tijdschrift over de cultuur van het dagelijks leven
ISSN 0042-8523
Uitgegeven met steun van de Vlaamse overheid, de Universitaire Stichting van België, het Vera Himlerfonds en Musea en Erfgoed Antwerpen vzw
Redactie: lic. Paul Ca eeuw (redactiesecretaris; Kontich), lic. Sofie De Ruysser (Antwerpen), dr. Sophie Elpers (Arnhem), dra. Roselyne Francken (Antwerpen), prof. dr. Hans Geybels (Leuven), prof. dr. Marc Jacobs (Brugge), dra. Jorijn Neyrinck (Brugge), prof. dr. Maarten Larmuseau (Kessel-Lo), dra. Hilde Schoefs (Bilzen), prof. dr. Annick Schramme (Berchem), † dr. Albert van der Zeijden (Egmond aan Zee), dra. Els Veraverbeke (Gent), prof. dr. Johan Verberckmoes (Heverlee)
Verantwoordelijke uitgever: dr. Jur. Paul Peeters (’s-Gravenwezel/Schilde), lic. Sigrid Peeters (Oelegem/Ranst)
Beeld- en eindredactie: Paul Ca eeuw & Johan Verberckmoes
Beheer-Uitgeverij: vzw Centrum voor Studie en Documentatie, Gillès de Pélichylei 97, 2970 ’s-Gravenwezel (Schilde), info@volkskunde.be
Jaarabonnement
Voor België: € 24,00 – buiten België € 30,00
Voor nummers buiten abonnement: info@volkskunde.be
Het tijdschri Volkskunde werd opgericht in 1888 door August Gi ée en Pol de Mont. In 1894 werd Alfons De Cock redacteur.
Van 1914 tot 1920 hield “Volkskunde” op te verschijnen. Daarna berus e de leiding bij Victor de Meyere, vanaf 1936 bijgestaan door Jan de Vries. Vanaf 1938 hebben Jan de Vries, Maurits De Meyer, Pieter Jacobus Meertens en Karel Constant Peeters het tijdschri voortgezet samen met Jan Gessler en Paul De Keyser. De nieuwe reeks begon met de 43e jaargang (1940-41). Vanaf 1967 werd de redactie geleid door P.J. Meertens en K.C. Peeters, vanaf 1972 aangevuld door Jan Theuwissen en Johannes Jacobus Voskuil.
Na het overlijden van K.C. Peeters werd vanaf 1976 de redactie geleid door Jan Theuwissen en Stefaan Top. Van 2008 tot 2020 was Stefaan Top eindredacteur. In 2012 werd de reeks vanaf de 113e jaargang in zijn huidige vorm vernieuwd.
Vanaf 2021 leiden Paul Ca eeuw en Johan Verberckmoes de beeld- en eindredactie. De redactie is interdisciplinair en Vlaams-Nederlands samengesteld.
In memoriam
Albert van der Zeijden
(1957-2021)
Met het plotse en totaal onverwachte overlijden van Albert van der Zeijden verliest het tijdschrift Volkskunde één van de drijvende krachten van zijn redactie. Albert was sinds 2002 lid van de redactie. Hij sloeg opnieuw de brug tussen Vlaanderen en Nederland nadat er ruim twee decennia geen Nederlanders in de redactie hadden gezeten. En vanaf de eerste dag was hij een absolute voorstander en voorvechter van die samenwerking tussen noord en zuid. Dat bleek tot in zijn laatste post op facebook twee dagen voor zijn heengaan. En ook door zijn laatste bericht dat hij aan onze redactie schreef op 15 juli 2021, twee weken voor hij ons verliet op 30 juli 2021. Het lijken haast profetische woorden.
Het is hoe dan ook het afscheid van een tijdperk! Toen ik laatst eens in de colofon keek van een aantal jaren geleden, bleek mij dat na het afscheid van Stefaan Top, ik zelf inmiddels het langstzittende redactie(raads) lid ben van Volkskunde! Dit was notabene de redactie van na de verjonging waar Stefaan het over heeft in jullie interview! We worden oud! In de periode al voor mijn redactielidmaatschap van Volkskunde werkten wij vanuit Nederland al nauw samen met Stefaan, onder meer in de leergang Volkskunde van Brabants Heem en in het ANV. […] Dat ik die allemaal nog als jeugdige mannen heb meegemaakt, laat zien hoe oud ik zelf inmiddels ben. Met vriendelijke groet, Albert van der Zeijden
Binnen de redactie was hij een harde werker en een grote bron van inspiratie. Hij schreef boeiende bijdragen, bracht auteurs aan, schreef recensies en redigeerde themanummers. En in persoonlijke boodschappen communiceerde hij open en enthousiast over de thema’s waarmee hij bezig was. Mails werden onmiddellijk beantwoord. Zijn aanwezigheid was steeds een meerwaarde. Albert kwam graag naar Antwerpen voor de vergaderingen. De gesprekken voor en na getuigden ook en vooral van de menselijke warmte die Albert uitstraalde. Hij was een uiterst aangenaam man die Vlaanderen in zijn hart droeg. Net zoals wij hem in ons hart zullen blijven dragen. De ondraaglijke leegte zal echter blijven.
marc jacobs & sophie elpers redactie
Historicus - Oude-stijler én cultureel makelaar
De nalatenschap van dr. Albert van der Zeijden (1957-2021)
Historicus
Hij had zich met recht en reden een volkskundige, een (Nederlands) etnoloog of antropoloog, een specialist erfgoedstudies of erfgoedwerker kunnen noemen. Maar Albert van der Zeijden was duidelijk, bij presentaties van zichzelf in vergaderingen en op zijn website: historicus. Hij had zijn masterdiploma en doctoraat in de geschiedenis gehaald en dat was zijn houvast, harnas en autonomiepaspoort in de wondere wereld van volkscultuur, folklore, volkskunde en “immaterieel erfgoed”.
Lezing in een circuskooi tijdens het “Jaar van het Circus” in 2006, georganiseerd door het Nederlands centrum voor Volkscultuur
Hij genoot in het liefhebbersveld in Nederland de voorbije kwarteeuw een ruime bekendheid en degelijke reputatie als personeelslid van het Nederlands Centrum voor Volkscultuur, en de opvolgers zoals het Nederlands Centrum voor Volkscultuur en Immaterieel Erfgoed (VIE) en later het Kenniscentrum Immaterieel Erfgoed Nederland (KIEN), als wetenschappelijke ondersteuner
en alter ego/nos van (het team rond) Ineke Strouken. Maar tegelijkertijd cultiveerde hij een klassieke onderzoekslijn, als geschiedschrijver over katholieke activisten rond cultuur en identiteit in Nederland in de 19e eeuw. Dit leidde in 2002 tot zijn proefschrift Katholieke identiteit en historisch bewustzijn. W.J.F. Nuyens (1823-1894) en zijn ‘nationale’ geschiedschrijving, dat hij aan de Universiteit van Amsterdam verdedigde en bij uitgeverij Verloren in Hilversum publiceerde. Typerend zijn de zinnen waarmee hij zijn magnum opus begon: “Dat het schrijven van een proefschrift vaak wordt gekarakteriseerd als ‘het grote lijden’’ heb ik nooit goed kunnen begrijpen. Dit boek over Nuyens is tot stand gekomen in mijn vrije tijd, naast mijn reguliere werk bij het Nederlands Centrum voor Volkscultuur. Niet lang na mijn afstuderen ben ik er mee begonnen, zo rond 1989”, maar evengoed de opmerking over zijn promotor Pim den Boer: “zo iemand had ik, zelf ook een ‘oude-stijler’, nodig. Hij heeft mij in alle vrijheid mijn gang laten gaan. Pas in de laatste fase, toen een eerste versie van het manuscript gereed lag, is hij zich uitgebreid met het proefschrift gaan bemoeien.” Het manuscript is tegenwoordig integraal online beschikbaar.1 Hoewel hij, mede door de keuze en de roeping om over volkscultuur, folklore en tradities te werken, niet tot de harde kern van de nomenclatuur van de Nederlandse academische wereld van historici behoorde, leverde dit wel de credibiliteit die hem toeliet in historische tijdschriften met gezag een rol te spelen en echo’s te laten doorklinken van wat er in de wereld van volkscultuur, en later immaterieel erfgoed, gebeurde. Hij speelde een rol als makelaar en correspondent vanuit het “veld”. Een reeks artikels in de historische referentietijdschriften waren daarin belangrijk.2 Opmerkelijk genoeg was dat andersom minder sterk het geval. Terwijl Van der Zeijden bleef beklemtonen dat hij historicus was, koos hij in zijn artikelen over immaterieel erfgoed steeds voor een focus op het heden en volgde daarmee rigoureus de 2003 UNESCO-conventie voor het Borgen van Immaterieel Erfgoed waarin het contemporaine karakter van immaterieel erfgoed wordt benadrukt.
Van der Zeijden was ook, vooral voor en net na de eeuwwisseling, de pleitbezorger voor het oeuvre van een van zijn wetenschappelijke helden. Hij stak zijn bewondering voor Philippe Ariès (1914-1984) niet onder stoelen of banken. In de jaren 1970 en 1980 speelden de Annales. Économies. Sociétés. Civilisations, de EHESS en andere Parijse actoren ook in de Nederlanden nog een belangrijke rol, zeker in het onderzoek over mentaliteitsgeschiedenis en het (samen) leven van alledag en iedereen. Dat is een van de sleutels om de generatie van onderzoekers in de Lage Landen te begrijpen, die in het laatste kwart van de twintigste eeuw de overgang van mentaliteitsgeschiedenis naar cultuurgeschiedenis en volkscultuur, langs volkskunde tot het borgen van immaterieel erfgoed mee hebben gemaakt. Dat is een generatie die door de literatuur is beïnvloed op het snijpunt van geschiedenis, volkskunde en
1 A. van der Zeijden, Katholieke identiteit en historisch bewustzijn. W.J.F. Nuyens (1823-1894) en zijn ‘nationale’ geschiedschrijving, Amsterdam, Universiteit van Amsterdam, 2002/ Hilversum, Verloren 2002, p. 5 en 6; h ps://dare.uva.nl/search?arno.record.id=107818 (bezocht op 4-12-2021).
2 Zie bijvoorbeeld A. van der Zeijden, ‘De politiek van immaterieel erfgoed’, Tijdschri voor geschiedenis 124:3, 2011, p. 368-379.
historische antropologie, in een periode, eind vorige eeuw, toen de Franse historiografie rond de Annales E.S.C. nog erg invloedrijk was.3
Op zijn website wordt dit ook duidelijk gemaakt in een treffend statement dat hier in een Web of Science-tijdschri vindbare passage wordt vereeuwigd:
“Aan het eind van de jaren zeventig was ik enorm geïnspireerd door Ariès. In die tijd was in Utrecht, waar ik studeerde, geschiedenis toch nog vooral traditionele politieke geschiedenis. Met zijn grote boeken over de geschiedenis van de dood opende Ariès voor wetenschappelijke novieten als ik ongekende vergezichten. Ariès schreef over onderwerpen die er werkelijk toe deden, hij was de man met de sprankelende en originele ideeën. Hij was ook de man die passie in zijn werk legde: geschiedenis was voor Ariès le erlijk een manier om actuele problemen de baas te worden. (…) Zoals hij zijn persoonlijke levensgeschiedenis verweefde in zijn boek over het veranderende historisch besef, deed hij dit ook met zijn geschiedenis over de dood, waarin hij bijvoorbeeld de ‘moderne’ opva ingen over de dood ophing aan een beschrijving van het ster ed van zijn moeder. Voor Ariès was geschiedenis met recht een existentiële noodzaak. Voor mij maakte Ariès de geschiedwetenschap de moeite waard.”4
Ariès was op verschillende manieren een buitenstaander. Hij had niet zoals veel van de Annales-coryfeeën en volkscultuurhistorici een linkse achtergrond, maar was voor de Tweede Wereldoorlog als student actief geweest in rechtse knokploegen en publicatiekanalen rond de antisemitische en xenofobe Action française. Hij zou niet gekend zijn als tegenstander van het Vichyregime, integendeel. Ariès haalde nooit zijn diploma geschiedenis, maar zou in het derde kwart van de 20e eeuw als “zondagshistoricus” of “amateurhistoricus” zeer uitgebreide onderzoeken doen die resulteerden in kloeke, goed verkopende en baanbrekende boeken met een langetermijnbenadering van kinderen en gezinsleven, en over de omgang met de dood. Na zijn pensioen in 1977, het jaar dat zijn magnum opus L’homme devant la mort verscheen, werd hem de post van ‘directeur d’études’ aan de EHESS te Parijs aangeboden. Zijn pioniersrol werd erkend en verbonden met een ander baanbrekende bundel, over de geschiedenis van privéruimtes in de nieuwe tijd. De combinatie van onbegrensde nieuwsgierigheid en werklust en het feit dat hij niet verstrikt raakte in de dwingende disciplinaire kaders en opvolgingssystemen die academische circuits in de geschiedenis lijken te genereren, maakte dat hij nieuwe thema’s en onderwerpen kon aanboren en op de agenda ze en. Albert
3 Sinds de jaren 1990 is die invloed minder sterk, al kunnen via het oeuvre van onderzoekers zoals Luc Boltanski, Bruno Latour of Nathalie Heinich en via de erfgoedstudies de volgende jaren nieuwe dwarsverbanden ontstaan. Zie M. Jacobs, ‘Actornetwerk. Geschiedenis, sociale wetenschappen. De nieuwe Annales en het werk van Boltanski en Thévenot: een (re)viewartikel’ Tijdschri voor sociale geschiedenis 22, 1996, p. 260-289.
4 h p://www.albertvanderzeijden.nl/philippe_aries_en_de_mentaliteit.htm (bezocht op 4-12-2021)
Intergovernmental Committee Meeting in Bogota, 2019. Albert van der Zeijden hield ervan om met erfgoedbeoefenaren op de foto te gaan
van der Zeijden was in de Nederlanden de heraut van het oeuvre van Ariès en van zijn hoofdthema: de dood.5
De Dood
“Een dodenmis hee twee gezichten. In de teksten worden troost en berusting afgewisseld met wanhoop en schrik voor “die vreeswekkende dag”. Hierin weerspiegelen zich de tegenstrijdige gevoelens die een sterfgeval opwekt. Eerst de schok, verslagenheid en woede: waarom moet ons dit overkomen? Maar vervolgens ook de christelijke berusting, de hoop op eeuwig leven en verrijzenis.”6 Deze woorden van Van der Zeijden komen uit een artikel dat hem typeert; een geschiedenis van het requiem als genre door de eeuwen heen. Zowel het thema van de dood, als hoe die ingrijpende realiteit op lange termijn cultureel werd beleefd, gesublimeerd en verwerkt, waren zeker in de eerste hel van zijn carrière de hel van zijn levenswerk. Hij bouwde expliciet verder op het oeuvre van Ariès maar breidde dit uit met eigen empirisch onderzoek.
Volgens Wim Berkelaer, Van der Zeijdens vriend tijdens zijn tijd als student(-assistent), was de tentoonstelling in 1980, Dood en begraven. Sterven en rouwen 1700-1900, naar aanleiding van het 150-jarige bestaan van de Eerste Algemene Begraafplaats Soestbergen te Utrecht, de “trigger” voor de levenslange belangstelling voor de omgang met overlijden en graven. Van der Zeijden koos het als onderwerp voor zijn doctoraalscriptie in 1986.7 Hij participeerde aan de organisatie van het grote congres Balans en perspectief van de Nederlandse Cultuurgeschiedenis in Utrecht in 1990 waar hij het thema
5 A. van der Zeijden, ’Philippe Ariès: geschiedschrijver van de dood’, Volkscultuur, tijdschri over tradities en tijdsverschijnselen 5:1, 1988, p. 64-82; A. van der Zeijden, `Een reactionair met sprankelende ideeën. Mentaliteitshistoricus Philippe Ariès verdient een revival’ Historisch Nieuwsblad 3, 2001, p. 26-29.
6 A. van der Zeijden, ‘De geschiedenis van het requiem’, Doodgewoon. Tijdschri over de dood, 5, 1995, p. 10-14.
7 h ps://wimberkelaar.wordpress.com/2021/08/11/ode-aan-een-vriendschap-die-eens-was-bij-dedood-van-albert-van-der-zeijden-1957-2021/ (bezocht op 4-12-2021).
op de agenda ze e. Dit resulteerde in een onder zijn leiding geredigeerd boek over de cultuurgeschiedenis van de dood in 1992.8 De fascinatie voor het thema klonk ook door in zijn werk als expert en ‘makelaar’ in immaterieel erfgoed: ‘Ook allerlei gewoonten en gebruiken rondom de dood vormen onderdeel van dat immateriële erfgoed’, beklemtoonde hij in een artikel waarin hij met behulp van de casus Allerzielen aandacht vroeg voor dilemma’s en vraagpunten rond de erfgoedisering van alledaagse cultuur, en in het bijzonder religieuze tradities.9 Dat hij zelf jarenlang lid was van de stichting voor funerair erfgoed De Terebinth die in 2013 – samen met anderen – de voordracht van Allerzielen voor de Inventaris Immaterieel Erfgoed Nederland indiende waartoe A. van der Zeijden had gestimuleerd, hield hij niet geheim.10 Hij nam dit juist als uitgangspunt om uit te leggen hoe je als cultural broker een schakelfunctie inneemt tussen het erfgoed en het erfgoedbeleid – een functie die nooit helemaal neutraal kan zijn.
Terwijl Van der Zeijden aanvankelijk de vraag hoe (van oorsprong) religieus erfgoed het beste geborgd kan worden in een ontkerkelijkende samenleving nog als een van de urgentere aandachtspunten van zijn instituut inscha e dat net de opdracht had gekregen de UNESCO conventie in Nederland te implementeren, verschoof de aandacht naar andere thema’s (zie verder).11 Het
8 Zie voor de receptie M. Jacobs, (recensie van) ‘A. van der Zeijden (ed.), De cultuurgeschiedenis van de dood, Amsterdam/Atlanta, 1991’, Volkskundig Bulletin 18, 1992, p. 247-249.
9 A. van der Zeijden, ‘Dilemma’s en vraagpunten met betrekking tot immaterieel erfgoed: het voorbeeld Allerzielen. Reflecties van een cultural broker’, Volkskunde 133, 2012, p. 343-359.
10 Allerzielen stond tussen 2013 en 2017 op de Inventaris Immaterieel Erfgoed Nederland.
11 A. van der Zeijden, ‘Naar een onderzoeksagenda voor immaterieel erfgoed. Kennisontwikkeling ten behoeve van het borgen van tradities’, Volkskunde 116, 2015, p. 53-67; A. van der Zeijden, ‘Spiritual renewal and the safeguarding of religious traditions in the Netherlands’, Heritage Alive, gepubliceerd op internet 22 april 2014. h p://www.ichngoforum.org/spiritual-renewal-and-the-safeguarding-ofreligious-traditions-in-the-netherlands/ (bezocht op 4-12-2021).
Albert van der Zeijden in het midden van de internationale collega’s van het ICH NGO Forum
Kenniscentrum Immaterieel Erfgoed Nederland speelde dan ook geen rol in projecten als Heriligion12, dat de vraag naar de erfgoedisering van religie en de sacralisering van erfgoed centraal stelt, en het was maar zijdelings betrokken bij projecten over (de toekomst van) materieel en immaterieel religieus erfgoed.
Volkscultuur
Een groot deel van het professioneel leven van Van der Zeijden speelde zich af in en vanuit een landelijke netwerkhub voor volkscultuur in Nederland. In 1984 werd het Informatiecentrum Volkscultuur opgericht vanuit een Beraad voor het Nederlands Volksleven en een Volkskundig Genootschap. Dit werd vanaf 1991 het Nederlands Centrum voor Volkscultuur. Daar werden tal van publicaties gerealiseerd, dagen georganiseerd, en publieksgerichte projecten gelanceerd, zoals Brieven aan de Toekomst (1998), het Jaar van de Volkscultuur (19992000), FotoMonument (2000), Nationale Geschiedenisdagen (2001 en 2003), de Nationale Verteldag (2004), het Jaar van de Folklore (2005), het Jaar van het Circus (2006), het Jaar van de Tradities (2009) en het Jaar van het Immaterieel Erfgoed (2012). Van der Zeijden begeleidde dit project vanuit een populariserend-wetenschappelijke rol.
Geheel in de lijn van zijn habitus was Albert Van der Zeijden bijzonder actief met historiografie van volkskundig onderzoek en publicatiecultuur, niet alleen van mannen en vrouwen die zich met de studie van volkscultuur bezig hielden, maar ook met de instellingen.13 Ook hier was hij een brugfiguur in de geschiedenis van wisselende positionering en afstanden tussen Amsterdam en Utrecht (nu Arnhem); tussen het Meertens Instituut van de KNAW en (voorgangers en nakomelingen van) het Nederlands Centrum voor Volkscultuur. Van der Zeijden had een voet in beide werelden en functioneerde in de doorsnede van de twee circuits, zoals ook blijkt uit een reeks sleutelpublicaties.14
Zijn redacteurschap in de 21e eeuw van het tijdschri Volkskunde, is opnieuw zo’n brugfunctie. Gedurende bijna twee decennia was Albert van der Zeijden de stabiele Nederlandse link en brug. Hij was zowel als redacteur, maar ook als auteur bijzonder actief.
12 h ps://heriligion.eu/ (bezocht op 4-12-2021).
13 A. van der Zeijden, De voorgeschiedenis van het Nederlands Centrum voor Volkscultuur. De ondersteuning van de volkscultuurbeoefening in Nederland 1949-1992, Utrecht, Nederlands Centrum voor volkscultuur, 2000; A. van der Zeijden, Volkscultuur van en voor een breed publiek: enkele theoretische premissen en conceptuele uitgangspunten, Utrecht, Nederlands Centrum voor Volkscultuur, 2004.
14 ‘A. van der Zeijden, ‘Public Folklore and the construction of a regional identity in newly reclaimed Dutch polders (1945-1970)’, in: P. Margry & H. Roodenburg (eds), Reframing Dutch Culture. Between otherness and authenticity, Aldershot, 2007, p. 59-81; H. Dibbits, S. Elpers, P.J. Margry, A. van der Zeijden, Immaterieel erfgoed en volkscultuur. Almanak bij een actueel debat, Amsterdam, Amsterdam University Press, 2009.
Borgen van immaterieel erfgoed en UNESCO
De rol van Albert van der Zeijden in het omarmen van het immaterieel erfgoedparadigma in Nederland, in nauwe verbinding met Vlaanderen, en in het bijzonder de circuits van tapis plein/Werkplaats Immaterieel Erfgoed was de voorbije tien jaar belangrijk en opvallend. Terwijl in de fase tussen 2001 en 2003 Nederlandse circuits erg actief waren in de totstandkoming van de UNESCO conventietekst voor het borgen van immaterieel erfgoed, met name rond de kwesties van passende woordenschat, en via de Nederlander Rieks Smeets in de Sectie Immaterieel Erfgoed van UNESCO zelf in de volgende jaren, kan een zeer grote aarzeling worden vastgesteld in Nederland in de eerste tien jaar van de conventie. Zowel het Meertens Instituut als het Nederlands Centrum voor Volkscultuur hielden en cultiveerden afstand en misten zo de eerste pionierstreinen. In het tweede decennium van de 21e eeuw veranderde deze houding in de Nederlandse netwerken, door het stimulerende werk van Riet de Leeuw (OCW). Het NCV, en met name Albert van der Zeijden, omarmde voortaan de conventie. Het NCV werd het Nederlands Centrum voor Volkscultuur en Immaterieel Erfgoed en later het Kenniscentrum Immaterieel Erfgoed Nederland, en groeide wetenschappelijk en methodologisch. Van der Zeijden werd zelfs gedurende een jaar lid van Evaluation Body, als vertegenwoordiger van de NGO. Zo kreeg hij niet alleen de dossiers voor de internationale lijsten van de 2003 Conventie te zien, maar ook een diep inzicht in het functioneren van institutionele mechanismen binnen UNESCO en de relatie tussen de “organen” van de conventie. Hij nam zeer actief deel aan de vergaderingen van het Intergouvernementeel Comité en de Algemene Vergadering van de UNESCO-conventie 2003 voor het borgen van immaterieel erfgoed. Hij vertegenwoordigde het Kenniscentrum in het ICH NGO Forum en was oprichter en voorzi er van de werkgroep “Research”. Die activiteiten kregen tastbare vormen via het interne ijdschri Heritage Alive. Voices and practices, waarvoor hij schreef. Opmerkelijk was ook dat hij poogde
Digitale redatievergadering van Volkskunde in juni 2020
links te leggen tussen het borgen van immaterieel erfgoed en oudere vormen van omgang met volkscultuur, met name door de folklorist, verzamelaar en filmmaker D.J. van der Ven.15
Van der Zeijden ze e mee zijn schouders onder het Intangible Cultural Heritage and Museums Project (IMP) en zorgde voor de verspreiding van de resultaten in Nederland.16 Hij was speciaal redacteur van diverse themanummers over immaterieel erfgoed in dit tijdschri , zoals Makelaardij in 2014, Feestcultuur en immaterieel erfgoed in 2016, Immaterieel Cultureel Erfgoed en diversiteit in 2015 en Erfgoed en toerisme in 2020. Met name het nummer over “brokerage”, culturele makelaardij, hee een internationale weerklank gekregen.17 Samen met Jorijn Neyrinck en Marc Jacobs ondertekende hij het wijdverspreide Woord vooraf. 18 Ook publiceerde hij eigen bijdragen in het nummer. Albert van der Zeijden had bij tijd en wijle zijn “pet topics” waar het hart en de mond van vol was, de powerpoints en de pen van over liepen. Dat was de voorbije jaren ook rond immaterieel erfgoed het geval, met superdiversiteit en de West-Kruiskade, makelaardij, Zwarte Pietcontroverses, toerisme en andere thema’s, die dan een tijdlang zijn communicatie kleurden.19 Recentelijk hield hem de vraag bezig hoe transnationaal immaterieel erfgoed in een globaliserende wereld bijdraagt
15 Zie de reikwijdte van h p://www.albertvanderzeijden.nl/publicaties/publicaties_over_immaterieel_ erfgoed.htm (bezocht op 4-12-2021); A. van der Zeijden, ‘D.J. van der Ven (1891-1973) als filmische pionier’, Volkskunde. Tijdschri over de cultuur van het dagelijks leven 121:1, 2020, p. 35-44 en de dialoog in M. Jacobs, ‘“Borgen van immaterieel erfgoed”, films en D.J. van der Ven’, Volkskunde. Tijdschri over de cultuur van het dagelijks leven 121:1, 2020, p. 45-51.
16 Zie A. van der Zeijden & S. Elpers, ‘Diversity’, in: Museums and Intangible Cultural Heritage. Towards a third space in the heritage sector. A companion to discover transformative heritage practices for the 21th century, Brugge, 2020, p. 52-54; S. Elpers, F. van der Pols, E. Tsakiridis, A. van der Zeijden (ed.): Immaterieel erfgoed en musea. Special issue Museumpeil 49 (2018).
17 Zie bijvoorbeeld het Brokerage nummer uit 2014; K. Adams, A. van der Zeijden en anderen, ‘Immaterieel erfgoed als toeristische bestemming. Hoe duurzaam toerisme en de borging van levend erfgoed kunnen samengaan / Intangible heritage as a tourist destination. Contributing to safeguarding intangible cultural heritage through sustainable tourism, Volkskunde 121:3, 2020, p. 519-548.
18 M. Jacobs, J. Neyrinck & A. van der Zeijden, ‘UNESCO, Brokers and Critical Success (F)Actors in Safeguarding Intangible Cultural Heritage’, Volkskunde. Tijdschri over de cultuur van het dagelijks leven 115:3, 2014, p. 249–256; M. Jacobs, J. Neyrinck & A. van der Zeijden, ‘UNESCO, makelaars en kritische succes(f)actoren in de borging van immaterieel cultureel erfgoed’, Volkskunde. Tijdschri over de cultuur van het dagelijks leven 115: 3, 2014, p. 257 – 263 ; Chinese versie M. Jacobs, J. Neyrinck & A. van der Zeijden, ‘文化的“转译” 与非物质文化遗产护(上篇)联合国教科文组织、经纪人与保护“非遗” 之关系’(The “translation” of culture and the safeguarding of intangible cultural heritage (Part 1). UNESCO, Brokers, and Safeguarding Intangible Cultural Heritage,遗产 (Heritage), 2, 2020, p. 34-45.
19 A. van der Zeijden, ‘Dealing with Black Pete. Media, Mediators and the Dilemmas of Brokering Intangible Heritage’, Volkskunde. Tijdschri over de cultuur van het dagelijks leven 115:3, 2014, p. 349-360; A. van der Zeijden, ‘Zwarte Piet in meerduidig perspectief’, Volkskunde. Tijdschri over de cultuur van het dagelijks leven 120: 1, 2019, p. 57-67; A. van der Zeijden, ‘Intangible heritage as dialogue and as contestation. West-Kruiskade, Ro erdam and the changing face of memory’, Jahrbuch für Europäische Ethnologie 12, 2017, pp. 111-125; A. van der Zeijden, R. Varela & W. Raaphorst, ‘Etnisch toerisme als kans voor duurzame ontwikkeling van immaterieel erfgoed in superdiverse wijken. Een onderzoek naar de West-Kruiskade in Ro erdam en de Paul Krugerlaan in Den Haag’, Volkskunde. Tijdschri over de cultuur van het dagelijks leven 121: 3, 2020, p. 607-634.
Aanbieding van de eerste Kennisagenda “Immaterieel erfgoed als proeftuin van een mondialiserende samenleving”, samen met collega’s Susanne Verburg en Sophie Elpers, 2018
aan ‘place-making’ en ‘social bonding’. Hij koos daarvoor het onderwerp Ebru (papier marmeren met oorsprong in Turkije) in Nederland.20
Opmerkelijk (moedig) was ook het plaatsen van kritische vraagtekens bij lichtvoetige reflecties van één van de coryfeeën van de Europese etnologie over de UNESCO-ontwikkelingen in het werkveld.21
Albert van der Zeijden was de laatste jaren van zijn leven teamleider Kennisontwikkeling van het Kenniscentrum Immaterieel Erfgoed Nederland. Uiteindelijk werd dit mee academisch vormgegeven, aan de Universiteit van Utrecht. Vanaf 1 januari 2017 werkte hij een dag per week aan de Universiteit Utrecht als Research Fellow Intangible Heritage Studies.22 Van der Zeijden was één van de penvoerders en bedenkers van het onderzoeksplan 2017-2020 van het Kenniscentrum, met als speerpunten Controversieel Immaterieel Erfgoed, Superdiversiteit, Jongerenculturen, Immaterieel & Materieel Erfgoed en Toerisme.23 Voorop stond voor Van der Zeijden steeds dat de onderzoeksvragen
20 A. van der Zeijden, ‘Transnational Communities and the Safeguarding of ICH. The Case of Ebru, the Turkish Art of Marbling from a Dutch Perspective’, verschijnt in International Journal of Intangible Heritage
21 A. van der Zeijden, ‘Making intangible heritage. Een kritiek op Valdimar Hafstein’, Volkskunde. Tijdschri over de cultuur van het dagelijks leven, Volkskunde 121: 1, 2020, p. 53-59.
22 A. van der Zeijden, ‘Immaterieel erfgoed aan de Universiteit Utrecht. Onderzoeksplan Fellowship Intangible Heritage Studies’, Volkskunde. Tijdschri over de cultuur van het dagelijks leven 118: 1, 2017, p. 37-42.
23 A. van der Zeijden, S. Elpers, M. Helsen & S. Verburg, Immaterieel erfgoed als proe uin van een mondialiserende samenleving. Kennisagenda 2017-2020 Kenniscentrum Immaterieel Erfgoed Nederland, Arnhem, 2018.
vertrokken vanuit de uitdagingen en noden van erfgoedgemeenschappen bij het borgen van hun immaterieel erfgoed, en dat zij participatief werden betrokken in het onderzoek.24 Hierdoor werd meer dan ooit een soort convergentie van academisch onderzoek rond immaterieel erfgoed en andere vormen van volkscultuur gerealiseerd in de laatste jaren.25 Toen Albert in augustus 2021 overleed was hij bezig om met zijn team het nieuwe onderzoeksplan 20212024 te ontwikkelen met als onderzoeksgebieden Duurzaamheid, Diversiteit en Inventarisatiemethodieken. Helaas stak zijn andere onderwerp daar onverwacht een stokje voor.
24 A. van der Zeijden, ‘Experimenting with participation in dialogue. Community involvement in identifying and researching Intangible Cultural Heritage in the Netherlands’, Revista Memoriamedia 33, 2018, 1-9. Online: h ps://www.immaterieelerfgoed.nl/image/2019/2/15/eng_ memoriamediareview_netherlands_experimenting_with_participation.pdf (bezocht op 4-12-2021).
25 Zie voor de resultaten de Kennisbank van het Kenniscentrum: h ps://www.immaterieelerfgoed. nl/kennisbank#eyJ0eXBlIjoibGlzdCIsImNhdCI6W10sImtleXdvcmQiOltdLCJmYWNldHMiOnt9fQ== (bezocht op 4-12-2021).
Albert van der Zeijden (1957-2021)
elena vanden abeele & wendy wiertz
wetenschappelijk artikel
Het Vlaamse kantonderwijs in de 20e eeuw
Tussen modernisering en traditie
Inleiding
Kant werd vanaf de 16e eeuw in Vlaanderen vervaardigd, waardoor de regio uitgroeide tot een internationaal befaamd productiecentrum van dit luxetextiel. Na de onafhankelijkheid van België in 1830 werd het zelfs onderdeel van de vaderlandse identiteit.1 Tegelijk ging de nationale industrie van handgemaakte kant sterk achteruit: de ontwikkeling van machinaal geproduceerd kant aan het begin van de 19e eeuw veroorzaakte een steeds grotere concurrentie, terwijl de vraag vanuit de mode daalde.2 Om de kantindustrie te laten overleven, werden de al geringe lonen van de kantwerksters nog meer verlaagd. Daarop legden veel vrouwen hun klossen opzij en gingen ze in de nieuw opgerichte fabrieken werken. Dit was onder meer het geval in Geraardsbergen, waar de kantindustrie afnam nadat sigaren- en lucifersfabrieken er openden.3 Zij die in Geraardsbergen en elders in Vlaanderen bleven kantwerken, moesten meer
We bedanken professsor David Hopkin (University of Oxford, Hertford College) en mevrouw Ria Cooreman (Museum Kunst & Geschiedenis in Brussel) voor hun doordachte opmerkingen op een eerdere versie. Tegelijk zijn we het Bisschoppelijk Archief in Brugge erkentelijk voor de goede scans en het toegestane gebruik van de opgenomen a eeldingen.
1 Coppens, Kant uit België van de zestiende eeuw tot heden. Een keuze uit de verzameling van de Koninklijke musea voor kunst en geschiedenis te Brussel. Brussel, 1981, p. 9-10; Levey, Lace. A History. Londen, 1983, p. 4-26; Coppens, Kant uit het Koningshuis. Brussel, 1990, p. 11; Bruggeman, Kant in Europa. Een historisch overzicht vanaf het ontstaan van de kant tot aan het interbellum. Brugge, 1997, p. 33-38, 77-82; Bruggeman, Kant in Vlaanderen. Erfgoed en hedendaagse kunst. Tielt, 2018, p. 30-31.
2 Desondanks steeg het aantal kantwerksters rond het midden van de 19e eeuw tot circa 150.000. Door de mechanisatie van de linnenindustrie verloren arbeidsters die handgemaakt linnen hadden vervaardigd hun inkomen. Zij schakelden onder impuls van de staat en religieuze overheden over op kantwerk. Daarnaast dwongen de aanhoudende bevolkingsgroei, extreme grondversnippering, hoge pachtprijzen tijdens de eerste hel van de 19e eeuw en de mislukte aardappeloogsten in de jaren 1840 kleine boeren in Vlaanderen om een extra inkomen te genereren uit niet-agrarische activiteiten zoals kantwerken.
3 De Clercq, Kantwerksters en kantnijverheid te Geraardsbergen: folklore en geschiedenis. Geraardsbergen, 1931; Coppens, Geraardsbergse Chantillykant. Geraardsbergen, 1984, p. 27.
produceren voor hetzelfde magere loon, wat nefast was voor de kwaliteit van hun stukken en voor hun leef- en werkomstandigheden.4 Andere Europese landen met een traditie in handgemaakt kant kenden dezelfde problemen. Vanaf het midden van de 19e eeuw namen zij verschillende maatregelen om de lokale kantindustrie in zijn oude glorie te herstellen. Deze maatregelen richtten zich zowel op de productie als op de consumptie van kant.5 Ook het kantonderwijs kreeg de nodige aandacht: In Frankrijk werden kantscholen opgericht in de belangrijkste kantproducerende regio’s. Tegelijkertijd onderging het kantonderwijs er een institutionalisering. In Engeland zorgden filantropische verenigingen voor de organisatie van het kantonderwijs, voor nieuwe kantontwerpen en voor de verkoop van de afgewerkte stukken in Londen. In Ierland werden lezingen en lessen in het ontwerpen van kant gegeven in de belangrijkste kantscholen van het land. Daarbij was er een verhoogde belangstelling voor kanttechnieken, waardoor de Ierse kant technisch en esthetisch sterk verbeterde. In Italië zette de kantschool van Burano minder in op nieuwe patronen, maar kopieerde daarentegen modellen in naaldkant uit de voorbije eeuwen. Die strategie kende veel succes. In Tsjechië, toen onderdeel van Oostenrijk-Hongarije, werden verschillende kantscholen opgericht. De School voor Industriële Kunsten in Praag met een filiaal in Wenen gold als de belangrijkste. Rond de eeuwwisseling groeide de kantschool van Wenen uit tot een centrum van vernieuwende kantontwerpen in art-nouveaustijl, terwijl de geometrische motieven van Tsjechië ook furore maakten.6
Ook in België baarde de miserabele toestand van de kantindustrie en haar werksters zorgen. Vanaf de tweede hel van de 19e eeuw verschenen studies, statistieken en romans die oorzaken duidden en oplossingen aanreikten.7 Door hun liberale dan wel katholieke overtuiging legden de auteurs andere klemtonen.8 Wel benadrukten de meesten het belang van hervormingen in het kantonderwijs. Dat was nodig, want de meeste kantscholen waren vooral
4 Coppens, Kant uit het Koningshuis. Brussel, 1990, p. 12-16; Bruggeman, Kant in Europa, p. 136-137; Bruggeman, Kant in Vlaanderen, p. 68-71; Askenasi-Neuckens & H. Galle, Les derniers ouvriers libres: le travail à domicile en Belgique. Brussel, 2000, p. 35-41, 155-167.
5 Spenceley, ‘The Lace Associations: Philanthropic Movements to Preserve the Production of Hand-Made Lace in Late Victorian and Edwardian England’, Victorian Studies 16:4, 1973, p. 433-452; Freedgood, ‘Fine Fingers: Victorian Handmade Lace and Utopian Consumption’, Victorian Studies 45:4, 2003, p. 625-647; Helland, ‘Working Bodies, Celtic Textiles, and the Donegal Industrial Fund 1883-1890’, Textile 2:2, 2004, p. 134-155; Helland, ‘Caprices of Fashion’: Handmade Lace in Ireland 1883-1907’, Textile History 39:2, 2008, p. 193-222.
6 Verhaegen, La restauration de la dentelle à Venise et l’école de Burano. Brussel, 1902; Levey, Lace. A History, p. 113-117; Lembré, ‘Copier pour rivaliser et copier pour apprendre: l’enseignement de la dentelle en France au XIXe siècle,’ in: F. Charpigny, A. Gril-Mario e en M.-A. Privat-Savigny (reds.), Copie et imitation dans la production textile, entre usage et repression. Lyon, 2010, p. 21-27.
7 Van Holsbeek, L’industrie dentellière en Belgique: étude sur la condition physique et morale des ouvrières en dentelles. Brussel, 1863; Courtmans-Berchmans, De hut van tante Klara. Gent, 1864; De Greef, L’ouvrière dentellière en Belgique. Brussel, 1886; Verhaegen, La dentelle et la broderie sur tulle. Les industries à domicile en Belgique. Brussel, 1902; Verhaegen, La dentelle belge. Les industries à domicile en Belgique. Brussel, 1912.
8 Wi e, ‘The ba le for monasteries, cemeteries and schools: Belgium’, in: C. Clark & W. Kaiser (reds.), Culture Wars: Secular-Catholic Conflict in Nineteenth-Century Europe. Cambridge, 2003, p. 102-128.
productieateliers, waar de meisjes weinig meer leerden dan kantwerken en waar de lesmethode vooral bestond uit goed kijken en nadoen.9 Hervormingen moesten leiden naar een heropleving van de Belgische kantindustrie en naar een verbetering van de slechte leef- en arbeidssituatie van de kantwerksters. De voorgestelde oplossingen voor het kantonderwijs zijn te bundelen onder drie thema’s: een professionalisering van het onderwijs, een grotere aandacht voor het welzijn van het kind en een groeiend streven naar artistieke vernieuwingen. Concreet vertaalde dit zich onder meer in de vraag om gediplomeerde kantleraressen, ruime klaslokalen en tekenlessen.10 Lokale en nationale verenigingen, vaak met een filantropisch karakter, werden opgericht om de voorgestelde oplossingen te implementeren en zo de neerwaartse spiraal te doen keren. De meest bekende was de rond 1910 opgerichte Les Amies de la Dentelle die onder bescherming van koningin Elisabeth stond. De adellijke en burgerlijke voortreksters van deze vereniging wilden actie ondernemen om het gebrekkige onderwijs te hervormen, de lange schooluren te verminderen en de lage lonen te verhogen. Om hun doel te bereiken eisten ze het recht om de scholen te inspecteren, die ze vervolgens een subsidie toekenden of weigerden. Daarnaast ijverden ze voor de oprichting van een kantontwerpschool en een kantnormaalschool.11 De eerste was in 1908 in Brussel opgericht en concentreerde zich op het tekenen van artistieke patronen.12 De tweede ontstond in 1911 in Brugge en legde zich toe op de opleiding van kantleraressen en op de ontwikkeling van nieuwe lesmethodes.13 Op de lange termijn haalden al de genomen acties weinig uit, want na een korte heropbloei tijdens de Eerste Wereldoorlog verdween de Belgische kantindustrie definitief in de 20e eeuw. Desondanks bleven verschillende kantscholen nog tot het begin van de jaren 1970 bestaan. Toch is er nauwelijks onderzoek gevoerd naar het kantonderwijs in Vlaanderen tijdens de 20e eeuw, naar de manier waarop de geadviseerde oplossingen door individuele kantscholen werden geïmplementeerd of naar de effecten ervan op lange termijn.14
Dit artikel onderzoekt de invoering van de voorgestelde verbeteringen in het kantonderwijs en hun langetermijneffecten in de 20e eeuw. Als casus dient de in 1913 opgerichte kantschool van de zusters paulinen in Poperinge, die eerder
9 Bruggeman, Kant in Vlaanderen, p. 83-85.
10 Van Holsbeek, L’industrie dentellière en Belgique; De Greef, L’ouvrière dentellière en Belgique; Verhaegen, La dentelle et la broderie sur tulle; Verhaegen, La dentelle belge.
11 Kellogg, Bobbins of Belgium. A Book of Belgian Lace, Lace-Workers, Lace-Schools and Lace-Villages. New York, 1920, p. 15-16; Coppens, Kant uit het Koningshuis. Brussel, 1990, p. 16-18, 105-110; Bruggeman, Kant in Europa, p. 140.
12 Coppens, Kant uit België, p. 119; Bruggeman, Kant in Vlaanderen, p. 87.
13 Verhaegen, La dentelle belge, p. 289-290; Blontrock, ‘De kantnormaalschool in Brugge 1911-1959’, in: J. D’Hondt & N. Geirnaert (reds.), Kant in Brugge, 1911. Een technische & sociale omwenteling. Brugge, 2011, p. 13-23.
14 Kellogg, Women of Belgium Turning Tragedy to Triumph, 2de uitg. New York, 1917, p. VII-XVIII, p. 158-166; Kellogg, Bobbins of Belgium; Bruggeman, Brugge en kant: een historisch overzicht. Brugge, 1985, p. 247-251; Sorber & F. de Booser, Zachte lessen: mode- en textielonderwijs. Antwerpen, 1998, p. 9-10; Van Autenboer, ‘Kant in Turnhout (19de-20ste eeuw)’, Oost-Vlaamse Zanten 77:1, 2002, p. 38; Lembré, ‘Les écoles de dentellières en France et en Belgique des années 1850 aux années 1930’, Histoire de l’éducation 123, 2009, p. 45-70; Blontrock, ‘De kantnormaalschool in Brugge’, p. 13-23.
werd vermeld door Martine Bruggeman en oppervlakkig werd bestudeerd door kantmonitrice Christiane Creus.15 De kantschool van de zusters paulinen was één van de vier katholieke instellingen in het West-Vlaamse stadje, waar jonge meisjes leerden kantklossen. Poperinge was een actief productiecentrum van het luxetextiel, maar stond net als andere regio’s in de schaduw van Brugge, dat een voortrekkersrol speelde. De keuze voor een katholieke kantschool in een kleinere stad is representatief voor veel andere instellingen in Vlaanderen. Daarnaast komt haar bestaansperiode tussen 1913 en 1961 overeen met de definitieve neergang van de nationale kantindustrie. Bovendien laten de vele nieuw ontdekte archie ronnen en een bewaard kantstuk een diepgaande analyse van de onderwijsinstelling van de paulinen toe. De archie ronnen bestaan uit geschiedenissen, verslagen, brieven, krantenartikels, klasfoto’s en foto’s van kantstukken. Die zijn in het Bisschoppelijk archief in Brugge en in het KADOC in Leuven opgeslagen.16 Een kantstuk wordt bewaard in de OnzeLieve-Vrouwekerk in Poperinge. Een kritische analyse van deze combinatie van archivalische, visuele en materiële bronnen vormt de basis voor de opgebouwde argumentatie.
De resultaten van de analyse zijn chronologisch opgedeeld in vier delen: eerst worden de oprichting van het klooster en de kantschool van de paulinen in de vooroorlogse periode besproken, daarna de impact van de Eerste Wereldoorlog op de school, vervolgens de heropening van de instelling tijdens het interbellum en het effect van de Tweede Wereldoorlog en tot slot de werkingsjaren tot de sluiting van de kantschool in 1961. Er is aandacht voor de onderwijzeressen en de leerlingen, hun kantstukken, de organisatie van de school, de infrastructuur en het lesmateriaal. Die veelzijdige aanpak leidt tot nieuwe inzichten die relevant zijn voor volkskunde, sociale geschiedenis, genderstudies en de geschiedenis van het onderwijs. Die nieuwe inzichten onthullen hoe er werd geprobeerd om nationale tradities voor nieuwe generaties te bewaren, hoe het beroepsonderwijs voor meisjes tijdens de eerste hel van de 20e eeuw werd georganiseerd en welke toekomstperspectieven juist werden geacht voor meisjes uit de lagere klassen in kleinere steden en de omliggende dorpen.
De oprichting van het klooster en de kantschool (1805-1913)
In 1805 werd een nieuw klooster in de Poperingse Boeschepestraat gesticht. De zusters die er hun intrek namen, leefden volgens de leer van de heilige Vincentius a Paulo en raakten lokaal al snel bekend als de paulinen.17 Net als
15 Creus, Kant Poperinge (eindwerk, Kantcentrum Brugge, 1984); Bruggeman, Kant in Vlaanderen, p. 89.
16 Brugge, Bisschoppelijk Archief, Archief van de zusters Paulinen in Poperinge, Y162/7; Leuven, KADOC, Archieven Zusters van Onze-Lieve-Vrouw ten Bunderen (1800-2015): Poperinge: Vrije leerwerkplaats voor kantwerksters (Boeschepestraat, 38). Bij de volgende verwijzingen naar deze archieven zal er respectievelijk worden verwezen naar Brugge, BA, Archief Paulinen en Leuven, KADOC, Poperinge: leerwerkplaats kantwerksters.
