__MAIN_TEXT__

Page 1

Jaargang

Tijdschrift van de Natuurstudiegroep Dijleland •

I

Il

35

-

maart

2007


e-5 NATUURSTUDIEGROE P

ï ela

iverkgroep van Reuio11ale o

atu1trp1t11t Studie vzw

n atLJ LJ rp LJ nt

tuc1r

5

.

De Boomklever

Bestuur •

Driemaandelijks tijdschrift van de Natuurstudiegroep Dijleland.

Maarten Hen (voorzitter), Dorpsstraat 48, 3078 Meerbeek, 0473-244752

De Boomklever brengt bijdragen over studie en beheer van de bio­

I ri Van Scharen (penningmeester), Korbeekstraat 27, 3061 Leefdaal, 02-7672638

Monique Bekkers, Oo tremstraat 4, 3020 Herent, 016-231338

Bruno Bergmans, Mgr. Van Waeyenberglaan 54 DIS bus3,

diversiteit in het Dijleland en ver­ schijnt viermaal per jaar (maart, juni, september, december).

3000 Leuven, 0498-760722 •

Herwig Blockx, Rue du Culot 42, 1320 Tourinnes-la-Grosse,

Redactie

010-862466

Herwig Blockx, Frederik Fluyt,

Bart Creemer , Frederik Lintstraat 77, 3000 Leuven,

Maarten Hens, Paul Herroelen,

0496-893106

KeUe Moreau en Kris Van Scharen

Frederik Fluyt, Spitsberg 4, 3040 Huldenberg, 0479-920172

Jori Menten, W. De Croylaan 49/21, 3001 Heverlee, 0495-275393

Kelle Moreau, Korenbloemlaan 5, 3052 Blanden, 0486-125877

Han Roosen, Abstraat 101, 3090 Overi jse, 02-6879518

André Verboven, Groeneweg 60, 3001 Heverlee, 016-238184

Redactie-adres

Artikels, foto's en korte bijdra­ gen worden verwacht op het redactiesecretariaat, p/a Kris Van Scharen, Korbeekstraat 27, 3061 Leefdaal. E-mail: kris.van. scharen@telenet.be

Werkgroep vogels •

Broedvogelprojecten, archivering en rapportering waarnemingen: Kelle Moreau (kelle.moreau@gmail.com)

lustraties en foto's blijft bij de res­ pectievelijke auteurs, tekenaars en

Watervogeltellingen, akkervogels: Maarten Hens

fotografen. Overname is mogelijk

(maartenhens@yahoo.co.uk) •

Het copyright van de teksten, il­

mits hun uitdrukkelijke toelating

Trektellingen: Frederik Fluyt (frederik.fluyt@gmail.com)

en bronvermelding Abonnement

Werkgroep zoogdieren •

Geïnteresseerden kunnen De

Marterproject, archivering waarnemingen: Kelle Moreau

Boomklever ontvangen door

(kelle.moreau@gmail.com)

overschrijving van 7 € op reke­

V leermuizen: Hans Roo en (roo enhans@yahoo.com)

Ham ter: Maarten Hens (maartenhen @yahoo.co.uk)

ningnummer 001-1552168-50 van de Natuurstudiegroep Dijleland, met opgave van naam en adres. Een steunabonnement kost 12 € of meer.

Werkgroep ongewervelden •

Archivering en rapportering waarnemingen: Bart Creemers

Natuurpunt vzw

(bart.creemer @gmail.com)

Natuurpunt is de grootste vereni­ ging voor natuur en landschap in V laanderen. Ze telt 65.000 leden en beheert 15.000 hectare natuur­ gebied. Lid worden van Natuur­

Werkgroep planten •

·niemaverantwoordelijke: Jori Menten (pjori @advalvas.be)

punt vzw kan door storting van 20 € op rekeningnummer 2300044233-21. www.natuurpunt.be

Website: w\•l\v.natuurpunt.be/dijleland Rondzendlijst Dijleland:

Opmaak: Danni Elskens

tuur een blanco e-mail naar dijlevallei­

(Koloriet)

ubscnbe@yahoogroup .com

Druk: DCL-Print & Sign Oplage: 170 ex.

I


Verandering 2002: Natuurpunt breekt uit het ei en een nieuwe redactiekern geeft De Boomklever, tot dan toe

het contactblad van Wielewaal afdeling Leuven, een fikse zuurstofkuur. Wie de voorbije vijf jaar­ gangen van de Boomklever op z'n schap heeft liggen, zal beamen dat we sindsdien een niet onaar­ dig parcours afgelegd hebben. Een volgehouden zorg voor inhoudelijke kwaliteit en aantrekkelijke vormgeving hebben het tijdschrift opgewaardeerd van een 'boekske met waarnemingen' tot een referentie onder de regionale natuurtijdschriften in V laanderen. Frederik Fluyt was één van de stuwende krachten achter dit continue rui-proces. Toen hij eind vorig jaar een punt zette achter 20 nummers worstelen met Mac, photoshop en immer reïncarnerende 'dead'lines, besloten we tot

een volledige lichaamsrui. Het resultaat hebt u onder ogen: na wat paswerk en dankzij de gewaar­ deerde hulp van Danni Elskens (Koloriet), gaat de Boomklever z'n 35ste jaargang in met een fris, eigentijds en hopelijk sleetbestendig pak veren.

Inhoudelijk wil de redactie de huidige 'vinger-aan-de-pols'koers aanhouden. Informeren en sen­ sibiliseren over patronen, trends en evoluties in de natuur van het Dijleland. Met een gevarieerde mix van artikelen, nieuwtjes en waarnemingen. In samenwerking met alle verenigingen en instan­ ties die 'op het terrein' actief zijn met studie, beheer en educatie. Om ons motto 'voor en door veldwaarnemers' waar te maken, rekenen we ook op uw foto's, artikelen of korte bijdragen! Kwestie van de (bio)diversiteit van dit blad hoog te houden. Want dat is wat het boeiend maakt.

Veel leesplezier Namens de redactie, Maarten Hens

De Boomklever-maart2007


Een ongewerveldenatlas voor het Dijleland

Met kennis van zaken het Verspreidingsatlas van enkele

veld in!

Ongewervelden in het Dijleland met nadruk op periode 2004-2006

De vloed aan warmterecords sinds juli

2006

heeft

Dagvlinders Sprinkhanen

veel insecten uit hun gewone 'routine' gehaald. Een

Libellen Ueveheerbeestjes

ongeziene influx van nachtvlinders in september, li­ bellen en vlinders die in november en december nog lustig rondvliegen, Atalanta's die ongehavend de win­ ter doorkomen, . . . Hun temperatuursgevoeligheid, hun vliegvermogen en hun opvallende verschijning maakt insekten tot prima graadmeters om de effecten van een wijzigend klimaat op natuur en biodiversiteit

Een uitgave van de Natuurstud1ewerkgroep D1Jleland

op te volgen.

ism Vlaamse Vlinderwerkgroep Saltabel Gomphus

Er breken alleszins boeiende en drukke tijden aan

Coccinula

voor iedereen die deze ontwikkelingen op de voet wil

,rr}

!Il AT U U R S T U D I E G. R 0 E P

rndtjl 'and

volgen. Om tussen de record-regen het spreekwoor­ delijke bos nog te kunnen blijven zien, heeft de Na­ tuurstudiegroep Dijleland (NSGD) het initiatief ge­

Cocdnuln

·r

nomen om alle recente waarnemingen van vlinders, libellen, lieveheersbeestjes, sprinkhanen en krekels te bundelen in een regionale atlas. Voor de volledigheid werden de recente gegevens (ruwweg

2004-2006,

gearchiveerd door de NSGD)

aangevuld met de waarnemingen aanwezig in de ar­ chieven van de Vlaamse en/of nationale werkgroepen rond deze soortgroepen (resp. Vlaamse Vlinderwerk­ groep, Gomphus, Saltabel en Coccinula). De atlas in de eerste plaats opgezet als een werkinstrument voor

, �1

als soortenrijkdom, hotspots en aandachtssoorten toegelicht worden. Deze bijdragen zijn rechtstreeks gedistilleerd uit de analysen in de regionale versprei­ dingsatlas en geven samen een bevattelijk beeld van het gedocumenteerde, actuele voorkomen in het Dij­ leland. De publicatie van deze atlas is voorzien voor eind

op zoek kan naar 'witte gaten: Per soort wordt een

2007. Bestellen kan door overschrijving van 10 € (7 € zonder verzendingskosten) op 001-1552168-50 van de rekeningnummer

gedetailleerde kaart gegeven van het aantal gekende

Natuurstudiegroep Dijleland, met mededeling

waarnemingen per lxl km2, maar gedetailleerde

'insektenatlas' en opgave van naam en adres.

de actieve veldwaarnemer, die hiermee z'n eigen waarnemingen onmiddellijk kan kaderen en gericht

soortbesprekingen werden niet aangemaakt. In dit nummer van de Boomklever brengen we per soortgroep een overzichtsbijdrage waarin aspecten

2

De Boomklever maart2007

april


---- d • •••• -

"

Veldwerk voor nieuwe dagvlinderatlas uit de startblokken

Het laatste overzicht van de verspreiding van dag­

van vlinders in de tuin. Je kan maandelijks de vlin­

vlinders in Vlaanderen dateert van 1999. Dat er

ders in je tuin tellen en doorgeven op

sindsdien dingen veranderd zijn, staat wel vast, maar

punt.be/tuinvlinders. Tijdens het weekend van 4 en

hoe groot die veranderingen precies zijn, is niet ge­

5 augustus is er een groot telweekend waarop heel

weten. Daarom werd door de Vlinderwerkgroep,

Vlaanderen wordt opgeroepen om mee te doen.

www.natuur­

Natuurpunt en het Instituut voor Natuur- en Bos­ onderzoek de aanzet gegeven voor een nieuw atlas­ project van de Vlaamse dagvlinders. Bedoeling is om drie jaar lang gegevens te verzamelen en de atlas in 2010 af te ronden, het symbolische jaar waarin de

wereldleiders de achteruitgang van de biodiversiteit gestopt willen hebben. Het grootste deel van de in­ formatie voor zo'n atlas komt van vrijwilligersgege­ vens. Daarom willen we je oproepen om je steentje bij te dragen. Je kan op verschillende manieren mee­ werken aan het project: 1. losse waarnemingen doorgeven van alle soorten in

alle atlashokken; 2. aantallen schatten in steekproefhokken waarin be­

paalde kilometerhokken in detail geteld worden; 3. detailinventarisaties

uitvoeren

van

Rode-Lijst­

soorten; 4. een vlinderroute uitstippelen die wekelijks wordt

geteld. Meer informatie over het project, inventarisatiekaar­ ten en een handleiding zijn te vinden op de website

Ligging van de kilometerhokken (acht per S_S km2

www.vlinderwerkgroep.be

UTM-hok) waar de komende drie jaar het steek­ proefonderzoek van de dagvlinderatlas zal plaats­

Kandidaat-medewerkers kunnen contact opnemen

vinden. Alle hulp bij het veldwerk is welkom. Kan­

met

didaat-medewerkers kunnen zich aanmelden bij

Bart

Creemers

(bart.creemers@gmail.com).

Waarnemingsgegevens kunnen ingevoerd worden

Bart Creemers (bart.creemers@gmail.com)

via de website http://vlinders.inbo.be/. Gegevens gemeld via de mailgroep van de Natuurstudiegroep Dijleland worden lokaal archiveerd en doorgegeven aan het project. Als je op de hoogte wil gehouden worden van het project kan je je inschrijven op een elektronische nieuwsbrief bij wouter.vanreusel@natuurpunt.be Natuurpunt start dit jaar ook met een grote telling

De Boomklever-m&irt2007

3


Dagvlinders in het Dijleland

1

n dit artikel wordt getracht ee

overzicht te geven van het hui­

soorten dagvlinders zijn anno

2006

te beschouwen

als regelmatige gast in het Dijleland.

dige voorkomen van dagvlinders in het Dijleland. Als basis worden de

Verspreiding van de

waarnemingen uit de periode 2004-

waarnemingen

2006 gebruikt, die opgenomen zijn in het ongewer veldenarchief van de

Natuurstudiegroep

(NSGD). Deze

gegevens

Dijleland worden

vergeleken met de (oudere) data van de streek die in het beheer zijn van de Vlaamse Vlinderwerkgroep.

Voor deze analyse werden twee datasets gecombi­ neerd: de gegevens aanwezig in de databank van de Vlaamse Vlinderwerkgroep en het ongewervelden­ archief van de NSGD. Tabel 1 vat de voornaamste kenmerken van beide datasets samen.. Hoopgevend, en de actieve werking van de NSGD illustrerend, is het grote aantal waarnemingen van dagvlinders dat op een korte tijd verzameld is door de NSGD. De af­ gelopen twee tot drie jaar zijn er al meer gegevens verzameld dan er in de voorbije 15 jaar geregistreerd werden door de Vlaamse vlinderwerkgroep voor het

Inleiding Dagvlinders zijn één van de meest opvallende on­ gewerveldengroepen van bij ons. Vlinders zijn één van de soortenrijkste orde binnen het insectenrijk.

Dijleland.

Tabel 1. Kenmerken van de gebruikte datasets m.b.t. dagvlinderwaarnemingen uit het Dijle­ land.

Kenmerkend is de roltong en vooral de vleugels die bedekt zijn met dunne gekleurde schubben. De orde wordt opgedeeld in dag- en nachtvlinders. Strikt ge­

Beheerder

nomen is er geen duidelijk onderscheid tussen 'dag­ vlinders' en 'nachtvlinders'. Het grootste onderscheid

Periode

is hun periode van activiteit (dag versus nacht) en

Aantal

het dichtvouwen van vleugels tijdens rust (wat de

records

meeste dagvlinders doen en nachtvlinders niet).

Aantal

Doorgaans zijn dagvlinders opvallender gekleurd en

soorten

hebben nachtvlinders voelsprieten in allerlei forma­

Aantal Rode Lijst-

ten en vormen. Dit neemt niet weg dat tijdens de dag of valavond frequent nachtvlinders kunnen waarge­

soorten

Vlaamse

Natuur-

vlinderwerk-

studiegroep

groep

Dijleland

1990-1996

2004-2006

1177

1408

35

33

9

8

nomen worden, onder meer het bruine Gamma-uil­

De spreiding van de dagvlindergegevens over de

tje en de Kolibrievlinder.

streek is behoorlijk heterogeen (figuur l, tabel

In Vlaanderen zijn ooit 88 soorten dagvlinders waar­

ten zuiden van Leuven. Het aantal waarnemingen

genomen, waarvan 64 standvlinders, 4 regelmatige trekvlinders, 19 dwaalgasten en één adventief. Aan het einde van de vorige eeuw kwamen nog 48 soor­ ten standvlinders in Vlaanderen voor. In totaal 35

4

De BoomkJever maart2007

2).

Het best onderzochte gebied is de vallei van de Dijle neemt sterk af weg van deze centrale as, zowel oost­ waarts in het grote boscomplex Heverleebos-Meer­ daalwoud als westwaarts in de valleien van Voer en IJse en op de tussenliggende plateaus.


In Vlaanderen geldt een gemiddelde soortenrijkdom

vlinders; #Z

voor dagvlinders van

ten (zie tabel 3; totaal van 9 soorten die vrij tot

hok (Maes &

zeer zeldzaam zijn).

16 soorten per 5x5 km2 UT M Van Dyck, 1999). Verschillende gebie­

=

aantal regionaal zeldzamere soor­

den (helaas soms meerdere hokken groot) in het Dij­ leland kennen een hogere soortenrijkdom (zie tabel

Gebied / deelgebieden

#geg

#S

#Z

Noordoost Leuven

216

24

1

Kesselberg (Kessel-Lo,

169

24

2

Ylierbeek (Kessel-Lo)

28

10

1

Zuidelijke Dijlevallei

369

25

3

Florival

39

13

0

Het is vooral de zone tussen de grote boscomplexen

Grootbroek Sint-Agatha-

84

18

0

en weg van de Dijlevallei waar in de actuele dataset

Rode

gegevens over dagvlinders ontbreken.

Doode Bemde (Neerijse,

96

25

3

Figuur 1. Aantal waargenomen soorten dagvlin­

Oud-Heverlee)

Laanvallei

76

22

2

Rodebos Sint-Agatha-Rode

48

18

0

zone Tombeek-Terlanen

22

13

2

Heverleebos en Meer-

59

19

1

16

16

1

Heverleebos

5

5

0

Heverlee

110

24

3

Abdij van Park

31

14

0

Militair domein Heverlee

27

12

2

Zone ten noorden van de

110

21

1

216

26

4

Leuvense stedelijke zone

182

18

1

Plateaus Blanden-Haas-

81

18

1

Zandgroeve Builoogstraat

51

13

1

Oostelijke steilrand

109

21

1

2). In vergelijking echter met het maximaal aantal soorten per hok in Vlaanderen (52 vóór 1991, 32 na 1991) is er echter nog werk aan de winkel.

Holsbeek)

Het Zoniënwoud en enkele zones (Torfbroek, Kas­ tanjebos) in het noorden van het Dijleland zijn dan weer eilanden van relatief grote aantallen waarne­ mingen te midden van zones met weinig gegevens.

ders in het Dijleland per 1 xl km2 UTM-hok tijdens de perioden 1990-1996 ( gegevens Vlaamse vlinder­ werkgroep) en 2004-2006 (archief NSGD). Tabel 2. Overzicht van de waarnemingen van

daalwoud 2 O ---

Militair domein Meerdaal-

4 Ki!omece1'

woud

Aantal soorten

01-3 CJ4-8 -9-13 -14-17 -18-28 e

CJ

Waarnemingen NSGD Data Vlaamse Vlinderwerkgroep

steilrand Plateaugebieden tussen Laan, IJse en Voer

rode-Bierbeek

dagvlinders voor de best onderzochte gebieden van het Dijleland. #geg

=

aantal gearchiveerde

waarnemingen uit de periode 2004-2006 voor het betreffende gebied; #S

=

aantal soorten dag-

De Boomklever-mMrt2007

5


(zie tabel

Soortbesprekingen

3). Hierbij wensen we een extra oproep te

doen voor het op naam brengen van deze met iets

Volgens de NSGD-dataset zijn Gehakkelde aurelia

(Polygonia c-album), Koninginnepage (Papilio ma­ chaon), Bont zandoogje (Pararge aegeria), Atalanta (Vanessa atalanta) en Dagpauwoog (Jnachis io) de meest algemene soorten in het Dijleland. Een volle­ dig overzicht is gegeven in tabel

3. Het valt hierbij op dat bijvoorbeeld Icarusblauwtje (Polyommatus icarus) of Bruin zandoogje (Maniola jurtina) ten opzichte van de aanwezigheid in de Vlaamse dataset

ontbreken, hoewel deze twee soorten relatief tot zeer algemeen voorkomen in de streek. Dit suggereert dat eerder jaarrond actieve dagvlinders (Gehakkelde au­ relia, Atalanta of Dagpauwoog) of sterk opvallende soorten (Koninginnepage) het meest frequent door­ gegeven worden. In vergelijking met de Vlaamse dataset ontbreken in de NSGD dataset de witjes als 'algemene' soorten

meer moeite te onderscheiden soorten. In het bij­ zonder kan dit in het voorjaar extra lonen omdat de vrouwtjes van het Oranjetipje (Anthocharis carda­

mines) ook wit zijn. In de dataset van het Dijleland ontbreekt deze soort dan ook relatief sterk. Ander­ zijds is het geen algemene vlinder in de streek. Tevens wordt er aandacht gevraagd voor het op naam brengen van de drie dikkoppen die de streek rijk is. Vooral van het Geelsprietdikkopje (Thymeli­

cus sylvestris) wordt verwacht dat de soort in Vlaan­ deren erg achteruitgegaan is. Deze soort komt voor op vochtige en droge graslanden, doorgaans in de omgeving van bossen. Het Groot dikkopje ( Ochlo­

des venata) is dan weer te verwachten in de bossen van de streek. Het Zwartsprietdikkopje (Thymeli­ cus lineola) komt op zijn beurt voor in ruigten en is vrij weinig kieskeurig.

