licht gevangen te nemen en voor eeuwig op te sluiten.

In zijn uitvoerige inleiding noemt de succesrijke Nederlandse auteur Ilja Leonard Pfeijffer bovendien Vanfleteren een kunstenaar van het licht, als verre opvolger van Pheidias, een kunstenaar uit de Griekse oudheid. Pfeijffer heeft het over een beeldroman waarin een zoektocht naar de stille waarheid wordt getoond. We leren kijken hoe de werkelijkheid van de mensenwereld wordt geconstrueerd en hoe kwetsbaarheid tot kunst wordt verheven.

Het hoeft geen betoog dat ook deze uitgave van Hannibal uiterst verzorgd is en past in de ondertussen lange reeks van kunstboeken die meer zijn dan alleen maar een kunstje van de uitgever. Het boek is ook in Franse en Engelse versie verkrijgbaar.

Paul Catteeuw

Frank Vermeulen, Over Indië. Herinneringen aan Indonesië in de koloniale tijd, Walburg Pers, Zutphen, 2023, ill., 240 blz., ISBN 9789464560787, € 24,99 (e-boek: € 12,99).

Een Vlaming zou bij het zien van dit boek in een boekhandel op het verkeerde been worden gezet. Hij/zij leest Indië en ziet een riksja. Dat het om Indonesië en een becak gaat, zal die lezer slechts in tweede instantie bij het lezen van de ondertitel ervaren. Dat ligt natuurlijk helemaal anders in Nederland. Meer dan drie eeuwen was Indonesië een kolonie van Nederland en al vroeg in de negentiende eeuw was de officiële naam van het land Nederlands-Indië. Tot 1945, of zo u wil tot 1949. Toen moest Nederland de Indonesische archipel uit handen geven na een niets ontziende strijd (bersiap) en oorlog tegen de Indonesiërs van Soekarno en Hatta.

Hiermee was het land één van de allereerste landen ter wereld die de koloniale ketens wist los te gooien en onafhankelijk werd. Ter vergelijking: Belgisch Congo werd slechts in 1960 onafhankelijk.

Anders dan in Nederland werd in België het adjectief “Belgisch” enkel nog gebruikt om aan de koloniale periode te refereren, terwijl bij heel wat Nederlanders het begrip Nederlands-Indië of kort Indië nog zeer gangbaar is om Indonesië aan te duiden.

Frank Vermeulen is een journalist die voor NRC Handelsblad werkt. Hij was ooit correspondent in Jakarta. Zijn grootouders woonden er, zijn moeder werd er geboren en zijn vader was er tijdens de bersiap als militair aanwezig. De auteur heeft op die manier een behoorlijke band met Indonesië dat hoe dan ook deel uitmaakt van zijn persoonlijke geschiedenis. Vermeulen zelf heeft weinig problemen met de benaming van het land, maar stelt zelf vast dat het voor de vele Nederlanders (meer dan 300.000!) die terugkeerden niet zo vanzelfsprekend is. Vooral aangezien ze niet zomaar welkom waren in Nederland en het er vaak zeer moeilijk hadden. Zelfs de benaming repatriëring lag moeilijk, omdat vele duizenden Nederlanders zelfs niet in Nederland waren geboren of er zelfs nooit geweest. Daardoor werden ze strictu sensu niet gerepatrieerd. Daardoor bleef het verlangen naar het vooroorlogse Indonesië met zijn geuren, kleuren en smaken bij een tropische warmte groot. Het was moeilijk om afstand te doen van een kolonie die door de eeuwen heen het kleine landje aan de Noordzee een enorme rijkdom had “geschonken” door slavernij, onderdrukking en

uitbuiting. Gevolgd door een zeer brutale en gewelddadige oorlog met erge oorlogsmisdaden en excessen tussen 1945 en 1949. De omgang met het zogenaamde groots verleden van een land dat Multatuli een “roofstaat aan de Noordzee” noemde, kwam eerder langzaam en moeizaam op gang, maar is ondertussen wel in volle ontwikkeling.

Dit boek is een bijdrage aan dat onderzoek, maar dan wel vanuit een ander oogpunt. De auteur-journalist sprak voor zijn krant met dertig ooggetuigen die er tijdens de Tweede Wereldoorlog bij waren. Het gaat om mondelinge geschiedenis (oral history) die via de laatste overlevenden een poging doet om een beeld te schetsen van de tijd die de bekend staat als tempo doeloe(de goede oude tijd), de tijd tot de Tweede Wereldoorlog, de moeilijke bezetting door de Japanners en de oorlog tot 1949 tot aan de repatriëring. Een lange periode van op en neer en van heen en weer geslingerd te zijn tussen goede en slechte tijden. Dat moet ook zeer verwarrend zijn geweest.