17 Brugge, BA, Archief Paulinen: 1, Beknopte Geschiedenis van het klooster der zusters Paulinen, Boeschepestraat, 40 Poperinge (z.d.), p. 1.
andere kloosters die deel uitmaakten van de apostolische congregatie Dochters van Liefde van Vincentius a Paulo, ze en de paulinen van Poperinge zich in voor het onderwijs van arme kinderen.18 De zusters openden een lagere school, een bewaarschool (kleuterschool) en een zondagschool, waar niet-schoolgaande meisjes een uur les konden volgen. Ook rich en ze een kantschool op, waar religieuze lessen en kantwerken primeerden.19
De kantschool uit de vroege periode bleef niet bestaan, maar werd in 1913 door de paulinen heropend.20 Hiervoor waren verschillende redenen: allereerst gold Poperinge als het meest actieve kantproductiecentrum in de regio rond Ieper in de 19e eeuw.21 Kantwerksters bleven er bedrijvig, hoewel hun aantal in het begin van de 20e eeuw afnam.22 Daarnaast werd kantwerken als een remedie gezien om armoede onder vrouwen van de lagere klasse te bestrijden, wat het hoge aantal kantwerksters in een behoe ige landbouwomgeving als Poperinge verklaart.23 Desondanks was de kennis van het ambacht sterk omlaaggegaan. Hierdoor verminderde de kantproductie, daalde de kwaliteit en ontvingen de kantwerksters nog maar weinig geld voor hun stukken.24
Door het openen van een kantschool streefden de paulinen ernaar om de leefomstandigheden van de arme bevolking in en rondom Poperinge te verbeteren.25 Hun onderwijs zou de kennis en kunde van de kantwerksters verhogen, waardoor de productie en kwaliteit van hun stukken zouden stijgen en bijgevolg ook hun lonen. Daarnaast kwamen de zusters tegemoet aan de vraag van de ouders die wilden dat hun dochters een opleiding volgden, maar zelf niet de middelen hadden om dit te betalen.26 Een kantschool vormde
18 Dinan, Women and Poor Relief in Seventeenth-Century France: The Early History of the Daughters of Charity Farnham, 2006, p. 82-87; Brejon de Lavergnée, Histoire des Filles de la Charité XVIIe-XVIIIe siècle: La rue pour cloître. Parijs, 2011, p. 493-498; Brejon de Lavergnée, Le temps des corne es: histoire des filles de la Charité XIXe-XXe siècle. Parijs, 2018, p. 153; Peake, The Power of Religious Societies in Shaping Early Modern Society and Identities. Amsterdam, 2020, p. 39-40, 169-208.
19 Brugge, BA, Archief Paulinen: 1, Beknopte Geschiedenis van het klooster der zusters Paulinen, Boeschepestraat, 40 Poperinge (z.d.), p. 2-5.
20 Brugge, BA, Archief Paulinen: 1, Beknopte Geschiedenis van het klooster der zusters Paulinen, Boeschepestraat, 40 Poperinge (z.d.), p. 3-9.
23 Verhaegen, La dentelle belge, p. 37-40; Bruggeman, Kant in Vlaanderen, p. 69-70; Hopkin, ‘Working, Singing, and Telling in the 19th-Century Flemish Pillow-Lace Industry’, Textile 18:1, 2020, p. 55; Coppens, ‘The Lace Industry in France and Belgium during the First World War’, in: M. Bass-Krueger, H. Edwards-Dujardin & S. Kurkdjian (reds.), Fashion, Society, and the First World War: International Perspectives. Londen, 2021, p. 123.
26 Leuven, KADOC, Poperinge: leerwerkplaats kantwerksters: 486, register van briefwisseling van de gesubsidieerde vakschool van de zusters Paulinen: transcriptie brief van Idalie Hanssens aan de minister van Nijverheid en Arbeid en aan de gouverneur van de provincie West-Vlaanderen (15/09/1913).
hiervoor een geschikte oplossing, want doorgaans verkocht de school de afgewerkte kantstukken van de leerlingen. De leerlingen kregen (een deel van) het geld, waardoor ze al tijdens hun opleiding voor een extra inkomen zorgden. Daarbovenop was de inschrijving kosteloos, in tegenstelling tot de privé-kantscholen in Poperinge.27 Het idee sloeg aan: de kantschool opende op 1 april 1913. Enkele maanden later, in september, waren er al dertig leerlingen ingeschreven.28
De paulinen openden niet enkel een kantschool, maar ze en zich daarnaast in voor de professionalisering van het kantonderwijs. Die professionalisering voerden ze ook door in hun bewaar- en lagere school.29 Hiermee volgden ze een algemene trend die al sinds het einde van de 19e eeuw binnen de congregatie van de Dochters van Liefde was begonnen.30 Zo mochten enkel gediplomeerde leraressen voor de klas staan. Dit was ook het geval in de kantschool, waar zuster Marie-Imelda (Idalie Hanssens, 1880-1951) aan de slag ging. Zij behaalde in 1913 als een van de eersten haar diploma aan de nieuw opgerichte kantnormaalschool van Brugge.31
De kantnormaalschool in Brugge was in 1911 opgericht met als doel het opleiden van kantleraressen en het ontwikkelen van nieuwe lesmethoden. Tijdens hun opleiding hield elk van de aspirant-leraressen een notitieboek met de geleerde kan echnieken bij, waarop ze de rest van haar loopbaan kon terugvallen. Tegelijk streefde de school ernaar om zo efficiënt mogelijke lesmethoden te ontwikkelen. Zo werkte de Brugse kantnormaalschool een kleurencode uit die het lezen van technische kan ekeningen vergemakkelijkte. In deze kleurencode kreeg iedere basishandeling een aparte kleur. Door die te plaatsen in een werkdiagram dat de volgorde van de handelingen weergaf, ontstond er een eenvoudig te volgen model dat zelfs de meest complexe patronen leesbaar maakte. Die revolutionaire kleurencode en het werkdiagram werden tegen 1919-1920 op punt gesteld en worden tot vandaag gebruikt. Daarnaast introduceerde de kantnormaalschool didactisch materiaal zoals grote kantkussens en klossen, waardoor de techniek makkelijk aan een grote groep kon worden getoond. Door deze vernieuwingen brak de kantnormaalschool met het aloude principe van ‘toon, kijk en imiteer’ dat
27 Leuven, KADOC, Poperinge: leerwerkplaats kantwerksters: 486, register van briefwisseling: transcriptie brief van Idalie Hanssens aan de minister van Nijverheid en Arbeid en aan de gouverneur van de provincie West-Vlaanderen (15/09/1913) en grondverordening (1913); Creus, Kant Poperinge, p. 10-19.
28 Leuven, KADOC, Poperinge: leerwerkplaats kantwerksters: 486, register van briefwisseling van de gesubsidieerde vakschool van de zusters Paulinen: transcriptie brief van Idalie Hanssens aan de minister van Nijverheid en Arbeid en aan de gouverneur van de provincie West-Vlaanderen (15/09/1913); 488, jaarlijkse verslagen met cijfers over de schoolbevolking: statistische inlichtingen (1912-1932).
29 Brugge, BA, Archief Paulinen: 1, Beknopte Geschiedenis van het klooster der zusters Paulinen, Boeschepestraat, 40 Poperinge (z.d.), p. 7-8.
30 Brejon de Lavergnée, Le temps des corne es, p. 237-244.
onopgeleide leraressen in privékantscholen, kantateliers, kloosters, parochies of weeshuizen hanteerden.32
Van de eerste dertien afgestudeerden aan de Brugse kantnormaalschool waren er zeven a omstig uit Poperinge. Na hun terugkeer gingen ze lesgeven in de kantscholen van de benedictinessen, de penitenten of die van de paulinen van de binnenstad en die van ’t Vogeltje, een locatie gelegen buiten de stad. Zo introduceerden elk van deze vrouwen het moderne Brugse kantonderwijs in Poperinge en bevestigden ze nogmaals de invloed van Brugge op de regio.33
Naast de professionalisering van het kantonderwijs groeide de aandacht voor het welzijn van het kind. Zo was het aantal leerlingen per klas in de kantschool van de paulinen beperkt tot vij ien. Zij kregen bovendien les in “ruime, gezonde en wel verluchte lokalen.”34 Dit was een grote verbetering ten opzichte van de 19e eeuw, toen meisjes nog in overvolle, donkere en slecht verluchte ruimtes zaten.35
Vooraleer de meisjes zich konden inschrijven in de kantschool, moesten ze minstens negen jaar zijn en kunnen lezen, schrijven en rekenen. Na de Eerste Wereldoorlog trok de overheid de minimumlee ijd om te starten in een vakschool, zoals een kantschool, op naar veertien.36 Toch konden meisjes voor die lee ijd al een beperkt aantal uren kantwerken opnemen. De opleiding tot kantwerkster in de kantschool van de zusters paulinen nam vier jaar in beslag en kon worden gevolgd in de dag- of avondafdeling. De leerlingen uit de dagafdeling kregen eenenvij ig uur per week les, de leerlingen van de avondafdeling twintig uur. Het lesrooster laat zien dat de meisjes van maandag tot zaterdag vier à zes uur per dag besteedden aan kantwerk.37 Eerst leerden ze de beginselen van kantwerken, waarna ze zich de technieken van strop-, Cluny- en Valenciennekant eigen maakten. Later werd Valenciennekant vervangen door bloemwerk, een variant van Brugse duchessekant.38 Tijdens de eerste maanden ontvingen de leerlingen geen loon voor hun werk, omdat de kwaliteit van de stukken nog te laag was voor verkoop. Eenmaal dat wel kon,
32 Kellogg, Bobbins of Belgium, p. 157-166; Sorber & de Booser, Zachte lessen, p. 10; Bruggeman, Brugge en kant, p. 247-251; Bruggeman, Kant in Vlaanderen, p. 83-87; Blontrock, ‘De kantnormaalschool in Brugge’, p. 13-23; Pollet, ‘De Brugse kleurencode: blijvend erfgoed van de Kantnormaalschool’, in: J. D’Hondt & N. Geirnaert, Kant in Brugge, 1911. Een technische & sociale omwenteling. Brugge, 2011, p. 35-41.
33 Creus, Kant Poperinge, p. 25-27, 79-155.
34 Leuven, KADOC, Poperinge: leerwerkplaats kantwerksters: 486, register van briefwisseling: transcriptie brief van Idalie Hanssens aan de minister van Nijverheid en Arbeid en aan de gouverneur van de provincie West-Vlaanderen (15/09/1913) en grondverordening (1913).
35 Verhaegen, La dentelle belge, p. 193-194; Sorber & de Booser, Zachte lessen, p. 9-10.
36 Leuven, KADOC, Poperinge: leerwerkplaats kantwerksters: 486, register van briefwisseling: grondverordening (1913); Coppens, Une industrie du raffinement. La dentelle aux XIXe et XXe siècles Brussel, 2004, p. 33.
noteerden de meisjes de gegevens en de prijs van hun verkochte stukken in een persoonlijk notitieboekje.39
Bovenop de professionalisering van het kantonderwijs en de groeiende aandacht voor het welzijn van het kind, werd er sterk ingezet op artistieke vernieuwingen. Aantrekkelijke en goed verkopende patronen kunnen ontwerpen was een manier om de noodlijdende kantindustrie te redden.40 Tegelijk hadden kantwerksters die hun eigen kantpatronen konden ontwerpen een hogere technische kennis, konden ze mooiere patronen uitwerken en dus een hoger loon vragen. Daarom namen de paulinen tekenlessen op in hun lesprogramma.41
Twee klasfoto’s uit 1913 visualiseren de professionalisering van het kantonderwijs en de groeiende aandacht voor het welzijn van het kind.42 De klasfoto’s hebben een gelijkaardige opstelling: in een klaslokaal wordt een groep meisjes geflankeerd door twee zusters, terwijl ze hun kantwerk tonen (A . 1 & 2). Het meisje dat in het midden op de voorste rij zit, houdt een krijtbord vast waarop ‘Paulinen Poperinge Kantschool 1913’ staat. Naast
40 De Greef, L’ouvrière dentellière en Belgique, p. 100-101; Verhaegen, La dentelle belge, p. 119-122, 288; Kellogg, Bobbins of Belgium, p. 165; Van Overloop, La dentelle de Belgique. Brussel, 1909, p. 11-13.
42 Sinds de ‘pictorial turn’ is het gebruik van visuele bronnen, waaronder klasfoto’s, meer geaccepteerd geraakt in de geschiedenis van het onderwijs. Allender, Dussel, Grosvenor e.a., reds., Appearances Ma er. The Visual in Educational History. Berlijn/ Boston, 2021, p. 1-5, 259-278; Van Ruyskensvelde, Thyssen, Herman e.a., reds., Folds of Past, Present and Future. Reconfiguring Contemporary Histories of Education. Berlijn/Boston, 2021, p. 1-3, 383-404.
haar zi en klasgenootjes die albums met stroken kant openhouden. Aan weerszijden van deze meisjes zi en twee leerlingen achter een staander, een speciaal gemaakt meubel dat in hoogte verstelbaar is en een lade bevat.43 Bovenop deze staander hebben de meisjes hun kantkussen gelegd, met het patroon, klossen en draad. Het afgewerkte deel van het kantwerk dat normaal zorgvuldig wordt opgeborgen om het zo schoon mogelijk te houden, wordt voor de foto in haar volle glorie getoond. De leerling uiterst links zit aan een tafel met spinnewiel en kloswinder de klossen van draad te voorzien. De eerste foto telt vierentwintig leerlingen en de tweede twintig, wat zou betekenen dat er meer dan de toegelaten vij ien leerlingen in een klaslokaal zaten. Toch hielden de paulinen zich aan het toegestane maximum, want zoals ze op de achterzijde van de foto schreven, voegden ze twee klassen samen voor de opname. Daarnaast tonen beide foto’s linksachter een technische tekening op een ezel, rechts een groot kantkussen met bijbehorende grote klossen op een staander en aan de muur hangen zes grote didactische tekeningen.44 Dit toont aan dat de moderne lesmethodes inclusief het didactisch materiaal hun weg hadden gevonden naar het klaslokaal. Zuster Marie-Imelda die rechts op de eerste foto staat, had deze leren gebruiken in de kantnormaalschool in Brugge en vervolgens geïntroduceerd in de kantschool van de paulinen in Poperinge.
43 Dit meubel hee verschillende namen in het Nederlands: beentje, kantklosblok, kantwerkstersbankje, knaap(je), leen, leun, leunder, linder, speldenwerkstersbankje, spellenwerkstersbankje, staanpeleer, staanpilaar, staans, staantje, stand, standaard en voetje. Coene, Kantlexicon, dl 1 Terminologie, 12de uitg. eigen beheer, 2018, p. 255.
44 Brugge, BA Archief Paulinen: twee klasfoto’s van de kantschool van de zusters Paulinen in Poperinge (1913); Creus, Kant Poperinge, p. 41.
De professionalisering van het kantonderwijs en de aandacht voor het welzijn van het kind stonden niet in alle Vlaamse kantscholen hoog op de agenda. Overvolle klassen bleven voorkomen en didactische leermiddelen waren niet altijd aanwezig. Een foto uit 1910 van de kantschool De Foere in Brugge toont geen groot instructiekantkussen of didactische tekeningen.45 Ook een foto van een klaslokaal in de Modelkantschool in Turnhout voor 1914 laat niets van dit lesmateriaal zien.46 Toch hingen er volgens de Amerikaanse schrijfster Charlo e Kellogg in die laatste school in 1920 wel kantpatronen en stalen van kantstukken in één van de lokalen, maar vermeldde ze geen grote kantkussens.47
De Eerste Wereldoorlog (1914-1918)
Een jaar na de opening van de kantschool van de paulinen brak de Eerste Wereldoorlog uit, wat een grote impact had op de werking van de school. Nochtans had de instelling een vliegende start genomen: in het schooljaar 1913-1914 verdubbelde het aantal leerlingen van de kantschool van dertig naar zestig.48 Het succes werd echter een halt toegeroepen toen het grootste gedeelte van het schoolgebouw vanaf midden oktober 1914 werd gebruikt om Engelse en Franse soldaten in te kwartieren en om Belgische vluchtelingen op te vangen.49 Toch betekende dit niet dat de kantschool definitief sloot. De zusters rich en een lokaal in voor drie meisjes die nog een bestelling moesten afwerken. Hun werk werd opgemerkt door enkele vrouwen van de Engelse ambulancedienst die ter plekke kantwerk bestelden. Om aan de vraag te voldoen breidde het kleine groepje uit met nog drie andere leerlingen. Meer bestellingen volgden, een groter lokaal werd ingenomen en de zogenaamde oorlogskantschool draaide op volle toeren. Van december 1914 tot midden april 1915 zou zuster en kantlerares Marie-Imelda 1970 Belgische frank winst aan de leerlingen hebben betaald.50 Gezien een brood toen 0,3 à 0,4 Belgische frank kos e, ging het om een aanzienlijk bedrag.51 Het bestaan van de oorlogskantschool had voor de paulinen naast financiële ook “zedelijke” voordelen: de meisjes konden katholieke lessen blijven krijgen en bleven van straat – “waar er nooit, maar nog veel minder in oorlogstijden, goeds te leeren valt.”52
51 Schoups, Woekeraars, uithongeraars, accapareurs, sjacheraars, opkopers, uitzuigers en zeepbaronnen. Prijscontestatie in België na de Eerste Wereldoorlog, 1918-1924 (master paper), p. 134; Scholliers, Brood: Een geschiedenis van bakkers en hun brood. Antwerpen, 2021, p. 56.
De paulinen verkochten na verloop van tijd ook het kantwerk van de moeders en van de oudere zussen van hun leerlingen die thuis kantwerkten. Ze deden dit op vraag van deze vrouwen. Normaal gezien verkochten die vrouwen hun afgewerkte kantstukken aan hun vaste kantkoopvrouw, maar tijdens die eerste oorlogsmaanden kregen ze nog maar de hel van het normale bedrag, terwijl de kantkoopsters de stukken aan veel hogere prijzen verkochten. Daartegenover zouden de zusters de thuiswerkende kantwerksters een betere prijs dan hun reguliere kantkoopvrouw hebben geboden. Zo bleven de oorlogskantschool met een tiental leerlingen en de verkoop van kant doorgaan tot 24 april 1915. Toen star en de beschietingen op Poperinge en moest de kantschool onherroepelijk sluiten.53
De paulinen vluch en naar Noord-Frankrijk, waar ze vanaf eind april 1915 tot mei 1919 bleven.54 Daar bestuurden ze achtereenvolgens twee scholen. De eerste school bevond zich in Orbec-en-Auge en opende op 8 november 1915. Minder dan een jaar later droegen ze de school over aan een andere kloostergemeenschap en star en de paulinen een schoolkolonie in het ‘Maison Blanche’ in Campeaux.55 De paulinen ze en zich sterk in voor hun scholen, want zij maakten zich grote zorgen om de katholieke opvoeding van de jonge vluchtelingen.56
Beide scholen werden door het Belgische ministerie erkend.57 Het ministerie steunde in het algemeen de oprichting van Belgische scholen voor vluchtelingen in Groot-Bri annië, Frankrijk en Nederland. Op die manier had het controle over de leerstof die de leerlingen kregen aangereikt. Dat was niet het geval voor de gevluchte kinderen die naar lokale scholen gingen en die onder leiding van het opvangland stonden. Het ministerie en de Belgische overheid vreesden dan niet alleen het gebrek aan controle over de lesinhoud, maar ook dat de Belgische kinderen de eigen taal zouden verleren of hun band met het vaderland zouden verliezen.58 De zusters volgden voor het lesprogramma in Campeaux de Belgische organieke wet voor het onderwijs. Naast algemene vakken als rekenen, taal, godsdienst en aardrijkskunde kregen de meisjes les in hygiëne en huishoudkunde. Verder was er aandacht voor de Belgische staat, wat het ministerie sterk stimuleerde. Dat vertaalde zich in het leren zingen van
53 Brugge, BA, Archief Paulinen: 2, oorlogsdagboek (1914-1916), fol. 6v-8v; Leuven, KADOC, Poperinge: leerwerkplaats kantwerksters: 486 register van briefwisseling: transcriptie brief van zuster Marie-Imelda aan de minister van Arbeid en Nijverheid (28/06/1915).
54 Brugge, BA, Archief Paulinen: 2, oorlogsdagboek (1914-1916); Archief Paulinen: 4, Livre d’Honneur de la Colonie scolaire Belge de Campeaux (1916-1919).
55 Brugge, BA, Archief Paulinen: 1, Beknopte Geschiedenis van het klooster der zusters Paulinen, Boeschepestraat, 40 Poperinge (z.d.), p. 9-10; 2, oorlogsdagboek (1914-1916), fol. 21v-22r.
56 Brugge, BA, Archief Paulinen: 2, oorlogsdagboek (1914-1916), fol. 20r-21r; 4, Livre d’honneur de la colonie scolaire Belge de Campeaux (1916-1919).
57 Brugge, BA, Archief Paulinen: 1, Beknopte geschiedenis van het klooster der zusters Paulinen, Boeschepestraat, 40 Poperinge (z.d.), p. 9-10; 2, oorlogsdagboek (1914-1916), fol. 19r-22r; 3-1, Correspondentie Colonie Campeaux (1916); 4, Livre d’Honneur de la Colonie scolaire Belge de Campeaux (1916-1919), fol. 3r-3v.
58 Amara, Des Belges à l’épreuve de l’exil : Les réfugiés de la Première Guerre Mondiale : France, Grande-Bretagne, Pays-Bas, 1914-1918. Brussel, 2008, p. 231-232 ; Kuyle, ‘Kantonderwijs in oorlogstijd’, in: R. Barby e.a. (red.), Naar school, zelfs in oorlogstijd? Belgische kinderen lopen school, 1914-1919. Ieper, 2015, p. 75-85.
de Brabançonne en in het leren van de “vaderlandse geschiedenis”, wat als een apart vak werd opgevat.59
In Orbec en Campeaux was er geen kantschool zoals in Poperinge, maar de paulinen onderwezen wel degelijk kantwerken.60 In Campeaux kregen een twintigtal meisjes die ouder dan veertien waren twee uur per dag algemene lessen. De rest van de dag besteedden ze aan handwerk, dat onder andere spellewerk o ewel kantwerk omva e.61 Daarnaast maakten de zusters zelf kantstukken.62 Zo kreeg zuster Marie-Imelda regelmatig bestellingen van geïnteresseerde kopers uit de omgeving of schonk ze stukken aan de weldoeners van de schoolkolonie.63
Een postkaart lijkt visueel te ondersteunen dat er in de schoolkolonie van Campeaux kantwerk werd gemaakt (A . 3). Op de achterzijde zijn de
59 Brugge, BA, Archief Paulinen: 3-2, Schoolprogramma Colonie Campeaux (1916-1917); 4, Livre d’honneur de la colonie scolaire Belge de Campeaux (1916-1919), fol. 3v; Amara, Des Belges à l’épreuve, p. 231-232.
60 Volgens Creus zou er in Campeaux wel een kantschool geweest zijn. Ze verwijst hiervoor echter foutief naar een brief van het ministerie die nog gaat over de subsidies van de kantschool in Poperinge voor de jaren 1913-1914 en 1914-1915. Leuven, KADOC, Poperinge: leerwerkplaats kantwerksters: 486 register van briefwisseling: bief van de minister van Arbeid en Nijverheid als antwoord aan zuster Marie-Imelda (07/07/1915); Creus, Kant Poperinge, p. 45, 47-49.
61 Brugge, BA, Archief Paulinen: 3-2, Schoolprogramma Colonie Campeaux (1916-1917); Leuven, KADOC, Poperinge: leerwerkplaats kantwerksters: 486, register van briefwisseling: transcriptie brief van Marie Hallaert aan het ministerie (26/10/1919).
63 Brugge, BA, Archief Paulinen: brieven van zuster Françoise en Eléonore uit Campeaux aan de zusters Paulinen (17/9 en 29/11/1919); 4, Livre d’Honneur de la Colonie scolaire Belge de Campeaux (19161919), fol. 4v, 13v.
woorden “Ieper. Hallen in kantwerk! Colonie! (Barentin) 1916-1919. Campeaux” geschreven. Die suggereren dat de foto uit de oorlogsperiode dateert. De voorzijde laat vijf jonge vrouwen met hun kantstukken zien. De meeste stukken tonen florale motieven, behalve het stuk dat zorgvuldig over de zetelleuning is gelegd en de Lakenhalle van Ieper a eeldt. Die Lakenhalle werd tijdens de oorlog compleet vernield.64 Het kantstuk is een treffend voorbeeld van oorlogskant of war lace, een specifiek type kant dat tijdens en kort na de Eerste Wereldoorlog door Belgische kantwerksters werd gemaakt. De meest herkenbare stukken verwijzen direct naar het conflict. Ze beva en scènes van het slagveld, namen van personen en plaatsen, inscripties, jaartallen, portre en, nationale wapens van de geallieerde strijdkrachten, van de negen Belgische provincies of van de Belgische martelaarssteden.65 Belangrijke gebouwen, zoals de Lakenhalle van Ieper, maakten ook deel uit van deze beeldtaal. Een ander voorbeeld van het Ieperse monument is een kanten kussensloop, waarvan een a eelding werd opgenomen in Charlo e Kelloggs Bobbins of Belgium. 66 Als de foto werkelijk in Campeaux was genomen, dan waren de paulinen goed op de hoogte van de nieuwste iconografische ontwikkelingen.
Het interbellum en de Tweede Wereldoorlog (1919-1945)
In mei 1919, bijna een hal aar na het einde van de Eerste Wereldoorlog, sloot de schoolkolonie in Campeaux en keerden de paulinen terug naar Poperinge. Na herstellingen aan het zwaar beschadigde klooster, openden de kleuter- en lagere school opnieuw op 1 oktober, bij de start van het nieuwe schooljaar. De kantschool heropende al in juli met 38 leerlingen en in oktober steeg het leerlingenaantal naar 62. Tegen het einde van het schooljaar kwamen daar nog drie meisjes bij.67 Daarna fluctueerde het aantal tussen vij ig en zestig leerlingen, wat overeenkwam met het vooroorlogse peil.68
Het leerlingenaantal bleef tijdens het interbellum voldoende hoog, maar vanaf het begin van de jaren 1930 daalde het aantal bestellingen.69 Niet alleen de paulinen kampten met dit probleem, maar de hele kantsector. De verminderde verkoop van handgemaakt kant was al een vooroorlogs probleem. Hoewel er tijdens de Eerste Wereldoorlog door de oorlogskant een grotere aandacht voor de Belgische kantindustrie en haar werksters was, had zich dat niet vertaald
64 Brugge, BA, Archief Paulinen: postkaart vijf kantwerksters met kantwerk; Creus, Kant Poperinge, p. 47-48.
65 Bruggeman, Kant in Vlaanderen, 90-92; Coppens, The Lace Industry, p. 127.
66 Kellogg, Bobbins of Belgium, p. 208.
67 Brugge, BA, Archief Paulinen: 1, Beknopte Geschiedenis van het klooster der zusters Paulinen, Boeschepestraat, 40 Poperinge (z.d.), 10-11; 5’, Lijst van enige werken die verricht werden in klooster en School sedert de oorlog 1914-1918, (z.d.), fol. 1r; Leuven, KADOC, Poperinge: leerwerkplaats kantwerksters: 488, jaarlijkse verslagen: statistische inlichtingen (1912-1932).
in hogere verkoopcijfers.70 Desondanks piekte het aantal kantwerksters na de oorlog. In 1922 zouden er meer dan 80.000 kantwerksters zijn geweest.71 De verkoop van kant bleef daarentegen steeds verder afnemen.72
Naast een verminderd aantal bestellingen kampten de paulinen nog met een ander probleem. De kantschool bleef genoeg leerlingen aantrekken, net als hun bewaar- en lagere school, maar er groeide een tekort aan vrouwen die wilden intreden en die een onderwijzeresdiploma hadden behaald of wilden behalen. Daarom fuseerden de paulinen in Poperinge op 12 augustus 1928 met de Congregatie van Onze-Lieve-Vrouw-ten-Bunderen in Moorslede.73 De school van de paulinen en de Brabantschool van de congregatie van Moorslede die ook in Poperinge lag, werden samengevoegd. De zusters die lesgaven in de Brabantschool, trokken in bij de paulinen in de Boeschepestraat. Daarnaast werden er vanuit Moorslede extra zusters gestuurd om les te geven.74 Dit was nodig, want de gefuseerde scholen telden samen zeven klassen voor de lagere school en drie kleuterklassen. Ook de kantschool was opengebleven en hee e vanaf 1939 ‘Vrije leerwerkplaats voor kantwerksters der Zusters OnzeLieve-Vrouw ten Bunderen’.75 De instelling was al negen jaar eerder één van de vij ien laatste kantscholen in België. Andere overgebleven instellingen waren de drie andere kantscholen van Poperinge en die van Brugge en SintTruiden. In totaal leidden die vij ien afdelingen 918 leerlingen op, wat een sterke terugloop was in vergelijking met drie decennia eerder.76 In 1900 waren er nog 160 kantscholen die een veelvoud van leerlingen hadden opgeleid.77 Net zoals bij de oprichting in 1913 konden leerlingen tijdens het interbellum kiezen om kantonderwijs te volgen in de dag- of avondafdeling van de kantschool. Ongeacht de gekozen afdeling bleef de nadruk liggen op de kantproductie.78 Toch was de situatie sinds de 19e eeuw verbeterd.79 Er werd minder tijd besteed aan kantwerken en er was meer aandacht voor algemene vorming. Wat niet was veranderd, waren de tekenlessen in het lesaanbod. Ook
70 Hoover, An American Epic, dl 1. Chicago, 1959, p. 410-411; Coppens, Kant uit België, p. 119-122; Levey, Lace. A History, p. 117; Coppens, Kant uit het Koningshuis, p. 119-122; Wardle, ‘War and Peace. Lace designs by the Belgian sculptor Isidore de Rudder (1855-1943)’, Bulletin van het Rijksmuseum 37:2, 1989, p. 87-88; Bruggeman, Kant uit Vlaanderen, p. 90, 97; Coppens, ‘The Lace Industry’, p. 126-129.
71 Avrane, Ouvrières à domicile. Le combat pour un salaire minimum sous la Troisième République. Rennes, 2013, p. 153.
72 Coppens, Kant uit België, p. 119-122; Levey, Lace. A History, p. 117; Coppens, Kant uit het Koningshuis, p. 119-122; Bruggeman, Kant in Vlaanderen, p. 97-99.
73 Brugge, BA, Archief Paulinen: Aansluiting bij de kloostergemeente O.L. Vrouw ten Bunderen, te Moorslede (1928); Suenens & T. Laurent, ‘Congregatie van de Zusters van Onze-Lieve-Vrouw ten Bunderen, Moorslede (1269-heden)’: www.odis.be/lnk/OR_13577 (bezocht op 13-4-2021).
74 Brugge, BA, Archief Paulinen: 1, Beknopte Geschiedenis van het klooster der zusters Paulinen, Boeschepestraat, 40 Poperinge (z.d.), p. 12-14; 7, Geschiedenis der Brabantschool (z.d.).
75 Leuven, KADOC, Poperinge: leerwerkplaats kantwerksters: 476, verslagboek van het Inrichtend Comité van de kantwerkschool (1933-1961), p. 9.
76 Coppens, Une industrie du raffinement, p. 34, 76.
77 Verhaegen, La dentelle belge, p. 189; Hopkin, Working, Singing, and Telling, p. 57.
78 Leuven, KADOC, Poperinge: leerwerkplaats kantwerksters: 486, register van briefwisseling: briefwisseling en jaarverslagen tussen 1919 en 1945.
79 Verhaegen, La dentelle belge, p. 193; Kellogg, Bobbins from Belgium, p. 45-46.
de uitkering van een geldbedrag voor de verkochte kantstukken die door de leerlingen waren vervaardigd, was gebleven.
Het aantal uren dat de leerlingen kantwerkten en de hoogte van hun loon waren a ankelijk van hun lee ijd. 80 Tot hun veertiende moesten de meisjes van overheidswege algemene lessen krijgen.81 Daarom waren de uren die voor kantwerken werden vrijgehouden beperkt tot vij ien uur over een lesweek van zes dagen. In 1919 ontvingen de leerlingen voor hun afgewerkte kantstukken maximaal 2 tot 3 Belgische frank per week. Vanaf veertien jaar schoot het aantal werkuren omhoog naar vierenvij ig, wat haast een verviervoudiging was. Het hoger aantal uren en de grotere kwaliteit van de stukken zorgde ervoor dat het loon sterk steeg. Zo verdienden de meisjes die tussen veertien en zestien jaar oud waren 15 tot 18 Belgische frank. De leerlingen ouder dan zestien ontvingen een bedrag tussen 18 en 24 Belgische frank. Bijna tien jaar later, in 1927, waren de bedragen verdubbeld. De meisjes jonger dan veertien kregen 3 tot 8 Belgische frank voor 18 uur kantwerken per week. De leerlingen tussen veertien en eenentwintig ontvingen 30 tot 42 Belgische frank voor een 51uren werkweek. Het verdiende bedrag werd samen met de informatie over de kantsoort en de werkuren in een werkboekje genoteerd. Naast dit werkboekje hielden de leerlingen een album bij, waarin ze strookjes kant bewaarden van alle geleerde kantsoorten.82
80 Leuven, KADOC, Poperinge: leerwerkplaats kantwerksters: 486, register van briefwisseling: briefwisseling en jaarverslagen tussen 1919 en 1945.
81 Coppens, Une industrie du raffinement, p. 33.
82 Leuven, KADOC, Poperinge: leerwerkplaats kantwerksters: 486, register van briefwisseling van de gesubsidieerde vakschool van de zusters Paulinen: brieven met informatie over de kantschool, gericht aan het ministerie (26/10/1919, 25/05/1920, 29/10/1920, 24/10/1921 en 12/4/1927); Creus, Kant Poperinge, p. 51-57.
Een klasfoto uit 1930 toont aan dat de kantschool nog steeds voortbouwde op de principes die bij de oprichting in 1913 waren ingevoerd (A . 4). Wel is het een mooi voorbeeld om te zien tot wat de oudere leerlingen in staat waren. De klas telt dertien adolescente meisjes die over twee rijen zijn verdeeld. Op de eerste rij zi en vijf leerlingen achter hun staander, terwijl een zesde hee plaatsgenomen achter de tafel met spinnewiel en kloswinder. Op de tweede rij staan zeven tienermeisjes met zuster Marie-Imelda in het midden. Het lokaal lijkt op dat van de klasfoto’s uit 1913 (A . 1 & 2). Toch zijn er enkele veranderingen: de grote didactische tekening en het grote kantkussen met dito klossen zijn vervangen door textielwerk dat met kantwerk is afgezoomd. Deze oudere leerlingen hadden geen nood meer aan de beginselen, maar toonden hun beste werk. Het belang van kant wordt onderstreept door de ingelijste kantwerken op de muur, het “eere-diploma” rechts naast de deur en de spreuken “kantwerk is een kunst en kunst [?]”; “kantwerk is de vrouwelijke arbeid [?] uitmuntendheid” en “Wees de Koning uwer woning”.83
Een jaar na de klasfoto vervoegde zuster Marie-Thérèse (Urbanie Decreus, 1899-1981) als kantlerares de kantschool.84 Ondanks haar komst, bleef de rol van zuster Marie-Imelda bepalend: zij combineerde de functies van kantlerares, directrice van de kantschool en kantontwerpster. Een voorbeeld is het kantontwerp dat zij tekende voor een sluier voor het Onze-Lieve-Vrouwebeeld van de Sint-Janskerk in Poperinge.
Die sluier is opgebouwd uit bloemen- en bladmotieven, verbonden met getande spijlen en bollen (A . 5). Centraal op het kantwerk is een gekroonde le er M te zien met daaronder de jaartallen 1879, 1479 en 1933. Deze staan respectievelijk voor het mirakeljaar waarin een doodgeboren kind tot leven werd gebracht om gedoopt te kunnen worden, het vierhonderdjarig jubileum van het mirakel en het jaar waarin het kantwerk werd vervaardigd door de leerlingen van de kantschool en/ of werd geschonken aan de Sint-Janskerk van Poperinge.85 De sluier is uitgevoerd in Brugs Duchessekant.86 Dit type kloskant werd onderwezen in de kantschool van de paulinen, wat opnieuw het belang van Brugge op de kantproductie in Poperinge aantoont.87 Lange tijd tooide de sluier het Mariabeeld van de plaatselijke Sint-Janskerk. Sinds enige tijd wordt het fragiele handgemaakte textiel in de sacristie bewaard en is het vervangen door een steviger machinaal geproduceerd exemplaar.
83 Brugge, BA, Archief Paulinen: klasfoto van groep oudere kantleerlingen (1930).
85 Brugge, BA, Archief Paulinen: foto sluier voor het Onze-Lieve-Vrouwebeeld in de Sint-Janskerk in Poperinge (z.d.); Agentschap Onroerend Erfgoed, ‘Parochiekerk Sint-Jan’: h ps://id.erfgoed.net/ erfgoedobjecten/31213 (bezocht op 14-4-2021); Maria Ommegang, ‘Geschiedenis – Mariaommegang: mariaommegang.be/nl/geschiedenis/ (bezocht op 14-4-2021).
86 We danken Ria Cooreman die het kan ype van de sluier voor ons identificeerde.
87 In het lesprogramma en het fabricatieboek staat ‘bloemwerk’, een variant van Brugse Duchessekant. Leuven, KADOC, Poperinge: leerwerkplaats kantwerksters: 486, register van briefwisseling: lesprogramma (1913); 487, fabricatieboek (1940-1952).
Tijdens de Tweede Wereldoorlog bleef de kantschool open, maar de werking werd geregeld onderbroken: lokalen werden gebruikt om vluchtelingen op te vangen; bombardementen veroorzaakten vernielingen en het klooster werd opgeëist door binnen- en buitenlandse legers. Daarom moesten de zusters regelmatig ergens anders onderdak zoeken. Zo brachten ze de kantschool tussen maart en juni 1943 in een burgerwoning onder. Toch bleef de kantproductie en -verkoop grotendeels doorgaan.88
De naoorlogse periode tot de sluiting van de kantschool (19461961)
Na de Tweede Wereldoorlog ging het stilaan bergaf met de kantschool. In 1947 werd de dagafdeling gesloten, omdat er nog maar drie leerlingen ingeschreven waren. De avondschool bleef wel open, want die telde nog 45 leerlingen in het schooljaar 1947-1948 en 46 in het jaar erna.89
Twee bijgehouden stamregisters geven meer informatie over het beroep van de vader en over de reden van vertrek van de ingeschreven leerlingen. Hieruit blijkt dat alle meisjes a omstig waren uit arbeiders- of landbouwersfamilies. Zij leerden het vak van kantwerkster, maar de meesten verlieten de school omdat ze waren “in dienst getreden”, “in [het] huwelijk getreden” of “huiswerk” opnamen. Enkelen werden naaister en twee studeerden verder aan
88 Brugge, BA, Archief Paulinen: 5, Vervolg van de geschiedenis van klooster en school, 1940-1956 gebeurtenissen, fol. 1r-3r; Leuven, KADOC, Poperinge: leerwerkplaats kantwerksters: 487, fabricatieboek (1940-1952).
89 Leuven, KADOC, Poperinge: leerwerkplaats kantwerksters: 476, verslagboek van het Inrichtend Comité van de kantwerkschool (1933-1961), 16-18; leerwerkplaats kantwerksters: 488, jaarlijkse verslagen (1946-47, 1947-48 en 1948-49).
de middelbare school. Niemand werd voltijds kantwerkster.90 Dit toont aan dat kantwerken niet genoeg opbracht om er een voltijdse beroepsactiviteit van te maken. Wel kon het een bijverdienste zijn om het gezinsinkomen aan te vullen.91 Zo waren de jaren op de kantschool voor deze oud-leerlingen niet onnu ig geweest.
De (beroeps)activiteiten van de oud-leerlingen tonen aan dat een kantopleiding vooral leidde naar een traditioneel bestaan als echtgenote, huisvrouw, dienstmeid of naaister. Dit waren levensbestemmingen waarin de zorg voor anderen centraal stond. Dat kwam overeen met het levensdoel dat het bisdom van Brugge in haar advies over meisjes en studie benadrukte.92 Het bisdom stond daarin niet alleen. Het debat rond de kantsector was verbonden met sociale vraagstukken die op hun beurt terug te voeren zijn op een liberaal-katholieke tegenstelling. Vaak school er achter de stimulering van het kantonderwijs een nostalgische drijfveer: via het kantonderwijs hoopten sommigen de traditionele rol van de thuisblijvende vrouw te behouden of te herstellen. Dat de vrouw via thuiswerk bijverdiende, was in bepaalde politieke kringen te verkiezen boven dat ze buitenhuis zou werken.93
In 1950 werd het verouderde schoolgebouw met steun van de stad vervangen door een nieuw gebouw, waarin ook de kantschool werd ondergebracht. In datzelfde jaar trad zuster Marie-Imelda af als directrice van de kantschool. Een jaar later overleed ze. Haar opvolgster was zuster Perpetua (Pauline Vermarcke, 1912-2000). Zij was in 1936 in het klooster van Onze-Lieve-Vrouwten-Bunderen in Moorslede ingetreden en had een diploma als kantlerares aan de Brugse kantnormaalschool behaald. Samen met zuster Marie-Thérèse, die al eerder in de kantschool werkte, overzag ze de organisatie van de avondafdeling, waar de lessen van maandag tot vrijdag vanaf de late namiddag tot ’s avonds en op woensdag- en zaterdagnamiddag plaatsvonden. De organisatie van het kantonderwijs bleef onveranderd: net als in 1913 duurde de opleiding vier jaar.94
Net als zuster Marie-Imelda ontwierp zuster Perpetua kantstukken. Ze tekende vooral stukken met een religieuze iconografie die voor een kerk of kapel waren bestemd, hoewel ze ook kledingaccessoires en decoratief huistextiel bedacht. Een treffend voorbeeld van de eerste categorie is de ontwerptekening voor een kantwerk dat voor de Onze-Lieve-Vrouwekerk van Poperinge was bestemd (A . 6). Centraal is Onze-Lieve-Vrouw afgebeeld,
92 Leuven, KADOC, Poperinge: leerwerkplaats kantwerksters: 475, correspondentie met de diocesane inspectie over de meisjesinstituten van het bisdom Brugge (1957-1960): ‘De meisjes en de studie’.
93 De Greef, L’ouvrière dentellière en Belgique, p. 11; Verhaegen, La dentelle belge, p. 41; Lembré, Les écoles de dentellières, p. 60-63.
94 Brugge, BA, Archief Paulinen: 5, vervolg van de geschiedenis van klooster en school, 5, 1940-1956 gebeurtenissen; Leuven, KADOC, Poperinge: leerwerkplaats kantwerksters: 476, verslagboek van het Inrichtend Comité van de kantwerkschool (1933-1961), 21; 477, verslagboek van het bestuurscomité van de kantwerkschool (1933-1961), p. 21-22; 488 jaarlijkse verslagen: leerlingenaantallen en lesuren (1947-1959).
terwijl ze de slang van het kwade doodtrapt. De Onbevlekte Ontvangenis van het Escorial uit 1660-65 van de Spaanse barokschilder Bartolomé Murillo (16171682) diende als inspiratie, want Murillo’s schilderij combineerde het thema van de onbevlekte ontvangenis met dat van de hemelvaart van Maria. Zuster Perpetua benadrukte dat laatste door er het onderschri “Assumpta est Maria” (Maria is ten hemel opgenomen) aan toe te voegen, zodat het op maat van de plaatselijke Onze-Lieve-Vrouwekerk werd gemaakt. Daarnaast hield ze in haar ontwerp rekening met de stijl van de kerkmeubels.95 Deze ontwerptekening en het eerder besproken kantstuk dat door zuster Marie-Imelda was ontworpen (zie a . 5) tonen dat de kantleraressen in de kantschool van de paulinen aandacht hadden voor creatieve ontwerpen, waarbij ze zich lieten inspireren door oude meesters, door hun omgeving en door de bestemming van hun stukken. Wel bleven hun ontwerpen erg traditioneel, terwijl in Tsjechoslowakije kant op een revolutionaire manier transformeerde. Daar veranderde het van een louter decoratieve naar een
95 Het opschri op de foto van de ontwerptekening noemt geen specifiek schilderij van Murillo. De gelijkenis met de uitbeelding van Maria is onder zijn schilderijen bij de Onbevlekte Ontvangenis van El Escorial het sterkst. Brugge, BA, Archief Paulinen: foto ontwerptekening van benedictiesluier ‘Assumpta est; Museo del Prado, ‘The Immaculate Conception of El Escorial’: h ps://www. museodelprado.es/en/the-collection/art-work/the- immaculate-conception-of-el-escorial/10a7a263cec9-4bbc-8385-6c8c1893b4dd (bezocht op 23-4-2021).
innovatieve kunstvorm die autonoom, puur esthetisch en de uitdrukking van een individuele geest mocht zijn.96
In 1961 sloten de scholen van de paulinen in Poperinge, inclusief de kantschool. Het leerlingenaantal was te laag geworden.97 De laatste twee kantscholen in Poperinge, die van de benedictinessen en de penitenten, stopten hun onderwijs in 1970. Dat gebeurde nadat de minister van Nationale Opvoeding en Cultuur had besloten dat het “pedagogisch, economisch en sociaal niet meer verantwoord” was om kantlessen te geven aan leerplichtige meisjes.98 De andere kantschool van de zusters paulinen, die van ’t Vogeltje, het klooster buiten de stad, was al sinds 1939 dicht.99 Toch kwam er geen definitief einde aan het kantonderwijs in Poperinge. Tot vandaag worden kantlessen in het deeltijds kunstonderwijs aan de plaatselijke kunstacademie gegeven, wat belangstelling aantoont voor de oude kunstnijverheid. Het didactisch materiaal zoals het grote kantkussen en de technische tekeningen zijn bewaard gebleven, maar de invulling van het programma is revolutionair veranderd. Als vrijetijdsbesteding en als kunstvorm evolueerde kant van een traditionele huisnijverheid naar een moderne artistieke discipline.100
Besluit
De invoering van de voorgestelde verbeteringen in de kantschool van de zusters paulinen in Poperinge toont een vervlechting van modernisering en traditie in het Vlaamse kantonderwijs in de 20e eeuw.
De modernisering spreekt uit de professionalisering van het kantonderwijs, de groeiende aandacht voor het welzijn van het kind en het streven naar artistieke vernieuwingen. Concreet vertaalde de professionalisering van het kantonderwijs zich in de tewerkstelling van gediplomeerde kantleraressen.
Die kantjuffrouwen leerden hun leerlingen systematisch het beroep van kantwerksters aan via nieuwe onderwijsmethoden, via degelijk lesmateriaal en via een consistente organisatie van de opleiding.
Tegelijk groeide de aandacht voor het welzijn van het kind. Het schoolreglement dat deels door het ministerie van onderwijs en deels door het bisdom werd beïnvloed, zorgde ervoor dat de leerlingen een bepaalde minimumlee ijd, -kennis en -vaardigheden moesten hebben eer ze aan de kantopleiding mochten beginnen. De algemene vakken werden belangrijker, maar de nadruk bleef liggen op de kantproductie en de voorbereiding op een loopbaan als kantwerkster. Het extra inkomen dat de jonge leerlingen via school verdienden, was zeker aan het begin van de oprichting van de kantschool in Poperinge nodig voor hun ouders. De toenemende aandacht voor het welzijn
96 Bruggeman, Kant in Vlaanderen, p. 99.
97 Leuven, KADOC, Poperinge: leerwerkplaats kantwerksters: 470, stukken betreffende het sluiten van de school en het vertrek van de zusters (1960-1961); 484, stamregisters van de vrije leerwerkplaats voor kantwerksters (1952-1961).
98 Creus, Kant Poperinge, p. 127, 130, 151.
99 Creus, Kant Poperinge, p. 89.
100 Creus, Kant Poperinge, p. 156-201; Kunstacademie Poperinge, ‘Kantwerk’: kunstacademiepoperinge. be/kantwerk/ (bezocht op 17-05-2021).
van het kind verklaart ook waarom de schooldagen weliswaar korter werden, maar naar de huidige maatstaven nog steeds lang bleven. Daarnaast zaten de meisjes van de kantschool van de paulinen niet meer opeengepropt in kleine, slecht verlichte en weinig verluchte lokalen, maar zaten ze met maximaal vij ien leerlingen in ruime, gezonde en verluchte klaslokalen.
Naast modernisering en een verhoogd welzijn streefden de paulinen naar artistieke vernieuwingen. De kinderen kregen tekenlessen zodat ze zelf kantontwerpen konden creëren. De kantleraressen van de kantschool in Poperinge gaven alvast het goede voorbeeld: ze ontwierpen nieuwe patronen die vervolgens door hun leerlingen werden uitgevoerd. Wel grepen ze in de patronen vooral terug op motieven en voorbeelden van weleer. In Tsjechoslowakije daarentegen transformeerde kant in een innovatieve kunstvorm, die autonoom, puur esthetisch en de uitdrukking van een individuele geest mocht zijn.
De ingevoerde verbeteringen in de kantschool van Poperinge tonen ook een teruggrijpen naar een traditionele aanpak. Die traditie komt tot uiting in het initiatief om een kantschool voor de beoogde doelgroep op te richten. De oprichting van een kantschool was een oud recept om armoede te bestrijden. Dat was ook in Poperinge het geval, waar de initiatiefnemers zich vooral rich en op meisjes uit behoe ige landbouwers- en arbeidersgezinnen. Naast het eigenlijke beroep leerden hun leerlingen zogenaamde vrouwelijke deugden als vlijt, discipline en reinheid. Nadat de meisjes opgroeiden, hun opleiding voltooiden en huwden, zouden ze via kantwerken bijdragen aan het gezinsinkomen, terwijl ze hun huishouden bestierden en hun kinderen opvoedden. Toch was dit burgerlijke ideaal voor deze vrouwen nooit een werkelijkheid: de lange werkdagen zorgden ervoor dat er weinig tijd was om zich om het huishouden of de kinderen te bekommeren, terwijl het magere loon enkel krappe en ongezonde behuizing toeliet. Deze levensomstandigheden verdwenen doorheen de 20e eeuw. Wel kozen de leerlingen van de kantschool van de paulinen in Poperinge vooral voor een bestaan als huisvrouw en moeder of verdienden ze de kost als dienstmeid of naaister. Kantwerken kon een extra inkomen opleveren.