� talrijkheid van dagvlinders in het Dijleland en in Vlaanderen. #geg

Tabel 3. Relatiev

��rde waarnemmgen voor het Dijleland; %

v

=

=

aantal gearchi­

procentueel aandeel waarnemingen van een soort in het

D11leland. soort Dagpauwoog

rangorde D"l IJ eIan

VI aamse rangorde

#geg

0 %

2

136

9,7

1

134

9,5

2

Atlanta Bont zandoogje

6

115

8,2

3

Koninginnepage

17

111

7,9

4

Gehakkelde aurelia

7

97

6,9

5

Klein koolwitje

1

84

6

6

77

5,5

7

3

73

5,2

8

Bruin zandoogje

10

72

5,1

9

Icarusblauwtje

11

67

4,8

10

Boomblauwtje

13

60

4,3

11

Oranjetipje

14

47

3,3

12

Landkaartje

8

45

3,2

13

Groot koolwitje

5

42

3

14

Citroenvlinder

Distelvlinder Kleine vos

9

40

2,8

15

Kleine vuurvlinder

12

36

2,6

16

Klein geaderd witje

4

28

2

17

Koevinkje

19

27

1,9

18

Zwartsprietdikkopje

12

22

1,6

19

Sleedoornpage

14

1

20

Oranje luzernevlinder

11

0,8

21

lepenpage

11

0,8

22

6

De Boomklever maart2007


--

-

-

-

- -

------ --

----ďż˝---

7

0,5

23.

Bruin blauwtje

6

0,4

24

Hooibeestje

5

0,4

25

Keizersmantel

4

0,3

26

Groot dikkopje

16

Eiken page

21

4

0,3

27

Oranje zandoogje

15

4

0,3

28

Kleine parelmoervlinder

2

0,1

29

Gele luzernevlinder

2

0,1

30

Rouwmantel

1

0,1

31

Grote weerschijnvlinder

1

0,1

32

Grote vos

1

0,1

33

Kleine ijsvogelvlinder

0

0

34

Geelsprietdikkopje

20

0

0

35

Argusvlinder

18

0

0

36

Icarusblauwtje (Foto: Jeroen Mentens, www.faunaflora.org)

De Boomklever mdiHt2007

7


Daarnaa t zijn

oorten al

Landkaartje (Ara chnia

richting al

portvelden en (inten ieve) begrazing

levana), Citroenvlinder (Gonepteryx rhamni) en

van het domein is niet duidelijk. Mogelijk bevindt

Oranje zandoogje (Pyronia tithonus) onderverte­

er zich nog een populatie op de nabijgelegen Kes­

gemvoordigd in het Dijleland. Deze drie oorten zijn

selberg.

nochtan het

relatief eenvoudig te onder cheiden. Van

ranje zandoogje i

dit reed

langer geweten.

Het Dijleland i kennelijk op één of andere manier niet ge chikt voor deze

oort. Het Landkaartje kan

naar verwachting evenveel in het Dijleland waarge­ nomen worden al in de re t van Vlaanderen. De Ci­ troenvlinder daarentegen lijkt in gan Vlaanderen af te nemen. Reden genoeg om de komende jaren extra aandacht aan deze oort te schenken.

( Coenonympha

pamphilus)

De Kleine ijsvogelvlinder (Limentis camilla) komt voor in Kamperfoelie-rijke bo sen. Zowel in het Meerdaalwoud als Zoniënbos is deze soort tijdens de voorbije 15 jaar waargenomen. Waarnemingen uit de periode 2004-2006 ontbreken echter. De vraag is in welke mate deze soort verspreid binnen deze bos­

Van Argusvlinder (Lasiommata megera) en het Hooibeestje

Aandachtssoorten

liggen

geen recente waarnemingen meer voor uit de treek

sen voorkomt en eventueel ook in de bossen aan de rand van deze complexen (bos van Marnix, Kouter­ bos). Traditioneel werd deze soort waargenomen in

mogelijk uit het Dijleland

de omgeving van de Warande en het bosre ervaat

verdwenen. De laatste (gekende) populatie van het

'Pruikenmakers: langsheen de Kromme dreef. On­

Hooibee tje bevond zich in het Provinciaal Domein

dank

te I e

zicht in de exacte ver preiding van deze soort binnen

en deze oorten zijn du

el-Lo. Hoe deze er nu aan toe is, met de in-

gerichte zoekacties is er geen bijkomend in­

het bos.

De Sleedoornpage is een wijdverspreide, maar moeilijk waar te nemen soort (Foto: Jeroen Mentens, www.faunaflora.org)

8

De Boomklever mddrtZOO/


Voor de komende jaren is ook de uitbreiding van het Bruin blauwtje

(Aricia agestis) in het Dijleland een

spannende gebeurtenis. Overal in Vlaanderen is deze soort aan een opmars bezig. Blijkbaar moeten we in het Dijleland de invasie uit het Oosten verwachten. Voldoende aandacht schenken aan de ruderale vege­ taties waar deze soort blijkt op te duiken is dan ook aangewezen. Ook was 2006 een invasieJaar voor Rouwmantel

(Nymphalis antiopa). Soms slaagt deze vlinder zich in de daaropvolgende seizoenen te vestigen. Dit mag in 2007 verwacht worden.

Hoewel de Kleine ijsvogelvlinder in de jaren '90 meermaals waargenomen werd in Meerdaalwoud, is er weinig geweten over het actuele voorkomen. (Foto: Jeroen Mentens, www.faunaflora.org)

De Grote weerschijnvlinder

(Apatura iris) leeft

dan weer in natte broekbossen. Enkel in de Doode Bemde en in het Zoniënwoud is de soort de voorbije 15 jaar op regelmatige basis waargenomen. Elders

in het Dijleland (o.a. Meerdaalwoud en De Zicht­ Holsbeek)is de soort slechts éénmalig en zelfs in de vlucht waargenomen. De Iepenpage

(Satyrium ilicis) lijkt dan weer een

vooralsnog onderschatte soort. In de periode 20042006 is ze doorheen de vallei in bosranden op ver­

schillende plaatsen waargenomen. Naar verwach­ ting zal de soort op de valleiranden (in holle wegen of bosranden met iepen)mits gericht zoeken nog op vele plaatsen aangetroffen kunnen worden. De soort

Referentie

bezoekt weinig bloemen, maar kan 's ochtends op Braam of andere nectarrijke bloemen (Marjolein, Koninginnekruid, ... )aangetroffen worden. Een hiermee nauw verwante soort, de Sleedoorn­ page

(Thecla betulae) is zo uit de 'vergetelheid' ge­

raakt. De aanwezigheid van deze soort wordt echter het beste 's winters aan de hand van eitjes in Slee­ doornhagen of struiken vastgesteld. Gericht zoeken van deze soort, die naar we vermoeden over de ganse streek mag verwacht worden, is een aardige afwisse­ ling tijdens winterse wandelingen.

Maes D. & Van Dyck H. 1999. Dagvlinders in Vlaanderen - Ecologie, verspreiding en behoud. Stichting Leefmilieu, Antwerpen i.s.m. Instituut voor Natuurbehoud en Vlaamse Vlinderwerk­ groep, Brussel. 480 p.

Bart Vercoutere bart. vercoutere@scarlet.be Bart Creemers bart.creemers@gmail.com Maarten Hens maartenhens@yahoo.co.uk

De Boomklever-maart2007

9


Libellen in het Dijleland

D

eze bijdrage schetst het actu­

Verspreiding van de

ele voorkomen van libellen in

waarnemingen

het Dijleland. Als basis worden de waarnemingen uit het archief van de

natuurstudiegroep

Dijleland

(NSGD) gebruikt over de periode

2004-2006

(+een gering aantal bij­

komende waarnemingen van en

2003).

2002

Deze worden vergeleken

met de (oudere) data van de streek die beheerd worden door de natio­ nale libellenwerkgroep 'Gomphus'.

De twee datasets waarop we ons hier beroepen heb­ ben een verschillende oorsprong en dus ook ver­ schillende kenmerken (tabel

1). Merk op dat het

aantal gegevens dat de voorbije drie jaar verzameld werd door de NSGD meer dan dubbel zo groot is dan het aantal Dijleland-records in het Gomphus­ archief

(1950-2000). Het Dijleland gold echter als

een relatief onderbemonsterde regio.

Tabel 1. Kenmerken van de gebruikte datasets m.b.t. libellenwaarnemingen uit het Dijleland. Gomphus

Beheerder

Natuurstudiegroep Dijleland

Periode

1950-2000

(2002-) 2004-2006

Inleiding

Aantal records

503

1092

Aantal soorten

36

38

Libellen zijn relatief grote insecten die, naargelang

Aantal Rode

de soort, in mindere of sterke mate gebonden zijn

Lijstsoorten

7

6

aan water. Hun leven als larve brengen ze volledig in het water door, maar jagend kunnen volwassen

Van nature is de verspreiding van libellen gekoppeld

exemplaren op grote afstand van water aangetroffen

aan de nabijheid van water. Daardoor is de spreiding

worden.

van het aantal waarnemingen doorheen de streek niet homogeen (tabel

De libellenorde is een kleine groep binnen de insec­

2, figuur 1). Toch zijn er een aantal

zones die, in positieve of negatieve zin, opvallen. Het

tenwereld. Klassiek worden de libellen opgedeeld in

best onderzochte gebied is de Dijlevallei ten zuiden

de waterjuffers en de 'echte' libellen. Het onderscheid

van Leuven. Een andere uitgesproken hotspot qua

ertussen wordt gemaakt op basis van de vleugelop­

aantal waarnemingen en soorten is het Torfbroek

bouw. De juffers hebben een gelijke vorm van voor­

in Berg (Kampenhout). Ook rond de zandgroeve in

en achtervleugel. Bij rust houden ze beide vleugel­

Haasrode werden heel wat waarnemingen verricht.

paren boven op de rug tegen elkaar. Doorgaans zijn

Uitschieters naar onderen betreffen vooral de val­

de 'echte' libellen forser gebouwd en hebben ze ver­

leien van IJse, Voer en Molenbeek/Weesbeek op. In

schillende voor- en achtervleugels. In rust houden ze

deze valleien bevinden zich nochtans voldoende vij­

hun vleugels open, naast het lichaam.

vers en open water om kansen te bieden aan libellen. Geen van deze plaatsen blijkt intensief bezocht.

In België werden tot op heden

69 libellensoorten waargenomen. Hiervan planten zich actueel 58 soorten in V laanderen voort (ooit waren het er 66). In het Oijleland zijn daarvan 38 soorten gezien. Het

dom relatief groot is. In verschillende gebieden zijn

is evenwel niet duidelijk of alle soorten een stabiele

meer dan

populatie binnen het Dijleland kennen.

10

De Boomklever ma.:i�2001

Daarnaast valt op te merken dat ondanks het relatief klein aantal waarnemingen de doorsnee soortenrijk­

10 soorten aangetroffen (figuur 1).


Tabel 2. Overzicht van de waarnemingen van li­ bellen voor de best onderzochte gebieden van het Dijleland. #geg

=

aantal gearchiveerde waar­

nemingen uit de periode 2004-2006 voor het be­ treffende gebied; #S #Z

=

=

aantal soorten dagvlinders;

aantal regionaal zeldzamere soorten.

Gebied / deelgebieden

#geg

#S

#Z

Zone ten noorden van

300

31

2

Torfbroek

279

31

2

Zuidelijke Dijlevallei

708

29

3

Florival, Archennes

9

9

0

Grootbroek Sint-Agatha-

108

25

2

126

21

1

Laanvallei

94

22

2

Rodebos Sint-Agatha-

81

20

1

zone Tombeek-Terlanen

2

l

0

Heverlee

27

12

1

Abdij van Park

24

9

0

Militair domein Heverlee

3

3

1

Plateaugebieden tussen

70

18

1

Noordoost Leuven

41

16

1

Kesselberg (I essel-Lo,

20

12

1

Vlierbeek (Kessel-Lo)

21

9

0

Heverleebos en Meer-

64

15

2

2

2

0

Heverleebos

30

11

1

Meerdaalwoud

32

12

1

Plateaus Blanden-Haas-

33

15

1

23

12

1

23

9

0

de steilrand

0

0

Rode

Dataset NSGD

Dataset lnbo Aantal soorten

CJ1-5 06-10 132! 11-14 -15-19 -20-24

Doode Bemde (Neerijse, Oud-Heverlee) 2 0 -....

2

4 Kilometers

Rode

Aantal waargenomen soorten libellen in het Dijleland per lxl km2 UTM-hok tijdens de pe­ rioden 1950-2000 ( gegevens libellenwerkgroep Gom­ phus) en 2004-2006 (archiefNSGD). Figuur L

L aan, IJse en Voer

Holsbeek)

daalwoud Militair domein Meerdaalwoud

rode-Bierbeek Zandgroeve Builoogstraat

De Bosbeekjuffer werd nog niet waargenomen in het Dijleland, maar staat op het lijstje 'mogelijk te verwachten soorten' (Foto: Jeroen Mentens, wwwjaunaflora. org)

Leuvense stedelijke zone

De Boomklever ffidiHlZOO/

1 1


"Eerst snuffel-snuffel, dan boem-boem'; luidt het devies bij de Watersnuffel (Foto: Jeroen Mentens, www.faunaflora.org)

Soortbespreking

Aandachtssoorten

Tabel 3 geeft van alle Oijleland e oorten de rangorde

Op het vlak van libellen mogen de komende jaren

van hun frequentie van voorkomen (geba eerd op

grote veranderingen verwacht worden. Enerzijds

aantal waarnemingen) in het Oijleland (2004-2006)

dragen zowel warmere zomer al hogere jaargemid­

en in Vlaanderen. Hierin valt op dat er een grote over­

delde temperaturen bij tot een noordelijke areaals­

eenkom t i tu

en beide. Soorten die in het Oijleland

uitbreiding van een reeks zuidelijke soorten. An­

frequenter gemeld worden dan gemiddeld in Vlaan­

derzijds worden meer en meer vijvers in de streek

(Calpoteryx splen­ dens) en de Blauwe breedscheenjuffer (Platycnemis penmpe ) . Omgekeerd worden Watersnuffel (Enal­ lagma cyathigerwn)), Gewone pantserjuffer (Les­ tes sponsa) en Grote roodoogjuffer (Erythromma naja ) minder in het Oijleland waargenomen. Deze

natuurvriendelijk beheerd, en verbetert de water­

·

deren zijn de Weidebeekjuffer

soorten zijn nochtan niet moeilijk op naam te bren­

kwaliteit van heel wat beken. In beide biotopen zou dit moeten leiden tot een uitbreiding van de libel­ lenpopulaties.

Zuidelijke soorten

dc1e soorten onder cheiden worden. Het zijn relatief

(Orthetrum brunneum), Zuidelijke keizerlibel (Anax parthenope) en de Zuidelijke glazenmaker (Aeshna affinis) zijn recent

weinig veeleisende dieren, die du doorheen het Oij­

in de streek opgedoken. Het i

leland frequenter mogen verwacht worden.

in welke mate deze soorten zich hier effectief voort-

gen. Zelf in de vlucht of ru tend op een takje kunnen

12

De Boomklever mddrt ZOO/

De Zuidelijke oeverlibel

niet altijd duidelijk


Tabel 3. Relatieve talrijkheid van libellen in het Dijleland en in Vlaanderen. #geg =aantal gearchiveerde waarnemingen voor het Dijleland; %

=

procentueel aandeel voor het Dijleland.

Vlaamse rangorde

#geg

%

rangorde Dijleland

Lantaarntje

1

113

10.3

1

Gewone oeverlibel

2

106

9.7

2

Weidebeekjuffer

19

83

7.6

3

Grote keizerlibel

2

68

6.2

4

Azuurwaterjuffer

3

67

6.1

5

Bloedrode heidelibel

4

64

5.9

6

Houtpantserjuffer

6

53

4.9

7

Paardenbijter

4

49

4.5

8

Blauwe breedscheenjuffer

18

48

4.4

9

7

45

4.1

10

Platbuik

10

36

3.3

11

Vuur juffer

11

35

3.2

12

8

31

2.8

13

12

29

2.7

14

9

23

2.1

15

16

22

2.0

16

Bruine winterjuffer

21

1.9

17

Zwervende heidelibel

19

1.7

18

19

1.7

19

Tengere grasjuffer

19

1.7

20

Vuurlibel

18

1.6

21

Variabele waterjuffer

16

1.5

22

Smaragdlibel

16

1.5

23

Beekoeverlibel

14

1.3

24

Soort

Blauwe glazenmaker

Bruinrode heidelibel Viervlek Kleine roodoogjuffer Geelvlekheidelibel

Watersnuffel

5

Gewone pantserjuffer

14

12

1.1

25

Plasrombout

21

10

0.9

26

Grote roodoogjuffer

17

10

0.9

27

8

0.7

28

7

0.6

29

Steenrode heidelibel

7

0.6

30

Zuidelijke oeverlibel

5

0.5

31

Gewone bronlibel

5

0.5

32

Bruine glazenmaker

5

0.5

33

Z uidelijke glazenmaker

4

0.4

34

Bruine korenbout

2

0.2

35

Zuidelijke keizerlibel

1

0.1

36

Kanaaljuffer

1

0.1

37

Glassnijder

1

0.1

38

Zwervende pantserjuffer Zwarte heidelibel

13

De Boomklever- mdart2007

13


planten en een populatie 'stichten; dan wel dat gedu­

Recent ontwikkelde er zich een populatie in de her­

rende langere tijd enkele exemplaren in een gebied

ingerichte vijver van het Grootbroek. De Gewone

vertoeven. De volgende jaren zullen hierin echter

bronlibel wordt dan weer vooral aangetroffen in

duidelijkheid brengen. Enkele gebieden in de vallei

het Meerdaalwoud, voornamelijk in de vallei van

van de Nethen (Grez-Doiceau) en het Torfbroek zijn

de P addenpoel. In het verleden werden echter re­

hierbij actueel de hotspots.

latief frequent volwassen exemplaren gezien aan de Springputten en éénmalig in het Rodebos. Voorals­ nog is het een open vraag waarom deze soort elders

Betere waterkwaliteit & pioniers In stromend water kunnen Weidebeekjuffer Bruine korenbout

en

(Libelulla fulva) verwacht wor­

in de streek (bvb. valleien van IJse of Laan) of in het Zoniënwoud niet waargenomen wordt.

den. Deze laatste kan echter ook rond stilstaand water aangetroffen worden. De afgelopen tien jaar is de Weidebeekjuffer algemeen geworden in het

Referentie

Dijleland. De Bruine korenbout is aanwezig in het Waalse gedeelte van de Laanvallei. Er mag dan ook

De Knijf G., Anselin A., Goffart P. & Tailly M (red).

een noordwaartse migratie verwacht worden. Mo­

2006. De libellen van België: verspreiding - evo­

gelijks zijn er nog lokale populaties Bosbeekjutfer

lutie - habitats. Libellenwerkgroep Gomphus in

(Calopteryx virgo) in het Waalse deel van de Laan­

samenwerking met Instituut voor Natuur- en Bos­

vallei aanwezig. Wanneer zowel structuur als wa­

onderzoek, Brussel. 368 p.

terkwaliteit nog meer verbeteren kan ook van deze soort een uitbreiding verwacht worden. Zo ook voor

Bart Vercoutere

de Beekoeverlibel (Orthetrum coerulescens) Die in

bart.vercoutere@scarlet.be

het Torfbroek een populatie gevestigd heeft en zich naar verwachting verder zal verspreiden doorheen

Bart Creemers

het Dijleland.

bart.creemers@gmail.com

Het periodiek aflaten van de voormalige visvijvers

Maarten Hens

in de Dijlevallei leidt tot een sterke verbetering van

maartenhens@yahoo.co.uk

de waterkwaliteit. Dit biedt kansen voor zowel pi­ oniersoorten als soorten die belang hechten aan helder, stilstaand water. Kanaaljutfer (Erythromma

lindenii) (eenmalig in het Torfbroek, maar wel uit­ breidend in Vlaanderen),

Variabele waterjuffer

(Coenagrion pulchellum) (Torfbroek) en Tengere grasjuffer (Ishnura pumillo) (doorheen het Dijle­ land, veelal in zandgroeves) mogen dan ook in de toekomst verwacht worden. Glassnijder

(Brachytron pratense) (Grootbroek)

komt dan weer voor op vijvers die ingericht zijn. Het valt nog te bezien of de waarnemingen van deze soort ook leiden tot het uitbouwen van een populatie in het Dijleland. Sowieso zijn volgende soorten aandachtssoorten voor het Dijleland: Smaragcllibel (Cordulia aenea) en Gewone bronlibel (Cordulegaster boltonii). De Smaragdlibel komt voor in visvrije, niet al te eutrofe vijvers. Zo komt de soort voor in de vijvers langs het Rodebos en de Springputten in Meerdaalwoud.

