Page 1

NATUURSTUDIEGROt:P DIJLE LAND

<�

î'

BEEKJUFFER SLEEDOO RN PAGE SPITSKOPJE HAMSTER • HAVIK EIKELMUIS RATELAAR APPELVINK · WESP���� BOSRI ETZANGE R

....-�....

Tiidschrift van de Natuurpunt Natuurstudiegroep Diilerand

Jaargang 34

-

December 2006


Regionale natuurhistorische werkgroep van

nat LJ LJ r P LJ nt (

Bestuur Voorzitter: Maarten Hens, Dorpsstraat 48,3078 Meerbeek,0473.24.47.52 Secretaris: Frederik Fluyt,Spitsberg 4,3040 Huldenberg, 0479.92.01.72 Penningmeester: Kris Van Scharen,Korbeekstraat 27,3061 Leefdaal,02.767.26.38, Bestuursleden: •

Monique Bekkers Oostremstraat 4,3020 Herent,016.23.13.38

Herwig Blockx, Rue du Culot 42,1320 Tourinnes-la-Grosse, 010.86.24.66

Bart Creemers, Frederik Lintstraat 77,3000 Leuven,0496.89.31.06

Joris Menten, W. De Croylaan 49/21,3001 Heverlee,0495.27.53.93

Kelle Moreau, Celestijnenlaan 27a bus 0201,3001 Heverlee,0486.12.58.77

Hans Roosen, Abstraat 101,3090 Overijse,02.687.95.18

André Verboven,Groeneweg 60,3001 Heverlee,016.23.81.84

Werkgroep vogels •

Themaverantwoordelijke en watervogeltelling, broedvogelmonitoring: Maarten Hens,

Dorpsstraat 48,3078 Meerbeek, 0473.24.47.52,maartenhens@yahoo.co.uk •

Archivering en rapportering waarnemingen: Kelle Moreau,Celestijnenlaan 27a

bus 0201,3001 Heverlee,0486.12.58.77,kelle.moreau@gmail.com •

Trektellingen: Frederik Fluyt,Spitsberg 4,3040 Huldenberg,0479 92 01 72,

freek@village.uunet.be Werkgroep zoogdieren •

Themaverantwoordelijke, marterproject, archivering waarnemingen: Kelle Moreau,

Celestijnenlaan 27a bus 0201,3001 Heverlee,0486.12.58.77,kelle.moreau@gmail.com •

V leermuizen: Hans Roosen,Abstraat 101,3090 Overijse,02.687.95.18,

roosenhans@yahoo.com Werkgroep ongewervelden •

Themaverantwoordelijke: André Verboven, Groeneweg 60,3001 Heverlee,

016.23 .81.84,andre.verboven@chello.be •

Archivering en rapportering waarnemingen: Bart Creemers,Frederik Lintstraat 77,3000

Leuven, 0496.89.31.06, Werkgroep planten •

Themaverantwoordelijke: Joris Menten,W. De Croylaan 49/21,3001 Heverlee,0495.27.53.93

pjoris@advalvas.be Website:

www.natuurpunt.be/dijleland

Rondzendlijst Dijleland: stuur een blanco e-mail naar dijlevallei-subcribe@yahoogroups.com


De Boom.klever Dnemaande/Jïks tijdschrift van Natuurstud1egroep DiJleland natuurhistorische werkgroep van Natuurpunt vzw. Redactiekern Herwig Blockx, Frederik Fluyt, Maarten Hens, Paul Herroelen, Kelle Moreau en Kris Van

.INHUUD THEM ANUMMER VIJVERS VAN DE DIJLEVALLEI Van eutrofe karperpoelen naar soortenrijke moerasgebieden? ........................................................114

Scharen

Water als sleutel bij natuurgericht vijverbeheer..........116

Redactie-adres

Natuurdoelen, inrichting en beheer van de

Artikels of korte bijdragen worden verwacht op het redactiesecretariaat, p/a Kris van Scharen, Korbeekstraat 27, 3061

voormalige viskweekvijvers in de zuidelijke Dijlevallei.123 Vegetaties van ondiepe alkalische ionenrijke wateren.............................................................................132

Leefdaal. E-mail: kris.van.scharen@telenet.be Het copyright van de teksten en tekeningen blijft bij de

De vijverlibellen van de Dijlevallei..................................139 Vijvers als broedgebied voor watervogels...................145

auteurs en tekenaars. Over­ name is mogelijk mits hun uitdrukkelijke toelating

Abonnement

VOGELS

Geïnteresseerden kunnen De

Opmerkelijke vogelwaarnemingen in de Dijlevallei

Boomklever ontvangen door

en omgeving, september - november 2006 ................150

overschrijving van 7 EUR op rekeningnummer

001-1552168-50 van Studie­ groep Dijleland p/a Korbeek­

BUITEN GEKEKEN

straat 27, 3061 Leefdaal met opgave van naam en adres. Een steunabonnement kost

Fischerman's pride...........................................................162

12 EUR of meer.

Natuurpunt Natuurpunt

ACTIVITEITEN vzw

VZ>N

is de grootste

vereniging voor natuur en

Activiteitenkalender winter en vroeg voorjaar '07 ......165

landschap in V laanderen. Ze telt 54.000 leden en beheert

14.000 hectaren natuurgebied. Lid worden van Natuurpunt vz:vv kan door storting van 20 Euro op rekeningnummer

230-0044233-21. www.natuurpunt.be

113


Themanummer vijvers van de Dij/eva/lei

Van eutrofe karperpoelen naar soortenrijke moerasgebieden ? De vijvers in de Dijlevallei ten zuiden van Leuven oefenen sinds oudsher een grote aantrekkingskracht uit op vogels en vogelkijkers. Door jarenlange viskweek, eutrofiëring en het ontbreken van natuurgericht beheer is de ecologische 1kwaliteit' van de meeste vijvers veeleer beperkt. Nu alle vijvers aangekocht zijn met het oog op natuurontwikkeling, bieden zich ongeziene mogelijkheden om in de Dijlevallei een complex van soortenrijke moerasgebieden te realiseren.

Deze Boom.klever bundelt een reeks bijdragen over de

plannen voor, de kansen op en een eerste reeks resultaten van het natuurgericht herstel van de vijvers In de Dijlevallei. Een heuse Vijver.klever dus...

In de natte komgronden van de Dijlevallei en in verschillende kleinere valleien (o.a. IJse, Voer, Molenbeek) werden in het midden van de twintigste eeuw

( 1930--1955)

verschillende

viskweekvijvers aangelegd. Ten zuiden van Leuven zijn de voornaamste vijvers het Grootbroek in Sint-Agatha-Rode, de Grote Bron of Langerodevijver in Neerijse, de vijvers van Oud­ Heverlee, de vijvers van Florival en de kliniekvijvers in Neerijse (zie kaart). Deze noord-zuid geörienteerde keten van vijvers maakt samen met het geheel van rietmoerassen, broekbossen en natte graslanden van de Dijlevallei een aantrekkelijk gebied voor doortrekkende, overwinterende en broedende vogels. Tot de verbeelding sprekende 'streekspecialiteiten' als Zeearend en Visarend hebben al meerdere generaties vogelkijkers aan de vijvers verknocht doen raken.

1940 op

De avifauna van deze vijvers wordt sinds de jaren

de voet gevolgd.

De intensieve viskweek, voornamelijk van karper, op deze vijvers kende z'n hoogtepunt in jaren

1970 en '80. Nadien doofde de viskweek geleidelijk uit, om midden de jaren '90 definitief

te verdwijnen. Door de permanente a a nwezigheid van grote concentraties bodemwoelende vissen, de aanhoudende aanvoer van met huishoudelijk afvalwater verontreinigd water en het ontbreken van natuurgericht beheer is de ecologische kwaliteit van deze vijvers systematisch achteruitgegaan. Dit uit zich niet alleen in de afwezigheid van (onder)watervegetaties en structuurrijke oevervegetaties, maar eveneens in een beperkte libellenfauna en suboptimale aantallen broedende watervogels als Dodaars, Fuut en Tafeleend. Tussen

1991 en 2003 zijn de vijf grote

vijvercomplexen in de Vlaamse Dijlevallei in eigendom

en/of beheer gekomen van ofwel de Vlaamse overheid (Agentschap voor Natuur en Bos, ANB) ofwel van Natuurpunt (NP) en de Vrienden van Heverleebos en Meerdaalwoud (VHM} (zie kaart). Voor elk van de gebieden werden ondertussen visies en plannen opgemaakt voor een natuurgericht herstel, inrichting en beheer. Rode draad doorheen deze papierberg is het streven naar duurzame, soortenrijke moerasgebieden. De voorbije jaren is op verschillende vijvers ook gestart met een herstelbeheer. Zo werden rietkragen gemaaid (Abdij van Park), vijverdijken afgeschuind (Neerijse Grote Bron) en zowat op alle vijvers populieren en boomopslag van de vijverdijken. Daarnaast werden meerdere vijvers recent volledig afgevist en tijdelijk drooggelegd. Dit werd ondermeer toegepast in Oud-Heverlee Noord (voo�aar Agatha-Rode (voorjaar

114

2005)

1996,

najaar

2006),

Oud-Heverlee Zuid (voo�aar

en op de kliniekvijvers in Neerijse.

2004),

Sint­


Themanummer vijvers van de Dij/eva/lei De natuur reageert zeer snel en vaak onverhoopt positief op beheeringrepen.

Het

broedgeval in 2003 en de jaarlijkse aanwezigheid sindsdien van Woudaap in de Abdij van Park is daar een treffend voorbeeld van. Buiten de regio is de evolutie in het provinciaal natuurgebied 'het V inne' te Zoutleeuw dat nog meer. Grootschalig herstel van een natuurlijk meer in de winter 2004-2005 leidde hier, naast bijzondere botanische vondsten en een rijke libellenfauna, ondermeer tot een geslaagd broedgeval van Witwangstern (zowel in 2005 en 2006) en mogelijke broedgevallen van Kleinst Waterhoen, Woudaap en Roerdomp. Deze opmerkelijke, zij het vooralsnog pionierachtige, evoluties na herstelmaatregelen, maken het opvolgen van vijverherstel uitermate boeiend. Om de te verwachten evoluties op dit vlak in de Dijlevallei onder de aandacht te brengen en te kaderen, hebben we in deze Boom.klever een ruime waaier aan vijverbijdragen samengebracht. Een eerste bijdrage gaat in op de abiotische randvoorwaarden voor het ecologisch functioneren van de vijvers in de Dijlevallei. Inzicht in deze karakteristieken is nodig om realistische natuurdoelen te kunnen formuleren en laat toe te begrijpen waarom waterbeheer de sleutelfactor is voor herinrichting en beheer. De natuurdoelen, de visies op herinrichting en het geplande beheer komen, zowel globaal als voor iedere vijver afzonderlijk, een bod in een tweede artikel. De overige bijdragen behandelen elk een specifieke soortgroep (planten, libellen en vogels) en presenteren recente inventarisatie-gegevens van 'heldere' situaties (vijvers in de eerste jaren na afvissing en drooglegging). Vergelijking met de 'troebele' situatie voor afvissen toont voor beide/alle soortgroepen opmerkelijke veranderingen. Deze resultaten worden tevens gekaderd in de op termijn beoogde en/of te verwachten evolutie van de vijver­ levensgemeenschappen. Tot slot worden, waar mogelijk, soortgroep-specifieke aanbevelingen geformuleerd voor het optimaliseren van herinrichting en beheer.

Maarten Hens maartenhens@yahoo.co.uk

Overzichtskaart van de vijvergebieden in de Dijlevallei ten zuiden van Leuven

Vijvers van Oud-Heverlee (Noord en Zuid) [eigendom & beheer: ANB] 2 - Neerijse Grote Bron (Langerodevijver) [eigendom: NP; beheer: VHM] 3- Kliniekvijvers Neerijse [huur: NP; beheer: VHM] 4 Grootbroek, Sint-Agatha-Rode [eigendom & beheer: ANB] 5 - Vijvers van Florival, Ottenburg [eigendom & beheer: ANB] l

-

-

115


Themanummer vijvers van de Di;leva/lei

Water als sleutel bij natuurgericht vijverbeheer De chemische samenstelling van het vijverwater en de diepte van de waterkolom zijn sterk bepalend voor de soorten en de levensgemeenschappen die In en rond een vijver (kunnen) voorkomen. De waterhuishouding vormt dan ook een zeer belangrijke factor bij het beheer van vijvergebieden, zowel wat betreft waterkwaliteit als wat betreft hoeveelheden. Na een Inleidende typering van de vijvers In de Dijlevallei, schetst dit artikel de centrale rol van voedingsstoffen voor het functioneren en bij het natuurgericht beheer van de vijvers In de Dljlevallei.

Typologie: alkalische, matig ionenrijke, ondiepe wateren In Vlaanderen kunnen we een tiental verschillende typen stilstaande wateren onderscheiden (Jochems et al. 2002). De meeste typen worden op basis van zuurgraad (pH) getypeerd. Zure plassen vinden we meestal in de zandige Kempen en circumneutrale plassen op de iets rijkere zandgronden (bvb. Zuiderkempen). In de rest van Vlaanderen en vooral in de rivier- en beekvalleien vinden we alkalische wateren met een hogere zuurgraad. Andere typen zijn perfect geografisch te situeren zoals duinplassen in de duinen en brakke plassen in de polders. Alkalische wateren worden getypeerd door een zuurgraad hoger dan 7.5. Ze komen van nature voor op rijkere leem- en kleigronden. De watertoevoer wordt niet enkel door regenwater verzorgd maar wordt aangevuld met grondwater (kwel) of oppervlaktewater (beken, grachten). Dit zorgt ervoor dat het gehalte bicarbonaat of koolzuur (C03) vrij aanzienlijk is. Het bicarbonaatgehalte wordt dikwijls voorgesteld als alkaliniteit en is een maat voor de hardheid van het water. De rijkere bodem en toevoer van water (bodem- en grondwater) zorgen tevens voor de aanvoer van vrij veel voedingsstoffen (nutriënten), waarbij stikstof (N) en fosfor (P) de voornaamste zijn. Typisch voor de rivierbegeleidende wateren is een hoger gehalte aan silicium (Si). Verder is er een duidelijk verschil tussen diepe wateren (>3m) en ondiepe wateren wegens het ontbreken bij deze laatste van een gelaagdheid van het water. In onderstaande tabel worden een aantal gegevens opgelijst die een duidelijk beeld geven waar de wateren in de Dijlevallei toe behoren. Alle pH-waarden zijn hoger dan 7.5, terwijl de diepte overal minder dan 3 meter bedraagt. Kortom: niet-diepe, alkalische wateren. Bijna alle wateren hebben een geleidbaarheid (EGV) die lager ligt dan 700 µS/cm2• De meeste plassen bezitten een combinatie van lage siliciumgehalten (< 10 mg/L) en een alkaliniteit lager dan 2.5 mmol/L. Uitzondering hierop vormt de plas van Florival. Deze laatste is een ionenrijk alkalisch en ondiep water (Ai). De andere wateren behoren tot de matig ionenrijke alkalische en ondiepe wateren (Ae).

116

1


.,

Themanummer vijvers van de Dijlevallei

Tabel 1.

