De Boomklever Juni 2018

Page 1

BOOMKLEVER

de

Tijdschrift van de Natuurstudiegroep Dijleland

Jaargang 46 - juni 2018


inhoud Edito

35

Het potentieel van WIJGMAALBROEK

Tijdschrift van de natuurstudiegroep Dijleland

Ongewervelden MACRONACHTVLINDERS in het Zoniënwoud

40

NIEUWE SPRINKHAANSOORT in het Dijleland

56

Vissen Herstel van de RIVIERDONDERPAD Vogels

52

GRAUWE KLAUWIER

36 61

VOGELWAARNEMINGEN in het Dijleland

69

BIG DAY - een sfeerverslag

De eerste keer Nacht en Dag Activiteiten Colofon

51 71 72

Coverfoto DOODE BEMDE Foto: Georges Nijs


EDITORIAAL

Het potentieel van het Wijgmaalbroek

De Big Day 2018 was weer een editie om van te smullen. Een van de zaken die mij opvielen was voor hoeveel bijzondere soorten het Wijgmaalbroek een sterkhouder bleek. Dit is een mooi gebied in de Dijlevallei ten noorden van Leuven dat minder aandacht krijgt dan de gebieden in de Dijlevallei ten zuiden van Leuven. Om redenen die niet helemaal duidelijk zijn, zijn smaakmakers als Wielewaal en Nachtegaal echter volledig verdwenen uit die zuidelijke Dijlevallei, net als de betreurde Zomertortel. Keer op keer blijken deze soorten, op Zomertortel na, het wel nog naar hun zin te hebben in het Wijgmaalbroek. De enige plek in onze regio waar je nog de prachtige combinatie kunt horen van Wielewaal, Nachtegaal en Koekoek, is dan ook het Wijgmaalbroek. Het gevarieerde landschap in de vochtige komgronden van de Dijle heeft duidelijk potentieel hier. Getuige hiervan ook andere topsoorten zoals Sleedoornpage, Kamsalamander en Wilde narcis. Op het eerste gezicht zou je denken dat deze soortencombinatie ook nog perfect te vinden zou moeten zijn in de Doode Bemde, de Laanvallei of het Silsombos, maar blijkbaar zijn er toch elementen die wij niet zo opmerken, maar die voor deze soorten wel de doorslag geven om nog voet aan de grond te houden in de leuke mix van soortenrijke Ferrarisbosjes en rijke historische graslanden met veel gradiĂŤnten in het Wijgmaalbroek. Als dan nog een pak zeldzamere soorten neerstrijken als Grauwe klauwier en Hop op de Big Day en als een week later zelfs een Ortolaan begint te zingen, kan dit geen toeval meer zijn. Die beesten hebben duidelijk een neus voor kwaliteit. Een doornhaag die goed genoeg is voor Sleedoornpages moet ook goed genoeg zijn voor

een broedkoppel Grauwe klauwier als je het mij vraagt. De plek waar de Ortolaan opdook aan de Langenbos is trouwens ook niet toevallig een van de authentiekere valleilandschappen die onze regio rijk is. Oude hobbelige graslanden zijn hier nog omringd door knoestige knotwilgenrijen. Ik mocht het zelf ervaren op een Big Day enkele jaren geleden toen een Steenuiltje daar aan het genieten was van de eerste zonnestralen. Het landschap hier is intrinsiek gelinkt aan eeuwenoud menselijk landgebruik dat nog niet gezwicht is voor de industriĂŤle landbouw. Je kan enkel maar hopen dat er voldoende incentives kunnen gegeven worden om dit gebied zo authentiek mogelijk te bewaren. Indien het landbouwbedrijf ooit stopt, hoop ik dat iemand in de bres kan springen om dit stukje Wijgmaalbroek te vrijwaren. Een van de weinig koppels Roodborsttapuit die onze streek rijk is, zal er in elk geval dankbaar voor zijn. Natuurpunt Leuven zet zich hard in voor het versterken van de biodiversiteit in dit mooie gebied. Het resultaat mag er wezen, maar stemt ook hoopvol voor de toekomst. Ik hoop dat het Wijgmaalbroek nog meer kan groeien en zo zijn eretitel van een tweede Doode Bemde ten noorden van Leuven meer dan waar kan maken. Bruno Bergmans Bestuurslid Natuurstudiegroep Dijleland De Boomklever I juni 2018 I editoriaal

35


Big Day 2018 een sfeerverslag We schrijven zaterdag 5 mei 2018, iets voor tien uur ’s avonds, aan de rand van het Meerdaalwoud in Sint-Joris-Weert. Een vierkoppig gezelschap legt de laatste hand aan het strijdplan voor de komende 24 uur. Verspreid over de regio bereiden maar liefst 50 vogelkijkers – jong en oud – zich voor om het onderste uit de kan te halen en samen zo veel mogelijk vogelsoorten te spotten binnen het werkgebied van de Natuurstudiegroep Dijleland. Er heerst een zekere spanning en hier en daar een vleugje pessimisme. Zou het ditmaal lukken om het fenomenale record van 132 vogelsoorten in 2016 te verbreken? De voorbije week konden noch noemenswaardige trekbewegingen noch “speciallekes” opgetekend worden, wat toch vragen oproept omtrent onze kans op succes. Wie weet wordt het zelfs ronduit een diepte-

Zonsopgang - Doode Bemde Foto: Norbert De Clercq

36

punt? Veel tijd om te piekeren is er niet want iets later luiden de kerkklokken de start van deze elfde editie van de Big Day in. Een roepende Ekster bij de Abdij van Vlierbeek gaat al onmiddellijk aan de haal met de prijs van de eerst waargenomen soort. Enkele ogenblikken later hoort het bosteam een Bosuil in Meerdaalwoud en bij de oprit Holsbeek van de E314 in Wilsele kan al meteen een Houtsnip gescoord worden. Het uilenteam vindt op de leemplateaus zonder getreuzel ook Steenuil, Kerkuil en Ransuil. In Wijgmaalbroek weerklinkt traditiegetrouw de zang van Nachtegaal, te Leefdaal plateau wordt Patrijs gehoord en in Korbeek-Dijle worden ook al Sprinkhaanzanger en Blauwborst tot de waargenomen soorten gerekend. Een vlotte start, want hiermee zijn vrijwel alle nachtelijke doelsoorten reeds waargenomen. Ook enkele meer algemene soorten kunnen ondertussen aan de lijst toegevoegd worden zoals Roodborst, Kraai en Knobbelzwaan. Te Leefdaal plateau wordt iets voor middernacht geen vogel maar een vallende ster waargenomen, een voorteken dat het toch een topeditie wordt? Voor één soort worden de leemplateaus – van het Dorenveld tot het plateau van Maleizen – nog tot in de late uurtjes naarstig afgeschuimd: Kwartel. De grote aantallen zijn op dit moment nog niet toegekomen vanuit de overwinteringsgebieden


in Afrika, maar desondanks is er een waterkansje dat ergens in de streek een “kwik-me-dit” weerklinkt. Tevergeefs zo blijkt, waarna de meeste deelnemers kort onder de wol kruipen om hooguit een paar uur later weer van start te gaan. Om 5 uur ’s ochtends luidt de zang van een Gekraagde roodstaart het begin van de nieuwe dag in te Huldenberg. Vanaf dan gaat het snel en wordt de ene na de andere soort gemeld. In het Eikenbos wordt een Fluiter gehoord. In tegenstelling tot vorig jaar is deze soort vrij talrijk toegekomen uit Sub-Saharisch Afrika: later op de dag worden in het Zoniënwoud zonder al te veel moeite nog zes bijkomende zangposten gevonden. De meeste voorbije edities vielen ook net te vroeg om Bosrietzanger mee te pikken, maar ditmaal is deze soort wel van de partij, zoals een zingend mannetje bij zonsopgang overtuigend demonstreert bij de Vijvers van Erps-Kwerps. Te Oud-Heverlee Zuid roept een Groenpootruiter herinneringen op aan de topeditie van 2016, toen niet één maar op een bepaald moment bijna 100 individuen pleisterden op dezelfde locatie. Het trektelteam weet vanop de trektelpost van Leefdaal plateau een Raaf op te pikken die de Dijlevallei overvliegt. Een zeer “goede” soort voor deze Big Day, aangezien het koppeltje Dijlelandse

Raven zich volledig wist te onttrekken aan onze aandacht gedurende de weken vóór de Big Day. Ook Slechtvalk, Watersnip, Wielewaal, Appelvink, Glanskop, Bruine kiekendief en tal van andere soorten vervoegen ondertussen de soortenlijst. Om iets na 8 uur ’s ochtends wordt de kaap van de 100 soorten al bereikt, wanneer een groepje Staartmezen zich laat opmerken op de Paardenrenbaan van Groenendaal. Niet veel later volgen ook Spotvogel en Grote lijster. Klaroengeschal weergalmt vanop de trektelpost te Leefdaal plateau wanneer het trektelteam een Roodkeelpieper uit de lucht weet te pikken, die bovendien vlak naast de trektelpost invalt! Een “vetrode” soort die voor het eerst tijdens een Big Day wordt opgemerkt. Niet veel later ontdekt team Twitching Twins een Hop in Wijgmaalbroek, eveneens een bijzonder straffe soort, die nog maar één keer eerder tijdens een Big Day werd waargenomen! In het uur dat volgt kunnen ook Visarend, Grauwe vliegenvanger, Havik, Roodborsttapuit en Waterral aan de lijst toegevoegd worden. In Wijgmaalbroek bereikt de Big Day een nieuw hoogtepunt wanneer een Grauwe klauwier ontdekt wordt – een ware droomsoort voor de Big Day, die nog nooit tijdens een eerdere editie werd gevonden. Alsof dit niet genoeg was, wordt De Boomklever I juni 2018 I vogels

VOGELS

Zonsopgang - Erps-Kwerps Noord Foto: Bruno Bergmans

37


Team Twitching Twins - Wijgmaalbroek Foto: Tom Bovens

Grauwe klauwier - Wijgmaalbroek Foto: Jonathan Menu

iets later in Korbeek-Dijle ook nog een koppeltje Grauwe klauwier ontdekt! Twee soorten geven ondanks doorgedreven inspanningen maar niet thuis: Matkop en Middelste bonte specht. Beide soorten zijn vrij algemeen in de streek en worden normaalgezien tijdens elke Big Day waargenomen, maar vandaag werken ze echt niet mee. Vele persoonuren gaan voorbij zonder ook maar één glimp, roep of roffel op te vangen van een van beide soorten. Toch zal deze queeste deels bijdragen aan het succes van deze Big Day. Terwijl boswachters Johan en Marc en ondergetekende ’s middags bijtanken aan een picknicktafel in het Tervuurse deel van het Zoniënwoud, horen we boven onze hoofden plotseling een bijzondere zang. Zou het werkelijk… ? Opnameapparatuur wordt opgesteld om te documenteren wat we horen: een intrigerende boomkruiper waarvan de zang begint als een (gewone) Boomkruiper maar die eindigt als een Taigaboomkruiper! Af en toe weerklinkt bovendien een zuivere Taigaboomkruiperzang. Een bijzonder interessant gedragsecologisch fenomeen dat bekend staat als “mixed singing” (gemengd Spreeuw een van de vele waargenomen soorten Foto: Tom Bovens

38

De Boomklever I juni 2018 I vogels

zingen), waarbij een soort elementen overneemt van de zang van een nauw verwante soort. Dit stelt het individu in staat om ook tegen de nauw verwante soort een territorium te kunnen verdedigen. Bijna altijd neemt de minst talrijke soort elementen over van de meest talrijke, wat zou impliceren dat het hier wellicht werkelijk om een Taigaboomkruiper gaat. Een week na de Big Day kon dit beestje op dezelfde locatie gefotografeerd worden en nam het waargenomen verenkleed de twijfels weg: alles wijst op Taigaboomkruiper. Na vele jaren tevergeefs uitkijken naar deze soort in de regio, wordt dit individu uitgerekend tijdens de Big Day geheel toevallig opgemerkt. De vijverteams weten bij het Grootbroek in SintAgatha-Rode de eerste stern van de dag op te pikken: een Visdiefje. Te Oud-Heverlee Zuid wordt dan weer een Bosruiter gevonden. Na een paar uur radiostilte worden in de namiddag zes Zwarte sterns waargenomen bij het Grootbroek. Na lang zoeken worden in Neerijse ook Goudvink en Zwarte specht gevonden. Na enkele bezoeken aan de industriezone in Haasrode wordt uiteindelijk ook Scholekster gevonden, een leuke klas-

Nog een tweetal uur te gaan Grootbroek te Sint-Agatha-Rode. Foto: Maxime Fajgenblat


sieker tijdens elke Big Day sinds 2005. In Neerijse vliegt een Zwarte wouw over. De Zwarte sterns blijven goed doorkomen, met ook nog eens twaalf exemplaren die kort Oud-Heverlee Noord bezoeken en twee exemplaren te Neerijse Grote Bron. Op deze laatste locatie duikt plots ook een Dwergmeeuw op. Een Ooievaar die de streek doorkruist, brengt de teller naar maar liefst 125 soorten, met nog iets meer dan vijf uur te gaan. Toch blijkt het geen makkelijke opgave om de teller verder op te drijven. Zowel Matkop als Middelste bonte specht zijn nog steeds spoorloos, en een nauwkeurige check van de omgeving van Tersaert in Huldenberg leverde ook geen verhoopte Bruinkeelortolanen en Steppezandhoenen op. Wat humor blijft gelukkig nooit ver weg in de “Dijleland Bird Alert” WhatsAppgroep, die tijdens deze Big Day gekaapt wordt als voornaamste communicatieplatform. Uit de Doode Bemde komt om 19 uur uiteindelijk het verlossende bericht dat Matkop “binnen is”. 126. Iets later kan ook nog een Wespendief vanuit Wijgmaal opgepikt worden. 127. Tijdens een zoveelste bezoek aan de omgeving van de

De nieuwe generatie Big Day’ers staat al klaar Foto: Rose Bruffaerts

Dikke Eik in Mollendaalbos blijken de woudgeesten ons plots wél gunstig gezind en geven enkele Middelste bonte spechten een audiovisuele show. 128. Op twee uur verwijderd van het einde kan de euforie niet op wanneer een voorbijtrekkend Smelleken vanop Leefdaal plateau opgepikt kan worden. 129. Wie dacht dat hiermee de kous af was, bleek mis. Jawel, op minder dan een uur voor het einde van deze Big Day wordt nog een overtrekkende Graspieper onderschept. 130! Tijdens het laatste halfuur worden nog enkele laatste inspanningen geleverd om nog lastige soorten als Oehoe, Kwartel, Woudaap en Porseleinhoen op te sporen. Om klokslag 22 uur breekt het einde aan van deze editie – en wat voor een! Niet alleen gaat deze Big Day met 130 soorten de annalen in als tweede meest succesvolle ooit, ook de soortensamenstelling was deze keer om van te smullen: Raaf, Roodkeelpieper, Hop, Taigaboomkruiper, Grauwe klauwieren … Bedankt aan alle deelnemers voor dit memorabel avontuur, en hopelijk tot de Big Day 2019!