De verdienste van dit boek ligt in het feit dat de auteur weinig (of in feite niet) heeft ingegrepen op de verhalen van de mensen. Zij konden gewoon vertellen hoe het was, dat wil zeggen hoe zij het ervoeren. Daaruit blijkt dat er geen eenduidige verklaring is voor die hele periode. Ook daar – of misschien zelfs net daar – was er een duidelijke sociale stratificatie, met als grootste adagium: hoe witter, hoe meer kansen. “Gemengd bloed” was er in voldoende mate en op verschillende wijze aanwezig om die sociale opdeling een duidelijk beeld te geven. Dat is ook de reden waarom de dertig verhalen grondig van elkaar verschillen en elkaar (soms

schijnbaar) tegenspreken, want het gaat om de eigen waarheid en niet die van de ander. De houding tegenover de Japanners bijvoorbeeld is echt afhankelijk van de verteller. Zo is niet iedereen even virulent tegen hun optreden. Dat terwijl we hier, onder andere door bijvoorbeeld Jeroen Brouwers’ Bezonken rood daar een heel ander beeld over hebben, ook al is dat beeld ondertussen wel bijgesteld.

De leefgewoontes in de ene familie konden ook daar even erg verschillen van de andere familie als hier bij ons. Ook daarom is er de twijfel in de toponymische verschillen tussen (Nederlands-)Indië en Indonesië. Wie in het reine is gekomen met zijn verleden, zal het makkelijker hebben om Indië los te laten en de huidige term te gebruiken. Het oude Indië is niet meer, maar tegelijkertijd mogen de verhalen niet worden vergeten. Niet de slechte, maar ook niet de goede.

Een knap staaltje mondelinge geschiedenis dat een perfecte aanvulling is bij de stroom aan boeken die ondertussen het onderzoek naar het koloniale verleden scherp houdt en de buitenstaander mee opneemt in het collectieve geheugen van een land dat ooit een wereldmacht was, maar uiteindelijk moest ondergaan wat gebeurd is om Indonesië zijn eigen naam op de wereldkaart te laten zetten.

Het boek wordt afgesloten met een leeslijst, waarin Vermeulen kort beschrijft waarover het boek gaat en tegelijk vaak een appreciatie meegeeft. Een uitstekende stap voor wie zich verder in het onderwerp wil verdiepen.

Paul Catteeuw

Johan H. Winkelman, Fragmenten van de Vlaamse Roman van de Roos (ca. 1300). Over minnepijn en liefdesgeluk in de middeleeuwen. Lessen in liefde voor lieden van toen en nu, Hilversum, Uitgeverij Verloren, 2023, 189 pp., ill., ISBN 978 94 6455 757, € 28.

Le Roman de la Rose is zonder enige twijfel een topstuk uit de middeleeuwse Franse letterkunde. Het ongeveer 22.000 verzen tellend werk heeft twee auteurs. Guillaume de Lorris (Lorris, bij Orléans, 12001240) schreef een eerste deel met een dikke 4000 verzen en Jean de Meun (Meung-sur-Loire, 1240-1305) breide er een stevig vervolg aan van zowat 18.000 verzen, ongeveer 40 jaar nadat Guillaume de Lorris ermee gestopt was. Het is mij een raadsel waarom Winkelman de schrijfwijze Meun gebruikt, terwijl in de traditionele Franse literatuurgeschiedenis en -kritiek veelal Meung wordt gebruikt en het dorp aan de Loire overigens ook Meung-sur-Loire heet. Er bestaan tussen de 250 en ruim 300 handschriften van de Oudfranse