14

De Boomklever mililrt2007

De Gewone bronlibel is dé soort van bronbeekjes in het Meerda alwoud (Foto: Jeroen Mentens, www.faunaflora.org)


,; j

Sprinkhanen en krekels in het Dijleland

D

it artikel bespreekt het voor­

Verspreiding van de

komen van sprinkhanen en

waarnemingen

krekels in het Dijleland tijdens de

De beste onderzochte gebieden van de streek bevin­

periode 2000-2006. Als basis wer­

den zich binnen een brede strook langs de Dijleval­

den de gegevens van de Vlaamse

ligt ten noordoosten van Leuven, met ondermeer de

werkgroep 'Saltabel' en het waar­ nemingearchief

van

de

Natuur­

studiegroep Dijleland (NSGD) ge­ bruikt. Het archief van het NSGD bevat voornamelijk waarnemingen van de jaren 2004-2006.

lei (tabel

1, figuur 1). Het beste onderzochte gebied

Kesselberg en Vlierbeek. Dit gebied herbergt met

16 soorten de grootste soortenrijkdom (figuur 1). Bijkomend werd in deze buurt, net voor de hier be­ schouwde periode, ook nog de Blauwvleugelsprink­ haan waargenomen

(1999, R. Guelinckx). Ook Leu­

ven en Heverlee zijn goed onderzocht. Uit het deel van Kessel- Lo ten zuiden van het Provinciaal Domein en de Abdij van V lierbeek bevinden zich geen waar­ nemingen in het archief. Andere vrij goed doorsnuf­ felde delen van het Dijleland zijn de Laanvallei en de zuidelijke Dijlevallei (Grootbroek, Florival, Pécrot), hoewel beide zones zeker nog potentie hebben voor meer ontdekkingen. Opmerkelijk is bijvoorbeeld dat het aantal waarnemingen van sprinkhanen en kre­

Inleiding

kels in en om het Rodebos relatief gering is in ver­ gelijking met het aantal waarnemingen van libellen

Onze inheemse sprinkhanen en krekels kunnen in

en lieveheersbeestjes in dit gebied. In Heverleebos

vijf groepen worden onderverdeeld: de doorntjes, de

en Meerdaalwoud werden wel relatief veel waarne­

veldsprinkhanen, de sabelsprinkhanen, de krekels en

mingen gedaan. Voor Heverleebos werden over het

de 'groep' van de veenmol. Van de 51 soorten sprink­

hele gebied verspreid waarnemingen doorgegeven.

hanen en krekels in België (zie

www.saltabel.org)

In Meerdaalwoud concentreren de waarnemingen

1875 met zekerheid 39 soorten waar­ genomen in V laanderen, waarvan 26 soorten in het

zich vooral in het Militair domein en in de omgeving

zijn er sinds

van het ecoduct over de Naamsesteenweg.

Dijleland (inclusief enkele aangrenzende gebieden in Waals-Brabant). Net ten westen van de regio (Brus­

Voor de valleien van de IJse en de Voer, alsook het pla­

sels Hoofdstedelijk Gewest) werden nog andere

teau hiertussen en het plateau tussen IJse en Laan, be­

soorten gezien. Vijf soorten worden tegenwoordig

perken de gegevens zich tot enkele verspreide waarne­

in V laanderen als uitgestorven beschouwd. Bijko­

mingen. Uit de gemeente Tervuren werd geen enkele

mend zijn een aantal geïmporteerde soorten bekend

waarneming doorgegeven, net als voor het plateau

die enkel overleven in gebouwen. Eén hiervan is de

tussen de Dijle en de Laan. In Overijse werd naast de

Kassprinkhaan (Tachycines asynamorus). Voor de periode 2000-2006 bevatten de datasets van NSGD

teerd, maar dan wel van de zeldzame Gouden sprink­

en Saltabel voor het Dijleland gezamenlijk gegevens

haan. De waarnemingen op de plateaus van Blanden,

over

Haasrode en Bierbeek zijn ook eerder beperkt.

22 soorten en de Kassprinkhaan.

Laanvallei slechts één sprinkhaanwaarneming geno­

De Boomklever ffiàdrt2007

15


Voor de steilrand ten noorden van de Voervallei is

Omgeving Ecoduct Naam-

alleen de Koeheide en de aansluitende Zwanenberg

sesteenweg

vrij goed onderzocht. In de zone Wilsele/Herent/ Veltem/Kortenberg ten noorden van de steilrand zijn er verspreid een klein aantal waarnemingen

Militair domein Meerdaal-

30

7

0

17

6

1

woud

gedaan. Meerdere waarnemingen werden hier ge­

Heverleebos

25

6

0

noteerd voor de Dijlemeander (Wilsele), in het

Heverlee

43

11

1

Abdij van Park

27

8

0

Militair domein Heverlee

13

8

0

Zone ten noorden van de

31

10

1

Dijlemeander /Wilsele

7

6

0

Plateaugebieden tussen

18

9

0

Leuvense stedelijke zone

23

8

2

Leuven binnen de ring

19

7

2

Plateaus Blanden-Haas-

11

7

1

Zandgroeve Builoogstraat

5

5

0

Oostelijke steilrand

18

7

0

Koeheide, Zwanenberg

15

7

0

Torfbroek (Kampenhout/Berg) en het Dorenveld (Erps-Kwerps). Het grootste aantal waarnemingen in dit deel van de regio staat op naam van de Grep­ pelsprinkhaan.

steilrand

Tabel 1. Voorkomen van sprinkhanen en krekels in de best onderzochte gebieden van het Dijle­ land. #geg

=

aantal gearchiveerde waarnemingen

uit de periode 2000-2006 voor het betreffende gebied; #S kels; #Z

=

=

aantal soorten sprinkhanen en kre­

aantal regionaal zeldzamere soorten

(zie tabel 2; totaal van 10 soorten die vrij tot zeer zeldzaam zijn).

Gebied / deelgebieden

#geg

#S

#Z

Noordoost Leuven

186

16

4

Kesselberg (Kessel-Lo,

114

14

3

Holsbeek)

Laan, IJse en Voer

rode-Bierbeek

(Bertem, Heverlee)

Figuur 1. Aantal

waargenomen soorten sprinkhanen en krekels in het Dijleland per lxl km2 UTM-hok op basis van de gegevens van Saltabel (periode 20002006) en van het NSGD-archief (2004-2006).

Vlierbeek (Kessel-Lo)

25

10

1

Schoolbergen (Kessel-Lo)

11

8

1

10

8

1

Zuidelijke Dijlevallei

36

12

3

Florival

9

7

1

voorkomen (zeldzaamheid/algemeenheid) van de

Grootbroek Sint-Agatha-

7

7

0

verschillende soorten sprinkhanen en krekels in het

Heuvelrug tussen Lemingbeek en Molenbeek Leuven Noord (Wilsele)

Gebied tussen vaart en spoorweg tot en met E314

Soortbesprekingen Algemenere soorten

Tabel 2 geeft een overzicht van de frequentie van

Dijleland. De zes meest gemelde soorten zijn Kras­

Rode

6

6

0

Laanvallei

29

12

1

Rodebos Sint-Agatha-Rode

8

7

0

zone Tombeek-Terlanen

3

6

1

Heverleebos en Meerdaal-

79

11

1

Doode Bemde (Neerijse, Oud-Heverlee)

woud

(Chortippus parallelus), Ratelaar (Chorthippus biguttulus), Bramensprinkhaan (Pholidoptera gri­ seoaptera), Grote groene sabelsprinkhaan (Tettigo­ nia viridissima), Bruine sprinkhaan ( Chorthippus brunneus) en Zuidelijk spitskopje ( Conocephalus discolor). De algemeenheid van het Zuidelijk spits­ ser

kopje is zeer opmerkelijk vermits deze soort van zui­ delijke oorsprong tot voor kort niet bekend was uit de regio. In 2001 werd deze soort voor de eerste maal waargenomen in het centrum van Leuven (Lam-

16

De BoomkJever maart2007


2003). Ook de Sikkelsprink­ haan (Phaneroptera falcata) is een zuidelijke soort, brechts & Guelinckx

die vijftien jaar geleden een grote zeldzaamheid was van het zuiden van het land. De eerste waarneming voor Vlaams-Brabant dateert van in brechts & Guelinckx

1996 (Lam­

1999). Sindsdien heeft deze

soort zich uitgebreid en nu is hij algemeen in de re­ gio te vinden in ruige vegetaties met dikwijls struik­ gewas, zoals bermen, braakpercelen en bosranden. De Greppelsprinkhaan

(Metrioptera roeselii) is een

soort die als kwetsbaar staat aangeduid op de voor­ lopige Rode Lijst (Decleer et al.,

2000). Sinds 2000

werd deze soort echter op opvallend veel plaatsen in onze regio waargenomen (Guelinckx & Lambrechts,

2001). Wat zonder twijfel samenhangt met het feit dat sprinkhanen in onze regio tot voor kort zwaar onderbekeken zijn. Anderzijds zijn er effectief aanwij­ zingen dat deze soort ook werkelijk aan het toenemen is in onze regio. De Greppelsprinkhaan kan nu in het

• 0•'..M•l"''•<if) U D.:.:r��>bc4 "*"UI

•oor...,

01

. ' •· • 10

0•" •1 NWittl!'f�

Dijleland als algemeen worden beschouwd. De soort

De Bramensprinkhaan, een forse en algemene soort in de streek (Foto: Jeroen Mentens, www.faunaflora.org)

De Boomklever mililrt2001

17


Tabel 2. Sprinkhanen en krekels gekend uit Vlaanderen, gerangschikt volgens hun frequentie van voor­ komen in het Dijleland. Biotoop = biotoop waar de soort bij ons het meeste kan worden aangetroffen (gras= grazige vegetaties; ruigte= ruigten en hoog gras; open =onbegroeid, open terrein of met schaar­ se begroeiing; humus= humusrijke bodem). % =percentage van onderzochte gebieden in het Dijleland en omliggende gebieden (36 gebieden met> 3 soorten) waar de betreffende soort voorkomt. De frequen­ tieklasse Dijleland werd bepaald op basis van het voorkomen in onderzochte gebieden en het aantal waarnemingen (za =zeer algemeen, a =algemeen, va= vrij algemeen, vz =vrij zeldzaam, z =zeldzaam, zz = zeer zeldzaam, - = niet voorkomend). De Vlaamse Rode Lijststatus is gebaseerd op Decleer et al.

(2000): nb =niet bedreigd, z =zeldzaam, k =kwetsbaar, b =bedreigd, vb =met verdwijning bedreigd. Soortnaam

Biotoop

%

Freq.klasse

Rode Lijst

Dijleland

Dijleland

Vlaanderen

Krasser

gras

83

za

nb

Ratelaar

droog gras

78

za

nb

Brarnensprinkhaan

struweel

64

za

nb

Grote groene sabel-

ruigte tot bomen

58

za

nb

Bruine sprinkhaan

droog gras

56

za

nb

Zuidelijk spitskopje

droge ruigte

53

za

nb

Sikkelsprinkhaan

droge ruigte

44

a

nb

Greppelsprinkhaan

ruigte

28

a

k

Gewoon spitskopje

vochtige ruigte

22

va

nb

Boomsprinkhaan

struiken en bomen

22

va

nb

Gewoon doorntje

vochtig

19

va

nb

Struiksprinkhaan

struiken en bomen

19

va

z

vochtig open

17

va

nb

Yeldkrekel

droog open

11

vz

z

Huiskrekel

gebouwen

6

vz

-

droog open

6

vz

k

humus

6

vz

b

Knopsprietje

droog open

3

z

nb

Rosse sprinkhaan

droge ruigte

3

z

vb

Snortikker

open

3

zz

k

Heidesabelsprinkhaan

heide

3

zz

z

Gouden sprinkhaan

ruigte

0

zz

z

gebouwen

0

zz

-

sprinkhaan

Zeggedoorntje

Blauwvleugelsprinkhaan Veenmol

Kassprinkhaan Kustsprinkhaan

gras

Zompsprinkhaan

vochtig gras

Zadelsprinkhaan

boomheide

Boskrekel

strooisel

cgertje

droog gras

18

De Boomklever-maartzoo7

-

-

z k z z

-

z


Wekkertje Duinsabelsprinkhaan

vochtig gras

-

k .

droog truweel en

-

b

ruigte Zoemertje

droog open

-

vb

Schavertje

open en heide

-

b

Moerassprinkhaan

vochtige ruigte

-

k

Zanddoorntje

vochtig open

-

k

Kalkdoorntje

open

-

b

heeft een 'vlekkige' verspreiding in het noorden van

Aandachtssoorten

de regio, van Erps-Kwerps tot Kessel-Lo (Creemers,

2006).

Deze populaties staan mogelijk in verbinding

met de populaties in de Wingevallei. In het noordelijk deel van de regio zijn er vast en zeker nog onontdekte vindplaatsen. Een meer geïsoleerde populatie werd in

2006

gevonden in de buurt van Leefdaal, terwijl in

de Laanvallei een zwervend individu gevonden werd (Creemers, 2006). Tijdens de zeer warme zomer van

2006

hebben zich mogelijk nog meer zwervers van

deze soort over de streek verspreid. Het valt te ver­ wachten dat de Greppelsprinkhaan de komende jaren op nog meer lokaties (ruige bermen, graslanden) zal opduiken. Het Gewoon spitskopje (Conocephalus dorsalis), de Boomsprinkhaan (Meconema thalassinum), het Gewoon doorntje (Tetrix undulata), de Struik­ sprinkhaan (Leptophyes punctatissima) en het Zeg­ gedoorntje (Tetrix ceperoi) zijn in tabel 2 allemaal als vrij algemeen aangeduid. Het zijn allemaal soorten die ofwel geen geluid maken (de doorntjes), ofwel waarvan het geluid niet hoorbaar of onopvallend is. Bovendien komen ze voor in biotopen die weinig of niet onderzocht worden op de aanwezigheid van sprinkhanen. De Boomsprinkhaan en Struiksprink­ haan leven in houtige gewassen. Het Gewoon spits­ kopje komt vooral voor in vochtige ruigten. Ook het Gewoon doorntje en het Zeggedoorntje zijn soorten van voornamelijk vochtige biotopen en zijn boven­ dien erg klein. Het werkelijke voorkomen van deze soorten wordt dan ook hoogstwaarschijnlijk onder­ schat op basis van de verzamelde waarnemingen.

Tien soorten sprinkhanen en krekels zijn vrij zeld­ zaam tot zeer zeldzaam in het Dijleland. Achter de soortnaam staat het aantal gekende waarnemingen in het Dijleland sinds

2000.

Heidesabelsprinkhaan (Nietrioptera brachyptera)

[1] Op

17 juli 2004 werd een langvleugelig mannetje op­

gemerkt op een klein stukje heide op de Ke

elberg

(Kessel-Jo,]. Lambrechts). Dit was de eerste waarne­ ming voor V laams-Brabant en het betrof zeer waar­ schijnlijk een zwerver. In

2005

en

2006

werden er

geen waarnemingen van deze soort gedaan op deze locatie. Veldkrekel (Gryllus capemestris)

[9]

Relictpopulaties van deze soort komen voor in de Laanvallei (Tombeek-Terlanen) en aan de zuidkant van de Schoolbergen te Kessel-Lo. Mogelijk zijn er nog Veldkrekels terug te vinden in de omgeving van de Kesselberg. In dit gebied werd in

2003

één exem­

plaar waargenomen. In de Laanvallei be tond de populatie in

2006

nog uit tientallen veldkrekels. De

2004 ook nog vermoedelijk uit tientallen 'tsjirp'posten. In 2006 populatie van de Schoolbergen be tond in

konden op die plek slechts maximaal 3 t jirpende exemplaren worden gehoord. Oude waarnemingen van voor

1950

zijn bekend uit Heverlee,

int-Jori -

Weert, Tervuren en Hoeilaart. Huiskrekel (Acheta domesticll

) [7]

Een typische soort van stedelijke milieu , bij con tant (ver)warm(d)e plaat en. Deze oort werd de voorbije

jaren gemeld op ver chillende plaat en in de stad Le ­ ven, ondermeer aan de

aart! om, het

tation en

De Boomklever ffidill!ZOO/

111

19


het tad centrum. Men kan zich echter de vraag stel­

van het begin van deze eeuw. In Kortenberg ten lotte

len of alle waarnemingen wel degelijk betrekking heb­

werd in 2005 ook een Veenmol gevonden. Gerichte

ben op Hui krekel. Het geluid (en het uiterlijk) van de

(nachtelijke) zoektochten in het voorjaar naar het ty­

Hui krekel lijken immer erg op de dat van de Die­

pi ch snorrende geluid kunnen mogelijk meer vind­

rentuinkrekel

(Gryllodes sigillntus), een soort die in

plaatsen opleveren.

de handel aangeboden \vordt al reptielenvoer en die ondermeer in de labo's van Dierkunde (K.U.Leuven)

Kassprinkhaan (Tachycibes asynamorus) [1]

in het centrum van Leuven gekweekt wordt. Het lijdt

De oort i

geen twijfel dat deze bee tje

al een

het hazenpad

bij on

afkomstig uit het verre

osten en komt

onder andere voor in serre . Werd in 2002

kielen""

waargenomen in Oud-Heverlee.

Veenmol (Gryllotalpa gryllotalpa) [4]

Blauwvleugelsprinkhaan ( Oedipoda caerulescens) [7]

Het zwaartepunt van de gekende actuele versprei­

Deze vrij zeldzame soort komt voor in zeer droge ter­

ding van de Veenmol in V laanderen bevindt zich

reinen met chaarse, open begroeiing die vlug opwar­

en de provincie V laam -Brabant

men. In onze regio zijn dat spoorwegbennen. Blauw­

en Antwerpen (o.a. Mechelen). Uit het Dijleland zijn

vleugelsprinkhanen zijn in grote aantallen te vinden

er de afgelopen jaren enkele geïsoleerde waarnemin­

lang de spoorwegen ter hoogte van het stad kerkhof

gen bekend. In een akkergebied aan de oo tkant van

van Leuven. In

i\[eerdaalwoud werden in 2005 drie dieren waarge­

ook al waargenomen net ten noorden van het tation

nomen. Twintig jaar geleden \Varen Veenmollen ook

van Leuven. Een waarneming van een exemplaar langs

de spoorweg ter hoogte van de zuidelijke vijver van

tad Leuven

Oud-Heverlee toont aan dat nog andere vindplaatsen

(omgeving Redingenhof ) konden vroeger Veenmol­

van deze oort kunnen worden gevonden indien alle

len worden gevonden toen daar nog heel wat ak­

spoorwegtrajecten in de regio zouden kunnen wor­

kertjes en moe tuinen werden bewerkt. De laatste

den afgelopen.

rond de grens tu

aanwe1ig aan de zuidkant van Meerdaalwoud te then. In het Luidelijke gedeelte van de

1999 werd de Blauwvleugel

prinkhaan

gekende \vaarneming van deze plaats dateert ergens

Gouden sprinkhaan (Chrysocgraon dispar) [1] Dit is een zeldzame soort van vochtige tot matig vochtige terreinen met half hoge begroeiing, maar ze wordt ook op drogere plekken gevonden met een hogere, koele begroeiing, zoals \·vegbermen. De oort werd in 2002 te Overijse/Ketelheide gevonden. Re­ cente nieuwe vindplaatsen in Limburg en Oost-Bra­ bant kunnen er op wijzen dat deze soort in opmars is. Benieuwd of dat voor onze regio ook zo zal zijn.

Snortikker (Chorthippus mollis) [1] De snortikker is een algemene oort in de Kempen, maar werd tot voor kort nog nooit opgemerkt in onze regio. In 2005 werd er echter net over de taal­ grens te Florival/Archennes een exemplaar van deze soort genoteerd. Zoekacties in deze omgeving kun­ nen mis chien een populatie ontdekken.

Rosse sprinkhaan (Gomphocerippus rufus) [ 1 2 ] Eén van de weinig gekende populatie van deze oort in V laanderen (vier populaties tot en met 2005; med.

Op enkele plaatsen in het Dijleland klinkt nog het getsjirp van de Veldkrekel (Foto: Jeroen Mentens, www.faunaflora.org)

20

De Boomklever mddrl/OO/

]. Lambrecht op www. altabel.org) bevindt zich op de open plekken in het Militair domein in Meer­ daalwoud. De

oort i

daar talrijk. De laat te waar-


Eén van de weinige populaties van de Rosse sprinkhaan in Vlaanderen bevindt zich op het Militair domein in Meerdaalwoud (Foto: Jeroen Mentens, www.faunaflora.org)

nemingen dateren van 2004. Deze vrij makkelijk

enkele (in Vlaanderen voorkomende) �oorten op die

te herkennen soort komt elders o.a. voor in ruige,

(voorlopig) ontbreken op de Dijleland e soortenlij�t

warme bosranden en bermen in kruidige vegetatie

voor de periode

of zelfs struiken (laag Bramen truweel). Het wordt

te verwachten indien de aandacht voor en het gericht

interessant om op te volgen of deze oort zal profite­

zoeken naar prinkhanen opgedreven wordt.

ind

2000. De mee te

oorten zijn

ren van het nieuwe beheerplan voor Meerdaalwoud \vaarin meer open plekken in het bo

tot doel wor­

den gesteld.

De Moerassprinkhaan (Stethoplryuw grossrnn) i� de groot te veldsprinkhaan van België en houdt zich op in allerlei ruige, natte gra ·landen en moera

·

en.

