tijdschrift over de cultuur van het dagelijks leven
ISSN 0042-8523
Uitgegeven met steun van de Vlaamse overheid, de Universitaire Stichting van België, het Vera Himlerfonds en Musea en Erfgoed Antwerpen vzw
Redactie: lic. Paul Ca eeuw (redactiesecretaris; Kontich), lic. Sofie De Ruysser (Antwerpen), prof. dr. Hester Dibbits (Amsterdam), dr. Sophie Elpers (Arnhem), dra. Roselyne Francken (Antwerpen), prof. dr. Hans Geybels (Leuven), prof. dr. Marc Jacobs (Brugge), prof. dr. Maarten Larmuseau (Kessel-Lo), prof. dr. Theo Meder (Almere), dra. Jorijn Neyrinck (Brugge), dra. Hilde Schoefs (Bilzen), prof. dr. Annick Schramme (Berchem), dra. Els Veraverbeke (Gent), prof. dr. Johan Verberckmoes (Heverlee)
Verantwoordelijke uitgever: dr. Jur. Paul Peeters (’s-Gravenwezel/Schilde), lic. Sigrid Peeters (Oelegem/Ranst)
Beeld- en eindredactie: Paul Ca eeuw & Johan Verberckmoes
Beheer-Uitgeverij: vzw Centrum voor Studie en Documentatie, Gillès de Pélichylei 97, 2970 ’s-Gravenwezel (Schilde), info@volkskunde.be
Jaarabonnement
Voor België: € 24,00 – buiten België € 30,00
Voor nummers buiten abonnement: info@volkskunde.be
Het tijdschri Volkskunde werd opgericht in 1888 door August Gi ée en Pol de Mont. In 1894 werd Alfons De Cock redacteur.
Van 1914 tot 1920 hield “Volkskunde” op te verschijnen. Daarna berus e de leiding bij Victor de Meyere, vanaf 1936 bijgestaan door Jan de Vries. Vanaf 1938 hebben Jan de Vries, Maurits De Meyer, Pieter Jacobus Meertens en Karel Constant Peeters het tijdschri voortgezet samen met Jan Gessler en Paul De Keyser.
De nieuwe reeks begon met de 43e jaargang (1940-41). Vanaf 1967 werd de redactie geleid door P.J. Meertens en K.C. Peeters, vanaf 1972 aangevuld door Jan Theuwissen en Johannes Jacobus Voskuil.
Na het overlijden van K.C. Peeters werd vanaf 1976 de redactie geleid door Jan Theuwissen en Stefaan Top. Van 2008 tot 2020 was Stefaan Top eindredacteur. In 2012 werd de reeks vanaf de 113e jaargang in zijn huidige vorm vernieuwd.
Vanaf 2021 leiden Paul Ca eeuw en Johan Verberckmoes de beeld- en eindredactie. De redactie is interdisciplinair en Vlaams-Nederlands samengesteld.
herwig de lannoy
“Wij
ijveren voor een kuisch geslacht. Weg met de schunnige plakkaten!”
De beweging voor zedelijkheid in Mechelen tijdens het interbellum
De bezorgdheid over de zeden en de moraal wordt gevoed door sterk veranderende maatschappijbeelden en morele principes. De discussie staat opnieuw op scherp door de controverse over de toelaatbaarheid op de sociale media van boodschappen, uitlatingen, cartoons en beelden die voor bepaalde personen of groepen zedenkwetsend kunnen zijn.
De beweging voor zedelijkheid kende een hoogtepunt tijdens het interbellum. De “gelegenheden tot zonde” waren talrijk in de ogen van de burgerij. Vooral vrome katholieken organiseerden zich in militante actiecomités of strijdersbonden om ten strijde te trekken tegen de zedenverwildering die zij in het snel veranderende straatbeeld rondom hen meenden te zien.
Dit artikel zoomt in op de acties van individuen en organisaties in hun strijd tegen de openbare onzedelijkheid in Mechelen tijdens de periode tussen de twee wereldoorlogen.1 De hoofdtitel is ontleed aan het propagandaboekje Zedenadel van de katholieke Bond voor Openbare Zedelijkheid uit het midden van de jaren 1930.2 We focussen op wat in de straat gebeurde. Dat straatbeeld ligt voor dit artikel in Mechelen: een centrumstad met toen 60.000 inwoners die als zetel van het aartsbisdom een symboolrol als feitelijke katholieke hoofdstad van het land vervulde. Vanuit die stad werd de katholieke beweging voor zedelijkheid over heel Vlaanderen uitgedragen en georganiseerd in de koepel Zedenadel, waarvan de opvolgers internationale vertakkingen kregen.3 Er is heel wat onderzoek gedaan naar de uiteenlopende initiatieven voor zedelijkheid en matigheid en de tegenbeweging in België. De propaganda en de berichtgeving in tijdschri en geven een goed beeld van wat er leefde in de katholieke kringen en bij de andersdenkenden. Over de organisatie in Mechelen zijn het bronnenmateriaal en de studies beperkt, maar we konden beroep doen op de privéverzameling van de Vlaamsgezinde christendemocraat
1 Voor een kennismaking: H. De Lannoy, Een stad in verwondering. Bedenken, besturen, bewonderen en beleven in Mechelen 1918-2000. Mechelen, 2021.
2 Bewaard in de privépapieren Neefs, Map Strijdersbond tegen de Openbare Onzedelijkheid (zie voetnoot 4).
3 H. De Lannoy, Een stad in volle vaart. Wonen, werken, winkelen, weten en welzijn in Mechelen 1918-2000 Mechelen, 2019, p. 12-15.
en politicus Cyriel Neefs, die nauw betrokken was.4 We trachten zo een bijdrage te leveren aan de studie van een beweging die een component was van een brede cultuurstrijd tijdens het interbellum.
De strijd om de moderniteit en zedelijkheid voor de Grote Oorlog
De beweging voor zedelijkheid had zich al gemanifesteerd voor de Grote Oorlog 1914-1918. De arbeider leek vanaf ca. 1870 staatsburger te worden, maar voldeed nog niet aan het ideaal van de burgerlijke beschaving. Geëngageerde hervormers uit de katholieke en liberale burgerij gingen de arbeider stimuleren om de vrije tijd op een deugdzame manier, met gedisciplineerd vermaak, door te brengen. Met deze pogingen om de lagere klassen te ‘beschaven’ hoopten de initiatiefnemers de moderne maatschappij harmonieus te houden, de aantrekkingskracht van het socialisme tegen te gaan en de sociale kloof te verkleinen. De hervormers stelden zich tot doel het lot van de arbeidersklasse te verbeteren door hen op te voeden tot een hoger peil van beschaving. Doordat de vrije tijd van de arbeiders toenam, bestond de angst dat die zich zouden overgeven aan ledigheid, drankzucht en onnu ige en schadelijke vormen van vermaak. Naast medische zorg, sociale woningbouw en andere sociale voorzieningen ontwikkelden burgers uiteenlopende initiatieven om de vrijetijdsbesteding van de lagere klassen in een meer beschaafde richting te sturen en om te vormen. Dat gebeurde met de steun van de overheid en de kerk.5
Aan het eind van de 19e en begin 20e eeuw bestonden in steden en gemeenten heel wat versnipperde initiatieven die dikwijls vanop nationaal niveau werden aangestuurd. Binnen de Derde Orde van Sint-Franciscus – een seculier broederschap van diepgelovige leken – bestonden van voor de Eerste Wereldoorlog in België de Franciscusbond voor de mannen en de Onze-Lieve-Vrouwebond voor de vrouwen, met ook afdelingen in Mechelen. De landelijke Vrouwenbond van de Derde Orde had begin 1914 nog de ‘Bond tegen de overtollige en oneerbare modes’ opgericht, maar een stedelijke afdeling in Mechelen kwam er door de oorlog niet.6 Er bestond onder andere ook een nationale ‘Bond tegen de onzedelijkheid der uitstallingen en tegen de zedeloosheid’ van katholieke strekking, waarover het katholieke volksdagblad Gazet van Mechelen een enkele keer verslag uitbracht, maar die evenmin een spoor in Mechelen naliet.7 De acties en zichtbaarheid in het openbare leven
4 Voor dit onderzoek heb ik dankbaar gebruik kunnen maken van de omvangrijke verzameling papieren van Cyriel Neefs (1899-1976). Hij was lid van talrijke Mechelse socioculturele verenigingen, medestichter van de Strijdersbond tegen de Openbare Onzedelijkheid (waarover verder meer) en bewaarde zorgvuldig een massa documenten. De papieren zijn door de familie aan mij geschonken en zijn inmiddels deels aan het Stadsarchief Mechelen overgedragen. In de verzameling is een map ‘Strijdersbond tegen de Openbare Onzedelijkheid’ (volgende verwijzing PN).
5 Zie bijdragen van historici van Belgische, Nederlandse en Duitse universiteiten in: Ch. Smit (red.), Fatsoenlijk vertier Deugdzame ontspanning voor arbeiders na 1870. Amsterdam, 2008.
6 Gazet van Mechelen, 23 januari 1914.
7 Gazet van Mechelen, 2 mei 1912.
van al deze, dikwijls kortstondige initiatieven waren zeer bescheiden en de impact bleef beperkt tot de leden van de eigen katholieke zuil.
Met het toenemend aanzien van verlichte liberalen in het laatste kwart van de 19e eeuw, de groeiende aanhang van de socialisten vanaf het midden van de jaren 1880 en de opkomst van de christendemocraten vanaf ca. 1891 won de overtuiging veld dat de arbeiders zélf bereid en in staat waren het he in eigen handen te nemen om hun lot te verbeteren. De paternalistische initiatieven van de katholieke en liberale burgerij werden aangevuld, gedeeltelijk vervangen en overvleugeld door volkse werken, die mee beheerd werden door arbeiders. Terwijl de confessionele genootschappen zich toelegden op zedelijke opvoeding, ondersteunden de socialistische initiatieven veel krachtiger de emancipatie van de arbeiders.8
Het is moeilijk te bepalen in welke mate de beweging voor cultuurbevordering het zedelijk peil van de arbeiders daadwerkelijk verhoogd hee , maar de retoriek van beschaving en zedelijke verheffing was ruim verspreid te horen. De goedkope volksdagbladen zorgden voor een nieuw kanaal om ideeën onder de bevolking dag na dag ruchtbaarheid te geven. De idealen van beschaving, verheffing en disciplinering van het beschavingsoffensief gingen hand in hand en versterkten elkaar.
De vele verleidingen van de moderniteit tijdens het interbellum
De gruwel van de Eerste Wereldoorlog zorgde voor een cultuurschok. De massa voerde voortaan de boventoon. Hoe kon die verleid worden tot fatsoenlijk vertier in de vrije westerse wereld? Naast conservatieve liberale burgers voelden vooral katholieken zich meer dan ooit bedreigd door de liberalisering van de zeden in de ‘gay twenties’. Vrome kerkgangers waarschuwden voor de verleidingen in cafés en danstenten, waarbij vooral de nieuwe muziekgenres en sensuele dansvormen geviseerd werden: jazz, de foxtrot, bostonwals, charleston, tango en de felle Zuid-Amerikaanse dansen. Een nieuwe levensstijl werd populair: die van de vrijuit genietende consument. Die contrasteerde fel met het ascetisch-religieuze ideaalbeeld van het vrome katholicisme.9
In de lijn van de vooroorlogse campagnes bleef de strijd tegen de nieuwe modetrends bovenaan de agenda staan. Door de schok van de oorlog versnelde het emancipatieproces van de vrouw. Die toonde zich voortaan veel zel ewuster en zelfstandiger in de wereld. Dat vertaalde zich in de kledij. De rokken werden steeds korter: in 1921 reikten ze nog tot de enkel, nadien tot de kuit, in 1927 tot de knie.
Ook de badpakken ondergingen ingrijpende wijzigingen: van een pakje met korte broek tot aan de knieën vóór 1914 naar een eendelig badpak dat hals, armen, décolleté en benen vrijliet. Samen met de badmode deed ook
8 Zoals blijkt uit de verschillen op vlak van leesbevordering in de katholieke en socialistische bibliotheken in de Lage Landen: B. De Vries, ‘Nu ig, aangenaam of verderfelijk vertier: de leescultuur van het volk’, in: Smit, Fatsoenlijk vertier, p. 25-61.
9 S. Hellemans, Strijd om de moderniteit. Sociale bewegingen en verzuiling in Europa sinds 1800. Leuven, 1990, p. 112.
De ondeugden van de moderne tijd zijn als een veelkoppig monster. Maar De Deugd overwint! Dat is de les van Zedenadel Tak Groot-Gent op de massabetoging van 13 maart 1940. A che. Universiteitsbibliotheek Gent.
de strandmode haar intrede: vanaf 1925 werden katoenen strandpyjama’s gebruikt die door hun mannelijke allure een hetze veroorzaakten. Bepaalde types modebewuste meisjes wilden zoveel mogelijk op jongens lijken, met kortgeknipte haren, geëpileerde wenkbrauwen en rechte, sluikse kledij. Ook mannen lieten in hun kledij meer van hun lichaam zien.10 De clerus en veel vrome katholieken waarschuwden voor de zedenverwildering op de ‘plages’ aan zee, meren, rivieren of grote zwemvijvers. De schaars geklede buikdanseressen in foortenten op de talrijke kermissen in Vlaanderen overschreden ruim de fatsoensnormen van de militante katholieken.
Er was niks mis met het volgen van de mode, voor zover die niet de grens van de christelijke zedigheid overschreed. Om te weten wat dat juist betekende, moesten de gelovigen de aanbevelingen van het kerkelijk gezag volgen. Dat bleef een vage verwijzing die voor de gelovigen verwarrend was. De katholieke pers beklaagde zich alvast over wat toen in het straatbeeld was te zien.
Nieuwe massamedia braken door: populaire magazines, film en fotografie. De houding van de katholieke kerk was tot kort na de Eerste Wereldoorlog afzijdig en gedreven door tegenwerking. De massale verspreiding van de tijdsgeest via de traditionele en nieuwe communicatiemiddelen werd door de militante katholieken verantwoordelijk geacht voor het algemeen zedelijk verval dat zij zagen opdoemen en dat hen ongerust maakte.11 De clerus vond dat de bevolking weinig goeds kon leren van veruit de meeste films die door het in beeld brengen van diefstal, moord, overspel en vrije liefde de kijkers met slechte neigingen en dri en opjoegen. Bovendien dreigde er in de bioscoopzaal zelf gevaar omdat bezoekers van de twee geslachten er in het halfdonker naast elkaar zaten.
Toch moesten de katholieken mee met het nieuwe medium. Terwijl in het begin van de 20e eeuw bioscoopzalen nog curiositeiten waren, schoten ze vlak na de Eerste Wereldoorlog als paddenstoelen uit de grond. Veel uitbaters van danspaleizen rich en één van hun zalen in als cinema of bouwden er een bij.12 Uit het offensief tegen de zedenverwildering door de film en de cinema’s ontstond in 1932 de Katholieke Filmliga, een nationaal verbond om het publiek voor te lichten en moreel-pedagogisch te begeleiden.13 Begin 1936 star e de Katholieke Perscentrale als documentatie- en informatiecentrum. Beide organisaties trach en invloed uit te oefenen op de productie en verdeling van films in België, maar konden niet op tegen de toevloed van films uit het buitenland die zich niet in het minst stoorden aan de zedelijke adviezen, grensverleggend waren en de burgerij provoceerden.14 Het bleek niet meer mogelijk de gelovigen af te schermen van de “kwalijke” invloeden van buiten de eigen zuil via de nieuwe media. De verzuiling werd
10 Ch. de Borchgrave, God of genot. Vlaanderen 1918-1940: een Kerk in strijd met de moderne zinnelijkheid. Leuven, 1998, p. 134.
11 L. Gevers, ‘Hoogtepunt en einde van een tijdperk. Het aartsbisdom onder kardinaal Van Roey (1926-1961)’, in: Het aartsbisdom Mechelen-Brussel. 450 jaar geschiedenis II. Leuven, 2009, p. 200-201.
12 De Lannoy, Een stad in verwondering, p. 288-294.
13 ‘Archief Katholieke Filmliga’, in: Odis: h p://www.odis.be/lnk/AE_380 (bezocht op 5-11-2021).
14 L. Dhaene, ‘De offensie eweging in Vlaanderen 1933-1939: katholieken tussen traditie en vooruitgang’, Belgisch Tijdschri voor Nieuwste Geschiedenis, 17:1-2, 1986, p. 235-243.
Veel Katholieke Actie-groeperingen streefden naar de zedelijke verheffing van film en cinema. Affiche uit 1937 van het Mannenverbond voor Katholieke Aktie (MVKA) Bisdom Brugge, dat vanaf 1934 actief was. KADOC Leuven.
doorbroken, althans gedeeltelijk. In de loop van de jaren 1920 kwam verandering in de afwijzende houding van de kerk. De nieuwe media bleken onmisbare instrumenten om de gelovige massa snel te bereiken en te sensibiliseren, want ook de “vijanden van de godsdienst en de kerk” maakten er intens gebruik van. De kerkleiders ontwikkelden noodgedwongen een meer actieve en positieve houding, al was die decennialang nog streng controlerend.15
Een goed voorbeeld is de houding tegenover de radio. Dat nieuwe massamedium kon tot zonde verleiden. “Als ge gebruik maakt van uw radio, maakt er nooit misbruik van: stemt nooit af op posten wier uitzending tegen het geloof en de goede zeden indruischt, beluistert immer een katholieken omroep”, luidde het vanop de preekstoel.16 Dat de kerkleiders het belang bese en van de radio, blijkt uit hun streven naar een landelijke zendvergunning voor een eigen katholieke radio-omroep in 1930. Naast een neutrale openbare omroep gebeurde de verdeling van de zendvergunningen aan private zenders volgens de verzuiling, als waarborg voor een “georganiseerde vrijheid van mening”. De Katholieke Vlaamse Radio Omroep werd een onmisbare speekbuis van de kerk en haar onderrichtingen, zeker op zedelijk vlak.17
De beweging voor zedelijkheid flankeerde een ruime matigheids- en onthoudingsbeweging. In de burgerlijke samenleving werden afwijkend sociaal gedrag, zoals alcoholisme, maar ook landloperij, bedelarij en prostitutie, beschouwd als immoreel en vooral als een bedreiging van de traditionele waarden. De matigheids- en onthoudingsbeweging maakte een ruim publiek gevoelig voor de problematiek van alcoholisme en andere verslavingen en zorgde voor kleinschalige begeleidingsgroepen, dikwijls met zeer goede resultaten.18
Tientallen matigheids- en onthoudingsbonden ontstonden in de steden en gemeenten en bereikten veel gelovigen. De meest bekende was Sobriëtas. De landelijke Federatie ervan kwam in 1928 tot stand als een los verbond van regionale kringen, die op hun beurt de lokale katholieke matigheids- en onthoudingsverenigingen overkoepelden. Sobriëtas werd vooral bekend om haar hulpgroep de Anonieme Alcoholisten (AA).19
15 Over de ideologische spanningen rond cinema’s: R. Molhant, Les catholiques et le cinéma. Une étrange histoire de craintes et de passions. Brussel, 2000; L. Depauw en D. Biltereyst, ‘De kruistocht tegen de slechte cinema. Over de aanloop en de start van de Belgische Filmkeuring (1912-1929)’, TMG Journal for Media History, 8:1, 2005, p. 4-26; D. Biltereyst en Ph. Meers (red.), De verlichte stad. Een geschiedenis van bioscopen, filmvertoningen en filmcultuur in Vlaanderen. Leuven, 2007.
16 Uit een preek van de Gentse redemptoris Basiel Van Heybeeck in de jaren dertig. de Borchgrave, God of genot, p. 131.
17 J. Putseys, ‘Radiostrijd tussen de twee wereldoorlogen (1)’, Belgisch Tijdschri voor Nieuwste Geschiedenis, 17:1-2, 1986, p. 36 en 46.
18 C. Dujardin, ‘”Wat zullen wij drinken?”. Erfgoed matigheidsbond Sobriëtas’, KADOC Nieuwsbrief 11/12, 2004, p. 4-7; P. Scholliers, ‘Een vijand dien men kennen moet. Jenever in België in de negentiende en vroege twintigste eeuw’, in: E. Van Schoonenberghe (red.), Jenever in de Lage Landen. Brugge, 1996, p. 137-157.
19 Dujardin, ‘”Wat zullen wij drinken?”’, p. 4-7; Sobriëtas. Historiek: h ps://www.sobrietas.info/ historiek (bezocht op 5/11/2021).
De beweging voor zedelijkheid en matigheid kreeg ook te maken met tegenspraak. Naast vernieuwende, grensverleggende kunstenaars, artiesten en linkse intellectuelen waren er burgers en groepen die economische belangen hadden. De private uitbaters van cafés, danszalen, bioscopen, recreatieoorden, foorkramen en ander vertier zagen hun broodwinning bedreigd door de schandaalsfeer. Die schrikte veel burgers af. Tegelijk zorgde de commotie voor media-aandacht en extra belangstelling.
Voorop in het verzet liepen verlichte levenshervormers die veel zorg besteedden aan de lichaamscultuur en een open ingesteldheid van de geest bewaakten. Ze waren ervan overtuigd dat een nieuwe harmonie en orde zou ontstaan, zowel voor het individu als voor de samenleving. Zelfs als dit vormingsproces van de individuele mens boete, zel eheersing en onthouding noodzakelijk maakte, hoopten ze dat aan het einde van die weg denkende individuen groeiden, die zich zel ewust, vrijwillig en spontaan konden houden aan de regels en grenzen van een ‘natuurlijke levensstijl’. Deze ideeën vonden alvast gretig aanhang bij burgers die zeer begaan waren met de lichaamscultuur.20
Het verschil met de katholieke beweging voor zedelijkheid en matigheid was dat de kritische geluiden uit een verdeelde achterban kwamen die dikwijls met tegenstrijdige of concurrerende belangen te maken had. Ze kon tijdens het interbellum niet op een gelijkaardige manier de gelijkgezinden massaal mobiliseren. Er was geen strak georganiseerde tegenbeweging met lokale en nationale bonden en structuren en met gezaghebbende leiders, zoals de kerk die had.
De socialisten en liberalen zagen in de dogmatische veroordeling door de kerkleiders van het ‘onzedelijk gedrag’ een bedreiging voor de individuele vrijheid. Voor de katholieken mochten de liberale vrijheden geen alibi zijn om de goede zeden te verkwanselen. Vanuit de argwaan in Belgische klerikale milieus tegen de lichaamscultuur werd sport niet als waardevol op zich beschouwd, maar moest die steeds een opvoedkundige of godsdienstige meerwaarde hebben. De negatieve perceptie van de lichaamscultuur lag in de lijn van het cultuurpessimisme van de kerk, dat tijdens de crisisjaren dertig nog krachtiger werd.21 De katholieken legden ook eigen klemtonen. De strijd tegen anticonceptie was even belangrijk als het bestrijden van onzedelijk gedrag, drankmisbruik of ‘onkuise’ kledij. Seks mocht enkel binnen het huwelijk en periodieke onthouding was het aangewezen voorbehoedsmiddel. Propaganda voor kunstmatige anticonceptie was onaanvaardbaar.22 Toch was niet elke praktiserende katholiek even begeesterd door de strijd voor zedelijkheid en matigheid. De zuilorganisaties bese en de noodzaak nauw aan te sluiten bij de profane wereld om voldoende op de maatschappij te kunnen wegen. Dat was alleen al om politieke en electorale redenen van
20 E. Peeters, ‘Authenticity and Asceticism: Discourse and Performance in Nude Culture and Health Reform in Belgium, 1920-1940’, Journal of the History of Sexuality, 15: 3, 2006, p. 461.
21 Gevers, ‘Hoogtepunt en einde van een tijdperk, p. 200-201.
22 PN, brochure Periodieke Onthouding (Reeks Huwelijk en Huisgezin), Zedenadel (Antwerpen 1942), 32 p. Het is de eerste uit een reeks van zes brochures.
levensbelang. Sinds het enkelvoudig algemeen stemrecht moest de katholieke centrumkiezer overtuigd worden en dat kon enkel met gematigde standpunten, vertolkt door een brede volkspartij. Bij de katholieken, zoals bij de andere ideologische groepen van socialisten, liberalen, Vlaams-nationalisten en communisten, demonstreerden de propagandistische imposante turnfeesten gracieuze zel eheersing én fysieke kracht. Maar de pragmatici stonden in het defensief. Zij kregen van de militante katholieken het verwijt dat ze te gemakkelijk meegingen in de losse zeden van de moderne tijd en de secularisatie bevorderden. Inderdaad hee de uitbouw van de katholieke zuil de secularisatie geenszins teruggedrongen.23 Anderzijds hee ze ervoor gezorgd dat de katholieke partij nationaal en in de steden en gemeenten sterk genoeg stond om mee het beleid te bepalen.
De strijdlust van de Katholieke Actie
Een belangrijke ondersteuning voor de katholieke zedelijkheids- en matigheidsbeweging kwam van de Katholieke Actie. Dat was een offensieve massabeweging van gelovigen, strak en autoritair geleid door de kerk. De kerkleiders waren bevreesd dat ze hun invloed op de leken zouden verliezen en dat de ontkerkelijking zich zou doorze en. Onder het mo o “Alles hernieuwen in Christus” spoorden ze de massa gelovigen aan zich op te werpen als katholieke strijders die een kruistocht voerden tegen communisme, socialisme, liberalisme en andere afwijkende ideologieën. Het doel was de prominente plaats van het geloof en de kerk in de maatschappij te versterken. Dat betekende orthodoxe leefregels en een negatieve kijk op de nieuwe levensstijl van de vrijuit genietende burger.24
De Katholieke Actie was al in 1905 gelanceerd door paus Pius X, maar echt op gang getrokken door Pius XI, paus van 1922 tot 1939. De aanvoerders van de Katholieke Actie in België waren de kardinalen. Désiré-Joseph Mercier streefde als kerkvorst van 1906 tot 1926 naar een volkskerk onder zijn strakke leiding. Jozef-Ernest Van Roey werd zijn opvolger als aartsbisschop in maart 1926 en een jaar later als kardinaal. Hij was nog enthousiaster over de Katholieke Actie. Het morele gezag van de geestelijke leiders op de massa gelovigen, dat al aanzienlijk was, nam nog toe. De nieuwe media werden gretig ingezet. De kerkleiders slaagden erin de katholieken te mobiliseren op massamanifestaties. Bij die gelegenheden werd een ruime offensie eweging tegen de moderniteit aangewakkerd en werden de strenge morele principes van zedelijkheid en matigheid gepropageerd.
Deze militante offensie eweging voor zedelijkheid en matigheid kon gedijen in een passende tijdsgeest. Het ideaal van de katholieke strijder paste in een periode dat de democratie een vertrouwenscrisis doormaakte en de hang naar autoriteit en leiderschap in heel Europa sterk werd. In totalitaire staten werden privémilities door radicale groepen uitgebouwd, die de
23 Hellemans, Strijd om de moderniteit, p 112.
24 Dhaene, ‘De offensie eweging’, p. 227-268; F. Simon, ‘De pedagogisering van de massa’, in: De jaren ’30 in België. De massa in verleiding. Brussel, 1994, p. 178-195.
De plechtige intrede onder massale belangstelling van Jozef-Ernest Van Roey als de nieuwe aartsbisschop op 2 mei 1926 op de Grote Markt van Mechelen. Massamanifestaties als deze waren het voornaamste instrument van de Katholieke Actie om de gelovigen tijdens het interbellum te mobiliseren. KADOC Leuven.
Veel volk op de kinderdag van 28 augustus 1930 tijdens het Eucharistisch Congres op de Grote Markt in Mechelen. Zulke massamanifestaties waren voor de kerk ideaal om haar zedelijke waarden ook bij de kinderen in te prenten. Regionale Beeldbank Mechelen.
ordehandhaving in eigen handen namen en met veel geweld en willekeur tegenstanders te lijf gingen. In België liep het niet zo’n vaart, maar in alle ideologische strekkingen – van katholieken, socialisten, liberalen, Vlaamsnationalisten en communisten – waren paramilitaire werkvormen populair, zoals in hun jeugdbewegingen, turnkringen en andere sportclubs.25
‘Met Zedenadel ten strijde’. Een strijdlustige jongeman met zwaard en schild, het prototype van de katholieke strijder voor een zedelijk volk – groot volk. Affiche Zedenadel. KADOC Leuven.
25 T. Van Osselaer, ‘Christening Masculinity? Catholic Action and Men in Interwar Belgium’, Gender & History, 21:2, 2009, p. 382.
Vlag van de Eucharistische Kruistocht van het aartsbisdom Mechelen, jaren 1930. Door zulke initiatieven bereikte de Katholieke Actie kinderen en jongeren in de parochies. Abdijarchief Averbode.
Offensief-meeting met de dominicaan Morlion, die van stad tot stad een kruistocht voerde tegen de zedenverwildering die hij om zich heen zag. De Offensiefbeweging vormde en belangrijke steun voor Zedenadel. Affiche uit 1935, ontworpen en getekend door Frans Van Immerseel. Letterenhuis – AMVC, Antwerpen.
In de Katholieke Actie en in de ondersteunde beweging voor zedelijkheid en matigheid namen priesters, onderwijzers en sociale werkers het voortouw. De priesters preekten vanop de kansel de zedenles voor hun gelovigen.26 Kinderen, studenten, arbeiders, soldaten en huismoeders werden in tijdschri en en brochures rechtstreeks aangesproken. De publicaties oogden heel modern. Daarnaast werden overal in de steden protestacties georganiseerd, waarbij de gemoederen dikwijls opliepen en de politie meermaals de orde moest herstellen. Militanten provoceerden door opze elijk we en en reglementen te overtreden om een reactie van de overheid uit te lokken en persaandacht te krijgen. Dat lukte, want de kranten smulden van die heldha ige verhalen.27 De ruime kerkelijke maatschappijkritische beweging uit de 19e eeuw werd moderner, hanteerde handig de nieuwe media en won opnieuw aan dynamiek. De inplanting van de Katholieke Actie, hoe ruim ook gedragen, veroorzaakte conflicten in de klerikale zuil. In de voorgaande eeuw was een bloeiend en fijnmazig katholiek organisatieleven ontstaan dat een zekere autonomie verworven had tegenover de bisschoppen en nauw verweven was met de politiek. Religieuze en zedelijke vorming namen een belangrijke plaats in, maar evenzeer de sociaaleconomische werking en politieke actie. De meeste zuilorganisaties waren niet bereid de rechtstreekse leiding van de bisschoppen te aanvaarden en hun politieke opdracht prijs te geven.28 De strijd tegen de onzedelijkheid mocht dan nog zo belangrijk zijn, het brede sociaaleconomische en politieke draagvlak was dat evenzeer en de katholieke strijder mocht geen vervreemding van de massa gelovigen veroorzaken.
De duivel wil de jongere mee loodsen naar de herberg, terwijl de engel hem van drankmisbruik wil houden en matigheid predikt. Tekening door Joz. de Swerts voor Sobriëtas, jaren 1930, die onder andere via schoolschriften werd verspreid. KADOC Leuven.
26 Bewaarde preken zijn, naast tijdschri artikels, de voornaamste bron van Ch. de Borchgrave, God of genot.
27 Dujardin, ‘”Wat zullen wij drinken?”’, p. 4-7.
28 Over de complexe verhouding tussen de Katholieke Actie en de politiek: E. Gerard, De schaduw van het Interbellum. België van euforie tot crisis 1918-1939. Tielt, 2017, p. 156-158.
De eerste spontane acties tegen de openbare onzedelijkheid in Mechelen (1919-1924)
Mechelen was als zetel van het aartsbisdom niet enkel een stad waar de Katholieke Actie tijdens het interbellum krachtig militeerde. Er heerst een klimaat dat een klassiek sociaal, kunst- en cultuurleven koesterde en weinig moeite had met het aanvaarden van autoriteit, orde en strenge orthodoxe regels. Samen met het enthousiasme voor de Katholieke Actie vormde dat de ideale voedingsbodem voor energieke actiecomités tegen de onzedelijkheid in Mechelen.29
De eerste jaren na de Eerste Wereldoorlog werkte de beweging voor zedelijkheid en matigheid vooral indirect: ze wilde haar doelstellingen realiseren door in te werken op de overheid, onder andere met wetgeving, en door sensibiliseringsacties in scholen en verenigingen. Gezaghebbende of opvoedende profielen werden ingeschakeld. Zedenlessen gingen hand in hand met pleidooien voor matigheid en onthouding. In Mechelen kon dat in het ruime netwerk van vrije katholieke onderwijsinstellingen dat sinds de tweede hel van de 19e eeuw uitgebouwd was.
In de katholieke zuil werd de boodschap voor zedelijkheid en matigheid in het land en in Mechelen kort na de Grote Oorlog directer en opdringeriger, aangedreven door de Katholieke Actie. Vanaf het midden van de jaren 1920 gingen militante burgers over tot de directe actie. Al spoedig ontwikkelden zich uit hun individuele acties in veel steden en gemeenten actiegroepen en bonden, dikwijls op de restanten van vooroorlogse kringen.
In Mechelen ging vlak na de Grote Oorlog de meeste aandacht naar kledijadvies voor dames in de katholieke pers.30 De wegbereiders van de eerste acties tegen de onzedelijkheid in Mechelen waren priester Ivo Cornelis en leraar Alfons Verbist. Ivo Cornelis was een Vlaamsgezind onderpastoor van de Sint-Romboutsparochie in Mechelen en had vlak na de Eerste Wereldoorlog een weeshuis voor jongens gesticht. Volgens zijn voor die tijd vernieuwende visie op opvoeding liet hij de jongens veel meer met de buitenwereld in contact komen dan de wezen uit de tehuizen van de 19e eeuw. Hij verwach e van de samenleving wel dat die zorgde voor een straatbeeld dat voldeed aan de strenge zedelijke normen van de kerk, zodat de jongens niet in verleiding konden worden gebracht.31 Alfons Verbist was een Vlaamsgezinde leraar die in 1931 in de opvoedkunde doctoreerde. Hij werd Mechels gemeenteraadslid, schepen, parlementslid, de nationale leider van de christelijke arbeidersbeweging en in 1936 nationaal covoorzi er van de katholieke partij.32 De eerste acties waren gericht tegen de vertoning van ‘onzedige’ films en hun affiches in het straatbeeld. In Mechelen waren sinds het begin van de
29 De Lannoy, Een stad in verwondering, p. 42-45.
30 Gazet van Mechelen, 6 en 13 december 1924.
31 De Lannoy, Een stad in volle vaart, p. 260.
32 H. De Lannoy, ‘Verbist, Alphonsus Petrus, Vlaamsgezind katholiek pedagoog, musicoloog en politicus’, in: Nationaal Biografisch Woordenboek, 12. Brussel, 1987, kol. 766-773.
20e eeuw heel wat bioscoopzalen ingericht. Dikwijls waren het bestaande danszalen die voor de gelegenheid ingericht werden voor de projectie van films. De katholieken wilden de trein van het ontze end populaire nieuwe medium niet missen. In het Volksbelang, het hoofdkwartier van de katholieke partij en de christelijke arbeidersbeweging, opende Ciné Lux in 1911. Het moesten wel keurige films zijn en alle vertoningen stonden onder permanent toezicht van strenge zaalwachters. Het aanbod bleef beperkt tot luchtige, zedige familiefilms en er was een overaanbod van verfilmde Bijbelverhalen.33
Priester Cornelis moest op 25 juni 1924 voor de rechtbank verschijnen omdat hij affiches van cinemavertoningen had afgerukt. Het betrof de FransBelgische stomme film La Garçonne, een verfilming van de schandaalroman van de Franse schrijver Victor Margueri e. De prent verhaalt het biseksuele liefdesleven van een jonge dame. In Frankrijk werd slechts een gecensureerde versie in de zalen getoond. De ‘wellustige’ dansscenes waren eruit geknipt. Dan nog rus e er een exportverbod van de Franse censuurcommissie op de film. Toch geraakte de prent in de Belgische filmzalen. In veel steden trach en katholieken de vertoningen met opstootjes te verhinderen, maar enkel in Antwerpen en Verviers werd de prent verboden, waarna volle trams kijklustigen naar de naburige steden en gemeenten trokken om hem toch te kunnen zien.34
In de rechtszaal in Mechelen kwamen zestig burgers hun steun aan priester Cornelis betuigen. De stedelijke katholieke partij mobiliseerde met een volksvergadering op 4 juli 1924. Liefst drie katholieke topadvocaten namen de verdediging van de beklaagde op die meeting en in de rechtszaal op zich, onder wie volksvertegenwoordiger Philip Van Isacker en bestendig afgevaardigde Albert Nobels. Cornelis werd veroordeeld voor overtreding van een stedelijk reglement dat het afscheuren van plakbrieven verbood, kreeg een voorwaardelijke boete van twee Belgische frank en moest een schadevergoeding van één symbolische frank aan de burgerlijke partij betalen. De katholieken juichten om zulk mild vonnis en ze stonden te popelen voor verdere acties.35
Meerdere katholieke politici en militanten ze en hun partijgenoot burgemeester Charles Dessain in 1924 onder druk om door stadsambtenaren papiertjes te laten kleven over volgens de critici aanstootgevende a eeldingen op affiches voor bioscoopfilms. Omdat die papiertjes binnen de kortste keren verdwenen en er alsmaar meer van zulke affiches werden aangeplakt, namen Alfons Verbist en enkele van zijn medestanders het recht in eigen handen. Zij verwijderden “die vuiligheid”, kregen het aan de stok met cinemauitbaters en -bezoekers en belandden enkele keren op het politiebureau. De katholieke kranten smulden van die verhalen.36 De studiekring van Hanswijk sprong meteen op de kar, veroordeelde in naam van zijn 250 leden op 30 november 1924 stoer de “reklaam voor openbare onzedelijkheid” en riep de overheid
33 H. De Lannoy, Een stad in omwenteling. Een reis door Mechelen in de ‘lange’ negentiende eeuw (1789-1914). Mechelen, 2017, p. 299.
34 de Borchgrave, God of genot, p. 163.
35 Gazet van Mechelen, 27 juni, 2 en 7 juli 1924.
36 Zie over de actie van Verbist in de katholieke krant De Tijd, 26 november 1924.
De vele verfilmingen van de schandaalroman van Victor Margueritte wekten telkens ophef. De militanten van de Strijdersbond konden in 1924 een verbod op de vertoningen door het stadsbestuur van Mechelen afdwingen. Affiche van de filmversie van 1936, nog steeds streng verboden voor kinderen.
op tot een krachtdadig optreden om het Vlaamse volk van de morele ondergang te redden.37
Tegelijk maakte de ophef over de affiche voor La garçonne en andere ‘onzedige’ films of publiciteit duidelijk dat de cultuurstrijd niet zomaar een kwestie van één offensieve groep was, die de tegenstander in het defensief dwong. Niet zonder trots vermeldden de socialisten dat films als La garçonne verboden waren voor kinderen én dat zulke films met kritiek werden overladen. Dat maakte velen extra nieuwsgierig om te gaan kijken. De filmproducenten en de cinema-uitbaters van hun kant haalden hun profijt uit het conflict en zagen hun kans schoon om hun eigen agenda en grensverleggende ideeën sterker te promoten.38
Ook buiten Mechelen en in de nationale politiek won de strijd tegen de onzedelijkheid aan kracht. Het Katholiek Verbond van België, in feite de katholieke partij, schreef in haar programma voor de parlementsverkiezingen
37 Gazet van Mechelen, 13 december 1924.
38 Peeters, ‘Authenticity and Asceticism’, p. 440-441.
van 1925 de “vrijwaring der familie tegen onzedelijkheid en echtscheiding” in. Dat werd flink in de verf gezet door Gazet van Mechelen. 39 De volgende jaren werden wetgevende initiateven genomen, maar het ging voor de Mechelse actievoerders te traag en niet ver genoeg.40
De Strijdersbond tegen de Openbare Onzedelijkheid in Mechelen (1924-1940)
Eind 1924 va en enkele Mechelse katholieke boegbeelden het idee op om de bestaande bonden en actiekringen tegen onzedelijkheid en voor matigheid in de stad opnieuw in te richten, samen te voegen en te activeren. Ook in Mechelen bestond van voor de Eerste Wereldoorlog een Strijdersbond tegen de Onzedelijkheid, ingericht door de Derde Orde van Sint-Franciscus, maar die was weinig zichtbaar geweest buiten de eigen zuil en had na de oorlog de werking nauwelijks hervat.41
Het doel was de stichting van een Strijdersbond tegen de Openbare Onzedelijkheid in Mechelen op 21 mei 1926 als een vereniging zonder winstoogmerk. Dat was een nieuwe organisatievorm, die mogelijk geworden was door de wet op de vzw›s van 1921.42 Het is geen verrassing dat het initiatief uitging van Ivo Cornelis en Alfons Verbist. Zij behoorden tot de tweeëntwintig stichters, allen katholieke prominente Mechelaars uit de politiek, de katholieke zuil en de kerk. Tot de medestichters behoorden onder andere de ACW-er en volksvertegenwoordiger Philip Van Isacker, die voorzi er werd, kanunnik Emiel Steenackers als afgevaardigd beheerder, verpleegkundige Joanna Hellemans, twee minderbroeders, twee dokters, twee griffiers, een advocaat, een handelaar en drie leraren, onder wie Verbist.43
Zowel in bestuur, werking als acties bewandelde de Strijdersbond een geheel nieuw pad dan dat van de vooroorlogse kringen die ze samenvoegde en verving. Vooral de openheid en publieke agitatie vielen in het oog. De vijf doelstellingen van de Strijdersbond waren: (1) ijveren voor de ige straten en openbare plaatsen en voor de zedelijke bescherming van kinderen; (2) strijden tegen propaganda voor anticonceptie en tegen alcoholisme; (3) ijveren voor bestraffing door systematisch overtredingen aan het parket te melden; (4) alles ondernemen om misdrijven te beteugelen; (5) ondersteuning bieden aan de
39 Gazet van Mechelen, 15 december 1924.
40 Gazet van Mechelen, 30 november 1928.
41 Gazet van Mechelen, 6 december 1924.
42 Gazet van Mechelen, 6 december 1924.
43 De tweeëntwintig stichters waren: volksvertegenwoordiger Philip Van Isacker (voorzi er), kanunnik Emiel Steenackers (afgevaardigd beheerder), de minderbroeders Jozef Van Lierde en August Kerckhove, onderpastoor Ivo Cornelis, de dokters Prosper Neeffs (ondervoorzi er) en Jozef Peeters, de griffiers Joseph Joosen en Jozef De Prins, advocaat Robert Olbrechts, handelaar Karel Peeters, hoofdonderwijzer Jozef Claes, de leraars Alfons Verbist en Cyriel Neefs, bediende bij de spoorwegen Jozef Clo ens, bediende Jan Van Hemelrijck (secretaris-penningmeester), Gustaaf Carpentiers, verpleegkundige Joanna Hellemans, vakbondsbediende Maria de Preter, Gabrielle Claes, Maria Nobels uit een gekende Mechelse familie (adjunct-secretaris), en Anna Salmon, die de echtgenote van dokter Désiré Peeters was.
Bond der Kroostrijke Gezinnen. Daarmee waren de krijtlijnen tot het einde van de jaren 1950 getrokken: een onverbiddelijke strijd tegen zedenschennis en alcoholisme, maar ook tegen anticonceptie. De band met de brede matigheidsen onthoudingsbeweging is duidelijk. De samenwerking met de Bond der Kroostrijke Gezinnen moest voor een extra draagvlak zorgen. Die was op papier pluralistisch, maar de katholieke invloed was overheersend.44
De eerste grote actie van de Strijdersbond was een protestmeeting in Mechelen op 23 februari 1927 in zaal Volksbelang, de plaatselijke zetel van de katholieke zuil. Eind 1927 star e de Mechelse bond met een maandelijks krantje De Zedenwacht. 45 Naar eigen zeggen telde de bond in mei 1928 als leden 3.000 huisgezinnen op ca. 15.000 huizen in Mechelen.46 Spoedig kon de Strijdersbond rekenen op de steun van het Davidsfonds, maar ook van de Katholieke Vlaamse Radio Omroep, waardoor ze de massa kon bespelen via het nieuwe medium van de radio.47
De bond viseerde onverminderd “de immer toenemende onbeschaamdheid der Mechelsche Cinemabestuurders, die zich bij middel van het uitstallen van allerlei schunnigheden en het aanprikkelen eener ongezonde nieuwsgierigheid de onnadenkende massa wilden verleiden”.48 Een voorbeeld van zo’n ‘verderfelijke’ vertoning was Die keusche Suzanne, een stomme film uit 1926 van de Duitse scenarist Hans Stürm. Het is een succesvolle verfilming van een verhaal uit het Oude Testament en een opere e. Twee ouderlingen proberen Suzanna, een welgestelde dame, te verleiden wanneer ze in de beslotenheid van haar tuin een bad neemt. Suzanna verzet zich en uit wraak beschuldigen de mannen haar van overspel. Ze krijgt de doodstraf, maar de profeet Daniël bewijst haar onschuld en het zijn de belagers die ter dood worden gebracht. Dat het een verfilming is van een Bijbels verhaal, maakte de zaak wellicht extra gevoelig. Ontoelaatbaar voor de Strijdersbond waren ook La Femme nue, een Franse stomme film uit dat jaar naar een theaterstuk van Henry Bataille, en De Bruid van Don-Juan, een Britse filmkomedie uit 1934.
De Mechelse Strijdersbond ageerde niet enkel tegen de ‘onzedige’ films en hun affiches in de bioscopen. De kring protesteerde even fel tegen de “afstootelijke dri en-prikkelende en walgelijke aantrekkelijkheden” op de kermis.49 Zo drong de bond in de pers en in pamfle en erop aan dat de schaars geklede Egyptische buikdanseressen in een van de foortenten en ander “zedenkwetsend vertoon” geweerd werden. Er kwamen protestmeetings en de militanten scheurden affiches van de muren die in hun ogen onzedelijk waren. Zij dienden voortdurend klacht in bij het stadsbestuur, de politie en het parket.
44 Belgisch Staatsblad, bijlage verenigingen zonder winstoogmerk, 21 augustus 1925, nr. 557, 389-390.
45 L. Schokkaert, ‘De Zedenwacht (Mechelen) ([1927]-1933) (periodiek)’, in: Odis. 5 juli 2002: h p://www.odis.be/lnk/PB_10539 (bezocht op 5/11/ 2021).
46 Gazet van Mechelen, 17 mei 1928.
47 PN, Vertrouwelijk schrijven van de toenmalige afgevaardigd beheerder priester Jozef Meeus aan de voorzi er Philip Van Isacker van de Strijdersbond, 20 januari 1933.
48 Gazet van Mechelen, 25 februari 1927.
49 PN, Protestbrief van de Mechelse Strijdersbond tegen de Openbare Onzedelijkheid, 3 juli 1927.
Reclamepamflet voor De Kuische Suzanna, 1926. De Strijdersbond tegen de Openbare Onzedelijkheid in Mechelen protesteerde tegen de vertoning van de film in november 1927. Privéarchief Cyriel Neefs.
Publiciteit voor La Femme nue, een Franse stomme film uit 1926 naar een theaterstuk van Henry Bataille, april 1927. Het reclamepamflet werd door een sympathisant aan het bestuur van de Strijdersbond tegen de Openbare Onzedelijkheid in Mechelen gezonden om de vertoning aan te klagen. Privéarchief Cyriel Neefs.