VOGELS

Scholekster - Haasrode Industrie Foto: Jonathan Menu

Maxime Fajgenblat

De Big Day 2018 zit er op! Foto: Maxime Fajgenblat

De Boomklever I juni 2018 I vogels

39


Macronachtvlinders in het Zoniënwoud door de eeuwen heen Enkele jaren geleden kwam ik in contact kwam met de Catalogue des Macrolépidoptères de Belgique van Hackray e.a., uitgegeven tussen 19641980, een uitgave met de oplijsting van de macronachtvlinders van België en hun voorkomen per geografisch district. In dit werk worden bij de minder algemene soorten soms de vindplaatsen, de waarnemer en het vangstjaar vermeld. Deze cataloog herneemt voornamelijk de situatie rond 1940-1980. Oudere waarnemingen worden sporadisch weergegeven. Tot mijn verwondering kwam de vangstplaats “Zoniënwoud” relatief veel voor, vandaar rijpte bij mij het idee om de oude gegevens te vergelijken met de huidige vangstgegevens. 1 BRONNEN Er bestaan relatief veel oudere gegevens in verband met vlinders/nachtvlinders (inclusief micronachtvlinders). Ik consulteerde volgende bronnen (in volgorde van ouderdom), in het blauw staan de gegevens die werden gedigitaliseerd en vrij beschikbaar zijn op het internet: - Les Annales de la Société entomologique de Belgique van 1857 tot 1924 met als belangrijke onderdelen: • Catalogue des Insectes Lépidoptères de la Belgique van de Selys – Longchamps van 1857 • Catalogue des Lépidoptères de Belgique van Donckier de Donceel van 1882

40

De Boomklever I juni 2018 I ongewervelden

- Les revues mensuelles de la Société Entomologique Namuroise 1901-1913: • Catalogue des Lépidoptères de Belgique van L-J. Lambillion van 1903 (niet op het internet terug te vinden) (gepubliceerd als bijlage bij de revues mensuelles) - Catalogue des Lépidoptères de France et de Belgique van Léon Lhomme uitgegeven tussen 1923-1935 (gegevens van rond 1900 tot 1930) - De historische waarnemingen van Malfliet en Professor A. Soenens vervat in Waarnemingen. be uit de periode 1925 en rond 1935 - Catalogue des Macrolépidotères de Belgique van Hackray en Sarlet (gegevens van voor 1980) De recente gegevens (voornamelijk vanaf 2000) zijn afkomstig van: - De database van Phegea (VVE) met voornamelijk waarnemingen uit de periode na 2000 - Gegevens uit de databank van Waarnemingen (voornamelijk vanaf 2008) - Gegevens van de vangsten in de Jardin Massart (KBIN) - Gegevens van collega’s vlinderaars waarvan het grootste gedeelte in Waarnemingen.be is ingebracht - Mijn eigen database van mijn vangsten (al dan niet samen met collega’s vlinderaars) in het Zoniënwoud, die in Waarnemingen.be ingebracht is. De overgenomen gegevens werden niet op hun exactheid getoetst.


2.1 Afbakening soorten Enkel de macronachtvlinders werden in deze studie opgenomen. De definitie van macronachtvlinder is niet eenduidig. Ik volgde de opdeling van Waring en Townsend (waarbij ook de primitieve soorten tot de macronachtvlinders worden gerekend). 2.2 Gebiedsafbakening

1. Proefstation Groenendaal (vaste lichtval 1 x per week inventarisatie vanaf midden 2015) 2. Paardedelle Tervuren (Kapucienenbos): vangsten met smeer en lichtvallen tot 1u ‘s ochtends) met Ralph Vandiest, Yvon Princen, Wouter Mertens vnl. 2014 & 2015 3. Paardenrenbaan van Groenendaal (lichtvallen) met vnl. Ralph, Wouter en Koen, 2015, 2016 4. Koningsvijvers (lichtvallen) met Ralph en Wouter (najaar 2016 2x) 5. Welriekende (Brussels gedeelte) (lichtvallen) met Ralph en Wouter (voorjaar 2017 2x) 6. Vieressendreef (Brussels gedeelte) (lichtvallen en smeer) met Ralph, Wouter en Wim (2017 6x)

ONGEWERVELDEN

2 INTERPRETATIE VAN DE GEGEVENS EN GEBIEDSAFBAKENING

Om in het Zoniënwoud nachtvlinders te mogen vangen dien je over de nodige vergunningen te beschikken. Wens je in het gehele Zonienwoud te vangen dan heb je minimaal 4 vergunningen nodig, nl. voor het Vlaams gedeelte, voor de Koninklijke Schenking, voor het Brussels gedeelte en finaal voor het Waals gedeelte. Voor het Brussels gedeelte dien je een bijkomende speciale vergunning te hebben indien je in de bosreservaten wenst te vangen (buiten de toegankelijke paden). Figuur 1: gebiedsafbakening.

Voor de historische gegevens werden enkel de gegevens opgenomen met een expliciete verwijzing naar het Zoniënwoud, of naar één van de gemeentes waarin het Zoniënwoud gelegen is. Voor de recente waarnemingen (vanuit Waarnemingen.be) werden enkel de waarnemingen uit het Zoniënwoud (blauwe polygoon in Figuur 1) en de onmiddellijke omgeving meegenomen (oranje aanduidingen in Figuur 1). De aanduidingen op de kaart duiden op locaties waar meerdere malen recent werd geïnventariseerd in het Zoniënwoud (witte cirkels met een cijfer):

Waarnemingen aan de rand van het Zoniënwoud (oranje cirkels met een letter in Figuur 1): a. Tuinwaarnemingen van Bernard Misonne (tuin grenzend aan Arborteum van Tervuren) b. Eigen tuinwaarnemingen (grote natuurlijke tuin 70a op 600m van domein van de Marnix) c. Tuinwaarnemingen van Tom Deroover (vangsten in plantenkwekerij in Eizer) d. Waarnemingen aan de Boswachterswoning Eikestraat door Ralph Vandiest (grenzend aan Kapucijnenbos) e. Waarnemingen in Jean Massart-tuin (20132017) door KBIN

De Boomklever I juni 2018 I ongewervelden

41


2.3 Jaar van voorkomen Sommige waarnemingen hernemen geen datum, deze waarnemingen werden opgenomen met het gemiddeld waarnemingsjaar van deze onderzoeker. Soorten die vermeld staan als zeer algemeen maar zonder de specifieke vermelding van voorkomen in het onderzoeksgebied werden niet opgenomen. 3 ZOEKINSPANNING LOONT Figuur 2 geeft duidelijk weer dat er een duidelijke relatie is tussen de zoekinspanning en het aantal soorten. Dit kaartje herneemt de biodiversiteit van een 5 km hok en geeft een donkerdere kleur i.f.v het aantal soorten van de laatste 5 jaar. De soorten gevangen in de tuin Massart werden niet ingebracht in Waarnemingen.be en bijgevolg zijn deze niet opgenomen in de 114 soorten van dat hok. De cijfers per hok geven ook de micro­ nachtvlinders weer. 4 REGISTRATIEWIJZE Figuur 3. Manier van registratie van de historische en hedendaagse waarnemingen.

42

De Boomklever I juni 2018 I ongewervelden

Figuur 2: aantal waargenomen nachtvlindersoorten per 5 km hok, gedurende de laatste 5 jaar op Waarnemingen.be. Situatie op 11/08/2017.

De soorten werden geregistreerd (Figuur 3) in tijdsblokken, die ongeveer overeenkomen met de tijdsvakken van de hedendaagse catalogus van de Belgische Lepidoptera uitgegeven door de Vlaamse Vereniging voor Entomologie (Phegea), nl. voor 1950, van 1950 tot 1980; van 1980 tot 2000 en vanaf 2000 tot nu. Deze werden in mijn registratiegegevens verder opgesplitst voor de periode voor 1950: in voor 1900 en de periode 1900 tem 1949. De periode vanaf 2000 werd bij


5 RESULTAAT NACHTVLINDERONDERZOEK In totaal werden 556 nachtvlindersoorten voor het Zoniënwoud geïnventariseerd (461 vandaag aanwezige soorten, 91 verdwenen soorten en 4 soorten eveneens verdwenen soorten maar waar twijfels over bestaan dat deze ooit in het Zoniënwoud hebben voorgekomen, zie verder). Zoals blijkt uit Figuur 4 beschik ik voor de periode 1980-1999 over de minste informatie met maar 24 waargenomen soorten in 20 jaar. Het is aannemelijk dat in deze periode de minste waarnemingen gebeurden. Deze figuur toont ook dat de individuele aanpak van enkelingen een grote invloed heeft op de kennis van nachtvlinders in een regio. Figuur 4: aantal aanwezige, verondersteld aanwezige en niet meer waargenomen soorten macronachtvlinders per periode.

6 EVOLUTIE VAN NACHTVLINDERS IN HET ZONIËNWOUD Figuur 5 geeft een beeld van de gecumuleerde soortenaantallen over de jaren. De blauwe lijn geeft het gecumuleerd aantal soorten op basis van hun eerste waarneming. Diegenen die voor een sterke stijging verantwoordelijk zijn, werden in de figuur telkens weergegeven; de waarnemingen van Mertens, Nuyts en Vandiest in de laatste decade zijn hoofdzakelijk groepswaarnemingen. De rode lijn geeft het gecumuleerd aantal laatste waarnemingen weer (soorten die niet meer teruggevonden werden). De groene lijn is het verschil tussen beiden en geeft het aantal aanwezige nachtvlinders weer. Alleen de effectief waargenomen soorten in en rond het Zoniënwoud werden opgenomen. De toenmalige algemene soorten waarvoor geen specifieke locatie werd weergegeven, werden niet opgenomen in de lijst. Dit verklaart het relatief laag aantal nachtvlinders in de beginperiode.

ONGEWERVELDEN

mij ook opgesplitst in de twee decades. De kleurblokken zijn een vertaling van vangstgegevens (persoon, datum, locatie en aantal) die in een aparte sheet vermeld staan. Daarnaast werd van elke nachtvlinder de eerste en de laatste waarneming genoteerd. Indien niets vermeld staat voor de laatste waarneming, betekent dit dat deze nachtvlinder nog recent (uiterlijk 5 jaar geleden) werd gevangen.

Het is aannemelijk dat deze grafiek in de toekomst zal wijzigen. Bij de digitalisering van oude collecties waaronder deze overgedragen aan het KBIN zullen aanvullingen niet uitblijven (Figuur 7). De kennis van de verspreiding van nachtvlinders was in de vorige eeuw redelijk beperkt waardoor

Figuur 5: geaccumuleerde soortenaantallen van macronachtvlinders in het Zoniënwoud door de jaren heen, in de periode 1850-2017.

De Boomklever I juni 2018 I ongewervelden

43


de informatie i.v.m de status/voorkomen zeker voor de periode voor 1950 met een korreltje zout moet worden genomen. Bovendien evolueerde de verspreiding van sommige soorten door de jaren heen. De huidige algemene soorten waren niet altijd algemene soorten (vb Puta-uil Agrotis puta) en omgekeerd.

klaren door het ontbreken van de detailgegevens in de oude naslagwerken over het voorkomen van de algemene soorten. Deze leemte werd pas ingevuld vanaf de jaren 2000 door Bernard Misonne en mijzelf. In de grafiek is het Waring en Townsend-effect gecombineerd de start van Waarnemingen.be in 2008 duidelijk waarneembaar (in 2006 publiceerden Waring en Townsend hun nachtvlindergids voor Nederland en België, wat leidde tot een spectaculaire boost aan nachtvlinderobservaties). Vanaf 2014 na het bekomen van de nodige vergunningen om nachtvlinders te vangen in het Zoniënwoud, werden heel wat zeldzame soorten toegevoegd aan het reeds uitgebreid lijstje. Zo konden we in 2017 nog 12 soorten macro-nachtvlinders aan onze lijst toevoegen. 7 VERGELIJKING MACRONACHTVLINDERS ZONIËNWOUD MET HET VOORKOMEN ELDERS

Figuur 6: een uittreksel uit de catalogue van Lhomme (periode voor 1950) geeft weer hoe de waarnemingen geregistreerd werden. Waar geen zekerheid van voorkomen was, werd deze niet genoteerd, zelfs als stond die geregistreerd als zeer algemeen of overal aanwezig.

De enorme toename vanaf de tweede helft van de eerste decade van 2000 (Figuur 8) is te ver-

Figuur 7: te digitaliseren nachtvlinders in het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen. Foto: Wim Veraghtert.

44

De Boomklever I juni 2018 I ongewervelden

Tabel 1 geeft de nachtvlinderfamilies weer die door de jaren heen opgetekend werden in het Zoniënwoud. Voor het voorkomen van nachtvlinders in België en in Brabant (die de huidige provincies Vlaams-Brabant, Waals-Brabant en Brussel omvatten) baseerden wij ons op de Catalogus van de Belgische Lepidoptera van Willy De Prins e.a., uitgave van december 2016.

Figuur 8: detailgrafiek voor de periode 2000-2017.


