__MAIN_TEXT__

Page 10

Eerste vondst van de Streepdikkopmot Scythris knochella (FABRICIUS 1794) in Vlaanderen, met notities over voorkomen en verspreiding in Europa. Op 11 juni 2015 werd per toeval een kleine populatie van de Streepdikkopmot Scythris knochella (FABRICIUS 1794) gevonden langs een veldweg in Neerijse (Vlaams-Brabant). Dit blijkt de eerste waarneming voor Vlaanderen te zijn en de eerste recente waarneming voor België sinds 1969. De motjes konden uitgebreid worden gefotografeerd. Twee exemplaren werden gevonden op Grasklokje Campanula rotundifolia, waar ze nectar dronken. Enkele meters verder werden nog eens 3 exemplaren opgemerkt op Fluitenkruid Anthriscus sylvestris. Op 16 juni werden hier opnieuw 5 imago’s gevonden op Grasklokje. Ditmaal werden ze allen tegelijkertijd gezien. Daarna werden zeker tot 3 juli op dezelfde plaats nog tot maximaal 8 ex. gezien, op Grasklokje en op Beemdkroon Knautia arvensis. Alle 7 waarnemingen gebeurden binnen een straal van ca. 10 meter, wat erop wijst dat het om een lokale populatie gaat. ALGEMEEN De Streepdikkopmot werd voor het eerst beschreven door FABRICIUS (1794). Ze behoort tot de familie Scythridae, die in het Engels passend bloemenmotten worden genoemd. Zoals deze laatste naam al suggereert, zijn het dagactieve motten die met name op warme, zonnige, wind102

De boomklever I december 2015 I ongewervelden

Foto 1 - Streepdikkopmot Scythris knochella op Grasklokje Campanula rotundifolia Foto: Erik Toorman

stille dagen op allerlei bloemen te vinden zijn, waar ze nectar zuigen, getuige de lange roltong. Deze familie telt wereldwijd 523 soorten, waarvan het grootste deel in Europa voorkomt [HEPPNER, 2008]. In België komen 16 soorten dikkopmotten (Scythris sp.) voor. De Streepdikkopmot is de enige van de 10 soorten uit de zogenaamde “knochella” groep die in ons land voorkomt. Het zijn allemaal Foto 2 – Streepdikkopmot met zichtbare ivoorwitte onderzijde van de achterste lichaamssegmenten foto: Erik Toorman

BESCHRIJVING Alle stadia zijn uitvoerig beschreven en gedocumenteerd door BARAN (2005). Volwassen stadium (imago) (zie foto’s): Spanwijdte 12-14,2 mm. Overwegend donker bronzen bruin met soms wat lichte beige-achtige schubjes (vooral nabij de zwarte ogen en de binnenzijde van de poten); omhoog gebogen palpen lichter naar de basis toe. De voorvleugel soms glanzend in de zon met een kenmerkende witte, crème-gele, beige of lichtbruine lengtestreep van de basis tot net voorbij het midden, gevolgd door een duidelijk gekromde of driehoekige punt nabij de vleugelpunten (samen vormt dat een uitroepteken, vanwaar de Zweedse soortnaam Utropstecknad korthuvudmal). De achtervleugel is donker grijsbruin, net als het lichaam in het algemeen. Buik vaak dicht bezet met ivoorwitte, okerkleurige of lichtbruine schubben, met wat grijsbruine vlekken geconcentreerd in het midden en op de flanken. Het wijfje verschilt van het mannetje door duidelijker bleke vlekjes op de voorvleugel, het lichaam met een lichtere rug (vooral in het midden), terwijl de buik voor- en achteraan weer minder witachtige schubben heeft. Ondanks de karakteristieke vleugeltekening is verwarring mogelijk met verwante soorten uit de knochella groep, wat in het bijzonder van belang is waar verspreidingsgebieden elkaar mogelijk raken of overlappen (zie verder). Vooral gesleten exemplaren kunnen moeilijk te identificeren zijn en kunnen enkel met zekerheid op naam gebracht worden door onderzoek van (mannelijke) genitaliën. De genitaliën van beide geslachten worden uitgebreid beschreven door BARAN (2005). Vlaanderen ligt ver genoeg verwijderd van het verspreidingsgebied van verwante soorten, zodat hier geen identificatieproblemen te verwachten zijn.

Rupsen (fig.1) zijn 10,3-13 mm lang en licht behaard; rugzijde oranjebruin met crème-witachtige lengtestrepen, met een opvallend brede ononderbroken lijn op de flank; onderzijde lichter met een brede crème-witte lengtestreep; voorschild vuilgeel met zwarte schoudervlek; poten zwartachtig; kop (0,76-0,81 mm breed) is geel met donkerbruine vlekken, ogen zwart. Verdere details (inclusief het gedetailleerde koppatroon) worden uitgebreid beschreven door BARAN (2005).

ONGEWERVELDEN

Eerste vondst van de Streepdikkopmot in Vlaanderen

sterk op elkaar lijkende soorten, die vooral geografisch uit elkaar gehouden kunnen worden1.

Figuur 1 - Schets van de rups van de Streepdikkopmot Scythris knochella (BARAN, 2005)

De roodbruine pop (5,1-5,4 mm lang, en 1,4-1,6 mm breed) werd reeds eerder beschreven door PATOČKA (1998) op basis van een mannelijk en een vrouwelijk exemplaar uit Duitsland (fig.2). Hij geeft bovendien een determinatiesleutel voor de poppen van 16 Centraal-Europese Scythris soorten.

Figuur 2 – Schets van de pop van de Streepdikkopmot Scythris knochella (PATOČKA, 1998)

VERSPREIDING De Streepdikkopmot is waargenomen op het Europese vasteland in de Atlantische kustlanden van het Iberisch Schiereiland tot Denemarken, en verder (iets oostelijker) in Zweden, Duitsland, Tsjechië, Polen, Rusland, Slovenië, Bosnië-Herzegovina, Macedonië en recentelijk ook Kroatië. Maar slechts in zeer kleine aantallen, zeer lokaal, en er zijn heel weinig waarnemingen. In totaal konden bijna 60 waarnemingen worden getraceerd (tabel 1).

103

Profile for Natuurstudiegroep Dijleland

De Boomklever December 2015  

Deze publicatie kadert binnen het digitalisatieproject van de Natuurstudiegroep Dijleland, waarbij zoveel mogelijk nummers van De Boomklever...

De Boomklever December 2015  

Deze publicatie kadert binnen het digitalisatieproject van de Natuurstudiegroep Dijleland, waarbij zoveel mogelijk nummers van De Boomklever...

Profile for nsgd
Advertisement