Op 8 december 1931 bazuinde de bond uit dat de pu en van Hofstade waren herschapen in “een publieke ontuchtplaats”.50 Die pu en waren gegraven voor de aanleg van de spoorwegen in 1901 en de volgende jaren. In de jaren twintig waren de vijvers spontaan uitgegroeid tot recreatieoorden, zonder voorzieningen. Dat veranderde vanaf 1932, toen de overheid een gedeelte van het rijksdomein inrich e als sport- en recreatiezone en toezicht voorzag. De houding tegenover sportbeoefening was milder. We verwezen al naar de grootse katholieke turnfeesten die zel eheersing en fysieke kracht demonstreerden. Dat een passende sportbeleving voor een gelovige mogelijk was, had de populaire Mechelse kanunnik Francis Dessain aangetoond. Hij
50 PN, pamflet Groote protestmeeting. Wat gebeurt er aan de Pu en van Hofstade!, [december 1931]; Gazet van Mechelen, 10 december 1931.
Pamflet met een oproep voor een grote protestmeeting op 8 december 1931 van de Strijdersbond tegen
Openbare Onzedelijkheid van Mechelen. Volgens de bond waren de putten van Hofstade nota bene een staatsdomein herschapen in “een publieke ontuchtplaats”. Als sprekers traden minister Philip Van Isacker en leraar en pedagoog Alfons Verbist op, prominente christendemocratische politici. Privéarchief Cyriel Neefs.
was er al in het begin van de 20e eeuw in geslaagd de argwaan te temperen die de Belgische klerikale middens koesterden tegen de lichaamscultuur en de sportbeoefening. Hij toonde dat de populaire voetbalsport een middel kon zijn om de jeugd wilskracht, inzet en fair play bij te brengen en bevorderlijk kon zijn voor de godsdienstbeleving en de goede zeden, mits de juiste omkadering. Hij kon invloed uitoefenen als privésecretaris van de kardinalen Mercier en Van Roey.
Toch betekende het optreden van Dessain helemaal niet dat de argwaan tegen de lichaamscultuur en de sportbeoefening helemaal wegviel. De schroom voor het naakte lichaam bleef nog enorm bij een groot deel van de bevolking en nudisme werd door de Strijdersbond verke erd als één van de voornaamste morele bedreigingen, al bleef vervolging door de Belgische justitie zeer beperkt en bestraffing in het ergste geval slechts voorwaardelijk.51 Overigens was Francis Dessain niet betrokken bij de Mechelse Strijdersbond: hij was geen bestuurslid en trad niet op als spreker of militant op de bijeenkomsten
51 E. Peeters, De belo en van het lichaam. Lebensreform in België 1890-1940 (doctoraatsproefschri ) (KU Leuven, subfaculteit Geschiedenis, 2007), p. 311; Idem, ‘Authenticity and Asceticism’, p. 441-442.
en acties. Tegelijk lijkt de opkomst van het naturisme in dezelfde periode de ontwikkeling van de zedelijkheidsbonden te hebben aangevuurd.52
Zedenadel: de nationale ambities van de Strijdersbond (19331940)
Zeven jaar na de groepering en nieuwe start in Mechelen ondernam de Strijdersbond eenzelfde initiatief op Vlaams niveau. Uit aanverwante kringen, onder andere die van Gent, lokale afdelingen van het Davidsfonds en de devote Bonden van het Heilig Hart ontstond in april 1933 Zedenadel – Bond voor Openbare Zedelijkheid.53 Als patrones viel de keuze op Onze-Lieve-Vrouw, “het liefdelijkste beeld van zuiverheid”. Kardinaal Van Roey verspreidde via die landelijke bond gebeden voor meer zedelijkheid. Het opzeggen van zo›n gebed was meteen goed voor vij ig dagen aflaat. De Mechelse bond liet het eigen maandblad De Zedenwacht in mei 1933 omvormen tot het nationale driemaandelijkse tijdschri Zedenadel. 54
Voorzi er van de nationale bond de eerste jaren na de stichting was Philip Van Isacker, inmiddels minister. De echte leider was de Leuvense kanunnik en moraaltheoloog Arthur Janssen. Die stelde de heersende onzedelijkheid gelijk met “sexueel bolsjevisme”, een virus dat in alle Westerse landen heerste en de ziel en christelijke beschaving uiteen deed spa en “in een storm van losbandigheid en zinnelijke wellust”.55 Het programma lag in de lijn van deze bloemrijke taal.56 Met de jaarlijkse nationale congressen en studiedagen kreeg Zedenadel aandacht in de katholieke pers. De zetel van de landelijke bond werd in Borgerhout gevestigd. Mechelen bleef een belangrijke plaats voor ontmoeting en actie.
Zedenadel kon ook rekenen op de Offensie rigades. Deze lokale actie- en propagandacomités ontstonden in de beginjaren dertig in het Nederlandstalig gedeelte van het aartsbisdom Mechelen en in het bisdom Gent. In november 1933 werd de Offensie eweging de overkoepelende naam ervan. De voorman was Felix Morlion, een dominicaan uit Antwerpen die in heel Vlaanderen,
52 Francis Dessain (1875-1951) was geïnspireerd door de Engelse public school-traditie. Daarmee was hij vertrouwd geraakt toen hij tijdens de Eerste Wereldoorlog theologie studeerde in Oxford. Op zijn aansporing werd in 1908 voor het eerst de Kardinaalsbeker uitgereikt aan de winnaar van de voetbalcompetitie tussen de bisschoppelijke colleges van het aartsbisdom. Hij was speler en later voorzi er van FC Malinois en ondervoorzi er en voorzi er van de Belgische Voetbalbond. R. Renson, e.a., Voor lichaam en geest. Katholieke lichamelijke opvoeding en sport in de 19de en 20ste eeuw. Leuven, 1994, p. 106-108 & p. 119-120.
53 De nieuwe naam was dus ingegeven door een positieve ingesteldheid: van een strijd tegen onzedelijkheid werd het er een voor zedelijkheid. W. Arts, Historisch overzicht van de werking van Zedenadel-Levensadel (1933-1970). [Z.p.], 1970; Y. Peeters, Zedenadel in Vlaanderen (1933-1938). Katholieke moraalridders en de strijd om de morele herbewapening van de samenleving (onuitgeg. licentiaatsverhandeling) (KU Leuven 2002).
54 L. Schokkaert, ‘Zedenadel (1933-1962) (periodiek)’, Odis. 5 juli 2002: h p://www.odis.be/lnk/PB_10538 (bezocht op 5/11/2021).
55 A. Janssen, ‘Zedenadel’, Zedenadel, 1, 1933.
56 Het kernprogramma werd verwoord in de statuten: [Anoniem], ‘Onze standregelen’, Zedenadel, 1, 1933.
Affiche van de film
La kermesse héroique (Heldenkermis) in Nederland uit 1947. EYE Filmmuseum, Amsterdam.
van stad tot stad, een kruistocht tegen de zedenverwildering voerde. Zijn beweging kon rekenen op de steun van Geloofsverdediging, de in 1905 opgerichte dienst voor apologetiek van de dominicanen, die ook tal van religieuze publicaties verzorgde.57 Op het eerste Offensiefcongres van 12 november 1933 in Antwerpen was senator Alfons Verbist uit Mechelen een van de prominente sprekers. Samen met Morlion en Hein Hoeben van de Katholieke Persinternationale lanceerde Verbist toen voor het eerst het idee van een offensie eweging op ruime schaal.58 Een volgende stap was de uitgave van het tijdschri De Waarheid voor heel Vlaanderen vanaf 1935. Op 1 mei 1938 ging de vijfde nationale studiedag van Zedenadel in aanwezigheid van kardinaal Van Roey door in het Sint-Romboutscollege in Mechelen. Het werd een offensief tegen “het radicaal a reken van tradities”. De congresgangers benadrukten het verband tussen volksgezondheid, de sociale hygiëne en de openbare zedelijkheid.59
57 de Borchgrave, God of genot, p. 141.
58 Gazet van Antwerpen, 13 november 1933; Dhaene, ‘De offensie eweging’, p 232.
59 Gazet van Mechelen, 2 mei 1938.
De acties van Zedenadel klonken door tot in de Mechelse gemeenteraad. Vooral cinema Luxor van de socialistische coöperatie Vooruit werd geviseerd. De katholieken hadden een bestuursmeerderheid met de liberalen en legden een streng zedelijk regime op. Zo werd de film La kermesse héroique (Heldenkermis) verboden. Dat was een Frans-Duitse filmkomedie uit 1935 van de Belgische cineast Jacques Feyder, waarin getoond werd hoe de inwoonsters van Boom de gemeente en hun mannen tegen de Spaanse Furie hadden weten te beschermen door de vijandige soldaten “zeer vriendelijk” te ontvangen. De morele les was: “mannen zijn lafaards en de vrouwen manzieke wijven”. Tegen de film voerden Zedenadel en Katholieke Actie-organisaties he ig protest onder het mo o “Onze Vlaamse vrouwen zijn geen hoeren” en ze konden een verbod vanwege het stadsbestuur afdwingen.60
De Mechelse bond Zedenadel dwong in 1938 een verbod af op de vertoning van de kaskraker Lucrèzia Borgia in de socialistische cinema Luxor in de stad wegens zedenkwetsend. Dat verbod haalde het nationale nieuws en de linkse pers reageerde verbolgen op die – in haar ogen – overdreven preutsheid.
60 L. Nys, ‘De heldha ige kermis van Jeanne de Bruyn. Een katholieke Vlaamse filmcritica vóór en tijdens de Duitse beze ing’, Bijdragen tot de Eigentijdse Geschiedenis, 6, 1999, p. 71-75; B. Milhail, ‘La kermesse héroique, un hommage à Flandre? La polémique autour du film de Jacques Feyder en Belgique (janvier-mars 1936)’, Bijdragen tot de Eigentijdse Geschiedenis, 10, 2002, p. 43-77.
Nog meer ophef veroorzaakte de Franse prent Lucrèzia Borgia, een verfilming uit 1935 van een theaterstuk van Victor Hugo. Daarin wordt het woelige liefdesleven van deze dame uit de gekende Italiaanse familie Borgia tijdens de renaissance in beeld gebracht. De film was in heel Europa een kaskraker en het verhaal is ook nadien nog meermaals verfilmd. Hoofdrolspeelster Edwige Feuillère werd en wordt nog steeds geprezen om haar elegante vertolking, maar de Mechelse katholieken smaakten het niet.
Zedenadel zond een klachtenbrief en hetzelfde deden het bestuur van het Katholiek Vlaams Hoogstudentenverbond van Mechelen en een Mechelse dame in eigen naam. Daarop verbood het college van Burgemeester en Schepenen op 26 februari 1938, de dag na de première in Mechelen, prompt de vertoning in de socialistische cinema Luxor. In Lier was de film eveneens verboden, maar bijvoorbeeld niet in Brugge, waar de katholieken nochtans ook in de bestuursmeerderheid zaten, of in Antwerpen. Het verbod in Mechelen haalde het nationale nieuws en de linkse pers reageerde verbolgen op die overdreven preutsheid en de censuur.
De zaak leidde op de gemeenteraad van 18 maart 1938 tot een hoogoplopend debat. De socialistische oppositie voerde aan dat door zulke maatregelen de vrijheid volledig aan banden werd gelegd, waar met name liberale militanten hun ganse leven voor hebben gegeven. De liberalen lieten zich niet provoceren en hielden zich buiten de discussie. De socialisten wezen erop dat de prent al tweemaal in hun cinema zonder incidenten was vertoond en dat de cinemaexploitant aanzienlijke financiële schade leed. Het verbod was een blamage vanwege de “super-zedelijke” katholiek-liberale bestuursmeerderheid in Mechelen aan de Belgische Filmkeuringscommissie, waarin ook katholieken zetelden, want die had haar goedkeuring gegeven. De socialisten hadden geen eigen vereniging voor het bevorderen van de zedelijkheid. Ondanks zijn beperkte opleiding en opvoeding wist de arbeider zelf wel te kiezen en te doseren. Door te ijveren voor betere levensomstandigheden was ook de zedelijkheid onder de arbeiders erop vooruitgegaan, met name door ruimere huisvesting. Het monopolie op de zedelijkheid behoorde niet aan één partij. Burgemeester Dessain verwees naar het risico op wanordelijkheden dat in het politieverslag vermeld stond. Dat was voor de socialisten een drogreden, want recent waren manifestaties toegestaan met wél een hoog risico voor onrust, zoals een meeting met Rex-leider Léon Degrelle. Tenslo e waarschuwden de socialisten voor polarisatie, zoals in andere landen, en de escalatie in geweld. Voor de burgemeester was de vrijheid gewaarborgd aangezien vertoning in private kring mogelijk was.61 De socialisten omzeilden inderdaad het verbod door er een privévertoning voor hun partijleden van te maken.
61 Stadsarchief Mechelen, Beknopt Verslag der Vergaderingen van den Gemeenteraad, 18 maart 1938, p. 237-262.
Zedenadel in film en boek. Christelijke levensvoorwaarden bij de negers. Juli 1944. Affiche van de Bond van het Heilig Hart, die aansloot bij Zedeadel en in de strijd voor zedelijkheid ook aan de kolonie dacht. CEGES / CegeSoma – Centre d’études et de Documentation Guerre et Sociétés contemporaines.
‘Is de wereld van de lm dan zoo slecht?’
Retorische vraag van de Katholieke Filmliga. De lmleiding en lmrubrieken in de katholieke bladen moesten de juiste weg tonen. De Liga kon niet op tegen de toevloed van buitenlandse lms, die moreel grensverleggend waren, en besefte het belang van de lm als massamedium. Universiteitsbibliotheek Gent.
Een hoogdag voor de Mechelse afdeling van Zedenadel was het nationaal congres op 1 mei 1939 in de stad. Felix Morlion ging fel tekeer tegen de “heidense en lichtzinnige” tijdschri en en de “goddeloze” films. Hij verwees naar de leidraad die werd aangereikt door de Katholieke Filmliga en de Katholieke Perscentrale. Zoals gezegd, die konden niet op tegen de toevloed van buitenlandse films die artistiek en moreel grensverleggend waren.62
Epiloog: de naoorlogse erfenis
Na 1945 groeide de coördinatie tussen de bonden voor zedelijkheid, de matigheids- en de onthoudingsbonden. Er volgde een schaalvergroting door bundeling en fusie van de versnipperde lokale initiatieven. De nieuwe nationale koepels verstevigden hun internationale contacten met aanverwante organisaties en zo ontstond een internationaal netwerk. Aan het begin van de 21e eeuw waren actiegroepen, matigheids- en onthoudingsbonden van de bond Sobriëtas actief in meer dan vij ig landen.63
De bonden voor openbare zedelijkheid konden tot de Tweede Wereldoorlog een strikte controle blijven uitoefenen op de seksuele voorlichting in de katholieke milieus. Pas nadien kwam een gesystematiseerde voorlichtingslectuur op gang, gericht tot ouders of gehuwde koppels, maar nog steeds volgens de orthodoxe katholieke moraal. Net zoals opvoeders thuis, op school en in de jeugdbewegingen bleken voorlichtingsboekjes voor de gelovigen tot de jaren zeventig meer oog te hebben voor belerende morele boodschappen, in het bijzonder seksuele preventie of afremming, dan voor informatie over geslachtsdelen en de seksualiteitsbeleving.64
Tegelijk ontstond in de jaren zestig een tegenbeweging, die naam waardig. De grenzen van wat aanstootgevend is, werden aanzienlijk verlegd omdat de maatschappelijke normen drastisch evolueerden. Dat leidde tot een diepgaande mentaliteitsommekeer, terwijl ook het kerkelijk gezag de uitstraling van voorheen grotendeels verloor.
De zedelijkheidsbonden kregen het moeilijk om voldoende maatschappelijk draagvlak te behouden en hun boodschap geloofwaardig te houden. De Nationale Bond voor Openbare Zedelijkheid werd in 1962 omgevormd tot het Nationaal Verbond voor Openbare Moraliteit, met een nieuwe naam en vooral een minder belerende en opener benadering van de morele normering. Het tijdschri Zedenadel werd voortgezet onder de naam Levensadel. 65 Het fusioneerde met twee andere tijdschri en: Bonus Miles van Sobriëtas West-
62 Dhaene, ‘De offensie eweging’, p. 235-243; P. Van Damme, Propaganda in België 1934-1951. Leuven, 2018, p. 87.
63 B. Latré, Strijd & inkeer. De kerk- en maatschappijkritische beweging in Vlaanderen 1958-1990. Leuven, 2011.
64 K. Vancauwenberghe, Schaamrood. De ervaring van menstruatie bij katholieke Vlaamse vrouwen (1920-1960) (scriptie KU Leuven, 2007): h ps://www.scriptieprijs.be/scriptie/2007/schaamrood-de-ervaringvan-menstruatie-bij-katholieke-vlaamse-vrouwen-1920-1960 (bezocht op 5/11/2021).
65 L. Schokkaert, ‘Levensadel (Nationaal Verbond voor Openbare Moraliteit) (1962-1964) (periodiek)’, in: Odis. 5 juli 2002: h p://www.odis.be/lnk/PB_5894 (bezocht op 5/11/2021).
Vlaanderen en de Sint-Jansbode van de Federatie Sobriëtas.66 De samenbundeling leidde in 1966 tot De Weg. Driemaandelijks tijdschri voor morele vernieuwing. De kerkleiding worstelde met de kwestie van de seksualiteitsbeleving en slaagde er niet in realistische en volgbare richtlijnen met voldoende draagvlak onder de gelovigen uit te sturen. Nochtans bleek in mei 1968 uit een grootschalig opinieonderzoek bij katholieke verenigingen in het aartsbisdom Mechelen-Brussel dat veel volwassen gelovigen uitkeken naar een duidelijk standpunt van de kerk over het gebruik van voorbehoedsmiddelen. De kerkganger wist blijkbaar niet meer wat hij of zij moest geloven, wat mocht en niet mocht.67 De praktijk in veel gelovige gezinnen stond ondertussen mijlenver af van de strakke richtlijnen van Rome. Veel katholieken reageerden verrast en ontgoocheld toen de paus in de encycliek Humanae vitae in juli 1968 kunstmatige vormen van geboorteregeling kordaat afwees. De onmiddellijke nuancering door de Belgische bisschoppen was zelfs internationaal een belangrijk signaal, maar kon niet bele en dat veel katholieken braken met het kerkelijk gezag. De vervreemding was een feit.68
De bonden voor zedelijkheid en matigheid trach en stapvoets mee te evolueren, en tegelijk de morele grenzen te trekken en te bewaken. De Weg kreeg in januari 1981 de ondertitel tijdschri voor kultuur van de geestelijke gezondheid. De belerende, paternalistische zedenlessen evolueerden naar geestelijke gezondheidszorg door experten en de alcohol- en drugsproblematiek kreeg veruit de meeste aandacht.69 De Weg van de Federatie Sobriëtas verschijnt nu nog als zesmaandelijks digitaal tijdschri . 70 Het krijgt concurrentie van ideologisch meer neutrale vaktijdschri en en bladen voor hulpverleners, belanghebbenden en geïnteresseerden.71 De vzw Zedenadel, Nationale Bond voor Openbare Zedelijkheid, bestaat nog op papier, maar er is geen spoor meer van een actieve werking.72
Sinds de jaren zestig verloor de beweging snel aan draagvlak door de veranderende tijdsgeest en het streven van vooral jongeren om van onder het juk van de kerk vandaan te geraken. Wel zijn de geestelijken en actieve gelovigen
66 L. Schokkaert, ‘Bons Miles (1932-1965) (periodiek)’, in: Odis. 5 juli 2002: h p://www.odis.be/lnk/ PB_1769 (bezocht op 5/11/2021). J. Luyten, ‘ Federatie Sobriëtas (1928-)’, in: Odis. 18 oktober 2005: h p://www.odis.be/lnk/OR_14590 (bezocht op 5/11/2021). L. Schokkaert, ‘Sint-Jansbode (1933-1965) (periodiek)’, in: Odis. 5 juli 2002: h p://www.odis.be/lnk/PB_8675 (bezocht op 5/11/2021).
67 G. De Vriese en F. Van Laeken. Mei ’68. 31 dagen die ons leven veranderden? Antwerpen-Amsterdam, 2018, p. 235.
68 L. Kenis, ‘Kerk als minderheid in een pluralistische samenleving’, in: Het aartsbisdom Mechelen II, p. 298.
69 J. Casselman, Van jeneverellende tot Tournée Minérale. 150 jaar aanpak van alcoholproblemen in Vlaanderen (1868-2018). Oud-Turnhout-’s Hertogenbosch, 2019, p. 185-186.
70 Zie h ps://www.sobrietas.info (bezocht op 5/11/2021).
71 De spelling in de ondertitel werd in januari 1994 aangepast naar cultuur. L. Schokkaert, ‘De Weg (SAW) (1966-2002) (periodiek)’, in: Odis. 5 juli 2002: h p://www.odis.be/lnk/PB_10323 (bezocht op 5/11/2021).
72 Zie de Kruispuntbank voor Ondernemingen h ps://economie.fgov.be/nl/themas/ ondernemingen/kruispuntbank-van/diensten-voor-iedereen/kruispuntbank-van-0: Zedenadel (ondernemingsnummer 0411.052.841): h ps://kbopub.economie.fgov.be/kbopub/zoeknummerform. html?nummer=0411.052.841&actionLu=Zoek (bezocht op 5/11/2021).
erin geslaagd heel wat aspecten van het moderne leven in te kapselen in de katholieke zuil. Er zijn een netwerk van katholieke sport- en toneelkringen, tal van katholieke persorganen en katholieke bibliotheken in de parochies uitgebouwd. De pogingen om greep te krijgen op film en radio kenden veel minder succes. Bovendien, door zoveel mogelijk aspecten van het moderne leven te willen integreren, werden de secularisatiekiemen binnengehaald die in de maatschappij aanwezig waren. Dat was de prijs die de kerk onvermijdelijk moest betalen om zo lang mogelijk zo’n aanzienlijke greep volgens de eigen normen en waarden op de moderne maatschappij te behouden.
brecht demasure wetenschappelijk artikel
Vergane glorie?
De reconversie van de rurale wagenmaker in Vlaanderen (1920-1970)
Wat een garagist betekent voor de hedendaagse burger, dat was de wagenmaker voor onze voorouders. Een wagenmaker maakte en herstelde houten karren, wagens en onderdelen zoals wielen of asblokken. Hij vervaardigde ook voorwerpen voor dagelijks gebruik en op het platteland tevens landbouwwerktuigen. Tot ca. 1940 had elk dorp in Vlaanderen één of meerdere wagenmakerijen. De wagenmaker maakte naargelang de regio verschillende types van karren en wagens. Wat de wagenmaker echter van de overige houtbewerkers onderscheidde, was dat hij de kennis en kunde had om een wiel te vervaardigen. Het ambacht stierf in de jaren 1950 een stille dood. Tegenwoordig verdwijnt echter ook de collectieve herinnering aan de wagenmakersstiel.
In de niet-gemotoriseerde wagenbouw waren er twee groepen: de koetsenen rijtuigmakerij enerzijds en de wagenmakerij anderzijds. De rijtuigmakers hadden vooral rijke klanten voor wie ze stijlvolle en dure voertuigen maakten en herstelden. Meestal had een rijtuigmakerij meerdere mensen in dienst, terwijl een wagenmaker doorgaans zelfstandig werkte. Er waren zowel stedelijke wagenmakers als plattelandswagenmakers. Stedelijke wagenmakers maakten diverse handels- en dienstenvoertuigen zoals hondenkarren, steekkarren, havenwagens en vrachtwagens (‘camions’). Wagenmakers op het platteland waren gespecialiseerd in het maken en onderhouden van boerenkarren en -wagens en landbouwmateriaal.
In deze bijdrage focussen we hoofdzakelijk op de rurale wagenmakerij. We gaan na hoe een belangrijk plattelandsambacht op slechts enkele decennia tijd verloren is gegaan. Wat waren de oorzaken van het verval? Zijn alle sporen aan de wagenmakerijsector uitgewist? Was er sprake van reconversie?
Uiteindelijk blijft geen enkel beroep bestaan.1 In dat opzicht past deze bijdrage in de vernieuwde interesse voor techniek en ambachten: de wagenmaker als case van hoe ambachten evolueren en door-ontwikkelen.2 Ook de link met ‘vererfgoeding’ is niet veraf. Het ambacht van wagenmaker bestaat niet meer en heeft vandaag geen praktisch nut meer. In de publieke opinie is er evenwel
1 S. De Kegel, Zeg, ken jij de mosselman? Waarom geen enkel beroep blij bestaan. Antwerpen, 2015, p. 12.
2 Het uitlichten van een specifiek ambacht is niet nieuw. Zie bijvoorbeeld: P. Hesters, De klompenmakerij: sociale en economische geschiedenis van de klompenmakerij in het noorden van Oost-Vlaanderen. Lokeren, 1986.
E. Waelput, Eer het vat in duigen valt: basistechnieken van het ambachtelijk kuipen. Antwerpen, 2004.
P. Van der Hallen en H. Vandebroek, De smid als centrale figuur in de landelijke gemeenschap van de Kempen. Genk/Bokrijk, 2016.
een toenemende interesse voor het erfgoed van ambachten.3 Vandaar dat ambachtslui, waaronder de wagenmaker, in musea zoals het Karrenmuseum in Essen, het MOT in Grimbergen en het heemkundig museum De Botermolen in Keerbergen, op de voorgrond geplaatst zijn.
Na een korte stand van zaken wordt in de eerste twee delen van dit artikel de wagenmakerij algemeen voorgesteld. In deze verkenning komt een kwantitatieve benadering van het aantal wagenmakers aan bod. In het derde deel belichten we de situatie in de jaren 1920. Vooral naoorlogs herstel was aan de orde. In het vierde deel wordt de mechanisatie van het wagenmakersbedrijf dieper belicht. In deel vijf staat de grote omwenteling in de wagenmakerij centraal: de introductie van de rubberen luchtband en het metalen chassis. Dit gaat verder in deel zes met de definitieve neergang na de Tweede Wereldoorlog. In het laatste deel komen enkele cases van reconversie aan bod. Een conclusie rondt het geheel af.
Stand van zaken
Algemeen is er een gebrek aan kennis en onderzoek hoe wagenmakers de overgang van hout naar metaalwerk ondergingen. Sue-Yen Tjong Tjin Tai onderzocht dit transitieproces voor Nederlandse wagenmakerijen.4 Voor Vlaanderen en België zijn hierover weinig historische gegevens bekend. Deze bijdrage heeft dan ook de ambitie om de Vlaamse situatie in kaart te brengen, ondanks beperkter bronnenmateriaal.5 De meerwaarde van dit artikel ligt daarnaast in het feit dat er een aantal reconversiebedrijven zijn opgespoord die gegroeid zijn uit een wagenmakerij.
Het bestaande onderzoek over de geschiedenis van de wagenmakerij in Vlaanderen vertrekt vanuit de studies van Jan Theuwissen (1933-2017), onder meer directeur van de Kultuurraad voor Vlaanderen. Hij maakte in de jaren 1960 een doctoraatsonderzoek over de evolutie, vorm en uitzicht van (niet-gemotoriseerde) landbouwvoertuigen in de Kempen en Vlaanderen. Theuwissen zette hard in op mondelinge overlevering. Hij ging ter plaatse bij landbouwers en (voormalige) wagenmakers om hen te bevragen. Veel informatie synthetiseerde hij in Het landbouwvoertuig in de etnografie van de Kempen (1969).6 Musea met een belangrijke (deel)collectie landbouwvoertuigen verrichtten ook onderzoek naar het thema. Bij het Karrenmuseum in Essen bijvoorbeeld kreeg het wetenschappelijk onderzoek een stimulans toen het
3 Zie bijvoorbeeld het vulgariserende werk: J. Van Remoortere, In de tijd van Jan de Scharensliep en Smidje Smee. Oude ambachten in woord en beeld. Leuven, 2011.
4 S.-Y. Tjong Tjin Tai, ‘Building carriage, wagon and motor vehicle bodies in the Netherlands: the 1900-40 transition’, The Journal of Transport History, 36, 2015, p. 188-208.
5 In Nederland kunnen onderzoekers bijvoorbeeld beschikken over Het geïllustreerde vakblad voor zadelmakers, rijtuigfabrikanten, rijtuigschilders, wagenmakers, wagensmeden en koffermakers (1903), De Rijtuigbouw, geïllustreerd tijdschri voor den carrossier en rijtuigmaker (1909) en De Rijtuig- en Wagenbouw (1918-1940). In het land waren er ook verschillende uitgaven van de Rijksvoorlichtingsdienst ten behoeve van wagenmakers (vanaf de jaren 1920). In Vlaanderen/België waren dergelijke publicaties er niet.
6 J. Theuwissen, Het landbouwvoertuig in de etnografie van de Kempen. Antwerpen-Utrecht, 1969.
museum in 2005 het statuut van vzw aannam. In 2011 werd in samenwerking met diverse partners onderzoek gedaan naar de kleuren en de verf die op wagens en karren werden gebruikt. De daaropvolgende jaren stonden in het teken van inventarisatie en typologie op Vlaams niveau: bespannen landbouwvoertuigen (2013), historische handels- en dienstvoertuigen (2015) en historische rijtuigen (2017). In 2019 werd een traject inzake wagensmederij opgestart.7
Hetzelfde gold voor de Collectie Bulskampveld. In 1982 opende de Provincie West-Vlaanderen in het provinciaal domein Lippensgoed-Bulskampveld in Beernem een wagen-, karren- en ambachtenmuseum. Conservator Luc Devliegher publiceerde twee belangrijke werken waarin de wagenmaker en de wagenmakerij centraal stonden: Met kar en wagen (1983) en Landelijk en ambachtelijk leven (1992).8 In het kader van de bevoegdheidsoverdracht van het beleidsdomein Cultuur van de Provincie West-Vlaanderen naar de Vlaamse Overheid verhuisde de volledige collectie in 2015-2016 naar een afgesloten depotruimte. Sinds 1 januari 2018 beheert het Centrum Agrarische Geschiedenis uit Leuven op vraag van de Vlaamse overheid de collectie. In het kader hiervan en de ambitie om het vakmanschap van en de collectieve herinnering aan de wagenmaker uit de vergetelheid te halen, bracht CAG in de periode 2020-2021 het Vlaamse wagenmakerserfgoed (verder) in kaart.9 Dit materiële archief leerde dat er voorlopig nog veel bewaard is. Maar waakzaamheid is geboden. Veel waardevolle privéverzamelingen dreigen binnen de komende tien jaar op straat te staan. Bovendien zijn ze niet of weinig geregistreerd en is de herkomst grotendeels onbekend.
Hoewel het onderzoek naar de geschiedenis van ambachten en technieken de laatste decennia sterk toeneemt, is het onderzoek aan Belgische universiteiten en hogescholen inzake wagenmakerij nog eerder beperkt.10 Licentiaatsverhandelingen en masterscripties over het onderwerp zijn er nagenoeg niet. De studies van Delforge, Decock, Maes en Bogaert zijn eerder uitzonderingen en belichten een deelaspect.11 In het recente onderzoek van
7 ‘Het smeedtraject’: h ps://www.karrenmuseum.be/het-smeedtraject (bezocht op 19-11-2021).
8 L. Devliegher, Met kar en wagen. Brugge, 1983. L. Devliegher, Landelijk en ambachtelijk leven. Provinciaal Museum Bulskampveld Beernem. 3de druk, Brugge, 1998.
9 De voornaamste resultaten verschenen in: B. Demasure, Ambacht op wielen. Onderzoeksrapport Wagenmakerij in Vlaanderen (1850-1970). Leuven (Centrum Agrarische Geschiedenis), 2021. Voorliggend artikel is deels gebaseerd op enkele bevindingen uit het rapport. Zie online op www.wagenmakerij.be en www.collectiebulskampveld.be.
10 J. Januarius, ‘Word smid! Technische handboeken als bron voor historisch onderzoek naar het smeedambacht (1800-2000)’, Histories Magazine, 2, 2019, p. 20. In het driedelige overzichtswerk R. Halleux en J. Vandersmissen (red.), Geschiedenis van de techniek in België: De pre-industriële periode. Luik, 2015, komt wagenmakerij als vakmanschap niet aan bod. Bijdragen zijn er wel over ongemotoriseerde voertuigen (David) en bespanning van trekdieren (Rommelaere).
11 B. Delforge, Le vocabulaire du charron et du scieur de long à Eghezée. Etude dialectologique. Licentiaatsverhandeling, Département d’études romanes, U.C. Louvain-la-Neuve, 1970. L. De Cock, Le vocabulaire du charron dans la région de Soignies: étude dialectologique. Onuitgegeven licentiaatsverhandeling KU Leuven, 2 dln., Leuven, 1973. C. Maes, De wagenmakerij in het Maarkedal. Onuitgegeven studie, Onze-Lieve-Vrouwecollege Oudenaarde, 1973-1974. N. Bogaert, Familiegeschiedenis Bogaert - Koning Albertstraat 125, Veldegem. Oefening Nieuwste Tijden, Departement Geschiedenis, Universiteit Gent, 1998-1999.
Wout Vande Sompele (2020) over de geschiedenis van rurale ambachtslieden en dienstverleners in het polderdorpje Doel is er ook aandacht voor de wagenmaker. Vande Sompele verwerkte de boekhouding van een 18e-eeuwse wagenmaker uit Doel en kwam tot de conclusie dat er toen reeds prijsafspraken waren tussen verschillende vaklui uit de regio.12
Sporadisch vanaf de jaren 1960 en frequenter vanaf de jaren 1970-1980 schreven verschillende auteurs over wagens, karren en wagenmakers.13
In lokaal-historische en heemkundige tijdschri en verschenen de laatste decennia diverse bijdragen over de wagenmakerij. Sommige artikels bespreken de algemene inrichting van een wagenmakerij en gaan dieper in op het werkproces terwijl andere eerder de sociaal-culturele geschiedenis van een specifieke wagenmakerij brengen. Ook vanuit een genealogische invalshoek is er interesse voor wagenmakers.
In de buurlanden van België was er al vroeger aandacht voor de wagenmakerij. De eerste publicaties over het thema verschenen in Nederland, Duitsland en Frankrijk al in de jaren 1920.14 Relevant is het onderzoek van Wouter Renaud, oud-conservator van het Nederlands Openluchtmuseum in Arnhem. In 2008 publiceerde hij de vuistdikke inventaris Wagens en karren die een uitgebreide typologie biedt van de voertuigen op het Nederlandse pla eland.15 De wagenmakerijsector wordt uitgebreid belicht. Ook de Vlaamse situatie komt af en toe aan bod. Vrij recent tot slot verscheen een artikel van de al geciteerde Sue-Yen Tjong Tjin Tai over de transitie in de rijtuig- en wagenbouw in Nederland in de jaren 1900-1940.16
Voor de studie van ambachten en techniekgeschiedenis zijn verschillende gedrukte en geschreven bronnen beschikbaar.17 Specifiek voor deze bijdrage maakten we naast literatuur gebruik van statistieken (industrietellingen) en het archief van Jan Theuwissen dat vragenlijsten in kader van zijn
12 W. Vande Sompele, ‘Wielen van goud? Dorpsambachten en dienstverleners in een commerciële landbouwzone, een detailstudie van een ach iende-eeuwse wagenmaker in Doel’, Handelingen Koninklijke Zuid-Nederlandse Maatschappij voor Taal- en Le erkunde en Geschiedenis, 73, 2021, [nog te verschijnen].
13 Bijvoorbeeld: L. Schepens, ‘Over wagens, karren en wagenmakers’, Appeltjes van het Meetjesland, 13, 1962, p. 230-241. A. Bonnez, ‘De boerenwagen van het Veurnse Houtland’, in: Album Antoon Viaene, Brugge, 1970, p. 73-83. M. Cafmeyer, ‘Karren en wagens. Wat oude boeren vertellen’, Biekorf, 65, 1964, p. 268-278. E. Eylenbosch en E. Goossens, ‘De wagenmaker in het Nederlandse taalgebied’, Taal en Tongval, 19, 1967, p. 95-120. G. Dumon, ‘Het beleggen van houten wielen met ijzeren beslag’, Het Brugs Ommeland, 13:3, 1973, p. 83-85. Een volledig overzicht is in Demasure, Ambacht op wielen, p. 97-106 terug te vinden.
14 Theuwissen, Het landbouwvoertuig, p. 13. Bijvoorbeeld: T.C. Oudemans, Die Holländischen Ackerwagen. s.l., 1926. J. Balkenholl, Deutsche Ackerwagen. s.l., 1929. H. Braber, Achter de kromme dissel: bijdragen over boerenwagens en andere voertuigen. Amsterdam, 1948.
15 W.F. Renaud, Wagens & karren. Diversiteit van voertuigen op het pla eland en de collectie van het Nederlands Openluchtmuseum. Zutphen, 2008.
16 Tjong Tjin Tai, ‘Building carriage, wagon and motor vehicle bodies’, p. 188-208.
17 Zo zijn er onder meer dossiers van gevaarlijke, hinderlijke en ongezonde inrichtingen, patentbelastingen, grondbelastingen, notariaatsarchief, adresboeken en technische handboeken. Zie ook: Januarius, ‘Word smid!’, p. 14. Een overzicht specifiek voor wagenmakerij is terug te vinden in Demasure, Ambacht op wielen, p. 6-14.
doctoraatsonderzoek en verschillende rekening- en klantenboeken van Vlaamse wagenmakers bevat.18 Interessant waren tevens de interviews met nazaten van wagenmakers, hun privé-archief en persoonlijke contacten.19 Toch zijn er ook tekortkomingen. In dit artikel komen verschillende bedrijven aan bod die erin slaagden succesvol naar een andere sector om te schakelen. Door het beperkte kader van dit onderzoek was het niet mogelijk om hun (eventuele) bedrijfsarchieven te raadplegen.
1. De 19e-eeuwse wagenmaker: een verkenning
Wagenmaker was een beroep dat doorgaans van vader op zoon overging. Het ambacht bleef soms generaties lang in dezelfde familie. Op school kon je immers geen wagenmaker worden. De praktijk bleek de beste leerschool. De opleiding star e meestal op 14-jarige lee ijd. Een wagenmakersopleiding duurde zes tot tien jaar al naargelang de handigheid en het inzicht van de leerling.20 Die lange tijd was vooral nodig voor het leren maken van een houten wiel, want dat was echt specialistenwerk. De leerjongen kreeg aanvankelijk kleine opdrachten. Na een zekere tijd kreeg hij meer verantwoordelijkheden en mocht hij het snijmes hanteren voor de bewerking van spaken en stelen van gereedschap.21 Verder leerde hij een boor te hanteren, welke beitel of zaag voor welke handeling geschikt was en vooral welke houtsoort voor welk onderdeel nodig was.
De grootste moeilijkheid voor wagenmakers was om eigen cliënteel en voldoende startkapitaal te vinden. De werkplaats van de wagenmaker lag aan een goed gelegen invalsweg van het dorp.22 Bij de start had hij een beperkte houtvoorraad en weinig gereedschap en mallen (houtsjablonen). Daarom werkten beginnende zelfstandige wagenmakers dikwijls een halve dag bij hun leermeester en een halve dag voor eigen rekening. De boerenwagen was voor menig wagenmaker op het pla eland een echt pronkstuk waarmee hij zijn vakmanschap etaleerde. De aankoop van zo’n wagen was voor een boer echter een zware investering. Doordat ze vaak generaties lang dienstdeden, vervaardigde een wagenmaker in zijn hele carrière slechts een beperkt aantal wagens. Het grootste deel van zijn inkomsten haalde hij uit herstellingen en de
18 Nijverheids- en industrietellingen van het Nationaal Instituut voor de Statistiek. Brussel, 1846-1970. Het archief van Jan Theuwissen wordt bewaard in het Meertens Instituut in Amsterdam. Zie: ‘86 Collectie Jan Theuwissen, 1964-1989’: h ps://www.meertens.knaw.nl/archieven/index. php?action=expand&querystring_b64=b2Zmc2V0PTIwMA==&id=276 (bezocht op 19-11-2021).
19 Interview Luc Devliegher (1927), eerste conservator Provinciaal Museum Bulskampveld, 21 juni 2018; interview Jef Bogaert (1953), kleinzoon van wagenmaker Henri Bogaert en woonachtig in de oude wagenmakerij in Veldegem, 5 augustus 2019; interview Rosa Bogaert (1932), dochter van wagenmaker Alfons Bogaert in Waardamme, 18 oktober 2019; interview Willy Loenders (1934), zoon van wagenmaker Jan Loenders uit Eksel, 28 oktober 2020.
20 Interview Rosa Bogaert, 18 oktober 2019, 17:04-20:35.
21 Theuwissen, Het landbouwvoertuig, p. 256.
22 Wagenmaker Prudent Pues bijvoorbeeld, a omstig uit het Vlaams-Brabantse Winksele-Delle, zocht – om zijn ouders niet te beconcurreren – expliciet een geschikte plaats langs een drukke baan. Zie: Reclameblad De Week (Mortsel), 5 augustus 1961, p. 2.
Demonstratie maken van een wiel door wagenmaker Huys uit Oedelem, jaren 1980.
productie van kleinere karren en kruiwagens.23 Voor de vele landarbeiders was de kruiwagen een enorm nu ig voertuig. Niet alle wagenmakers slaagden erin om voltijds van hun beroep te leven. Zo was er aan veel wagenmakerijen een herberg of een winkeltje verbonden.24 Ook van algemeen schrijnwerk was een beetje wagenmaker niet vies.
In een agrarische dorpsgemeenschap waar tot de 19e eeuw de meerderheid van de bevolking – voltijds of gedeeltelijk – leefde van de landbouw waren smid, molenaar en wagenmaker centrale figuren. De smid voorzag de paarden van hoefijzers, vervaardigde en herstelde landbouwwerktuigen en maakte andere gebruiksvoorwerpen. Samen met de smid was de wagenmaker één van de belangrijkste vaklui in het dorp.25 Vaak woonden en werkten ze op wandelafstand van elkaar. Voor het maken van wielen was een optimale samenwerking tussen beiden nodig.
23 ‘Vergelijking nieuwbouw en reparatie wagenmaker Van den Broeck uit Sint-Pauwels, 1888-1924’, Archief Jan Theuwissen, Meertens Instituut Amsterdam.
24 Interview Rosa Bogaert, 18 oktober 2019, 27:45-34:18. De uitbating van het café werd gecombineerd met naaiwerk en het verstellen van kledij. W. Loenders, ‘Jan Loenders, “de radmaker”’, Lei en Griffel. Maandelijks tijdschri van de Heemkundige kring Hechtel Eksel, 10:2, 2002, p. 53. Interview Willy Loenders, 28 oktober 2020, 17:52-24:55. Ook elders in Limburg waren er dergelijke winkeltjes.
25 Theuwissen, Het landbouwvoertuig, p. 252.
2. Evolutie van het aantal wagenmakers (1850-1970)
De evolutie van het aantal wagenmakers in Vlaanderen en België is het eenvoudigst te volgen aan de hand van de nijverheids- en industrietellingen die de Belgische overheid vanaf 1846 systematisch organiseerde. De neergang van de sector kan zo worden vastgesteld. De industrietellingen zijn nagenoeg de enige continue reeks van bronnen waar informatie op het niveau van de verschillende industrietakken en op gemeentelijk vlak terug te vinden is.26
Omdat niet elke telling even gedetailleerd of volgens dezelfde methode is opgesteld, verdienen de cijfers de nodige bronkritiek. Ze geven desalnie emin een interessante indicatie van de werkgelegenheid in de wagenmakerijen (wat overigens niet hetzelfde is als het aantal wagenmakers).
Jaar België Vlaanderen
1846 6480 3906
1896 7684 4387
1910 7740 4620
1930 4249 -
Opmerking
1937 1830 (4262) Cijfer van Vlaanderen slaat op wagenmakerij + rijtuigmakerij; cijfer van België enkel op wagenmakerij
1947 2591 (1687) Idem
1961 336 - Cijfer slaat op wagen- en koetswerkmakerij
1970 (50) - Onderdeel van de groep ‘overige nijverheid’ (geen exact cijfer bekend)
Werkgelegenheid in de wagenmakerijen in Vlaanderen en België volgens de nijverheids- en industrietellingen van het Nationaal Instituut voor de Statistiek, 1846-1970. (Brabant is bij Vlaanderen gerekend.) Bron: Industrietellingen, verwerkt door CAG
Het is niet eenvoudig om de cijfers van ‘Vlaanderen’ te onderscheiden van de Belgische cijfers. Daarom worden ze hier samen behandeld. Volgens de industrietelling van 1846 waren er in België 3878 fabrikanten en 2602 arbeiders in de wagenmakerij tewerkgesteld. Geen enkele wagenmakerij was al voorzien van een stoommachine. Een halve eeuw later, in 1896, is een soortgelijk beeld te zien. Er waren toen 4902 getelde wagenmakerijen waar 4921 patroons-wagenmakers (betiteld als ‘niet-arbeiders’) en 2763 arbeiders werkten. Het aandeel vrouwen was verwaarloosbaar. De energievoorziening bleef aan de schaarse kant: in 1896 telde België slechts 58 pk stoomkracht in de wagenmakerij, wat overeenkomt met naar scha ing een twintigtal bedrijven.27
In 1896 maakte de industrietelling voor de eerste keer een onderscheid met
26 Zie onder meer: B. Demasure, ‘Statistieken in lokaal historisch onderzoek. De meubelnijverheid in Izegem’. Bladwijzer. Wegwijs met Heemkunde Vlaanderen, 10, 2014, p. 1-10.
27 Ter vergelijking: in de ganse hout- en meubelnijverheid was er dat op dat moment 7796,75 pk beschikbaar. Het aandeel wagenmakerij was m.a.w. niet eens goed voor 1%. In de lokale smederijen was het niet beter gesteld: daar telde België 97,25 pk stoomkracht.
de rijtuig- en koetsenbouw: die deelsector stelde toen 1762 mensen te werk, verspreid over 245 bedrijven.
In 1910 waren er ongeveer evenveel mensen aan de slag in de wagenmakerij als in 1896. Er waren toen in België 4581 wagenmakerijen waar 4542 patroons, 1923 familieleden, 4 bedienden en 1271 arbeiders werkten. De extern aangedreven drij racht nam wel toe: in alle wagenmakerijen samen stonden 339 motoren goed voor 1313,75 pk.28 De rijtuig- en koetsenbouw groeide stevig in deze periode. In 1910 werkten in 329 bedrijven bijna dubbel zoveel personen als in 1896. In 1930 is de impact van de Eerste Wereldoorlog én de economische crisis van 1929 goed te merken voor de wagenmakerij. De werkgelegenheid was teruggevallen tot bijna de hel van 1910.29
Wagenmakerij en rijtuig- en koetsenmakerij worden samengeteld in de industrietelling van 1937. Enkel op nationaal vlak zijn de cijfers nog voldoende uitgesplitst. In 1937 waren er 1369 wagenmakerijen zonder bezoldigd personeel (= zelfstandige ambachtslui) en 165 met bezoldigd personeel, waar er 461 personen werkten. De rijtuig- en koetsenmakerij telde in 1937 zo’n 1196 inrichtingen zonder personeel en 146 met personeel, waar er 1429 vaklui aan de slag waren. Deze aantallen geven aan dat de rijtuig- en koetsenmakerij vanaf de tweede hel van de jaren 1930 qua tewerkstelling belangrijker werd dan de wagenmakerij. Bij de volgende telling, in 1947, is wagenmakerij opgenomen in het grotere geheel van gewelfd hout, wagen- en koetsmakerij, scheepstimmerwerven en fabricage van luchtvaartuigen. Gegevens voor de wagenmakerij alleen zijn er op nationaal niveau: in 1947 waren er 1705 zelfstandige ambachtslui en 211 bedrijven met bezoldigd personeel (886 personen, hoofdzakelijk arbeiders).