Op de lange termijn leidden de hervormingen in het kantonderwijs niet tot de verhoopte heropleving van de Vlaamse kantindustrie. Daarnaast konden vrouwen andere opleidings- en arbeidsmogelijkheden vinden om hun leefen werkomstandigheden te verbeteren. Desondanks bleven er nog tot 1970 kantscholen bestaan. Daarvoor zorgden vermoedelijk de nostalgie naar een gedroomd verleden met Vlaanderen als gerenommeerd productiecentrum van het kantwerk, het verlangen naar een vrouwbeeld van meisjes die samen met hun moeders en grootmoeders in de beslotenheid van hun thuis kantwerkten, en de hoop op een vernieuwde interesse vanuit de mode. Die hoop vervloog, naarmate het duidelijker werd dat de regionale kantindustrie definitief zou verdwijnen. Toch werd de draad met het rijke kantverleden na de sluiting van de laatste kantscholen niet doorgeknipt. Textielkunstenaressen, amateurkantwerksters en kantlesgeefsters knoopten aan met de geschiedenis, terwijl ze in hun kunstwerken, in hun vrije tijd en in het deeltijds kunstonderwijs een nieuwe toekomst voor kant in Vlaanderen creëerden.
In this paper, I try to understand what kinds of mobilities of transformation occur in the museum, both as a concept and as a spatial and sensorial experience, from my own ethnographic work on the Bread for Social Change Museum in Gabrovo, Bulgaria, reviewed in dialogue with studies on other types of museums as representatives of important transformations and innovations in the creative industries. The other types of museums explored below include: Community-founded and partially state-sponsored museum in Brazil (Museum of the Imaginary Object in Salvador de Bahia); Statefounded and financed but community-run cultural center in British Columbia (Clifford); Community-founded and privately-funded museums in Peru and Mexico (Cuauhtemoc Camarena and Teresa Morales; Buntinx); Individuallyfounded community museums at private homes in Morocco (Kapchan) and the Museum of Bread for Social Change in Bulgaria (Savova-Grigorova).
The questions I ask include: What do these differently funded and functioning physical spaces have in common as an idea and as a strategy for development that explore the museum logics as symptoms of larger social processes imbued with affect and emotion? And in the movement towards tangible and intangible heritage safeguarding, are people afraid to forget, or excited about remembering, or vice versa? The research finally analyzes the social, cultural, and economic roles of the museums and cultural centers as points along the Bread for Social Change Cultural Route and thus the wider vision and potential benefits to sustainable development of the new emerging sphere of “social tourism”.
The Bread Route includes three different geographic and thematic routes, all envisioned to be ultimately united into one: Bread Route in Bulgaria (currently operating), European Bread Route and a Global Bread Route across continents (to be developed).The Bread Routes and in particular the Bread (for Change) Museum in Gabrovo, Bulgaria, bear the mo o “Travel with a mission” and present a case of creative tourism we explore in this research as social tourism, while the points on the Route are perceived not as tourist a ractions but as “destinations of experiences”.
Methodologically, this research is both an action research and an autoethnography, since the idea for the Route is a personal vision and initiative of the researcher, dr. Nadezhda Savova–Grigorova, cultural anthropologist awarded as “Traveler with a Mission of the Year 2012” by the global National Geographic for having traveled 76 countries exploring their bread traditions and helping communities unite through community baking creative methods, also recognized as a new form of art therapy called “Bread Therapy”.
The Bread Cultural Route integrates the categories of cultural, gastronomic, and green alternative tourism, but also (participatory) social tourism as it offers tourists and underprivileged locals interactive, deeply touching and transformative baking activities that leave the travelers with lasting emotional memories from their “travel with a mission”. The activities planned along the European and Global Routes are developed and offered by various local organizations and institutions, from Bread Houses part of the Bread Houses Network to Bread Museums, bakeries, community and cultural centers, and various NGOs, which offer experiences that include all the multifaceted therapeutic/healing, social, anthropological, training, and performative sides of the breadmaking processes and local bread traditions.
The Bread Route in Bulgaria passes through the socio-cultural centers Bread Houses, part of the Bread Houses Network Bulgaria (www.bread.bg) in six locations with rich tangible and intangible cultural heritage (Gabrovo, Veliko Tarnovo/Zlataritsa, Chiprovtsi, Plovdiv, Stara Zagora, Sofia). In each “destination of experience”, the tourists can master different local recipes for the preparation of traditional bread and pastry products, while they also participate in the innovative method for community baking called “Theater of crumbs”, which enables them to learn about and recreate impressions from each location by drawing in flour and then creating sculptures/symbols out of dough. The baking events can engage the tourists with local disadvantaged groups that regularly visit the Bread House for free as part of its “Bread Therapy”
program. The daily mission of the Bread Houses as socio-cultural centers is to both revive and enrich forgo en traditions related to food, arts and cra s, and at the same time to create conditions to gather people from different social backgrounds, people with disabilities and various other isolated and vulnerable groups to regularly meet, knead bread and share it along with spontaneous contacts and friendships between very different people.
Part of the social tourism concept as interpreted by the Bulgarian Bread Route is that if a group decides to go through all or some of the points/Bread Houses on it, they engage in a playful game element: the group takes one of the ingredients of bread from each subsequent Bread House (local flour, water, salt, honey, yeast, local spices) and in the last Bread House before departing, everyone kneads a collective bread incorporating the collected bread ingredients and experiences – a truly delicious and unforge able memory.
The foundational stone of the Bread Route in Bulgaria and internationally is the historic Bread House in the town of Gabrovo, which has evolved over time since 2009 as the first in Bulgaria, and possibly the world, Bread Museum dedicated to breadmaking as a tool for social transformation and powerful symbol of political and social struggle. The Bread for Social Change Museum was inaugurated in 2016 during a visit of the President of the global Agenda 21 for Culture, Catherine Cullen, in Gabrovo, which was selected as one of the Global Cities implementing the Agenda 21 for Culture in Development. Agenda 21 recognized the Bread House as one of the best practices in the field of synergies between the creative industry and tourism industry in the city of Gabrovo, which was also later awarded as a UNESCO Creative City, and the Bread Museum’s model and recipe for traditional local sourdough-bread were included in a global publication linking the culinary (and particularly bread) heritage of Creative Cities around the globe1.
The Gabrovo house itself is the old family home of the great-grandmother of Nadezhda Savova-Grigorova, which she donated to be used as a community center and which slowly evolved as an alternative museum space run by the joint volunteer activism of enthusiasts. The process of creating the community center-museum by engaging local people with both their painful memories and passionate hopes for change, their complaints and dreams, has been a deeply charged dynamic of memory production, re-production, and representation. How can museums become ever more socially inclusive and interactive cultural institutions, hubs for community revival?
Museum Mobilities: Cultural Democracy in the Transition from Object to Thing
One evening during the first year of the creation of the Bread House, which subsequently evolved as the Bread (for Social Change) Museum, a middleaged man with big black moustache and a large belly entered the house with a suspicious look on his face. At first, he was reluctant to join the community
1 G. Biagini, Days of Bread 2018 – Bread of the Creative Cities. ITKI (International Traditional Knowledge Institute), US Chapter.
baking that people of all ages were engaged in, as they were kneading, joking and laughing around the round table. But slowly the man eased in, rolled up his sleeves, and grabbed a large bowl of dough in his huge hands. For a while he kept kneading the dough in silence, as if completely consumed by the action, but soon he opened up and spoke. He poured out his heart, sharing that his father was a priest during Communist times… tough times of repression, silence, surveillance… but he had managed to resist the pressures and preserve his faith, serve his people and his God… and now all that the son had le from his father was an old wooden bread stamp!
The man had wondered for years what to do with the bread stamp, because he didn’t really know how it was to be used as that knowledge remained buried with his father. But one day he heard about the local initiative of the Bread House, and, a er long inner debates, he decided to come and share his secret treasure. And, indeed, he opened up with a group of complete strangers and by the end of the community baking and bread breaking he and the rest felt as if old friends. But what was most moving was that he decided to leave his father’s bread stamp as a gi to the Bread House – and that stamp became the first one in a large collection of bread stamps from around the world that can currently be seen and used in the community baking events at the Museum. In his heart, the man felt that the object so precious to him as a carrier of his father’s memory was to be more useful, with longer and fuller life, in a lively place like the Bread House where the stamp could not only be seen but also used: touched and placed by many hands-on loaves of bread that could be taken to church and blessed or shared regularly among the baking community. Indeed, what he wanted for the stamp was to transition from the state of an “object” to the active life of a “thing”, as we will explore more in detail below.
A way to understand the subtle processes of memory reproduction and representation at the Bread Museum is to analyze the memory reproduction in the light of the “commemoration” dynamics examined by Bourdieu at a special place where “both commemoration and memory were created and displayed”.
Walking up the steep steps from the Tangier port and entering the narrow streets of the medina, I found the house quickly. It was indistinguishable from the others. It wasn’t until I entered that I found the sign designating the location. ‘Dar Gnawa,’ it said, ‘Commemorating the Memory of God’s Mercy (dar gnawa tuhiyyu dhikra at-tarahhum). And indeed, both commemoration and memory were created and displayed here.
Before pu ing this passage into context later in the paper, I raise the critical question of what it means for a house, or any place for that ma er, to commemorate memory. How and why is a building enmeshed with sensations and practices? The figure of the museum is the epitome of these dilemmas and of a global change of principles of representation and civil society.
For over a century, museums mainly exhibited “lifeless museum objects”2. As Franz Boas laid the foundations of “salvage anthropology,” the practice of collecting objects from indigenous societies confronted the challenge of contextualizing materiality in the absence of its ecosystem, which has raised questions on the museum’s colonial exoticization of the “Other”?3, their
2 E. Evans-Pritchard, Witchcra , Oracles and Magic among the Azande. Oxford, 1937, p. 540-541, argues that Azande magic beliefs seems inconsistent only “when arranged like lifeless museum objects,” but “once the idiom is learnt the rest is easy, for in Zandeland one mystical idea follows on another as reasonably as one common-sense idea follows another in our own society”.
3 H. Fourmile, ‘Museums and Aborigines: a case study in contemporary scientific colonialism’. Praxis M 17, 1987, p. 7-11.
disciplining social projects4, and their role in the repatriation of objects5. Bourdieu’s concept of “cultural capital”6 is o en evoked in works on museums as the elite’s symbolic power in its embodied and objectified states. In addition to representation, “collective memory” is a key issue in the field of Museum Studies, ever since it became a focus of study with Maurice Halbwachs7, and nowadays, most scholars would perhaps agree with John Urry that: “there is no past out there or back there […] only the present, in the context of which the past is being continually re-created”8
When the nineteenth-century semi-private museums became publicly funded centers for instruction of citizenship, the Western “exhibitionary complex” (Benne 1995) was transformed in the Eastern European and Soviet reality, as Boris Groy argues in “The Display of Art in Totalitarian Space,” from the vita contemplativa’s aestheticism to the vita activa embodied in the new populist museum of the Proletariat9. But did museums take a middle path through the ruins of the Berlin Wall?
Already in the 1960s, a “new museology” 10 with a “museum in transition”11 emphasized “community bridge-building” for the democratic purposes of equality of access12. As Edward Alexander argues in his Museums in Motion13 , museums are built but not static, since movement circulates among the variety of museums and within their new community outreach activities14. The growing discourse on inclusive practices, however, needs to be more critical of what is assumed by “the general public,” since quite o en this “average” approximation incorporates preconceived notions that exclude, even inadvertently, people of lower socio-economic classes and literacy levels or physical impairment. When in the late 1980s and into the twenty-first century
4 T. Benne , The birth of the museum: history, theory, politics. London, 1998. S. Conn, Museums and American Intellectual Life, 1876-1926. Chicago, 1998; C. Duncan, Civilizing rituals: inside public art museums. London, 1995; G. Tawadros, ‘Is the past a foreign country?’, Museums Journal 90 (9): 1990, p. 30-1.
5 R. Hallman, ‘Museums and Cultural Property: A Retreat from the Internationalist Approach’, International Journal of Cultural Property, 12:2, 2005, p 201-223.
6 P. Bourdieu, ‘The Forms of Capital’, in: Handbook of Theory and Research for the Sociology of Education Westport, 1986, p. 241-258.
7 M. Halbwachs, On Collective Memory. Chicago, [1926] 1992.
8 J. Urry, ‘How Societies Remember the Past’, in S. MacDonald and G. Fyfe, ed. Theorising Museums Oxford, 1996, p. 48.
9 L. Lippard, On the beaten track: tourism, art and place. New York, 1999, p. 104-105.
10 M. Ross, ‘Interpreting the New Museology’, Museum and Society, 2(2), 2004, p. 84-103.
11 M. Bouquet, ‘Introduction’, in: M. Bouquet (ed.). Academic Anthropology and the Museum: Back to the Future, Oxford, 2001; H. Hein, The museum in transition: a philosophical perspective. Washington, 2000.
12 R. Sandell (ed.), Museums, Society, Equality. New York, 2002.
13 E. Alexander, Museums in motion: an introduction to the history and functions of museums. Lanham, [1919]2008.
14 Strategies that museums have used in striving to engage more people in their activities include: guest/shared curatorship, community exhibitions, local consultation, education programs, children’s visits, oral history recording, photographic documentation, and cultural activities, such as concerts, art workshops, and historical re-enactments, museums staying open late at night to host special rituals or discussion groups of working adults, and even the notion of “fieldworker” adopted by the Vanuatu group as “filwoka” when participating in oral history collection.
UNESCO pushed for heritage to be understood as much more than objects – see for instance intangible heritage - museums faced the even greater challenge of interacting with cultural practices and civic values, if they, together with, or being simultaneously cultural centers, aspire to be recognized by governments as primary agencies for the UNESCO’s 2003 Intangible Heritage Convention 200315.
The 1980s marked an internal movement towards change of the “museums in motion”, which later evolved in the late 1990s into a phenomenon that anthropologist Ivan Karp called global “tactical museologies,” where “the most fundamental global process that makes the concept of the museum available as a tactical resource is that the museums themselves travel”16 as a concept adapted by sub-cultures, peripheral urban neighborhoods, and rural communities who a empt to redefine the universalistic view in the “Declaration on the Importance and Value of Universal Museums” signed by eighteen of the world’s most powerful museums. The symbolic travel of museums as physical constructs spread across diverse geographic and cultural areas turns them into “contact zones,” in James Clifford’s concept (1997), that link “routes” of older processes of globalization such as colonialism and imperialism, and conflict and creativity.
Another aspect of the traveling idea of the museum is Karp’s observation of a “non-nation-based world polity [funding organizations] that uses the categories of Western experience, such as the museum or development itself, to organize the distribution of resources both through and outside the state”17. In Europe, neoliberal devolution dictated that cultural institutions be increasingly managed through the so-called “arms-length,” independent bodies with nonfor-profit character (trusts, foundations, NGOs, international organizations like UNESCO, and civic associations)18. But is this the “right” or “le ” arm, to adopt Bourdieu (1998)19 on the policy hands of the State? Bourdieu’s hand metaphor raises questions about the museum’s new identity and outreach programs. How and towards whom is the museum hand “reaching out”? Is it simply giving something and waiting for nothing interactive in return but mute legitimation? Is the museum ready to shake hands, ready to work with the
15 R. Kurin, ‘Museums and Intangible Heritage: Culture Dead of Alive’, ICOM News, 4, 2004, p. 7-9; See also in this journal E. Tsakiridis, M. Jacobs and J. Neyrinck, Safeguarding Intangible Cultural Heritage and Museums. A Special Issue, Volkskunde. Tijdschri over de cultuur van het dagelijks leven, 121:3, 2020, pp. 255-265; M. Jacobs, ‘Words Ma er… The Arsenal and the Repertoire: UNESCO, ICOM, and European Frameworks’, Volkskunde. Tijdschri over de cultuur van het dagelijks leven, 121:3, 2020, pp. 267-286; M. Jacobs & J. Neyrinck, ‘Transforming, Not Saving. Intangible Cultural Heritage, Museums and/or the World’, in: Volkskunde. Tijdschri over de cultuur van het dagelijks leven, 121:3, 2020, p. 481-502.
16 G. Buntinx & I. Karp, Tactical Museologies, in: I. Karp (ed.), Museum Frictions, Durham, 2006, p. 207218, p. 208.
17 Buntinx & Karp, Tactical, p. 210.
18 P. Boylan, ‘Current Trends in Governance and Management of Museums in Europe’, in: H. Genoways (ed.), Museum Philosophy for the Twenty-First Century. New York, 2006.
19 P. Bourdieu, ‘The Le Hand and the Right Hand of the State’, in: Acts of Resistance: Against the New Myths of Our Time, translated by Richard Nice. Cambridge, 1998, p. 1-10.
community and get its hands dirty, tired, calloused? Is it ready to cover them with paint and clay? In sum, has the museum’s community outreach been able to escape the common development failure: the failure of reciprocation? “What is wrong with the so-called ‘free gi ’ is the donor’s intention to be exempt from return gi s coming from the recipient,” concludes Mary Douglas. “A gi that does nothing to enhance solidarity is a contradiction”20.
See the World Down-side Up
I was making watermelon juice with Jorge and Veronica in the kitchen of the Museu do Objeto Imaginario (Museum of the Imaginary Object), nestled in the bosom of the historic center of Salvador de Bahia, Brazil, on a late night in February 2008. Slow reggae tunes were seeping from the tiny bar below, where people rested cha ing a er a night of dancing through the crossroads of Pelourinho in a caminhada, an ambulant musical manifestation, which the owner of the bar organizes in honor of the candomble god Exú every year on the last day of Carnival. Ten years ago, he found it important to emphasize that Exú should not be confused with the Christian Devil, but is a traditional AfroBrazilian divine messenger who moves in-between the different worlds and energies with dance, music, and play.
20 M. Douglas, Foreword to The Gi , by Marcel Mauss [1950], translated by W.D.Halls. New York, 1990, p. vii-1.
We were tired. We had also danced in the crossroads, in front of the MiniTrio (music truck), a small van pulled symbolically by one man and his tiny rope as a stringent satire of the big commercial trios used in the commercial form of Carnival in Rio de Janeiro, warding people off the popular singers and the high-paying spectators. The protest against electronic, mechanical music and money-based, fenced-off festivity took its most colorful, loudest, and tasteful form in the caminhada for Exú and his crossroads.
Over sips of watermelon juice, we talked about the human body, movement, and, quite invariably, integral food. All these, for Jorge, a professor of Sociology, came beautifully intermingled into the capoeira, whose moves he finds inspired by nature and the quest for the possibilities of the human body to incorporate the environmental forces: wind, water, fire, and air. Jorge links the inversion of the body in the multiple feet-up positions – Carnival’s whole theme celebrating capoeira being “See the world from the bo om up” – to the inverted position of the baby’s body at birth and thus a cycle of renovation of bodily energies – and with them, a renovation of the energies of the world.
“See the world from the bo om up” echoes the ways in which capoeira has been put in action in social projects to empower people at the “bo om” and promote an alternative development “from the bo om up.” The space of the Museum of the Imaginary Object was adopted for a variety of workshops on dance, music, physical and psychological health which were channeled through a comprehensive, integral “plan for personal change” that included healthy eating (and cooking at the Museum’s kitchen) and the exercise of nourishing one’s imagination. People, a group of local adults, kids, and university students, made imaginary objects such as masks, costumes, and papier-mâché puppets for the street parade the Museum organizes every Carnival with the theme of the bull, a popular fairy-tale hero, which Jorge modified to transmit the message of respectful treatment to animals and all other creatures.
The innovative activities and home-like feel of the museum/cultural center represent the internal structural museum mobilities involved in “the museum in transition”: it is the way of re-thinking the museum as primarily a living museum, a living cultural center not of past but of past and present social creativity. The museum is, indeed, much more than an exhibitionary space for the interesting art objects made of recycled materials. It is a cultural space that incorporates
the deep belief in the value of human imagination as a tool for re-examining realities – or what seems to be a given “reality” – and cra ing options for survival, existence, and growth. It is a place where the museum space directly links to a communal kitchen which has engaged some locals, like Veronica, in taking a volunteer share in the common responsibilities for cooking, so that the food is then sold in the streets both to raise funds for museum programs and to raise awareness of alternative, healthy street food. The museum/ cultural center is a home - personal, emotional, evocative, contested – where both a achments and conflicts are built, but even contestations seem to have their own way of adding to the development of the space as a site of sociability for people of multiple backgrounds, problems, and hopes.
A Ship of Objects and Practices: The Museum’s Structural Mobility
James Clifford’s Routes discuss internal mobilities at museums and cultural centers in British Columbia focused on rethinking the structures of management and community engagement, or what I define as structural mobility. Enmeshed in “tactical museologies,” the U’mista Cultural Center, or what Clifford calls a “minority museum” distinct from the high culture “majority museum,” navigates “a constant tactical movement,” “from margin to center and back again, in and out of dominant contexts, markets, and pa erns of success” 21. Where, though, is the “center” and where the “margin” in a world that incessantly shi s locales and where Internet and travel re-graph social frontiers? At what point does the cultural center in itself become the “center” of local participation and what are the necessary conditions for its valorization? While the U’mista Cultural Center was initially state-imposed as a condition of object repatriation, the top-down structure’s structural mobility on the ground involved its reappropriation by the locals, who revived the potlatch ceremony around the returned, previously “lifeless museum objects” now symbolically recharged and re-used. But was the potlatch accompanied by other civic and creative activities at the museum so the potlatch’s values of social exchange may leak into daily life? While this question remains to be explored, the U’mista Cultural Center has taken the route of structural mobility to nurture intangible heritage, as evident in the words of Chief Harry Assuo on how the repatriation of objects also brought back a Spirit and a practice of community: “The Power of the Spirit was symbolically thrown from ship to shore, where it was ‘caught’ and set the catcher dancing. He in turn hurled the spirit across the beach and through the museum doors. The spirit had entered the ceremonial house (museum)” (145).
21 In his model, the “majority museum” has a mission of finding the “best,” most “authentic” cultural form; selecting the most “representative” objects; owning a collection of regional, national, and international importance as “heritage of humanity”; and the separation between (fine) art from (ethnographic) culture. The “minority museum,” on the other hand, exhibits histories and experiences untold for political reasons; there the art/culture distinction is irrelevant or subverted; “unified, linear History” is challenged by local histories; and the collection does not aspire to be inscribed in national or universal patrimony; J. Clifford, Routes: Travel and Translation in the Late Twentieth Century. Cambridge, 1997, p. 121-122.
While the ship in this case was the vehicle that enabled the travel of resurrected objects and cultural practices, in another part of the world, at the Micromuseo in Lima, it was a small bus that became the vehicle for an ambulant art museum space transporting exhibits and performances. These means of “travel and translation” in Clifford’s terms participate in the production of “contact zones,” where “contact” denotes “how subjects are constituted in and by their relations to each other” o en within asymmetrical power relations that still allow room for exchange. A “majority museum” in transition, the Portland Museum of Art, asked the Tlinglit to co-curate an exhibit, and on its part the museum was called to a responsibility, a “stewardship.” To come back to my questions inspired by Bourdieu on the exchanges in the hands of authorities, Clifford sees these reciprocities not as a “give-and-take” that would erase social discrepancies but as an uneven – and yet, productive in its asymmetry - reciprocity that formed a space to “challenge and rework a relationship” inside the clan22.
Depicting the Tlingit thinking of objects as “record,” “history,” and “law,” indexical of “ongoing moral lessons and current political force”, Clifford’s emphasis on relationships in terms of objects speaks to what Patricia Hall described as the “shrine phenomenon” of museums23, where people o en go in search of the old artefacts remembered from childhood that still preserve the “contagious magic” (Frazer24) of memories and relationships. Clifford’s discussion of the dynamic of tribal groups’ reenactments in the museum spaces25 would also need to be examined, considering what meaning reenacted rituals might have for people foreign to the ritual’s culture of origin. Perhaps some hints can be found in Jay Anderson’s Time Machines26 and other studies on how experimental archaeology27 and reenactments of rituals at heritage sites bring people closer to the past through critical examinations of foreignness and proximity, of inapplicability and pertinence of past values. In Uzzell’s28 studies, he finds that re-enactments are not exact heritage re-creations of “authenticity”, but a creative heritage reconstruction: contemporary “living” tradition in this sense is not what is practiced as an integral part of daily life, but what sheds light, from its special times and places and values of practice, onto current social realities. The issue on memory and representation then becomes: “What is the role of the museum as a site of “situated learning”29 and its ability to form
22 Clifford, Routes, p. 191-192.
23 P. Hall, ‘Applying Theory to Practice: Folklife and Today’s History Museums’, in: P. Hall and C. Seemann, 1987. Folklife and Museums: Selected Readings. Nashville, 1987, p. 76-88, p. 83.
24 J. Frazer, The Golden Bough. New York, [1915] 1980.
25 In the United States, with the NAGPRA legislation more tribal members were allowed to view museum collections and provide recommendations in their structuring, and even the holding of certain rituals tied to museum objects, sacred to a particular group, enacted in the museum space.
26 J. Anderson, Time Machines: The World of Living History. Nashville, 1984.
27 J. Anderson, ‘Immaterial Material Culture: The Implications of Experimental Research for Folklife Museums’, in: T. Schlereth (ed.), Material Culture Studies in America. Nashville, 1982.
28 D. Uzzell, ‘Heritage Interpretation in Britain Four Decades a er Tilden’, in: R. Harrison (ed.), Manual of Heritage Management, Oxford, 1994, p. 293-302.
29 J. Lave and E. Wenger, Situated Learning: Legitimate Peripheral Participation. Cambridge, 1991.
“communities of practice”30?” We will return to this question further below, exploring the community museums in Mexico and Morocco.
Democracy from Object to Thing: The Museum’s Representational Dilemmas
Clifford’s urge for a new museum-based democracy expanding “the range of things that can happen in museums and museum-like se ings” (214) echoes Bruno Latour’s call for the transition to an “object-oriented democracy,” where the object is a vibrant and reflexive “thing,” or “ding” which means “archaic assembly” in ancient Germanic, thus uniting two fundamental modes of representation: (1) the locus or actual place of gathering of the people around an issue, linked to the image of a circle, an assembly; and (2) the topos or topic of discussion. Invoking Sloterdijk’s “pneumatic parliament,” which referred to the destructive US believes in parachuting its political system around the world, the problem of this inflatable parliament is for Latour that it underestimates the importance of “the object,” of the enduring materiality of local political infrastructures and cultural habits.
For Latour, “thing” as an “assembly” applies to multiple modern “hybrid forums and agoras,” from computer networks to fashion shows, “gatherings that have been eating away at the older realm of pure objects bathing in the clear light of the modernist gaze”31. As democratically-inspired museums have moved away from “object-centered” museologies32 and toward “assemblies” – “things”? – for education, participation, inclusion, and intercultural communication in the museum place, perhaps what the museum in transition embodies is both a “thing-oriented democracy,” nurturing community dialogue, and a “place-oriented democracy,” where the museum as a “contact zone” a empts to provide an open, fairly free zone and allow the contacts to decide whether and how to meet or separate.
Place(less)-oriented Democracy: The Museum’s Financial and Geo-political Mobility
The “place-oriented” democracy in Clifford assumes a different dimension in the “place-less” museum that Peruvian artist and curator Gustavo Buntinx depicts. While the government spent over twenty years on the architectural fixation of building a Western-style modern art museum – a “majority museum” in Clifford’s terms – the Micromuseum described by Buntinx – a “minority museum” – was content with being housed in nothing fancier than an old bus! In the words of Chilean critic Justo Mellado, the belief in the “curator as a constructor of infrastructure” was the engine behind the founders
30 E. Wenger, Communities of Practice: Learning, Meaning, and Identity. Cambridge, 1998.
31 B. Latour, ‘From Realpolitik to Dingpolitik or How to Make Things Public’, in: B. Latour & P. Weibel (eds.) Making Things Public: Atmospheres of Democracy, Cambridge, Mass, 2005, p. 14-41, p. 17-18 & 23-24.
32 H. Coxall, ‘Open Minds: Inclusive Practices’, in H. Genoways (ed.), Museum Philosophy for the TwentyFirst Century. New York, 2006.
– a group of young artists called E.P.S. Huayco and fellow intellectuals – for whom the museum building was only a starting point, a necessary foundation, and yet the building of the museum was distinct from its construction, which involves a far more social, cultural, and educational endeavor. The artists were not daunted by monetary constraints, but rather undertook the funding project with enthusiasm, as a project of creating a transversal zone of multiple sources of bulwark for creativity: from state to business to neighborhood organizations and labor unions or simply individuals who rendered not their money but their time and enthusiasm, the Micromuseum edified “a structure of support that would redefine the very meaning of museum by inserting it into the quotidian life of the city, in daily engagement with concrete interests and preoccupations”33.
This example of museum financial mobility of a mixed-funding model as an enterprise for social cooperation adds another level to Ivan Karp’s notion of the “non-nation-based world polity” (emphasis added) of funding organizations, by showing the possibility for a “non-nation-based community polity” for arts support, where money difficulties doubtlessly arise but only second to the belief that art is primarily imagination: and imagination is free of charge. The Micromuseum managed to “work with the country’s miseries in their creative density, in the utopian horizon that they sometimes breed” by linking “the existing but isolated organizations, the renovating but repressed vocations, the wasted talents, the dispersed works,” and “creatively explore the difference that could arise out of such encounter”34.
The financial mobility of the Micromuseum (Micromuseo) in Lima has challenged the “syndrome of marginal occidentality”35 that made the State anxious to acquire the status of Western “development” through grand institutions. Size ma ered to the Micromuseum, but it was the small size that had greater value due to the insight that the quality of being small, “ductile and mobile”, enables independence to “sustain its autonomy on an elementary but sufficient economy – such as that of an urban microbus” (“micro” in the name refers to the Spanish word microbus, or public transportation): a “daily instrument of mobility and mobilization.” Similarly, Clifford, though speaking not about an urban bus but global tourism, saw the museum as a “dwelling-intravel,” where “human location is constituted by displacement as much as by stasis” through visitors and returning locals36. As Clifford and Buntinx refer to real travel, people and art respectively, Ivan Karp sees the “dwelling-in-travel” as also the world travel of the idea that museums are a “dwelling” useful for the reworking of contested histories and current values.
“Micro” for the Micromuseum was the “vindication of the small, of the immediate and the accessible” within a capitalism that only glorifies the
33 G. Buntinx, ‘Communities of Sense/Communities of Sentiment: Globalization and the Museum Void in an Extreme Periphery’, in: I. Karp (ed.), Museum Frictions, Durham, 2006, p. 219-247, p. 234.
34 Buntinx, Communities, p. 232-233.
35 Buntinx, Communities, p. 223.
36 Clifford, Routes, 1997, p. 2.
gigantic, from supermarkets to advertising boards and highways37, and the productive symbolism of the name reverberates with the community-based naming politics of cultural centers among indigenous groups in North America and Australia: “It shall not be called a museum, for we are not dead people; let it be called the Skeena Treasure House,” said Alfred Douse, High Chief of the Kitwancool Band, Hazelton, British Columbia.38 The “treasure house” in Canada was called in Australia by the Aborigines a “keeping place” for objects but also stories and relationships.39 These dynamic, mobile representations remind me of Stuart Hall’s definition of identity as “never complete, always in process, and always constituted within, not outside, representation”40.
In an effort to re-map the social boundaries of cultural center and periphery, the Micromuseum tries to travel to underprivileged sites and people. The bus’s geographic mobility of the physical travels of art is also a powerful geopolitical mobility that restructures cartographies of power that have for too long been suffocating creativity because of home address: “popular strategies of precariousness and itinerancy, assumed as symbolic capital to be critically empowered” and a symbolic capital “not in objects, collections, or physical space, but in the critical project of ‘museum before the museum’”41. This crucial point shows the primary importance of social imaginative mobility – to be able, indeed, to imagine and believe in the museum (effects) before the museum –for any transformations to occur.
The question, however, remains: Who does the microbus museum “travel to,” who constitutes its audience, participants, “passengers?” The museum travels according to its activities from tombs to cabarets and ruined houses, but who are the people who come to these places? Is it not again a small group of educated intellectuals or cultural snobs that simply travel with the traveling museum, instead of the museum traveling to people who have never been to a museum and cannot afford any cultural events or travel? Who can hop on the bus to make a collage or hang a painting? If the museum truly wants to empower, perhaps it should focus its energies on inspiring simpler, “li le” people to refurbish an old bus into a place for creativity?
As the potential of a democratic and inclusive artistic space remains open, a similar financial and imaginative mobilities but of a different kind circulate within a small house: the mobility consists in its flexibility to exist beyond monetary constraints, since all it took to commence was one man’s inspiration to open the front door of the living room. The house was to be found up the hill from the Tangier Port, and it was the home of Abdellah El Gourd…
37 Buntinx, Communities, p. 237-238.
38 M. Simpson (ed.), Making Representations: Museums in the Post-Colonial Era. New York, 1996, p. 135.
39 Simpson, Making, p. 122.
40 S. Hall, Identity: Community, Culture, Difference. London, 1990, p. 392, emphasis added.
41 Buntinx, Communites, p. 220 & 239.
House of Bargains: The Museum’s Imaginative Mobility
Deborah Kapchan follows the “traveling spirit masters,” or Gnawa sacred music performers, in a variety of locales and across countries, and in chapter 10 she depicts the space of the Dar Gnawa cultural space: it is the living room of Abdellah, a master Gnawa musician, which every evening from 5 to 9 becomes “a public institution for the display of the musical heritage of the Gnawa,” welcoming anything from music rehearsals to academic research and informal smoking and tea drinking with neighbors. Unlike “house museums” of famous defunct personalities (also increasingly re-interpreted in other countries42), the Dar Gnawa is the living room of a living musician, where “gestures create space”: a “space of heritage” that changes with the people that fill it up. 43
An issue at stake is the modes of representation and display of intangible heritage, of something as immaterial and transcendental as the tagnawit, or lived practices of Gnawa spiritual knowledge. Kapchan finds, in a deeply sensory analysis, that music can, indeed, also exist as an exhibition but only when the objects in it co-inhabit with living performances: then music “permeates a location with both auditory and physical vibration,” “has a powerful effect on memory,” and it is “mobilizing” in its power to transport us to other cultural locations and sensations. The “polymusicalism” that Kapchan experienced at the Dar Gnawa gets inscribed into a larger “polysocialization,” to experiment with her terms, for the visitors: from illegal immigrants to local artists, researchers, and community members.44
Kapchan quotes Raymond Williams’ notion of “selective tradition”45 to define how “cultural tradition can be seen as a continual selection and reselection of ancestors,” but she does not explore what might be the importance of the actual house space in this process. The museum as a “theater of memory”46, in the sense of ongoing performances of identity, might be further illuminated by Rosen’s study of “social space” in Morocco as largely defined by places of origin and constantly shi ing with the flexibility and creativity of Arabic’s linguistic construction of place and relations. Rosen argues that to know another’s origins means knowing what kinds of personal characteristics, ties, customs one is likely to possess… “and – perhaps more importantly –what bases exist for the establishment of a personal bond between another and oneself”47. In this sense, Dar Gnawa might be serving as the physically edified but socially flexible “local” representation of the origins of Gnawa music that is needed for the ever more mobile, globally traveling Gnawa musicians to come back to and “bargain for reality” by re-interpreting and re-adopting in
42 See museologists writing about Brazil: M. Araujo, Anais do I Seminário sobre Museus-Casas. Rio de Janeiro, 1997; M. Chagas, Anais do IV Seminário sobre Museus-Casas. Rio de Janeiro, 2002.
43 D. Kapchan, Traveling Spirit Masters: Moroccan Gnawa Trance and Music in the Global Marketplace. Middletown, 2007, p. 212-213.
44 Kapchan, Traveling, p. 215-216.
45 R. Williams, Keywords: A Vocabulary of Culture and Society. Rev. ed. New York, 1985.
46 R. Samuel, Theatres of Memory. London, 1994.
47 L. Rosen, Bargaining for reality: the construction of social relations in a Muslim community. Chicago, 1984, p. 24.
their lives their ancestors’ moral and artistic legacies, inextricably linked to those people’s places of origin and life histories. The imaginative mobility of the museum as a question of inspiration is powerfully enacted at the Dar Gnawa. What made Abdellah decide to share his personal home space with others? What did he hope to achieve for other musicians, for tourists, for his neighbors, for his social prestige and position, for his transcendence a er death?
As Kapchan senses how “the tension between the space of the body and the space of representation creates the rhythms of now, the rhythms of travel and diaspora, the pull between home and antihome”48, the home-museum serves to ground, to bring people home, to care, to feed spiritually – and literally –and leave them recharged with the spirits. The Dar Gnawa becomes the site of “situated learning”49 when Gnawa musicians and foreigners form flexible, traveling, and o en quite ephemeral but none-the-less creative “communities of practice” (Wenger) of music. In this sense, the museum’s social space enables a musical “bargaining for reality”, in Rosen’s terms, through the exchange of songs and rhythms between the Gnawa and the international visitors, each with their particular “cultural artifacts” and “relational guidelines”50 for constructing identities and lives.
The photographs of travels in the museum reveal the insertion of “internationalism at the level of the local” and also foment a sense of ownership of history: quoting Sontag. Kapchan affirms: “one can’t possess the present, but one can possess the past”51. In addition to a sense of ownership of
48 Kapchan, 2007, p. 231.
49 J. Lave and E. Wenger, Situated Learning: Legitimate Peripheral Participation. Cambridge, 1991.
the past, however, the house museum might also have strong meaning to the locals as an affirmation of a duty to guardianship: a duty to bestow care that is in itself a right and power. Indeed, the “continual selection and re-selection of ancestors”52 within the museum affirms Karp’s observations on how the museum “provides cultural capital, a set of resources, a series of models, means of community mobilization, and a social field in which identity and community are asserted and contested”53.
In addition to bargaining for origins, memory, and duty to guardianship, Dar Gnawa adds to Rosen’s arguments about the linguistic construction of social space another dimension: the place-making of wri en words. “When words are wri en down, they become social facts; they have a material power, a power to affect things, a power of contagion even,” Kapchan notes in the large yellow diagrams of spatial choreographies for the Gnawa – “maps for the movements of the dancers” – on the walls of the center; the luha (slate), a colorful painted chart of the order of spirits invocations, also made by Abdellah and put for display, is “a place for the consecration of sacred words.”54 These materializations of practice and tradition give a real taste to Kurin’s questions about what it might mean for museums to be guardians of intangible heritage, when the exemplary case he gives is of the American Indian Museum in Washington DC55, the only in the world built a er and particularly with the inspiration of UNESCO’s 2003 ICH Convention.
While Buntinx’s museum was a space of modern and not folk art, and Kapchan does not discuss the effect of the museum on its immediate neighborhood perhaps because it is not community-owned, a key anthropological inquiry is what it means for people to locally, communally manage a “place of memory” linked to traditional rituals? Cuauhtemoc Camarena and Teresa Morales’56 study on the Union of Community Museums in Oaxaca, Mexico, provide some observations on how in the process of taking decisions about managing and participating in these places has helped people re-think the relevance of memory to understand that their struggling, depopulated communities, do have cultural value and a potential to own, to some extent, their past and therefore their future. Though the scarce literature on community museums tends to focus on the developing world (the essays in Karp’s edited volume), it is crucial to note that the conceptual mobility of the idea that the museum/ cultural center could generate social capital has spread around the US and Europe as well, for example with the community ecomusées in France57 and others in England.
52 Kapchan, Traveling, p. 223.
53 Buntinx & Karp, Tactical, p. 209.
54 Kapchan, Traveling, p. 223.
55 Kurin, Museums, p. 9.
56 C. Camarena and T. Morales, ‘Community Museums and Global Connections: The Union of Community Museums of Oaxaca’, in I. Karp §ed.), Museum Frictions, Durham, 2006, p. 322-347.
57 G. Riviere, ‘The Ecomuseum – an Evolutive Definition’, Museum, 34: 4, 1985, p. 182-183.
But where in these “spaces of memory” is the space for forge ing, for misunderstanding and conflict? Paul Connerton describes how memory is transmi ed through “incorporated practices” such as commemorative ceremonies and ritual, where skilled remembering, “without ever reverting to its historical origin [when it was created or acquired], nevertheless reenacts the past in our present conduct”58. The museums described by Clifford, Buntinx, Kapchan, and Camarena and Morales are all places for remembering and imagining anew: it is at this crucial nexus that we see precisely how “the struggle of citizens against state power is the struggle of their memory against forced forge ing”59. However, “memory” might not be necessarily the civic tactic against “forced forge ing.” Indeed, Johannes Fabian’s concept of “forgetful remembering” might be far more sensitive to the subtle multiplicity of memory, not only as a positive value stressing the integrative – and thus easily confused with “culture” – but as being “critical, contestatory, and at time subversive,” where “memory work”60 allows for the parallel processes of remembering and forge ing to expose contradictions flowing into continuities. Such a view of memory, I believe, does not make the museum “spaces of memory” any less able to forge coexistences but it reveals how interestingly coexistence can live with on-going bargains for identity and conflict. What all authors reveal to some extent but requires more study is how the museums in transition mediate between discontinuities that can be creative and productive, as well as fearsome and distressful. How can museums serve as both a forum for contestations and an assembly for an improvised type of communal “reminiscence therapy61”? One idea could be the Bread Therapy experience offered by the Bread Houses Network in various “destinations of experience”.
Bread Therapy and Social Tourism at the Bread (for Social Change) Museum
Let us now return to the man with the big black moustache that gave his most precious gi to the Bread for Social Change Museum in Gabrovo, Bulgaria –the old bread seal used on church breads, inherited from his father, a priest repressed during Communist. Since then, dozens, perhaps hundreds of hands have touched, used, pressed on the dough surface, admired, photographed, and even kissed that special piece of wood. The bread seal has, thus, clearly made the transition from “object” to “thing” as a catalyst for multiple conversations, commemorations, and co-creations. And this practice inspired a large regional state museum, the Stara Zagora Museum, to make and sell at the museum shop
58 P. Connerton, How Societies Remember. Cambridge, 1999, p. 72.
59 Connerton, How, p. 15.
60 J. Fabian, ‘Forge ing and Remembering’, in Memory against Culture, Durham, 2000, p. 65-106, p. 77-78.
61 Reminiscence therapy is a healing technique, mainly practiced in England, applied to older patients, which aims to enable them to tell their life stories and, in the process, to make sense and to draw meaning from them as a way of comprehending the multiple connections and legacies – indeed, heritages, we can say – that they would leave behind a er death. This has been proven to add self-esteem and peace in the face of death due to the belief in the continuation of life in the social relations the person had generated.
clay reproductions of its different kinds of bread seals, some dating way back to the first centuries of Christianity. The Museum also invited Bread Houses Network representatives to lead community baking events with the clay seals right in front of the cases holding the ancient originals, mixing various people and inviting local social institutions for people with special needs: a good example of a social tourism practice with much potential for replication in museums around the world, in particular linked to culinary objects and thus the organizing of culinary experiences.
To return to the Gabrovo Museum, many foreign and local visitors/ participants wondered how the seal is to be used. On the handle of the bread seal, there is a deep engraving in order to visibly mark the bread: IC XC NI
KA, which means Christ the Victorious in Greek. On the big round side, the face of the seal, the circle is divided in a few sections with special symbols for Christ, the Mother of God, the Archangels and Angels, all saints, the living and the departed. This seal is meant to be placed on the special Orthodox Christian church breads called “prosphora” (“gi ” in Greek), which are blessed on the altar during the Divine Liturgy (the Orthodox analogy of the “Mass” in Catholicism), and pieces of the prosphora bread are placed in the cup with wine, becoming the Body and Blood of Christ in the Holy Communion. While in most Orthodox countries designated elderly women prepare the prosphora with special prayers, and thus that round part of the seal is not available for use by all people, the sign on the handle (IC XC NI KA) can be used by anyone for various holiday breads, which women o en used to take to the Church for the priest to bless and then brought back home for the feast.
But one event revealed that the bread seal’s handle sign could even be used for blessing the daily bread, as one elderly lady at the Bread House remarked with tears in her eyes, recollecting the burning faith of her grandmother –remembering also, how she would take the bread to get baked at the communal wood-fired oven, still functioning in the fourties and fi ies, but would have to hide the mark of the seal keeping the bread turned upside-down, so that the baker would not note the Christian sign. Indeed, a sign that Communism tried to erase from all institutions and decorations, yet it did not manage to erase from people’s hearts and breads. The elderly lady shared this powerful story spontaneously, during a baking with a group of American students travelling around the country and visiting the Museum. All of the above information was precisely what the student tourists were eager to discover, and at the Bread Museum they experienced it not simply as religious history, but as a living intangible heritage, deep and touching, much suffered and repressed under Communism, and much cherished and revived in the on-going post-Socialist transformations.
Furthermore, the young foreigners were kneading side by side and hands with hands in shared bowls with Roma orphans from a local orphanage in Gabrovo, a young man with Down Syndrome, and a few low-income elderly “pensioners” (as o en referred to in Bulgaria), whose tiny state pensions do not allow them to a end any paid cultural events, yet the community baking, the Bread Therapy program, is always free for them at the Bread Museum, or any Bread House in Bulgaria and abroad (at the same time, it is a paid service for visiting groups, thus supporting the functioning of the Museum). And this is how each person gets to meet someone else he or she would have never otherwise had the chance to get to know and learn from, let alone touch and break bread with!
Politics and poetics, tears and laughter, young and old, “abled” and “disabled” – all layers of affect and touch get mixed in such community baking gatherings, which is precisely the affective quality I find most characteristic and important for the concept of social tourism. It is an experience, lived at a destination of experience (whether a museum, cultural center, a festival, or the private home of a living heritage), charged with multiple levels of information and emotion shared by actors of diverse social backgrounds.
Conclusions
As museums travel by bus, ship, Internet, policy documents, ideas, inspiration, objects and things, ancestor spirits, and word of mouth, they serve as spatial forms for the exchanges of collective energies, cultural management dilemmas, and brokering of heritage symbolic capital. Since 2003 up until present days, the museums’ ideological and spatial capacities to safeguard in particular local intangible cultural heritage62 and to forge new forms of experiential tourism have been ever more examined, questioned, and encouraged, thus defining the museums as contested zones in transition.
Through the interweaving of ethnographies and theories, this paper argues that there are multiple museum mobilities or “routes” of travel involved in rethinking and re-practicing the museum as an increasingly integrative site for bargain: structural mobility as museums undergo internal changes of vision and management towards more interactive and socially inclusive practices of representation, “memory work,” and community outreach (as in the case of the Museum of the Imaginary Objects, or the cases in Clifford and Buntinx); geographic mobility, which is indexical of neoliberal decentralization and resembles cultural centrifugality when museums physically travel to places with no access to cultural events (whether through traveling exhibits or, as in
62 ICOM Conference on Museums and Intangible Heritage, Seoul 2004. Conference papers available at h p://icom.museum/intangible_heritage2004.html (visited 27-12-2021).
Buntinx’s “critical project,” through housing the museum in an actual vehicle), as well as geo-political mobility when museums/cultural centers re-graph the boundaries of marginalized peripheries by filling a symbolic cultural void with peripheral museums or other local creative outreach (for example, the Open Air Museum of the favela of Providencia in Rio de Janeiro, read more in the article “Heritage Kinaesthetics”63); financial mobility in terms of the museum/cultural center’s potential for financial flexibility, as seen in the Micromuseum’s creative collection of multiple resources as well as an economically viable bus that saves rent and utilities, and in the case of the Bread for Social Change Museum or the Moroccan house museum whose creation and maintenance only required the will of common people to open their living room and hearts to others. In these cases of privately initiated museums, the financial mobility sprang from human imaginative mobility to envision new forms of museum serving the local community. Here I also define this as the museum’s conceptual mobility, or how the idea about the museum as a “catalyst” for transformations has been spreading trans-nationally over the past few decades, across developed and developing economies, and even in national networks as the case of the community museums in Oaxaca, Mexico.
These forms of museum mobilities in no way mean that the museums have successfully arrived at the final stop: rather, what they simply try to summarize is how cultural policies, the creative industries, cultural tourism, and community organizational ideas have successfully taken up a creative “route” of democracy-building and the production of new cultural and tourist products and “destinations of experience.” In a world characterized by the “homelessness of information”64, museums are challenged to balance between being a house of memory and a house open to “living” traditions that o en dwell outside its walls, “in homes, villages, slums, out in the fields, in factories and social halls, as well as in the halls of academia and in their museums”65. The issue is not only social (closer to the common people and especially the most disadvantaged groups) and material (beyond objects towards living things), but also a spatial one (where and how to build and construct in order to engage). The museum as a “contact zone” opens issues on representation and “reciprocities”, which depend, to paraphrase Bourdieu, on the exchanges among the political, corporate, state, and social “hands” and their propensity for “contact.” And the museum as a “theater of memory” opens questions on its function not only as a place of remembering, but also as a place of forge ing –and perhaps “forgetfully remembering”– and moving on.