Basiskarakteristieken van enkele vijvers in de Dij/eva/lei. Waarden zijn mediane waarden van een jaarrondbemonstenng (5-tal/jaar). ficlcidhaa.riw;Jci

J� il}

0-rd Hçvcr1<\..">C: Noord

2C(ll

&,7

<.3

Ond-Hererlee Zuid

2CXJ1

7_i;

<)

1999

86

<3

Agatha-E�ooc

f 1)':19

&.3

<3

Morhal

19')9

7"8

<3

Kliniekvij'l'Cfs�

Doctde BieJmk.

Ncet:ij$C Gro<Jlhroek .Sim· •

A.Îkalinit'l-"Ît

S/(Jn2

flhUoliL

as l -u d1

3 ..

�I l

545i

12661

.'.).0

6?

3.1

7.0 Ac

\c

l..4

tR-

\c

L(,

fr4

Ac

4_0

28.2

:u

Water- en nutriëntenaanvoer De vijvers in het Dijleland zijn kunstmatig aangelegd. Dergelijke grote oppervlakten 'open water' zijn enkel mogelijk mits een actieve aanvoer van water en een gecontroleerde afvoer door middel van stuwen. De vijvers bevinden zich dus in een netwerk van aan- en afvoergrachten, die op hun beurt gekoppeld zijn aan een systeem van stuwen op beken, buizen langsheen wegen of pompen.

De chemische kenmerken ('kwaliteit') van het vijverwater worden dus bepaald door de kenmerken van de verschillende voedende waters: grondwater (kwelzones), oppervlaktewater (beken, grachten) en/of bronbeekjes. Vanuit standpunt natuurontwikkeling en -behoud streeft men naar een waterkwaliteit die zo nauw mogelijk aansluit bij de natuurlijke, streekspecifieke 'achtergrond'. Voor de Dijlevallei is dat sowieso een eerder voedselrijke situatie. Maar de huidige waterkwaliteit van de vijvers scoort beduidend slechter dan dit 'natuurlijk' niveau. De kwaliteit van het doorsnee-oppervlaktewater in de Dijlevallei is eerder matig. Zoals elders in V laanderen worden ze ondermeer gekenmerkt door verhoogde gehaltes aan voedingsstoffen, afkomstig van landbouwactiviteiten (bemesting) en huishoudelijk afvalwater (niet aangesloten rioleringen). Bovendien bevatten de beken ook een vrij hoog sedimenttransport (Leemstreek) en worden in het water frequent sporen van bestrijdingsmiddelen gevonden. Van bestrijdingsmiddelen (herbiciden in het bijzonder) is het nog niet duidelijk welke rol ze spelen in de algemene achteruitgang van watervegetaties in V laanderen. Deze factoren laten vermoeden dat in de vijvers waar nutriënten, sediment en andere schadelijke stoffen accumuleren (laguneringseffect) ook problemen kunnen ontstaan om soortenrijke ecosystemen te kunnen ontwikkelen en te behouden. Concreet cijfermateriaal hieromtrent ontbreekt echter. Naast toekomend voedselrijk bodem- of oppervlaktewater kunnen bladval, depositie uit de lucht en grote populaties watervogels voor een extra nutriëntentoevoer zorgen. In de totale toevoer vormen ze meestal een beperkt aandeel. Het is niet duidelijk in welke mate het voormalige landgebruik, voor er een vijver aangelegd wordt, ook een erfenis betekent voor de nutriëntenstatus van de vijver. Zo kunnen veenlagen in de bodem bij eutrofiëring van het

117


Themanummer vijvers van de Dijle vallei water nutriënten vrijzetten. Aangezien verschillende vijvers aangelegd zijn in historisch natte en daardoor venige komgronden, bestaat dit risico. Zo lijkt het erop dat de bodem in de vijver van het Grootbroek enkele tientallen centimeters gezakt is ten opzichte van de omgevende komgrond. In andere vijvers is dit fenomeen, verteren van veen, vastgesteld.

Eutrofiëring De milieudruk op ondiepe wateren leidt tot twee belangrijke problemen: verzuring en vermesting (eutrofiëring). Gezien de vrij hoge C03-waarden (hoog zuurbufferend vermogen) is verzuring niet aan de orde in de vijvers van de Dijlevallei. De van nature reeds voedselrijke watersystemen in de Dijlevallei zijn wel uitgesproken gevoelig voor eutrofiëring. Eutrofiëring is het gevolg van een verhoogde aanvoer van nutriënten, in het bijzonder fosfor. Tabel

2

toont waargenomen concentraties van fosfaat (P04) en nitraat (N03) van enkele

vijvers in de Dijlevallei, met vermelding van de richtwaarden voor stabiele, relatief ongestoorde wateren zonder algenbloei. De zeer hoge fosfaatgehalten spreken voor zich. Het chlorofyl-gehalte en het zuurstofproductie-potentieel (ZPP) geven aan of er sprake is van algenbloei en dus of er een gevorderde staat van eutrofiëring aanwezig is. Ook daar zien we bij de meeste plassen een duidelijke overschrijding van de richtwaarden.

Tabel 2. Nutriëntkarakteristieken van enkele vijvers in de Di/levalle1: ZPP =zuurstof productie poten­ tieel. Waarden ZJjn mediane waarden van een /aarrondbemonstering (5-talf/aar}. .

T

Jaar

m

..�as! (PO.J

Ni1Çtat (}«)�)

mi!PIL

milNtL

#2fL

û.130

-

nud-llc·. crk:e � xrd

1001

0.1..:. 7

ltd-lk"•i.:r1« Zuid

:?001

0034

19')1)

0.6.50

..'\gt1tha-H.u<le

1�9

Hunra1

19tJ9

l

KJ:iuicl\\! j\'Cf!i,

?"oc'Jij;r.;c

1

O.YiO

Chforof}i

-

a

�2P

mf!i1L lh 9.3

-0.0J.C)

7

7.�}

(.).{)..!{)

0.0.W

147

lOA

U.560

0.0.W

1

ü.1

<0.02

<Ü.3

<-tû

<7

( i<ruotbn.�k, 'inl-

Richt\\ .a<tnJeu

Gevolgen van eutrofiëring De belangrijkste effecten van eutrofiëring zijn de afname van soortendiversiteit en het voorkomen van slechts enkele dominante soorten, de toename aan biomassa (plantaardig en dierlijk), verminderd doorzicht (vertroebeling), grotere sedimentatie (snellere verlanding) en het voorkomen van zuurstofloze omstandigheden. Een sleutelparameter in de kwaliteit van stilstaand water is de beschikbaarheid van fosfor, omdat dit het element is dat de groei van planten en algen controleert ('limiterend element'). In natuurlijke omstandigheden zijn de fosforconcentraties (gemeten als fosfaat, P04) zeer laag (tabel

2).

Hierdoor treedt er tussen de verschillende algen- en plantensoorten een

competitie op om het zeldzame fosfor op te nemen. Stikstof (nitraat, N03) is in zoete wateren doorgaans niet van belang als limiterend voedingselement, ondermeer doordat blauwalgen stikstof uit de lucht kunnen fixeren.

118


Themanummer vijvers van de Dij/eva/lei In omstandigheden waar fosfor ten overvloede aanwezig of beschikbaar is, treedt algenbloei op. Hierdoor is er een enorme productie van plantaardige biomassa, waardoor zuurstof in grote mate verbruikt wordt, dat vervolgens niet meer beschikbaar is voor macrofauna en o zijn beurt ook een effect heeft op aanwezige avifauna. De soortenrijkdom in deze door algen gedomineerde wateren daalt zeer sterk. In deze situatie worden de waterplanten enkel vertegenwoordigd door drijvende soorten, zoals kroossoorten, of komen helemaal geen waterplanten meer voor. De plant-beschikbaarheid van fosfor in stilstaande wateren is evenwel een complex gegeven. Niet alle fosfor die via voedingswater wordt aangevoerd, wordt door planten en algen opgenomen. Zo bindt het zich, naargelang de zuurgraad, met ijzer (Fe) en calcium (Co), waardoor het voor planten en algen minder beschikbaar wordt. Ook in sliblagen verdwijnt heel wat P (als bouwsteen van organisch materiaal dat daar bezinkt). Ondanks de aanwezigheid of aanvoer van fosfor bestaan er dus 'verstopplaatsen' voor fosfor, waar het niet beschikbaar is voor opname in de voedselketen. Bepaalde processen kunnen deze onbeschikbaarheid teniet doen zoals het dominant voorkomen van bodemwoelende vissoorten (karper, brasem). Geringe diepte versterkt effect

Bijkomende gevoeligheid van de plassen in de Dijlevallei is de geringe diepte. De meeste plassen zijn zeer ondiep (< 1.5 m). Dit leidt tot een grote interactie tussen de slibbodem en de waterkolom. Bovendien warmen deze wateren snel op wat de vrijstelling en beschikbaarheid van nutriënten vergroot. Bodemwoelende vis heeft een directe impact op de waterkwaliteit. Bij grote plassen die blootgesteld zijn aan windwerking is de kans reëel dat opwoeling van het slib zorgt voor vrijstelling van nutriënten.

Waterbeheer Het is duidelijk dat stilstaand water met algenbloei niet bepaald een doelstelling is voor een natuurgericht vijverbeheer. Het streefbeeld is een heldere plas met watervegetatie bestaande uit verschillende groeivormen en met daaraan gekoppeld een gevarieerde fauna. Het beheer van dit type vijvers dient in eerste instantie te streven naar het minimaliseren van de aanvoer van voedingsstoffen. In tweede instantie kan bekeken worden hoe de nutriënten onbeschikbaar kunnen worden gemaakt. Een wel overwogen selectie van de waterbron kan daarbij een goede overweging zijn. Grondwater (kwel) is doorgaans minder belast met nutriënten dan oppervlaktewater. Doordat het merendeel van de vijvers zich niet situeren op de diepste komgronden en/of sterkste kwelzones, is hun waterhuishouding doorgaans op ingenieuze wijze aangelegd, en kan er weinig variatie van waterbron aangehouden worden. Regenwater en water uit beken zijn de voornaamste voeding voor de vijvers. Lokaal (Grootbroek, Florival, Oud-Heverlee Zuid) is er een redelijke kwelstroom, wat ruimte laat om te schuiven tussen de bronnen voor water. Indien de aanvoer van nutriënten geminimaliseerd kan worden, kunnen verdere beheeropties zich toeleggen op een actief biologisch beheer (zie tekstkader) en/of slibafvoer. Beperkte slibafvoer kan bekomen worden bij het aflaten van de vijvers en kan opgevolgd worden door de toestroom van water aan te houden. Hierdoor wordt een soort van doorspoeling bekomen. Voorwaarde hierbij is wel dat het greppelpatroon in de vijver onderhouden wordt. Het slib zou ook machinaal verwijderd kunnen worden. Gezien de praktische en het financiële kostenplaatje hoog is en de praktische uitvoering vele problemen kent wordt vaak afgezien van deze beheermaatregel. Sliblagen die blootgesteld worden aan zuurstof ondergaan 119


Themanummer vijvers van de Dij/eva/lei

een mineralisatieproces waarbij nutriënten worden vrijgezet (stikstof) en/of sterker vastgelegd (fosfor, door Fe-oxidatie). Bovendien worden ze snel gekoloniseerd door hogere planten en worden hierdoor veel nutriënten opgenomen. Indien deze vegetaties gemaaid en afgevoerd worden kan er een nutriëntenafvoer bekomen worden. Het intensieve werk dat hiermee gepaard gaat is echter niet in verhouding met het bekomen resultaat. Het mineralisatieproces gaat tevens gepaard met het inklinken van de sliblagen (verdroging) waardoor de beschikbaarheid verminderd. Bij het terug vullen van de vijver kan deze situatie zich tijdelijk handhaven en wordt een goede kwaliteit bekomen die echter maar enkele jaren kan standhouden. Drooglegging is in deze zeker geen slechte beheersmaatregel en is bovendien cultuurhistorisch verantwoord.

Helder en troebel: het twee-alternatieven evenwicht en actief biologisch beheer De theorie van de twee alternatieve evenwichten in ondiepe plassen, vijvers en meren (Scheffer et al., 1997) is een essentieel begrip voor het sturen van het beheer van ondiepe vijvers. De theorie stelt dat deze wateren zich in twee verschillende situaties kunnen bevinden in het geval van gelijke waterkwaliteit. Deze evenwichten zijn enigszins gebufferd voor wijzigingen. Overgangen tussen beide evenwichten gebeuren niet langzaam maar abrupt. Cruciaal hierin is het begrip helderheid. De helderheid van een ondiep meer is een goede kwaliteitsindicator voor het meer in �estie. Het betekent immers dan er een goed ontwikkelde watervegetatie is, een lage dichtheid aan fytoplankton (algen), een groot aantal zoöplankton, lage dichtheid bodemwoelende (of zoöplantkonetende) vissen en een groot aandeel roofvissen. In onderstaand schema zijn deze evenwichten en hun onderlinge verschillen weergeven. Zoals hierboven aangegeven is de beschikbaarheid van fosfor van groot belang. In een heldere toestand slaagt de onderwatervegetatie erin de aanwezige fosfor op te nemen door te groeien. Zelfs eventuele toename in fosfor kan gebufferd worden door sterker te gaan groeien. Fytoplankton (algen) krijgen in deze situatie geen kans omdat het prederende zoöplankton overvloedig aanwezig is. Hierdoor worden de optimale condities (o.a. zon bereikt vlot de bodem van het ondiepe meer, 's nachts blijft er veel zuurstof aanwezig) voor onderwatervegetatie in stand gehouden. De aanwezigheid van roofvissen beïnvloedt dan weer de populatie van de bodemwoelende vissen. Deze laatsten gaan de vegetatie dus niet omwoelen, noch maken ze eventueel fosfor in de diepere waterbodem beschikbaar. Deze roofvissen op hun beurt zijn zichtjagers, die enkel dankzij de heldere toestand (rijke vegetatie) kunnen jagen. Het beheer van een ondiep meer kan hierop inspelen. Omdat helder water wenselijk is bestaat het beheer er doorgaans in om trachten de processen die een heldere toestand in stand houden te bevoordeligen. Het beperken van de aanvoer van voedingsstoffen is daarin alvast een zeer goede stap. Ook het verwijderen van de erfenis uit het verleden kan een zeer goede maatregel zijn. In Vlaanderen is het echter zo dat het beperken van aanvoer van voedingsstoffen een lastige zaak is. Het inspelen op de buffercapaciteiten die waterplanten hebben is een veel haalbaardere zaak. Bovendien kunnen de omstandigheden voor een rijke onderwatervegetatie gemakkelijk gecreëerd worden. Het droogzetten van de vijver, het verwijderen van de bodemwoelende vissen en het eventueel bepoten met roofvissen wanneer de vijver opnieuw vol gelaten is, is het beste scenario. In het ideale geval kan de heldere toestand lang standhouden. In de Dijlevallei lijkt een cyclus van 7 jaar evenwel een realistische beheervorm. Vroeg of laat krijgen er immers toch enkele

5 tot

karpers de kans volwassen te worden (Snoek eet enkel kleinere vis) en dan woelen ze uiteindelijk toch de hele vijver om. Een actief biologisch beheer van de vijvers is dus effectief een actieve bezigheid. Meer weten? In een recent nummer van Natuur.focus belichtten Declerck et al. (2006) uitgebreid

de ecologische achtergronden bij het beheer van ondiepe vijvers. 120


Themanummer vijvers van de Di;leva/lei

Schema: Twee alternatieve evenwichten in stilstaande wateren

Heldere toestand

]

Troebele tc:<:stan<l

zo�plOJJkloo

z

öplonkt

l)Cdi.:mili ud i.:t'ui.