Voor 1961 zijn er enkel gegevens voor het nationale niveau beschikbaar. De wagenmakerij is volledig opgenomen bij de fabricatie van gewelfd hout, wagen- en koetswerkmakerij, scheepstimmerwerken en andere productie. Op dat moment waren er 312 productie-eenheden wagenmakerij, waarvan 32 met bezoldigd personeel en 19 met (onbezoldigde) leerjongens. Wat betrof werkgelegenheid waren er 261 zelfstandige ambachtslui, 53 bezoldigd tewerkgesteld personeel en 21 onbezoldigd tewerkgesteld personeel (leerjongens). Begin jaren 1960 waren er met andere woorden nog zo’n 300 tot 400 personen professioneel betrokken bij de wagenmakerij. De handelsen nijverheidstelling van 1970 maakt geen melding meer van wagen- en/of rijtuigmakers. Wellicht waren er wel nog enkele en werden ze opgenomen bij de groep ‘overige nijverheid’. Uit de beschikbare literatuur en andere bronnen wordt het aantal wagenmakers in 1970 op zo’n 50 geraamd. Samenva end stellen we dat de werkgelegenheid in de wagenmakerijsector een eenvoudig verloop kende. Het hoogtepunt lag duidelijk op het einde van de 19e eeuw en aan het begin van de 20e eeuw. De Eerste Wereldoorlog en vervolgens de economische crisis van de jaren 1930 lieten duidelijk hun
28 We gaan ervan uit dat één motor wellicht gelijkstond aan één werkplaats, m.a.w. in 1910 waren er 339 wagenmakerijen met een stoommachine. In de volledige hout- en meubelsector was er op dat moment trouwens 27.810,85 pk aanwezig. Het aandeel wagenmakerij steeg tot bijna 5%.
29 In de 2916 bedrijven werkten nog 2801 patroons, 697 familieleden, 11 bedienden en 740 arbeiders.
sporen na. De werkgelegenheid viel in die periode sterk terug. Dat was niet noodzakelijk dramatisch: verschillende houtverwerkende bedrijven produceerden in de periode 1910-1920 méér met minder mensen.30 De heropleving aan het einde van de jaren 1930 en in de jaren 1940 was kortstondig. Na de Tweede Wereldoorlog namen de werkgelegenheid in de sector en het aantal zelfstandige wagenmakers versneld af. In 1970 was er bijna geen enkele wagenmaker meer. Uit de cijfers is de verschuiving van de wagenmakerij naar rijtuigbouw duidelijk te zien.
3. Moeizaam herstel in de jaren 1920
Net zoals in veel andere sectoren kreeg de wagenmakerij zware klappen tijdens de Eerste Wereldoorlog in België. Transport was voor de Duitsers essentieel en dus werden er bij veel wagenmakers allerhande materiaal, reserve-onderdelen en nog niet volledig afgewerkte wagens en karren opgeëist. Niet alleen de passage en het verblijf van de Duitse soldaten was lastig voor de wagenmakers. Doordat landbouwers in crisistijd minder geneigd waren om te investeren in een nieuwe wagen of kar, vielen ook de bestellingen ferm terug.31 Dit werd dan wel gecompenseerd na de Eerste Wereldoorlog wanneer landbouwers –waarvan sommigen goed hadden verdiend – massaal orders plaatsten voor wagens, karren en ander landbouwgerief. Het door de Duitsers opgeëiste en vernielde materiaal moest immers worden vervangen.
De jaren 1920 kondigden zich aan als een periode vol kansen en vooruitgang. Niets was echter minder waar. Oude wagenmakers gaven er snel de brui aan. Sommige compleet vernielde wagenmakerijen werden niet opnieuw ingericht. Verwoeste wagenmakerijen die wel werden heropgebouwd of opnieuw uitgebaat, werden meestal voorzien van het meest moderne materiaal. De vooruitgang in de transportsector – het toenemende gebruik van een ijzeren onderstel en rubberen luchtbanden – betekende evenwel het begin van het einde voor de klassieke wagenmakerij.
Tijdens het interbellum was er algemeen meer aandacht voor een goede opleiding van vaklui. Er zijn echter geen aanwijzingen dat het vroege initiatief (1850) van de wagenmakersopleiding van Haine-Saint-Pierre (La Louvière) verder navolging kreeg.32 Een artikeltje uit Het Vlaamsche Nieuws van 18 september 1916 berich e eenmalig over de inrichting van “een school voor het aanleren en het volmaken van de kennis der werklieden van de wagenmakersen rijtuigmakerstiel.”33 In Nederland werd daarentegen in 1920 een
30 B. Demasure, Rapport Sociaal-economische streekstudie Midden- en Zuid-West-Vlaanderen (1840-1970). Leuven (Centrum Agrarische Geschiedenis), 2011, p. 90-91. Online raadpleegbaar via: h ps://cagnet. be/files/original/52489/2011-Sociaal-economische_streekstudie_Midden_en_Zuidwest_Vlaanderen. pdf. (bezocht op 17-5-2022)
31 B. Demasure, Boter bij de Vis. Landbouw en voeding tijdens de Eerste Wereldoorlog. Leuven, 2014, p. 150.
32 ‘Inrichting van een wagenmakers- en smedenopleiding verbonden aan de Ecole d’apprentissage pour la fabrication des instruments aratoires in Haine-Saint-Pierre (La Louvière)’, Belgisch Staatsblad –Moniteur belge, 17 november 1850, p. 3032.
33 Het Vlaamsche Nieuws, 18 september 1916.
Rijksvoorlichtingsdienst opgericht ten behoeve van rijtuig- en wagenmakers.34 De voorlichting verliep via lezingen en via bezoeken aan werkplaatsen. De dienst promoo e he ig de omschakeling naar autocarrosseriebouw. Het is onduidelijk of België ook zo vooruitstrevend was. Zelfstandige ondernemers zijn immers gebaat bij externe partijen die helpen met innovatie omdat tijd, middelen en kennis bij hen beperkter zijn dan bij grotere bedrijven.35
Rond de eeuwwisseling was er een wagenmaker actief om de twee à drie dorpen. Om zich te wapenen tegen onderlinge concurrentie, het dreigende grondstoffentekort, een halt toe te roepen aan de steeds lagere verdiensten, het bevorderen van de vakkennis en om het beroep te beschermen, verenigden wagenmakers zich in specifieke bonden. De meeste van dergelijke wagenmakersbonden werden tijdens en na de Eerste Wereldoorlog opgericht.36 In onderlinge overeenkomst bepaalden de leden zelf de prijzen voor hun werkstukken en prestaties. De oprichting van dergelijke wagenmakersbonden sloot aan bij een algemene tendens: het ontstaan van de eerste vakbewegingen in België. Uit het schaars bewaarde bronnenmateriaal van de wagenmakersbonden kan echter niet afgeleid worden dat ze vernieuwing en reconversie hevig promoo en.
4. Mechanisatie in het wagenmakersbedrijf
Tot aan het begin van de 20e eeuw werden nagenoeg alle onderdelen door de wagenmaker met handwerktuigen vervaardigd. Vele wagenmakers gebruikten een met de hand of met de voet aangedreven draaibank. Vanaf de jaren 1890 waren er in de wagenmakerijen gas- en petroleummotoren in gebruik. De mechanisatie van het wagenmakersbedrijf kwam echter in een stroomversnelling door de elektrificatie van België tijdens, maar vooral na, de Eerste Wereldoorlog. Door de toepassing van een elektromotor kwam een vrij goedkope en gemakkelijk te bedienen krachtbron ter beschikking. Meer verstedelijkte gebieden maakten sneller kennis met de nieuwe techniek dan het pla eland. Ook de individuele keuze van de wagenmaker bepaalde wanneer en hoe elektriciteit zijn werkplaats binnenkwam.37
Na zaagmachines deden ook vlakschaafmachines – voor het schaven van werkstukken – en langgatboormachines – voor het horizontaal boren van velggaten – hun intrede in de werkplaatsen tijdens het eerste kwart van de 20e eeuw. Voor het slijpen van zijn materiaal deed de wagenmaker beroep op elektrisch aangedreven slijpstenen. Ook het maken van wielen werd stilaan meer gemechaniseerd. Vooral de tijdswinst was navenant. Het maken van een boerenwagen met de hand duurde ongeveer vier tot zes weken, en dan moest de wagenmaker goed doorwerken.38 Met behulp van machines was dat amper
34 Renaud, Wagens & karren, p. 63.
35 Tjong Tjin Tai, ‘Building carriage, wagon and motor vehicle bodies’, p. 189.
36 Schepens, ‘Over wagens, karren en wagenmakers’, p. 238-241.
37 Interview Rosa Bogaert, 18 oktober 2019, 26:20-27:45.
38 G. Truyers, ‘Aan doodskisten was het meeste verdiend’, Het Belang van Limburg, 20 november 1993, p. 18.
twee weken. Mechanisatie was dus nodig om winstgevend en concurrentieel te blijven.
Op het pla eland verliep het mechanisatieproces trager. Hoewel het zware zaag- en schaafwerk terugviel, was er veel handwerk over. Over het algemeen genomen bleef het manueel maken van een wiel de regel tot (lang) na de Eerste Wereldoorlog. Wegens gebrek aan kapitaal investeerden veel wagenmakers niet in gespecialiseerde houtbewerkingsmachines. Wagenmaker Bogaert (1894-1984) uit Waardamme bijvoorbeeld – actief in de jaren 1920-1940 – hield stand met een beperkt gamma aan machines. Hij had een schaa ank, een boormachine, een vlakschaafmachine en een draaibank met verschillende toepassingen. De motoren hingen aan de muren en het aanpalende huis daverde telkens hij ermee werkte.39 Bogaert beschikte wel over een uitgebreid gamma handwerktuigen. Hij bleef echter op de hoogte van de nieuwste technieken. Elk jaar ging hij naar de jaarbeurs in Brussel om de nieuwste machines te bekijken.
De firma Jonckheere uit Beveren-Roeselare is een voorbeeld van een bedrijf dat al na de Eerste Wereldoorlog een nieuwe koers insloeg. In 1881 rich e Henri Jonckheere (1851-1910) in Beveren een werkplaats op voor het vervaardigen van wagens en koetsen.40 De houten voertuigen werden naargelang de wensen van de klant afgewerkt. De focus verschoof al snel naar rijtuigen. Na de Eerste Wereldoorlog – waarbij de werkplaats volledig vernield werd –star e Jonckheere met carrosseriebouw van auto’s en de eerste autobussen.
39 Interview Rosa Bogaert, 18 oktober 2019, 26:20-27:45 en 1:15:20-1:18:55.
40 Stadsarchief Roeselare, Busje komt zo. Jonckheere, van koetsenbouwer langs auto tot busconstructeur. Onuitgegeven scriptie, Roeselare, s.d.
De carrosserie was in hout waarop metalen platen werden gemonteerd. Onder druk van buitenlandse concurrentie besliste Joseph Jonckheere (1898-1964) om volledig over te schakelen naar carrosserieën voor autobussen. In dit nichesegment werd het bedrijf marktleider in België. In de jaren 1950 werd volledig geswitcht naar metaalconstructie om aan de snelle evolutie in de autobussector te voldoen. Henri Jonckheere (1926-2005) bouwde het bedrijf verder uit. In de jaren 1990 werd het bedrijf verkocht aan een Nederlandse autobussenproducent. Onder de naam VDL Bus Roeselare worden op de site in Beveren-Roeselare nog steeds hoogwaardige bussen en autocars gemaakt.
5.
Omwenteling in de jaren 1930
De wagenmakerijen kregen zware klappen tijdens de Grote Depressie die voortvloeide uit de beurscrash van 1929. De nieuwbouw van wagens en karren liep sterk terug en omdat er niet genoeg reparatiewerk was, moesten wagenmakers uitkijken naar aanvullende inkomsten. Sommigen werden fietsenmaker of star en met een winkel. Anderen evolueerden tot timmerman en schrijnwerker. Nog een andere groep van wagenmakers zocht het verderop en ging als seizoenarbeider in de bietenteelt in Noord-Frankrijk werken.41
Anderen trokken dan weer naar de suikerfabrieken in Noord-Frankrijk en Wallonië.
Op het pla eland gaf de crisis aanleiding voor landbouwers om verdere arbeidsbesparende initiatieven te nemen. Zo drongen ze bij wagenmakers erop aan om het laadvermogen van de boerenwagens te vergroten door het plaatsen van lage, rechthoekige laadbakken op het houten onderstel. In deze periode werden eveneens voor het eerst rubberen luchtbanden onder boerenwagens gezet om de trekkracht van de paarden gunstiger te gebruiken. Snel volgden hybride modellen gebouwd op een metalen onderstel. Zo ontstonden de zogenaamde autowagens. In 1933 verscheen de eerste op de Nederlandse velden; in België was dat rond dezelfde periode. De voordelen lagen vooral op het vlak van efficiëntie. Historicus Renaud beweerde hierover zelfs het volgende: “Door twee paarden kon een luchtbandwagen worden getrokken geladen met 3500-4000 kg suikerbieten tegen een traditionele boerenwagen met 2000-2500 kg suikerbieten.”42
In vaktijdschri en verschenen in toenemende mate artikelen en beschrijvingen van landbouwvoertuigen met luchtbanden, waarbij ook de voor- en nadelen van luchtbanden aan bod kwamen.43 Voordelen uit de praktijk waren een geringere indrukking van de bodem, de mogelijkheid om het laadvolume te vergroten en een efficiënter gebruik van de paardentrekkracht. De zachte boswegen en weilanden werden veel minder vernield door diepe sporen van de wielen. De wielen met luchtbanden waren bovendien voorzien van rollagers waardoor de wagen licht liep ondanks de zware belasting. Een rubberen luchtband woog bovendien minder dan een houten wiel met ijzeren
41 Maes, De wagenmakerij in het Maarkedal, p. 47-48.
42 Renaud, Wagens & karren, p. 66.
43 Renaud, Wagens & karren, p. 67.
beslag. Een nadeel was dat het voertuig niet meer kon bewegen bij een pla e band.
Naarmate bij de bouw van (landbouw)voertuigen meer ijzer en luchtbandenwielen werden gebruikt, kromp het aandeel van de wagenmaker als houtbewerker.44 Als gevolg van de voortschrijdende mechanisatie in de landbouw was ook ander traditioneel boerenwerk minder voor de wagenmaker weggelegd. Voor het onderhoud en de herstelling van de overwegend metalen landbouwwerktuigen ging de landbouwer immers naar de smid.
Stedelijke wagenmakers verlegden hun focus vanaf de tweede hel van de jaren 1930 naar de bouw van vrachtauto’s, laadbakken en cabines.45 De houten onderdelen werden in toenemende mate vervangen door metalen exemplaren. De groei van het vrachtverkeer veroorzaakte een stijgende vraag naar kleine vrachtauto’s. Pla elandswagenmakers kwamen steeds meer voor een dilemma te staan: volledig omschakelen naar carrosseriebouw of overstappen op timmerwerk. Sommigen gaven er volledig de brui aan. Een beperkt aantal kon het voortbestaan van hun bedrijf nog rekken dankzij herstellingswerk aan houten wielen en laadbakken of nieuwbouw van houten kruiwagens. Sowieso was de switch van houtbewerking naar metaalbewerking voor veel wagenmakers niet evident, zoals ook Tjong Tjin Tai opmerkte in Nederland.46
Wagenmaker Odiel De Keyser (1896-1983) uit Nieuwpoort schakelde bijvoorbeeld meer en meer over naar carrosseriewerk tijdens de tweede hel van de jaren 1930.47 Op een chassis plaatste hij een zelf vervaardigde stuurcabine. Voor een forfaitaire som van 3.750 frank bouwde hij in opdracht een autobus voor het vervoer van boerinnen naar de wekelijkse markten. Naast de cabine maakte hij de zitbanken, plaatste hij de ruiten en emailleerde en schilderde hij het ganse voertuig. Wegens gebrek aan ervaring stak hij 90 frank toe aan de hele operatie.
Kortom, het toenemend gebruik van rubberen luchtbanden, de toepassing van de metalen carrosserie en naderhand de verspreiding van de verbrandingsmotor zorgden voor de definitieve neergang van de traditionele wagenmakerij. “Vroeger maakte men de vitale delen uit hout en voegde men het ijzer eraan toe; nu zal het omgekeerde gebeuren…”, zal menig wagenmaker allicht gedacht hebben.48 De omwenteling was definitief toen er vanaf de jaren 1950 een verbod kwam om op de openbare weg te rijden met wielen met ijzeren beslag.49 Voor de resterende wagenmakerijen betekende dit de genadeslag. Gespecialiseerde garages met eigen technieken en een aangepaste inrichting namen het werk over.
44 Theuwissen, Het landbouwvoertuig, p. 245.
45 De Ruyver, ‘Wagenmaker, een uitgestorven beroep’, p. 20. Renaud, Wagens & karren, p. 67.
46 Tjong Tjin Tai, ‘Building carriage, wagon and motor vehicle bodies’, p. 189.
47 J. Beun, ‘Odiel De Keyser: de laatste wagenmaker van Nieuwpoort’, Bachten de Kupe, 35:1, 1993, p. 20-22.
48 De Ceuninck, ‘Het agrarisch museum in Donk’, p. 218.
49 J. Bogaert, ‘De wagenmakerij Bogaert te Veldegem’, Zilleghem: handelingen van de kring voor heemkunde en geschiedenis ‘Pastoor Ronse’, 38:4, 2017, p. 156.
6. Neergang na de Tweede Wereldoorlog
De Tweede Wereldoorlog veroorzaakte een tijdelijke stagnatie in de neergang van de wagenmakerijsector. Brandstof en rubberen luchtbanden waren plots een schaars goed. Door materiaalgebrek kwam de carrosseriebouw voor commerciële doeleinden tot stilstand. In de oorlogsperiode werd heel sporadisch nog een nieuwe boerenwagen gebouwd. De nadruk lag nu eerder op kruiwagens en klein landbouwmateriaal. Zolang rubberbanden en brandstof schaars bleven, was er tijdelijk nog vraag naar voertuigen met houten wielen. Door de materiaalschaarste verbouwden pla elandswagenmakers zelfs onderstellen van afgedankte legervrachtwagens tot pla e landbouwwagens. Landbouwers kochten van hun kant op de tweedehandsmarkt assen met wielstellen op en vroegen aan de smid om een bestaande karrenbak erop aan te brengen.
In de jaren 1950 was in de meeste gevallen het vrachtwagenchassis al voorzien van een cabine gemaakt in een fabriek. Enkel voor de laadbakken werd soms nog hout gebruikt. Lassen en uitdeuken behoorden tot het dagelijks werk van de wagenmaker-carrosseriebouwer.50 Reparatie van houten wielen kwam bijna niet meer voor. Landbouwers schakelden bovendien ook steeds meer over op de tractor. Het aantal trekpaarden daalde aanzienlijk in de jaren 1950.51 De eerste tractor trok nog een aangepaste boerenkar, maar al snel werd overgeschakeld naar gespecialiseerde aanhangwagens. De tractor reed immers te snel voor de houten boerenwagens waardoor de wielen er af liepen. Enkele wagenmakers bleven nog het vak als bijverdienste uitoefenen. Hun klanten waren vooral boeren die nog werkten met paard en kar. In de jaren 1960 behoorden die echter stilaan tot het verleden. Vanzelfsprekend leerden jongeren de wagenmakersstiel ook niet meer aan.
Naast de ontwikkelingen in het landbouwvervoer evolueerden ook de andere landbouwwerktuigen waar de wagenmaker een hand in had. De ploeg was in de 19e eeuw een samenwerking tussen wagenmaker en smid. In de 20e eeuw evolueerde de ploeg naar smidswerk alleen. Ze werden in toenemende mate in serie gemaakt door landbouwmachineproducenten. Recenter evolueerde de ploeg naar één stuk techniek met meerdere ploegijzers naast elkaar.52 Ook de eenvoudige houten eg ontwikkelde zich tot een constructie die verschillende bewerkingen samenbracht. De houten beerbak maakte plaats voor een gesloten zinken tank die zijn inhoud onder druk van pompen verspreidde. Zelfs de kruiwagen is geëvolueerd tot een industrieel massaproduct. Al de tuigen waar de wagenmaker vroeger zijn brood mee verdiende, waren met andere woorden door de techniek achterhaald. Bovenstaande evolutie zorgde ervoor dat een eeuwenoud beroep op amper twee decennia tijd versneld verdween.53
50 Theuwissen, Het landbouwvoertuig, p. 245-246.
51 Y. Segers en L. Van Molle, Leven van het land. Boeren in België 1750-2000. Leuven, 2004, p. 125. Tussen 1950 en 1970 viel het aantal landbouwpaarden terug van meer dan 200.000 naar amper 60.000. Die dalende trend ze e zich daarna verder.
52 De Ruyver, ‘Wagenmaker, een uitgestorven beroep’, p. 20.
53 Theuwissen, Het landbouwvoertuig, p. 254. De Ruyver, ‘Wagenmaker, een uitgestorven beroep’, p. 20-21.
Niet alleen technische en wetenschappelijke veranderingen zorgden voor de neergang van de wagenmakerij. Er was ook een belangrijke maatschappelijke factor. De werkgelegenheid in de landbouwsector – toch de voornaamste klanten van de rurale wagenmakerijen – daalde zienderogen na de Tweede Wereldoorlog. Waren er in 1947 nog 422.000 boeren (of 14% van de actieve bevolking) in België dan waren er dat in 1959 nog 340.000 (8% van de actieve bevolking).54 De daaropvolgende decennia versnelde de afname: in 1970 waren er 220.000 geregistreerde boeren (4,5% van de actieve bevolking) en in 1980 nog 115.000 (3%).
In zekere zin kan de neergang van de wagenmakerij gezien worden als een ‘logisch’ gevolg van de vooruitgang en moderniteit. Maar dit is niet helemaal correct. Historici zoals Bert De Munck bogen zich over het dualisme vakmanschap-moderniteit.55 Vakmanschap wordt eerder gezien als een wegbereider voor een nieuw denken over productie en werk dan als antithese. De vervanging van houten wielen met ijzerbeslag door rubberen luchtbanden was een evident gevolg van voortschrijdende inzichten gebaseerd op ‘trial and error’. Ook de verschuiving van rurale wagenmakerij over rijtuigbouw tot carrosseriebouw is hier een illustratie van. Doordat de ambachtelijke ‘vaardigheden’ echter niet verbonden bleven aan inhoudelijke kennis, raakte het verval van de rurale wagenmakerij in een stroomversnelling.
54 Segers en Van Molle, Leven van het land, p. 122.
55 B. De Munck, ‘Artisans as knowledge workers: Cra and creativity in a long term perspective’, Geoforum, 99, 2019, p. 236.
Heel wat wagenmakers zagen de grondige veranderingen in hun stiel aankomen en beslisten om zich te heroriënteren.56 Gezien hun grote kennis van hout gingen ze vaak aan de slag bij een schrijnwerker of rich en ze zelf een schrijnwerkersatelier op. Ook de groeiende industrie lokte veel wagenmakers. Wagenmaker Jan Loenders uit Eksel ging bijvoorbeeld aan de slag als metaalarbeider in Overpelt Fabriek (Compagnie des Métaux d’Overpelt-Lommel).57 Loenders deed het minder graag, maar hij had weinig keuze. Omdat hij niet goed meer voor zijn kinderen kon zorgen, stopte hij met de wagenmakerij en ging hij in de fabriek aan de slag. Enkel in zijn vrije tijd maakte hij af en toe nog een houten kruiwagen.
Ook wagenmakerij Sint-Fledericus in Vlierzele (Sint-Lievens-Houtem) evolueerde met de tijd mee. De wagenmakerij van de toen overleden Pieter Lievin De Swaef werd in 1937 door zijn vrouw uitgebaat. Hun zonen Remi en Flederik werkten in haar dienst. Het ganse gezin (zes kinderen) leefde van de wagenmakerij. Kruiwagens, steekkarren en boerenkarren waren de voornaamste zaken die ze vervaardigden. Eind de jaren 1930 werd de focus naar carrosseriebouw verlegd.58 Op een bestaand chassis maakten ze een houten structuur die ze aanvankelijk opvulden met houten en nadien met metalen platen. Wanneer de gebroeders De Swaef in de jaren 1950 dezelfde technieken toepasten maar dan met metalen, gelaste frames, was de term carrosserie correcter dan wagenmakerij. In 1964 star e Flederik De Swaef een eigen zaak onder de naam Carrosserie Selecta. Na 1975 nam zijn zoon Herman de zaak over maar het bedrijf werd steeds minder concurrentieel. De zaak ging uiteindelijk rond 2000 failliet.
De firma Mol uit het West-Vlaamse Staden bleef aanvankelijk dicht bij de wagenmakerij. Gerard Mol star e zijn carrière bij een wagenmaker in het gehucht Sleihage op de grens tussen Hooglede en Staden.59 In 1944 rich e Mol samen met zijn broer Remi een bedrijf op dat landbouwvoertuigen en tractoren produceerde. Vrij snel schakelde Gerard Mol over naar het ombouwen van Amerikaanse legervoertuigen die werden achtergelaten na de Tweede Wereldoorlog. Een kleine stap verder was de productie van trucks voor alle terreinen (woestijngebied, havenzones, …). Dat was meteen de basis van het bedrijf Mol: de productie van uitzonderlijke beroepsvoertuigen (tankwagens, betonmixers, legerwagens, vuilniswagens, waterkanonnen voor de politie, …). Tot op heden is Mol in die branche actief.
Het bedrijf Augustijns uit Wuustwezel kan eveneens een mooi reconversieverhaal vertellen. De regio Wuustwezel was een stopplaats voor veel koetsen en karren die pendelden tussen Antwerpen en Breda.60 De
56 De Kegel, Zeg, ken jij de mosselman?, p. 40.
57 Interview Willy Loenders, 28 oktober 2020, 17:52-24:55. Loenders, ‘Jan Loenders, “de radmaker”’, p. 52-53.
58 Informatie via mail van Walter De Swaef, 11 februari 2021.
59 Informatie via Lieven Deneweth, 12 november 2020.
60 ‘Augustijns Keukens – Over ons’: h ps://augustijnskeukens.be/over-ons (bezocht op 30-11-2021).
geschiedenis van het familiebedrijf gaat terug tot 1792. Augustijns voerde toen al reparaties aan postkoetsen en karren uit. Ook het maken en herstellen van houten karren en wielen voor de landbouwers in de streek behoorden tot zijn werkzaamheden. Het ambacht werd van generatie op generatie doorgegeven. Toen het houten wiel werd vervangen door de rubberen band veranderde de focus van het familiebedrijf. Jan Augustijns star e in 1954 als zelfstandig meubelmaker met een artisanaal houtverwerkend atelier in Wuustwezel.61
Tegenwoordig staat Augustijns bekend als keukenbouwer met drie vestigingen in Vlaanderen.
Vandecasteele Houtimport uit Aalbeke bleef net als Augustijns actief in de houtverwerkende nijverheid. Louis Vandecasteele rich e in 1883 een wagenmakerij en een houtatelier op.62 Aalbeke ligt gunstig gelegen langs een drukke verkeersader tussen Kortrijk en Moeskroen. In 1919 volgde Désiré Vandecasteele zijn vader Louis op en voegde een zagerij aan het bedrijf toe. Hij star e eveneens met een handel in hout. De volgende generaties trokken steeds meer de kaart van de houthandel. Ondertussen ligt de focus op internationale uitbreiding. Vandecasteele Houtimport is uitgegroeid tot een belangrijke leverancier van hardhout en zachthout.
Veel wagenmakers maakten ook doodskisten. Het wagenmakersbedrijf Pues uit Herent evolueerde bijvoorbeeld naar begrafenisondernemer.63 Sinds 1900 maakte Alfons Pues naast wagens en karren ook doodskisten. Zoon Prudent leerde de stiel van wagenmaker en verhuisde naar Mortsel om zijn vader en broer geen concurrentie aan te doen.64 Jozef Pues (1914-1993) werd schrijnwerker-meubelmaker-wagenmaker en ze e het werk van vader Alfons verder. Door de omschakeling van houten wielen naar rubberen luchtbanden viel de wagenmakerij volledig stil. In 1950 kocht Jozef samen met zijn vrouw zijn eerste lijkwagen en zij legden zich voortaan helemaal toe op uitvaartverzorging. De doodskist werd nog in het eigen atelier gemaakt. Zoon Gilbert Pues (1946) en zijn vrouw Lea Smets werkten vanaf 1968 in de zaak en namen die later over. Ondertussen werden meerdere funeraria geopend. De vierde generatie Tom Pues kwam in 2011 in de zaak.
Het metaalverwerkend bedrijf Slabinck uit Sint-Michiels-Brugge hee ook zijn roots in de wagenmakerij. Ferdinand Franciscus Slabinck was begin 19e eeuw actief als houtbewerker. Hij was molenbouwer van opleiding, maar in rustige periodes herstelde hij landbouwmateriaal.65 Daarnaast vervaardigde hij op bestelling korte en lange boerenwagens, driewielkarren en steekkarren voor de landbouwers van zijn dorp. Ferdinand overleed in 1838. Zijn zoon Joannes en kleinzoon Henri ze en naderhand het bedrijf verder. Henri Slabinck had op zijn beurt zes zonen die allemaal betrokken waren in de wagenmakerij. Na de
61 Jan Augustijns (1931-2016) was tevens de oprichter van een Volkskundemuseum in Wuustwezel waar het ambacht van de wagenmaker uitvoerig te zien was. ‘Volkskundemuseum Jan Augustijns’: h ps:// etwie.be/nl/kennisbank/actoren/volkskundemuseum-jan-augustijns (bezocht op 30-11-2021).
62 Informatie via mail van Bernard Pauwels, 27 mei 2020.
63 Informatie via mail van Gilbert Pues, 12 februari 2021 en ‘Pues Geschiedenis’: h ps://www.pues.be/geschiedenis (bezocht op 19-11-2021).
64 Reclameblad De Week (Mortsel), 5 augustus 1961, p. 2.
65 Slabinck en Franchoo, ‘De wagenmakerij’, p. 111-112.
Eerste Wereldoorlog kreeg het bedrijf een boost. In 1919 werd de Mechanische Wagenmakerij en Smederij Henri Slabinck en Zoons gesticht. Reeds in 1925 werd de focus verlegd naar auto’s en carrosseriebouw: Carrosserie Slabinck Gebroeders was een feit. In 1989 nam de vijfde generatie Slabinck de leiding over en gooiden Luc en Brigi e het roer opnieuw om.66 Sindsdien specialiseert Slabinck nv zich in de toelevering van plaatmateriaal en producten voor metaal- en plaatbewerkingsbedrijven. In 2014 deed de zesde generatie, Anthony Slabinck, zijn intrede in het bedrijf.
Bovenstaande cases maken duidelijk dat de roots van de wagenmakerijen in Vlaanderen nog aanwezig zijn, hoewel steeds minder zichtbaar. Hoewel de band met hun verleden steeds vager wordt, wortelen ze in dezelfde ontwikkelingscontext. De economische conjunctuur dwong de zelfstandige wagenmakers om de omschakeling te maken van een agrarische naar een industriële economie. Sommigen maakten de reconversie al aan het begin van de 20e eeuw, anderen wach en tot de omwenteling van de jaren 1930 en 1940 om zich te heroriënteren. Dat er uit sommige wagenmakersbedrijven nieuwe succesvolle firma’s ontstonden, was te danken aan de familiale structuur (bij aanvang), eeuwenlange knowhow en de focus op kwaliteit. Wagenmakers die onvoldoende vakkennis hadden om een goed wiel te maken, werden uit de markt gezet. Zo ook voor de omgeschakelde bedrijven: een uitstekende productkwaliteit was nodig om klanten te verwerven en te behouden.
8. Conclusie
In dit artikel lag de focus op de neergang en reconversie van de rurale wagenmakerij in Vlaanderen tijdens de periode 1920-1970. Aan het begin van de 20e eeuw kende de sector haar hoogconjunctuur op het vlak van werkgelegenheid. Ondanks de toenemende mechanisatie bleven er na de Eerste Wereldoorlog en tijdens de jaren 1920 steeds minder wagenmakers over. De voorzichtige introductie tijdens de jaren 1930 van de rubberen luchtband gaf geen hernieuwde impuls voor de wagenmakerijsector, integendeel.
Na de Tweede Wereldoorlog ging het beroep van wagenmaker in snel tempo teloor. Het aantal wagenmakers (in België) daalde van ca. 2600 in 1947 naar zo’n 50-tal in 1970. Eén omva end antwoord op het snelle verval is er niet. Een combinatie van factoren zorgde voor de ondergang van de wagenmakerijsector. De grootste oorzaak was de verspreiding en verdere toepassing van rubberen luchtbanden en het gebruik van een metalen carrosserie. Houten voertuigen bleken bovendien niet geschikt om achter tractoren te hangen die vanaf de jaren 1950 een snelle opmars maakten. De scherpe en snelle daling van het aantal landbouwpaarden – 70% op amper 20 jaar tijd – illustreert deze evolutie. Met een rubberen luchtband werd de bodem minder diep ingedrukt, was het laadvolume van het voertuig aanzienlijk groter en was er een efficiënter gebruik van de paardentrekkracht. Veel wagenmakers vonden het niet evident om over te schakelen van houtbewerking naar metaalbewerking. Dat gold voor alle ambachtslui die gewend waren om met hout te werken. De
66 ‘Slabinck Over ons’: h ps://www.slabinck.be/over-ons/ (bezocht op 30-11-2021).
wagenmakersbonden – die overal in het land waren ontstaan – bleken niet slagkrachtig genoeg om het tij te keren. Door de technische en industriële vooruitgang was de stiel definitief op zijn retour.
Diverse wagenmakers zagen de veranderingen in hun beroep aankomen en beslisten om zich om te scholen of te heroriënteren. Wagenmakers moesten uitkijken naar aanvullende inkomsten. Sommigen evolueerden tot fietsenmaker of star en met een winkel. Een aantal maakte de switch mee en evolueerde naar carrosseriebouwer en garagist. Anderen bleven in de houtsector en werden schrijnwerker. Wagenmakers kwamen ook terecht in houthandels, de meubelsector en de uitvaartzorg. Enkel wie voldoende flexibel was, had de kans om te overleven. Reconversie zorgde voor continuïteit en verandering. De teloorgang van de wagenmakerijsector is dus geen vergane glorie maar eerder verborgen glans.
hans piena
wetenschappelijk artikel
Bloed is dikker dan water
Achterhoekse identiteit in historisch perspectief
Dagboek van Eimert Papenborg (1826-1888). Collectie Familie Papenborg. Foto Rick Mellink.
Inleiding1
Onlangs verscheen de publicatie: Het Dagboek – Eimert Papenborg - 1826-1888.2
Eimert is enig kind van een arme3 boer bij Zieuwent in het hartje van de Achterhoek. 47 jaar (1841-1888) houdt hij een dagboek bij, 213 pagina’s lang. Waarschijnlijk uit papiergebrek schrij hij soms twee tot drie teksten over elkaar heen. Daarbij staan diverse passages in geheimschri . 4 Een deel is bovendien verbleekt en tot slot vreten zilvervisjes en de tand des tijds
1 Ik bedank hierbij nadrukkelijk de streekhistorici Cecile Verhulst, Anton Stortelder en Jan Oonk voor hun waardevolle commentaar bij het schrijven van dit artikel.
2 H. Piena, Het Dagboek – Eimert Papenborg – 1826-1888. Zutphen: Achterhoek uitgevers, 2021, 162 p. De publicatie bevat de integrale weergave van het dagboek, voorafgegaan door tien hoofdstukken met de belangrijkste thema’s. Tenzij anders vermeld, is dit artikel gebaseerd op genoemde publicatie.
3 Het betre een kleine boer met weinig land dat bovendien nog ontgonnen moet worden. Ze bezi en niet meer dan vier koeien en geen paard maar een os. Ten opzichte van de veel grotere groep landarbeiders waren ze echter beter af.
4 Het geheimschri betre vooral passages over de liefde en geld. De schrijver hee daarbij le ergrepen verwisseld, vervolgens deze le ergrepen zelf omgedraaid en er allerlei klinkers tussen gevoegd.
Dagboekpagina (1851) met geheimschrift: kosten van het uitgaansleven van Maria Engele ten Brundel en Eimert Papenborg. Collectie Familie Papenborg. Foto Rick Mellink.
piena | bloed is dikker dan water
de randen eraf. 130 jaar lang ligt het bij de nazaten in de brandkast als een goeddeels onleesbaar geheim. Het Nederlands Openluchtmuseum gaat daarom een samenwerking aan met streekhistorici en specialisten door heel het land. Na acht jaar ontcijferen, transcriberen en onderzoek is het geheim nu eindelijk ontrafeld. Dit artikel behandelt wetenschappelijke implicaties van de bevindingen, doet meer recht aan het onderliggende archiefonderzoek,5 en zet de huidige identiteitshonger in de Achterhoek af tegen de wereld in het dagboek. Na een karakterisering van de schrijver, zijn context en het dagboek staan het netwerk, zijn boekenbestand en het activiteitenareaal centraal.
Verzamelcontext
Al vanaf haar oprichting verzamelt het Nederlands Openluchtmuseum op bescheiden schaal egodocumenten. De laatste twee grote aanwinsten betreffen ten eerste 23 van dag tot dag bijgehouden huishoudkasboekjes (1950-1981), geschreven door een moeder van drie kinderen.6 Ten tweede verwer het Nederlands Openluchtmuseum een serie van 47 dagboeken (1951-2007) van een streng gereformeerd opgevoede alleenstaande heer die gaande zijn leven in evenwicht komt met zijn homoseksuele geaardheid.7 Eerder, gedurende het midden van de vorige eeuw, is het Cees Kokke, Hoofd Documentatie & Bibliotheek, die egodocumenten verzamelt. Zo brengt hij een zeer compleet ensemble bijeen van een midden 19e-eeuwse vlasboer Joost Willemsteijn te Heerjansdam8 en het dagboek (1828–1856) van herenboer Adriaan van den Beek (Den Hill, Babyloniënbroek Gld.).9 Geen van deze bronnen is tot nog toe gepubliceerd. Door de inspanningen van Kokke kennen wij ook het dagboek van Eimert Papenborg uit Zieuwent (Achterhoek), waarover hij eerder een artikel schrij . 10+11
5 Bestudeerd zijn de besluiten en ingekomen en uitgaande stukken van de gemeente Ruurlo uit de jaren 1819, 1820, 1826, 1827, 1828, 1836, 1846, 1847, 1850, 1851, 1852, 1854, 1864, 1865, 1866, tezamen circa 3000 documenten. Bron: Erfgoedcentrum Achterhoek en Liemers (hierna Ecal genoemd), Toegangsnr.: 0546, Inv.nr.: 41,42, 320, 321, 327, 347, 348, 351, 352, 353, 355, 365, 366, 367.
6 Inv.nr.: N.33762-N.33778.
7 Inv.nr.: N.47239.
8 Inv.nr.: NOM.23387-55.
9 Bibliotheeknr.: 55709.
10 C.Th. Kokke, ‘Enkele gegevens uit het boerendagboek (1849-1883) van Eimert Papenborg te Zieuwent (gem. Ruurlo)’. In: Vriendenboek voor A. J. Bernet Kempers. Arnhem: 1971, p. 50-60. Tevens maakt Kokke een kopie van het dagboek (Bibliotheeknr.: 53072) dat in 1969 nog uit een aantal schri jes en wat losse papieren bestaat en kort daarna wordt samengebonden tot een boekwerkje, en documenteert hij enige uit de tijd van het dagboek overgebleven gebruiksvoorwerpen aanwezig bij de familie Papenborg: een waterketel uit 1853 (AA 116534) een bureau uit 1854 (AA 116536) en een kookketel (AA 117602).
11 Het Onderzoeksinstituut Egodocument en Geschiedenis beheert de grootste landelijke inventarisatie van egodocumenten: h p://www.egodocument.net/index.html.
Waarom is het dagboek bijzonder?
Lokaal vervaardigd eikenhouten bureau waar een groot deel van het dagboek aan is geschreven. Collectie Familie Papenborg. Foto Rick Mellink
Volkskundige beschrijvingen van het leven op het pla eland dateren vooral vanaf het einde van de 19e eeuw en zijn in de regel geschreven door notabelen zoals schoolmeesters. Ze kenmerken zich vaak door nostalgie. Beschrijvingen door landarbeiders en boeren zelf zijn er weinig. De hand, gewend aan de ploeg, nam ’s avonds zelden de pennenveer ter hand om het leven vast te leggen.12 Als de pla elander documenten zelf ondertekent gebeurt dat soms met geleide hand, of men beperkt zich tot initialen. Eimert schrij wél, zelfs 47 jaar lang. Hij beschrij het ploegen, mestrijden, zaaien, maaien en dorsen, en alle andere werkzaamheden. Zo openbaart zich een werkpatroon op het ritme van de seizoenen. Naast financiële transacties en het weer schrij hij over geboorte, verkering, trouwen, ziekte en dood. Uniek is dat hij daarbij ook zijn emoties aan het papier toevertrouwt. Daardoor leren we hoe hij zaken ervaart en hoe hij ze probeert te rijmen met zijn normen en waarden.
12 Zie ook: Bjarne Stoklund, ‘Bäuerliche Tagebücher aus Dänemark als ethnologische Quelle.’ In: H. O enjann & G. Wiegelmann, Alte Tagebücher und Anschreibebücher. Beiträge zur Volkskultur in Nordwestdeutschland herausgegeben von der Volkskundlichen Kommission für Westfalen Landscha sverband Westfalen-Lippe. He 33. Münster: F. Coppenrath Verlag, 1982, p. 3.
Kolenbranden in het nabije Lichtenvoorde (1912): een van de vele activiteiten waarmee het gezin Papenborg in haar onderhoud voorzag. Collectie Nederlands Openluchtmuseum, Inv.nr.: AA 86677.
Context
Eimert Papenborg (1826-1888) wordt geboren aan de rand van een onontgonnen woestenij die jaarlijks overstroomt. Loop je verder dan kom je in moerassen, bossen, heide en veen. Bij zijn geboorte bestaat de gemeente Ruurlo nog voor 60% uit dergelijke gronden. Hierop zwerven kinderen met koeien, trekken schaapherders rond, landarbeiders halen er strooisel voor in de potstal, er wordt gestroopt, sprokkelhout verzameld en de paupers leven er in illegale hutjes. Het is een belangrijke bestaansbasis voor de grote groep armen. Deze woestenij of markegronden verdeelt en verkoopt men aan privépersonen en wordt gedurende het leven van Eimert stap voor stap gecultiveerd. Hierdoor is het voor de armsten nóg moeilijker om rond te komen. De mislukte aardappeloogsten rond 1845-1848 drijven velen van hen daarom tot wanhoop of de dood in. De rondzwervende daklozen worden eerst nog vastgezet en naar bedelaarskolonies13 gezonden. Door het staatsblad 100 zet Nederland een stap
13 Zie bijvoorbeeld: W. Schackmann, De Bedelaarskolonie. De Ommerschans, het eerste landelijke gesticht voor luilevende armen. Amsterdam: Atlas Contact, 3e druk, 2018.
Pruisische thaler (1849) en Nederlandse gulden (1848). Beide valuta waren even gangbaar in Zieuwent gedurende het leven van Eimert Papenborg. Foto’s van de auteur.
voorwaarts met de verzorgingsstaat.14 Gemeenten zijn voortaan zelf verplicht hun behoe igen te steunen, waar bestaande instellingen tekortschieten. De provincie en de staat leggen daar vanaf 1855 de ontbrekende centjes voor op tafel.15
Wat betre agrarische hervormingen maakt Eimert in 1866 voor het eerst gebruik van guano: droge vogelmest uit onder meer Peru, waarvoor sinds 1863 in Zutphen, Winterswijk en Doesburg vertegenwoordigers zi en.16 Eimert doet alles met een os, pas aan het einde van zijn leven komt er een paard op stal. De economische transacties in het dagboek vertonen een definitieve overgang van ruilhandel naar geld. Pas de grote geldsaneringen van 1842-1851 maken een einde aan alle verschillende munten waar Eimert tot zijn twintigste nog mee betaalt: dukaten, rijksdaalders, vijfentwintigen, dertienden, achtstuiverstukken, oude guldens, oude dubbeltjes, oude stuivers, drie-guldens, twee-guldens, pitjes, dertientjes, 26-tigen, en tot slot oude gerande en ongerande Zeeuwen. Die maken plaats voor een tweemuntenstelsel, de Nederlandse gulden en de Duitse thaler, die vanaf dan de portemonnees in de Achterhoek bevolken.17
Door het toenemend alfabetisme beklinken boeren in de Achterhoek hun afspraken niet alleen meer mondeling maar gaan ze ook zaken schri elijk
14 Wet van den 28. Junij 1854 (Staatsblad No. 100) tot Regeling van het Armbestuur, met de daarover, vooral in de Tweede Kamer der Staten-Generaal gewisselde stukken en gehouden beraadslagingen. Nijmegen: H.C.A. Thieme JFz., 1854.
15 Tot 1848 verlenen diaconieën armenzorg uit vrijwillige collectes, aangevuld met gemeentelijke subsidie, we elijk bepaald in staatsblad nr. 40 (1818) in een periode waarin kerk en staat nog niet gescheiden zijn. De diaconieën schieten in deze zorg echter te kort en trekken bovendien, na de inwerkingtreding van het staatsblad nr. 100, steeds meer hun handen van de zorg af.
16 Landbouw-Courant, 19 maart 1863, p. 52.
17 In de grensstreek lijken er meer Duitse thalers dan guldens te hebben gecirculeerd, in Eimerts portemonnee kwamen beide munteenheden rond 1850-1860 in even grote hoeveelheden voor.
vastleggen. Zaken die zijn vader nog met een mondelinge afspraak en een handklap beklonk stelt Eimert ter memorie te boek. In religieus opzicht woont Eimert in een 100% katholieke enclave, ingesloten door een voornamelijk hervormd land. Door dit alfabetisme én door de grondwet van 1848 met meer godsdienstvrijheid en het daaruit voortvloeiende herstel van de Bisschoppelijke Hiërarchie (1853) krijgt Eimert kansen op de maatschappelijke ladder die voor zijn ouders ondenkbaar zouden zijn geweest.
Waar en waarom leert hij schrijven?
Eimert leert schrijven op een katholieke school. In zijn dagboek bedankt hij zijn ouders en leraar voor het genoten onderricht. De katholieke kerk legt, voor zijn eigen consolidatie, een netwerk van scholen aan, domineert het onderwijs en zorgt daarmee voor trouw en binding aan de kerk. De nadruk ligt daarom op lezen ten behoeve van de Bijbel en de catechismus.18 Rekenen en schrijven zijn hierin minder belangrijk.
Naast deze scholing is ook de grondwet een drijfveer tot alfabetisme. Vanaf de Bataafse Republiek wordt, in navolging van het Franse gelijkheidsprincipe, in de grondwet van 1798, 1801 en 1805 opgenomen dat iedere man mag stemmen die zijn familie kan onderhouden, het federalisme afzweert én die kan lezen en schrijven.19 Hierdoor raakt alfabetisme, nog meer dan voorheen, verbonden aan maatschappelijke status. Ook de landman gaat daarom meer belang hechten aan zijn onderwijs en dat van zijn kinderen. Het schrijfmeubel en imitaties daarvan20 worden vanaf deze periode steeds populairder in brede lagen van de bevolking. Ook Eimert laat voor zichzelf in 1853 een bureau maken en het is hieraan dat hij het grootste gedeelte van zijn dagboek schrij .
