Page 29

Themanummer vijvers van de Dij/eva/lei

De vijverlibellen van de°rî>ijlevallei In de Dijlevallei neemt het oppervlaktewater een prominente plaats in.

De Dijle en haar

zijrivieren, worden langs weerskanten begeleid door een stelsel van grachten en kleine en grotere vijvers die een grote aantrekkingskracht uitoefenen op tal van aan water gebonden planten en diersoorten.

Libellen vormen daarop geen uitzondering.

Toch blijkt uit de

gloednieuwe atlas van de Libellen van België (De Knijf 2006) dat de Dijlevallei ten zuiden van Leuven eerder een soortenarme vlek vormt. Het is inderdaad zo dat de plassen en vijvers van de Dijlevallei aanvankelijk nog de gevolgen droegen van jarenlange viskweek en daardoor van lage waarde bleken voor libellen. Waarnemingsgegevens verzameld in 2005 en 2006 wijzen er anderzijds op dat het Dijleland wel degelijk een aanzienlijke soortenvariatie herbergt, onder meer door een veranderend gebruik en beheer van de aanwezige vijvers waardoor goede omstandigheden werden gecreëerd voor enkele minder courante libellensoorten.

In deze bijdrage gaat de aandacht uit naar de libellensoorten

gebonden aan vijverhabitats in de Dijlevallei.

Inleiding Wanneer we het hebben over vijverhabitats in de Dijlevallei, denken we in de eerste plaats aan de voormalige viskweekvijvers die in de vorige eeuw werden aangelegd met het oog op efficiënte afvismethoden en een jaarlijks verzekerde opbrengst.

Veelal zijn rond deze

plassen rechtlijnige dijken opgetrokken die weinig natuurlijk ogen in het valleilandschap. De vijvers worden verder gekenmerkt door hun geringe diepte en hun zogenaamd "badkuipprofiel"; een gelijkmatige bodemoppervlak en steile oevers. Via een buizen- en grachtensysteem worden deze vijvers gevoed met water uit naburige waterlopen.

Dit

aangevoerde water is zonder uitzondering voedselrijk, wat in combinatie met de ondiepte van de vijvers tot een snelle eutrofiëring leidde. De eenzijdige structuurkenmerken van de voormalige visvijvers doen op het eerste gezicht vermoeden dat de vijvers van de Dijlevallei onderling weinig variatie vertonen op het vlak van flora en fauna en libellen in het bijzonder. Wanneer we een blik werpen op de recent verzamelde libellenwaarnemingen van de afzonderlijke vijvers, dan merken we wel degelijk verschillen in soortensamenstelling en aantallen van libellen. Deze verschillen zijn niet enkel terug te brengen tot lokale vijvereigenschappen zoals grootte, diepte en ligging. Naast dit morfologisch en topografisch perspectief, dient de variatie in soortensamenstelling eveneens gekaderd te worden in de specifieke toestand waarin de plas zich bevindt. Immers, na het stopzetten van het traditionele vijverbeheer door de viskwekers in de Dijlevallei, werd een deel van de vijvers overgeleverd aan spontane ontwikkelingsprocessen, terwijl een ander deel van de vijvers bijgestuurd werd door een natuurtechnisch beheer. Hierdoor vinden we tegenwoordig een aanzienlijke variatie tussen de vijvers onderling voor variabelen zoals de helderheid van het water, de aanwezigheid en soortensamenstelling van vis, de watervegetatie en de diepte van het water. Deze factoren staan niet op zichzelf, maar beïnvloeden elkaar op een complexe wijze en spelen tezamen een sleutelrol in het voorkomen van libellen.

Typologie van de vijvers: abiotiek, biotiek en libellenfauna Een typische vijver in de Dijlevallei na het stopzetten van de viskweek wordt gekenmerkt door een modderige bodem, troebel water, het ontbreken van ondergedoken waterplanten en een arme, door triviale soorten gedomineerde libellenfauna. Vijvers waar geen specifieke maatregelen genomen worden, blijven deze toestand behouden: het visbestand blijft artificieel hoog en gedomineerd door bodemwoelende vis, met vaak een aanzienlijke 139

De Boomklever December 2006  
De Boomklever December 2006  
Advertisement