In the context of political and economic decentralization, the decentralization of the “majority” museum and the emergence of “minority” museums/cultural centers offers an insight into how cultural liberalization could also occur inspired by but not submissive to dominant institutions such
63 N. Savova. ‘Heritage Kinaesthetics: Local Constructivism and UNESCO’s Intangible-Tangible Politics at a Favela Museum’, Anthropological Quarterly, 82:2, 2009, p. 547–586.
64 M. Brown, ‘Heritage Trouble: Recent Work on the Protection of Intangible Cultural Property’, International Journal of Cultural Property, 12:1, 2005, p. 40 – 61, p. 41
65 Kurin, Museums, p. 8.
as the museum. Why do people need the creation of community spaces of memory, if with the liberalization of information technologies the museum stopped being among the few privileged producers and disseminators of knowledge – together with libraries, schools, and the traditional media? What is it in the process of “selecting and re-selecting ancestors” (Kapchan 2007) together that requires real meeting places and not only virtual common rooms? With all these questions in mind, the anthropological inquiry on museums, heritage safeguarding, and tourism is not about the objects, or the building –or the bus – of the museum, but about the people it engages and represents in various ways: would there be more “producers, not visitors,” enlivening the “museum as catalyst” for development (Kirshenbla -Gimble )?
As the museum mobilities evolve across “contact zones,” the space of the community museum/cultural center remains a forum for strangers with the potential to transport and transmit heritage knowledge between urban centers and peripheries, much like the humble Moroccan living room and the communal table for kneading bread at the Bread House Museum in Bulgaria both offer a homely agora for a variety of locals and travelers passing through but leaving behind human connections through the lasting touch and feel of social tourism: lively destinations of experience that enable locals and travelers to choose what to remember and what to forget.
Key words: museum mobilities, bread routes, bread, social tourism, community centers, community museums.
De Volkskundecommissie en het Volkskundebureau in de periode
1945 tot en met 1947
Van wederopbouw naar “stijgende belangstelling”
Inleiding
Op 4 september 1944, de dag voor ‘dolle dinsdag’, vluchtte Jan de Vries, volkskundige en voorzitter van de Volkskundecommissie van de Nederlandse Akademie van Wetenschappen, naar Duitsland.1 Piet Meertens, die op dat moment secretaris van de Volkskundecommissie en tevens leidinggevende van het Volkskundebureau (dat door de Volkskundecommissie werd bestuurd) was, maakte zich in die periode ook zorgen over zijn toekomst. Hij dacht dat hij “(…) na de oorlog nog wel eens last zou kunnen krijgen (…) om zijn Duitse sympathieën.”2 De Vries zou in 1946 worden ontslagen als hoogleraar en later veroordeeld wegens ‘intellectuele collaboratie’. Voor Meertens, de Volkskundecommissie en het Volkskundebureau liep het geheel anders.3 Binnen drie jaar na afloop van de oorlog bevonden zij zich in een betere positie dan ooit tevoren, met meer subsidie, een hernieuwde achterban aan informanten en een uitbreiding van de werkzaamheden voor Meertens. Deze directe naoorlogse jaren zijn tot nu slechts beperkt beschreven, maar bronnen zoals de jaarverslagen van de Volkskundecommissie en het instituutsarchief van het Meertens Instituut geven inzicht in deze periode van wederopbouw. Dit essay maakt deze bronnen inzichtelijk. De focus ligt daarbij minder sterk
1 Omdat per decreet op 8 augustus 1940 het predicaat ‘Koninklijke’ verboden was hee e de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen tijdens de oorlog de Nederlandse Akademie van Wetenschappen. G. Alberts en H.J. Zuidervaart (red.), De KNAW en de Nederlandse wetenschap tussen 1930-1960. Amsterdam, 2009, p. 17; H. van der Hoeven, ‘Vries, Jan Pieter Marie Laurens de (1890-1964)’, in Biografisch Woordenboek van Nederland: h p://resources.huygens.knaw.nl/bwn18802000/lemmata/bwn2/vriesjpml (bezocht op 4-12-2021). Verder bedank ik Judith Brouwer voor haar commentaar op dit essay.
2 H.W. Von der Dunk & I. de Haan & J. Th. M. Houwink ten Cate, Bevindingen over P.J. Meertens op grond van literatuur en geraadpleegde bronnen. Amsterdam, 2006, p. 37.
3 h p://resources.huygens.knaw.nl/bwn1880-2000/lemmata/bwn2/vriesjpml (bezocht op 4-12-2021).
Von der Dunk, Bevindingen, p. 43-48. Zie voor meer informatie over Meertens: P.B. Schuman, P.J. Meertens 1899-1985, Een documentatie 1899-1956, Het literair tekort. Amsterdam, 2020. Ton T. Dekker, De Nederlandse volkskunde, De verwetenschappelijking van een emotionele belangstelling. Amsterdam, 2002, p. 256-261.
op de inbedding van deze bronnen in de geschiedenis van de volkskunde. Dat ligt nog grotendeels open voor verder onderzoek.
Een ‘fout’ imago
Over de volkskunde, de Volkskundecommissie, het Volkskundebureau en Meertens in oorlogstijd is veel geschreven.4 Volkskunde stond bij de bezetter in een gunstige belangstelling en er werd door de pro-Duitse voorzitter van de Volkskundecommissie, Jan de Vries, geestdriftig gewerkt aan het oprichten van een omvangrijk ‘Rijksinstituut voor Nederlandsche Taal en Volkskultuur’.5 Dat Rijksinstituut zorgde bij de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) voor veel weerstand en kwam uiteindelijk niet van de grond. Voor De Vries persoonlijk liep dit avontuur ook niet goed af. Na de oorlog werd hij veroordeeld voor collaboratie en zijn lidmaatschap van de KNAW werd vervallen verklaard.6
De directe naoorlogse periode van de Volkskundecommissie en het Volkskundebureau is minder scherp belicht dan de periode in oorlogstijd. In de vier in dit esssay gebruikte werken over de volkskunde (drie overzichtswerken en een onderzoeksrapport), komen deze jaren óf beperkt aan bod óf zijn ze beschreven vanuit het perspectief van enkele personen. Er komt grotendeels eenzelfde beeld uit naar voren. Zo schrij oud-medewerker van het Meertens Instituut Ton Dekker in het overzichtswerk Volkscultuur over de periode na de vlucht van De Vries het volgende: “De Volkskundecommissie was daarmee van haar voorzi er en enige volkskundige beroofd en zou hiervan langdurig de nadelige gevolgen ondervinden”.7 Volgens Dekker was de oorlogsperiode niet zonder schade doorstaan. Echter, de werkzaamheden gingen, zo schrij Dekker “(…) volgens het oude patroon voort”.8 Van bezinning was geen sprake en Meertens pakte de “(…) vooroorlogse draad weer op (…)”.9 Dekker gaat in het overzichtswerk De Nederlandse Volkskunde wat dieper in op de jaren na de oorlog en de opdracht van het Volkskundebureau, het maken van de volkskunde-atlas. Hij schrij daarover: “Voor de Nederlandse volkskunde waren ze echter een periode van stagnatie, waarin het atlasproject maar niet van de grond kwam, waarin onveranderd aan de oude volkskundige uitgangspunten werd vastgehouden en waarin Meertens bovendien meende, vanwege de schade die het vak tijdens de oorlog had opgelopen, de volkskunde in de luwte te moeten houden door geen wetenschappelijke bijeenkomsten te
4 In dit onderzoek is gebruikgemaakt van de volgende vier werken: Von der Dunk, Bevindingen; Barbara Henkes, Uit liefde voor het volk, volkskundigen op zoek naar de Nederlandse identiteit 1918-1948 Amsterdam, 2005.; T. T. Dekker & H.W. Roodenburg & G.W.J. Rooijakkers (eds.), Volkscultuur. Een inleiding in de Nederlandse etnologie. Nijmegen, 2000 en Dekker, De Nederlandse volkskunde.
5 Von der Dunk. Bevindingen, p. 30-36; Dekker e.a., Volkscultuur, p. 42-47.
6 Dekker e.a., Volkscultuur, p. 47; Von der Dunk. Bevindingen, p. 47; Dekker, Volkskunde, p. 256-261.
7 Dekker e.a., Volkscultuur, p. 47. Zie ook: T. Dekker, ‘Het Rijksinstituut voor Nederlandse Taal en Volkscultuur. Een mislukt initiatief tijdens de Tweede Wereldoorlog’, Volkskundig Bulletin 20:3, 1994, p. 343-374.
8 Dekker e.a., Volkscultuur, p. 47.
9 Ibidem, Volkscultuur, p. 48.
organiseren.”10 Dekker schrij verder dat “de onvrede over de vakbeoefening (…) leefde in bredere kring.”11
Historica Barbara Henkes wijkt niet veel van af van dit beeld. Zij schrij in haar werk Uit liefde voor het Volk over die periode dat ondanks “(…) het ‘foute’ imago (…)” waarmee de volkskunde sinds de oorlog te kampen het “(…) door de nazi’s sterk verhoogde budget (…)” gehandhaafd bleef, maar dat een kritische reflectie achterwege bleef.12 Deze conclusie komt ook grotendeels overeen met hetgeen de historici Von der Dunk, De Haan en Houwink ten Cate schrijven in het rapport Bevindingen over P.J. Meertens op grond van literatuur en geraadpleegde bronnen. Zij stellen dat er een “(…) sterke geneigdheid (…)” was om op oude voet door te gaan.13 Over Meertens schrijven zij dat zijn “(…) inzet niet alleen ingegeven [was] door wetenschappelijke bezieling of financiële belangen, maar ook door persoonlijke omstandigheden.”14 Van reflectie op het vakgebied was volgens de opstellers van het rapport weinig terug te zien.15
Vier voorzitters in vier jaar
Het Volkskundebureau, dat als belangrijkste taak het maken van een volkskunde-atlas had en waar Meertens secretaris van was, werd bestuurd door de Volkskundecommissie.16 De vlucht van De Vries in 1944 naar Duitsland zorgde in die commissie in eerste instantie voor een bestuursverandering. In het jaarverslag van 1944 verwijst Meertens op neutrale toon naar het plotselinge vertrek van De Vries en de bestuurlijke gevolgen daarvan: “Gedurende de afwezigheid van den voorzi er, die sinds September buitenlands vertoe , nam prof. dr. Jac. van Ginneken het voorzi erschap der commissie waar.”17 Na meer dan vijf jaar De Vries als voorzi er koos de commissie met Van Ginneken voor een ervaren voorzi er.18 Van Ginneken was een oudgediende in de Volkskundecommissie: hij was lid van die commissie sinds de oprichting
10 Dekker, Volkskunde, p. 280-281.
11 Ibidem, p. 281.
12 Henkes, Liefde, p. 345.
13 Von der Dunk, Bevindingen, p. 45.
14 Ibidem. In het rapport staat over de omstandigheden van Meertens: “Bij de opstelling van een voordracht voor een Groningse hoogleraarsbenoeming was zijn veroordeling voor een zedendelict reden om hem laag te plaatsen. Hij was derhalve veroordeeld tot de knaw.”
15 Von der Dunk, Bevindingen, p. 42.
16 Voor een inleiding in de volkskundige vragenlijsten zie: A.J.T. Dekker & J.J. Schell (eds.). De volkskundevragenlijsten 1-58 (1934-1988) van het P.J. Meertens-Instituut. Amsterdam, 1989, p. 1-28.
17 Jac. van Ginneken & P.J. Meertens, Verslag van de Volkskundecommissie der Koninklijke Akademie van Wetenschappen te Amsterdam over 1944, p. 1.
18 Over de houding van Van Ginneken tijdens de Tweede Wereldoorlog is o.a. geschreven door S. Daalder. Zij vermeldt diverse meningen over de houding van Van Ginneken: van positief ten opzichte van de plannen van de beze er, tot iemand die doorwerkte in het vakgebied. S. Daalder, ‘Voorlichting over de dialectologie in beze ingsjaren. Jac. Van Ginneken (1877-1945) en de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen’, Voortgang, Jaarboek voor de neerlandistiek 23, 2005, p. 323-354, in het bijzonder p. 346.
daarvan in 1934 en had in 1939 ook tijdelijk het voorzi erschap waargenomen.19 Bovendien was hij ook sinds 1933 voorzi er van de Dialectencommissie (en lid van die commissie sinds de oprichting in 1926).20
Wanneer Van Ginneken op 20 oktober 1945 overlijdt, volgen er nieuwe wisselingen, waarbij opnieuw voor een ervaren voorzi er werd gekozen. Van de twee commissies waar Van Ginneken voorzi er van was, kwam de Dialectencommissie als eerste bijeen, op 12 november 1945. Prof. dr. C.G.N. de Vooys werd benoemd tot nieuwe voorzi er.21 De Vooys was ook sinds 1926 lid van de Dialectencommissie en de laatste van de leden die al sinds de oprichting daar zi ing in had.22 Bij de Volkskundecommissie verliep de bestuurswisseling anders. Die commissie was voor het laatst bijeengekomen op 17 april 1944 en in de notulen van de eerstvolgende bijeenkomst, die pas meer dan twee jaar later plaatsvond op 13 mei 1946, is het volgende te lezen: ”De heer De Vooys is door het vertrek van de heer De Vries automatisch voorzi er geworden, en is bereid dit voorlopig te blijven, tot onder Akademieleden een ander gegadigde wordt gevonden.”23
Minder dan een jaar daarna is een nieuwe voorzi er gevonden voor de Volkskundecommissie. Op 14 april 1947 werd prof. dr. Gerardus van der Leeuw tot voorzi er benoemd.24 Op 13 oktober 1947 zat hij zijn eerste vergadering voor. Daarmee kwam een einde aan de relatief snelle wisselingen van het voorzi erschap in de anders stabiele samenstelling van de Volkskundecommissie van de periode 1940-1947.25 Met deze benoeming wist de commissie een voorzi er met veel bestuurlijke ervaring aan zich te binden. Van der Leeuw was ook goed bekend met het werk van de Volkskundecommissie en Meertens. Laatsgenoemde had een omvangrijk netwerk waarmee hij contact
19 Verslag van de Volkskundecommissie der Koninklijke Akademie van Wetenschappen te Amsterdam over 1939, p. 1.
20 Verslag van de Dialectencommissie der Koninklijke Akademie van Wetenschappen te Amsterdam over 1933, p. 1; Archief Meertens instituut 39, inventarisnummer 358, Verslagen van vergaderingen van de Commissie voor Prae-advies omtrent Centralisatie van Nederlands Dialectonderzoek gehouden op 13 december 1926 en 14 februari 1927. 1926-1927. Zie voor de inventaris van het archief van het Meertens Instituut ook: Amanda Elsinghorst & Robert Spanings. Inventaris van het archief van het P.J. Meertens Instituut, 1930-1997. Amsterdam, 2007.
21 Verslag van de Dialectencommissie der Koninklijke Akademie van Wetenschappen te Amsterdam over 1945, p. 1.
22 Archief Meertens Instituut 39, inventarisnummer 358.
23 Archief Meertens Instituut 39, inventarisnummer 344, Agenda’s en verslagen van vergaderingen van de Dialectencommissie. Met bijlagen. 1930-1950.
24 Verslag van de Volkskundecommissie der Koninklijke Akademie van Wetenschappen te Amsterdam over 1947, p. 1.
25 De Volkskundecommissie veranderde weinig van samenstelling in de periode van 1940 t/m 1947 – op de wisselingen inzake de voorzi er na. Er vertrekt in die periode één lid wegens “(…) gezondheidstoestand (…)” (C.G.N. De Vooys & P.J. Meertens, Verslag van de Volkskundecommissie der Koninklijke Akademie van Wetenschappen te Amsterdam over 1945, p. 1) en komt er één nieuw lid bij (C.G.N. De Vooys & P.J. Meertens, Verslag van de Volkskundecommissie der Koninklijke Akademie van Wetenschappen te Amsterdam over 1946, p. 1). Terzijde: de Volkskundecommissie hee in de periode 1934-1978 in totaal acht voorzi ers gehad.
hield en Van der Leeuw en hij hadden al voor de oorlog met elkaar geschreven over het werk van de Volkskundecommissie.26
Van der Leeuw en de “actieve cultuurpolitiek”
Van der Leeuw was niet alleen goed bekend met de opdracht van het Volkskundebureau, hij had er ook een duidelijke visie op. In 1933, tijdens een van de Folkloredagen van D.J. van der Ven en De Vries (de latere voorzi er van de Volkskundecommissie), diende hij een resolutie in waarbij de aanwezigen zich uitspraken voor “(…) de wenschelijkheid en noodzakelijkheid van een volkskunde-atlas, tot stand gebracht en onder universitaire leiding en op nationale grondslag.”27 Van der Leeuw voegde op deze manier nationale en politieke betekenis toe aan de volkskunde-atlas.28
Voordat Van der Leeuw voorzi er werd van de Volkskundecommissie had hij een veelzijdige loopbaan gehad. Hij was predikant, wetenschapper en minister geweest. In 1918 werd Van der Leeuw aan de theologische faculteit in Groningen benoemd tot hoogleraar in “(…) de Geschiedenis van de godsdiensten in ‘t algemeen en de Geschiedenis van de leer aangaande God.”29 Na de oorlog werd hij een aanhanger van de ‘Doorbraakbeweging’ en werd hij minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen (OKW). 30 Op 24 juni 1945, met het aantreden van het kabinet-Schermerhorn-Drees, kreeg hij de leiding over het departement.31
Als minister was hij een sterk voorstander van een actief overheidsbeleid bij het bevorderen van kunsten en wetenschappen. Henkes stelt over Van der Leeuw in dit kader het volgende: “Volgens hem had de Nederlandse overheid in de jaren voorafgaand aan de Duitse inval zich onvoldoende gerealiseerd dat de handhaving van een nationale ona ankelijkheid niet zozeer een militaire als wel een culturele aangelegenheid was.”32 Zijn periode als minister eindigde toen hij na de verkiezingen van 1946 op 3 juli van dat jaar moest wijken voor een katholieke opvolger.
De subsidie van de Volkskundecommissie: van continuering naar investering
Van der Leeuw voerde ook wat betre de volkskunde een actieve cultuurpolitiek tijdens zijn ministerschap. Dat blijkt uit de subsidieverstrekking aan de Volkskundecommissie. Die subsidie was dankzij de belangstelling die de beze er had voor volkskunde met name in de eerste oorlogsjaren fors gestegen,
26 Brief van Van der Leeuw aan Meertens uit 1937: Archief Meertens Instituut, nummer 32, Correspondentie met diverse personen en instellingen. Alfabetisch op naam correspondent 1929-1977. 150 omslagen, 32.23 correspondenten L (1929-1940).
27 Henkes, Liefde, p. 70, 71.
28 Ibidem.
29 h p://resources.huygens.knaw.nl/bwn1880-2000/lemmata/bwn5/leeuw (bezocht op 4-12-2021).
30 Ibidem.
31 Ibidem.
32 Henkes, Liefde, p. 345.
namelijk van 2.000 gulden in 1940 naar 13.000 gulden in 1943. In de jaren 1944 en 1945 vlakte de stijging af en bleef de subsidie gelijk.33 Na de oorlog, in 1946, was de subsidie ook onveranderd gebleven. Henkes verklaart dat dit – zoals hierboven al staat – ondanks “(…) het ‘foute’ imago (…)” van de volkskunde kwam door de actieve politiek van Van der Leeuw.34 Het bleef na de oorlog bij het ministerie echter niet bij het gelijk houden van subsidie. Voor het jaar 1947 verhoogde het ministerie de subsidie voor de Volkskundecommissie flink.35 De subsidie ging toen van 13.000 gulden naar 17.000 gulden, een verhoging van meer dan 30%.36 In de onderstaande tabel is de subsidie weergegeven die er vanuit het Rijk voor de Volkskundecommissie kwam. Ter vergelijking is die voor de Dialectencommissie ernaast gezet. In de tabel is zichtbaar dat ook de subsidie voor de Volkskundecommissie, in de periode van 1939 tot en met 1947, ten opzichte van die voor de Dialectencommissie sterk is gestegen.
Jaar Volkskundecommissie Dialectencommissie
1939 1.000 fl. 4.000 fl.
1940 2.000 fl. 4.000 fl.
1941 5.000 fl. 4.000 fl.
1942 5.000 fl. 4.400 fl.
1943 13.000 fl. 4.400 fl.
1944 13.000 fl. 4.400 fl.
1945 13.000 fl. 4.400 fl.
1946 13.000 fl. 7.650 fl.
1947 17.000 fl. 9.000 fl.
Figuur 1: tabel met rijkssubsidie voor de Volkskundecommissie en de Dialectencommissie voor de periode 1939-1947.37
33 Jaarverslagen Volkskundecommissie 1940-1945. Verslag van de Volkskundecommissie der Koninklijke Akademie van Wetenschappen te Amsterdam over 1940; Verslag van de Volkskundecommissie der Koninklijke Akademie van Wetenschappen te Amsterdam over 1941; Verslag van de Volkskundecommissie der Koninklijke Akademie van Wetenschappen te Amsterdam over 1942; Verslag van de Volkskundecommissie der Koninklijke Akademie van Wetenschappen te Amsterdam over 1943; Verslag Volkskundecommissie 1944; Verslag Volkskundecommissie 1945.
34 Verslag van de Volkskundecommissie der Koninklijke Akademie van Wetenschappen te Amsterdam over 1946, p. 3; Henkes, Liefde, p. 345.
35 Verslag Volkskundecommissie 1947, p. 3.
36 Niet alleen steeg de subsidie van de Volkskundecommissie van de oorlog absoluut, ook ten opzichte van de inflatie steeg de subsidie Volkskundecommissie na de oorlog. Zie voor inflatiecijfers: Economische cijfers kabinet Schermerhorn-Drees (1945-1946),h ps://www.parlement.com/id/vifrji430jju/ economische_cijfers_kabinet_schermerhorn (25-12-2020) (bezocht op 4-12-2021) en Economische cijfers kabinet-Beel I (1946-1948), h ps://www.parlement.com/id/vifrl9zfr0ym/economische_cijfers_ kabinet_beel_i_1946/ (bezocht op 4-12-2021).
37 De subsidie vanuit het ministerie voor de Volkskundecommissie bestond in 1939 uit twee delen: 200 fl. subsidie en een toelage van 800 fl. voor de volkskunde-atlas. De totale begroting van de Volkskundecommissie was door incidentele subsidies soms hoger: in 1939 middels een subsidie van
Het Rijksinstituut voor Nederlandsche Taal en Volkskultuur, 1945-1947
Naast het verstrekken van subsidie was het ministerie van OKW na de oorlog, ten tijde van Van der Leeuw, ook op het organisatorische vlak actief op het gebied van de volkskunde. Dat blijkt uit een brief van 29 oktober 1947 van N.W. Posthumus – secretaris van de Afdeling Le erkunde van de KNAW – aan Meertens. Posthumus schrij dat op 19 februari 1946 het ministerie advies bij de Afdeling Le erkunde had ingewonnen over de oprichting van een “(…) Vaderlandsch Instituut (…)”.38 Die term was al eerder op het ministerie rondgegaan: in een aide-mémoire van vlak na de oorlog, waarschijnlijk opgesteld door het hoofd van de afdeling Cultuurbescherming en Wetenschap, mr. J.K. van der Haagen, zegt deze Johan Huizinga gevraagd te hebben om er over na te denken om na de oorlog het “(…) Instituut De Vries (…)” om te ze en in een “(…) Vaderlandsch Instituut (…)”.39
Het ‘Instituut De Vries’ verwijst weer naar het Rijksinstituut voor Nederlandsche Taal en Volkskultuur. In dit Rijksinstituut, waarvoor De Vries ijverde, zouden het Leidse bureau van het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT), het Dialectenbureau en het Volkskundebureau worden overgeheveld. Er is tijdens de oorlog veel om te doen geweest en dat is uitvoerig beschreven door onder anderen Ton Dekker in het artikel Het Rijksinstituut voor Nederlandse Taal en Volkscultuur. Ook in het rapport van Von der Dunk, De Haan en Houwink
300 fl. van het Provinciaal Utrechtsch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen én 200 fl. van het Koninklijk Nederlandsch Aardrijkskundig Genootschap. En in 1940 middels een subsidie van 200 fl. van het Algemeen Nederlands Verbond. Ook de Dialectencommissie ontving incidentele subsidies van andere organisaties (of personen) dan het ministerie (de genoemde bedragen zijn van het jaar van binnenkomst): in 1939 in totaal 924 fl. In 1940 in totaal 799,40 fl. In 1941 in totaal 741 fl. In 1942 in totaal 1199,50 fl., waarvan 750 fl. van de Nederlandse Akademie van Wetenschappen. In 1943 in totaal 913,50 fl., waarvan 500 fl. van de Afdeling Le erkunde van de Akademie. In 1944 in totaal 1385,50 fl., waarvan 1000 fl. van de Afdeling Le erkunde van de Akademie. In 1945 in totaal 1018 fl., waarvan 1000 fl. a omstig van de Afdeling Le erkunde van de Akademie. In 1946 in totaal 687,50 fl. In 1947 in totaal 372,50 fl. Verslag Volkskundecommissie 1939 t/m 1947. Zie: Verslag Volkskundecommissie 1939; Verslag Volkskundecommissie 1940; Verslag van de Dialectencommissie der Koninklijke Akademie van Wetenschappen te Amsterdam over 1939; Verslag van de Dialectencommissie der Koninklijke Akademie van Wetenschappen te Amsterdam over 1940; Verslag van de Dialectencommissie der Koninklijke Akademie van Wetenschappen te Amsterdam over 1941; Verslag van de Dialectencommissie der Koninklijke Akademie van Wetenschappen te Amsterdam over 1942; Verslag van de Dialectencommissie der Koninklijke Akademie van Wetenschappen te Amsterdam over 1943; Verslag van de Dialectencommissie der Koninklijke Akademie van Wetenschappen te Amsterdam over 1944; Verslag Dialectencommissie 1945; Verslag van de Dialectencommissie der Koninklijke Akademie van Wetenschappen te Amsterdam over 1946; Verslag van de Dialectencommissie der Koninklijke Akademie van Wetenschappen te Amsterdam over 1947.
38 Brief van H.W. Posthumus aan P.J. Meertens van 29 oktober 1947. Archief Meertens Instituut, nummer 39, inventarisnummer 128, Ingekomen stukken bij en doorslagen van uitgaande stukken van de Centrale Commissie voor Onderzoek van het Nederlandse Volkseigen. 1947-1949, 1954, 19571959, 1961-1965.
39 Dekker, Rijksinstituut, p. 366.
ten Cate wordt het behandeld.40 De KNAW verze e zich in de oorlog tegen het oprichten van een dergelijk Rijksinstituut en gaf het ministerie een negatief advies. Het instituut kwam er ook niet.
Ook het uiteindelijke mislukken van het Rijksinstituut tijdens de oorlog is uitvoerig beschreven. Dekker stelt dat op 13 juni 1943 het departement besloot om “(…) met ingang van een nader te bepalen datum (…)” het instituut op te richten.41 Hij schrij dat de toegenomen anti-Duitse stemming en het negatieve advies van de Akademie de “(…) geschikte onderzoekers kopschuw (…)” hadden gemaakt. Bij de Nederlandse overheid was zo, volgens Dekker, ook een “(…) stille tegenwerking (…)” op gang gekomen.42 Bij Von der Dunk, De Haan en Houwink ten Cate valt het einde van het instituut samen met de vlucht van De Vries naar Duitsland: “De kans daarop werd nihil toen De Vries uit vrees voor een Bijltjesdag op 4 september 1944 de wijk nam naar Leipzig.”43 Met de mislukking in de oorlog van het Rijksinstituut voor Nederlandsche Taal en Volkskultuur verdween het initiatief echter niet van het toneel, zo blijkt uit de brief van Posthumus. Na de bevrijding van Nederland liep het maken van plannen door in 1946 en 1947. Posthumus schreef naar Meertens dat de Afdeling (Le erkunde van de KNAW) het voorstel voor een “(…) Vaderlandsch Instituut (…)” in “(…) uitgebreide vorm (…)” hee verworpen. Maar, zo stelde hij, de Afdeling hee de Minister – Van der Leeuw – wel geadviseerd “(…) tot oprichting van een Rijksinstituut voor Taal- en Volkskundig onderzoek, waarin behalve de beide genoemde bureaus verschillende aanverwante wetenschappen zouden kunnen worden ondergebracht. Gedacht werd daarbij aan de rechtsgewoonten en de Toponymie.”44
Op het ministerie hield men intussen rekening met een Rijksinstituut voor Nederlandsche Taal en Volkscultuur. In de rijksbegroting van 1946 en in 1947 was daar een post voor opgenomen.45 De reserveringen werden echter niet geëffectueerd. In de wijziging van de begroting voor 1946 staat: “De door de toenmalige ambtsvoorganger van ondergetekende voorgenomen oprichting van het Rijksinstituut voor Nederlandse Taal en Volkscultuur hee tot dusver geen doorgang gevonden, zodat het bedrag van dit artikel tot nihil kan worden teruggebracht.”46
40 Dekker, Rijksinstituut; Von der Dunk, Bevindingen, p. 35 e.v.
41 Dekker, Rijksinstituut, p. 362.
42 Dekker, Volkscultuur, p. 43; Dekker, Rijksinstituut, p. 362.
43 Von der Dunk, Bevindingen, p. 36. In noot 175 komt niet het Rijksinstituut, maar wel de begroting van de Volkskundecommissie na de oorlog terug, zie Von der Dunk, Bevindingen, p. 69.
44 Archief Meertens Instituut, nummer 39, inventarisnummer 128, brief van H.W. Posthumus aan P.J. Meertens van 29 oktober 1947. De “(…) uitgebreide vorm (…)” verwijst waarschijnlijk naar het plan dat in het begin van de oorlog op tafel lag waarbij ook het bureau van het WNT ingesloten zou worden.
45 Rijksbegroting Dienstjaar 1946, Bijlage A, Kamerstuk Tweede Kamer 1945-1946, kamerstuknummer 2 VI ondernummer 1, p. 10; Rijksbegroting Dienstjaar 1947, Bijlage A, Kamerstuk Tweede Kamer 1945-1946, kamerstuknummer 300 VI ondernummer 1, p. 5 en p. 11.
46 Memorie van Toelichting, Wijziging van het zesde hoofdstuk der Rijksbegroting voor het dienstjaar 1946. Artikel 245.
Dat er geen ‘doorgang’ hee plaatsgevonden is opvallend. Immers, met de in de brief van Posthumus beschreven positie van de KNAW in 1946 ten opzichte van een Rijksinstituut en de naoorlogse reservering van het ministerie in de begroting van dat jaar zou geconcludeerd kunnen worden dat de doelen in elkaars verlengde lagen. Echter, Posthumus stelde: “Naar het zich laat aanzien zal dit plan van Rijkswege voorshands geen uitvoering vinden”.47 Hij schreef vervolgens: “Het bestuur acht de stichting van een dergelijk lichaam echter van zodanig belang, dat het de instelling daarvan onder de Akademie meent te moeten bevorderen.”48 Posthumus vervolgde: “De nieuwe organisatie zou, naar analogie van het oorspronkelijk voorstel tot oprichting van een Rijksinstituut, de naam kunnen krijgen: Centrale Commissie voor Taal- en Volkskundig onderzoek.”49 Meertens werd in de brief op 10 november 1947 uitgenodigd voor overleg over de oprichting van dat instituut door de KNAW.50
De oprichting van de Centrale Commissie voor onderzoek van het Nederlandse Volkseigen
Op 10 november 1947 werd om 10.00 uur in de ochtend in het Trippenhuis in Amsterdam de vergadering voor het oprichten van de Centrale Commissie voor onderzoek van het Nederlandse Volkseigen geopend. De vertegenwoordigers van de afdelingen die de KNAW in één commissie wilden organiseren, zijn dan aanwezig.51 Naast de afdeling Le erkunde van de KNAW waren de Dialectencommissie, de Volkskundecommissie, het Instituut voor Sociaal Onderzoek van het Nederlandse Volk en de Commissie voor Nederlandse Rechtsgewoonten vertegenwoordigd. Onder de aanwezigen waren Posthumus, De Vooys, Van der Leeuw en ook Meertens.
47 Archief Meertens Instituut, nummer 39, inventarisnummer 128, brief van H.W. Posthumus aan P.J. Meertens van 29 oktober 1947. Wellicht kan een verklaring gevonden worden in het feit dat het contact over het Rijksinstituut van 19 februari 1946 was en dat Van der Leeuw op 3 juli van dat jaar moest vertrekken als minister. Mogelijk gaf zijn opvolger geen fiat voor deze plannen. Ook kan het zijn dat de KNAW een Rijksinstituut zonder het bureau van het WNT voorstelde en OKW dat niet wenselijk ach e waarna de KNAW het he in eigen hand hee genomen. Hoe het ook is gelopen, voor dit onderzoek is het van belang dat OKW de Volkskundecommissie en het Volkskundebureau belangrijk genoeg vond om een andere, grotere, organisatie na te streven. Hiermee in lijn is de conclusie van Dekker dat de “Politieke bezwaren tegen het instituutsplan waren vervallen.” (T. Dekker. Volkscultuur, p. 47). De literatuur, het archief van het Meertens Instituut en de rijksbegroting geven op dit punt niet meer informatie. Hiervoor is nader archiefonderzoek nodig, bijvoorbeeld in het archief van OKW. Zie ook in dit artikel de paragraaf: “Gebruikte archieven en bronnen” voor aanbevelingen voor verder onderzoek.
48 Archief Meertens Instituut, nummer 39, inventarisnummer 128, brief van H.W. Posthumus aan P.J. Meertens van 29 oktober 1947.
49 Ibidem.
50 Ibidem.
51 Archief Meertens Instituut, nummer 39, inventarisnummer 128, ‘Notulen Vergadering tot oprichting van een Centrale Commissie voor Taal – en Volkskundig onderzoek’, 10 november 1947.
Het doel van de vergadering was het oprichten van een “Centrale Commissie voor Taal- en Volkskundig onderzoek”.52 Dat gebeurde ook tijdens de bijeenkomst. Maar voor het zover was, kwam er nog eerst een discussie over de naam en de samenstelling. Uiteindelijk werd besloten om voorlopig te kiezen voor de naam: “Commissie voor onderzoek van het Nederlandse Volkseigen”. 53 De commissie bestond (ook voorlopig, volgens de notulen) uit vijf afdelingen: 1. Dialectologie, 2. Volkskunde, 3. Naamkunde, 4. Rechtsgewoonten en 5. Sociografie. Elke afdeling had een secretaris, waarbij Meertens tijdens de vergadering naar voren werd geschoven als secretaris van de nog op te richten “Toponymische commissie”. De secretaris van de afdeling Le erkunde fungeerde als algemeen secretaris. De nieuwe commissie werd gehuisvest in de voormalige Anna Visserschool, in de Nieuwe Hoogstraat te Amsterdam, vlakbij het Trippenhuis. 54
Met deze vergadering was de kogel definitief door de kerk en volgden de stappen elkaar snel op. Een week later, op 17 november, werd de oprichting van de Centrale Commissie voor onderzoek van het Nederlandse Volkseigen per brief aan de minister OKW bevestigd.55 In die brief staat ook dat de Centrale Commissie op 1 januari 1948 in werking zou treden. Daaraan werd toegevoegd dat de begrotingen voor 1948 voor de Dialectencommissie en de Volkskundecommissie nog zouden volgen. De Naamkundecommissie zou later, in het eerste jaar van haar bestaan, een subsidie van 6.000 gulden verwerven.56 Ook voor Meertens persoonlijk waren er veranderingen. Zijn positie bij de KNAW werd met de oprichting van de Naamkundecommissie uitgebreid. Hij werd ook van deze commissie secretaris. Een jaar later, in 1949, volgde voor Meertens nog een promotie: hij werd toen benoemd tot directeur van het instituut waarin de drie bureaus waren ondergebracht. Meertens bekleedde deze functie tot aan zijn pensionering in 1965.57
52 Archief Meertens Instituut, nummer 39, inventarisnummer 128, brief van H.W. Posthumus aan P.J. Meertens van 29 oktober 1947.
53 Archief Meertens Instituut, nummer 39, inventarisnummer 128, ‘Notulen Vergadering tot oprichting van een Centrale Commissie voor Taal- en Volkskundig onderzoek’, 10 november 1947.
54 Ibidem.
55 Archief Meertens Instituut, nummer 39, inventarisnummer 128, brief (nr. 1217) van de Afdeling Le erkunde KNAW aan de Minister van OKW, 17 november 1947. In de brief aan de minister is aan de naam van de commissie het woord “Centrale” toegevoegd. Dat zal daarna ook zo gehandhaafd worden.
56 In het jaarverslag van de Naamkundecommissie van 1948 staat over de subsidie het volgende: “Op voorstel van het voorlopig bestuur van de Nederlandse Organisatie voor Zuiver Wetenschappelijk Onderzoek hee de Minister van O.K.W. bij schrijven van 21 October 1948 aan de Stichting voor Bodemkartering te Wageningen voor 1948 een subsidie van f 6.000,- verleend ten behoeve van een zuiver wetenschappelijk onderzoek op het gebied van de naamkunde, met de bedoeling dat dit subsidie aan de commissie ter hand zou worden gesteld.” Verslag van de Naamkundecommissie der Koninklijke Akademie van Wetenschappen te Amsterdam over 1948, p. 2.
Le erkunde aan de ‘Afdelingen Dialectologie, Volkskunde en Naamkunde der Centrale Commissie voor Onderzoek van het Nederlandse Volkseigen’, 13 december 1949; Elsinghorst. Inventaris, p. 7.
In 1948 kwam de Centrale Commissie voor onderzoek van het Nederlandse Volkseigen in het gebouw van de voormalige Anna Visscherschool in de Nieuwe Hoogstraat in Amsterdam. Het pand werd in 1969 weer verlaten. Tegenwoordig zit de opvolger van de Commissie, het Meertens Instituut, enkele honderden meters verderop in het Spinhuis aan de Oudezijds Achterburgwal. Op de gevel in de Nieuwe Hoogstraat werd in 2015 de naam van de Commissie weer aangebracht. Foto: Douwe Zeldenrust, 7 december 2021.
Over de complexe organisatorische voorgeschiedenis van de Centrale Commissie concludeerde Dekker het volgende: “Men kan stellen dat het instituutsplan van De Vries de weg hee gebaand voor de oprichting van de Centrale commissie voor het onderzoek van het Nederlandse Volkseigen in 1948, het latere P.J. Meertens-Instituut.”58 Ook Meertens stelde dat het in sommige opzichten op het Rijksinstituut lijkt.59 Dick Blok, de opvolger van Meertens als directeur, ging in zijn in memoriam over de in 1964 gestorven De Vries nog wat verder. Blok stelde dat De Vries de eer toekwam als geestelijk vader van het Instituut.60 Zonder hier verder in te gaan op de precieze kwalificaties die De Vries in dit kader kreeg, kan ook Van der Leeuw genoemd worden als belangrijke speler in de aanloop naar de oprichting van het instituut. In de naoorlogse jaren hee hij, als De Vries van het toneel is verdwenen, eerst als minister van OKW en later als voorzi er van de Volkskundecommissie dit proces van dichtbij en in bestuurlijke sleutelposities overzien.
58 Dekker, Rijksinstituut, p. 366.
59 Von der Dunk, Bevindingen, p. 46: “Het leek in sommige opzichten op het Rijksinstituut van De Vries, zoals Meertens ook in zijn In memoriam voor De Vries constateerde.”
60 Dekker, Rijksinstituut, p. 343.
Het aantal ‘medewerkers’, van verlies naar wederopbouw
Ondanks de wisselingen van voorzi ers en de organisatorische perikelen en veranderingen, bleef het hoofddoel voor de Volkskundecommissie hetzelfde.61 Bij de oprichting in 1934, was het doel “(…) een atlas der Nederlandsche volkskunde samen te stellen”.62 Het verschijnen van de atlas was in de jaren ’40 nog lang niet in zicht en pas in 1959 werd de eerste aflevering opgeleverd.63 Om de atlas en de kaarten te maken, gebruikte de commissie vragenlijsten. Voor het invullen van de vragenlijsten werd gebruikgemaakt van een indirect systeem: er werden informanten ingezet. Die informanten werden in de jaarverslagen ook ‘medewerkers’ genoemd. Het aantal medewerkers dat de vragenlijsten invulde, is in de periode van 1939 tot en met 1947 bij het Volkskundebureau een belangrijk aandachtspunt. In 1939 sprak Meertens van ongeveer 1.800 informanten.64 Het aantal werd daarna in de jaarverslagen niet meer genoemd, maar zij geven de indruk dat men in de eerste oorlogsjaren daar niet erg ongerust over was. Zo werd bijvoorbeeld in het jaarverslag van 1942 een teruggang gemeld van de hoeveelheid medewerkers, maar daar werd de volgende opmerking bijgevoegd: “Nie emin werden o.a. door persoonlijk bezoek ook dit jaar weer tal van nieuwe medewerkers gewonnen.”65 Een jaar later bleef de hoeveelheid “(…) vrijwel stationair (…)”, zo stond in dat jaarverslag.66 In 1944 was de toon bezorgder en stond de wens vermeld om het aantal medewerkers na de oorlog weer op peil te brengen.67 In het laatste oorlogsjaar werd bericht dat er “(…) enkel honderden (…)” informanten zijn verloren.68 Meertens noemde een aantal voor de hand liggende oorzaken voor de het afnemend aantal medewerkers na 1943. In het jaarverslag van 1944 hij had het in dit kader over het “(…) niet bereikbaar (…)” zijn van de “(…) zuidelijke provincies van ons land (…)” en over “(…) vrijwillig of gedwongen verblijf in het buitenland (…)”.69 Voor 1945 schreef hij dat de afname van het aantal informanten kwam “(…) door sterfgeval of verhuizingen, in ’t bijzonder in de geëvacueerde gebieden van ons land.”70 Er werd ook actie ondernomen tot uitbreiding in de hoop dat de achterstand snel zou worden ingehaald. Dat lukte in dat jaar ten dele. Meertens voegde er dan ook nog een observatie over de volkskunde in oorlogstijd aan toe: “Het getal dergenen, die tengevolge van de
61 Dekker, Volkscultuur, p. 52. Pas in de jaren ’60 (van de 20e eeuw) in Nederland was er sprake van een koerswijziging: “Deze koerswijziging binnen het atlasproject was voornamelijk door interne discussies binnen het Volkskundebureau tot stand gekomen.”
62 Verslag van de Volkskundecommissie der Koninklijke Akademie van Wetenschappen te Amsterdam over 1934, p. 1.
63 Dekker, Volkskundige vragenlijsten, p. 25.
64 Verslag Volkskundecommissie 1939, p. 2.
65 Verslag Volkskundecommissie 1942, p. 1 (exacte aantallen worden niet genoemd).
66 Verslag Volkskundecommissie 1943, p. 1 (exacte aantallen worden niet genoemd).
67 Verslag Volkskundecommissie 1944, p. 1 (exacte aantallen worden niet genoemd).
68 Verslag Volkskundecommissie 1945, p. 1 (exacte aantallen worden niet genoemd).
69 Verslag Dialectencommissie 1944, p. 1 (exacte aantallen worden niet genoemd).
70 Verslag Volkskundecommissie 1945, p. 1-2 (exacte aantallen worden niet genoemd).
belangstelling, die het nationaal-socialisme voor de volkskunde hee getoond, dat zij hun verdere medewerking weigerden, is gelukkig zeer gering.”71
Ook in de eerste jaren na de oorlog bleven de informanten een aandachtspunt. Zo stond in het jaarverslag van 1946 daarover het volgende: “De werkzaamheden van het administratieve personeel van het bureau hebben zich in het afgelopen jaar sterk uitgebreid, o.a. ten gevolge van de met succes bekroonde actie tot uitbereiding van het aantal medewerkers.”72 Een jaar later werd opnieuw over succes op dit vlak gesproken: “Aan de uitbreiding van het medewerkerscorps hee het bureau zich ook nu weer met grote ijver en met succes gewijd”.73 In 1948 was het gewenste aantal weer bereikt en verdween het opbouwen van het informantenbestand naar de achtergrond. In dat jaarverslag is er dan ook niets meer over terug te vinden.74
De vragenlijsten: door een dal naar herstel
Zoals hierboven al vermeld werden informanten ingezet om de vragenlijsten in te vullen. Deze lijsten vormden de hoofdbron van de atlas die moest worden opgeleverd. In totaal zijn er in het bestaan van de Volkskundecommissie en het Meertens Instituut meer dan zeventig vragenlijsten op het gebied van volkskunde en etnologie uitgezet.75 Tegenwoordig gebeurt dat digitaal.76 De vragenlijsten zijn de omvangrijkste en belangrijkste collectie die is aangelegd binnen de Volkskundecommissie.
De commissie probeerde in de jaren ’40 elk jaar een vragenlijst uit te ze en.
Meestal gebeurde dat aan het einde van het jaar, in december.77 Maar dat lukte niet altijd. In 1942 en 1943 werden de vragenlijsten in januari van het opvolgende jaar uitgezet. Voor 1944 moest, zo schreef Meertens, met de “(…) jarenlange traditie (…)” door de oorlogsomstandigheden worden gebroken.78 Er werd geen vragenlijst verzonden. In december 1945 werd de eerste naoorlogse vragenlijst verstuurd en in 1947 werd een inhaalslag uitgevoerd toen in dat jaar zowel in januari als in december een vragenlijst werd verstuurd.79 In de negen jaar van de periode van 1939 tot en met 1947 werden in totaal acht vragenlijsten uitgezet.
De geretourneerde vragenlijsten vormen het resultaat van de inspanningen van de Volkskundecommissie, het Volkskundebureau en de informanten. Dat resultaat werd nauwle end bijgehouden en zorgvuldig opgeslagen: het aantal ontvangen vragenlijsten werd in de jaarverslagen precies genoteerd en in de oorlogstijd was een deel van de vragenlijsten buiten het Trippenhuis “(…) in
71 Verslag Volkskundecommissie 1945, p. 2 (exacte aantallen worden niet genoemd).
72 Verslag Volkskundecommissie 1946, p. 2 (exacte aantallen worden niet genoemd).
73 Verslag Volkskundecommissie 1947, p. 1 (exacte aantallen worden niet genoemd).
74 Verslag Volkskundecommissie 1948.
75 Archief Meertens Instituut, nummer 36, Collectie Vragenlijsten van de afdeling Volkskunde, 19342004; Archief Meertens instituut 1011, Vragenlijsten (1931-2004), 2000-2016.
76 h ps://meertenspanel.meertens.knaw.nl/ (bezocht op 6-12-2021).
77 Verslag Volkskundecommissie 1944, p. 1.
78 Ibidem.
79 Verslag Volkskundecommissie 1946, p. 1; Verslag Volkskundecommissie 1947, p. 1.
veiligheid gebracht (…).80 Na afloop van de oorlog werden de vragenlijsten, toen de werkzaamheden ook weer volledig werden hervat, weer teruggebracht.81 In de onderstaande tabel staat het aantal vragenlijsten genoteerd en er staat ook de toename van het aantal in absolute getallen en procentueel ten opzichte van het jaar ervoor. De getallen van de dialectvragenlijsten zijn er ter vergelijking aan toegevoegd.
Jaar Volkskundevragenlijsten, het totale aantal geretourneerde vragenlijsten
Dialectvragenlijsten, het totale aantal geretourneerde vragenlijsten
Tabel 2: Geretourneerde volkskunde- en dialectvragenlijsten in de periode 1939-1947.
Het aantal volkskundevragenlijsten dat werd geretourneerd, steeg in de eerste oorlogsjaren en piekte in 1941. Daarna zakte het aantal weg om in 1945 een dal te bereiken. Er kwamen in dat jaar minder dan 100 vragenlijsten terug. Ook in dit geval kwam Meertens met een voor de hand liggende verklaring: het kwam, zo schreef hij, omdat “(…) de medewerkers over het algemeen tezeer met materieele en andere zorgen vervuld waren (…)”.82 Zoals hierboven al staat ging het Volkskundebureau na de oorlog succesvol informanten werven en het aantal geretourneerde vragenlijsten steeg vervolgens ook mee, om in 1947 in absolute zin te herstellen naar boven het vooroorlogs niveau.83 De aantallen dialectvragenlijsten laten in absolute getallen vrijwel hetzelfde patroon zien, behalve dat de pieken en dalen wat minder groot zijn dan bij de volkskundevragenlijsten.84
80 Verlag Volkskundecommissie 1945, p. 1.
81 Verlag Volkskundecommissie 1945, p. 1-2.
82 Verslag Dialectencommissie 1945, p. 2.
83 Dit herstel kan ook de verklaring zijn waarom er in 1948 in het jaarverslag geen melding meer is over het werven van informanten, de hoeveelheid geretourneerde vragenlijsten is immers weer op vooroorlogs niveau.
84 Dat de pieken en dalen wat groter zijn bij het aantal geretourneerde de volkskundige vragenlijsten ten opzichte van de dialectvragenlijsten komt mede door het totale aantal vragenlijsten. De procentuele toename van eenzelfde hoeveelheid vragenlijsten neemt af naarmate het totale aantal geretourneerde vragenlijsten groter wordt.