Wat weet hij van andere dagboekschrijvers?
Eimert ontwikkelt zijn dagboek onwetend van anderen die hetzelfde doen. Hij schrij in een tijd waarin er nog geen dagboeken zijn gepubliceerd21 en hee zich nimmer kunnen realiseren dat zijn epistels ooit in druk zouden verschijnen. Zijn dagboek, waarin hij voor een deel in code schrij , is zijn geheim. Toch zijn er meerdere tijdgenoten die dagboeken schrijven, zelfs in zijn eigen streek. Zo bevindt zich in het repertorium van gedrukte egodocumenten
18 Zie ook: Marie-Louise Hopf-Droste, ‘Vorbilder, Formen und Functionen Ländlicher Anschreibebücher’, In: H. O enjann & G. Wiegelmann, Alte Tagebücher und Anschreibebücher. Beiträge zur Volkskultur in Nordwestdeutschland herausgegeben von der Volkskundlichen Kommission für Westfalen Landscha sverband Westfalen-Lippe. He 33. Münster: F. Coppenrath Verlag, 1982, p. 64.
19 Staatsregeling des Bataafschen Volks. Amsterdam: Johannes Allart, 1798, artikel 11; Staatsregeling des Bataafschen Volks (1801) in eene alphabetische orde gebracht. Den Haag: J.C. Leeuwestijn, 1801, artikel 24; Staatsregeling des Bataafschen Volks. Den Haag: Staats-Drukkerij, 1805, artikel 12.
20 Zie: H. Piena, Kleurrijk Nederland. Beschilderd meubilair tussen 1600-1930. Proefschri , Universiteit Leiden, deel 1, p. 573.
21 Phillipe Lejeune, On Diary. A Biography Monograph. Jeremy D. Popkin & Julie Rak (eds.). Hawai’i: Biographical Research Center, 2009, p. 93.
van Noord-Nederlanders uit de negentiende eeuw22 het dagboek (1809-1856) van J.D. te Winkel: boer, stenenbakker en catechisatiemeester bij Winterswijk.23
Waarom schrijft hij?
Eimert schrij zijn eerste twintig pagina’s vol met citaten uit christelijke schoolboeken, volgens de overlevering van de nog levende nazaten in de hoop ooit priester te worden. Als enig zoon moet hij echter het boerenbedrijf voortze en. Daarom worden zijn notities al snel zakelijker: wat de biggen opbrengen, hoeveel linnen ze van de wever terugkrijgen en wie er hoeveel geld komt lenen. Hij noteert dit pro memorie om later twist te voorkomen. Daarom loopt het dagboek over de periode waarin hijzelf verantwoordelijk is voor het bedrijf: vanaf het moment dat zijn vader een stapje terug doet tot het moment dat zijn oudste zoon het overneemt. Gaande deze periode zijn er regelmatig gebeurtenissen die hem aangrijpen. Ten eerste zijn liefde voor Engele Maria ten Brundel, de jongste dochter van een rijke boer uit de omgeving, en de zonden die zij begaan gedurende hun verkeringstijd. Ten tweede de dood van zijn ouders en schoonouders. Ten derde de staat van gewassen en beesten met stormen, sneeuw, vorst, overstromingen, droogte, ziekten en plagen. In deze vaak lange passages, voor niemands ogen bedoeld, schrij hij van zich af, ontlaadt en zuivert hij zichzelf, zodat hij het uiteindelijk kan loslaten.
Aan wie richt hij zich?
Eimert ziet zijn dagboek nooit als een persoon tegen wie hij spreekt. Teksten als ‘Lief dagboek’ of ‘oh mijn papier’, zoals vele schrijvers dat in zijn tijd doen, staan er niet in.24 Wel houdt hij het voor mogelijk dat er eens lezers zullen zijn. Die maant hij tot geheimhouding als hij het recept noteert voor het schoonmaken van koperen ketels, een recept dat hem door de ketellapper in vertrouwen wordt ingefluisterd. Net als in zijn gebeden adresseert hij zijn angsten, wroeging en smeekbeden aan God. Zwalken tussen een imaginaire lezer en God doet eveneens zijn bijna-tijdgenoot uit een hele andere sociale laag: Magdalena van Schinne (1762–1840).25 Zijn geweten staat buiten hemzelf. Eimert is nog ver van het cruciale keerpunt in de mentaliteitsgeschiedenis
22 Internet: h p://resources.huygens.knaw.nl/egodocumenten/zoek.
23 G.J. te Winkel (ed.), Voorname lotgevallen van J.D. te Winkel, Catezn., geboren den 13 Juny 1795 en den 21 gedoopt. Bennekom, 1975. Zie ook: H. Entjes, ‘Voorname lotgevallen. Winterswijks dagboek uit de eerste hel der 19de eeuw’. In: Driemaandelijkse Bladen 27 (1975), p. 110-116; E.H.H.M. Meimna-Heida, ‘Uit het dagboek van een Achterhoekse boer lopend van 1809-1856’. In: Nederlandse Historiën 15 (1981), p. 217-221; A. Doedens, ‘De autobiografische aantekeningen van G.J. te Winkel, boer en ondernemer in het Winterswijkse Miste.’ In: De strijd om het bestaan: bijdragen tot de lokale geschiedenis van Nederland in de eerste hel van de negentiende eeuw. Regionale geschiedenis van Nederland, deel 1. Amsterdam: VU boekhandel, 1983.
24 Phillipe Lejeune, On Diary. A Biography Monograph. Jeremy D. Popkin & Julie Rak (eds.). Hawai’i: Biographical Research Center, 2009, p. 93-94
25 Magdalena van Schinne, Journal de Magdalena van Schinne: 1786-1805. Rudolf Dekker en Anje Dik (eds.) Parijs: Editions Côté Femmes, 1994, p. 40 en 80.
waarbij mensen aan zichzelf schrijven, zichzelf ter verantwoording roepen en aan zichzelf verantwoording afleggen.
Hoe representatief is zijn dagboek voor het dagelijks leven?
Doordat de pagina’s chronologisch aaneensluiten is waarschijnlijk alles wat Eimert ooit hee geschreven overgeleverd.26 Op basis van het uitgebreide archiefonderzoek kunnen we bovendien stellen dat zijn leven representatief is voor grote delen van de agrarische bevolking. Hij beschrij met name het fysiek zware werk buitenshuis, waarschijnlijk dat waar hijzelf verantwoordelijk voor is. Zo schrij hij na zijn trouwen niets meer over de boter- en linnenproductie.
Daar lijkt zijn vrouw Engele Maria zich over te ontfermen. De inkopen van jenever, zout, klompen, kleding, sierborden, koffie, thee en tabak, genoemd in hun boedelinventaris, moeten tevens aan haar domein worden toegerekend. Ook schrij Eimert niet over de armoede of rijkdom om hem heen, niet over de frequente zelfmoorden in de streek27 noch over de emigratie van de straatarme landarbeiders. Hij beschrij niet de herdertjes die in weer en wind door de streek zwerven. Nergens vermeldt hij de puissant rijke barones28 die hem op zijn barre voe ochten naar de markt in haar rijtuig voorbij kan zijn gesneld. De extreme uitersten waartussen hij zich bevindt zijn een natuurwet. De enige manier om daarin te overleven is om zo hoog mogelijk te komen, des te minder diep is de altijd dreigende val.
Netwerk
Wat is de sociale stratigrafie van de gemeenschap waarin Eimert moet zien te overleven en met wie ontwikkelt hij relaties? Omdat het dagboek een ongekend lange periode beslaat en zeer gedetailleerd is kunnen we hiermee, als met geen andere bron, een beeld schetsen van dit netwerk. De mensen waarmee hij in contact staat betreffen notabelen, middenstanders, boeren, ambachtslieden en landarbeiders. Met de adel hee hij geen contact, met landlopers evenmin. In totaal noemt hij 327 keer een persoon. Daar zi en regelmatig dezelfde individuen tussen. In werkelijkheid gaat het om 141 verschillende mensen. Daarvan is van 116 individuen bekend wie het zijn: geboorte- en ster ejaar, familierelaties, beroep, adres, en naam van de boerderij.29 Van deze bekende personen is 82% agrariër, hetzij als enige beroep hetzij als hoofdberoep. Met het merendeel daarvan hee hij zakelijke transacties. Het zijn boeren uit de
26 Het dagboek is chronologisch, behalve daar waar pas laat wordt terugbetaald. Dan staat er een recentere aantekening met de datum van terugbetalen bij de oude post.
27 Lees: G.J. te Winkel (ed.), Voorname lotgevallen van J.D. te Winkel, Catezn., geboren den 13 Juny 1795 en den 21 gedoopt. Bennekom, 1975.
28 Vrouwe G.S.A. Baronnesse van Pabst van Bingerden, douairière van den Heer W.H.A. Baron van Heekeren van Kell.
29 Deze gegevens zijn a omstig van Anton Stortelder, genealoog van de Oudheidkundige Vereniging Zuwent, die sinds jaar en dag iedereen die in deze streek woonde nauwgezet in kaart brengt. Van 26 personen is niet bekend om welk individu het gaat, voornamelijk omdat hun namen meerdere keren in het bevolkingsregister voorkomen.
omgeving of landarbeiders en knechten die voor hem werken. Slechts 18% van zijn contacten oefenen in hoofdzaak een ander beroep uit: metselaar, timmerman, smid, verver30, glazenmaker31, winkelier, koopman, vrachtrijder, wever, kleermaker, horlogemaker, schoenmaker, klompenmaker, koperslager, wagenmaker, mandenvlechter, kuiper, kolenbrander, herbergier, notaris, burgemeester en geneesheer. Van hen neemt hij diensten af, koopt hij producten zoals laarzen, koperen ketels, een houten wagen, een wilgentenen wieg, of hij contracteert ze om zijn huis te laten verplaatsen naar een drogere plek.
Tussen 1847-1875 komen mensen 71 keer geld bij hem lenen. In werkelijkheid gaat het om circa 30 verschillende personen. Hij leent alleen geld aan mensen die binnen een straal van twee kilometer wonen, die net als hij katholiek zijn en alleen als ze een onderpand hebben, te weten grond. Zo nodig eist hij deze grond bij wanbetaling op en voegt hij die bij zijn landbouwareaal. Aan verder weg wonende mensen leent hij simpelweg geen geld, tenzij het familie is.
Zelf leent hij grotere bedragen van de weduwe van een burgemeester tevens medisch doctor, van de lokale caféhouder en van een rijke boer tevens zwager. Deze mensen wonen allemaal verder weg in de omringende dorpen. Zoals gezegd hee hij met de adel geen contact. Slechts één keer, in 1869, verkoopt hij een os aan Wilhelm Hermannus Kerkhoven, rentmeester (1828-1872) van kasteel Ruurlo en tevens burgemeester (1838-1886) van die plaats. Eimert zit dan al acht jaar in de gemeenteraad en bestendigt met deze transactie wellicht zijn maatschappelijke positie.
Naoberschap
Een opva ing over het pre-industriële boerenbestaan is dat burenhulp, in de Achterhoek nu aangeduid met naoberschap, een dominante rol in het leven speelt. Eimert noemt de term echter niet één keer, noch komt deze voor in de doorgenomen archivalia.32 Wat zou er desondanks op kunnen wijzen? Als Eimert en Engele Maria in 1854 trouwen schrij hij: ‘Waarbij wij Vij ig huisgezinnen verzogt om dezelve te helpen vieren.’ Hieruit zou je kunnen opmaken dat er 50 huisgezinnen zijn verzocht om te helpen met de voorbereidselen. Waarschijnlijker is het dat die 50 gezinnen alleen komen feestvieren. Zijn buurvrouw Bendine Aagten leent hij geld om voor haar stervende man in de kerk te laten bidden. Bendine leent daarna twee gulden met de belo e in ruil te komen werken. Het wordt uiteindelijk het armbestuur van de kerk die dit geld aan Eimert moet terugbetalen. Aan datzelfde armbestuur leent hij in 1855 houten la en voor het huis van buurman Jan Berend Harbers, la en die hij uiteindelijk aan het kerkbestuur cadeau doet. Hiermee probeert hij mogelijk zijn relatie met het lokale kerkbestuur te verstevigen. In 1873 wordt hij er zelfs
30 Hier is huisschilder bedoeld. In de 19e eeuw wordt de term verver echter ook gebruikt voor iemand die garens en stoffen kleurt.
31 Hier is glasze er bedoeld, een beroep dat vaak in combinatie met dat van huisschilder wordt uitgeoefend.
32 Zie noot 2.
kerkmeester, een positie die zijn rijke schoonvader eerder bekleedde. Nergens gee Eimert blijk van onvoorwaardelijke burenhulp, nergens gee Eimert geld weg. Dat kan hij zich ook niet permi eren in een samenleving waarin de val naar bi ere armoede dagelijks dreigt.
Uit de bestudeerde archivalia blijkt daarentegen dat er in de streek, zoals ook overal elders in het land, op grote schaal wordt gestolen. Etenswaren zoals aardappels, roggebrood en boter, beddengoed, kleding, huisraad zoals koperen ketels, gekortwiekte eenden, kachelhout, turf, geld, kruiwagens, gereedschap, bakstenen en gewassen zoals rogge en knollen “wisselen” zo van eigenaar. De klikcultuur is niet alleen iets van nu maar bestaat ook al op grote schaal in deze gemeenschap. Om de haverklap kloppen bewoners bij burgemeester en veldwachter aan om elkaar aan te geven zoals voor het op andermans grond verzamelen van strooisel en het op andermans grond weiden van koeien of kippen. Ook slaat men met enige regelmaat elkaars glazen dan wel elkaars hersens in. Zo krijgt de elders, in Zwiep, wonende timmermansknecht Albert Jan Jansen een knuppel op zijn hoofd van een groep jongeren uit de gemeente Ruurlo omdat hij vrijt met hun dorpsschone Hendrika Lindenschot.33
De burenhulp die desondanks in deze gemeenschap zal hebben bestaan hee Eimert mogelijk weinig beschreven. Wie de onvolprezen collectie dialectopnamen van het Meertens Instituut34 allemaal hee beluisterd weet dat burenhulp bij geboorte, trouwen en ster e wijdverbreid is, niet uniek voor de paar streken die er nu een term voor hebben.35 Het historisch belang ervan wordt vandaag de dag echter overdreven.
Bloedverwanten
Uit dit dagboek blijkt veel eerder dat bloedverwanten een hoofdrol spelen in het emotionele én economische verkeer. Dit familienetwerk van het gezin Papenborg bestaat in totaal uit 24 leden, te beginnen met de vaders. Vanaf 1846 hebben Engele Maria ten Brundel en Eimert verkering. Na een jaar gaat het uit. Waarschijnlijk ziet de rijke vader van Engele Maria niets in een huwelijk met dit arme boertje. Maar de liefde doo nimmer en in 1848 lopen ze weer hand in hand. Na drie jaar, in 1851, komt haar vader toch maar eens bij de familie Papenborg op bezoek en leent hij 69 la en met de belo e eenzelfde partij terug te bezorgen: een eerste knieval richting een mogelijk huwelijk. In 1853 kopen hun beider vaders zelfs gezamenlijk een perceel grond. Dit lijkt een definitieve acceptatie. Daarom, in februari 1854, na bijna negen jaar verkering, vraagt en krijgt Eimert haar hand.
Het gezin dat zo ontstaat leent grote bedragen alleen aan familie, zoals aan haar broer, haar schoonbroer en aan een neef. Van een ongetrouwde oom, wonend in haar ouderlijk huis, en van haar overleden vader krijgen ze in 1865
33 Ecal: Toegangsnr.: 0546, Inv.nr.: 365, jaar 1864.
34 Internet: h ps://www.meertens.knaw.nl/ndb/#europa (bezocht op 17-5-2022). Hierin bespreken de geïnterviewden in de regel de periode tussen 1880-1960.
35 Mienskip in Friesland, Noaberschap in Twente en Naoberschap in de Achterhoek.
een grote erfenis waarmee ze hun huis a reken en op een droge plek weer opbouwen.
Achterneef Antonij Papenborg is wever en daar laat het gezin al haar zelfgeproduceerde linnen garen weven. Het blij er vaak lang op de balk staan en wordt soms verrekend met een kruiwagen schadden of mest. Met zijn achterneef Hendrikus Wopereis ruilt hij een os. Van zwager Reinder Spekschoor koopt hij biggen. Van neef Hermanus Wopereis koopt hij het eikenhout voor de verplaatsing van het huis.
Van Engele Maria’s kant zijn het haar neef Garrit Jan ten Brundel, haar broer Hermanus ten Brundel en haar schoonbroer Reinder Spekschoor die ze alle transporten van houtskool, bouwmaterialen en huisraad gunnen.
Waarschijnlijk hebben zij de beschikking over paarden, daar waar de familie Papenborg het nog met een os moet zien te stellen.
Inwonenden
In deze streek wonen in de regel drie generaties onder een dak. Daarbij trekken vaak ongetrouwde familieleden in. In de honderd jaar vanaf de geboorte van Eimert (1826-1926) hebben er elf mensen bij het gezin Papenborg ingewoond: vijf dienstmeiden, vier knechten, een timmerman en een timmermansleerling, de laatste twee vanwege de productie van kabine en door zoon Hendrikus Papenborg. Onder de knechten bevindt zich een ongetrouwde neef van Eimert die tot zijn dood in huis blij . Bovendien nemen ze een verweesd achternichtje in het gezin op dat tot haar dood, 43 jaar lang, als dienstmeid in huis blij . De rest is geen familie en blij allemaal veel korter, de dienstmeiden in de regel een paar jaar, de knechten soms maar een seizoen. Het zijn wel allemaal bekenden: ze komen uit het eigen dorp of uit één van de nabijgelegen dorpen, óf hun vader komt uit Zieuwent. Dat verzekert loyaliteit en de familie weet zodoende of het harde werkers zijn.
In dit agrarische bestaan worden economische transacties gebruikt om relaties te beginnen en te bestendigen, en dat speelt het sterkst tussen familieleden. Van bloedverwanten producten kopen en hen werk aanbieden dient om het eigen netwerk zo sterk mogelijk te houden, in een tijd dat er veel armoede is en je zo tot de bedelstaf kan vervallen36 en velen naar de stad trekken of emigreren.37
Het trouwgedrag vertoont eenzelfde beeld. Genealoog Anton Stortelder onderzoekt voor de periode 1850-1900 alle 190 adressen in Zieuwent op consanguïniteit. Hij ontdekt dat 4% van alle in die periode afgesloten
36 Kamerlid Steven Blaupot Ten Cate schat het aantal mensen dat steun ontvangt op 400.000 op een bevolking van ruim 3 miljoen. Zie: Wet van den 28. Junij 1854 (Staatsblad No. 100) tot Regeling van het Armbestuur, met de daarover, vooral in de Tweede Kamer der Staten-Generaal gewisselde stukken en gehouden beraadslagingen. Nijmegen: H.C.A. Thieme JFz., 1854, p. 34
37 Hetzelfde is het geval in Denemarken: Bjarne Stoklund, ‘Bäuerliche Tagebücher aus Dänemark als ethnologische Quelle.’ In: H. O enjann & G. Wiegelmann, Alte Tagebücher und Anschreibebücher. Beiträge zur Volkskultur in Nordwestdeutschland herausgegeben von der Volkskundlichen Kommission für Westfalen Landscha sverband Westfalen-Lippe. He 33. Münster: F. Coppenrath Verlag, 1982, p. 3-24; Poul BallePetersen, ‘Kontinuität in der Dänischen Baurngesellscha im 19. Jahrhundert’, idem, p. 143-144.
huwelijken tussen achternichten en achterneven (3e graad) plaatsvindt, en 25% tussen achterachternichten en achterachterneven (4e graad). Betrokkenen zijn zich echter niet altijd bewust van deze familieband. Kennis over de voorouders baseert zich nog op overlevering.38 Bovendien, als je je tot geloofsgenoten beperkt, dan is de keuze in dit dunbevolkte gebied beperkt.
Door de verzorgingsstaat en welvaart is de a ankelijkheid van dit familienetwerk langzaam verwaterd. Een moderne (re-)constructie hiervan, zoals we dat met naoberschap zien, is tot nog toe uitgebleven. Waarschijnlijk gaat niemand met de ouders, grootouders en een ongetrouwde oom onder één dak leven als het niet echt moet. Bovendien heb je zoveel menskracht met de tegenwoordige mechanisatie helemaal niet meer nodig.
Boekenbestand
Zoals gezegd schrij Eimert in de beginperiode (1841-1849) allerlei fragmenten uit boeken over. Erboven schrij hij regelmatig: ‘Mooije les’ of ‘Fraaije les’. Hij lijkt zijn handschri en zijn Nederlands te oefenen, volgens overlevering om priester te worden. Eimert is dan 17-22 jaar oud en al van school af. Hij schrij in de taal die hij op school leert, Nederlands. In de dagelijkse omgang met zijn familie spreekt hij Achterhoeks. Dat klinkt door in zijn geheimtaal en als hij geen Nederlands alternatief kent voor allerlei termen.39
De citaten in het dagboek zijn tot nog toe teruggevonden in 42 werken (zie bijlage). Omdat er in opeenvolgende uitgaven van enkele werken dezelfde teksten voorkomen, hee hij er waarschijnlijk minder geraadpleegd, maar dan nog gaat het om ruim 30 verschillende publicaties. Het gros van de boeken is dan al 20-40 jaar oud. Het zijn vrijwel allemaal christelijke schoolboeken, waarschijnlijk verkregen via zijn schoolmeester. Diverse van deze werken komen namelijk in 1864 voor op bestellijsten van schoolmeesters uit Zieuwent en omgeving.40
Een deel van de door hem gebruikte werken dateert nog uit de 18e eeuw, onder meer die van Hiëronymus van Alphen. Deze kenmerken zich enerzijds door het rationalisme van de verlichtingspedagogiek en anderzijds door
38 Anton Stortelder, ‘Bloedverwantschap bij huwelijken en dispensatie in Zieuwent’. In: Het Hoenderboom, nr. 89, augustus 2016. Zie ook: L.O.T.M. Tacx, Inteelt in de Achterhoek: een studie naar consanguïniteit tussen 1853 en 1899 aan de hand van de katholieke dispensatieregisters. Nijmegen: Kath. Universiteit Nijmegen, 1992, 94 p.
39 Regelmatig schrij hij typische uitdrukkingen uit het Achterhoekse dialect vernederlandst op. ‘Mestvaren’ is in Achterhoeks mestveurn, in het Nederlands mestrijden. ‘Toegemaakte graven’ is in het Achterhoeks toogemaakte graven, in het Nederlands dichtgemaakte sloot.
40 Ecal: Toegangsnr.: 0546, Inv.nr.: 366. School te Zieuwent: ‘24 Anslijn 2e stukje’. Ecal: Toegangsnr.: 0546, Inv.nr.: 365. School te Veldhoek: ‘12 kindergedichtjes van Van Alphen.’ Aan het einde van zijn leven staat er in huize Papenborg een boekenkastje met boeken. Hierin kunnen de werken hebben gestaan die nu nog in het bezit zijn van de familie: B.D.L. Priester, Den kristelijken vader brekende het geestelyk broodt voor de kinderen, etc. Antwerpen: H.W. van Welbergen, 1744; L. Haspeslagh, Godeloosheyd der ach iende eeuw of kort-begryp van de zamenzweeringen, etc. Brussel: G. Cuelens, 1816; H. Dessain, Handboek voor de Minnaars der H.H. Harten van Jesus en Maria. Venloo: Wed. H. Bontamps, 1876.
sensibiliteit voor de ouder-kindrelatie.41 Van rationalisme is in Eimerts jeugd weinig terug te vinden. Hij is in en in religieus en raadpleegt de op astrologie gebaseerde weersvoorspellingen (1810-1822-1823) uitgegeven onder de naam van een dan al 200 jaar eerder overleden Italiaanse astronoom Giovanni Antonio Magino (1555-1617). In Duitsland komt er vanaf 1848 de rationele ‘Landwirtscha liche Hilfs- und Schreibkalender’ in gebruik.42 Pas in 1866 gaat Eimert de groo e van zijn akkers en de gebruikte hoeveelheden mest noteren. Van een sensibilisering in de relatie tot zijn kinderen is niets te merken. Aan de geboortes van de zes kinderen wijdt hij steeds maar één regel en de komst van hun zoon Antonius staat zelfs nergens gemeld. Deze terughoudendheid komt wellicht door de hoge kinderster e. De dood is een ongenode gast die vaak al op jonge lee ijd aanklopt.
De commissaris van de provinciale commissie van onderwijs krijgt het bij de gouverneur van Gelderland in 1826 voor elkaar om op scholen gratis voorbeelden van de pas ingevoerde metrische maten en gewichten te verstrekken.43 Vervolgens verzoekt Lupold van Heeckeren, districtscommissaris voor Doetinchem, aan de burgemeesters deze nieuwe maten en gewichten op alle scholen te introduceren. Het gaat om de nieuwe Nederlandse pond, ons, lood, wigje, korrel, el, mud, schepel, kop en maatje. In 1851, als schoolmeester A.J. Ensink te Ruurlo zijn nieuwe baan aanvaardt, inventariseert hij wat er van dit educatieve materiaal nog aanwezig is: ijzeren gewichten bestaande uit het Nederlandse pond44, 5 ons, 2 ons, 5 lood, 1 lood. De overige zeven gewichten ontbreken. Verder zijn er elf maten voor droge waren waaronder de Nederlandse mud, Nederlandse kop en het schepel aanwezig. Daarnaast zijn er zeven maatkannetjes voor na e waren. De Nederlandse el is in drie stukken gebroken.45 Ook in Eimerts rekenboek Bartjens staan alleen metrische maten en gewichten (zie bijlage). Dit alles om het metrische stelsel erin te stampen. Maar thuis gaat het gezin Papenborg gewoon door met de traditionele maten en gewichten zoals een duim, een voet en een trad. Ook de el wordt bij hen geen meter maar blij gewoon de oude vertrouwde 69 centimeter.
Eimert bereikt voor zichzelf en zijn kinderen nooit het onderwijsniveau van de burgerlijke middenklasse of hoger. Het blij voor het gezin Papenborg bij een aantal jaar dorpsschool en dan alleen nog in de koude maanden. ’s Zomers werkt de hele familie op het land. De inkomsten zijn dermate karig, dat ze het zich niet kunnen veroorloven werkkracht in te huren om hun kinderen vrij te spelen voor een vervolgopleiding. Van zand en heide spin je geen zijde.
41 P. J. Buijnsters (ed.), Hieronymus van Alphen, Kleine gedigten voor kinderen. Amsterdam: Delta AtheneumPolak & Van Gennep, 1998, p. 186.
42 Marie-Louise Hopf-Droste, ‘Vorbilder, Formen und Funktionen Ländlicher Anschreibebücher’.
In: H. O enjann & G. Wiegelmann, Alte Tagebücher und Anschreibebücher. Beiträge zur Volkskultur in Nordwestdeutschland herausgegeben von der Volkskundlichen Kommission für Westfalen Landscha sverband Westfalen-Lippe. He 33. Münster: F. Coppenrath Verlag, 1982, p. 77.
43 Ecal: Toegangsnr.: 0546, Inv.nr.: 327.
44 Bij de invoering van het Nederlandse metrieke stelsel wordt het Nederlandse pond vastgesteld op een kilogram.
45 Ecal: Toegangsnr.: 0546, Inv.nr.: 352.
Oude appelrassen, dikwijls met Bijbelse namen refererend aan het scheppingsverhaal, zoals ook in het hof van het gezin Papenborg groeide. Uit: Johann H. Knoop, 1758, ‘Pomologia’ Tab. XII. Special Collections, Wageningen University & Research – Library.
Activiteitenareaal
Lunsingh Scheurleer vat het in 1941 bondig samen: ‘Tot het midden van de 19e eeuw leefde men op het pla eland betrekkelijk afgezonderd; de verbindingen waren dikwijls moeilijk en vergden veel tijd; een tocht naar de dichtstbijzijnde stad was toen een hele onderneming.’46 Schaap stelt, net als de meeste volkskundigen vóór haar, dat de boer de zin en waarde van het leven vooral in de traditie van zijn bodem verbonden bestaan zoekt, hij staat a eurend tegenover alles wat vreemd is.47 De boer lee dus niet alleen afgesneden van moderne ontwikkelingen, hij zou dat isolement bovendien zelf in stand willen houden. Dit isolementsparadigma hee een grote invloed gehad op de volkskunde. Door dit isolement zou zich een unieke identiteit kunnen ontwikkelen, verschillend van de omgeving.48 Beter dan met andere archivalia kan met dit dagboek gereconstrueerd worden wat het activiteitenareaal is van dit geïsoleerd wonende gezin.
Gedurende de verkeringstijd gaan Engele Maria en Eimert naar kermissen, markten en katholieke feesten in Lichtenvoorde (7 km), Groenlo (9 km) en Aalten (12 km). De handel in hooi, mest, schadden, dakstro en zaad (vlas, rogge, koolzaad, paardenbonen) gebeurt met boeren uit de directe omgeving. De afzet van gewassen zoals kool vindt plaats in Lievelde (7 km), Groenlo (9 km) en Ruurlo (9 km). Op latere lee ijd loopt Eimert elke maand naar deze laatste plaats om er als gemeenteraadslid deel te nemen aan vergaderingen.
Het gros van de ambachtslieden waarvan ze diensten of producten afnemen zit in een straal van 10 km. De wever zit in Harreveld (6 km), de wandklok komt uit Halle (8 km), koperen ketels halen ze uit Groenlo (9 km) en leren laarzen komen uit Ruurlo (9 km). Voor speciale zaken, zoals de reparatie van het zakhorloge, moeten ze naar Borculo (15 km). Naar dezelfde marktplaats lopen ze driemaal per maand met vijf tot acht kilo boter in een mand op de rug, tweeëneenhalf uur heen en tweeëneenhalf uur terug.
Varkens drijven ze voor zich uit en verkopen ze in Varsseveld (11 km), Aalten (12 km) en Hengelo (17 km). Het vlees, vooral de hammen, gaat per kruiwagen naar Lichtenvoorde (5 km), Varsseveld (11 km), Borculo (15 km) en Gaanderen (17 km). Ossen, de trekkracht en daarmee het belangrijkste dier op het bedrijf, komen geleid aan een touw uit een groot gebied: een enkele keer uit Zieuwent zelf, de meeste van de beestenmarkt te Aalten (12 km), een paar uit Ko en (23 km) en Ratum (23 km) beide achter Winterwijk en een os halen ze uit het Overijsselse Rijssen (37 km).
46 D.F. Lunsingh Scheurleer, ‘Volkskunst in woonhuis en huishouding’, in: A. Teenstra (red.), Nederlandsche Volkskunst. Amsterdam: Elsevier, 1941, p. 77.
47 Schaap doet dat hier vanuit een nationaalsocialistisch bedreven cultuurpolitiek. Zie: G. Schaap, ‘Nederlandsche Volks- en Ambachtskunst’. In: J. de Vries (ed.), Volk van Nederland. 3e druk. Amsterdam: N.V. Uitgevers-maatschappij ‘Elsevier’, 1943, p. 323.
48 Al eerder is voor een aantal icoonplaatsen aangetoond dat wetenschappers zelf die uniciteit hebben versterkt en dat die plaatsen intern veel pluriformer zijn en onderling veel meer overeenkomsten vertonen. Zie: H. Piena, Kleurrijk Nederland. Beschilderd meubilair tussen 1600-1930. Proefschri , Universiteit Leiden, deel 1, p. 577-583.
Het gezin kan niet bestaan van de traditionele agrarische opbrengsten alleen. Daarom stookt de familie Papenborg houtskool voor de omliggende ijzergieterijen in Deventer en later Laag Keppel, respectievelijk 42 en 22 km. Hun kolenbrandersknechten wonen in Silvolde en Haaksbergen, respectievelijk 18 en 26 km ver lopen. Een van zijn kolenbranders-knechten doet hetzelfde werk bovendien in Duitsland (ca. 27 km).
De enige harde grens lijkt de rivier de IJssel, waarschijnlijk door de eraan gelegen stapelplaats Zutphen. Deze stad functioneert als distributiecentrum met een volledig assortiment aan goederen voor het achterland. Dat geldt niet alleen voor het gezin Papenborg, ook de stenen voor het Kasteel Ruurlo van de barones49 tot het uniform en sabel: een hartsvanger aan een zwartblinkende leren riem,50 voor de veldwachter, het komt allemaal uit Zutphen.
De verbondenheid met het Duitse grensgebied is veel groter dan met het westen. Naast het al genoemde tweemuntenstelsel met Duitse thalers en Nederlandse guldens, en de ossen, betrekt het gezin ook stenen en kalk uit Duitsland. Bovendien spreken ze een dialect dat verwant is aan de dialecten in Westfalen waardoor Achterhoekers en Munsterlanders elkaar goed verstaan. Tot slot is zelfs hun schoolmeester, Meester Peper, uit Duitsland a omstig, evenals een deel van zijn schoolboeken om het Duits machtig te worden (zie bijlage).
Maar uiteindelijk is er maar één richtsnoer in het leven en dat is de paus. Noch Den Haag, noch koning Willem I, II en III spelen ook maar enige rol van betekenis in het leven. Voor Rome wordt gebeden, wordt gecollectioneerd in de kerk, het nieuws uit Rome wordt opgezogen.
Wat is voor Eimert zijn geografische identiteit? Ondanks zijn grote activiteitenareaal lijkt dat het eigen dorp te zijn. Zoals gezegd, als mensen geen familie zijn, leent hij alleen geld aan ze als ze in een straal van 2 km wonen. Ook dienstmeiden en knechten werven ze uitsluitend onder dorpsgenoten. Daarnaast is zijn kerk, waar ze minstens een keer per week naartoe wandelen, het centrum in zijn leven. Eimert schrij dan ook in 1843: ‘Zieuwent is mijn Vaders land.’
In tegenstelling tot wat vaak wordt beweerd maakt de trein niet mobieler. Naarmate het spoorwegennet zich uitbreidt (Zutphen en Deventer vanaf 1865, Ruurlo vanaf 1878) komen distributiecentra steeds dichter bij huis te liggen waardoor het steeds minder zin hee om je goederen verder weg af te ze en en steeds minder nodig is om goederen van ver te halen.51 De trein zorgt er daarom voor dat producerende lieden zoals boeren en ambachtslui niet mobieler maar juist immobieler worden. Het uitbreidende spoorwegennet lijkt in het leven
51 Bjarne Stoklund, ‘Bäuerliche Tagebücher aus Dänemark als ethnologische Quelle.’ In: H. O enjann & G. Wiegelmann, Alte Tagebücher und Anschreibebücher. Beiträge zur Volkskultur in Nordwestdeutschland herausgegeben von der Volkskundlichen Kommission für Westfalen Landscha sverband Westfalen-Lippe. He 33. Münster: F. Coppenrath Verlag, 1982, p. 15; P. Balle-Petersen, ‘Kontinuität in der Dänischen Baurngesellscha im 19. Jahrhundert’, idem, p. 142.
Knoopkruid: een van de vele kruiden waarmee het gezin Papenborg haar eigen medicijnen brouwden, verstoken als ze waren van enige gezondheidszorg. Uit: Flora Batava, Vol. 1, 1800. Special Collections, Wageningen University & Research – Library.
Activiteitenareaal (1841-1888) van het in Zieuwent (Achterhoek) wonende boerengezin Papenborg. Ontwerp: Marjon Gemmeke.
van Eimert alleen van invloed te zijn bij de afzet van zijn houtskool en gaat pas voor zijn kinderen een bepalender rol spelen. Academici hebben de boer lange tijd voorgesteld als iemand die zijn eigen dorp niet uitkomt en, in tegenstelling tot henzelf, van de grote wereld geen weet zou hebben. Het doet denken aan de populariteit bij de 17e-eeuwse gecultiveerde burgerij van schilderijen vol boertige typen die drinken, brallen, dansen, vechten, de meid in de borsten knijpen en in een hoek staan plassen, om daarmee besmuikt gniffelend, het contrast met henzelf te kunnen benadrukken. Zeker, reizen is moeilijk. Het gezin Papenborg sjokt op klompen over zandwegen, door onbewoonde veengebieden en in de blubber langs steeds weer overstromende beken. ’s Winters ligt er sneeuw die aan hun klompen klontert.52 Maar heel het leven is zwaar. Eimert ster dan ook op 61-jarige lee ijd, totaal versleten. De enige dienstmeid die het haar hele leven in het gezin volhoudt wordt zelfs maar 54. Deze mensen leven in een van de meest geïsoleerde gebieden van Nederland, aan de rand van de woestenij, te midden van onverharde wegen, in de buurt van een piepklein dorp.53 Juist daarom moeten ze een groot gebied bestrijken.
Samenvattend
Uit het dagboek en de bestudeerde archivalia komt een leven naar voren waarin men geografisch gezien een groot gebied bestrijkt. Sociaal gezien beperken ze zich echter tot het eigen dorp, de geloofsgenoten en de familie. De verhouding met de wereld daarbuiten is tweeslachtig. Het gezin spreekt Achterhoeks maar Eimert legt zich, om hoger op te komen, enorm toe op het Nederlands. Op school leert men het metrieke stelsel, maar in het onderlinge verkeer blij men vasthouden aan de streekeigen oude maten en gewichten. Bestuurlijk valt het gebied onder Den Haag, maar ze hebben een veel grotere band met Duitsland. Tot slot leven ze in een voornamelijk protestants land maar ze zijn zelf daarentegen in en in katholiek. Kortom, ze zijn in alles anders dan de grote officiële buitenwereld maar moeten in die buitenwereld maatschappelijk en economisch succesvol zien te zijn om sowieso te kunnen overleven.
Bijlage
Lijst met publicaties waarin teksten voorkomen die zijn geciteerd in het dagboek. De ordening is op alfabetische volgorde van achternaam van auteur, en indien ontbrekend op volgorde van titel, lidwoorden niet meegerekend. Van drie boeken zijn tot nog toe alleen latere drukken gevonden.
52 Zijn leren laarzen gebruikt hij waarschijnlijk alleen voor tochten naar representatieve doeleinden. Ook zijn tijdgenoot schoolmeester Panken reist op leren laarzen. Zie: P. Meurkens (ed.), De dagboeken van P.N. Panken 1819-1904. Memorieboek van een Brabantse schoolmeester. Eindhoven: Uitgeverij Kempen, 1993-1998.
53 Anton Stortelder, ‘Isolement Zieuwent/Harreveld’. In: Het Hoenderboom, nr. 89, augustus 2016.
Almanak van Vernu en Smaak voor het Jaar 1803. Amsterdam: De Wed. J. Döll, volume 6.
Almanach voor het verstand en hart, voor het Jaar 1808, volume 8.
Almanak voor het schoone en goede voor 1827. Amsterdam: G.J.A. Beijerinck, 1827, volume 7.
Hiëronymus van Alphen, Proeve van kleine gedichten voor kinderen. Utrecht: De Wed. Jan van Terveen en Zoon, 1780.
Hiëronymus van Alphen, Proeve van kleine gedigten voor kinderen. Utrecht: De Wed. Jan van Terveen en Zoon, 1778.
Hiëronymus van Alphen, Kleine gedigten voor kinderen. Utrecht: De Wed. Jan van Terveen en Zoon, 1787. Hiëronymus Van Alphen, Dichtwerken van Mr. Hieronymus Van Alphen. Utrecht: De Wed. Jan van Terveen en Zoon, 1838, volume 2.
E. Andrew, Schoonheden uit Sturm’s overdenkingen over de werken Gods in de natuur: voor de vier Getijden des Jaars. Amsterdam: G. Portielje, 1836.
W. Bartjens, De vernieuwde rekenkunst. Ro erdam: J. Hendriksen, 1822.
De Bijbel: Spreuken: 21:31.
Jacob Cats, Zedelijke en meest bijzondere schoonheden, bijeenverzameld en op eene alphabetische orde gebragt door Mr. Sandelin. Brugge: Bogaert – Verhaeghe, 1822.
Jacob Cats, Dichterlijke zedelessen voor de jeugd, uit Cats en anderen verzameld, en tot een geregeld zamen-stel gebragt door Ma hijs Siegenbeek. Groningen: J. Oomkens, 1822, p. 12.
D. van Dapperen, Zang-oefeningen voor de lagere scholen, in overeenstemming met des schrijvers aanvankelijk onderwijs in de muzijk en het zingen. Amsterdam: J. van der Hey, 1818.
Bartholomeus Doorenweerd, Bijbelsche verhalen: een leesboek voor de Nederlandsche jeugd. Amsterdam: A. Schievenbus, 1818, volume 1.
Bartholomeus Doorenweerd, Verhalen uit het Oude Testament, een leesboek voor de Catholijke Jeugd. Si ard: J.M. Alberts, 1838.
Bartholomeus Doorenweerd, Verhalen uit het Nieuwe Testament: een leesboek voor de Nederlandsche jeugd. Amsterdam: A. Schievenbus, 1820.
Eerste beginselen van den Godsdienst voor kinderen van zeven tot tien jaren, in huisgezinnen en scholen. Leyden: D. du Mortier en Zoon, 1801.
P.J. Harrebomée, Spreekwoordenboek der Nederlandsche taal, of verzameling van Nederlandsche Spreekwoorden en Spreekwoordelijke Uitdrukkingen van Vroegeren en Lateren Tijd. Utrecht: Kemink en Zoon, 1858, volume 1.
A.W. Helffer, Handleiding bij het onderrigt in de toon- en zangkunst. Amsterdam: G. Portielje, 1829.
J.W.L.F. Ippel, Vertaal-Oefeningen voor de Hoogduitsche taal: zijnde eene Verzameling van Spreuken, Anekdoten, Trekken uit de Geschiedenis, Aardrijks- en Volkenkunde, enz. Amsterdam: Schalekamp en Van de Grampel, 1829, volume 1.
J.W.L.F. Ippel, Neues Lehrbuch der deutschen Sprache. Leeuwarden: H.C. Schetsberg, 1834, volume 1.
F. IJntes Kingma, Orpheus onder de jeugd, of gezangen, oefeningen en spelen, ten dienste van kinder-bewaarscholen en huisgezinnen. Leeuwarden, 1843.
J. Koenders, Grammaire Hollandoise. Luik: V. Duvinier, 1820.
Leesboek tot oefening in het kunstmatig lezen: 2e stukje geredigeerd door Nicolaas Anslijn (N.Z.). Leyden: D. du Mortier en Zoon, 1839.
Giovanni Antonio Magini, Aantekeningen van Don Antonio Magino Bij het aanwijzen van de onderscheidene standen der mane, benevens de eclipsen. Voor het Jaar 1810. Amsterdam: d’ Erven van de Wed. C. Stichter.
Giovanni Anthonio Magino, Aantekeningen van wijlen Don Anthonio Magino. Voor den Jare 1822.
Giovanni Antonio Magini, Aantekeningen van wijlen Don Anthonio Magino. Voor den Jare 1823.
J.V. Meidinger, Nieuwe beoefenende Hoogduitsche spraakkunst, of nieuwe en vermakelijke leerwijze om de Hoogduitschetaal te leeren. Zutphen: H.C.A. Thieme, 1818, volume 1.
Opstellen tot voorschri en om na te schrijven ten dienste der scholen in het koningkrijk Holland. Amsterdam: P. den Hengst en Zoon, 1809, p. 65.
W. Oudshoff, De Muzikale Vriend Der Jeugd. 1828, p. 29; A.W. Helffer, Handleiding bij het onderrigt in de toon- en zangkunst. Amsterdam: G. Portielje, 1829. W. Plokker, Oefeningen in het stellen van brieven. Barneveld: P. Andreae Menger, 1861.
H. Polman (Az.), Schoolgezangen, voor drie stemmen: dienende tot dagelijksch gebruik bij het aan- en uitgaan der school, en bij bijzondere gelegenheden. Amsterdam: J. van der Hey en Zoon, 1828.
R.G. Rijkens, Aanschouwelijk onderwijs. – Handboekje voor bewaar- en lagere scholen, ter vorming van verstand en hart; volgens den geest van Pestalozzi en Nieuwald, met muzijkplaatjes en a eeldingen. Leeuwarden: G.T.N. Suringar, 1847.
Spel- en leesboekje voor de jeugd. Door Bataafsche Maatschappij: tot Nut van ’t Algemeen, 1805.
Trap der jeugd uitgegeven door de Maatschappij: Tot nut van ’t algemeen. Leyden: D. du Mortier en Zoon, 1793.
Trap der jeugd uitgegeven door de Maatschappij: Tot nut van ’t algemeen. Leyden: D. du Mortier en Zoon, 1801.
Trap der Jeugd. Leyden: D. du Mortier en Zoon, 1821.
Verzameling van oude en nieuwe gezangen voor alle de hoogtijden des jaars, en eenige lofzangen voor de feestdagen der heiligen, ten dienste der Rooms-Katholijke zangeren en zangeressen. Amsterdam: De Wed. F.J. van Tetroode, 1818.
Volks-liedjens uitgegeven door de Maatschappij tot nut van ’t algemeen. Tweede stukjen. Amsterdam: H. Keijzer, A. Fokke en C. de Vries, 1790.
Volks-liedjens, uitgegeven door de maatschappij tot nut van ’t algemeen. Amsterdam: H. Keijzer, A. Fokke en C. de Vries, 1792.
Jeronimo de Vries (Gzn.), Verslag gegeven in de oude Lutherse kerk te Amsterdam, bij het openbaar onderzoek en de prijs-uitdeeling, der stads armen-scholen, den 20sten maart 1832. Amsterdam, 1835.
H. Wester, Godsdienstige gezangen voor de jeugd. Groningen: Jan Oomkens, 1803.
De zeven blijdschappen van de allerzaligste maagd en moeder gods Maria. Naar een oud exemplaar. ’s-Gravenhage: T.C.B. Ten Hagen, 1865.
willem rodenhuis sporen
De digitale circuscollectie van het Allard Pierson
Een veelzijdig platform ten dienste van onderwijs en onderzoek
Academische verzamelingen, bibliotheken en archieven vormen de onmisbare grondstof voor ieder wetenschappelijk onderzoek. Dit besef heeft gedurende eeuwen de beheerders van de meest uiteenlopende collecties gemotiveerd om de hen toevertrouwde boeken, tijdschriften, handschriften, foto’s, films en andere objecten te catalogiseren en onder zo gunstig mogelijke omstandigheden te bewaren, opdat zij voor iedere mogelijke wetenschappelijke interesse vindbaar en beschikbaar zijn. Ook het circus en zijn verwante genres zijn het meer dan waard om onder een dergelijk regime voor onderzoeksdoeleinden toegankelijk te zijn. Het besef dat het circus voor wetenschappers van belang kan zijn bijvoorbeeld voor de duiding van maatschappelijke en culturele processen is vreemd genoeg van recentere datum, tenminste waar het de situatie in Nederland betreft. Natuurlijk, er werd het nodige bewaard, maar dit betrof vaak materiaal in particuliere liefhebbersverzamelingen of archieven van de verschillende circusondernemingen, dan wel stedelijke of regionale archieven, waar incidenteel, dus zonder gericht beleid, materiaal over het circus werd opgenomen, bijvoorbeeld naar aanleiding van gegeven voorstellingen in de betreffende stad of regio.