_

Legende:

c=:=-

l

....___ .

1�M.·11

_ 1U1_1_r _ ..,_ s; s_ 111 ____,

Groene pijlen gewenste beïnvloeding (onderdrukking van de aangewezen groep) Rode pijlen: ongewenste beïnvloeding (ook onderdrukking van de aangewezen groep) De dikte van pijl geeft weer welk proces actief is Soortgroepen in groen omcirkelde kaders zijn dominante groepen in het betreffende evenwicht

Het Grootbroek te Sint-Agatha-Rode in vogelperspectief Juni 2006. Foto: Désiré Vanaulgaerden

121


Themanummer vijvers van de Dij/eva/lei

Samengevat Alle vijvers in de Dijlevallei behoren tot de alkalische (matig) ionenrijke type. Ze zijn voedselrijk en gevoelig voor eutrofiëring. Doordat de vijvers worden gevoed met nutriëntenrijk water treed heel gemakkelijk algenbloei op. Deze gaat gepaard met een verlies aan biodiversiteit en houdt zichzelf in stand wanneer niet wordt ingegrepen. Het beheer dient zich in de eerste plaats dus te richten op het minimaliseren van de nutriëntentoevoer en in tweede instantie op een sturing naar het gewenste stabiele evenwicht. Hierbij is de blijvende grote voedselrijkdom steeds een knelpunt en zal een actief beheer gevoerd moet worden. Ten allen tijde zou er kunnen nagegaan worden in welke mate er niet sprake kan zijn van een optimalisatie van regenwater dan wel kwelwater in de vijvers. Deze waterbronnen hebben immers een beperkte rijkdom aan nutriënten. Gezien hun kunstmatige oorsprong is dit weinig trefzeker voor het behoud van natte ecosystemen. Enkel waar voldoende kwelwater de valleibodem bereikt kan permanent water bekomen worden. Daarom ook dat in verschillende visies over het herstel en/of herinrichting van de vijvers binnen natuurreservaten aandacht moet besteed worden om deze in het laagste punt van de vallei te situeren. Daarnaast bevindt er zich in de vijvers een dikke sliblaag, die heel veel nutriënten bevat als 'erfenis' van het verleden.

Ook wanneer ander, nutriëntenarm voedingswater gevonden

wordt, blijft dit een knelpunt. Aflaten en doorspoelen kan voor afvoer van slib zorgen en de blootstelling aan de lucht brengt een miniralisatieproces op gang dat gepaard gaat met verdichting. Dit zorgt bij het opnieuw vullen van de vijver voor een tijdelijke afgenomen beschikbaarheid van nutriënten. T ijdens het droogleggen van de plassen moeten de bodemwoelende vissoorten geoogst worden en bij het vullen bepoot worden met roofvis.

Jo Pocket Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek jo.packet@inbo.be Bart Vercoutere bverc@scarlet.be Maarten Hens maartenhens@yahoo.co.uk

Referenties Declerck S., Van de Meutter F. & De Meester L. (2006). Ondiepe vijvers en meren. Ecologische achtergronden en beheer. Natuur.focus 5, 22-29. Jochems H" Schneiders A., Denys L. & Van Den Bergh E. (2002). Typologie van oppervlaktewateren in Vlaanderen. Verslag Instituut voor Natuurbehoud IN.0.2002.7, 67 p., CD-rom Scheffer M., Hosper S.H., Meijer M.-L.. Moss B. & Jeppesen ( 1997). Alternative equilibria in shallow lakes. Trends in Ecology and Evolution 8, 275-279.

122


Themanummer vijvers van de Di;levallei

Natuurdoelen, inrichting en beheer van de voormalige viskweekvijvers in de zuidelijke Dijlevallei Sinds 2003 zijn alle grote voormalige viskweekvijvers in de Dijlevallei ten zuiden van Leuven in eigendom of beheer van de Vlaamse overheid (Agentschap voor Natuur en Bos) of de private natuurbeschermingsorganisaties Natuurpunt Beheer vzw en de Vrienden van Heverleebos en Meerdaalwoud vzw (VHM).

De beoogde herinrichting en beheer zetten

hoog in op een reeks avifaunistische natuurdoelen. Het optimaal inrichten en beheren van deze natuurgebieden biedt immers realistische kansen voor uitbreiding of terugkeer van een aantal Europees en regionaal belangrijke moeras- en watervogelsoorten in de Dijlevallei.

Amfibievoertuig aan het werk in het Grootbroek te Sint-Agatha-Rode. Met de afvoer van opgescho­ ten plantenmateriaal worden ook overtollige nutriënten verwijderd uit de vijver. Najaar 2005. Foto: Jo Hendnks

Zowel het Agentschap voor Natuur en Bos (ANB) als de VHM voorzien daarom een herinrichting van zowat alle voormalige grote viskweekvijvers in de zuidelijke Dijlevallei. Het doel is een maximale natuurontwikkeling in en rond de vijvers, waarbij de klemtoon zal liggen op avifauna. Dit vormt een zeer belangrijke stap in de implementatie van de Europese Vogelrichtlijn. Maatschappelijk zijn er echter steeds beperkingen aan de beoogde natuurontwikkeling, ondermeer wanneer er vernattingeffecten verwacht worden op omliggende private gronden. Herinrichtingscenario's waarin alle kunstmatig aangelegde dijken verwijderd worden en het oorspronkelijk reliëf hersteld wordt zijn waarschijnlijk te verkiezen boven andere scenario's, maar zijn vanuit natuurbehoudstandpunt slechts een optie indien daarmee ook dezelfde natuurdoelen op een duurzame wijze kunnen gerealiseerd worden, en de kosten-batenanalyse gunstig is. Dit bleek zelden het geval te zijn.

123


Themanummer vijvers van de Dij/eva/lei

Na de fase van herinrichting zullen een groot aantal beheermaatregelen moeten genomen worden om de natuurontwikkeling in de gewenste richting te leiden en het beoogde doel vast te houden. Net zoals bij ieder natuurreservaat zullen deze maatregelen beschreven worden in een beheerplan. Belangrijk is dat de natuurdoelen op regionale schaal bekeken worden en dat het beheer van de vijvergebieden op elkaar afgestemd wordt.

Natuurdoelen In alle vijvers zullen minimaal goed ontwikkelde zomen van waterriet en andere verlandingsvegetaties nagestreefd worden. In de meeste vijvers worden echter grotere oppervlakten beoogd. Daar waar Riet beperkt aanwezig is, zullen in een eerste ontwikkelingsfase vooral verlandingsvegetaties ontstaan die gedomineerd worden door Grote lisdodde. Verwacht wordt evenwel dat Riet in latere ontwikkelingsfasen geleidelijk dominanter wordt en de uiteindelijke vegetatie zal bepalen. Dergelijke vegetaties herbergen rijke en dynamische levensgemeenschappen en vormen een geschikte broed- en schuilplaats voor watervogels en bepaalde rietvogels, zoals Woudaap, Roerdomp, Bruine Kiekendief, W aterral, Zomertaling, Rietzanger, Rietgors, Kleine Karekiet. .... Het ontwikkelingsstadium, de standplaats (bvb. waterhoogte) en de oppervlakte bepalen in grote mate de geschiktheid van deze vegetaties als biotoop voor een bepaalde soort. Naast waterrietvegetaties wordt ook de ontwikkeling van een rijke (onder)watervegetatie nagestreefd, met soorten als fonteinkruiden, kranswieren, Stijve waterranonkel, Gewoon blaasjeskruid, Watergentiaan, Grote waterweegbree, Grote egelskop, Pijlkruid, Veenwortel, ... Om dit te bereiken en te handhaven dient een heldere waterkolom gerealiseerd en gehandhaafd te worden. Een dergelijk biotoop wordt gekenmerkt door een hoge soortenrijkdom en hoge aantallen van andere watergebonden organismen: libellen, waterjuffers, Waterspitsmuis, insectenlarven, wormen, mollusken, enz... Dit heeft dan weer een gunstig effect op een groot aantal watervogelsoorten, waaronder eenden, koeten, ralachtigen en zwanen, die zich voeden met de rijkelijk aanwezige waterplanten en ongewervelden. Ook voor de Bever zullen de vijvergebieden interessanter worden. De onvoorspelbare natuurontwikkeling die deze soort kan initiëren wordt beschouwd als een aanvulling en een verrijking van het gevoerde natuurbeheer. Toch zijn er een aantal probleemsituaties denkbaar waarbij de activiteiten van Bevers onverenigbaar zijn met de waterhuishouding van de vijvers. Tot nu toe zijn er echter nog geen noemenswaardige problemen opgedoken. Eventuele problemen in de toekomst zullen op een pragmatische wijze aangepakt worden.

Algemeen beheer Om een vegetatierijk waterecosysteem met een heldere waterkolom te ontwikkelen en te handhaven in mesotrofe en eutrofe vijvers, zal biomanipulatie van het visbestand en een periodieke droogzetting van de vijvers onontbeerlijk zijn. Dit beheer wordt dan ook toegepast op alle vijvers waar dit mogelijk is. Ingrepen in het visbestand zijn nodig omdat een groot visbestand, gedomineerd door benthivore vissen (zoals Karper, Brasem), leidt tot een degradatie van het ecosysteem. Benthivore vissen woelen namelijk de vijverbodem om, en maken zo de waterkolom troebel en voegen extra nutriënten toe aan de waterkolom. De grotere zoöplanktonsoorten worden systematisch afgevreten door planktonetende vissen, waardoor dit zoöplankton niet talrijk genoeg meer voorkomt om overmatige ontwikkeling van algen (een gevolg van verhoogde nutriëntenconcentraties) te onderdrukken door begrazing. 124


Themanummer vijvers van de Di;levallei

Dit bijsturen van het visbestand omvat de totale verwijdering van het visbestand samen met de tijdelijke drooglegging, en het bepoten van de vijver met juveniele Snoeken (ongeveer zes weken oud, in hoge dichtheden) na het hervullen van de vijver. Deze leeftijdsklasse van Snoek predeert immers zeer efficiĂŤnt op juveniele vis en is, indien in voldoende hoge dichtheden aanwezig, in staat een sterke aangroei van het visbestand tegen te gaan. De massale opstoot van juveniele vis wordt dan tegenhouden zolang er voldoende Snoeken van een kleinere grootteklasse voorkomen en zolang de toestroom van jonge vis niet te groot is. De biomassa van de Snoeken zal echter toenemen (groei) en ze zullen zich dan uitsluitend gaan voeden met grotere vissen. De kleinere vissen worden dan ongemoeid gelaten (bvb. Blauwbandgrondel en juveniele Giebel. Karper en Brasem). Indien de vijver voldoende ingegroeid is, kunnen Snoeken zich voortplanten, waardoor dit probleem zich minder stelt. Als geen voortplanting van Snoek plaatsvindt, zal het visbestand al snel niet meer op afdoende wijze gedecimeerd worden. Met een voldoende korte droogzetcylus (minimum om de 6 jaar) moet een te grote visbestandaangroei voorkomen worden. Naarmate een vijver goed ingegroeid is, zal de helderwaterfase stabieler worden en zal de vijver een groter, gebalanceerd visbestand kunnen dragen, gekenmerkt door een hoge dichtheid a a n roofvissen, en e e n lage dichtheid a a n zoĂśplanktonetende e n bodemomwoelende vissoorten. D e natuurlijke draagkracht van vijvers i n onze regio wordt geschat op 200-300 kg vis per hectare.

'De wonderbaarlijke visvangst'.

Het periodiek verwijderen van bodemwoelende vissoorten vormt

een essentieel onderdeel van een natuurgericht vij"verbeheer. Foto: Jo Hendnks

125

l 1


Themanummer vijvers van de Di;ïeval/ei

De tijdelijke droogzetting van de vijvers maakt compactering en mineralisatie van de sliblaag mogelijk. Deze processen dringen eutrofiëring terug doordat de sliblaag dunner wordt en doordat een deel van nutriënten (stikstof) aan het systeem worden onttrokken door ondermeer denitrificatie. Verder laat een dunnere of afwezige sliblaag makkelijkere kieming van waterplanten toe. Het regelmatig droogzetten van de vijvers zal ook de aantrekkingskracht van de Dijlevallei voor doortrekkende steltlopers verhogen. Binnen enkele jaren zal immers jaarlijks een grote vijver drooggezet worden. Voor de ontwikkeling en instandhouding van vitale waterrietlanden is een seizoenale dynamiek in de waterpeilen noodzakelijk. De productiviteit van de vijvers in de Dijlevallei is enorm, zeker in de eutrofe vijvers (Grootbroek, V ijvers van Florival, Kliniekvijvers van Neerijse). Een zeer snelle verruiging en verlanding zijn dus te verwachten. Er zullen dan ook enorme beheerinspanningen moeten geleverd worden om dit proces tegen te gaan. Verwacht wordt dat als de waterrietlanden eenmaal in volle ontwikkeling zijn, deze om de 4-5 jaar gemaaid zullen moeten worden, hetgeen onmogelijk met klassiek beheermateriaal te realiseren is. De inzet van een amfibievoertuig met maaibalk is voor deze taak noodzakelijk.

Faunabeheer Naast de manipulatie van het visbestand is het faunabeheer beperkt tot het bestrijden van exoten. Ten aanzien van jacht wordt een uitdovingbeleid gevoerd. Jacht en natuurbehoud worden in deze waterrijke gebieden als onverenigbaar beschouwd. Het Grootbroek, de vijvers van Oud-Heverlee en de noordelijke Florivalvijvers zijn sinds de aankoop door het Vlaams overheid reeds volledig jachtvrij geworden. Op de zuidelijke vijver van Florival, een aantal van de kliniekvijvers van Neerijse en de Langerodevijver is de jacht echter nog verpacht. Voor Florival en Langerode is dat respectievelijk tot 2036 en 2011, voor de kliniekvijvers is er nog geen duidelijkheid. Het is echter wel uitdrukkelijk de bedoeling dat de jacht op al die vijvers binnen afzienbare tijd definitief tot het verleden zal behoren. Canadese Gans en Nijlgans Controle van de reproductie van deze soorten is aangewezen om een verdere populatietoename te voorkomen. Het zoeken van de nesten en het stevig schudden van eieren is een veel gebruikte techniek en werd in 2006 in het Grootbroek reeds toegepast. Vanaf 2007 zal dit meer systematisch en aan alle vijvers in het Dijleland worden uitgevoerd. Bejaging van de volwassen dieren wordt niet toegepast omwille van het sterk verstorende effect op de aanwezige inheemse fauna. Bovendien zouden de ganzen alerter worden en uitwijken naar andere gebieden. Amerikaanse Stierkikkers In het Grootbroek werd de aanwezigheid van Amerikaanse Stierkikker of Brulkikker vastgesteld. Deze kikkers eten in principe alles wat voor hun bek komt en erin past, inclusief kleinere soortgenoten of kleinere exemplaren van verwante soorten. Doordat ze kunnen uitgroeien tot reusachtige kikkers met een gewicht tot een halve kilogram kunnen ze ook vrij grote prooien aan. Grote populaties van Brulkikker vormen zo een bedreiging voor de inheemse padden en kikkers. Op verschillende plaatsen in Noord-Italië werd reeds aangetoond dat inheemse soorten verdwenen zijn· door het voorkomen van brulkikkers. Bestrijding van de soort is dus aangewezen, doch praktisch zeer moeilijk realiseerbaar omwille van haar erg verborgen levenswijze. Bestrijding wordt verder nog bemoeilijkt doordat zowel de larven als volwassen exemplaren van Brulkikker lijken op de inheemse Groene Kikker. Toevallig buitgemaakte exemplaren zullen echter steeds gedood worden.