Knopsprietje (Myrmeleotettix maculatus) [13)

Deze zeldzame

Het knop prietje is een soort van droge plaatsen met

' aarnemingnetwerk of aan. altabel, maar het i be t

lage open begroeiing, zoals heide,

mogelijk dat hij voorkomt in de Oijlc,·allci. De moei­

chraal grasland

oort "·erd nog niet gemeld op het

en kaal lagen. Het is een algemene oort in de Kem­

lijkheid i

pen, maar bij ons is hij in recente jaren enkel bekend

op ver toring gevoelige plekken die vaak enkel door

van de Kesselberg. Er is ook een waarneming gekend

terreinbeheerders kunnen '"'orden betreden.

van de Laanvallei te Tombeek uit 1997.

gelijkaardig probleem be taat er voor de eveneens

dat deze oort bijna uit ·tuitend ,·oorkomt

zeldzame Zompsprinkhaan (C/1ort/1ippu

Andere soorten Vermit de aandacht voor prinkhanen in onze regio tot op heden eerder beperkt wa , lij ten \ve hieronder

Een

/ll011tn-

111t ) die voor! omt op vochtige gra.landen. Bo,·en­ ·

dien gelijl t de Zomp prinkhaan op de veel \'Oorko­ mende Kra de Moera

er.

oor zowel de Zompsprinkhaan ab

prinl haan Lijn er hi:tori�chc ( < 1950)

De Boomklever mddrl2"1

21


waarnemingen gekend uit het Torfbroek. Van de

mogelijk onder geïnventariseerd. Inventarisaties met

Zomp prinkhaan is er een vrij recente waarneming

batdetector en het kloppen op takken kunnen mis­

uit de \Xfingevallei te Holsbeek.

schien ongekende vindplaatsen opleveren.

De Lichtgroene sabelsprinkhaan (Metrioptera bi­

Wekkertje (Omocestus viridulus), Negertje (Omo­

color) werd nog nooit in het Dijleland waargenomen,

cestus rufipes) en Kustsprinkhaan (Chorthippus al­

maar i een zuidelijke soort die volop haar areaal aan

bomarginatus) komen net als de Snortikker vooral

het uitbreiden is in noordelijke richting. In 2006 werd

voor in de Kempen. Net als de Snortikker is een

deze oort voor het eer t opgemerkt in V laams-Bra­

waarneming van deze soorten, hoewel onwaarschijn­

bant (Oplinter, derde geval voor Vlaanderen; med. R.

lijk, niet onmogelijk. Van Wekkertje en Negertje zijn

Guelinckx). Verwacht wordt dat hij dit jaar op nog

er erg oude waarnemingen bekend

meer plaatsen zal opduiken. Hij prefereert warme

laart (Groenendaal). Een langvleugelige vrouwelijke

ruige plekken en is makkelijk in de voormiddag te

veldsprinkhaan die werd gevonden in V lierbeek was

inventariseren, op het moment dat de Grote groene

achteraf gezien mogelijk een Kustsprinkhaan, maar

sabel prinkhaan nog niet zingt.

spijtig genoeg werd niet voldoende gekeken naar

Vroeger zou de Boskrekel te horen zijn geweest in

determinatiekenmerken voor deze soort (eigen ob­

de omgeving van Heverleebos, maar deze soort is

servatie)

(<1900) uit Hoei­

vermoedelijk verdwenen door het dichtgroeien van

2003). De dichtst

Van het Schavertje (Stenobothrus stigmaticus) zijn

bijgelegen plaatsen waar deze soort nu voorkomt lig­

er net als het Wekkertje en het Negertje historische

gen in het Hageland.

waarnemingen bekend aan de grens met de Brus­

het bo (Lambrechts & Guelinckx,

selse regio, maar gezien het huidige zeldzame voor­ Het Kalkdoorntje (Tetrix tenuicornis) was alge­

komen van deze soort is een waarneming in onze

meen in het Brusselse maar zou daar sterk achteruit

regio zeer onwaarschijnlijk. Dan heeft een waarne­

gegaan zijn. Toch zijn er recent enkele waarnemin­

ming van het Zanddoorntje (Tetrix ceperoi) meer

gen gedaan en zijn waarnemingen in het westen van

kans. Deze soort is buiten de kuststrook zeldzaam,

het Dijleland (Overijse, Tervuren, Kortenberg) niet

maar kan min of meer verspreid in V laanderen wor­

ondenkbaar. Deze oort komt voor op droge tot vrij

den aangetroffen (o.a. een recente waarneming in

vochtige plaat en met schaarse begroeiing, zoals on­

het Brusselse). Komt in grote lijnen op gelijkaardige

deraan (kalk)gra hellingen, braakliggende terreinen

plaatsen voor als het Gewoon doorntje en het Zeg­

en open plekken in het bos.

gedoorntje.

De Zuid elijke boomsprinkhaan (Meconema me­

De

ridionale) is een soort die recent op verschillende

zuidelijke soort waarvan in V laanderen recent een

plaat en in Bru

Boomkrekel

(Oecanthus pellucensis) is een

el werd teruggevonden. Deze zui­

delijke soort is vooral terug te vinden in stedelijke gebieden (ook in Nederland) en is daar vermoedelijk geraakt door mee te liften met het verkeer uit het zuiden. Gerichte inventari aties zouden mi schien ook in het Leuven e waarnemingen kunnen opleve­ ren. De Zaagsprinkhaan (Barbitistes serricauda) is een oort die voorkomt in het zuiden van het land, maar werd recent ontdekt aan de we tkant van het Zoni­ enwoud. ln Wallonië komt hij voor in warme bosran­ den, vooral in hazelaar en eiken, maar ook in ther­ mofiele buxu vegetatie . Het i een vrij immobiele oort. De Zaag prinkhaan maakt een onhoorbaar geluid en leeft in truiken en bomen en i daard oor

22

De Boomklever mddrtlOOJ

Blauwvleugelsprinkhaan, een thermofiele 'spoor­ weg'soort (Foto: Frederik Fluyt)


handvol waarnemingen werden gedaan. Deze waar­ nemingen passen in de opmars van de soort naar het noorden. Toch schijnt de soort het moeilijk te heb­ ben om zich definitief te vestigen. Het Zoemertje (Stenobothrus

lineatus) en de Zadel­ sprinkhaan (Ephippiger ephippiger) zijn nog twee soorten die in Vlaanderen voorkomen, maar ze zijn te zeldzaam en hun verspreiding is te lokaal om in onze regio te kunnen worden verwacht.

Referenties

Decleer K., Devriese H., Hofmans K. & Loek K.

(2000). Voorlopige atlas en 'rode lijst' van de sprinkhanen en krekels van België (Jnsecta, Or­ thoptera). Werkgroep Saltabel in samenwerking met IN en KBIN. Rapport van het Instituut voor

2000.10, Brussel, 75 p. Creemers B. 2006. Verspreiding van de Greppel­

Natuurbehoud •

sprinkhaan in het Dijleland: een stand van zaken. Boom.klever 34: •

94-96.

Guelinckx R. & Lambrechts J.

2001. Een opvallen­

de verschijning en toch over het hoofd gezien: de

2000. Natuurreservaten Oost-Brabant vzw. p. 80-86. Kleukers R. & Krekels R. 2004. Veldgids sprinkha­ Greppelsprinkhaan. Jaarboek natuurstudie

nen en krekels. KNNV uitgeverij. •

Lambrechts J. & Guelinckx R.

1999. Bijzondere

sprinkhaansoorten in Oost-Brabant. Jaarboek na­

1999. Natuurreservaten Oost-Brabant vzw. p. 23-29. Lambrechts J. & Guelinckx R. 2003. Een overzicht

tuurstudie

van bijzondere waarnemingen in Zuidoost-Bra­

2002. Jaarboek natuurstudie 2002. Natuur­ punt Oost-Brabant vzw. p. 32-41. bant in

Voor meer informatie •

www.saltabel.org

Bart Creemers bart.creemers@gmail.com Maarten Hens maartenhens@yahoo.co.uk Bart Vercoutere bart.vercoutere@scarlet.be

De Boomklever- mililrt 2007

23


Lieveheersbeestjes in het Dijleland

L

ieveheersbeestjes vierde

groep

vormen

insecten

de

waar­

van we in dit themanummer het gekende actuele voorkomen in het Dijleland

schetsen.

De

aandacht

voor lieveheersbeestje nam sterk toe na de publicatie van een han­ dige determinatietabel en daaraan gekoppelde oproep tot het verza­ melen van gegevens (Baugnée et al., 2001). In 2004 verscheen er een eerste voorlopige verspreidingsat­ las voor Vlaanderen (Adriaens & Maes, 2004). Ondertussen verza­

beestjes

(Epilachninae). De tweede groep wordt

gevormd door de subfamilies van de nepkapoentjes

(Coccidulinae) en dwergkapoentjes (Scymninae). Deze bijdrage beperkt zich tot de lieveheersbeestjes van de eerste groep. De weinige waarnemingen van 'kapoentjes' werden in de analyses van deze bijdrage niet gebruikt. Van de

35 vlot te determineren lieve­

heersbeestjes in Vlaanderen werden er sinds 2001

27

soorten aangetroffen in het Dijleland.

Verspreiding van de waarnemingen •

Om het voorkomen en de relatieve abundanties van lieveheersbeestjes in te schatten hebben we ons be­ perkt tot een analyse van de gegevens in gebieden waar een minimum aan inventarisatie-inspanning geleverd is (aantal waarnemingen> >

5; aantal soorten 3). Het gaat in totaal over twintig gebieden ver­

melt de Vlaamse werkgroep 'Coc­

spreid over het Dijleland, met onderling zeer sterke

cinula' zo veel mogelijk waarne­

verschillen in inventarisatiegraad (6-190 waarne­

mingen van lieveheersbeestjes uit

waarnemingen is afkomstig uit deze

Vlaanderen. Hun gegevens uit de

Op de meeste locaties buiten deze gebieden is er

periode 2001-2006 vormen samen met het archief van de natuurstu­ diegroep (2004-2006) de basis voor deze bijdrage.

mingen/gebied; tabel

1).

Negentig procent van alle

20

gebieden.

doorgaans nog nooit gericht naar lieveheersbeest­ jes gezocht. Uit een analyse van de ligging van deze 'witte gaten' valt dan ook geen ecologisch-relevante informatie te halen. Deze niet- tot onderbekeken ge­ bieden situeren zich veelal aan de oostelijke en wes­ telijke randen van het Dijleland, weg van de centrale Dijle-as, en komen in belangrijke mate overeen met de 'witte gaten' voor de andere soortengroepen.

Inleiding

De best onderzochte gebieden zijn de natuurreserva­ ten 'Rodebos' (Sint-Agatha-Rode) en 'Doode Bemde'

Vanuit praktisch oogpunt kan men de lieveheers­

(Neerijse, Oud-Heverlee), met respectievelijk

beestjes opsplitsen in twee groepen. Een groep met

en

over het algemeen grote lieveheersbeestjes die vlot

riseerde gebieden zijn de Kesselberg (Kessel-Lo)

118

gegevens (tabel

1).

190

Andere goed geïnventa­

te determineren zijn, en een groep van kleinere, vaak

en de Leuvense stadskern. Figuur

moeilijk te determineren soorten waarvan de ken­

gestelde soortenrijkdom per lxl km2 hok. De voor­

nis omtrent voorkomen en verspreiding gering is. De

lopige 'hotspots' zijn het Rodebos, de Kesselberg en

eerste groep bevat de subfamilies van de echte lieve­

de Doode Bemde. Abdij van Park (Heverlee), het

heersbeestjes (Coccinellinae), breedkoplieveheers­

Torfbroek (Berg) en het Grootbroek (Sint-Agatha­

beestje

Rode) lijken van de 20 reeds (minimaal) onderzochte

24

(Chilocorinae) en bladetende lieveheers-

De Boomklever maartzoo7

1

toont de vast­


.

' .

:"�

,(. .

.

Insekten

gebieden nog over de meeste 'potentie' (op nieuwe soorten) te bezitten.. Ook aan de rand van dorps­ kernen (o.a. Winksele en Wilsele-Putkapel) kunnen mits enige zoekinspanning nog heel wat extra soor­ ten te voorschijn komen.

Oud-Heverlee

Vijvers

12

6

1

10

6

0

11

5

1

Hellegracht [Bertem]

6

5

0

Verstedelijkt deel Kes-

7

4

0

[Oud-Heverlee] Eikenbos [Bertem, Kor-

ten berg] Wtlsele-Putkapel [Leu-

Tabel 1. Gebieden in het Dijleland waar een mi­ nimum aan inventarisatie-inspanning naar lieve­ heersbeestjes geleverd is (aantal waarnemingen> 5; aantal soorten>

3), gerangschikt volgens aantal

waargenomen soorten. #geg

=

aantal gearchiveer­

de waarnemingen uit periode 2002-2006, #S aantal soorten lieveheersbeestjes, #Z

=

ven]

sel-Lo [Leuven]

=

aantal regi­

onaal zeldzamere soorten (zie tabel 2, klassen 'vrij

'"'r::.i-<N::i �A= y ' "'1

algemeen' tot 'zeer zeldzaam; totaal 14 soorten). Gebied [gemeente] Rodebos [Huldenberg] Kesselberg [Leuven] Doode

Bemde

[Huldenberg, Oud-Heverlee, Bertem] Heverleebos

[Leuven,

#geg

#S

#Z

190

20

7

61

16

4

118

15

4

11

1

en

26

11

1

[OudHeverlee, Bierbeek]

31

11

1

Abdij van Park en om-

13

Arenberg

11 L'.I.�

-H-<-'1- ��

ho<'.-

r,

C.h'-' 1, -

!,..<1��i,..1-

,_

I, Il

t1:;1..<11-- �

,

I

r--:� 1/ /\...1. . 'i � () \ � D� 1 _;.' Il

1 ...... <_:.J

m

17

1 "'..m '1 ';- c'I. J

-

·I IC .,..

"v

1 !'!: -

,_ ,....,

""ll{J �

·-

'

,,.

[,,

1,

'

<::: 23

1 \1

Il�

4 l<Jlometers 2 ___,

---

Oud-Heverlee] Campus

2 0 M

1 Hi r-=r w.

· -;+ 1 1 .-..u1 ....

1/

"";;1�;-p---v

omgeving [Leuven] Meerdaalwoud

O 10

2

geving [Leuven] Stad Leuven [Leuven]

54

10

1

Winksele [Herent]

10

8

1

Grootbroek

12

8

0

9

7

1

[Hoei-

17

7

1

Egenhovenbos en om-

14

7

0

35

7

0

11

6

1

Sint-Aga-

tha-Rode [Huldenberg] Torfbroek en omgeving

[Kampenhout] Groenendaal

laart] geving [Leuven] Koeheide

+

Zwanen-

berg [Leuven, Bertem] Plateau

Leefdaal/Kor-

beek-Dijle [Bertem]

0 Dataset NSGD Dataset lnbo

Aantal soorten

D 1-2 CJ3-5 6-8 -9-12 0 -13-16 N Waterlopen

Figuur 1. Aantal waargenomen soorten lieveheers­

beestjes in het Dijleland tijdens de periode 20012006 per lxl km2 UTM-hok op basis van gegevens van de werkgroep Coccinula en het NSGD-archief.

Overzicht van voorkomende soorten Van de 27 aangetroffen soorten is er één soort die totnogtoe enkel aangetroffen werd buiten de 20 zwak tot goed geïnventari eerde gebieden, nl. het

De Boomklever maart2007

25


Het Heggenranklieveheersbeestje is gebonden aan - jawel - Heggenrank en daarmee de totnogtoe meest uitgesproken streekspecialiteit (Foto: Jeroen Mentens, wwwjaunaflora.org) Heggenranklieveheersbeestje

(Epilachna argus).

Voor de 26 andere soorten kan het aandeel van de gebieden waarin een soort voorkomt beschouwd worden als een maat voor de algemeenheid van de betreffende soort in het Dijleland. In tabel 2 hebben we op basis hiervan geprobeerd aan elke soort een zeldzaamheidsklasse voor de regio toe te wijzen. Ter vergelijking zijn in tabel 2 ook de zeldzaamheids­ klassen voor V laanderen toegevoegd. Een soort die het in Dijleland veel beter lijkt te doen dan in de rest van Vlaanderen is het Bruin lieve­

(Aphidecta obliterata). Maar ook het Meeldauwlieveheersbeestje (Halyzia sedecim­ guttata), het Roomvleklieveheersbeestje (Calvia quatuordecimguttata), het Vijfstippelig lieveheers­ beestje (Coccinella quinquepunctata) en het Heg­

heersbeestje

genranklieveheersbeestje lijken in deze regio rela­ tief talrijker. Voor andere soorten scoort het Dijleland beduidend slechter. Dit is vooral opvallend voor het Elfstippelig lieveheersbeestje

(Coccinella unde­

cimpunctata). Ook het Harlekijnlieveheersbeestje

26

De Boomklever maan2001

(Harmonia quadripunctata), het Ruigtelieveheers­ beestje (Hippodamia variegata) en het Achttien­ stippelig lieveheersbeestje (Myrrha octodecimgut­ tata) doen het relatief slechter, net als het Tweestip­ pelig lieveheersbeestje (Adalia bipunctata), het V loeivleklieveheersbeestje (Oenopia conglobata) en misschien ook het Viervleklieveheersbeestje

(Exochomus quadripustulatus). De zeldzaamheids­ klasse van deze laatste drie soorten verschilt evenwel niet tussen het Dijleland en V laanderen. Voor het Heidelieveheersbeestje ( Chilocorus bi­ pustulatus) en het Vierentwintigstippelig lieve­ heersbeestje (Subcoccinella vigintiquatuorpuncta­ ta) zijn er onvoldoende gegevens om een uitspraak te doen over de zeldzaamheid vergeleken met geheel V laanderen. Het verschil in talrijkheid van het Tweestippelig lieveheersbeestje is mogelijk gedeeltelijk of volledig een artefact. Het vermoeden bestaat immers dat de


gegevens gebruikt voor de berekening van de zeld­

(Calvia quatuordecimguttata) in het Dijleland tij­

zaamheidsklas en in het Dijleland een groter aan­

dens de jaren 2002-2006. De relatieve abundan­

deel waarnemingen uit de periode

2004-2006 be­

tie werd bepaald als de verhouding van het aantal

vatten dan de gegevens die gebruikt werden voor de

waarnemingen van de soort x in jaar y tot het aan­

berekening van de Vlaam e zeldzaamheidskla sen.

tal waarnemingen van soorten die niet behoren tot

Het Tweestippelig lieveheersbeestje is in gan Vlaan­

de zeldzaamheidsklasse 'zeer algemeen' in jaar y, en

deren de laatste jaren

wordt hier gebruikt om te corrigeren voor waarne­

(2004-2006) merkelijk minder

algemeen dan in de beginjaren van het Vlaamse inventarisatieproject

mogelijke verklaring voor de achteruitgang van het Tweestippelig lieveheersbeestje is de opkomst van het Veelkleurig Aziatisch lieveheersbeestje (Har­

monia axyridis). Dit is een invasieve exoot, hier ingevoerd in het kader van geïntegreerde gewasbe­ scherming in ondermeer de fruitteelt, die voorheen al in Noord-Amerika heeft aangetoond dat ze een ravage kan veroorzaken onder inheemse lieveheers­ bee tje . Dit diertje heeft een agre

ief foerageerge­

drag en eet, naa t bladluizen, ook larven van andere lieveheersbeestjes. Merk op dat het verschil in temporele samenstel­ ling van de Vlaam e en de Dijleland e gegevensset, ook voor andere oorten kan leiden tot oneigenlijke ver chillen tussen Dijlelandse en Vlaamse zeldzaam­ heid klassen. Voor de andere 'in het Dijleland zeld­ zamere' soorten liggen er uit het Dijleland evenwel te weinig gegeven voor om een uitgesproken trend te kunnen detecteren.

en het Meeldauwlieveheer beestje, twee soorten die het in het Dijleland beter doen dan in Vlaanderen, in het Dijleland ook lijken achteruit te gaan (figuur

2).

0.4

<ll >

2ï aangetroffen oorten verdienen,

samen met twee soorten waarvan geen (recente) waarnemingen voorliggen, het label 'regionale aan­ dachts oort' en worden hieronder kort be proken. Het aantal gekende waarnemingen taat telken ach­ ter de oortnaam. Heidelieveheersbeestje ( Chilocoru bipus­

tulatus) [1] Komt voor in droge heidegebieden met bomen en bo randen. Voornamelijk op Struikheide, maar ook in bomen (Berk, Zomereik, Grove den). In Vlaan­ deren vrij zeldzaam, ver preid voorkomend in de Kempen. In het Dijleland zeer zeldzaam. Er i

een

waarneming van één exemplaar bekend van het Ro­ debo dat in

2006 werd gevonden tijdens de beheer­

Hiërogliefenlieveheersbeestje

( Coccinella hiero­

glyp/Jica) [2] Biotoop i beperkt tot heidegebieden. Is voorname­ lijk te vinden op

truikheide en in mindere mate op

zaak beperkt tot de I empen. Larven voeden zich ---+--- Tweest1ppelig LHB

.� ëii 'ai a:

Negen van de

Grove den. In V laanderen vrij zeldzaam en in hoofd­

0.5

<tl "O c :> .0 <tl

Aandachtssoorten

monitoring (databank Coccinula).