Het Allard Pierson bestaat als academische instelling sinds 2019 uit een tweetal kernen, namelijk het Archeologische Museum van de Universiteit van Amsterdam en de voormalige afdeling Bijzondere Collecties van de Universiteitsbibliotheek. Samen beheert het instituut meer dan duizend zeer uiteenlopende verzamelingen, verdeeld over alle denkbare velden van wetenschappelijke aandacht, zoals de kaarten en atlassencollectie van het Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap, de Artisbibliotheek, de Bibliotheca Rosenthaliana (Judaica), het archief van Doopsgezinde Gemeente in Amsterdam, de Amsterdamse Universiteitsgeschiedenis, de historische collectie van de Vereniging Toonkunst Nederland, het Nederlands Jazzarchief, kookboeken en culinaria, en natuurlijk een omvangrijke collectie op het terrein van de klassieke archeologie.1
De oorsprong van de bibliotheek van de universiteit ligt in het jaar 1578, toen de stad Amsterdam na lange jaren van aarzeling en afwegingen die werden gevoed door eigen belang, koos voor de opstand onder leiding van Willem van
1 Zie voor een completer beeld de website van het Allard Pierson: www.allardpierson.nl (bezocht op 20-06-2022).
Oranje tegen het Spaanse landsbestuur. De stad ging daarmee over naar het protestantisme als leidende religie en als gevolg daarvan werden kloosters, kerken en andere katholieke instellingen zoals weeshuizen en scholen op een zijspoor gezet. Het kostbare boekenbezit van deze instellingen verviel aan de stad en werd beschikbaar gesteld voor de Latijnse School en de geleerde burgerij. Het Athenaeum Illustre, de rechtsvoorganger van de Universiteit van Amsterdam die pas in 1877 als volwaardige universiteit zou worden erkend, verkreeg de boekenverzameling in 1632 en sindsdien vormde dit de kern van het zeldzame boekenbezit van de Universiteit van Amsterdam. Tegen deze achtergrond is de ontwikkeling van de circuscollectie van het Allard Pierson begonnen in 1964 met de aanvaarding van een legaat van de verzamelaar K.D. (Kees) Hartmans (1906-1963), die bestond uit ruim 2500 boeken, met daaraan verbonden een bedrag van 10.000 gulden (ongeveer € 4500). De boeken hadden betrekking op de vele face en van het circus, zoals dressuur, acrobatiek en clownerie sinds de ach iende eeuw, met daarbij aandacht voor kinderboeken, en handleidingen voor illusionisme en goochelen. De rente van het geschonken legaatbedrag was bestemd om de collectie te onderhouden en ook om nieuw verschenen literatuur aan de collectie te kunnen toevoegen. Vanaf het jaar 2000 werd waar mogelijk het accent bij de verwerving van literatuur op het wetenschappelijk karakter gelegd. De unieke verzameling “universiteitsvreemde” circusliteratuur van de Hartmansschenking was wellicht de reden voor de bibliothecaris van de universiteit dr. Herman de la Fontaine Verwey (1903-1989) om de schenking te aanvaarden. Er verscheen vier jaar later een catalogus, bezorgd door titelbeschrijfster Marja Keyser en deze publicatie zorgde ervoor dat de Amsterdamse circuscollectie onder vakgenoten in binnen- en buitenland bekend gemaakt kon worden.2 Daarbij kwam dat de Engelse onderzoeker Raymond Toole Sto in de jaren zestig bezig was met de samenstelling van een bibliografie van circusliteratuur op grond van het bezit van de Bibliothèque Nationale de France, het British Museum en de Library of Congress. Zodra hij echter weet kreeg van de verzameling die zich in Amsterdam bevond, besloot hij om alsnog een vierde deel toe te voegen aan zijn publicatie, gebaseerd op de toen juist verschenen Amsterdamse circus catalogus.3
Met de publicatie van de gedrukte catalogus en de bibliografie van de hand van Toole Sto werd er voldaan aan een belangrijke voorwaarde die essentieel is voor iedere bibliotheek of archief, namelijk de vindbaarheid en de toegang tot in een instelling aanwezige materiaal. Tot het digitale tijdperk was een gedrukte catalogus of een bibliografie het meest effectieve instrument dat onderzoekers, docenten en studenten ter beschikking stond om hun onderzoek vorm te laten krijgen. In de loop van de jaren zestig en zeventig werd de Amsterdamse circuscollectie nog verrijkt met een aantal schenkingen en aankopen, mogelijk gemaakt door de genoemde rente-inkomsten van het oorspronkelijke legaatbedrag. Deze aanvullingen betroffen met name de
2 Catalogus van de Circus-Bibliotheek nagelaten door K.D. Hartmans, Eerste deel, Marja Keyser ed., Bibliotheek Universiteit van Amsterdam, Amsterdam 1968.
3 Raymond Toole Sto , Circus and Allied Arts. A World Bibliography, 4 vol., Derby 1958-1971.
dagboeken van paardendresseur en circusartiest Andreas (Bob) Schel out (1917-1999), een reeks diverse affiches en programmaboekjes verbonden met in Nederland gespeelde circusvoorstellingen in de jaren vij ig, zestig en zeventig en archivalia, manuscripten en correspondentie van de publicist en impresario Jo van Doveren (1901-1968). Daarnaast werden er ook schilderijen, tekeningen en enkele kostuums en rekwisieten aan de collectie toegevoegd, vaak als geschenk. Een opmerkelijke inbreng bij deze schenkingen vormt de collectie kermismachinerieën en draai- en dansorgels die door Bartele Stapert (1919-1980) aan de universiteit is overgedragen. De bouwtekeningen van draaimolens, al dan niet door stoom aangedreven, en de gedetailleerde documentatie van de constructie van draai- en dansorgels verdienen een nadere blik. Stapert had in zijn tijd nauwe banden met de in Nederland zeer actieve en gewaardeerde promotor van het culturele erfgoed, dat het draaiorgel en ook het carillon voor de Nederlandse maatschappij betekende, de jurist Romke de Waard (1919-2003). De Waard behoorde ook tot de oprichters van het Utrechtse Museum Speelklok, waarmee overigens nog geregeld uitwisseling van documentatie gegevens rond het straat- en dansorgel plaatsvindt.
Strooibiljetten en plakkaten van diverse circussen, eerste helft van de negentiende eeuw. Circuscollectie Allard Pierson, Universiteit van Amsterdam
De jaren tachtig en negentig gingen voor de circuscollectie betrekkelijk rustig voorbij en door het gebrek aan belangstelling bij onderzoekers en publicisten raakte het aanwezige materiaal wat op de achtergrond. Er werd echter wel aandacht besteed aan het op peil houden van de boekencollectie door de selectieve aankoop van nieuw verschenen literatuur. Dit alles veranderde rond de millenniumwisseling. De Koninklijke Bibliotheek te Den Haag begon toen met een digitaal conserveringsproject om kwetsbaar gedrukt materiaal dat zich in Nederlandse collecties bevond veilig te stellen.4 Door de publicatie van de gedrukte catalogus in 1968 was de circuscollectie ook bekend bij de Haagse collega’s en werd met name het affichebezit op de werklijst geplaatst van te conserveren materiaal. Hiermee ontstond er een nieuwe impuls voor activiteit rond de circusverzameling. Er moest een selectie worden gemaakt van de meest kwetsbare en noodzakelijk te conserveren materialen, waaronder affiches, prentbrie aarten en programmaboekjes. Ook moest er een nadere inventarisatie van het materiaal worden gemaakt, met name waar het ging om de acquisities uit de voorbije twee decennia. Een nog grotere uitdaging bleek in dit stadium de stand van de beschikbare technologie. Door het vaak uitzonderlijke formaat en de bonte kleuren van de affiches schoot bij diverse proefnemingen de verwerkingscapaciteit van de beschikbare computers tekort. Ook bleek dat er onvoldoende vermogen ter beschikking was van de opnameapparatuur, zoals de fotolenzen die de computer van input moesten voorzien. De resoluties schoten tekort en daarmee voldeed het gedigitaliseerde materiaal niet aan de gestelde eisen van het project Metamorfoze, namelijk dat het resultaat geschikt moest zijn voor een wetenschappelijk verwerkingsen presentatieniveau. Dit hield bijvoorbeeld in, dat het materiaal snel moest kunnen worden gedownload, verwerkt en qua resolutie (minimaal 300 dpi) geschikt moest zijn om in allerlei vormen van publicatie te worden gebruikt. Al met al zou het tot ongeveer 2010 duren eer de informatie-industrie zich zover had ontwikkeld, dat er sprake kon zijn van een verantwoord digitaliseringproces.
Het jaar 2012 kende in Nederland een ongekend streng bezuinigingsbeleid van de overheid (eerste Kabinet Ru e) als gevolg van de eurocrisis die zich vanaf 2010 in zijn volle omvang had doen gelden. Dit beleid zorgde met name in de cultuursector voor grote problemen, niet alleen bij de uitvoerende kunstenaars en hun organisaties (orkesten, theaters, filmproductiebedrijven), maar ook bij de beleidsondersteunende instellingen op cultureel terrein. Zo werd het Theater Instituut Nederland (TIN), museum, documentatiecentrum en archief van de podiumkunsten, gedwongen om zijn deuren te sluiten en de unieke collectie, met daarin ook een fraaie component circusmateriaal, die vanaf 1924 gestalte had gekregen, dreigde verweesd te raken. Met een doortastend optreden besloot de Universiteit van Amsterdam de gehele collectie van het TIN over te nemen en op die manier de toegang tot de theater- en circuscollectie voor de toekomst veilig te stellen. Deze overdracht vond plaats op 1 januari 2013. De circuscollectie van het TIN kent een grote
4 Project Metamorfoze, genoemd naar de semiautobiografische romanserie van de Nederlandse auteur Louis Couperus (1887)
Marokkaanse acrobatengroep, Friedländer nummer 4474, steendruk, 92 x 62 cm. Amsterdam. Circuscollectie Allard Pierson, Universiteit van Amsterdam
verscheidenheid aan materialen die verkregen zijn uit diverse verzamelingen. Naast boeken, tijdschri en en programmaboekjes betre het ook schilderijen, litho’s, tekeningen en foto’s. Als een prominent bestanddeel geldt de collectie Linssen, die bestaat uit meer dan 9000 affiches, aangevuld met 3000 boeken, tijdschri en, prentbrie aarten, dia’s en foto’s die de periode 1765-2010 beslaan. Het oeuvre van 1750 foto’s die de fotograaf Heinz Baudert (1915-2003) tussen 1940 en 1980 maakte, vormt aan andere belangrijke aanvulling. Baudert had goede contacten met diverse circusdirecties en kon daardoor geregeld ook buiten de voorstelling om het circusleven treffend vastleggen. Ook het archief van het circus Kavaljos, een privécircus van de schatrijke ondernemer, circuslie ebber en filantroop Bernard van Leer kon op deze manier aan de collectie van de Universiteit van Amsterdam worden toegevoegd.5
De digitalisering zoals beoogd door het project Metamorfoze had inmiddels tot een tastbaar resultaat geleid, maar de opname van het circusmateriaal van het TIN maakte dat er moest worden gekeken hoe deze aanzienlijke aanvulling het beste kon worden verwerkt. Bovendien kwam in de loop van 2016 de wens naar voren van het Teylers Museum in Haarlem om hun circuscollectie, die had toebehoord aan de verzamelaar Jaap Best (1912-2002) over te dragen aan de Universiteit van Amsterdam. De Best collectie was al gedigitaliseerd
5 Van Leer had patent op zijn uitvinding van de oliedrum, de wereldwijde standaardmaat voor de leverantie van aardolie. Zie: Pauline Micheels, De Vatenman. Bernard van Leer (1883-1958), Amsterdam/ Antwerpen, 2002.
dankzij een financiële bijdrage van mevrouw Rie Best-O e (1927-2013) en kon daarom vrij gemakkelijk aan het Metamorfoze corpus worden toegevoegd. Zo ontstond in het najaar van 2018 een grote geïntegreerde circuscollectie, die was opgebouwd uit drie basiscollecties, namelijk die van de Universiteit van Amsterdam, het voormalige Theater Instituut Nederland en de collectie Jaap Best die via het Teylers Museum kon worden opgenomen. De grote a ractie van de collectie Jaap Best wordt gevormd door de vrijwel complete verzameling van 9045 affiches, geproduceerd door de in Hamburg gevestigde drukkerij van Adolph Friedländer tussen 1872 en 1933, het jaar dat de als joods aangemerkte onderneming zijn deuren moest sluiten op last van de Duitse nazioverheid. De cultuurhistorische waarde van deze affiches wordt wereldwijd onderkend en één van de argumenten hiervoor is dat de affiches een treffend beeld geven van de grote verscheidenheid van het circusbedrijf en het aangeboden amusement in de periode van overgang tussen de negentiende en de twintigste eeuw. Ook de kunstzinnige a eeldingen, waarvoor Friedländer destijds gerenommeerde dierenschilders als Christian Bertels en Wilhelm Eigener aantrok, gekoppeld aan de hoge standaard van de toegepaste steendruktechnieken (kleurenscala, extra grote formaten) dragen aan deze waardering onder kenners van het overgeleverde erfgoed bij. Friedländer werkte in opdracht van vrijwel alle grote circusondernemingen in zowel Europa als in de Verenigde Staten.6
6 Ter gelegenheid van de verwerving van de Jaap Best collectie verscheen er een publicatie: Dick H. Vrieling, Het Beste van Best. De unieke collectie van Jaap Best, Amsterdam 2017.
Medifreds jongleurs, Parterre Ringenact tijdens TV-opnamen voor het KRO-programma De Piste (1959/1960), Barietpapier zwart/wit, 12,4 x 17,4 cm. Amsterdam, Heinz Baudert, Circuscollectie Allard Pierson, Universiteit van Amsterdam
Door de digitalisering van de nieuwgevormde circuscollectie en de bouw van een digitaal platform (www.circusmuseum.nl) kon er een belangrijke stap gezet worden in het beschikbaar komen van informatie voor een wereldwijde kring van onderzoekers, studenten, scholieren, publicisten en programmamakers voor zowel media als tentoonstellingen. De website laat zich zowel in het Nederlands als het Engels doorzoeken en het gewenste beeldmateriaal mag vrij van rechten worden gebruikt, mits er bij publicatie een bronvermelding wordt toegevoegd. Het noodzakelijke beheer en onderhoud van de site wordt verzorgd door de Universiteit van Amsterdam. De wetenschappelijke praktijk van alledag bestaat onder meer uit een voortdurend proces van belangenafwegingen tussen de individuele onderzoeker en die van de instelling waarbinnen hij of zij zijn werkzaamheden verricht. Denkbeelden en visies, al dan niet intuïtief gevormd, worden in het wetenschappelijk proces van literatuur- en praktijkonderzoek getoetst en verder ontwikkeld gedurende een fijnmazig proces. Weerstand tegen nieuwe opva ingen en duidingen dient door gegronde argumenten en onderzoeksresultaten in vrijheid weerlegd te kunnen worden. Hierbij speelt de onbelemmerde toegang tot informatie, die zowel actueel kan zijn, als overgeleverd uit soms eeuwenoude bronnen een essentiële rol. Academische bibliotheken en archieven spelen in dit proces een vitale rol.
Zo bekeken kan de aanvaarding van het legaat van Kees Hartmans door de bibliothecaris van de Amsterdamse universiteit als een mooi voorbeeld gelden. Het circusbedrijf gold zeker nog in de jaren zestig en zeventig als een marginale vorm van volksvermaak, waarvan men het bestuderen en duiden op wetenschappelijk niveau (beschrijving van het fenomeen, analyse en het verbinden met andere wetenschappelijke disciplines) als nauwelijks relevant zag. Daarom is het opmerkelijk dat bibliothecaris De la Fontaine Verwey de waarde van de circuscollectie en de mogelijke betekenis voor toekomstig wetenschappelijk onderzoek wel onderkende, en zijn individuele positie en gezag als bibliothecaris tot inzet maakte bij de aanvaarding van het legaat. In zijn voorwoord bij de catalogus van de circus bibliotheek formuleerde hij het zo:
“Het behoort tot de voorrechten van een algemene wetenschappelijke bibliotheek, zoals de Amsterdamse er een is, dat zij in haar opzet en organisatie plaats biedt voor verzamelingen op bijzondere gebieden, waarvan het verband met de strenge wetenschap op het eerste gezicht niet voor de hand ligt. Het circus is een goed voorbeeld van een dergelijk onderwerp, dat zijn belang niet alleen ontleent aan zichzelf, als uiting van kunst en vaardigheid en als volksvermaak, maar tevens van betekenis is voor de cultuurgeschiedenis vooral van de XIXe eeuw, en uitstraalt naar de le erkunde en de beeldende kunsten”.7
Met deze heldere visie effende De la Fontaine Verwey, zonder het misschien volledig te overzien, de weg voor de emancipatie van het fenomeen circus in al zijn verschijningsvormen die pas in de eenentwintigste eeuw in de academische wereld met de verzamelterm circus studies gestalte hee gekregen. Daarbij moet worden gezegd dat de bestudering van het circusbedrijf in
7 H. de la Fontaine Verwey, Voorwoord bij de Catalogus Circus-Bibliotheek, Amsterdam 1968.
Nederland een bescheiden rol hee gespeeld. In tegenstelling tot landen als Frankrijk, Duitsland, Italië, België, het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten en Canada was er van belangstelling voor het circus in academische kring nauwelijks sprake en deze situatie veranderde pas vanaf het begin van de eenentwintigste eeuw. Als een belangrijke factor voor deze verandering kan de opkomst vanaf de jaren zeventig van de twintigste eeuw van het politiek geëngageerde theater gezien worden. Deze theatermakers kozen bij voorkeur om hun voorstellingen buiten het gevestigde theatercircuit om te presenteren, en daarbij de stadspleinen en straten als speelruimte te gebruiken. Vanzelfsprekend ontmoe e deze theatervorm ook een publiek dat minder bekend was met de conventies van het repertoiretoneel en open stond voor alles wat er aan spektakel in de voorstellingen werd geboden. Circusspeltechnieken, zoals clownerie en acrobatiek, vonden op deze manier een haast vanzelfsprekende toepassing in deze theatervoorstellingen en wisten een nieuw publiek aan zich te binden. Terugkijkend op de historische ontwikkeling van het circusbedrijf gee Katie Lavers in haar bundel Contemporary Circus een bruikbaar drievoudig schema voor de te gebruiken terminologie.8 Het jaar 1768 ziet zij als het begin van het traditionele of moderne circus, zoals dat onder leiding van Philip Astley (1742-1814) gestalte kreeg. Deze vorm van het presenteren kenmerkte zich door een mengeling van acts met paarden, clownerie, wilde dieren en acrobatiek en was zeer succesvol tot ongeveer het midden van de twintigste eeuw.
Gevoed door de grote maatschappelijke en socioculturele veranderingen vanaf het midden van de jaren zestig ontstond volgens Lavers het nieuwe circus. Met dit nieuwe fenomeen werd afscheid genomen van de dierendressuur, de circuspiste en de spreekstalmeester, maar bleven de acrobatiek en de clownerie en er vormde zich een meer hybride vorm van presentatie die bovendien verbinding zocht met andere kunstvormen, zoals de beeldende kunsten, de muziek en het gesproken woord. Na 1990 is er volgens Lavers sprake van het eigentijdse circus, dat gezien kan worden als een samensmelting van de wezenlijke elementen van zowel het traditionele circus als het nieuwe circus. Over deze nieuw ontstane genres werd vanzelfsprekend gepubliceerd en met de duidingen ervan binnen de kring van theaterwetenschappers, cultuurhistorici en verwante onderzoekers groeide ook als vanzelf de interesse voor het circus en zijn eeuwenlange wordingsgeschiedenis.9
Bij de opzet van het digitale platform www.circusmuseum.nl is er geprobeerd om de zeer divers samengestelde collectie zo goed mogelijk aan het publiek aan te bieden. Daartoe zijn er in totaal 22 vensters of etalages ingericht om deze kennismaking in goede banen te leiden. Ook is er een handleiding toegevoegd, en een beschrijving van de verschillende basisonderdelen, waaronder de al genoemde schenkers als Hartmans, Van Doveren, Schel out, Baudert, Stapert, Van Leer, Best en Linssen. Ieder van de genoemde ingangen tot het beschikbare materiaal kan een onderzoeker, student of publicist van
8 Katie Lavers, Louis Patrick Leroux en Jon Bur eds., Contemporary Circus, Abingdon 2020, p. 6.
9 Met name vaktijdschri en als The Drama Review en Theatre Journal boden een podium voor het nieuw ontstane straa heater, waarbij het Bread and Puppet Theatre (USA), het Théâtre du Soleil (Canada) en de Dogtroep (Nederland) als pioniersgroepen het meest in het oog sprongen.
Circus Busch, Clown Francois als Kunstreiter, Friedländer nummer 4918, steendruk, 92 x 62 cm. Amsterdam, Circuscollectie Allard Pierson, Universiteit van Amsterdam
materiaal voorzien, en op die manier ondersteuning bieden bij een verdere bestudering of voorbereiding voor een publicatie of college. Als voorbeelden kunnen hier worden genoemd de vensters Paradepaarden, Luchtacrobatiek, Volkerenshows, Menagerie of Zoo, Entr’actes of pantomimes, Sideshows en wondermensen en het Transport in combinatie met techniek. Van deze rubrieken raken de volkerenshows en de sideshows het meest aan de wereld van de kermis of de jaarmarkt en daarom is een meer gerichte aandacht hiervoor zeker gerechtvaardigd.
De volkerenshow ontwikkelde zich als een bijeffect van het fenomeen wereldtentoonstelling, dat in de loop van de negentiende eeuw een grote populariteit verwierf. Enerzijds diende het evenement als een platform voor de zich ontwikkelende industrie en de technische innovaties die daarmee samenhingen. Anderzijds was er tijdens de wereldtentoonstelling ook de mogelijkheid om de cultuur van het organiserend land onder de aandacht van het publiek te brengen, en daarbij betrokken werd uitdrukkelijk de cultuur van de volkeren en gebieden die onder het koloniale bestuur van die tijd vielen. Het contact met de nieuw ontdekte niet-Europese culturen zorgde voor een interesse, zo niet een fascinatie voor het exotische, die zich ui e in de beeldende kunsten, de muziek en haast vanzelfsprekend ook in de wereld van het circus. De wereldtentoonstellingen werkten als een stimulans om de nietEuropese cultuuruitingen te presenteren: muziek en dansstijlen, kleding en voedselbereiding, het werd door de Europese burgerlijke bezoekers op hoge prijs gesteld om dit alles te bekijken en mee te beleven. Na de periode van een
Otto Riedel’s wissenschaftliches Museum und Panoptikum, Friedländer nummer 1313, steendruk, 92 x 62 cm. Amsterdam, Circuscollectie Allard Pierson, Universiteit van Amsterdam
tentoonstelling raakten de uitheemse groepen nogal eens verweesd en daar roken verschillende circusondernemingen hun kans door een contract aan te bieden om tijdens de circusvoorstellingen op te treden als entr’acte of gewoon als bezienswaardigheid op het circusterrein.10 De Friedländer affiches in de Allard Pierson circuscollectie geven hiervan een rijkgeschakeerd en compleet beeld: zowel op het gebied van de acrobatiek door Bengaalse of Berberse groepen, als de paardrijkunst is er materiaal beschikbaar, maar ook als het gaat om het eenvoudig tonen dan wel optreden van de diverse bevolkingsgroepen in de sideshows of als een speciale act in het hoofdprogramma. In de Verenigde Staten ontstond een variant, die ook in Europa zeer populair werd in de vorm van Wild West Shows, waarbij groepen indianen werden gecontracteerd om bijvoorbeeld in het circus P.T. Barnum op te treden. Barnum wordt algemeen gezien als de grote man in de ontwikkeling van de sideshow, waarbij hij ook de exploitatie van personen met een fysiek gebrek of geestelijk tekort betrok. Er zijn echter aanwijzingen dat het tonen van dit soort afwijkingen een langere geschiedenis kent die teruggaat tot in de zestiende eeuw. Wel kan worden gesteld dat dit soort presentaties in de negentiende eeuw in de circuswereld een grote vlucht hee genomen.
10 Peta Tait, ‘Animals, Circus, and War-Re-enactment’ in: The Cambridge Companion to the Circus, Gillian Arrighi en Jim Davis eds., Cambridge University Press, Cambridge 2021, p. 132: De Duitse circusondernemer Hans Stosch-Sarrasani geldt als één van de meest inventieve krachten die gebruikmaakte van het beschikbare aanbod van uitheemse volkeren rondom de wereldtentoonstellingen in Europa in de tweede hel van de 19e eeuw.
Ook de schaal van de shows nam in omvang toe: het circus van Barnum trad in Europa op tijdens de wereldtentoonstelling van Londen in 1886, waarbij ook een Wild West Show was geprogrammeerd. Hierbij waren in totaal 218 personen betrokken, waarvan 97 indianen, 180 paarden, aangevuld met elanden, herten, stieren, ezels en buffels. De buffels werden met name ingezet bij jacht- en lassowerpacts, waarbij het met scherpe munitie schieten met pistolen en geweren voor extra sensatie zorgde.11 Vandaag de dag hee deze vorm van vermaak een achterhaald karakter verkregen en wordt het in brede kring gezien als een uiting van eurocentrisme en een voorbeeld van vermeende suprematie van de Europese en de Noord-Amerikaanse cultuur en politiek. Het beeldmateriaal in de circuscollectie over dit thema kan nu, en zeker ook in de toekomst met dit waardevolle en unieke materiaal de opinievorming in het maatschappelijk debat voeden en helpt op die manier om dit beeldmateriaal in en vruchtbare context te blijven waarderen. Dit geldt ook voor het tentoonstellen en laten optreden van mensen met een afwijkend fysiek voorkomen of geestelijke tekortkomingen. De film Freaks (1934, Tod Browning) toonde het grimmige karakter van een dergelijke groep artiesten die een gedwongen en geïsoleerd leven binnen een circus moesten leiden. Of als een recenter voorbeeld de film Elephant Man (1980, David Lynch).
11 Robert Rydell en Rob Kroes, Buffalo Bill in Bologna: The Americanization of the World 1860-1922, Chicago 1994, p. 115-116.
Der lange Joseph, Friedländer nummer 6205, steendruk, 92 x 62 cm. Amsterdam, Circuscollectie Allard Pierson, Universiteit van Amsterdam
Maar de fascinatie voor het afwijkende is een menselijke eigenschap die zich niet zo heel eenvoudig laat wegredeneren. Hoe abject de exploitatie van mensen met een tekort of ziekte tegenwoordig ook wordt gezien, feit blij dat er toch op allerlei manieren aandacht voor wordt gegenereerd en zelfs leidt tot televisieformats, waarin patiënten met een duidelijke obesitasaandoening worden onderworpen aan een fysiek trainingsregime om gewicht te kunnen verliezen. Voyeurisme ten top, en dat was precies één van de factoren die de sideshows bij het negentiende-eeuwse burgerlijke publiek wist wakker te maken. Minder schrijnend, maar wel in dezelfde sfeer van aandacht kunnen de shows geplaatst worden die bijvoorbeeld tot ver in de twintigste eeuw werden gebracht op evenemententerreinen zoals Coney Island in New York of het Prater in Wenen. Travestietenshows, of personen die al dan niet waren geschminkt, dan wel aan echte huid- of andere fysieke aandoeningen leden, traden op in kleine theatertjes, en deden een appel op een collectief gevoelde griezelervaring bij het vaak schaarse publiek. Ook de nu zo populaire standupcomedy ontwikkelde zich mee op deze podia met vallen en opstaan.12 Minder somber stemmend is een zekere opleving van dit soort sideshowtheater binnen het raamwerk van de vele festivals die vaak in het zomerseizoen worden geprogrammeerd, zoals de Parade in Nederland. Hier tre men geregeld griezel- en freakshows aan met een knipoog naar het publiek en in combinatie met acrobatische vaardigheden die uit de circustraditie stammen. Als een voorbeeld kan dienen de Freakshow van Captain Frodo die te zien was en hoog werd gewaardeerd tijdens het recente Circusstad Festival in Ro erdam dat van 4 tot 8 mei 2022 plaatsvond.
Bij wijze van conclusie kan worden gezegd dat de Allard Pierson circuscollectie de gebruiker enerzijds laat kennis maken met unieke beelden en materialen, zoals overgeleverd uit het verleden, en tegelijkertijd een ervaring bezorgt die inzicht gee in het zich steeds ontwikkelende en actuele karakter van diezelfde materialen. Voor een academische verzameling een essentiële basisvoorwaarde en een inspiratie om ook in de komende jaren de collectie op een zorgvuldige manier te bewaren en voor het publiek van studenten, onderzoekers en alle andere belangstellenden beschikbaar te stellen. De digitalisering van de collectie, zoals die nu zijn vorm hee verkregen, biedt voor dit alles een solide basis.
12 Mark Sussman, ‘A queer Circus. Amok in New York’ in: Peta Tait en Katie Lavers eds., The Routledge Circus Studies Reader, London/New York 2016 p. 200-206.
flynn hermsen en marc jacobs sporen
Secret Santa in 68 Sint-Maarten
Computeronderzoeksteunde kalenderrituelen in 2019 en 2020: een gevalstudie
December is een maand vol feestdagen, in België ook een maand waarin veel mensen in de winkels op zoek gaan naar het perfecte cadeau voor een familielid, vriend of vriendin. Zo organiseert de scoutinggroep 68 SintMaarten in en rond Deurne, Antwerpen (of, in scoutsgeografie, in district Morckhoven, gouw Heide) elk jaar een kerstfeestje voor de scoutsleiding. Het is de bedoeling dat iedereen één cadeau koopt. De COVID-19-pandemie veroorzaakte in 2020 en 2021 echter een situatie in België waardoor dit feest niet volgens de normale werking kon plaatsvinden. Maar dit opende tegelijk ook nieuwe onderzoeksmogelijkheden. Het geven en aannemen van cadeaus legt een bijzondere weg af met vele verschillende sociale kwesties van schuld en het vereffenen van die schuld. Geïnspireerd door diverse modellen die in een inleidende cursus antropologie/etnologie aan eerstejaarsstudenten conservatie-restauratie (Universiteit Antwerpen) worden aangereikt, wordt onderzocht of er systemen of patronen kunnen worden aangeduid om zoiets te organiseren of te genereren. Bronislaw Malinowski, Marcel Mauss, Arnold Van Gennep, Claude Levi-Strauss, Clifford Geertz of Anne e Weiner bijvoorbeeld, en hun onderzoek over geschenken en groepsdynamiek: bieden ze inspiratie of inzichten om het samenleven vandaag te decoderen of te begrijpen? Dit onderzoek gaat in op de vraag of er een structuur in het pakjessysteem van een groep, in casu 68 Sint-Maarten kan worden getraceerd, en al helemaal als daar een applicatie zoals Secret Santa wordt gebruikt. Hoe oefent de COVID19-pandemie invloed uit op die structuur? Of is er geen invloed? Wat is de draagkracht van de feestformule als er veranderingen moeten plaatsvinden en hoe flexibel kunnen mensen omgaan met veranderingen in tradities? Al hee iedereen de vrije keuze in het kiezen van cadeaus, toch is dit ook uitdrukkelijk een “groepsproces”. De relevantie van die stelling komt tot haar recht wanneer we zo’n volledig systeem kunnen begrijpen en de afwijkingen kunnen verklaren. Wat brengt mensen ertoe om een bepaald cadeau van vijf euro te kiezen en wordt zo’n cadeau gekoesterd en onthouden? Is dit een ondoordringbaar geheim dankzij de “secret” van Santa, zoals de titel van de applicatie beloo ?
Vragen voor leiders
De scoutinggroep “68 Sint-Maarten” (A2168G) is een gemengde jeugdbeweging van 6- tot 18-jarigen, onderverdeeld in kapoenen, welpen en wouters/kabouters,
Uitnodiging Secret Santa 2018, via facebook scoutinggroep “68 Sint-Maarten”
pioniers, jonggivers, givers en maxi-givers en jins. Voor dit onderzoekje is de hele scoutsleiding ondervraagd over de Secret Santa-edities van 2019 en 2020. Er is gevraagd wat ze hebben gegeven en gekregen. 32 van de 37 personen in de leiding in 2019, hebben deelgenomen aan de enquête over Secret Santa. Tijdens de Corona-editie van 2020 waren dat 36 van de 46 leden die toen in de leiding waren. 22 mensen hebben aan beide edities meegedaan. Er zijn 9 mensen gestopt na 2019-2020 en er zijn 13 mensen bijgekomen in 2020. De oorzaak van het wisselend aantal mensen is vooral een kwestie van lee ijd, omdat elk jaar oudere leiding stopt en jongere leden als leiding aansluiten. De bevraging is via Messenger verlopen op het platform Facebook. De vragen zijn individueel gesteld op vier, vijf, zes en zeven december 2021. De bevraagden hebben een lee ijd tussen de 18 en 24 jaar, allemaal van Belgische nationaliteit en evenveel mannen als vrouwen. Daarnaast werden twee persoonlijke interviews afgenomen met personen die beide edities hebben doorgemaakt.
“Secret Santa” en “Drawnames”
Sinds 2015 hee de scoutinggroep 68 Sint-Maarten er een nieuwe traditie bij: Secret Santa. Secret Santa is een feest waarbij mensen in een groep een willekeurig lotje trekken van iemand in die groep. Dit gebeurt volledig anoniem zodat niemand elkaars getrokken lotje weet. Vervolgens koopt of maakt iedereen een cadeau voor de persoon van het getrokken lotje. De waarde wordt vooraf vastgelegd. De cadeaus worden uitgewisseld op een afgesproken datum met eventueel een spel dat de volgorde bepaalt.
Deze formule introduceerde de scoutinggroep in 2015, waarna de jaren hierop gelijkaardige edities volgden met een aantal toevoegingen. De scoutinggroep kiest vooraf een geschikte datum voor het feest dat rond de laatste schooldagen van december en voor één januari plaatsvindt. Dit beslist de groep via een poll die wordt gedeeld op een Facebookpagina (bijvoorbeeld de privé-FB-groep Leiding 68, kerstfeestje poll, 28/11/2019). Nadat iedereen
de poll hee ingevuld, wordt er een nieuw bericht geplaatst met de meest gekozen datum. De organisatoren vragen vervolgens om onder het bericht de e-mailadressen te plaatsen van de deelnemende leiding, zodat de loting kan beginnen. Deze loting verloopt via Drawnames, dit is een site gebouwd voor het voeren van anonieme lotingen. Voor IP-adressen in België gaat het om www.drawnames.be, maar het is een internationaal systeem waar bijvoorbeeld in 2021 meer dan 18,5 miljoen namen werden ingegeven. Het doel van zo’n lotingsysteem is dat iedereen een willekeurige naam krijgt en niemand zichzelf kan trekken. Bij de loting vullen de deelnemers een verlanglijstje in, dit speelt een belangrijke rol voor iemand die een persoon trekt die hij of zij niet goed kent. Deze loting wordt tussen de twee en vier weken voorafgaand aan het kerstfeest uitgevoerd.
De organisatoren van het eindejaarsfeest van scoutinggroep 68 Sint-Maarten vragen om voor een waarde van 5 euro een cadeau te kopen of een cadeau te maken. Dit is een duidelijke afspraak die elk jaar terugkomt met als doel ervoor te zorgen dat iedereen een cadeau van “gelijke waarde” krijgt. Daarnaast wordt er bij deelname gevraagd om 2 euro te storten op een rekeningnummer zodat er eten en drank voorzien kan worden tijdens het feest. Behalve in 2017, toen werd 3 euro gevraagd vanwege grotere inspanningen van de organisatoren. Iedereen komt op het afgesproken uur van het feest samen op het scoutsterrein. Sommige mensen komen verkleed in een passende kerstoutfit. De groep speelt dan een spel dat bepaalt wie als eerste zijn of haar pakje mag openen. Dit zijn spelletjes zoals het draaien van een fles op de grond of een kringspelletje. De beginnende persoon zoekt zijn of haar cadeau onder de kerstboom en mag deze vervolgens openmaken waarna de gever zich bekend maakt. De ontvanger bedankt de gever met een knuffel en soms een kus op de wang, gevolgd door veel gejoel van de groep. Daarop opent de gever het cadeau met zijn of haar naam op. Dit verloopt vrij identiek doorheen de avond. Bij sommige cadeaus wordt langer stilgestaan dan bij andere. Nadat iedereen zijn of haar cadeautje hee gekregen, kan er een heus kerstfeestje van start gaan.
Secret Santa in 2019 en 2020
Voor de editie van 2019 hee Flynn Hermsen, scoutsleider en anno 20212022 eerstejaarsstudent bachelor conservatie-restauratie, 32 deelnemende leiding van de 37 leiding ondervraagd over het cadeau wat zij hebben gegeven en gekregen tijdens die editie. Hij bedacht ook een passende methode. Vijf van de 37 leiders konden niet meedoen vanwege een ander feest of werk en er was dus geen reden om hen te bevragen. Tijdens de bevraging herinnerde 28,125 % (15) niet meer wat ze hadden gegeven en 15,625 % (5) wist niet meer wat ze hadden ontvangen. Drie mensen hadden fout geantwoord in hun bevraging, dit gebeurde door vergissing van de herinnering. Het is gelukt de hele lijn te reconstrueren van gevers en nemers, aan de hand van mensen die in hun antwoorden gaven dat door andere mensen werd bevestigd. Hierdoor werden de drie fouten eruit gehaald. Uit de bevraging komen verschillende categorieën naar voren die meer dan één cadeau overeenkomstig hebben. De categorie met het hoogst aantal cadeaus zijn de alcoholische dranken: verschillende speciale
bieren en wijn. Daaropvolgend komt de zelfcreatie (15,6 %), cadeaus die zelf zijn gemaakt. Voorbeelden zijn zelf bedrukte T-shirts, een overlevingspakket voor de examens en een versiering. Daarna volgen spelletjes en gezelschapsspelletjes die allebei 12,9 % uitmaken van het totaal. Opmerkelijk hieraan is dat er drie keer een spel wordt gegeven rond het drinken van alcohol en één puzzel. Vervolgens was er de categorie sokken met 12,5 % en mokken met 9,4 %. Tenslo e werden er drie traktatiekaarten gegeven met een aandeel van 9,4 %. De groep andere 25,0 % omvat alle cadeaus die niet specifiek kunnen worden onderbracht in een categorie. Dit zijn: een scoutingfluitje, kaarsen, een plant, tekenspullen, een gsm-houder, een set post-its, een tandenborstel en snoepgoed.
In december 2020 was het niet toegelaten om met meer dan vier mensen binnen samen te komen, vanwege de COVID-19-pandemie. De aangestelde organisatoren hebben toen een alternatief bedacht om het kerstfeest door te kunnen laten gaan. Ze hebben het voorstel gedaan om het feestje via een googlemeeting te organiseren met voorafgaand een online quiz. Het maken en regelen van de datum en lotingen is helemaal hetzelfde verlopen als de jaren daarvoor. De COVID-19-pandemie verhinderde echter ook de verdeling van de pakketjes, waarvoor er ook een alternatief werd bedacht. Twee vrijwilligers van de scoutinggroep meldden zich aan om de pakjes van iedereen individueel rond te brengen van huis tot huis, verkleed als kerstman met zijn rendier. Er werd aan iedereen gevraagd om zijn of haar pakje in het lokaal van de scouts te leggen voor 12.00 u. ‘s middags op 22 december. Voorafgaand aan de pakjesronde was er deze keer een kahootquiz. Dat is een quiz waarbij iedereen individueel meespeelt en er op elke vraag vier oplossingen te zien zijn waarvan er één juist is. Het doel van de quiz is om zoveel en zo snel mogelijk alle vragen te kunnen beantwoorden. De winnaar mocht als eerste zijn of haar pakje openen. Dit deed de persoon voor een camera, online dus, zodat iedereen in de vergadering live kon volgen. Nadat het pakje was geopend mocht de persoon zeggen van wie het cadeautje kwam en kon vervolgens kon hij of zij het pakketje openen.
Voor het onderzoek over 2020 hee Flynn Hermsen 36 deelnemende mensen van de 46 in de leiding ondervraagd. 10 leiders konden niet meedoen aan de activiteit vanwege een ander feest of werk en er was dus geen reden om hen te bevragen. Tijdens de bevraging herinnerde 27,78 % (10) niet meer wat ze hadden gegeven en 13,89 % (5) wist niet meer wat ze hadden ontvangen. Vier mensen hadden fout geantwoord in hun bevraging. Het is uiteindelijk gelukt de hele lijn te reconstrueren van gevers en nemers. Uit de ondervragingen konden dezelfde categorieën worden gemaakt als de editie van 2019 met uitzondering van één afwijkende categorie van deze editie die later wordt besproken. Ten eerste valt de grootste groep binnen de categorie van alcoholische dranken 25,0 % op, dit zijn speciale biertjes en een fles cava. Daaropvolgend komen de categorieën mokken en spelletjes met beide een aandeel van 13,9 %. Onder mokken worden tassen, wijnglazen en bekers verstaan. Bij spelletjes zi en drie drankspelletjes, één puzzel en dobbelstenen. Ten derde wordt er aan 11,1 % sokken gegeven en 11,1 % aan zelfcreaties. De zelfcreaties bestaan uit kunstwerken, kerstkoekjes en een persoonlijk overlevingspakket. Tenslo e werd voor 5,6 % aan planten gegeven. De groep anders omvat: een brillendoosje, T-shirt, een wegwerpcamera, badzout, sierfles, thee en een tandenborstel.
De volgende paragraaf gaat verder in op de resultaten en de ervaringen van de twee edities. De verschillen tussen de twee edities van geschenken zijn miniem in de opgestelde categorieën. Tijdens beide edities gaven de meeste mensen alcoholische dranken. Daarnaast konden in beide edities de gi en: mokken, zelfcreaties, sokken en spelletjes worden onderverdeeld. Deze edities verschillen alleen maar vanwege de categorie in jaar het 2019 met Bonnen en in 2020 met Planten. De overeenkomsten tussen de twee jaren tonen aan dat er een patroon in de grote categorieën lijkt te bestaan. Het is overigens te verwachten dat hierin een structuur wordt gemaakt en dat deze categorieën niet toevallig een tweede keer terugkomen. De editie van 2020-2021 die door de COVID-19pandemie grotendeels in een onlinewereld plaatsvond, kunnen deze resultaten niet aantonen, maar de cadeaus veranderden niet. De ervaringen uit beide edities waren verschillend. Enkele bevraagden hech en een grotere waarde aan een feest zonder afstand. Tijdens de kerstfeestjes staan de zelfgemaakte cadeaus altijd onder veel belangstelling van de deelnemers en wat dit tot een populair cadeau maakt. Daarnaast zijn de commentaren en appreciaties groter bij cadeaus die een diepere betekenis geven aan de persoonlijkheid van de ontvanger, waardoor ze tot de beste en geliefde gi en behoren. Onder de zelfcreaties wordt ook in beide edities een cadeau gegeven dat gelinkt is aan zijn of haar totem. Een totem is een dier dat bepaalde karaktereigenschappen bezit en hiermee overeenkomt met de karaktereigenschappen van een persoon. Deze eigenschappen worden door Scouts en Gidsen Vlaanderen bedacht en staan vast binnen de scoutsverenigingen. Elk persoon in de leiding van de groep hee zijn of haar totem gekregen toen hij of zij lid was bij de scouts. Deze totem die een dier voorstelt wordt pas gegeven als een lid een serie van opdrachten, ontberingen en fysieke oefeningen hee doorstaan. Een totem is een symbool dat sterk verbonden is met de persoon. Dit is een zeer geschikt uitgangspunt voor een zelfcreatie. Zo’n cadeau wordt gemaakt door iets te
vinden dat een herinnering, een gebeurtenis of een “levens veranderende” betekenis bevat.1
Daarnaast wekt de ervaring van een deelnemer een schuldgevoel op, wanneer hij of zij een keer een zeer goed cadeau kreeg en hij een minder goed cadeau aan iemand anders had gegeven. Waarop hij vervolgens in het jaar daarna voor iemand anders een beter cadeau voorbereidt. Dit laat zien dat het niet noodzakelijk is dat iemand die een “schuldgevoel” hee , dit terug moet geven aan diezelfde persoon maar dit kan gebeuren via een cadeau aan een ander persoon binnen dezelfde groep. Dit gebaar moet niet enkel worden gerelateerd aan een bepaalde persoon, maar lijkt ook een gi aan de hele groep. De resultaten tonen een structuur door de twee jaren heen, een structuur die niet zozeer wordt bepaald of is vastgelegd, maar wel binnen de sfeer en cultuur van de groep past. Deze cadeaus passen zich aan de groep aan. De deelnemers bedenken een cadeau dat niet enkel bij de persoon past maar ook binnen de sfeer in de groep. Een deel van de cadeaus komen elk jaar terug en worden onbewust onthouden tot het volgend jaar om vervolgens tot een gelijkmatige structuur te bekomen. Dezelfde structuur ontstaat ook tijdens de COVID-19-pandemie en laat zien dat niet dit soort externe invloeden het koopgedrag veranderen maar er echter wel andere invloeden kunnen zijn. Wat zou de impact van een hype of plotse trend op het gedrag zijn en zou de oude structuur terugkeren als de trend voorbij is? Hoewel de categorie anders uit de resultaten een onduidelijke en vage groep is laat de recurrente structuur het toe om bepaalde voorspellingen van dit jaar te doen. Alleen als de daaropvolgende jaren aantonen dat deze structuur standhoudt, kan er verder worden op ingegaan.
1 Branco-Illodo, I., and T. Heath. “The ‘Perfect Gi ’ and the ‘Best Gi Ever’: An Integrative Framework for Truly Special Gi s.”, Journal of Business Research 120 (Nov 2020): 418-424. h ps://doi.org/10.1016/j. jbusres.2019.11.012.
Een structuur komt tevoorschijn die niet bepaald of bedacht is maar wel ge(co)creëerd. De mensen uit deze groep hadden en hebben de vrije wil om iets te kopen en zouden moeten leiden tot een groter aantal verschillende types cadeaus, maar dit gebeurt echter niet. Een sterke invloed van de groepssfeer speelt een belangrijke rol omdat het ook een groepsgebeuren is dat er niet los van staat. Het is niet de inhoud van de cadeaus die dit feest zo populair maakt, maar het concept dat deze mensen iets krijgen en geven aan een willekeurig iemand.