tekst (vooral 14e en 15e eeuw), vaak geïllustreerd met schitterende miniaturen, zie bijvoorbeeld https:// manuscripts.kb.nl/search/simple/ Roman+de+la+rose/page/1 of https:// dlmm.library.jhu.edu/viewer/#rose). De tekst was zonder meer een bestseller: het is niet voor niets dat Le Roman de la Rose in de middeleeuwen de meest gekopieerde profane tekst was, na de La Divina Commedia. Het origineel verhaal gaat als volgt: een 20-jarige jonge man beleeft een droom. Het is lente, mei, en hij ziet een mooie roos. Hij voelt zich zo aangetrokken door de schitterende bloem dat hij uit zijn droom stapt en een zoektocht onderneemt naar de roos, die uiteraard verwijst naar een beeldschone jonge vrouw. Het uiteindelijke doel van zijn queeste is natuurlijk het plukken van de bloem in de Tuin van Plezier. Het lukt hem om met de hulp van Cupido de roos te kussen, maar daardoor haalt hij zich de gram van Vrouwe Jaloezie op de hals: zij bouwt een burcht rond de roos. Vanaf hier moeten we het vervolg van het verhaal gaan zoeken in de tekst van Jean de Meung. Dit deel is aanvankelijk veel minder avontuurlijk dan het stuk van Guillaume de Lorris: Jean de Meung houdt van filosofische en morele uitweidingen, kritiek op vrouwen en de kerk, altijd via allegorische personificaties zoals Vriend, Verstand, Natuur, Oude Vrouw, de pelgrim Schijnheiligheid en de begijn Gedwongen Onthouding. Naar het einde toe krijgen we dan toch het vervolg op de zoektocht van de ik-figuur. Met de hulp van Amor en zijn vrienden wordt het slot van Jaloezie bestormd. Venus, Cupido’s moeder, steekt het kasteel in brand. Nu de macht van Jaloezie gebroken is, krijgt het hoofdpersonage de toelating

om de roos te plukken. Net op het hoogtepunt van zijn zoektocht wordt hij wakker - einde van de droom!

Het is goed om weten dat het deel van Guillaume de Lorris van de originele Franse Rozenroman eigenlijk moet gezien worden als een soort Ars Amatoria (Ovidius) van de hoofse liefde, beschreven aan de hand van een courant procedé van de allegorie waarbij abstracte ideeën en morele kwaliteiten worden verpersoonlijkt. Het deel van Jean de Meung is daarentegen dat van een geleerd en burgerlijk dichter die graag zijn filosofische en historische kennis en theorieën breedvoerig uitsmeert. Uit het complex spel van allegorieën en metaforen komt de fundamentele betekenis tot uiting. Het mooie, het boeiende, het spannende en meest voldoening gevende is de zoektocht naar de geliefde, de weg ernaartoe, bezaaid met moeilijkheden, en het eindeloos warm verlangen dat de kracht geeft om alle hindernissen (o.a. Jaloezie) te overwinnen. Eens het einddoel bereikt en de roos geplukt, valt alles weg en verwelkt de roos vlug...

Er zijn twee Middelnederlandse vertalingen van de Rozenroman, een met 14.000 verzen in het Brabants dialect, toegeschreven aan Hein van Aken (1300), en een in het Vlaams dialect (1290). Van deze laatste versie zijn enkel nog fragmenten overgeleverd, met zowat 2700 verzen. De kritische uitgave van Winkelman is gebaseerd op de editie van K. Heerema (1958) van de tekst in het Vlaams dialect. In feite biedt Winkelman een hertaling van de Middelnederlandse tekst maar, om de leesbaarheid te verhogen, nu met interpunctie, hoofdletters waar nodig, zonder de in de oude teksten

veelvuldig voorkomende afkortingen, met nuttige woordverklaringen en korte tekstcommentaar. De talrijke in de editie van Winkelman opgenomen kleurrijke illustraties komen hoofdzakelijk uit Franse manuscripten. De inhoudelijke leemtes van de Vlaamse versie worden uiteraard opgevuld door gegevens uit de Brabantse versie die volledig werd overgeleverd en uiteraard ook door de originele Oudfranse versie. Toch stootte de tekstuitgever op heel wat inhoudelijke problemen. In de nog gekende teksten van de Vlaamse versie ontbreekt het begin (300 verzen). Gewoon overnemen wat in andere versies staat, lijkt moeilijk. Immers in de Franse zowel als de Brabantse versie verloopt de zoektocht naar de roos vanuit een droom. Daar is niets van te merken in de Vlaamse versie. In het begin van de Vlaamse versie ontmoet een minnaar een liefdespaar, Jolijs en Florentine. Jolijs vertelt het verhaal van de zoektocht naar zijn geliefde (roos). Daarenboven heeft de Vlaamse dichter totaal andere namen verzonnen en... ontbreekt het einde van het verhaal zodat we naar de uitkomst ervan kunnen raden. We weten dus niet of de door liefdesverdriet geplaagde ik-figuur uit het verhaal van Jolijs bijgeleerd heeft op het vlak van de liefde en of hij uiteindelijk op zijn beurt zijn geliefde vindt. Winkelman neemt trouwens het eindfragment van de Brabantse versie over om zijn teksteditie te beëindigen.