Hepialidae of Wortelboorders Cossidae of Houtboorders Zygaenidae of Bloeddrupjes Limacodidae of slakrupsen Sesiidae of Wespvlinders Thyrididae of Venstervlekjes Lasiocampidae of spinners Brahmaeidae of Herfstspinners Saturniidae of Nachtpauwogen Endromidae of Berkenspinners Drepanidae of Eenstaartjes Geometridae of Spanners Sphingidae of Pijlstaarten Notodontidae of Tandvlinders Erebidae of Spinneruilen Nolidae of Visstaartjes Noctuidae of Uilen TOTAAL Familie Hepialidae of Wortelboorders Cossidae of Houtboorders Zygaenidae of Bloeddrupjes Limacodidae of slakrupsen Sesiidae of Wespvlinders Thyrididae of Venstervlekjes Lasiocampidae of spinners Brahmaeidae of Herfstspinners Saturniidae of Nachtpauwogen Endromidae of Berkenspinners Drepanidae of Eenstaartjes Geometridae of Spanners Sphingidae of Pijlstaarten Notodontidae of Tandvlinders Erebidae of Spinneruilen Nolidae of Visstaartjes Noctuidae of Uilen TOTAAL

Zoniën 1 3 1 2 2 7

Brabant 2 4 3 4 2 13 1 10 1 2 1 15 259 18 29 72 8 252 694

% Z/Br 1/2 75,0% 33,3% 50,0% 100,0% 53,8% 0,0% 60,0% 0,0% 100,0% 100,0% 100,0% 81,1% 61,1% 93,1% 79,2% 100,0% 81,0% 80,1%

België 3 4 3 14 2 20 1 16 1 3 1 16 337 18 32 95 12 345 920

% Z/B 1/3 75,0% 33,3% 14,3% 100,0% 35,0% 0,0% 37,5% 0,0% 66,7% 100,0% 93,8% 62,3% 61,1% 84,4% 60,0% 66,7% 59,1% 60,4%

4

Brabant 2 4 2 3 2 10 1 8

% Z/Br 1/2 75,0% 50,0% 33,3% 100,0% 60,0% 0,0% 50,0%

1

2

50,0%

15 167 10 23 45 6 177 461

15 218 15 26 59 7 210 582

100,0% 76,6% 66,7% 88,5% 76,3% 85,7% 84,3% 79,2%

België 3 4 3 10 2 19 1 16 1 2 1 16 306 18 31 84 10 300 824

% Z/B 1/3 75,0% 33,3% 10,0% 100,0% 31,6% 0,0% 25,0% 0,0% 50,0% 0,0% 93,8% 54,6% 55,6% 74,2% 53,6% 60,0% 59,0% 55,9%

6 2 1 15 210 11 27 57 8 204 556 Zoniën 1 3 1 1 2 6

ONGEWERVELDEN

Familie

Tabel 1: waarnemingen per nachtvlinderfamilie doorheen de jaren, in het Zoniënwoud (kolom 1), Brabant (kolom 2) en België (kolom 3). Ook de verhouding van het aantal soorten in het Zoniënwoud t.o.v. Brabant (kolom 1 gedeeld door kolom 2) en t.o.v. België (kolom 1 gedeeld door kolom 3) is weergegeven. Tabel 2: recente waarnemingen per nachtvlinderfamilie (uitsluitend sinds 2000). De Boomklever I juni 2018 I ongewervelden

45


8 MOGELIJKE VERKLARINGEN VOOR DE ACHTERUITGANG VAN DE MACRONACHTVLINDERS IN HET ZONIËNWOUD Uit Tabel 1 en Tabel 2 blijkt dat voor zowel Brabant als voor het Zoniënwoud er een achteruitgang is van ongeveer 17% t.o.v. een terugval van 10% voor het hele land. In een zoektocht naar de oorzaak van de verdwijning van deze 95 soorten heb ik de nachtvlinders gerangschikt volgens hun biotoop volgens de database van de Vlinderstichting (Figuur 9).

Figuur 9: aantal aanwezige en verdwenen nachtvlindersoorten gerangschikt per biotoop, volgens de database van de Vlinderderstichting. De tabel geeft de relatieve vertegenwoordiging weer door elke groep, zowel voor alle jaren als recent.

46

De Boomklever I juni 2018 I ongewervelden

Van de 95 soorten die niet meer werden teruggevonden na 1999 zijn er minstens 4 soorten waar een grote onzekerheid over bestaat of ze in het Zoniënwoud ooit voorkwamen. Het betreft de Kalkbandspanner (Cataclysme riguata), Zoomdwergspanner (Eupithecia cauchiata), Moerasbreedvleugeluil (Diarsia dahlii) en de Zeeuwse grasworteluil (Apamea oblonga). Daarnaast zijn sommige soorten in grote delen van Nederland en België uitgestorven in de loop van de voorbije eeuw. Voorbeelden zijn Wintergouduil (Jodia croceago), Roetvlek (Xylena exsoleta) en Gelduil (Polychrisia moneta). Van andere soorten is het areaal in ons land dan weer gewijzigd. Het Zoniënwoud was (en is nog steeds) een plek waar een aantal typische Ardennensoorten hun meest noordelijke vindplaats kenden. Daarvan hebben enkele soorten zich weer naar het zuiden teruggetrokken: bijvoorbeeld Geelbruine tandvlinder (Notodonta torva), Paarsbandspanner


VERDWENEN BOSSOORTEN 68 verdwenen soorten of 74,7% van de verdwenen soorten zijn in min of meerdere mate gebonden aan bos (waarvan 59 zuivere bossoorten). De echte bossoorten zijn in mindere mate achteruitgegaan dan de overige soorten. Voor 1900 gebeurde het beheer via het “tir-etaire” principe. Samengevat komt dit neer op een kaalkap met behoud van enkele overstaanders die moesten zorgen voor natuurlijke verjonging. Dit had als resultaat dat het jaren duurde vooraleer deze grote kaalvlaktes terug bebost raakten, waardoor de ondergroei de kans kreeg om jaren te floreren. Deze dynamiek werd gewijzigd sinds de eeuwwisseling door de invoering van het femelslagstelsel, dit wil zeggen een groepsgewijze verjonging waardoor ongelijkjarigheid ontstaat. In plaats van natuurlijke verjonging worden na de kap onmiddellijk jonge boompjes aangeplant. Zo wordt het bosklimaat voortdurend behouden en zijn de kaalkapgebieden sterk beperkt in de tijd. VERDWENEN HEIDESOORTEN Van de 91 hier uitgestorven soorten zijn er 40 soorten of 44% van de verdwenen soorten die in min of meerdere mate gebonden zijn aan heide. De echte heidesoorten zijn met 2/3 afgenomen (van 14 soorten naar 5 soorten). Uit geschriften van begin 20ste eeuw blijkt dat in het Zoniënwoud hectaren aaneengesloten heidegebieden voorkwamen. Vandaag moet je zoeken naar heideplanten in het Zoniënwoud.

Op de weinige plaatsen met nog een beetje heide (rond het Rood Klooster) werd nog geen onderzoek gevoerd naar het voorkomen van nachtvlinders gebonden aan heide. Er werden intussen wel maatregelen getroffen om een aantal gebieden terug om te zetten naar heidegebieden (maar ik vrees dat deze soorten waarschijnlijk ondertussen verdwenen zijn). Van slechts enkele heidesoorten is bekend dat ze zeer mobiel zijn zodat ze herstelde heiderelicten terug kunnen koloniseren (bijv. het in het Zoniënwoud verdwenen Roodbont Heide-uiltje (Anarta myrtilli)). TERUG OP TE SPOREN SOORTEN Hoewel er in het Zoniënwoud de voorbije jaren intensief geïnventariseerd is, bestaat de kans dat sommige uitgestorven gewaande soorten alsnog kunnen worden teruggevonden. Het gaat dan vooral om soorten die omwille van hun vliegtijd moeilijk op te sporen zijn (bijv. de soorten van het late najaar) en/of om moeilijk herkenbare soorten. Berkenwintervlinder (Operophtera fagata), Bleke novemberspanner (Epirrita christyi) en de iconische Najaarsboomspanner (Alsophila aceraria) behoren tot die categorie.

ONGEWERVELDEN

(Rhodostrophia vibicaria), Nullenuil (Dicycla oo) en Zwartgevlekte winteruil (Agrochola litura). Andere soorten hebben zich dan weer meer teruggetrokken op de Kempische zandgronden. Voorbeelden van die categorie zijn Gevlamde vlinder (Endromis versicolora), Gevlekte pijluil (Pachetra sagittigera) en Zwartpuntvolgeling (Noctua orbona). Volgens mij is het verdwijnen van een groot aantal soorten in hoofdzaak te verklaren vanuit het gewijzigde beheer.

9 ENKELE SPECIALLEKES UIT HET ZONIËNWOUD Kleine slakrups Heterogenea asella (met daarnaast zijn grote broer Slakrups Apoda Limacodes)

Foto: Wouter Mertens

De belangrijkste waardplant van deze nachtvlinder is beuk. Niettegenstaande deze zeldzame vlinder minder aangetrokken wordt door licht, wordt hij toch in het Zoniënwoud in relatief grote De Boomklever I juni 2018 I ongewervelden

47


aantallen gevangen (2017: 6 exemplaren, 2011: 20 exemplaren door Wim Veraghtert). Springzaadspanner Ecliptopera capitata De waardplant is Groot springzaad. De waardplant wordt teruggedrongen door de exoot Klein springzaad. Wordt jaarlijks gevangen in het Zoniënwoud. De waarneming Foto: Paul Nuyts met de grootste aantal exemplaren in België is afkomstig vanuit het Zoniënwoud met 5 exemplaren in 2013. Satijnen spikkelspanner Deileptenia ribeata Deze nachtvlinder werd in het verleden regelmatig gespot in het Zoniënwoud tot 1945. Nadien werd hij uitgestorven gewaand. In 2015 werd Foto: Paul Nuyts hij voor de eerste maal teruggevangen en sindsdien wordt hij jaarlijks teruggevangen. Samen met de populatie uit Zuid-Limburg zijn dit de enige vindplaatsen boven de Samber-Maas lijn. De rupsen leven op allerlei loof- en naaldbomen. Meidoornspanner Theria primaria Naast de populatie van Lierde, de 2de gekende populatie voor Vlaanderen. De soort komt ook voor onder de Samber-Maas lijn. De waarneming van Bernard Misonne in 2011 deed verFoto: Paul Nuyts moeden dat er een 2de populatie in de omgeving moet zijn, die door Ralph Vandiest gevonden werd in 2018 (Vandiest, 2018). 48

De Boomklever I juni 2018 I ongewervelden

Witte sparspanner Thera vetustata De waardplant is voornamelijk Zilverspar. Deze vlinder wordt evenals de zeldzame Dennenbandspanner (Pungeleria capreolaria) frequent gevangen in het Zoniënwoud. Foto: Paul Nuyts Deze zeer zeldzame nachtvlinder werd 3 x rond het Zoniënwoud gevangen. Door Ralph Vandiest in 2014 in Vossem en 2 x door Paul Nuyts in 2017 in Jezus-Eik. Tweekleurige tandvlinder Leucodonta bicoloria

Foto: Ralph Vandiest

Zeer zeldzaam en achteruitgegaan in Vlaanderen. Nagenoeg beperkt tot enkele locaties in de Kempen en de boscomplexen rond Brussel. Gebonden aan berk. Zwarte-l-vlinder Arctornis l-nigrum De enige locatie boven de Samber-Maaslijn waar deze zeer zeldzame nachtvlinder gevangen wordt. Nochtans is de waardplant van deze vlinder wilg en populier in boFoto: Ralph Vandiest somgevingen. Hij wordt jaarlijks in het woud zelf gevangen en sporadisch in de onmiddellijke rand. Zo vond Bernard Misonne hem eenmaal in 2005 in zijn tuin in Tervuren. Ik had hem in 2013, in 2016 en 3 maal in 2017 in onze tuin in Jezus-Eik.


Het Zoniënwoud is een gekende locatie voor deze zeldzame nachtvlinder. De waardplant van de rups is o.a. smeerwortel en koninginnenkruid in vochtige gebieden. De mannetjes kunnen zwermen. Wij vangen ze soms in de tuin. Eikenweeskind Catocala promissa In 2011 werden we verrast door de Eikenweeskinderen in de nachtvlindervallen (in Tervuren en Jezus-Eik). Na deze éénmalige vangst op licht werd in het Zoniënwoud Foto: Ralph Vandiest op smeer verschillende malen deze vlinder gevonden, ook in 2017. Op licht troffen we hem nooit meer aan.

Varenuil Callopistria juventina

Ondanks dat de waardplant adelaarsvaren is, treffen we deze vlinder zelden aan. Komt in het heel het Zoniënwoud voor. Samen met de boscomplexen van Averbode is dit de enige plaats in Vlaanderen waar deze vlinder jaarlijks gevangen wordt. Zwartrandgrasuil Apamea epomidion Dit jaar werd deze vlinder voor het eerst gevonden in het Zoniënwoud en onmiddellijk 3 exemplaren (1 op smeer en 2 op licht). Deze vlinder leeft op grassen in bossen.

Gelijnde micro-uil Schrankia taenialis Volgens de literatuur zou deze kleine vlinder waarschijnlijk voorkomen op heide in vochtige bossen (ervaring vanuit gevangenschap). De leefwijze is echter slecht gekend. Deze nachtvlinder wordt zeer regelmatig gevangen in het Zoniënwoud. In Vlaanderen komt deze voornamelijk voor in de bossen in de Leemstreek.

ONGEWERVELDEN

Bonte beer Callimorpha dominula

Moeras-w-uil Lacanobia splendens Deze zeldzame soort van vochtige biotopen werd dit jaar ontdekt in het Zoniënwoud. Meestal wordt er 1 exemplaar gevonden. Wij vonden op één avond 6 exemplaren waarvan 5 in één lichtval (het hoogste waargenomen aantal in België). Uit Nederland is deze soort van enkele moeraslocaties bekend (vandaar de naam). In Frankrijk en Wallonië is de Moeras-w-uil ook van vochtige bossen en graslanden bekend; Bitterzoet is een van de waardplanten. Dit is een relatieve nieuwkomer in België (eerste waarneming 2005 in de Antwerpse Netevallei). De Boomklever I juni 2018 I ongewervelden

49


MEER INHOUD VIA HET DIGITAAL ARCHIEF VAN DE NATUURSTUDIEGROEP DIJLELAND De volledige lijst van waargenomen soorten, alsook een lijst van verdwenen soorten is online raadpleegbaar via het digitaal archief van de Natuurstudiegroep Dijleland. Surf naar www.natuurstudiegroepdijleland.be/artikeloverzicht en navigeer op deze pagina naar de sectie over Nachtvlinders (onder de Ongewervelden). Beide lijsten kunnen hier als spreadsheets worden gedownload.

