Page 1

Jaargang 24 no. 1 - April 2015

Nederlands Tijdschrift voor Handtherapie

25 JAAR NGHT A-SPECIFIEKE POLSKLACHTEN ONGEWONE SCHOUDERKLACHT PROJECT HANDART SPIEGELTJE, SPIEGELTJE


Inhoud

Voorwoord

Project HandArt, Hand Assessment, Richtlijnen voor therapie Lucelle van de Ven-Stevens, Maud Graff, Harmen van der Linde, Paul Spauwen en Sander Geurts

3

Spiegeltje, spiegeltje, reflectie op een wonderlijke casus Elske Bonhof - Jansen

6

Najaarssymposium

10

Even voorstellen Aline van Luttikhuizen

11

Non-syndromic, bilateral triple carpal synostosis with a more than average range of motion (a case report) Michael Ritt, Daan Wessing en Marco Ritt

12

Nederlandse vertaling van de BCTQ Felicia Smits, Monique Ottenhof, Reinier Feitz en Mick Kreulen

14

Verder kijken dan…. Carlo Spee en Mieke van der Steen

18

Aankondiging jubileumsymposium

20

Hands Across Borders

21

Casuistiek a-specifieke polsklachten Simon van Benthem

22

Een ongewone schouderklacht Daniel van Riesen

28

Occupational Therapy for Swanson’s MCPJ Arthroplasty Veerle C. de Jonge , S. MacGregor en K. Tolmie

32

Van Informatief naar tijdschrift Van de redactie

38

Van NGHT naar NVHT Van het bestuur

40

Lang, lang geleden was er een handjevol vakidioten dat op donkere gure avonden in het geheim samen kwam omdat zij dezelfde passie deelden voor handtherapie. Zo stel ik me dat voor. Maar liefst vijfentwintig jaar geleden is het Nederlands Gezelschap voor HandTherapie (NGHT) tijdens een van deze bijeenkomsten opgericht. Het NGHT is dus jarig en wie jarig is mag trakteren. Namens het NGHT mogen wij u in dit zilveren jubileumjaar trakteren op een fullcolour editie van het Nederlands Tijdschrift voor HandTherapie met daarin onder andere aandacht voor een historische terugblik van de redactie en het bestuur. We worden niet alleen ouder, we worden ook steeds wijzer, beter georganiseerd, en ontwikkelen ons in kwaliteit. Er zijn inmiddels 82 therapeuten die het Certificaat HandTherapeut Nederland (CHT-NL) hebben en elke ronde komen er weer therapeuten bij. De collega’s die als eerste het certificaat haalden in 2010 moeten dit jaar alles in orde hebben voor de eerste hercertificering. De redactie merkt aan de ingestuurde kopij dat handtherapie leeft. Er wordt steeds meer ingezonden en de aangeboden artikelen worden beter van kwaliteit. Naast dat dit goed is voor de ontwikkeling van het vak en de eigen expertise, levert het punten op voor de initiële certificering en / of voor de hercertificering. Momenteel hebben we relatief veel aanbod van casuïstiek; wat zeker interessant is, om bijzondere ervaringen te belichten. In dit nummer staan verschillende casussen. We streven naar een uitgebalanceerd tijdschrift met een diversiteit aan interessante artikelen. Verder wordt u in dit tijdschrift getrakteerd op een artikel over het project HandART; Hand Assessment Richtlijnen voor Therapie. De nieuwe HandART- core- set geeft de handtherapeut een, op bewijs en consensus gebaseerde, basisset voor de evaluatie van handletsels en handaandoeningen. Een andere mooie bijdrage, als we denken aan evidence based handtherapie, komt van een collega uit Schotland: ‘Occupational Therapy for Swanson’s MCP Joint Arthroplasty’. Verderop in het jaar staat u nog een mooi cadeau te wachten. Op 5 en 6 juni wordt een tweedaagse lustrumcongres van het NGHT gehouden. Tegen die tijd zal de naam van ons gezelschap effectief zijn veranderd in de ‘Nederlandse Vereniging voor HandTherapie’ (NVHT) en zal de vereniging, met haar 25 jaar een meer dan volwassen congres kunnen aanbieden met lezingen, workshops, een diner en een feest. We hopen uiteraard u daar allemaal te zien. Namens de redactie wens ik u veel leesplezier. Daan Wessing Eindredacteur NTHT

2

Nederlands Tijdschrift voor Handtherapie, April 2015


Project HandART: Hand Assessment Richtlijnen voor Therapie Lucelle van de Ven-Stevens*, Maud Graff**, Harmen van der Linde***, Paul Spauwen^ en Sander Geurts^^ Door niet alleen de stoornissen maar ook de beperkingen in activiteiten en participatie te evalueren krijgt een cliënt met een handletsel of handaandoening (samen: handcondities) inzicht in de bruikbaarheid van zijn hand. Tevens krijgt een cliënt inzicht in welke behandeling gewenst is en / of uitgevoerd kan worden. Het gebruik van betrouwbare en valide meetinstrumenten is noodzakelijk om tot een weloverwogen, haalbare en voor de cliënt relevante keuze voor behandeling te komen. Bestaande handenteams gebruiken verschillende meetinstrumenten op diverse meetmomenten, waarbij de keuze dikwijls is gebaseerd op eigen praktijkervaring en de aanwezigheid van meetinstrumenten in de instelling.

Project HandART Het doel van het project HandART; Hand Assessment Richtlijnen voor Therapie - was het bereiken van consensus over welke meetinstrumenten gebruikt zouden moeten worden bij de indicatiestelling en evaluatie van interventies bij handcondities. Het project bestond uit vier voorbereidende studies en een Delphi studie om tot consensus te komen. Voorbereidende studies Ter voorbereiding van de Delphi studie werden vier voorbereidende studies uitgevoerd die hieronder worden toegelicht. 1. Een tweetal reviews van de literatuur betreffende instrumenten om beperkingen in activiteiten te meten13 . Door middel van een uitgebreide literatuurstudie werden 72 instrumenten geïdentificeerd die beperkingen in activiteiten meten. Hiervan werden 23 instrumenten geselecteerd op basis van vooraf vastgestelde criteria, namelijk de informatie die in de literatuur gevonden is, de doelgroep, het percentage items gerelateerd aan de handfunctie, en de focus op de evaluatie van activiteiten. Van de 23 geselecteerde instrumenten werden op basis van een systematische review de klinimetrische eigenschappen beschreven en geëvalueerd met behulp van de kwaliteitscriteria voor instrumenteigenschappen zoals beschreven door Terwee et al. (2007)4. De 23 instrumenten werden ingedeeld in a) pegboard testen; b) instrumenten die handvaardigheid meten op basis van het hanteren van objecten; c) instrumenten die de uitvoering van enkelvoudige taken scoren; en d) vragenlijsten. In deze studie bleken de betrouwbaarheid, validiteit en responsiviteit van slechts 5 instrumenten in de literatuur adequaat beschreven, nameNederlands Tijdschrift voor Handtherapie, April 2015

lijk van de Sequential Occupational Dexterity Assessment (SODA), de Carpaal Tunnel Syndroomvragenlijst, de Canadian Occupational Performance Measure (COPM), de Disabilities of Arm Shoulder and Hand questionnaire (DASH), en de Michigan Hand Outcomes Questionnaire (MHQ). Echter, geen van de instrumenten had een positieve waardering voor alle klinimetrische eigenschappen. Het was derhalve, gebaseerd op de literatuur, niet mogelijk te bepalen welk instrumenten zouden moeten worden gebruikt voor diagnostiek, ter evaluatie van de behandeling en / of voor gebruik binnen wetenschappelijk onderzoek. 2. Ontwikkeling van de “ICF core set for hand conditions” Review Door de ‘International Classification of Functioning, Disability and Health (ICF)’ als referentie te gebruiken werd de inhoud van de gepubliceerde studies over handcondities geanalyseerd5. Zesenzestig verschillende uitkomstmaten en een groot aantal verschillende ICF-categorieën (n = 127) werden geïdentificeerd. Het meest gerapporteerde instrument was de DASH. De geïdentificeerde instrumenten bleken vooral gericht op het meten van bewegingsuitslag, pijn, sensibiliteit en knijpkracht. Beknopte en uitgebreide ICF Core Set for Hand Conditions 6-8 Voor de ontwikkeling van de ‘ICF Core Set for Hand Conditions’ namen in 2009, 23 experts uit 22 landen deel aan een consensus-conferentie. Een formele vooraf gedefinieerde consensusprocedure werd gebruikt 9, waarbij de resultaten van de voorbereidende studies werden geïntegreerd. Het resultaat van de consensus-conferentie was een uitgebreide en een 3


beknopte ICF Core Set for Hand Conditions. De uitgebreide core set bestaat uit 117 ICF-categorieën en de beknopte core set bestaat uit 23 ICF-categorieën. Meer informatie hierover is te vinden op de website van de ICF Research Branch (http://www.icfresearch-branch.org/). 3. Het linken van de inhoud van meetinstrumenten aan de categorieën van de ‘ICF Core Set for Hand Conditions’ Zodra de ICF Core Sets for Hand Conditions waren ontwikkeld, rees de vraag, op welke wijze en met welke instrumenten deze categorieën het beste konden worden geëvalueerd? Om die vraag te beantwoorden werden de items van de instrumenten, die gebruikt worden bij handcondities, gerelateerd aan de 23 categorieën van de Beknopte ICF Core Set for Hand Conditions. Zo werd bijvoorbeeld de goniometer, waarmee de mobiliteit van de gewrichten gemeten wordt, gerelateerd (“gelinkt”) aan categorie b710-Mobility of Joint Functions, en de 38 items van de DASH zijn aan verschillende categorieën gelinkt. Het bleek dat 19 van de 23 categorieën werden geadresseerd door de instrumenten. 4. Validiteitsstudie De Canadian Occupational Performance Measure (COPM) is een cliëntgericht meetinstrument. Bij een cliëntgerichte benadering is het van belang te bepalen welke beperkingen ten aanzien van activiteiten de cliënt zelf ervaart. Om te bepalen of de COPM hiervoor bruikbaar is en andere gegevens oplevert dan de DASH of MHQ bij handcondities werd een validiteitsstudie uitgevoerd. In deze studie werd de constructvaliditeit van de COPM bepaald in relatie tot de DASH en de MHQ bij mensen met een peesletsel, Dupuytren of zenuwletsel. Deze studie toonde aan dat de COPM relevante aanvullende informatie over ervaren beperkingen oplevert in vergelijking met vragenlijsten met vooraf gedefinieerde items. Delphi studie project ‘HandART: Hand Assessment Richtlijnen voor Therapie’ Het doel van de HandART Delphi studie was om consensus te bereiken over welke instrumenten geselecteerd zouden moeten worden voor een basisset van instrumenten ten behoeve van patiënten met handletsels en handaandoeningen. Tijdens de Delphi studie hebben experts van de ‘European Federation of Societies for Hand Therapy (EFSHT)’, de ‘Federation of European Societies for Surgery of the Hand (FESSH)’, en de ‘European Society of Physical and Rehabilitation Medicine (ESPRM)’ gedurende een aantal rondes vragen beantwoord en op stellingen gereageerd. Na elke ronde werden reacties verwerkt en gebruikt voor het formuleren van nieuwe of aangepaste stellingen voor de volgende ronde. 4

Voor dertien vooraf geselecteerde categorieën van de beknopte ICF Core set voor Hand Conditions werden per categorie instrumenten gepresenteerd die aan deze categorie gerelateerd konden worden. In de eerste ronde werd gevraagd of het belangrijk is om de geselecteerde categorie te evalueren, en (per instrument) of de gepresenteerde instrumenten hiervoor gebruikt zouden moeten worden. Het antwoordpercentage was hoog (≥90%). Gebaseerd op ≥75% overeenstemming konden na drie rondes negen instrumenten worden geselecteerd, waaronder instrumenten om functies te meten, zoals de Semmes Weinstein monofilamenten en de Visual Analogue Scale (VAS) voor pijn, en instrumenten om beperkingen in activiteiten te meten, zoals de DASH en de COPM. De uiteindelijke resultaten zullen binnenkort worden gepubliceerd. Conclusie Door het Project HandART is een eerste stap gezet om consensus te bereiken over welke instrumenten geschikt zijn en gebruikt zouden moeten worden voor de indicatiestelling en evaluatie van interventies bij mensen met een handletsel of handaandoening. Dit betreft instrumenten die functies (stoornissen) en / of activiteiten (beperkingen) meten. Als in de toekomst dezelfde meetinstrumenten gebruikt worden, zal het beter mogelijk zijn om behandelingen over te dragen en om behandelresultaten te vergelijken. Tevens biedt het mogelijkheden om, over diverse instellingen heen, gegevens te verzamelen om de effectiviteit van behandelingen aan te tonen. De nieuwe HandART core set geeft de handtherapeut een op bewijs en consensus gebaseerde basisset voor de evaluatie van handletsels en handaandoeningen. Literatuur

1. Annevelink E, Berg van den L, Schmalgemeijer N,Ven-Stevens van de L. Klinimetrische eigen schappen van meetinstrumenten om activiteiten te meten bij patiënten met een handletsel. Een systematische review van de literatuur. Ned Tijd schr Handtherapie 2009;18(2):7-14. 2. Ven-Stevens van de LA, Munneke M, Terwee CB, Spauwen PH, van der LH. Clinimetric properties of instruments to assess activities in patients with hand injury: a systematic review of the literature. Arch Phys Med Re habil 2009;90 (1):151-69. 3. Ven-Stevens van de L, Munneke M, Spauwen PHM, Linde van der H. Assessment of activeties in patients with hand injury: A review of instruments in use. Br J Hand Ther 2007;12 (1):4 -14. 4. Terwee CB, Bot SD, de Boer MR, van der Windt DA,Knol DL, Dekker J, et al. Quality criteria were proposed for measurement properties of health status questionnaires. J Clin Epidemiol 2007 Jan;60(1):34-42.

Nederlands Tijdschrift voor Handtherapie, April 2015


5. Kus S, van de Ven-Stevens LA, Coenen M, Berno S, Kollerits B, Cieza A. What is our knowledge of functioning and disability in hand conditions based on? Arch Phys Med Rehabil 2011 Aug;92 (8):1326-32. 6. Kus S, Dereskewitz C, Wickert M, Schwab M, Eisenschenk A, Stehen M, et al. Validation of the Comprehensive International Classification of Functioning, Disability and Health (ICF) Core Set for Hand Conditions. Hand Ther 2011;16(3):58-66. 7. Rudolf Klaus-Dieter, Sandra Kus, Michaela Coenen, Caroline Dereskewitz, Lucelle A W van de VenStevens, Alarcos Cieza. Report on the International ICF Consensus Conference on the ICF Core Sets for Hand Conditions. Hand Therapy 2010;15 (3):73-6. 8. Rudolf KD, Kus S, Chung KC, Johnston M, Leblanc M, Cieza A. Development of the International Classification of Functioning, Disability and Health core sets for hand conditions--results of the World Health Organization International Consensus process. Disabil Rehabil 2012;34(8):681-93. 9. Tschiesner U, Rogers S, Dietz A, Yueh B, Cieza A. Development of ICF core sets for head and neck cancer. Head Neck 2010 Feb;32(2):210-20.

Oval-8 Kit P1008-K Oval-8 Sizing Set P1008-S Navulling per 5 stuks

10. van de Ven-Stevens LA, Graff MJ, Peters MA, van der LH, Geurts AC. Construct Validity of the Canadian Occupational Performance Measure in Patients With Tendon Injury and Dupuytren Disease. Phys Ther 2014 Dec 18.

*Drs. Lucelle van de Ven-Stevens: Tijdens dit project: Onderzoeker / Ergotherapeut-handtherapeut, afdeling Revalidatie, Radboudumc, Nijmegen; momenteel beleidsmedewerker Ergotherapie Nederland, Utrecht **Dr. Maud Graff: Senior-onderzoeker / ergotherapeut, afdeling Revalidatie, Radboudumc, Nijmegen ***Dr. Harmen van der Linde: Tijdens dit project: revalidatiearts, afdeling Revalidatie Radboudumc, Nijmegen; momenteel revalidatiearts bij Kinos, Nijmegen ^Professor Paul Spauwen: Plastisch chirurg, afdeling Plastische en Reconstructieve chirurgie, Radboudumc, Nijmegen en Wilhelminenspital, Wenen ^^Professor Sander Geurts: Revalidatiearts, hoofd afdeling Revalidatie, Radboudumc, Nijmegen E-mail: lvdVen@ergotherapie.nl

€ 196,95 € 39,95 € 24,95

Prijzen zijn inclusief 6% BTW.