126


Themanummer vijvers van de Dij/eva/lei

Herinrichting van de vijvers van Oud-Heverlee De herinrichting van deze vijvers gebeurt volledig in het kader van het natuurinrichtingsproject Dijlevallei, dat momenteel door de Vlaams Landmaatschappij in opdracht van het ANB uitgevoerd wordt. De visieontwikkeling voor dit natuurgebied is evenwel nog niet afgerond. De herinrichting ervan is dan ook niet voor morgen: voor 2009 zullen de werken zeker niet aangevat worden. De algemene visie bestaat erin alle vijverdijken weg te graven en de aanwezige Leibeek door de vijvers te leiden. Door stroomafwaarts de Leibeek op te stuwen zouden eveneens grote waterplassen ontstaan waarvan de oeverlijn bepaald wordt door de natuurlijke topografie en de stuwpeilen. Dit scenario moet echter nog verder in detail uitgewerkt worden. Uitgangspunt is in ieder geval dat manipulatie van het visbestand en het droogzetten van de vijvers mogelijk moet blijven. Een dergelijk project kan echter pas uitgevoerd worden indien geen afvalwater van Oud-Heverlee meer in de Leibeek terecht komt. Een nieuwe collector van Aquafin voorziet de afkoppeling van het afvalwater en de afvoer ervan naar een rioolwaterzuiveringsinstallatie. De inplanting van een overstort bleek echter noodzakelijk. Deze zal in eerste instantie gebufferd worden in een ondergronds bekken, en indien dit vol is , in tweede instantie in één van de kleinere vijvers ter hoogte van de Koebrug. De overloop zal naar de Dijle afgevoerd worden. Contaminatie van de overige vijvers met afvalwater wordt zo vermeden. Samen met een herinrichtingsvisie zal ook een nieuwe visie op toegankelijkheid ontwikkeld worden. In 2007 zal alvast aan de zuidelijke vijver een vogelkijkhut gebouwd worden die ook voor rolstoelgebruikers toegankelijk zal zijn. Aan zowel de zuidelijke als de noordelijke vijver zal eveneens een kijkwand geplaatst worden om fauna-observatie mogelijk te maken zonder verstoring van de fauna te veroorzaken.

Natuurontwikkeling in de Langerodevijver De Langerodevijver wordt net als de vijvers van Oud-Heverlee gevoed door bronwater waardoor het hier eenvoudiger zou moeten zijn om een heldere waterkolom met watervegetaties te handhaven dan in de vijvers van Florival of het Grootbroek te Sint-Agatha­ Rode. Net als in Oud-Heverlee echter, wordt er nog op verschillende plaatsen huishoudelijk afvalwater geloosd in de bronbeekjes. Anders dan voor de vijvers van Oud-Heverlee, wordt hier gekozen voor het behoud van de vijverdijken. Rietvegetaties zijn momenteel beperkt tot een smalle gordel her en der aan de oevers. Enkel in het zuiden van de vijver is reeds een bredere rietgordel aanwezig. Deze is echter sterk verbost en verruigd. Het natuurinrichtingsproject Dijlevallei voorziet de verwijdering van boomopslag en het maaibaar maken van het rietland in de zuidelijke zone. In het kader van dit project zal ook de zuidoostelijke dijk hersteld worden. De uitvoering van deze werken is voorzien in 2007. Nadien zal een lager waterpeil ingesteld worden zodat een groot waterrietland kan ontwikkelen in de ondiepe zones van de vijver (ongeveer tweederde van de huidige wateroppervlakte). Het noordelijke deel van de vijver is vrij diep (tot 1.5 m) en zal open water blijven.

127


Themanummer vijvers van de Di;leva!!ei

Figuur !.

Toekomstschets van de Langerodevijver te Neerijse. De begrenzing en de grootte van de

open waterzone is indicatief. De ligging van de hwdige vogelkljkhut wordt aangedwd met een bolletje.

Herinrichting van de Kliniekvijvers van Neerijse In dit vijvercomplex, dat bestaat uit tien kleine tot zeer kleine vijvertjes, is geopteerd voor het behoud van de vijvers in hun huidige vorm, ondermeer omdat ze zich bevinden in een deel van de Doode Bemde dat deel uitmaakt van het beschermde dorpsgezicht van Neerijse. De herinrichtingswerken zijn recent van start gegaan. Een aantal vijverdijken moet hersteld worden. Voornamelijk de noord- en de oostdijken hebben sterk te lijden van golfslag, maar ook de grote populieren van vroeger en de activiteiten van muskusratten hebben hun tol geĂŤist. Daartoe worden de dijken momenteel vrijgekapt. De watertoevoer dient hersteld te worden. De afdeling Water van de V laamse Milieumaatschappij (VMM) heeft daartoe de sluis op de IJse hersteld en de verdere toevoer zal in de loop van 2007 hersteld worden. De meest zuidelijke vijver is door gebrek aan voldoende water verregaand verbost. Die houtopslag zal verwijderd worden en de verlanding wordt eruit gehaald. De drie vijvers langs de IJse worden eveneens aangepakt. De zeer hoge dijken worden afgegraven, zodat watertoevoer wordt hersteld in een cascadesysteem. De dijken zullen opnieuw ontoegankelijk gemaakt worden. Twee van de kleinere vijvertjes tegen de voormalige tramdijk werden destijds illegaal aangelegd. Het is bijzonder moeilijk om ze te vullen en bovendien zorgen ze voor de zeer slechte begaanbaarheid van het naastliggende pad.

Die twee vijvertjes zullen dan ook

verdwijnen om plaats te maken voor bos. Net zoals in alle andere vijvergebieden wordt hier permanent een inspanning gedaan om de vijvers karpervrij te houden. Bijkomende moeilijkheid in dit gebied is echter dat de vulling van de vijvers hier gravitair gebeurt met IJsewater. Op de IJse stroomopwaarts van de Doode Bemde, zitten verschillende visclubs die karpers uitzetten. Het broed spoelt gewoon met de IJse mee, de vijvers in. Biomanipulatie (zie eerder) zou in de toekomst soelaas moeten brengen, hoewel de ervaringen met deze techniek nog erg beperkt zijn. 128


Themanummer vijvers van de Dij/eva/lei Herinrichting van het Grootbroek te Sint-Agatha-Rode De visieontwikkeling rond de herinrichting en het beheer van het Grootbroek is inmiddels afgerond, en zal vanaf 2007 door het ANB op het terrein worden uitgevoerd. Het verwijderen van alle dijken in dit natuurgebied zou het verdwijnen van watergebonden natuur tot gevolg hebben en is om natuurbehoudsredenen dan ook onverantwoord. Bovendien zou er aan een dergelijk project een onverantwoord hoog kostenplaatje verbonden zijn. Er werd derhalve geopteerd voor een globaal behoud van de vijvers. Om echter een meer geschikte uitgangssituatie te creëren voor natuurontwikkeling en om het peilbeheer te optimaliseren, worden een groot aantal ingrepen gepland. De dijken die om natuurbehoudsredenen overbodig zijn en waarvan de verwijdering een aanzienlijke landschappelijke of ecologische meerwaarde biedt, zullen weggegraven worden. Op langere termijn wenst het ANB ook een vernatting van de volledige komgrond te realiseren door de drainerende Leigracht op te stuwen. Op dit ogenblik is dit echter nog niet mogelijk aangezien niet alle bij een vernatting betrokken percelen eigendom zijn van de V laamse overheid. Om zowel een opstuwing van de Leigracht als peil beheer van de vijvers in de toekomst mogelijk te maken, zullen de nodige aanpassingen aan het vijversysteem doorgevoerd worden. Voor Oeverzwaluw en IJsvogel zal nabij de huidige vogelkijkhut een broedwand worden geplaatst. Daarmee wordt in de regio een duurzame broedplaats voor Oeverzwaluwen aangeboden. Landschappelijk zal er gestreefd worden naar een overwegend open, waterrijk gebied met grote oppervlakten waterriet en helder open water. Aangezien de meeste vijvers erg ondiep zijn, zullen delen ervan op termijn door beheer open gehouden moeten worden. In de periferie worden rietlanden (in allerlei vormen), grote zeggenvegetaties, moerasspirearuigten en struwelen beoogd. In 2005 werd de grote vijver drooggezet en afgevist. Deze was bij de aankoop erg troebel en nagenoeg vegetatieloos. Er was een enorm karperbestand aanwezig. In totaal werd maar liefst 17 ton karper van de vijver gehaald. De resultaten van deze maatregel in 2006 waren opmerkelijk en hoopvol: een heldere waterkolom met een grote verscheidenheid aan waterplanten en een sterke toename van de aantallen broedende watervogels (zie verder in dit nummer). Momenteel is de slechte waterkwaliteit van het gecapteerde water van de Marbaise een knelpunt voor de verdere ontwikkeling en handhaving van een ecosysteem met een heldere waterkolom. Door de grote toevoer van nutriënten is immers een grote productiviteit te verwachten. Om de vooropgestelde natuurdoelen te realiseren is het beperken van externe vervuiling van de vijvers essentieel, en zal een korte afvissing- en droogzetcyclus noodzakelijk zijn. De oorzaak van de slechte waterkwaliteit van de Marbaise zijn lozingen van huishoudelijk afvalwater in het Waalse dorpje Pécrot. De Waalse overheden hebben plannen om het huishoudelijk afvalwater van Pécrot aan te sluiten op het waterzuiveringsstation van Florival, maar de aanleg ervan wordt als niet prioritair beschouwd. Gezien het Europees beschermingsstatuut van het gebied (zowel habitat- als vogelrichtlijngebied) en het groot ecologisch belang van een grondig saneringsproject, zal het ANB intensief overleg voeren met de bevoegde Waalse overheden om dit probleem versneld en op een afdoende wijze op te lossen. Een ander belangrijk knelpunt betreft waterkwantiteit. Het waterpeil in de vijvers kan nu reeds in droge, warme perioden zeer laag komen te staan of plaatselijk zelfs droogvallen. Het debiet van de Marbaise is immers behoorlijk lager dan vroeger het geval was. Het grondwaterpeil is zeker in Wallonië stevig gedaald door grondwaterwinningen in Pécrot en dit heeft een verlaagde afvoer van de Marbaise tot gevolg. Van zodra waterriet tot ontwikkeling komt, impliceert dit een sterk verhoogde evapotranspiratie waardoor droogval niet uitgesloten is. Zeker in de toekomst zal extra aanvoer van water vanuit de Dijle noodzakelijk zijn.

129


Themanummer vijvers van de Di;leva//ei

Voor wat betreft recreatie werd beslist het gebied maar gedeeltelijk open te stellen voor het publiek, om verstoring van de fauna te beperken. Vanaf een parking zullen paden langs minder verstoringsgevoelige zones de bezoekers leiden naar twee goed gelegen observatiepunten, namelijk een observatietoren in het noordwesten, en een nieuwe vogelkijkhut nabij de huidige kijkhut. De oude hut zal nadien afgebroken worden. Het geplande bezoekerstracĂŠ sluit bovendien aan op de route van de bestaande Dijle & Laanwandeling te Sint-Agatha-Rode. Deze recreatieve infrastructuur zal op korte termijn gerealiseerd worden.

Herstel van de vijvers van Florival Door het verval van een stuw in de Dijle op de gewestgrens is de waterbevoorrading van vijvers van Florival sinds co 1990 weggevallen, waardoor alle vijvers drooggevallen zijn. De ecologische kwaliteit van het natuurgebied is in vergelijking met de vroegere situatie zeer sterk gedaald. Het ANB werkt momenteel een herstelproject uit dat gericht is op het opnieuw watervoerend maken van de vijvers en op een maximaal haalbare natuurontwikkeling. De uitvoering van de werken is voorzien in 2008.

Figuren 2 en 3.

Toekomstschets van het Grootbroek te Sint-Agatha-Rode (links} en de vijvers van

Florival (rechts} met aanduiding van observatiepunten, de wande/tracĂŠ 's en de parking. De ligging, vorm en grootte van de open waterzones zijn slechts indicatief. 130


__

Themanummer vijvers van de Dij/eva/lei

�------�

Het project voorziet het herstel van een aantal dijken en aanpassingen aan het vijversysteem. Via een pomp in de Dijle zullen alle voormalige vijvers in serie gevoed worden. Alternatieven voor deze erg kunstmatige wijze van watervoorziening zijn er niet. Uit een recente modellering van de Vlaamse Milieumaatschappij blijkt immers dat het onmogelijk is om de vijvers gravitair te vullen vanuit de Dijle, aangezien de vijvers te hoog liggen. De voormalige stuw op de Dijle aan de gewestgrens vormt een vismigratieknelpunt en zal aangepast worden. In de zuidelijke vijver (ten zuiden van de Florivalstraat) wordt een open waterzone en een groot waterrietveld beoogd, dat geleidelijk overgaat in drogere rietlanden en struweel. Een deel van de wilgenopslag in de vijver wordt behouden. Vanuit de zuidelijke vijver wordt water gravitair doorgevoerd naar de vijvers ten noorden van de Florivalstraat. Daar zullen de dijken tussen de verschillende drooggevallen vijvers worden weggegraven waardoor één grote vijver ontstaat. In de meeste zones zal zeer ondiep water aanwezig zijn

(10-40

cm) en worden

vooral waternet en andere vegetaties van ondiep water beoogd. Ook hier wordt een deel van het aanwezige wilgenstruweel behouden. De nog noordelijker gelegen Veeweidevijver wordt eveneens heringericht. Hier zal de oorspronkelijke komgrond hersteld worden. Via een brede gracht zal water vanuit de noordelijke Florivalvijver aangevoerd worden naar de Veeweidevijver. Het aanwezige houtopslag in de vijver zal mogelijk grotendeels verwijderd worden, waarna vooral grote zeggenvegetaties en rietland tot ontwikkeling zullen komen. Dit is echter nog niet beslist. In de periferie van de vijvers w orden vooral dottergraslanden, rietlan den, grote zeggenvegetaties en wilgenstruwelen beoogd. Alle vijvers zullen voorzien worden van een uitstroom naar de Dijle, zodat individuele droogzetting in functie van natuurbeheer mogelijk wordt. Door de voedselrijkdom van het aangevoerde (Dijle)water zal een korte afvissing- en droogzetcyclus noodzakelijk zijn. Naast de grote natuurwinst zal het project het gebied dat momenteel voor het publiek weinig aantrekkelijk en toegankelijk is, aantrekkelijker maken. Het project voorziet immers ook de aanleg van een parking, wandelpaden en de bouw van twee vogelkijkhutten.