Toegankelijk onderzoek
Dit was een verkorte weergave van de resultaten van één van de tientallen werkstukken die de eerstejaarsstudenten conservatie-restauratie van de Universiteit Antwerpen in 2021 maakten in het kader van een cursus waarin ze als (gemiddeld) ach ien jaar oude student werden ingewijd in wat “antropologie”, “volkskunde” of “etnologie” wordt genoemd. De opdracht om het begrippenapparaat of modellen van die disciplines of de bijbehorende “blik” of aandacht voor patronen en eigenaardigheden toe te passen (als a enderend kader) op kalenderfeesten in de eigen leefwereld leverde vele interessante resultaten op.2 De disruptie die COVID-19 betekende en het vergelijkend onderzoek dat zo mogelijk was, deels door wat VUB-ererector Caroline Pauwels de “brutale digitale transformatie” hee genoemd (om de academische lespraktijken in de jaren 2020 en 2021 te omschrijven), droegen daaraan bij. Wat bijvoorbeeld opvalt, is de bijzondere rol die smartphones, sociale media of computers hierbij speelden, zowel bij het onderzoek als bij de feesten zelf. Met foto’s en filmpjes – maar ook als groep in computerondersteund netwerk – werden allerlei opmerkelijke fenomenen, patronen en transformaties in de nabijheid “betrapt” en vastgelegd, zowel in vriendengroepen, jeugdbewegingen en families, als ook in het dorp of de stad. Niet sterk gehinderd door vaste categorieën en invuloefeningen van oud onderzoek over de jaarcyclus, bleken beginnende onderzoekers in staat aan te tonen hoeveel inzichten kunnen worden gegenereerd door de verschillende instrumenten die ze in handen hebben, ‘digital tools’, oude en nieuwe vragen, aan te wenden. De vingeroefeningen om te achterhalen hoe een Secret Santaformule kan worden gedecodeerd of wat een pandemie betekent voor de relaties in families en online-gemeenschappen, door het simpelweg te vragen aan de leden van een groep, online of face to face, zijn even eenvoudig als “eyeopenend”. Drawnames blijkt bruikbaar voor verschillende rituelen in de levensen jaarcyclus. Heel de erfenis van vele decennia volkskundig of antropologisch onderzoek kan helpen om de aandacht te scherpen of ongewone vragen te stellen, en in handen van jonge mensen met eigentijdse “sociale media” kan dit snel tot resultaten leiden, ook bij het ontdekken van patronen bij de interactie tussen “cybercultuur” en wat vroeger “volkscultuur” werd genoemd.
2 Zie ook een resultaat uit deze cursus in het vorige academiejaar: L. Geyskens, “Lichtekes in donkere tijden. Sint-Rochusverlichting te Aarschot in tijden van COVID-19”, in: Volkskunde, 122:1, 2021, p. 101-108.
els veraverbeke en marc jacobs call for papers
VOLKSKUNDE themanummer 2023
Hoe en waarom kunnen dingen die door onze handen gaan en ons niet onberoerd laten, worden doorgegeven aan mensen in de toekomst? Hoe verzamelen erfgoedorganisaties be-roerend erfgoed?
Het is geen toeval dat in erfgoedstudies, maar ook in musea van de cultuur van alledag en andere maatschappijmusea, drie benaderingen van materiële cultuur vandaag centraal staan: 1) materialiteit en connectiviteit, 2) profusie (overspoeld worden) als discours in het omgaan met de dingen en 3) de verhouding tot herinneringen, controverses en emoties. Deze insteken belichten aspecten van materiële cultuur buiten de klassieke collectiewaardering en management. In Frankrijk onderzocht de antropologe Véronique Dassié al diverse aspecten van deze problematiek, onder meer in haar artikel Emotion, sélection et expertise patrimoniale. La conservation de l’ordinaire au musée, in de inspirerende bundel onder redactie van Christian Hottin en Claudie Voisenat: Le tournant patrimonial. Mutations contemporaines des métiers du patrimoine (Parijs, Editions de la MSH, 2016, 231-251). Erfgoedorganisaties, maar ook onderzoekers zoals Laurajane Smith hebben steeds meer aandacht voor het belang van “emoties” in presentaties, tentoonstellingen en publiekswerking. Laten erfgoedmedewerkers het toe dat emoties een rol spelen in het collectiebeleid? Kunnen, via objecten, emoties worden gecapteerd en overgedragen? Hoe doe je zoiets? Welke positie krijgt de materiële biografie in de aanpak van het hedendaags documentair of biografisch verzamelen, selectiecriteria en onderzoeksstrategieën? Hoe beïnvloeden veranderende benaderingen van dingen en erfgoed, en met name de “emotion wave”, erfgoedorganisaties in het collectiebeleid inzake materiële cultuur van het dagelijks leven?
CALL FOR PAPERS
Het tijdschrift Volkskunde publiceert in de zomer van 2023 een themanummer rond deze vragen. Er is een nieuwe kans om hieraan mee te werken. Een voorstel in de vorm van een abstract van max. 500 woorden en een bio van max. 100 woorden kunnen ingediend worden ten laatste op 30 november 2022 via redactie@volkskunde.be. De redactie van dit themanummer is in handen van Els Veraverbeke en Marc Jacobs.
els veraverbeke and marc jacobs call for papers
Dr. Albert van der Zeijdenscriptieprijs
Prijs voor excellente scripties over immaterieel erfgoed
Focus van de scriptie
In de scriptie moet (een vorm van) immaterieel erfgoed het hoofdthema zijn. Immaterieel erfgoed raakt aan veel verschillende gebieden, van toerisme tot beleid, diversiteit, duurzaamheid en meer. Onder immaterieel erfgoed verstaat het Kenniscentrum: Cultuuruitingen die door erfgoedgemeenschappen worden beleefd als erfgoed en hen een gevoel van identiteit en continuïteit geven. Dit immaterieel erfgoed wordt steeds opnieuw vormgegeven in samenhang met maatschappelijke veranderingen en in interactie met de sociale omgeving en van generatie op generatie doorgegeven. Een belangrijk uitgangspunt is altijd dat de gemeenschappen, groepen en individuen die het immaterieel erfgoed levend houden centraal staan en betrokken worden bij het onderzoek (of minstens hierover geïnformeerd).
UNESCO heeft vijf domeinen of categorieën van immaterieel erfgoed benoemd:
• Festiviteiten, rituelen en sociale praktijken
• Spreken, zingen en vertellen
• Uitvoerende kunsten
• Traditioneel vakmanschap / ambachten
• Kennis en gebruiken rondom de natuur en het universum
Voorwaarden
• De scriptie is minimaal beoordeeld met een 8 + bewijs in Nederland of een 16 + in Vlaanderen
• De bachelor- of masterscriptie over immaterieel erfgoed is geschreven tussen 1 september 2020 en 31 augustus 2022 en is beoordeeld door een universiteit of hogeschool in het Koninkrijk der Nederlanden of Vlaanderen.
• Nederlands- of Engelstalig
Beoordelingscriteria
• Relevantie voor de praktijk van (borging van) immaterieel erfgoed
• Relevantie voor de wetenschap
• Onderzoeksmethoden (bij voorkeur participatief onderzoek –betrokkenheid van erfgoedbeoefenaren bij het onderzoek)
• Helderheid/leesbaarheid
• Originaliteit
Voorwaarden
• Aantoonbaar vrijwillige, voorafgaande en geïnformeerde toestemming (consent) van de betreffende erfgoedgemeenschap(pen)
• Samenvatting van de scriptie in max. twee A4’tjes
De prijs
Beoordelingscriteria
• Maatschappelijke waarde/ actualiteitswaarde
De winnaar van de dr. Albert van der Zeijdenscriptieprijs ontvangt onder andere een geldbedrag van 1000 euro, een publicatie op de website van het Kenniscentrum en/of in het tijdschrift Volkskunde (blind peer review) en mag zijn/haar onderzoek presenteren tijdens een internationaal symposium dat het Kenniscentrum in januari 2023 in samenwerking met de Universiteit Utrecht organiseert. Op deze pagina staat meer informatie en hierop worden t.z.t. ook de details over het symposium gedeeld: h ps://www.immaterieelerfgoed.nl/ nl/Albert-van-der-Zeijdenscriptieprijs.
Scriptie indienen?
Indienen kan tot 1 oktober 2022 via scriptieprijs@immaterieelerfgoed.nl.
Dr. Albert van der Zeijden (1957-2021)
Albert van der Zeijden was als historicus bijna 35 jaar werkzaam binnen de wereld van immaterieel erfgoed en volkscultuur. De laatste jaren werkte Albert van der Zeijden als hoofd van team Kennisontwikkeling bij Kenniscentrum Immaterieel Erfgoed Nederland, eerder bekend als het Nederlands Centrum voor Volkscultuur (NCV), en vanaf 2012, na de ratificatie van het 2003 UNESCO Verdrag, als Nederlands Centrum voor Volkscultuur en Immaterieel Erfgoed (VIE). Onder leiding van Albert van der Zeijden ontstond de Kennisagenda 2017-2020, waar zijn focus lag op superdiversiteit en duurzaam toerisme en immaterieel erfgoed.
Albert van der Zeijden was ook internationaal actief, bijvoorbeeld binnen het ICH-NGO Forum waar hij coördinator was van de Working Group Research. Bovendien was Albert van der Zeijden redactielid van dit tijdschri Volkskunde en als Research Fellow Heritage Studies verbonden aan de Universiteit Utrecht waar hij onder meer studenten begeleidde met scripties.
In 2002 promoveerde Albert van der Zeijden aan de Universiteit van Amsterdam op Katholieke identiteit en historisch bewustzijn. W.J.F. Nuyens (1823-1894) en zijn ‘nationale’ geschiedschrijving (Hilversum 2002). Het katholicisme was één van zijn grote passies, waar hij graag over schreef en vertelde.
RECENSIES
Jelle Angillis, Rumbeke 27 mei 1940. Een menselijk portret van een van de laatste veldslagen van de achttiendaagse veldtocht, eigen beheer, 2021, 336 blz., ill., ISBN 9789464444513, € 25.
Precies 18 dagen na de Duitse inval van 10 mei 1940 capituleert het Belgisch leger. Nederland had al gecapituleerd op 15 mei. 28 mei 1940 was het einde van de louter militaire acties op Belgisch grondgebied. Vervolgens begon de bezetting die in België zou duren tot midden september 1944 en in Nederland tot begin mei 1945. Voor het einde van de Tweede Wereldoorlog moest er nog gewacht worden tot de definitieve Duitse capitulatie op 7 mei 1945. 5 jaar heeft de oorlog geduurd en toch wordt hier
een boek voorgesteld dat handelt over één veldtocht – één veldslag –binnen zegge en schrijve één etmaal. Wat is er dan zo speciaal aan dit geschiedkundig relaas en aan deze gebeurtenis?
Volgens het adagio van het oude klassieke Franse theater speelt alles in dit boek zich af binnen de eenheid van actie, tijd en ruimte: één enkele militaire veldslag, op één enkele dag en in één enkel dorp, met name Rumbeke. Het klassieke drama is inderdaad niet veraf.
Na de inval op 10 mei zag het Belgisch leger onder druk van de agressor verplicht om zich terug te trekken naar het noordwesten van het land. Na 14 dagen, op 23 mei, hadden de Belgische troepen zich achter de Leie verschanst, maar vrij snel stak de aanvaller de rivier over zodat de frontlijn tegen 27 mei was opgeschoven tot in Rumbeke. Om even te situeren: Rumbeke zelf ligt zowat in het centrum van West-Vlaanderen, ten oosten daarvan ligt Meulebeke; ten zuidoosten Izegem, Ingelmunster en Lendelede; ten zuiden Sint-ElooisWinkel en Ledegem; ten zuidwesten Moorslede en Passendale en ten noordwesten Roeselare, Hooglede en Staden. Men spreekt over de slag bij Rumbeke, maar ook over de Slag bij het Sterrebos (gelegen ten westen van het centrum, bij het Kasteel van Rumbeke). Eigenlijk zou het initieel de bedoeling van Hitler moeten geweest zijn om Duinkerke aan te pakken en te vermijden dat een gigantische geallieerde troepenmacht
van vooral Britse militairen vanuit de Franse haven zou kunnen worden geëvacueerd. Een Haltbefehl van Hitler had voor gevolg dat het Duitse leger zijn opmars in Noord-Frankrijk stopzette en niet langer op Duinkerke mikte, maar wel op het Leiefront. Het al fel gehavende Belgisch leger zou nu de harde klap krijgen en de evacuatie van Duinkerke kon doorgaan, nota bene vanaf 26 mei ...
Uiteraard dompelt de auteur de lezer niet meteen in de veldslag zelf, maar neemt hij een logische en goed gedocumenteerde aanloop. Eerst komt er een overzicht van wat voorafgaat: de geopolitieke situatie in Europa bij de aanvang van de oorlog, de mobilisatie, de inval van de Duitsers, de doorbraak in de Ardennen tot in het noorden van België en Nederland (Terneuzen, Gent en de Boven-Schelde) en het tot stand komen van het Leiefront. Rumbeke ligt in vogelvlucht op een kleine 20 km van de Leie. Vanaf dan schuift het front stelselmatig en langzaam maar zeker op naar het noordwesten, t.t.z. in de richting van Rumbeke. Op 26 mei bezetten de Belgische 6e en 10e Infanteriedivisie nog de lijn van Ledegem naar Izegem (zuid en zuidoost van Rumbeke). Tussen Oekene (net ten zuidoosten van Rumbeke) en Rumbeke bezet het 1e Regiment Grenadiers de opvangstelling vanaf de avond van 26 mei. Daarvoor hadden de militairen zich tussen 12.00 en 22.00 u. proberen in te graven. De legerleiding beslist evenwel om de tweede en zuidelijke verdedigingsgordel terug te trekken tot dichter bij Rumbeke en Roeselare. Met een bijna chirurgische nauwkeurigheid beschrijft Jelle Angillis welke posities de verschillende eenheden innemen,
hoe de troepenverplaatsingen worden georganiseerd, hoe de burgerbevolking reageert en tot welk resultaat dit leidt. Daarbij gebruikt de auteur verschillende duidelijke en zeker niet overdadige kaartjes en tal van foto’s –vaak koppels van foto’s in de zin dat hij foto’s van toen plaatst naast foto’s van dezelfde plaats nu. De lezer ziet als het ware de dramatische film voor zich afspelen.
27 mei is dan de dies horribilis. De beschrijving van de veldslag neemt ruim 150 bladzijden in beslag. En toch, toch is dit absoluut geen langdradig verhaal, integendeel. De foto’s en vooral de persoonlijke getuigenissen uit eerste bron houden de lezer gekluisterd, als het ware gevangen in de dramatische sfeer van een dorp in West-Vlaanderen, nu ruim tachtig jaar geleden. De snelle opmars van de Duitsers sinds het begin van de oorlog en, ter plaatse, de recente vordering rond en overwinningen in Izegem gaven de Duitsers moed om de felle weerstandshaard in en rond Rumbeke aan te pakken. Duitse verkenners stoten in de voormiddag nog op de Belgische verdedigingslinie, in één lijn opgesteld tussen de spoorlijn naar Ieper in het westen en het kanaal Roeselare-Leie in het oosten. Gevechtstroepen volgen de verkenners van nabij. Zo zat er bij het kasteelpark een groepje grenadiers –inmiddels een bijzonder hechte groep vrienden geworden – geleid door de 22-jarige sergeant Marcel Heyman, dat een C-47 kanon bediende en de verkenners onder vuur nam. Daarmee hadden ze hun positie verraden en kwamen ze onder vuur te liggen van Duits infanterie- en artilleriegeschut. Heyman stuurde enkele mannen weg om munitie bij te halen, maar Duitse projectielen raakten inmiddels de
stelling. Zo werd de grenadier Marcel Catteeuw (Marke) door de inslag een paar meter weggeslingerd en ernstig gewond aan zijn voet en onderrug. De gewonde werd met een brancard naar een hulppost in het koetshuis van het kasteel gebracht. Daar zag Heyman hoeveel gewonden er inmiddels ook op andere plaatsen al gevallen waren. Onderweg naar de hulppost werden ze andermaal beschoten zodat een paar zwaargewonden moesten achterblijven. Catteeuw sleepte zich op zijn armen naar de hulppost, tot Heyman hem uiteindelijk kwam helpen en een paar andere kompanen de overige gewonden aanbrachten. Alleen al dit gebeuren, de beschieting van hun posities, de terugtrekking met gewonden onder vuur, moet een hel geweest zijn: “Het schieten is om gek van te worden” schreef Heyman later in zijn dagboek. Een 20-jarige grenadier bezweek in Brugge aan zware kwetsuren aan zijn hoofd, een andere raakte twee derde van zijn linkerarm kwijt en liep ernstige spierbeschadiging op aan de linkerdij. Catteeuw onderging verschillende operaties aan rug en voet: in 1954 moest de voet evenwel wegens beginnende gangreen worden geamputeerd ... Op andere plaatsen op de verdedigingslijn van de Belgen, speelden zijn gelijkaardige drama’s af. En dat was nog maar de voormiddag van die bewuste 27 mei.
Tegen het middaguur stonden de Duitse en Belgische linies eigenlijk recht tegenover elkaar, met een tussenstrook van zowat 300 m. Allerlei projectielen en vooral artillerievuur vernietigden gebouwen – vooral boerderijen – en velden op en langs de frontlijn. Burgers gingen op zoek naar schuilkelders – zoals in 1914-1918 –maar die bleken al vlug onvoldoende
bescherming te bieden tegen de bombardementen. Een vrouw die bescherming had gezocht in de stallen van de vlasfabriek werd aan het hoofd gewond door een schrapnel die in de stal was binnengedrongen. Ze overleed ter plaatse. Dorpelingen probeerden te vluchten, en eerder aangespoelde vluchtelingen uit gans België zaten nu in de knel. Ook onder hen vielen er dodelijke slachtoffers, onder meer toen ze op zoek waren naar een betere schuilplaats. De weerstand van de Belgen was evenwel steviger dan de Duitsers hadden verwacht. Daarop waren de aanvallers al in de late voormiddag gestart met hevig artillerievuur. De schuttersputjes, vaak onvoldoende diep uitgegraven, boden onvoldoende bescherming. De in het rond vliegende shrapnels verwondden verschillende manschappen, enkelen vonden ook de dood. De Duitsers probeerden door de linies te breken; aanvankelijk lukte dat niet – alweer vielen er slachtoffers, ook bij de Duitsers waartegen de Belgen zo goed en zo kwaad als het kon riposteerden. De Duitsers zetten in de loop van de namiddag zelfs een verkenningsvliegtuig in om de posities van de Belgen beter te bepalen: onmiddellijk nadien zorgden enkele goed gemikte voltreffers alweer voor dodelijke slachtoffers onder de Belgen. Inmiddels had de verdediging van het kasteelpark gezorgd voor alweer verliezen bij de grenadiers, krijgsgevangenen en bijzonder ernstige schade aan de gebouwen. Barragevuur van de Belgen zorgde zelfs voor dodelijke slachtoffers bij de grenadiers, in eigen rangen. Inmiddels denken de Duitsers aan een beslissende aanval op Rumbeke. Wanneer ze rond 18.00 u. het intense artillerievuur staken,
is het landschap een en al kraters en moesten de Belgische infanteristen zich zo snel mogelijk reorganiseren in een poging om een nieuwe Duitse aanval op te vangen. De Duitsers waren er tegen de avond in geslaagd om posities in te nemen ten noordoosten en ten noordwesten van Rumbeke, dieper achter het vroegere front. Tussen Ingelmunster en Tielt waren de Duitsers immers door de stellingen van het 7e Legerkorps gebroken, met zicht op een doorbraak naar het noorden. En aan de westkant van Rumbeke en Roeselare was de 15e Belgische infanteriedivisie ernstig geteisterd. Het risico bestond nu dat Rumbeke werd omsingeld en dat een eventuele terugtocht naar het noorden onmogelijk zou worden. Daarom kwam het bevel om zich terug te trekken bij de mannen als een opluchting. Maar ook dan werden ze nog onder vuur genomen.
Terwijl in Rumbeke nog hevig werd gevochten, voerde de Belgische legerleiding op bevel van koning Leopold III gesprekken over een capitulatie van het Belgisch leger. De capitulatie en het staakt-hetvuren waren om 4.00 u. in de nacht van 27 op 28 mei een feit. De slag bij het Sterrebos was geleverd. In en onmiddellijk rond Rumbeke werden er 82 vooral Belgische, maar ook Duitse gesneuvelden geteld. Op 27 en 28 mei stierven er 49 Belgische militairen. Er kwamen ook 6 burgers om en er waren onnoemelijk veel gewonden.
Na zijn relaas van de veldslag meet Angillis uitgebreid de menselijke en materiële schade op van de gebeurtenissen en besteedt hij de nodige aandacht aan de herinneringscultuur.
Men kan zich de vraag stellen wat het belang is van een historisch boek over één enkele veldslag op één dag die uiteindelijk geen impact heeft gehad op het totaalverloop van de oorlog. Wel, voor ons ligt de originaliteit en de waarde van dit boek in de bijzonder goed uitgesponnen verbanden tussen louter militaire activiteiten enerzijds, en menselijke oorlogservaringen anderzijds. Oorlogsboeken gaan meestal over militaire feiten, tactiek, strategie, wapens, listen, winnaars en verliezers, en al te vaak vergeet men dat die gebeurtenissen (moesten) worden gedragen door mensen van vlees en bloed. Angillis is erin geslaagd om die menselijke – soms onmenselijke – inspanningen, attitudes, angsten, drama’s en moed te plaatsen: daarmee heeft hij eigenlijk het verhaal van de intrinsieke gruwel van de oorlog overstegen en het verhaal geschreven niet alleen van de oorlog, maar vooral van mensen en hun zielenroerselen. Denk maar aan een eenvoudig citaat van een van de talrijke gesneuvelden tijdens de veldslag, Georges Vierendeel, wiens bidprentje de volgende indringende tekst bevat: “k Heb ‘t leven veel te mooi geschat, als mensch ben ik bedrogen.” Hoe bitter kan een mens zijn, hoe diep kan men gekwetst zijn ... Naar mijn bescheiden mening heeft de auteur hiermee ook intrinsiek persoonlijkheid toegekend aan het landschap, het dorp, zijn gebouwen en landerijen, dat beperkt aantal vierkante meters als kader van de menselijke protagonisten. Het vruchtbaar schrijversperspectief van de auteur vindt ongetwijfeld zijn oorsprong in het feit dat hij zijn relaas in grote mate heeft gebaseerd op rechtstreekse getuigenissen van deelnemers aan de veldslag (vijf Belgische en een Duitse oud-strijder),
getuigenissen van familieleden en twaalf inwoners van Rumbeke, en in tweede orde op degelijk archiefonderzoek – m.a.w. in dat opzicht heeft de historicus Angillis bijzonder goed zijn job gedaan. Het boek is daarenboven bijzonder rijkelijk geïllustreerd: 362 foto’s en 11 kaartjes in een publicatie van 336 blz., dat zegt voldoende. Verder vindt men achteraan nog een lijst van afkortingen, de fotoverantwoording, de eindnoten, een personenregister, de samenstelling van de betrokken Duitse en Belgische eenheden, de namen van de Belgische zowel als van de Duitse verliezen en van de burgerslachtoffers.
Het is een dikke turf geworden – overigens met een net voldoende leesbaar klein lettertype – maar de lezer heeft nooit de indruk dingen te moeten lezen die er niet in thuis hoorden. Sommige passages, vooral citaten van militairen, zijn effenaf indringend, zoals dat van de meer dan 100 jaar oude Henri Hillaert die vertelt dat op een dag bommen en kogels hen rond de oren vlogen toen zijn beste maat naast hem sneuvelde. Diens laatste woorden waren: “Ik ben geraakt” en dan niets meer dan de dood ... Kan het nog waarachtiger? Er zijn veel van die momentjes of passages in het boek: telkens doen ze de tekst heropleven, telkens herinneren ze de lezer dat oorlog al bij al altijd om mensen gaat. Een boek zoals dat van Angillis moest niet enkel worden geschreven “om niet te vergeten” – eigenlijk een bijna totaal geërodeerd cliché – maar ook om de goegemeente werkelijk te doen voelen, te doen ervaren wat tegenspoed en ellende zijn, en om ons – luxepaardjes – te doen inzien dat televisiebeelden uit Oekraïne of een
ander oorlogsgebied echt geen fake news zijn. Alle oorlogen zijn immers dezelfde. Alleen blijven sommige oorlogszuchtige lieden voorbeeldig hardleers. Alleen halen de meeste echte helden de geschiedenisboeken niet.
Het is een hele heksentoer geweest van Jelle Angillis – maar dan wel een waardevolle – om nog snel snel de quasi allerlaatste getuigen van een “lokale wereldbrand” te gaan bevragen. Straks zijn er geen rechtstreekse getuigen meer. Al wie van ver of van dichtbij actief is in de historiografie van de twee wereldoorlogen weet dat er twee soorten rechtstreekse getuigen zijn/waren. Enerzijds zij die alles veel “straffer” maken dan het was en uiteindelijk geen betrouwbare getuigenissen afleveren. En anderzijds zij die nooit of bijna nooit iets loslieten/loslaten over wat ze hebben meegemaakt en die, als ze er dan toch over praten/praatten, dat altijd met een buitengewone en bewonderenswaardige sereniteit doen/deden. Het is dringend tijd dat er degelijk onderzoek wordt gedaan naar de “zwijgzaamheid” van die rechtstreekse getuigen, naar het waarom van antwoorden zoals “Ach, kind, dat is allemaal lang geleden, da’s allemaal al lang voorbij.” En dan moet ik altijd denken aan wat mijn eigen vader – een schoolmeester van het oud “kaliber” – met een scherp stemmetje vroeger zei: “Jongen, alles gaat voorbij, behalve het verleden...”
Misschien heeft Jelle Angillis in zijn onderbewustzijn ook wel dat inspirerend stemmetje gehoord.
Alex Vanneste
Sarah Croix & Mads Vedel Heilskov (eds.), Materiality and Religious Practice in Medieval Denmark (Acta Scandinavica. Cambridge Studies in the Early Scandinavian World, 12), Turnhout, Brepols, 2021, ISBN 978-2-503-59416-3, Ill., € 85.
In Things: Religion and the Question of Materiality (2012) beweren Dick Houtman en Birgit Meyer dat de recente wending naar materialiteit in de studie van religies een cruciale correctie heeft ingeluid op de eenzijdige protestantse focus op cognitieve overtuigingen (dogma’s) die de moderne, vergelijkende studie van religies heeft beïnvloed sinds het ontstaan ervan in de tweede helft van de 19e eeuw. Religiewetenschappers zijn zich pas vanaf de jaren 1990 – onder invloed van de fenomenologie –gaan realiseren dat religie noodzakelijkerwijs concreet bemiddeld is
om in de wereld aanwezig, zichtbaar en tastbaar te zijn. Zelfs calvinisten, kunnen niet langer volhouden dat materiële objecten slechts een secundaire rol spelen in hun traditie, maar bij nadere beschouwing wordt duidelijk dat een veelheid van voorwerpen, lichamelijke voorstellingen, gewaarwordingen, emoties en gebaren een veel belangrijkere rol spelen in het calvinisme dan gewoonlijk wordt erkend. Slechts recent ‘mogen’ daar studies over verschijnen.
De ‘material turn’ in religiestudies heeft intussen een immense vlucht genomen doordat archeologen en historici zich zijn gaan verdiepen in theologie en religiegeschiedenis. Uitgangspunt van dit studiedomein zijn heel concreet voorwerpen zoals relikwieën, amuletten, kledingvoorschriften en geschilderde of gebeeldhouwde beelden. Er greep een accentverschuiving plaats van overtuigingen naar praktijken, van ideeën naar materiële zaken, zonder de belangstelling voor het eerste op te geven. Het inleidend en het eerste hoofdstuk van het boek dat we hier recenseren bieden overigens een excellente status quaestionis van materialiteit en religiositeit in Denemarken (en internationaal).
De periode die het boek dekt is de middeleeuwen: net de periode waarin christen-zijn hoofdzakelijk wordt gekarakteriseerd door ‘rituele piëteit’. Niet alleen waren er de talrijke devotie-objecten, maar ook voorwerpen voor allerlei dagelijks gebruik waren gedecoreerd met religieuze voorstellingen. Objecten met dergelijke voorstellingen verleenden toegang tot de sacrale wereld. De goddelijke werd doorgegeven via materie.
Bertil Nilsson bestudeert de notie van materialiteit in bisschoppelijke rituelen. Zij waren bij uitstek de figuren die materie konden zuiveren van alle kwade geesten die er bezit van hadden genomen, opdat de materiële voorwerpen vervolgens voor liturgische en devotionele doeleinden konden worden ingezet. Daarvoor spraken ze talrijke exorcismes uit over de voorwerpen en werden ze daarna gezegend en/of besprenkeld met wijwater. Nils Holger Petersen bekijkt de middeleeuwse omgang met evangeliaria. De evangelieboeken werden kennelijk met meer zorg en ritueel omgeven dan de andere liturgische boeken. Het evangelieboek krijgt daardoor een sacramentele status. Martin Wansgaard Jürgensen heeft in zijn artikel ook oog voor alle andere liturgische voorwerpen in laatmiddeleeuwse rituelen. Zijn aartsmoeilijke opdracht bestaat erin om de rol van objecten te reconstrueren in de middeleeuwse liturgie. Veel geschreven aanwijzingen bestaan niet.
Een hoofdstuk over relieken – ook voorwerpen – kan vanzelfsprekend niet ontbreken. Lena Liepe bestudeert de rol van relieken in de middeleeuwse Deense spiritualiteit. Interessant is dat ze oog heeft voor de wijzigingen in de reliekverering nadat het protestantisme zijn intrede had gedaan in Denemarken. Het object verandert dan van een hoogheilig object in een curiositeit uit een verzamelaarskabinet.
De bijdrage van Mads Vedel Heilskov verdient extra aandacht omdat hij het begrip van materialiteit optrekt naar materie die geanimeerd wordt door miraculeuze of mechanische werking – een fenomeen dat weinig is bestudeerd maar
toch frequent aanwezig was in de middeleeuwen. Het leven werd er niet alleen ingeblazen door mechanische hoogstandjes, maar ook en vooral door het aanbrengen van relieken, soms heel erg verborgen in een beeld. In mirakelverhalen beginnen beelden dan weer te bewegen of te bloeden. Het geeft aanleiding tot massale bedevaarten en verering.
Heel veel aandacht gaat naar kleine voorwerpen van persoonlijke devotie in het hoofdstuk van Mette Højmark Søvsø en Maria Knudsen. Doorgaans weten we wel een en ander over de religieuze beleving van de elite, maar wat met de lagere sociale klassen? Archeologisch onderzoek toont aan dat het geloof in de kracht van objecten niet was gereserveerd voor de seculiere en de religieuze elite, maar dat het verspreid was over de hele bevolking. Sacrale kracht rustte niet enkel in prestigieuze voorwerpen, maar ook in massaproducten voor de ‘gewone man’. Op die voorwerpen (kruisjes, pelgrimsinsignes, gebedskralen …) vinden we dikwijls inscripties met een bijzondere betekenis voor de drager, of de drager wordt ermee begraven. De voorwerpen werden gedragen om kwaad af te weren, maar ook om geluk aan te trekken.
Laura Katrine Skinnebach heeft het over de rijke betekenis van één materiaalsoort: was. Vanaf de late middeleeuwen neemt de wasproductie toe in Europa, omwille van de vele toepassingen in een devotionele context. Meestal nam het materiaal de eenvoudige vorm van een kaars aan, maar soms werden ingewikkelde figuren gemodelleerd. Van in de oudheid had was al een ingewikkelde symbolische betekenis en in de christelijke cultuur wordt
die verder verfijnd. Was werd bijvoorbeeld geproduceerd door bijen en ook die hadden sedert de kerkvaders (Ambrosius) een hele rijke symboliek van maagdelijke wezens. In dat onderdeel vergeet de auteur melding te maken van de rijke cognitieve symboliek bij Augustinus.
Jakob Tue Christensen en Mikael Manø Bjerregaard staan voor het analoge probleem als Jürgensen: hoe reconstrueer je materialiteit bij middeleeuwse begrafenissen? Er zijn wel talloze liturgische manuscripten bewaard, maar wat gebeurde er concreet in de liturgie en op het kerkhof? Welke interpretaties laten archeologische vondsten toe?
Hans Geybels
Maite De Beukeleer en Maarten Larmuseau, m.m.v. Lise Hellemans, In haar voetsporen. Op zoek naar onze voormoeders, Sterck & De Vreese, 2021, ISBN 9789056157067, paperback, 302 p., illustraties, € 24,90.
De zoon van Pauline Schönflies (1869-1930), de kleinzoon van Hedwig Hirschfeld (1845-1908) en de echtgenoot van Dora Kellner (18901964), werd wereldberoemd, vooral nadat die schrijver en flaneur een einde had gemaakt aan zijn eigen leven. Dora betreurde in 1941 in een brief aan Gershom Scholem dat ze in 1940 niet bij die man (aan wie ze door een huwelijk één van haar tijdelijke achternamen ontleend had) was geweest op zijn tocht tussen Banyulssur-Mer naar Portbou. Dan had ze misschien kunnen verhinderen dat haar tweede echtgenoot zijn vluchtpoging niet had overleefd. Misschien dat de F-route dan vandaag
niet als de Chemin W. B. aan de man zou worden gebracht. En dan hadden de nakomelingen van Lucrece Lernout en Carolina Andries een andere treffende anekdote moeten zoeken om hun mooie boek mee te beginnen. Waarover gaat deze mysterieuze alinea? Zoek het zelf op in de inleiding van het hier besproken boek.
Via “In haar voetsporen. Op zoek naar onze voormoeders” maken Maite De Beukeleer en Maarten Larmuseau aan de hand van acht casestudies duidelijk dat het cruciaal is om in genealogie en geschiedenis de g van gender en van gen meer aandacht te geven. Om naast al die voorvaders, eindelijk ook voormoeders de plaats te geven die ze verdienen in de (familie)geschiedenis(sen). Ze houden het niet alleen bij een pleidooi en een demonstratie, maar geven en passant ook tal van tips en richtlijnen van hoe dat kan gebeuren. Doe het vooral ook zelf. Elk van de acht hoofdstukken eindigt met suggesties en verwijzingen die in hoofdletters worden aangekondigd: ZELF AAN DE SLAG. Het is de moeite waard, maar op het eerste gezicht niet eenvoudig: ”Vandaag kan je de zoektocht naar voormoeders dan ook nog vaak vergelijken met het leggen van een puzzel zonder voorbeeldfoto op de doos: je mist het totale plaatje, vraagt je steeds af of je het wel goed doet en of je alle stukjes wel hebt” (p. 33).
De auteurs helpen je bij deze transdisciplinaire zoektocht die je ook als een demonstratie in hedendaagse erfgoedstudies in de Lage Landen zou kunnen beschouwen. Allerlei inzichten worden gedeeld, zoals de geletterheidsmeting van Quéniart, de centiMorgan (p. 92), het belang van het noteren van namen bij familiefoto’s op de gedrukte achterkant of met
tags op e-foto’s, het bestaan van de hulpwetenschap faleristiek (p. 40), het belang van de nieuwe namenlijst van slachtoffers in België tijdens de Eerste Wereldoorlog, enzovoort. Als je de lijnen met elkaar verbindt, krijg je een mooie echografie van de erfgoedveldbaby die de voorbije twintig jaar is gegroeid, met een overzicht van de rijke oogst van allerlei digitaliseringstrajecten, variërend van Search.arch.be tot delpher.nl , van het uitkristalliseren van het netwerk van expertisecentra en instrumenten zoals de erfgoedkaart.be. Het maakt het continuüm en de gezamenlijke kracht duidelijk, van hoogtechnologisch DNA-onderzoek en Amerikaanse commerciële omwegen tot de positieve aanwending van sociale media en de mobiliseerbare kennis van tal van genealogen (v/m/x). Een heel krachtig voorbeeld is het MamaMito-project, dat de kracht van mitochondriaal DNA, sociale media en stamboomonderzoek op bijzondere wijze combineert. De subtiele, maar uitdrukkelijke aandacht voor ethische overwegingen bij het aanwenden van de zoek- en bewijskracht die al die nieuwe technieken (die nu binnen het bereik zijn van de ‘gewone vrouw’ in de straat met een wifiaansluiting en een creditcard) met zich meebrengen is lovenswaardig. Net als het voorzichtig proberen te duiden en relativeren van vaststellingen als blijkt dat één van de voormoeders een prostituée, een veroordeelde gevangene, een non of een “heks”, of mee verantwoordelijk voor de geboorte van een van de “onepercenters” (ontdek het op p. 96-97) is.
Bijna twintig jaar nadat Kees Ribbens met zijn proefschrift over alledaagse historische cultuur had duidelijk gemaakt binnen welke
bredere maatschappelijke stromingen de mogelijke monopolieclaims van de bloeiende niche van academische geschiedschrijving geplaatst en overstegen kunnen worden, wordt in dit boek duidelijk gemaakt welke weg ondertussen is afgelegd in het veld van familiegeschiedenis. En vooral: hoeveel paden nu toegankelijk geworden zijn, alternatieve, minder exclusieve vormen van eruditie.
Al die stromingen die onder de vlag “alledaagse historische cultuur” werden gepresenteerd, zoals heemkunde, volkskunde, familiekunde, maar ook de studie van (omgang met het verleden via) televisie of “computergames”, zijn in de jaren 2020 “hot topics” geworden, ook aan universiteiten. Nieuwe academische trajecten, zoals de immaterieel erfgoed-golven voor volkscultuur, citizen-scienceprojecten, de trajecten van professor Angus Mol in recent onderzoek naar videogames of in casu de nieuwe GENealogie-boom onder impuls van professor Larmuseau, doen het veld – dat ik schaamteloos onder de noemer “erfgoedwerk” zou durven scharen – tintelen en vibreren. Wie niet goed oplet, mist hoe dit zich tegenwoordig ook in de Lage Landen academisch aan het uitkristalliseren is.
“In haar voetsporen” kiest voor de tapasbenadering, zeer toegankelijk geschreven aperitiefhapjes aan de hand van gevalstudies van genealogische zoektochten. Het gaat vooral maar niet alleen over familiegeschiedenissen en stambomen. Zo kan bijvoorbeeld hoofdstuk 6 (p. 162-193) als een nieuwe en originele insteek voor sagenonderzoek of marktliedstudies – klassiekers in dit tijdschrift Volkskunde – worden vermeld. Of
de bijdrage over performance en kermiswereld in hoofdstuk 7. Diverse tapas en hun bijsluiters moeten wel snel worden genuttigd; want hoe lang de aangehaalde websites zullen meegaan of hoe snel ze door nieuwe trajecten zullen worden vervangen, valt nog te bezien.
Marc Jacobs
Edith Franke en Ramona Jelinek-Menke (red.), Handling Religious Things. The Material and the Social in Museums, Hildesheim, Zürich en New York: Georg Olms Verlag, 2022, ISBN 978-3-487-16077-1, Ill., € 48.
Als objecten een museum binnenkomen worden ze gecatalogiseerd, behandeld en indien noodzakelijk gerestaureerd. Daarna belanden ze in de vaste collectie of in het magazijn, wachtend op een tentoonstelling. De
bijdrage van Pardis Eskandaripour illustreert perfect de inhoud van het boek. Wanneer er een Tibetaans boeddhistisch beeldje van Vaishravana arriveert, volgt een grondige reiniging. Daarbij ontdekte hij dat het beeldje amuletten van papier en wol bevatte. Die materialen kunnen het beeldje na verloop schade berokkenen en dus is besloten om ze te verwijderen. Vanuit religieus standpunt echter ontleent het beeldje net zijn sacraliteit aan de rituele vulling met die amuletten. Maakte de conservatie van het beeldje nu een einde aan de sacraliteit ervan?
Mag de sacrale betekenis veranderen wanneer een object in een museum belandt? Doorgaans kregen religieuze voorwerpen een andere betekenis in een museum: neutrale, artistieke objecten.
De vraag stelt zich nog pertinenter naar wat sacraliteit inhoudt. Het Vaishravanabeeldje heeft überhaupt geen religieuze betekenis voor een moslim of een christen. En zelfs binnen één religie bestaat er geen eensgezindheid over wat als heilig dient te worden beschouwd. Voor de ene christen is de Bijbel een heilig boek, voor de ander helemaal niet.
Op deze kwestie wordt in het boek onvoldoende ingegaan, behalve dan in de bijdrage van Bärbel Beinhauer-Köhler. Het boek is het resultaat van een interdisciplinaire onderzoeksgroep met als titel REDIM (Dynamiken religiöser Dinge im Museum). Sinds de ‘material turn in religion’ komt dit soort kwesties in het centrum van de onderzoeksbelangstelling. Musea zitten daarbij soms in het oog van de storm. Het zijn zowel plaatsen van conservatie, onderzoek en educatie, maar ook van vrije tijd en toerisme. Soms is de grens heel vloeibaar, zoals in het geval van
de Vaticaanse musea, waarbij het museum wordt uitgebaat door een religieuze instantie en waarbij sacrale voorwerpen centraal staan. Of neem al die grote kerken en kathedralen die ook een museum hebben ingebouwd. Vaak zijn er discussies over de grens tussen de sacrale ruimte en het museum.
De ‘material turn’ heeft ervoor gezorgd dat de museale objecten opnieuw hun oorspronkelijke betekenis krijgen. De focus ligt op de oorspronkelijke (religieuze) betekenis van het voorwerp. De onderzoeker moet dus afstappen van een objectiverende, ‘klinische’ blik en oog krijgen voor de totale dynamiek van het object. Alisha Meininghaus toont overtuigend aan waartoe deze nieuwe hermeneutiek kan leiden in de interpretatie van joodse amuletten. Traditioneel verschijnen die op exposities als voorbeelden van joods bijgeloof (= metaperspectief van de normatieve onderzoeker) terwijl ze eigenlijk deel uitmaken van de alledaagse joodse geloofspraxis.
Ramona Jelinek-Menke en Maike Sieler zoomen in op nog een ander thema dat in de marge opduikt. Kan men reclame maken met religieuze voorwerpen? In Marburg huist de Religionskundliche Sammlung van de universiteit. Het museum beschikt over een uitgebreide en waardevolle collectie, maar is totaal onbekend in de regio. Omdat men de mensen niet naar het museum vol religieuze objecten kreeg, besloot het bestuur om de religieuze voorwerpen naar de mensen te brengen door ze onder meer uit te stallen in vitrines van winkels. Zeker in het kader van de resacralisering van de objecten zijn er groepen in de samenleving die daarbij vragen stellen.
Het laatste hoofdstuk valt uit de toon. Een interview met Léontine Meijer-van Mensch legt bloot hoe in het kader van de eigentijdse gevoeligheden rond de koloniale periode voorwerpen ook moeten terugkeren naar religieuze gemeenschappen uit de voormalige kolonies. Zij is er niet geheel van overtuigd dat elk object onverrichterzake terug naar het land van herkomst moet. De gestolen voorwerpen vertellen namelijk ook iets over de geschiedenis van dat stelen. Bovendien komen families met een migratieachtergrond op die manier bij ons iets te weten over de cultuur van hun voorouders.
Hans Geybels
Kok, Ruurd, Denken over herdenken. Oorlogsmonumenten in Nederland, Hilversum, Verloren, 2021, ill., 192 p., ISBN 9789087049177, € 19.
Oorlogsmonumenten of herdenkingstekens bestaan in alle mogelijke formaten en vormen: bombastische beeldhouwwerken, grafmonumenten, stèles, obelisken, eenvoudige grafstenen, symbolische voorstellingen, soms een gewone gedenkplaat, enz. Verder zijn sommige van deze herdenkingstekens vaak ambigu: een bevrijdingsmonument kan de herinnering oproepen van zowel het vreugdevol en verlossend moment van het einde van de oorlog of de bezetting, als van de gesneuvelde slachtoffers die de bevrijding mogelijk hebben gemaakt.
Nederland kende op 1 januari 2020 ongeveer 4100 oorlogsmonumenten van alle slag, allemaal gewijd aan de Tweede Wereldoorlog. Wanneer een monument op een plaats staat waar in het verleden oorlogsactiviteiten plaatsvonden, worden deze plaatsen ook lieux de mémoire of plaatsen van herinnering genoemd, naar de Franse historicus Pierre Nora. Andere monumenten staan vaak op een plaats waar in het verleden niets merkwaardigs is gebeurd – op een gewone begraafplaats, in een park, op een marktplein, enz. Hoe dan ook haalt een monument het verleden naar nu of nodigt het de hedendaagse mens uit om zich even naar het verleden te verplaatsen, om de betekenis van het verleden tot zich te laten doordringen: het monument is een teken, het betekent iets, het doet teken naar iets, het verwijst naar iets, of iemand.
Het opzet van Ruurd Kok is evenwel om de rechtstreekse band met het verleden niet als enig facet van het gedenkteken te beschouwen, maar wel om na te gaan welke de huidige betekenis is van een en ander, welke de uitwerking ervan is op de bezoeker:
“wat gebeurt er met monumenten nadat er is besloten tot hun oprichting, nadat ze zijn ontworpen en onthuld? Hoe worden de monumenten nu door bezoekers ervaren, welke emoties roepen ze op? Het vertelt niet het verhaal achter het monument, maar het verhaal vóór het monument: welke herdenkingspraktijken en andere acties spelen zich af rondom gedenktekens?” (p. 15)
Het boek omvat negen hoofdstukken. In een eerste cluster van drie worden een aantal basisprincipes toegelicht, de aard en de essentie van monumenten en markeringen, het gedrag van bezoekers en de variëteit aan bij de monumenten nagelaten voorwerpen. De tweede cluster van drie behandelt een aantal specifieke plaatsen, met name Arnhem, Londen (toch buiten Nederland?) en Amsterdam. Tot slot gaat het in de derde cluster o.a. over de discussies rond monumenten, het bekladden van monumenten, en over gedenktekens van of voor de vijand (het zogenaamd “dadererfgoed”).
In de epiloog onderstreept de auteur dat het aantal gedenktekens de laatste jaren fel is toegenomen – sommige lijken overigens vrij nutteloos – en het ziet er niet naar uit dat er een meteen einde komt aan die groei. Verder heeft hij het terecht over het feit dat sommige herdenkingsplechtigheden soms meer lijken op een demonstratie van wapens en militaire toestellen en/ of discipline, eerder dan dat zij een gericht eerbetoon inhouden. Ook het adagio “Nooit meer oorlog” lijkt overigens ambigu als men soms de hardnekkigheid ziet waarmee bij herdenkingsplechtigheden militairen worden ingezet, als was het een vorm van legitimatie van de
inzet van militairen in huidige conflicten. Daarnaast zijn een aantal herdenkingssites ingericht als speelplein of belevingsruimte hetgeen uiteraard de aandacht wegneemt voor waar het echt om gaat. Een herdenking wordt dan jammer genoeg herleid tot een toeristisch of ontspanningsevenement, een happening. De auteur heeft overigens geen last van de toerist die op een bankje bij een monument rustig zijn boterhammetje zit op te eten ... Tot daar nog aan toe, wat mezelf betreft – maar wie ben ik? – heb ik toch problemen met diezelfde toerist die naast “Het treurend ouderpaar” op het begraafplaats van Vladlso (West-Vlaanderen) zijn sandwich verorbert – het getuigt niet van inleving en/of respect. Echte herdenkingsmonumenten mogen eigenlijk niet worden vermarkt noch opgaan in de geur van friet, oliebollen en bitterballen.
Uiteindelijk is het meest volkomen monument de “naakte” herdenkingsplaats zelf, het ware lieu de mémoire – denk aan de Normandische ontschepingsstranden, zelfs zonder zichtbare en expliciete sporen uit het verleden. De zwakte ervan is dat de bezoekers moeten weten waarom die plek een herdenkingsplek is – m.a.w., op zijn minst is een teksttoelichting absoluut noodzakelijk. Denk maar aan het sobere Pointe du Hoc (Normandische kust) – en niet, beste heer Kok, Point du Hoc – met een eenvoudige stèle, een korte tekst en veel originele bomkraters.
Interessante bespiegelingen, inderdaad. Het boek nodigt de lezer uit om na te denken over monumenten en herdenkingen. Daarom lijkt het ons echter meer een publicatie te zijn gericht op zij die verantwoordelijk
zijn voor de bouw en het onderhoud van herdenkingsmonumenten (lokale en landelijke overheden en organisaties), voor de organisatoren van herdenkingen en voor historiciarcheologen. Maar als men aandacht mag hebben voor de huidige dimensies van een herdenkingsmonument moet de historische realiteit waarnaar het monument verwijst hoe dan ook primeren. Alles gaat voorbij, behalve het verleden.