Verpakking 5 stuks 25 stuks 50 stuks 100 stuks

½” (1,25 cm) zwart P1005-5 € 11,95 P1005-25 € 59,95 P1005-50 € 106,95 P1005-100 € 207,95

¾” (1,9 cm) grijs P1003-5 € 13,95 P1003-25 € 62,95 P1003-50 € 112,95 P1003-100 € 214,95

1” (2,5 cm) zwart P1007-5 € 13,95 P1007-25 € 67,95 P1007-50 € 129,95 P1007-100 € 235,95

Prijzen zijn inclusief 6% BTW.

Vraag onze brochure aan voor een compleet overzicht van de producten van 3 Point Products, of bestel direct in onze webshop op www.quamedical.nl.

Distributieweg 60 2645 EJ Delfgauw

T 085-7600244 F 085-7600245

Nederlands Tijdschrift voor Handtherapie, April 2015

www.quamedical.nl info@quamedical.nl

5


Spiegeltje spiegeltje……? Reflectie op een wonderlijke casus Elske Bonhof-Jansen* Ten gevolge van een plexus brachialislaesie met een paretische arm kunnen secundaire, chronische klachten ontstaan door een compensatoir bewegingspatroon met surmenage tot gevolg. Chronische pijnklachten van de aangedane zijde kunnen ook vaak worden verklaard door het primaire letsel. Overbelasting van de gezonde zijde is een bekend fenomeen, dit kan pijn, endinopathieën en artrose tot gevolg hebben. In alle gevallen is analyse van de pijnklachten en behandelmogelijkheden tezamen met patiënteducatie geïndiceerd, zelfs dertig jaar na dato….. Inleiding Ten gevolge van een plexus brachialislaesie met een paretische arm kunnen secundaire, chronische klachten ontstaan door een compensatoir bewegingspatroon met surmenage tot gevolg. Chronische pijnklachten van de aangedane zijde kunnen ook vaak worden verklaard door het primaire letsel. Overbelasting van de gezonde zijde is een bekend fenomeen, dit kan pijn, endinopathieën en artrose tot gevolg hebben. In alle gevallen is analyse van de pijnklachten en behandelmogelijkheden tezamen met patiënteducatie geïndiceerd, zelfs dertig jaar na dato Patiëntgegevens en diagnose Op de verwijzing afkomstig van het pijnteam staat de vraag voor spiegeltherapie met als doel pijnvermindering voor een negenenveertig jarige meneer die al dertig jaar leeft met een slappe parese van zijn linkerarm gepaard gaande met heftige pijn. De oorzaak hiervan was een brommerongeval op zeventienjarige leeftijd met als gevolg een vrijwel totale plexus brachialislaesie met een flail arm. Op wervelniveau cervicale vijf en zes (C5-6) is er een tractieletsel met ruptuur geweest, op C7-Th1 is er een wortelavulsie opgetreden. Er is destijds voor C5-C6 een zenuwtransplantatie met de nervus suralis uitgevoerd maar neurologisch herstel is niet opgetreden. Meneer heeft een artrodese van de schouder en beweegt alleen scapulo-thoracaal. Doordat er geen consolidatie van de artrodese is opgetreden is er passief dertig graden beweging mogelijk in anteflexie en abductierichting. Het mediale eenderde deel van zijn clavicula ontbreekt. Aangezien meneer al dertig jaar hiermee leeft is de paretische arm onderdeel geworden van zijn aangepaste lichaamsschema. De hulpvraag van meneer luidt: “Ik ben al blij als ik maar de scherpe kantjes van de pijn af kan krijgen”.

Fig. 1 Plexus brachialis met zijn vertakkingen en de geïnnerveerde musculatuur. Overgenomen uit ‘ Aids to the examination of the peripheral nervous system’, 4th edition. 2000 W.B.Saunders, Edinburgh met toestemming van The Guarantors of Brain.

6

Nederlands Tijdschrift voor Handtherapie, April 2015


In het dagelijks leven is meneer administratief medewerker met een 36-urige werkweek. Bij veel dagelijkse activiteiten schakelt hij zijn aangedane arm in als ondersteuning/tegenhouden van voorwerpen. Meneer rijdt auto met een aanpassing voor de richtingaanwijzer die hij rechtshandig bedient. Met behulp van een eerder vervaardigde ondersteunende orthese (figuur 2)kan meneer zijn hobby motorrijden uitoefenen; opvallend is dat de pijn hierbij nagenoeg verdwijnt. Het motorrijden kan hij niet lang vol houden omdat er nadien stijfheid en meer pijn van zijn schouder en arm optreedt.

Fig. 2 Ondersteunende orthese bij het motorrijden, welke met een haak aan het stuur van de motor wordt bevestigd

Fig. 3 Houding op de motor

Onderzoek De arm is vanaf de schouder paretisch, niet functioneel en er is geen sensibiliteit. Meneer omschrijft zijn pijn alsof het lijkt of zijn hand in brand staat en of er naalden in de huid steken. De pijn is voortdurend aanwezig maar wordt met vlagen erger (Numeric Rating Scale score 10 op een schaal van 0-10). Ook is er een negatieve invloed van temperatuurverschil en bij lang staan nemen de klachten ook toe. Er is geen sensibiliteit van de huid meer, met uitzondering van dermatoom Th2, dat buiten de plexus valt. Hij geeft aan dat de arm snel koud wordt. Er is een matige circulatie door de gestoorde vasculaire innervatie. Meneer ervaart geen referred sensations (sensorische verschijnselen op afstand van de oorspronkelijke plaats van prikkeling) vanuit zijn gezicht of hoofdhalsgebied. Deze kunnen bijvoorbeeld optreden bij het scheren; wanneer het gezicht wordt aangeraakt wordt er tevens een sensatie in de hand waargenomen. Via de anesthesist heeft meneer transcutane electrostimulatie (TENS) lokaal op de musculus trapezius descendens voorgeschreven gekregen en dit heeft al een dusdanig effect dat zijn hulpvraag al behaald is. Toch besluit ik in overleg met meneer tot een observatie en onderzoek. Opvallend is dat er tijdens het motorrijden met de orthese geen pijn is, dit kan duiden op een mechanische oorzaak van de pijn op basis van een houding (figuur 3). Bij het motorrijden is zijn arm ondersteund; er is een gesloten keten gemaakt tussen het stuur van de motor en zijn schoudergordel die geëleveerd is. Dit geeft aanleiding voor een nadere observatie van activiteiten en houdings- en bewegingsonderzoek. Meneer blijkt veel te compenseren met de nek-schoudermusculatuur om stabiliteit te creëren voor zijn schouder en arm. Hierdoor is er een hypertonie van de intacte nekschoudermusculatuur (m.trapezius, m. levator scapulae en mm. scalenii) en een beperkte cervicale mobiliteit. De betrokken nekmusculatuur blijkt verkort door deze strategie. Conclusie uit anamnese en onderzoek Gezien het traumamechanisme en de pijn die meneer omschrijft duidt dit op dé-afferentiatiepijn ten gevolge van een subtotale plexuslaesie met wortelavulsie van de segmenten C7 - Th1. Segment C5 is deels beschadigd. De pijn wordt veroorzaakt door de beschadiging van het cervicale ruggenmerg ter hoogte van de plaats waar de wortels uit het ruggenmerg zijn geavulseerd. Daarnaast is er bij meneer sprake van overbelastingsklachten aan de aangedane zijde in het nek-schoudergebied. “Beschadiging van de plexus kan optreden op verschillende manieren. De belangrijkste oorzaak is een tractieletsel. Wanneer de hoek tussen de schouder en het hoofd wordt vergroot buiten de fysiologische grenzen ontstaat een letsel van de plexus brachialis. Bij volwassenen is dit meestal het gevolg van een motor- of bromfietsongeval. Indien alle plexuselementen beschadigd zijn ontstaat een flail arm. Bij avulsie uit het ruggenmerg van de wortels C8-Th1 worden de sympathische vezels onderbroken wat kan zorgen voor vasomotore veranderingen en er kan dé-afferentiatiepijn ontstaan. Spontane persisterende en progressieve pijn in een anaesthetische arm ontstaan direct na het trauma wijst op myelumbeschadiging na wortelavulsie” (1). Dé-afferentiatiepijn is medicamenteus moeilijk te beïnvloeden. Multidisciplinaire behandeling is bij deze letsels geïndiceerd. Methoden voor pijnbestrijding zijn onder andere TENS, sympatische zenuwblokkade en neuromodulatie (2). Gebleken is dat er een significante correlatie tussen pijnintensiteit en het aantal geavulseerde wortels is. Succesvol chirurgisch herstel geeft pijnverlichting. Er is tevens een sterke correlatie tussen corticale reorganisatie en de omvang van de (fantoom)pijn waarbij verschillende neurologische substraten verantwoordelijk zijn voor pijnfenomenen (3). In de publicatie van Franzblau e.a. (4) waarbij er is gekeken naar patiënttevredenheid en zelf-gerapporteerde uitkomsten na een avulsieletsel van de plexus brachialis geven patiënten aan dat pijnmanagement en werk prioriteiten zijn. Daarentegen worden uitkomstmaten van chirurgisch onderzoek vaak op basis van functionele metingen en waarden geformuleerd, zoals de mate van elleboogflexie en kracht. De afstemming van verwachtingen van de patiënt en de bijbehorende eisen die gesteld worden in ADL of beroepsmatig met de verwachte resultaten van chirurgie/revalidatie zijn van groot belang.

Nederlands Tijdschrift voor Handtherapie, April 2015

7


Behandeling De behandeling bestond uit het détoniseren en verlengen van de nek-schoudermusculatuur middels massage, warmte en rekoefeningen. Daarnaast was het advies om zijn paretische arm zoveel mogelijk te ondersteunen tijdens zijn werk en andere activiteiten om het nek-schoudergebied te ontlasten. Aan de hand van ergonomische adviezen heeft meneer zijn werkplek laten analyseren door een arbodeskundige ter plaatse en aanpassingen aan zijn werkplek gedaan. Proefbehandeling spiegeltherapie Na uitleg over de confrontatie met een linker ‘gezonde’ arm in de spiegel laat ik meneer de spiegel uitproberen. Hij is erg onder de indruk en na instructie gaat hij hier thuis mee aan de slag. Het effect is zodanig dat hij zijn zoon erbij roept om te vragen of zijn linker arm echt niet beweegt. Meneer bemerkt direct een vermindering van de pijn en het effect houdt aan na het beëindigen van de oefeningen. Meneer spiegelt thuis vijf keer daags en het oefenen verloopt prima. Na enkele weken begonnen de TENS plakkers te irriteren op de huid en adviseerde de anesthesiemedewerker te stoppen met de TENS totdat hij andere plakkers zou hebben gekregen. Hij was hier huiverig voor; bang dat de oorspronkelijke pijn onmiddellijk terug zou komen. Ondanks zijn verwachtingen gebeurde het tegengestelde en bemerkte hij ineens dat ook zonder TENS de pijn nagenoeg volledig verdwenen is. Ook tijdens de therapie zet meneer de TENS uit en recidiveren zijn klachten niet. Meneer hield een pijndagboek bij en op het moment dat het pijnniveau stabiel laag bleef zijn we gestart met het afbouwen van de spiegeltherapie van een frequentie van vijf keer per dag naar om de dag. De reden hiervoor was mede dat er een gewenningseffect optrad bij het herhalen van dezelfde oefeningen. Met het aanbrengen van variatie hierin en het verminderen van de frequentie bleef het behaalde resultaat behouden.

De literatuur spreekt elkaar tegen over de mogelijke werking van spiegeltherapie: Bij het model van mal-adaptieve corticale reorganisatie is de theorie dat door het volledig ontbreken van input het systeem in de achterhoorn ontregeld raakt. Afferente en specifieke nociceptieve vezels verzorgen de input en moduleren de neurochemische processen. Ook posttraumatische weefselveranderingen spelen vermoedelijk een rol. Hoe meer geweld op het ruggenmerg wordt uitgeoefend hoe meer dé-afferentiatie optreedt en hoe groter de kans wordt op abnormale circuits die door sprouting van zenuwcellen ontstaan zodat een groter aantal cellen tot spontane ontlading komen. Herstel is vermoedelijk alleen mogelijk door hernieuwde input cq afferentiatie (1). Het doel van spiegeltherapie is om gedé-afferentieerde gebieden te activeren om een inhiberende correctie van het pijnnetwerk te bewerkstelligen. Makin (5) daarentegen verwerpt in haar recente publicatie en onderzoek het bovenstaande model van mal-adaptieve corticale reorganisatie. Zij stelt dat “corticale plasticiteit met (fantoom)pijn juist wordt veroorzaakt doordat krachtige en lang bestaande subjectieve sensorische ervaringen de lokale corticale representaties intact houden met triggering door nociceptieve of topdown input. Er bestaat een interactie van meerdere factoren die lokale en functionele representaties behouden”. Deze bevindingen zouden de effectiviteit van spiegeltherapie tegenspreken. In een aantal publicaties wordt casuïstiek gebruikt van plexus brachialis laesies behandeld met spiegeltherapie (6-8) met positieve resultaten maar wetenschappelijk bewijs voor de effectiviteit hiervan is nog niet geleverd (9).

Meneer stelt zichzelf een nieuw doel: weer gaan hardlopen. Met behulp van een immobilisatiesling (figuur 4) die de paretische arm tegen het lichaam fixeert heeft hij de eerste meters weer gelopen en heeft hij ook weer gesquasht. Ruim drie maanden na het beëindigen van de therapie is meneer helemaal gestopt met spiegelen en de TENS. Wel schenkt hij nog dagelijks aandacht aan de ontspanning van de nek/schouder musculatuur omdat de paresthesieën in zijn hand anders toenemen. Dit is tevens de invloed die koude heeft op de hand. Ook het motorrijden verloopt probleemloos; de stijfheid en pijn die na het rijden optraden zijn geheel verdwenen.

Fig. 4. Tijdens het sporten wordt de arm in een immobilisatiesling tegen het lichaam gefixeerd.

8

Nederlands Tijdschrift voor Handtherapie, April 2015


Conclusie en discussie Ten gevolge van een plexus brachialislaesie met een paretische arm kunnen chronische secundaire klachten ontstaan door een compensatoir bewegingspatroon met surmenage tot gevolg. Overbelastingsklachten van de aangedane zijde betreffen vaak de m. trapezius descendens en de m.levator scapulae. Chronische pijnklachten van de aangedane zijde kunnen ook worden verklaard door het primaire letsel. In bovenstaande casus is er sprake van een combinatie van beide. Het verklaringsmodel van het effect van de therapie in deze casus lijkt tweeledig: de cervicale dysbalans die de pijn heeft getriggerd in combinatie met déafferentiatiepijn die door hernieuwde input is afgenomen. Meneer beschrijft tijdens de momenten van oefenen met de spiegel dat hij de pijn voelde wegzakken. Ondanks het voor hem betoverende effect van de spiegeltherapie is het vermoeden dat de meeste winst toch behaald is in het veranderen van de houding en het werken in een gesloten keten welke de nekschouderregio ontlast en zorgt voor een betere lokale circulatie. De oplossing van het chronische pijnprobleem bleek anamnestisch al aanwezig en door observatie en aanpassing van dagelijkse activiteiten is er een generaliserend effect bereikt. Wat de oorzaak van de pijn ook mag zijn, educatie omtrent gevolgen van plexusletsel en secundaire symptomen is in alle gevallen belangrijk om op langere termijn chroniciteit van klachten en pijn te voorkómen. Uitleg van de bijbehorende behandelmethoden en de te bewandelen wegen voor de patiënt moeten hieraan gekoppeld zijn. Literatuur

1. Plexus brachialis letsel en letsels van perifere zenuwen, Boerhaave cursus Basiscursus revalidatiegenees kunde 2005 2. Giuffre, J.L. e.a., Current concepts of the treatment of

Nederlands Tijdschrift voor Handtherapie, April 2015

adult brachial plexus injuries. Hand Surg 2010; 35A:678-688 3. Htut, M. et al. Pain Phenomena and Sensory Recovery following Brachial Plexus Avulsion Injury and Surgi cal Repairs. J Hand Surg Eur 2006, Vol December vol. 31 no. 6 596-605 4. Franzblau, L.E. et al. Patient satisfaction and Self-reported Outcomes after complete Brachial Plexus Avulsion Injury. J.Hand Surg Am. 2014; 39(5): 948-955 5. Makin, T. R. et al. Phantom pain is associated with preserved structure and function in the former handarea. Nat. Commun. 2013; 4:1570 doi: 10.1038/ncomms2571 6. Ramachandran, VS., Rogers-Ramachandran D. Synaesthe sia in phantom limbs induced with mirrors. Proc R Soc Lond B 1996;263:377-386 7. Sumitani, M., et al. Mirror visual feedback alleviates deafferentation pain, depending on qualitative aspects of the pain: a preliminary report. Rheuma tology (Oxf) 2008;47:1038–1043. 8. Moseley, GL. Graded motor imagery for pathologic pain: a randomized controlled trial. Neurology 2006 67:2129–2134. 9. Ezendam, D. Systematic review of the effectiveness of mirror therapy in upper extremity function. Disability and Rehabilitation. 2009;1-15. Met dank aan: De hoofdpersoon in deze casus voor zijn medewerking aan de totstandkoming van dit artikel. Prof. Dr. Martijn Malessy, hoogleraar zenuwchirurgie, LUMC te Leiden voor het delen van zijn kennis over plexus brachialisletsel en pijnfenomenen.