Conclusie
Over de Volkskundecommissie, het Volkskundebureau, de collaboratie van De Vries en de houding van Meertens tijdens de Tweede Wereldoorlog, is veel geschreven. De eerste jaren na de oorlog zijn daarentegen wat onderbelicht gebleven. Henkes schrij in Uit liefde voor het Volk over die periode dat ondanks “(…) het ‘foute’ imago (…)” waarmee de volkskunde sinds de oorlog te kampen het “(…) door de nazi’s sterk verhoogde budget (…)” gehandhaafd bleef, maar dat een kritische reflectie achterwege bleef.85 Dat beeld wordt bevestigd door Von der Dunk, De Haan en Houwink ten Cate in het rapport Bevindingen over P.J. Meertens op grond van literatuur en geraadpleegde bronnen, door Dekker in zijn boek
De Nederlandse Volkskunde en in het boek Volkscultuur van Dekker, Roodenburg en Rooijakkers.
Dat De Vries had gecollaboreerd met de Duitsers stond direct na (en eigenlijk al tijdens) de oorlog al vast. Hij werd ook ontslagen als hoogleraar en kwam niet meer terug in de Volkskundecommissie. Daarnaast past de conclusie dat van ‘kritische reflectie’ bij de Volkskundecommissie geen sprake is bij het feit dat het hoofddoel van het volkskundebureau – het samenstellen van volkskunde-atlas – na de oorlog onveranderd bleef.86 Ook in 1947 veranderde de KNAW, bij de formering van de Centrale Commissie voor onderzoek van het Nederlandse Volkseigen, het doel en de samenstelling van het Volkskundebureau niet. Kennelijk zag men daarvoor geen aanleiding. Het is dan ook de vraag of betrokken tijdsgenoten het Volkskundebureau en de Volkskundecommissie zagen als ‘fout’. Zo was wetenschapper De Vooys bereid om na de oorlog in 1945 tijdelijk de voorzi ershamer op te nemen van de Volkskundecommissie en verbond oud-minister Van der Leeuw zich in 1947 als definitieve voorzi er hieraan.87
Dezelfde Van der Leeuw was direct na de oorlog minister van OKW. Dat ministerie stond welwillend ten opzichte van de Volkskundecommissie en het Volkskundebureau. Het budget voor de Volkskundecommissie werd voor 1946 gestabiliseerd om voor 1947 zelfs met 30% te worden verhoogd. Op het ministerie van OKW werd in die jaren bovendien rekening gehouden met de oprichting van een Rijksinstituut voor Nederlandsche Taal en Volkscultuur. Daar was ook contact over met de KNAW. Van de geschiedenis van dat Rijksinstituut is tot nu toe vooral de oorlogstijd beschreven en het beeld is dat het initiatief, met de vlucht van De Vries naar Duitsland, een langzame dood zou zijn gestorven. Het doek blijkt pas in de tweede hel van 1947 definitief te vallen met de oprichting
85 Henkes, Liefde, p. 345.
86 Dat in dit onderzoek geen sporen zijn gevonden van ‘kritische reflectie’ wil in principe niet zeggen dat die er niet is geweest: maar zelfs in het geval dat er wél sprake is geweest van ‘kritische reflectie’ zorgde de uitkomst daarvan blijkbaar niet voor een andere koers. Dekker schrij dat in het buitenland niet direct sprake was van theoretische kritische bezinning. In Duitsland werd de kritiek op het vak van de socioloog Heinz Maus door prominente volkskundige de kop in gedrukt. Dekker, Volkskunde, p. 275-277.
87 In de periode 1944-1945 is Van Ginneken, na het vertrek van De Vries, eveneens tijdelijk voorzi er geweest. Ook hij was bereid om, net als De Vooys en Van der Leeuw, de voorzi ershamer op te pakken.
van de Centrale Commissie voor onderzoek van het Nederlandse Volkseigen door de KNAW. Daarmee was het Rijksinstituut formeel weliswaar verdwenen, echter de Centrale Commissie voor onderzoek van het Nederlandse Volkseigen leek volgens betrokkenen wel weer op het Rijksinstituut.
Ook van de informanten, de achterban van de Volkskundecommissie die de gegevens aanleverden voor de volkskunde-atlas, kan worden gesteld dat zij na de oorlog overwegend positief stonden tegenover het Volkskundebureau. Dat aantal informanten liep weliswaar tijdens de laatste jaren van de oorlog terug en Meertens maakte zich dan zorgen, maar hij stelde in 1945 het volgende: “Het getal dergenen, die tengevolge van de belangstelling, die het nationaal-socialisme voor de volkskunde hee getoond, dat zij hun verdere medewerking weigerden, is gelukkig zeer gering”.88 In 1946 en 1947 volgden succesvolle acties om de hoeveelheid informanten weer op niveau te brengen. Als in dat laatste jaar het aantal binnengekomen vragenlijsten zelfs boven het vooroorlogs niveau komt, is de wederopbouw op dat vlak meer dan volledig.
Voor Meertens, vanuit het perspectief van zijn rol van secretaris van de Volkskundecommissie, verliepen de eerste jaren na de oorlog ook voorspoedig. Op financieel vlak lukte het om groei te realiseren. Zoals al genoemd stabiliseerde de subsidie voor de volkskundecommissie zich in 1946, om in 1947 fors te stijgen. Daarnaast weet hij in 1947 zijn positie te versterken en wordt hij, binnen de nieuw opgerichte Centrale Commissie voor onderzoek van het Nederlandse Volkseigen (die van start ging op 1 januari 1948) ook secretaris van de Naamkundecommissie. Daarmee zijn voor hem de fundamenten weer opnieuw opgebouwd naar vooroorlogs niveau en soms zelfs verstevigd. Meertens is dan ook positief over 1947: hij sluit het jaarverslag van dat jaar af met te constateren dat er een “(…) stijgende belangstelling (…)” is voor de volkskunde.89
Epiloog
Met het ontstaan van de Centrale Commissie voor onderzoek van het Nederlandse Volkseigen kwam er een voorlopig einde aan de discussie rond de organisatie van de Volkskundecommissie. Dat wil niet zeggen dat er geen veranderingen waren. Nog voor het einde van het decennium werd Meertens directeur en niet veel later, in 1950 overleed Van der Leeuw. In het jaarverslag van dat jaar werd dat gezien als een “(…) gevoelig verlies.”90 Hij werd opgevolgd door prof. dr. Hendrik Wagenvoort. Net als Van der Leeuw had ook Wagenvoort een goed netwerk: zo was hij lid van de KNAW en van 1951 tot 1960 president van de Nederlandse Organisatie voor Zuiver-Wetenschappelijk Onderzoek (ZWO), de voorloper van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek
88 Jaarverslag VC 1945, 2.
89 Verslag Volkskundecommissie 1945, p. 4.
90 Verslag van de Volkskundecommissie der Koninklijke Akademie van Wetenschappen te Amsterdam over 1950, p. 1.
(NWO).91 De samenstelling van de Volkskundecommissie veranderde langzaam in de jaren die volgden doordat leden met pensioen gingen of overleden. Meertens bleef nog lange tijd betrokken bij de Volkskundecommissie. In 1976, meer dan tien jaar na zijn pensionering als directeur, legde hij uiteindelijk zijn lidmaatschap wegens gezondheidsredenen neer.92
Gebruikte archieven en bronnen
In dit artikel is, naast secundaire literatuur, vooral gebruikgemaakt van de jaarverslagen van de Volkskundecommissie en de Dialectencommissie en het instituutsarchief van het Meertens Instituut. Dat archief is echter niet zonder problemen. Er ontbreken vrijwel gehele series notulen en beleidsen organisatiestukken van vóór de jaren 70.93 Zo bevat de inventaris van de Centrale Commissie voor Onderzoek van het Nederlandse Volkseigen, naast kasboekjes, alleen in- en uitgaande stukken uit 1947, 1954, 1963, 1964 en 1965.94
Von der Dunk, De Haan en Houwink ten Cate stellen in dit kader dat het leven van Meertens goed is gedocumenteerd, maar de onderzoekers constateren echter ook gebreken bij de archivering van het Meertens Instituut: “(…) cruciale documenten met betrekking tot Meertens ontbraken.”95
Naast de bronnen die komen uit 1913 (A . 1 & 2) het Meertens Instituut is er voor dit onderzoek gebruik gemaakt van de online beschikbare gegevens over de Kamerstukken en Rijksbegroting. Daar is een beperkte, maar voor dit onderzoek toereikende hoeveelheid informatie in terug te vinden over de plannen en financiering van na de oorlog van het Rijksinstituut voor Nederlandsche Taal en Volkskultuur. Voor nader onderzoek zijn er nog vele andere archieven te raadplegen over dit onderwerp die meer en gedetailleerdere informatie kunnen beva en. Zo kan bijvoorbeeld het archief van de Tweede Kamer bij het Nationaal Archief over de Rijksbegrotingen nog worden geraadpleegd. Ook zal er wellicht meer over de beweegredenen van Van der Leeuw in het archief van het ministerie van OKW kunnen worden gevonden. Bovendien kan ook nog, voor verder onderzoek, het archief van de KNAW worden geraadpleegd. Ook is het mogelijk dat er persoonlijke archieven zijn die meer inzicht geven in de drijfveren van sommige hoofdrolspelers.
Ten slo e kunnen de nu in uitvoering zijnde digitaliseringsprojecten op het Meertens Instituut in de toekomst meer inzicht geven in de geschiedenis van het instituut en in het bijzonder informatie opleveren over de informanten. Via ‘Vele Handen’ worden gegevens van de vragenlijsten ingevoerd en gepubliceerd.96 De gedigitaliseerde vragenlijsten kunnen onder meer inzicht geven in het informantenbestand. Vele Handen kan exacte getallen opleveren
91 Hendrik Wagenvoort, in wikipwedia, h ps://nl.wikipedia.org/wiki/Hendrik_Wagenvoort (bezocht op 6-12-2021).
92 Verslag van de Volkskundecommissie der Koninklijke Akademie van Wetenschappen te Amsterdam over 1976, p. 1.
93 Elsinghorst, Inventaris, p. 11.
94 Archief nr. 39, 128 t/m 137. De archiefnummers 129-137 beva en kas- bank- en giroboekjes.
95 Von der Dunk, Bevindingen, p. 9.
96 h ps://velehanden.nl/projecten/bekijk/details/project/mei (bezocht op 6-12-2021).
over het aantal, de woonplaats en de achtergrond van de informanten én welke vragenlijsten zijn ingevulde door welke informanten. Maar ook dat is iets voor nader en toekomstig onderzoek.
Trefwoorden: Meertens Instituut, Volkskundecommissie, Volkskundebureau, Tweede Wereldoorlog, wederopbouw, collaboratie, vragenlijsten
sophie elpers , julia van duijvenvoorde , judy jaffe - schagen , inger leemans & karolina mi ł kowska onderzoek
Geur in immaterieel erfgoed
Een deelonderzoek van Odeuropa
Meer dan enig ander zintuig is ons reukvermogen verbonden met onze emoties en onze herinneringen. Terwijl veel erfgoedinstellingen zich hiervan bewust zijn, ontbreekt het aan gegevens, strategieën en hulpmiddelen om de betekenisvolle rol van geuren in ons cultureel erfgoed te identificeren, te consolideren en te promoten. Hier brengt Odeuropa Negotiating Olfactory and Sensory Experiences in Cultural Heritage Practice and Research verandering in. Het door Horizon 2020 gefinancierde internationale onderzoeksproject ging in januari 2021 van start.1 Onder leiding van cultuurhistorica Inger Leemans (NLLAB, KNAW Humanities Cluster) in samenwerking met informatietechnoloog Marieke van Erp (DHLab, KNAW Humanities Cluster) zijn tientallen onderzoekers betrokken om in digitale erfgoedcollecties en met behulp van ‘sensory mining’ historische geuren en de verhalen die ze dragen te ontdekken en ze weer terug te brengen naar onze neuzen.
Het grootste onderdeel van het project is historisch georiënteerd:
Odeuropa past state-of-the-art Artificial Intelligence-technieken toe op teksten beelddatasets van cultureel erfgoed die vier eeuwen Europese geschiedenis beslaan. Het traceert hoe geur in verschillende talen werd uitgedrukt, met welke plaatsen bepaalde geuren werden geassocieerd, wat voor soort gebeurtenissen en praktijken eraan verbonden waren en aan welke emoties de geuren waren gekoppeld. Het creëert nieuwe verhaallijnen en ontwikkelt nieuwe methodologieën die onder andere gepresenteerd zullen worden in een online Encyclopaedia of European Smell Heritage, in toolkits en in beleidsaanbevelingen voor de erkenning, promotie, presentatie en bescherming van geurerfgoed.2
Een kleiner, maar zeker niet onbelangrijk, onderdeel van het project richt zich op de betekenis van geuren in het heden, en met name in contemporain immaterieel erfgoed. Immaterieel erfgoed wordt daarbij – volgens het 2003 UNESCO Verdrag inzake de Bescherming van het Immaterieel Cultureel Erfgoed dat België in 2006 en Nederland in 2012 ratificeerden – begrepen als de culturele gebruiken, tradities, verhalen, ambachtelijke vaardigheden als ook de instrumenten, objecten en culturele ruimtes die daarmee worden
1 h ps://odeuropa.eu/ (bezocht op 6-12-2021).
2 h ps://odeuropa.eu/horizon-2020/h2020-abstract/ (bezocht op 6-12-2021).
geassocieerd, die mensen zich eigen hebben gemaakt en die zij willen doorgeven. Immaterieel erfgoed versterkt het gevoel van identiteit en continuïteit van gemeenschappen, groepen en individuen en het bevordert het respect voor culturele diversiteit en menselijke creativiteit. De vijf domeinen van immaterieel erfgoed die UNESCO noemt zijn orale tradities; uitvoerende kunsten; sociale praktijken; rituelen en feestelijke gebeurtenissen; kennis en praktijken betreffende de natuur en het universum; traditionele ambachten.3
Vragen die gesteld worden zijn: Welke rol spelen geuren en speelt ruiken in de uitvoering en in het beleven van immaterieel erfgoed? Welke aandacht krijgen geur en ruiken – bewust en onbewust – in het transfer van het erfgoed naar volgende generaties? Welke rol krijgen geuren en ruiken toegeschreven in het beleid en de beleidsinstrumenten rond immaterieel erfgoed en het borgen ervan?
Hierbij zijn we ook geïnteresseerd in immaterieel erfgoed dat direct aan geur is verbonden, bijvoorbeeld de vaardigheden en kennis rond parfum in het gebied van Grasse (sinds 2018 op de internationale representatieve lijst van immaterieel erfgoed van de mensheid), of culinair erfgoed.4 Maar vooral gaat onze aandacht uit naar vormen van erfgoed die (door buitenstaanders) niet meteen op het eerste gezicht (!) met geur in verbinding worden gebracht. Denk bijvoorbeeld aan immaterieel erfgoed met dieren, religieus erfgoed of ambachten.
3 h ps://ich.unesco.org/en/convention (bezocht op 6-12-2021).
4 h ps://ich.unesco.org/en/RL/the-skills-related-to-perfume-in-pays-de-grasse-the-cultivation-ofperfume-plants-the-knowledge-and-processing-of-natural-raw-materials-and-the-art-of-perfumecomposition-01207 (bezocht op 6-12-2021).
Geur wordt traditioneel begrepen als een van de zwakkere menselijke zintuigen en wordt vaak over het hoofd gezien – in tegenstelling tot de dominantere auditieve en vooral de visuele zintuigen.5 Zo merkt etnoloog Ewa Klekot in haar studie over keramiekproductie als immaterieel erfgoed aan dat het inventariseren en documenteren van het erfgoed meestal uitmondt in representaties die worden geformuleerd ‘on the ground of a strong visual bias of knowledge construction’ en die een ‘repression of all the senses except from sight’ tonen.6 Terwijl het bij immaterieel erfgoed juist om lichamelijke en niet (puur) visuele kennis gaat en terwijl de ervaringen die verbonden zijn aan het (uitvoeren en beleven van) immaterieel erfgoed altijd multisensueel zijn. Of, zoals immaterieel erfgoedexpert Hanna Schreiber formuleert: ‘Intangible cultural heritage cannot exist without sensuality, without experience, because it engages the carnality, engages humans. The sensuality of experiencing the intangible heritage is something inseparably connected with it. It is simply its essence.’7 In dat kader verbaast het dan ook dat we in een proef waarin we naar ‘nomination files’ voor de internationale immaterieel erfgoed lijsten van UNESCO keken, nauwelijks beschrijvingen van zintuigelijke ervaringen terugvonden terwijl de bijhorende films dit wel lieten vermoeden. Om een voorbeeld te noemen: in de Nederlandse ‘nomination file’ van het ambacht van molenaar, dat in 2017 werd bijgeschreven in de representatieve lijst, wordt uitgelegd hoe een molen moet worden bediend, maar dit wel zonder enige sensuele beschrijving.8 En dan hebben we het nog niet eens over de emoties en herinneringen die zijn verbonden aan immaterieel erfgoed en hun sterke link met geuren.9
Hebben we nieuwe tools, methodes en terminologieën nodig? Kunnen (of zelfs: moeten) uit de antwoorden op boven gestelde vragen aanbevelingen voortkomen voor het beleid rond het borgen van immaterieel erfgoed? Welke adviezen zouden beleidsmakers, erfgoed makelaars, ngo’s, beslissers in het veld van immaterieel erfgoed en andere stakeholders kunnen krijgen als het gaat over de rol van geur en ruiken bij het borgen van immaterieel erfgoed?
Is het raadzaam om (ook) erfgoedgemeenschappen te sensibiliseren en a ent te maken op de betekenissen van geur en ruiken in hun immaterieel erfgoed praktijken en het doorgeven ervan? Hoe?
Tot nu toe zijn er twee pilotstudies uitgevoerd. De eerste studie rich e zich op de vraag hoe er een erfgoedbeleid kan worden ontwikkeld dat rekening houdt met de betekenis van geuren in immaterieel erfgoed. Julia van Duijvenvoorde keek in haar studie Integrating smell in heritage policy: the case of
5 Vgl. V. Henshaw, Urban Smellscapes. Understanding and designing city smell enviroments, New York 2014, 1.
6 Ewa Klekot, ‘Ceramic production as intangible cultural heritage and its visualisations’, in Nadja Valentinčič Furlan (red.), Visualising Intangible Cultural Heritage, Ljubljana 2018, 109-130, hier 114.
7 Interview van Karolina Miłkowska met Hanna Schreiber, 10-05-2021, 44:45.
8 h ps://ich.unesco.org/en/RL/cra -of-the-miller-operating-windmills-and-watermills-01265 (bezocht op 6-12-2021).
9 L. Davis, L. Thys-Şenocak, ‘Heritage and scent: research and exhibition of Istanbul’s changing smellscapes’, International Journal of Heritage Studies 23 (2017), 723-741, hier 724.
France’s law on the protection of rural sensory heritage10 naar het Franse voorbeeld van de ontwikkeling van een nieuwe wet voor de erfgoedisering van – onder andere – ‘typische’ geuren van het pla eland dat in januari 2021 in werking trad. Het betre een van de weinige overheidsinitiatieven wereldwijd op het gebied van het benoemen van (alledaagse) geuren als erfgoed.11 Het onderzoek liet zien dat geuren in de betreffende casus drie verschillende rollen kunnen hebben: geur als verbindende en onderscheidende factor tussen (groepen) mensen; geur als bron van kennis in erfgoedpraktijken; en geur als tool dat over de (identiteit van de) plaats informeert. Zijn deze categorieën ook relevant als we naar het immaterieel erfgoedveld kijken? En in hoeverre zal de immaterieel erfgoed sector in Frankrijk de nieuwe wet omarmen? Wat kunnen we van de implementatie van de wet leren voor het immaterieel erfgoed beleid?
In vervolgonderzoek zijn we ook geïnteresseerd in initiatieven, zoals de Library of Smells (Educatiecentrum voor blinde kinderen, Owińska, Polen) of het idee van een geurmuseum op de Zaanse Schans12, die alledaagse geuren aandacht geven. In hoeverre is er ook aandacht voor immaterieel erfgoed en wat kunnen we van de initiatieven leren?
In het tweede pilotproject werd gekeken naar een concrete vorm van immaterieel erfgoed. Karolina Miłkowska onderzocht de betekenis van geur in het molenaarsambacht in Polen. Dit resulteerde in de masterscriptie The role of smell in intangible cultural heritage: the case of milling in Poland. 13 Uit interviews met zeven molenaars bleek dat geur en ruiken een rol spelen op drie terreinen:
1) Het product: voor de molenaars spelen geur en ruiken de meest belangrijke rol in verband met de kwaliteit van het graan en het meel. ‘Milling knowledge is a bit magical’,14 liet een van de molenaars weten en doelde daarmee op de impliciete kennis o ewel ‘tacit knowledge’ van molenaars, ook wat betre de kennis over de geuren van graan en meel. Welke plek deze kennis precies in de educatie van nieuwe molenaars hee , hopen we in een aanvullend onderzoeksproject in Nederland te observeren.
2) De ruimte: de geuren van de binnenruimte van de molen en de omgeving, kort: de ‘smellscape’ van de molen, speelt voor de geïnterviewde Poolse molenaars een ondergeschikte rol. Ze ervaren de geuren wel – ‘I take the smell of the mill home’ beklemtoonde een molenaar15 – maar ze vinden deze geuren minder essentieel voor het uitvoeren van hun ambacht. Wel maken ze zich zorgen over slechte geuren in de omgeving die de kwaliteit van het meel zouden kunnen beïnvloeden. We zijn benieuwd hoe dit in
10 Julia van Duijvenvoorde, Integrating smell in heritage policy: the case of France’s law on the protection of rural sensory heritage. Research Report NL-Lab/Meertens Instituut, Amsterdam, 2021.
11 Een ander voorbeeld: ‘Ministry compiles list of nation’s 100 best-smelling spots’, The Japan Times, 31-10-2001), h ps://www.japantimes.co.jp/news/2001/10/31/national/ministry-compiles-list-ofnations-100-best-smelling-spots/ (bezocht op 6-12-2021).
12 h ps://www.nhnieuws.nl/nieuws/291144/een-museum-voor-alle-geuren-van-de-zaanse-industrievan-cacao-en-linoleum-tot-parfum
13 Karolina Miłkowska, The role of smell in intangible cultural heritage: the case of milling in Poland, Research report, Master Applied Museum and Heritage Studies, Reinwardt Akademie, Amsterdam, 2021.
14 Interview van Karolina Miłkowska met molenaar Ireneusz Grela, 26-05-2021, 11:05.
15 Interview van Karolina Miłkowska met molenaar Marian Hołyst, 08-06-2021, 13:50.
Nederland wordt ervaren waar veel meer vrijwillige molenaars hun passie, het molenaarsambacht, uitvoeren. Wordt hun emotionele gebondenheid aan het ambacht gevoed door geuren in de molen of in de omgeving van de molen?
3) De consumenten: ‘The pandemic changed the way of thinking about flour and bread. People started to bake themselves and pay closer a ention to the role of smell.’16 Ook hier gaat het weer over de geur van het product, die volgens de Poolse molenaars essentieel is voor de consumenten. In Polen worden molens niet of nauwelijks bezocht door toeristen. We verwachten dat het Nederlandse onderzoek meer inzicht gee in de geurverwachtingen en -ervaringen van bezoekers (die in Nederland een belangrijke rol spelen voor het borgen van het ambacht).
Ook andere vormen van immaterieel erfgoed zullen diepgaand onderzocht worden. Bovendien zal er een grotere enquête over de betekenis van geuren in immaterieel erfgoed worden uitgevoerd onder alle erfgoedgemeenschappen die op de Inventaris Immaterieel Erfgoed Nederland17 staan. Daarin zal ook worden gevraagd of er controverses zijn over geuren. Tevens worden vragen over de betekenis van geur in alledaagse gebruiken, religieuze rituelen en immaterieel erfgoed uitgezet via het Meertens Panel.18
16 Miłkowska, The role of smell in intangible cultural heritage, 36.
17 h ps://www.immaterieelerfgoed.nl/immaterieelerfgoed (bezocht op 6-12-2021).
18 h ps://meertenspanel.meertens.knaw.nl/ (bezocht op 6-12-2021).
De verzamelde data zullen het onder andere mogelijk maken om – naar het voorbeeld van Dive into heritage19 – een tool Smell into heritage te ontwikkelen, waarbij de gebruiker vertrekkend vanuit bepaalde geuren bij bepaalde vormen van immaterieel erfgoed terechtkomt. Daarmee kan het bewustzijn voor de betekenis van geuren in immaterieel erfgoed worden vergroot – zowel voor de erfgoed beoefenaren als ook voor het beleid.
Meer over Odeuorpa? Zie: h ps://odeuropa.eu/
Trefwoorden: geur, immaterieel erfgoed, erfgoed van het pla eland, borging, Odeuropa
19 h ps://ich.unesco.org/en/dive&display=constellation (bezocht op 6-12-2021).
De belevingswereld van kerkgangers in de Antwerpse
Onze-Lieve-Vrouwekerk, ca. 1450-1566
Op 2 december 2021 behaalde Wendy Wauters de graad van doctor in de Kunstwetenschappen aan de KU Leuven. Promotor: Barbara Baert. Overige leden van de promotiecommissie: Herman Roodenburg, Justin E.A. Kroesen, Ralph Dekoninck, Violet Soen en Jan Van der Stock. Leden van de begeleidingscommissie: Charles Caspers en Jelle Haemers. De openbare verdediging is integraal te bekijken op tinyurl.com/2p8fdc4e. Voor de verstaanbaarheid van de juryleden is het nodig om met hoofdtelefoon te luisteren.
Een gedeelte van Wauters’ proefschrift wordt herwerkt en samen met het onderzoek van musicoloog Eugeen Schreurs uitgegeven binnen de serie Epitome musical (Brepols, 2024). Daarnaast zal haar studie verschijnen als breed toegankelijk publieksboek (Lannoo, najaar 2022).
“Veronderstel even dat het katholicisme al eeuwen is uitgestorven, dat de tradities van de eredienst verloren zijn gegaan. Enkel de kathedralen blijven over, monumenten van een vergeten geloof, onbegrijpelijk maar bewonderenswaardig, zwijgzaam en in onbruik. Veronderstel dan dat geleerden er op een dag in slagen om aan de hand van documentatie de ceremonies te reconstrueren die er vroeger werden gevierd, waarvoor ze waren gebouwd, die aan hen betekenis en leven schonken, en zonder welke de kathedralen niet meer dan een dode letter zouden zijn. En veronderstel dat kunstenaars, verleid door de droom om deze grote en nu zwijgende vaten kortstondig weer tot leven te wekken, voor een uur het mysterieuze drama te herstellen dat er zich eens afspeelde te midden van gezangen en geuren. (…) Helaas, ze kunnen alleen maar nieuwsgierige dile anten zijn. Hoe ze ook proberen, de ziel van voorbije tijden woont er niet meer.”1
Marcel Proust, 1904. Aanvang van zijn bevlogen opiniestuk La mort des cathédrales, als reactie op de nakende scheiding tussen Kerk en Staat.
1 Proust, ‘La mort des cathédrales. Une conséquence du projet Briand sur la Séparation’, in: Le Figaro, 229, 16/08/1904, p. 3-4. Vertaling Franse tekst door Hilde Baccarne.
Ontwerp door Floris Van Opstal, 2021
Graag laat ik de lezer kennismaken met het onderzoek dat de afgelopen vier jaar van mijn leven hee beheerst. Het proefschri kwam tot stand binnen Ornamenta sacra. Iconologische studie van het liturgische erfgoed uit de Zuidelijke Nederlanden (1400-1700), een Brain-Belspo project tussen UCL, KU Leuven en KIK-IRPA Brussel. Onze gezamenlijke focus lag op de algemene ontsluiting van liturgisch erfgoed en onder promotorschap van prof. dr. Barbara Baert (KU Leuven) heb ik scherp gesteld op het antropologische en het iconologische aspect van deze studie. Concreet hee zich dit vertaald naar een proefschri over de beleving van de kerkgangers in de Antwerpse Onze-Lieve-Vrouwekerk gedurende de eeuw voor de Beeldenstorm (ca. 1450-1566).
Het onderzoek is gestoeld op drie pijlers. Vooreerst is er de hypothetische reconstructie van de toenmalige ruimte, beschouwd vanuit de zintuiglijke prikkels die de kerkgangers ervaarden. In het hoofdstuk De auditieve ruimte gaat de aandacht bijvoorbeeld uit naar het getier van predikanten, het getimmer van de vele uitbreidingswerken, vechtende straathonden en geroezemoes tijdens de vieringen. De tweede pijler omvat het toenmalige geneeskundige begrip – de werking van lichaam en ziel – bij de brede laag van de bevolking, om zo het belang dat men hech e aan bovengenoemde sensorische waarnemingen correct te kunnen interpreteren. Tenslo e verschui de focus naar de gebruikerscontext van en de iconografie op vaak onderbelicht gebleven liturgisch materiaal dat in deze concrete se ing circuleerde. Altaarbellen, wijwateremmers en -kwispels, wierookvaten en godslampen functioneren dan als onontgonnen spoor naar de documentaire waarde van het laatmiddeleeuwse beeld en naar het complex van geloofsovertuigingen onder de stedelingen. Via het samenspel van deze pijlers kan een meer gelaagde lezing naar voren treden over zowel de religieuze ruimte, de kerkganger als het liturgische object. Maar waarom laatmiddeleeuws Antwerpen, een plaats en periode die al eindeloos vaak onder de loep zijn genomen? Ten eerste was er de noodzaak aan een ruim spectrum van egodocumenten, narratieve bronnen en een goed gedocumenteerde stadsgeschiedenis, aangezien de perceptie van de kerkganger centraal staat. De hypothetische reconstructie van de sensorische beleving in een reëel gebouw vraagt dan weer om breed contextueel onderzoek dat telkens vertrekt vanuit de lokale eigenheid. Kunsthistorische studies worden in dit geval aangevuld met juridische en milieukundige studies, liturgie, archeologie, musicologie en medische geschiedenis. De laatste voorwaarde was de aanwezigheid van geïnventariseerde archieven, zoals de rekeningen van de kerkfabriek en van de gilden en ambachten die er een zijaltaar bekleedden. Al deze elementen samen vormen een veelzijdig fundament om de geleefde praktijk in een concrete ruimte te belichten.
Bovendien waren er nog verscheidene openingen in het kunst- en cultuurhistorisch onderzoeksveld. Het gaat namelijk om een periode die traditioneel wordt bestudeerd vanuit het opkomend reformatorisch gedachtegoed. Maar deze studie beschouwt de objecten en het interieur vanuit hun religieuze waardigheid en functionaliteit, zonder dat in retrospect gezocht wordt naar ontluikende iconoclastische argumenten. Het is immers pas rond 1550 dat er in in toenemende mate een identitaire beladenheid begon te kleven aan de religieuze beeldtaal en devotionele objecten. Een tweede opening lag in
de iconologische scherpstelling op de zogenaamde artes minores. De concrete interactie met in massa geproduceerde liturgische objecten blij immers nog te vaak een blinde vlek.
De religieuze ruimte
In de laatmiddeleeuwse O.L.V.-kerk waren het klank- en geurlandschap en de visuele en tactiele omgeving compleet anders dan de hedendaagse situatie. Vandaag hee de Antwerpse kathedraal iets van een lege, stille loods maar 500 jaar geleden was het een drukbezocht en dynamisch knooppunt, het epicentrum van uiteenlopende activiteiten. Vroeger werd het grootste gedeelte van de kerk ingenomen door talloze zijaltaren. A ankelijk van de bron, zouden er rond het begin van de 16e eeuw minstens 57 tot meer dan 70 altaren hebben gestaan. Aan elk van deze altaren resideerde één tot vier stichtingen die er wekelijks of dagelijks een mis lieten plaatsvinden. Dit betekent dat er iedere dag opnieuw meer dan 100 missen werden gevierd. Het was dan ook een choreografisch kluwen om alles ordentelijk te laten verlopen. De beginperiode van het proefschri luidt trouwens de opkomst in van stedelingen die –verenigd binnen een broederschap, gilde of ambacht – geld neertelden voor het onderhoud van een zijaltaar (in de O.L.V.-kerk) en alles wat daarbij kwam kijken. De stichters waren zelf verantwoordelijk voor de aankleding van hun altaar, dus het precieze uitzicht en de eventuele weelderigheid van de altaarstukken, kazuifels en andere benodigdheden was zeer persoons- en tijdsgebonden. A ankelijk van de financiële slagkracht, het aankoopmoment (wat er voorhanden was) en de esthetische voorkeur van de koper, ging het om bij elkaar passende objecten of om een mengelmoes aan stijlen.
Niet alleen de levenden maar ook de doden waren er veelvuldig aanwezig, aangezien het tot aan de Franse Revolutie gangbaar was om binnen in een kerk te worden begraven. Maar hoe genegen men ook aan deze traditie was, op sommige dagen stonden de kerkgangers doodsangsten uit net vanwege de alomtegenwoordige lijklucht. Volgende terloopse opmerking uit een omvangrijke Antwerpse kroniek legt de vinger op de stinkende wonde: “Door de gewoonte om dagelijks de graven te openen om er lijken in te leggen, het [in de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal] bijna altijd gevaarlijk was voor hen die zich zwaar of niet goed voelen; zozeer zelfs dat vele minder sterke lieden een a eer hadden om naar de parochiekerken te gaan, vooral zwangere vrouwen.”2 Vervolgens zorgden ook dieren, en dan voornamelijk de vele straathonden, voor olfactorische overlast. Naast het indringende geurpalet van verwilderde hond deden ze te pas en te onpas hun gevoeg op de vloer en tegen de altaren. Om deze reden had de O.L.V.-kerk zelfs een hondenslager in dienst die loslopende honden weg- of doodknuppelde. Dit veroorzaakte dan weer een enorm kabaal, eveneens als gemor van teerhartige kerkgangers die met de hondenslager op de vuist gingen. En zo kan ik nog wel een tijdje doorgaan.
2 Papebrochius, Annales antverpienses ab urbe condita ad annum M.DCC, F.H. Mertens, J.E. Buschmann, (reds.), vol. 5, Antwerpen, 1848, p. 344.
De moeilijkheid is dat er geen interieurzichten van de Antwerpse kerk van vóór de Beeldenstorm bewaard zijn gebleven. Het is een genre dat pas vanaf het einde van de 16e eeuw populair werd. Deze meestal ongedateerde en ongesigneerde werken tonen bovendien een compleet ander soort kerk, namelijk een geprefereerde ruimte. Het zijn kerkinterieurs die een zo groot mogelijk koperspubliek wilden aanspreken, maar in geen geval een weerspiegeling waren van de werkelijke situatie. Karakteriserend voor deze taferelen is hun overzichtelijkheid, waarbij alle zijaltaren even groot en in dezelfde stijl zijn opgetrokken. Kerken die worden bevolkt door voortschrijdende dames, spelende hondjes en brave bedelaars (die in realiteit uit de kerk werden gejaagd door de hondenslager).
De sensoriële kerk
De tweede pijler behandelt het zintuiglijke begrip. We zien ons lichaam vandaag als een relatief gesloten circuit: onze huid vormt een duidelijke grens tussen de lichamelijke binnen- en buitenwereld. Maar doorheen de late middeleeuwen werd het lichaam beschouwd als een veel opener en poreuzer systeem. Om deze reden is het essentieel om een zo volledig mogelijk beeld te krijgen van de directe omgeving van de Antwerpse kerkganger. Deze overtuiging lag in het verlengde van de toenmalige dominantie van de Aristotelische natuurfilosofie, die stelt dat alles onder het firmament was opgebouwd uit vier elementen (aarde, water, lucht en vuur). Elk van deze elementen was afgestemd op vier kwaliteiten (vuur was warm en droog, en water nat en koud) en deze kwaliteiten vormden dan weer de basis voor de humorenleer (de vier lichaamssappen of humores waaruit elk lichaam was opgebouwd). Dit klinkt nu ver van ons bed, maar de humorenleer was tot in de 17e eeuw de gangbare manier om over het eigen lichaam na te denken. In feite draaide alles om het behouden van het juiste evenwicht van de vier sappen, middels aderlaten, purgeren, diëten, enzovoort. Aangezien de mens (microkosmos) nauw verbonden was met de wereld rondom (macrokosmos), konden bovendien ook de tijd van het jaar en de bewegingen van sterren en planeten verschuivingen in de balans van de sappen teweegbrengen.
De theoretische leerstellingen waren voornamelijk bekend bij een beperkte groep intellectuelen en heelmeesters die de praktische vaardigheden van het purgeren en het aderlaten beheersten. Via een bonte verzameling van geschreven en mondelinge tradities wemelden de basisprincipes echter in alle lagen en uithoeken van de bevolking. Enkele populaire voorbeelden van de werking van de lichaamssappen binnen dit totaaldenken zijn de jaarlijks uitgegeven almanakken en kalenders. Deze bronnen geven een unieke, zij het beperkte inkijk in de rijke schakering aan lokale beslommeringen, zoals weersvoorspellingen, de zon- en maancyclus, voorkeursdagen om te aderlaten, spenen, haren en nagels te knippen, heiligendagen en de dagen met belangrijke jaarmarkten. In zo een zeldzaam bewaard gebleven exemplaar staat het veelgebruikte motief van de zodiacman. Dit diagram maakte de lezer duidelijk dat het sterrenbeeld ram (aries) in verbinding staat met het hoofd en dat het bijgevolg af te raden was om tussen 21 maart en 20 april in deze
zone te aderlaten. De eclectische verwevenheid van het menselijk lichaam en de kosmos komt in al haar glorie tot uiting in de begeleidende instructie: “Aries is een warm en droog goed teken en regeert het hoofd. En als de maan in dit teken is, zal men het hoofd met geen ijzer roeren [zoals de vliem], noch de oren of de hoofdader zult gij niet laten, noch de baard scheren, maar gij moogt vrij baden.”3
De wereld rondom oefende dus een onophoudelijke invloed uit op de werking van lijf en leden. Duizenden poriën (sweetgaatkens) en de openingen zoals de mond, ogen, oren en neusgaten vormden de poorten tussen het inwendige lichaam en de buitenwereld. Via deze weg drongen goede en slechte stoffen naar binnen en probeerde men kwalijke stoffen te verdrijven. Maar niet alleen zintuigelijke prikkels, ook sterke emotionele ervaringen zoals angst, droefenis en extase (die gekoppeld waren aan deze waarnemingen) drongen via deze poorten door tot in de kern van de mens. Een wederkerende beeldspraak was dat ze in de hersenen werden gedrukt als ‘een zegel in zachte was’. Dit schemert nu nog door in onze taal: ‘iets in het hart, het gemoed of de ziel prenten’, of ‘op het hart drukken’ wordt nog steeds gezegd wanneer er een emotionele voorstelling blij nazinderen, of wanneer er sprake is van de herinnering (denkbeeld) aan een geliefde. Deze verwevenheid werd eveneens doorgetrokken naar de humoraalpathologie. Vrouwen zouden bijvoorbeeld ontvankelijker en kneedbaarder zijn voor indrukken van buitenaf door hun lichamelijke kwaliteiten (koud en vochtig). Dus wanneer een zwangere vrouw getuige was van een terechtgestelde wiens ledematen werden gebroken, zou haar kind bij de geboorte gelijkaardige breuken hebben. En het verliezen van een prijskoe tijdens de zwangerschap resulteerde in een boreling met een monsterachtige kalfskop. Denk ook aan bovengenoemd citaat over lijklucht, waarbij voornamelijk zwangere vrouwen niet meer in de kerk durfden te komen.
In filosofische traktaten werd deze invloed van buitenaf verklaard door zogenaamde species die doorheen het lichaam stroomden. Deze waren als onderdeel van de ke ingreactie (object-ontvanger) de oorzaak dat externe prikkels een le erlijke indruk maakten op organen zoals de hersenen, het hart of de uterus. Misschien wel het belangrijkste verschil met het hedendaags begrip van perceptie is de intentionaliteit van het waargenomen object. Anders dan de moderne visie werd een object in de late middeleeuwen niet ervaren als een statische kopie van de passieve werkelijkheid maar als een dynamische ke ingreactie waarbij de affectieve relatie tussen object en ontvanger een cruciale rol speelde. Deze correlatie leidde ertoe dat het object an sich affectieve krachten kreeg toebedeeld. Langs de kant van de ontvanger werden bovendien zowel lichaam als geest beroerd. Dit betekent dat waarnemingen en daaraan gekoppelde emoties absoluut niet vrijblijvend waren. Het aanschouwen van beeldvoorstellingen van een hevig lijdende Christus of het opeten van een drager met een gebed of Christusmonogram, hadden vanuit deze overtuiging zowel fysiek als spiritueel een impact. Ons huidige idee is dat voornamelijk via
3 Zodiac man, houtsnede met xylografische tekst, in: Der schaepherders kalengier, nerstelic ghecorrigeert, 1539, uitg. Antwerpen: Symon Cock.
aanraking zaken fysiek overgedragen worden maar vroeger gold dit voor alle zintuigen, op lichaam én geest. De uitgesproken woorden van een goede man konden bijvoorbeeld deugdzaamheid overdragen. Bovendien stopte de invloed niet vlak na de waarneming maar bleef ze doorwerken over de grenzen van het leven heen, tot aan de verrijzenis. Denk aan herdenkingsmissen die op het graf zelf moesten worden voorgedragen.
Instrumenten van beroering
De derde pijler gaat tenslo e dieper in op de rol van het liturgische object binnen een reële se ing. Hiervoor wordt het gewenste gebruik en de vormentaal van mijn casusobjecten gespiegeld aan de gereconstrueerde ruimte zoals die werd gepercipieerd door de laatmiddeleeuwse kerkgangers. Uit voorgaande redeneringen blijkt dat de beleving vaak primeerde op het intellect. Het horen van gebeden, het zien van het H. Sacrament … louter het ervaren van religieuze handelingen veroorzaakte een spiritueel voordeel bij de ontvanger. Zelfs wanneer men het ritueel inhoudelijk niet begreep, werd er geen a reuk gedaan aan het reeds opgedane spiritueel gewin. Dit wordt helder verwoord in een voorbeeldtekst voor predikanten, geschreven door een anonieme monnik: “Daar zei iemand aan den predikant: ‘het kort niet dat ik kom luisteren, ik hoor het wel graag, maar ik onthoud er niets van.’ ‘Maar het is er mee gelijk met de po en’, zei de predikant, ‘ge giet er het water in, en uit, en er blij geen water in, doch ze zijn er gereinigd bij geworden.’”4
Hiermee hangt samen dat ook de vormelijke kwaliteiten van liturgische objecten ondergeschikt waren aan de totaalervaring. Dezelfde handbel die in huishoudelijke context werd gebruikt, kon net zo goed dienstdoen als altaarbel (nadat ze eerst gezegend was). Zo bleek het mythologische tafereel van de musicerende Orpheus – samen met de Annunciatie – het meest populaire motief te zijn om op een liturgische handbel te plaatsen. Dezelfde fluïde gebruikerscontext ging op voor de wijwateremmer en de godslamp. Kerk of keuken, beide locaties waren even plausibel. Vanaf het moment dat dit type objecten het atelier van de vervaardiger verliet, werd hun status bepaald door het kader waarin ze zich bevonden. Dit doet dan ook de vraag rijzen in hoeverre de iconografie op altaargerei een symbolische betekenis met zich meedroeg die per definitie geïnterpreteerd moet worden vanuit een religieuze context.
De moeilijkheid schuilt erin dat mijn drie pijlers hun religieuze dimensie continu overstijgen. Doorheen het onderzoek blijkt hoe schemerig de schijnbaar vaste begrippen zoals kerk, ritueel en liturgisch object waren, zélfs binnen een strak afgebakend historisch en geografisch gebied. De gebruikte methodologie is dan ook gekneed naar precies deze hindernis. Vooral in een heterodoxe maatschappij zoals deze van de late middeleeuwen bleek er nood aan een set van dynamische parameters om de omgang met religieuze kunst te kunnen duiden. De klemtoon ligt dan volgens mij best op de gebruiker, waarbij
4 Tabula exemplorum, eind 13e eeuw. Qtd. in: Prims, ‘Hoe de minderbroeders preekten’, Antwerpiensia, 1928, 2, 1929, p. 129.
het vruchtbaar is gebleken om hem of haar te benaderen als een individu dat bezorgd is om lijf en leden, en vanuit deze invalshoek op zoek gaat naar betekenisgeving.
Trefwoorden: late middeleeuwen, Antwerpen, Onze-Lieve-Vrouwekerk, sensorium, culturele geschiedenis, ritueel
nele wynants onderzoek
Wetenschap speelde de hoofdrol op de 19e-eeuwse kermis
Met een Starting Grant van de European Research Council (ERC) lanceert Nele Wynants het project Science at the Fair: Performing Knowledge and Technology in Western Europe, 1850-1914 (SciFair). Samen met een multidisciplinair team van onderzoekers zal ze de rol bestuderen die rondtrekkende kermislieden speelden bij de overdracht en popularisering van wetenschap, technologie en beeldcultuur op West-Europese kermissen tijdens de lange 19e eeuw.
Uitdagingen en doelstellingen
Veel van de technologische, wetenschappelijke en culturele vooruitgang van de afgelopen 150 jaar werd voor het eerst geëxploiteerd door rondtrekkende foorreizigers en tentoongesteld op kermis of jaarmarkt in grote steden en provinciesteden.1 Showlieden zijn er altijd op gebrand geweest om spectaculaire innovaties in populair entertainment te integreren. Ze moesten immers voortdurend zoeken naar iets nieuws om hun concurrenten te slim af zijn, en gebruikten daarbij allerlei handige trucs om een stap voor te blijven en hun kermispubliek te vermaken.2 Vooral in de 19e eeuw vormden het discours en de objecten van populaire wetenschap een onschatbare bron voor kermislieden en dit weerspiegelde ook de tijdgeest. Die werd gekenmerkt door een groeiend geloof in wetenschap, vooruitgang en modernisering. Aangemoedigd door de ontwikkeling van nieuwe takken in de wetenschap, gekoppeld aan snelle veranderingen op vlak van technologie, mobiliteit, onderwijs en vrijetijdsbesteding, werd de 19e-eeuwse cultuur gekenmerkt door een explosie aan wetenschappelijke demonstraties en tentoonstellingen.3 Wetenschapspopularisering werd sterk gestimuleerd en het bijwonen van
1 N. Wynants, ‘Wetenschap op de kermis. De verspreiding van technologie, kennis en spektakel in Belgische provinciesteden tijdens het fin-de-siècle’, Volkskunde 2020: 1, p. 1-33.
2 V. Toulmin, Fun Without Vulgarity: Community, Women and Language in Showland Society. (Doctoraatsverhandeling, University of Sheffield School of English, 1997).
3 Zie onder meer: B. Bensaude-Vincent & L. Libbrecht, ‘A public for science. The rapid growth of popularization in nineteenth century France’ Réseaux. The French journal of communication 3: 1, 1995, p. 75-92. A. Fyfe & B. Lightman (red.), Science in the Marketplace: Nineteenth-Century Sites and Experiences. Chicago & London, 2007. J. Kember, J. Plunke & J. A. Sullivan (red.), Popular Exhibitions, Science and Showmanship, 1840-1910. Science and Culture in the Nineteenth Century Popular Exhibitions, Science and Showmanship, 1840-1910. Science and Culture in the Nineteenth Century. London, 2012.
lezingen in theater- en muziekzalen, observatoria4 of wereldtentoonstellingen5 was een populair tijdverdrijf voor een grootstedelijk middenklasse publiek dat zich de toegangsprijs kon veroorloven. Dergelijke voorstellingen vonden echter ook plaats in de straten en op de kermissen van regionale dorpen en provinciesteden, waar ze een breder en vaak ongeletterd publiek bereikten. In een tijd waarin de moderne communicatiemiddelen nog niet bestonden, waren grote groepen voor hun informatie afhankelijk van rondreizende tentoonstellingen en voorstellingen op de jaarlijkse kermis. Kranten hadden een zeer beperkt bereik, waardoor de kermis werd gezien als een ‘revolutionaire’ plaats waar een gemengd publiek in aanraking kwam met de vooruitgang van wetenschap en techniek.
