Reineringen
Duive
nstraat 22
Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich Verschijnt driemaandelijks • Jaargang 14, nummer 4 (oktober -december 2023)
D
Voorwoord
e vorige Reineringen was een droevig themanummer. Nu kunnen we je een gewoon nummer van ons tijdschrift aanbieden, met wel vier zeer uiteenlopende onderwerpen. Wie zich nog de BRT-uitzendingen van Maurice De Wilde over Belgiës collaboratieverleden tijdens de Tweede Wereldoorlog herinnert, kon zijn kennis en inzicht aanvullen tijdens de lezing begin november van Bruno De Wever. Bezet oorlogsgebied creëert situaties waarbij sommigen - om welke drijfveren dan ook - beslissen om actief mee te werken met de bezettende overheid. Met alle gevolgen van dien. En het gebeurt nog steeds. Over heel Vlaanderen worden op onze kerkhoven op 1 november sobere events georganiseerd. Het gaat om een muzikale act of een poëtische bijdrage. Op onze “doodenhof” werd voor de eerste keer aan deze - nieuwe en hopelijk blijvende – traditie meegewerkt. Het past om na zo’n academische uiteenzetting plaats te geven aan een zeer menselijke geschiedenis van een oude, gepensioneerde schoenmaker uit Kontich-Kazerne. Een poging om een verhaal te maken over het beroep van schoenmaker evolueerde tot een levensverhaal met verrassende wendingen. De schoenmaker raakte op dreef en vertelde honderduit over zijn lange leven. Tuberculose vormde een zware domper. Geplaatst in het Zeepreventorium van Oostende, kwam hij bij de vlucht voor de oprukkende Duitsers in Engeland terecht. Daar leerde hij … Frans en werden de kiemen van zijn beroepskeuze gelegd. Dit interview vormt de aanloop voor een initiatief van Ilse Van Weert om zich verder in het schoenmakersverleden van Kontich, Kontich-Kazerne en Waarloos te verdiepen. Stof voor een volgend nummer. En zo belanden we bij de ‘Heksenvervolging in West-Europa’, een lezing die eind oktober door Paul Catteeuw werd gegeven. Net als Bruno De Wever gaf ook Paul verrassende frisse inzichten mee. Het waren doorgaans gewone mensen die door kwaadsprekerij en valse beschuldigingen op de brandstapel belandden. En die stapel brandde heus niet alleen in de middeleeuwen. Ook het christendom speelde een onfrisse rol en reikte rechters soms waanzinnige redeneringen aan om tot het gewenste besluit te komen. Zelfs de bepalende rol van de boekdrukkunst kwam ter sprake. En tenslotte vind je de ingekorte versie van de lezing over Abraham Hans die Paul Catteeuw ook eind oktober in het Liberaal Archief heeft gehouden tijdens een erfgoedcolloquium. Doel van dat colloquium is aan de volksschrijver de bekendheid te geven die hij verdient. De redactie wenst u veel leesgenot.
Collaboratie in Vlaanderen tijdens de Tweede Wereldoorlog
D
Verslag erfgoedlezing 10 november 2023
.4 14
2
en
ng
eri
in Re
e belangstelling en commentaren bij de vorige erfgoedlezing van emeritus hoogleraar Bruno De Wever over de geschiedenis van het verzet in België tijdens de Tweede Wereldoorlog (zie Reineringen 12/04 – lezing van 10.11.2021) lieten het beste verhopen voor het vervolg. En inderdaad, ondanks het trieste weer op die vrijdagavond 10 november, liep de kapeltribune aardig vol. De collaboratie behoort tot de best bestudeerde thema’s in de academische historiografie. Maar nog blijven veel mythen voortleven, die de spreker tracht te ontkrachten. Hoe groot was de collaboratie, wat was haar impact? De spreker, getrouw aan zijn stijl, formuleert heldere vragen die een klaar antwoord vereisen. Collaboratie is een vrij recent begrip in de historiografie, een fenomeen van na de Franse revolutie. Voorheen was getrouwheid aan zijn vorst of heer een absoluut gegeven. Het staat synoniem voor meer dan louter samenwerken met de bezetter, het vormt zelfs een strafbaar feit. De eminente spreker legt uit dat samenwerking met de bezetter niet noodzakelijk tot de collaboratie wordt gerekend. Tijdens een bezetting is er een logische adaptatie nodig van het dagelijks leven en het bestuur in het bezette deel, dit noemt men accommodatie. Het staat in contrast met een beleidsvoering die gericht is op actieve medewerking met de bezetter, zowel op burgerlijk als op politiek vlak. Dit wordt als een collaboratieve handeling ervaren, een handeling die al voor de Tweede Wereldoorlog strafbaar was. Het Belgisch Strafrecht beschrijft vier types van collaboratie; de militaire, de economische, de politieke en de verklikking of het verraad. Voor een volledige omschrijving wordt verwezen naar het Belgisch Strafwetboek (zie de artikels 113, 115, 118 bis en 121bis: https://www.ejustice.just.fgov.be/eli/ wet/1867/06/08/1867060850/justel). (zie QR onderaan) Tijdens de Duitse bezetting wordt het maatschappelijk leven geschoeid (gelijkgeschakeld of Gleichschaltung) op het enige, vermeende juiste maatschappijbeeld, zijnde het nationaalsocialisme. Of anders verwoord, het maatschappelijk leven wordt genazificeerd. Machtsmisbruik wordt een tool om de structuur van binnenin om te buigen naar wat de bezetter wil. Ook het gebruik van geweld, lees wapenbezit en -gebruik, zal zich met de machtslust verzoenen. De vernietiging van de rechtstaat vormt het ultieme doel. Welk percentage van de Vlaamse bevolking heeft gecollaboreerd? Het blijkt dat slechts een kleine minderheid kan worden beschouwd als lid van de collaboratie in Vlaanderen. Zo’n 2% van de actieve bevolking (16- tot 65-jarigen) collaboreerde. In het verzet was ongeveer 2,5 % van bevolking actief. Het kleuren van de bewegingen in zwart en wit is een typisch Vlaams fenomeen, denk maar aan de zwarte en witte brigades in alle naoorlogse documentatie. Wat drijft de mensen tot collaboratie? Naast persoonlijke kunnen ook ideële drijfveren ten grondslag liggen. Een persoonlijke motivatie kan leiden tot lidmaatschap van een culturele organisatie die deel uitmaakt van een administratieve organisatie. Hierbij denken we vooral aan bestuursorganisaties die nodig zijn om de maatschappij om te vormen naar een nationaalsocialistische Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich
Re in
Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich
eri
ng
en
14
.4
