De Boomklever December 2015

Page 8

100

De boomklever I december 2015 I ongewervelden

is en de onderzoeksmethode vaak beperkt is tot terreininventarisaties? In de Limburgse Kempen worden zeer zeldzame soorten namelijk vaak waargenomen in bodemvallen, terwijl deze onderzoeksmethode in het Dijleland minder vaak toegepast wordt. Voor mieren zijn, zowel op lokale als op nationale schaal, de verspreidingskaarten een resultaat van de aanwezigheid van geschikte biotopen en van de inventarisatiegraad (zie ook Lommelen, 2014a). Het Dijleland heeft qua geschikte leefgebieden iets minder potenties dan de Kempen en de streken ten zuiden van Samber en Maas, maar kan, vooral in de omgeving van Leuven, beschouwd worden als een relatief goed onderzochte locatie. TOEKOMSTIG ONDERZOEK Deze artikelreeks is, evenals de Belgische atlas, uiteraard geen eindpunt voor mierenonderzoek in het Dijleland. Tijdens het maken van de reeks hebben een aantal zaken mijn aandacht getrokken, en deze zullen wellicht bepalen waar ik me de komende jaren op ga richten tijdens inventarisaties. Nu de verspreiding van de redelijk algemene soorten in het Dijleland goed gekend is, kan de focus nog meer gelegd worden op de zeldzame soorten. Er kan bijvoorbeeld meer aandacht besteed worden aan onderzoek van nesten van gastmiersoorten om de aanwezigheid van parasitaire mieren aan te tonen. Ook kan het toepassen van andere onderzoeksmethoden nieuwe soorten opleveren. Zo raadt Boer (2008) aan om terreininventarisaties te combineren met ‘buisvallen’ om een goed beeld te krijgen van de soortenstelling van een gebied. Buisvallen zijn proefbuizen gevuld met vruchtenwijn die net als bodemvallen (confituurpotten met fixeervloeistof) tot aan de bovenrand in de grond ingegraven worden om over de bodem lopende insecten te vangen. Voor mieren leveren ze meer soorten op dan bodemvallen, en er zijn geen mierensoorten die wel in bodemvallen gevangen worden maar niet in buisvallen (Boer, 2008). Bodemvallen worden vaak gebruikt om een totaalbeeld te krijgen van

de bodemactieve ongewervelden van een gebied en leveren voornamelijk loopkevers en niet-webbouwende spinnen op. Er zou bijgevolg een grote restfractie zijn als ze specifiek voor miereninventarisaties gebruikt zouden worden. Als vangstmethode lijken buisvallen dus een beter alternatief dan bodemvallen om mieren te inventariseren. Boer (2008) raadt verder aan om terreininventarisaties en buisvalvangsten eventueel aan te vullen met lichtvalvangsten, die voornamelijk in het kader van nachtvlinderonderzoek uitgevoerd worden. Ook malaisevallen en andere methoden om kruipende of vliegende ongewervelden te inventariseren, zouden waarnemingen van mieren kunnen opleveren. Bij deze een oproep om de mieren aan de mierenwerkgroep of aan mij te bezorgen als dergelijke onderzoeksmethoden toegepast worden. Uit de artikelreeks blijkt dat algemene doodhoutsoorten als de Humusmier (Lasius platythorax) en de Behaarde slankmier (Leptothorax acervorum) mogelijk onderbemonsterd zijn (Lommelen, 2014c en 2015b). Een gerichte zoekinspanning naar doodhoutsoorten is dus wenselijk, vooral omdat dit behalve bijkomende waarnemingen voor deze soorten ook de aanwezigheid van nieuwe doodhoutsoorten zou kunnen aantonen. Een laatste idee voor toekomstig onderzoek is de aanwezigheid van de Lepelsteekmier (Myrmica lonae) in het Dijleland te bevestigen. Deze soort is hier eenmaal waargenomen in 1997 en het is onduidelijk of ze nog steeds voorkomt (Brosens et al., 2013; Dekoninck et al., 2012; Lommelen, 2015a). Hiervoor is gericht terreinonderzoek in de omgeving van de eerste waarneming of in voor de soort geschikte habitats aangewezen. WOORDENLIJST thermofiel

Warmteminnend, een voorkeur hebben voor droge en warme, zonbeschenen plekken.

Interesse in mieren? VLAAMSE MIERENWERKGROEP POLYERGUS: zie www. formicidae.be (info over mieren, contactgegevens voor controle van determinaties, …) WAALSE MIERENWERKGROEP FOURMISWALBRU: zie www.fourmiswalbru.be (met forum waarop mierenexcursies en andere activiteiten aangekondigd worden)