Opmerkelijk is dat het Roomvleklieveheer beestje

� .� ë

mersactiviteit.

(2001-2003) (figuur 2). Een

--0- MeeldauwLHB

onder andere met de larven van het Heidehaantje

(Lochmaea suturalis). De abundantie zou fluctueren

-.- RoomvlekLHB

met het cycli ch patroon van de Heidehaantjespopu­

0.3

latie. In het Dijleland i

het Hiërogliefenlieveheers­

beestje zeldzaam. In augu tu

0 2

terk door Heidehaantje in het Rodebo

0.1

2004 ,,·erden in de

aangeta te heideterreinen

tweemaal twee

c

emplaren gevon­

den. Mogelijk gaat het hier om een kleine populatie. Voor de monitoring in

0.0 2002

2003

2004

2005

2006

Figuur 2. Evolutie van de relatieve abundantie van

het Tweestippelig lieveheersbeestje (Adalia bipunc­ tata), het Meeldauwlieveheersbeestje (Halyzia e­ decimguttata) en het Roomvleklieveheersbeestje

deze

2006 aldaar werden er van

oort echt r geen waarnemingen doorgegeven

aan de databanl van Coccinula. Elfstippelig lieveheersbeestje

( Cocci11elln u11de­

cimpunctrzta) [2]

De Boomklever maart2001

27


I omt voor in allerlei biotopen met pioniersvegeta­

tie zoal

in parken, tuinen, talud , wegbermen en

Achttienstippelig lieveheersbeestje (Myrrha octo­

decimguttata) [3]

oever met lage begroeiing. Voornamelijk op kruid­

Vrij algemene soort van dennenbossen, bosranden,

achtige pionier planten (o.a. Melganzevoet, Wilde

heides, kapvlakten, graslanden, parken en tuinen.

malle weegbree, Jacob krui kruid" ..) en

Wordt gevonden op Zwarte en Grove den. Overal

en. \Vordt voornamelijk op het zicht waarge­

verspreid voorkomend, maar in het Dijleland lijkt hij

nomen en loopt vaak over de grond. I in Vlaande­

zeldzaam. Hij is alleen nog maar waargenomen op

ren algemeen en overal ver preid, toch is de lagere

Fijnspar in het Rodebos (Sint-Agatha-Rode), zowel

peen, gra

dichtheid in Vlaam -Brabant en Bru

el opvallend.

In het Dijleland i de oort zeldzaam. De soort werd

in 2004 als 2005. In het Mechelse is hij vrij algemeen, ook in tuinen (med. F. Van de Meutter).

waargenomen in een hooiland in de Doode Bemde en op een terrein met pionier vegetatie in de buurt

Gestreept lieveheersbeestje (Myzia oblongogut­

van het waterzuivering

tata) [2]

tation Leuven-Noord. Er

i ook een oudere waarneming bekend van de rand

Soort van bosranden en groepjes naaldbomen in hei­

van Bertembo (1991, Wink ele, S. Bouillon).

degebieden. Voornamelijk op dennen. In Vlaanderen vrij zeldzaam, met zwaartepunt in de Limburgse en

Heggenranklieveheersbeestje (Epilachna argus)

Antwerpse Kempen. Daarbuiten in recente jaren

[6]

enkel waargenomen op enkele plaatsen in Oost­

Wordt bijna uit !uitend waargenomen op Heggen­

Vlaanderen en het Leuvense (Arenbergpark en Kes­

rank in hagen en

truwelen, taluds, wegbermen en

selberg). Net als voor het Harlekijnlieveheer beestje

duinen. De ver preiding van het Heggenranklieve­

en het Achttienstippelig lieveheersbeestje kan een

heer bee tje komt dan ook overeen met de ver prei­

bijkomende aandacht voor naaldbomen meer waar­

ding van Heggenrank, met name in de Maasvallei,

nemingen van deze soort opleveren.

de ku t trook en de leem treek. Over heel V laan­ deren gezien i

deze

oort zeldzaam, maar onder

andere in het Dijleland i

hij door het veelvuldige

Behaard lieveheersbeestje (Platynaspis luteoru­

bra) [2]

voorkomen van Heggenrank vrij algemeen. Hij kan

Komt voor in open, droge en warme habitat

daarmee beschouwd worden als dé streekspeciali­

taluds, wegbermen, heide, droog schraal grasland

teit van de regio. De soort werd gezien in de Ruw­

en spoorwegterreinen. Zeldzaam in Vlaanderen met

aalvallei te Korbeek-Dijle, te Wolf hagen (Neerijse)

enkele waarnemingen in de Kempen en op de Sint­

en in de zandgroeve van Nethen aan de zuidrand

Pietersberg. Ook voorkomend in Brussel en in 2005

van Meerdaalwoud. Gericht zoekwerk in gebieden

ontdekt langs de

met Heggenrank zoal de randen van en holle we­

van Park (]. Bogaert).

zoals

poorwegen aan de site van Abdij

gen in plateaugebieden (tussen Voer, I]se en Laan; Haa rode, Bierbeek) kan zeker meer \vaarnemingen

Vierentwintigstippelig lieveheersbeestje (Subcoc­

opleveren.

cinella vigintiquatuorpunctata) [1] Vrij zeldzame soort van droge, open habitats (droog,

Harlekijnlieveheersbeestje

(Harmonia

quadri­

punctata) [4]

schraal grasland, heide en duinen), maar ook aan bosranden. Te vinden op onder andere eik en Struik­

Komt voor in zowel open als gesloten terreinen

heide. In het Dijleland zeer zeldzaam. Enkel gevon­

met groepje

den tijdens de monitoring in het Rodebos in 2006

naaldbomen in bo

en, bo randen,

parken en tuinen, boomgaarden, heidegebieden,

(gegeven

wegbermen en

waarneming bekend van rond 1990, maar exacte da­

op dennen en

chrale gra landen. Voornamelijk parren, maar ook in mindere mate

Coccinula). Er is wel nog een oudere

tum en vindplaats ontbreken (S. Bouillon).

op loofbomen. I algemeen in Vlaanderen en komt ver preid voor, maar i in onze regio vrij zeldzaam.

Acht vrij zeldzame tot zeer zeldzame lieveheers­

l waargenomen in Heverlee (Arboretum/Heverlee­

bee tje zijn nog niet waargenomen in het Dijleland

bo , Cele tijnenlaan/Terbank en De Croylaan) en in

(tabel 2). Hiertoe behoort ondermeer het Schitte­

het Torfbroek/Kampenhout.

rend lieveheersbeestje (Coccinella magnifica). Dit bee tje i een zogenaamde 'myrmecofiel: Hij kan ge-

28

De Boomklever mddfllOO/


Het 'archetype' onder de lieveheersbeestjes, het Zevenstippelig lieveheersbeestje, is de meest algemene soort in het Dijleland (Foto: Jeroen Mentens, www.faunaflora.org)

vonden worden op kruiden en kleine

truiken in de

andere te vinden op Riet, Grote wederik, Scherpe

buurt van koepelnesten van bosmieren. Gezien het

zegge en Rietgras. Zou op het einde van het eizoen

voorkomen van meerdere populaties bosmieren in

meer op bloemen (o.a. Boerenwormkruid) te vmden

de regio is hij een te verwachten soort, maar er moet

ZIJn.

gericht naar gezocht worden. Mogelijk komt deze oort ook voor op plaat en die niet in de omgeving

Referenties

van koepelne ten liggen, maar in dat geval wordt hij con equent verward met het zeer algemene Ze­ venstippelig lieveheersbeestje. De verschillen tu

en

Adriaens T. & Maes D. 2004. Voorlopige ver prei­ ding atla

deze twee soorten zijn erg subtiel.

van de lieveheer bee tjes in Vlaander­

en, resultaten van het lieveheer bee tje project van de jeugdbonden. Bertram 2 (lbi ), 1-69.

Ook het Dertienstippelig lieveheersbeestje (Hip­

podamia tredecimpunctata) werd

ind

het begin

Baugnée J.Y., Branquart E. & Mae

D. 2001. Vcld­

determinatietabel voor de lieveheer bce tje

van

van deze eeuw nog niet waargenomen in het Dij­

België (Chilorinae, Coccinellinae & Epilachninae).

leland. Er bestaat echter wel een waarneming uit

Jeugd bond voor Natuur tudie en Milieube, cher­

1989 (Grootbroek/Sint-Agatha-Rode, S. Bouillon).

ming, Gent, Jeunes & Nature, \X'avre, in

Dit is een soort van natte milieus zoals hooilanden,

werking met het In tituut voor Natuurbehoud,

moerassen met biezen en zegges, natte ruigtes met

Bru

amen­

el. 44 p.

zegges, natte weilanden en oevers van vijvers. Onder Voor meer informatie •

www. tippen.nl www.inbo.be

Bart Creem r bart.creem r @gmail.com Maarten Hen maartenhen @yahoo.co.uk

Het Veertienstippelig lieveheersbeestje: typisch is het patroon met rechthoekige zwart/gele vlekken (Foto: Jeroen Mentens, www.faunaflora.org)

Bart Vcrcoutere bart.vercoutere@ carlet.be

De Boomklever ffiddrtzoo1

29


Tabel

2. Lieveheersbeestjes (Coccinellinae, Chilocorinae, Epilachninae) gekend uit Vlaanderen, gerang­

schikt volgens frequentieklasse in het Dijleland. Soortnamen worden verkort weergegeven, samen met afkortingen gebruikt in kader van het atlasproject van Coccinula. Biotoop = algemeen biotoop waar soort het meest aangetroffen wordt (Baugneé et al., =

2001; droog= droge ruigten en graslanden; vochtig

natte en vochtige biotopen); % = percentage van onderzochte gebieden in het Dijleland waar de be­

treffende soort voorkomt. Frequentieklassen Vlaanderen afkomstig van www.inbo.be (maart

2007), zie

tekst voor berekening frequentieklasse Dijleland. za= zeer algemeen, a= algemeen, va= vrij algemeen, vz= vrij zeldzaam, z = zeldzaam, zz= zeer zeldzaam, - = niet voorkomend. Zeldzaamheidsklasse van '·'

Heggenranklieveheersbeestje is gebaseerd op het aantal waarnemingen.

Afl<orting

Soort

Biotoop

%

Frequentieklasse Dijleland

Vlaanderen

COCSEP

allerlei

95

za

za

Veelkleurig Aziatisch lhb

HARAXY

allerlei

90

za

za

14-stippelig lhb

PROQUA

allerlei

80

za

za

Meeldauwlhb

HALSED

loofhout

65

za

a

Tweestippelig lhb

ADABIP

allerlei

65

za

za

CALQUA

loofhout

60

za

a

22-stippelig lhb

PSYVIG

allerlei

55

a

a

10-stippelig lhb

ADAD E C

loofhout

50

a

a

Bruin lhb

APHOBL

naaldbos

45

a

va

10-vleklhb

CALD E C

loofhout

40

a

a

16-puntlhb

TYTSED

droog

40

a

a

5-stippelig lhb

COCQUI

droog

40

a

va

4-vleklhb

EXOQUA

naaldbos

35

a

a

19-puntlhb

ANINOV

vochtig

20

va

va

Oogvleklhb

ANAOCE

naaldbos

20

va

va

Ruigtelhb

HIPVAR

droog

20

va

a

Heggenranklh b

EP IARG

Heggenrank

0

va'·'

z

\Xlilgenlhb

CHIREN

loofhout

15

va

va

Vloeivleklhb

OENCON

loofhout

15

va

va

Harlekijnlhb

HARQUA

naaldbos

10

vz

a

Gestreept lhb

MYZOBL

naaldbos

10

vz

vz

18-stippelig lhb

MYROCT

naaldbos

5

z

va

Hiërogliefenlhb

COCHIE

heiden

5

z

z

11-stippelig lhb

COCUND

droog

5

z

a

PLALUT

droog

5

z

z

Heidelhb

CHIBIP

heiden

5

zz

vz

24-stippelig lhb

SUBVIG

droog

5

zz

vz

COCQUA

droog

-

vz

13-stippelig lhb

HIPTRE

vochtig

-

vz

Zwart lhb

EXONIG

heiden

Schitterendlhb

COCMAG

bosmiernesten

O ngevlekt lhb

OENIMP

heiden

Onbestippeld lhb

CYNIMP

vochtig

-

z

ADACON

naaldbos

-

zz

HIPUND

droog

7-stippelig lhb

Roomvleklhb

Behaard lhb

14-vlek lhb

Zwart treeplhb Zwervend lhb

30

De Boomklever ffiddllZOOJ

-

-

-

vz vz z

zz


Opmerkelijke waarnemingen van dagvlinders in het Dijleland. maart 2006-februari 2007

1

n

het

septembernummer

van

de Boomklever werd reeds be­

richt over enkele bijzondere vlin­

een natte augustus en een uitzonderlijk zacht najaar en jaareinde. Dit alles had een merkbaar effect op het verloop van het aantal vlinderwaarnemingen en de waargenomen soorten doorheen het jaar (figuur 1).

derwaarnemingen in het Dijleland

In tegenstelling hiermee kenden 2004 en 2005 eerder

in 2006 (Vercoutere, 2006; Moreau,

een normaal verloop (figuur 1).

2006). Deze bijdrage schetst het vlinderjaar 2006 in het Dijleland op basis van door de Natuurstudie­ groep Dijleland verzamelde losse waarnemingen. Zowel waarnemin­ gen van bijzondere soorten als de fenologie en winterwaarnemingen van algemene soorten komen in

---+- 2004 -0- 2005 � 2006

� 30 c: Ql Ol c:

ë'� � 20 iö OI :;: äi

Ql

-g 10 OI <(

dit chronologisch opgebouwd over­ zicht aan bod. Er wordt vergeleken met

gearchiveerde

gegevens

uit

de periode 2004-2005, aangevuld met een kleiner aantal gegevens van 2003. De status (voorkomen en aantalsevolutie) van een aan­ tal aandachtsoorten in onze regio wordt besproken in een andere bijdrage in dit nummer.

Jan

leb

maa

apr

mei

Jun

JUi

aug

sep

okt

nov

dec

Maandelijks verloop van het aantal gear­ chiveerde dagvlinderwaarnemingen in 2004, 2005 en 2006 [Archief ongewervelden, Natuurstudiegroep Dijleland}. Figuur 1.

Voorjaar 2006 Ondanks de eerste februariwaarneming van een Dagpauwoog in 2006 (19/02/2006, Kessel-Lo/Ac­

caciaplein, B. Markey), werden er in maart 2006 als De oproep die gedaan werd in het voorjaar van 2006

gevolg van het late voorjaar amper vlinders gemeld

om bijzondere aandacht te hebben voor dagvlinders

in vergelijking met 2004 en 2005 (figuur 1). Het

(Menten, 2006), bleef niet zonder gevolg. Van alle

voorjaar werd dan ook gekenmerkt door erg late eer­

waarnemingen van dagvlinders die sinds 2003 door

ste waarnemingen van o.a. Citroenvlinder, Oran­

de Natuurstudiegroep werden gearchiveerd is meer

jetipje, Boomblauwtje en Landkaartje. Ook Ge­

dan de helft afkomstig van na deze oproep. Het jaar

hakkelde aurelia, Kleine vos, Dagpauwoog, Bont

2006 is de boeken ingegaan als een verzameling van

zandoogje, Klein geaderd witje en Koninginne­

een indrukwekkend aantal records, wat temperatuur,

page waren later dan vorige jaren (tabel 1). De late

zonneschijnduur en

betreft.

waarnemingen van Kleine vuurvlinder en Icarus­

Opmerkelijk waren het late einde van de winter (der­

blauwtje zijn een jaarlijks terugkerend fenomeen,

de decade van maart), de warmste julimaand ooit,

wat mogelijk verband houdt met de relatief lage

neerslaghoeveelheid

De Boomklever-maart2007

31


dichtheden van deze twee soorten in de Dijlevallei

ment 'niets nieuws' meer was aan het waarnemen

en/ of een onder-inventarisatie van de drogere delen

van een vlinder (figuur

van de regio ( plateaugebieden). Soorten met eerder

piek van waarnemingen in mei daarentegen wel de

normale data van eerste waarnemingen waren Klein

werkelijke piek in vlinderactiviteit, ondanks de zeer

koolwitje, Groot koolwitje en Distelvlinder. De

natte periode in de tweede helft van mei. Dit was

uitzondering op de regel was een vroege Atalanta in

vermoedelijk het resultaat van de oproep om in2006

Bierbeek/Mollendaalbos op 18/03 /2006

alle vlinderwaarnemingen door te geven.

(J. Kempe­

1). In 2006 weerspiegelde de

neers). Deze waarneming vormt mogelijk de eerste aanwijzing van overwintering van deze soort in onze streek. De eerste immigranten van Atalanta komen gewoonlijk immers pas in april toe.

Zomer 2006 In juni2006 was er gewoontegetrouw een terugval in vlinderactiviteit waar te nemen. Leuke meldingen uit

In 2004 en 2005 vielen de waarnemingen in mei

die maand betreffen de waarneming van een Grote

lichtjes terug, waarschijnlijk omdat er op dat mo-

vos en een erg late waarneming van Oranjetipje.

Tabel 1. Eerste waarnemingendata van dagvlindersoorten in het Dijleland in het voorjaar (maart - mei) 2006 en in de periode 2004-2005. Ter vergelijking: vroegste vliegperiode volgens Maes & Van Dyck

(1999}. De vroegste waarnemingen van de periode 2004 tot en met 2006 zijn onderstreept. In gevallen met een abnormaal vroege waarneming is, voor de nuance, een tweede meest extreme datum gegeven tussen haakjes.* De waarneming van een Dagpauwoog in februari2006 (zie tekst) wordt hier beschouwd als een winterwaarneming. 2006

Gehakkelde aurelia

27 maart

20042 - 005 4 maart2004

Maes & Van Dyck 1999 /

(16 maart2005)

Citroenvlinder

4 april

14 maart 2004

/

Kleine vos

26 maart

16 maart2004

/

Dagpauwoog*

26 maart

16 maart2004

midden maart

Klein koolwitje

2 april

17 maart2004

begin april

(13 april2005)

Atalanta

18 maart

27 maart2004

april

(3 mei)

Oranjetipje

20 april

21 maart2005

begin april

Boomblauwtje

26 april

3 agril2005

begin april

Bont zandoogje

24 april

16 maart2004

midden april

(13 april2005)

Landkaartje

3 mei

17 maart2004

midden april

{24 april2005)

Klein geaderd witje

19 april

30 maart2004

midden april

13 april2005)

Groot koolwitje

20 april

21 maart2005

eind april

(2 mei2004)

Koninginnepage

6 mei

30 maart 2004

eind april

(22 april2005)

Kleine vuurvlinder

11 mei

5 juni2004

eind april

lcarusblauwtje

13 juni

26 mei2004

begin mei

Distelvlinder

11 mei

10 juni2004

begin mei

32

De Boomklever maart2007


t,,

. ,

rîséktén ·-� ;"",

Juli 2006 was zeer uitzonderlijk warm en leverde

14/07

.

1 v te Leuven/Lemmensinstituut (B. Berg­ mans)

een derde van alle waarnemingen van 2006, waar­ onder enkele waarnemingen van bijzondere soorten

Iepenpage (Styrium w-album)

als Groot dikkopje, Eikenpage, Sleedoornpage, Bruin blauwtje, Iepenpage en Grote weerschijn­

Te Neerijse/Doode Bemde werden van 15/07 tot

vlinder. Enkele waarnemers konden

en met 25/07 op zes verschillende data lepenpages

als gevolg

van de tropische temperaturen genieten van de in­

waargenomen, met een maximum van 5 ex. (M.

stroom van 'exotische' vlinders als Keizersmantel

Bauduin, B. Bergmans)

en Rouwmantel (zie ook: Vercoutere, 2006). Ook jaarlijkse trekvlinders zoals Atalanta, Distelvlin­

Bruin blauwtje (Aricia agestis)

der en luzernevlinders en typische zomervlinders

29/07

zoals Zwartsprietdikkopje, Bruin zandoog je en Koevinkje werden frekwenter en in grotere aantal­

Grote weerschijnvlinder (Apatura iris)

len genoteerd. Als gevolg van het erg natte weer in

14/07

1 ex. te Haasrode/zandgroeve (K. Moreau)

1 ex. te Neerijse/Doode Bemde (M. Walra­ vens)

augustus viel het aantal waarnemingen in die maand sterk terug. Meldingen van de zomergeneratie van Citroenvlinder gebeuren niet jaarlijks, maar in de

Rouwmantel (Nymphalis antiopa)

zomer van 2006 werden er wel twee genoteerd.