maatschappij. De ideële drijfveer als achtergrond voor de collaboratie zit verweven in het ondemocratische (Pro Nieuwe Orde) en het nationalisme. Twee ideologieën die rond 1930 samenvloeien in een nationaalsocialistische stroming. Omdat de conservatieven geen fan zijn van de Nieuwe Orde, worden zij bestreden door het nationaalsocialisme. Binnen de collaboratie wordt ook het Belgische fascisme benoemd en besproken. Frantz Van Dorpe, arts, katholiek, nationalist, antisemiet en oprichter van o.a. het Verdinaso, evolueert van collaboratie naar verzet, wanneer hij zich rekenschap geeft van de bekrompen gedachten van de eerste collaborateurs. Die menen dat de bezetter eenzelfde visie ondersteunde als de Vlaams-nationalisten. Zo scoort de ideologie van Léon Degrelle (REX) in haar beginperiode hoog in de verkiezingen, maar zijn populariteit neemt geleidelijk af tot nog maar 4% in 1939. Die dalende populariteit kan hij niet appreciëren. Zijn persoonlijke machtshonger doet hem collaboreren. Hierdoor ontstaat een kentering. Terwijl andere fascistische groeperingen naar het verzet overstappen, zal de radicalisering van o.a. REX evolueren naar diepe collaboratie. Met de oprichting van het Waals Legioen wordt hij een volbloed collaborateur. Dat legioen wordt onder de Waffen-SS geplaatst. De contradictie dat onze onmiddellijke zuiderburen geen Germanen zijn, wordt handig omzeild door te stellen dat zij Waalse Germanen zijn. De Duitse bezetter tolereert dit, zolang hij ermee zijn voordeel kan mee halen. Het Waals legioen wordt aan het oostfront als kanonnenvlees gebruikt. Bruno De Wever wijdt nog uit over het Vlaams-nationalisme van de Vlaamse beweging. Hij toont aan dat een oorsprong reeds verweven zit in de Eerste Wereldoorlog. Ook tijdens die oorlog wordt gecollaboreerd, dit deemstert weg, tot het wordt opgepikt door de Frontbeweging die vanaf 1917 ijvert voor een zelfstandig Vlaanderen. Dit wordt niet gewaardeerd door een ander gedeelte van de bevolking. De separatistische beweging wordt bestreden met zware straffen, wat het anti-Belgisch gevoel aanwakkert. De Belgische regering geeft zich onvoldoende rekenschap van die grondstroom. Dit gebrek aan inleving schept de voedingsbodem en biedt groeikansen aan het Vlaams-nationalisme. Een keerpunt vormt de radicaal ondemocratische en anti-Belgische beweging die door Staf De Clercq wordt opgericht, het V.N.V. De Vlaams-nationaalsocialisten zijn overtuigd van hun gelijk en verharden hun standpunten (cfr. https://nl.wikipedia.org/wiki/G%C3%A9rard_Roms%C3%A9e (zie QR onderaan links) en (https://nl.wikipedia. org/wiki/Hendrik Borginon) (zie QR onderaan rechts). Zoals reeds aangehaald vormen machtswil en machtshonger een zeer belangrijk aspect en een middel tot realisatie van een ideaal dat slechts door een kleiner deel van de bevolking wordt gedragen. Onder het motto het doel heiligt de middelen, verklaart het V.N.V. zich akkoord om onder Duits juk te handelen. In eerste instantie zal een deel van V.N.V., onder impuls van Reimond Tollenaere, zich laten inlijven bij de WaffenSS. Men proclameert en propagandeert de terugkeer van Vlaanderen in het Groot-Duitse rijk. Vlaanderen heeft daar evenwel nooit toe behoord. De leraar Jef Van de Wiele, gepromoveerd in de wijsbegeerte, richt in 1936 het cultureel tijdschrift DeVlag op, Deutsch-Vlämische Arbeitsgemeinschaft. Dat tijdschrift is gericht op culturele samenwerking met Duitsland. In het begin van de bezetting wordt hij bijna opgepakt door de bezetter. In 1940 sluit hij zich aan bij het V.N.V. Hij radicaliseert tot antisemiet en wordt bevorderd tot SS-Obersturmbannführer. Hij maakt propaganda om Vlaamse mannen te laten toetreden tot een Vlaamse Waffen-SS om aan het oostfront te strijden. Het is het V.N.V. ontgaan dat de Duitsers eerder voor
3
annexatie gaan dan voor een zelfstandig Vlaanderen. Het V.N.V. ondersteunt dus actief de Duitse oorlogsvoering. De militaire collaboratie kan niet beter worden geïllustreerd dan met de oprichting van het Vrijwilligerslegioen Vlaanderen. Zoals het Waals legioen roept ook het Vrijwilligerslegioen Vlaanderen de weerbare mannen op om samen met de Duitsers te strijden tegen het bolsjewisme. Het V.N.V. wil zich bewijzen en het Vlaams Legioen wordt omgeturnd van Wehrmacht tot de Vlaamse Waffen-SS. Slogans tegen het bolsjewisme roepen op om deel te nemen aan de oorlog aan het oostfront. Daarbij mag niet vergeten worden dat de racistische ideologie van de Duitse overheid erin bestaat dat zij de kolonisatie van het Oostfrontzone beoogt. De Duitse propaganda lanceert ook slogans tegen het communisme. In pamfletten worden de Oostfronters geduid als kruisvaarders tegen bolsjewisme en communisme. Voor meer informatie zie https://www.belgiumwwii.be/nl/belgie-inoorlog/artikels/vlaams-nationaal-verbond-vnv.html. (zie QR onderaan links) Het is een misvatting dat de katholieke kerk pro bezetter en pro-Duits is. Die beeldvorming ontstaat door enkele foute figuren, zoals de zeer racistisch en fascistisch geïnspireerde priester en letterkundige, Cyriel Verschaeve. Binnen de militaire collaboratie kunnen de volgende organisaties niet vergeten worden: de Brigade d’Assaut Wallonie, de Brigade Langemarck (voor de Duitsers een begrip uit de Eerste Wereldoorlog), de Organisation Todt, de Nationalsozialistische Kraftfahrkorps (NSKK) en de Kriegsmarine. De Vlaamse Wachtbrigade werd opgericht om fabrieken te bewaken. Ook politiebeambten in functie of daartoe speciaal toegetreden, vormen deel van de militaire bezettingsmacht. Ook zij zijn collaborateurs. Robert Verbelen, (Sicherheitspolizei-Sicherheitsdienst (SIPO SD)), Vlaams-nationalist, lid van de Vlaamse SS en DeVlag werkt zich op tot hoofd van de jodenvervolging en plant moordaanslagen tegen verzetsmilitanten. Genadeloos maakt hij jacht op het verzet. Zware confrontaties blijven niet uit. Eén van zijn bekendste slachtoffers, Alexandre Galopin (gouverneur-generaal van de Generale Maatschappij) wordt op 28 februari 1944 in Etterbeek vermoord. Voor meer informatie: https://www.belgiumwwii.be/nl/belgie-in-oorlog/persoonlijkheden/verbelen-robert.html. (zie QR onderaan midden) Na de oorlog zullen ongeveer 30.000 van de 40.000 gekende collaborateurs worden gestraft. Verklikking wordt ook als collaboratie bestraft. Deze vorm van afrekening neemt alle denkbare vormen aan, zowel binnen de kennissen- en vriendenkring, als binnen de werksfeer, en tragisch genoeg ook binnen de familiesfeer. Een voorbeeld van collaboratie door verklikking laat zich makkelijk documenteren door de praktijken die Leo Vindevogel erop nahield. Als burgemeester van Ronse bood hij, zogezegd als sociaalvoelend katholiek, een luisterend oor aan de burgers van zijn stad. Dit, terwijl het kantoor van de Feldgendarmerie vlak naast zijn bureau was gevestigd. Voor meer informatie: https://belgiumwwii.be/nl/image/content/volk-en-staat-29-8-1937(4).jpg. (zie QR onderaan rechts) Bestuurlijke collaboratie laat zich natuurlijk gemakkelijker profileren. Tijdens de bezetting wordt de administratie door het V.N.V. geïnfiltreerd. Zo kan in 1943 ongeveer de helft van de burgemeesters als Duitsgezind worden bestempeld. Zij nemen sleutelposities in die cruciaal zijn voor de lokale werking. Ravitaillering en veiligheid zijn belangrijk en hun bestuurlijke taken zijn zeer zichtbaar. Door uitvoering te geven aan omstreden beslissingen wordt de Belgische wet met voeten getreden. Vaak ontberen zij de bestuurlijke bekwaamheid. De bezetter ziet dit in en zal
en
ng
eri
in Re .4 14
4
Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich
daar waar zwakten ontstaan het sterk politiek geïnstrumenteerde V.N.V. inschakelen. Een administratieve oorlog ontspint zich. Al van bij het begin van de bezetting tracht de bezetter maatschappelijk invloed te verkrijgen door alle jeugdorganisaties op te doeken en surrogaat jeugdbewegingen toe te staan. Dit wordt bestempeld als jeugdcollaboratie. Zo kent Vlaanderen de Nationaal Socialistische Jeugd (NSJV) en de Hitlerjeugd Vlaanderen. Het zijn kweekscholen voor frontsoldaten. Een gemeenschap is niets zonder culturele bagage. Om de Vlaamse identiteit een cultureel draagvlak te geven worden tal van kunstenaars bereid gevonden de boodschap van het nationaalsocialisme aan te hangen en uit te dragen. Een culturele collaboratie krijgt vat op de bevolking. Tenslotte is er nog de belangrijke economische collaboratie. Het Vlaamse landsgedeelte had veel te verduren tijdens de Eerste Wereldoorlog. Onze industrie werd toen massaal geplunderd. Met die herinnering in het achterhoofd wordt door de reeds eerder vernoemde Alexandre Galopin een doctrine uitgewerkt en het Galopincomité opgericht. Dat comité diende het land zo goed mogelijk door de bezetting te loodsen en daarom de industriële activiteiten in stand te houden of te hervatten. De Belgische industrie zal de bezetter voorzien van goederen, met als restrictie dat er geen wapens of extra winsten worden gegenereerd. Vooral op dat laatste wordt streng toegekeken. Voor de grootindustrieel is dit een helder begrip, duidelijker dan voor menig middenstander. Die middenstand wordt daar na de oorlog zwaar op afgerekend. De lijn wordt echter dun, vermits dit “compromis” een brede samenwerking met de bezetter inhoudt. Voor meer informatie: https://www.belgiumwwwii.be/nl/belgie-in-oorlog/persoonlijkheden/galopin-alexandre.html (zie QR onderaan links). Bruno De Wever verwijst nog naar de website: www.belgiumwwII.be. Hij benadrukt dat vragen en antwoorden over de collaboratie in de uitgave “Was opa een nazi” van Koen Aerts op een correcte manier worden behandeld (https://www.lannoo.be/nl/was-opa-een-nazi). (zie QR onderaan midden + rechts) Uiteraard wordt de spreker uitgebreid bedankt voor zijn deskundige toelichting. Al meteen wordt een volgende lezing in het vooruitzicht gesteld, ditmaal met als thema “Prostitutie tijdens de bezetting”. Van gedachten vervuld neemt het zeer voldaan publiek afscheid van de spreker.
Re in
Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich
eri
ng
en
14
.4
Chris Claes en Erwin Van de Velde
5
REVEIL
A
llerheiligen. 1 november. In mijn geheugen is dat het tijdstip waarop de dikke jassen en de handschoenen werden bovengehaald en je in serene stilte op het kerkhof van je dorp op een mistige, koude dag je overleden voorouders ging groeten. En vaak dan ook vaststelde dat de chrysanten kapotgevroren waren. Allerheiligen was als het ware de dorpel naar de koude, donkere winter. Alles gebeurde in een soort van gedempte rouwstemming. Wat een tegenstelling met de klimatologische omstandigheden van de laatste jaren, waarbij Allerheiligen vaak in een lentezon baadt en zelfs recordtemperaturen laat optekenen. En nu hebben we ook Reveil. Reveil is de vereniging die sinds 2012 vanuit het West-Vlaamse Deerlijk op ondertussen een paar honderd Vlaamse kerkhoven opnieuw de muziek heeft geïntroduceerd en ondertussen voor vele andere initiatieven op dat vlak heeft gezorgd (www.reveil.org). Van een eenmalige, twijfelende herinneringsact naar een nieuwe traditie – ook al willen we erg omzichtig met dit woord omgaan – die door Vlaanderen met warmte wordt omarmd.
Dit jaar was er voor het eerst een Reveil op de Kontichse Doodenhof. Aan de graven van de oorlogsslachtoffers bracht de Press Play Band enkele pakkende ballades die de juiste toon raakten en door het – iets te karig opgekomen – publiek erg werden gesmaakt. In navolging van de 11 novemberherdenkingen die weer meer in de aandacht zijn gekomen sinds 2014 kunnen we alleen maar hopen dat Reveil vanaf nu ook een jaarlijkse traditie wordt. En misschien ook in Waarloos. Respect voor onze overleden dorpsgenoten van vroeger en nu staat centraal en geeft een diepere betekenis aan die traditie van Allerheiligen die al meer dan een millennium bestaat. Je leest het goed, in 834 legde paus Gregorius IV deze datum vast. En gebeurtenissen als Reveil tonen dan weer aan dat culturele gebruiken dynamisch kunnen en moeten zijn. Reveil, het is niet enkel een herleving, maar ook een hernieuwing. Paul Catteeuw
en
ng
eri
in Re .4 14
6
Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich
JAN JEURISSEN DE SCHOENMAKER VAN KONTICH-KAZERNE VERTELT
Re in
Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich
eri
ng
en
14
.4
V
andaag liggen de gloriedagen van de schoenmakers onherroepelijk achter ons. Dat dit mooie ambacht, gesteund op vakmanschap en vaardigheid, met uitsterven is bedreigd, hoeft geen betoog. Lang zal het niet meer duren voor er niemand meer te vinden is die deze mooie stiel nog beheerst en uitoefent. Geen tijd te verliezen dus om nog een praatje te gaan maken met een echte ‘rot in ’t vak’. In Kontich-Kazerne was ‘Jan Jeurissen’ een begrip. Hij was een doorgewinterde stielman die ieder schoenmankementje altijd wel weer vakkundig opgelapt kreeg. Ontelbare schoenen heeft hij weer als nieuw gemaakt. Als geboren en getogen Kontich-Kazernenaar woont hij nog steeds in dezelfde straat waar hij 93 jaar geleden het levenslicht zag: de Kapelstraat. Het is dan ook daar dat ik bij hem langs ging om hem honderduit te vragen over zijn leven als ‘Schoenmaker Jan’. Dat was althans de bedoeling. Maar zoals het vaak gaat wanneer je aan de praat geraakt, nam het gesprek een andere wending en werd het onderwerp ‘schoenmaken’ een bijkomstigheid. Niettemin werd het een boeiend stukje levensverhaal waarvan ik jullie hier graag deelgenoot maak. Wanneer ik binnenstap, tref ik Jan in de zetel aan met … een kip op de schoot. Een levende kip, voor alle duidelijkheid. Een niet alledaags tafereel, of toch niet voor mij althans. Maar hier behoort Tchipke al bijna twee jaar tot de huisgenoten. Terwijl haar broertjes en zusjes al enkele dagen uit het ei waren gekomen, zat Tchipke er nog in. Moederkloek had het blijkbaar te druk met haar kuikens en keek niet meer naar dat ene eitje om. Erik, de zoon van Jan en diens vrouw Maria, besloot om, als ultieme reddingspoging, het ei verder uit te broeden met behulp van een warmtelamp. Een geslaagde opzet want enkele dagen later zag ook Tchipke het levenslicht. En zoiets creëert blijkbaar een band, want sindsdien krijgt ze nog steeds een voorkeursbehandeling en mag ze gezellig in huis komen waar ze wordt vertroeteld en geknuffeld. Maar dit verhaal terzijde. Jans grootvader was bareelwachter aan de spoorwegovergang Dorre Eikstraat - Molenstraat en woonde aan de overkant van de spoorweg op Jan in zijn zetel grondgebied Lint. Toen Jans vader, Gust Jeurissen, eind jaren 20 huwde met Margriet Van Meerbergen vestigde het koppel zich in de Kapelstraat in een huisje dat gelegen was op de plaats waar nu het Bazarke is. Zij kregen vijf kinderen waarvan Jan de oudste was. Een kind overleed op jonge leeftijd. Aanvankelijk wilden Jans ouders daar graag een fietsenwinkel beginnen, maar de ziekte van vader (tbc) dwarsboomde deze plannen. Omdat er brood op de plank moest komen om het gezin te onderhouden, begon moeder Margriet dan maar een kruidenierswinkeltje. Om te voorkomen dat vader iemand van zijn gezin zou besmetten, verbleef hij vaak bij zijn ouders in Lint of wanneer hij thuis was probeerde hij afstand te houden. Vergeefse moeite, want ook Jan werd getroffen door dezelfde ziekte die zijn beenderen aantastte. Zoals zovele lotgenoten in die tijd werd hij naar een zeepreventorium in Oostende gestuurd om daar door de heilzame zeelucht op te knappen. Jan moet toen een jaar Een processiestoet passeert het ouderlijk huis (met of 8 geweest zijn, want zijn eerste communie deed hij nog Belgische tricolore) van Jan Jeurissen