*Elske Bonhof-Jansen is fysio- en ergotherapeut, werkzaam bij het Isala Hand en Pols Centrum in Zwolle als handtherapeut (CHT-NL). Email: e.d.j.bonhof@isala.nl

9


Najaarssymposium Het najaarssymposium met thema ‘Huid in Hand, een multidisciplinaire benadering’ was wederom een drukbezochte dag. Het is fijn om te zien dat ruim 60% van de aanwezigen de moeite neemt om de evaluatie in te vullen. Nog leuker is het om alle enthousiaste reacties en complimenten terug te lezen, dank jullie daarvoor. Zowel de onderwerpen, de praktische toepasbaarheid en de locatie zijn door de meerderheid goed beoordeeld. Tips hebben we gekregen over de lengte van de pauzes, de onhandige catering en de wat krappe ruimte tijdens de pauzes. De beschikbare ruimte is iets waarover de symposiumcommissie zal gaan brainstormen. Kortere pauzes zijn ons inziens niet haalbaar; wij vinden het bezoek aan de sponsoren, die we erg dankbaar zijn voor het mede mogelijk maken van deze dagen, belangrijk. Daarnaast duurt het soms even voordat iedereen zijn plekje in de zaal weer heeft gevonden. De catering verliep onverwacht anders en heeft bij de commissie even voor wat stress gezorgd. Wij hopen dan ook dat het u in ieder geval gesmaakt heeft. Onder het uitstekende dagvoorzitterschap van Daan Wessing hebben zes sprekers het podium betreden en boeiende voordrachten verzorgd. Karin Boer-Vreeke, ergotherapeut / handtherapeut CHT-NL, nam ons mee in de wereld van somatosensorische revalidatie. Neuropathische pijn is een veelvoorkomend probleem, waarin veel therapeuten wel eens vastlopen. Karin begon met een theoretisch deel, om later op de dag ook dieper op de praktische toepasbaarheid in te gaan. Ze vertelde over de stadia van neuropathische pijn en de verschillende stadia van het herstel van sensibiliteit. Ze liet ons kennis maken met de McGillPain Questionnaire, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen de sensorische pijn (omschrijving) en de affectieve pijn (beleving). Deze vragenlijst is inmiddels terug te vinden op het ledendeel van de website. Debby Korremans, huidtherapeut / oedeemtherapeut, heeft ons verteld wat een huidtherapeut kan betekenen bij de behandeling van littekens. Zij heeft uitleg gegeven over verschillende voorkomende littekens en verschillende interventiemogelijkheden. Ze gaf aan dat er weinig evidence beschikbaar is betreft massage en dat het belangrijk is dat bij hypertrofie niet direct op het litteken gewerkt wordt, maar juist daar omheen. Tot de pijngrens en niet erover. Verder heeft ze ons kennis laten maken met een grote diversiteit aan drukverbanden. Dr. Fleur Brölmann, arts-onderzoeker / plastisch chirurg io, hield haar voordracht over primaire wondzorg en de evidence erachter. Antwoorden op praktische vragen die we allemaal in de dagelijkse praktijk tegenkomen. Dat spoelen met kraanwater bij vieze open wonden de beste reinigingsmethode is, dus vaarwel tegen de Biotex, Soda en Sunil. Dat je iemand ten allen tijden retour stuurt naar de verwijzer bij (verdenking van) infectie en / of blootliggende structuren. Dat een patiënt post-operatief na 12 tot 24 uur weer kort mag douchen, dat dit bij een onderliggende prothese pas na 48 uur mag, dat totale zononthouding tot hypopigmentatie leidt, dat het voldoende moet zijn wanneer je verbandvoorraad uit zes basismaterialen bestaat en dat je daarvan een goede kennis en toepassing moet hebben. Dat samenwerking rondom wondbeleid belangrijk is, maar dat het de voorkeur geniet wanneer één iemand het beleid vaststelt. Froukje Potijk, oedeemtherapeut / fysiotherapeut en master Lymfologie & Oncologie io, vertelde ons over taping. Dat taping naar haar zeggen tegenwoordig ongeveer 70% van hun interventies beslaat, wanneer het gaat om de behandeling van oedeem. Ze heeft ons verteld wat de eigenschappen van medical tape zijn en wat de indicaties en contra-indicaties zijn. Tape creëert ruimte in weefsels en zorgt voor drukverschillen. Taping is geen vervanging voor bandageren, maar is een extra methode mocht bandageren niet lukken. Daar taping nauwelijks functionele belemmering geeft, draagt het ook bij aan de kwaliteit van leven. Dr. Frank Niessen, plastisch chirurg, liet ons aan de hand van foto’s littekens beoordelen. Een belangrijke boodschap die hij meegaf, is dat hypertrofie een aantal reacties zijn rondom het litteken. In tegenstelling tot de literatuur waarin wordt aangegeven dat hypertrofie zich binnen de randen van de oorspronkelijke verwonding bevindt. Ellen Boer, ergotherapeut/handtherapeut CHT-NL, gaf ons het belang aan van de handbogen en het behouden hiervan. Op zeer interactieve wijze, hield zij ons aan het eind van de dag goed wakker en gaf ons handvatten voor oefentherapie en dan met name functionele therapie. Het was wat ons betreft weer een geslaagde dag. Tot slot onze dank voor het invullen van de ‘handjes’. Wij hebben de input van de leden hard nodig en we vinden het belangrijk om in te spelen op wat er leeft. De opmerkingen zijn verwerkt en zo nodig gecommuniceerd met andere, daarvoor verantwoordelijke, commissies. Namens de symposiumcommissie, Nicky Schmalgemeijer 10

Nederlands Tijdschrift voor Handtherapie, April 2015


Even voorstellen Aline van Luttikhuizen

Sinds november 2014 ben ik lid van de redactiecommissie van het Nederlands tijdschrift voor Handtherapie (NTHT). Vandaar dat het tijd wordt om mij even voor te stellen. Mijn naam is Aline van Luttikhuizen (29 jaar) en ik ben geboren in Bennekom. Na mijn studie ergotherapie heb ik onder andere in Utrecht gewoond en tegenwoordig woon ik weer in mijn geboortedorp. In 2007 heb ik de opleiding ergotherapie aan de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen afgerond. Tijdens mijn opleiding en de stageperiodes raakte ik vooral geïnteresseerd in de anatomie van de hand en het maken van spalken/ hulpmiddelen. Ik vond het uitdagend om een complex geheel als de hand te bestuderen. Voor mijn afstudeerscriptie heb ik een literatuuronderzoek gedaan naar de belevingsaspecten van arbeidsparticipatie bij chronische pijncliënten. Tijdens mijn eerste werkperiode heb ik veel geleerd op een revalidatieafdeling met verschillende doelgroepen. Dat was leerzaam, maar ik vond het spectrum te breed: ik wilde me graag specialiseren. Daarna ben ik begonnen als handtherapeut en om mij daar verder in te bekwamen ben ik in 2010 gestart met de praktijkopleiding Handtherapie in Rotterdam. Sinds het afronden van deze opleiding werk ik met veel plezier als handtherapeut bij het handencentrum Midden-Nederland in Veenendaal en Ede. Het lijkt mij leuk om naast mijn werk met patiënten, op de hoogte te blijven van de ontwikkelingen binnen de handtherapie. Ik ben altijd erg geïnteresseerd in de aanpak van andere handtherapeuten en waar zij zich mee bezig houden. Ook lees ik met veel plezier artikelen/ tijdschiften over ergotherapie/ handtherapie. Door lid te worden van de redactiecommissie kan ik deze dingen mooi combineren. Uiteraard houd ik me niet alleen met mijn werk bezig. In mijn vrije tijd mag ik graag een stuk fietsen. Dit houdt in dat ik tijdens de zomermaanden lange toertochten op de racefiets maak en in de winter pak ik de mountainbike om door de Veluwse bossen te crossen en mijn conditie bij te houden. Afgelopen jaar heb ik de recreatieve Luik – Bastenaken – Luik toertocht volbracht. Wat mijn komende doel gaat worden, weet ik nog niet, maar er komt vast weer een nieuwe uitdaging. Maar eerst ga ik met veel plezier aan de slag bij de redactie en hoop ik mijn steentje bij te dragen. NTHT sept 2014 hq.pdf 1 26/09/2014 14:22:31

Maestra Hand- en Pols C.P.M-machine

C

M

Y

CM

MY

CY

Revalidatie en postoperatieve behandeling van pols, hand en vingers

CMY

K

Vraag nu een toestel op demo aan!

Contacteer ons vandaag nog voor een demo of voor meer info:

Nederlands Tijdschrift voor Handtherapie, April 2015

info@sprofit.com www.sprofit.com

11


Non-syndromic, bilateral triple carpal synostosis with a more than average range of motion (a case report) M.W.J. Ritt*, D. Wessing**, M.J.P.F. Ritt***

We report a 38 years old woman with bilateral lunotriquetral (LT), scapho- trapezium-trapezoid (STT) and partial capitate-hamate (CH) synostosis. She only became symptomatic on her right hand side after a fall. In 2011 she was referred to our Hand Clinic in Amsterdam because of persistent pain in the basal joint of her right thumb. She had fallen on her right hand in 2009 and was treated with a cast for six weeks on suspicion of a scaphoid fracture. Repeated radiographs at that time had shown no abnormalities other than several carpal coalitions. These consisted of complete synostosis of the LT- and STT-joints, as well as a partial fusion of the CH-joint. Further medical history revealed hypermobility of several joints, a missing kidney, mitral valve stenosis and congenital absence of both the cruciate ligaments in the knees. According to her personal history she bruises easily and scars heal slowly. She is relatively small (1.51 m), especially compared to other family members (all being over 1.70 m) with short limbs relative to her size, and small hands and feet. Her cognitive and motor functions are normal. Physical examination shows a more than average range of motion in both wrists, e.g. an ulnar deviation up to 60 degrees. Additional X -rays and CT scan confirmed the above anomaly and revealed the same situation of the left hand side (Figure 1 and 2). The complaints of her thumb were probably related to the hypermobility and abnormal inclination of the carpo-metacarpal joint and were treated conservatively with a brace and occupational therapy. She was referred to a clinical geneticist who performed an extensive analysis (SHOX gene, CGH array, FGFR3 gene, UDP-14, among others), but this revealed no genetic disorders such as Ehler-Danlos syndrome, LĂŠri-Weill dyschondro-osteosis or Ellis van Creveld syndrome. It did however show a 2.6Mb deletion on chromosome 6q24.3-q25.1, but the relation to the above findings remain unclear and was considered a coincidental finding. Carpal coalition is a relatively common (0.1% of general population) (1) phenomenon of the carpus where two or more carpals are fused together either through osseous coalition (fusion of the bones, called synostosis) or non-osseous coalition (united by cartilage or fibrous tissue, called synchondrosis and syndesmosis respectively). The most common coalition is that of the LT- variant (1, 2). The condition is usually asymptomatic in an otherwise healthy individual. It is 12

inheritable, linked to certain disorders, associated with metabolic disorder or it can be drug induced during pregnancy. Usually, coalition of two carpals on the same row are isolated anomalies, while the fusion of multiple carpals is generally syndromic-associated (2). To the best of our knowledge this is the first case in literature of this type of bilateral carpal synostosis. These extensive coalitions are expected to be related to a genetic disorder, more typically a syndrome. Our patient had no known genetic disorder or syndrome. Interestingly, probably thanks to her hypermobility, she exhibited a more than average range of motion of her wrists, despite the three carpal synostoses.

Fig. 1 PA radiograph of the right carpus showing the lunotriquetraland scapho-trapezium-trapezoid synostosis and indicating a partial capitate-hamate coalition.

Fig. 2 Coronal CT scan of the right carpus showing the complete luno-triquetral and scapho-trapezium- trape zoid synostosis. In other cross-sections, a partial (distal and dorsal) capitate-hamate coalition (partly osseous) is apparent.

Nederlands Tijdschrift voor Handtherapie, April 2015


References 1. DeFazio MV, Cousins BJ, Miversuki RA, Cardoso R. A review

of current knowledge and report of a single institu tion’s experience with asymptomatic intercarpal fusion. Hand 2013, 8: 157-163. 2. Singh P, Tuli A, Choudhry R, Mangal A. Intercarpal fusion - a review. J Anat. Soc. India 2003, 52: 183-188.

*Michael W.J. Ritt, medical student **Daan Wessing, occupational therapist, certified handtherapist. Department of Rehabilitation Medicine, VU University Medical Centre and The Hand Clinic, Amsterdam, Netherlands ***Prof. dr. Marco Ritt, hand surgeon, Department of Plastic, Reconstructive and Hand Surgery, VU University Medical Centre and The Hand Clinic, Amsterdam, Netherlands E-mail: mich.ritt@gmail.com

Nederlands Tijdschrift voor Handtherapie, April 2015

13


De Nederlandse vertaling van de Boston Carpal Tunnel Questionnaire: evaluatie van het carpale tunnelsyndroom (BCTQ - DLV) Felicia Smits*, Monique Ottenhof**, Reinier Feitz*** en Mick Kreulen^

Inleiding Het carpale-tunnelsyndroom (CTS) is een bekende en veel voorkomende afwijking met een geschatte prevalentie van 9% bij volwassen vrouwen en 0,6% bij volwassen mannen (1). Op basis van de richtlijn Diagnostiek en behandeling van het carpaletunnelsyndroom en de Indicatorenset carpaletunnelsyndroom opgesteld door de stuurgroep Zichtbare Zorg Ziekenhuizen zijn kwaliteitsindicatoren geformuleerd (2,3). Hierin wordt expliciet gesteld dat het voor optimale zorg van het CTS nodig is om vast te stellen of na een operatie de klachten zijn afgenomen. Indien dit niet het geval is, heeft de patiënt mogelijk last van complicaties (3). Het vaststellen van de afname van klachten na een operatie heeft volgens de indicatoren set betrekking op een belangrijk aspect van de kwaliteit van zorg. Het heeft de potentie om te discrimineren tussen klinieken en verbeteringen in kwaliteit te registreren. Echter, behalve de eis dat door de operateur binnen zes weken contact met de patiënt plaatsvindt, is er geen concrete aanbeveling hoe de registratie van de klachten na de operatie vastgesteld moet worden. De Boston Carpal Tunnel Questionnaire (BCTQ) is ontworpen door Levine et al. voor patiënten met CTS (4). Het is een lijst van 19 vragen over klachten behorende bij het CTS en de mogelijkheid om gerelateerde functionele activiteiten uit te voeren. De vragenlijst wordt door de patiënt zelf ingevuld. Uit een systematic review blijkt dat de psychometrie van de BCTQ vragenlijst valide, betrouwbaar en reproduceerbaar is (5) en de BCTQ wordt aldus reeds veel gebruikt in Nederland. Overigens is de vragenlijst voor zowel (para)medicus als patiënt eenvoudig hanteerbaar gebleken (4). Tot op heden is dit op basis van eigen vertalingen van het Engelstalige origineel. Ondanks voldoende talenkennis kan door nuanceverschillen in taalgebruik de vertaling een andere validiteit krijgen dan het origineel en een bias introduceren (6,7). De verschillende Nederlandse vertalingen die in publicaties gebruikt zijn vertonen subtiele en grove verschillen, zoals het geheel ontbreken van de instructie. Dit artikel presenteert de officiële Nederlandse vertaling van de gevalideerde Engelstalige BCTQ, uitgevoerd conform de stapsgewijze richtlijn van Beaton (8). 14