Jo Hendriks Agentschap voor Natuur en Bos jo.hendriks@lne.vlaanderen.be

Piet De Becker Vrienden van Heverleebos en Meerdaalwoud vzw piet.de.becker@pandora.be

131


Themanummer vy·vers van de Dijlevallei

Vegetaties van ondiepe alkalische ionenrijke wateren Terwijl in troebele toestand amper plantenleven voorkomt, vertonen de Dijlevallei-vijvers na drooglegging en hervullen alle een opmerkelijke vegetatie-ontwikkeling.

Enkele leuke

vondsten dit jaar in Sint-Agatha-Rode vormen een goede aanleiding om eens stil te staan bij het voorkomen, de dynamiek en de kansen voor (onder)watervegetaties in de vijvers van de Dijlevallei.

Voorwaarden en bedreigingen De voor vegetaties sturende factoren in stilstaand wateren zijn de beschikbaarheid van licht en voedingsstoffen. Vermits de vijvers in de Dijlevallei alle alkalische (matig) ionenrijke wateren zijn, vormen voedingsstoffen geen beperkende factor (Pocket et al., dit nummer). Licht is vanwege het ondiepe karakter op het eerste gezicht geen probleem, maar vanwege de hoge mate van eutrofiëring en vertroebeling is dit weldegelijk de oorzaak van de quasi­ afwezigheid van (onder)watervegetaties in de meeste vijvers. Zoals ook elders in dit nummer beschreven, wordt de strijd om voedingsstoffen bij eutrofiëring gewonnen door algen (fytoplankton). De 'erwtensoep' zorgt er voor dat licht enkel in de bovenste laag van het water kan d o ordringen.

Gebrek aan l i c h t , de lage

zuurstofconcentraties (als gevolg van grote algenbiomassa) en de hiermee gepaard gaande vorming van een aantal voor planten toxische stoffen, leiden tot het afsterven van alle submerse (onderwater-) vegetatie. Dit is het kantelmoment waarin een soortenrijk vijver­ ecosysteem omslaat naar een soortenarm systeem. De troebelheid van het water wordt in stand gehouden door een onevenwichtig visbestand waarin bodemwoelende vissen dominant zijn. Begrazing van vissen of vogels op de watervegetatie blijken meestal niet de oorzaak van de verdwijning ervan. Een uitzondering is de Graskarper. Deze karperachtige is een uitgesproken vegetariër die watervegetaties kan uitroeien en wordt ingezet om weelderige watervegetaties te bestrijden. Het is een soort die zich niet kan voortplanten in ons klimaat maar wel een lange levensverwachting heeft.

Kolonisatie Verspreiding van de meeste waterplanten gebeurt via vogels. Zaden en stukken vegetatie kunnen via uitwerpselen verspreid worden of ze blijven kleven aan veren, poten en snavels. Daarnaast spelen recreatie (vissers en zeilsporten) een niet te onderschatten in het transport van zaden en vegetatief materiaal. Ook via visuitzettingen kunnen soorten worden geïntroduceerd. De laatste decennia blijkt het succes van tuinvijvers ook een aandeel te hebben de verspreiding van soms zeldzame planten. Een constante aanvoer van zaden en stukken vegetatie is verzekerd wanneer de vijvers worden gevoed door waterlopen met een goede kwaliteit. Bovendien is een vallei op zich een ecosysteem dat rijk is aan waterbiotopen en is de kans op kolonisatie vrij groot. Eens de planten zijn gevestigd en tot zaadproductie kunnen komen vormen de meeste waterplanten een zaadbank die vrij lang kiemkrachtig blijft.

132


Themanummer vijvers van de Dij/eva/lei

De vrij recente oorsprong van de vijvers speelt slechts in beperkte mate een rol in het al dan niet voorkomen van watervegetaties. De grote vijvers zijn alle aangelegd halfweg de twintigste eeuw. Gezien nieuwe, geïsoleerde vijvers in een periode van twintig jaar volledig gekoloniseerd kunnen door waterplanten, kan de leeftijd van de vijvers in dit geval geen beperking zijn.

Natuurlijke referenties? Natuurlijke equivalenten voor de kunstmatige vijvers als groeiplaatsen van watervegetaties vinden binnen het natuurlijk functionerend alluviaal ecosysteem van de Dijle is niet evident. In theorie zouden afgesneden meanders kunnen fungeren als een natuurlijke tegenhanger van de vijvers. Deze zijn eveneens voedselrijk, maar doorgaans dieper en zeker zelden droogvallend. De komgrond-moerassen, en dan vooral de natste zones ervan, zouden ook als een natuurlijke 'referentie' kunnen dienen. Doorgaans zijn deze moerassen echter minder voedselrijk en zeker niet zo dynamisch. Toch zijn vanuit deze beide biotopen verschillende soorten in staat om de door mens gecreëerde biotopen te koloniseren. Het zijn vooral verschillende plantensoorten van oevervegetaties van waterlopen die in de vijvers hun kans zien. Deze soorten zijn immers voedselrijke en erg dynamische situaties gewend. Daar waar deze soorten tijdens het 'viskweek' -beheer slechts een zeer kleine oppervlakte konden, krijgen ze sinds kort en in de toekomst meer kansen. De referentie voor vegetaties van alkalische ionenrijke plassen is een soortenrijke samenstelling waarin e e n diversiteit aan groeivormen aanwezig i s (tabel 1) en een aantal verstoringsindicatoren (tabel 2) niet of in lage abundanties voorkomt. Tabel 1 lijst een aantal typische groeivormen van d e referentiesituatie op. De aanwezigheid van een cyanobacteriële film (blauwalgen) wordt als een negatieve indicatie ervaren. Het voorkomen van deze groeivormen garandeert een rijk ecosysteem met een zeer gevarieerde fauna. Heel wat zeldzame en minder zeldzame diersoorten (zoals Woudaap, Dodaars, vissen, libellen, waterkevers, ...) zijn gebonden aan de aanwezigheid van meerdere groeivormen en zijn vooral gebaat bij bepaalde vegetatiestructuren. Tabel 1. Groeivormen voor alkalische (matig) ionennjke wateren, gebaseerd op Leyssen et al. (2005). Gebruikte symbolen:

+:

typisch; 0: niet typisch; -: verstoring.

Lemniden (kroossoorten)

+

Grote pleustofyten (Kikkerbeet, Krabbenscheer, ... )

+

Ondergedoken zwevend (hoornblad, lever- en watermossen)

+

Chariden (kranswieren)

+

Magnopotamiden (breedbladige fonteinkruiden)

+

Overige wortelende caulescente hydrofyten (waterpest, vederkruid, ranonkels, smalbladige fonteinkruiden, sterrenkroos, ...)

+

Nymphaeïden (waterlelies, plomp, drijvende fonteinkruiden, Watergentiaan, ... )

+

Vallisneriden (vallisneria; facultatief: egelskoppen, vlotgrassen. Pijlkruid ... )

0

lsoëtiden (Waterlobelia, Oeverkruid, Moerasweegbree, Pilvaren, Naaldwaterbies, glaskroos ... )

0

Kleine- en middelgrote oever- en moerasplanten (kleine zeggen, pitrus, zuring, .. . )

+

Grote monocotylen (grote zeggen, riet, lisdodde, mattenbies, ...)

+

Veenmos

0

Cyanobacteriële film

-

133


Themanummer vijvers van de Dij/eva/lei

Een reeks andere soorten waterplanten en algen wijzen op verstoringen van de referentie­ situatie (tabel

2). Wanneer deze soorten een grote bedekking innemen (grote biomassa­

productie) zijn ze indicatief voor eutrofiëring. Bij het natuurgericht beheer tracht men het voorkomen en/of de abundantie van deze soorten te minimaliseren.

Tabel 2. Verstoringsindicatoren voor alkalische (matig) ionenrijke wateren, gebaseerd op Schneiders et al. (2003). Watervegetatle Gedoomd hoornblad, Ongedoornd hoornblad, Klein kroos, Schedefonteinkruid, Veelwortelig kroos,

Zannichellia

Oevervegetatie Goudzuring, Blaartrekkende boterbloem, Grote brandnetel, Liesgras, Harig wilgenroosj e, Grote kattenstaart, tandzaden, ...

Neofyten Grote waternavel, Parelvederkruid, Waterteunisbloem, Watercrassula, Dwergkroos, ...

Filamenteuze algen darmwier (Enterromorpha spec.) ,

waternetje

(Hydrodiction

spec.) , draadwieren

Cyanobacteriële film Blauwwierbloei

Dynamisch beheer en pioniervegetaties Het geplande beheer van de vijvers bestaat erin om de vijvers in cycli van een vijftal jaar volledig droog te leggen en terug te vullen (Hendriks & De Becker, dit nummer). Dit heeft als gevolg dat bijna alle watervegetatie afsterft. De meeste van waterplanten vormen evenwel zaden, winterloten of sporen die lang in het slib kunnen overleven, waardoor vegetaties zich kunnen 'herstellen'. Het droogleggen is momenteel een noodzakelijke maatregel om tijdelijk een gunstig milieu te scheppen (helder water) waarbij nutriënten in mindere mate beschikbaar zijn en dus ontwikkeling van vegetatie toelaten. Dit impliceert wel dat de meeste van de huidig voorkomende soorten een pionierskarakter hebben. Een aantal groeivormen die geen uitgesproken pionierskarakter bezitten (zoals nymphaeïden en pleustofyten) hebben hiermee mogelijks meer problemen. Zo is het opvallend dat in de vijvers niet of nauwelijks soorten als waterlelie, plomp of kikkerbeet voorkomen. Uitgesproken pioniers vormen de groep van de kranswieren. Het zijn vrij primitieve, meercellige groenalgen. Ze lijken op het eerste zicht op waterplanten zoals hoornblad of vederkruid. Ze vormen veelvuldig sporen, die lang in bodem of slib kunnen bewaren. Indien gunstige omstandigheden aanwezig zijn kunnen ze massaal kiemen en snel grote aaneengesloten vegetaties vormen ('chara-weiden'). In ionenrijke wateren vinden we vooral soorten van het geslacht

Chara

(kransblad). In de Dijlevallei zijn recent volgende soorten aangetroffen:

(Chara globularis) te Oud-Heverlee Noord (2001) en in het Grootbroek (2006), Brokkelig kransblad (Chara contraria) in het Grootbroek (2006) en Chara vulgaris.

Breekbaar kransblad

Binnen de groep van de kranswieren prefereren de aangetroffen Chara-soorten de voedselrijkste standplaatsen. Gebieden waar Chara contraria massaal (chara-weiden) en blijvend voorkomt, komen in aanmerking voor bescherming onder de Europese habitatrichtlijn (habitattype vegetaties'). 134

3140 'Kalkhoudende oligo-mesotrofe wateren met bentische Chara spp.


�������

__

Themanummer vijvers van de Dij/eva/lei

(Nitella mucronata) te verwachten. (Nifella syncarpa) en Vertakt boomglanswier ( Tolypella infricata) zijn historische vondsten(< 1950) gekend. Deze twee soorten zijn momenteel respectievelijk met uitsterven bedreigd en lokaal uitgestorven in V laanderen (Denys et al., 2003). Vertakt Verder valt in de Dijlevallei nog Puntdragend glanswier Van Vruchtrijk glanswier

boomglanswier is een pionier van nitraat- en fosfaatarme wateren en bovendien een uitgesproken voo�aarssoort waardoor hij vaak over het hoofd wordt gezien. De milieucondities zijn echter momenteel niet geschikt. Vruchtrijk glanswier is een soort van helder kalkarm en voedselrijk water. Het is niet duidelijk wat de kansen zijn voor het terug voorkomen van deze soort in de Dijlevallei.

Huidige situatie In de vegetatie-ontwikkeling volgend op het droogzetten en het terug vullen van de vijvers in de Dijlevallei kunnen een aantal duidelijke fasen onderscheiden worden. Momenteel wordt deze ontwikkeling sterk beïnvloed door eutrofiëring.

Eerste fase: droogvallen en snelle verlanding De eerste fase wordt ingezet tijdens droogstond. Soorten van voedselrijke, natte standplaatsen kiemen op de slikvlakte: Blaartrekkende boterbloem, Grote waterweegbree, Grote kattenstaart, Goudzuring, tandzaden en Waterzuring zijn er maar enkele. De successie gaat zeer snel en hogere soorten als Grote lisdodde, Liesgras en Rietgras, en in mindere mate Riet, nemen de overhand. Al bij het begin kiemen wilgen (Grauwe, Bos- en Schietwilg) die vervolgens deze verlandingsfase in korte tijd finaliseren(broekbos) en de kruidige vegetatie verdringen indien de vijver niet opnieuw wordt gevuld. In één van de vijvers van de Doode Bemde houdt de lisdodde-vegetatie reeds lang stand. In andere vijvers, zoals Florival, rukt Riet al even snel op en zal vooral verbossing sneller optreden (<

10 jaar).

Tweede fase: eerste jaren na vullen van de vijver Meestal wordt de vijver weer gevuld nog voor de verbossing compleet is.

Deze situatie

maakt de standplaats niet meer geschikt, de vegetaties sterven af. De slibbodem heeft de tijd gehad om te mineraliseren en vooral in te klinken. Hierdoor zijn voedingstoffen tijdelijk onbeschikbaar en is de standplaats geschikt geworden voor pioniersvegetaties in het water. De afstervende vegetaties maken dat veel organisch materiaal op de vijverbodem achterblijft. Dit organisch materiaal zal op sommige plaatsen accumuleren waardoor plaatselijk geen geschikt pioniersmilieu aanwezig is. De kieming vindt plaats door zaden en sporen die in de(slib)bodem zijn bewaard gebleven. De vegetatie wordt gedomineerd door fijnbladige fonteinkruiden (Tenger, Haar- en Schedefonteinkruid; ondermeer alle aangetroffen in Grootborek in zomer

2006) en

kranswieren (zie hierboven), aangevuld met hele reeks andere soorten zoals Stijve waterranonkel,

Zannichellia pa/ustds, Smalle waterpest, Gedoomd hoornblad en Gekroesd

fonteinkruid die in lagere bedekkingen aanwezig zijn. Ontkieming van een zeldzamere soort als Drijvend fonteinkruid werden reeds vastgesteld (Grootbroek,

2006). De lemniden worden

vertegenwoordigd door Bultkroos, Veelwortelig kroos, Klein kroos en Dwergkroos.

135


Themanummer vijvers van de Dij/eva/lei

Derde fase: eerste verschijnselen van eutrofiëring De voedingsstoffen worden terug beschikbaar (verweking van slibbodem, vis, nutriëntentoevoer) en sommige soorten worden dominant. Schedefonteinkruid en Gedoomd hoornblad worden de dominante soorten ten nadele van de andere soorten. Draadwieren komen te voorschijn en vormen drijvende lagen samen met darmwier en waternetje. In de luwe zones komen lemniden dominant voor. Het kantelmoment is bereikt.

Vierde fase: algenbloei en vertroebeling De (onder)watervegetaties verliezen de strijd voor licht en voedingsstoffen, en er treed algenbloei op. Schedefonteinkruid, Gedoomd hoornblad en Zanniche//ia palustds krijgen het moeilijk om tenslotte te verdwijnen. Enkel Klein en Kleinst kroos komen nog voor als drijvende groeivorm. Het water vormt een 1 erwtensoep' en blauwwieren zijn aanwezig. Deze laatsten kunnen toxines vormen die dodelijk kunnen zijn voor de aanwezige waterfauna (incl. watervogels).