7
.4 14
8
en
ng
eri
in Re
in Kontich-Kazerne. Toen hij negen jaar was en in het preventorium verbleef, brak de oorlog uit. De kinderen werden in allerijl op een boot gezet met de bedoeling ze in Frankrijk in veiligheid te brengen. Daar had de dokter, waarbij de zieke kinderen in behandeling waren, ook een sanatorium. Maar het lot besliste anders. Onderweg, in volle zee, bereikte hen het nieuws dat de Duitsers in Frankrijk hadden postgevat en de haven bombardeerden. De boot moest noodgedwongen van koers wijzigen, richting Engeland. Het plan was om daar tijdelijk te blijven tot het weer veilig zou zijn om naar Frankrijk te gaan. Maar dat is nooit gebeurd. Jan en zijn vriendjes zijn uiteindelijk - met de nodige verhuizingen en groepsherverdelingen - vijf jaar in Engeland gebleven. Na die vijf jaar sprak Jan volgens zijn zeggen beter Frans dan Vlaams. Ja, je leest het goed, geen Engels zoals je misschien zal gedacht hebben. De voertaal in het preventorium was Frans, en Nederlands werd er maar amper gesproken. Aan dat verblijf in Engeland heeft hij nog levendige herinneringen. Zo vertelt hij over zijn laatste verblijfslocatie. Dat was een villa in het gehucht Golden Pot, nabij Hampshire. Niet ver daar vandaan was er een vliegveld waar Poolse soldaten waren gestationeerd. Dat vliegveld werd hun speelterrein. Daar was ook veel te zien dat in hun kinderogen spannend en spectaculair was. Laag overvliegende en rondcirkelende, vaak gehavende en met kogels doorboorde legervliegtuigen. Aan- en afrijdende jeeps met soldaten uit alle windstreken. Zo was er in de buurt ook een kamp met Canadezen. Daarvan herinnert Jan zich die keer dat ze door hen waren uitgenodigd en met een bus werden opgehaald. De overheerlijke maaltijd die hen daar te beurt viel, moet indruk gemaakt hebben, want Jan is er na al die jaren nog altijd enthousiast over. Meer dan een halve eeuw later is Jan met zijn gezin teruggereisd naar die plekken uit zijn herinnering. Het fotoboek met de vele foto’s van deze reis wordt nog regelmatig bovengehaald en met glinsterogen bekeken. Gelukkig maar heeft Jan in Engeland nooit ontbering gekend, met uitzondering van het ontbreken van degelijk onderwijs en het gemis van zijn familie. En post kwam er maar weinig. Het was oorlog en vele brieven raakten nooit op hun bestemming. Pas de laatste twee jaar van zijn verblijf werd er ook wat onderwijs gegeven. Een man, die van Wilrijk was, gaf de kinderen wat basiskennis door. Er was ook een militair die gekwetst was geweest en zijn bedoelde functie niet meer kon uitoefenen, die de kinderen wat les kwam geven. Als er al eens een schoen kapot was, nam hij het lapwerk voor zijn rekening. Hij kende wel iets van de schoenmakerstiel en leerde de kinderen tegelijk de basisbeginselen aan. Dat kon niet met écht leer, want dat was daar toen niet voorradig. Ze behielpen zich met karton. Van deze man leerde hij de allereerste knepen van het vak en het is daar dat de vlam is ontbrand. Na de oorlog keerde Jan terug naar Kontich-Kazerne. Hij werd er met zijn familie herenigd. Met zijn gezondheid ging het ondertussen heel wat beter, hij heeft er enkel een licht mankend been aan overgehouden. Nadat hij nog een jaartje had schoolgelopen in de jongensschool van Kontich-Kazerne, liet hij zich inschrijven aan de schoenmakersschool in de Kruisbogenhofstraat in Lier, een opleiding die ondertussen is geschrapt. Stilaan begon hij thuis, na schooltijd, met de reparatie van schoenen voor de klanten van zijn moeders winkeltje. Na zijn opleiding kreeg hij een werkaanbieding in een schoenfabriek in Rumst. Daar heeft hij ongeveer een jaar gewerkt. Dagelijks reed hij met zijn fiets op en af naar Rumst, maar Jan voelde al gauw dat de fabriek niets voor hem was. Dat hij van plan was er de brui aan te geven was de baas ter ore gekomen en deze nam de eer aan zichzelf en ontsloeg Jan. Maar zoals de spreuk het zegt: “Waar de ene deur sluit, gaat een andere deur weer open!” Met de extra ervaring en vakbekwaamheid die Jan had opgedaan, was hij inmiddels klaar om een eigen zaak te beginnen. Ondertussen had hij Maria ontmoet en waren ze gehuwd. Eerst woonden ze nog enkele jaartjes in bij Jans ouders. Het noodlot sloeg echter toe wanneer hun voldragen eerste kindje doodgeboren werd. Een drama. In 1963 openden ze hun schoenwinkel in hun pas gebouwde huis op de hoek van de Kapelstraat en de Broekbosstraat. Met zicht op het Kerkplein. In datzelfde jaar schonk Maria het leven aan een flinke dochter. Daarna volgden nog een zoon en een dochter. Ondertussen beredderde Maria het huishouden en hield ze de winkel open. Met schoenen herstellen alleen was het moeilijk om rond te komen. Daarom verkocht Maria in de winkel nog schoenen, andere lederwaren, kousen, sokken en allerhande kleinere attributen. Zij werkten ook samen met een droogkuis/wasserij uit Lint, dus daarvoor kon je ook in hun winkel terecht. Jan had zijn schoenmakersatelier achteraan het huis. Daar werkte hij vaak wel twaalf uren aan een stuk om alles gedaan te krijgen. Jarenlang bleef de winkel tot negen uur ’s avonds open. Met de tijd vervroegde het sluitingsuur tot zeven uur. De schoenwinkel op een sluitingsdag. Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich
Een keer per maand ging Jan naar de vergadering van de schoenmakersvereniging in Antwerpen. Daar werden nieuwigheden uitgewisseld en regelmatig werden daar ook bijscholingen georganiseerd. Voor ontspanning bleef er nooit veel tijd over. In zijn zeldzame vrije uurtjes zong Jan bij het zangkoor van Kontich-Kazerne en enkel op zondag bleef de deur van zijn schoenmakersatelier gesloten. Nooit gingen ze op vakantie. Toch heeft Jan zijn beroep altijd graag gedaan en dacht hij er nooit aan om ermee te stoppen. Zelfs nadat hij op zijn 65e ‘officieel’ met pensioen ging hij bleef ‘onofficieel’ schoenen herstellen tot hij 75 was. Maar ssssst, dit laatste blijft onder ons hé! En de tijd staat niet stil. Ondertussen zijn we weer 18 jaar verder en eisen de jaren hun tol. De normale gang van het leven voor wie het geluk heeft een gezegende leeftijd te mogen bereiken. Vanuit zijn zetel mijmert Jan over zijn welgevulde leven en geniet van de kleine dingen en het samenzijn met zijn vrouw, kinderen, klein- en achterkleinkinderen. Vele Kontich-Kazernenaren dragen Jan een warm hart toe en zullen hem altijd met veel waardering als “Jan de schoenmaker” blijven herinneren. Dankjewel, Jan, voor het delen van je boeiende levensverhaal. In de volgende editie van dit tijdschrift geef ik jullie graag een inkijk in het verleden van de schoenmakers en schoenwinkels in Kontich, Kontich-Kazerne en Waarloos. Jan aan het werk in zijn atelier
Ilse Van Weert