Methoden Er is uitgegaan van de originele Engelstalige vragenlijst ontwikkeld in de Harvard Medical School te Boston in de Verenigde Staten (Nov 1993), oftewel de Boston Carpal Tunnel Questionnaire (BCTQ) (5). Deze vragenlijst geeft inzicht in de specifieke klachten behorende bij CTS en de mate ervan tijdens het uitvoeren van gerelateerde handelingen. Schriftelijke toestemming van de originele auteurs is verkregen voor het maken van een officiële Nederlandse vertaling. De vragenlijst bestaat uit twee delen, waarbij het eerste deel elf multiple-choice vragen bevat die inzicht geven over de intensiteit van de kenmerkende klachten. Het tweede deel geeft inzicht bij welke activiteiten de patiënt klachten ervaart. Hierbij is gekozen voor dagelijks veel voorkomende activiteiten zoals schrijven of het openen van knoopjes. Er is gekozen voor niet-cultuurafhankelijke activiteiten (4-9). In beide delen worden de antwoorden gescoord van 1 punt (geen klachten of functiebeperking tijdens de activiteit) tot 5 punten (zeer ernstige klachten of onvermogen tot uitvoeren van de activiteit). De absolute ernst van de klachten wordt uitgedrukt als het gemiddelde van alle antwoorden. Ter vertaling van de vragenlijst vanuit het origineel naar onze doeltaal Nederlands zijn zes stappen doorlopen (8). Stap 1: Twee onafhankelijke partijen met als moedertaal Nederlands hebben de vragen vertaald vanuit het Engels naar het Nederlands. Eén persoon medisch geschoold (versie T1) en één persoon niet-medisch geschoold (versie T2). Stap 2: Beide onafhankelijke vertalingen zijn samengevoegd tot versie T12. Stap 3: De versie T12 wordt vervolgens door twee nietmedisch geschoolde personen met Engels als moedertaal terugvertaald (BT1 en BT2). Deze stap controleert de validiteit van de vertaling naar het Nederlands en laat mogelijke hiaten in de betekenis van de vertaling versus het origineel zien. Wanneer dit overeenkomt garandeert het echter nog geen consistente vertaling. Alleen grove discrepanties kunnen door middel van terugvertalen worden aangetoond. Stap 4: Een expert-comité, bestaande uit een methodoloog, twee plastisch chirurgen, een professioneel vertaler en de vertalers van de versies T1, T2, BT1 en BT2. Aan dit comité werden de verschillende versies van de vertalingen voorgelegd om tot een conceptversie voor Nederlands Tijdschrift voor Handtherapie, April 2015


de definitieve vertaling (T3) te komen. Hierbij is naast de vertalingen ook gebruik gemaakt van de correspondentie met betrekking tot de wijze waarop consensus tussen de verschillende vertalers tot stand kwam. Op basis van vier punten werd door het expert-comité de analogie van de concept vragenlijst T3 beoordeeld, te weten (a) Semantiek: Betekenen de woorden hetzelfde? Zijn ze voor verschillende uitleg vatbaar? Bevat de vertaling grammaticale moeilijkheden? (b) Idiomatisch: Is er sprake van discrepantie op basis van spreek- danwel schrijftaal? (c) Culturele gelijkwaardigheid: Dagelijkse beperking op basis van klachten moet vergelijkbaar zijn; bijvoorbeeld met stokjes aardappels eten is voor iedereen lastig. (d) Conceptuele vergelijkbaarheid: Opvatting van kernwoorden verschillen op basis van cultuurverschillen; bijvoorbeeld: “Kunt u minder voor uw familie zorgen door uw klachten?” Familie heeft immers een ruim interpreteerbare en cultureel afhankelijke betekenis. Stap 5: De concept vragenlijst T3 werd aan 30 achtereenvolgende patiënten met een (door middel van EMG) aangetoond CTS voorgelegd en nadien werd per patiënt mondeling doorgenomen wat de vraag en bijpassende antwoorden voor hem of haar betekenden. Deze patiënten werden van 1 juli 2013 t/m 1 september 2013 op de polikliniek handchirurgie van het Rode Kruis Ziekenhuis te Beverwijk geïncludeerd. Hierbij werd gezocht of er terugkerend ontbrekende items binnen een bepaalde vraag waren, of bij een vraag geen van de antwoordcategorieën overeenkwam met het antwoord dat hij/zij wilde geven en als laatste of er vragen waren waarop door de gehele populatie hetzelfde antwoord werd gegeven. Stap 6: Als laatste wordt de uit voorgaande stappen voortgekomen definitieve vragenlijst aan het expertcomité voorgelegd ter toetsing of alle stappen van het vertaalproces conform de richtlijn zijn doorlopen (figuur 1) (6,8-10)

Fig.1 Stappenplan voor de vertaling van de originele Engelstalige ‘Boston Carpal Tunnel Questionnaire’ (BCTQ) naar het Nederlands, uitgevoerd volgens de stapsgewijze richtlijn van Beaton.

Nederlands Tijdschrift voor Handtherapie, April 2015

Resultaten Stap 1: De vertaling vanuit de oorspronkelijk Engelse vragenlijst naar de doeltaal Nederlands werd door twee onafhankelijke vertalers uitgevoerd en leverde de versies T1 en T2 op. Stap 2: Bij het samenvoegen van deze twee versies tot T12 is voornamelijk de vertaling van het woord “typical” binnen de omschrijvingen “a typical twenty -four-hourperiod”, “a typical night” en “having typical pain” onduidelijk gebleken. Eenduidig is gekozen om "typical" hier als "gebruikelijk" te vertalen. Stap 3: Bij de terugvertaling (BT1 en BT2) viel op dat dit item vervolgens weggelaten werd met als uitleg van beide onafhankelijke vertalers “dat het niets aan de vraag bijdroeg”. Er bleek geen sprake te zijn van onduidelijke formuleringen, onduidelijke instructies, suggestieve vragen of herinnering bias (herinneringen die zijn gekleurd door jouw opvattingen, attitudes en ervaringen) nadat de BT12 naast de originele Engelse vragenlijst werd gelegd. Stap 4: De vragenlijst werd door het expert-comité getoetst waarbij geen problemen gevonden werden wat betreft semantiek, idiomatiek, culturele gelijkwaardigheid en conceptuele vergelijkbaarheid. Aanvullende controle werd uitgevoerd naar de letterlijke vertaling van antwoorden aangezien deze in de diverse circulerende Nederlandse vertalingen subtiele verschillen vertonen. Bijvoorbeeld wordt "never" nu consequent letterlijk vertaald als "nooit" en niet als "geen enkele keer", "difficulties" als "problemen" en niet als "moeilijkheden", "mild" als "licht" en niet als "gering", etcetera. Ook werden enkele aanpassingen uitgevoerd op basis van culturele gelijkwaardigheid: "telephone handle" is vertaald als "telefoon", er bestaan immers nauwelijks nog telefoons met een hoorn. Stap 5: Dertig patiënten hebben de vragenlijst beantwoord (19 vrouw:11man, leeftijd 27-82 jaar, allen van Caucasische afkomst, allen verder blanco voorgeschiedenis wat betreft hand-en polsproblematiek). Nadien vond een mondelinge bespreking van de vragen en antwoorden met de behandelend arts plaats waaruit bleek dat de gehele populatie tevreden was over de vragenlijst: 1) er waren, geen terugkerend of ontbrekend item binnen een vraag, 2) bij geen enkele vraag ontbrak het antwoord dat hij/zij wilde geven en 3) op geen enkele vraag werd door de gehele populatie uitsluitend hetzelfde antwoord gegeven. Wel bleek dat er bij veel patiënten onduidelijkheid was of de vragen voor de linker- of rechterhand ingevuld moesten worden; CTS is immers vaak bilateraal. Stap 6: Bij controle van de totstandkoming van de definitieve vragenlijst bleek dat de opeenvolgende stappen van het vertaalproces volgens de richtlijn verlopen waren. De vragenlijst zoals in de appendix beschreven betreft aldus de officiële Nederlandse vertaling van de BCTQ. Discussie In toenemende mate wordt gebruik gemaakt van vragenlijsten om het resultaat van een interventie te evalueren. 15


De meeste vragenlijsten zijn oorspronkelijk in het Engels ontwikkeld en worden ‘vrij vertaald’ gebruikt (6,7). In deze studie is de veelgebruikte Engelstalige vragenlijst voor patiënten met het CTS vertaald naar het Nederlands volgens een gestandaardiseerde richtlijn om de kwaliteit van de vragenlijst te waarborgen (8). CTS klachten zijn duidelijk omschreven klachten met weinig ruimte voor subjectieve en emotionele dwalingen. Dit maakte het vertaalproces eenvoudig en rechtlijnig, wat bleek uit de weinige discrepanties in het gehele vertaalproces. Een opvallende observatie was dat de laatste vraag van het eerste deel van de vragenlijst (vraag 11) informeert naar het uitvoeren van handelingen in plaats van naar symptomatisch lijden, hetgeen ons inziens thuishoort in deel twee van de vragenlijst. Een officiële vertaling met behoud van validiteit laat echter geen wijziging in de structuur van de vragenlijst toe. Wel is het zo dat wij adviseren de twee delen van de vragenlijst om deze reden niet apart te scoren en alleen een totaalscore te gebruiken. De score heeft een range van 19 (geen klachten) tot en met 95 (zeer ernstige klachten). Daarnaast adviseren wij aan het begin van de vragenlijst een keuze toe te voegen waarbij de patiënt kan aangeven of de vragenlijst om de linker- of rechterhand gaat. De 30 patiënten (mannen en vrouwen van verschillende leeftijden) die deelnamen aan de toetsing van de definitieve vragenlijst zijn demografisch geconcentreerd rondom Beverwijk. Desalniettemin wordt deze groep beschouwd als een valide steekproef van de Nederlandse populatie. Met het vaststellen van een officiële Nederlandse vertaling van de valide BCTQ is bereikt dat deze ingezet kan worden voor het evalueren van het resultaat van een interventie bij patiënten met CTS klachten zoals de indicatorenset verlangt.

6. Floor S, Overbeke AJPM. Niet-Nederlandse vragenlijsten over levenskwaliteit gebruikt in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde: vertaalprocedure en argumenten voor de keuze van de vragenlijst. NTVG 2006; 150: 1724-7. 7. Pouwer F, van der Ploeg HM, Bramsen I. Dwalingen in de methodologie. II. Bias door vragenlijsten. NTVG 1998; 142: 1556-8. 8. Dorcas E. Beaton, BScOT, MSc, PhD, Guidelines for the Process of Cross-Cultural Adaptation of Self-Report Measures, © 2000, lippimcott Williams & Wilkins, inc.,SPINE Volume; 25: 3186 -3191. 9. Da MotaFalcao D, Ciconelli RM, Ferraz MB. Translation and cultural adaptation of quality of life question naires: an evaluation of methodology. J. Rheuma tol. 2003; 30: 379-85. 10. Sperber AD. Translation and validation of study Instrument for cross-cultural Research Gastroenterology. 2004; 126 (I suppl I):S124-8.

*Mw. dr.FVM Smits, plastisch chirurg, Esthetisch Medisch Centrum, Bosch en Duin **Mw.M.Ottenhof, fysiotherapeut/handtherapeut, 4Hands praktijk voor handtherapie, Amsterdam ZuidOost en Hand en Pols centrum Den Haag ***Dhr. dr. R.Feitz, plastisch chirurg, XPertClinic, Zeist ^Dhr. dr. M. Kreulen, plastisch chirurg, afdeling handchirurgie, Rode Kruis Ziekenhuis, Beverwijk E-mail: info@4-hands.nl

Dit artikel is eerder gepubliceerd in het tijdschrift van de Nederlandse Vereniging voor Plastische Chirurgie (NVPC), 2014;5(2):70-3. Auteurs hebben het bewerkt voor publicatie in het Nederlands Tijdschrift voor HandTherapie Literatuur

1. Krom de MCTFM de, Knipschild PG, Kester ADM, Thijs CT, Boekkooi PF, Spaans F. Carpal tunnel syndrome: prevalence in the general population.The Journal of Clinical Epidemiology, 1992 Apr;45(4):373-6. 2. Richtlijn Diagnostiek en behandeling van het carpale tunnelsyndroom, Evidence-Based Richtlijn Ontwikkeling (EBRO) van de Orde van Medisch Specialisten. 3. Stuurgroep Zichtbare Zorg Ziekenhuizen. Indicatorenset carpaletunnelsyndroom. Den Haag, oktober 2011. 4. Levine DW, et al, A self-administered questionnaire for the assessment of severity of symptoms and functional status in carpal tunnel syndrome, The Journal of Bone and Joint Surgery 1993 Nov; 75 (11): 1585 -1592. 5. Carvalho Leite JC de , A systematic review of the psycho metric properties of the Boston Carpal Tunnel Questionnaire, BMC MusculoskeletDisord. 2006; 7: 78.

16

Nederlands Tijdschrift voor Handtherapie, April 2015


Nederlands Tijdschrift voor Handtherapie, April 2015

17


Verder kijken dan…… Carlo Spee* en Mieke van der Steen** In november van 2014 hebben wij, zover wij weten als eerste handtherapeuten, de module ‘handorthesen’ gevolgd van de opleiding tot gipsverbandmeester in het Rotterdams Erasmus Medisch Centrum. Op het gebied van de handrevalidatie zijn verschillende beroepsgroepen actief, zoals therapeuten (ergotherapeuten of fysiotherapeuten), gipsverbandmeesters en verpleegkundigen (wond-poli, hechtingen verwijderen etc.). Een patiënt kan dus met verschillende disciplines in aanraking komen tijdens zijn revalidatietraject. Vanuit deze disciplines worden vaak verschillende technieken en materialen gebruikt met uiteindelijk hetzelfde doel. Wij waren geïnteresseerd in de technieken en materialen die de gipsverbandmeesters toepassen bij hand- en polsklachten. Uiteindelijk heeft dat geleid tot het volgen van de module handorthesen aan het Erasmus MC. Tijdens deze opleiding krijgt het gebied van hand- en polsklachten veel aandacht. Anatomische structuren worden uitgebreid besproken en veel verschillende hand - en polsproblematieken worden aangehaald waarbij niet alleen de geschikte handorthesen aan bod komen, maar zeker ook de behandelmogelijkheden en alle theoretische kennis, die onmisbaar is voor het goed begrijpen van de werking van de pols en hand. Aangezien alle studenten op het moment van het volgen van de opleiding al werkzaam zijn op een gipskamer was er veel praktijkervaring aanwezig. Wij waren erg positief verrast door de mate van kennis en kunde die de gipsverbandmeesters in huis hebben. Het geeft maar weer eens aan dat we van elkaars vakgebied vaak (te) weinig weten. Het volgen van deze module heeft er zeker voor gezorgd dat wij een betere samenwerking gaan proberen te creëren met de gipsverbandmeesters in onze eigen regio. De praktijklessen werden gegeven door Chiel van Onna en Mark van den Brink. Beiden werken in de Sint Maartenskliniek in Nijmegen. We hebben van hun kennis en enthousiasme veel geleerd. Wij waren persoonlijk erg geïnteresseerd in de zogenaamde ‘softcast’. En hoewel het onderwerp ‘softcast’ niet in dit cursusblok zat hebben zij ons hiermee wel kennis laten maken. We zien patiënten die vanuit de gipskamer bij ons komen en een spalk of circulaire orthese van softcast materiaal hebben. Softcast is een gipsverband met als belangrijkste eigenschap dat het de noodzakelijke stabiliteit en veerkrachtige steun geeft bij de behandeling van bijvoorbeeld fracturen of weefselverwondingen. Het is een uniek geweven materiaal van glasvezel geïmpregneerd met hars dat reageert met water. Het materiaal blijft semi-rigide na aanleggen, blijft flexibel en keert altijd terug naar de oorspronkelijke staat. 18

Het voordeel van deze semi-rigiditeit is onder andere dat het helpt het risico te verminderen van spieratrofie en stijve gewrichten. Kleine bewegingen worden toegelaten in de softcast. Het is ook mogelijk te variëren in rigiditeit door meer of minder lagen aan te leggen en eventueel te werken met een ‘scotchcast’. Dit is een soort versterking die bijvoorbeeld in de lengte ventraal op de pols/onderarm kan worden gelegd voor extra rigiditeit. Een ander groot voordeel van dit materiaal is dat het nat kan worden en weer snel opdroogt. Er kan mee gezwommen en gedouched worden. Wat tevens opvalt is dat bij deze cast orthesen de druk op de wond en/of huid minder is omdat er een polstering / kousmateriaal aan de binnenzijde zit. Dit wordt door patiënten als erg prettige ervaren. Het verwerken van het materiaal is relatief eenvoudig, wel is de techniek van het aanleggen essentieel voor een goed resultaat. Hierbij is enige oefening en ervaring gewenst. Softcast is in verschillende kleuren te verkrijgen. De softcast is na gebruik af te wikkelen of te verwijderen met behulp van een verbandschaar, hetgeen dat wij als een groot voordeel zien aangezien je er geen oscillerende gipszaag voor nodig hebt. Van een circulaire softcast is indien gewenst later gemakkelijk een afneembare spalk te maken.