DANKWOORD Voornamelijk dank ik mijn collega’s nachtbrakers Ralph en Wouter die mij stimuleren om samen het Zoniënwoud in te trekken. ANB, De Koninklijke schenking en BIM voor het bekomen van de nodige vergunningen. Phegea (VVE), in het bijzonder Willy De Prins voor een uitreksel van hun database en André Verboven voor het ontlenen van enkele historische werken en tips over auteursvrije werken op het internet. Alain Drumont van het KBIN en Jean Vermander van de Jardin Massart voor de gegevens van de vangsten aldaar. Wim Veraghtert en Krista De Greef voor het kritisch nalezen en aanvullen van dit artikel. Paul Nuyts paul.nuyts1@telenet.be

50

De Boomklever I juni 2018 I ongewervelden

BRONNEN Les Annales de la Société entomologique de Belgique, edities 1857-1924 Catalogue des insectes Lépidoptères de la Belgique, Selys – Longchamps, 1857 Catalogue des Lépidoptères de Belgique, Donckier de Donceel 1882 Catalogue des Lépidoptères de Belgique, L.-J.-L. Lambillion 1902 Catalogue des Lépidoptères de France et de Belgique, Léon Lhomme 1935 Catalogue des Macrolépidoptères de Belgique, Hackray ea 1966 Catalogus van de Belgische Lepidoptera, Willy De Prins ea, 2016 Les Revues mensuelles de la Société Entomologique Namuroise, edities 1901-1913 Nachtvlinders, de nieuwe veldgids voor Nederland en België, Paul Waring en Martin Townsend, 2016 Vlinderstichting Database met nachtvlinderkarakteristieken, Vlinderstichting NL Uitkijken naar het Eikenweekind. Wim Veraghtert. Natuurbericht 2011 Waarnemingen.be (www.waarnemingen.be)/ Veraghtert, W. (2014). De Witte sparspanner, een vlinderverrassing in Tervuren. De Boomklever 42(4): 121-122. Vandiest, R. (2018). Op jacht naar de Meidoornspanner: ontdekking van een tweede populatie voor Vlaanderen. De Boomklever 46(1): 10-11.


(OMGEVING VAN ÖREBRO, 8-7-2000) “Kijk, daar staat nog eens Sköllersta aangeduid …” zegt Hadewig twijfelend. Ze tuurt nadrukkelijk op de kaart: “Deze splitsing vind ik hier niet terug? Kijk jij eens …” waarop ze mij de kaart aanreikt. “Verdoemme, we gaan da hier nog nie zo gemakkelijk vinden.” verzucht ik. We zijn al een half uur op zoek naar een voor mij nieuw natuurreservaat: “Kvismaren”. De wegenkaart die we daarvoor gebruiken, lijkt geruststellend gedetailleerd. Ze vertoont een verwarrend netwerk van grintwegen waarop het Zweedse platteland een patent lijkt te hebben. Zodra je het asfalt verlaat word je echter geconfronteerd met een werkelijkheid aan achterafwegjes waarvan misschien de helft op je zo degelijk uitziende kaart vermeld staat. De weg kwijtspelen wordt dan meer regel dan uitzondering … Thuis heb ik namelijk een detailkaartje van het reservaat afgeprint van het internet maar de exacte ligging en de bijhorende omgeving staan daar jammer genoeg niet bij vermeld. Het moét hier ergens zijn, maar waar precies?

“Spijtig als we het niet zouden vinden” treedt Hadewig mij bij. “Jij wou daar toch …” Ik knik: “Ja, Kuifduiker, die broeden daar. Ik heb die nog maar één keer in zomerkleed gezien, jij was daar bij. In april, op Rügen …” Ze schudt het hoofd, het doet geen belletje rinkelen. Geen wonder dat ze zich dat niet meer herinnert, denk ik bij mezelf. Er stond een koude wind en het groepje Kuifduikers kwam telkens maar even in beeld, ver weg in de telescoop, tussen de golven op een woelige zee. Een memorabele waarneming kon je dat niet écht noemen … Als we een zoveelste bocht ronden zie ik “hem” plots in de berm verschijnen. Alle gedachten aan Kuifduikers in zomerkleed verdwijnen nu als sneeuw voor de zon: blauwpaars met geeloranje vlekken schieten aan 60 km/h voorbij. “Kijk, het staat hier vol, allemaal nemorosum!!” roep ik uit. Iemand anders zou er misschien zo voorbij gereden zijn maar zelfs bij een veel hogere snelheid zou ik dit botanisch topmodel nog herkennen. Dat vinden niet-natuurkijkers altijd knotsgek: het herkennen van bermplanten terwijl je daar op volle snelheid voorbij scheurt en dan als klap op de vuurpijl een Latijnse naam uitkramen. Een De Boomklever I juni 2018 I de eerste keer

DE EERSTE KEER

NACHT EN DAG

51


mens zou voor minder schuin bekeken worden. Hadewig heeft hem ook al herkend: “Is dat hetzelfde als “natt och dag”? We gaan toch uitstappen?” De berm staat hier over een lengte van zeker 20 m vol met wat voluit Melampyrum nemorosum heet. Als je ietwat botanisch onderlegd bent, zie je onmiddellijk dat het hier om een soort hengel gaat. In Zweden zijn 2 hengelsoorten heel algemeen: Gewone hengel met bleekgele bloemen en Boshengel met kleinere heldergele bloemen. De soort die we hier voor ons hebben, is echter van een heel ander kaliber. Het meest lijkt ze op die andere beauty: Wilde weit. Iedereen die ooit half mei in de Lorraine geweest is, is al eens gestopt bij een wegberm die bordeauxrood kleurt door een massa bloeiende Wilde weit. Als je die soort wat meer in detail bekijkt, zie je dat het magnifieke bordeauxrood van die soort niks te maken heeft met de eigenlijke bloemen. Hadewig is ondertussen gaan zitten en heeft hetzelfde fenomeen nu opgemerkt bij deze “Paarse hengel”. “Dat violetblauw, dat zijn de schutbladen die zo gekleurd zijn. En kijk, als ze bijna uitgebloeid zijn, verdwijnt het blauw …” Dat 52

De Boomklever I juni 2018 I de eerste keer

is nieuw voor mij, hier en daar is er inderdaad een vroegbloeiende plant aan het einde van zijn kleurrijke periode gekomen. En jawel, de bovenste schutbladen ontkleuren dan tot het normale groen van de stengelbladen. Zoals alle hengelsoorten is deze Melampyrum nogal een ijle soort, maar dat maakt hij goed door met honderden bij elkaar te groeien. De bloemen zelf bestaan uit een felgele lange kroonbuis die aan de basis soms oranje tot rood aangelopen is. Het contrast met de violetblauwe getande schutbladen is verbluffend. De eerste keer dat ik over deze soort hoorde was in een artikel in het tijdschrift ‘Grasduinen”. De auteur van dat artikel was Linnaeus “achterna” gereisd op Öland. Op krak dezelfde vindplaats vond hij, bijna 300 jaar na datum, de “Melampyrum coerulea” van Linnaeus terug. Dat is in Zweden met hun indrukwekkende zorg voor hun natuurlijk erfgoed eigenlijk geen verrassing. Wat een contrast met Vlaanderen: probeer hier maar eens een botanisch curiosum na 300 jaar terug te vinden … ! In zijn artikel noemde de man Melampyrum nemorosum zelfs “de mooiste plant van


me dan immers tevreden stellen doen met één armetierige bloeistengel. Het tweede jaar na de introductiepoging was er dan van de soort geen spoor meer te zien. Voor we vertrekken, bekijk ik nog eens een laatste maal de onwaarschijnlijke kleurencombinatie van deze soort. Als schilder weet ik natuurlijk waarom het oranje en het paars van deze plant je blik als het ware naar zich toe zuigt. Blauwpaars is immers de complementaire kleur van geeloranje. Als je complementaire kleuren vlak naast elkaar zet, versterken ze elkaar. Het paars én het geel lijken dan feller dan ze in werkelijkheid zijn. Ik heb het zelf al een paar keer toegepast in een aquarel maar het echte ding zoals hier … Nee, dan mag je kleuren mengen zoveel en zo lang je wil, dit kan je toch niet evenaren. “Natt och dag”: ik moet het de Zweden nageven, een mooiere naam voor een plant kan je toch niet verzinnen. Als we terug in de auto zitten, zet ik de autoradio aan. Wij spreken allebei Zweeds, dus is het voor ons super aangenaam om Zweedse radioprogramma’s te volgen. Maar nu klinkt er geen Zweeds uit de radio. De piano-intro die uit de autoboxen komt, herken ik meteen. Ook Hadewig is snel mee: “Is dat Joe Jackson niet?” “Mmm”, stem ik in, “het nummer heet Real Men.” “En”, plots krijg ik een inval,… “weet je hoe de plaat heet waar dat op staat?” Ze kijkt mij fronsend aan. Ik zie het haar denken: waarom komt hij daar nu weer mee af? “Wel, die plaat heet “Night and Day” … Er valt even een stilte. “Nee, écht, dat is toch wel …” vertolkt ze mijn eigen verbazing van enkele seconden geleden. Terwijl we verder rijden, zing ik het refrein luidkeels mee met “den Joe”. Die aangename toevalligheden van het leven waar de puzzelstukjes perfect in elkaar passen, die mochten er voor mijn part veel meer zijn …

DE EERSTE KEER

Europa”. Misschien wat overdreven maar ergens in de top 10, ja, dat moet voor mij zeker kunnen. Deze Paarse hengel is eigenlijk een continentale soort: in Polen had ik er tekeningen en in Hongarije foto’s van gemaakt. De eerste keer is dit dus zeker niet. Maar wat een prettig weerzien! De lichte namiddagbries krijgt nu vat op de fragiele stengels: honderden paarse en gele vlekjes bewegen nu door elkaar. Waarom hebben de Zweden dit kleinood eigenlijk “natt och dag” genoemd? Verwijst het blauwpaars naar de nacht en het geel naar de dag? “Zou dat in de tuin groeien, Herwig?” onderbreekt Hadewig mijn wild kronkelende hersenspinsels over botanici, namen en groeiplaatsen. “Hmm, dat gaat waarschijnlijk tegenvallen.” Mijn scepsis heeft gegronde redenen. Al mijn uitzaaipogingen van halfparasieten zijn tot nu toe volledige mislukkingen geworden. In een half ruig hoekje van mijn gazon heb ik al eens ratelaar gezaaid én geplant. Dat was geen succes geworden. Ook zaden van Wilde weit had ik, koppig volhoudend, al meerdere keren kwistig in mijn kalktuintje verspreid. Met uiterst weinig resultaat … Het volgend groeiseizoen moest ik

Herwig Blockx

De Boomklever I juni 2018 I de eerste keer

53


Rivierdonderpad. Foto: Johan Auwerx

Herstel van de Rivierdonderpadpopulatie in het Dijlebekken, in het bijzonder het deelbekken van de IJse De Rivierdonderpad (Cottus perifretum) is een zeldzame vissoort in onze Vlaamse waterlopen en komt amper op enkele tientallen locaties voor. Dit visje heeft nood aan heldere, zuurstofrijke en structuurrijke beekjes die zich vooral situeren in de kleinere bovenlopen. Ook op Europees vlak is de soort sterk bedreigd. Aan de basis hiervan ligt een onvoldoende water- en habitatkwaliteit. De Rivierdonderpad wordt beschouwd als een veeleisende soort. Gezonde populaties Rivierdonderpad in Vlaanderen komen voor bij minimale zuurstofwaarden van 7 mg/l, echt optimale condities worden pas bekomen vanaf 8 mg/l. De toestand in Vlaanderen is echter zorgwekkend waardoor er maatregelen genomen dienen te worden om deze populaties, van een soort die voorkomt op Bijlage II van de Europese ha54

De Boomklever I juni 2018 I vissen

bitatrichtlijn, in stand te houden. Voor de Rivierdonderpad werden dan ook gewestelijke natuurdoelen (G-IHD’s) opgesteld. Deze geven weer wat in Vlaanderen nodig is om een veilige toekomst te bieden (zowel binnen als buiten Natura 2000) voor soorten en habitattypes die in heel Europa bedreigd zijn. In de G-IHD’s werden volgende doelen vooropgesteld voor de Rivierdonderpad (welke als overkoepelende soortgroep wordt beschouwd voor de in Vlaanderen voorkomende soorten Cottus gobio, Cottus perifretum en Cottus rhenanus): - Minimaal het actuele areaal behouden - Uitbreiding van het huidig aantal populaties - Verbetering van de kwaliteit van het leefgebied • Terugdringen van de waterverontreiniging: zuurstofgehalte minimaal 8 mg/l,


Binnen de instandhoudingsdoelstellingen voor Vlaams-Brabant zijn er 2 speciale beschermingszones (SBZ’s) waar specifieke kwaliteitsdoelstellingen voor Rivierdonderpad werden opgenomen: de SBZ Hallerbos (waar de soort werd aangemeld) en de SBZ Dijlevallei (waar de soort niet aanwezig was en dus niet werd aangemeld). Uit visstandonderzoeken in de periode 1995 tot 2006 bleek de Rivierdonderpad een opvallende afwezige in het Vlaamse gedeelte van het Dijlebekken (Vis Informatie Systeem – V.I.S. databank INBO). Op basis van recent onderzoek wordt Rivierdonderpad sensu latu (voorheen Cottus gobio) opgedeeld in een aantal afzonderlijke soorten. Populatiegenetisch onderzoek in Vlaanderen heeft aangetoond dat Cottus perifretum voorkomt in het Scheldebekken en Cottus rhenanus in het Maasbekken. Het Agentschap voor Natuur en Bos (ANB) werkt nu samen met het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) aan een soortherstelprogramma voor de Rivierdonderpadpopulatie in het Dijlebekken (Cottus perifretum), in navolging van de succesvolle herintroductie in het Demerbekken in de periode 2008-2017 (Van Liefferinge et al., 2015; Vught et al., 2012). Deze herstelprogramma’s volgen steeds de IUCN-richtlijnen en verlopen in 3 stappen:

Stap 1: een habitatstudie van de geselecteerde beken (waterkwaliteit, beekstructuur en microhabitat). Stap 2: het opzetten van een kweekprogramma om voldoende individuen te hebben voor de startpopulatie (uitgevoerd aan het INBO te Linkebeek), inclusief het onderzoek naar de bronpopulatie en de genetische achtergrond. Stap 3: de uitzetting en de opvolging. Ter voorbereiding van het soortherstelprogramma in het Dijlebekken, werden enkele potentieel geschikte waterlopen gekozen op basis van de opgestelde natuurdoelen (rapport S-IHD ‘SBZ Dijlevallei’ - BE2400011 Valleien van de Dijle, Laan en IJse met aangrenzende bos- en moerasgebieden, BE2422315 De Dijlevallei). Bijkomend werden de beken gescreend op basis van de heersende waterkwaliteit, de voedselbeschikbaarheid en de structuurkwaliteit. De bekomen shortlist bestond uit 2 waterlopen op grondgebied van Overijse-Huldenberg: de Nellebeek en de IJse, en 3 waterlopen op grondgebied van Bierbeek–Lovenjoel: de Molenbeek-Parkbeek, Mollendaalbeek en Bruulbeek. Elk van deze waterlopen of waterlooptrajecten voldeden aan de minimale kwaliteitseisen van Rivierdonderpad op vlak van waterkwaliteit, waardoor deze beken verder werden onderzocht. Tevens werd in de potentiële waterlopen een visstandbemonstering uitgevoerd. Er werden nergens relictpopulaties van Rivierdonderpad aangetroffen. Vervolgens werden enkele kritische microhabitatparameters zoals stroomsnelheid, diepte, substraattype en aanwezigheid van dood hout geëvalueerd. De habitatparameters werden getoetst aan de relevante gebruiks- en preferentiemodellen opgesteld voor Rivierdonderpadden uit het Scheldebekken. In dit model wordt ook onderscheid gemaakt tussen juvenielen en adulten De Boomklever I juni 2018 I vissen