Graag had ik gezien dat de auteur ook even zou verwijzen naar een recente trend in het erfgoedonderzoek, met name die van “dark heritage”. Als je monumenten beschouwt als onroerend erfgoedobjecten – waar ik kan in komen – dan zou het ook logisch zijn dat er op een zeer expliciete wijze een onderscheid wordt gemaakt tussen een oorlogsmonument enerzijds en, bijvoorbeeld, een kathedraal of schilderij anderzijds.
Het boek is geschreven in een aangename en zeer toegankelijke vaak persoonlijke stijl, met tal van nuttige kwaliteitsvolle illustraties, maar inhoudelijk lijkt het ons vaak wat chaotisch. Tevens zijn er technisch een aantal tekorten. Zo had ik minstens gehoopt op een index van plaatsen waar monumenten staan (toch deze die in het boek worden behandeld) en/of van de in de publicatie behandelde monumenten zelf. En tot slot heb ik nog maar zelden een bibliografie gezien waarin de titels kriskras door elkaar staan, d.w.z. niet alfabetisch gerangschikt op auteur – op zijn minst ongebruikelijk.
Alex Vanneste
Thomas Lentes, Soweit das Auge reicht. Frömmigkeit und Visualität vom Frühmittelalter bis zur Reformation, ed. David Ganz, Esther Meier en Susanne Wegmann, Berlin, Reimer, 2022, 596 p., ill., ISBN978-3-496-01676-2, € 79.
Het boek verzamelt alle artikels (21 in totaal) die historicus en theoloog Thomas Lentes (1962-2020) wijdde aan lichamelijke en iconografische uitdrukkingsvormen van devotie en liturgie in de middeleeuwen en de vroege moderniteit. Door zijn interdisciplinaire aanpak, door zijn methodologische koppeling van schriftelijke bronnen en artefacten en door het centraal stellen van het object kan hij worden omschreven als een voorloper van de ‘material turn’ die nu in de religiegeschiedenis en de studie van de religieuze volkscultuur zo belangrijk is geworden. Zijn interesse haalde hij bij zijn Doctorvater de bekende Arnold Angenendt.
Het eerste artikel demonstreert concreet de originele aanpak van Lentes. De bijdrage heeft als ondertitel Eine Skizze zur klösterlichen Einzelzelle. Hij bestudeert de betekenis van individualiteit en isolatie binnen de structuren van een kloostergemeenschap. De objecten van een kloostercel geven namelijk precies weer welke idealen van geestelijke aansterking, maar ook van controle de kloosterorde vooropstelt. De objecten zijn vaak onderwerp van spanningen en disciplinering omdat ze kunnen afleiden van een authentieke devotie tot God.
Een belangrijke verzameling van artikels draait rond de verhouding tussen tekst en ritueel in de middeleeuwse religieuze beleving. Hij komt tot de bevinding dat de teksten van het psalterium en het evangeliarium eerder ‘werkzaam’ zijn in de context van eucharistie en breviergebed, dan wel van lectuur en exegese.
Het volgende cluster van artikels beklemtoont de visuele dimensie van devotiepraktijken in het christendom. Het is meteen het centrale onderzoeksobject van Lentes (en van zijn onderzoeksgroep in Münster), mooi samengevat in het artikel Wie weit das Auge reicht. Om de middeleeuwse vroomheid te begrijpen is kennis van de menselijke fysionomie noodzakelijk. Voor elk uitwendig zintuig, erkende de middeleeuwer het bestaan van een inwendig zintuig. De uitwendige zintuigen moesten de inwendige helpen zuiveren om dichter bij God te raken. “Je wordt wat je ziet.” Hoe dat in zijn werking ging, wordt geïllustreerd aan de hand van het aanschouwen van de lijdende Christus (die in de late middeleeuwen zo belangrijk wordt).
Het derde deel artikels sluit naadloos aan bij het tweede. Lentes wil breken met de traditionele opvatting dat middeleeuwse vroomheidsbeleving heel uiterlijk en dus oppervlakkig is. Hij stapt dus niet mee in de propagandistische opvattingen die sinds reformatie gemeengoed zijn geworden ten aanzien van middeleeuwse religiositeit. Ook weer aan de hand van de studie van objecten trekt hij de conclusie dat vanaf de 15e eeuw een intellectuele religiositeit naar voren wordt geschoven die de religiositeit van daarvoor vanuit dat perspectief veroordeelt. Een mooi voorbeeld daarvan is dat het letterlijk bekleden van heiligenbeelden in die periode wordt vervangen door het bekleden van het beeld met gebeden.
De laatste groep artikels belicht de theoretische kaders waarmee in middeleeuwen en vroege moderniteit naar beeldcultuur werd gekeken. Lentes toont het belang van beelden voor de kloosterhervorming van de 15e eeuw aan, maar ook voor het ontstaan van de reformatie.
De lezer wordt overladen met een massa gegevens die een waardevolle aanvulling vormen op de doorgaans Angelsaksische literatuur die dit domein domineert.
Hans Geybels
Carol Ludwig, Linda Walton and Yi-Wen Wang (eds.), The Heritage Turn in China: The Reinvention, Dissemination and Consumption of Heritage, Amsterdam, Amsterdam University Press, 2020, 314 p., ill., ISBN 9789462985667, € 113.
This book brings together intellectuals of various disciplines, including scholars of heritage studies who are specialized in studying heritage discourse and practices in contemporary China; historians who focus on the revival of traditional academies in contemporary China, representations of China and the Chinese concerning commodities and consumption, and 19th-century photography in and of China; anthropologists who focus on culture and power, cultural policies, heritage processes and urban studies; archaeologists and ethnographers who study the popularization of archaeological
material in contemporary China; and communication scientists who are specialized in film studies, Chinese literary and visual culture, digital developments and media, and Chinese tourists’ photographic practices. It underscores the significance of Asian cultural heritage studies in challenging the European and American centred approach. It provides a detailed outline of the changing ways of relating to the past in China since the beginning of the 20th century. It links the 1989 Tian’an men square event with the national campaign of patriotism education since the 1990s and the campaigns for the protection of historicalcultural relics in post-Mao China. It argues that China’s protection and revival of traditional culture can be regarded as part of the national identity construction and economic development projects. It introduces a series of case studies from a comparative perspective and joins in discussions about some controversies, such as the issue of the “authenticity” of heritage or the limitations of AHD theory. Some of the case studies emphasize the active roles of multiple actors and the interactions and tension among them.
Confucian heritage
Section 1 discusses the reconstruction, reinvention and representation of Confucian heritage, including Confucian academies and his birthplace. Chapter 2 emphasizes the state’s appropriation of Confucian heritage for “public pedagogy”. Chapter 3 compares the destruction of Confucian heritage sites during the Cultural Revolution with the later
investments in the restoration of such sites to highlight the link between conservation and nationalism. In these discussions, the roles of various other actors in such campaigns and the “heritage turn” seem to be ignored, for instance, the role of communities, groups and individuals (CGIs)1 in maintaining such Confucian heritage. Consequently, the CGIs are being framed as passive in this “heritage turn.” Yet, as it is emphasized in Chapter 10, heritage should not be simply regarded as an invention, but as based on its historical origins and accumulations. Chapter 9 does explore how multiple stakeholders and actors influence each other while they engage with and make sense of heritage and highlights the significant role of cultural brokers. The heritagization process is more complicated than a discussion of clear cut either top-down or bottomup approaches.
Chapter 3 frames Confucianism as “China’s state religion,” but this is questionable for several reasons. For one thing, it is debatable if the European and American conception and categorization of “religion” fit to explain practices and customs in Chinese society.2 For another thing, it is also questionable if Confucianism can be classified as a religion. This hinges on how heritage is defined
1 Marc Jacobs, “Glocal Perspectives on Safeguarding: CGIs, ICH, Ethics and Cultural Brokerage,” in Glocal Perspectives on Intangible Cultural Heritage: Local Communities, Researchers, States and UNESCO, with the Special Focus on Global and National Perspectives, eds. Tomiyuki Uesugi & Mari Shiba, (Tokyo: Center for Glocal Studies, Seijo University, 2017), 59.
2 Darryl Wilkinson, “Is There Such a Thing as Animism?” Journal of the American Academy of Religion 85, no. 2 (2017): 290.
and in which context.3 Moreover, the position of Confucianism was not always authoritative throughout history. It had been frequently subjected to criticism from scholars, challenged by Buddhism and Daoism (which had played the leading role in societies from Wei and Jin to Tang Dynasties, 220-907)4 and confined by the monarchy (especially in Ming and Qing Dynasties, 1368-1912)5. Another question involves if “China” here is understood as simply the majority Han “ethnic” cultural society or includes the multiplicity of groups, cultures and identities.
In Section 2, chapter 5 distinguishes 3 different heritage approaches: the material-based heritage approach, the values-based heritage approach and the living heritage approach. The UNESCO 2003 Convention for the Safeguarding of Intangible Cultural Heritage (the 2003 Convention) and the 2005 Council of Europe Framework Convention on the Value of Cultural Heritage for Society (the Faro Convention) are considered values-based approaches. The living heritage approach is considered an approach that is outside the legal framework of conservation
3 Yi-hong Liu, “Interview with American Confucian Studies Experts Wm. Theodore de Bary,” 2010, h ps://www.chinafolklore.org/ web/index.php?NewsID=7612 (刘一虹, “儒 学是宗教吗 访美国儒学研究专家Wm.吉 道 德 贝瑞”)
4 Xu-dong Hou, “Observations and Reflections on the Research on the History of China’s Wei, Jin and Southern and Northern Dynasties in Recent Years,” Social Science Front, No. 2(2009): 9-16. 侯旭东, “关于近年中国魏晋南北朝史研 究的观察与思考,” 社会科学战线,
5 Ying-shih Yu, Modern Confucianism, (Hong Kong: Global Publishing Co. Inc. 1996), 8-9. (余英时, 现代儒学论, 八方文化企业公司)
management, embracing both the tangible and intangible heritage. Yet, this categorization is difficult to be justified, as these 3 categories are more comprehensive as a continuous process. It is the success and controversy yielded by the UNESCO 1972 Convention which led to intensive and extensive discussions about the spectrum and connotation of heritage. This provoked the formation of the 2003 Convention, which does not mean creating a category of heritage that is literally “intangible.”
As is defined by the 2003 Convention, the ICH “means the practices, representations, expressions, knowledge, skills – as well as the instruments, objects, artefacts and cultural spaces associated therewith – that communities, groups and, in some cases, individuals recognize as part of their cultural heritage…”6 It is manifested inter alia in 5 main domains. This definition emphasises inclusiveness and the central role of the CGIs in the identification of the heritage. Besides, article 15 of the 2003 Convention and the recently established ethical principles not only highlight the central role of the CGIs in the safeguarding of the ICH but also aim at ensuring the central role of those CGIs.7 This precisely emphasizes people, as the author claimed that the “living heritage approach” does.
The political and social-economic interests that were generated by these
6 UNESCO, Basic Texts of the 2003 Convention for the Safeguarding of the Intangible Cultural Heritage, 2018 edition (Paris: UNESCO, 2018), 5.
7 Ibid., 10, 113-114. Marc Jacobs, “Glocal Perspectives on Safeguarding: CGIs, ICH, Ethics and Cultural Brokerage,” 63-65.
Conventions are the main attraction for nation states’ ratification and implementation of these Conventions. So a State Party as the main actor in its territory is mobilized to initiate and facilitate various safeguarding practices, including making favourable policies and raising awareness among the general public. This creates a supportive environment for the “living heritage approach” to thrive. The UNESCO 2005 Convention on the Protection and Promotion of the Diversity of Cultural Expressions addressed the role of cultural industry and cultural product(ion)s for the promotion of the diversity of cultural expressions.8 In China, as is demonstrated in this book, though the state has been playing a determining role, it was struggling to affirm the positive role of traditional culture and its material traces and to welcome the heritage turn, without the UNESCO Conventions at its side as effective catalysts and a strong allies.
Museums in China
To illustrate new ways of making the past accessible to the past, Chapter 6 informs the development of the museum sector and public archaeology in the 21st century in China. It presented some official data on surging numbers of museums, exhibitions and government subsidies, and case studies of mobile museums and the application of new media to claim that the government policies
8 UNESCO, Basic Texts of the 2005 Convention on the Protection and Promotion of the Diversity of Cultural Expressions, 2017 edition (Paris: UNESCO, 2017), 7.
and input significantly enhanced the multifunctional performance and visitability of museums in China. This demonstrates some new trends of museum development in China, yet this does not represent the whole picture. Elements such as the type of museums, the geographical distribution, and more importantly, visitors’ experiences and museum professionals’ reflections based on their long-term observations are not taken into consideration.
For example, the implication of the “museum open to the general public for free”-policy (2008)9 was commented as not being effective in enlarging visitors’ engagement or increasing the museums’ visitability in a long run. Tourism agencies often take advance of the free entrance policy to include such museums in their group tour program to reduce their costs. During the tourist season, this went beyond the capacity of the museum facility and management. Whereas in wintertime, the museum has few visitors every day, thus affecting the sustainable development of museums.10 Since
9 People’s Government of the People’s Republic of China, “Notice on the Free Opening of National Museums and Memorials in China,” 2008. (“关于全国博物馆 纪念馆免费开放的 通知”) h p://www.gov.cn/gzdt/2008- 02/01/ content_877540.htm
10 Xue-jiang Sun, “Reflecting on the Implementation of Museums opening for Free in Local Museums,” Identification and Appreciation to Cultural Relics, No.12, (2018): 92-93. (孙雪江, “关于基层博物馆免费开放政 策实施近十年的思考,” 文物鉴定与鉴赏 ) Yangjin Cuomu, “The Management and Sustainable Development of Museums a er Museum Opening for Free,” Tibetan Science and Technology, no. 11 (2017): 6-7. (央金措姆, “博物 馆免费开放后的管理与可持续 发展分析,” 西 藏科技)
museums are not profiting from tickets and are completely relying on government subsidies, problems such as lacking motivation for innovation, sustainability of quality service and inefficient use of funds are identified.11
民族 (mín zú, “ethnicity” / “nation”) and authenticity
In chapter 2, the term民族 mín zú is translated as “peoples.” Whereas in most cases, it is translated as either “ethnicity” or “nation.” This translation as “peoples” avoided an interesting and important discussion about the tension between “ethnicity” and “nation,” and between the Han majority and “ethnic minority”, which was more discussed in Chapters 8, 10 and 11. This tension is fundamentally a question of the relationship between the Han culture and various “ethnic” cultures.
In the discussion of the utilization of heritage in urban planning and branding in Shanghai, Wuhan and Xi’an in China, chapter 8 points out that the history, culture and identity of the Hui Muslims became underrepresented. Chapter 10 discusses Yi and their alcohol-related heritage as an interesting topic about indigenous identity, heritage commercialization and substance abuse, which points to the socialeconomic situation of “minority ethnic groups” in the configuration of the Chinese Nation as Diversity
11 Bo Chen & Da Geng, “A study of the Evaluation System of Museum Performance Based on Museum Opening for Free,” Hundred Schools in Arts, no.2 (2013): 74-82. (陈波&耿达, “博物馆免费开放绩效评价指标 体系研究,” 艺 术百家)
in Unity. It points out substance abuse as something faced by many marginalized groups as a symptom, rather than the cause of poverty, whereas embracing the alcoholrelated heritage can strengthen the marginalized identity of the “ethnic” group.
Chapter 11 explores interesting concepts such as “internal colonialization” and “internal orientalism”. It reveals the link between “ethnicity” and “othering” and spotlights the tendency of framing the “ethnic” groups as “primitive”, which is considered to fall into linear cultural evolutionism and politically incorrect according to post-humanist thinking. Based on a case study of the representation of “ethnicity” in a tourist a raction in Xinjiang and an analysis of the tourists’ photographic practices, it was demonstrated that in the process of appropriation and commodification of “ethnic” heritage, the local CGIs have become part of heritage. This can be extended to a broader discussion about the relationship between various groups, especially between nomadic society and agrarian society in China through history for a be er ethnic policy, which is closely related to the representation of “ethnicity” in China.
The re-interpretation of an exhibited tree in the tourist a raction in Xinjiang in chapter 11 revealed the performativity and staged character of authenticity: it is not a stable category in defining heritage but is in constant negotiation. Through comparative case studies, this book dissects multiple layers of “authenticity” in a range of heritage practices and sites, including open-air museums in the UK and
tourism sites in China. It reveals various levels of distortion and invention, which uncovers the close relationship between “authenticity” and nationalism (chapter 5), as well as other problematic issues of applying it to heritage management and representation.
Jiyun Zhang
Veerle Maebe, Het dorp, ik weet nog hoe het was, Verhalen uit de jaren ’40, ’50 en ’60, Antwerpen/Amsterdam, Houtekiet, 2022, 248 blz., ill., ISBN 9789089247360, € 21,99; e-boek ISBN 9789089248510, € 14,99.
Het ouderwetse dorp van het midden van de 20e eeuw is weldra een rariteit geworden. De verstedelijking, de maatschappelijke, technische en technologische vooruitgang zijn daar uiteraard niet vreemd aan. Maar met het uitsterven van het dorp en de verstedelijking, verdwijnen ook tal van
plaatselijke gebruiken, gewoonten, uitdrukkingen en a itudes. Het boek van Maebe wil ter zake een en ander repertoriëren, zonder de nostalgie van “Vroeger was het allemaal beter” en zonder fetisjisme om elke vorm van Bokrijkgehalte te vrijwaren.
De auteur raadpleegde een vij igtal personen over enkele kernitems in het Vlaamse dorpsleven: geloof en devotie, leven en dood, bijnamen en dorpsfiguren, dagelijks leven, eten en drinken, communiefeesten, bruilo en, ziekte en gezondheid, de opkomst van de auto, de intrede van de televisie, werk en studies, vrije tijd en tenslo e ook nog vakantie.
Dat ze start met geloof en devotie hee uiteraard te maken met het feit dat dit midden de 20e eeuw nog vaste waarden waren in de dorpsgemeenschappen waarbinnen priesters nog heel wat autoriteit hadden. In deze context behandelt Maebe gewoonten die nu verdwenen of aan het verdwijnen zijn: de politieke bemoeizucht van pastoors; een indrukwekkende, bulderende of vervelende pastoor tijdens de homilie; vrijwilligers als klokkenluider of stoelenze er in de kerk; de suisse of kerkbaljuw; de processies en bedevaarten; het lof en de vespers; gescheiden zitplaatsen voor vrouwen en mannen in de kerk; de biecht; nonkel pater in de Congo, enz. Allemaal gewoonten en personages die zo goed als definitief zijn verdwenen en waarvan zij die geboren zijn in de zeventiger of tachtiger jaren eigenlijk niets meer afweten. Wie weet nog dat misdienaars inkt in de wijwatervaten deden, wat zijn Pasen houden is, waarvoor er novenen werden gebeden, enz.
Een dorpsarts werd gezien als een soort tovenaar; klinieken lagen
ver van het dorp; het vertrouwen in huis-, tuin- en keukenmiddeltjes was minstens even groot als in de medicijnen die je bij de apotheker kon kopen; kinderen hoorden levertraan in te nemen en wanneer ze verkouden waren kwam het potje Vicks op de proppen; voorhuwelijkse betrekkingen waren een schandelijk taboe, zeker wanneer er werd getrouwd “van moeten” en om de al even schandelijke geboorte een “voorkind” te vermijden; amandelen en poliepen werden thuis geknipt; zwerende wonden werden te lijf gegaan door ze te bedekken met een graanpapje; seksuele voorlichting steunde in vele huishoudens nog lang op de legendarische ooievaar of kolen; dat er in het waskot maandverbanden rondslingerden of aan de wasdraad hingen te drogen was vaak een aanleiding om over “het een en het ander” te praten, maar zeker niet als er “klein mannen” bij zaten.
Het was ook de tijd waarin sommigen illegaal hun eigen jenever stookten; rond Nieuwjaar duurde de ronde van de postbode geen halve maar een ganse dag want de arme (?) man moest op bijna elk adres een jeneverke drinken; duivenmelkers zaten in de vroegmis (of “brosten” gewoon) en stonden in voor de wekelijkse zondagmorgenbedrijvigheid, vooral in de kroegen, ...
En zo kunnen we nog even doorgaan.
Het boek van Maebe bevat voor de nu zowat 50-jarigen en ouder –grootgebracht in een dorp – een schat aan herinneringen en verwijzingen naar hun jeugdjaren. Het is het soort werkje dat je echt niet in één zucht moet uitlezen, precies omdat al de informatie wordt verscha in vrij bondige stukjes van enkele regels tot
een halve bladzijde. De auteur zal zich hoe dan ook kostelijk hebben geamuseerd bij het aanhoren van al die verhalen van haar informanten. En laat het mij maar toegeven, ook ik heb me geamuseerd bij zoveel vlot aangebrachte nostalgie en herkenbaarheid (u kunt dus mijn minimumlee ijd raden...). Veerle Maebe zal ongetwijfeld geen literaire ambities hebben gehad bij het schrijven van dit boek. Toch is het haar verdienste om tal van volksgebruiken en verhalen uit het midden van de 20e eeuw voor het nageslacht te hebben opgetekend. Ook jongeren zullen plezier beleven aan wat nu door sommigen als bijna archaïsch wordt beschouwd, zeker oubollig, maar dat geworteld zat in de opvoeding van hun ouders en vooral hun grootouders.
Alex Vanneste
Wim Opbrouck, Openbare werken, Veurne, Hannibal Books & The Phoebus Foundation, 2022, 161 blz., ill.; ISBN 9789464366709; € 45,00.
Het lijkt een vreemde keuze om een boek vol tekeningen van Wim Opbrouck in een tijdschri als Volkskunde te bespreken. En toch is er een goede reden om dat wel te doen, want er is meer dan het oog zien kan. En dat is in ieder geval zo met iemand als Wim Opbrouck. Hij is een echte octopus die met elk van zijn acht tentakels in een andere kunstvorm bezig is en die kunstvormen ook telkens weer tot een symbiose weet te brengen, waardoor ze vaak –bijna altijd – binnen de grenzen van immaterieel erfgoed, in dit geval vertelkunst, vallen. En voor er wordt op gewezen dat in dit boek weinig of geen verhalen staan, vertellen kun je ook met beelden. En dat is iets wat Wim Opbrouck voortdurend doet. Hij creëert een wereld vol fantasie die gebaseerd is op de eeuwenoude traditie van vertellen en verhalen doorgeven,
maar gee er meteen een nieuwe dimensie aan. Dit komt het beste tot uiting in zijn recentste voorstelling Ik ben de walvis! in het kader van Te gek, een gemeenschappelijk project van het Steunpunt Geestelijke Gezondheid met als uitgangspunt “maak van het hoofd een zaak”. Zelf noemt Opbrouck zijn voorstelling een parabel, maar het is ook een modern sprookje over een walvis. Het zit vol magische momenten en doet appel aan de fantasie van de kijker. Plaats en tijd zijn eerder onbepaald, maar net daarom universeel, ze roepen een andere wereld op. De zedenles bij dit verhaal is voor iedereen anders, maar het sprookje confronteert je toch indirect en meestal clownesk met enkele grote vragen rond het leven, het milieu, kortom de wereld waarin we leven, ook wanneer we geen vaste grond onder de voeten hebben. Wat voor een bultrug, behalve wanneer hij uiteindelijk strandt, nooit het geval is.
Precies hetzelfde ervaar je als lezer en/of kijker van het (kunst)boek Openbare werken. In eerste instantie lijkt het een boek vol onhandige kindertekeningen. Totdat je even aan de bovenlaag krabt en er plots zoveel meer tevoorschijn komt. Dat wordt ook wel geduid in een voorwoord van Patrick Allegaert en Bart Marius, voormalig en huidig artistiek leider van het Museum Guislain, die mee verantwoordelijk zijn voor de gelijklopen tentoonstelling Open Hart (26-6-2022 tot 8-1-2023). De vele tientallen tekeningen lijken inderdaad vaak kinderlijk, maar eveneens ook vaak scabreus, waardoor duizendpoot-kunstenaar nooit het contact met zijn publiek verliest, omdat voor hem naast het artistieke de sociale component nog een grotere
rol speelt. De eerste zaadjes voor die open houding werden wellicht geplant – of eerder breed gezaaid – tijdens zijn schooljaren in het Kortrijks Atheneum waar hij van heel wat inspirerende leerkrachten les kreeg, waardoor hij niet in een knellend keurslijf terechtkwam, maar net de wereld rondom hem kon ontdekken. En omdat hij zovele mediakanalen bespeelt en beheerst, is hij in staat om – vaak relativerend – zijn vele verhalen te vertellen aan een zo breed mogelijk publiek en het zoveel mogelijk deel te maken van zijn fantasierijke sprookjeswereld die tegelijkertijd ook geënt is op het dagelijkse leven.
Het boek deed me denken aan de vriendenboekjes in het lager onderwijs die de vroegere poëziebundel hebben vervangen. Dit is een soort omgekeerd vriendenboek, niet de vrienden schrijven voor hem, maar hij deelt zijn gedachten, soms met ongecensureerde dagboekfragmenten, met zijn vrienden. Daardoor krijgt het werk de allures van een egodocument dat inkijk gee in het leven van Opbrouck. Als je leest dat “… terwijl je tekent, de wereld ophoudt te bestaan en alles mogelijk wordt. Tekenen is reizen naar de hoogste hemel der verbeeldingskracht, waar de fantasieën onbegrensd zijn en vrij van zorgen. Er zijn geen spelregels, alles kan, alles mag”. Deze woorden zijn van Wim Opbrouck zelf, geschreven in een voorwoord van een ander werk. Maar ze tekenen de kunstenaar ten voeten uit en leggen die link met de sprookjeswereld waar ook ongeveer alles kan binnen het kader van de menselijke verbeelding. En laat nu net egodocumenten een vaak vergeten element zijn in de studie van het
immaterieel erfgoed. In de wereld van de vertelkunst is dit een welgekomen geschenk.
Belangrijk bij het werk van Opbrouck zijn gastvrijheid, toenadering, inclusie en participatie, centrale thema’s in de diverse wereld waarin we vandaag leven en die om creatieve oplossingen vragen. De vertelkunst van de Bavikhovenaar kan ons hierbij helpen. Meer van dit soort verhalen zou de academische wereld ook helpen om onze veranderende wereld te helpen duiden.
Dat uitgeverij Hannibal Books ondertussen garant staat voor kwalitatief hoogstaande kunstboeken is een open deur intrappen. Het zijn openbare werken die – in tegenstelling tot vele andere “echte” openbare werken – tot een goed en vooral mooi einde zijn gebracht. Een boek om van te genieten. Een vijfsterrenwerk dat ook nu weer in mooie banen werd geleid door samenstelster Natacha Hofman.
Catteeuw
Jelle Stegeman, Grote geschiedenis van de Nederlandse taal, 2 delen, Amsterdam, Amsterdam University Press, 1282 p., ill., ISBN 9789462989252; € 79,00.
2,715 kg en 1282 pagina’s (twee delen) geschiedenis van de Nederlandse taal. Dit moet wel een zwaarwichtig werk zijn. En dat is het ook. De geschiedenis van een taal die zich over verscheidene eeuwen uitstrekt, laat zich nu eenmaal niet in een beperkte monografie duwen. Multatulikenner en emeritus Jelle Stegeman (Universität Zürich en Universiteit Leiden) liet zich helemaal gaan want hij keerde helemaal en zeer intensief terug naar de wortels van onze taal, het Proto-Indo-Europees, om zo tot het Nederlands te komen dat we nu met ca. vierentwintig miljoen mensen spreken. Het is binnen het bestek van deze recensie niet de bedoeling om het boek op het gebied van taalkunde door te lichten. Daarvoor zijn er andere, meer geëigende kanalen. Toch was ik onmiddellijk op mijn qui-vive omdat de auteur in de inleiding Westen Oost-Vlaams aaneenschrij , een beetje vreemd voor een taalkundige van zijn standing. Een slordigheidje? Of rebels opzet? Hij gebruikt in ieder geval – geheel onlogisch – de beide varianten door elkaar. Zelfs op één en dezelfde pagina.
De eerste hoofdstukken zijn vooral voor taalkundigen interessant. De evolutie van de taal aan de hand van klank- en andere verschuivingen is een vrij harde brok om te kraken en voor de gewone lezer waarschijnlijk wel wat te hoog gegrepen. Iets minder jargon had hier echt wel gemogen. Toch is ook dat deel interessant omdat Stegeman in elk hoofdstuk ons historisch inlicht over de toestand op dat ogenblik en daardoor ook focust op het communicatieve aspect van de taal. En wie communicatie zegt, zegt onvermijdelijk context, dus ook cultuur. Jelle Stegeman slaagt er in ieder geval meestal in om historische
Paul
(taal)feiten aan die context te verbinden. Dat bijvoorbeeld de Del se Bijbel, het eerste gedrukte boek in het Nederlands, een enorme invloed hee gehad, is een open deur intrappen. Gedrukte werken zorgden enerzijds voor een zeer vroege aanzet tot standaardisering van de taal, maar ze waren anderzijds mee een aanzet tot identiteitsvorming, want een eenheidstaal kan een bindend middel zijn ten overstaan van andere talen. Net zoals een dialect groepsvormend kan zijn.
Deze geschiedenis is zo breed dat het onmogelijk is om alle face en hier te bespreken. Daarbij zou je je als lezer de vraag kunnen stellen of de auteur zich niet te veel verliest in details en randfenomenen. Toch is dit niet het geval. En dat is vooral te danken aan het feit dat door het boek heen Stegeman veel tekstfragmenten in zijn tekst verwerkt. Van olla vogala tot zelfs Toon Hermans of Ramsey Nasr. De vele goed gekozen, maar voornamelijk (geografisch)
Nederlandse fragmenten maken het werk in ieder geval luchtiger.
Zo valt het op dat Stegeman dit werk voornamelijk door een
Nederlandse – dus niet-Vlaamse – bril hee bekeken. Het zuidelijk gedeelte van de Lage Landen wordt niet vergeten, maar altijd veel beperkter behandeld. De taalstrijd in België komt wel aan bod, maar hee veel meer invloed gehad op taal en vooral het volk in al zijn face en dan die enkele pagina’s die eraan worden gewijd. Vlamingen hebben moeten strijden voor hun taal, dat is een fenomeen dat Nederlanders niet kennen en waardoor ze ook nu nog altijd verrast zijn. En dat is meteen de grootste tekortkoming van deze grote geschiedenis. De titel
suggereert immers dat het over het gehele taalgebied gaat, terwijl de aandacht voor Nederland vele malen groter is. Een grotere aandacht voor de geschiedenis van de taal in het Zuiden zou nochtans de envergure van het werk gewoon meer glans en credibiliteit hebben gegeven. Je merkt meteen in het voorwoord dat Stegeman vooral bij landgenoten te rade is gegaan, terwijl een zuidelijke kijk hier net aanvullend zou zijn geweest. Voor ongeveer een vierde van de sprekers van de Nederlandse taal zou dit toch wel een absolute meerwaarde hebben betekend, al was het maar om in Van Dale BE-gewes aal te duiden. Het feit dat je hoofdstukjes hebt die “Het Nederlands in België” heten, lijkt het alsof dat Nederlands een afwijkende – en daardoor naar fouten neigende – variant is, aangezien ik geen hoofdstuk “Het Nederlands in Nederland” vind, omdat NoordNederlands in het referentiekader van de auteur de standaard is. Stegeman hee hier en daar de neiging om al wat Zuid-Nederlands is, als dialect te beschouwen. Op p. 1087 is de houding van de auteur tegenover Vlaamse wetenschappers (Taeldeman, Deprez, Pauwels) zelfs enigszins denigrerend te noemen. Hij verwijt hen subjectieve generalisatie ten overstaan van het Noord-Nederlands, maar trapt tegelijkertijd in dezelfde val in de omgekeerde richting. Een zuiders standpunt had dit toch wat kunnen corrigeren of op zijn minst nuanceren. Het voorgaande geldt a fortiori ook voor Suriname.
In een uiterst korte paragraaf spreekt Stegeman over het Meertens Instituut. Meertens zelf krijgt verder geen aandacht (zelfs niet in het register), zijn literair alter ego Beerta komt er beter vanaf. Het instituut
dat baanbrekend werk verrich e op het gebied van o.a. dialectologie, had beter verdiend.
Uit het voorgaande zou kunnen blijken dat dit werk heel wat mankementen vertoont, toch is het tegendeel waar. Dit is echt een standaardwerk dat staat als een huis, omdat het meer is dan louter de beschrijving van de pure geschiedenis van onze taal. Want Stegeman besteedt ruime aandacht aan de sprekers van het Nederlands en daarom is het werk ook vanuit volkskundig oogpunt erg interessant.
Het lijkt overigens misschien een detail, maar het boek blinkt uit in uiterst mooie en prachtige tussentitels, zoals Duutsce tonge, Het Agtbaerste Gebruik of Verlos ons van den preektoon, Heer! Een verleidelijke verademing.
Het afsluitende hoofdstuk noemt Stegeman zelf een open einde. Hoe het Nederlands er over vij ig jaar zal uitzien of hoe het zal klinken is uiteraard moeilijk te voorspellen.
Uiteindelijk behoort het Nederlands met zijn vierentwintig miljoen moedertaalsprekers tot de veertig meest gesproken talen ter wereld. We spelen hier in de Champions League op een totaal van ongeveer zevenduizend talen. Dat alleen al lijkt een garantie voor het voortbestaan van het Nederlands. Ook al lijken Noord en Zuid hier en daar wat uit elkaar te groeien. Denk maar aan de ondertiteling van de wederzijdse feuilletons op tv. Toch mogen we niet vergeten dat nooit eerder zoveel mensen elkaar – ondanks alle mogelijke dialecten en taalvarianten – elkaar in principe zonder problemen kunnen begrijpen. Die eenheid en verstaanbaarheid zorgen er ook voor dat we net iets makkelijker de
verschillende culturen binnen dat taalgebied kunnen ontmoeten en begrijpen.
Het monnikenwerk van Stegeman hee een kanjer van een monument opgeleverd. Of het de tand des tijds zal doorstaan, zal moeten blijken, maar het is wel een referentiewerk waar niemand omheen kan. En dat geldt niet enkel voor taalkundigen. Een aanrader, maar kleine leesdosissen zullen je voor een indigestie behoeden.
Paul Catteeuw
Malte Thießen, Auf Abstand. Eine Gesellscha sgeschichte der Coronapandemie, Frankfurt – New York, Campus Verlag, 2021, 222 blz.,
ISBN 978-3-593-51423-9; Print ISBN 978-3-593-44833-6; E-Book (PDF)
ISBN 978-3-593-44834-3; E-Book (EPUB), € 24,95.
Op de voorpagina van het boek staat een beeld dat drie jaar geleden niet begrijpelijk zou geweest zijn (Is het een spel of een speelveld? Een kunstperformance?, …), maar dat anno 2021 voor vele tijdgenoten interpreteerbaar is. Het is een niet geënsceneerde foto van een park in Düsseldorf op 11 juli 2020, met witgekalkte cirkelomtrekken die drie meter van de andere “bubbels” waren verwijderd, en waarin (kleine groepjes) mensen zaten. Het illustreert één interpretatie van de titel van dit boek over de maatschappelijke omgang met de coronapandemie in 2020 en de eerste hel van 2021
in Duitsland. “Afstand houden”, minstens anderhalve meter, die mensen zelfs in of tussen die cirkels kunnen respecteren. Daar werden diverse formules voor bedacht zoals gemerkte stoeltjes in een auditorium of door de tafelschikkingen in cafés of op terrassen. Meer dan een eeuw of half millennium geleden had men gebruik kunnen maken van de referentie aan de Heilige Lengtemaat van Christus (1,58 meter, op basis van de Lijkwade van Turijn), wat je vroeger als een gedrukte papierstrook of als touwtje kon kopen, een formule die (nog) niet geherlanceerd werd. De uitgever had ook kunnen kiezen voor een a eelding uit de 15e of 16e eeuw van een Dodendans, een minder eufemistische voorstelling van de eerste en tweede golf (voor de vaccins er waren) van de pandemie in het Antropoceen met vliegtuigen.
Dergelijke historische referenties hadden kunnen werken als een eyeopener; het boek bevat echter verder helaas nauwelijks beelden of duiding ervan.
“Auf Abstand” is geschreven door een historicus die in de zomer van 2021 de allereerste wou zijn om de geschiedenis te schrijven over de opkomst en het verdwijnen van de COVID-19-problematiek. Het a ondigen van een voorlopig “happy end” bleek te voorbarig en zelfs de korte productietijd van een boek doorkruiste de claims en aanspraken van zijn wetenschappelijke discipline, – academische historici die dankzij hun ambacht haast per definitie afstand kunnen bewaren – zo kan een recensent zes maanden later, in december 2021, al vaststellen. De golven bleven komen. Malte Thießen stelde vast dat voorgaande studies uit 2020 een zeer korte “halfwaarde”tijd
hadden; “Die Halbwertszeit dieser Darstellungen war zwangsläufig gering. Heute lesen sich viele dieser Studien als Quellen, die Einblicke in “damalige” Vorstellungen von der Pandemie eröffnen und so einmal mehr vom Problem der Gegenwartsnähe künden.” (p. 11). Maar pech, zijn gedrukte boek is een half jaar later door dezelfde dynamiek gevat; de Vierde Golf en Omikron drukten door. De klassieke truc van de academisch historicus om de wereld tot een verzameling “bronnen” te reduceren werkt niet helemaal. 2020 en 2021 werden – met opoffering van een “a” – omgetoverd tot het “Coronarchiv”. De “afstand”claims van de historicus zeggen, als bron, ook veel over de professionele habitus van academische geschiedenis in het derde decennium van de 21e eeuw en de zoektocht naar een nieuwe plaats in de wetenschappen, tussen digital humanities, erfgoed, journalistiek en Google. Het is dus geen ideaal geslaagd voorbeeld van eigentijdse “afstandelijke” geschiedenis, maar het bevat wel enkele verdienstelijke passages als tijdsdocument.
De auteur overloopt systematisch allerlei ervaringen en gebeurtenissen die een lezer van een goede Duitse krant of weekblad in 2020 en 2021normaal gezien hee gelezen. Het is een goed gedocumenteerde kroniek, mutatis mutandis als men Marc Van Ranst, Ben Weyts of Frank Vandenbroucke vervangt door Duitse equivalenten ook vaak herkenbaar in België. Thießen brengt enkele a enderende begrippen uit de sociale wetenschappen aan zoals “othering”, “mental maps” of reflecties over het belang van plots terugkerende grenzen of het concept uitzonderings- of noodtoestand. De historische referenties zoals aan de
“Spaanse” (sic) griep larderen zijn bloemlezing. Interessant vond ik de vergelijking met de “danse macabre”/ dodendansvoorstellingen uit de middeleeuwen, over de suggesties dat COVID-19 “democratisch” werkt en iedereen tre , zonder te kijken naar rang, gender, huidskleur of stand; wat bij nader toezien, zeker in globaal perspectief, niet echt zo bleek te zijn of blijven. Ook vergelijkingen met de nazitijd om vaccinatiecampagnes, mond-neus-kapjesverplichtingen of zachte vormen van “lockdown” te omschrijven, worden overtuigend ontmaskerd (net als in de kwaliteitspers).
Voor de lezers van dit tijdschri , zijn vooral de hoofdstukken acht Alltag: In der neuen Normalität (p. 145-158) en tien met enkele beschouwingen over “wat zou kunnen blijven” het vermelden waard. Thießen onderstreept terecht dat het “Coronachiv” het dagelijks leven in een ongewone periode bijzonder goed hee gedocumenteerd. Verder schrij hij interessante zaken over de pogingen om fysiek afstand te nemen in het maatschappelijk verkeer, wat internationaal met de onvolmaakte term “social distancing” werd aangeduid en waar hier het onnavolgbare Duitse jargon van “Alltagschoreographien körperdistanzierter und körperdistanzierender Interaktion” (p. 147) op de lezer wordt losgelaten. Dit gaat onder andere maar niet uitsluitend over bijvoorbeeld het schudden van handen. De choreografie van het dagelijkse leven in tijden van een pandemie is een boeiend thema voor onderzoek, ook comparatief in tijd en ruimte, maar is nu misschien vooral te va en in bewegende beelden en in levende lijve, voor die dans der verder levenden tot archie ekstbron
worden gemaakt. Stof voor erfgoeden geheugenwerk?
Marc Jacobs
Louise Tythaco & Panggah Ardiyansyah (eds.), Returning Southeast Asia’s Past. Objects, Museums and Restitution, Singapore, National University of Singapore Press, 2021, 303 blz., ill.; ISBN 9789813251243; € 38,00.
In de literatuur over koloniale roof en de discussie over restitutie gaat de meeste aandacht uit naar Afrika. Daarbij vergeten we soms dat er ook een onophoudelijke stroom van geplunderde voorwerpen vanuit Azië via verschillende wegen in de hele wereld terechtkwam. Dit boek richt ook de schijnwerpers op landen in Zuidoost-Azië die op dat gebied net iets minder aan bod komen, net als Vietnam of Cambodja, maar evenzeer op Indonesië of het nooit gekoloniseerde Thailand. Roo unst is namelijk niet altijd het gevolg van een koloniale periode, maar vaak ook
het resultaat van puur winstbejag in postkoloniale tijden.
Dit boek werd geschreven met de achterliggende en overheersende idee van een algemene oproep tot restitutie/terugkeer van cultureel erfgoed. Dat houdt meteen politieke motivatie en framing in om terug te brengen wat “rechtmatig” tot het land van oorsprong, het thuisland behoort. Zoiets werpt onmiddellijk ook vragen op van identiteit, nationalisme en zel eschikking. Het werk bestaat uit drie delen: 1. Artefact ownership; 2. Object biographies and colonial legacies; 3. Museums, restitution and culutral identities. Elk van die delen wordt gedragen door bijdragen van auteurs die hun sporen hebben verdiend op het gebied van restitutie. Niet echt nieuw is de idee dat restitutie niet alleen maar om “verlies” van de huidige eigenaar draait, maar wel om winst in verband met kennis, relaties en begrip die in het beste geval kunnen leiden tot blijvende relaties tussen de betrokken partijen-gemeenschappen.
Gabrielle Abbe focust in haar bijdrage op de verkoop van Khmer voorwerpen tijdens de Franse koloniale periode, een door de Franse overheid geautoriseerde handeling, waarbij men ervan uitging dat die verkoop bijdroeg tot de handhaving en het onderhoud van de tempels. Dat evolueerde van fragmenten naar zeer belangrijke exceptionele stukken. Een vreemde manier van doen wat ertoe leidde dat heel wat erfgoed verspreid raakte of zelfs helemaal verdween.
Het trio Socheat, Chanraksmey en Tythaco bespreken de geschiedenis van de Koh Ker beeldhouwwerken (Cambodja), van ontstaan tot repatriëring (van een groot deel
van de werken) tussen 2013 en 2016 aan de hand van getuigenissen van dorpsbewoners die het hele proces hebben meegemaakt of er zelfs bij betrokken waren.
Een gelijkaardig verhaal krijgen we bij Melody Rod-ari over de drie millennia oude keramieken vaten van de site van Ban Chiang in NoordoostThailand. Een zeer groot gedeelte van de gestolen materialen is ondertussen terug in Thailand, maar er is nog een restant in de VS. Het wordt niet meer tentoongesteld, omwille van de lopende discussies. Rod-ari vraagt zich ook af of een soort Frans systeem (zie Abbe) niet zou kunnen worden ingevoerd, maar dan onder een duidelijke supervisie.
De eerste bijdrage van het tweede gedeelte is van John Clarke. Zijn bijdrage is eerder documentair en bespreekt de Mandalay regalia (Konbaung dynastie) die tijdens de Derde Brits-Birmese Oorlog werden geroofd. De teruggave van de voorwerpen in 1964 was nooit eerder voorgekomen in de geschiedenis van het Victoria & Albert Museum. Je vindt de regalia nu in Yangon (Myanmar). Nguyēn H.H. Duyên onderwerpt het tonen van boeddhistische kunst in de Dong Duong galerij van het Da Nang museum van Cham beeldhouw-werken aan een kritisch onderzoek met de nadruk op repatriëring in curatele.
Panggah Ardiyansyah confronteert dan weer Nederland met zijn koloniaal verleden in Indonesië en bestudeert het zel eschikkingsrecht van het Zuidoost-Aziatisch land in verband met de teruggave van de schilderijen van de Indonesische schilder Raden Saleh. Vooral het schilderij van volksheld Diponegoro staat hier in het middelpunt van de
discussie. Dat brengt Ardiyansyah bij het historische belang van de figuur Diponegoro in verband met de vraag voor repatriëring.
Jos van Beurden (gastredacteur bij het themanummer van Volkskunde over dekolonisatie 2019: 120/3 en consequent Beurden genoemd in plaats van Van Beurden) vergelijkt de teruggave van objecten door Nederland in de jaren zeventig met recente overdrachten. Deze laatste zijn vooral ingegeven door de sluiting van een museum in Nederland. In dit geval besliste Indonesië wat ze wilden en daaruit bleek dat ze niet voor een totale teruggave gingen. Dit kan leiden tot een nieuwe houding bij restitutie van goederen.
In het derde gedeelte gaat de eerste bijdrage van Wieske Sapardan over de teruggave van de Indonesische Prajnaparamita en over de vorming van nationale identiteit. De focus ligt ook op het feit hoe teruggave kan bijdragen tot culturele diplomatie en internationale samenwerking.
Met Phacharaphorn Phanomvan keren we terug naar Thailand die de vraag tot repatriëring van gestolen objecten uit Plai bat onder de loep neemt. Ook de vorming van een basisgroep die lokale culturele identiteit in relatie tot de teruggevorderde objecten probeert te bevorderen, waarbij sociale media ondertussen een belangrijke rol spelen.
In de slotbijdrage behandelt Charlo e Galloway de complexiteit van restitutie in relatie met de culturele en politieke geschiedenis van Myanmar, waarbij ze de veranderingen in het museologische landschap vaststelt, maar het nog niet duidelijk is welke richting het land uit wil.
Ook uit al die voorgaande bijdragen blijkt hoe moeilijk restitutie wel is. Wat aanvankelijk de logica zelf lijkt, is het bij nader inzien omwille van alle mogelijke omstandigheden toch niet. Uniformiteit is er uiteindelijk nog altijd niet, en het is zelfs de vraag of die wenselijk is.
Paul Catteeuw
Servaas van Belle, Stal. Vernacular Animal Sheds, Hannibal, 2022, 192 p., ill., ISBN 978 94 6436 637 2, € 55.
Tientallen recent ‘in Vlaanderens velden’ en omgeving gemaakte foto’s van in elkaar geflanste of gebokste schuilplaatsen voor vee worden geserveerd in een luxueus uitgegeven koffietafelboek. De fotograaf Servaas van Belle hee al eerder reeksen gemaakt over de ruïnes van bunkers uit de Tweede Wereldoorlog, asten of chicoreidrogerijen, kasseistroken, de speeltuigen en gebouwen op lege stranden aan de Noordzeekusten in COVID-19-lockdowntijden, kansels (versta: schuil- en uitkijkconstructies voor jagers in bossen), enzovoort (www.servaasvanbelle.be). De foto’s kunnen worden beschouwd als uitdagingen en artistieke Spielereien voor kunstfotografen. Maar in het vakgebied van dit tijdschri kan men
dergelijke projecten ook proberen toe te eigenen en te recycleren als campagnes van doorgedreven (le erlijk) veldwerk en systematisch volkskundig documenteren van “vernacular architecture” in België en Noord-Frankrijk.