DE HEKSENVERVOLGING IN WEST-EUROPA LEZING DOOR PAUL CATTEEUW
Re in
Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich
eri
ng
en
14
.4
N
agenoeg alle stoeltjes van de Altenakapel waren op donderdagavond 26 oktober bezet. Paul Catteeuw zou daar komen vertellen over de heksenvervolging in West-Europa. Een materie die hem, als hoofdredacteur van het tijdschrift ‘Volkskunde’, erg vertrouwd is. Vraag eens aan Jan met de pet om een heks te beschrijven en je krijgt ongetwijfeld de woorden als haakneus, oude vrouw, bezem, puntmuts, zwarte cape, spinnen en zwarte katten te horen. Dit is het soort heks zoals we die kennen uit sprookjes en films, maar die weinig te maken heeft met de heks waarover het in deze lezing ging. Paul had het over een heel andere soort: over heel gewone mensen die door kwaadsprekerij en valse beschuldigingen op de brandstapel terechtkwamen. Verkeerdelijk denken vele mensen dat de heksenvervolging iets is wat vooral plaats had in de middeleeuwen. Dat is echter niet zo. De heksenwaanzin kende zijn hoogtepunt in de renaissance, de tijd van de nieuwe wetenschap en het
9
.4 14
10
en
ng
eri
in Re
rationalisme, en spreidde zich over een lange periode uit van bij benadering 1420 tot ongeveer 1790. In Europa hadden Duitsland en Oostenrijk het hardst onder de vervolging te lijden, maar ook in Vlaanderen belandden honderden van hekserij beschuldigde stakkers op de brandstapel. De grote meerderheid van deze zogenaamde heksen waren vrouwen, maar het waren ook mannen en zelfs kinderen die wegens waanbeelden van behepte heksenjagers de dood werden ingejaagd. ‘Fake nieuws’ had je ook zonder #MeToo. Al in de oudheid geloofde men dat sommige mensen in staat waren om in contact te treden met de bovennatuurlijke wereld. Magie en tovenarij waren al gekend bij de Grieken. Sommige magische symbolen, rituelen en verhalen die nog een erfenis zijn van heidense volkeren zijn bij ons nog steeds gekend, zij het in sterk veranderde vorm. Het is van alle tijden dat mensen bij tegenspoed of onverwachte, onverklaarbare gebeurtenissen op zoek gaan naar een verklaring of een zondebok of hun heil zoeken in bovennatuurlijke of alternatieve praktijken. De mensen zochten steun in een onzekere wereld en namen daarvoor vaak hun toevlucht tot dergelijke praktijken. Voor het christendom, de heersende geloofsovertuiging in West-Europa, vormde dit bijgeloof een bedreiging die gelijkstond aan ketterij en goddeloosheid. Wie ervan werd verdacht over bovennatuurlijke krachten te beschikken werd als heks bestempeld en werd verweten een pact met de duivel te hebben gesloten en zich zo tegen het christendom te keren. Deze zogenaamde heksen moesten dan ook genadeloos van het toneel verdwijnen. De jacht was geopend …, maar dit was nog maar het begin. Heks op de brandstapel De heksenjacht geraakte pas goed op dreef toen de kerk in de 15e eeuw de heksenvervolgingen legitimeerde. Paus Innocentius VIII (hij was bijlange niet zo onschuldig als zijn naam wel doet vermoeden) vaardigde in 1448 de ‘Heksenbul’ (Summis desiderantes affectibus) uit waarin hij praktische richtlijnen gaf met betrekking tot de heksenvervolging. In 1486 verscheen hét handboek voor de heksenjacht: ‘De heksenhamer’ (Malleus Maleficarum). In dit boek beschreef Heinrich Kramer Institoris (een gefrustreerd en gestoord dominicaan) wie men als heks moest beschouwen alsook remedies tegen hekserij. Bovendien werd de heksenprocedure er uitvoerig in uiteengezet. Het reikte de rechters een scala van argumenten aan om de waanzin ten top te drijven. Bovendien werd in dit boek veel nadruk gelegd op de vrouwelijke minderwaardigheid waardoor ze door haar zwakte sneller zou bezwijken voor de duivelse verleidingen. Bij wijze van inleiding op zijn lezing las de spreker enkele fragmenten uit dit boek voor. Dat dit hier en daar een ‘oh’ van verontwaardiging bij de toehoorders – en dan vooral bij de vrouwelijke uitlokte is niet verwonderlijk. Een willekeurig citaat ter illustratie: “Hekserij wordt veroorzaakt door vleselijke begeerte, waarnaar vrouwen smachten. Ze hebben een losse tong en het intellect van een klein kind.” Tja… De uitvinding van de boekdrukkunst zorgde ervoor dat dit boek in groten getale kon worden verspreid en de heksenvervolgingen en terdoodveroordelingen enorm in aantal toenamen. Zonder de boekdrukkunst zouden er hoogstwaarschijnlijk minder slachtoffers zijn gevallen. Maar wie liep er nu het meeste gevaar om als heks te worden gebrandmerkt? Dat waren veelal onschuldige vrouwen of - minder voorkomend - mannen die om een of andere reden tot zondebok werden uitgekozen. Ze leefden bovendien in een tijd die allesbehalve vrouwvriendelijk was. Kruidenvrouwen of natuurgenezers en ‘vroede’ (wijze) vrouwen die hielpen bij de bevalling waren niet zelden het slachtoffer van verdachtmakingen. Het begon meestal met een gerucht, verspreid door buren en kennissen. In een gesloten gemeenschap, zoals toen het geval was in een dorp, valt het minste afwijkende gedrag op en roddels en verdachtmakingen konden snel uitgroeien tot iets dat moest worden bestreden. Welke eigenschappen werden toebedeeld aan de van hekserij beschuldigde mensen? Deze waren velerlei: van magie (bovennatuurlijke krachten) over transvectie (het kunnen vliegen), metamorfose (een andere gedaante aannemen, bv. van een pad) tot satanische krachten (pact met de duivel). Stuk voor stuk elementen die speelden in de fantasie van de gemeenschap en die van gewone mensen heksen maakten. Heksen werden beticht van het veroorzaken van allerlei rampen zoals mislukte oogsten, ziektes en overlijdens van mensen en dieren. (bijv.: een miskraam bij iemand waarbij je net op bezoek geweest was, was genoeg om je te betichten van hekserij.) En dan had Paul Catteeuw het ook nog over het heksenproces waarvoor een vast stramien bepaald was en ook een resem vragen waren vastgelegd die de ongelukkige verdachten kregen voorgeschoteld. Eerst was er de publieke Op zoek naar een teken van de duivel Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich
strafvordering, gevolgd door het vooronderzoek. Daarna ging men over tot het eigenlijke onderzoek en volgde het verhoor onder tortuur. Tot slot kwam het vonnis waarna de executie werd uitgevoerd. Niet zelden ging men op zoek naar een teken van de duivel (signum diabolicum), de handtekening van satan zelf, als bewijs van het pact. Een litteken of een wrat waren snel gevonden en de bewijsvoering gaf ook geen probleem. Als de vrouw bekende - onder tortuur - waren de beschuldigingen uiteraard waar. Maar ze moest na de marteling wel haar bekentenis bevestigen. Bij het martelen, met als doel een bekentenis te bekomen, paste men de meest ondenkbare, gruwelijke methoden toe. Dit ging van duimschroeven waartussen vingers werden geklemd en aangedraaid tot het bot brak, over leren laarsjes, met een touw aan de polsen worden opgehesen zodat de schouders uit de kom schoten tot uitrekken op een pijnbank. Ook de nekband met spijkers was in trek. Daaraan waren touwen vastgemaakt die aan de vier hoeken van de kamer bevestigd waren. Bij elke beweging werden de