Voorbeeld van een softcast om het CMC en MCP gewricht te ondersteunen

Chiel en Mark waren ook erg enthousiast over de mogelijkheden van deze softcast voor handtherapeuten en daarom hebben ze plannen om een speciale module te ontwikkelen, specifiek afgestemd op handtherapeuten. Wij gebruiken deze ‘nieuwe’ materialen met veel plezier in ons Handencentrum. Het is prettig dat we ons bestaande assortiment van materialen voor immobiliserende en/of ondersteunende technieken uit hebben kunnen breiden. Nederlands Tijdschrift voor Handtherapie, April 2015


Geen enkele patiĂŤnt is hetzelfde en we ervaren dat patiĂŤnten allemaal anders op bepaalde materialen (bijvoorbeeld thermoplasten) reageren. Het is dan ook fijn om steeds meer in huis te hebben om onze patiĂŤnten zo optimaal mogelijk te kunnen voorzien van materialen en methoden die bij hen passen. En het is een verrijking voor ons dat wij een beter inzicht hebben gekregen in de kennis en kunde van de gipsverbandmeesters! *Mieke van der Steen, handtherapeut / fysiotherapeut, Handencentrum Boxtel **Carlo Spee handtherapeut / fysiotherapeut, Handencentrum Boxtel E-mail: handtherapie@fysiotherapiededommel.nl

Voorbeeld van een softcast voor onderarm en duim

Nederlands Tijdschrift voor Handtherapie, April 2015

19


25 JARI

G BE STA

AN

S E R G N O M C AG 6 JUNI U E L I B D JU 5 - ZATER VRIJDAG

HANDTHERAPY IN 2040 LOOKING FORWARD TO THE FUTURE ................................................................................................................

VOOR INFORMATIE EN AANMELDEN GA NAAR

WWW.NVHTCONGRES.NL

NIEUWE INZICHTEN | BUITENLANDSE SPREKERS | WORKSHOPS HANDS ON | NETWERKEN | FEESTAVOND VOOR LEDEN

20

Nederlands Tijdschrift voor Handtherapie, April 2015


HAB Nepal project November 2014

In november 2014 zijn er vijf therapeuten van Hands Across Borders naar Nepal gegaan. Dit keer waren er drie nieuwe therapeuten: Tanja Bakker en Guusje Besteman van het Westfriesgasthuis (Hoorn) en Gertie Berghuis uit Bernhoven (Oss-Uden). Ton Schreuders (ErasmusMC, Hand en Pols Revalidatie Nederland) en Wim Brandsma waren ook van de partij samen met plastisch/hand chirurg Dr. Wim Theuvenet (Gelre Apeldoorn). De eerste week assisteerden we op uitnodiging van Dr. Indra Napit tijdens de zesdaagse Surgical/Therapy Workshop Anandaban. Daar werden verschillende handaandoeningen besproken zoals lepra, maar ook letsels waaronder peesletsels en fracturen. In de ochtend waren de chirurgen en therapeuten met elkaar voor de lezingen en in de middag gingen de chirurgen opereren en hadden de therapeuten hun eigen sessies. Chirurgen en therapeuten uit Nepal, India, Bangladesh en Myanmar waren aanwezig. Tanja, Guusje en Gertie zijn naar Phokhara gegaan voor workshops met kinderen met cerebrale verlammingen (CP) maar deze konden helaas niet doorgaan in het Manipal Teaching Hospital. Zij hebben daarom deze dagen bij Green Pastures mee gelopen. In de tweede week zijn zij naar het ziekenhuis in Katmandu gegaan, het Cleft en Burn Center van het Kirtipur Hospital. Hier hebben zij onder andere met de plastisch chirurgen meegelopen op de afdeling en de IC. Hier werden samen met de therapeuten een aantal patiënten gezien en besproken. Ook zijn gesprekken gevoerd met de directeur/plastisch chirurg dr. Shankar Rai. Ton heeft nog een voordracht gegeven in Dulikhel tijdens het NEPTACON: het 7e Nepalese Fysiotherapiecongres over de behandeling van de stijve hand. Hier waren meer dan 300 therapeuten aanwezig. Het NEPTACON duurde een aantal dagen met workshops en lezingen van sprekers uit verschillende landen. Bekijk alle foto’s op www.Handsacrossborders.eu

Kind in Kathmandu ziekenhuis Baccâ lief hoe ongelukkig bleef je hangen aan electriek in huis aan het spelen bij al die losse eindjes energie schoot door je arm en spatte af op je hoofd, handloos armpje en schrijnende wonden huilen bleek gezichtje van de pijn liggend in een bed naast andere zwaar gewonde onbekende mensen Nepal denk aan uw draden, leg ze net zo met zorg als uw bundels van de gewassen op het veld geen kind geen mens mag zo kleven aan het magnetisch veld van electriek huid wordt gerepareerd huid is leven Gertie Berghuis

Nederlands Tijdschrift voor Handtherapie, April 2015

21


Casuïstiek Aspecifieke polsklachten Een behandelstrategie in maat en in getal Simon van Benthem* Deze casus beschrijft de behandeling van een patiënt met progressieve aspecifieke polsklachten, volgens de principes van het pols-oefenprogramma. Interessant en mogelijk vernieuwend is dat ik hierbij aanvullend gebruik heb gemaakt van het kwantificeren en trainen van de actieve polsstabiliteit in maat en getal. Hierdoor had ik als handtherapeut meer inzicht in het beloop en kon ik adequater anticiperen op veranderingen. Het huiswerkprogramma was op basis hiervan ook zo optimaal mogelijk, met verminderde kans op onder-/overbelasten. Een werkwijze die ik in de handtherapie nog niet eerder beschreven heb gezien, maar welke waardevol kan zijn bij casuïstieken waarbij het verbeteren van de actieve polsstabiliteit geïndiceerd is. Anamnese Op 12-1-2013 viel mevrouw K. (41 jaar) op haar vooruit gestoken dominante rechterhand. Dit veroorzaakte pijn in de gehele polsregio. Op eigen initiatief kocht mevrouw een brace, die ze dag en nacht droeg. Tijdens een reanimatiecursus (12-3-2013) ontstond wederom een hevige niet te specificeren pijn in de pols bij het uitvoeren van hartmassage. Mevrouw consulteerde de huisarts die haar doorverwees naar de orthopeed. De specialist liet aanvullend onderzoek doen. Op zowel de röntgenfoto als de MRI werden geen afwijkingen gevonden. Mevrouw werd doorverwezen naar de handtherapeut. Intake fysiotherapie/handtherapie (26-4-2013) * Hulpvraag: weer kunnen functioneren zonder pijn en zonder brace. * Lokalisatie pijn: diffuus rond de pols, zonder speci fiek aanwijsbaar punctum maximum. * Numeric Pain Rating Scale (NPRS, 0-10), gemiddeld: 6-7, minimaal: 4, maximaal: 8. * Beloop: progressief. * Provocatie: tillen, iets vastpakken in combinatie met draaien, steunen op de aangedane hand, met daarbij regelmatig ‘een klikje’ in de pols. * Van januari t/m maart 2013 was ze veelvuldig over haar grens gegaan bij een verhuizing, ondanks het dragen van de brace. * Bracegebruik: ‘24/7’. * Algemene gezondheid: goed. * Typologie: gemotiveerd, energiek. * Gehuwd, drie kinderen (basisschoolleeftijd). Mevrouw gaf beperkingen op activiteiten en participatieniveau aan. Het autorijden, fietsen en de huishouding gingen moeizaam en waren pijnlijk. Haar 22

werk als zwemonderwijzeres (20 uur per week) kan ze slechts ten dele uitvoeren, zo lukte het zwemmen (tevens hobby) niet door de pijn. Haar score op de Disability of the Arm, Shoulder and Hand Questionnaire (DASH) was 71 (van de 100). Onderzoek Inspectie Lichamelijk: geen bijzonderheden. Polsbrace: van (te) flexibel materiaal, zonder stevige component. Bewegingsonderzoek Schouder/elleboog: geen bijzonderheden. Active range of motion (AROM) pols - Extensie/flexie: 45/0/45º. Dit ging gepaard met pijn en een gevoel van instabiliteit. De uitvoering was ‘schokkerig’/traag met een midcarpale ‘klik’. - Ulnair-/radiair deviatie: niet beperkt, echter ook hier een ‘schokkerig/traag’ bewegen met ‘klik’. Passive range of motion (PROM) pols - Niet beperkt, wel pijnlijk in alle richtingen met afweer spanning als eindgevoel. Specifieke testen Zowel bij de Watson-, Reagan- als distale radio-ulnaire translatietest was er sprake van hyperlaxiteit: bij de eerste twee in combinatie met een pijnlijke klik. In de linker pols was een vergelijkbare hyperlaxiteit waarneembaar, echter zonder klik of pijn. Bij palpatie viel op dat de gehele midcarpale regio diffuus drukpijnlijk was. Dynamometrie Bij de pinch- en knijpkrachtmeting (Jamar hand-held dynamometer) scoorde mevrouw ruim onder de norm (tabel 1). Nederlands Tijdschrift voor Handtherapie, April 2015


Fysiotherapeutische diagnose Algemeen: Status na een (recidief) trauma van de rechter pols, waarbij zowel de Watson als Reagan test positief waren, met een pijnlijke klik. Echter, ook in de andere pols was laxiteit waarneembaar bij deze testen, hoewel zonder pijnklachten. De MRI toonde geen specifiek letsel. Kortom, er was sprake van pijnklachten en functieverlies vermoedelijk zonder evident aantoonbaar biomedisch substraat. Specifiek: De val is de aanzet geweest tot klachten in de door (algehele) hyperlaxiteit gepredisponeerde pols. Als gevolg van een inadequate coping (overbelasten), de typologie (‘niet zeuren maar doorgaan’), de (voor de pols) ongunstig geplande verhuizing en een te flexibele brace (schijnbescherming) is mevrouw gedurende een lange periode over haar grenzen gegaan, waardoor er pijn en een gestoorde bewegingssturing is ontstaan. Tijdens de reanimatiecursus traumatiseerde ze haar rechter pols opnieuw. Door het a-fysiologische bewegen, verlies van coördinatie/kracht/functionele stabiliteit versterkt door de mal-adaptieve coping werd de pols overbelast. Een vicieuze cirkel met diffuse aspecifieke polsklachten was het gevolg (figuur 1), met flinke impact op het activiteiten-/participatieniveau (DASH: 71). De actualiteit van de klacht was hoog.

Fig. 1 Vicieuze cirkel aspecifieke polsklachten. Bron: Videler A.J. e.a., Oefentherapie voor chronische polsklachten1

Behandeling Behandeldoelen Functieniveau - Motorische re-educatie en krachtsherstel van de rechter arm/hand gericht op het verbeteren van de actieve stabiliteit van de pols. - Pijnvermindering.

Nederlands Tijdschrift voor Handtherapie, April 2015

Activiteiten/participatie - Weer volledig kunnen functioneren op activiteitenen participatieniveau (huishouding, zwemmen, zwemonderwijs, fietsen, autorijden), zonder polsbrace. Cognitie,coping,gedrag - Begrip van de rationale achter de klachten en behandeling, waardoor voldoende motivatie of draag vlak voor gedragsverandering. - Creëren van een adequate coping en streven naar zelfmanagement. Behandelplan De belangrijkste interventies: 1. Educatie. 2. Begeleiding juiste afstemming ‘belasting/ belastbaarheid’. 3. Het aanmeten van een adequate orthese en advisering in het gebruik. 4. Oefentherapie. Door omstandigheden kon het tweede consult pas drie weken later plaatsvinden. Essentieel was dat de pols in die periode niet verder overbelast zou worden. Mevrouw kreeg educatie (figuur 1), adviezen ten aanzien van belasten (pijn respecteren), een stabielere polsbrace met metalen belijning (instructie gebruik: gedurende de nacht en overdag selectief, tijdens belastende activiteiten) en oefeningen ter preventie van een stijve pols. Consult 2 Mevrouw vertelde minder over haar grenzen te zijn gegaan, bovendien gaf de nieuwe brace voldoende steun. De pijn was afgenomen (tabel 1), wel voelde de pols zonder brace nog erg instabiel. De AROM liet een bescheiden verbetering zien (tabel 1) met een onveranderd matige coördinatie. Nu de pols wat meer ‘tot rust’ was gekomen was ik benieuwd naar de actieve stabiliteit van dit gewricht. Om deze functie te kwantificeren heb ik gebruik gemaakt van de volgende methode. De eerste vraag was het statisch in de juiste positie (figuur 2) houden van 0,5 kg in respectievelijk pronatie, supinatie en neutraal stand (gesteunde onderarm): dit ging probleemloos (tabel 2). Ook zonder visuele controle en met de arm in de vrije ruimte had mevrouw geen moeite. Fig. 2 Juiste uitgangspositie van de pols. Bron: Videler A.J. Oefentherapie voor chronische polsklachten1

23


De volgende stap was om hetzelfde gewichtje in de drie verschillende posities zo vaak mogelijk omhoog en omlaag te bewegen (ritme: 1-0-1 seconde) tot het niet meer ging door pijn en/of verminderde coördinatie/kracht. Dit verliep zeer moeizaam (tabel 2). In de pronatiestand (= dorsaal <——> palmairflexie, zie figuur 3) voelde ze het midcarpaal ‘onprettig klikken’. In de neutraal (= radiair <——> ulnairdeviatie) - en supinatiestand (= dorsaal <——> palmairflexie) ontbrak het vooral aan coördinatie/kracht en stond vermoeidheid/trillen op de voorgrond. Het verschil met links was groot (zie uitslagen inclusief normwaarden in tabel 2) en trainen van de actieve stabiliteit daarom essentieel. Werkwijze Bij ieder consult testte ik de actieve stabiliteit, bij voorkeur met die test waarmee de vorige keer geëindigd was. Zo kon ik de stabiliteit objectiveren, evalueren en de uitslagen vervolgens voor de dosering van het thuisoefenprogramma gebruiken. Bij verbetering ging ik een stapje hoger in de ‘hiërarchie’, waarbij een goede kwaliteit van houding/ bewegen, zonder klikken of pijnprovocatie, voorwaarde was. In deze casus werd de volgende opbouw gehanteerd: statisch 0,5 kg.—>dynamisch 0,5 kg. à statisch 1 kg. —>dynamisch 1 kg tot de norm bereikt was