Voor de vervallen-veestallenreeks hee de fotograaf waar mogelijk gekozen voor mistbanken als achtergrond. Daardoor wordt de focus gelegd op de werking van de tijd, natuurelementen en verval op de schuilplaatsen, vanuit het perspectief van een beeldenjager-verzamelaar of esthetisch excellerende fotograaf. Het sluit mutatis mutandis aan bij een traditie van tekenen en fotograferen van bouwwerken op het pla eland, waarbij in Vlaanderen de naam van Clemens Trefois top-ofmind komt. De reputatie van Trefois als documentalist en onderzoeker in de jaren 1930 is verbrand door zijn foute activiteiten en affiliaties tijdens een intense collaboratie met de nazistische beze ers in de jaren 1940 en zijn aparte exploten in Zuid-Afrika. Hij plaatste de rurale architectuur ook soms in de mist der tijden, die toeliet verbanden ver in de tijd terug te katapulteren. Zo werden in die oude volkskunde van de vorige eeuw levende “volkse” oerkrachten en identiteiten geprojecteerd in de pla elandsarchitectuur. Maar er werd in de foto’s niet ongenadig mooi het kleine geknutsel, het hergebruik van oude materialen en het verval van constructies te lande in beeld gebracht, zoals Van Belle dat een halve eeuw later doet.
Het is een esthetiek zoals in de besme e regio rond Tsjernobyl. Er zijn geen mensen noch dieren te bespeuren: alleen stenen, houtjetouwtje, beton- en golfplaten,
verlatenheid en verval. En vij ig tinten mist uiteraard. Helaas hee vanuit volkskundig perspectief de kunstenaar nog iets te veel de overhand gehaald, boven de identiteiten van onderzoeker, documentalist of etnoloog. Erg jammer is dat de precieze contextualisering, precieze locatie, datum en uur van de opname, eigenaar, enzovoort ontbreekt, op een alfabetische lijst van gemeentenamen na maar zonder link naar de foto’s (p. 188-189). Dit maakt wetenschappelijk onderzoek of de kwalificatie als systematische inventaris erg moeilijk hard te maken; een flou artistique domineert boven de constructie van een bron. Dit is spijtig genoeg het geval bij veel artistieke projecten; het afleggen van een extra mijl, door precieze documentatie en situering in tijd en ruimte. Dat zou niet afdoen aan de schoonheid van de lelijkheid, maar een en ander wel bruikbaar maken voor andere doelstellingen als bron. Bovendien zijn er enkele ethische losse eindjes, want er wordt vaag gedaan over het al dan niet hebben van toestemming om op alle velden en weiden te werken en te fotograferen. Desondanks blij het een soort impressie van welke (restanten van) dierenstalletjes er in de jaren 2010 in België te vinden zijn. Een van de troeven van het boek is de briljante begeleidende tekst van de Belgische sterfotograaf Stephan Vanfleteren: amper zes kolommen maar vol prachtige metaforen en spitse observaties. Naast collegiale beschouwingen over diverse soorten mist en over in de foto’s opgemerkte details zoals objecten “die gemonteerd zijn als een valse bewakingscamera om vandalen en Van Belles af te schrikken”, bevat het diverse ideetjes die voor erfgoedwerkers
het noteren waard zijn. Zo merkt hij bij het overlopen van voor de stallen gebruikte materialen op: “Een klassieker is de golfplaat uit gi ig asbest van Eternit – ontworpen voor de eeuwigheid, als men een y op het einde van het woord toevoegt”. (p. 7)
Vanfleteren gaf toe dat in een land van kerken, kathedralen en kapellen, stallen nog ondergewaardeerd erfgoed zijn en, voor zover het de bedoeling of goed idee zou zijn, ze nog een lange weg richting erkenning af te leggen hebben: “door hun fragiliteit en hun relatief korte houdbaarheidsdatum zullen ze nooit de geschiedenis- of architectuurboeken halen. Het werk van Van Belle haalt deze bouwsels even uit de verdoemenis van het tijdelijke (…). Met deze stille gids ben ik op weg naar een wonderlijk kruispunt op een verlaten veld waar fotografie, architectuur, beeldhouwkunst en erfgoed elkaar galant voorrang verlenen”. (p. 7) Tenslo e wordt gesuggereerd dat in tegenstelling tot Nederland, Duitsland en Scandinavië, waar over het algemeen dingen netjes heropgebouwd worden of afgebroken worden, in België en Noord-Frankrijk pas iets verdwijnt, wanneer het echt in de weg staat. Het is een interessante hypothese voor een vergelijkende studie over de evolutie van gebouwd erfgoed in de breedst mogelijke betekenis van die woorden.
Marc Jacobs
Jean Paul Van Bendegem, Geraas en geruis. Een pleidooi voor imperfectie. Antwerpen, Houtekiet, 2022, 376 p., ISBN 9789089244864, € 24,99.
Jean Paul Van Bendegem is wiskundige en filosoof. Voor een breder publiek zal hij bekend zijn, omdat hij soms ook met commentaren over wetenschap of wijsbegeerte in televisieprogramma’s verschijnt. In dit boek houdt hij een intrigerend en zeer degelijk onderbouwd pleidooi voor imperfectie, aansluitend op zijn vroegere stellingnames voor de erkenning van eindigheid (in plaats van oneindigheid) als verdedigbaarste opstelling voor de mens. Beide posities zijn in de westerse wereldvisie niet direct populair: we geloven nogal zelfovertuigd in het streven naar perfectie, zoals ook ons onderwijssysteem illustreert (de fameuze ‘lat’ waar al die kleine mensjes over moeten, bijvoorbeeld).
Waarom is dit boek relevant voor historici en volkskundigen?
De auteur vertrekt van een zeer concreet en duidelijk herkenbaar gegeven: een archief. Dat is natuurlijk basismateriaal van historici en volkskundigen. Heel concreet gaat het over zijn persoonlijk archief, in zijn garage, waarin alle relevante materialen zoals boeken en artikels uit een heel leven worden opgeslagen. Heel concreet, met foto en al, gaat het over de kasten die in de garage staan van de auteur. Wanneer hij begint te bespreken wat er in zit, en hoe al die dingen zijn geordend, blijkt dat die voorstelling van het fenomeen, omwille van de onaffe en noodzakelijk onvolledige aard van elk klassement, in feite onmogelijk is. Of beter, dat DE classificatie, die uniek en correct en volledig zou zijn onmogelijk is. Daarop besluit de auteur om zijn archief dan maar als een kunstwerk te zien, wat de mogelijkheid van meerdere en creatieve invullingen toelaat, zoals het leven zelf: ‘we worden geboren om uit te waaieren’ (p. 24).
In de loop van het boek worden objectniveau (zoals de fenomenen zich voordoen aan de waarnemer) en metaniveau (zoals de denker vanop een beschouwende cognitieve afstand denkt en ordent) in de hoofdstukken afgewisseld. Dat gaat op het niveau van het geheel (het archief/kunstwerk), maar ook van elk onderdeel: wat is een boek?
Waar begint en eindigt het, voor de schrijver maar natuurlijk ook voor de lezer(s)? Vandaar gaat het naar een diepe analyse van de ‘homo classificans’, waarover de auteur uitgebreid werkte. Elke definitieve, voldoende of beste classificatie, de Ultieme Classificatie (UC) is
onmogelijk. Daarop wordt de prachtige uitwerking van dit begrip door Jorge Luis Borges (de bibliotheek van Babel) opgevoerd om met hem te besluiten dat zo’n bibliotheek ook God zou moeten omva en, wat dus door een atheïst zoals de auteur niet kan worden aanvaard, en verder weer zelf onhaalbaar is.
Als vanzelf gaat het over op entropie, dat we kennen uit de natuurwetenschappen: het ontstaan van wanorde, of het verlies van orde binnen gesloten systemen. Daaruit haalt de auteur de eerste veralgemeende grond om te stellen dat de wereld en de mens in die wereld alleen maar imperfect kunnen zijn. Onze Nobelprijswinnaar Ilya Prigogine hee hier natuurlijk zijn strepen verdiend, maar naast vele anderen vandaag. In de natuur of de realiteit is ‘ruis’ (a raak, verlies van structuur of orde, onvolledigheid, enz.) intrinsiek en alle hoop op definitieve, volledige of perfecte kennis is dus ijdel, onwaarachtig geraas. Neem daarbij de groeiende a ankelijkheid van ‘betrouwbare data’ en de manipulatie ervan door de huidige ICT-giganten (het zogenaamde ‘Surveillance Capitalism’, waarin verkiezingen, maar ook markten worden gemanipuleerd) en je ziet direct het belang van die filosofische beslommeringen voor het leven, tot en met de politieke aspecten ervan.
Het laatste deel van het boek, het ‘boekstuk 10’ bevat uitgebreide besprekingen van literatuur die ondersteunend is voor de ontwikkelde ideeën, gaande van wetenschap en filosofie tot kunst en romans. Want we zijn en blijven zoekende wezens, bestaande uit al die dimensies van imperfectie en toch zoekend.
Wat is nu de relevantie van dit alles voor de lezers van dit tijdschri ? Waarom moeten ze dit boek zeker lezen? Ik wijs op een fenomeen dat ik de laatste tijd zie toenemen in de cultuursector, en dat Van Bendegems analyse ook daar zinvol doet zijn. Ook in de idee van erfgoed, en nog meer in de noodzakelijk of alleszins zinvol geachte onderneming van het opstellen van een ‘cultureel canon’ zit heel zichtbaar diezelfde vreemde pretentie of wens om een sluitende, volledige of in enig opzicht perfecte omschrijving te kunnen geven van de eigen culturele identiteit, en dat doet men dan bovendien ook nog eens door een soort archivering te maken: dit hoort wel in de orde van de classificatie die we ‘Vlaams’ noemen, en dat niet. Als we de diepgravende analyse van Van Bendegem volgen, dan is die onderneming in se onmogelijk, wetenschappelijk ook aantoonbaar ondoenbaar en dus meer een ontkenning van de intrinsieke menselijke imperfectie dan een redelijk, laat staan noodzakelijk project. Voor wie hecht aan de canon kan dit een tragisch besluit zijn, maar dan vooral met betrekking tot de eigen wens om zichzelf als cultuurtraditie streng en houdbaar van elke andere te onderscheiden. Aan de andere kant is het goed en maakt het leven ook echt lee aar om te beseffen dat dit streefdoel onhoudbaar en dus eerder tot de wereld van de spookbeelden zou kunnen behoren. Dat werkt vermoedelijk bevrijdend. Misschien moet rond de intrinsieke imperfectiebegrippen een grondige bezinning opgezet in deze sector, samen met of liefst zelfs voorafgaand aan het proberen invullen van de
noodzakelijke eigenheid, een vorm van perfectie?
Rik Pinxten
Sven Van Dorst, Zot van Dimpna. Acht panelen vol passie, lef en rebellie, Veurne, Hannibal Books & The Phoebus Foundation, 2020, 384 blz., ill.; ISBN 9789463887410; € 60,00.
Op het gebied van kunstboeken en catalogi is de uitgeverij Hannibal stilaan de referentie in ons land. Ook met dit werk over de Heilige Dimpna van Geel zijn ze erin geslaagd om een schi erend naslagwerk te presenteren. Het gaat om een vrij omva ende en vooral rijkelijk geïllustreerde studie van de triptiek van de H. Dimpna van de hand van Goossen Van der Weyden, de kleinzoon van Rogier. Hij schilderde in 1535 op 70-jarige lee ijd het omvangrijke werk op vraag van de abt van Tongerlo, Antonius Tsgrooten. Goossen aka Goswin hee niet de
renommee van zijn grootvader, maar was toch een veelgevraagde schilder in zijn tijd die we daarom niet altijd met de ogen van die tijd bekijken. The Phoebus Foundation van Fernand Huts verwierf de triptiek en vergaarde een schare topwetenschappers voor dit unieke werkstuk: Till-Holger Borchert, Sven Van Dorst, Hilde Weissenborn en vele anderen lich en de triptiek le erlijk en op papier door.
Na de ongenadige hakbijl van haar vader moest Dimpna ook nog veel röntgenstralen doorstaan om haar oorspronkelijke geheimen prijs en bloot te geven.
De bijdragen van deze wetenschappers zijn stof voor andere wetenschappelijke tijdschri en, maar dit werk biedt ook enkele bijdragen op het gebied van immateriële cultuur. Het hoofdstuk Een gekke heilige leidt ons naar de wereld van de legenden en de cultus van heiligen zoals die in de middeleeuwen werden beleefd. Laten we duidelijk stellen, over Dimpna is er geen enkel historisch feit gekend. Haar hele leven is een uitgevonden horrorverhaal dat tijdens de Merovingische periode wordt gesitueerd ter lering van de christelijke bevolking dat een beetje uit de hand is gelopen en bovendien een onwaarschijnlijk hoog MeToogehalte hee . Na de dood van haar moeder zocht haar vader een even mooie vrouw als de afgestorvene. Wegens niet te vinden richt hij zijn Iers oog op zijn dochter en stelt voor om met haar te trouwen. Niets minder dus dan een oneerbaar voorstel tot incest. Dimpna weigert en als haar vader haar dreigt te verkrachten, vlucht ze met de priester Gerebernus naar het vasteland en komt – of all places – in Geel terecht. Ze bouwen in het Kempische dorpje
een hutje en leven er een kuis leven. De volgelingen van de Ierse koning weten haar toch te vinden. Hij stelt nog eens een incestueus huwelijk voor, maar bij de nieuwe weigering doodt hij de priester en hakt het hoofd van Dimpna af. Maar daar eindigt het niet. In een uit de hemel neergedaalde sarcofaag wordt ze begraven. Meteen het ontstaan van de heiligenlegende zoals door Petrus van Kamerijk beschreven in de Vita Sanctae Dymphnae (1238-1247) en de verering die tot op de dag van vandaag in Geel bestaat in de vorm van de unieke zorg voor geesteszieke mensen in gezinsverband.
De bijdrage van Anneke B. MulderBakker (Rijksuniversiteit Groningen) laat me wat op mijn honger wegens toch wel een erg algemeen verhaal over legendes. Het is ook heel erg kort door de bocht om de verklaring voor (de) legende te koppelen aan het vertellen van sprookjes. Vermoedelijk hee Mulder-Bakker zich net iets te veel laten leiden door het Engels woord legend dat niet alleen maar legende betekent, maar ook op een volksverhaal of een sage kan wijzen en – net zoals Dimpna – voor verwarring kan zorgen. Daardoor blij ze voor de verklaring echt wel op de vlakte. Er zijn wel sterkere figuren op het gebied van de studie van legendes.
De bijdrage van Niels Schalley over de cultus van de heilige biedt op dat gebied meer voedsel voor de geest. Aan de hand van teksten toont hij de groei van de verering aan en hij ziet een keerpunt in de eerste gedrukte vita van Dimpna in 1496. De toeloop van geesteszieken in het bedevaartsoord was zo groot dat de inwoners van Geel werden ingeschakeld om de bedevaarders te herbergen, wat een mogelijke verklaring voor de
huidige thuisverpleging zou kunnen zijn. Een verder hoogtepunt wordt bereikt bij de opname van de vita in de Acta Sanctorum. Daarna verdwijnt het hagiotherapeutische karakter enigszins naar de achtergrond, om op de dag van vandaag weer aan populariteit te winnen. Zo is er in ieder geval de poging om de cultus op de Unescolijst van immaterieel erfgoed te krijgen als goede borgingspraktijk.
In een interessante bijdrage schrij Janna Lefevere over de vermenging van de verhalen van de Ierse heilige Damhnat met de Geelse Dymphna. Dat is waarschijnlijk het gevolg van het feit dat de hagiograaf John Colgan in de zeventiende eeuw op dat gebied voor verwarring zorgde door de staf van Damhnat aan Dimpna toe te schrijven. En gaandeweg ontstaat er dan een vervlechting van twee legendes, met als gevolg dat er nu ook in Ierland Dimpnacultusplaatsen zijn en dat er enkele legendes (p. 305) rond haar persoon zijn: de fictieve Ierse koningsdochter vlucht naar België en keert later terug als Ierse heilige. Verder emigreerde ze vanuit Ierland met de miljoenen Ieren mee naar Noord-Amerika en Australië, waardoor Geel de status van een mythische plek krijgt. En zo wist ze de hele wereld te veroveren, wat Lefevere verleidt tot de mooie slotzin: “De praktijk lijkt wel de legende te overstijgen, niet omdat Dimpna de heilige is van duizend ‘gekken’, maar omdat duizenden gek zijn van Dimpna”.
In zijn bijdrage “Dimpna en het herfs ij van de ridderziel” weet Paul Huvenne (KMSKA) op treffende wijze te illustreren hoe in de vij iende eeuw kuise maagden martelaressen worden. Een echte laatmiddeleeuwse hype met echte “sterren” zoals
Catharina of Barbara of Ursula die elfduizend maagden in haar zog meesleurt en de dood injaagt. Ze zijn ver boven het alledaagse verheven en voor de gewone mens totaal onbereikbaar, maar niet als je ze als martelares en heilige kon aanbidden en bewonderen. Ook Dimpna zit op dat tijdsgewricht. Net zoals het schilderij van Van der Weyden. Dat het zo moeizaam – in tegenstelling tot zoveel andere werken – de eeuwen hee overleefd is misschien net ook daarom. De kledij (die ook nog eens wordt besproken in een bijdrage van Lucinda Timmermans) die Vander Weyden schilderde was kort daarop in de humanistische renaissance al achterhaald. En dat geldt meteen ook voor de “maagdenhype”. Van maagd verschui het beeld steeds meer naar de moederrol, een beeld dat de vrouw uiteindelijk niet ten goede komt en waarvan ze zich slechts sinds de twintigste eeuw langzaamaan weet te bevrijden, waardoor het schrijnende #MeToo-verhaal van Dimpna plots weer heel actueel wordt.
Op het eerste gezicht lijkt de bijdrage over de nar door Patrick Allegaert en Bart Marius niet onmiddellijk in dit magistrale werk tuis te horen, maar net de nar leert ons misschien wel hoe waanzin kan worden geïnterpreteerd. De meerlagige houding tegenover de narren toont meteen ook hun functie als spiegel voor de maatschappij van toen. De auteurs schetsen in het kort de geschiedenis van de nar als metafoor voor (de interpretatie van) de waanzin.
In een extra nummer van OKV worden nog enkele aanvullende korte bijdragen gepubliceerd als ondersteuning van dit schi erende boek en van de tentoonstelling rond
de triptiek in Geel. Het is een hele krachtoer, maar wel een die de moeite waard is.
De verrassende afsluiter van dit werk is een prachtig gedicht van Rick de Leeuw. Zacht ironisch betreurt hij de naamsverandering van het zachte Dymphna naar het harde Dimpna: “De geschiedenis weent stilletjes boven zo veel verloren finesse”. De laatste verzen: “en dochters / worden moeders / blijven dochters / krijgen zoons / en blijven moeders / voor altijd” hebben eeuwigheidswaarde. Ze laten je wegmijmeren in de stille schaduw die Dimpna over ons allen werpt.
Paul Catteeuw
Caro Verbeek, Een kleine cultuurgeschiedenis van de (grote) neus, Amsterdam/Antwerpen, Uitgeverij Atlas Contact, 2021, 230 blz., ill., ISBN 978 90 450 4499 6, € 21,99.
Een kunsthistorica die een boek schrij , met het woord “cultuurgeschiedenis” in de titel, en je verwacht wellicht een boek met hoogdravende vaktechnische toelichtingen bij kleuren en vormen van allerlei kunstwerken, gecontextualiseerd in een historisch perspectief. Niets is minder waar in het geval van dit “neuzenboek”: we krijgen een aangenaam leesbaar werkje, vol boeiende en interessante weetjes over een banaal maar evenwel onmisbaar orgaan waarvan de meeste lezers wellicht niet vermoeden dat het in de geschiedenis zo’n groot belang kon hebben.
Zestien korte hoofdstukjes leiden ons door de geschiedenis, de kunstgeschiedenis en de galerij van bekende meestal Europese personages die enige bekendheid hadden. De invalshoek is uiteraard altijd de neus – of moeten we schrijven: de focus? Afmetingen, vormen en soorten konden – en kunnen ook nu nog – zeer sterk verschillen. “Zo zijn er haak-, wip-, dop-, zadel- en mopsneuzen. In vaak denigrerende termen wordt er gesproken van Jodenen heksenneuzen. [...] de bloemkool-, aardappel- en aardbeienneus, [...] De drankneus, [...], de Griekse (rechte) en Romeinse (kromme) neus, [...] convexe en concave, brede en smalle, stompe en scherpe, brede en smalle, vlezige en slanke, lange en korte varianten.” Die variatie vinden we zo vanzelfsprekend, dat we eigenlijk alleen nog aandacht hebben voor neuzen met extreme karakteristieken. Dit “uitstekend” zintuig was in het verleden – toch als het om een grote neus ging – een teken van karakter en moed, intelligentie en vooral status. Dante moet eigenlijk een niet zo grote neus hebben gehad, maar zijn
dodenmasker werd zodanig bewerkt dat hij een zogenaamde “dichtersneus” kreeg, in overeenstemming met zijn belangrijke literaire status. Aristoteles was wellicht een van de eersten om de vorm van de neus te verbinden met bepaalde karaktereigenschappen. Zo wees volgens hem een lange en brede neus op iemand die bewonderaar was van het schone geslacht en geschikt voor de “oorlogen van Venus”; een dikke en naar boven wijzende neus stond voor moed en trots, hebzucht, jaloersheid, ijdelheid en ongeluk. Een in het midden brede neus was een teken dat het om een ijdel persoon ging, praatziek en leugenachtig; enz. (p. 28). In die zin was Aristoteles de grondlegger van de (totaal onwetenschappelijke) fysiognomie of gelaatkunde.
Een ander doorheen de geschiedenis belangrijk fysiognomisch aspect van de neus ligt vervat in een Duitse uitspraak die weinig ruimte voor interpretatie laat: “Wie die Nase des Mannes, so sein Johannes.” De tegenhanger van de overtuiging dat een lange neus bij een vrouw werd verbonden met prostitutie? Het rechtsreeks verband tussen de omvang van de neus en de mannelijke potentie leefde zeker door tot laat in de 16e eeuw. Je kon in die tijd dus best niet op straat komen met een verwonde neus! Het was overigens een constante binnen de iconoclastische praktijken om de neus van heiligena eeldingen te beschadigen.
Het is helemaal niet zo zeker dat een van de meest gelauwerde neuzen – die van Cleopatra, zo groot en mooi was. Men dacht in die tijd, toen de vorstin moest worden afgebeeld, dat zij ongetwijfeld van een grote neus moest worden voorzien, al was het maar om haar kracht, macht en
intelligentie te onderstrepen: die vrouw moet ongetwijfeld zo’n neus hebben, anders had ze Julius Caesar niet aan de haak kunnen slaan – zo dacht men! Vandaar dat de neus van Cleopatra door velen als gefotoshopt wordt beschouwd. Het was de Franse auteur Blaise Pascal die ooit schreef: “Als de neus van Cleopatra korter was geweest, dan zou het gezicht van de wereld er anders uit hebben gezien.”
Andere voorstellingen van de dame laten evenwel vermoeden dat zij er echt niet zo mooi en elegant uitzag als gemeenzaam wordt aanvaard: een haakneus, dunne lippen, een puntige kin, een kort voorhoofd...
Iets anders nog: het blijkt dat de mens in staat is om niet minder dan 10 biljoen verschillende geuren te onderscheiden. Dat de neus niet zonder belang was, moge tevens blijken uit het verschijnsel van de denastatio of ontneuzing van beelden! Op beelden van uit de gratie gevallen goden, helden of vorsten, werd meer dan eens een stuk neus gekapt! Zeker omdat men ook lange tijd dacht dat de goden of halfgoden ook nog ademden door de neus en daarlangs levenskracht pu en! Zo blij er nog een levensgroot mysterie bestaan rond de “ontbrekende” neus van de Sfinx van Gizeh...
Tal van boeiende figuren komen aan bod in het boek van Verbeek: Dante, Da Vinci, Michelangelo, Darwin, Napoleon, Pinocchio, Barbara Streisand, Lady Gaga en vele anderen, allen binnen thema’s waarin de neus een rol speelt – in amoureuze verhalen, in de literatuur (ik heb wel de schi erende neustirade van Edmond Rostand in “Cyrano de Bergerac” gemist...), de kunst, de geneeskunde, de literatuur, enz. En de liefde tot de neus kan intens zijn:
Barbara Streisand zowel als Lady Gaga hee helemaal geen “Barbie-neusje “ – zo vertelt de auteur – maar toch hebben beide dames altijd kordaat geweigerd om aan hun reukorgaan te laten werken.
O ja, als u binnenkort in een of ander gesprek over de COVID-crisis indruk wil maken, gebruik dan maar eens de term coranosmie (het verlies van geurvermogen door corona)!
Wedden dat niemand het woord kent?
Dit is het soort boek dat je in één ruk uitleest en dat je nadien nog eens terug vastneemt om erin te bladeren!
Tegelijk ontspannend én leerrijk. Het is een aangename reis door kunst en geschiedenis – netjes maar sober geïllustreerd – geschreven door een dame die weet hoe ze de lezer kan boeien én iets kan bij brengen.
Alex Vanneste
Isa Vermehren, Cabaretière in de kampen. Ravensbrück, Buchenwald, Dachau. Een verzetsvrouw vertelt, uitgeverij Doorbraak, 2021, 255 blz., ISBN 9789492639592, € 27,50.
Op het internet wordt Isa Vermehren (1918-2009) voorgesteld als cabaretière, filmactrice, religieuze, lerares en schoolbestuurster. Daarbij vergeet men een belangrijk aspect. Zij was ook de auteur van een merkwaardig boek, met name één van de allereerste ooggetuigenverslagen van de concentratiekampen van de nazi’s. Het personage zowel als haar boek “Reise durch den letzten Akt” (1945) – hier in Nederlandse vertaling – is al even buitengewoon. Het bundelt de herinneringen aan haar passage in drie concentratiekampen en aan de odyssee voor haar vrijlating. Ruim een halve eeuw te laat kreeg haar boek een Nederlandse vertaling. Het is een van de zeldzame egodocumenten rond een specifieke vorm van het verzet aan het
einde van de Tweede Wereldoorlog, des te meer omdat in deze de hoofdrol is weggelegd voor een vrouw.
Isa was het tweede kind – van drie – van advocaat en kunstlie ebber Kurt Vermehren, een evangelisch maar niet praktiserend patriciër, actief in Lübeck en later in Hamburg. Kurt en moeder Petra hadden een moeilijke maar open relatie waarin ze elk hun eigen weg gingen, maar met respect, hartelijkheid en aandacht voor hun drie kinderen. Moeder reisde veel met haar kroost (Zwitserland, Firenze, Bodensee, …) en bracht hen interesse voor cultuur bij, vooral voor muziek. Stilaan ontwikkelde Isa een kritisch negatieve houding ten aanzien van het nazisme. Haar ouders steunden haar hierin omdat zij stonden voor een vrije geest en opvoeding. Op school werd zij weggestuurd omdat zij uit loyaliteit tegenover een Joodse vriendin geweigerd had de Hitlervlag te groeten. In 1933 vlucht moeder Petra met twee van de kinderen, Isa en Erich, naar een “opener” en zogenaamd toleranter Berlijn. Daar werd Isa lid van de bekende cabaretgroep van Finck die graag spo e met de nazikopstukken. Toen de groep Finck in 1935 werd opgeheven, toerde Isa verder in een andere groep. Vanaf dan werd zij meer en meer een gevierde vede e in de toneel- en filmwereld. Intussen was haar moeder als journaliste actief geworden. Isa, van haar kant, stelde zich hoe langer hoe meer vragen over haar levensdoelen: amusement volstond voor haar niet langer en zij begon zich te verdiepen in het christendom, o.a. via een publicatie van O o Karren s.J., en onder invloed van een vriendin, Elisabeth von Ple enberg (later de echtgenote van haar broer Erich). Tijdens de
oorlog werkte zij afwisselend voor het Rode Kruis en als cabaretière om de soldaten te amuseren, zelfs in het buitenland (Noorwegen, Frankrijk, Italië, Rusland). Een van haar broers, Erich, inmiddels gehuwd met Elisabeth, was het nazisme beu en vluch e naar Londen. Daarop werd het ganse gezin vanaf februari 1944 in Potsdam onder huisarrest geplaatst (Sippenha ) Later, in april 1944, werd Isa naar de gevangenis gebracht van achtereenvolgend drie concentratiekampen, te weten Ravensbrück, Buchenwald en Dachau.
Aan het einde van de oorlog, midden april 1945, werd zij samen met nog 140 andere prominente gevangenen door een SS-commando weggebracht naar het zuiden: zij waren niet meer en niet minder dan gijzelaars die voor de SS moesten dienen om eventueel zichzelf vrij te kopen. Enkele weken later werden allen uiteindelijk bevrijd.
Op verzoek van haar vader schreef zij in 1946 haar herinneringen neer in het boek dat wij inmiddels kennen. Zij ging nadien verder studeren in Hamburg (Duits, Engels, geschiedenis, theologie en filosofie) en trad in 1951 in het klooster van de Congregatie van het H. Hart van Jezus, in Pützchen bij Bonn. Zij werd lerares en in 1969 directrice van een kloostervestiging in Hamburg. In 1983 kwam ze terug naar Pützchen. Tussen 1983 en 1995 trad zij bijzonder vaak op in de tv-uitzending Das Wort zum Sonntag van de ARD. Hoewel zij zich duidelijk bekende tot de conservatieve vleugel van de kerk –zij wees de vernieuwingen van het 2e Vaticaans Concilie af – werden haar tv-optredens in Duitsland fel gesmaakt. De non bleef soms een beetje de cabaretière die lichtvoetig
uit de hoek kon komen, wat haar evenwel niet bele e om diepgang te leggen in haar commentaren over moraal en geweten in de hedendaagse maatschappij. Toen zij in 2009 overleed, gelukkig en lucide, werd zij fel betreurd.
Aan het einde van en meteen na de oorlog waren de meeste Duitsers – Europeanen – helemaal niet op de hoogte van de ware verschrikkingen van het naziregime. Als ooggetuige en ervaringsdeskundige oordeelde Isa Vermehren dat het haar plicht was om het regime aan de kaak te stellen door de waarheid over o.a. de concentratiekampen kenbaar te maken. Verder wil zij het ongerept optimisme in het mensdom hekelen: de gruwelen van de oorlog zijn van dien aard dat het de hoogste tijd is, zo schrij Isa Vermehren, om bewust te worden van het feit dat het kostbaarste wat er is de mens zelf is. Het bewustzijn van de waardigheid van de mens moet worden hersteld.
Dit zijn niet zomaar een aantal filosofische en/of morele principes die Isa Vermehren losjes neerschrij : zij illustreert de kracht van haar overtuiging in haar boek zelf. Het handelt natuurlijk om vreselijke feiten, maar die feiten blijven steeds slechts een achtergrond voor het allerbelangrijkste: de lijdende mens, de moedige mens, de vrolijke mens, de verdrietige mens, de wanhopige mens – maar hoe dan ook de mens die geconfronteerd wordt met “macht in niet-deemoedige, arrogante handen” die alleen maar vernietiging kent “om te hunnen heersen” (p. 36). Overigens komen niet enkel de gevoelens, houdingen en gedachten van de gevangenen in de concentratiekampen aan bod, ook die van de opzichters – “ook maar
mensen”, schrij Isa Vermehren. De confrontatie van die uitersten laat haar toe om het vlechtwerk van schuld en onschuld te ontrafelen en evenzeer, op een buitengewoon intense wijze, haar eigen zielenroerselen en deze van haar medegevangenen en opzichters.
De grootste pijn ervaart Isa wanneer ze vaststelt dat medegevangenen – die voor de Duitsers moesten werken – door het harde bestaan in het kamp gevoelloos worden, immuun voor het kwaad, voor menselijk leed en lijden. Op een dag had een gevangene een zweepsessie ondergaan en zakte ze na enige tijd bewusteloos neer onder de helse pijnen. Isa had het tafereel gadegeslagen vanuit het raam van haar cel. “Een hele tijd later kwam uit het bureau een andere gevangene die daar als secretaresse werkte. Zij wierp slechts een blik op het bewusteloze meisje en wijdde zich daarna met ijverige zorg aan een belachelijke, verdorde bloemenstronk die ze in een pot geplant had. Vier-, vijfmaal bukte ze zich om de plant te verzorgen, haalde water en zorgde dat de zon hem helemaal kon beschijnen. Voor de gevangene, voor de mens, deed zij niets. Waarom niet? Omdat zij afgestompt was? Omdat zij bang was? [...] tegen het teveel aan lijden dat elke dag in het kamp de zielen belas e, waren slechts de sterkste zielen opgewassen. De meesten bezweken eronder en klampten zich alleen nog vast aan het mo o: ‘ieder voor zich’, maar daarmee word je, ben je zelfs al immuun voor de nood van anderen. En bang moest je zijn, want niets werd zo vervolgd en bestreden als de hulpvaardige menselijkheid van wie zich wilde ontfermen over een gevangene [...]” (p. 78)
Het boek van Isa Vermehren is geen goedkope zoektocht naar sensatie in
de gruwel van de concentratiekampen of in het soms onmenselijk gedrag van SS’ers. Haar beeldrijk en suggestief verhaal overstijgt bijzonder sterk de schrijnende en bijtende realiteit van de vernietigingskampen. Het is veeleer een vraag naar het waarom van het menselijk falen, meer speciaal het ontbreken van menselijkheid tegenover de andere. Het ontbreekt de mens – de mensheid – volgens haar aan barmhartigheid, zei zij in 2003. De enige gegarandeerde barmhartigheid kan men vinden bij God – en als hij niet barmhartig is, dan is hij God niet. Zij aanvaardt het beeld van Rousseau niet, dat de mens fundamenteel goed is maar door de maatschappij wordt verdorven. De mens kan goed of slecht zijn, hij beslist zelf welk pad hij kiest. Hoe dan ook moet elk mens bereid zijn van de waarheid te houden en het goede te doen. De visie die Isa Vermehren hee ontwikkeld in haar boek, kan niet worden losgekoppeld van haar parcours voor en na de opsluiting in de kampen. Zij kan niet worden begrepen zonder rekening te houden maar haar zoektocht naar veilige (?) waarden in het religieuze. Het is niet iedereen gegeven om op die manier toch zin te geven aan een leven dat werd geteisterd door het meest zinloze dat er in de 20e eeuw is gebeurd. Ik herhaal het graag: het boek is buitengewoon, maar de persoon Isa Vermehren is dat eveneens. Hoe wreedaardig sommige passages in de tekst ook mogen zijn – toch werden ze geschreven zonder wrok tegen wie dan ook. Dit indrukwekkend en uniek historisch document is dan ook in zekere zin troostend.
Alex Vanneste
ABSTRACTS
“Wij ijveren voor een kuisch geslacht. Weg met de schunnige plakkaten!”
The morality movement in Mechelen during the interbellum period
Herwig De Lannoy
The morality movement peaked during the interbellum period. The struggle against the debauchery of morals was waged most fiercely by Catholics who were driven by the Catholic Action Movement. They targeted fashion trends, dance bars and the new means of communication: radio and film. In 1926, a Fighters’ Union against Public Immorality (Strijdersbond tegen de Openbare Onzedelijkheid) was founded in the archiepiscopal capital of Mechelen. Militants daubed movie posters or filed complaints to prevent the showing of films that they judged immorally. They protested loudly against fairground attractions with scantily clad dancers and beach scenes in new recreation areas. From Mechelen, the movement was spread throughout Flanders and in 1933 it evolved into Zedenadel, a broad movement for morality and temperance. The operators of cinemas, fairgrounds, recreational areas and attractions protested the bans and strict rules. On the other hand, they took advantage of the commotion because it brought media interest and attracted extra visitors. Socialists and progressive liberals took a stand against rigid morality.
Even in the catholic pillar, many doubted the strict moral standards. But no structured countermovement arose such as the church had. In the 1960s, the morality movement quickly lost support due to the changing spirit of the times and the aspiration of young people to get out of the yoke of the Church. However, the clergy and catholic militants have succeeded in encapsulating many aspects of modern life in the Catholic pillar. A widespread Catholic network of sports and drama circles, news agencies and libraries have been developed. The attempts to get a grip on film and radio were much less successful. Moreover, secularisation was brought into the catholic organisations by integrating as many aspects of modern life as possible. That was the price the Church inevitably had to pay to maintain the greatest possible hold on modern society for as long as possible.
Past glory? The reconversion of the rural cartwright in Flanders (1920-1970)
Brecht Demasure
This article focused on the decline and reconversion of rural wagon making in Flanders during the period 19201970. At the beginning of the 20th century, the sector enjoyed a boom in employment. Despite increasing mechanisation, the number of cartwrights declined after the First
World War and during the 1920s. The introduction of the rubber tyre in the 1930s did not give a new impetus to the cartwright industry, quite the opposite.
After the Second World War, the profession of wheelwright rapidly declined. In Belgium, the number of wheelwright manufacturers fell from around 2,600 in 1947 to around 50 in 1970. The main cause was the spread and further application of rubber pneumatic tyres and the use of metal bodies. Wooden vehicles also proved unsuitable for mounting behind tractors, which made a widespread from the 1950s onwards. The cartwrights’ unions – which had sprung up all over the country since the beginning of the 20th century – were not strong enough to turn the tide. Technical and industrial progress meant that craftsmanship was definitely declining. Many cartwrights saw the changes in their profession coming and decided to retrain or re-orientate themselves. Some evolved into bicycle makers or started a shop. A certain number of craftsmen made the switch and evolved into bodywork manufacturers and garage owners. Others remained in the wood sector and went working as carpenters. Wheelwrights also ended up in timber merchants, the furniture sector and the funeral industry. Only those who were sufficiently flexible had a chance of survival. Reconversion ensured continuity and change. The decline of the cartwright industry is not therefore a thing of past glory, but rather of hidden brilliance.
Blood is thicker than water: The Achterhoek identity in a historical perspective
Hans Piena
In 2013, the Holland Open Air Museum rediscovered a hitherto unpublished diary. It contains 213 handwritten pages. On some pages, two to three texts are written on top of each other, as if the writer had a shortage of paper. Part of the dairy is in secret code; many pages have faded, and the edges are eaten away. It has taken a team of specialists eight years to decipher and transcribe the text. Recently, this text has been published, together with ten chapters on the main themes. The author, Eimert Papenborg (18261888), as it turns out was a small, isolated farmer, who lived to the northeast of the village Zieuwent, in the heart of the Achterhoek, in the eastern part of Holland. For 48 years, Eimert minutely recorded the activities of himself and his family. This enabled us to analyze two historical concepts that have recently been related to this region. Firstly, it has been claimed, that neighbourly help was a characteristic of this region and secondly, that isolation was often believed to be the driving force behind regional differences. Based on this dairy and extensive archival research, this article shows that the blood ties were far more important than neighbourly help. Furthermore, that isolation forced this family, on the contrary, to cover a large area to provide subsistence.
The digital circus collection of Allard Pierson: a broad platform for the purpose of tuition and research
Willem Rodenhuis
The Allard Pierson circus collection exists since 1964 when a bequest by K.D. Hartmans (1906-1963) was accepted. Over the years several acquisitions could be added, leading to one of the larger collections on the circus in a broad sense in Europe. One of the prominent elements is the Friedländer poster collection, consisting of 9045 unique items, that belonged to Jaap Best (1912 -2002), renowned Dutch collector of circus memorabilia. A digitization process led in 2018 to the platform www.circusmuseum.nl, allowing researchers and circus lovers from all over the world to explore and use the content of the website. In the past decades the circus has developed and a racted the a ention of the international academic realm, leading to new interpretations and explanations of the phenomenon. This new interest in the circus is precisely the objective the University of Amsterdam wished to achieve when accepting the initial bequest in combination with the fostering and the retrieval of the circus related holdings in the years that followed.
Secret Santa in Scouting Group 68 Sint-Maarten. Computer-aided calendar rituals in 2019 and 2020: a case study
Flynn Hermsen & Marc Jacobs
This is a case study of year-end feasts in the scouting group 69 SintMaarten in Deurne in 2019 and 2020. It documents the use of the Secret Santa application and explores if pa erns can be discovered in the gi system and if COVID-19 had an impact.
PERSONALIA
Herwig De Lannoy (1962), histori-cus (KU Leuven 1984) en zakelijk coördinator AGB ‘Mechelen Actief in Cultuur’ dat de voornaamste cultuurgebouwen van de stad beheert. Publicaties, voornamelijk over sociale en politieke geschiedenis en stadsgeschiedenis, in o.a. Wetenschappelijke Tijdingen, Geschiedenis van Mechelen (Lannoo), Waar is de tijd (Waanders), Monumenten en Landschappen, Nationaal Biografisch Woordenboek, Journal of Belgian History, Filip De Pillecyn Studies en Stadsgeschiedenis. Hij is lid van de auteursgroep die de Digitale Encyclopedie van de Vlaamse beweging voorbereidt. Hij is voorzitter van de Kring voor Oudheidkunde van Mechelen. Hij schreef de boeken Een stad in omwenteling (2017), Een stad in volle vaart (2019) en Een stad in verwondering (2021) over Mechelen in de 19e en 20e eeuw. herwig.de.lannoy@telenet.be
Hij is verantwoordelijk voor het onderzoek en het behoud en beheer van ruim 8500 erfgoedobjecten, waaronder enkele topstukken. brecht.demasure@cagnet.be
Brecht Demasure (1987) studeerde in 2009 af aan de KU Leuven als Master in de Geschiedenis. Datzelfde jaar ging hij aan de slag als projectmedewerker bij het Centrum Agrarische Geschiedenis (vzw CAG), het kenniscentrum voor agrarisch erfgoed in Vlaanderen. Sinds 2018 is Brecht bij CAG collectiebeheerder van de Collectie Bulskampveld, een erfgoedcollectie van landbouw en ambachten ( www.collectiebulskampveld.be ).
Flynn Hermsen (2001) is in het academiejaar 2021-2022 student eerste bachelor conservatie en restauratie. Het is zijn derde jaar als leider in de scoutsgroep 68 SintMaarten te Deurne. flynn.hermsen@uantwerpen.be
Marc Jacobs (1963) is hoogleraar erfgoedstudies in de opleidingen erfgoedstudies en conservatie-restauratie in de Faculteit Erfgoedstudies aan de Universiteit Antwerpen en lid van onderzoeksgroep ARCHES. Hij is ook deeltijds professor erfgoedstudies in de opleiding kunstwetenschappen en archeologie aan de Vrije Universiteit Brussel. Orcid 0000-0002-5967-3053. marc.jacobs@uantwerpen.be
Hans Piena (1964) is afgestudeerd als archeoloog aan de Universiteit van Amsterdam, met opgravingen in Nederland (Albert Egges van Giffen Instituut voor Prae- en Protohistorie), Syrië (Museum van Oudheden) en Jordanië (British Museum). Hij voltooide tevens de
Opleiding Restauratoren aan het Museumplein in Amsterdam met stages in Nederland (Rijksmuseum) en de USA (H.F. du Pont Winterthur Museum). Sinds 2008 is Piena werkzaam als conservator bij het Nederlands Openluchtmuseum in Arnhem. Daar stond hij mede aan de wieg van de fysieke presentatie van de Canon van Nederland. De TEFAF hee Piena benoemd tot woordvoerder van de keuringscommissie Meubilair en Oude Kunst tot 1600. Sinds 2021 is hij aan de Vrije Universiteit te Amsterdam verbonden als bijzonder hoogleraar Nederlandse Cultuurgeschiedenis vanwege het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap aan de Vrije Universiteit te Amsterdam. h.piena@openluchtmuseum.nl
hij sinds zijn pensioen op als liaison officer voor de circuscollectie. willemrodenhuis@upcmail.nl
Willem Rodenhuis (1952) is theaterhistoricus. Van 1990 tot zijn pensionering in 2016 was hij actief als vakreferent Uitvoerende Kunsten en Media in de bibliotheek van de Universiteit van Amsterdam. De laatste jaren van zijn aanstelling combineerde hij deze functie met een conservatorschap bij de afdeling Bijzondere Collecties. Hij was nauw betrokken bij de digitalisering van de circuscollectie, het organiseren van tentoonstellingen en het verzorgen van lezingen en deelonderwijs over de circuscollectie. Bovendien was hij tussen 1996 en 2002 lid van het executive commi ee van SIBMAS, de Société Internationale des Bibliothèques et des Musées des Arts du Spectacle, waarvan twee termijnen als secretary general. Op verzoek van de staf van het Allard Pierson treedt
123e JAARGANG (2022)
Wetenschappelijke artikels
Herwig De Lannoy, “Wij ijveren voor een kuisch geslacht. 1 Weg met de schunnige plakkaten!” De beweging voor zedelijkheid in Mechelen tijdens het interbellum
Brecht Demasure, Vergane glorie? De reconversie van de rurale wagenmaker 31 in Vlaanderen (1920-1970)
Hans Piena, Bloed is dikker dan water: Achterhoekse identiteit in historisch perspectief 51
Sporen
Willem Rodenhuis, De digitale circuscollectie van het Allard Pierson: 73 een veelzijdig platform ten dienste van onderwijs en onderzoek
Flynn Hermsen en Marc Jacobs, Secret Santa in 68 Sint-Maarten. 85
Computerondersteunde kalenderrituelen in 2019 en 2020: een gevalstudie
Call for Papers
Themanummer
Recensies
* Jelle Angillis, Rumbeke 27 mei 1940. Een menselijk portret van een van de laatste veldslagen 97 van de ach iendaagse veldtocht (Alex Vanneste)
* Sarah Croix & Mads Vedel Heilskov (eds.), Materiality and Religious Practice in 102 Medieval Denmark (Hans Geybels)
* Maite De Beukeleer en Maarten Larmuseau, m.m.v. Lise Hellemans, In haar voetsporen. 104 Op zoek naar onze voormoeders (Marc Jacobs)
* Edith Franke en Ramona Jelinek-Menke (red.), Handling Religious Things.
106 The Material and the Social in Museums (Hans Geybels)
* Kok, Ruurd, Denken over herdenken. Oorlogsmonumenten in Nederland (Alex Vanneste) 108
* Thomas Lentes, Soweit das Auge reicht. Frömmigkeit und Visualität vom Frühmi elalter 110 bis zur Reformation (Marc Jacobs)
* Carol Ludwig, Linda Walton and Yi-Wen Wang (eds.), The Heritage Turn in China: 112 The Reinvention, Dissemination and Consumption of Heritage (Jiyun Zhang)
* Veerle Maebe, Het dorp, ik weet nog hoe het was, Verhalen uit de jaren ’40, ’50 en ’60
116 (Alex Vanneste)
* Wim Opbrouck, Openbare werken (Paul Ca eeuw)
118
* Jelle Stegeman, Grote geschiedenis van de Nederlandse taal (Paul Ca eeuw) 120
* Malte Thießen, Auf Abstand. Eine Gesellscha sgeschichte der Coronapandemie (Marc Jacobs) 123
* Louise Tythaco & Panggah Ardiyansyah (eds.), Returning Southeast Asia’s Past. Objects, 125 Museums and Restitution (Paul Ca eeuw)