spijkers in de hals gedrukt. En er waren nog heel veel andere vormen van marteling. Bekennen tijdens de tortuur stond gelijk aan bekering en leverde het ‘voorrecht’ om gewurgd te worden alvorens verbrand. Velen lieten echter het leven tijdens de martelingen. Dat verbranden was nodig om hun ziel te bevrijden van de duivel zodat ze alsnog naar de hemel zouden kunnen gaan. De kwade werken van de heks zouden met haar verbranding tenietgedaan worden en redde haar ziel van de eeuwige verdoemenis. Hoe onbeschrijfelijk gruwelijk ook, de heksenjagers waren ervan overtuigd dat ze een goed doel dienden: de heks de kans geven om te bekennen, zodat ze met een gezuiverd geweten de dood in kon gaan en de hemelpoort alsnog voor haar zou opengaan. In vele gevallen werd de van hekserij betichte ongelukkige tijdens het martelen gedwongen om ook anderen te beschuldigen Op die manier ontstonden er vaak reeksen van processen en massaprocessen waarin talloze vrouwen ten onrechte veroordeeld werden. Gelukkig maar kwam er met de tijd, zij het in een uiteenlopende tijdspanne, een einde aan deze barbaarse heksenjacht. De laatste heksenverbranding in ons land had plaats in 1684. Op de grote markt in Belsele viel Martha van Wetteren op 38-jarige leeftijd ten prooi aan de vlammen. In Zwitserland bleef men nog doorgaan tot 1782. Waarschijnlijk was dit het eindpunt van dit gruwelijke hoofdstuk in de geschiedenis. Hoewel … gruwel en barbaarsheid zijn verre van de Niet zo ver van Kontich, op de Grote Markt in wereld uit en ook complottheorieën en “fake news” steken zelfs in Lier, herinnert deze monumentale ‘heksensteen’ onze moderne maatschappij nog geregeld de kop op. Van fouten uit omgeven door een ring met opschrift, aan de plek waar volgens de overlevering voor het laatst het verleden kan men leren, maar die kans werd en wordt niet altijd gegrepen … (1590) een Lierse (Nijlense) vrouw werd verbrand Paul Catteeuw was erin geslaagd zijn toehoorders twee uur lang te die beticht was van hekserij. Cathelyne Van betoveren, zodat het niemand was opgevallen dat het ondertussen den Bulcke krijgt hiermee een eervol ‘pardon’ avond geworden was. Alle aanwezigen en nu ook jullie, beste lezers, voor het onmetelijke onrecht dat haar werd zijn er ongetwijfeld weer wat wijzer van geworden. En als iemand jullie aangedaan. Ondanks haar martelingen heeft ze ooit eens de vraag stelt een heks te beschrijven weten jullie alvast wat niemand verraden. Met haar dood eindigde de te antwoorden, … en wat niet! heksenwaan.
Re in
Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich
eri
ng
en
14
.4
Ilse Van Weert
11
Abraham Hans en Kontich Inleiding
Het is in Reineringen al ten overvloede gezegd. Abraham Hans is een haast vergeten reus. Eind vorig jaar was ik begonnen aan een uitvoerig essay over het leven en werk van Abraham Hans. Een colloquium in het Liberaal Archief (Gent, 28 oktober) bracht onderzoekers samen die zich verdiepen in het leven en werk van de volksschrijver. Bedoeling: Abraham Hans terug op de kaart te zetten en hem de plaats te geven die hij verdient, want nu wordt hij – ten onrechte – door de nevelen der tijd omhuld. Deze bijdrage is een aangepaste weergave van de lezing die ondergetekende in Gent heeft gebracht in een poging het Kontich van Hans te schetsen. Want ook in de gemeente waar hij het grootste gedeelte van zijn leven woonde, kent hem niet of nauwelijks. Voor ik in 1978 naar Kontich kwam, was hij ook voor mij een volslagen onbekende. Ook al was ik gepokt en gemazeld in de Volkskunde. De kennismaking leidde me echter naar mijn vader (jaargang 1920) die nog bruin papier rond zijn Hanskes had gedaan om aan het spiedend oog van school en kerk te ontsnappen.
Kontich
.4 14
12
en
ng
eri
in Re
Waarom komt de familie Hans na vele omzwervingen van de Geuzenhoek over Roeselare en de schoolperiode in Menen, de Nederlandse periode in Doetinchem en Sluiskil en opnieuw Roeselare uiteindelijk in 1905 Kontich terecht? Het blijft onduidelijk, want er lijkt niet echt een eenduidige verklaring. Misschien volgde hij zijn zus die met handelsreiziger Robert Jonckheere was getrouwd, voor wie een drukke spoorlijn een uitstekend vertrekpunt voor zijn werkzaamheden was. Of wou hij ondanks zijn onderwijzerspost in Antwerpen toch niet in de stad zelf wonen, maar in het toen nog zeer landelijke Kontich In ieder geval hij woont eerst in de Nieuwstraat, toevallig de straat waar de school staat die veel later naar hem werd genoemd. Dan volgt een kort verblijf in Antwerpen, maar na 1907 keert hij terug naar Kontich en woont achtereenvolgens in de Nieuwstraat 20 en de Duivenstraat, dus pal in het centrum van het dorp. Zelf beschreef hij Kontich als volgt: Een dorp bij de Antwerpenaars zeer vermaard, om zijn beroemde jaarmarkt, waarheen men in bankwagens reed. ’t Is waar, het bezoek was een twintigtal jaren geleden drukker dan kort voor de oorlog. Van ver ziet men de spits van het oud Romaansch torentje, waarom heen zich de roode en grijze daken van de dorpswoningen Bastiaan en Boukje en talrijke villa’s schikken. Toch vertrok hij willens nillens uit Kontich omwille van de Eerste Wereldoorlog. Voor de redenen laten we hem zelf aan het woord: Bij Antwerpen’s beleg vreesde men dat er van Kontich weinig overblijven zou. ’t Lag er zoo bedreigd tusschen de uiterste en tweede vestinglinie. ’t Heeft zelf groote kazernen. Bij hun intocht troffen de Duitschers er slechts enkele burgers meer aan, waarvan ze er nog twee neerschoten. Van Antwerpen komende ziet men rechts, even vóór het dorp, een prachtige villa met het opschrift “Rest and be thankful”. Groote ramen geven een uitzicht naar alle zijden, ook over de gansche vlakte, die zachtjes daalt en dan rijst naar Edegem, in welke nabijheid nu zoo landelijk het bekende fort 5 ligt, de martelplaats van heldhaftige burgers. In deze villa had het onderhoud tusschen de Antwerpsche afvaardiging en den Duitschen staf over de overgave der veste plaats. Ze is dus historisch geworden en werd dan ook reeds menigmaal gefotografeerd. In de straat achter de kerk woont de politiekommissaris Ballegeer. Daar logeerde langen tijd pastoor Moons, van wien de Duitschers getuigden, dat hij de gevaarlijkste spion was dien ze ontmoet hadden. De kommissaris toonde me de kamer, waar hij Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich
Rest and Be Thankful
onderhoord werd door een Duitsche detektief, over Moons, terwijl de opgezochte in ’t zelfde vertrek achter een zetel verdoken zat. Een Judas, Belg toch ook, had eigen bloed verraden. En de Duitschers hielden bij ’t lokaal de wacht. Moons eindigde zijn leven op fort 5. En verder: Toen in september 1914 de gemeenteonderwijzers met verschillende diensten werden belast, heb ik mij ter beschikking gesteld van de heer hoofdopziener, die met de meeste lof over mijn journalistiek werk sprak en mij aanzette daarmee voort te gaan. Ik volgde dus weer ons leger voor het Nederlands zeer pro-geallieerd dagblad ́De Telegraaf ́ van Amsterdam, maakte de aftocht naar West-Vlaanderen mee en beleefde de bezetting dezer provincie door de Duitsers mee.