Fig. 3 Dynamische polsstabiliteit in pronatiestand. Bron: Videler A.J. e.a., Oefentherapie voor chronische polsklachten1 (tabel 2). Als voorwaarde om over te gaan van statische naar dynamische stabiliteit bij een bepaald gewicht, moest statisch de neutrale positie gedurende meer dan één minuut (arbitrair, maar in de praktijk realistisch) worden gehandhaafd. Bij twintig of meer herhalingen (dynamisch) volgde de stap naar een zwaarder gewicht, maar wel eerst weer statisch. De duur cq. lengte van de series tijdens het huiswerkprogramma waren submaximaal (± 70% van het maximum), om pijnprovocatie te voorkomen. Herhaling van de series zorgden voor vermoeidheid en een adequate trainingsprikkel2. Voor de oefeningen thuis gebruikte mevrouw dat haltertje, waarmee ze ook de testen had gedaan. In de beginperiode was de aanbevolen oefenfrequentie twee maal per dag, omdat het verbeteren van de bewegingssturing en coördinatie voorop stond. Naar24

mate de intensiteit omhoog kon en kracht-/ uithoudingsvermogen meer getraind werd, was het advies één maal per dag te oefenen. Gaandeweg in de behandelreeks werden andere oefenvormen /materialen toegevoegd, op het moment dat hier voldoende bewegingssturing/ actieve stabiliteit voor was (putty, theraband, stok en andere). In de tabellen 2 en 3 zijn zowel de testuitslagen/ maximaal scores, als het daaraan gelieerde huiswerkprogramma per consultdatum te vinden. Deze geven een beeld van het beloop op dit onderdeel van de actieve stabiliteit. Naast het polsstabiliserende programma bleef in de beginperiode educatie en instructie van de belasting/belastbaarheid van belang, evenals het draagadvies betreffende de brace (mede gezien de nog matige actieve stabiliteit). Geleidelijk verschoven, op geleide van het klinisch beeld, de accenten van de behandeling. Het verdere beloop Zoals de diverse tabellen laten zien ging mevrouw goed vooruit. De actieve stabiliteit nam toe (tabel 2), evenals het functioneren op activiteiten- en participatieniveau. De NPRS en DASH lieten klinisch relevante verbeteringen zien (tabel 1). Het bracegebruik kon medio juni worden gestopt. Op 31 juli werd nog een afspraak gemaakt met een interval van ruim vier weken. In deze periode mocht ze de oefeningen achterwege laten, maar was het streven de hand wel zoveel mogelijk in te schakelen tijdens de activiteiten. Het volgende en vermoedelijke laatste consult zou dan gebruikt worden om te monitoren/testen of ze op een ‘natuurlijke’ wijze, door juiste inschakeling van haar hand, het niveau kon handhaven/verbeteren. Op 27 augustus volgde het laatste consult. Ondanks een zeer drukke periode, zowel thuis als op het werk, was ze vooruit gegaan. Mevrouw had bijna geen pijnklachten meer, behalve nog bij geforceerde extensie van de pols. De actieve stabiliteit was verder verbeterd (tabel 2), op activiteiten- en participatieniveau ervoer ze nauwelijks nog beperkingen (DASH: 7). Fietsen, autorijden en zwemmen gingen probleemloos. De behandeling kon worden afgesloten gezien het feit dat de doelen waren behaald en de verschuiving van de aanvankelijk inadequate coping naar creatief zelfmanagement met fraaie interne locus of control had plaatsgevonden.

Nederlands Tijdschrift voor Handtherapie, April 2015


NPRS (0-10) gemiddeld

26 april

15 mei

31 juli

6-7

4

2

,,

,,

minimaal

4

2

0

,,

,,

maximaal

8

6

3

AROM pols (in graden)

45/0/45

50/0/45

80/0/75 (Rechts = links)

Knijpkracht links (kg.)

38

,,

rechts (kg.)

18 (pijn: ++)

32 (pijn: -)

Percentage van norm

± 45%

± 80%

Pinch links (kg.)

7

,, rechts (kg.)

5,5 (pijn: ±)

7 (pijn: -)

Percentage van norm

± 75%

± 95%

DASH

71

16

Tabel 1 Klinimetrie

Uitvoering Statisch 0,5 kg.

15 mei P

> 1 Minuut

,,

,,

N

> 1 Minuut

,,

,,

S

> 1 minuut

Dynamisch 0,5 kg. P

22 mei

9x 20/0/20 8x

25x 30/0/30 20x

18x 30/0/30

,,

,,

N

,,

,,

S

Statisch 1 kg.

P

25x 30/0/30 40 sec.

,,

,,

N

> 1 minuut

,,

,,

S

30 sec.

31 mei

14 juni

40 sec.

> 1 minuut

,,

N

,,

,,

S

Tabel 2 Testuitslagen actieve polsstabiliteit

31 juli

21x 30/0/10

28x 30/0/10

24x 60/0/30

18x

30x (= norm)

23x 40/0/30

37x (= norm) 40/0/30

27 aug.

1 minuut

Dynamisch 1 kg. P

,,

27 juni

10x

35x(= norm) ROM:70/0/60

P= Pronatiestand, N= Neutrale stand, S= Supinatiestand “ROM (graden): 20/0/20”= binnen deze range was er geen ‘klik’ of pijnprovocatie. Norm = zowel in aantal, uitvoering, als ROM: een vergelijkbaar niveau als aan de gezonde linker zijde.

Nederlands Tijdschrift voor Handtherapie, April 2015

25


Uitvoering

15 mei

22 mei

Dynamisch 0,5 kg P

3x5 ROM:20/0/20 3x5

3 x 12

,,

,,

N

,,

,,

S

Statisch 1 kg.

P

,,

,,

N

1 x 40 sec.

,,

,,

S

1 x 20 sec.

3 x 12 ROM:30/0/30

3 x 18 ROM:30/0/30 3 x 30 sec.

31 mei

,,

N

,,

,,

S

Toegevoegde oefeningen

27 juni

3 x 15 ROM:30/0/10 3 x 15

3 x 20 ROM:30/0/10

4 x 30 sec.

4 x 45 sec.

Dynamisch 1 kg. P ,,

14 juni

4x6

Theraband: +

3 x 18 ROM:40/0/30 Theraband: + Stok: 40/0/40

Stok: 70/0/70 Bouncing putty

Tabel 3 Thuisoefenschema P= Pronatie stand, N= Neutrale stand, S= Supinatie stand Bij alle in de tabel genoemde bewegingsuitslagen moest mevrouw tijdens de huiswerkoefeningen binnen deze range blijven, om onnodige provocatie te voorkomen. Op geleide van klachten mocht ze dit zelf, met beleid, uitbreiden.

Samenvatting Mevrouw werd verwezen in verband met progressieve aspecifieke polsklachten na een recidief trauma. Bij de intake bleek een hoge actualiteit van klachten met evidente impact op het activiteiten- en participatieniveau, bij een algeheel flink hyperlaxe pols. De coping bleek mal-adaptief (overbelaster), de kracht en coördinatie van de hand/pols was fors onder de norm. Het was van belang om de negatieve spiraal te doorbreken. Omdat aanvullend radiologisch onderzoek geen specifieke afwijkingen liet zien werd gekozen voor een aanpak volgens het pols-oefenprogramma. Een onderdeel van de behandeling was het trainen van de actieve polsstabiliteit, met telkens het testen en objectiveren van het niveau in maat en getal. Zo kreeg ik meer inzicht in het beloop en kon daardoor adequaat anticiperen op veranderingen. Bovendien was het mogelijk het huiswerkprogramma heel gericht te maken, met de juiste prikkel voor spierfunctieverbetering, zonder pijnprovocatie. Aanbeveling In de literatuur over hand- en polsrevalidatie ben ik bovenstaande behandelstrategie in maat en getal nog niet tegengekomen, mijn keuze hiervoor is derhalve niet ‘evidence based’. Inmiddels heb ik echter al veel patiënten met een verminderde actieve polsstabiliteit succesvol op deze wijze behandeld. Dit betreft naast de aspecifieke polsklachten ook de post operatieve groep (zoals de gemodificeerde Brunelli, de proximale rij carpectomie, diverse partiële polsarthrodeses) en de soft tissue diseases (onder andere Morbus Quervain en tendi-

26

nopathie van de musculus extensor carpi ulnaris). De gestructureerde opbouw, waarop ‘slechts’ de classificatie ‘best practice’ van toepassing is, bood mij daarbij een goede houvast. Bij veel revalidatieprogramma’s, waar coördinatie- en krachttraining een belangrijke plaats inneemt, wordt gebruik gemaakt van een dergelijke gestructureerde aanpak, met onderbouwing vanuit de theorieën over fysieke training2. Mijn aanbeveling is dat, daar waar het verbeteren van de coördinatie en kracht een behandeldoel is, deze principes ook meer gebruikt gaan worden binnen de handtherapie. Dit zal de handtherapeut meer inzicht en structuur geven bij deze component van de behandeling, waardoor de kwaliteit van handelen zal toenemen. Literatuur

1 Videler A.J., Kreulen M., Ritt M.J.P.F., Strackee S.D..Oefentherapie voor chronische polsklachten. Amsterdam: AMC; 2006. P. 46. 2 Hein E.. Het kracht Revalidatie Systeem (KRS). Krachttraining, vakblad voor sporters, trainers en fitnessprofessionals; 2011; nummer 26: P.5-8.

Met dank aan: dr. A.J. Videler, fysiotherapeut/ handtherapeut in de praktijk voor handtherapie 4hands (Amsterdam), docent post-HBO onderwijs. *Simon van Benthem, fysiotherapeut/ handtherapeut Ziekenhuisgroep Twente (ZGT), locatie Hengelo. Email: s.vbenthem@zgt.nl Nederlands Tijdschrift voor Handtherapie, April 2015


Nederlands Tijdschrift voor Handtherapie, April 2015

27


Een ongewone schouderklacht, complicatie na plexusanesthesie DaniĂŤl van Riesen*

Inleiding Er komen frequent schouderklachten in de dagelijkse handtherapie praktijk voor. Regelmatig klagen mensen die aan de hand geopereerd zijn over pijn aan de schouder en/of nek. Dit kunnen klachten zijn die pre-existent waren en erger zijn geworden of klachten die ontstaan zijn na de operatie. Pijn in de spieren van de schoudergordel als gevolg van manuele triggerpoints, de secundaire frozen shoulder en subacromiale klachten zijn hier voorbeelden van. Deze casus omschrijft een minder frequent voorkomende klacht/complicatie die voorkomt na plexusanesthesie waarbij de n. thoracicus longus is uitgevallen. Anamnese Een 63 jarige vrouw wordt in ons centrum behandeld na een Weilby procedure rechts. Dit is haar dominante hand. Twee weken na de operatie meldt zij zich voor spalkwissel en de start van haar handrevalidatie. Tijdens de intake klaagt mevrouw over ernstige pijn in haar rechter schouder. De pijn wordt met name in de bovenarm ervaren. Bij doorvragen blijkt dat zij deze pijn het eerst heeft gevoeld na het zetten van de plexusblokkade voor de operatie. Kort na de operatie is er ernstige pijn in de schouder en bovenarm met een Numeric Pain Rating Scale 0-10 (NPRS-11) van 8. Vanwege de pijn heeft zij problemen om in slaap te komen. Daarnaast kan ze sinds de operatie minder ver reiken met haar rechterarm.

Fig.1. m. serratus anterior parese rechts, de pijl geeft de positie van de angulus inferior aan.

28

Onderzoek Inspectie Bij inspectie in stand is de margo medialis van de rechter scapula goed zichtbaar (zogenaamde scapula alata). De scapula staat zichtbaar in een interne rotatie. Tijdens actief heffen van de schouder valt op dat de angulus inferior ter hoogte van processus spinosi van thoracale 7/8 blijft staan, terwijl bij de niet aangedane zijde een normale laterorotatie wordt gemaakt (figuur 1). Tevens blijkt dat er een lateroflexie van de wervelkolom naar links wordt gemaakt om de beperkte beweging van de schouder te compenseren. Er is geen zichtbare atrofie in de schoudergordel. In figuur 2 zijn ter verduidelijking de margo medialis en angulus inferior van de scapula aangegeven. Figuur 3 toont ter verduidelijking hetzelfde beeld bij een andere patiĂŤnt met hetzelfde letsel na plexusanesthesie. Bij het functieonderzoek wordt een normale passieve beweeglijkheid van het glenohumeraal gewricht gevonden. Er is sprake van een licht beperkte schoudergordel aan de rechter zijde, dit wordt ook aan de linker zijde geconstateerd. Hierbij is er sprake van een beperking in de cervicothoracale overgang. Daar waar er passief een elevatie van 160 graden mogelijk is, is de elevatie actief 120 graden. Bij manuele spierkrachtmeting blijkt de kracht van het rotatorenmanchet normaal is, Medical Resarch Council (MRC) schaal 5 en zij kan alle actieve glenohumerale bewegingen goed uit te voeren. Wanneer er nader wordt gekeken naar de musculatuur, verantwoordelijk voor de elevatie hebben de bundels van de Mm. Trapezius een normale kracht. Het uitvoeren van protractie blijkt echter onmogelijk. Zij is niet in staat tot het ventraal migreren van de scapula.

Fig. 2. Margo medialis en angulus inferior ingetekend

Fig.3. M. Serratus anterior parese rechts

Nederlands Tijdschrift voor Handtherapie, April 2015


Conclusie Mevrouw is niet in staat tot het actief migreren van de scapula langs de thoraxwand. Deze functie wordt uitgevoerd door de m. serratus anterior. Er blijkt een volledige uitval van de m. serratus anterior passend bij een letsel van de n. thoracicus longus die de m. serratus anterior motorisch innerveert. Dit maakt een neuropathie van de n. thoracicus longus als gevolg van de plexusanesthesie aannemelijk. Anatomie De nervus thoracicus longus is een zuivere motorische zenuw die de m. serratus anterior innerveert. Als onderdeel van het pars supraclavicularis heeft de n. thoracicus longus zijn oorsprong in de cervicale wortels van niveau 5,6 en 7. Vervolgens loopt hij onder het sleutelbeen door naar de m. serratus anterior om zijn zenuwtakken af te geven (zie figuur 4).

plaatsvindt, zal de beweging voornamelijk glenohumeraal plaatsvinden. Om deze reden en omdat de scapula op een later moment tijdens de anteflexie zijn posterieure tilt en externe rotatie maakt, ligt overbelasting van de subacromiale structuren op de loer. Marin4 omschrijft positieve resultaten bij het gebruik van een hulpmiddel dat de scapula tegen de thoraxwand aanhoudt, de scapula alata corrector (figuur 5). Deze is in dit geval niet gebruikt omdat er geen sprake is van blijvend letsel en de corrector strak moet zitten waardoor scapulaire beweging voorkomen wordt. Bij een langdurige beperking en/ of hevige klachten in de tweede en derde fase is de corrector een te overwegen middel.