VISSEN

met constant goede waterkwaliteit en geïsoleerde lozingspunten saneren in kleine en dus kwetsbare bovenlopen Terugdringen van klei- en leemafspoelingen naar waterlopen Verbeteren structuurkwaliteit beken en rivieren, substraat van zand met grind, ijzerzandsteen of grote stenen, matige stroomsnelheid (0.2-1 m/s) en de aanwezigheid van groot dood hout Opheffen van migratieknelpunten

55


(Seeuws et al. 1999; Van Liefferinge et al. 2005 en 2006). Met het resultaat van dit model kan de geschiktheid van de waterloop voor het verkrijgen van een duurzame populatie Rivierdonderpad nagegaan worden. Knaepkens et al. (2004) geven aan dat een totale populatiegrootte van 1000-5000 individuen noodzakelijk is om te vermijden dat er op termijn genetische verarming zal optreden. Op basis van de resultaten uit onze habitatstudie kan besloten worden dat in elke geëvalueerde waterloop de kans op ontwikkeling van een zichzelf reproducerende, levensvatbare en duurzame Rivierdonderpadpopulatie groot is. Voor het opzetten van het kweekprogramma werd er samengewerkt met Service de la Pêche DNF - DGO3 - Service Public de Wallonie. Enkele bovenlopen van het Waalse deel van het Dijlebekken, zoals de Blanc Ry te Ottignies, herbergen nog populaties met hoge densiteiten aan Rivierdonderpad. Hier werden geschikte kweekdieren verzameld met een hoge mate aan genetische diversiteit (heterozygositeit). In het artikel van Frank et al. (2005), “Le Chabot (Cottus gobio, L.) dans le Bassin de la Dyle. Distribution et avenir de cette espèce” kwam naar voor dat er minstens 2 zeer goed ontwikkelde populaties Rivierdonderpad waren in enkele bovenlopen, die gebruikt konden worden voor herintroductie in andere waterlopen van het Dijlebekken. In de viskweke-

rij te Linkebeek (INBO) werden de ouderdieren in een semi-natuurlijk biotoop gestimuleerd tot eiafzet. De opgekweekte juveniele Rivierdonderpadden werden vervolgens uitgezet in de Nellebeek (2015, 2016), de Bruulbeek (2015, 2016, 2017) en de Mollendaalbeek (2016 en 2017). De uitzettingen in de cluster Bruulbeek-Mollendaalbeek-Molenbeek kaderen in de G-IHD’s. De uitzetting in de Nellebeek gebeurden bovendien ter realisatie van de Specifieke Natuurdoelen (S-IHD’s). Voor de SBZ Dijlevallei worden onder meer de volgende populatiedoelstellingen nagestreefd: realisatie duurzame reproducerende populatie Rivierdonderpad in het IJsebekken (streefcijfer 100-200 ind./ha of 0,1-0,3 ind./m² geschikte rivierbedding). Bijkomend wordt in functie van de natuurdoelen en het behalen van de doelstellingen van het Decreet Integraal Waterbeleid en de Kaderrichtlijn Water momenteel door de verschillende waterbeheerders - Provincie Dienst Waterbeleid en VMM-AOW - ingezet op ontsnippering, habitatherstel en een verdere verbetering van de waterkwaliteit in de IJse en haar zijbeken. De uitzettingen in de Nellebeek zijn een belangrijke bijkomende stap in het behalen van de gestelde natuurdoelen en moeten dan ook zorgen voor een verdere kolonisatie van de IJse. De uitzettingen in de Bruulbeek en de Mollendaalbeek

Figuur 1. Lengtefrequentiedistributie voor Rivierdonderpad in de Nellebeekcluster in het najaar van 2016 (boven) en 2017 (onder), over een totale afstand van respectievelijk 200 en 250 m. Met blauwtinten aangeduide locaties betreffen zones waar Rivieronderpad werd uitgezet, terwijl met roodtinten aangeduide locaties meer stroomafwaarts van het uitzettraject gelegen zijn.

56

De Boomklever I juni 2018 I vissen


zouden dan door stroomafwaartse drift van de larven en afwaartse kolonisatie van juveniele, subadulte en adulte Rivierdonderpadden kunnen zorgen voor een snelle kolonisatie van het gehele deelbekken van de Molenbeek en vervolgens een bijkomende versterking moeten zijn voor de populatie in het Vlaamse deel van het Dijlebekken. In Figuur 1 worden de bekomen resultaten in de Nellebeek en de IJse toegelicht. Hiertoe werden drie meetpunten onderzocht in de Nellebeek ter hoogte van de uitzettrajecten, maar ook twee meetpunten in de IJse, stroomop- en stroomafwaarts van de monding van de Nellebeek om een inschatting te kunnen maken van de verdere kolonisatie van het deelbekken van de IJse.

instandhoudende populatie Rivierdonderpad in de cluster Nellebeek-IJse. De historiek van de populatie-uitbreiding en dispersie wordt weergegeven in Figuur 2, respectievelijk voor de monitoring en visstandbemonsteringen in 2016 en 2017.

Uit de resultaten van de monitoring blijkt dat de uitgezette vissen een goede groei en overleving vertonen en dat er een succesvolle natuurlijke reproductie wordt waargenomen. Uit de lengtefrequentiedistributie kan worden afgeleid dat er zowel juvenielen (0+, < 55 à 60 mm) als meerjarige exemplaren aanwezig zijn (55 tot uitzonderlijk 130 mm). Bij de monitoring in 2017 is tevens een 1+ jaarklasse zichtbaar (55-85 mm). De figuur toont een natuurlijke populatieopbouw: met een zeer duidelijke piek in de juveniele lengte-klasse gevormd door een goede reproductie op de verschillende locaties in de Nellebeek. De resultaten duiden bijgevolg op de aanwezigheid van een duurzame en het begin van een zichzelf

Chris Van Liefferinge (ANB – UA) Johan Auwerx (INBO) Inne Vught (INBO) Daniel De Charleroy (INBO) Claude Belpaire (INBO) Patrick Meire (UA)

VISSEN

Figuur 2. Aan- en afwezigheid van Rivierdonderpad tijdens de monitoring en visbestandbemonsteringen in 2016 (links) en 2017 (rechts).

Door larvale drift en stroomafwaartse dispersie worden eveneens de tussentrajecten gekoloniseerd en blijkt dat er zich ook in de IJse een populatie Rivierdonderpad aan het vestigen is. Kortom, de realisatie van de natuurdoelstellingen rond Rivierdonderpad komen zo jaar na jaar een stapje dichterbij en met dit soortherstelproject wordt hierbij een bijzondere grote stap gezet …

DANKWOORD Dit project kon niet worden gerealiseerd zonder de steun van verscheidene instellingen en organisaties. Onze bijzondere dank gaat uit naar Service de la Pêche - DNF - DGO3 - Service Public de Wallonie, met in het bijzonder Xavier Rollin, Myriam Hanson en Paul Lacomblez voor de bemonstering van enkele Waalse bovenlopen en De Boomklever I juni 2018 I vissen

57


het verkrijgen van geschikte kweekdieren voor de opstart van een nieuwe kweeklijn Rivierdonderpad (Dijlestam voor uitzetting in het Dijlebekken). Tevens wensen we Pierre Van Roy te bedanken voor de hulp bij de microhabitatopnames en Yves Ceusters en Bruno Picavet van het INBO voor hun onmisbare hulp bij de kweek én de jaarlijkse monitoring van de uitgezette Rivierdonderpadpopulaties. Ook in het bijzonder wordt het ANB-Visserijfonds en de Provinciale Visserijcommissie van Vlaams-Brabant bedankt voor de financiële ondersteuning van de viskwekerij te Linkebeek en opname van het soortherstelproject in de voorbije herbepotingsplannen. LITERATUUR Frank, V., Mathy, F. & Fievet, V. et al. 2005. Le chabot (Cottus giobio, L.) dans le basin de la Dyle. Distribution et avenir de cette espèce. Gestions des cours d’eau. Parcs et Réserves, volume 60(1), pp 36-42. Knaepkens, G, L. Bervoets, E. Verheyen & M. Eens (2004). Relationship between population size and genetic diversity in indangered populations of the European bullhead (Cottus gobio): implications for conservation. Biological Conservation 115: pp. 403-410. Seeuws, P., Van Liefferinge C., Meire, P. & Verheyen, R.F. (1999): Ecologie en Habitatpreferentie van beschermde vissoorten. Soortbeschermingsplan voor de Rivierdonderpad. Rapport Universitaire Instelling Antwerpen, i.o.v. AMINAL, Afdeling Natuur (AMINAL/NATUUR/1996/NR14), 64p. Vught, I, De Charleroy, D, Van Liefferinge, C, Auwerx, J, Picavet, B, Hennebel, D, Ceusters, Y & Coeck, J 2012, Wetenschappelijke ondersteuning herstelprogramma Rivierdonderpad (Cottus perifretum) in het Demerbekken: resultaten 2008 - 2011. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, nr. INBO.R.2011.60. Van Liefferinge C., Seeuws P., Meire P. & Verheyen R.F. (2005). Microhabitat use and preferences of the endangered species Cottus gobio L. (bullhead) in the river Voer, Belgium. Journal of Fish Biology, 67, 897-909. Van Liefferinge C., Seeuws P., Meire P. & Verheyen R.F. (2006). Erratum: Microhabitat use and preferences of the endangered species Cottus gobio L. (bullhead) in the river Voer, Belgium. Journal of Fish Biology, 68,1313 –1316. Van Liefferinge, C, Vught, I, Auwerx, J & De Charleroy, D (2015). Rapportage herintroductie-programma en monitoring Rivierdonderpad najaar 2014. Agentschap voor Natuur en Bos.

Zanddoorntje - Neerijse Foto: Robby Stoks

Een nieuwe sprinkhaansoort voor het Dijleland Bij enkele bezoeken aan de Zandgroeve Ganzemans (Neerijse) in april-mei 2018 werd een nieuwe sprinkhaansoort voor het Dijleland ontdekt: het Zanddoorntje Tetrix ceperoi. Dit is de derde doornsprinkhaansoort in onze regio, naast het algemene Gewoon doorntje Tetrix undulata en het Zeggendoorntje Tetrix subulata. Dit brengt de totale teller op 23 soorten sprinkhanen in het Dijleland. HERKENNING Doorntjes zijn heel kleine sprinkhanen (ook wel ‘pygmy grasshoppers’ genoemd) en kan je van andere sprinkhanen onderscheiden door hun langgerekt halsschild dat het volledige achterlijf bedekt. Bij soorten zoals het Zand-

58

De Boomklever I juni 2018 I vissen


ONGEWERVELDEN

Ontdekking van een grote populatie

Zanddoorntje Tetrix ceperoi doorntje en de langvleugelige vorm van zijn dubbelganger waarmee hij vaak samen voorkomt, het Zeggendoorntje, is het halsschild vrij vlak en steekt het samen met de achtervleugels tot ver voorbij het achterlijf en de achterknie. Om de soort te differentiëren van het Zeggendoorntje gebruik je best een loep. Onderscheidende kenmerken van het Zanddoorntje ten opzichte van het Zeggendoorntje zijn de knik in de kiel op de bovenkant van de achterdij net voor de knie en het minder brede voorhoofd dat niet voorbij de ogen uitkomt. Doorgaans zijn zanddoorntjes ook kleiner (ca. 1 cm) en meer contrasterend bruin tot groen gekleurd zowel op het achterlijf als op het halsschild (het Zeggendoorntje is vaak egaal lichtbruin gekleurd). HABITAT EN LEVENSWIJZE Het Zanddoorntje is een uitgesproken warmteminnende pioniersoort van natte zandgebieden. Je vindt ze vooral op de overgangszones tussen land en water, zoals ook gesuggereerd door zijn Franse naam Tétrix des vasières. De soort verkiest duinpannen, oevers van plassen, kale plekken in

moerassen en jawel … zandgroeves met waterpartijen. De soort leeft er van mossen, algen en vergane plantendelen. Het voorkomen van de soort in de Zandgroeve Ganzemans is dus geen toeval gezien de ideale mix van habitatcondities aanwezig is. Als aanpassing aan zijn vochtig habitat kan de soort, net zoals het Zeggendoorntje, trouwens goed zwemmen en zelfs een tijdje onder water blijven. Bij gevaar zie je ze dan ook soms direct naar het water springen of vliegen om te ontsnappen. VOORKOMEN IN BELGIË Deze zuidelijke soort komt in België bijna uitsluitend voor in het noorden en in de kuststreek (niet toevallig op warme zandgronden). In Wallonië ontbreekt de soort grotendeels, buiten een grote populatie aan het meer van Harchies. In de wijde regio rond Leuven was er enkel een waarneming van één exemplaar bekend uit het Torfbroek. Binnen de provincie Vlaams-Brabant bevindt de enige gekende populatie zich in het Bos Van Aa (Zemst). Daarbuiten is de dichtstbijzijnde populatie deze van het Noordelijk eiland De Boomklever I juni 2018 I ongewervelden

59


Zanddoorntje - Neerijse Foto: Robby Stoks

in Wintam (provincie Antwerpen). Dit zijn dus kandidaat-bronpopulaties voor de kolonisatie van de Zandgroeve Ganzemans. De soort is langvleugelig en dus een goede vlieger die als pioniersoort onverwacht kan opduiken op allerlei natte plaatsen, zelfs tot in steden. Zowel in Vlaanderen als Nederland is de soort zich aan het uitbreiden in het binnenland. Populaties kunnen echter snel weer verdwijnen door het dichtgroeien van de vegetatie. TREFKANS De soort wordt in Vlaanderen meestal gezien van maart tot september met een duidelijk piek in april-mei en een kleinere piek in augustus. Dit komt overeen met hun cyclus. De eitjes worden in april-juni afgezet en nimfen die vroeg in het jaar uitkomen worden nog dat jaar volwassen; late nimfen overwinteren samen met de volwassen dieren. De soort is vrij onopvallend. Ze zijn klein en goed gecamoufleerd. Net als alle doorntjes wordt bovendien geen geluid gemaakt. Je kan een populatie dus gemakkelijk over het hoofd zien, temeer wegens mogelijke verwarring met het meer algemene Zeggendoorntje. Daarenboven piekt de soort in april-mei, een periode waar er minder naar sprinkhanen wordt gezocht.