Re in
Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich
eri
ng
en
14
.4
Villa Houthulst
In 1919 betrekt hij de villa Houthulst in de Antwerpsesteenweg. Wat de villa zelf betreft moet er hier wel een misvatting worden rechtgezet. Er wordt in een aantal geschriften beweerd dat hij de villa zelf liet bouwen. Dat klopt niet met de realiteit. Het is strikt genomen ook geen villa want het gaat eigenlijk om een dubbele woning, gespiegeld aan elkaar. Je zou je terecht kunnen afvragen waarom Hans zo’n dubbelhuis zou hebben gebouwd. Op zoek naar een huis komen ze in de Antwerpsesteenweg terecht en ze zien er een woning in opbouw. Een gebouw in Engelse cottagestijl. Het is verliefdheid op het eerste gezicht. Een verliefdheid die nooit is voorbijgegaan. Hoe vreemd klinkt nu het zinnetje uit de dagboeken van dochter Helena: Het (huis) staat even buiten het dorp, te midden van een stuk ruwe bouwgrond. Nu zou men er niet meer aan denken om Villa Houhulst het huis net buiten het dorp te plaatsen. Kon Hans zich een dergelijke woning permitteren? Wel, hij was een van de meest gelezen auteurs van Vlaanderen en daardoor uiteraard niet onbemiddeld. Het huis zelf blijft een getuige van familiale verbondenheid. Die banden blijken wel heel intens te zijn geweest en kunnen hoogstwaarschijnlijk worden verklaard door de Außenseiterpositie van de familie omwille van hun protestantse geloof. Het is trouwens een open vraag hoe het komt dat hij zich in alles als “Vlaming” uitte, en toch aan zijn in Vlaanderen “enclavegeloof” bleef vasthouden.
13
Dat Hans definitief voor Kontich koos, blijft vreemd. De meisjes (Annie, Helena en Mimi) moesten naar school en van protestants onderwijs was in het katholieke Kontich vanzelfsprekend geen sprake. Het Sint-Jozefinstituut (tegenover de Sint-Martinuskerk in het centrum van het dorp) was nauwelijks vijf minuten stappen van villa Houthulst verwijderd. De nonnen van Vorselaar waren berucht omwille van hun strikte lijn op het gebied van onderwijs en geloof. En dan heb je de kinderen van Hans die protestants zijn opgevoed. Stel je voor: het zijn Hollandse ketters die bovendien in Nederland tijdens de oorlogsjaren hebben geleerd dat Willem van Oranje de vader des vaderlands was. De populariteit van Hans zal wel hebben meegespeeld in de acceptatie, maar aanvaarding van deze ketters was er zeker niet. Daarvoor waren de nonnen veel te strikt in de leer. Dat zou in Antwerpen toch net iets makkelijker zijn geweest, maar de schrijver koos nooit echt voor de makkelijkste weg. De familie kwam dus in een vreemde wereld terecht die toch wel deels als vijandig kan worden gezien. Toch lees je overal dat de kinderen Hans in Kontich een gelukkige jeugd hebben gehad. En misschien komt dit nog het meest omdat villa Houthulst blijkbaar de zoete inval was waar iedereen welkom was en waar er altijd wel een stoel werd bijgeschoven. Iets wat in de naoorlogse jaren zeker wel zal zijn geapprecieerd. Het is niet dat de familie kritiekloos over Kontich spreekt. Zo schrijft dochter Helena bij het gouden huwelijksjubileum van haar grootouders: De toeschouwers juichen en dan zet de stoet zich in beweging en rijdt naar het gemeentehuis waar de burgemeester en het schepencollege hen opwachten. Op het gemeentehuis waar steeds een deftige officiële sfeer heerst die de boeren van Kontich hun klompen doet uitdoen voor ze binnengaan, wacht de burgemeester. Hij Gulden boek
.4 14
14
en
ng
eri
in Re
Telegrammen
Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich
spreekt de jubilarissen toe en betrekt Abraham Hans in zijn rede, de geëerde burger van Kontich wiens talent zo een eer aan Kontich bijbrengt.
De viering in 1934
Maar Kontich eert zijn beroemde verteller. Als het 500e verhaal in de kinderbibliotheek verschijnt, is dat voor de bewonderaars een aanleiding om een grootse viering op touw ter zetten. Van alle kanten stromen huldeblijken en geschenken toe, Kontich vlagt en het is feest als nooit tevoren. De burgemeester en notabelen komen Hans en zijn familie afhalen aan “Houthulst” en in stoet wordt hij triomfantelijk meegevoerd door de versierde straten naar het gemeentehuis waar de erewijn wordt geschonken. En dit als voorbode van zijn grootse viering in Brussel. Hij trekt naar de hoofdstad waar de vrienden wachten om hem te zeggen, eens allemaal tezamen, hoe ze van hem en van zijn werk houden. Hij sluit de deur van zijn ‘Houthulst’ waar al die bloemen liggen te geuren, hem van alle
Doodsbrief en begrafenis
Re in
Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich
eri
ng
en
14
.4
kanten toegezonden. Hij trekt door Kontich waar de vlaggen hem nog nawuiven als vriendelijke feesthanden terwijl de mensen hem goede dag naroepen. Wat moet er in hem omgaan sedert hij al die blijken van genegenheid mocht ontvangen; hij die zoveel genegenheid heeft gestrooid, mag nu de bloemen plukken. Hij zal wel terugdenken aan zijn vader en zijn moeder en het zal de enige schaduw over deze mooie ochtend zijn, dat zij het niet mogen meemaken met hem, wiens naam hun werk is. Die dag kan worden beschouwd als het hoogtepunt in de carrière van Hans. In alle mogelijke publicaties wordt aan zijn geluk gerefereerd. Hij is een gevierd schrijver en verteller. In heel Vlaanderen. Maar dan komen de donkere jaren. Te beginnen met de dood van Mimi. We citeren nogmaals Helena die na de begrafenis van haar zus schrijft: Maar het blijft stil … onherroepelijk stil … Ze zijn terug in Kontich … de begrafenis is voorbij … Mimi’s begrafenis … Er is een kreet van medeleven opgegaan in Vlaanderen en van alle kanten kwamen bloemen toegestroomd. Stromen mensen vullen “Houthulst”, mensen die een laatste maal kwamen kijken naar het blonde meisje … en dat alles is geëindigd met een klein vers graf waarop enkele geraniums staan te bloeien. In “Houthulst” is het nu stil. Het is een huis van rouw en smart geworden. Niet zo heel veel later sterft Hans in Knokke en wordt hij in Kontich begraven. Houthulst bleef dus gedurende die hele tijd het epicentrum van de familie Hans waar alles rond draaide. Uiteindelijk moet het huis in de jaren vijftig verkocht worden, omdat zoon Hans geen zakelijk talent heeft en bovendien moet opboksen tegen de nieuwe media.
15
Wat blijft er over In Kontich?