Fig. 5. (overgenomen Marin 2000) Scapula corrector Fig. 4. (overgenomen Trip et al 2003) N.thoracicus longus

Beloop en behandeling Het beloop van de schouderklachten wijkt niet af van het beloop dat omschreven is in de literatuur3 bij een neuralgische amyotrofie. Tijdens het herstel worden een aantal fasen doorlopen. Waar de eerste fase gekenmerkt wordt door veel pijn, de tweede door afname van de pijn en aanhoudende functiebeperking en de laatste door het motorisch herstel. In het algemeen zal het zo zijn dat de eerste fase een aantal weken duurt, de tweede en derde fase verschillen per patiĂŤnt. In de eerste fase is er veel pijn als gevolg van de neuritis. Pijnreductie en preventie van impingement zijn de behandeldoelen. Naast medicamenteuze behandeling van de pijn is voorlichting en advies in deze fase belangrijk. Hierbij is in eerste instantie afgeraden om bewegingen boven het hoofd uit te voeren. Omdat er onvoldoende migratie van de scapula over de thoraxwand Nederlands Tijdschrift voor Handtherapie, April 2015

Omdat er door compensatie en overbelasting secundaire klachten bestonden van periscapulaire musculatuur te weten de m. trapezius pars ascendens en de m. infraspinatus zijn deze in deze fase behandeld middels scapulothoracale mobilisaties (rekking trapezius) volgens Stenvers en lokale behandeling van triggerpoints. Mede hierdoor is de pijn snel gereduceerd en stond actieve beperking op de voorgrond in tegenstelling tot de pijn. Het rekken van de m. serratus anterior is af te raden omdat dit een negatief effect heeft op het motorisch herstel5. Gezien de rustpositie van de scapula zal de m. serratus anterior ook niet verkorten, hier hoeft daarom geen aandacht aan besteed te worden. Na vier weken was de pijn voor de helft gereduceerd (NPRS11: 4). De daarop volgende maanden (tweede fase) was de pijn verder afgenomen (NPRS11: 1 na ĂŠĂŠn jaar) en stond het actief onvermogen de schouder te heffen op de voorgrond. De heftige pijn die in de beginfase bestond maakte plaats voor milde parascapulaire klachten die toe te schrijven waren aan veranderde 29


biomechanica van de schoudergordel. Doelen in de tweede fase zijn preventie van secundaire overbelasting en behoud van scapulothoracale mobiliteit. In deze fase vond fysiotherapie op controlebasis plaats. Tijdens de consulten is er aandacht geweest voor het behoud van de mobiliteit van de schoudergordel. In de laatste fase vond herstel plaats. De eerste tekenen van herstel waren negen maanden na de operatie zichtbaar. Een jaar na de operatie was er weer een volledige elevatie mogelijk. Hierbij is de interne rotatie (scapula alata) nog wel zichtbaar. De angulus inferior blijft niet meer ter hoogte van de processus spinosi van Thoracale 7/8 staan. Figuur 6 laat dit zien bij de patiënte uit de casus, figuur 7 laat dit duidelijker zien en is toegevoegd ter illustratie.

gedoseerde oefentherapie effectiever. Hierbij is het belangrijk te realiseren dat er een blijvende dysfunctie van de schoudergordel is. Gedoseerd oefenen is daarom noodzakelijk waarbij er in de beginfase onder schouderhoogte geoefend wordt. Vanaf het moment dat er motorisch herstel zichtbaar was, zijn we gestart met het oefenen van de scapulaire controle. Hierna is met isometrische oefeningen de kracht van de m. serratus anterior opgebouwd. Vanaf spierkracht MRC4 is het bewegen boven schouderhoogte gestimuleerd. Vanaf dat moment heeft verdere scapulaire revalidatie plaatsgevonden. Hierbij is op kracht en coördinatie geoefend. De aandoening van de schouder heeft de revalidatie van de duim niet verhinderd. De revalidatie na de Weilby sling is probleemloos verlopen. Resultaten Een jaar na het letsel kan mevrouw haar arm weer volledig heffen (figuur 6). De kracht is toegenomen maar nog circa 20% minder dan voorheen (inschatting van de patiënte). De uitkomst van de Shoulder Pain and Disability Index (SPADI) op een schaal van 0-100% is 8% waarbij subscore pijn 6% is en beperkingen 10%. De restbeperking na een jaar komt overeen met de literatuur die pijn en verlies van duurkracht beschrijft bij een groot deel van de patiënten3. Op de afzonderlijke vragen in de SPADI (0-10) scoort mevrouw nooit hoger dan een 1. Deze lichte functiebeperking zit vooral in reiken en het bewegen van de arm op de rug zoals iets op een hoge plank plaatsen en iets uit de achterzak pakken. Dit leidt niet tot activiteiten of participatiebeperkingen in ADL of tijdens werk.

Fig. 6 Herstel een jaar na letsel

Fig. 7 Herstel een jaar na letsel

Het doel in de derde fase is het functioneel herstel van de arm. Hier heeft oefenen centraal gestaan. Algemene oefenprogramma’s leiden tot verergering van symptomen3. Om die reden is een aanpak die gericht is op functioneel advies en bij reïnnervatie specifieke 30

Discussie Bij de perifere zenuwblokkade in deze casus is gekozen voor een supraclaviculaire plexusblokkade die onder echogeleiding is uitgevoerd. Schade aan zenuwen komt in de praktijk weinig voor. Per 1000 echogeleide perifere zenuwblokkades komen neurologische verschijnselen langer dan zes maanden 0,9 keer voor1. Deze complicatie kan optreden na een intraneurale injectie1, het is niet bekend of er in deze casus sprake hiervan was. Differentiaal diagnostisch moeten een aantal aandoeningen de revue passeren. Gezien de anatomische ligging dient uitval van de n. accessorius genoemd te worden. Deze innerveert motorisch de m. sternocleidomastoïdeus en de m. trapezius. Bij uitval zou echter een mediorotatie van de scapula zichtbaar zijn met een zichtbare atrofie twee weken na de operatie. In de praktijk zijn we dit letsel nooit tegengekomen. Een neuralgische amyotrofie, ook wel ParsonageTurner syndroom genoemd, is een meestal eenzijdige idiopathische perifere neuritis met hetzelfde klachtenpatroon als beschreven in deze casus. Hierbij bestaan er acute hevige schouderklachten gevolgd door krachtsverlies. Deze aandoening wordt veel beschreven in de literatuur, maar over het verband hiervan met een plexusanesthesie is weinig beschreven. Omdat de klachten aansluitend aan de plexusblock ontstonden is een idiopathische neuritis uitgesloten. Daarnaast bestaat de diagnose ‘postoperatieve neuralgische amyotrofie’. In deze gevallen is anamnestisch Nederlands Tijdschrift voor Handtherapie, April 2015


een symptoomvrij interval tussen de operatie en het ontstaan van de klachten2. Omdat er in deze casus sprake is van pijn tijdens het plaatsen van de perifere zenuwblokkade en aansluitend het onvermogen de arm te heffen wordt hier door de auteur een direct verband gelegd met de blokkade. De patiënte is hierna onderzocht door de neuroloog die eenzelfde conclusie trok en het behandelbeleid onderschreef. Conclusie Uitval van de n. thoracicus longus is een ongewone complicatie na een plexusblokkade. Het is van belang dat een handtherapeut deze complicatie kan herkennen. Goede uitleg van de aard van het letsel, het beloop en do’s en dont’s zijn van belang voor het beloop en het uiteindelijke resultaat. Literatuur

1. Eshuis J. Anesthesietechnieken bij hand en polschirurgie. Nednds tijdschrift voor handtherapie. 2012 Novem ber; 15-19.

2. Trip J. Wessels P.H. Spaans F. Postoperatieve pijn en krachtsverlies in de schouder-armregio; iatrogeen of niet? Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde. 2003; 16 1573-1576. 3. Cup E.H. IJspeet J. Janssen R.J. Bussemaker-Beumer C. Jacobs J. Pieterse A.J. van der Linde H. van Alfen N. Residual complaints after neuralgic amyotropy. Archives of Physical Medicine and Rehabilitation 2013 January 94(1) 67-73. 4. Marin R. Scapula alata-corrector: behandeling van para lyse van de n. thoracicus longus. Stimulus 2000 19: 48.52. 5. Watson C.J. Schenkman M. Physical therapy management of isolated serratus anterior paralysis. Physical Therapy 1995 75: 194-202.

*Daniël van Riesen, fysiotherapeut/handtherapeut, Handencentrum Utrecht Email: danielvanriesen@gmail.com

Kwaliteitsproducten op het gebied van handtherapie. Breed assortiment: onder andere Coban, Cuticell Contact, MSD-oefenmaterialen, neopreen handfixering, Textape elastische tape, Push braces, Kinetic Sand. Kijk voor het complete assortiment op www.handletselshop.nl

WristWidget

Opvouwbare mirrorbox

CTPro koude + compressie

Exos Bracing System

Nederlands Tijdschrift voor Handtherapie, April 2015

31


Occupational Therapy for Swanson’s MCPJ Arthroplasty * V. C. de Jonge ** S. MacGregor *** K. Tolmie Thesis for “Bachelor of Science” in Occupational Therapy, Hogeschool Rotterdam (Rotterdam University of Applied Sciences)

Background The research question originates from the occupational therapy (OT)/ hand therapy service based at Raigmore Hospital in Inverness, Scotland. Occupational therapy is considered to be an essential part in the management of rheumatoid arthritis (1). The therapists at the hand therapy department focus on providing patients with individual hand therapy, splints and treatment to protect surgical injuries or repairs. Fabrication of thermoplastic splints is frequently indicated in treatment including post arthroplasty of the Metacarpophalangeal joints (MCPJ) (2,3). The OTs providing treatment for MCPJ arthroplasty recognise the need to provide their patients with a guide to supplement hands on treatment, including specific information on how to protect their new joints. The aim for this research project is to explore on what information is needed, in what form this information should be presented to the patient and to develop such form. Research question What patient information is needed for occupational therapists to effectively support patients to protect their new joints post-surgery for Swanson’s MCP joint arthroplasty, and what is a suitable form to provide the patients with this information? The vast majority of indications for MCPJ arthroplasty and the focus of the literature are patients with rheumatoid arthritis (RA) (6). Patients diagnosed with RA often have MCPJ involvement and ulnar drift of the fingers within five years (7,8). The ulnar deviation and sometimes volar subluxation of the fingers affects patients’ ability to open their hands and to hold or pick up objects. Difficulty with eating, washing, dressing other daily activities may be compromised. These functional problems (4), along with instability and pain are often reasons for attempting surgical reconstruction (2). Swanson’s MCPJ arthroplasty is a common surgical intervention to restore the alignment of the fingers. The MCPJs are replaced by silicone implants; Swanson’s is the most commonly used implant for MCP joints (5,6). 32

The surgery will improve not only the alignment of the fingers, but also the range of movement, grip strength and function (7). Research shows that post-surgery rehabilitation is recognized as an important contributor to the functional outcome (8,2). Research shows different splinting regimes have been found to be effective (8,2,6). Although post-operative treatments show variable outcomes, they all demonstrate improvement in function after rehabilitation (10). The splinting regime used at Raigmore requires the patient to wear a dynamic splint during daytime for six weeks and a static resting splint at night for six to eight weeks. Functional use of the hand is not allowed during this time. After six weeks the patient can start using his hands functionally and the OT at Raigmore will give advice on how to protect the new joints. The most important reason is to ensure they get the best out of the joints whilst avoiding abuse. Research tells that joint protection (JP) is one of the activities that OTs use as an intervention post-surgery (8,11). However there is no evidence, protocol or guide available on how to implement this and what the benefits are of JP after arthroplasty. The communication tool is relevant for OT as its goal is to support patients return to performing daily activities independently. Consideration must be given to what type of tool is effective for this group of patients and what it should look like. E-health and communication are topics given consideration in this research because of current digital advances in society. Recent developments in the use of email and mobile technology such as smartphones, computer or tablet applications could provide options for supporting patients with self-management programmes in the future (12). Methods A literature review is conducted to identify evidence for OT and Swanson’s MCPJ arthroplasty. The used databases for the literature review are Chochrane Library, Cinahl Plus and Pubmed. The analyNederlands Tijdschrift voor Handtherapie, April 2015


sis is undertaken by selecting relevant data per article. After selection of data the information is summarised for each topic and finally conclusions are made. The articles are not individually criticized regarding quality with the use of a specific tool or assessment. Interviews were conducted to obtain qualitative data. These interviews provide the therapeutic perspective of OTs treating patients post Swanson’s MCPJ arthroplasty. Five OTs are interviewed, three from Scotland and two from The Netherlands, all with experience in treatment following Swanson’s MCPJ arthroplasty. The interviews are semi-structured and analysed by identifying relevant information for each aspect of research. Findings OT in Swanson’s MCPJ arthroplasty There is evidence available on patients gaining benefits in their daily living from training, advice and counselling provided by OT. For patients with RA, there is evidence on JP being beneficial in daily activities (1). OTs involve patients in education programmes to teach them selfmanagement strategies on how to cope with the unpredictability of the disease and the accompanying functional difficulties. The purpose of patient education is to maintain or improve health or perhaps slow down the disease process. The focus is to teach them how to adjust their daily activity as dictated by the symptoms of their condition (13). Additional articles are identified on treatment following MCPJ arthroplasty since Swanson’s original paper in 1972. Post-surgery rehabilitation is recognised as very important for function by many researchers (2,6,10). Treatment options & interventions One treatment option involves seeing the patient before discharge, providing information on how to cope with oedema and on exercises for the shoulder and elbow. Seven days post-surgery the OT makes two static splints; one with the MCPJs in extension and one with the fingers in flexion. The patient must wear splints 24 hours a day. In the first four weeks patients are advised not to use their hands functionally. Patients are provided with a range of exercises to perform hourly, including flexion and extension of the MCP and interphalangeal (IP) joints, intrinsic muscle exercises, radial deviation of the MCPJs along with advice on how to protect the joints during activities. The exercises and strategies focus on avoiding excessive ulnar forces on the new joints (2,8,10). An alternative regime involves wearing a dynamic splint during the day, holding the MCPJs in a neutral position. The patient can perform active flexion within the splint and extension is passively controlled. This regime is found to be effective in providing the desired combination of stability and movement, (2,3,10). Following removal of the dynamic splint at six weeks, the regime advises patients to undertake exercise to increase and maintain grip strength and prevent the recurrence of ulnar drift. JP principles are reinforced to help the paNederlands Tijdschrift voor Handtherapie, April 2015

tient return to their previous activities (3). Joint protection Previous studies show that instruction on JP is an OT intervention that has a positive effect on functional outcome and in helping patients improve their ability to perform daily activity (1,14,20). JP as an intervention also aims to reduce pain and local inflammation and preserve the integrity of joint structures (20). Another aspect of JP education is to provide patients with information on RA; the effects of the disease on joint structure, patterns of deformity and how strain during daily activity can contribute to deformities, pain and swelling (1,20). JP is mentioned in articles as a treatment option for OT treatment post-surgery to Swanson’s MCPJ arthroplasty (2,8). Healthcare communication & internet interventions People with chronic disease often have multiple needs, for example information on their disease and options for treatment or help making decisions or changing behaviour such as exercising or dieting. Computer-based health information may be a way of supporting these needs to help patients achieve better health. Research does show that computerbased health information has a positive outcome on knowledge, perceived social support, health behaviours and clinical outcomes (15). Murray (15) reports a variable outcome and concludes that there is a need for good quality evidence. Current evidence should be treated with caution. Internet-based educational and therapeutic programs (e-health applications) are increasing for psychological as well as physical disorders (16,17). Research shows there is a promising future for the use of social media by patients. There are many challenges in the use of such media including confidentiality, misinformation, practicality and manipulation of identity. It does have a future in engaging and empowering the patient (18). E-health information has the potential to support standardised care delivery models, or to engage patients in (and deliver) selfassessment tools (19). Recent developments in mobile technology, like smart-phone and tablet computer applications can be helpful to create a platform for the delivery of self-management programmes or customised interventions that are low-cost and easily accessible. Unfortunately the evidence to support these self-management applications is not sufficient (12). Results from interviews The experience of the therapists treating patients with MCPJ arthroplasty varies between 2,5 and 15 years. Four occupational therapists work in a hospital setting and the fifth in a multidisciplinary practice, specialising in hand therapy. The Scottish OTs have all worked with the same protocol for MCPJ arthroplasty, seeing the patients at pre and post-surgery stages. The OTs from The Neth33


erlands are working in two different institutions with treatment procedures and splinting regimes that are different from each other and from the hospital in Scotland. Table 1 provides an overview of the interventions. In Scotland the splinting regime is chosen by the consultant surgeon whereas in The Netherlands the therapists choose and then discuss with the surgeon. They also contribute to the decision on whether the patient is to have the surgery. All the therapists agree that it is beneficial and efficient to work in a multidisciplinary team. The two Dutch therapists find pre-surgery treatment very important. One therapist discusses practical aspects and starts exercises to get the hand structures at the optimum length. Both OTs think patients should be self-managers of their own treatment and start using the hand functionally as soon as possible, even when wearing the splint. All the OTs think the patient should be supplied with instruction on how much effort or stress they ca put on the hand following surgery.

therapy is fundamental both pre and post-surgery for these patients; commencing as early as possible, progressing at each stage with guidance from the therapist and letting the patient be self-managers. All the OTs thought it important to reinforce JP in the guide including the most important principles (Fig. 3) Almost all OTs explained they would prefer to have practical examples of daily activities in the guide, to show how patients can build up functional use of the hand gradually whilst being aware of joint protection. All therapists agree that the use of E-health in hand therapy should be something that is complementary to and not a replacement for hands-on treatment. The therapists think that developments in health care communication cannot be ignored and they are aware that an increasing number of patients search online for health care information. They think that an online guide or application for MCPJ arthroplasty can be useful for patients, but in addition to a paper guide.