Op een grijze achtergrond staan de verzen van de Middelnederlandse (Vlaamse) versie in de linker kolom, in aangepaste vorm (interpunctie, hoofdletters, enz.) In de rechterkolom, parallel, staat de vertaling in modern Nederlands. Deze teksten worden

afgewisseld met commentaar op een bruingele achtergrond en in modern proza, en een korte verklaring van de voorgestelde illustraties.

Er is zonder meer een duidelijk verschil qua inhoud en verloop van het verhaal tussen de Brabantse en de Vlaamse versies. En het verschil met de Oudfranse oertekst is nog groter. Winkelman wijst daar wel op, maar naar onze bescheiden mening niet op een voldoende gestructureerde wijze. In zijn inleiding maakt hij zich daar eigenlijk een beetje te snel van af. Het ware mooi geweest mochten de inhoudelijke verschillen tussen de drie versies (Oudfrans, Brabants en Vlaams) wat systematischer zijn opgelijst. Zo lijkt de Vlaamse versie (zeker in aantal verzen) meer aandacht te besteden aan allerlei liefdesaangelegenheden dan aan, bijvoorbeeld, de geschiedenis of de filosofie. In de Oudfranse oorspronkelijke versie staat de (hoofse) liefde centraal in het eerste deel van Guillaume de Lorris, maar niet meer zozeer bij zijn opvolger Jean de Meung. Deze laatste kan zelfs zonder meer beticht worden van misogynie: hij is immers niet altijd mals voor de vrouw in het algemeen, voor hem is zij geen ideaal, maar wel een lustobject: “De faict ou de volenté pute” (feitelijk een prostituee).

Om zijn publicatie toegankelijk te maken overtreedt Winkelman “met plezier de gestrenge regels van de wetenschappelijkheid”. Daar hebben we alle begrip voor, de meeste lezers hebben inderdaad geen boodschap aan ellenlange voetnoten en verwijzingen allerhande. Maar zij hebben wel recht op een goed opgebouwde analyse. De lezer die iets meer wil dan de vertaling van de Vlaamse versie blijft wat op zijn honger zitten. Het

gewicht van de natuurlijk belangrijke Oudfranse oertekst komt in de uitgave van Winkelman naar onze mening onvoldoende tot uiting. Zo missen wij bijvoorbeeld in de bibliografie de vermelding van de twee voornaamste tekstuitgaven en -commentaren van Le Roman de la Rose, die van Pierre Marteau en die van Ernest Langlois, ietwat gedateerde studies maar nog altijd standaardwerken.

Toch willen wij op een positieve noot afsluiten. In tijden waarin het Engels en de anglofilie andere moderne talen versmachten, is het moedig om aandacht te besteden aan oude vormen van onze eigen taal, aan een minder bekende, maar genietbare Middelnederlandse tekst en, onrechtstreeks, aan een belangrijk en al bij al invloedrijk gedicht van de Franse literatuur. Hoewel wij denken dat het op sommige vlakken “iets meer” mocht zijn, bereikt Winkelman ongetwijfeld zijn doel: een mooie Middelnederlandse tekst redden van de vergetelheid en toegankelijk maken voor het groot publiek (en niet enkel voor een kleine schare wetenschappers).

De hertaling in het modern Nederlands durf ik geslaagd noemen, de commentaren zijn niet louter bladvulling, maar meestal ad rem en de talrijke (becommentarieerde) kleurenillustraties dompelen de lezer voluit in de (miniatuurkunst van de) 13e eeuw.

Robert Wiśniewski, Raymond Van Dam en Bryan Ward-Perkins, red., Interacting with Saints in the Late Antique and Medieval Worlds, Hagiologia. Studies on Sanctity and Hagiography, 20, Turnhout, Brepols Publishers, 2023, 282 pag., ISBN 978-2-50360558-6; € 95.

Een van de uitgevers, Robert Wiśniewski, maakte vijf jaar geleden zijn debuut met The Beginnings of the Cult of Relics (Oxford University Press, 2018), een studie die tot op heden nog steeds het referentiewerk is met betrekking tot de eerste vier eeuwen van de reliekencultus. Net zoals die reliekencultus, is de heiligenverering ook onderhevig aan ‘modeverschijnselen’ en dat fenomeen staat centraal in deze bundeling essays die oorspronkelijk gepresenteerd werden op het congres The Cult of Saints in Late Antiquity (Warschau, 2018). De heiligencultus wordt omschreven als een van de meest fascinerende religieuze

ontwikkelingen van de late oudheid die geleid heeft tot een spectaculair fenomeen in de middeleeuwen. Onophoudelijk verschijnen sedert de 19e eeuw wetenschappelijke studies omtrent hagiografie, heiligenverering en het fenomeen van de bedevaart, niet in het minst in Nederland en Vlaanderen.