05/08

Groot dikkopje (Ochlodesfaunus)

Grote vos (Nymphalis polychloros)

08/07

1 ex. te Oud-Heverlee/Meerdaalbos (B.

17 /05

Creemers)

Vorige waarneming dateert van 09/03/2003, toen

1 ex. te Neerijse/Doode Bemde (M. Walra­

een Grote vos werd waargenomen te Wilsele (Lam­

vens)

brechts & Guelinckx, 2004).

14/07

1 ex te Heverlee/Tabor (J.-P. Ferette)

1 ex. te Ottenburg/Vogelzang (K. Berwaerts)

Oranjetipje (Anthocharis cardamines)

Keizersmantel (Argunnis paphia)

Late waarneming:

16 en 23/07

19/06

1 m te Ottenburg/Bois de Laurensart (K.

1 ex. te Neerijse/Doode Bemde (M. Bauduin).

Berwaerts) ongedetermineerde luzernevlinder ( Colias spe­

cies) 16/07

1 ex. te Neerijse/Doode Bemde (B. Cree­ mers)

24/07

Leefdaal/omgeving Weebergbos (K. Ber­ waerts)

24/07

2 ex. te Leefdaal/plateau (K. Berwaerts)

25/07

3 ex. te Leefdaal (K. Berwaerts)

Citroenvlinder (Gonepteryx rhamni)

Zomergeneratie: 25/07

1 ex. te Leuven/Frederik Lintstraat (B. Cree­ mers)

06/08

1 ex. te Kessel-Lo/Kesselberg (B. Bergmans)

Sleedoornpage (Thecla butlae) 31/07 1 ex. te Leuven/Weldadigheidssraat (E.

Macquoy) Eikenpage (Neozephyrus quercus)

Najaar

2006

De natte maand augustus werd gecompenseerd door de warmste septembermaand sinds het begin van de metingen. Waar in 2004 en 2005 het aantal waarnemingen in september sterk terugviel, werden er in 2006 een groter aantal waarnemingen verricht in september, dan in augustus (figuur 1). Zowel een uitstel van de vlinderactiviteit als een verhoogde waarnemersactiviteit liggen hier vermoedelijk aan de basis. De bijzonderste meldingen in september waren waarnemingen van Bruin blauwtje, Slee­ doornpage, Oranje luzernevlinder, Gele luzer­ nevlinder en Kleine parelmoervlinder. Dezelfde

combinatie van

uitgestelde vlinderactiviteit, een

zeer uitzonderlijk warm najaar en ijverige waar­ nemers leidde ook tot de verpulvering van records wat betreft de laatste waarnemingen in vergelijking met de jaren 2003, 2004 en 2005 (tabel 2). Erg late waarnemingen werden opgetekend voor ondermeer

De Boomklever mMrt2001

33


Tabel 2. Laatste waarnemingendata in het Dijleland van algemene vlindersoorten in het najaar (septem足 ber-november) 2006 en in de periode 2003-2005. Ter vergelijking is eveneens het einde van de vliegpe足 riode zoals vermeld in Maes & Van Dyck {1999) weergegeven. Voor soorten waarbij alleen in gunstige jaren een derde of vierde generatie vliegt is de meest extreme periode in Maes & Van Dyck {1999) van zowel de laatste als voorlaatse generatie meegegeven. Per soort is de laatste waarnemingsdatum uit de periode 2003-2006 onderstreept. In gevallen met een abnormaal late waarneming is, voor de nuance, een tweede meest extreme datum gegeven tussen haakjes. * Waarnemingen in december worden hier beschouwd als winterwaarnemingen.

2006

2003-2005

Maes & Van Dyck {1999)

17 september

2 september 2004

eind augustus

(12 september)

(17 augustus 2005)

Boom blauwtje

12 september

8 september 2005

begin september

Kleine geaderd witje

17 september

28 augustus 2005

begin september

Koninginnepage

(2 waarnemingen)

Groot koolwitje

20 september

17 september 2004

eind september

Bont zandoogje

13 oktober

12 oktober 2003

begin oktober

Icarushlauwtje

26 oktober

12 oktober 2003

2e: midden september

(13 oktober)

(28 augustus 2005)

3e: begin oktober

27 november

30 oktober 2005

midden oktober

(22 november)

(14 september 2003)

27 oktober

12 oktober 2003

2e: begin oktober

(2 oktober)

(26 september 2004)

3e: begin november

4 september

12 oktober 2003

Dagpauwoog Kleine vuurvlinder Kleine vos

/

(24 september 2005)

Landkaartje

17 november

7 augustus 2004

(12 september)

Klein koolwitje Distelvlinder Atalanta*

2c: begin september 3c; J

15 november

24 oktober 2005

3c: eind september

(13 oktober)

(12 oktober 2003)

4c: /

9 november

24 oktober 2004

(26 oktober)

(17 september 2005)

27 november

5 november 2004

/

30 augustus 2005

/

/

(3 waarnemingen)

Gehakkelde aurelia*

28 november (29 oktober)

Koninginnepage, Dagpauwoog, Distelvlinder, Atalanta, Gehakkelde aurelia. Er was een derde ge足 neratie van Icarusblauwtje, Kleine vuurvlinder en Landkaartje en een vierde generatie van Klein kool足

Koninginnepage (Papilio machaon) In totaal waren er elf septemberwaarnemingen. Laatste waarnemingen: 12/09

1 ex. te Leuven/ Van Waeyenberglaan (B.

witje. De meest opvallende uitschieter betrof een uitzonderlijk late Eikenpage. Enkel voor de Kleine vos viel de laatste waarneming veel vroeger dan de

17 /09

voorgaande jaren (tabel 2).

Klein koolwitje (Pieris rapae)

Bergmans) te Bertem/Oude Baan

(M. Van den Eynde)

Late waarnemingen: 13/10

34

De Boomklever maart2007

2 ex. samen met 30-tal andere witjes boven


Kleine vuurvlinder (Lycaena phlaeas) Late waarneming: 27/10

1 ex. te Overijse/Smeiberg (R. Guelinckx)

Sleedoornpage (Thecla butlae) resp. 2 v, 1 v en 2 ex. te Heverlee/

12, 14 en 15/09

militair domein (K. Moreau en B. Creemers) 17/09

2 eitjes in sleedoornhagen te Herent/Kastan­ jebos (B. Bergmans)

Eikenpage (Neozephyrus quercus)

Een Landkaartje in z'n zomerse outfit (Foto: Frederik Fluyt)

10/10

1 afgevlogen ex. te Neerijse/Tersaert

Boomblauwtje (Celastrina argiolus) Late waarneming: 12/09

2 ex. te Heverlee/militair domein (K. Moreau)

koolzaadveld ten zuiden van Abdij van Park 15/11

(B. Creemers)

Bruin blauwtje (Aricia agestis)

1 ex. te Kessel-Lo/Martelarenlaan (B. Cree­

12/09

mers)

ongedetermineerde luzernevlinder ( Colias spe­

reau) 12/09

1 ex. te Haasrode/zandgroeve (K. Moreau)

16/09

1 ex. te Overijse/Mommaertsstraat (H. Roo­

cies) 16/09

3 ex. te Heverlee/militair domein (K. Mo­

sen) 1 mogelijk oranje luzernevlinder te Overijse/

18/09

1 ex. te Terlanen/Abstraat (H. Roosen)

Mommaertsstraat (H. Roosen) 10/10 13/10

1 gelig ex. te Herent/Zwanenberg (B. Cree­

Icarusblauwtje (Polyommatus icarus)

mers)

Late waarnemingen:

1 ex. te Leefdaal/trektelpost Bredeweg (F.

13/10

1 m en 1 v te Heverlee/militair domein (B.

26/10

1 ex. te Wilsele/Dijlemeander (S. D'Hont)

F luyt, e.a.) 26/10

2 tot 3 ex. te Leefdaal/plateau (H. Roosen)

Creemers)

Gele luzernevlinder ( Colias hyale)

Dagpauwoog (Inachis io)

12/09

1 ex. te Heverlee/militair domein (K. Mo-

Late waarnemingen:

reau)

26/10

1 ex. te Leefdaal (K. Van Scharen)

Eerste zekere waarneming uit de archiefperiode

17/11

1 ex. te Overijse/Schansdreef (P. Nuyts)

(2004-2006). In de periode 1990-1996 werden geen

17/11

1 dood ex. te Vossem/Bredeweg (J. Verro-

waarnemingen van deze soort genoteerd (Verboven, 1996).

ken) 22/11

1 zwak ex. te Leuven/Parkpoort (B. Cree­ mers)

Oranje luzernevlinder ( Colias croceus) 18/09

Neerijse/Tersaert groeve (E. Malfait)

27/11

1 ex. te Leefdaal/omgeving Weebergbos (H. Roosen)

20/09

1 m te Leuven/Parkpoort (K. Moreau)

22/09

1 m te Bertem (S. Bouillon)

Distelvlinder (Vanessa Cardui)

23/09

1 ex. te SAR (S. Bouillon)

Late waarnemingen

25/09

2 ex. te Bertem (S. Bouillon)

10/10

30/09

1 ex. te Huldenberg/Spitsberg (F. F luyt)

13/10

1 ex. te Heverlee/militair kerkhof (B. Cree-

1 ex.

te Kessel-Lo/Becker-Remyplein

(K.

Moreau) 10/10

mers)

1 ex. te Leuven/Voorzorgstraat (B. Cree­ mers)

10/10

1 ex. te Herent/Zwanenberg (B. Creemer )

De Boomklever-maart2001

35


(F. Fluyt)

de decemberwaarnemingen betrekking hebben op uit

22/10

1 ex. te Huldenberg/Spitsberg

26/10

1 ex. te Leefdaal (K. Van Scharen)

winterrust 'ontwaakte' exemplaren, dan wel op zeer

09/11

1 ongesleten ex. te Huldenberg/omgeving

late 'najaarsvliegers'. In het Torfbroek (Kampenhout) werd op 3 februari

Ganspoel (H. Roosen, K. Berwaerts)

2007, naast Atalanta en een Gehakkelde aurelia, zelfs Atalanta

(Vanessa atlanta)

een Bont zandoogje waargenomen

(J. Dewyspelaere,

In totaal waren er elf novemberwaarnemingen voor

e.a.). Deze soort overwintert niet als vlinder, maar als

deze soort. Laatste najaarswaarnemingen:

pop of rups.

3 ex. Z te Huldenberg/Ganspoel (N. Rycke­

Onderstaand overzicht bevat enkel waarnemingen

boer)

van in 'open lucht' rondvliegende vlinders, en niet van

27 /11

2 ex. te Leefdaal (K. Van Scharen)

vondsten van en op winterverblijfplaatsen.

27/11

2 ex. te Leefdaal/omgeving Weebergbos (H.

27/11

Dagpauwoog

Roosen) Gehakkelde aurelia

12/01

(Polygonia c-album)

gesleten ex.

03/02 te Leuven/Kabouterberg

(Araschnia levana)

Late waarneming 17/11

1 ex. te Overijse/Schansdreef (P. Nuyts)

Kleine parelmoervlinder 18/09

1 ex. te Kessel-Lo/Borstelstraat (M. Morren)

(B.

Bergmans) Landkaartje

1 ex. te Kessel-Lo/Becker-Remyplein (K. Moreau)

Late waarneming 28/11

(lnachis io)

(lssoria lathonia)

Atalanta

1 ex. te Leefdaal (K. Van Scharen)

07/01

1 ex. te Wilsele/Pompstraat (L. De Cuelaer)

14/01

1 ex. te Kessel-Lo/Heidebergstraat (M. Morren)

03/02

1 ex. te Neerijse/zandgroeve Tersaert (E. Malfait)

2006-2007 Dagpauwoog, Kleine vos en Gehakkelde aurelia zijn vlindersoorten die als imago (vlinder) overwinteren in

03/02

ook voor Kleine vos kon worden waargenomen tijdens bezoeken aan overwinteringsplaatsen van vleermuizen in februari 2007. De temperaturen tijdens de voorbije winter waren net als in het najaar uitzonderlijk zacht. Tijdens zonnige dagen in december, januari en febru­ ari konden deze soorten buiten hun overwintering­

2 ex. te Huldenberg/Spitsberg

(F. Fluyt)

1 ex. te Kessel-Lo/Koning-Albertlaan (E. Va­ naudenhoven en E. Godts)

03/02

1 ex. te Kessel-Lo/Heidebergstraat (M. Mor­ ren)

04/02

1 ex. te Huldenberg/Instituut Ganspoel (N. Ryckeboer)

20/02

1 ex. te Vaalbeek/Grezstraat (M. van den Eynde)

ondermeer kelders, bunkers en andere donkere, rusti­ ge plekjes, zoals voor Dagpauwoog en in minder mate

1 ex. te Neerijse/Doode Bemde (D. Vanau­ tgaerden)

03/02

Winterwaarnemingen

(Vanessa atalanta)

12/12

Kleine vos 03/02

(Aglais urticae)

1 ex. te Huldenberg/Spitsberg (F. Fluyt)

Gehakkelde aurelia 15/12

(Polygonia c-album)

1 ex. te Leuven/Lemmensinstituut (B. Berg­ mans)

plaatsen worden waargenomen. Iets wat zich alvast in 2004 en 2005 niet heeft voorgedaan. Nog opvallender waren het ongezien grote aantal waarnemingen van Atalanta. Atalanta is een trek­ vlinder die in normale winters naar het zuiden moet trekken om de winter te overleven. Waar er vorige winter nog slechts een aanwijzing was dat deze vlin­ der overwinterde (zie boven), is dat de voorbije winter een vaststaand feit. Het is niet duidelijk in welke mate

36

De Boomklever maart2007

Slotbemerkingen Ondanks het grote aantal waarnemingen in 2006, werden er ook enkele te verwachte soorten niet ge­ zien. Voor het tweede jaar op rij waren er geen waar­ neming van Hooibeestje

lus) en Oranje zandoogje

( Coenonympha pamphi­ (Pyronia tithonus). Dit is

vermoedelijk het gevolg van een verminderde aan-


------- ·�u._.".._."._._.. . "-' "'-" .

dacht voor de Kesselberg (Kessel-Lo) en omgeving

Referenties

in vergelijking met 2004. Van de verhoopte Kleine

ijsvogelvlinder (Limenitis camilla) i er mij van de

Lambrechts ]. & Guelinckx R. (2004). Een over­

laatste jaren geen enkele waarneming bekend, net als

zicht van bijzondere waarnemingen in Zuidoost­

voor de Argusvlinder (Lasiommata megera) en het

Brabant in 2003. Jaarboek natuurstudie 2003, Na­

Geelsprietdikkopje (Thymelicus sylvestris). Deze

tuurpunt Oost-Brabant, Leuven" p" 82-102.

laatste drie behoorden in de jaren negentig nog tot

Maes D. & Van Dyck H. (1999) Dagvlinders in

onze regionale vlinderfauna (Verboven, 1996). Een

Vlaanderen - Ecologie, verspreiding en behoud.

soort die ook kon verwacht worden met de tropische

Stichting Leefmilieu, Antwerpen i.s.m. Instituut

temperaturen in 2006 was het Boswitje (Leptidea si­

voor Natuurbehoud en Vlaam e Vlinderwerk­

napsis), maar ook deze werd niet gezien (één waar­

groep, Brussel. 480 p.

neming vermeld door Verboven, 1996).

Menten ]. (2006). Op naar een nieuwe vlinderatla ! Boom.klever 34: 14-15.

Moreau K. (2006). Het Bruin Blauwtje: een nieuwe vlinder oort in het Dijleland. Boom.klever 34: 99-

100. •

Verboven A. (1996). Vlinders. In Vercoutere B. (red.) Natuur in het Dijleland. Jaarbulle­ tin 1996, De Vrienden van Heverleebos en Meerdaalwoud, Leuven. p. 58-62. Vercoutere B. (2006). Vlinder

en \Varm \·veer.

Boom.klever 34: 98.

Bloemrijke hooilanden zijn een uitgelezen vlinderhabitat. Laanvallei, Huldenberg, voorjaar 2006 (Foto: Frederik Fluyt)

De Boomklever m&1rlloo1

37


Overwinterende vleermuizen in het Dijleland en ruime omgeving

Overwinterende Baard/Brandts vleermuis - ijskelde1� park van Tervuren, februari 2007 (Foto: Hans Roosen)

vleermuizen

spoord door een aantal recentere

verscheidene

zomerprojecten met bat-detecto­

plaatsen in Vlaanderen al geduren­

ren. Deze projecten toonden aan

de vele - soms tientallen - jaren op­

dat onze provincie wat vleermuizen

gevolgd. In Vlaams-Brabant werd er

betreft zeker niet moet onderdoen

daarentegen maar weinig naar deze

voor andere provincies. Dit arti­

diertjes gezocht. Sommige winte�

kel tracht een overzicht te geven

slaapplaatsen werden door gemoti­

van de aantallen overwinterende

veerde tellers al jarenlang bezocht,

vleermuizen in Vlaams-Brabant en

maar van een gecoördineerde en

schetst een voorlopig overzicht van

gebiedsdekkende werking was lang

de reeds getelde objecten in het

geen sprake. Sinds een paar jaar

Dijleland en de ruimere omgeving

kwam er echter een meer geco­

in de winter 2006-2007.

W

interslapende worden

op

ordineerde telling op gang, aange-

38

De Boomklever mddrtlOO/


Winterslaap, leven op een waakvlam ... Alle vleermuizen in onze streken zijn insecteneters. Naarmate de winter nadert vinden ze echter steeds minder insecten. Onze Europese vleermuizen heb­ ben hiervoor een bijzondere overlevingsstrategie ontwikkeld: in de herfst leggen ze een grote hoeveel­ heid vetweefsel aan waardoor ze deze koude en te­ vens voedselloze periode slapend kunnen overbrug­ gen. Ze houden dus een winterslaap en verplaatsen zich hiervoor van de zomer- naar de winterverblijf­ plaatsen. Op dat moment is het ook voor deze dieren van belang zuinig om te springen met de beschikbare energie. Dit doen ze door hun stofwisseling op een 'waakvlammetje' te zetten: zowel het hart- en adem­ ritme, als de lichaamstemperatuur zullen drastisch dalen. De hartslag valt terug van meerdere honder­ den slagen naar enkele tientallen slagen per minuut. Waar de normale lichaamstemperatuur bij veel soor­ ten rond de 40°C bedraagt, daalt deze in winterslaap tot een paar graden boven de omgevingstempera­ tuur (dieren die zelf hun lichaamstemperatuur kun­ nen regelen, worden ook wel 'heterotherme' dieren genoemd). Tot slot vertraagt het ademritme ook van 4 tot 6/sec. bij actieve vleermuizen tot adempauzes

van 60 tot 90 minuten in winterslaap! Ook de func­ ties van het zenuwstelsel worden afgezwakt. Door het inperken van deze levensprocessen wordt aldus een aanzienlijke energiebesparing opgeleverd. En zelfs in warme jaargetijden zijn vleermuizen zuinig op hun energie door hun lichaamstemperatuur aan te passen aan die van de omgeving wanneer zij over­ dag rusten. In zo'n lethargische slaap zijn vleermui­ zen bij koel weer meestal niet onmiddellijk in staat weg te vliegen, en dienen zij eerst hun lichaamstem­ peratuur op te voeren. Opmerkelijk is ook dat vleermuizen niet de hele win­ ter aan één stuk doorslapen maar verschillende ma­ len hun lethargische slaap onderbreken, aangegeven door een inwendige klok of door veranderende om­ standigheden in hun winterkwartier. Tijdens deze korte periodes kunnen ze zich poetsen, drinken, uitwerpselen en urine uitscheiden, rondvliegen en soms zelfs paren. Daarnaast controleren ze ook of de klimatologische omstandigheden van het winterver­ blijf nog geschikt zijn. Indien nodig, zoeken ze een nieuwe plek op met een gunstiger microklimaat. Verscheidene soorten zoals Gewone dwergvleer-

Zicht op de gerestaureerde ijskelder in het park van Tervuren: cultuurhistorie en natuur gaan hand in hand (Foto: Hans Roosen) muis (Pipistrellus pipistrellus) en Laatvlieger (Ep­

tesicus serotinus) verkiezen meestal zolders, spouw­ muren of eventueel een boomholte voor hun winter­ verblijf. Typische boombewonende soorten als Ros­ se vleermuis (Nyctalus noctula) en Bosvleermuis