De sporen van Abraham Hans in Kontich zijn niet meer zo veelvuldig, maar wel nog aanwezig. We sommen enkele elementen op. De graven op het kerkhof van Kontich die werden opgenomen op de lijst van monumenten die niet mogen verdwijnen omwille van hun erfgoedwaarde. Enkele pseudoniemen die hij tijdens zij leven gebruikte: Jan van Contich, Maria Van Hove. (zie foto pag. 17 bovenaan) Korte vermeldingen in sommige werken, o.a. De Spaanse Furie. De Spiegel (Karel van Ransbeeck) met een poppentheatervoorstelling: De lotgevallen van Willem Jeroens. Een straatnaam
Het Abraham Hans fietspad, dat vooral langs de grenzen van Kontich koopt en al helemaal niet langs Houthulst passeert.) De school – in 1993 werd de jongensschool de Abraham Hansschool, maar later herdoopt in de A-Ha!-school Villa Houthulst Zoon Willem bleef in villa Houthulst wonen tot 1957. Onder druk van de concurrentie en een schrijnend gebrek aan organisatietalent wordt het faillissement uitgesproken en komt het huis op de markt terecht. Dat dit een wel erg speciale woning is gebleven, wordt duidelijk door de evolutie. Het huis staat nu (december 2023) te huur voor de aantrekkelijke prijs van 3000 euro per maand. De foto’s van het honderd jaar oude huis bewijzen dat het interieur een sterke update heeft gekregen, toch maak ik mij sterk dat misschien ook Abraham nog deze klink heeft vastgehad. Wat in ieder geval wel grondig en degelijk is veranderd, is niet zonder belang. Zijn “werkkot” in de tuin is helemaal afgebroken. De plaats van waaruit
zovele Hanskes zijn vertrokken bestaat niet meer. Tekening Joris Olyslaegers (zie pag. 17 onderaan) De jeugd en boekenhuisje De slogan van onze school is ‘Boek je toekomst’. In elk verhaal dat directeur Maarten Meyer over zijn school vertelt, spreekt hij ook over Abraham Hans. Over hoe ze hem willen
en
ng
eri
in Re .4 14
16
Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich
.4 14 en ng eri Re in
Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich
17
eren door de liefde voor het geschreven woord te onderwijzen en door te geven aan de leerlingen. Ook in de nieuwe visie van deze school hangen ze hun leesonderwijs op aan hem.
Maarten Meyer zegt verder: We hebben een sterke werking rond cognitief sterk presterende leerlingen (Joke Smet begeleidt deze leerlingen) in vele scholen heet dit ‘de kangoeroeklas’. Wij hebben heel bewust gekozen om deze werking ‘de Hansjesklas’ te noemen. Ik moet jou niet uitleggen waarnaar dit verwijst. Ook het eerste thema tijdens het schooljaar bij de Hansjes gaat over Abraham Hans. Startende in de Antwerpse steenweg leggen de leerlingen gedurende enkele weken het leven en werk van Abraham Hans bloot. Om er nadien mee aan de slag te gaan. Concrete verwerking kan je verder navragen bij Joke. Klein maar niet onbelangrijk. Er zijn heel wat plekken op school waar boeken en Hansjes geschreven door Abraham Hans terug te vinden zijn. Op mijn eigen bureau is er een heel schap met boeken van hem. Er zijn heel wat mensen die verrast zijn door deze boeken en zo ontstaan er mooie gesprekken.”
Tot slot
De belangrijkste erfenis van Abraham Hans ligt uiteindelijk in het programma van de dorpsschool. Daar probeert men de kinderen de vreugde voor het lezen bij te brengen en op die manier dringt men door tot wat Abraham Hans voor ogen had toen hij rondtrok en schreef voor zijn Vlaanderen. Volksverheffing mag dan wel een ouderwets woord zijn, het is nog altijd de motor van wat onderwijs zou kunnen en moeten zijn. Door de herinnering aan Abraham Hans levend te houden en academische aandacht aan hem te schenken, zoals op het colloquium in Gent, hopen we ertoe bij te dragen dat onze vroegere dorpsgenoot opnieuw de eervolle plaats zal kunnen innemen die hij verdient. Paul Catteeuw
en
ng
eri
in Re .4 14
18
Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich
Activiteitenkalender Het museum is elke zondag open! Van december tot begin maart gaan we echter in winterslaap. Het museum gaat weer open op 3 maart 2024! Bezoek onze site www.museumkontich.be voor het recentste nieuws, alle activiteiten en de verhalen uit het gemeentelijk contactblad (Heemkundige sprokkelingen) of uit Kontich-Waarloos Vroeger en Nu. Ben je op zoek naar de oude nummers van Reineringen of publicaties die met Kontich te maken hebben? Surf dan gewoon naar www.issuu.com. Op deze webstek tik je bij zoeken gewoon “Reineringen” of “Kontich” in en je komt zo bij onze vroegere nummers terecht. Activiteitenkalender Lezingen in samenwerking met de Gemeentelijke Erfgoedraad in het Cultuurhuis Altena (tickets: uitwinkel@kontich.be): • 2024 (?): Susan Hamlyn, Janet Dean & Paul Catteeuw – Margriet Ballegeer en Willy Katzenstein Abonnees van Reineringen – vrienden van het museum Graag houden we jullie op de hoogte van al onze activiteiten en publicaties. Dit is echter enkel mogelijk als u ons uw e-mailadres bezorgt via reineringen@gmail.com. Uiteraard kan u zich altijd laten uitschrijven op eenvoudig verzoek aan hetzelfde mailadres.
Re in
Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich
eri
ng
en
14
.4
Facebook Je vindt onze heemkundige kring nu ook op Facebook. We posten er op regelmatige basis foto’s uit de oude (en nieuwe doos). Enkele honderden mensen hebben de weg al gevonden. Hoe geraak je erbij? Zoek gewoon onder “Kontichse historische weetjes”. Ook op LinkedIn zijn we aanwezig. Daar vind je berichten i.v.m. de heemkundige kring. 19
Retouradres: Koninklijke Kring voor Heemkunde Duivenstraat 22 2550 KONTICH
Reineringen 14 (2023), 4 Driemaandelijks (oktober - december 2023) Afgiftekantoor Herzele P 912187 - Herzele
INHOUDSTAFEL: Pagina 1 Voorwoord Pagina 2 Collaboratie in Vlaanderen tijdens de Tweede Wereldoorlog Pagina 6 Reveil Pagina 7 De schoenmaker van Kontich-Kazerne vertelt Pagina 9 De heksenvervolging in West-Europa Pagina 12 Abraham Hans en Kontich Colofon Reineringen, Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich, 14 (2023), 4 ISSN 2033-2742 Redactie: Paul Catteeuw, Chris Claes, Erwin Van de Velde, Ilse Van Weert en Paul Wyckmans Eindredactie: Paul Catteeuw Druk: Editoo, Erpe-Mere Verantwoordelijke uitgever: Paul Catteeuw, Duivenstraat 22, BE-2550 Kontich Correspondentieadres: reineringen@gmail.com © 2023 – Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich De auteurs zijn verantwoordelijk voor de inhoud van hun eigen bijdrage. Abonnementen (inclusief lidmaatschap “Vrienden van het museum”): minimum 20 euro. Te betalen op rekeningnummer BE77 4155-0442-2142 met de vermelding van uw naam, adres en “Reineringen 2024”. Het IBAN-kenmerk is KREDBEBB. Voor een los nummer kost 5 euro Gelieve eventuele adresveranderingen zo snel mogelijk aan ons mee te delen. Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich, Documentatiecentrum Duivenstraat 22, BE-2550 Kontich, +32 3 457 86 04 heemkunde.kontich@gmail.com
Museum voor Heem- en Oudheidkunde Bibliotheek- en cultuurgebouw Sint-Jansplein, BE-2550 Kontich www.museumkontich.be