Literatuur Blatrix R., Galkowski C., Lebas C. & Wegnez P., 2013. Guide des fourmis de France, de Belgique et du Luxembourg. Delachaux et Niestlé, 287 p. Boer P., 2008. Het inventariseren en monitoren van mieren (Hymenoptera: Formicidae). Nederlandse faunistische mededelingen 28: 17-34. Boer P., 2010. Mieren van de Benelux. Stichting Jeugdbondsuitgeverij, ’s Graveland, 183 p. Brosens D., Vankerkhoven F., Ignace D., Wegnez P., Noé N., Heughebaert A., Bortels J. & Dekoninck W., 2013. FORMIDABEL: The Belgian ants database. ZooKeys 306: 59-70. (zie ook www.formicidae-atlas.be) Dekoninck W., Ignace D., Vankerkhoven F. & Wegnez P., 2012. Verspreidingsatlas van de mieren van België/Atlas des fourmis de Belgique. Bulletin de la Société royale belge d’Entomologie/ Bulletin van de Koninklijke Belgische Vereniging voor Entomologie, 148: 95-186. Dekoninck W., Vankerkhoven F. & Maelfait J.-P., 2003. Verspreidingsatlas en voorlopige Rode Lijst van de mieren van Vlaanderen. Rapport van het Instituut voor Natuurbehoud 2003.07, Brussel, 191 p. D’Haeseleer J., Lambrechts J., Nijs G., Stassen E. & Veraghtert W., 2014. Inventarisatie van bosrelicten in Vlaams-Brabant. Rapport Natuurpunt Studie 2014/14, Mechelen, 186 p. Lommelen E., 2014a. De mieren van het Dijleland. Deel 1: methodiek en globale resultaten. De Boomklever 42: 8-13. Lommelen E., 2014b. De mieren van het Dijleland. Deel 2: Formica sp. De Boomklever 42: 38-45. Lommelen E., 2014c. De mieren van het Dijleland. Deel 3: Lasius sp. De Boomklever 42: 74-81. Lommelen E., 2015a. De mieren van het Dijleland. Deel 4: Myrmica sp. De Boomklever 43: 5-9. Lommelen E., 2015b. De mieren van het Dijleland. Deel 5: Strooiselmieren. De Boomklever 43: 32-37. Radchenko, A.G. & Elmes, G.W., 2010. Myrmica ants (Hymenoptera: Formicidae) of the Old World. Natura Optima Dux, Warsaw, 789 p. Seifert B., 2007. Die Ameisen Mittel- und Nordeuropas. Lutra Verlags- und Vertriebgesellschaft, Görlitz/Tauer, 368 p. Steiner F.M., Schlick-Steiner B.C. & Moder K., 2006. Morphology-based cyber identification engine to identify ants of the Tetramorium caespitum/impurum complex (Hymenoptera: Formicidae). Myrmecologische Nachrichten 8: 175-180. Wegnez P., Ignace D., Fichefet V., Hardy M., Plume T. & Timmermann M., 2012. Fourmis de Wallonie (2003 – 2011). Publication de Département de l’Étude de Milieu Naturel et Agricole (SPW-DGARNE), Série “Faune – Flore – Habitat” n° 8, Gembloux, 272 p.

ONGEWERVELDEN

toop voor mieren. De meeste hierboven vermelde thermofiele soorten komen in België inderdaad vooral op deze bodemtypen voor en vertonen een verspreiding met zwaartepunt in de Kempen, ten zuiden van Samber en Maas en ten zuidoosten van Brussel (het Dijleland en Waals-Brabant). Doordat deze grondsoorten minder interessant zijn voor landbouw, zijn ze bovendien bosrijker en bijgevolg vertonen bossoorten een gelijkaardige verspreiding als thermofiele soorten (Brosens et al., 2013; Dekoninck et al., 2012). Ook de totale soortenrijkdom vertoont een gelijkaardig verspreidingspatroon, met de hoogste soortenaantallen per UTM 5x5 km-hok in de Kempen, de Fagne-Famenne-Calestienne en de Condroz. Deze streken buiten beschouwing gelaten, behoort onder andere het Dijleland tot de meer soortenrijke gebieden. Binnen de leemstreek zijn het Dijleland en de Groene gordel het meest soortenrijk (Brosens et al., 2013; Dekoninck et al., 2012 en www.formicidae.be). De lagere soortenrijkdom in het Dijleland in vergelijking met de streken ten zuiden van Samber en Maas kan deels verklaard worden door de afwezigheid van soorten met een voorkeur voor rotsen en kalkgraslanden. Anderzijds zijn er in het Dijleland geen soorten waargenomen die in België als zeldzaam beschouwd worden (vanwege het lage aantal waarnemingen) met uitzondering van de Diefmier (Solenopsis fugax), de Lepelsteekmier (Myrmica lonae) en de Gewone compostmier (Hypoponera punctatissima). In de Kempen zijn wel meerdere zeldzame tot zeer zeldzame soorten waargenomen. Vaak betreft het mieren met een zeer verborgen levenswijze, zoals bijvoorbeeld parasitaire soorten die het grootste deel van hun leven in nesten van andere soorten doorbrengen en enkel tijdens de bruidsvlucht bovengronds komen. Zijn deze soorten niet aanwezig in het Dijleland omdat de oppervlakte geschikt leefgebied te laag is of omdat de populaties van de gastmieren hier niet groot genoeg zijn om een leefbare populatie te kunnen handhaven? Of zijn ze nog niet waargenomen omdat de trefkans zeer laag

DANKWOORD Mijn dank gaat naar François Vankerkhoven en Wouter Dekoninck van mierenwerkgroep Polyergus voor het ter beschikking stellen van de gegevens, Jeroen Mentens en Vildaphoto voor de mooie foto’s en Roel Uyttenbroeck om de kaartjes te maken. Verder dank ik Jorg Lambrechts om me op de hoogte te houden van studies over mieren in de streek, Paul Nuyts en Krista De Greef voor de tip over de bosmieren en iedereen die me (tips over de aanwezigheid van) mieren bezorgde. Els Lommelen els.lommelen@gmail.com De boomklever I december 2015 I ongewervelden

101