Te verwachten soorten Indien in de toekomst eutrofiëring kan vermeden worden kunnen een groot aantal soorten opduiken die indicatief zijn voor een goede ecologische kwaliteit in ondiepe alkalische ionenrijke wateren. Tabel 3 geeft per groeivorm een selectie weer van mogelijk te verwachten soorten op basis van hun typespecificiteit voor het watertype, huidig en historisch voorkomen.

Moge/Jjk te verwachten soorten in de alkalische (matig) ionenrijke vijvers in de Dijle vallei bij. terugdringen van eutrofiën"ng. Soorten aangeduid met werden recent waargenomen in de vijv · ers van de Dijlevallei.

Tabel 3.

*

Lemniden

Kroosmos (Ricciocarpos natans)

Grote pleustofyten

Kikkerbeet (Hydrocharis morus-ranae)

Ondergedoken zwevend

Gewoon blaasjeskruid ( Utricularia vulgaris)

Chariden (kranswieren)

Brokkelig kransblad (Chara contraria)*, Buigzaam glanswier (Nitella flexils i ),

Stekelharig kransblad (Chara hispida), Vertakt boomglanswier

(Tolypella intricata), Vruchtrijk glanswier (Nitella syncarpa) Magnopotamiden

Glanzig fonteinkruid (Potamogeton lucens), Doorgroeid fonteinkruid (P. perfoliatus),

Paarbladig fonteinkruid (Groenlandia densa), Groot

nimfkruid (Najas manna) Overige wortelende caulescente hydrofyten

Klein nimfkruid (Najas minor), Spits fonteinkruid (Potamogeton acutifolius), (P.friesÎI),

Plat fonteinkruid (P. compressus), Puntig fonteinkruid

Stomp fonteinkruid (P. obtusifolius), Kransvederkruid

(Myriophyllum verticillatum),

waterranonkels (Ranunculus sectie

Batrachium)*

Nymphaeïden

Gele plomp (Nuphar lutea), Drijvend fonteinkruid (Potamogeton natans)*,

Watergentiaan (Nymphoides peltata)

Kleine en middelgrote oever-

Pijlkruid (Butomus umbellatus)*, Eivormige waterbies (Eleochans ovata),

en moerasplanten

Rosse vossenstaart (Alopecurus aequa/1s), Grote boterbloem (Ranunculus lingua), ...

grote monocotylen

Mattenbies (Scirpus lacustris)*, rietkragen in water (Phragmites australts)*

136


Themanummer vijvers van de Di;levollei

De oeverplanten Eivormige waterbies en Rosse vossenstaart zijn typische soorten van droogvallende vijvers. In het verleden werd in Veeweide

(< 1950)

ook Naaldwaterbies

(Eleochoris ociculoris) aangetroffen. Dit is een vertegenwoordiger van ondiepe wateren die voedselarm tot matig voedselrijk zijn met soms wisselde waterstanden. Sinds die ene waarneming is de soort er verdwenen wegens de te grote voedselrijkdom en/of de daarmee gepaard gaande successie. In deze lijst is verder één geslacht heel specifiek voor de streek omdat één van de zwaartepunten van hun historische verspreiding in Vlaanderen zich in de omgeving van Leuven en het Dijleland situeert. Het betreft de twee soorten nimfkruiden. Groot nimfkruid (Nojos marina) werd in de (warme) nazomer van van ruwweg

100 jaar in het

2006 na

een afwezigheid

Leuvense aangetroffen in het Provinciaal Domein van Kessel-Lo.

Voordien zijn oude waarnemingen bekend uit de vijvers van de Abdij van 't Park en het Zoet Water. In het Bulletin de la Societé Royale de Botanique de Belgique nr.

22

in

1883

schrijft

Charles Baguet onder Najas major: "Il y a longues onnées que la plante est connue à Pare.

Mais notre oml dans les derniers mais de sa vie (bedoeld wordt Oscar Hecking, nvdr), à trouvé une nouvelle station du Naias dons les étongs du Soetwoter. Nous ovons désormois, dans la zone arg1!0-soblonneuse, deux stations de cette rarissime espèce". Begin twintigste eeuw bezocht Jean Massart hiervoor het Zoet Water voor zijn boek 'Pour la protection de la nature en Belgique'

(1912)

(med. Luc Vervoort). Groot nimfkruid is een warmteminnende

soort van voedselrijke wateren. Klein nimfkruid (Najos minor) wordt vermeld van Egenhoven rond

1860

met volgende

vermelding: "Eegenhoven près Louvain, fossée (grachten) et étangs (meer)" en andere vermelding vermeldt "fossées o Hever/ée" (med. Wouter Van Landuyt, floradatabank). Deze soort is wellicht iets kritischer wat betreft zijn standplaats. Beide gegevens tonen aan dat er potenties aanwezig zijn voor deze soorten in de Dijlevallei.

Riet en/of lisdodde ? In de Dijlevallei is het niet duidelijk of Riet dan wel Grote lisdodde de bovenhand neemt in de eerste fase van kolonisatie. In het algemeen kan gesteld worden dat lisdodde het meeste optreedt.

De soort is daartoe ook gespecialiseerd en ontkiemt al bij lage waterstanden.

Hierdoor heeft ze een voorsprong op soorten die pas bij droogstond kiemen zoals Riet. De kieming wordt bevordert door zuurstofloosheid, een kenmerk van ondiep, eutroof water. Pas bij volledige droogstond kan Riet zich vestigen. Eenmaal gevestigd kan Riet zich echter gedurende langere tijd uitbreiden (via wortelstokken) en langer stand houden. Lisdoddevegetaties kunnen immers niet tegen golfslag, wanneer al dan niet periodiek water opnieuw in de vijver komt. De kolonisatie van de vijvers rond Florival zijn voorbeelden van goed ontwikkelde rietvegetaties, alsook de zuidelijke zone van de vijver van Neerijse Grote bron. Dichte rietkragen die bij voorkeur ook permanent in het water vormen rijke habitats voor heel wat fauna-elementen, dit in tegenstelling tot lisdoddevegetaties. In het verleden is in het Dijleland nooit sprake geweest van de vestiging van een andere verlander: Mattenbies. In Heverlee Noord. In

2006

2001

werd Mattenbies aangetroffen in een gracht langs Oud­

werd de soort op twee nieuwe lokaties waargenomen: in het

Grootbroek in Sint-Agatha-Rode en in de reservaatspoel in de zandgroeve van Neerijse. Deze soort vertoont aanpassingen als lisdodde wat betreft kieming en is beter bestand tegen 137


Themanummer vi/vers van de Di/leva/lei

golfslag en hogere waterstand. In die zin kan ze naast vrij dichte vegetaties langs de oever ook ijle vegetaties in het water vormen en hiermee structuurverrijkend werken. Op V laamse schaal is het een waardevolle verschijning.

Invasieve waterplanten Door de toenemende populariteit van tuinvijvers zijn de laatste decennia een aantal 'tuinvijver'soorten ook in de natuur hun plaats aan het opeisen. Ze worden als tuinafval ergens geïntroduceerd en kunnen via deze weg plassen en waterlopen koloniseren. Sommige soorten zijn hierbij zo succesvol dat ze anderen inheemse soorten dreigen te verdringen. Ze verhinderen ook de zuurstofopname van het water doordat ze grote aaneengesloten drijvende vegetatiepakketten vormen. In de Dijlevallei werden reeds populaties opgemerkt van Grote waternavel, Waterteunisbloem, Dwergkroos, Grote kroosvaren en Watercrassula. Ze dienen op een goede manier verwijdert te worden. De opmars van Dwergkroos is echter niet meer tegen te houden.

Besluit De vijvers in de Dijlevallei hebben de potentie om waardevolle watervegetaties te herbergen. Hiervoor moet de aanvoer van nutriënten en de aanvoer van sediment drastisch worden verminderd. Bij een eventueel verbeterde waterkwaliteit vormt de aanwezige sliblaag in de meeste vijvers een hypotheek op de ontwikkeling van een stabiel en soortenrijk ecosysteem. In afwachting hiervan kan enkel een tijdelijke goede ecologische kwaliteit worden verkregen door de vijvers periodiek leeg te laten. Bij het vullen ontstaan hierdoor tijdelijk goede pionierssituaties in het water. Deze situatie kan door een actief biologisch beheer duurzamer worden gemaakt. Zowel bodemwoelende vissen als invasieve waterplanten vormen immers een bedreiging voor de aanwezige watervegetatie. Zowel vanuit floristisch als faunistisch oogpunt dient gestreefd naar het voorkomen van verschillende groeivormen in het water en rietvegetaties langs de oever en in het water.

Dankwoord

Voor dit artikel konden we ondermeer een beroep doen op de inventarisatiegegevens van Jo Hendriks (Grootbroek, 2006). Maarten Hens speurde ijverig naar mee naar planten op het slik in Oud-Heverlee Zuid (2005) en onder water in het Grootbroek (2006).

Referenties Denys L., Geysels J. & Pocket J. (2003) Kranswieren (Characeae) in Vlaanderen: verspreiding en bedreiging. Natuur.Focus 4: 145-156. Leyssen A., Adriaens P., Denys L., Pocket J., Schneiders A., Van Looy K. & Vanhecke L. (2005). Toepassen van verschillende biologische beoordelingssystemen op Vlaamse potentiële interkalibratielocaties overeenkomstig de Europese Kaderrichtlijn Water - partim "macrofyten". Rapport van het Instituut voor Natuurbehoud IN.R.2005.05, Brussel. Schneiders, A., Denys, L., Jochems, H., Vanhecke, L., Triest. L" Es, K., Pocket, J" Knuysen, K. & Meire, P. (2003). Ontwikkelen van een monitoringsysteem en een beoordelingsysteem voor macrofyten in oppervlaktewateren in Vlaanderen overeenkomstig de Europese Kaderrichtlijn Water. Instituut voor Natuurbehoud, Nationale Plantentuin van België, Universiteit Antwerpen en Vrije Universiteit Brussel.

Jo Pocket

Bart Vercoutere

Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek

bverc@scarlet.be

jo.packet@inbo.be 138


Themanummer vijvers van de Dij/eva/lei

De vijverlibellen van de°rî>ijlevallei In de Dijlevallei neemt het oppervlaktewater een prominente plaats in.

De Dijle en haar

zijrivieren, worden langs weerskanten begeleid door een stelsel van grachten en kleine en grotere vijvers die een grote aantrekkingskracht uitoefenen op tal van aan water gebonden planten en diersoorten.

Libellen vormen daarop geen uitzondering.

Toch blijkt uit de

gloednieuwe atlas van de Libellen van België (De Knijf 2006) dat de Dijlevallei ten zuiden van Leuven eerder een soortenarme vlek vormt. Het is inderdaad zo dat de plassen en vijvers van de Dijlevallei aanvankelijk nog de gevolgen droegen van jarenlange viskweek en daardoor van lage waarde bleken voor libellen. Waarnemingsgegevens verzameld in 2005 en 2006 wijzen er anderzijds op dat het Dijleland wel degelijk een aanzienlijke soortenvariatie herbergt, onder meer door een veranderend gebruik en beheer van de aanwezige vijvers waardoor goede omstandigheden werden gecreëerd voor enkele minder courante libellensoorten.

In deze bijdrage gaat de aandacht uit naar de libellensoorten

gebonden aan vijverhabitats in de Dijlevallei.

Inleiding Wanneer we het hebben over vijverhabitats in de Dijlevallei, denken we in de eerste plaats aan de voormalige viskweekvijvers die in de vorige eeuw werden aangelegd met het oog op efficiënte afvismethoden en een jaarlijks verzekerde opbrengst.

Veelal zijn rond deze

plassen rechtlijnige dijken opgetrokken die weinig natuurlijk ogen in het valleilandschap. De vijvers worden verder gekenmerkt door hun geringe diepte en hun zogenaamd "badkuipprofiel"; een gelijkmatige bodemoppervlak en steile oevers. Via een buizen- en grachtensysteem worden deze vijvers gevoed met water uit naburige waterlopen.

Dit

aangevoerde water is zonder uitzondering voedselrijk, wat in combinatie met de ondiepte van de vijvers tot een snelle eutrofiëring leidde. De eenzijdige structuurkenmerken van de voormalige visvijvers doen op het eerste gezicht vermoeden dat de vijvers van de Dijlevallei onderling weinig variatie vertonen op het vlak van flora en fauna en libellen in het bijzonder. Wanneer we een blik werpen op de recent verzamelde libellenwaarnemingen van de afzonderlijke vijvers, dan merken we wel degelijk verschillen in soortensamenstelling en aantallen van libellen. Deze verschillen zijn niet enkel terug te brengen tot lokale vijvereigenschappen zoals grootte, diepte en ligging. Naast dit morfologisch en topografisch perspectief, dient de variatie in soortensamenstelling eveneens gekaderd te worden in de specifieke toestand waarin de plas zich bevindt. Immers, na het stopzetten van het traditionele vijverbeheer door de viskwekers in de Dijlevallei, werd een deel van de vijvers overgeleverd aan spontane ontwikkelingsprocessen, terwijl een ander deel van de vijvers bijgestuurd werd door een natuurtechnisch beheer. Hierdoor vinden we tegenwoordig een aanzienlijke variatie tussen de vijvers onderling voor variabelen zoals de helderheid van het water, de aanwezigheid en soortensamenstelling van vis, de watervegetatie en de diepte van het water. Deze factoren staan niet op zichzelf, maar beïnvloeden elkaar op een complexe wijze en spelen tezamen een sleutelrol in het voorkomen van libellen.

Typologie van de vijvers: abiotiek, biotiek en libellenfauna Een typische vijver in de Dijlevallei na het stopzetten van de viskweek wordt gekenmerkt door een modderige bodem, troebel water, het ontbreken van ondergedoken waterplanten en een arme, door triviale soorten gedomineerde libellenfauna. Vijvers waar geen specifieke maatregelen genomen worden, blijven deze toestand behouden: het visbestand blijft artificieel hoog en gedomineerd door bodemwoelende vis, met vaak een aanzienlijke 139


Themanummer vijvers van de Di;levallei ��������-

bijmenging van exoten. Doordat ook het jaarlijkse aflaten voor het vangen van de vis uitblijft, neemt de eutrofiëring vaak verder toe en krijgen ondergedoken waterplanten geen kans. Om te ontkomen aan deze toestand zijn drastische ingrepen noodzakelijk, zoals drooglegging, ontslibbing of afvissing. Deze maatregelen genereren doorgaans een 'boost' van de lokale libellenfauna, zowel voor wat aantallen als de soortenrijkdom betreft. Een vijver die dergelijke natuurtechnische maatregelen ondergaat, doorloopt verschillende opeenvolgende fases, die elk gekenmerkt worden door specifieke lokale omstandigheden en een typische libellenfauna. Type 1

-

De troebele visvijver

Dit type vijver wordt gekenmerkt door troebel en (sterk) eutroof water. Een actueel voorbeeld hiervan zijn de vijvers van het Zoet Water.

Er zijn geen ondergedoken waterplanten, de

oevervegetatie is doorgaans beperkt. De visfauna is zeer artificieel en wordt gedomineerd door bodemwoelers zoals Karper

( Cyprinus carpio)

en Brasem

(Abramis brama).