De heiligenverering heeft haar oudste sporen nagelaten in de tweede eeuw, meer bepaald in de martelarencultus. Een heilige is dan per definitie een martelaar. Christenen komen samen op de graven van martelaars om hun jaargetijde liturgisch te gedenken, maar ook om de nog levenden aan te sporen om de martelaren in hun ‘dodelijke’ keuze na te volgen. In de derde eeuw verandert er nog iets essentieels. Christenen beginnen te geloven dat ze niet enkel rechtstreeks op God een beroep kunnen doen, maar ook dat ze de martelaars als bemiddelaars kunnen inroepen. In de zesde eeuw is dit een algemene praktijk en dat tot op vandaag.

Vanaf de vierde eeuw gebeurt alweer iets revolutionairs. Wordt aanvankelijk eucharistie gevierd op de graven van martelaren en worden daar bovenop kerken gebouwd, dan verhuizen nu de relieken van de martelaars naar de kerken in de binnenstad. Daarmee wordt het oude Romeinse taboe op de aanwezigheid van doden in de stad doorbroken. Ook vanaf de vierde eeuw blijft heiligheid niet meer voorbehouden aan martelaren (na de christenvervolgingen!), maar zien we nieuwe types ontstaan, zoals de belijders en de maagden, de heilige monniken en bisschoppen. Ze worden bovendien op nieuwe wijzen voorgesteld. Kortom: er zit

een grote dynamiek in het proces van de heiligenverering en de diverse aspecten van die dynamiek pogen de medewerkers aan dit boek bloot te leggen.

Het eerste deel onderzoekt enkele specifieke praktijken. Het heet verrassend Seeing, Hearing, and Feeling the Saints en legt de nadruk op de zintuiglijke ervaringen die pelgrims opdoen wanneer ze de graven van martelaars bezoeken. Volgens de auteurs is dat aspect onderbelicht, maar dat is niet waar. Reeds Arnold Angenendt besteedde in de jaren 1980 hier veel aandacht aan. Robin Jensen bestudeert de visuele uitbeelding van heiligen en dateert het fenomeen vroeger dan tot nog toe is aangenomen. Bovenal constateert ze niet enkel een chronologische parallel tussen de verering voor relieken en afbeeldingen, maar ook tussen de manier waarop beide objecten zowel vereerd als bekritiseerd worden. Maria Lidova focust op laat antieke afbeeldingen van heiligen en constateert een iconografische evolutie tussen de vierde en de zevende eeuw. Arkadiy Avdokhin verlegt de focus van het gezicht naar het gehoor en gaat de rol van liturgische muziek na in de bedevaartsoorden van oostelijk Griekenland. Het zingen van hymnen is een sterke manier om ritueel in contact te komen met de heilige. Bovendien is het luisteren en zingen van hymnen een sterk gemeenschapsbevorderend ritueel. Xavier Lequeux gaat dieper in op het fenomeen van de myroblieten. Dat zijn heiligen waarvan het lijk een vloeistof afstoot. De bekendsten zijn Nicolaas van Myra en Walburga van Eichstatt, maar het fenomeen wordt ook toegeschreven aan Gertrudis van Nijvel. Het is de eerste keer

dat dit verschijnsel zoveel aandacht krijgt.

Het tweede deel van het volume, Local and Cosmopolitan Saints, bestudeert regionale verschillen. András Handl bestudeert de evolutie van één cultus in één stad, namelijk Callixtus van Rome. Van een onbekende groeit hij op honderd jaar tijd uit tot de populairste martelaar-paus en dat heeft in belangrijke mate te maken met de monumentalisering van zijn graf en het steeds uitgebreider worden van zijn passio. Stefanos Efthymiadis bekijkt op een eigenzinnige manier de heiligencultus in het nieuwe Rome, Constantinopel: een stad die eerder cultussen aantrekt dan exporteert. Dat zou te maken kunnen hebben met het feit dat de verschillende machthebbers (keizers, patriarchen en aristocraten) zich op die manier kunnen profileren en promoten. Anna Lampadaridi toont de hagiografische gelijkenissen aan tussen Lucia, Agatha en Euplus. De eerste twee zullen via Rome een zekere verspreiding kennen in de Nederlanden.