Zanddoorntje - Neerijse Foto: Robby Stoks

60

DE POPULATIE IN DE ZANDGROEVE GANZEMANS Gezien de lage trefkans stelt de vraag zich of deze populatie al enkele jaren ‘overkeken’ werd. Het is goed mogelijk dat deze pioniersoort profiteerde van de inrichtingswerken van de zandgroeve in februari 2016, waarbij er grote zones met open zand naast de vijvers werden gecreëerd. Ook in andere zandgroeves met water is de soort te verwachten. Een controle van de zandgroeve in Haasrode eind april leverde echter (nog) geen Zanddoorntjes op. Opvallend is dat een gerichte telling op 19 april aangaf dat er minstens 120 exemplaren aanwezig waren, bijna uitsluitend op het open zandgedeelte direct rond de vijvers. Dit maakt het één van de grootste gekende populaties van België. In hoeverre de populatie zich zal kunnen handhaven zal echter sterk afhangen van het behoud van deze open zandzones rond de vijvers. Robby Stoks DANKWOORD Een speciaal woord van dank aan Thomas Vandenberghe, de conservator van de zandgroeve, om toelating te verlenen tot dit natuurgebied en voor zijn grote inspanningen bij het beheer ervan. Aansluitend ook de boodschap dit kwetsbaar gebied met verantwoordelijkheid te betreden na akkoord van de conservator. BRONNEN www.saltabel.org/nl/soorten/Tetrigidae/Tetrix_ceperoi www.nederlandsesoorten.nl/linnaeus_ng/app/views/species/ nsr_taxon.php?id=169835&cat=&epi=1 Bakker W, Bouwman J, Brekelmans F, Colijn E, Felix R, Grutters M, Kerkhof W & Kleukers R. 2015. De Nederlandse sprinkhanen en krekels (Orthoptera). Entomologische tabellen 8. KNNV Fischer J, Steinlechner D, Zehm A, Poniatowski D, Fartmann T, Beckmann A & Stettmer C. 2016. Die Heuschrecken Deutschlands und Nordtirols. Quell & Meyer Verlag Wiebelsheim. Kleukers R. 2017. De sprinkhanen van Nederland en België. 5de druk. Jeugdbondsuitgeverij. Vandenberghe T. 2016. Inrichtingwerken Zandgroeve Ganzemans februari 2016. De Boomklever 44: 104-107.


Broedgeval van Grauwe klauwier

Wijfje Grauwe klauwier Koeheide in 2015 (archiefbeeld) Foto: Eric Malfait

In de zomer van 2017 broedde er voor het eerst sinds meer dan vijftig jaar met zekerheid weer een Grauwe Klauwier Lanius collurio in de Dijlevallei, tevens pas het derde broedgeval voor Vlaams-Brabant. De Grauwe Klauwier was nooit een algemene broedvogel in Vlaams-Brabant en zeker niet in de Dijlevallei. Wortelaers (1946) vermeldt voor Grauwe Klauwier “Hier en daar een broedpaar in het struikgewas op de helling en de spoorwegdijken”. Broedgevallen en waarschijnlijke broedgevallen zijn gekend te Oud-Heverlee in 1947, Kessel-Lo/Blauwput 1948, Oud-Heverlee 1949, Korbeek-Lo 1954, Heverlee 1955, Kessel-Lo 1956, Heverlee 1957, Linden 1958, Overijse 1962, Bertem-Koeheide 2001 (broedterritorium). Op zaterdagmorgen 29 juli 2017 ontdekte Johan Nysten vanuit de hut te Oud-Heverlee Zuid op de Westelijke dijk - en later in de komgronden - een mannetje Grauwe klauwier. Hij meldde deze waarneming dadelijk via de Dijleland Bird

Alert WhatsAppgroep van de Natuurstudiegroep Dijleland. Wanneer hij even later aan de weide kwam zag hij ook een vrouwtje. Omdat wij al aan mogelijk broedgeval dachten, werd na kort overleg besloten hierover niet verder meer te communiceren via de bird alert of babbellijn en de waarneming onder embargo te plaatsen. Iedereen had immer kennis kunnen nemen van de waarneming en dus de mogelijkheid om de vogel te komen bewonderen. Maar vooral wilden we hiermee mogelijke verstoring van dit broedgeval vermijden. Natuurpunt werd gecontacteerd met de vraag om alle waarnemingen van klauwier automatisch onder embargo te plaatsen voor onze regio, wat ook op zondag gebeurde. Ook Griet Nijs – coördinator bij Natuurpunt van het Grauwe klauwierproject, werd op de hoogte gebracht. De volgende dag, zondag, konden noch Johan noch ikzelf de vogels echter terugvinden.

VOGELS

Lanius collurio in het Vlaams Natuurreservaat de Vijvers van Oud-Heverlee

Bij een terreinbezoek maandagochtend ontdekte Griet Nijs één bedelend jong en de beide oudervogels. Het vrouwtje was ook duidelijk daar ter De Boomklever I juni 2018 I vogels

61


Het jong - Oud-Heverlee Zuid Foto: Luc Hendrickx

plaatse aan het foerageren, net als het mannetje. Het mannetje vertoonde ook duidelijk territoriaal gedrag en het vrouwtje paarbindingsdrang. Het mannetje bracht prooien aan het jong, maar ook het vrouwtje vloog met een prooi het meidoornstruweel in. Dat kon twee dingen betekenen: óf ze ging de prooi spietsen, of er waren nog andere jongen aanwezig, mogelijk rond de nestplaats, die ze ging voederen. Ook dinsdag werd het jong en het mannetje waargenomen. Dinsdag lieten de oudervogels echter lang op zich wachten en zat het jong een hele tijd alleen in de vegetatie, waarbij het wat rondhopte in de meidoorn en zich dan weer in de bramen ging verschuilen. Na ruim een uur kwam het mannetje aanvliegen met een prooi. Het was duidelijk dat het waargenomen jong nog maar nét kon vliegen en had nog dons op de kop. Het bewoog nog heel onhandig door de vegetatie, klom meer dan het vloog en als het vloog, dan slechts stuntelig kleine stukjes. Onze eerste zorg was dat dit broedgeval tot een goed einde zou komen. Omdat echter het gedrag van Grauwe klauwieren nog niet goed gekend is (foerageren, voedsel,...) en deze informatie nuttig kan zijn bij het beheer van natuurgebieden om van deze vogel terug een vaste broedvogel te maken, is er nog veel observatiewerk nodig. Daarom moesten alle waarnemingen zo goed mogelijk worden gedocumenteerd. Hiervoor 62

De Boomklever I juni 2018 I vogels

Het mannetje - Oud-Heverlee Zuid Foto: Luc Hendrickx

moesten we het broedgeval dan ook ruimere bekendheid geven maar wel binnen een beperkt aantal mensen - vaste vogelkijkers. Wat ook gebeurde. Het probleem bij deze locatie, was het beperkte overzicht dat men had. Het was dus niet altijd makkelijk te bepalen waar de dieren zich ophielden. Hoe vaker we gingen kijken, hoe meer informatie we daarover konden verzamelen en hoe duidelijker het ruimtegebruik zich zou kunnen aftekenen. De volgende dagen werd vanop de toegankelijke paden de ruime omgeving (Oud-Heverlee Noord en Zuid, Doode Bemde) intensief onderzocht. Voor het waarnemen van Grauwe klauwier is veel geduld nodig, de vogels laten zich immers dikwijls lange tijd niet zien (geregeld gedurende een uur niets) en het gebruik van een telescoop is ook noodzakelijk. Ondanks al de zoekinspanningen werden er de volgende dagen geen klauwieren meer opgemerkt. Op 3 augustus zag ik wel een sperwer het bosje invliegen … De week nadien werd door Griet met toestemming van de terreinbeheerder het terrein opgegaan om te zoeken naar sporen van de klauwieren. Rond een bepaalde uitkijkpost vond ze maar liefst 36 braakballen. Ook onder de struik waar het jong werd gezien, werden verschillende braakballen en veel prooiresten aangetroffen. Dit alles duidt erop dat de vogels al een stuk langer op deze locatie aanwezig waren dan geweten.


Er lag ook een (omgekanteld) nest met daaronder een ei dat van Grauwe klauwier kon zijn - het had de juiste kleur en afmetingen - maar dit kon niet met zekerheid worden vastgesteld. De vraag blijft: waar waren ze plots naartoe? Werden de jongen gepredeerd en zijn de oudervogels vertrokken of hebben we niet goed gezocht? Het is inderdaad niet altijd evident om het gedrag van klauwieren correct te interpreteren, zeker niet met jongen. Ze zijn sneaky, snel en soms erg schuw, soms zelfs gedurende de ganse broedperiode. Het gedrag is ook erg verschillend van broedpaar tot broedpaar. We zien inderdaad dat, eens jongen zijn uitgevlogen, de vogels in losse familiegroep soms beginnen rondzwerven door het gebied en zich snel kunnen verplaatsen binnen een bepaalde actieradius, afhankelijk van de voedselbeschikbaarheid en de nabijheid van ander geschikt habitat (o.a. schuilmogelijkheden). Andere keren zijn ze weer erg plaatstrouw, vermoedelijk omdat er voldoende voedsel aanwezig is en/of er niet voldoende ander geschikt habitat in de nabijheid ligt waar eveneens voldoende voedsel te vinden is. Feit blijft dat ze érgens in de buurt daar gebroed hebben. Het zal gissen blijven waar de dieren precies tot broeden kwamen, maar vermoedelijk toch ergens aan OHZ, gezien de hoeveelheid prooiresten en braakballen ter plaatse. Het zou

Broedomgeving Foto: Luc Hendrickx

ook best kunnen dat we slechts het laatste stukje van het broedgeval meekregen en het jong misschien slechts een nakomertje was of het enige jong in het nest. Mogelijk ging het ook om een vervanglegsel of is het koppel laat tot broeden gekomen. Intrigerend is ook de waarneming van een mannetje op 19 mei in Oud-Heverlee Noord (en mogelijks een vrouwtje, pers. med. Bart Theunis). Luc Hendrickx luchendrickx2003@yahoo.com Voor dit artikel heb ik me uitgebreid gebaseerd op teksten en e-mails van Griet Nijs, waarvoor dank. Onze dank gaat ook uit naar de terreinbeheerder, het ANB, en meer bepaald Jo Hendriks, voor de uitstekende samenwerking.

VOGELS

Het wijfje - Oud-Heverlee Zuid Foto: Luc Hendrickx

REFERENTIES • Fluyt F. 2001, Broedterritorium van Gauwe Klauwier Lanius collurio in Bertem, Koeheide. De Boomklever 29: 107-108. • Herroelen P. 2004, Historische en recente gegevens over de Grauwe Klauwier Lanius collurio Vlaams-Brabant. De Boomklever 32: 11-17. • Nijs G., Lambrechts J., Stassen E., Vanormelingen P., Lambeets, K., & S. Feys, 2016. De Grauwe klauwier in Vlaams-Brabant: inventarisatie, habitatpreferentie en voedselbeschikbaarheid. Rapport Natuurpunt Studie 2016/5, Mechelen. • Wortelaers Fl. 1946, Het Meerdaelwoud en zijn broedvogels alsook de vogels der Dijlevallei, A’pen.

De Boomklever I juni 2018 I vogels

63


Opmerkelijke vogelwaarneminge in de Dijlevallei en omgeving dec. 2017 - febr. 2018 Dit overzicht van opmerkelijke en interessante vogelwaarnemingen in het Dijleland beslaat voornamelijk de periode december 2017 – februari 2018. De bestreken regio omvat de gemeenten Kortenberg, Herent, Bertem, Leuven, Oud-Heverlee, Huldenberg, Tervuren, Overijse, Hoeilaart en de aangrenzende gebieden. De volgende rubriek zal de periode maart – mei 2018 omvatten. Voor opname worden waarnemingen bij voorkeur ingevoerd op www.waarnemingen.be, of bezorgd aan Kelle Moreau, Meibloempjeslaan 2, bus 3, 8400 Oostende, 0486/12.58.77, kelle.moreau@gmail. com. Waarnemingen van soorten die niet in dit verslag werden opgenomen (incl. alle exoten), maar wel werden ingevoerd in www.waarnemingen.be kunnen daar geraadpleegd worden. Waarnemingen die als onzeker werden gelabeld of waar niet tot exacte soortdeterminatie kon worden overgegaan, werden voor dit overzicht niet weerhouden. In vele soortteksten wordt verwezen naar het aantal waarnemingen, waarbij waarnemingen worden gedefinieerd als ‘records’ in de database (een record is de combinatie van soort, datum, waarnemer, gebied en tijdstip). Omwille van de variatie in invoergedrag van verschillende waarnemers moet men wel oppassen met het interpreteren en vergelijken van deze cijfers. Waarnemingen die door het Belgian Rare Bird Committee (BRBC) beoordeeld dienen te worden, worden onder voorbehoud gepubliceerd vooraleer ze definitief op de Dijlelandse lijst kunnen bijgeschreven worden. 64

De Boomklever I juni 2018 I vogels

Wat de soortvolgorde betreft wordt de lijst van het International Ornithological Committee (IOC) gevolgd. GEBIEDSAFKORTINGEN WLS = Wilsele/Vijvers Bellefroid, LP = Kessel-Lo/Leopoldspark, AVP = Heverlee/Abdij van Park, ZW = Oud-Heverlee/Zoete Waters, OHN = Oud-Heverlee/N, OHZ = Oud-Heverlee/Z, Oppem = weilanden tussen Bogaardenstraat (Oud-Heverlee – Korbeek-Dijle) en NGB, NGB = Neerijse/Grote Bron (deel Doode Bemde), NKV = Neerijse/Kliniekvijvers (deel Doode Bemde), SAR = Sint-Agatha-Rode/ Grootbroek en Tervuren/KMMA = Koninklijk Museum voor Midden-Afrika.