De

libellenfauna van dergelijke vijvers is uiterst arm. Slechts enkele soorten zijn in staat om te overleven bij een dergelijk hoge vispredatiedruk en bij afwezigheid van goede schuilmogelijkheden. Oeverlibel

Typische soorten zijn Lantaarntje

( Orthetrum cancellatum).

(!schnura elegans)

en Gewone

Wanneer voldoende zuurstof aanwezig is kan ook de

Breedscheenjuffer, die een typische 'vissoort' is, talrijk voorkomen. Wanneer overhangende bomen en struiken aanwezig zijn kan ook de Houtpantserjuffer

( Chalcolestes virirdis) opduiken.

Het voorkomen van overige soorten is afhankelijk van en beperkt tot de kleine 'verloren' hoekjes met oevervegetatie.

Boven: Heldere, visloze plassen met een geva­ rieerde watervegetatie vormen nj"ke li bellen­ bio topen. Uiterst links: Zwervende heidelibel, een nieuwkomer uit het zuiden. Links: Plasrombout, een s oort van grotere, zuurs tofnjke en sp aar­ zaam begroe ide plassen. F oto's geno men in het Grootbroek, Sint-Agatha­ Rode 2006. (FrederikRuylj

140


Themanummer vijvers van de Di;levallei

Type 2

-

Pioniersplassen

Dit vijvertype laat zich kenmerken door ondiep, snel opwarmend water met weinig tot geen vegetatie. Deze toestand doet zich kortstondig voor bij alle vijvers tijdens de eerste fase na drooglegging. De vijver kan helder of troebel zijn, maar is steeds visloos of -arm. Deze toestand is vaak slechts kortstondig aanwezig (enkele maanden), omdat het een vroeg en kortdurend successiestadium is bij vijvers die recent werden leeg gelaten. Het meer natuurlijk equivalent van dit vijvertype zijn de visloze, onbeschaduwde, onregelmatig uitdrogende poelen en plassen; of meer artificeel, de poelen en kuilen die we terugvinden in de zandgroeves of tijdelijke afgravingen. De libellenfauna wordt gekenmerkt door visgevoelige pionierssoorten: Tengere Grasjuffer (lschnura pum!lio), Zwervende Pantserjuffer (Les fes barbarus), Gewone Pantse�uffer (Lesfes sponsa) en recent de Zuidelijke Oeverlibel (Orthetrum brunneum). Deze laatste soort is een echte zonneklopper, die weinig specifieke habitateisen stelt, als het maar lekker warm is. Dit vijvertype is niet soortenrijk, maar herbergt soorten die zeer specifiek zijn, en niet in de andere vijvertypes kunnen voorkomen door hun hoge visgevoeligheid en/of voorkeur voor hoge temperaturen. Type 3

-

Ondiepe vegetatierijke vijvers

Het betreffen zeer heldere vijvers met quasi minerale bodem, en meest kenmerkend met een uitgebreide vegetatie van ondergedoken (fonteinkruiden en kranswieren) en kleinere drijvende waterplanten (drijvende fonteinkruiden, veenwortel). Het is een vijvertoestand die doorgaans volgt op vijvertype 2, vaak al tijdens het eerste jaar na de drooglegging. Het water is matig tot zeer voedselrijk en de visstand is relatief laag. Aspectbepalend zijn de kleinere planktoneters (vaak gedomineerd door de snel koloniserende Blauwbandgrondels Pseudorasbora parva) en idealiter ook viseters (Snoek Esox /ucius, Baars Perca fluviafllis), maar deze laatste ontbreken meestal. De libellenfauna is uitgeproken soortenrijk. Kenmerkende soorten binnen de regio van het Dijleland zijn de Bruine Winte�uffer (Sympecma fusca), de Watersnuffel (Enallagma cyathigerum), Viervlek (Libel/ulo quadrimaculata) en Zwervende Heidelibel (Sympetrum fonscolomb1i). Bijkomende interessante soorten die vaak in dit vijvertype voorkomen zijn de Gewone Pantserjuffer (Lestes sponsa), Plasrombout (Gomphus pulchellus), Glassnijder (Brachytron pratense) en Smaragdlibel (Cordulia aenea). Het zijn soorten die als typerend doorgaan voor mesotrofe systemen met een divers maar niet talrijk visbestand en veel onderwater vegetatie, vijvers zoals we die tegenwoordig maar weinig meer terugvinden. De meeste soorten zijn licht vistolerant, maar enkel mits voldoende schuilmogelijkheden onder de vorm van waterplanten aanwezig zijn. Type 4

-

Ondiepe visvijver met ondergedoken waterplanten

Dit vijvertype is een wat libellenarmere versie van de bovenstaande, met gemiddeld troebeler water, een hogere visdensiteit, en minder ondergedoken waterplanten. Als referentievijver voor dit type noemen we de Langerodevijver te Neerijse en de vijvers van Abdij van Park anno 2006. Het is een onstabiele toestand die bij verstoringen kan omslaan naar een troebele, waterplantloze toestand vergelijkbaar met type l. Binnen de Dijlevallei waar alle vijvers voedselrijk zijn en ook constant gevoed worden met voedselrijk water en waarbij vis snel kan herkoloniseren vanuit de aan- of afvoerende beken, is dit een onvermijdelijk vervolg op het heldere en waterplantrijke vijvertype 3 en een scharniertoestand naar het troebele vijvertype l. De typische soorten zijn een subset van de soorten die we kunnen aantreffen in vijvertype 3. Het zijn onder andere de Bloedrode Heidelibel (Sympetrum sanguineum), de Vuurlibel (Crocothemis erythrea), de Paardenbijter (Aeschna mixta), en de Grote Keizerlibel (Anax imperator). Deze soorten staan gekend als gemiddeld tot goed vistolerant.

141


Themanummer vijvers van de Di;leval/ei

Type 5 Ondiepe, dichbegroeide vijver (verlandlngsfase) -

Een laatste vijvertype wordt gevormd door voedselrijke, rijkelijk begroeide ondiepe vijvers met uitgebreide verlandingssituaties. De serie vijvertjes in het noorden van het Grootbroek, maar ook de educatieve amfibieënpoel van de Doode Bemde behoren tot dit type. Er is een beperkte open wateroppervlakte doordat lisdodde ( Typha sp.) Liesgras ( G/yceria maxima), Holpijp (Equisetum nuviat1le), en Pitrus (Juncus effusus) geleidelijk het wateroppervlak dichtgroeien. Theoretisch kan men ze als een vergevorderd successiestadium van ondiepe, voedselrijke vegetatierijke vijvers zien, bij de overgang naar de vorming van laagveen. Door hun ondiepte is slechts weinig vis aanwezig. Typische soorten die men hier kan aantreffen zijn Glassnijder (Brachytron pratense) en eventueel Tangpantserjuffer (Lestes dryas), hoewel deze laatste nog niet in het besproken gebied werd waargenomen. Verder vinden we een aantal soorten die we ook aantreffen in vijvertype 3. Ondanks de lage vispredatiedruk komen de visgevoelige soorten van vijvertype 2 maar zelden voor. Deze soorten vereisen meestal een snelle opwarming van het water, terwijl het water in dit vijvertype relatief koel blijft door beschaduwing door de uitbundige begroeiing. ,

Recente evoluties in de Dijlelandse libellenfauna Zoals duidelijk blijkt uit de typologie van de vijvers zijn de besproken vijvertypes geen statische toestanden, maar eerder een dynamische opeenvolging van fasen die doorheen de tijd in één en dezelfde vijver kunnen voorkomen (Zie fig. 1). Door het in toenemende mate veranderend beheer van de vijvers in het Dijleland is het spectrum aan aanwezige vijvertoestanden veranderd, met een toename van vijvers in de toestanden 2, 3 en 4. Het is waarschijnlijk dat deze veranderingen hebben bijgedragen tot een netto verrijking van de libellenfauna in het Dijleland. Bij het omzetten van vijvers van vijvertype 1 in andere types gaan immers geen soorten verloren; de soorten uit vijvertype 1 vormen een geneste subset van die in de andere vijvertypes. Algemeen kan gesteld worden dat vijvers van vijvertype 3 alle soorten kunnen omvatten die ook voorkomen in type 1 en 4 (Zie fig. 2); het lijkt dus prioritair voor een optimaal libellenbeheer dat vijvers van type 1 omgevormd worden naar een Type 3 of 4. Soorten van type 2 (pioniersplassen) en 5 (verlandingsplassen/ laagveenmoeras) bevatten potentieel nog aanvullende soorten en hebben dus best een aparte status. Een bijkomende trend is de snelle opkomst van zuidelijke soorten. In historische volgorde hebben Kleine Roodoogjuffer (Erythromma viridu/um), Vuurlibel ( Crocothemis erythrea), Zwervende Heidelibel (Sympetrum fonsco!ombil), Zwervende Pantserjuffer (Lestes barbarus) en recent ook Zuidelijke Oeverlibel ( Orthetrum brunneum) Vlaanderen en ook de Dijlevallei

TYPE 2 D roogleggl n 9•

TYPE4

� rtv� .

In

...-Lebel ln9•toename vl9 _:;:;"'" v...

TYPE1

Figuur!: Cyclische opeenvolging van de verschillende vijvertoestanden en de mechanismen die voor de overgangen zorgen.

142

Figuur 2: Schematische weergave van hoe de lb i ellenn]kdom van de verschil­ lende vijvertoestanden zk:h tof elkaar verhoudt.


Themanummer vijvers van de Dij/eva/lei

gekoloniseerd. Keizerlibel

Soorten als Zuidelijke Heidelibel

(Anax parthenope)

(Sympefrum mendionale)

en Zuidelijke

verlegden recent ook hun areaalsgrens aanzienlijk naar het

noorden en kunnen in de nabije toekomst verwacht worden. Alhoewel er in het verleden nooit monitoring heeft plaatsgevonden van de libellenpopulaties in de Dijlevallei, kunnen we aan de hand van waarnemingsgegevens van vroeger en nu, beide evoluties (een veranderende vijvertoestand en de opkomst van zuidelijke soorten) aantonen voor het Grootbroek te Sint-Agatha-Rode. Blockx (1996) vermeldt, gespreid over meerdere jaren en op een moment dat de vijver zich in een type 1-toestand bevond, 15 soorten voor het gebied. Na het afvissen, droogleggen en het afvoeren van maaisel in 2005, vormde de voormalige karpervijver zich het daaropvolgende jaar om tot een heldere vijver met ondergedoken en drijvende waterplanten. T ijdens verschillende bezoeken in het kader van een broedvogelonderzoek, werden hier in de periode april tot half augustus 24 libellensoorten genoteerd. In vergelijking met de waarnemingsgegevens die voor half jaren '90 verzameld werden, valt in eerste instantie het voorkomen van enkele zuidelijke soorten op.

( zie Tabel 1)

Daarnaast werden in 2006 ook soorten gevonden die wijzen op een

duidelijke kwalitatieve verbetering van het vijverbiotoop. Dit zijn ondermeer Bruine winte�uffer, Plasrombout en Glassnijder.

Deze laatste is bovendien een nieuw ontdekte soort voor het

Dijleland en vormt samen met de Gewone bronlibel

( Cordulegaster ba/tomi)

de enige twee

vertegenwoordigers van de Rode Lijst voor Vlaanderen in de regio.

Tabel 1: libe/lensoorten van het Grootbroek tot half jaren '90 (Blockx 1996) en in 2006.

Soort

Tot half jaren '90

x

Weidebeekjuffer Calopterix splendens Gewone pantserjuffer Lestes sponsa

2006

x

x x

Houtpantserjuffer Lestes vindis

x

Bruine Winterjuffer Sympecma fusca Breedscheenjuffer Platycnemis pennipes

x

x

Lantaarntje lschnura elegans

x

x x

Vuurjuffer Pyrrhosoma nymphula Watersnuffel Enallagma cyathigervm

x

x

Azuurwaterjuffer Coenagrion puella

x

x

Grote roodoogjuffer Erythromma najas

x

x

Kleine roodoogjuffer Erythromma vindulum

x

x x

Plasrombout Gomphus pu/chellus

x

Glassnijder Brachytron pratens Blauwe glazenmaker Aeshna cyanea

x

x

Paardenbijter Aeshna mixta

x

x

Grote keizerlibel Anax imperator

x

x x

Smaragdlibel Cordulia aenea Platbuik Libel/ulo depressa

x

Gewone oeverlibel Orthetrvm cancellatum

x x

Viervlek Libel/ulo quadrimaculata x

x

Vuurlibel Crocothemis erythraea

x

Geelvlekheidelibel Sympetrvm flaveolum

x x

Zwervende heidelibel Sympetrum fonscolombii Bloedrode heidelibel Sympetrum sanguineum

x

Bruinrode heidelibel Sympetrvm stnolatum

x

Steenrode heidelibel Sympetrvm vulgatum

x

x

143


Themanummer vijvers van de Di;levallei

Maatregelen voor een libellenvriendelijk vijverbeheer Vanwege hun grootte en ondiepte, door hun verbondenheid met waterlopen waardoor vis snel herkoloniseert en vooral door hun intrinsieke hoge voedselrijkdom, zijn de vijvertypes 2, 3 en 4 voor de vijvers van de Dijlevallei op langere termijn geen stabiele systemen. Dit probleem is alomtegenwoordig in het overbemeste V laanderen, en kan enkel voorkomen worden door grootschalig uitwendig beheer (waterzuiveringen) of door het systeem te isoleren van zijn omgeving. Indien dit niet gebeurd of wenselijk is, is het behoud van deze vijvertypes afhankelijk van intern beheer dat op regelmatige basis herhaald wordt. Doordat de vijvers voor de viskweek werden aangelegd is er vaak een handig systeem voorzien om de vijvers leeg te laten. Hierdoor is droogleggen een merkelijke goedkopere en minder arbeidsintensieve maatregel dan alle bestaande alternatieven (afvissing, ruimingen). Het beheer loont ook zonder meer de moeite, gezien de spectaculaire respons van libellen en ongetwijfeld ook andere invertebraten. Bijkomende nuttige maatregelen zijn het poten van visetende vis (Snoek, Baars), zodat het snel aangroeiend bestand aan planktonetende vis (zoals Blauwbandgrondel, etc...) ingetoomd wordt, wat de stabiliteit van de waterplantrijke toestand (type 3 en 4) ten goede komt. Een libellenvriendelijk beheer voor de vijvers van de Dijlevallei behelst een cyclisch beheer van asynchrone leegzettingen en een sturing van het onnatuurlijk visbestand. Algemeen voor de Dijlevallei is het van belang dat naast de vijvers ook de diverse visloze poelen gevrijwaard blijven. Recent nog verdween de grootste lokale populatie Zwervende Pantse�uffer bij het dempen van een decennia-oude weidepoel ter hoogte van de Konijnenberg te Haasrode.

Besluit De regio van de Dijlevallei is lange tijd maar weinig bestudeerd voor zijn libellenfauna. Nochtans blijkt na de recent toegenomen waarnemingsactiviteit dat er een diverse fauna aanwezig is, ook en vooral in de voormalige viskweekvijvers. Zonder twijfel is dit mee een gevolg van het veranderend beheer, waardoor de algehele toestand van deze vijvers sterk verbeterde. Gerichte inventarisaties moeten verder aan het licht brengen wat de huidige toestand van deze fauna is en hoe deze evolueert. Ondermeer het voorkomen en de status van de Glassnijder in de Dijlevallei verdient nader onderzoek. Dit kan meteen waardevolle informatie geven voor de terreinbeheerders om het beheer van de vijvers onderling op elkaar af te stemmen.