Het laatste deel van de studie, Constructing Paradigms, bestudeert de hagiografische evoluties in drie regio’s van het christendom. Ian Wood schetst de hagiografische evolutie in het beeld van de Gallische bisschoppen van ascetische helden (vierde-vijfde eeuw) tot meer wereldlijke heren (zesde-zevende eeuw). Michael Pietranik verschuift de aandacht naar het bijzondere fenomeen van het gebruik van relieken in oorlogsvoering. Ook daar zit een dynamiek in. Waar de oorlogvoerende vorsten eerst gaan bidden bij relieken voor een goede afloop van de strijd, zullen ze later de relieken zelf meevoeren op het strijdtoneel. In het laatste hoofdstuk kijkt Nikoloz

Aleksidze naar de literaire strategieën in de hagiografie om Georgische en Armeens koningschap te legitimeren in de Kaukasus.

Los van de origineelste bijdragen van Lequeux en Pietranik is de hele bundel bijzonder waardevol omdat hij op diverse terreinen de diverse dynamieken blootlegt in alle aspecten van de heiligenverering. Het boek had dubbel zo dik kunnen zijn omdat de diversiteit immens is, maar we krijgen hier alvast een sterk staal van die diversiteit.

ABSTRACTS

“We will talk about it later …” On disciplinary discourses and practices, before and with electronic data processing”

‘Daar spreken we nog over …’ Over disciplinaire vertogen en praktijken, voor en met elektronische dataverwerking

Marc Jacobs

This contribution introduces a series of articles titled “reculer pour mieux sauter” (meaning “moving back to take a better leap”), which are featured in this and subsequent issues of Volkskunde. The year 2000 was not only a significant milestone in the field of volkskunde, but it also appears to be the culmination of a period of (announcing) changes in scholarly practices, name-giving, and discourses across various institutions and networks in the Low Countries. Is it true that today there are no longer any “volkskundigen” – a Dutch equivalent of folklorists or ethnologists – in Flanders or the Netherlands? Has the Dutch term or even national(istic) version for (European) “ethnology” become an alternative since 2000? And/or has the paradigm of safeguarding intangible cultural heritage paradigm superseded everything? Or is it the transdisciplinary notion of heritage? And (critical) heritage studies? Is it not time to be inspired by programmes such as Anne Eriksen’s, wherein one distinguishes and considers precursors with valuable experiences and documentary heritage, while

simultaneously embracing not only the power of the concept of “heritage” in the 21st century but also the novel possibilities of computer and other technologies?

In this issue’s contributions, “mainly moving back”, special attention is devoted to the role of the Hoffmann-Krayer classification and how it was used in the 20th century, especially in the Low Countries. What are the outcomes of such systems of managing paratexts and the utilization of index cards? What are the outcomes and potentials of the plan Garfield, Web of Science, and other knowledge management systems? In order to devise and discover novel strategies, it is advantageous to examine the experiences and tactics employed in the past of components of the transdisciplinary field of heritage studies, as well as the diverse disciplines that bear various names, in order to establish a system. Just carrying on or mainly building on the possibilities of electronic bibliometric tools that are now available proves insufficient in the field of (intangible) heritage (studies), hence the “reculer pour mieux sauter”-attempt at the beginning of the third decade after 2000.

Keywords: index cards, bibliographic system, classification plan, HoffmannKrayer, bibliometrics, folklore studies, ethnology, safeguarding intangible heritage, electronic data management, Flanders

Index Cards, boxes, and publications: the guts of “folklore studies” in the 20th century

Steekkaarten, -bakken en publicaties: de ingewanden van de ‘volkskunde’ in de 20e eeuw

Marc Jacobs

This contribution examines practices for organizing paratexts of articles and reviews in journals for folklore studies by using index cards, including transcribing, cutting and pasting bibliographic information and using the classification plan Hoffmann-Krayer, as developed at the beginning of the 20th century. How did the organization of these bibliographic systems in folklore studies in Flanders (and other parts of the Low Countries) evolve? What was for instance the significance of the “Nederlandse Volkskundige Bibliografie”, a major project launched and managed by (the) K.C. Peeters (family) in the second half of the 20th century? What is the mechanism by which such systems were initiated, developed, and ultimately terminated?

Keywords: index cards, classification plans, Hoffman-Krayer, bibliographic system, folklore studies

concepts like folklore, “Volkskunde” and ethnology in general and the importance of bibliographic systems in particular, like the productions made with the classification plan of Eduard Hoffmann-Krayer. This is a component of a broader reflection on the pre-existing components of the current paradigm of heritage and heritage studies, as proposed by Anne Eriksen. This article examines the mechanisms of organizing information and their impact on the emergence of a broader canon. Throughout these processes, UNESCO played a significant role in various episodes, ranging from providing support to CIAP/SIEF to the present paradigm of safeguarding intangible cultural heritage.