All five OTs are of the opinion that a patientâ&#x20AC;&#x2122;s guide would be a beneficial in addition to clinical practice. The table shows the different therapists views on content, type of communication tool and reasons for developing a guide. (Fig. 2) From the therapeutic perspective it is obvious that

Discussion

Table 1

34

Nederlands Tijdschrift voor Handtherapie, April 2015


Tabel 2

Tabel 3

Nederlands Tijdschrift voor Handtherapie, April 2015

35


From the literature it is obvious that post-surgery treatment for this procedure is important for a good functional outcome. This was reinforced in the interviews, but pre-surgery therapy was identified as just as important. The available articles did not contain any information about pre-surgery treatment and therefore evidence is lacking to support these interventions. The literature review was restricted in quality due to limited time and therefore the methodology of the articles could not be criticized thoroughly. Evidence on the applicability of JP principles with artificial joints as an intervention post-surgery to MCPJ arthroplasty is poor. The results on JP are only supported by the OTs in the interviews and mentioned as one of the treatment interventions post-surgery, but thereâ&#x20AC;&#x2122;s no information on the content. The evidence to support self-management applications, as mentioned in the results from the literature, is not sufficient to advise clinical practitioners, policy makers and patients. To understand the efficacy of apps as interventions more research is required. The majority of all studies on therapy delivered via e-health do not have sufficient high quality evidence to make any conclusion regarding effectives. Because of the developments in health care communications, such as social media involvement and self-management applications, it is interesting to try to use these tools in future therapy if that is preferred by patients. It is recommended to do research on the outcome and effectiveness of treatment included with elements of online communication (email, self-management applications, social media) in the future. In the interviews it is clear

that treatment undertaken in Scotland differs from The Netherlands. Many OTs in The Netherlands where approached by email inviting them to take part in the research, but not many replied. It would have been beneficial to interview another Dutch OT from a different institution. The research method was adequate in providing qualitative information, but it would have been interesting to interview in an alternate order because of the differences between the two countries. The amount of OTs that were interviewed for this research was limited because of the small period of time that was available to do the research. The OTs interviewed from Scotland had all been working at Raigmore and were therefore familiar with the same protocol regarding this treatment. This was convenient for this research because of the limitations in time to find OTs with the right experience, but it would have been advantageous to be able to interview OTs from different hospitals in Scotland to explore how they undertake their treatment. The OTs interviewed from the Netherlands were working in different institutions and that also showed in the differences in treatment. The research was limited as patients could not be involved due to lack of ethical approval. For further research on this subject it is recommended the patientsâ&#x20AC;&#x2122; perspective is included. This may provide evidence in support of a communication-tool and preferences for learning style. It will also allow the researcher to explore the needs or experiences of the patients specific to MCPJ arthroplasty.

36

Nederlands Tijdschrift voor Handtherapie, April 2015


Conclusion The literature describes post-surgery treatment as very important in achieving a good functional outcome after Swansonâ&#x20AC;&#x2122;s MCPJ arthroplasty. Occupational therapy treatment is proven to be effective and beneficial for these patients. It is important to provide patients with information on joint protection principles and guide them by providing them with practical advice on how to build up in daily activity gradually post-surgery. A guide to support patients is desired by the occupational therapist to supplement and not replace handson treatment. The therapistsâ&#x20AC;&#x2122; preference is for a paper guide with an additional online version to prepare for future changes in health care communication. The outcome of the interviews shows a preference for the content to include JP principles integrated with practical examples and an approximate timeline for a gradual increase in functional use. References 1. Steultjens, E.E.M.J., Dekker, J.J., Bouter, L.M., Schaardenburg, D.D., Kuyk, M.A.M.A.H., Van den Ende, E.C.H.M. (2004). Occupational therapy for rheumatoid arthritis. The Cochrane Collaboration, Issue 1. 2. Kotwall, P.P., & Varshney, M.K. (2010). Current status of Metacarpophalangeal joint arthroplasty. Journal of Orthopaedics Vol-XII, No. 1. 3. Van Gribben, M., Gabbert, J., Hansan, J., Muhleman, C. (1981). Metacarpophalangeal Arthroplasty: A case report. Physical Therapy, 206209. 4. Massy-Westropp, N., Rankin, W., Krishnan, J. (2003). Metacarpophalangeal arthroplasty from the pa tient's perspective. Journal of hand therapy, 315319. 5. Swanson, A.B. (1972 ). Flexible implant arthroplasty for arthritic finger joints: rationale, technique, and results of treatment. The Journal of Bone and Joint Surgery. American Volume 54 (3), 435-55. 6. Blazar, P. E. (sd). Metacarpophalangeal Arthroplasty in Rheumatoid arthritis. Department of orthopaedics, Brigham and Women's Hospital, Boston MA. Orthopaedic Journal HMS, vol.5. Blazar, P. E. (1998). Metacarpophalangeal Arthroplasty. U.P.O.J., Vol. 11, 47-51. 7. Chung, K.C., Kotsis, S.V., Kim, H.M. (2004). A prospectibve outcome study of Swanson metacarpophalangeal joint arthroplasty for the rheumatoid hand. Journal Hand Surgery, 646-653. 8. Burr, N., Pratt, A.L., Smith, P.J. (2002). An alternative splinting and rehabilitation protocol for metacarpophalangeal joint arthroplasty with rheumatoid arthritis. Journal of hand therapy, 4147. 9. Bureck, W. (2005). Aims of hand therapy in treatment of rheumatoid hand. Handchir Mikrochir Plast Chir, 52-9. 10. Massy-Westropp, N., Johnston, R.V., Hill, C.L.

Nederlands Tijdschrift voor Handtherapie, April 2015

(2008). Post-operative therapy for metacarpophalangeal arthroplasty. The Cochrane Library, Issue 1. 11. Hammond, A. (2010). Joint protection and fatigue management. In A. H. K Dziedic, Rheumatology: Evidence-Based Pratice for Physiotherapists and Occupational Therapists (pp. 137-150). Churchill Livingstone Elsevier. 12. Belisario, M.J.S., Huckvale, K., Greenfield, G., Car, J., Gunn, L.H. (2013). Smartphone and tablet self management apps for asthma. The Cochrane Library. 13. Riemsma, R.P., Kirwan, J.R., Taal, E., Rasker, J.J. (2003). Patient education for adults with rheumatoid arthritis . The Cochrane Collaboration, Issue 2. 14. Niedermann, K., Hammond, A., Foster, A., De Bie, R. (2010). Perceived Benefits and Barriers to Joint Protection Among People with Rheumatoid Arthritis and Occupational Therapists. A Mixed Methods Study. Musculoskelet Care, 143-156. 15. Murray, E., Burns, J., See, T.S., Lai, R., Nazereth, I. (2005). Interactive Health Communication Applications for people with chronic disease. The Cochrane Library, Issue 4. 16. Ruehlman, L.S., Karoly, P., Enders, C. (2012). A randomized controlled evaluation of an online chronic pain self management program. Pain , 319330. 17. Reynolds, J., Griffiths, K., Christensen, H. (2011). Anxiety and depression: Online resources and management tools. Australian family physician, vol. 40, no. 6. 18. Househ, M., Borycki, E., Kushniruk, A.(2014). Empowering patients throuhg social media: the benefits and challenges. Health Informatics Journal, 50-8. 19. Cook, D.J., Manning, D.M., Holland, D.E., Prinsen, S.K., Rudzik, S.D., Roger, V.L., Deschamps, C. (2013). Patient engagement and reported outcomes in surgical recovery: effectiveness of an e-health platform. American College of Surgeons, 648-55. 20. Hammond, A., & Freeman, K. (2001). One-year out comes of a randomized controlled trial of an edu cational-behavioural joint protection programme for people with rheumatoid arthritis. Rheumatology, 1044-1051.

* Veerle C. de Jonge, Occupational therapist (Raigmore) ** Susan MacGregor, Occupational therapy manager (Raigmore) *** Karen Tolmie, Occupational therapist (Raigmore) Email: veerle_c@live.nl

37


VAN ‘INFORMATIEF’ TOT ‘NEDERLANDS TIJDSCHRIFT VOOR HANDTHERAPIE’ Vijfentwintig jaar geleden. De wereld van 1990 kende internet, maar geen Google Street View. Wij, de mensen, hadden al lang een televisie en ook al een aantal jaren een computer. Maar geen gsm’ tje in horlogeformaat en geen tablets. Silicon Valley draaide op volle toeren. Het antwoordapparaat was een handig meubelstuk. Je sprak boodschappen in zoals: “U luistert naar het antwoordapparaat van Coby van Heeswijk. Ik kan u op dit moment niet persoonlijk te woord staan, maar na de pieptoon kunt u uw boodschap inspreken. Als u wilt dat ik u terugbel, noemt u dan even uw telefoonnummer. Ook voor het maken van een afspraak voor handtherapie kunt u uw boodschap inspreken. Einde bericht”. Dat inspreken van de voice- mail in een goedkoop microfoontje moest soms wel vier maal opnieuw gedaan worden. Want: de buren begonnen te stofzuigen, er kwam een vliegtuig over, de hond van de achterburen blafte of de voordeurbel ging. De redactie werd gevormd uit een aantal enthousiaste leden van het kersverse Nederlands Gezelschap voor Handtherapie (NGHT). Het eerste tijdschrift kwam uit in oktober 1992, heette: ’INFORMATIEF’ en was niet veel meer dan wat namen en aanbevolen artikelen op drie, dubbelzijdige, A-viertjes. Er werd vergaderd op het Centraal Station van Utrecht. Een middag- en avondvullende exercitie want de redactieleden kwamen uit Groningen, Nijmegen, Den Bosch en Amsterdam. In de aktetas zaten papieren agenda’s, notulen en artikelen. Deze gingen per PTTpost heen en weer tussen de redactieleden. Het redigeren (met pen/potlood) ging door opmerkingen in de (vaak te smalle) kantlijn te schrijven. Ontwikkeling Er kwam een Draaiboek voor de Redactie. Interessant in die eerste editie was om bij een van de taken van een redacteur te lezen: ”Hij/zij opent twee maal per week zijn/haar mailbox”. Stel je dat eens voor anno 2015; het zou acute onthoudingsverschijnselen geven. Enkele feitjes 2003: Eerste Draaiboek Redactie van 6 pagina’s (1.835 woorden). 2010: Update van het draaiboek, met 16 pagina’s (3.278 woorden). 2014: Nieuwe update van 19 pagina’s (4.439 woorden). 2010: Een complete metamorfose van het tijdschrift, met glossy allure. De inhoud was al even fraai. Eén keer (in 2002) verscheen het tijdschrift volledig Engelstalig, dit vanwege het internationale congres van de European Federation of Societies for Hand Therapy (EFSHT) in de RAI in Amsterdam. Sponsoren deden hun intrede. Het NGHT is gegroeid naar 600 leden. Leden van het eerste uur kennen hun lidmaatschapsnummer uit het hoofd. Er werd destijds bijna om ‘gevochten’ om nummer 1 te krijgen. Dat kwam toe aan Margreet ter Schegget (Ϯ) onze eerste voorzitter. Er zijn in totaal 22 redacteuren geweest of nog actief; een turn over van een per jaar. Gemiddeld bleef men vier jaar redacteur; sommigen stopten na twaalf maanden, anderen zijn nog actief na twaalf jaar. Er waren door de jaren heen trouwe inzenders van kopij, zowel vakinhoudelijk als bestuurlijk. Onderwerpen die regelmatig terugkwamen zijn: Peesletsel, zenuwletsel, radiusfracturen, brandwonden, midcarpale instabiliteit, reumatoïde artritis en CMC-I artrose. Er waren bijzondere themanummers, die gretig aftrek vonden zoals: Reuma, de pols, musici, topsporters en het laatste themanummer over de huid. De kwaliteit werd gaandeweg beter, mede omdat er steeds meer wetenschappelijke input kwam. Ook de redactie is verrijkt met handtherapeuten met een universitaire titel. En nu De voicemail: “Dit is Coby, boodschap na de piep”. Vergaderingen gaan via skype en duren gemiddeld 70 minuten. De artikelen, agenda’s, notulen staan in onze ‘eigen sky box’ en op één USB- stickje. Redigeren doen we met een paar muisklikken op: ‘Wijzigingen bijhouden’ en ‘Nieuwe opmerking’. Er is een heel forum met opmerkingen en correctiesuggesties in de digitale kantlijn. Wat gebleven is, en nog springlevend, is het enthousiasme waarmee steeds weer een nieuw tijdschrift wordt gemaakt. Jaargang 23. November 2014 had 60 pagina’s… U leest nu in Jaargang 24. April 2015. Op naar ónze 25ste verjaardag. -de Redactie-

38

Nederlands Tijdschrift voor Handtherapie, April 2015


Nederlands Tijdschrift voor Handtherapie, April 2015

39


Van het bestuur VAN NGHT NAAR NVHT IN 25 JAAR 25 jaar geleden kwam een kleine groep mensen bij elkaar. Zij hadden een gezamenlijke interesse in handen en hebben samen het Nederlands Gezelschap voor Hand Therapie (NGHT) opgericht. Deze groep mensen, pioniers in de handtherapie, verzette veel werk om te komen tot onze huidige vereniging. Begrippen werden gedefinieerd, doelstellingen geformuleerd, de organisatiestructuur werd uitgewerkt, statuten werden opgesteld, een logo werd ontworpen en uiteindelijk werd de officiële oprichtingsvergadering gehouden op 12 december 1990. Dankzij deze gedegen gelegde basis kon de vereniging groeien, op meerdere fronten. Van handgeschreven ledenlijsten naar een volledig geautomatiseerd systeem via de website. Van een boekhouding in een boek naar een professioneel digitaal boekhoudsysteem. Van de acht pioniers naar meer dan 600 leden in 25 jaar is toch wel een hele prestatie. Maar kwantiteit betekent niet automatisch kwaliteit, al staan we met meer leden wel sterker. De afgelopen 25 jaar is er veel geïnvesteerd in het bevorderen van de kwaliteit van de leden. Interessante symposia en de mogelijkheid tot certificering zijn daar mooie voorbeelden van. Net zoals de erkenning van het specialisme Hand-ergotherapeut door Ergotherapie Nederland (EN). Jubileum We zijn een eind op weg en dat is volgens het bestuur een feestje waard. Daarom een groot jubileumsymposium op 5 en 6 juni, voor het eerst officieel als Nederlandse Vereniging voor Hand Therapie (NVHT), een besluit dat in het najaar van 2014 in de Algemene Vergadering (AV) is genomen. We hopen dat alle leden naar het symposium komen, om er met elkaar een mooie start te maken van de volgende 25 jaar. Want we zijn er nog niet. De erkenning door het Koninklijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie (KNGF) moet er ook gaan komen. Goed nieuws is dat we bij het KNGF nu weer meer in beeld lijken te komen. Zo zijn we gevraagd mee te werken aan een themanummer in Fysiopraxis over de hand. Een goed initiatief waardoor handtherapie en onze vereniging meer bekend worden. Ook moet er nog steeds meer bekendheid komen bij verzekeraars, verwijzers en patiënten. Er is een nieuw beleidsplan opgesteld voor de komende jaren waarin we concrete stappen willen zetten om deze doelen te bereiken. Dit kan alleen dankzij de inzet van vele leden, die naast hun vaak al drukke baan, al heel veel jaren lang, met veel enthousiasme, de klussen aanpakken die moeten worden gedaan. Al die mensen zijn wij heel veel dank verschuldigd, want zonder hen kan de vereniging niet bestaan. Wil jij ook je bijdrage leveren? Meld je dan aan bij het bestuur. Vele handen maken licht werk, en samen staan we sterk. Wie weet waar we dan staan over nog eens 25 jaar. Hopelijk tot ziens op 5 en 6 juni. Namens het bestuur Karin Boer-Vreeke -Voorzitter-

Colofon Tijdschrift van het Nederlands Gezelschap voor Handtherapie Redactieleden: Gaby van Meerwijk (secretaris), Yara van Kooij, Aline van Luttikhuizen Stephan van de Ven (opmaakredacteur) en Daan Wessing (eindredacteur), Redactiesecretariaat: Redactie@handtherapie.com Abonnementen: admin@handtherapie.com Vormgeving: Stephan van de Ven, Logo Harry van Kuyk Druk: Drukkerij G. van Ark Oplage: 720 exemplaren Richtlijnen auteurs: Zie website www.handtherapie.com

Profile for NVHT2017

NVHT2015april  

NVHT2015april  

Profile for nvht2017
Advertisement

Recommendations could not be loaded

Recommendations could not be loaded

Recommendations could not be loaded

Recommendations could not be loaded