Vooral in de tweede helft van de 19e eeuw en voor de mechanisering van de kermisattracties vormden theatervoorstellingen en vertoningen met curiosa, natuurwonderen of tentoonstellingsobjecten het hoofddeel van de kermis. Showlieden zoals de zogenoemde dr. Spitzner met zijn anatomisch cabinet, H. Duringer met zijn historisch museum of professor Lagneau met zijn astronomietheater namen centrale plaatsen in op het kermisplein. Deze heerschappen bedreven misschien zelf geen wetenschap; ze hebben niettemin een belangrijke rol gespeeld in de verspreiding en popularisering van kennis en zo het dagelijks leven van de 19e-eeuwse burgers uit de middenklasse en de arbeidersklasse ontegensprekelijk beïnvloed. Ze gaven immers toegang tot informatie, nieuwe technologie en een groeiende beeldcultuur en hebben zo bijgedragen aan de verspreiding van populaire wetenschap tot in elke uithoek van West-Europa en ver daarbuiten. Hun educatief en populariserend discours beantwoordde aan een elementaire nieuwsgierigheid naar technologie, de werking van het menselijk lichaam en de pas ontdekte en gekoloniseerde continenten, al ging dat zeker ook gepaard met een hang naar exotisme en sensatie. De rol van dit soort rondreizend educatief vermaak en de kermis als platform voor de verspreiding van kennis en beeldcultuur zijn echter grotendeels onderschat en nog niet ten gronde in kaart gebracht en onderzocht. Gefinancierd door de Europese commissie (met een ERC Starting Grant) zal een team onderzoekers aan de Universiteit Antwerpen vanaf oktober 2021 gedurende vijf jaar onderzoek verrichten naar de rol die rondtrekkende foorreizigers hebben gespeeld bij de verspreiding en popularisering van wetenschap, technologie en beeldcultuur in België en zijn buurlanden Frankrijk, Nederland, Duitsland en Luxemburg doorheen verschillende decennia en generaties. Deze landen speelden een voortrekkersrol in de industrialisering van het continent en omvatten de meest voorkomende en haalbare trajecten binnen het bestek van bepaalde taalgebieden. De te bestuderen periode begint in 1850 – toen de industriële moderniteit een verschuiving markeerde van
4 D. Aubin, C. Bigg & O. Sibum (red.), The Heavens on Earth: Observatories and Astronomy in NineteenthCentury Science and Culture. Durham and London, 2010. C. Bigg & K. Vanhou e, ‘Spectacular astronomy’, Early Popular Visual Culture, 15:2, 2017, p. 115-124, DOI: 10.1080/17460654.2017.1319037.
5 P. Greenhalgh, Fair World: A History of World’s Fairs and Expositions, from London to Shanghai, 1851-2010 Papadakis, 2011. P. Young, Globalization and the Great Exhibition: The Victorian New World Order. New York, 2009.
rurale en religieuze kermistradities naar een kermiscultuur waarin plezier centraal stond – en eindigt in 1914 met de ontwrichting door de Eerste Wereldoorlog. De term ‘wetenschap’ staat hier voor een brede waaier aan disciplines, waaronder (visuele) kennis over anatomie, geneeskunde, geografie, geschiedenis en technologie. Het project wil de performatieve en theatrale dimensies van de verschillende vormen van wetenschappelijk amusement op de 19de-eeuwse kermis blootleggen en onderzoeken. Enerzijds wil het de
H. Düringer Museum, 1897. Poster door Adolph Friedländer, Circuscollectie, Allard Pierson/Universiteit van Amsterdam.
expliciet wetenschappelijke en didactische vertogen die aan de basis liggen van deze ‘wetenschappelijke’ shows identificeren en analyseren. Anderzijds zullen de onderzoekers ook aandacht hebben voor de impliciete waarden en normen van deze praktijken, en de vraag in welke mate deze de sociale waarden op het vlak van gezondheid, gender, nationaliteit, klasse of ras in vraag stelden of juist versterkten.
Want ondanks hun expliciete progressieve en didactische vertogen, waren deze shows doordrongen van impliciete kennis, waarden en normen. Zo kregen bezoekers in het legendarische Spitzner-museum presentaties over de ontwikkeling van nieuw leven, geboorte en ziekten, maar ook moraliserende boodschappen over de vreselijke gevolgen van seksuele promiscuïteit en alcoholmisbruik. In het Panopticum van H. Düringer kon men een ‘Groote historische en plastische kunsttentoonstelling’ bewonderen en de eigenaar legde in zijn programma vooral de nadruk op het morele karakter van de tentoonstelling, waardoor deze een aanbevolen attractie was voor vrouwen en kinderen.
En in tijden van koloniale expansie groeide natuurlijk de nieuwsgierigheid naar de nieuwe werelden en hun bewoners. De kermisexploitanten speelden snel in op de honger naar sensatie en exotisme: Indianen, Eskimo’s, Afrikanen (sic) en andere bevolkingen van buiten Europa waren erg populair. Het Noordpoolmuseum van Boehm & Emma Willardt toonde bijvoorbeeld wassen beelden van ‘Vier Lappen’, inclusief geboorteakten, gelegitimeerd door Zweden en Noorwegen. In het Théâtre Chinois van Charles Van den Bussche kon men genieten van een bewegend cyclorama dat beelden toonde van verschillende exotische plaatsen en historische gebeurtenissen met afbeeldingen van Egyptische en Griekse tempels. Vanuit hedendaags perspectief is het onderliggende waardesysteem verre van neutraal en sterk gepolitiseerd, en dat moet in het onderzoek mee in rekening worden gebracht.
Samengevat stelt SciFair de volgende doelstellingen voorop:
1. de ontwikkeling van de eerste transnationale historische analyse van de kermis als podium voor de popularisering van wetenschap, over nationale grenzen en de specifieke context van de casestudies heen;
2. de nuancering en bijstelling van nationale perspectieven op populaire wetenschap door rekening te houden met regionale verschillen tussen provinciesteden (in plaats van te focussen op metropolen als Londen en Parijs);
3. de stimulering van een conceptuele verschuiving in de geschiedschrijving van media met aandacht voor de performatieve impact van media (een aandachtsverschuiving van technologieën en objecten naar performatieve mediale gebeurtenissen);
4. de ontwikkeling van een interdisciplinair kader voor de studie van wetenschapsvoorstellingen, wat zal bijdragen tot een beter begrip van de rol van de kermis in processen van kenniscirculatie;
5. bijdragen tot de erkenning en de bescherming van (de geschiedenis van) kermiscultuur als immaterieel Europees cultureel erfgoed door UNESCO door de ontwikkeling van een databank waarin de
verzamelde onderzoeksgegevens en moeilijk toegankelijke bronnen worden samengebracht en na het project (gedeeltelijk) ontsloten.
State of the art
De weinige bestaande studies over kermiscultuur hebben erop gewezen dat de kermis een spiegel was waarin de sociale verschuivingen en de technische innovaties werden weerspiegeld en dat haar geschiedenis de overgang van de pre-industriële naar de industriële moderniteit markeert.6 Deze studies blijven echter plaatsgebonden en zijn hoofdzakelijk gebaseerd op Angelsaksische bronnen, waardoor ze geen oog hebben voor de interculturele dimensie van de kermis of de transnationale impact ervan. Hetzelfde geldt voor belangrijke maar lokale publicaties over de kermiscultuur in West- en continentaal Europa, die hoofdzakelijk door conservatoren van musea zijn uitgevoerd in het kader van bijvoorbeeld een tentoonstelling over volkscultuur.7 Een paar vroegefilmstudies bevatten inleidende hoofdstukken over reizende filmbarakken op kermissen8, maar zij concentreren zich hoofdzakelijk op de kermis als de plaats waar vroege film vanaf 1896 werd geïntroduceerd. Deze studies bieden een goed startpunt en lieten toe om enkele relevante archieven en protagonisten te lokaliseren. Vooronderzoek heeft echter aangetoond dat rondreizende kermistheaters- en musea zich niet alleen van stad naar stad verplaatsten, maar ook over lands- en taalgrenzen heen.9
Op het Europese vasteland is de traditie van het reizende kermisvermaak vooral verankerd in landen als België, Frankrijk, Nederland, Luxemburg en Duitsland. België, in het hart van West-Europa, was bovendien een van de rijkste en dichtstbevolkte gebieden van het continent: met een goed ontwikkeld spoorwegnet en met honderden kleine en grote kermissen op korte afstand van elkaar was het een welvarend gebied om te reizen voor showlieden. In de stedelijke industriële centra rond Luik, Charleroi, Brussel, Antwerpen en Gent ontwikkelde zich snel een klasse van goedbetaalde arbeiders en een gegoede middenklasse. Dit kan verklaren waarom veel internationale rondreizende entertainers, zoals de Duitse families Geissler en Optiz, zich tijdens de wintermaanden in België vestigden, van waaruit ze gemakkelijk kermissen in
6 V. Toulmin, Fun Without Vulgarity. G. Weedon, & R.Ward, Fairground Art: The Art Forms of Travelling, Abbeville Press, 1985.D. Braithwaite, Fairground Architecture Excursions into architecture, Hugh Evelyn, 1976.
7 G. Van Genechten e.a. Kermis : het spiegelpaleis van het volk Leuven, 1986; C. Py & C. Ferenczi, La fête foraine d’autrefois. Les années 1900. Lyon, 1987. P. Mardaga, Foires et forains en Wallonie: Magie foraine d’autrefois. Luik, 1989. Vanden Berghe, Patrick. 800 jaar Meifoor Brugge Zwevezele, 2003.
8 J. Deslandes & J. Richard. Histoire Comparée Du Cinéma. Paris, 1966-1968. V. Toulmin, ‘Telling the Tale: The Story of the Fairground Bioscope Shows and the Showmen Who Operated Them’, Film History 6: 2, 1994, p. 219-237. JSTOR, www.jstor.org/stable/3814968. G. Convents. Van kinetoscoop tot café-ciné. De eerste jaren van de film in België 1894-1908. Leuven, 2000. M. Loiperdinger, Travelling Cinema in Europe : Wanderkino. Frankfurt am Main, Basel, 2008.
J. Kember, Marketing Modernity: Victorian Popular Shows and Early Cinema, Exeter, 2009.
9 N. Wynants, ‘The travelling lantern: the Courtois and Grandsart-Courtois family theatres as transcultural mediators at the nineteenth-century fair’, Early Popular Visual Culture, 17:3-4, 2019, p. 233-260, DOI: 10.1080/17460654.2019.1705649.
Eerste plot van een testcase die de reisroutes van de families Courtois en Grandsart-Courtois tussen 1813 en 1914 in kaart brengt met behulp van GIS-technologie. Uitgevoerd door Iason Jongepier en Nele Wynants
Frankrijk, Duitsland en Nederland konden bereiken. Ook Belgische families zoals het Grandsart-Courtois theater trokken met hun rijkelijk versierde barakken door de buurlanden waar ze nieuwe technologische ontwikkelingen oppikten die bijzonder geschikt waren voor de showbusiness: van projectie met lantaarns, over het gebruik van elektrisch licht tot de introductie van de cinematograaf.10 SciFair zal voortbouwen op deze bevindingen door de impact van wetenschappelijke en mechanische spektakels vanuit een transnationaal perspectief te onderzoeken (doelstelling 1).
Uit voorbereidend onderzoek is ook gebleken dat wetenschappelijke en mechanische spektakels in het tweede deel van de 19e eeuw aan belang wonnen. Ondanks de aanwijzingen in bronnen bieden de bovengenoemde kermisstudies echter weinig aanknopingspunten wat betreft het aandeel van populaire wetenschap. Om een beter inzicht te krijgen in de popularisering en circulatie van kennis tussen verschillende geografische, taalkundige en sociale gebieden is verder onderzoek noodzakelijk, waarbij kermisstudies in verband worden
10 N. Wynants, The travelling lantern, 2019.
gebracht met studies over de geschiedenis van wetenschap en kennis. Ondanks het groeiend aantal publicaties over wetenschapspopularisering in de 19e eeuw11 is de kermis nog niet op een alomvattende manier behandeld binnen het domein van wetenschapsgeschiedenis. Vooral rondreizend wetenschappelijk vermaak dat buiten het gangbare circuit van gevestigde stedelijke theaters en musea valt, heeft nauwelijks aandacht gekregen, met als opmerkelijke uitzonderingen enkele studies over rondreizende anatomiemusea.12 Een transnationaal perspectief dat rekening houdt met regionale verschillen zal het bovendien mogelijk maken het erkende verhaal van populaire wetenschap te nuanceren en bij te stellen – dat is tot nu toe vooral gericht op locaties die voornamelijk bezocht werden door een middenklassepubliek in grootstedelijke contexten (Londen, Parijs) en hoofdzakelijk gebaseerd op respectievelijk Angelsaksische en Franse bronnen. Zo kunnen we de rol van kermis in de popularisering van wetenschap in Noord-West-Europa grondiger analyseren met oog voor regionale verschillen, de industrialisatie verliep in deze landen immers in een ander tempo, vooral in vergelijking met het Verenigd Koninkrijk (doelstelling 2).
Het is belangrijk te benadrukken dat SciFair het wetenschapshistorische perspectief wil versterken door rekening te houden met de performatieve aspecten van wetenschapspopularisering op de kermis. De kermis was inderdaad een tijdelijke en efemere belevenis: een live evenement waar jong en oud, arm en rijk, zich konden onderdompelen in een spectaculaire, transgressieve ervaring. Dit amusement varieerde sterk naargelang het tijdstip en de locatie, de technologische, menselijke en dierlijke acts waaruit het bestond, en de verwachtingen en kennis van zowel de kermislieden als het publiek. Dit tijdelijke karakter van rondreizend amusement, en dus de schaarse bronnen, zet ons ertoe aan het onderwerp te bestuderen als een ‘theatrale gebeurtenis’,13 een communicatieve ontmoeting tussen performer en toeschouwer met een zeker ‘performatief effect’.14 Onderzoekers in theater- en performance studies hebben een groeiende interesse getoond in de geschiedenis van wetenschap als performance15, de performativiteit van
11 Bensaude-Vincent et al., ‘A public for science’, 1995; Fyfe et al. Science in the Marketplace, 2007; B. Lightman, Victorian Popularizers of Science: Designing Nature for New Audiences, Chicago, 2009. S. Lachapelle, Conjuring Science: A History of Scientific Entertainment and Stage Magic in Modern France. New York, 2015.
12 C. Pirson, Corps à corps : Les modèles anatomiques entre art et médecine. Le Kremlin-Bicêtre, 2009. C. Py & C. Vidart. ‘Les musées d’anatomie sur les champs de foire’, Actes de la recherche en science sociale, 60, 1985, p. 3-10. A. W. H. Bates, ‘Anatomy on trial: Itinerant anatomy museums in mid nineteenthcentury England’, Museum History Journal 9:2, 2016, p. 188-204, DOI: 10.1080/19369816.2016.1183105.
13 W. Sauter, The theatrical event: dynamics of performance and perception, Iowa, 2000.
14 J.L. Austin, How to do things with words. Oxford, 1962; J. Butler, Bodies that ma er: on the discursive limits of “sex”. London, 1993; M. Franko, & A. Richards, Acting on the Past: Historical Performance Across the Disciplines. Hanover NH, 2000. E. Fischer-Lichte, The Transformative Power of Performance: A New Aesthetics. Routledge, 2008.
15 D. Raichvarg, Savants et Ignorants: Une histoire de la vulgarisation des sciences, Seuil, 1991; H. Schramm, L. Schwarte & J. Lazardzig, red. Theatrum Scientiarum, vols. 1-4. De Gruyter, 2003-2008.
betekenisgeving en kennisoverdracht16 en de performativiteit van disciplines als astronomie17, biologie18, alchemie en natuurkunde19. Ambulante theaters en musea worden echter zijdelings besproken als een marginaal fenomeen ten opzichte van andere tradities in plaats van een popularisator van wetenschap. Deze observaties en de opmerkelijk leemte in de huidige kennis van wetenschapsperformance ligt aan de basis van dit project. Vooral het perspectief van performance studies is veelbelovend, omdat het toelaat te focussen op de manier waarop showlieden erin slaagden wetenschap om te zetten in een succesvolle en onvergetelijk spektakel dat tegelijk plezant en leerrijk was (doelstelling 3). Hoe werden deze voorstellingen gemaakt, opgevoerd en ontvangen? Hoe werden de tentoonstellingen en voorstellingen aangekondigd en gekaderd als wetenschappelijk? Welke strategieën gebruikten kermisreizigers om hun geloofwaardigheid te versterken? Hoe gingen ze om met hun publiek?
Uitdagingen
Er bestaat momenteel geen omvattend theoretisch en methodologisch kader voor een transnationale studie van de kermis als platform voor de circulatie en popularisering van wetenschap, technologie en beeldcultuur. Zo’n project stelt ons voor de volgende praktische en methodologische uitdagingen:
1. de complexe maar vitale relatie tussen lokale geschiedenis en transnationale netwerken vereist dat het team globaal denkt maar lokaal handelt en dat het een West-Europese geschiedenis van de kermis schrijft op basis van lokale geschiedenissen, met bijzondere aandacht voor culturele, sociale, economische en politieke verschillen;
2. een bijzondere uitdaging zal erin bestaan een onderscheid te maken tussen expliciete en impliciete discoursen en de onderliggende sociale en ideologische waarden die aan de basis liggen van verschillende vormen van wetenschappelijk amusement te identificeren en te interpreteren, in het bijzonder met betrekking tot gezondheid, gender, nationaliteit, klasse en ras;
3. de bronnen zijn uiterst fragmentarisch omdat rondreizende theaters en musea weinig sporen hebben nagelaten. Hun programma’s en performatieve context zullen moeten worden gereconstrueerd op basis van diverse discursieve, visuele en materiële bronnen, zoals persberichten en aankondigingen in de lokale pers, en archiefbronnen zoals strooibiljetten, affiches, brieven en prentbriefkaarten;
16 M. Bleeker, Maaike, red. Anatomy Live: Performance and the Operating Theatre. Amsterdam, 2008; M. Bleeker & I. van der Tuin, ‘Science in the Performance Stratum - Hunting for Higgs and Nature as Performance’, International Journal of Performance Arts and Digital Media, 10:2, 2014, p. 232-45.
17 C. Bigg & K. Vanhou e, ‘Spectacular astronomy’, Early Popular Visual Culture, 15:2, 2017, p. 115-124, DOI: 10.1080/17460654.2017.1319037
18 J. Goodall, Performance and Evolution in the Age of Darwin: Out of the Natural Order, London and New York, 2002.
19 S.-E. Case, Performing Science and the Virtual. Routledge, 2007.
4. de taaldiversiteit van de bronnen kan een belemmering vormen voor individuele onderzoekers om het gehele scala van kritische reacties in de plaatselijke pers te bestuderen en rekening te houden met al het relevante onderzoek in verschillende talen. Dit vereist meertalige teamleden;
5. de hoeveelheid en verscheidenheid aan bronnen is voor individuele wetenschappers moeilijk te organiseren en te beheren; een grootschalig project met een gedeelde database kan dit onderzoek faciliteren.
Onderzoeksaanpak en methodologie
Hypothese
Het project gaat uit van de hypothese dat de kermis in deze periode niet louter een lokale volkstraditie was, maar een knooppunt voor internationale uitwisseling waarin rondreizende kermistheaters en -musea een centrale en moderniserende rol speelden in de verspreiding en popularisering van wetenschap in alle lagen van de bevolking, steunend op efficiënte internationale netwerken. Tegelijkertijd gaat SciFair ervan uit dat showlieden met hun optreden ook impliciete kennis en sociale waarden over gezondheid, gender, nationaliteit, klasse en ras in vraag stelden of versterkten. Het project zal zich daarom concentreren op de circulatie en overdracht van zowel expliciete als impliciete kennis en discours in drie verwante domeinen: (1) technologie, (2) geneeskunde en antropologie, en (3) lokale en internationale geschiedenis en geografie.
Onderzoeksvragen
Hoe werd wetenschappelijke kennis, nieuwe technologie en beeldcultuur verspreid via wetenschapsperformance en tentoonstellingen op de 19e-eeuwse kermis, en hoe werden deze voorstellingen geproduceerd, opgevoerd en ontvangen door het lokale publiek? Deze overkoepelende onderzoeksvraag valt uiteen in verschillende deelvragen en deelprojecten.
1. Technologie, wetenschap en illusie: Hoe werden nieuwe technologieën opgevoerd in zogenaamde physiques amusantes, wat voor soort kennis werd verspreid en in welke mate demystificeerden deze voorstellingen populaire verhalen over magie en bijgeloof?
2. Spectaculaire lichamen: Welk soort kennis van het lichaam werd opgevoerd (en hoe) in anatomische kabinetten, freakshows en zogenaamde etnografische musea en welke ideeën en culturele waarden over het gezonde, het ‘normale’ of ‘blanke’ lichaam, maar ook ziekte en lichamelijke afwijking werden uitgedaagd of versterkt op de 19e-eeuwse kermis?
3. Panorama, diorama en cosmorama: Hoe werd historische kennis en populaire beelden uit de hele wereld opgevoerd en gekaderd in wassenbeeldenkabinetten en in welke mate droegen ze bij tot een grotere visuele geletterdheid van hun publiek?
Internationaal museum voor kunst en wetenschap op de kermis van Tilburg, omstreeks 1925. Foto: Regionaal Archief Tilburg
4. Netwerken van rondtrekkende artiesten: Hoe waren rondtrekkende kermisfamilies met elkaar verbonden via familiale en professionele netwerken, maar ook met andere culturele locaties waar wetenschap gepopulariseerd werd (zoals musea, theaters, observatoria, Wereldtentoonstellingen) en hoe beïnvloedden deze netwerken de inhoud van de show?
5. Mobiliteit en reisroutes: Welke invloed had de veranderende mobiliteit en de regionale wettelijke condities (zoals regionale wetgeving inzake migratie) op het leven en de reisroutes van de rondtrekkende kermisfamilies en bijgevolg de circulatie van kennis doorheen geografische gebieden?
Projectarchitectuur en -methoden
Het project bestaat uit drie thematische deelprojecten (werkpakketten) en twee transversale. Twee doctoraatsstudenten zullen respectievelijk focussen op de performance van technologie in illusieshows en zogenaamde physique amusante (PhD 1) en de opvoering van geneeskunde en antropologie in anatomiekabinetten, etnografische musea en ‘natuurwonderen’ (PhD 2). Een postdoctorale onderzoeker zal onderzoek doen naar de opvoering van geschiedenis en geografie in panorama’s, diorama’s en cosmorama’s (Postdoc 1). Op basis van de archiefbronnen die via deze thematische studies zijn verzameld, zullen twee transversale werkpakketten zich richten op de showbusinessnetwerken van rondtrekkende kermislieden (Postdoc 2) en hun transnationale routes in kaart brengen en analyseren in relatie tot de transportgeschiedenis (Postdoc 3). De vijf deelprojecten staan in onderlinge relatie tot elkaar en maken een gedetailleerde vergelijking mogelijk. Op basis van de resultaten van deze deelprojecten zal de coördinator van het project een uitgebreide analyse maken van wetenschapsperformance op de 19e-eeuwse
kermis, resulterend in een monografie. Hierin zal ze de performatieve strategieën bespreken die kermislieden gebruikten om wetenschap om te zetten in een spectaculaire show; hoe deze entertainers verschillende rollen en kwaliteiten combineerden en zo bijdroegen tot de verspreiding van kennis en een zich uitbreidende Europese cultuur en visuele geletterdheid. Ze zal daarbij speciale aandacht hebben voor de rol van vrouwen, vaak veronachtzaamd in bestaande studies, in weerwil van hun centrale positie in de familiezaak.
De methodologie van dit project bestaat uit drie stappen waarin kwalitatieve benaderingen worden gecombineerd met kwantitatieve analyses.
1. Verzameling en verwerking van historische bronnen in een databank.
2. Kwalitatieve en kwantitatieve analyse van de bronnen.
3. Vergelijkende analyse in relatie tot internationale literatuur over populaire cultuur en kenniscirculatie.
De kwalitatieve analyse is gebaseerd op historische onderzoeksmethoden, met inbegrip van archiefonderzoek, discoursanalyse, voorstellingsanalyse en visuele analyse. Aan de hand van concepten uit de theater- en performancestudies worden verschillende performatieve strategieën geanalyseerd om een genuanceerd beeld te schetsen van de veelheid aan vormen van wetenschapsperformance en vertoningen. Om het multimediale karakter van deze schouwspelen volledig te vatten, zal een interdisciplinair kader ontwikkeld worden dat perspectieven uit media-archeologie en wetenschapsgeschiedenis integreert, met inbegrip van een bewustzijn van de historische rol van media in communicatieprocessen (doelstelling 4).
SciFair zal ook een kwantitatieve analyse uitvoeren door middel van instrumenten uit de digital humanities, zoals het gebruik van een relationele database (Nodegoat), netwerkanalyse (Gephi) en GIS-technologie. Het merendeel van het kwantitatief onderzoek vertrekt vanuit een voor het project op maat gemaakte database. Het betre een online en collaboratief platform ontwikkeld door LAB1100 om onderzoek in de geesteswetenschappen te vergemakkelijken, en laat toe om diverse soorten informatie aan elkaar te koppelen doorheen tijd en ruimte. Dit betekent dat zowel de verschillende entiteiten (personen, families, a racties, organisaties) die in het onderzoek centraal staan, alsook de fysieke en digitale documenten en objecten die het onderzoek faciliteren, uitgebreid zullen worden gedocumenteerd en bestudeerd. Nodegoat zal het team in staat stellen om aanzienlijke hoeveelheden datasets over kermisfamilies uit verschillende geografische regio’s gezamenlijk te verzamelen en beheren, en houdt onder meer de creatie van metadata in. Naast het verzamelen van primair bronnenmateriaal, hee Nodegoat als voordeel dat ook de productie van onderzoeksdata en de analyse hiervan zich in één en hetzelfde platform bevinden. Zowel Nodegoat, Gephi als andere digitale toepassingen faciliteren verder de analyse van hoe Europese kermisfamilies onderling verbonden waren en in relatie stonden tot andere actoren van populaire wetenschap en cultuur (musea, theaters, observatoria en wetenschappelijke genootschappen) en hoe hun reisroutes verband hielden met regionale omstandigheden op het vlak van vervoer en mobiliteit.
Bovendien biedt Nodegoat het voordeel om via een website zowel (informatie over) het primair bronnenmateriaal als de onderzoeksdata en eventuele datavisualisaties op termijn te tonen en beschikbaar te stellen voor onderzoekers en het brede publiek. Op het einde van het project zullen (een deel van) de gegevens ook worden gepubliceerd in een open-access repository (zoals Zenodo) en geëxporteerd naar Wikidata, waar het eveneens toegankelijk zal zijn voor andere onderzoekers en met name erfgoedinstellingen (doelstelling 5).
Team
Het ERC-project brengt een interdisciplinair en meertalig team van zes onderzoekers samen: de coördinator, twee doctorandi en drie postdoctorale onderzoekers. Drie postdocs (elk voor een periode van 2 jaar) vullen de expertise van de coördinator aan op het gebied van sociale geschiedenis, visuele studies en digital humanities. Het ERC-team wordt bovendien versterkt door twee doctorandi en twee postdocs, gefinancierd door respectievelijk het Fonds de la recherche scientifique (FRS-FNRS), het Fonds Wetenschappelijk Onderzoek Vlaanderen (FWO) en het Bijzonder Onderzoeksfonds (BOF). In een dubbeldoctoraat met de ULB en als deel van het EOS project B-magic (www.B-magic.eu) onderzoekt Marte Van Hassel (FNRS) op welke manier het gebruik van de magische lantaarn hee bijgedragen tot een koloniale beeldtaal die tot op vandaag doorwerkt, in wat ze ‘a performance of whiteness’ noemt, de manier waarop de kolonisator de eigen identiteit performatief vormgaf. Een ander doctoraatsproject (BOF) zal de wisselwerking bestuderen tussen wetenschappers en kermisamusement op het gebied van het bovennatuurlijke – zoals mediums die communiceren met de doden, spiritisten en zieners – fenomenen waarvoor in het tweede hel van de 19e en begin 20e eeuw een wetenschappelijke verklaring werd gezocht. Sarah Adams en Evelien Jonckheere zullen als postdoctoraal onderzoekers van het FWO onderzoek
doen naar stereotypering in populaire performance cultuur van niet-blanke mensen enerzijds en de invloed van fysionomie als (pseudo)wetenschap op stereo‘typen’ anderzijds.
SciFair zal tussentijdse resultaten van het onderzoek delen via wetenschappelijke en publieksgerichte publicaties, internationale workshops, conferenties en seminaries. Daarnaast zal het project resulteren in twee boekpublicaties, 3 doctoraten, een database, en een tentoonstelling. Meer informatie en updates over geplande activiteiten is te vinden op de website: www.scifair.eu
Trefwoorden: kermis, wetenschapspopularisering, rondreizende wassenbeeldenmusea, rondreizend kermistheater, kunst en wetenschap
RECENSIES
Marilena Alivizatou, Intangible Heritage and Participation. Encounters with Safeguarding Practices, AbingdonNew York, Routledge, 2022, 162 p.; ISBN 9781138387010, GBP 34,99; e-book: ISBN 9780429426476; GBP 31,49.
In het themanummer over culturele makelaardij en het borgen van immaterieel erfgoed in Volkskunde in 2014 werd het vorige, internationaal opgemerkte boek van Marilena Alivizatou, Intangible Heritage and the Museum. New Perspectives on Cultural Preservation (Londen, 2012), al besproken door Ramon de la Combé. Dit nieuwe boekje bouwt erop voort. Het vertoont gelijkenissen door de combinatie van een prikkelend literatuuroverzicht en opnieuw
een reeks descriptieve presentaties van interessante initiatieven van museumpraktijken en -opstellingen van over de hele wereld.
Enerzijds wordt, in het eerste hoofdstuk (p. 1-27) een goed geïnformeerde en up-to-date verkenning gepubliceerd van hedendaagse deba en en onderzoeken over het borgen van immaterieel cultureel erfgoed, participatieve methoden en musea. Voor de lezers van dit tijdschri zijn dit ondertussen vertrouwde thema’s. Nieuw in het Londense en New Yorkse publicatieplatform van de erfgoedreeksen van Routledge is dat expliciet naar de in het Engels verschenen bijdragen van auteurs uit Vlaanderen wordt verwezen, zowel in het tijdschri Volkskunde als in het recente internationale Oxford-standaardwerk over de 2003 UNESCO Conventie onder redactie van Janet Blake en Lucas Lixinski1. Veel aandacht krijgt ook Werkplaats Immaterieel erfgoed en de voorloper
1 Zie bijvoorbeeld M. Jacobs, J. Neyrinck & A. Van der Zeijden, ‘UNESCO, Brokers and Critical Success (F)Actors in Safeguarding Intangible Cultural Heritage’, Volkskunde. Tijdschri over de cultuur van het dagelijks leven, 115:3, 2014, p. 249-256; M. Jacobs, ‘Article 15. Participation of Communities, Groups, and Individuals. CGIs, not Just ‘the Community’’, in: J. Blake & L. Lixinski (eds.), The 2003 UNESCO Intangible Heritage Convention. A Commentary, Oxford, 2020, p. 273-289; T. Djeric e.a. (eds.), Museums and Intangible Cultural Heritage. Towards a Third Space in the Heritage Sector. A Companion to Discover Transformative Heritage Practices for the 21st Century. Brugge, 2020, www.ichandmuseums.eu.
tapis plein, en met name het Intangible Heritage and Museums Project en de daaruit voortvloeiende bundel uitgegeven in het Engels in 2020. Het eveneens daaruit voortgesproten uitgebreide themanummer Transforming, Not Saving in Volkskunde in 2020 is wellicht te laat verschenen om nog de voetnoten en de tekst van Alivizatou te verrijken en moet dan ook complementair worden gebruikt.2
Anderzijds worden weer interessante gevalstudies gepresenteerd over allerlei vormen van museumwerk in het vorige decennium, onder andere rond geheugenwerk, getuigenissen en mondelinge geschiedenis (p. 65-98) maar ook rond vormen van participatief onderzoek en verzamelen ontsluitingsprojecten. Hier kon Alivizatou voortbouwen op werk in het kader van het Europese Intangible Heritage and Museum Project. Dit is zeker het geval in het tweede hoofdstuk waar uitgebreid wordt ingegaan op een conferentie in Ro erdam in 2017. Zo passeren praktijken en projecten in het Museum Ro erdam of wijlen Albert van der Zeijdens West-Kruiskade de revue. Een tiental pagina’s wordt gewijd aan participatieve trajecten en projecten (onder andere onder begeleiding van Liene Conard, Chris De Lauwer, Vera De Boeck, Lieve Willekens, en Sofie De Ruysser) van het Museum aan de Stroom in Antwerpen in de late
2 E.Tsakiridis, M. Jacobs & J. Neyrinck, ‘Safeguarding Intangible Cultural Heritage and Museums. A Special Issue’, Volkskunde. Tijdschri over de cultuur van het dagelijks leven 121:3, 2020, p. 255-265; M. Jacobs & J. Neyrinck, ‘Transforming, Not Saving. Intangible Cultural Heritage, Museums and/ or the World’, Volkskunde. Tijdschri over de cultuur van het dagelijks leven 121:3, 2020, p. 481502.
jaren 2010. Het gaat om uitgebreide, informatieve signalementen, naast voorbeelden uit Griekenland en Nieuw-Zeeland bijvoorbeeld.
Ook in het laatste hoofdstuk, gewijd aan ethische bespiegelingen over participatie in het borgen van immaterieel erfgoed en museumwerk, wordt opnieuw op ervaringen en inzichten uit de Lage Landen een beroep gedaan. Kortom, een actuele, goed geïnformeerde bundel waarmee Alivizatou bespreekt wat er in de wereld van musea en het borgen van immaterieel erfgoed te signaleren is sedert de publicatie van haar doctoraat, een oefening die illustreert hoe relevant en belangrijk het is af en toe een themanummer van Volkskunde in het Engels te publiceren of een internationaal erfgoedproject zoals IMP op te ze en.
Marc Jacobs
Sophia Kunze & Teresa Stumpf, Im Dazwischen. Materielle und soziale Räume des Übergangs, Berlin, Reimer, 2020, ISBN 978-3-496-01640-3, 232 p., 29,9 euro.
De bundel is de neerslag van een colloquium, georganiseerd door de Isa Lohmann-Siems Sti ung in Hamburg in februari 2019. Het gaat over het thema InBetween, ertussen, in ruimten, of die nu stedelijk, digitaal of geschilderd zijn. Enerzijds vertrekt het vanuit de (vast)stelling dat mensen in ruimten leefden en leven, of het nu gro en, flatgebouwen of plekken op cyberspace zijn. Anderzijds is er het concept liminaliteit, zoals het ontwikkeld werd door Victor Turner (1920-1983), geïnspireerd door het werk van Arnold van Gennep (1873-1957). Dat focust op de kracht van tussenruimten en tussentijden, bijvoorbeeld in overgangsrituelen. Door de twee ideeën te combineren en daar een open multi- en interdisciplinaire call
op los te laten, werden ruimtes en “tussen”toestanden door specialisten in etnologie, cultuurantropologie, theologie, kunstwetenschappen en stadsstudies besproken. Ook in dit tijdschri Volkskunde is er de voorbije decennia af en toe gebruik gemaakt van het begrip.3
Dit kan via kunstwerken worden benaderd, zoals blijkt uit de commentaren door Margit Kern over een schilderij uit 1665 van de Nederlandse schilder Nicolaes Berchem, van een ontmoeting tussen een dame en vreemdelingen, in een haven (tussenruimte). Er worden schilderijen uit diverse periodes besproken, zoals La Maison Rouge (1873) van Camille Pissaro, landschappen van Claude Monet en zijn collega’s, of schilderijen van O o Dix (1891-1969) in de “marginale periode” tussen 1933 en 1945, of de a eeldingen uit beschilderde meubels (cassone, spalliera, …) in Italië in de vij iende eeuw. In andere bijdragen gaat het over architecturale ruimtes, zoals het op het einde van de vij iende eeuw gemaakte portaal in de Berner Münster of voorbeelden van gebedshuizeninterieur in het zuidoosten van Engeland in de vij iende en zestiende eeuw. Maar evengoed passeren de recente geschiedenissen van perifere stadswijken in Berlijn, zoals MarzahnHellersdorf, de revue. Of de werelden van computerspelletjes, inclusief
3 Zie bijvoorbeeld M. Jacobs, ‘De bef jagen en schavakken vangen in Vlaanderen (18301914). Grappen, overgangsrituelen en liminele dispositie-interiorisering’, in: Volkskunde, 89: 2, 1988, p. 83-115 of recent: A. Galla, ‘Discursive Crossings in Liminal Spaces’, in: Volkskunde, 121:3, 2020, p. 301-314
Isabella Augart,
erfgoed zoals Pac-Man, Pong, Tetris en Super-Mario-World.
In het boek worden een paar opvallende voorbeelden gegeven van het gebruik maken van “tussenruimten,” in de reis van migranten uit Afrika naar Europa, via de liminele ruimtes (en zee) tussen Marokko en Europa. Zo wordt het fenomeen “embodiment of clandestinity” besproken, het aannemen van houdingen of rollen die daarbij kunnen helpen, zoals bijvoorbeeld tekens uitzenden dat men hoogzwanger is, wat een zekere bescherming biedt (zoals wordt aangetoond in het geval van de transformatie van jongedames uit Nigeria in zwangere islamitische asielzoeksters (p. 24-26)). Ook opvallend is de poging om het concept “hacking” op stadsontwikkeling toe te passen.
Al bij al zijn het half samenhangende teksten en vingeroefeningen waarin tussenruimten en soms ook liminaliteit aan bod komen.
Het is geen standaardwerk waarin vergaande nieuwe theorievorming wordt ontwikkeld. Het is meer een verzameling van enkele verdienstelijke stukken van wisselende kwaliteit waarin enkele a enderende concepten worden toegepast of een gelegenheidsbundel van presentaties op een conferentie, of iets daartussen.
Marc Jacobs
Himstedt-Vaid, Susanne Hose, Helger Meyer, Siegfried Neumann (Hrsg.), Von Mund zu Ohr via Archiv in die Welt. Beiträge zum mündlichen, literarischen und medialen Erzählen. Festschri für Christoph Schmi . Rostocker Beiträge zur Volkskunde und Kulturgeschichte, Band 9. Waxmann Verlag, Münster-New York 2021, 707 p , ill.; ISBN 978-3-8309-7; E-Book-ISBN 978-3-8309-9390-2; 49,90 Euro; E-Book 44,99 Euro.
Dit vuistdikke boek is een feestbundel met meer dan veertig bijdragen van oud-studenten, medewerkers en collega’s van prof. Christoph Schmi en vorsers uit binnen- en buitenland ter gelegenheid van zijn 65e verjaardag. Schmi is emeritus aan de Philosophische Fakultät van de universiteit van Rostock, onderzoeker van de volkskunde van Mecklenburg-Vorpommern, voorzi er van het “Richard-WossidloZentrum” en initiatiefnemer van de digitalisatie van de enorme
Petra
nalatenschap van deze volkskundige. Hij is vooral bekend als narratoloog en was een van de eersten die de filmwetenschap en de massamedia in het volksverhaalonderzoek betrok. Hij organiseerde in 2004 een internationaal congres onder het thema “Erzählkulturen im Medienwandel”, dat resulteerde in een publicatie met dezelfde titel (Volkskunde, 2009, 3-4, 377-380. Zijn veelzijdigheid blijkt ook uit zijn chronologische bibliografie op het einde van het boek.
De bijdragen in deze bundel zijn uiteraard gelieerd aan de diverse wetenschappelijke activiteiten van de gevierde en gerangschikt in rubrieken waarvan de titel enkel in de inhoudsopgave staat. Uiteraard begint het boek met een hulde aan de jarige waarin zijn verdiensten worden beschreven. Deze taak neemt Neumann op zich, zijn voorganger als voorzi er van het voornoemde centrum. Deze tekst wordt voorafgegaan door een speelse maar verhelderende interpretatie van het sprookje van de “Bremer Stadtmusikanten”, toegepast op de gehuldigde.
De bijdragen in de eerste rubriek “Von Wossidlo zu WossiDIA –Sammeln, Forschen, Networking” zijn gewijd aan of houden verband met het voornoemde centrum en archief. R. Wossidlo (1859-1939) wijdde zijn leven aan de regionale en historische volkskunde, bezat een enorme bibliotheek en verzamelde met behulp van talrijke medewerkers een indrukwekkende collectie materiaal, dat o.a. een bestand beva e van twee miljoen handgeschreven brie es met notities, vaak in dialect, in verband met volkstaal, namen, raadsels, verhalen, volksgeloof, gebruiken, enz. Om al
dit materiaal te beheren werd in 1954 de “Wossidlo-Forschungsstelle für Volkskunde/Europäische Ethnologie” opgericht, die later geïntegreerd werd in de Philosophische Fakultät van de universiteit Rostock. Om dit enorme bestand te ontsluiten voor wetenschappers en internationaal gratis toegankelijk te maken werd WossiDiA ontworpen, een systeem met allerlei links dat de onderzoeker in staat stelt allerlei vragen te stellen, statistieken te maken, kaarten te ontwerpen, enz. De architectuur van het “Hypographmodell” wordt in een speciale bijdrage uitgelegd, maar is voor de leek moeilijk te volgen. In een aparte bijdrage wordt verteld hoe een aan Wossidlo gelinkt interactief archief van veldnamen functioneert. In het onderdeel Isebel (“Intelligent Search Engine for Belief Legends”) zijn ook de Nederlandse en de Deense verhalenbanken geïntegreerd. Waar blij de link met de “Vlaamse Volksverhalenbank”? Voor Mecklenburg-Vorpommern werd er een apart “OrtschronikenPortal” opgericht dat alle mogelijke “graue Literatur” verzamelt; dit zijn weinig waargenomen druksels, familiekronieken, documentatie van verenigingen, enz. van lokaal of regionaal belang. S. Janssen hee het over de problemen van de kleinere herinneringsinstellingen zoals musea en verzamelingen van cultureel erfgoed die vaak onbekend blijven. Er wordt ook een bijdrage gewijd aan het dialect op basis van de Hoogduitse contrastieve schoolgrammatica van Friedrich Wigger van 1859. De auteur vermeldt terloops dat er in het midden van de 19e eeuw een mengtaal is ontstaan tussen Plat- en Hoogduits het “Missingsch”, wat me doet denken aan ons Verkavelingsvlaams. Over
het dialect en het Mecklenburgisches Wörterbuch van R. Wossidlo en H. Teuchert gaat het in de in een andere rubriek ondergebrachte bijdrage over de populaire schrijver John Brinckman, die voor dit woordenboek een belangrijke bron was.
De tweede en grootste rubriek betre het eigenlijke volksverhaal, zoals het wordt overgeleverd in sprookje, sage, spreekwoord en raadsel. Wolfgang Mieder linkt het gezegde “Die Sonne bringt es an den Tag” aan een sprookje van Grimm en een gedicht van Karl Chamiso. Het artikel bevat een overvloed aan citaten en verwijzingen naar paramiologische studies en verzamelingen. Aparte verhaaltypes of -motieven komen ook aan bod in enkele bijdragen. Overdreven rouwen is het onderwerp van “Das Tränenkrüglein” (ATU 769), een artikel dat aantoont dat materiële en immateriële cultuur niet te scheiden zijn. Dat blijkt vooral uit het artikel “Handel mit Töpfen”, dat een scène uit “König Drosselbart” tot aanleiding neemt voor een sociaalhistorische studie van ambulante kooplui. De zwaanmeisjes spelen mee in de stripreeks “MeZolith” van de auteur Ben Haggarty, die de volksverhalen grondig hee bestudeerd. Deze bijdrage gaat eigenlijk over het samenspel van sprookjesmotieven en wetenschapsmythen in de zogenaamde “prehistoric fiction”. Verschillende bijdragen zijn gewijd aan historische verzamelingen: J.H. Lehnerts Mährchenkranz für Kinder (1829), Frederik Fischers Schlesvigske Sagn” (1857-1861) uit het Deens-Duitse grensgebied en de “ongewone” sprookjescollectie van Nikolaj Chr. Christensen (vanaf 1854). Deze laatste verzameling wordt
met digitale methodes geëxploreerd en gemanipuleerd om het karakteristieke ervan te herkennen. Theo Meder gebruikt de Nederlandse verhalenbank bij zijn onderzoek naar de rol van boer en koe in traditionele volksverhalen. Silke Götsch-Elten behandelt de verhouding tussen sage en historische werkelijkheid en tussen oraliteit en literaliteit in een niet gepubliceerde sage uit 1935 over een wrede graaf. Heel boeiend is het artikel van R.W. Brednich over de oorsprong, continuïteit en communicatiewegen van moderne sagen (urban legends).
Na zijn publicaties kreeg hij een onverwachte respons van lezers die hem overstelpten met nieuwe verhalen of versies, ook uit literatuur en film. K. Pöge-Adler hee het over de relatie tussen sagen en gebruiken (het “Questenfest” in de Harz) en Petra Himstedt-Vaid wijdt haar tekst aan heksensagen en volksgeloof. Daaruit blijkt dat in MecklenburgVorpommern vooral de kwade blik wordt gevreesd, terwijl in Vlaanderen eerder van de kwade hand wordt gesproken. De auteur veronderstelt dat de kennis van dit volksgeloof nog actief is (aan de hand van slechts twee toevallig gehoorde verhalen!). Een kleine kan ekening: de heksenkrans onder het kopkussen van kinderen komt niet alleen in Noord-Duitsland en Italië voor (p. 326), maar is sporadisch ook bij ons opgetekend. De mondelinge overlevering komt vooral tot uiting in de extra lange bijdrage van Neumann “Mündliche Rätselüberlieferung”. Hij vertelt hier heel gedetailleerd en boeiend over zijn toevallige ontmoeting met een man die een ongelooflijk repertoire aan raadselen had. Het relaas van de auteur is een verhaal op zich! De tekst wordt gevolgd door een lijst
van de meer dan honderd raadsels met hun oplossingen. Het valt wel op dat ze werden opgetekend in 1979.
Hee Neumann dan zo lang moeten wachten om zijn tekst te publiceren?
Het onderzoek naar het biografisch vertellen, het vertellen van alledaagse levensverhalen is sinds de tachtiger jaren van vorige eeuw alleen maar toegenomen. Het gaat bij de volkskunde niet zozeer om de grote historische gebeurtenissen maar om de persoon van de verteller en hoe die deze feiten in zijn dagelijks bestaan belee , verwerkt, interpreteert en ver-taalt. Dit wordt onderzocht aan de hand van egodocumenten zoals dagboeken, brieven, fotoalbums, geregistreerde interviews, enz.
Outi Tupmi-Nikula opent deze rubriek met de beschrijving van een belangrijke episode uit het leven van haar Finse moeder, tevens de schoonmoeder van Christoph Schmi , die als jong meisje in de periode 1932-1943 vaak in Duitsland verbleef. De auteur wil aantonen hoe, – ondanks de gebeurtenissen, ook in haar privéleven – Duitsland voor deze vrouw haar tweede “geistige Heimat” werd en bleef. Dat vooral ingrijpende en traumatische gebeurtenissen een diepe indruk nalaten, illustreert de bijdrage waarin de gebeurtenissen rond de confrontatie van de strijdmachten tijdens de Tweede Wereldoorlog aan de Sieg worden beschreven zowel in de dagboeknotities en de boeken van H. Böll als in de opnames van de herinneringen van zegspersonen die toen kind waren (opgetekend in 2013). S. Friedrich bericht over de werking van het “Lebensgeschichtliches Archiv für Sachsen”, verbonden aan het “Institut für Sächsische Geschichte und Volkskunde”. Dit
onderzoeks- en documentatiecentrum deed een succesvolle oproep in de media en nam interviews op o.a. met vluchtelingen en verdrevenen na de Tweede Wereldoorlog en over vakantieherinneringen tijdens de DDR. Het artikel verwijst ook naar het “Archiv für alltägliches Erzählen” aan de universiteit van Hamburg (p. 396). In een volkskundig boek gaat het bij “Literarisches Erzählen in de eerste plaats om verhalen in welke literaire vorm ook (romans, theaterstukken, gedichten) die bewerkingen zijn van volksverhalen of die in belangrijke mate elementen daaruit of uit het volksleven met zijn tradities en gebruiken beva en. Dit is in sommige bijdragen niet helemaal het geval. F-J. Holznagel toont aan dat de afscheidsscène uit Romeo and Juliet geïnspireerd is door Wolfram von Eschenbach. Ook zijn er besprekingen van enkele erg populaire romans uit de late negentiende en de eerste hel van de twintigste eeuw met sociaalhistorische thema’s. Johanna Spyria’s Heidi’s Lehr- und Wanderjahre (1880) behandelt de tegenstelling tussen de ongerepte landelijke natuur en de drukke geïndustrialiseerde grootstad, gethematiseerd vanuit het oogpunt “heimwee” met even een link naar het sprookje van vrouw Holle. De zeevisserij van Finkenwerder is het onderwerp van twee romans die elk een verschillende politieke insteek hebben: de eerste Seefahrt ist Not (1912) van Johann Kinau romantischnationalistisch, de tweede Fischku er H.F. 13 (1930) van Albert Hotopp met een communistische visie. De zin “Schlechte Zeiten Kamerad” die in de stripaflevering “Die Quiz-Sendung” met Donald Duck door de Duitse vertaalster een hond in de mond wordt gelegd, bracht B. Rieken op het spoor
van Streuvels’ roman Knecht Jan, (Langs de wegen uit 1902), waaruit dit een citaat zou zijn. De auteur gee naar aanleiding van deze ontdekking een uitgebreide analyse van het boek. De interessantste bijdrage in deze rubriek is wel de bespreking en onderlinge vergelijking van enkele toneelwerken uit het Engelse renaissancetheater, namelijk Macbeth van Shakespeare en drie andere met “witch” in de titel.
De stukken werden geschreven in de tijd van de heksenvervolgingen in Engeland en Schotland.