Keywords: paratext, folklore, Volkskunde, bibliographic instruments, 20th century, HoffmannKrayer, safeguarding, CIAP, SIEF, intangible cultural heritage

Paratexts, folklore, ethnology and bibliographic instruments in the 20th century

Parateksten, folklore, volkskunde en bibliografische instrumenten in de 20e eeuw.

Marc Jacobs

The concept of paratexts (Gerard Genette) is useful for understanding the evolution and intertwining of

A swan song and practical issues. The classification plan HoffmannKrayer and the International Bibliography of Ethnology at the beginning of the 21st century Een zwanenzang en praktische bezwaren. Het plan Hoffmann-Krayer en de Internationale (Europese) Etnologische Bibliografie in het begin van de 21e eeuw

Marc Jacobs

Throughout the 20th century, a Dutch translation of the most recent revision of the classification plan Hoffmann-Krayer was frequently published and debated in Volkskunde, until the final contribution by

Stefaan Top in 1994. Later that year, the editors decided not to update the bibliographic overview plan used in their journal until further notice. In this article, we discuss the last phase of the International Bibliography of Folklore/Ethnology and the failed attempts to update several rubrics of the plan. In order to reach “closure” in Volkskunde, the last version of the classification plan in Dutch is published and discussed.

Keywords: Hoffmann-Krayer, bibliography, folklore studies, International Folklore Bibliography, ethnology, International Bibliography of Ethnology

ctrl-d, ctrl-h, shift-ctrl-x, crt-altdel, in and after the year 2000. Ethnology, Popular Culture and Intangible Heritage

ctrl-d, ctrl-h, shift-ctrl-x, crt-altdel, in en na 2000. Etnologie, Volkscultuur, Immaterieel Erfgoed

Marc Jacobs

The years before and after the year 2000 saw a lot of discussion about words related to ethnology, popular culture, and intangible cultural heritage. How can this vocabulary be decoded and understood? A particular focus is given to the operation regarding the “appropriate vocabulary” as a component of the safeguarding intangible heritage paradigm of UNESCO in the 21st century, and the evolution of this debate.

Keywords: ethnology, popular culture, folklore, 2003 UNESCO convention, safeguarding, intangible heritage, appropriate vocabulary

Fragmentary bibliometric research on and in journals for folklore studies in the 21st century: explorations on Web of Science

Fragmentair bibliometrisch onderzoek naar en in “volkskundige tijdschriften” in de 21e eeuw: verkenningen via Web of Science

Marc Jacobs

In this anthology, various attempts to use Web of Science and scientometric tools to analyse characteristics of and in a set of journals on folklore studies are being reviewed, together with similar recent contributions using Web of Science data to discuss literature in journals like the International Journal on Intangible Heritage and the use of such tools without more indepth knowledge of the field. It is clear that superficially using only data and tools for bibliometric analysis is not suited for the field of folklore studies/ethnology and the paradigm of safeguarding intangible cultural heritage. The challenge for subsequent contributions in the “pour mieux sauter”-attempt and beyond is set.

Keywords: bibliometrics, folklore studies, intangible cultural heritage, cyberculture, Web of Science

PERSONALIA

Marc Jacobs (1963) is sinds 2019 hoogleraar erfgoedstudies aan de Universiteit Antwerpen, Faculteit Ontwerpwetenschappen, in de opleidingen Erfgoedstudies en Conservatie-Restauratie. Hij is verbonden aan de onderzoeksgroep ARCHES (Antwerp Cultural Heritage Sciences). Daarnaast is hij ook hoofddocent erfgoedstudies en coördinator van de UNESCO-leerstoel kritische erfgoedstudies en het borgen van immaterieel cultureel erfgoed in de vakgroep kunstwetenschappen en archeologie aan de Vrije Universiteit Brussel. Tot 2019 was hij directeur van FARO. Vlaams steunpunt voor cultureel erfgoed. marc.jacobs@uantwerpen.be & marc.ml.jacobs@vub.be https://orcid.org/0000-0002-59673053

De meeste “volkskundige” fichebakken in privéwoningen zijn ondertussen leeggemaakt, afgevoerd of verdwenen, zo leerde een rondvraag bij de nog levende protagonisten. Al die bibliografische apparaten, de resultaten van vele werkuren, zijn geruisloos verdwenen. Max Van den Berg, oud-redacteur van Volkskunde, werd op 10 februari 2024 negentig. Hij meldde dat de bakken met de “kleine fiches” – die met bibliografische steekkaarten – ondertussen al een hele tijd zijn leeggemaakt. Een handvol bakken met fragmenten van verwerkt sagenmateriaal en veel (ondertussen) lege ruimte bleef bewaard. Het toetsenbord van een hedendaagse Apple op de achtergrond verklikt wat er deze eeuw is gekomen.