(Nyctalus leisleri) overwinteren heel vaak in holle bo­ men, waar zij trouwens ook hun zomerverblijfplaats hebben. Vele soorten in V laanderen zijn 's winters echter 'troglofiele' soorten die heel wat eisen stellen aan hun (grotvervangende) overwinteringsplaats: deze soorten hebben een vrij hoge luchtvochtigheid nodig om te voorkomen dat ze uitdrogen, naast een min of meer constante temperatuur (iedere soort heeft z'n voorkeurstemperatuur) en daarenboven dient de plek voldoende rustig te zijn. Het zijn dan ook hoofdzakelijk vleermuizen uit de laatstgenoem­ de groep die we meestal in de door ons onderzochte winterobjecten zullen terugvinden: Baard/Brandts vleermuis (Myotis mystacinus/brandtii), Gewone/ Grijze grootoorvleermuis (Plecotus auritus/austri­

acus), Franjestaart (Myotis nattereri), Watervleer-

De Boomklever- m&HtzOOJ

39


muis

(Myotis daubentonii), en nog een aantal min­

van zo'n weekend is om in kleine groepjes een simul­

der courante en zeldzame soorten.

taantelling uit te voeren in zoveel mogelijk gekende

Voor een volledig overzicht van alle in het Dijleland

winterobjecten: dit kunnen oude forten en mergel­

reeds vastgestelde soorten wordt verwezen naar het

groeven zijn, maar in onze regio gaat het hoofdza­

themanummer 'Europese natuur in het Dijleland'

kelijk om ijskelders, bunkers, (schuil)kelders, onder­

(De Boom.klever, Tijdschrift van de Natuurpunt Na­

grondse gangen, enz.

tuurstudiegroep Dijleland, Jaargang 33

-

december

De opstart van een gecoördineerd onderzoek naar winterslaapplaatsen ging samen met de vraag naar

2005).

regionale verantwoordelijken die de organisatie van

Op naar een gecoördineerde telling Vanuit het Antwerpse startten Wout Willems en Kris Boers in 2004 met het opmaken van een inventaris van alle mogelijke winterobjecten voor vleermuizen in V laams-Brabant. Hiervoor werd in de zomer van

2004 een speurweekendje georganiseerd waarbij zo­ wel reeds gekende als nieuwe objecten werden be­ zocht en op kaart werden ingetekend. Naar analogie met de andere provincies werd er door hen in febru­ ari 2005 een eerste telweekend georganiseerd. Doel

deze tellingen op zich wilden nemen. Zij staan in voor het contacteren van eigenaars, het opmaken van de planning voor het telweekend, en het centrali­ seren van de (tel-)gegevens. Hiervoor werd V laams­ Brabant opgedeeld in een aantal regio's, waaronder een grote 'oostelijke' regio: deze wordt in het westen en noordwesten begrensd door het Brussels Gewest, en de gemeenten Sint-Genesius-Rode, Kraainem, Zaventem, Steenokkerzeel, Zemst, Boortmeerbeek, Haacht en Keerbergen. In het noorden en het oosten wordt deze regio begrensd door de provinciegrens. Binnen deze regio zijn er tot nu toe ongeveer een 60tal (een heel aantal nieuwe sinds afgelopen winter) mogelijke winterobjecten opgetekend, waarvan er door de oostelijke telgroepjes deze winter reeds 38 werden bezocht. Objecten waarin de voorbije jaren nog geen overwinterende vleermuizen zijn aange­ troffen, zullen niet jaarlijks worden geteld. Locaties met slechts een paar vleermuizen worden in de mate van het mogelijke mee in de telplanning opgenomen of worden apart bezocht.

Tellingen en resultaten Vlaams-Brabant In de winter 2004-2005 werden er in totaal 246 over­ winterende vleermuizen geteld, verspreid over 57 onderzochte locaties in Vlaams-Brabant (en Brus­ sel). Hierbij dient opgemerkt te worden dat niet in ieder object vleermuizen aangetroffen werden. Winter 2005-2006 leverde in totaal 233 overwinte­ rende vleermuizen op voor 56 onderzochte locaties. Meestal gaat het hier om Baard/Brandts vleermuis, en in aflopende volgorde van voorkomen om Wa­ tervleermuis, Franjestaart en grootoren

Vrijhangende Baard/Brandts vleermuis. Een constante temperatuur, voldoende rust, en een hoge luchtvochtigheid zijn voor deze diertjes 's winters van levensbelang! Meerdaalwoud (Oud­ Heverlee)februari 2007, (Foto: Hans Roosen)

40

De BoomkJever ffiddrt2007

(Plecotus

spec.). Hierbij dient opgemerkt te worden dat Baard en Brandts vleermuis in winterobjecten meestal niet op soort worden gebracht, daar ze nauwelijks van el­ kaar zijn te onderscheiden. Hetzelfde gaat op voor de Gewone en Grijze grootoor.


In vergelijking met sommige andere provincies gaat het bij ons dus

!echts om lage aantallen. Zeker als

we kijken naar de resultaten (meerdere lOOO<l"" vleer­ muizen in totaal) die gehaald worden in de Antwerp­ se fortengordel

en de Limburgse mergelgroeven.

Dergelijke grote winterobjecten zijn in Vlaams-Bra­ bant niet gekend.

Besluit Tot nu toe zijn er

!echts een honderdtal (mogelij­

ke) winter laapplaatsen van vleermuizen gekend

111

Vlaam -Brabant. Grote delen van Vlaams-Brabant zijn echter nog blanco gebied. Ook de reeds bespro­ ken 'oostelijke' regio omvat nog vele witte vlekken:

LO

is ongeveer 75% van de opgetekende winterobjecten

Voorlopige telling winter

in deze regio gelegen in het Dijlelancl. Het verder in

2006-2007

in de toekomst het belang van onze provincie voor

Tot nu toe werden reeds 38 winterobjecten gecon­

kleine objecten kan op die manier een alternatief

troleerd (oo telijke regio). Dit brengt het voorlopig

vormen voor de grote winterobjecten in sommige

totaal op 85 vleermuizen. De resultaten van een

andere provincies.

belangrijke

kaart brengen en inrichten van nieuwe objecten kan vleermuizen versterken. Een uitgebreid netwerk van

overwinteringsplaats

te

Groenendaal

(Hoeilaart), en het Fort Leopold te Diest met respec­ tievelijk tot maximaal 33 en 35 dieren de voorbije

Referenties

jaren, werden hier nog niet meegerekend. Opvallend afwezig in de (tot nu toe) getelde objecten i de \Xfa­

\Xfillems \V (2002). Vleermuizen

111

Oo t-Brabant.

tervleermui , een oort die de voorbije jaren hier en

Jaarboek natuur tudie 2001. Natuurpunt Oo ·t­

daar in lage aantallen werd gevonden.

Brabant vzw, Leuven. •

woud. Brakona jaarboek 2003.

Tabel 1. Overzicht getelde vleermuizen, oostelijk Vlaams-Brabant, winter 2006-2007 (voorlopige

Spcc.

Totaal

2

Willems W. & Boers K. (2005). Vleermuizen en winterslaapplaat en in Vlaams-Brabant. Brakona

resultaten) Soort

Willem \V (2004). Vleermui?en in het i\lecrdaal­

Myotis spcc.

Myotis mystacinus/ brandtii

Myotis nattercri

Plecotus spcc.

3

66

4

10

(85ex.)

jaarboek 2003. •

Schober \V & Grimmberger E. (1998). Gid� \'an de Vleermuizen van Europa. Tirion. 265p.

Hans Roo en roosenhan @yahoo.com

Tabel 2. Top vijf van de meest vleermuisrijke win­ terobjecten in oostelijk Vlaams-Brabant, winter 2006-2007 Plaats

Lubbeek -

Tot.

Spec.

Myot. Spcc.

Myotis mystacinus/ brandtii

27

24

26

16

8

8

PleMyotis cotus nat- spec. tcrcri

Weet je nog ergen mogelijke winterobjecten liggen (zoals bunkers, ijskelders, ruïne

enz), laat het ons

dan weten! Mogelijk zijn dit reed

3

ge chikte over­

wintering plaatsen voor vleermuizen, of kunnen ze

ijskelder Oud-Heverlee

Oproep!

10

in de toekomst ingericht worden.

- Meerdaal Tervuren ijskelder Boutersem -

7

2

5

ijskelder Kortenberg -

5

2

3

ij kelder

Regioverantwoordelijke: Hans Roosen Ab traat 101, 3090 Overij e roo enhan @yahoo.com

Noot: De locatie 'Meerdaal' betreft een cluster van een 20-tal bunkers op het militair domein in liet Meerdaahvoud

De Boomklever maartzoo1 -

41


Opmerkelijke vogelwaarnemingen in de Dijlevallei en omgeving December 2006

D

-

februari 2007

it overzicht van opmerkelijke en

interessante

vogelwaar­

nemingen in de Dijlevallei beslaat voornamelijk de periode december 2006 - februari 2007. De bestreken regio omvat de gemeenten Kor­ tenberg, Herent, Bertem, Leuven, Oud-Heverlee, Huldenberg, Over­

hard te maken. Sommige soorten deden het beter dan we gewoon zijn, andere dan weer minder goed. Het langdurige pleisteren van

oorten als Kleine

Zwaan (!!) en Kolgans, waarvan de grootste aantal­ len toch ten N van ons overwinteren, lijkt niet in dit plaatje te passen. Deze zouden we immer vooral in een strengere winter bij ons verwachten, zodat we vermoeden dat niet zozeer de warme winter, maar wel een interessanter wordende voed el ituatie deze oorten bij ons heeft gehouden. Overwinterende oorten als Smient en Grote Zilverreiger kwamen in lagere aantallen tot bij ons afgezakt dan dat de

ijse, Tervuren en de aangrenzende

voorgaande jaren het geval wa , terwijl Bergeend

gebieden.

en typische wintergasten al

De

volgende

rubriek

zal de periode maart - mei 2007 omvatten.

Waarnemingen

wor­

den voor 3 juni 2007 verwacht bij Kelle Moreau, Korenbloemlaan 5, 3052 Blanden, 0486/ l 2.58. 77, kelle. moreau@gmail.com.

Brilduiker, Nonnetje

en Grote Zaagbek een vrij normale winter kenden. Van Pijlstaart en Watersnip hadden we meer win­ terwaarnemingen dan in de doorsnee winter, en ook Roerdompen lieten zich in positieve zin opmerken. Voor de derde winter op rij werden er winterse Klei­ ne Zilverreigers genoteerd, en ook een midwinter­ Goudplevier krijgen we in onze streek niet vaak te zien. Blauwe Kiekendief en Witgatje deden het even­ een

eerder goed, en Grauwe Gorzen trachten een

bescheiden winterse permanentie te onderhouden op de plateaus. Tegenwoordig is een seizoen pas uitzonderlijk als

Het Grootbroek te Sint-Agatha-Rode ontwikkelde

er geen klimatologische records worden gebroken.

zich tijdens de wintermaanden tot een slaapplaats

Tijden

de winter van 2007 was dat weer wel het

van voornamelijk Zilvermeeuwen, wat resulteerde

geval, het ging immer om de warm te winter sinds

in de waarnemingen van meerdere Pontische Meeu­

het begin van de metingen. De gemiddelde tempera­

wen en minstens twee verschillende Grote Mantel­

tuur over de maanden december, januari en febru­

meeuwen. Ook twee Dwergmeeuwen werden waar­

ari bedroeg maar liefst 6,6°C, een enorme afwijking

genomen, maar dan in associatie met Kokmeeu­

ten opzichte van het langjarig wintergemiddelde van

wen.

3,1°C (de vorige warm te winter was die van 1990

gewoonlijk, en ook Smelleken en Bokje waren met

met een Ti::cm van 6,1°C). Dit betekent niet dat het

slechts één waarneming slecht vertegenwoordigd.

daarom ook erg zonnig was, de totale zonneschijn­

De absolute uitschieter in negatieve zin was wel­

Waterpiepers waren dan weer schaarser dan

duur lag met 124 uren immers heel wat lager dan de

licht de Klapekster, van deze soort werd er tijdens

gemiddelde 168 uren. Ook viel er tijdens de winter

de wintermaanden immers geen enkele waarneming

2006 - 2007 relatief veel neer lag (270, 7 l/m2 ten op­

genoteerd.

zichte van 1 6,

Eenmalige decemberwaarnemingen van Boomleeu­

l/m2 in een gemiddeld jaar).

f dit zijn weer lag had op de

amen telling en de

aantallen van onze winter e avifauna valt moeilijk

42

De Boomklever ffi(]dft200/

werik en Krui bek betroffen wellicht late uitlopers van de najaar trek.


In februari dienden zich in de vogelwereld ook de

pleisterende groep betrof 2 adulten en een juveniel

eerste voorboden van de lente aan, zo waren er tij­

van 3 tot 28 november 1989 (met een derde adult

dens deze maand de eerste waarnemingen van Ooie­

van 5 tot 25 november). Ter vergelijking geven we

vaar, Goudplevier, Wulp en Zwarte Roodstaart, en er

ook alle waarnemingen van Kleine Zwanen uit de

werd zelfs reeds een Boerenzwaluw waargenomen.

voorbije 15 jaren mee: 4 ex. ZW te Heverlee/Brem­

Voor Roodborsttapuit en Tjiftjaf vallen de eerst aan­

straat op 14/01/96, 2 ad te NGB op 14-15/02/97, 2

gekomen zomergasten niet meer op te sporen aan­

ad te NGB op 17-20/01/98, 2 ad+ 1 juv op 19/02/98,

gezien deze soorten in steeds grotere aantallen de

8 ex. over Heverlee/Campus op 20/01/01 en 1 ad te

winter bij ons doorbrengen, vooral Tjiftjaffen vielen

NGB op 8/12/02.

tijdens de voorbije winter niet te missen. Twee re­ cente nieuwkomers onder de Dijlelandse broedvo­

Kolgans Anser albifrons

gels hielden ook goed stand, namelijk de Middelste

Eind december werden er enkele niet met zekerheid

Bonte Specht en de Cetti's Z anger.

geïdentificeerde groepen ganzen gezien en/of ge­ hoord boven de Dijlevallei. Eén keer kon zo'n groep

Waarnemingen van onder meer Knobbelzwaan,

met zekerheid als Kolganzen gedetermineerd wor­

Krakeend, Slobeend, Wintertaling, Tafeleend, Kuif­

den, namelijk op 29/12 toen 15 ex. eerst N vlogen

eend, Dodaars, Fuut, Aalscholver, Blauwe Reiger,

over de Doode Bemde (A. Smets) en iets later W

Havik, Waterral, Kievit, Houtsnip, Kleine Mantel­

over Korbeek-Dijle/plateau(]. Rutten). Op 7/01 wer­

meeuw, Kerkuil, Steenuil, Ijsvogel, Zwarte Specht,

den in de weiden tussen Oud-Heverlee en Korbeek­

Groene Specht, Kleine Bonte Specht, Veldleeuwerik,

Dijle 2 adulte en 2 juveniele Kolganzen aangetroffen

Grote Gele Kwikstaart, Witte Kwikstaart, Graspie­

(K. Moreau, ]. Nysten, L. Hendrickx). Dit gezinnetje

per, Kramsvogel, Koperwiek, Vuurgoudhaan, Glans­

bleef hier nog minstens tot op 21/01 aanwezig (M.

kop, Matkop, Ringmus, Keep, Putter, Sijs, Goudvink,

Hens, F. Fluyt, B. Bergmans e.a.).

Appelvink, Geelgors, Rietgors en alle exoten werden niet in dit verslag opgenomen maar wel verwerkt.

Bergeend Tadorna tadorna

Ook niet met zekerheid gedetermineerde Anser-gan­

Zoals de maandmaxima illustreren bleven Bergeen­

zen, enkele mogelijke Toppers en een reeks onzekere

den de hele periode in ongeveer dezelfde aantallen

meldingen van allerlei grotere meeuwen werden niet

aanwezig in de Dijlevallei: min. 19 ex. op 26/12 (14

weerhouden.

SAR, 2 NGB, 3 OHN), min. 23 ex. op 27/01 (1 SAR, 20 NGB, 2 OHN) en min. 22 ex. op 11/02 (4 SAR,

Gebiedsafkortingen:

16 NGB, 2 OHN) (alle tellingen door L. Hendrickx).

WLS = Wilsele/Vijvers Bellefroid, LP = Kessel-Lo/

Het voortdurende rondvliegen, opsplitsen en weer

Leopoldspark (Provinciaal Domein), AV P = Hever­

samenvoegen van de groepen maken het reconstru­

lee/Abdij van Park, ZW =Oud-Heverlee/Zoete Wa­

eren van de exacte aantallen echter erg moeilijk, en

ters, OHN = Oud-Heverlee/N, OHZ = Oud-Hever­

het is best mogelijk dat er meer Bergeenden in de

lee/Z, Oppem = weilanden tussen Bogaerdenstraat

streek verbleven. Ook de waarnemingen van resp. 14

(Oud-Heverlee - Korbeek-Dijle) en NGB, NGB =

ex. op 29/01 te Gastuche (M. Walravens) en 15 ex.

Neerijse/Grote Bron (deel Doode Bemde), NKV =

op 25/02 te Basse Wavre (L. Hendrickx) suggereren

Neerijse/Kliniekvijvers (deel Doode Bemde) en SAR

dat er ook deze winter uitwisseling van Bergeenden

=Sint-Agatha-Rode/ Grootbroek, SJW =Sint-Joris­

over de taalgrens heen bestond. Buiten de Dijlevallei

Weert, Flo = Florival.

werden er enkel Bergeenden gemeld op de vijvers te Kwerps, met resp. 4, 3 en

Kleine Zwaan Cygnus bewickii

>

1 ex. op 15, 17 en 26/02

(R. Guelinckx, F. Vandekeybus, ]. Rutten).

Zeer leuk was de ontdekking van 5 adulte Kleine Zwanen te SAR op 13/01(M. Hens, F. Fluyt, B. Berg­

Smient Anas penelope

mans). Bijzonderder was echter dat vele vogelkijkers

Smienten werden tijdens de periode december 2006

ze ook nadien nog konden komen bewonderen.

- februari 2007 opgemerkt te OHN (lmlv op 9/12;

Uiteindelijk bleef het vijftal zelfs tot op 19/02 onaf­

L. Hendrickx), op de kleine vijvertjes tussen OHN en

gebroken aanwezig te SAR (versch. waarn.), en op 20/02 werden ze aangetroffen te NGB (H. Roosen).

OHZ (resp. 2m3v en 2m2v op 22 en 24/12; L. Hen­ drickx, K. Moreau), te OHZ (4 ex. op 14/01; ]. Rut­

In totaal verbleven deze Kleine Zwanen dus min­

ten), te NGB(8 waarnemingen; versch. waarn. I max.

stens 39 dagen in het Dijleland. De vorige langdurig

4m9v op 15/12; M. Walravens), te SAR (7 waarn.;

De Boomklever-maart2007

43


versch. waarn. / max. 6 ex. op 22/01 en 18/02; S. Pe­ ten, F. Fluyt) en te WLS (lmlv op 18/02; M. Hens). Pijlstaart

Anas acuta

Deze soort werd tijdens de voorbije winter bijna uitsluitend waargenomen te SAR (10 data; versch. waarn.), met een zeer bescheiden maximum van 3 ex. op 1/12, 26/12 en 14/01 (M. Walravens, J. Nysten e.v.a.). Buiten SAR waren er enkel de waarnemingen van 3m2v te OHN op 16/01 (K. Moreau) en 1 ex. te Heverlee/Langestaart op 24/01 (L. Desmet). Brilduiker Bucephala clangula

Brilduikers werden tijdens de behandelde periode enkel waargenomen te SAR: lm op 9/12 (H. Roo­ sen, L. Hendrickx, B. Bergmans), 1 v op 17-18/02 (L. Hendrickx, F. Fluyt, J. Nysten, B. Nef e.v.a.), 5ml v op 19/02 (F. Baert, J. Robijns, M. Hens, M. Vandeneyn­ de) en telkens 1v op 22/02 (F. Fluyt) en 25-28/02 (L. Hendrickx, FJ Moerman, E. Le Docte e.a.). Nonnetje Mergellus

albellus

26-29/12 3v te NGB (J. Menten, L. Hendrickx, J. Nysten) 10-16/02 lmlv te SAR (L. Hendrickx, F. Fluyt, J. Nysten, W. Desmet, B. Wuyts e.v.a.) 17-28/02 lv te SAR (L. Hendrickx, F. Fluyt, J. Nys­ ten, B. Nef, E. Le Docte e.v.a.) 18/02/07 lm te WLS (M. Hens) Grote Zaagbek Mergus

merganser

09/12 2v te SAR, kort tpl, dan verder Z (H. Roosen, L. Hendrickx, B. Bergmans) 26/12 1 v kort tpl te SAR (F. Fluyt, L. Hendrickx) 07/01 1 v te NGB (L. Hendrickx, K. Moreau, M. Walravens, J. Nysten) 21/01 lm kort tpl te NGB (S. Horemans) 19/02 1v te Tervuren/Park KMMA (Bart Van Ros­ sum) Grote Zilverreiger

Kleine Zilverreiger

05/12

1 ex. Z te Bertem/E40 (J. Wellekens)

01/01

1 ex. te Korbeek-Dijle/plateau (J. Rutten)

Het voorkomen van de Kleine Zilverreiger in het Dijleland tijdens de wintermaanden is een zeer re­ cent gegeven. Na de eerste winterse vogel van 4/01 t.e.m. 18/03/05 (vnml. ZW & SAR) en de tweede op 16/12/05 (Oppem), gaat het hier slechts om de 3c en 4e waarnemingen van deze soort tijdens de periode decemher-februari. Roerdomp

maanden best post te SAR, waar de twee ex. die zich reeds sinds half oktober in het gebied ophielden nog regelmatig lieten zien (18 waarn.; versch. waarn.). De laatste waarneming (2 ex.) vond hier plaats op 19/02

(F. Fluyt, M. Hens, M. Vandeneynde e.a.). Buiten dit gebied werden in januari en februari ook meermaals Roerdompen opgemerkt in de Doode Bemde en te NGB (P. De Becker) en op 16/01 werd een ex. verrast te Florival/N (K. Moreau).