De laatste rubriek hee als titel het verhalen in de film. De meeste bijdragen tonen aan hoe – zoals ook in literaire sprookjes – bekende vertellingen in teken-, animatie- en speelfilms, televisieseries en games worden aangepast en van nieuwe inhoudselementen voorzien in functie van het doelpubliek en de actualiteit. De analyses betreffen verschillende verfilmingen van het sprookje “Rapunzel”, van het destijds zeer populaire Das kalte Herz van Wilhelm Hauff met niet minder dan zeven versies tussen 1923 en 2016, en van de Tsjechische griezelfilm “Polednice”, gebaseerd op de in dat land algemeen bekende sagefiguur en kinderschrik “de middagsvrouw”. Ook in Japan spelen in de 21e eeuw populaire mythische, sagen- en sprookjesfiguren een betekenisvolle rol in het mediale leven tot en met reclamespots toe en in het toerisme. Maar er is niet enkel de film. Met de komst van het internet en de sociale media is er een heel nieuw netwerk van communicatiekanalen ontstaan dat de snelle verspreiding en transformatie van verhalen vergemakkelijkt en andere vormen van populaire cultuur doet ontstaan. Daarmee biedt zich een totaal nieuw onderzoeksveld aan. Het
boeiende artikel van Brigi e Frizzoni bijvoorbeeld beschrij hoe de grote interactie tussen de populaire BBCtelevisieserie van Sherlock II en haar fanclubs werkt. Zo refereert deze reeks aan de fans en houdt rekening met hun suggesties en creatieve inbreng.
Een feestbundel of liber amicorum is natuurlijk geen gewone bundel met artikels rond een bepaald thema. De auteurs hebben een persoonlijke band met de gevierde en benaderen hun onderwerp soms op een minder formele wijze zonder dat het iets hoe af te doen aan de wetenschappelijke waarde van hun betoog. Zo is de bijdrage van Michael Simon het relaas van een bezoek dat hij samen met C. Schmi aan de schrijver Walter Kempowski in 2004 hee gebracht om diens enorme persoonlijke archief met gegevens over het dagelijks leven te leren kennen.
Een aantal bijdragen betreffen de volkskunde en geschiedenis van Mecklenburg-Voorpommeren en zijn vooral van regionaal belang, maar bieden vaak ook interessant vergelijkingsmateriaal. Enkele auteurs verwerken stof die in het verleden werd verzameld; dat geldt ipso facto voor de gegevens uit het Wossidloarchief (tot 1938). De regio om Rostock ligt in de voormalige DDR en dat vindt zijn neerslag in enkele artikels waarin terloops of meer essentieel ingegaan wordt op de politieke consequenties voor sommige figuren of publicaties. Zo neemt N. Werz het leven van de godsdienstfilosoof en “sprookjesverteller” Peter Heidrich en zijn relatie met de “Staatssicherheit” tot voorbeeld om aan te tonen dat de werking van sprookjes a angt van de context. De meeste teksten zijn zeer grondige wetenschappelijke analyses, gevolgd door een uitvoerige
bronnenlijst waaraan in de tekst met a ortingen wordt gerefereerd, wat het lezen soms wel hindert. Andere bijdragen zijn eerder als essay te beschouwen, zoals die van Helmut Groschwitz, die de statige kasteelachtige gebouwen in drie sprookjesachtige films gelijkstelt met de burchten, paleizen en kastelen in de sprookjes, en die de tegenstellingen tussen ongelijke standen vergelijkt met die van de hoofdpersonen in het volksverhaal.
Het is al met al een zeer gevarieerde bundel geworden met bijdragen van auteurs uit verschillende (deel) disciplines met naast narratologie en historische volkskunde ook taalkunde, naamkunde, dialectologie, le erkunde en zelfs numismatiek, altijd wel met een volkskundige en narratologische insteek. Interdisciplinaire samenwerking in het verhalenonderzoek is dan ook heilzaam voor innovatieve studie. Niet alle bijdragen werden in deze recensie besproken of vermeld maar het mag duidelijk zijn dat dit boek een goudmijn is voor wie zich interesseert voor een van de vele aspecten van de narratologie en kan inspireren bij eigen onderzoek.
Marcel
Van den Berg
Munro, Dreams Made Small. The Education of Papuan Highlanders in Indonesia. ASAO Studies in Pacific Anthropology. Volume 9. New York-Oxford, Berghahn, 2018, 206 blz., ill.; ISBN 9781785336843, E-ISBN: 9781785337598; $ 135 & $ 29,95.
In 2006, meer dan veertig jaar nadat Indonesië het gezag over Papua (het westelijk gedeelte van Nieuw-Guinea dat onder Indonesië valt) in 1963 verkreeg, bezoekt de Indonesische president Susilo Bambang Yudhoyono (aka SBY) voor het eerst de bevolkingsgroep de Dani in Wamena, de hoofdstad van de hooglanden. Een uitzonderlijke gebeurtenis die met heel wat politiemaatregelen gepaard ging, waarbij de Dani toch op een redelijke afstand werden gehouden. Toch vertelt SBY dat het vanaf dan anders zal zijn en dat de Papoea´s meer kansen moeten krijgen. Hierbij
Jenny
dient aangestipt dat voor veel Dani de kolonisatie niet is gestopt, maar dat ze gewoon van kolonisator zijn gewisseld. De provincie Papoea (het vroegere Irian Jaya) is een verregaand achtergesteld gebied dat wordt geteisterd door honger en armoede, maar ook door veel geweld en een stuitend gebrek aan scholing. Door transmigratie (vanuit de andere eilanden) krijgt de plaatselijke bevolking vaak geen enkele kans om zich op te werken. Sommige steden zoals Jayapura hebben al meer dan vij ig procent inwoners van de andere eilanden. Zo heb ik zelf beleefd dat de plaatselijke reisgidsen steeds minder kans maken om toeristen in het binnenland te begeleiden, omdat Javanen en zelfs Japanners hun plaats innemen. De meeste Dani spreken enkel hun thuistaal en wat Bahasa Indonesia, waardoor toeristen vaak daarom die niet-lokale gidsen verkiezen. Maar SBY beloofde dat het anders zou worden en dat de Papoea´s kansen op beter onderwijs zouden krijgen, door aan betere scholen te studeren. Zoals in Manado, de hoofdstad van Noord-Sulawesi. Met andere woorden een droom voor de jonge Dani die wegwillen van de stigmatisatie en het geweld waarmee ze altijd worden geconfronteerd en waardoor ze zich tweederangsburgers voelen in hun eigen hooglanden van Centraal Papoea.
Voor de Indonesische president was het duidelijk dat hij de Papoea´s ervan moest overtuigen dat ook zij Indonesiërs zijn en dat ze gelijke kansen hebben als elk ander kind van de immense archipel. Een moeilijke taak. Maar onderwijs is/lijkt daarbij de stepping stone om die lange weg waar te maken en de kloof met de andere eilanden te dichten. Een
kloof die in vele hoofden aanwezig is door telkens maar de term stenen tijdperk te gebruiken, wanneer het om Papoea’s gaat. Men wijst daarbij graag naar de koteka (peniskoker) of de noken (geweven draaghoofdtas) als uiterlijke tekenen van primitiviteit, maar het zijn eerder tekenen van stigmatisering, want de Papoea´s hebben sinds hun aansluiting bij de Republiek Indonesië het lastig met de vaak gewelddadige onderdrukkingsmaatregelen van het staatsregime. En dat staatsgeweld is gebaseerd op een soort foute logica van Indonesische superioriteit. Postsecundair onderwijs is slechts voor een minderheid (minder dan vijf procentpunten) weggelegd. Analfabetisme ten gevolge van gebrek of afwezigheid van scholing is angstwekkend hoog. En net daarom waren de woorden van SBY toch enigszins hoopgevend. Munro, docent aan de University of Queensland (Australië), onderzoekt of die woorden ook effect hebben gehad. Daarvoor volgt ze een groep Dani studenten die in 2005 naar Manado (Noord-Sulawesi) worden gestuurd en daarna naar Wamena terugkeren. Volgen betekent le erlijk bij en met hen leven, empirisch waarnemen: zeven maanden op Sulawesi en daarna twee maanden in Wamena (Baliemvallei), waarbij ze deelnam aan de dagelijkse activiteiten van de studenten. Een van de redenen voor de keuze op Sulawesi hee te maken met het christelijke karakter van de universiteit in het grootste moslimland ter wereld. Buiten hun eigen eiland studeren hee een hoger aanzien en de studenten hopen op die manier meer kennis op te doen en iets te kunnen betekenen in de ontwikkeling van hun thuisland
door de kloof te dichten tussen de Dani leefwereld en de Indonesische. Tegelijkertijd kan worden vastgesteld dat ondanks de vele belo en van de huidige president Joko Widodo de situatie voor de Dani danig is verslechterd, waarbij zelfs de Papoeabevolking van de kust op de Dani uit het centrale hoogland neerkijken. Raciaal geweld is hiervan het gevolg. Dit boek gaat meer over mannen, omdat de stigmatisering (o.a. de peniskoker) hen meer tre dan de vrouwen die als nog minderwaardiger worden beschouwd.
De verdienste van dit werk ligt in de nauwgeze e manier waarop Munro te werk gaat in het vaststellen van dit parcours van opleiding van een bevolkingsgroep die zichzelf (orang Papua) niet als Indonesisch (orang Indonesia) beschouwt, alhoewel ze strictu sensu natuurlijk wel Indonesische burgers zijn, maar dat betekent meteen dat ze tijdens hun studieperiode op een ander eiland als migranten worden beschouwd. In grote lijnen stelt ze vast dat grote toekomstdromen botsen op praktische bezwaren en grenzen, waardoor die dromen uiteindelijk klein worden, zoals in de titel wordt meegegeven. Munro neemt ons mee op die hele tocht, vertrekkend vanuit de Baliemvallei via Sulawesi en terug naar de Baliem. Op de universiteit van Manado vallen ze onmiddellijk op als vreemd en achterlijk, deels omdat ze – wegens ontbrekende financiële middelen – verder leven en wonen zoals thuis. Hierdoor wordt het stigma alleen maar erger en de afstand tot en de vrees van de plaatselijke bevolking alleen maar groter, wat dan weer bij de Dani resulteert in schaamte en verwarring. Munro toont daarna aan dat de universitaire
campus net een site is waar de Dani studenten worden uitgebuit en als gevolg daarvan a aken omwille van het openlijke racisme, niet enkel van medestudenten maar ook van universiteitsprofessoren. De auteur dringt ook echt wel diep door binnen de microkosmos van de eigen Danigroep de relaties te bestuderen: ook daar zijn er heel wat spanningen tussen de verschillende groepjes Dani, Lani en Yali. Munro bekijkt ook hoe deze jonge mensen – ver weg van het ouderlijk gezag – zich gedragen op het gebied van seksualiteit, huwelijk en zwangerschap. Ze zet dit af tegen de manier waarop de Indonesiërs dit beleven.
In het slothoofdstuk stelt Munro dat het behalen van een diploma op het thuisfront niet zo’n enorm verschil maakt met het oog op de relaties met de andere Indonesiërs. Onderwijs helpt bij de Dani uiteindelijk niet in die mate dat ze reuzensprongen vooruitmaken, maar het helpt wel enigszins om de diminishment of de bagatellisering van de Dani wat aan te vechten.
De empirische aanpak van Munro zorgt voor een sterke studie van een volk dat het in alle opzichten moeilijk hee en voortdurend met raciale spanningen en stigmatisering moet leven. Maar tegelijkertijd is dit slechts een momentopname van vij ien jaar geleden die in de snel veranderende situatie van vandaag ondertussen al anders – dus raciaal nog erger – kan zijn, aangezien het Papoeavraagstuk een kruitvat is dat –ver weg van de internationale media en camera’s – af en toe ontbrandt en tot bloedige conflicten leidt in plaats van diplomatisch overleg. Wat niet wegneemt dat dit een moedige etnografische studie is die in Jakarta
niet onmiddellijk op handgeklap zal worden ontvangen.
Paul Catteeuw
Annick Schramme & Nathalie
Verboven (red.), Cultuurmanagement. De regels van de kunst, Leuven, Lannoo Campus, 2020, 416 p., ill., ISBN 9789401467131, € 49,99.
Het lijvige Cultuurmanagement. De regels van de kunst is het (vernieuwde) handboek van de opleiding Cultuurmanagement van de universiteit van Antwerpen. Het wil “een complete introductie tot de sector [zijn] en een naslagwerk voor professionals.”
Wordt deze stevige ambitie inderdaad gerealiseerd? Het is zeker waar dat bijna alle face en van het managen van een culturele organisatie aan de orde komen. Elk hoofdstuk bevat een adequate samenva ing van de belangrijkste theorie, die doorgaans wordt vertaald naar de culturele praktijk met voorbeelden uit podiumkunsten, musea en de creatieve industrie (film, design, mode). Elk hoofdstuk eindigt
met een paragraaf Aan de slag, waarin vragen staan waarmee je de vertaling naar je eigen praktijk kunt maken.
Van de zeventien auteurs die aan het boek werkten, is een groot aantal verbonden aan de universiteit van Antwerpen, vaak met de cultuursector als onderzoeksgebied. Een enkeling hee in de sector gewerkt of doet dat nog steeds.
“Als het regent in Amsterdam, druppelt het in Brussel”, luidt de eerste zin van het boek – om aan te geven dat het Vlaamse cultuurmanagement vaak het Nederlandse voorbeeld hee gevolgd. Sommige dingen gebeurden inderdaad in Nederland wat eerder, zoals de aandacht voor governance (goed bestuur), de neoliberale blik en de nadruk op cultureel ondernemerschap. Anderzijds hee Vlaanderen veel eerder de opkomst van extreemrechts meegemaakt, waardoor al begin jaren negentig de maatschappelijk relevantie van kunst en cultuur onder een vergrootglas kwam te liggen. In de huidige situatie is het boek ook voor Nederlandse lezers grotendeels goed bruikbaar. Misschien komen die Nederlandse lezers dan – net als ikzelf – tot de ontdekking dat ze veel minder van de Vlaamse kunst en cultuur weten dan omgekeerd. Een bonus zijn de vele mooie woorden en begrippen, zoals nodenanalyse (behoe enanalyse), onthaal (gastvrijheid) en barema (salarisschaal).
Annick Schramme en Bruno Verbergt schreven een uitstekende inleiding met actuele thema’s zoals duurzaamheid, sociale verantwoordelijkheid, oog hebben voor diversiteit en alert zijn op machtsmisbruik. Ze roemen de ontwikkelingskracht van cultuur, niet alleen in planologische zin
(met het beroemde voorbeeld van Bilbao) maar terecht ook in de betekenis van community building. Ze gaan in op internationalisering en digitalisering en het vinden van hybride businessmodellen, met een combinatie van fysieke en digitale elementen. Deze open en eigentijdse blik is ook te vinden in het eerste hoofdstuk waarin de belangrijkste managemen heorieën uit de doeken worden gedaan, maar waar tevens aandacht is voor bijvoorbeeld deep democracy – een methode om ervoor te zorgen dat ook de stem van de minderheid goed wordt gehoord.
Waar het in de culturele praktijk vaak anders toegaat dan in de gangbare theorie, wordt het natuurlijk interessant. Daar had ik nog wel meer over willen lezen. De goede voorbeelden gaan immers vaak over de grotere organisaties, terwijl juist de kunst- en cultuursector veel kleine pioniersorganisaties kent. In hun ambitie om de sector te professionaliseren, leggen de auteurs de lat soms wat hoog. Het is bijvoorbeeld niet onlogisch te bedenken dat iemand die de boekenvoorraad in de bibliotheek beheert ook wel aan de balie kan helpen. Of dat een suppoost ook voor een gastvrij onthaal kan zorgen. Maar de praktijk is weerbarstiger, omdat mensen die dol zijn op boeken niet hebben gekozen voor een beroep met veel contacten. En alert en met gezag een museumzaal bewaken, vergt een andere houding dan inclusief en goedlachs bezoekers tegemoet treden. Daar oog voor hebben is een belangrijke vereiste voor een cultuurmanager. Wie doorleest, vindt dat terug bij het respect dat nodig is voor duurzaam Human Resource Management. In dat hoofdstuk valt
overigens op dat er nog vrij klassiek individugericht wordt geredeneerd, terwijl inmiddels toch veel jonge mensen opgegroeid zijn in een meer groepsgerichte cultuur.
Als naslagwerk voor wie al wat meer van management weet (of hiernaast colleges volgt) is het boek ontegenzeggelijk zeer geschikt. Ik kan me voorstellen dat het kader over SWOT-analyses of “van brainstorm tot confrontratiematrix” door velen gebruikt zal worden. Als leesboek is het vrij zware kost. Daarbij is de le ergroo e klein, zijn er nauwelijks foto’s of quotes en hee lang niet elk hoofdstuk aansprekende praktijkvoorbeelden.
Persoonlijk vind ik het boek op zijn charmantst als het de bekende theorieën wat nuanceert of relatief nieuwe invalshoeken belicht (zoals creative commons of burgercoöperaties). In die zin had ik meer aandacht verwacht voor cultuurparticipatie, publiekswerking, inclusiviteit of toegankelijkheid. Maar soms trof ik ook leuke verrassingen aan zoals de “roadmap voor innovatie”, een inzichtelijk schema dat dienst als conversation starter om samen na te denken over de toekomst.
Een beschouwing als “Duurzame creativiteit en de artistieke biotoop”, lijkt op het eerste gezicht wel erg sociologisch ingestoken, maar Pascal Gielen legt goed uit dat kunstenaars allereerst rust, ruime en concentratie nodig hebben om hun werk te maken. Ten tweede is het van belang dat ze daarover op niveau (met peers) van gedachten kunnen wisselen om hun ideeën aan te scherpen. Daarnaast moeten ze natuurlijk geld verdienen om te leven en krijgen ze hopelijk ook erkenning. Dit geheel
samen vormt de artistieke biotoop – en die staat door allerlei factoren behoorlijk onder druk. Walther van Andel borduurt daar mooi op voort: traditionele organisaties kunnen bij veel tegenstrijdige wensen, eisen en meningen ervoor kiezen om te focussen op één onderdeel of zich op te splitsen in verschillende divisies. Maar culturele organisaties kunnen dat niet, omdat ze alle vier elementen van de artistieke biotoop moeten koesteren. Hij noemt het vinden van een juist businessmodel voor een culturele organisatie terecht “een delicate evenwichtsoefening” en stelt dat – zeker voor kleinere organisaties – groei niet altijd te verkiezen is.
De verstandige nuance van dit soort passages, het continu zoeken naar de juiste balans tussen artistieke en zakelijke ambities – met behoud van een open blik – vind ik de grootste verdienste van dit boek. Het doet me denken aan Jos Stelling, de Nederlandse filmregisseur, producer en cultureel ondernemer. Hij zei ooit: “cultuurmanagers zijn net tuinmannen. Je hebt ze nodig maar niet te veel. Anders krijg je alleen maar tuinen met betegelde paadjes.”
In de beste passages helpt dit boek je om te komen tot een gezonde tuin met voldoende biodiversiteit –en alleen tegels waar ze nodig zijn. Die houding komt het mooist tot uitdrukking in de uitleiding waarin Ann Overberghe zich rechtstreeks richt tot de (jonge) lezers. Als je je voor het eerst in iets verdiept, stelt ze, wordt de context van dat moment en die periode het referentiepunt waaraan je dingen afmeet: jouw onzichtbare en vanzelfsprekende normaal. Ze roept de lezer op zich bewust te zijn van hun eigen onzichtbare normaal. Wie wordt er in dat point zero te weinig gehoord?
Wat ga je daaraan doen? Ben je je bewust van je privilege? Ze pleit voor mensgericht, transparant en eerlijk zijn. En heb oog voor de artistieke hoofdzaak en de langere termijn: professionaliseer en optimaliseer waar mogelijk. Niet als doel op zichzelf, maar zodat je tijd over houdt voor wat er écht toe doet.
Marjolein de Boer
Hande Birkalan-Gedik, Christiane Cantauw, Jan Carstensen, Friedemann Schmoll, Elisabeth Timm (eds.), Detmold, September 1969. Die Arbeitstagung der dgv im Rückblick. International and comparative perspectives on the worlds and words of Volkskunde, Münster, 2021, Beiträge zur Volkskultur in Nordwestdeutschland, Band 131, 274 p., ill., ISBN 978-3-8309-4375-4, € 34,90, e-boek ISBN 9783830993759, € 30,99.
J.J. Voskuil was niet aanwezig op de beruchte bijeenkomst van volkskundigen van 22 tot 27 september 1969 in Detmold, waarover het hier gerecenseerde boek gaat. De schokgolf had het Bureau in Amsterdam niet onmiddellijk bereikt, ook een half jaar later niet. Dat kan je afleiden uit een passage in Voskuils boek Vuile handen (Het Bureau, 2) waarin hij een interactie op de luchthaven van Helsinki beschrij tussen “Wolf Güntermann” (= Günter Wiegelmann), “Henri Klee” (= Henri Klees), “Alex Stanton” (= Alexander Fenton) en “Maarten Koning” (= J.J. Voskuil), op weg naar de derde Arbeitskonferenz der Organisationskommission für den ethnologischen Atlas Europas und seiner Nachbarländer, van 11 tot 14 mei 1970.
“’Wann was das letzte Mal?’ vroeg Güntermann zich af.
‘Detmold,’ antwoordde Klee.
‘Ach ja, selbstverständlich. Detmold!’
‘Ich have gehört, es hat dort Krach gegeben?’ merkte Stanton op.
‘Schweren Krach’, bromde Klee.
‘Man hat versucht das Fach zu sprengen,’ beaamde Güntermann. ‘Etnologen wie wir, die sich mit der Vergangenheit auseinandersetzen, ‘hij legde vertrouwelijk zijn hand op Stantons arm, ‘sind Werkzeuge in Händen der Reaktion, Knechte des Imperialismus. Wir sollen uns nur noch mit aktuellen, gesellscha lichen Problemen beschä igen.’ Hij lachte ingehouden, geringscha end.
‘History is bunk,’ begreep Stanton.
‘Genau,’ zei Güntermann.
‘Und wer sagt denn das?’ wilde Stanton weten.
‘Die Tübinger,’ zei Klee.
Maarten luisterde verbaasd. Hij wist niets van een ruzie af, had nog nooit van de Tübingers gehoord en had zelfs geen idee wie er in Detmold bijeen waren geweest. Hij
voelde zich buitengesloten en wilde naar zijn kamer.”4
Een jaar later leverde het een van de scherpste en belangrijkste (eyeopener) artikels die in dit tijdschri Volkskunde ooit verschenen zijn: De Tübingers nemen afscheid om te blijven, van J.J. Voskuil, uit 1971.5 Ook in Vlaanderen en Nederland mochten het spektakel, het trauma of de aardbeving in de bijeenkomst te Detmold van het Deutsche Gesellscha für Volkskunde niet langer onbekend of genegeerd worden (door wie een abonnement op Volkskunde had én de bijdragen las). Studenten-activisten, maar ook enkele jonge onderzoekers van de Universiteit van Tübingen hadden in 1969 met kritische lezingen de gemoederen hoog doen oplopen. Voskuil star e zijn artikel met een anekdote over een anoniem brie e dat een van hen na afloop op zijn auto vond en waarin duidelijk werd gemaakt dat de Tübingers niet zozeer meer theorie, maar wel kletsen op de billen nodig hadden: “wat de sfeer van de dialoog goed schijnt weer te geven. Zij voerden het ogenschijnlijk niet zonder voldoening mee, om het onder nummer D24/12a in hun archief op te bergen”.6 Slechts één van de lezingen, van Dieter Kramer, werd in het Zeitschri für Volkskunde opgenomen in 1970 en gecounterd met 13 reacties. Vele andere werden in 1970 in Tübingen zelf gepubliceerd in een bundel met de beroemde titel Abschied vom Volksleben: “een term als Volksleben,
4 J.J. Voskuil, Vuile handen. Het Bureau 2, Amsterdam, Uitgeverij G. van Oorschot, 1996, p. 370.
5 Zie J. J. Voskuil, ‘De Tübingers nemen afscheid om te blijven’, in: Volkskunde 72:4, 1971, p. 369-375.
6 Voskuil, Tübingers, p. 369.
die suggereert dat er zoiets als een volk zou bestaan, in de zin van een gesloten groep mensen, met een eigen geschiedenis en eigen tradities, een organisch geheel derhalve, dat als zodanig voorwerp van studie is. Het grootste deel van hun artikelen richt zich op het ontmaskeren van deze suggestie”.7
Bovendien werd opgeroepen tot actie, om misstanden aan te klagen en de wereld te verbeteren. In zijn ironische stijl plaatste Voskuil een onvergetelijke commentaar bij de suggestie dat volkskundigen de barricaden op moeten: “een plaats waar ze, zoals ik ze ken, ongetwijfeld een schilderachtig groepje zouden vormen, maar dan toch van een geringe stootkracht en zeker gehinderd door zeer tegenstrijdige ideeën over hun opdracht.”8
Haarscherp gaf Voskuil de inhoud weer van de kritische bijdragen over de volkskundige bedrijvigheid in Duitsland sinds de opkomst en het verval van het Derde Rijk. Hij bracht daarbij ook het recente werk van Wolfgang Emmerich over de problemen met Volksforschung, en met name Germanistische Volkstumideologie in herinnering. Maar tegelijkertijd wees Voskuil even ongenadig op de zeer beperkte revolutionaire kracht van een eigentijds in Tübingen uitgevoerd onderzoek naar de wandversiering in twee dorpen dat in modern sociaalwetenschappelijk jargon gepubliceerd was in het zelfde nummer waar Kramer zijn artikel over wie belang hee bij volkskundig onderzoek had mogen plaatsen. De in vitriool en zout gedoopte scalpel van Voskuil wordt niet gespaard: “Het maakt eerder de indruk dat ze zich in hun ergernis een plaats hebben willen veroveren die het hen mogelijk maakt zich, net als de mensen
die ze bestrijden, te handhaven. Het is hun gegund. Hun kritische opmerkingen zijn in ieder geval de moeite waard om ter harte te nemen.”9 De controverses uitlokkende auteurs zouden overigens inderdaad de academische topposities in de Duitstalige volkskunde veroveren in de laatste decennia van de 20e eeuw: Utz Jeggle, Dieter Kramer, Martin Scharfe, Hermann Bausinger, … Het nieuwe boek van uitgeverij Waxmann, dat past in een historiografische reeks over de geschiedenis van Duitstalige volkskunde voor en na de Tweede Wereldoorlog,10 probeert de voorbereiding en het verloop van het vierdaagse congres in Detmold in september 1969 in detail te reconstrueren en te analyseren. De kern is een meer dan zeventig pagina’s lange “wetenschapsarcheologische reconstructie” van dat congres door Elisabeth Timm (pp. 31-103). Hoe kwam het programma tot stand? Welke diverse versies van uitnodigingen waren er? Welke uitstappen waren er? Wie waren de protagonisten? Hoe verliep het precies?
Interessant, zeker ook methodologisch, is verder de analyse door Karin Bürkert van de bewaarde geluidsopnamen van de lezingen en discussies op 23 september 1969, die werden gemaakt door de empirische cultuurwetenschappers uit Tübingen.
9 Voskuil, Tübingers, p. 374.
7 Voskuil, Tübingers, p. 369.
8 Voskuil, Tübingers, p. 370.
10 Marc Jacobs, ‘Julius Virnyi, Geehrte Volkskunde. Ehrenpromotionen und Ehrenbürgerscha en an der Universität Münster (1922–1968)’, in: Volkskunde. Tijdschri over de cultuur van het dagelijks leven 122:1, 2021, p. 122-125; Marc Jacobs, ‘Wolfgang Brückner, Das Jahr 1938 in der deutschsprachigen Volkskunde. Meinungshegemonien des gedruckten Wortes’, in: Volkskunde. Tijdschri over de cultuur van het dagelijks leven 122:1, 2021, p. 126-128.
Het kwam niet tot handtastelijkheden, maar er werd, door studenten en anderen, wel gekucht, gelachen, geklapt, geroepen, met opmerkingen tussengekomen, ook tijdens de uiteenze ingen van de voorzi er prof. dr. Gerhard Heilfurth (aan wie onder andere zijn lidmaatschap van naziorganisaties voor en tijdens de oorlog en zijn stijl van leiden werd verweten). Bürkert probeert de interacties te decoderen en te duiden. Verder worden in andere bijdragen de herinneringen van enkele aanwezigen aan wat er toen gebeurde besproken. Het wordt ook duidelijk gemaakt dat het een ruimer verhaal is dan alleen die samenkomst in Detmold, maar dat ook discussies in een voorgaand congres in Würzburg in 1967 en in een opvolgcongres in 1970 in Falkenstein belangrijk waren, evengoed als de daarop volgende publicaties. Eigenlijk ook de 20e-eeuwse evolutie van volkskunde in Duitsland. Dit kwam tot uiting in een congres dat 50 jaar later, in 2019 werd georganiseerd in het openluchtmuseum van Detmold. Diverse papers die daar werden gepresenteerd, werden in de bundel opgenomen.
Zo ook de bijdrage (p. 229-242) over Nederland van Rob van Ginkel, die mij echter flink op mijn honger laat zi en. Het is, voor de zoveelste keer, het stilaan uitgepuurde en ogenschijnlijk gestabiliseerde verhaal dat door de Nederlandse etnologieantropologie over de evolutie van volkskunde in de 20e eeuw en vroege 21e eeuw vanuit het perspectief van het Meertens Instituut gecultiveerd is in de voorbije dertig jaar. Keurig en proper gedaan, maar niet voldoende: ik heb niets nieuws geleerd wat ik niet al eerder in stukken van Van Ginkel of Ton Dekker gelezen had. Zijn al
die lange passages over bijvoorbeeld het echtpaar Van der Ven-ten Bensel wel voldoende relevant, zo had de redactie zich mogen afvragen? Is de naam Van der Ven gevallen in Detmold in 1969 of had het bejaarde echtpaar er een mening over? Over een echt receptieonderzoek van de discussies in Detmold of van de papers die er werden gepresenteerd en dan later gepubliceerd of hoe die een impact hadden in Nederland of Vlaanderen wordt amper gerept. Er wordt door Van Ginkel een halve bladzijde gewijd aan Vuile handen (p. 236) maar de hierboven geciteerde passage komt er niet in voor. Karin Bürkert hee dat wel gevonden en op p. 127 geciteerd, in de Duitse vertaling Schmutzige Hände, Das Büro 2, Berlijn 2014, p. 433. Totaal onbegrijpelijk en een enorme gemiste kans is dat in de tekst en in het notenapparaat van de bijdrage van Van Ginkel, uitgerekend in dit Detmold 1969 boek, de hoger aangehaalde bijdrage van Voskuil in Volkskunde 1971 ontbreekt. Alleen al door het volgen van wie en waar dat artikel citeert (of niet), had men een begin kunnen maken van een echt receptie- en impactonderzoek, dat nu nog steeds moet gebeuren. Misschien is niet Detmold 1969, maar de vlijmscherpe presentatie van enkele daaruit voortvloeiende publicaties door Voskuil in 1971 en erna de ontbrekende sleutel om de effecten in de Lage Landen te traceren en te bespreken. Het volgen van het artikel had kunnen leiden tot veel meer dan Van Ginkels gebruik op p. 237 in deze gerecenseerde bundel van bijvoorbeeld de bijdrage van A. Dekker, ‘“Een oefening in zindelijk denken”. Bij het afscheid van J.J. Voskuil, in: Volkskundig Bulletin 14:1, 1988, p. 4-24. Staat daar niet op pagina 12 en 13
glashelder: “verouderde volkskundige ideeën… Zijn a eer voor deze ideeën werd versterkt doordat hij in ongeveer dezelfde tijd kennis maakte met de, vooral na 1969, groeiende kritiek binnen de volkskunde daarop, met name uit het kamp van de Tübingers. Voskuils kritiek ontlaadde zich… Voskuils kritiek viel niet bij iedereen in goede aarde…” Voskuil stipte het belang ook zelf aan in zijn “Geschiedenis en samenhang van de lopende projecten op de afdeling Volkskunde van het P.l. MeertensInstituut”’, in: Volkskundig Bulletin 8:1, 1982 op pagina 55 en 56. Björn Rzoska poneerde in een bespreking van volkskunde in Vlaanderen na de Tweede Wereldoorlog in verband met Detmold 1960 en de Tübingers: “De Nederlandse volkskundige J.J. Voskuil schreef er in 1971 een artikel over in het tijdschri Volkskunde. De bijdrage veroorzaakte in Vlaanderen en Nederland grote deining omdat voor het eerst op een heldere en provocerende wijze werd ingegaan op de bovengeschetste problematiek: hadden de jaren 1940-45 invloed op het personeelsbestand en degrondslagen van het vak?”11 Het
11 B. Rzoska, De volkskunde in Vlaanderen na 1945, een nieuwe wending?, in: Handelingen van de Koninklijke Zuid-Nederlandse Maatschappij voor Taal- en Le erkunde en Geschiedenis, 1999, p. 201213. Of zie bijvoorbeeld M. Jacobs, Afscheid van het volksleven: een stevige synthese. De VBers nemen afscheid om te blijven, in: Mores. Tijdschri voor volkscultuur in Vlaanderen 1:4, 2000, p. 9-14; M. Jacobs, ‘“Met als gevolg dat elke generatie opnieuw dat vak uitvindt”. Van een discipline met een millenniumbug tot een vak met een inleiding’, in: Oost-Vlaamse Zanten. Tijdschri voor volkscultuur in Vlaanderen 76, 2001, p. 115-131; M. Jacobs en G. Rooijakkers, ‘ Etnologie, volkscultuur, erfgoed en dagelijks leven’, in: cULTUUR. Tijdschri voor etnologie,1, 2005, nr. 1, p. 3-21.
was een uitstekend idee om vij ig jaar later de vraag te stellen wat de (on)rechtstreekse impact was van Detmold 1969 in de Lage Landen en daarover een artikel op te nemen, maar dat onderzoek had dan wel iets scherper en “on topic” moeten gebeuren. Nu dit vierdaagse congres uit 1969 zo goed gedocumenteerd is, is het misschien de moeite om in een opvolgartikel, de puntjes op de i te ze en met de bijdrage uit 1971 en meer onderzoek, want was er nu werkelijk niemand anders dan (niet eens) Voskuil daar uit de Lage Landen aanwezig of erdoor gevat?
Marc Jacobs
Jos van Beurden, Ongemakkelijk erfgoed. Koloniale collecties en teruggave in de Lage Landen. Zutphen, Uitgeversmaatschappij Walburg Pers, 2021, 239 blz., ill.; ISBN 9789462496583, E-ISBN: 9789462496590; € 24,99 & € 12,99.
Er is nooit meer over dekolonisatie en restitutie van erfgoed verworven in een koloniale context gesproken als de laatste paar jaren. Het lijkt echt wel het momentum om dit te doen. En als we in deze context over teruggave spreken dan komt altijd ergens de naam van Jos van Beurden aan de oppervlakte. Met de neerslag van zijn proefschri Treasures in Trusted Hands (2017, recensie in Volkskunde 118-2, 198-202) gaf de auteur mee de aanzet tot vaak zeer he ige discussies over dit ongemakkelijk onderwerp. Samen met vele anderen ze e hij het mee op de agenda van de politiek. De tijdgeest is meer dan rijp voor actie. Er is in ieder geval heel wat in beweging, niet enkel in Nederland en België, maar ook in onze buurlanden. Dit maakt ondertussen van de auteur een internationaal gewaardeerd expert en raadgever. Toch ontbreekt in dit boek wel een klare en duidelijke definitie van wat koloniale collecties precies zijn, temeer omdat het gaat om cultuurgoederen uit oude kolonies die in een koloniale periode en vroeger zijn verworven.
Het recentste boek van Van Beurden bespreekt in grote lijnen de dubieuze koloniale collecties verworven in koloniale context in België en Nederland, wat tegelijkertijd de vraagstelling van de vroegere koloniën mee aanvoert. Een status quaestionis die echter door de tijdsgeest razendsnel wordt ingehaald. Zowel in Nederland als in België waait de wind plots veel meer richting zuiden (Afrika) en oosten (Azië). Er zijn ook processen in gang gezet die hopelijk niet omkeerbaar zullen zijn (bv. de Benindialoog, de oprichting in België (juli 2020) van de Federale Onderzoekscommissie naar het koloniale verleden, …).
Van Beurden kijkt onbevangen en onbevooroordeeld naar beide landen en verliest zich niet in het opmaken van een soort hiërarchische rangschikking van wie het nu beter doet. Vergelijken is helpen bij de verdere ontwikkelingen en vorderingen van de dekolonisatie. Het pad dat beide landen bewandelen is uiteindelijk niet zo afwijkend, met toch dit verschil dat het omwille van de ingewikkelde staatsstructuur in België toch net altijd iets moeilijker gaat (p. 211). Al zeker niet als het de snelheid van de evolutie betre .
De vooruitgang valt ook niet altijd even makkelijk te meten. Al was het maar omdat er een verschil bestaat vanuit welke kant (noord of zuid) je dit proces bekijkt. En of er werkelijk sprake is van gelijkwaardigheid, rechtvaardigheid en vertrouwen. Het is absoluut niet makkelijk om de juiste toon te treffen bij de bespreking van historisch onrecht. En er bestaat een groot verschil tussen de belo e om niet meer te ontvreemden en het teruggeven van voorwerpen.
Jos van Beurden stelt in ieder geval dat niet elk in bezitgenomen cultuurvoorwerp uit een vroegere kolonie roo unst betre en dat dus niet alles return to sender is. Hij beschrij wel wat er in de koloniale periode naar de Lage Landen is gekomen en wat dat ook in de landen van herkomst teweegbracht en dat net (het onderzoek naar) die herkomst een moeilijke taak is. Dat doet hij in eerste instantie aan de hand van zijn eigen vroegere (reis) ervaringen en de weg die hem tot de research van ongemakkelijk erfgoed leidden, waarbij hij onmiddellijk stelt dat een bevredigende oplossing bij kunstroof altijd van beide kanten moet komen. Bij Van Beurden leidde
dat tot het informele Leiden Network for the Preservation of Cultural Heritage En dat leidde dan weer tot het aanvaarden van de Unescoconventie van 1970 in België en Nederland. Bij de beschrijving van die massale eenrichtingsstroom stelt de auteur meteen ook de authenticiteit van de herkomstvraag ter discussie. Neen, niet alles is roo unst, maar het onderzoek naar de verwerving van de stukken is een moeizame en langdurige opdracht. Sommige stukken zijn ook na opdracht verkregen. Dus via aankoop. Het lijkt me wel wat te ver gezocht om in dit verband (p. 58) een Afro-Portugees peper-en-zoutvat uit de zestiende eeuw of Chinees porselein als vroege toeristenkunst te catalogeren. Dan zou zelfs het Romeinse terra sigilata in onze streken op die manier als toeristenkunst worden omschreven.
We kunnen niet anders dan samen met de auteur vast te stellen dat er in de Lage Landen omwille van verschillende factoren er wel van alles lijkt te bewegen, maar dat we ons geen begoochelingen moeten maken over de snelheid ervan. En er is inderdaad een shi in het denkpatroon, waarin we ons als Europeanen als slachtoffer zagen van de Duitse beze er, maar vergaten dat wij als Europeanen in de koloniale periode de daders waren. Toch moeten we oppassen met de vergelijking tussen beide vormen van onrechtmatige toe-eigening, omdat er wel degelijk verschillen bestaan (p. 205: spreiding in tijd en plaats, documenteren, …).
Maar tussen veranderde ideeën en teruggave ligt vaak een heel lange en moeizame weg, net omdat de geesten ondanks alles nog niet altijd volledig klaar en rijp zijn. De daders blijven vaak nog hangen in een postkoloniaal
gedachtegoed, waarbij de idee dat na teruggave voorwerpen snel via de zwarte markt zullen verdwijnen nog vaak de boventoon voert. Daarenboven denken we nog vaak dat er geen veilige musea bestaan. Wat meteen inhoudt dat wij beter voor die voorwerpen zouden kunnen zorgen, wat natuurlijk een zorgwekkende neokoloniale inhoud verbergt. De geesten moeten inderdaad nog rijpen op dat gebied. De rol van musea is daarom belangrijk om net die dubieuze cultuurvoorwerpen in een juist daglicht te plaatsen, iets wat gelukkig steeds meer en correcter gebeurt en wat Van Beurden duidelijk en rijkelijk illustreert. Bijvoorbeeld met het krachtbeeld (nkisi nkonde) van chef Ne Kuko in het Tervuurse Africamuseum. Er is ook duidelijk een verschil tussen artefacten en menselijke resten, waarvan men iets sneller het historische recht van a omst erkent.
In een tweede deel komen de zuinige teruggaven in de jaren zeventig aan de oud-koloniën (enerzijds Belgisch Congo en de mandaatgebieden Rwanda en Burundi, en anderzijds de voormalige Nederlandse koloniale gebieden Indonesië, Suriname en de Caribische eilanden) aan bod, waarbij de stugge houding van de kolonisatoren nog altijd de hoofdrol speelde. Toch stelt van Beurden vast dat sinds de jaren zeventig de beide landen steeds kritischer naar hun koloniaal verleden en de daarmee gepaard gaande collecties kijken. En toch – zoals de geschiedenis van de kris van prins Diponegoro (Indonesië) aantoont – is het niet altijd even makkelijk om de herkomst te traceren, omdat naast de moeilijkheden wegens ontbrekende of moeilijk verklarende bronnen
er ook een samenwerking tussen de vroegere daders en slachtoffers vereist is. En dat is niet altijd rechtlijnig eenvoudig. Indonesië richt zich bijvoorbeeld steeds meer op de eigen regio dan wel op de relatie met de vroegere koloniale mogendheid.
En waar bij Nederland er niet één figuur echt uitspringt, is dat voor België met de figuur van Leopold II toch wel enigszins anders. Gesjoemel bij de teruggave van objecten (p. 1067) lijkt nu niet meer mogelijk en de spijtbetuiging van koning Filip in 2020 kan een nieuwe periode inluiden. In de huidige Democratische Republiek Congo stelt men dan, anders dan in Indonesië, nog niet klaar te zijn voor teruggave wegens onvoldoende goede capaciteit, ook al is dat ondertussen wel wat achterhaald.
Het derde deel vertelt hoe recente teruggaven in zijn werk gaan. Het gaat hier niet enkel om kunst- en cultuurvoorwerpen, maar ook om kilometers archieven uit het koloniale verleden Dat digitalisering hierin een belangrijke rol kan spelen is niet enkel evident, maar ook doorslaggevend, zoals moge blijken uit de samenwerking tussen België en Rwanda.
In dit deel vind je ook een uitvoerige bespreking van de sluiting van het Del se Nusantara museum en vooral de Beninobjecten die de aanleiding (kunnen) zijn tot een Europese aanpak, wat op zichzelf al een grote vooruitgang kan betekenen omwille van de uniformiteit.
Van Beurden merkt terecht op (p. 211) dat de Federale onderzoekscommissie Belgisch koloniale verleden onderzoek verricht naar de impact van de Belgische staat, inclusief ook de monarchie, de Kerk en bedrijven. België gaat hierin verder
dan Nederland. In het vierde deel bekijkt de auteur – voor zover mogelijk – de collecties die zijn ontstaan door en bij de missies en zending en bewaard zijn in voormalige missiehuizen en bij congregaties. Deze collecties zijn in grote mate aan het publieke oog on rokken, maar zijn wel heel belangrijk, zowel qua kwaliteit als kwantiteit. En ook bij deze collectie dringt zich de vraag op in hoeverre die stukken rechtmatig zijn verworven. Het onderzoek hiernaar lijkt op zijn minst even problematisch. Overigens stipt Van Beurden hier terecht aan dat in de houding van de zendelingen er ook een evolutie is geweest van het vernietigen van heidense artefacten naar het verzamelen voor eigen “gebruik” en familie waardoor de verspreiding van die voorwerpen heel diffuus en bijna niet meer traceerbaar is.
De collectie a omstig van de Zwitserse militair Hans Christoffel die voor het KNIL werkte (187-8) bevindt zich het Antwerpse MAS en is een goed voorbeeld van een “moeilijke” collectie. Herkomst, verwerving, verkoop, eigendom, het zijn allemaal elementen die een mogelijke teruggave bemoeilijken, temeer omdat ondertussen gesprekken (sinds het verschijnen van dit werk) met specialisten ter zake aantonen dat het echt niet eenvoudig is om bij teruggave de juiste ontvanger te definiëren zonder daarbij een nieuwe en interne machtsstrijd te ontketenen, zoals bij de vijf vlaggen uit de MAScollectie, waarbij zelfs de functie van de vlaggen al vragen opwerpt.
Het laatste deel gaat over de nieuwe ethiek die er toch wat lijkt aan te komen, maar het moge duidelijk zijn dat er nog heel wat werk aan de winkel is. Jos van Beurden kan uiteraard geen
definitieve oplossingen aanbieden, maar door het beschrijven van de huidige stand van zaken gee hij – na zijn werk Treasures in Trusted Hands –een soort catalogus van de problemen rond teruggave van erfgoed aan de oorspronkelijke bezi ers. Dat dit proces vaak ongemakkelijk is in al zijn face en, is haast een open deur intrappen, maar toch is dit werk belangrijk omdat het op zijn minst de grote verdienste hee om die open deur ook werkelijk open te houden en de vinger aan de pols te zijn bij wat nog moet komen. Want dit boek is niet meer dan een beginpunt in een evolutie die ons in de volgende decennia zal bezighouden en hopelijk niet omkeerbaar is. Onder tijdsdruk van het momentum gaat Van Beurden soms wel wat slordig met het bronnenmateriaal om.
Interessant is de al kritische houding van de Belgische professor Frans M. Olbrechts (1899-1958) in de jaren 1930. Jos van Beurden legt die uit, maar situeert diens wetenschappelijke expedities en verzamelreizen verkeerdelijk in het Congogebied, in plaats van Ivoorkust en West-Afrika.
Foutjes die waarschijnlijk aan de tijdsdruk van de uitgeverij te wijten zijn, maar die uiteindelijk niks afdoen aan de waarde van dit werk in de hoop dat het mee een kantelpunt bij teruggave van cultureel erfgoed kan bewerkstelligen. En Jos Van Beurden zal hier niet stoppen met het melden van hoe het allemaal (verkeerd) loopt bij alles wat restitutie betre . Getuige hiervan zijn de veelvuldige mails die hij aan betrokkenen stuurt met wat hij telkens weer in de actualiteit aantre . Een volgehouden inspanning die absoluut ook van toepassing is op het hele proces van teruggave.
In het voorjaar van 2022 zal bij Amsterdam University Press de Engelse vertaling: Inconvenient Heritage - Colonial collections and restitution in the Netherlands and Belgium verschijnen. Het biedt in ieder geval de auteur de kans om een aantal zaken te updaten in dit razendsnelle proces.
Paul Catteeuw
Hanneke van Asperen, Silver Saints. Prayers and Badges in Late Medieval Books, Turnhout, Brepols, 2021, Nijmegen Art Historical Studies 26, 432 pag., Ill., ISBN 978-2-503-58020-3, €165.
Vanaf het begin van de studie van pelgrimsinsignes in de 19e eeuw viel op dat er talloze insignes in boeken voorkomen (15e-eerste hel 16e eeuw). Daarbij gaat het zowel om echte, ingenaaide of ingeplakte exemplaren als om geschilderde reproducties. Wat de eerste categorie betre , valt op dat vele insignes inmiddels verwijderd zijn en dat er
zich in het boek enkel nog sporen van de oorspronkelijk aanwezige insignes bevinden (naaigaatjes en plaksporen naast silhoue en van de insignes). Slechts 10 van de in totaal 112 gekende manuscripten met insignes beva en nog die insignes. Bijna alle boeken zijn breviaria. De praktijk om insignes in het boek te bevestigen gaat vooraf aan de praktijk om ze decoratief af te beelden. Sommige onderzoekers gingen daarbij zover om de reproducties te beschouwen als substituut voor de echte. Het onderzoek van Van Asperen wijst erop dat dit met een korrel zout moet worden genomen. Zo kan de omvang tussen een origineel insigne en de geschilderde versie nogal eens verschillen. En zelfs de vorm kan verschillen als het insigne in een randschildering van een manuscript moet passen. Het komt zelfs voor dat eenzelfde insigne onder drie licht verschillende gestaltes opduikt in één manuscript.