Kolgans Anser albifrons Een winterse groep vriezeganzen in het gebied SAR – Pécrot, het wordt een gewoonte waar we niet rouwig om zijn. Tijdens de winter 2017/2018 arriveerden de eerste 7 Kolganzen op 7/01 in dit gebied (R. Charlier e.a.), met 8 ex. vanaf 8/01 (G. Ryken, S. Horemans), 17 ex. vanaf 12/01 (G. Vanautgaerden, E. Etienne) en het maximum van 22 ex. van 13 tot 18/01 (K. Aerts, L. Hendrickx, I. Nel e.a.). Daarna werden er maximaal 21 geteld tot op 24/01, met nog slechts 9 ex. op 27/01 en de laatste 2 ex. op 3/02 (M. Walravens). Buiten de zuidelijke Dijlevallei was er enkel de waarneming van 44 ex. NO te Veltem-Beisem/Molenbeekvallei op 7/01 (P. Moysons). Toendrarietgans Anser serrirostris Het eerste groepje van 7 Kolganzen dat op 7/01 te SAR/ Pécrot arriveerde, was in het gezelschap van een Toendrarietgans (G. Vandezande, L. Hendrickx, I. Nel e.a.). Het was het enige ex. van de winter, op 13/01 werd de vogel voor het laatst gezien (K. Aerts e.a.).


Rotgans Branta bernicla 06/01 5 ex. ZO te Wijgmaal (L. Smets) Het gaat hier om de 9e melding van Rotgans voor regio Leuven, en het eerste januarigeval. Eerdere waarnemingen vonden plaats in 1985, 1990, 2002, 2003, 2005 en 2010 (3 gevallen). De maandverdeling betreft nu november 1 – december 2 – januari 1 – februari 1 – maart 3 – mei 1. Vijf gevallen hadden betrekking op pleisteraars, vier op overtrekkers. Op de waarneming van deze winter na, ging het in slechts drie gevallen om meer dan 1 individu: 40 ex. N te Heverlee op 9/03/85, 3 ex. ZW te Wijgmaal op 20/12/10 en 13 ex. ZW op 25/12/10 (merk op dat deze laatste twee groepen ook over Wijgmaal vlogen). Bergeend Tadorna tadorna De beknopte maandstatistieken illustreren de gebruikelijke voorkeur van Bergeenden voor SAR, en de midwinter-aankomst van de grootste aantallen. Met nagenoeg twee maanden (jan-feb) non-stop > 50 ex. in de streek, lagen de maxima hoger dan doorgaans het geval is. December 88 waarnemingen, max. 34 ex. te SAR op 31/12 (S. Van der Veken) Januari 93 waarnemingen, max. 60 ex. te SAR op 9/01 (J. Vandeput) Februari 82 waarnemingen, max. 64 ex. te SAR op 25/02 (B. Hermans)

Smient Anas penelope In tegenstelling tot veel andere aan water gebonden vogels verkiezen Smienten in het Dijleland niet zozeer rond te hangen te SAR, maar eerder in de zone NGB – OHZ (met ook een beperkt aantal waarnemingen te OHN en NKV). Een beknopt overzicht: December 36 waarnemingen, max. 66 ex. op 10/12 (S. Horemans) Januari 49 waarnemingen, max. 48 ex. op 15/01 (J. Vantrappen) Februari 19 waarnemingen, max. 32 ex. op 18/02 (I. Nel, L. Hendrickx)

VOGELS

Aalscholver - Leopoldspark Kessel-Lo Foto: Fred Vanwezer

Pijlstaart Anas acuta Zeer schaars tijdens de wintermaanden 2017/2018, met enkel resp. 1m, 2m en 1m te SAR op 23, 24/12 en 12/02 (G. Vanautgaerden, I. Nel, F. Vanwezer e.a.) en 1m te Pécrot/vijver op 17/02 (F. Van Hove). Krooneend Netta rufina Het mannetje Krooneend van twijfelachtige herkomst verbleef nog tot op 29/01 te Tervuren/Park KMMA (A. Reygel e.v.a.).

De Boomklever I juni 2018 I vogels

65


Appelvink - Laanvallei Foto: Stephan Peten

Brilduiker Bucephala clangula 03/12 1 ad v te OHN (L. Hendrickx, B. Hermans, A. Meeus e.a.) 10-14/01 1 ad v te SAR (B. Miserez, A. Meeus, R. Charlier e.a.) 26/01 1 ad m te Overijse/Meer van Genval (P. Hermand) Grote Zaagbek Mergus merganser Van 9/12 tot en met 30/01 verbleven continu 3 Grote Zaagbekken in het Dijleland (B. Hermans, N. De Clercq, R. Charlier e.v.a.). De vogels hadden een opvallende voorliefde voor ZW, maar werden vanaf 21/12 ook zeer regelmatig te SAR gezien. De vogels maakten daarbij niet steeds dezelfde omzwervingen, maar splitsten zich ook regelmatig op. Op 28/12 werd zo ook één ex. opgemerkt te NGB (L. Hendrickx, I. Nel). Hoewel de meeste waarnemers 3 volwassen vrouwtjes meldden, ging het in werkelijkheid om twee volwassen vrouwtje en een eerste winter mannetje (wat vanaf ca. half januari door de voorjaarsrui duidelijker werd). Tijdens de eerste dagen van februari werden enkel de twee vrouwtjes nog gezien, met resp. 1, 2, 2 en 1 ex. te ZW op 2, 3, 4 en 6/02. Ooievaar Ciconia ciconia 17/01 2 ex. te WLS/N (J. Menu) 19/02 2 ex. N te Oppem (S. Horemans) 25/02 2 ex. te Neerijse/Langerodebos (D. Maes), 1 ex. te Kwerps/Zuurbeekvallei (S. Loudeche) 26/02 1 ex. over Heverlee/Terbank (B. Hermans)

66

De Boomklever I juni 2018 I vogels

28/02

2 ex. N te Leefdaal/plateau (J. Vandeput), 10 ex. NO te Overijse/ Maleizen (H Vandamme, M. Van Essche)

Roerdomp Botaurus stellaris 16-17/12 1 ex. te OHN (L. Hendrickx, I. Nel, A. Meeus, R. Charlier, N. De Clercq) 16/12 1 ex. te NGB (L. Hendrickx, I. Nel, A. Meeus, R. Charlier) 28/12 1 ex. te Kwerps/vijvers (P. Moysons) 30/12 1 ex. te NKV (J. Nysten) Grote Zilverreiger Ardea alba December 254 waarnemingen, max. 10 ex. te ZW op 27/12 (P.Y. Bodart) Januari 272 waarnemignen, max. 27 ex. te NGB op 15/01 (J. Vantrappen) Februari 165 waarnemignen, max. 16 ex. te Leefdaal/plateau op 10-11/02 (J. Nysten, R. Polfliet, F. Fluyt) Kleine Zilverreiger Egretta garzetta We begonnen deze periode met 4 Kleine Zilverreigers die reeds van in het najaar aanwezig waren te SAR. Op 9/12 werd het viertal hier voor het laatst waargenomen, op 21/12 ging het voor het laatst om 3 ex., en tot 28/12 waren het er nog twee. Aangezien deze vogels zich soms gescheiden van elkaar doorheen de Dijlevallei bewogen (noordwaarts tot OHN, zuidwaarts tot Pécrot/vijver) is het niet onmogelijk dat er meer ex. in de regio verbleven dan


deze gegevens doen uitschijnen, maar feit is dat er van 29/12 tot 25/01 nooit meer dan één ex. samen werd opgemerkt. Op 26 en 27/01 bleken dan weer minstens resp. 4 en 3 ex. te SAR te verblijven, met daarna weer slechts één ex. tot op het einde van de behandelde periode. Enkel op 18 en 22/02 werden er nog 2 geteld.

mans) en nadien O te Huldenberg (plateau en Wolfshaegen) (I. Nel, L. Hendrickx, A. Meeus) De 17e Zeearend voor het Dijleland, en slechts de eerste ad (een subad werd gemeld op 16/05/16 te SAR).

Bruine Kiekendief Circus aeruginosus Meer winterwaarnemingen dan we van deze soort gewoon zijn: 1 ex. te OHN op 8/12 (N. De Clercq), telkens 1 v te Leefdaal/plateau op 17, 26/12, 7 & 18/01 (N. De Clercq, F. Vanwezer, F. Taburiaux e.a.), telkens 1 v te Erps/ Dorenveld op 6-7 & 10/01 (L. Raty, J. Lecomte) en 1 v te SAR op 29/01 (J. Vandeput).

Kraanvogel Grus grus 25/02 22 ex. NO te Kwerps/vijvers (E. Geeraerts) 26/02 39 ex. pleisterend te Neerijse/Zingende Wind en later op het plateau Leefdaal/Korbeek-Dijle (K. Van Acker, I. Nel), 30 ex. N te Bertem/Koeheide (G. Bleys), 17 ex. NO te Heverlee, Winksele en kessel-Lo (E. Etienne, B. Hermans, G. Vandezande) en 20 ex. N te Herent (G. Ryken, G. Bleys)

Blauwe Kiekendief Circus cyaneus Blauwe Kiekendieven werden tijdens de winter 2017-2018 bijna uitsluitend op de westelijke plateaus waargenomen, met 29 december-, 26 januari- en 13 februariwaarnemingen. Nooit ging het om meer dan 2 ex., waarmee de soort in regio Leuven een bescheiden winter kende. De enige mannetjes vlogen op 14/12 naar Z te LP (de enige buiten de plateaugebieden) en op 10/01 te Leefdaal/plateau (P. Standaert). Rode Wouw Milvus milvus 28/12 1 ex. ZW te Leefdaal/plateau (P.Y. Bodart, J. De Cock) Zeearend Haliaeetus albicilla 17/02 1 ad Z te Kortenberg/dorp (B. Berg-

VOGELS

Slobeend - Leopoldspark Kessel-Lo Foto: Jan Waumans

Goudplevier Pluvialis apricaria In december – januari werden Goudplevieren opgemerkt te plateau Leefdaal/Korbeek-Dijle (resp. 1, 2, min. 4, min. 1, min. 1 & 1 ex. op 9, 17, 27, 28/12, 6 & 14/01; J. Nysten, N. De Clercq, F. Vandeputte e.a.), Bertem/ Koeheide (resp. 4 & 1 ex. op 3 & 15/01; G. Bleys) en Erps/ Dorenveld (1 ex. op 27/01; P. Moysons). Bokje Lymnocryptes minimus 03/12 1 ex. te Haasrode/zandgroeve (D. von Werne) 18/12 1 ex. te SAR (J. Nysten)

De Boomklever I juni 2018 I vogels

67


Ransuil - Neerijse Foto: Johan De Cock

68

Watersnip Gallinago gallinago Er werden voor de besproken periode 22 waarnemingen van Watersnippen ontvangen uit regio Leuven, als volgt in de ruimte verdeeld: Neerijse/Doode Bemde (resp. 1, 1 & 1 ex. op 5/12, 30/01 & 28/02; N. De Clercq, E. Kimman, F. De Vos, P. Bellen), AVP (resp. 5, 1 & 3 ex. op 6, 13/12 & 24/01; E. Toorman), Haasrode/industrie (1 ex. op 7/12; D. von Werne), SAR/Vette Weide (3 ex. op 10/12; I. Nel), SAR (telkens 1 ex. op 14 & 25/12; F. Vanwezer, I. Nel), Heverlee/Zwanenberg (1 ex. op 16/12; F. Vandekeybus), Oppem (telkens 2 ex. op 23/12 & 10/01; R. Stoks, S. Horemans), OHZ (resp. 7 & 1 ex. op 28/12 & 13/01; S. d’Hoop, I. Nel), Kwerps/vijvers (telkens 1 ex. op 29/12, 11 & 18/02; P. Moysons), Pécrot/vijver (2 ex. op 6/01; F. Van Hove), WLS/Z (1 ex. op 13/01; P. Moysons) en Wijgmaal (4 ex. NW op 24/02; L. Smets).

Pontische Meeuw Larus cachinnans Pontische Meeuwen werden tijdens de winter 2017/2018 waargenomen te OHN (telkens 1 ex. op 13 data tss 2/12 en 14/02, verdere reconstructie niet mogelijk aangezien bij de meeste geen kleed gespecifieerd werd, maar er waren minstens 1 ad, 1 1e win en 1 2e win bij betrokken; S. Horemans, L. Hendrickx, B. Theunis e.a.), LP (resp. 1 ad, 1 ad, 1 2e kj & 1 ad op 5, 14/12, 8/01 & 11/02; E. Toorman, P. Standaert, T. Bovens e.a.), Pécrot/vijver (telkens 1 ad op 11 data tss 16/12 & 25/02; Y. Princen, A. Schretter, M. Walravens e.a.), SAR (telkens 1 ad op 9 data tss 17/12 & 19/02, met 2 ad op 25 & 27/12 en 1 2e win op 8/02; R. Polfliet, N. De Clercq, A. Meeus e.a.), Overijse/Meer van Genval (telkens 1 ex. op 29/12 & 14/02; E. Kimman), Kwerps/vijvers (resp. 2 & 3 ex. op 29/12 & 18/02; P. Moysons) en AVP (1 ex. op 15/02; P. Moysons).

Witgat Tringa ochropus Witgatjes werden tijdens de winter 2017/2018 vooral in de Doode Bemde waargenomen, met gevallen te Oppem (waarnemingen van 1-3 ex. op 11 data tss 17/12 & 25/02; L. Hendrickx, J. Vantrappen, I. Nel, A. Meeus), NGB (waarnemingen van 1-2 ex. op 7 data tss 1/01 & 25/02; L. Hendrickx, J. Vantrappen, I. Nel), NKV (resp. 1, 1, 2 & 1 ex. op 3-4, 16, 22/12 & 1/01; G. Vanautgaerden, B. Hermans, L. Hendrickx, J. Nysten) en Langerodebos (1 ex. op 21/02; P. & J. Devillers). Buiten de Doode Bemde waren er enkel waarnemingen van 1 ex. te SAR op 23/12 (A. Meeus) en 2 ex. N te Loonbeek/Ganspoel op 17/01 (N. Ryckeboer).

Geelpootmeeuw Larus michahellis Tijdens de besproken periode werd op 18 data een Geelpootmeeuw gemeld in de zone SAR – Pécrot/vijver (verspreid over de hele periode). Wanneer de leeftijd werd gespecifieerd ging het telkens om een adult, wellicht een lange pleisteraar. Op 14/01 werden te SAR 2 adulten opgemerkt (I. Nel).