(foto Max Van den Berg, met enkele overgebleven souvenirs uit een actieve onderzoekerspraktijk in de vorige eeuw).

124e JAARGANG (2023)

Reculer/Sauter

Marc Jacobs, ‘Daar spreken we nog over …’. Over disciplinaire vertogen en praktijken, 333 voor en met elektronische dataverwerking

Marc Jacobs, Steekkaarten, -bakken en publicaties: de ingewanden van de ‘volkskunde’ 339 in de 20e eeuw

Marc Jacobs, Parateksten, folklore, volkskunde en bibliografische instrumenten 375 in de 20e eeuw

Marc Jacobs, Een zwanenzang en praktische bezwaren. Het plan Hoffmann-Krayer 401 en de Internationale (Europese) Etnologische Bibliografie in het begin van de 21e eeuw

Marc Jacobs, ctrl-d, ctrl-h, shift-ctrl-x, ctrl-alt-del, in en na 2000. Etnologie, 423 Volkscultuur, Immaterieel Erfgoed

Marc Jacobs, Fragmentair bibliometrisch onderzoek naar en in 447 “volkskundige tijdschriften” in de 21e eeuw: verkenningen via Web of Science Recensies

* Kevin Absilis, Het slechte geweten van Vlaanderen. Nationalisme, racisme en kolonialisme 475 in de tijd van Hendrik Conscience (Alex Vanneste)

* Geert Berings, Hak om, die boom. Een verhaal van de kerstening in Vlaanderen (Alex Vanneste) 478

* Jan-Auwke Diepenhorst, Rivalen in het beloofde land. Een geschiedenis van Joden 481 en Palestijnen (Alex Vanneste)

* Dorina Dragnea, Emmanouil Ger. Varvounis, Evelyn Reuter, Petko Hristov and 486 Susan Sorek, eds., Pilgrimage in the Christian Balkan World. The Path to Touch the Sacred and Holy (Hans Geybels)

* Alain Gerlache, Het verhaal van Wallonië (Alex Vanneste) 488

* Jan Huyghe, De IJzervloed. Westhoek, kerstnacht 1993 (Paul Catteeuw) 491

* Chiara Mannoni, Artistic Canons and Legal Protection. Developing Policies to Preserve, 494 Administer and Trade Artworks in 19th-Century Rome and Athens & Art in Early Modern Law. Evolving procedures for heritage protection in 15th- to 18th-century Europe (Marc Jacobs)

* Peter Pels, The Spirit of Matter. Modernity, Religion, and the Power of Objects, 498 Methodology and History in Anthropology (Hans Geybels)

* Karl Scheerlinck, Naar zee! Belgische kustaffiches 1886-1965 (Collectie Roland Florizoone) 499 (Alex Vanneste)

* Dan Stone, De Holocaust. Een onvoltooide geschiedenis (Alex Vanneste) 502

* Peter van der Veen & Marjolein van der Veen, The Linguist’s Family.

504 Toraja in the Dutch Indies, prisoners of wartime Japan and the Republic of Indonesia (Paul Catteeuw)

* Jos Vandervelden, De mooiste geschiedenis van België. Het verleden van een land

506 door de ogen van zijn grootste schilders (Alex Vanneste)

* Stephan Vanfleteren, Atelier (Paul Catteeuw) 508

* Frank Vermeulen, Over Indië. Herinneringen aan Indonesië in de koloniale tijd

510 (Paul Catteeuw)

* Johan H. Winkelman, Fragmenten van de Vlaamse Roman van de Roos (ca. 1300).

512 Over minnepijn en liefdesgeluk in de middeleeuwen Lessen in liefde voor lieden van toen en nu (Alex Vanneste)

* Robert Wiśniewski, Raymond Van Dam & Bryan Ward-Perkins, red.,

Interacting with Saints in the Late Antique and Medieval Worlds (Hans Geybels)

515

Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Issuu converts static files into: digital portfolios, online yearbooks, online catalogs, digital photo albums and more. Sign up and create your flipbook.