- februari 2007 (dec 26, jan 31, feb 44). Al deze waar­ nemingen werden ten Z van Leuven opgetekend, en het ging nooit om meer dan 3 ex. (versch. waarn.). Buiten de gekende plekken in de Dijlevallei ver­ scheen de soort deze winter ook meermaals te Leef­ daal/ Kasteelvijver, met waarnemingen van telkens 1 ex. op 14 en 17-18/02 (K. Van Scharen).

44

Ciconia ciconia

08/02 1 ex. over Blanden/Naamsesteenweg (S. Wera)

In totaal werden er 101 waarnemingen van Grote Zilverreigers gearchiveerd tijdens december 2006

Botaurus stellaris

Wie graag Roerdompen wou zien vatte de voorbije

Ooievaar

Casmerodius albus

Egretta garzetta

Blauwe Kiekendief

Circus cyaneus

Van de Blauwe Kiekendief werden 21 winterwaar­ nemingen ontvangen. Slechts vier keer ging het daarbij om mannetjes, namelijk op 5/12 te Leefdaal/ Kooige (H. Roosen), op 30/12 te Bierbeek/plateau (F. Claessens) en op 2 en 4/01 te Bertem/Koeheide (G. Bleys).

De Boomklever-maort2007


Smelleken Falco columbarius 30/12

1v te Huldenberg/plateau (F. Fluyt)

Bokje Lymnocryptes minimus 13/01

1 ex. te Neerijse/Doode Bemde (F. Fluyt, M. Hens, B. Bergmans)

Slechtvalk Falco peregrinus We wachten er intussen reeds enkele jaren op, en

Dwergmeeuw Larus minutus

ook in februari 2007 werd de hoop op een Leuvens

Van 10 tot 19/02 verbleef een eerste winter Dwerg­

broedgeval van de Slechtvalk weer gevoed. Op 7/02

meeuw te SAR (F. Fluyt, L. Hendrickx, J. Nysten

werd immers een adult mannetje gemeld aan het

e.v.a.). Op 13/02 kreeg deze vogel het gezelschap

Provinciehuis (F. Vanlerberghe), en dit ex. was naar

van een ex. in tweede winterkleed (W. Desmet, B.

verluidt reeds enkele weken in de buurt aanwezig.

Wuyts, M. Hens, H. Roosen, F. Fluyt). In principe

Vervolgens werd in Leuven een ex. waargenomen op

is de Dwergmeeuw enkel een doortrekker in onze

12, 14, 21 en 27/02 (B. Wuyts, L. Vervoort, A. Vrij­

regio, maar winterse ex. komen de laatste jaren wel

daghs, K. Moreau).

vaker voor, zoals bijvoorbeeld ook op 16/12/00 (1 ad win te SAR) en op 25/01/06 (1 1 win te LP). e

Goudplevier Pluvialis apricaria 24/12 19/02

1 ex. tussen Kieviten te Leefdaal/plateau (K.

Pontische Meeuw Larus cachinnans

Moreau)

De Pontische Meeuw was tijdens de afgelopen win­

aud te Korbeek-Dijle/plateau (M. Hens)

ter wat de determinatie betreft de discussiesoort bij uitstek in het Dijleland, de volgende waarnemingen

Wulp Numenius arquata 20/02

representeren enkel de als zeker doorgegeven waar­

1 ex. aud over Leuven/C. Meunierstraat (M.

nemingen (26) en betreffen dus minima. De meeste

Schurmans; lu30)

waarnemingen vonden plaats te SAR, waar van begin december tot op 10 februari regelmatig een adult ex.

Witgat Tringa ochropus

werd opgemerkt tussen de talrijke Zilvermeeuwen

De afgelaten vijver van OHN was goed voor het me­

(versch. waarn.). Op 9/12 en 9/01 werden er hier

rendeel van de waarnemingen van Witgatjes, 20 van

twee adulten gemeld (H. Roosen, L. Hendrickx, B.

de 29 doorgegeven waarnemingen werden hier op­

Bergmans, K. Moreau) en op 28/01 ging het om drie

getekend (versch. waarn.). De maandmaxima wer­

adulte ex. (J. Rutten, L. Janssens). Maar er waren nog

den ook alle in OHN vastgesteld, en betroffen 17 ex.

meer data waarop er meer dan één Pontische Meeuw

op 2/12 (L. Hendrickx), 8 ex. op 16/01 (K. Moreau)

in het Dijleland verbleven. Op 10, 15, 26/12 en 10/02

en min. 8 ex. op 25/02 (J. Nysten). Buiten OHN werd

werd er immers telkens ook een ad gezien te NGB

de soort waargenomen te OHZ (resp. 2 en 5 ex. op

(in een aantal gevallen met zekerheid simultaan met

15/12 en 18/02; M. Walravens, J. Kempeneers), te

een ander ex. te SAR) (J. Nysten, M. Walravens, L.

Leuven/Dijleoever thv Redingenhof (1 ex. op 18/12;

Hendrickx), en op 1 en 24/12 zat er telkens een adult

P. Claes), te SAR (telkens 1 ex. op 15/01 en 2/02),

op het slik te OHN (M. Walravens, K. Moreau). Ook

te Oppem (2 ex. op 27/01; S. Horemans), te ZW (1

werden er de voorbije winter enkele keren zekere

ex. op 17-18/02; L. Hendrickx, J. Kempeneers) en te

onvolwassen Pontische Meeuwen waargenomen te

Leefdaal/kasteelvijver (1 ex. op 17/02; K. Van Scha­

SAR , namelijk een imm. op 1/12 (M. Walravens) en

ren).

een 2e winter op 24/12 (K. Moreau).

Watersnip Gallinago gallinago

Grote Mantelmeeuw Larus marinus

Watersnippen werden 12 keer gemeld tijdens de af­

Op 14/01 werd een zuidwaarts vliegende 3e winter

gelopen wintermaanden, namelijk te OHN (telkens 7

Grote Mantelmeeuw gedetermineerd te Oud-Hever­

ex. op 2/12 en 3/02; L. Hendrickx, S. Horemans), te

lee (J. Rutten). Deze vogel kon later op de dag wor­

OHZ (resp. 15, l, 4 en 2 ex. op 10, 25/12, 4 en 18/02;

den teruggevonden te SAR (F. Fluyt, M. Walravens, J.

F. Fluyt, J. Nysten, J. Rutten, J. Kempeneers) en te SAR

Menten). Ook op 20/01 was hier een (de?) 3c winter

(resp. 1 ex. over, 4 ex., ca 6 ex., 16 ex. en ca 5 ex. op 9,

Grote Mantelmeeuw aanwezig (L. Hendrickx). Op

15/12, 3, 17 en 18/02 ; H. Roosen, L. Hendrickx e.a.).

24/01 vormde SAR dan het toneel voor een 1 win­

Er werd ook één januariwaarneming ontvangen, van 1

ter Grote Mantelmeeuw (F. Fluyt, H. Roosen). Sinds

ex. op 2/01 te Bertem/Koeheide (G. Bleys).

1993 werd deze soort slechts 6 keer eerder met ze-

e

De Boomklever-maart2007

45


'Typische' Pontische meeuw - ook deze winter zorgden 'witkop'meeuwen weer voor de nodige determinatie­ discussies. Grootbroek, Sint-Agatha-Rode, januari 2007 (Foto: Frederik Fluyt)

kerheid vastgesteld in het Leuvense Uan 1, feb 1, maa 2, jul l, sep 1).

Waterpieper Anthus spinoletta

Waterpiepers werden 26 keer doorgegeven tijdens de behandelde periode. In 25 gevallen ging het om

Middelste Bonte Specht Dendrocopos medius

groepen van 1 - 17 ex. (versch. waarn.), de uitschie­

Net zoals tijdens het vroege voorjaar van 2004 (1

ter betrof 73 ex. op 2/02 te SAR (M. Walravens).

maartwaarneming) en de winter 2004 - 2005 (1 de­ cember- en 2 januariwaarnemingen) werd de Middel­

Zwarte Roodstaart Phoenicurus ochruros

ste Bonte Specht weer waargenomen op de flank van

27/02

1 ex. te Wijgmaal (T. Vreugde)

het Rodebos grenzend aan de Laanvallei, ditmaal op 14/02/07. Broedvogelinventarisaties zullen moeten

Roodborsttapuit Saxicola rubicola

uitwijzen of het hier om een regelmatige winterloca­

Tijdens de periode december 2006 - februari 2007

tie gaat, dan wel of de soort hier inmiddels broedt.

werden de volgende waarnemingen van overwinte­ rende Roodborsttapuiten ontvangen uit het Dijle­

Boomleeuwerik Lullula arborea

land: resp. lm en 1 ex. op 10 en 29/12 te Oppem

24/12

Nysten), 1 ex. op 7/01 te OHZ (K. Moreau), 1 v-type

3 ex. te Leefdaal/plateau (K. Moreau)

te Heverlee/ Duivelsweg op 12/01

(J.

Kempeneers)

Boerenzwaluw Hirundo rustica

en lm te Huldenberg/plateau op 18/02

Reeds op 28/02 werd een zéér vroeg ex. opgemerkt

Ryckeboer)

in Wijgmaal

46

(T. Vreugde).

De Boomklever-maart2007

(J.

(F.

Fluyt, N.


Samenstelling:

Cetti's Zanger Cettia cetti Op de meeste gekende broedplaatsen van de Cetti's Zanger in de Dijlevallei bleef de soort ook tijdens de

Kelle Moreau, kelle.moreau@gmail.com

winter 2006 - 2007 present (versch. waarn.), met de meeste activiteit in februari (in totaal 18 gegevens

Medewerkers en correspondenten:

waarvan resp. 3, 2 en 13 in december, januari en fe­ bruari). Vooral te Oud-Heverlee was de soort vaak

Louis-Philippe Arnhem, Frederik Baert, Bruno Berg­

erg opvallend, met 1 zp te OHN (versch. waarn.) en

mans, Geert Bleys, Herwig Blockx, Kris Boers, Kurt

tot 3 ex. te OHZ (op 15/12; M. Walravens). In de

Boux, Paul Claes, Frank Claessens, Peter Collaerts,

Doode Bemde werd enkel een ex. gehoord langs het

Bart Creemers, Jos Cuppens, Christine Daenen, Piet

F. Fluyt, J. Nysten), van

De Becker, Jan De Boe, Marc De Coster, Johan De

de locatie aan de Koebrug werden tijdens deze pe­

Meirsman, Mike Deschildre, Louis Desmet, Wouter

riode geen gegevens ontvangen. Op 3/02 waren er

Desmet, Steven D'Hont, Francis Dondeyne, Ger­

(F. Fluyt, L. Hen­

ald Driessens, Frederik Fluyt, Raf Ghijsen, Werner

drickx, D. Vanautgaerden) en te Korbeek-Dijle/Stati­

Goussey, Jos Grootjans, Robin Guelinckx, Luc Hen­

onsstraat (S. Horemans).

drickx, Maarten Hens, Stefaan Horemans, Luc Jans­

knuppelpad (23/12 en 6/01;

tot slot nog waarnemingen te SAR

sens, Peter Kayaert, Jochen Kempeneers, Elfriede Le

1jiftjaf Phylloscopus collybita

Docte, Els Lommelen, Pieter Lorent, Patrick Luyten,

Er werden voor de maanden december 2006 - fe­

Rita Mahieu, Joris Menten, Frieder Jan Moerman,

bruari 2007 maar liefst 21 waarnemingen van over­

Kelle Moreau, Hugo Nackaerts, Bruno Nef, Ingrid

winterende Tjiftjaffen ontvangen uit regio Leuven

Nel, Johan Nysten, Stephan Peten, Fons Ramaekers,

(versch. waarn.). De eerste zingende ex. werden ge­

Jules Robijns, Hans Roosen, Jos Rutten, Niels Ryc­

hoord op 20/02 te OHZ (J. Rutten) en op 25/02 te

keboer, Maarten Schurmans, Axel Smets, Karolien

SAR

(F. Fluyt).

Stappaerts, Geert Sterckx, Koen Thijs, Marita Tom­ balle, Erik Toorman, Désiré Vanautgaerden, Johan

Kruisbek Loxia curvirostra

Vanautgaerden, Frank Van de Meutter, Dries Van

20/12

den Broeck, Maarten Vandeneynde, Luc Vanden

min. 4 ex. Z te Leefdaal/plateau (K. Moreau)

Wyngaert, Anja Vandeperre, Michael Vandeput, Fi­

Grauwe Gors Emberiza calandra

lip Vandeputte, Dirk Vanderlinden, Maarten Vander­

01/12

6 ex. aan vloedgroebe 0 van Leefdaal/Kooige

velpen, Hilde Vandevoorde, Lieven Van Hellemont,

(H. Roosen)

Geert Vanhorebeek, Hans Vankerckhoven, Frederik

03, 18 & 19/02

resp. ca 5 ex., 2 zingende ex. en ca

Vanlerberghe, Bart Van Rossum, J. Vansantvoet, Kris

20 ex. te Korbeek-Dijle/plateau (J.

Van Scharen, Johanna Van Tonder, André Verboven,

Nysten, 15-18/02

F. Fluyt, M. Hens)

Luc Vervoort, Paul Vranckx, Theo Vreugde, Alex

6 ex. (2 zingende) te Erps/Dorenveld (A.

Vrijdaghs, Marc Walravens, Jan Wellekens, Stefaan

Smets)

Wera, Wout Willems, Bert Wuyts en Naget Zegh­ boubi.

De Boomklever-maart2007

47


Activiteiten Avondexcursies lente/

lnsektenexcursies zomer

zomer 2007

2007

De Natuurstudiegroep Dijleland en de werkgroep Natuurgidsen van de Vrienden van Heverleebos en Meerdaalwoud organiseren in 2007 een gezamen­ lijke excursie-cyclus rond kenmerkende fauna- en flora-componenten in het Dijleland. Het opzet van de excursies is tweeledig: natuurgidsen uit de eerste hand laten kennis maken met bijzondere en vaak on­ gekende 'plaatselijke' natuurwaarden en al doende bijdragen aan lopende inventarisaties en tellingen in de streek.

Rodebos

Afspraak:

19u00, parking Rodebos, Leuvense­

baan, Sint-Agatha-Rode

Contact: Fons Ramaekers (fons. ramaekers@hotmail.com, 0477-473466) Woensdag 9 mei2007: Zangvogels in de Doode

Bemde

Afspraak:

19u00, parking Doode Bemde, Reiger­

straat, Sint-Joris-Weert Kelle Moreau (kelle.moreau@gmail.com,

0486-125877)

?

regionale verspreidingsatlas maken dat insecten v l­ op in de belangstelling staan. Hoewel het meeste

graslanden te Meerbeek en Everberg

Afspraak:

19u00, pompstation VMW, Hulstberg­

straat, Meerbeek Maarten

Hens (maartenhens@yahoo.

co.uk, 0473-244752)

een reeks excursies opgezet gericht op aandachts­ soorten en/of minder bekende soorten, kwestie van ieders determinatie-vaardigheden op peil te houden. Deze excursies gaan niet door bij slechte weersom­ twijfel, neem je best op met de contactpersoon. Zaterdag 16juni2007: Nachtelijke insekten in

Meerdaalwoud

Afspraak: 20u30, parking

Weertse Dreef, Naam­

sesteenweg, Blanden

Contact: Bruno Bergmans (bruno. bergmans@scarlet.be, 0498-760722) Zondag 1juli2007: Bosvlinders in Meerdaalwoud:

op zoek naar Kleine IJsvogelvlinder

Afspraak: 9u00,

parking Weertse Dreef, Naamse­

steenweg, Blanden (pjoris@advalvas.be, 0495-

275393) Zaterdag28juli2007:

Vlinders in de Doode Bemde: op zoek naar Grote Weerschijnvlinder

Afspraak: 9u00,

parking Doode Bemde, Reiger­

straat, Sint-Joris-Weert Bart Yercoutere (bart.

Woensdag 11 juli 2007: Amfibieën en poelen in

Leiding:

Neerijse

vercoutere@scarlet.be, 0494-504760)

Afspraak:

19u00, parking Weebergbos, kruispunt

Neerijse Steenweg/Brede weg, Leefdaal

Leiding: Mark

Lehouck (mark.lehouck@pandora.

be, 016-444936)

Zaterdag28juli2007: Nachtelijke insekten in

Meerdaalwoud

Afspraak: 20u30, parking

Weertse Dreef, Naam­

sesteenweg, Blanden

Woensdag 8 augustus2007: Hamsters op het pla­

Contact:

teau te Bertem

bergmans@scarlet.be, 0498-760722)

Afspraak: 19u00, kruispunt Blokkenstraat/Delle/ Brede weg, Bertem

Leiding:

Maarten

Hens (maartenhens@yahoo.

co.uk, 0473-244752)

48

ventarisatiewerk 'solo' wordt afgewerkt, hebben we

Leiding: Joris Menten

Woensdag 13juni 2007: Flora van wegbermen en

Leiding:

deratlas, de geklutste seizoenen en de nagelnieuwe

standigheden (koude, aanhoudende regen, ...). Bij

Woensdag 11 april2007: Yoorjaarsflora in het

Leiding:

De inventarisaties in het kader van de nieuwe vlin­

De Boomklever-maart2007

Bruno Bergmans (bruno.

In augustus en september volgen nog excursies voor lieveheersbeestjes, sprinkhanen en nachtvlinders.


Actueel

Baard/Brandts vleermuis naast een stalactiet. Typisch decor ergens diep in een karstgrot". Maar nu ook bij ons te bewonderen. Meerdaalwoud (Oud-Heverlee), (Foto: Hans Roosen)

Van 13 januari tot 19 februari 2007 deden vijf kleine zwanen zich te goed aan de fonteinkruiden in het Grootbroek te Sint-Agatha-Rode (Foto: Frederik Fluyt)


_,..•e··-·Ms"'•&an-y1 •••··-1,,;5li,.;ljjilile..l••·••""-1...._"

Inhoud .

-

1

Editoriaal INSEKTEN - "Een ongewerveldenat/as voor het Dijle/and

2

- Veldwerk dagvlinderatlas Dagvlinders in het Dijle/and

4

Bart Vercoutere, Bart Creemers, Maarten Hens

Libellen in het Dijle/and 10

Bart Vercoutere, Bart Creemers, Maarten Hens

Sprinkhanen en krekels in het Dijle/and 15

Bart Vercoutere, Bart Creemers, Maarten Hens

Lieveheersbeestjes in het Dijle/and 24

Bart Vercoutere, Bart Creemers, Maarten Hens

Opmerkelijke waarnemingen van dagvlinders in het Dij/eland, maart 2006-februari 2007 31

Bart Creemers

ZOOGDIEREN Overwinterende vleermuizen in het Dijle/and en ruime omgeving Hans Roosen

38

VOGELS Opmerkelijke vogelwaarnemingen in de Dijlevallei en omgeving, december 2006

-

februari 2007 42

Ke//e Moreau

AANKONDIGINGEN EN ACTIVITEITEN

Activiteiten

48

Foto cover: Koninginnepage -Paptlio macltaon, foto Jeroen Mentens (www.faunaflora.org)

J

11

l

Profile for Natuurstudiegroep Dijleland

De Boomklever Maart 2007  

Deze publicatie kadert binnen het digitalisatieproject van de Natuurstudiegroep Dijleland, waarbij zoveel mogelijk nummers van De Boomklever...

De Boomklever Maart 2007  

Deze publicatie kadert binnen het digitalisatieproject van de Natuurstudiegroep Dijleland, waarbij zoveel mogelijk nummers van De Boomklever...

Profile for nsgd
Advertisement