De Boomklever I juni 2018 I vogels

Velduil Asio flammeus 12/12 1 ex. NW te Erps-Kwerps/dorp (P. Deschepper) 20/01 1 ex. te Erps/Dorenveld (P. Moysons) 17, 21 & 23/02 telkens 1 ex. te Leefdaal/plateau (J. Nysten, B. Forget, M. Walravens)


Smelleken Falco columbarius 26/12 1m te Leefdaal/plateau (P. Standaert) 12/01 1v te Haasrode/zandgroeve (A. Smets) 17/02 1 1e win te Haasrode/zandgroeve (D. von Werne) 18/02 1m te Korbeek-Dijle/plateau (J.M. Lommaert) 26/02 1 ex. te Leefdaal/plateau (N. De Clercq) Raaf Corvus corax In december werd enkel een Raaf opgemerkt op de 24e over het plateau van Korbeek-Dijle (F. Geenen), en ook januari kende slechts één waarneming van 2 ex. ZW over de Doode Bemde op de 20e van die maand (T. Roels). In februari werd de soort weer wat frequenter opgemerkt, met waarnemingen op 10 data verspreid over Meerdaalwoud en de aangrenzende gebieden (van Bierbeek in het oosten tot Néthen en Leefdaal in het westen). Opvallend is dat het in de laatste decade van fabruari telkens om waarnemingen van een solitair ex. ging (R. Gimdal, R. Polfliet, F. Fluyt e.a.), terwijl de twee voorgaande decades vooral een duo lieten optekenen (A. Meeus, I. Nel, M. Walravens e.a.). Baardman Panurus biarmicus Hoewel sinds oktober 2017 continu Baardmannetjes te SAR en OHZ verbleven, werden de betrokken aantallen in het vorige waarnemingenoverzicht sterk onderschat. Als ze zich al laten zien gaat het meestal slechts om één

tot enkele ex., maar de waarneming van 30 opvliegende ex. op 18/10 te OHZ (A. Meeus; deze waarneming viel helaas uit het vorige overzicht) illustreerde dat er soms veel meer individuen in het spel kunnen zijn dan doorgaans visueel kan worden vastgesteld. De soort bleef ook tijdens de wintermaanden nagenoeg constant aanwezig op de twee genoemde plekken, te SAR werden zo nog 36 keer Baardmannetjes genoteerd (max. 3m1v op 27/12 – I. Nel, R. Charlier; laatste waarneming 1m1v op 18/02 – R. Polfliet), te OHZ ging het nog om 27 waarnemingen (max. 4 ex. op 13/01 – I. Nel; laatste ex. op 24/02 – L. Hendrickx).

VOGELS

Grote zaagbek - Zoete Waters Foto: Gert Vandezande

Boomleeuwerik Lullula arborea 25/12 18 ex. te Herent (L. Smets) Siberische Tjiftjaf Phylloscopus collybita tristis 21 &25/12 1 ex. te Wijgmaal/Dijlemeander (L. Smets) Het is slechts de tweede keer dat iemand het aandurft deze ondersoort als zeker in te voeren op www.dijleland. waarnemingen.be. Bij het vorige geval ging het om een ex. op 26/11/10 te Overijse/ Maleizen. Zwartkop Sylvia atricapilla 02 & 06/12 telkens 1v te Leuven/C (B. Theunis, K Kaerts) 26/12 1 ex. te Heverlee/W (G. Grootaers) 12/01 1v te Wijgmaal (L. Smets) 20, 27/01, 1, 3 1m te Kessel-Lo/Kesselberg & 10/02 (K. Hansen) 23/02 13 te Leuven/C (K. Kaerts) De Boomklever I juni 2018 I vogels

69


Zwarte Roodstaart Phoenicurus ochruros 03/12 1 ex. te Kessel-Lo/Noord (S. Vranckx) 08/02 1 ex. te Heverlee/Terbank (R. Ghijsen) 24/02 1v te Kessel-Lo/C (R. Uyttenbroeck) Roodborsttapuit Saxicola rubicola 06/01 1 ex. te Erps/Dorenveld (L. Raty) Ringmus Passer montanus Enkel 1 ex. te Kessel-Lo/C op 17/02 (D. Kempeners) … Waterpieper Anthus spinoletta De grootste wintergroepen betroffen 49 ex. op 23/12 te Oppem (R. Stoks) en 45 ex. op 10/02 te NKV (F. Fluyt). Appelvink Coccothraustes coccothraustes De Appelvinkeninvasie die zich tijdens het najaar van 2017 in West-Europa aftekende zette zich tijdens de wintermaanden onverminderd verder. In het Dijleland leverde dat vooral een grotere waarnemingsfrequentie op (91 waarnemingen tijdens de besproken periode, ten opzichte van 32 waarnemingen in dezelfde periode tijdens 2016-2017, 28 in 2015-2016, 11 in 2014-2015, 28 in 2013-2014, …), maar niet meteen een groot aantal grotere groepen. Enkel de volgende groepen van meer dan 10 ex. werden doorgegeven : 15 ex. te Overijse/ Maleizen op 6/01 (J. Fléron), 12 ex. te Sint-Agatha-Rode/ Rodebos op 17/01 (S. Peten), 11 ex. ZO te Heverlee/W op 3/02 (K. Moreau) en 23 ex. te Leuven/centrum op 26/02 (B. Verstraete). Noordse Goudvink Pyrrhula pyrrhula pyrrhula Noordse Goudvinken werden op basis van hun roep ontmaskerd op 25/01 te Kessel-Lo/Kesselberg (1m; G. Vandezande) en op 10/02 in de Doode Bemde (aud; J. Nysten). Kleine Barmsijs Acanthis flammea cabaret Een beknopt overzicht per locatie: LP (resp. 6, 12, 3, 1 & 1 ex. op 9, 16, 19/12, 9 & 12/01; F. Vandeputte, B. Verstraete, P. Standaert), Tervuren/Arboretum (resp. 7 & 3 ex. op 17/12 & 4/02; P. Dubois; B. Forget), SAR (7 ex. op 25/12; I. Nel), OHZ (2 ex. op 28/12; I. Nel), Pécrot/ vijver (2 ex. op 6/01; F. Van Hove), Leefdaal/ plateau (1 ex. op 6/01; F. Vandeputte), Sint-Joris-Weert (9 ex. op 7/01; E. Etienne), Pécrot/Grand-Pré (2 ex. op 10/01; G. Vandezande) en Kessel-Lo/Kesselberg (2 ex. op 21/01; G. Vandezande).

Grote Barmsijs Acanthis flammea flammea De invasie van Grote Barmsijzen, die sinds half oktober ook in onze streek tot een (bescheiden) aantal waarnemingen leidde, was ook tijdens de wintermaanden nog merkbaar. In december werd de ondersoort op 7 locaties waargenomen, in januari op 14 plekken, en in februari op 6 plaatsen (met op sommige locaties waarnemingen van langdurige peisteraars tijdens meerdere maanden). De grootste groepen (> 10 ex.) betroffen 11 ex. te Sint-JorisWeert op 1/12 (R. Stoks), 11 ex. te Haasrode/zandgroeve op 7/01 (K. Moreau), 41 ex. te Haasrode/Konijnenhoek op 7/01 (K. Moreau), 12 ex. te Sint-Joris-Weert op 9/01 (R. Stoks; tussen 1/12 en 9/01 werd deze ondersoort hier nog meermaals opgemerkt), 120 ex. (!) te Wijgmaal/ Wijgmaalbroek op 13/01 (L. Smets) en 15 ex. te Neerijse/ Doode Bemde op 6/02 (E. Kimman). Barmsijs ssp Acanthis flammea flammea/cabaret Niet nader op naam gebrachtte Barmsijzen werden gezien op de volgende locaties: AVP (resp. 2 & 1 ex. op 6/12 & 24/01 (P. Moysons, E. Toorman), Kessel-Lo/C (resp. 15 & 2 ex. op 7/12 & 11/02; P. Moysons, R. Uyttenbroeck), Kwerps/ vijvers (2 ex. op 16/12; P. Moysons), OHN (1 ex. op 16/12; K. Moreau), Loonbeek/Margijsbos (2 ex. NO op 21/12; H. Roosen), Meerbeek (20 ex. op 7/01; P. Moysons), Bierbeek/Builoog (1 ex. op 9/01; D. von Werne), Haasrode/industrie (10 ex. op 16/01; D. von Werne) en OHZ (2 ex. op 28/02; B. Vereycken). Het lijkt aannemelijk dat het hier grotendeels Grote Barmsijzen betreft (minstens voor de grotere groepen). Europese Kanarie Serinus serinus In en rond de zandgroeve van Haasrode overwinterde – net zoals vorige winter – een mooi groepje Europese Kanaries. Op 9/12 werd hier een eerste ex. gemeld, en op 1/01 ging het om 4 ex. (D. von Werne). Daarna stegen de aantallen, met resp. 15, 15, 12, 1, 12 & 12 ex. op 7, 12, 14, 21/01, 17 & 25/02 (R. Stoks, A. Smets, D. von Werne e.a.). Te Overijse/Maleizen werden op 19/01 2 ex. gezien (M. Paelinck). Grauwe Gors Emberiza calandra Te Leefdaal/plateau werden resp. 2, 1, 1, 3 & 1 ex. gezien op 17, 20/12, 2, 6 & 21/01 (J. Nysten, P. Standaert, F. Vanwezer e.a.). Op 6/01 werd ook te Erps/Dorenveld een ex. waargenomen (L. Raty).

Samenstelling Kelle Moreau kelle.moreau@gmail.com


Activiteiten

juli-sept. 2018

Alle activiteiten van de Natuurstudiegroep Dijleland en eventuele wijzigingen zullen ook aangekondigd worden via de website (www.natuurstudiegroepdijleland.be/activiteiten) Dijlevallei-maillijst (http://groups.yahoo. com/group/Dijlevallei/) en de NSGD facebookpagina (www.facebook.com/natuurstudiegroepdijleland).

Inventarisaties voormalig militair domein Meerdaalwoud Op 14 juli en 18 augustus organiseren we algemene ongewerveldeninventarisaties op het voormalig militair domein in Meerdaalwoud. We spreken af om 14u op parking De Speelberg in Sint-Joris-Weert. Bij slecht weer of onvoldoende beschikbare soortenexperten gaan deze inventarisaties niet door. Op andere momenten zullen ook nachtvlinder- en paddenstoeleninventarisaties georganiseerd worden (datum wordt kort op voorhand vastgelegd i.f.v. weer). Een definitieve aankondiging van elke activiteit zal telkens verschijnen op de mailinglijst van de Natuurstudiegroep Dijleland. Wie hier niet op aangesloten is, kan een mailtje sturen naar maxime.fajgenblat@gmail. com (of 0478 92 36 60) om persoonlijk op de hoogte gehouden te worden.

VROEGE NAJAAR 2018 Voorjaarstrektellingen In het vroege najaar komt het trektelseizoen terug op gang. Eind augustus gaan de trektellingen op het plateau van Leefdaal van start, en in de loop van september zullen ook de trektelposten van de Kesselberg en Meerbeek bemand worden. Exacte data van veelbelovende teldagen zullen vooraf aangekondigd worden op onze mailinglijst en Facebookpagina. Coรถrdinatie en meer info: Gert Vandezande, gert.vandezande@telenet.be

ACTIVITEITEN

ZATERDAGEN 14 JULI EN 18 AUGUSTUS & ANDERE DATA

De Boomklever I juni 2018 I activiteiten

71


Regionale werkgroep van Natuurpunt Studie vzw

Bestuur Luc Hendrickx

Voorzitter, Penningmeester, Watervogeltellingen luchendrickx2003@yahoo.com 0477-19 28 35

Kris Van Scharen

Erevoorzitter kris.van.scharen@telenet.be

Maxime Fajgenblat

Gert Vandezande

Trektelcoördinator gert.vandezande@telenet.be

Kelle Moreau

Archivaris kelle.moreau@gmail.com

Bruno Bergmans

bruno.bergmans@scarlet.be

Secretaris maxime.fajgenblat@gmail.com

Bart Creemers

Roel Uyttenbroeck

Hans Roosen

Gert Vanautgaerden

André Verboven

Ledenadministratie roel_uyttenbroeck@hotmail.com Vuursalamander vanautgaerden.gert@gmail.com

Pieter Moysons

ABV-coordinator, Regioadmin pieter_moysons@hotmail.com

Jonathan Menu

bart.creemers@gmail.com Vleermuizen roosenhans@yahoo.com andre.karine.verboven@telenet.be

Robby Stoks

robby.stoks@yahoo.com

Herwig Blockx

herwigblockx@yahoo.com

jona.menu@gmail.com

Redactie

Website

Hoofdredactie

Webmaster

Clos des Poplis 17, 1332 Genval 0478 92 36 60 maxime.fajgenblat@gmail.com

thomas.vdberghe@gmail.com

Maxime Fajgenblat

Redactieteam

Jonathan Menu, Gert Vanautgaerden, Luc Hendrickx, Kelle Moreau & Herwig Blockx.

Abonnementen Roel Uyttenbroeck

Voor al uw vragen i.v.m. uw abonnement roel_uyttenbroeck@hotmail.com

Colofon

Thomas Vandenberghe Inhoud

Maxime Fajgenblat

maxime.fajgenblat@gmail.com

Waarnemingsarchivaris Kelle Moreau

kelle.moreau@gmail.com

Werkgebied Leuven, Bertem, Oud-Heverlee, Huldenberg, Overijse, Hoeilaart, Tervuren, Kortenberg & Herent.

Rondzendlijst Dijleland http://groups.yahoo.com/neo/groups/Dijlevallei/info maak een Yahoo ID aan en klik op ‘join group’. Bij aanmeldingsproblemen, contacteer roel_uyttenbroeck@hotmail.com

www.natuurstudiegroepdijleland.be

Regiopag.: dijleland.waarnemingen.be - facebook.com/natuurstudiegroepDijleland

De Boomklever Driemaandelijks tijdschrift van de Natuurstudiegroep Dijleland. De Boomklever brengt bijdragen over studie en beheer van de biodiversiteit in het Dijleland en verschijnt viermaal per jaar (maart, juni, september, december). Abonnement Geïnteresseerden kunnen de Boomklever ontvangen door overschrijving van 15 € op rek.nr. BE8600 115521 6850 van de Natuurstudiegroep Dijleland met opgave van naam en adres. Een steunabonnement kost 20 € of meer. Copyright Het copyright van de teksten, illustraties en foto’s blijft bij de respectievelijke auteurs, tekenaars en fotografen. Overname is enkel mogelijk mits hun uitdrukkelijke toestemming en bronvermelding. Natuurpunt vzw Natuurpunt is de grootste vereniging voor natuur en landschap in Vlaanderen. Ze telt meer dan 88 000 gezinsleden en beheert 19 000 hectare natuurgebied. Lid worden van Natuurpunt vzw kan door storting van 27 € op rekeningnummer BE17 2300 0442 3321. www.natuurpunt.be Lay-out Walda Verbaenen - walda@walda.be Druk Drukkerij Atlanta - Diest info@drukkerijatlanta.be www.drukkerijatlanta.be Oplage: 220 ex. V.U.: Luc Hendrickx, Naamsestraat 142 bus 1 - 3000 Leuven


Issuu converts static files into: digital portfolios, online yearbooks, online catalogs, digital photo albums and more. Sign up and create your flipbook.