Voor de eerste keer krijgen de sporen van inmiddels verdwenen insignes ook uitvoerige aandacht. De aandacht ging in het verleden haast uitsluitend naar de echte en de getekende exemplaren in boeken. Door met een haast microscopische blik te kijken naar de folia van manuscripten ontdekte de auteur niet alleen talloze tot nog toe onbekende manuscripten die ooit insignes beva en, maar ook nog vele andere dingen die de inhoud van deze studie vullen. Ook zij vormen een bron voor de geschiedenis van de vroomheid. Een belangrijke reden waarom vele insignes verdwenen zijn is hun materiaal (goud of zilver). De grote meerderheid van insignes zijn loodtinlegeringen, maar rijke burgerij en adel kunnen beschikken over
zilveren en gouden exemplaren. En gezien zij ook de eigenaars van die manuscripten waren …
Na de aanvankelijke antiquarische interesse voor pelgrimsinsignes in de geschiedenis van het onderzoek focust de aandacht zich de laatste twee decennia op de religieuze en de sociale gebruikscontext. Insignes aanbrengen vertelt iets over de gebruiker van het boek, zelfs al zijn de oorspronkelijke insignes verdwenen. Van Asperen hoedt er zich voor om conclusies van studies over reële insignes te projecteren naar de geschilderde. Ze blij zich sterk bewust van het onderscheid tussen de originelen en de reproducties. Het is niet langer vanzelfsprekend dat de illuminatoren gebruik maakten van originele of getekende insignes. Van Asperen bekijkt ook het perspectief in welke mate de geschilderde insignes informatie verschaffen over (verloren gegane) pelgrimsinsignes en ze onderzoekt de link tussen de insignes en de inhoud op dezelfde pagina. Het is immers duidelijk dat eigenaars sommige insignes in de buurt van een bepaalde tekst hebben bevestigd, al is dat soms gewoon als bladwijzer.
Die gegevens vergelijkt ze met andere bronnen voor de geschiedenis van de vroomheid, zoals vitae en legenden, exempla, pelgrimsverslagen en devotionele traktaten.
Van Asperen hoedt zich voor Hineininterpretiering. Zo gaat ze niet akkoord met de opva ingen van Kathryn Rudy die beweert dat sommige insignes in boeken niet echt de betekenis hebben van een herinnering aan een bedevaart, maar functioneren als een herinnering aan een communie, als een soort ersatzhostie. Rudy baseerde zich daarvoor op de ronde vorm van
vele insignes. Rudy zag dan weer wel dat niet alle insignes in boeken authentieke pelgrimssouvenirs waren. Soms zijn het gewoon a eeldingen van populaire heiligen zoals Catharina, Barbara, Christoffel of Veronica. Hierbij staat de amuletof talismanfunctie centraal. In de middeleeuwen geloo men sterk in de helende functie van heiligen en hun a eeldingen. Niet zelden hee het ingekleefde of ingenaaide insigne het originele cultusobject (bijvoorbeeld een reliek) aangeraakt, wat het insigne zelf een reliekwaarde gee .
De studie toont aan dat gelovigen vanouds devotionele boeken beschouwen als gebruiksvoorwerpen. Zoals er ook nu tal van objecten (zoals devotieprentjes en lintjes) tussen de bladzijden van religieuze gebruiksboeken verdwijnen, was dat kennelijk in de middeleeuwen ook het geval. Daarbij kon het gaan om insignes, maar ook medailles of allerlei stukjes papier en textiel, al dan niet met devotioneel drukwerk op en allerlei andere pelgrimssouvenirs).
Het boek is een uitnodiging om manuscripten door een nieuwe bril te bekijken. Het staat vast dat er nog talrijke handschri en sporen naar insignes beva en die tot op heden onopgemerkt bleven. De geïnteresseerde onderzoeker kan daarbij makkelijk uitgaan van onderhavige studie die een appendix bevat met een bijzonder uitvoerige beschrijving van alle gebruikte handschri en.
Hans Geybels
Andreas Weber & Sylvia van Zanen, Kunstenaar op Java. De reisdagboeken en natuurtekeningen van Pieter van Oort (1825-1833). Werken uitgegeven door de LinschootenVereeniging XXIX. Zutphen, Uitgeversmaatschappij Walburg Pers, 2021, 479 blz., ill.; ISBN 9789462494985; € 62,35.
Op dertigjarige lee ijd overleed de Utrechtenaar Pieter van Oort (1804-1834) in Padang (Sumatra, Indonesië) aan malaria. Hij was ongehuwd, maar had een kind met een Indonesische vrouw. Het zou een fait-divers kunnen zijn, ware het niet dat een omvangrijke nalatenschap van papieren en objecten (huiden, skele en en geprepareerde dieren) naar Nederland werd verscheept. Dit nalatenschap was erg belangrijk bij de studie van de Indonesische flora en fauna, temeer daar Van Oort een begenadigd natuur- en landschapsschilder en -tekenaar
was die ontze end nauwgeze e en natuurgetrouwe a eeldingen van dieren en planten maakte. Hij maakte deel uit van de Natuurkundige Commissie voor NederlandsIndië die werkte in opdracht van het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie in Leiden.
Naast deze belangrijke collectie hield Van Oort ook dagboeken bij van zijn expedities (1828-1834) op Java, Timor, Nieuw-Guinea en Sumatra. En net in die geschri en krijgen we meteen ook een kijk op het dagelijkse leven tijdens de expeditie op Java, het grootste en meest bevolkte eiland van de Indonesische archipel. In tegenstelling tot de andere commissieleden was hij dus niet enkel een wetenschappelijk illustrator, maar ook een observator van wat er zich dagelijks rond hem afspeelde. Toch is het werk van de getalenteerde Van Oort tot op heden eerder onderbelicht, want nooit eerder uitgegeven geweest. De aandacht bij deze expedities ging eerder naar de wetenschappers, het is slechts recent dat ook het werk van illustratoren iets beter wordt belicht.
Uit de geschri en van Van Oort wordt meteen ook duidelijk dat het werk van de commissie ook op heel wat gewelddadig verzet van de plaatselijk bevolking kon rekenen. Tijdens zijn verblijf woedde namelijk de Java-oorlog (1825-1830).
Ondanks de opzet van het project maakte die commissie ook deel uit van een koloniserende grootmacht. Het klinkt haast bevreemdend wanneer hij in het begin van de negentiende eeuw over ontbossing schrij die moet ruimte creëren voor plantages, waarbij dieren en planten onherroepelijk hun leefruimte zagen verdwijnen, waardoor hun
soort(en) ook plots bedreigde soorten werden. Kan het hedendaagser? De beschrijvingen zijn des te belangrijker omdat ze kunnen bijdragen aan de studie van de klimaatverandering, omdat de schilder op Java aanwezig was nadat de Gunung Tambora in 1815 voor de grootst gekende uitbarsting in de mensheid zorgde die zich nog jarenlang op verschillende continenten, en dus zeker in Indonesië, liet gevoelen. Van Oort noteerde bijvoorbeeld nauwgezet de temperatuur en weersgesteldheid.
Van Oort hee zijn dagboeken niet geschreven om te worden gepubliceerd, maar wel als persoonlijke rapportage van zijn werk. Daarom zijn de aantekeningen veel persoonlijker dan van de andere wetenschappers in de commissie.
Het dagboek bestaat uit zeven delen. Met hiaten in tijd, omdat er waarschijnlijk enkele stukken zijn verloren gegaan. De originelen bevinden zich nu in de archieven van Naturalis in Leiden. Van sommige aantekeningen bestaan er meerdere versies, maar in dit boek werd bijna altijd de laatste versie opgenomen. Taalfouten en taalgebruik zijn niet aangepast, in tegenstelling tot interpunctie en a ortingen. Omwille van indexering zijn de toponiemen geüniformeerd. Verder vind je ook een selectie van de 250 bewaarde tekeningen.
Het eerste korte deel beslaat de vier maanden durende overtocht van Nederland naar de Kaap, een tocht die in het begin van de 19e eeuw vier maanden in beslag nam. In dat deel beschrij Van Oort de toenmalige rituelen bij het overschrijden van de evenaar. Nog eens drie maanden later komt hij in Batavia aan, wat meteen betekent dat de kolonie meer dan een
half jaar van het koloniale moederland verwijderd lag. Zijn uitvalsbasis was ’s Lands Plantentuin in Buitenzorg, de huidige Kebun Raya in Bogor. De notities zijn vaak heel kort, maar andere keren dan weer heel uitgebreid. Ondanks het tijdsverschil van twee eeuwen (en de vele spellingsfouten) blijven de teksten zeer goed leesbaar en schetsen ze een goed beeld van de gebieden die Van Oort bezoekt, evenals wat hij er ziet en doet. Feestjes, ontvangsten, reizen, maar ook ziekte en sterfgevallen passeren de revue. Zonder franje. Daardoor krijgen we een goed beeld van het alledaagse Indonesië tussen 1820 en 1830. Daaruit blijkt onder andere dat heel veel Nederlanders (en Belgen? Want zijn verblijf speelt zich deels ook af tijdens de korte periode van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden) bezwijken aan ziektes in het ongenadige tropische klimaat of door moord bij opstanden en de Java-oorlog (bijv. p. 254-257).
Hij beschrij en becommentarieert op een voor ons vandaag bevreemdende wijze sommige toestanden. Een voorbeeld (p. 101): Ik heb in mijne dienst eenen knappen jongen staldienaar die misschien 25 jaren teld (sic), en een klein ineengedrongen lelijk oud wij e van in de zestig jaren. (…). Nie egenstaande de Javanen zeer van jonge vrouwen houden die zij op haar dertiende of veertiende jaar reeds huwen, geven ze er niet om, om zich ook aan afgeleefde schepsels te verbinden. Wonderlijke smaak! Als hedendaags recensent kunnen we alleen maar eraan toevoegen Wonderlijk taalgebruik!
Als tekenaar was Van Oort een soort fotograaf avant la le re en daardoor een goede observator van fauna en flora die hij dan ook uitvoerig beschrij en opsomt (zoals bijv. p. 210-
212). Tot en met de technieken om op de alomtegenwoordige krokodillen te jagen met gebruik van levende dieren als aas. Het vlees gebruikt men voor lampolie, toch worden de beesten niet intensief bejaagd, maar enkel als ze een dier of mens hebben aangevallen of verslonden (p. 231-232). Verder verschijnen ook zeerovers en piraten op het toneel. En zo ontrolt de Zuidoost-Aziatische realiteit van begin negentiende eeuw zich voor onze ogen.
Het boek wordt aangevuld met een en collectie van vij ig tekeningen, een concordantietabel om de teksten terug te vinden in het gedigitaliseerde archief (h ps://dh.brill.com/nco/) en een veel te beperkt glossarium.
Ondanks het feit dat dit dagboek ons inleidt in een ver vervlogen wereld en tijd, is het wel een gemiste kans dat de redacteurs Andreas Weber en Sylvia van Zanen zich hebben beperkt tot een korte inleiding en heel beperkte duiding. Het zou net boeiend geweest zijn om het leven en werk van Pieter van Oort tegen de achtergrond van zijn tijd veel verder uit te tekenen en om een samenhangend beeld te schetsen van het sociale leven in de voormalige Nederlandse kolonie. Het ware daarom beter geweest om bijv. een etnoloog in het redactieteam op te nemen. Dat neemt niet weg dat niet enkel botanici of ornithologen hun weg in dit rijke dagboek zullen vinden.
Dit is het eerste boek in een nieuwe reeks van uitgeverij Transcript. Die uitgeverij is toonaangevend op de terreinen van etnologie, culturele antropologie, cultuurwetenschappen en dus volkskunde. De nieuwe reeks draagt de naam WissensKulturen/ KnowledgeCultures. Het doel ervan is om te weten hoe weten en wetenschap nauw samenhangen met de maatschappij waarin ze ontstaan. Dat is geen nieuw inzicht, het suggereert wel dat kennis voortdurend verandert en historische perspectieven daarop heel leerrijk zijn. Het vernieuwende van deze reeks is dat ze inzet op de media waarin kennis verschijnt en zich als betrouwbaar (“gespeichert”) toont en legitimeert. Dat hele proces
van kennisproductie gee betekenis aan de wetenschap en maakt haar politiek relevant. In dit boek staan populaire, literaire en visuele genres uit de 19e eeuw in de kijker die kennis over de sociale gelaagdheid van de maatschappij en in het bijzonder de lagere trappen op de sociale ladder voortgebracht hebben. Het is een belangrijke overgangsperiode tussen de hiërarchische samenleving van het Ancien Régime en de klassentegenstellingen van het einde van de 19e en een groot deel van de 20e eeuw.
Het laatste hoofdstuk van het boek handelt over het thema van de straatroepen. Dat genre was ook in de Nederlanden bekend. Het documenteert beroepen en ambachten die in de straten van de stad hun waren aanprijzen. In de middeleeuwen doken versies ervan op in gedichten en liederen en vanaf de zestiende eeuw in eenbladdrukken van liederen en prenten. De bijdrage in dit boek gaat over de Weense volkstypen op de zogenaamde Bilderbogen of volksprenten. De jonge etnoloog Jens Wietschorke uit Tübingen laat zien hoe die straatroepen een abstrahering van een veel complexere sociale realiteit tot stand brengen. En wie abstrahering zegt, denkt meteen aan kennisproductie en wetenschap. De 19e-eeuwse Weense straatroepen vervangen de oudere versies door nieuwe waarin de figuren uit hun beroepsmilieu gehaald worden en geïdealiseerd tot stadsfiguren: de straatventer met verse, gepo e kastanjes en gebraden appelen, de ketellapper, de Bosnische tabaks- en messenverkoper. “Sie alle gedeihen nur in der Wiener Lu ”. Zo worden de scherpe kantjes eraf gehaald en geïdealiseerde beroepen opgeroepen,
die typisch zouden zijn voor de stad en aan enkelingen werk verschaffen. Op die manier wordt de angel uit de heel gelaagde sociale werkelijkheid gehaald en worden marginalen in de samenleving tot poppetjes herleid en bijvoorbeeld bedelaars helemaal en le erlijk uit beeld gehouden. De lithografieën tonen de straatverkopers ontdaan van hun bestaan op straat en als types met eigen kostuums. Die vormen van uitsluiting en esthetische inclusie hielpen mee de Weense burgerlijke samenleving van de 19e eeuw tot stand brengen die daarmee haar tegenbeeld creëerde. Nieuwe media brachten telkens veranderingen, zoals de fotografie met die typen na de wereldtentoonstelling van 1873, wat zorgde voor verdere aanpassingen van de beeldvorming richting nostalgie. In het licht van de talrijke straatroepen die bekend zijn voor de Nederlanden is dit hoofdstuk erg inspirerend.
De andere hoofdstukken volgen een gelijkaardige structuur. Ze leggen de nadruk op de media die nieuw waren in de 19e eeuw en op processen van uitsluiting en inclusie in de beeldvorming. Anders dan de titel van dit boek doet uitschijnen gaat het om een heel divers staal dat tegelijk heel selectief is. Worden achtereenvolgens behandeld: visitekaartjes met portretfoto’s in Duitsland van 1850 tot 1870 toen dat genre bloeide en hoe het de weg effende voor de fotografie als vast medium bij het ontstaan van de volkskunde als wetenschappelijke discipline aan het einde van de 19e eeuw; de beschrijving van Londense types door gebruik te maken van een humoristische zoölogie van de stad gebaseerd op Franse voorbeelden; het ontstaan van geïllustreerde tijdschri en in Frankrijk vanaf het
einde van de jaren 1820 tot de eerste bloei ervan in de jaren 1840 en de effecten daarvan op de presentatie van nieuwe wetenschappelijke inzichten; het Mexicaanse costumbrismo, lithografieën met types aan de hand van hun kleding en de invloed daarvan op ideeën over vrouwelijkheid en mannelijkheid; de presentatie van streken (Tirol) en steden (New York) in het Duitse tijdschri Morgenbla voor de burgerij en de impact op beschrijvingen van sociale fenomenen; commentaren en advertenties van medische praktijken in Costa Ricaanse kranten; tot slot, zoals hierboven geanalyseerd, Weense volkstypes. Het disparate is meteen de zwakte. De Skizzen, Romane, Karikaturen uit de hoofdtitel komen slechts sporadisch ter sprake als media die de ontstaansgeschiedenis van de populaire media van fotografie en reportage helpen verklaren. De voorbeelden zijn beperkt tot enkele landen.
De methode staat voorop en de beknopte inleiding met veel literatuurverwijzingen suggereert het potentieel om de oeverloze 19e-eeuwse soziographische journalistiek niet als een directe reflectie van een sociale werkelijkheid te zien. Het sociale wordt geschreven, niet zomaar beschreven. Schrijven betekent categoriseren en kenmerken toebedelen en precies dat is de kennisvorming waarover het boek gaat. De nadruk op kennisproductie en de verschuivingen daarvan was geen onschuldig gebeuren. Het had een diepe invloed op hoe de burgerij van de 19e eeuw naar de lagere sociale klassen keek. Door die via a eeldingen abstract te maken tot types legde de journalistiek van toen de grondslag voor meer rigoureuze
wetenschappelijke disciplines die aan het einde van de 19e eeuw ontstonden, in het bijzonder de etnologie (of volkskunde) en de sociologie. De sociale categorieën en hun visualisering hadden scherpe politieke kantjes. Niet zelden steunden ze de burgerij in een zich distantiëren van als volks bestempelde groepen en stadskwartieren, die onderwerp van reflectie werden. Dat gebeurde met literatuurwetenschappelijke, kunsthistorische en cultuurantropologische invalshoeken en op die manier groeiden de observaties uit tot vormen van kennis en wetenschap. Dat alles concentreert zich vooral in het midden van de 19e eeuw, na de grote transformaties van de revolutieperiodes en voor de verwetenschappelijking van kennis in academies en universiteiten vanaf het einde van de 19e eeuw. Dat die niet vanaf nul begonnen toen ze zich over de maatschappelijke positie van gewone mensen bogen wordt met deze bundel duidelijk.
Johan Verberckmoes
Conrad Gietman, Yme Kuiper, Elyze Storms-Smeets, Leon Wessels (eds.), De Jacht. Een cultuurgeschiedenis van jager, dier en landschap, Hilversum, Uitgeverij Verloren, 2021, Adelsgeschiedenis 20, 384 p., ill., hardcover, ISBN 9789087049201, € 29.
De prijs-kwaliteitverhouding van dit boek is niet slecht. Voor de prijs van een zachte band van bijna 400 bladzijden krijgt men een kloek boek met harde ka , kwaliteitspapier, talloze kleurillustraties en een stevige, gespecialiseerde inhoud. Andere academische uitgevers in de Lage Landen die bundels over cultuurgeschiedenis uitgeven, zouden (helaas) niet beschaamd zijn er honderd euro meer voor te vragen. De professionele of recreatieve boekenjager-verzamelaar met interesse voor de langetermijngeschiedenis en management van zowel symbolisch kapitaal, elitaire rituelen en machtsrelaties, landschappen en/of omgang
met prooien, mag een plaatsje in de weitas reserveren. Het boek is uitgegeven door een commerciële uitgeverij maar financieel gesponsord door een hele reeks ridderschappen en stichtingen in Nederland die allemaal een parfum van adel uitademen. In de voorbije vij onderd, of zelfs duizend, jaar, was jacht in een belangrijke mate een poging tot privilege of beperkt voorrecht, een uitdrukkingsvorm van distinctie, in het bijzonder van adellijk gekleurde niches en (nouveaux) “riches”.
De bundel is een stevige aanvulling en verrijking van het bekende proefschri in de sociale wetenschappen, ergens tussen Europese antropologie, etnologie en sociologie in, van Heidi Dahles, Mannen in het groen: de wereld van de jacht in Nederland, Nijmegen, 1990 (downloadbaar via h p://hdl.handle. net/2066/113801). In de inleiding tot de bundel stelt Leon Wessels voor om breder en dieper in de tijd terug te gaan. Hij onderzoekt welke ideaaltypes van jagers ook na de verspreiding van landbouw, tienduizend jaar geleden, “bleven jagen”: voedseljagers, commerciële jagers, recreatieve jagers en wildbeheerders. Om discussies en vermenging met ordinaire verhaallijnen over relatief goedkoop kweekwild in de supermarkt (of, om een voorbeeld uit het dagelijks leven in Vlaanderen te geven, everzwijn, hert en andere “wildschotels” in de winter voor 13,99 euro gewoon te koop in de Lunch Garden voor klanten zonder blauw bloed) en over jagen voor ivoor, afrodisiaca, huiden, walvisolie, … buiten beeld te houden, is het verstaanbaar, dat in deze bundel vooral dieper wordt ingegaan op de laatste twee categorieën: recreatieve jagers en wildbeheerders. Geen
Lunch Garden-toestanden, maar jachtsloten, wildparken, hoornblazers en schietgeweren. En af en toe, als tegenbeelden, een beetje aandacht voor stropers, voedseljagers die vooral als illegaal bezig, en heel af en toe ook als verzetsstrijders werden “geframed”: zij horen blijkbaar niet helemaal tot wat als “jachtcultuur” in beeld wordt gebracht. Neen, deze bundel mikt vooral hoog op openbaar, vaak in groep beoefende vormen van jacht door leden van zogenaamde elitenetwerken, in het bijzonder grootgrondbezi ers en erfgenamen van bepaalde namen (zoals OranjeNassau) en bijbehorende voordelen. Naast het doden van dieren, ging het om “demonstraties” van macht, status, “sportief leven” en sprezzatura in jagersgroen en met de laarzen aan. Hierbij wordt op een interessante manier voortgebouwd op het oeuvre van Tim Blanning, in het bijzonder zijn The Culture of Power and the Power of Culture: Old Regime Europe 1660-1789 (Oxford University Press: Oxford, 2002) of zijn treffende metaforen zoals de “representatieve publieke ruimte, waarbinnen het hof zijn macht tentoonspreidde” (p. 86) maar ook wel “minutieus georkestreerde “ritualized slaughter”” (p. 23). Het wordt doorheen de bijdragen wel duidelijk dat naast de koninklijke familie of hogere adel, vele andere levende wezens gestalte geven aan “jachtcultuur”, gaande van de verzorgers van parken en honden tot koks en boekhouders. En dieren uiteraard, jagen gebeurde niet alleen te voet, maar ook te paard, met een meute honden of met getrainde roofvogels. Een eyeopener is de bijdrage van Redmer Alma (p. 61-83) over de netwerken rond de valkerij van de Ommelander edelman Johan
van Ewsum (ca. 1505-1570) waarin de mobiliteit (transfers) van zowel valken als valkeniers tussen kastelen en edellieden wordt aangetoond. De lezer krijgt gaandeweg een beetje inzicht in de verschillende vormen van jagen, en leert ook enkele spelregels en (veranderende) woordenschat kennen.
Met slim gekozen illustraties, gaande van middeleeuwse miniaturen of het schilderij Jagers in de sneeuw (1565) van Pieter Bruegel de Oude tot overvloedig fotomateriaal uit de voorbije honderd jaar, wordt ook een leerrijk beeldverhaal gemonteerd doorheen het boek. Yme Kuiper gebruikte onder meer een reeks familieportre en om de hazenjacht ten tijde van de Republiek te belichten, maar ook om een schakering in de Gouden Eeuw van stillevens met jachtbuit (“Dutch Gamepiece” volgens Sco Sullivan) naar jachtportre en te traceren. Interessant is dat dit niet beperkt blij tot die meer elitaire beeldcultuur maar en passant ook naar populaire beeldcultuur wordt gekeken. Welke positieve rol speelde de jager in 18e- en 19e-eeuwse sprookjes in interactie met de boze wolf? En was het beeld van de stervende moeder van het hoofdpersonage Bambi uit de Disneyfilm die in 1947 in de Nederlandse bioscopen (en later op de beeldbuizen en streamingsites) kwam, inderdaad een zeer invloedrijk antijacht”propagandamiddel” (p. 36)? Een nog door iemand te maken etnologische studie waar ik alvast naar uitkijk, is er een over de culturele impact die de comeback van wolven in de Lage Landen en de evoluerende publieke opinie in de jaren 2020 zal hebben en of dit de imago’s van jagers, betrokken dieren en jacht zal beïnvloeden.
In deze bundel worden diverse casestudies gepresenteerd over jagen en wat daarmee samenhangt in specifieke kastelen, regio’s of provincies. Dat jachtcultuur met macht te maken hee , wordt al vij onderd jaar geïllustreerd door de Oranjedynastie, zowel als stadhouders en als vorsten: een extra rode draad doorheen dit boek. Verder komen diverse adellijke families en hun kastelen en domeinen uitgebreid aan bod, zowel voor als na de periode van Franse revoluties. In die periodes kon niet altijd het exclusieve voorrecht bewaard blijven, maar dat werd wel herhaaldelijk “gerestaureerd”, zij het met enige participatie van rijke burgers. Enkele bijdragen behandelen al dan niet uitgevonden tradities op een landgoed zoals Middachten (waar in 2015 het colloquium plaatsvond dat het leeuwendeel van de hier gepubliceerde bijdragen opleverde) rond 1900 of op jachtdagen op kasteel Twickel (een van de sponsors van de publicatie). Elders wordt de ruimtelijke orde zelf centraal gesteld, de bossen en zelfs parken (zoals het Brusselse Warandepark, p. 231234): meer dan landschappen om naar te kijken, uitdagingen om te beheren door ze telkens opnieuw te transformeren.
Een belangrijke bijvangst in de bundel is dat er uitgebreid wordt ingegaan op landschapsbeheer op lange termijn. In de 21e eeuw maakt het borgen van landschappen volop deel uit van het brede erfgoedparadigma, waarbij volop op het belang van stakeholders en actieve beheerders en bemiddelaars wordt ingezoomd. Het gaat daarbij deels nog steeds, mutatis mutandis, om het inrichten en onderhouden van wildparken; terreinen, die liefst
zowel geschikt als uitdagend genoeg zijn om vooral de jagende edellieden en andere lie ebbers te laten scoren in een ongelijk spel en daarbij een zekere moeilijkheidsgraad te suggereren, met een dosis schijngevaar (pret dus), en tegenwoordig om ecologische referentiekaders te mobiliseren die het doden van dieren zou kunnen verantwoorden. Pretparken, maar dan met een hoger of historisch ingekleed doel en met echte kogels of hagel. Het boek prikkelt ook om lijnen op lange termijn te traceren in de geschiedenis van “onroerend erfgoed”praktijken, of nog ruimer zelfs. In de huidige tendens om de voorlopers van het verbrede gamma aan erfgoedpraktijken in kaart te brengen in functie van het overkoepelende paradigma dat in de jaren 2020 geconsolideerd wordt, biedt dit werk goede aanknopingspunten. De combinatie van erfelijkheid, complexe eigendomsconcepten (zoals het recht om het eigen en soms andermans land te gebruiken), beheersaspiraties, kwesties van toegankelijkheid en uitsluiting, duurzame ontwikkeling, maar tegelijkertijd ook een soort symbolisch, maar daarom niet minder reëel machtstheater over distinctie, of vraagstukken rond continuïteit en verandering, … al deze problematieken en lijnen verdienen extra aandacht.
Specifiek voor Nederland wordt vooruitgeblikt naar de nieuwe Omgevingswet die op 1 juli 2022 van kracht wordt. Naast diverse bepalingen over onroerend en varend erfgoed, worden daarin specifieke, op wildbeheer gerichte, kaders voorzien voor zogenaamde “jachtgeweeractiviteiten” en “valkeniersactiviteiten”. Of zoals Luuk
Boerema het samenvat, het doorze en van de “algemene tendens in wetgevingsland dat de rol van de jacht in strikte zin wordt gemarginaliseerd, terwijl het wildbeheer (doden voor ‘maatschappelijke doelen’) relatief aan belang toeneemt – een tendens kortom van jager naar wildbeheerder” (p. 330). Er wordt in beperkte mate naar UNESCO verwezen, met name naar een nominatiedossier voor de erfgoedconventie van 1972, het “par force hunting landscape in North Zealand” (p. 219, noot 8), met vergelijkende studies die in 2015 geleid hebben tot de opname van Deense barokke koninklijke jachtgebieden op de Werelderfgoedlijst (p. 231).
Wat jammer genoeg nog ontbreekt in dit boek, is een expliciete bespreking van andere ontwikkelingen in de 21e eeuw, namelijk de mogelijke impact van een ander, globaal referentiekader dat in dit tijdschri regelmatig aan bod komt, namelijk het paradigma omkaderd en/of geïnspireerd door de UNESCO Conventie voor het borgen van immaterieel cultureel erfgoed (2003). Zowel via gesublimeerde omwegen als met wereldwijde, door de Verenigde Arabische Emiraten gefinancierde campagnes rond vormen van jacht waarbij dierenprooien gedood worden (“falconry”) komen culturele vormen van legitimatie van jacht, weer langs deuren en vensters binnengevlogen. Denk daarbij in Nederland bijvoorbeeld aan de “slipjacht”, een nabootsing van de oude traditie van de parforce jacht, ingeschreven in 2020 op de Inventaris Immaterieel Erfgoed Nederland (h ps://www. immaterieelerfgoed.nl/nl/slipjacht ) of de valkerij, ingeschreven in 2013, h ps://www.immaterieelerfgoed.nl/
nl/valkerij. Of binnen UNESCO op het wereldtoneel, onrechtstreeks via inschrijvingen op de representatieve lijst van immaterieel erfgoed van de mensheid, zoals het in een woordenwolk verpakte dossier over jachthoornblazen, “Musical art of horn players, an instrumental technique linked to singing, breath control, vibrato, resonance of place and conviviality”, ingeschreven in 2020 voor Frankrijk, België, Luxemburg en Italië (h ps://ich.unesco. org/en/RL/musical-art-of-hornplayers-an-instrumental-techniquelinked-to-singing-breath-controlvibrato-resonance-of-place-andconviviality-01581), of rechtstreeks met het in 2021 al met 24 lidstaten (inclusief België en Nederland) gelinkte dossier van “Falconry, a living human heritage” (h ps://ich.unesco. org/en/RL/falconry-a-living-humanheritage-01708). Een nieuwe fase is aangebroken, maar er blijven vele vragen. Hoe moeten allerlei vormen en interpretaties van wat “stropen” wordt genoemd, hierin al dan niet een plaats krijgen? Welke functies kunnen allerlei controverses rond de omgang met dieren, parken en wapens hierin krijgen? Het glokale “jacht”erfgoedverhaal gedragen door mensen, dieren, objecten, landschappen en netwerken in de jaren 2020 moet dus nog verder worden geschreven. Maar het mag ook verder worden bevraagd of geproblematiseerd vanuit Europese en globale kaders (waarbij ook oude en nieuwe vormen van (de) kolonisatie kunnen worden betrokken in een boek over jachtcultuur in de wereld). Een stevige nieuwe bijdrage voor een voorgeschiedenis van enkele segmenten van dat “levend
erfgoed”-paradigma in de breedste betekenis van die woorden, is nu wel beschikbaar voor Nederland.
Marc Jacobs
ABSTRACTS
Historian. Old-school researcher and cultural broker
The legacy of dr. Albert van der Zeijden (1957-2021)
Marc Jacobs & Sophie Elpers
At the sad occasion of the passing away of Albert van der Zeijden (member of the editorial board of Volkskunde), the life’s work of this scholar is presented and characterized. On the one hand, he presented himself as an academically trained historian. He was specialized in the study of catholicism and historical awareness in the Netherlands in the nineteenth century, in the history of death and mourning, and in the work of Philippe Ariès. On the other hand, he worked about popular culture, folklore and, in the last decade, in the new field of safeguarding intangible cultural heritage. He explored the potential of the relations between that paradigm of the 2003 UNESCO Convention and phenomena in contemporary society like tourism, listing, superdiversity, international NGOs, controversies, and cultural brokerage.
Key words: historian, death, living heritage, UNESCO, popular culture in the Netherlands, cultural history, intangible heritage
Lace Education in 20th Century Flanders: Between Modernization and Tradition
Elena Vanden Abeele & Wendy Wiertz
During the 19th century, the renowned Belgian lace industry declined sharply. In order for the lace industry to survive, the already meagre wages of the lacemakers were reduced even further. That way, the women had to produce more pieces for the same small salary, which had a negative impact on the quality of their pieces and on their living and working conditions. The wretched state of the lace industry and its workers caused concern. From the second half of the 19th century onwards, studies, statistics and novels indicated causes and offered solutions. Most stressed the importance of reforming the lace education, which would lead to a revival of the Belgian lace industry and to an improvement of the lacemakers’ living and working conditions. Local and national philanthropic associations implemented the proposed solutions to reverse the downward spiral. In the long run, their actions did not save the Belgian lace industry, which disappeared for good in the 20th century. Nevertheless, several lace schools, all located in Flanders, remained open until the early 1970s, but there has been hardly any research into the regional lace education during the 20th century. This article examines the introduction of the proposed improvements in lace education and their long-term effects
in the 20th century. The lace school of the Sisters Paulinen in Poperinge serves as a case study. As a Catholic institution in a smaller production centre, the school is representative for most other lace schools in Flanders, while its period of existence between 1913 and 1961 corresponds to the definitive decline of the national lace industry. Moreover, the many newly uncovered archival sources and the preserved lace pieces allow an indepth analysis of the institution, the results of which will be relevant to folklore, social history, gender studies and the history of education.
Key words: folklore, social history, history of education, history of textile, gender studies
voor Verandering Museum” en een Cultureel Gemeenschapscentrum in Gabrovo, Bulgarije. Die zijn verbonden via een Broodroute die verschillende broodhuizen in Bulgarije linkt, in een traject om tot een Europese of Globale Culturele Route van Brood (voor Sociale Verandering) te komen.
Deze bijdrage introduceert diverse soorten van “museummobiliteiten” en onderzoekt hoe dat concept toelaat transformaties van het concept “museum” te duiden. Deze etnografische studie gaat daarbij in diverse intrigerende gevallen van zogenaamde gemeenschapsmusea op diverse plekken in de wereld, die meer doen dan de historische representatie maar functies vervullen van het vormen van levende, langdurige sociale banden, en het genereren van sociaal kapitaal. Dit artikel onderzoekt ook de dynamiek van een evoluerende nieuw type van alternatief cultureel toerisme dat we als een soort “sociaal toerisme” zouden kunnen definiëren. Het focust in het bijzonder op het “Brood
The Volkskundecommissie and the Volkskundebureau (1945-1947)
From reconstruction to “rising interest”
Douwe Zeldenrust
On the 4th of September 1944, the day before ‘Mad Tuesday’ (‘Dolle Dinsdag’), Jan de Vries, folklorist and chairman of the Folklore Committee of the Netherlands Academy of Arts and Sciences, fled to Germany. Piet Meertens, who at that time was secretary of the Folklore Committee and manager of the Folklore Bureau, was also concerned about his future. De Vries would be dismissed as professor in 1946 and later on he was also convicted of ‘intellectual collaboration’. Things turned out completely different for Meertens, the Folklore Committee and the Folklore Bureau. Within three years after the war, they were in a better position than ever before, with more subsidies, a renewed base of informants and an expansion of the work for Meertens. This article addresses these immediate post-war years. So far, this period of reconstruction has only been described to a limited extent.
Historical sources, such as the annual reports of the Folklore Committee and the archive of the Meertens Institute, give a broad perspective on these years. The focus of this article is on providing insight into these sources so they can be used for further research.
Key words: Meertens Instituut, Volkskundecommissie, Volkskundebureau, Second World War, postwar reconstruction, collaboration, questionnaires
us a step closer to putting the pieces of this sensory puzzle together.
Key words: smell, intangible cultural heritage, rural heritage, safeguarding, Odeuropa
Smell in intangible heritage. Odeuropa research project
Sophie Elpers, Julia van Duijvenvoorde, Inger Leemans, Karolina Miłkowska
Many heritage organisations are aware of the extent to which our sense of smell is intertwined with emotion and memory. However, many lack the terminology, methodology and tools to be able to identify, consolidate and promote the olfactory in the realm of heritage. Despite a large part of the Odeuropa project being based on smell from a historic standpoint, a small, yet no less crucial, part of the research is deeply rooted in the present day. Seeking to analyse and emphasise the (conscious and unconscious) role of smell in the safeguarding, transmission, and experience of intangible cultural heritage, this part of the project has, up until now, focused on two main case studies. Combined, the study of the French law on the protection of rural sensory heritage and the analysis of the practices and experiences surrounding milling in Poland bring
The Stirring of the Religious Space. Late medieval perception and experience in the Antwerp Church of Our Lady (c. 1450-1566)
Wendy Wauters
The lost pre-Tridentine décor of Antwerp’s Church of Our Lady (c. 1450-1566) provides the dynamic backdrop for the sensory perceptions of clergy and townspeople. By mirroring the observations against the widely disseminated knowledge of the sensorium, an attempt is made to bring the perceived impact of the experiences into a larger, understandable frame. This research does not aim to provide an exhaustive and objective inventory of the social interactions and ritual acts in the late medieval parish church. It does, however, use quasi-anecdotal data and subjective testimonies to find out more about the physical and spiritual experience of the so-called religious middle groups. This paradigm is then dissected in view of its translations to the user context, typology and iconography of the liturgical objects that circulated in the building. In this way, ornamenta sacra function as unexplored trails to the documentary value of late medieval imagery and the complex of religious beliefs among churchgoers. This research is part of the BRAIN-be project Ornamenta sacra, a collaboration between UCL (Ralph Dekoninck), KU
Leuven (Barbara Baert) and KIK-IRPA (Marie-Christine Claes).
Key words: late medieval period, Antwerp, Church of Our Lady, sensorium, cultural history, ritual
Science as main factor in 19th century fairs
Nele
Wynants
SciFair aims to conduct pioneering research on the role itinerant showpeople played in the transmission and popularisation of science and technology at Western European fairgrounds between 1850 and 1914. At a time when modern communication media were not yet in place and only a minority of the population could read, large groups of people were actually dependent on travelling performances and displays for information: in so-called anatomical cabinets, zoological and anthropological museums and scientific theatres, showpeople demonstrated ‘wonders of nature’ and spectacular scientific developments. The project advances the hypothesis that the fair in this period was not merely a local folk tradition, but a hub for international exchange in which itinerant entertainment played a pivotal and modernising role in the circulation and popularisation of science amongst people across the social spectrum, relying on efficient international networks. To test this hypothesis, the project will bring together a multilingual and multidisciplinary team of researchers that will combine methodologies from theatre and performance studies with perspectives from
history of science, media studies and digital humanities to analyse practices of science performance across national boundaries and map transnational networks of Western European fairground theatres. SciFair will not only study explicit didactic discourses but also analyse how implicit knowledge and social values of health, gender, nation, class or race were challenged or reinforced. By analysing the fair as a performative event, the project will advance a conceptual shift in media historiography to a historiography of media performance and thus contribute to our understanding of the social and cultural role of the fair in knowledge circulation. SciFair will thus make a major contribution to media and performance history, as well as to the history of science and knowledge transfer.
Key words: fairground, science popularization, itinerant wax museums, itinerant popular theatre, art and science
PERSONALIA
Marjolein de Boer (1964) studeerde kunstgeschiedenis en bedrijfskunde in Utrecht. Ze werkte jarenlang in de museumwereld en was vervolgens o.a. directeur a.i. van de Museumkaart en directeur van het Nederlandse CJP (Cultureel Jongeren Paspoort). In 2013 richtte ze de Academie voor Cultuurmanagement op voor iedereen die in culturele organisatie werkt: van medewerker tot manager en van vrijwilliger tot lid van de raad van toezicht. marjolein@academievoorcultuurmanagement.nl
Sophie Elpers (1978) is onderzoeker etnologie bij het Meertens Instituut in Amsterdam en wetenschappelijk medewerker bij het Kenniscentrum Immaterieel Erfgoed Nederland. Haar onderzoeksgebieden zijn immaterieel erfgoed, musea, rurale culturen en vernacular architecture. Sinds 2021 is zij tevens geaffilieerd lid bij NL-Lab, KNAW Humanities Cluster. Tussen november 2021 en juni 2022 vervangt ze de leerstoel etnologie aan de universiteit van Bonn. sophie.elpers@meertens.knaw.nl
Marc Jacobs (1963) is hoogleraar erfgoedstudies en voorzitter van de opleidingscommissie erfgoed en conservatie-restauratie in de Faculteit Ontwerpwetenschappen van de Universiteit Antwerpen. Daarnaast is hij ook deeltijds hoofddocent kritische erfgoedstudies en coör-
dinator van de UNESCO leerstoel voor kritische erfgoedstudies en het borgen van immaterieel erfgoed aan de Vrije Universiteit Brussel. marc.jacobs@uantwerpen.be
Judy Jaffe-Schagen (1969) is historicus en erfgoedprofessional en werkt als senior docent en onderzoeker aan de Reinwardt Academie. Op dit moment doet zij als postdoc onderzoek naar de spanning binnen erfgoedpraktijken. Zij richt zich hierbij met name op de spanning tussen herdenkers van het slavernijverleden en de Shoah. Ook bestudeert zij mogelijke interventies door erfgoedprofessionals op herdenkingsprakijken. judy.jaffe-schagen@ahk.nl
Inger Leemans (1971) is hoogleraar Cultuurgeschiedenis aan de VU in Amsterdam, en hoofdonderzoeker van NL-Lab bij het KNAW Humanities Cluster. Haar onderzoek richt zich op de vroegmoderne cultuurgeschiedenis (1500-1850), emotie- en geurgeschiedenis, kennisgeschiedenis, culturele economie en digital humanities. Sinds januari 2021 is Leemans Project Lead van het EU Horizon 2020-project ODEUROPA: Negotiating Olfactory and Sensory Experiences in Cultural Heritage Practice and Research. inger.leemans@huc.knaw.nl
Karolina Mi ł kowska (1996) recently graduated from both master degree in Museum and Heritage studies at Reinwardt Academy in Amsterdam and Faculty of Law at the University of Warsaw. Her interests in IP and cultural law resulted in MA thesis about cultural appropriation in law (colonial museums case study). k.milkowskaaa@gmail.com
ze onderzoek zal doen naar kanten parasols – en een geplande stage bij het Brusselse Mode & Kant Museum, zal ze zich verder verdiepen in de modegeschiedenis met een specialisatie in kantwerk. elena.vandenabeele@student. kuleuven.be
Nadezhda Savova-Grigorova defended her PhD in Cultural Anthropology at Princeton University in 2011. She worked as an expert in cultural policies at UNESCO and other international organizations, in 2008 Nadezhda founded the International Council for Cultural Centers ( www. international3c.org ) and the Bread Houses Network ( www. breadhousesnetwork.org ), based in Bulgaria ( www.bread.bg ) but with hubs all over the world. In 2016, she created the educational game “Bakers Without Borders” ( www. thegame.bakerswithoutborders. net ).
Julia van Duijvenvoorde (1996) is an enthusiastic Heritage & Memory researcher currently working at Gelders Genootschap as junior heritage advisor. Her research interests primarily lie in the critical analysis of spatial and textual narratives surrounding urban, rural and sensory landscapes. Out of a desire to further promote multisided and accessible narratives in the heritage and museal fields, Julia also works on translating and proofreading academic articles and exhibition texts for cultural institutions. vanduijvenvoordejulia@gmail.com
Elena Vanden Abeele (1998) is masterstudent kunstwetenschappen aan de KU Leuven. Dat programma verrijkte ze door als Erasmusstudent een semester Histoire de l’art te studeren aan de Sorbonne in Parijs . Voor haar bachelorpaper deed ze onderzoek naar de kantschool van de zusters Paulinen in Poperinge (1913-1961) onder begeleiding van dr. Wendy Wiertz. Met haar thesis – waarvoor
Wendy Wauters (1983) behaalt in 2005 haar master Beeldende Kunsten aan St.-Lukas Brussel. Na een loopbaan als art director gaat ze van start met de studie Kunstwetenschappen (KU Leuven). In 2017 studeert ze af met een thesis over beeldmotieven met maakbaarheid als overkoepelende thema, met name vroegmoderne schijnoperaties waarbij men patiënten tracht te genezen van hun negatieve eigenschappen (bekroond met de Frans Olbrechtsprijs).
Wauters is wetenschappelijk mede-
werker bij PARCUM (Abdij van Park 7, 3001 Leuven) en Phoebus Foundation (Jan Van Rijswijcklaan 126, 2018 Antwerpen). wen.wauters@gmail.com
Wendy Wiertz (1985) is doctor in de kunstwetenschappen en senior research fellow aan de University of Huddersfield. Haar onderzoeksinteresses zijn de kunst-, sociale en culturele geschiedenis van Europa in de 19e en begin 20e eeuw. In haar huidige project, bekroond met een Marie Sk ł odowska-Curie-beurs, richt Wendy zich op humanitaire organisaties die de vermaarde Belgische kantindustrie in de Eerste Wereldoorlog hebben gered en tegelijkertijd de werkgelegenheid van Belgische kantwerksters verzekerden. Hiervoor voltooide Wendy haar doctoraat (KU Leuven, 2018) en was ze curator van twee tentoonstellingen. Ook was ze een Fulbright en honorary B.A.E.F. scholar aan Columbia University in 2018-19 en een gastonderzoeker aan de University of Oxford in 2019-20. w.c.wiertz@hud.ac.uk
een grootschalig onderzoeksproject over de toverlantaarn in de Belgische geschiedenis ( www.Bmagic.eu ). Onlangs ontving ze een ERC Starting Grant voor het project ‘Science at the Fair: Performing Knowledge and Technology in Western Europe, 1850-1914’ ( www. scifair.eu ). Als hoofdredacteur van FORUM+ voor onderzoek en kunst ( www.forum-online.be ) is ze ook betrokken bij hedendaagse praktijken van onderzoek in de kunsten. nele.wynants@uantwerpen.be
Nele Wynants (1981) is kunsten theaterwetenschapper aan het Antwerp Research Institute for the Arts (ARIA), Universiteit Antwerpen. Haar onderzoek focust op de interacties tussen performance, media en wetenschap en hun overlappende geschiedenissen. Ze is lid van de Jonge Academie en de Project Management Board van B-magic,
Douwe Zeldenrust (1969) is Manager Collecties bij het Huygens Instituut voor Nederlandse Geschiedenis. Hij is verantwoordelijk voor het collectie- en datamanagement van het Meertens Instituut, waarmee het Huygens Instituut voor Nederlandse Geschiedenis samenwerkt. Hij studeerde Geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam en Informatie- en Documentmanagement aan de Erasmus Universiteit Ro erdam. Op dit moment werkt hij aan een dissertatie over de geschiedenis van het collectioneren van het Meertens Instituut en het circuleren van informatie. Voor meer informatie zie: www.douwezeldenrust.nl
Douwe.zeldenrust@huygens.knaw.nl
122e JAARGANG (2021)
Redactie
In memoriam Albert van der Zeijden
369
Marc Jacobs & Sophie Elpers, Historicus – Oude-stijler én cultureel makelaar 371 De nalatenschap van dr. Albert van der Zeijden (1957-2021)
Wetenschappelijke artikels
Elena Vanden Abeele & Wendy Wiertz, Het Vlaamse kantonderwijs in de 20e eeuw: 381 tussen modernisering en traditie
Nadezhda Savova-Grigorova, Social Tourism and Museum Mobilities
403 in Destinations of Experience
Essay
Douwe Zeldenrust, De Volkskundecommissie en het Volkskundebureau 427 in de periode 1945 tot en met 1947 – Van wederopbouw naar “stijgende belangstelling”
Onderzoek
Sophie Elpers, Julia van Duijvenvoorde, Judy Jaffe-Schagen, 445 Inger Leemans & Karolina Miłkowska, Geur in immaterieel erfgoed. Een deelonderzoek van Odeuropa
Wendy Wauters, De beroering van de religieuze ruimte – De belevingswereld 451 van kerkgangers in de Antwerpse Onze-Lieve-Vrouwekerk, ca. 1450-1566
Nele Wynants, Wetenschap speelde de hoofdrol op de 19e-eeuwse kermis 459
Recensies
* Marilena Alivizatou, Intangible Heritage and Participation. Encounters with 473 Safeguarding Practices (Marc Jacobs)
* Isabella Augart, Sophia Kunze & Teresa Stumpf, Im Dazwischen. Materielle 475 und soziale Räume des Übergangs (Marc Jacobs)
* Petra Himstedt-Vaid, Susanne Hose, Helger Meyer, Siegfried Neumann (Hrsg.), 476 Von Mund zu Ohr via Archiv in die Welt. Beiträge zum mündlichen, literarischen und medialen Erzählen (Marcel Van den Berg)
* Jenny Munro, Dreams Made Small. The Education of Papuan Highlanders in Indonesia 481 (Paul Catteeuw)
* Annick Schramme & Nathalie Verboven (red.), Cultuurmanagement. De regels van de kunst 484 (Marjolein de Boer)
* Hande Birkalan-Gedik, Christiane Cantauw, Jan Carstensen, Friedemann Schmoll, 486 Elisabeth Timm (eds.), Detmold, September 1969. Die Arbeitstagung der dgv im Rückblick. International and comparative perspectives on the worlds and words of Volkskunde (Marc Jacobs)
*Jos van Beurden, Ongemakkelijk erfgoed. Koloniale collecties en teruggave in de Lage Landen 490 (Paul Catteeuw)
* Hanneke van Asperen, Silver Saints. Prayers and Badges in Late Medieval Books 494 (Hans Geybels)
* Andreas Weber & Sylvia van Zanen, Kunstenaar op Java. De reisdagboeken 496 en natuurtekeningen van Pieter van Oort (1825-1833) (Paul Catteeuw)
* Christiane Schwab (red.), Skizzen, Romane, Karikaturen. Populäre Genres als soziographische 499 Wissensformate im 19. Jahrhundert (Johan Verberckmoes)
* Conrad Gietman, Yme Kuiper, Elyze Storms-Smeets, Leon Wessels (eds.), De Jacht. 501 Een cultuurgeschiedenis van jager, dier en landschap (Marc Jacobs)