Dankwoord

Dank gaat uit naar Bart Creemers voor het ter beschikking stellen van zijn archiefgegevens. Referenties Blockx. H.1996. Libellen. In Vercoutere. B. (red.) Natuur in het Dijleland. De Vrienden van Heverleebos en Meerdaalwoud, Leuven. p.53-57. De Knijf G Anselin A., Goffart P .•

.•

& Tailly M. (eds.). 2006. De Libellen (Odonota) van België: verspreiding- evolutie

- habitats. Libellenwerkgroep Gomphus i.s.m. Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek. Brussel.

Frank Van de Meutter Frank.VandeMeutter@Bio.kuleuven.be

144

Frederik Fluyt frederik.fluyt@gmail.be


Themanummer vijvers van de DiJïevallei

Vijvers als broedgebied voor watervogels Troebele plassen niet in trek De vijvers van de Dijlevallei zijn voor elke natuurliefhebber onlosmakelijk verbonden met watervogels.

Generaties vogelkijkers hebben hun vak geleerd vanaf de vijveroevers of

turend doorheen de kijkopeningen van een schuilhut. Zelfs in die mate dat vogelkijken in het Dijleland lange tijd gelijk stond met 'watervogels kijken'.

In navolging van de

Inventarisaties voor de Vlaamse Broedvogelatlas in 200�2002 steeg de belangstelling en de expertise onder enkele Dijlelandse vogelkijkers voor regionaal broedvogelonderzoek. Hiermee kwamen ook de broedende watervogels terug onder de aandacht. De

relatief

grote

verscheidenheid

aan

broedende watervogels zoals we deze vandaag de dag kennen, is een vrij recent fenomeen. Een actueel talrijke soort als de Fuut

(Podiceps cnstatus) was ten tijde van Verheyen ( 1951) nog een ''plaatseliJke, vrij zeldzame broedvogel voor Laag- en Midden-B el gië". Als gevolg van

populatieverschuivingen op Europese schaal,

'60 (Aythya tenno), Krakeend (Anas

vestigden sinds vanaf eind de jaren achtereenvolgens Tafeleend Kuifeend

strepera)

(Aythya fuligula)

en

zich als regelmatige broedvogel in de

1972; Herroelen 2000). Het laatste

Dijlevallei (Van Scharen & Joiris, & De Fraine,

1975;

Hens

decennium kwamen daar nog een reeks al dan niet gewenste soorten bij. Ondermeer Bergeend

( Tador na tador na) en exoten als Nijlgans 'rAlopochen aegyptiacus) en Canadese gans (Branta canadens1s) slaan de laatste jaren geen

Broedaantaen van de Kuieend hangen nauw samen met de toestandwaan"neen vijverzich enkel broeds eizoe n meer over bevindt. Foto: Fredenk Fluyt nakomelingen te zorgen.

om voor

Binnen deze 'watervogelgroep' kunnen zich op lokaal niveau soortafhankelijke wijzigingen voordoen in de broedaantallen. Het was vogelkijkers reeds opgevallen dat per afzonderlijke vijver vooral het aantal broedende duikeenden opvallende fluctuaties vertoonde en dit binnen een periode van hooguit enkele jaren.

Voor andere watervogelsoorten bleef het

aantal broedparen stabiel. Een belangrijke factor die direct of indirect van invloed is op de broedaantallen betreft de helderheid van het water.

De resultaten van een meerjarige

monitoring van de broedende watervogels op de plassen van de Dijlevallei, verschaffen ons meer inzicht in de relatie tussen beide variabelen. De voornaamste bevindingen worden in deze bijdrage toegelicht.

Broedvogelinventarisatie 2003 In 2003 inventariseerde Bruno Nef de

broedende watervogels in alle vijvergebieden in de

Dijlevallei tussen Leuven en Wavre. De inventarisatie van de in totaal elf gebieden gebeurde zeer grondig, waarbij tussen

1

maart en

30 augustus maar liefst 45 teldagen 'geklopt' werden.

Eerder dan het karteren van territoria, werd getracht van iedere soort het effectief aantal 145


Themanummer vijvers van de Dij/eva/lei (niet-)geslaagde broedgevallen en het aantal grootgebrachte jongen in kaart te brengen. De resultaten staan samengevat in tabel 1. Broedgevallen van W ilde Eend (Anser

p/atyrhynchos), Meerkoet (Fulica afro) en Waterhoen ( Ga/linula chloropus) werden niet gekarteerd. Tabel 1

�0t•ór.mde v.n1�rvc:.g •Is in d�

SoQlf

-..·;vefgt!bl�i� von r::� DiJl!!•·tdlèi h...M�n l.�,nttm fm 1.�•1\"J•irtO?-

lmof'llf!Q�k)-ff flli9'd•

Fuut

:A� f' NVili"!r 1 � torgon .:M<I /

.ei.'l"l i--.uede t>ro d.els a: 1\() b bollWOCIJ'I l:•alc»el'ld 2omat1cr.ng TC!F•IH«"ld ttllo nd ZwQlfle Zwe>OI() Con.odoso Canis; gC'lM

OHl

NGl1

NJ;V

8

1

1)

0

5 7

Nc-;1f"I' I� 1nngnn �I e-·�'.'.Je"cile,.... (�•\ilk"1î �)9'.'Cllten F.nr�'l'>\ · �k".n NC'}fEir I� iü"!Jt3n] Nf".«f\'"•r 1-= 1orig.1nj ��101

·�Cf-13.

�·d Ct+4

�dO(:!t�

n

1 jj fl)l'!J8rt]

'!Sf,' 2[4]

1

Ict 1

1 171

.

3

!)

l

a

" v

D

[l)J

13

20

l'i

l:1

0

,.. "

0

c

0 D

0

:>

0

hf9M!Ad'

C.l?le"' b•00f.l!"Jttv�I

Sli>btHM

G�

Wlnl'4!1tcti�

G8tn t;e..,1:1'.Slk.Jrr:J vo•· b1öda<:111 .,.�n1��n

7

(1 1 J

i -.. ...•

SJW

0

lTJ l 21.1:

0

4

P[C

2

1')

6

0

0

(111

!>

0

l(lJ

::·il!

5

P'I

GA!

()

0

0

0

1(4j

(1

1)

0

"'

I')

0

0

r,•,

1)

0

J}

1)

0

t;l

1)

3

0

$

1

0

1

\}

J

(1

Il;

:'.!

1

CL{)

\) (1 0

{!'j,''

�R'

0

0

0

l{O]

0

Q

�w � 1 1-1�

0

0

{)

0

3p11

()

lló�

!)

1 r21

0

1

(.51

1

!71

t:>o..,e->hD r.g �n trood�n �'�"

Ctlb�elkCf1î�l'I 01-!Ni'Q+-.( - O•A H •) v !':�l'I �-,rrJfl.JJ.r:J.. NC.e - N�im vQf� 8'00. !'«'' - ·�e�;se i:1r;e��f"M zw -l.<}et iN(;.l�f. SJ�'' Sr1I � ·1i� 1'to::i;,1• fMt>lhé-") >AR• G!'t>t1ll;rc'1� �4!11·,'\· ult11.J-�od� ?fC "P�i..r"I. FLO P'l:;1i�·ol G��,.. G(;�lt..1<;1•,!;:. �w �t!:l-!w'.'<J�.,.t' •

· .v>:1r �c:<itJQlj •ultm tlt.•tJtm ....,� h�1 �P �k.>tJ�dt' P"ls:icn '.-.'O:rgercrner .-.\;;l'de?l.

uoe·d�dk:!n. 1·�'

w

aonlol v.�hillewjt- •rtiu.,..IJ.M

e1\f�"1 ptJtet't d� elft!r..:lit:if 1'i1�I

Wat betreft soorten, bevat de lijst geen verrassingen. Tien soorten (waaronder drie exoten) kwamen met zekerheid tot broeden. De talrijkst broedende soorten zijn Dodaars ( Tachybaptus

ruficollsi , 23 broedparen), Fuut (20 broedsels met uitgekipte jongen), Tafeleend (42 geslaagde broedgevallen) en Kuifeend (37 geslaagde broedgevallen). De Krakeend kwam eind de jaren '90 voor het eerst tot broeden in de Dijlevallei en zette in 2003 zijn opmars gestaag verder met niet minder dan negen geslaagde broedgevallen. Daarnaast zaten er tijdens het broedseizoen solitaire paren te Oud-Heverlee Zuid en te Sint-Agatha-Rode. Tijdens het broedseizoen vertoefden in drie zones solitaire mannetjes Slobeend (Anas

clypeata): Oud-Heverlee Noord, Neerijse Grote Bron/Kliniekvijvers en Gastuche/Pécrot. Ondanks intensief zoekwerk (9 teldagen in juni, 6 in juli) kon geen bevestiging gekregen worden van broeden. Hetzelfde geldt voor W intertaling (Anas crecca), met moeilijk te interpreteren waarnemingen van paren of individuen op de kliniekvijvers te Neerijse (1 à 2 paar), in Sint-Agatha-Rode (1 paar) en te Florival (1 paar).

Op de kliniekvijvers tenslotte

werd een vrouwtje Zomertaling (Anas querquedula) met jongen waargenomen. Bergeenden kwamen in 2003 niet tot broeden in de Dijlevallei, wat de status van deze soort als 'niet­ jaarlijkse broedvogel1 bevestigd. De noordelijke vijver van Oud-Heverlee en Neerijse Grote Bron herbergden in 2003 het leeuwendeel van de regionale broedpopulatie van Dodaars (573, 13/23 broedparen), Krakeend (673, 6/9 broedsels), Tafeleend (793, 33/42) en Kuifeend (733, 27/37 geslaagde broedgevallen). Beide vijvers waren in 2003 b e duidend helderder en rijker aan (onder)waterplanten en - leven dan alle overige vijvers. In het bijzonder de zuidelijke vijver van Oud-Heverlee en het Grootbroek te Sint-Agatha-Rode waren in 2003 in erge mate verkarperd. 146


Themanummer vijvers van de Dij/eva/lei Broedvogelinventarisatie 2006 In 2005 is de Natuurstudiegroep Dijleland gestart met het gericht monitoren van broedvogels ter evaluatie en bijsturing van natuurgericht beheer en inrichting. In een driejaarlijkse cyclus worden achtereenvolgens proefvlakken onderzocht in agrarisch gebied valleigebied In

2006

(2006,

...) en in bosgebied

(2005, 2008,

.. ),in .

(2007, ...).

werden acht 'moeras'proefvlakken in de Dijlevallei geïnventariseerd door middel

van uitgebreide territoriumkartering (van Dijk,2004). Zes van de acht proefvlakken omvatten integrale vijvers (Oud-Heverlee Noord,Oud-Heverlee Zuid, Kliniekvijvers Neerijse,Grootbroek Sint-Agatha-Rode, Florival Noord, Florival Zuid) die ook in

2003 geïnventariseerd werden. De

inventarisatieresultaten van de vijvers worden momenteel samengebracht in een omvattend rapport dat begin

2007 zal

verschijnen.

Troebel versus helder Tussen 2003 en 2006 deden zich een aantal belangrijke veranderingen voor in de

'toestand'

van de vijvers. De vijver van Oud-Heverlee Noord werd in het voorjaar van

1996

afgevist en

2003 was de waterkolom nog helder en rijk aan waterplanten. Tijdens broedseizoen 2006 daarentegen was de vijver verregaand 'verkarperd': een

drooggelegd. In het

permanent troebele waterkolom zonder waterplanten en met 's zomers naar lucht happende karpers ... Eind september •

2006

werd de vijver afgevist.

Oud-Heverlee Zuid werd afgevist in februari

2005 en 2006

2004 en lag tot in het najaar 2004 droog. In

was de vijver grotendeels begroeid met lisdodde en wilgen,met slechts

een beperkte oppervlakte open water. Deze onoverzichtelijkheid van het gebied maakte het inventariseren van watervogels in vergelijking met de resultaten van •

2003

2006 bijzonder

moeilijk,hetgeen

bemoeilijkt.

Het Grootbroek te Sint-Agatha-Rode is sinds de tweede helft van de jaren

1990

gaandeweg meer en meer gedegradeerd tot karperpoel. Deze evolutie werd

2005, toen de vijver afgevist werd en vervolgens drooggelaten werd tot in de zomer. Eind 2005 werd alle opgeschoten vegetatie (wilgen,lisdodde,...),uit de vijver gemaaid. In 2006 kenmerkte de vijver zich door een heldere waterkolom en stopgezet begin

massale groei van (onder)waterplanten (zie Pocket & Vercoutere in dit nummer). De toestand in de Kliniekvijvers Neerijse en te Florival (beperkte oppervlakte water in

zuidelijke vijver) was vergelijkbaar in De grote verschillen in toestand tussen

2003 en 2006

2003

en

2006

vergelijkbaar. van zowel de noordelijke vijver van

Oud-Heverlee als het Grootbroek te Sint-Agatha-Rode vormen een interessant 'natuurlijk experiment' om de effecten van vijvertoestand op broedende watervogels na te gaan. Tabel

2

toont voor beide gebieden een rechtstreekse vergelijking van de gekarteerde

broedvogelaantallen in 2003 en 2006. De voornaamste vaststelling is dat de broedaantallen van een reeks soorten volledig bepaald worden door de toestand van de vijver: (zeer) hoog in heldere toestand, laag tot afwezig in troebele toestand. Dit is zeer uitgesproken voor Dodaars, Krakeend, Tafeleend en Kuifeend.

Dit zijn alle soorten die zich voeden met

plantaardig en dierlijk 'klein grut', dat grotendeels ontbreekt in vijvers in troebele toestand.

147


Themanummer vijvers van de Di;levallei

te

TobeJ 2.. Broedende •;otervogels e Oi..11;;-Heverie-e Noord en in Grootbroe

Sin1-Agothct-Rode in

broed f:)'esta es· 1

Soort

2Q03 en in 2006. Soorten met oprne efijke ver�chillen in

rsse

heldere

et'\

troebele 1oestand zijn

lnventarlsetteee-ntteid

gemarkeerd.

ve

Oud -tte't'erle-e Noord

Sln�-Jl.gall"la-Rode

arQ01brö>�k

2000 h8'kier

2ël(M troebel

2003 Troebel

200.6 hek:ter

Dodacm

Broedpaar

5

0

2

11

Fuut

Broedgovolle'1

7

3

5

6

Knobbetz•waan

Nes1en 1 # jongenl

lf1.]

llól

0

1 !ó]

Canade� Gans

Nesien 1 # jongen!

:")

lfOl

0

210. 3)

t-.1lg(m\

�roedgev�llP.·fl

0

1

1

7

Berge-�'ld

Broeoge•1alien

-0

1

0

0

Kn:iko n<d

Bro ·dgoval>u-·1

3

v

0

5 ]

Stooe '"P{.�

T t�rrilCri<J

()

0

0

Zomeriolir.g

Broedgevallen

0

'J

0

'i!Vinh:�'"lo1ng

Tc:·mtooo

0

0

1

Tafe lee nd

Broedgevolle·1

13

0

.)

Kuifeend

Broedge·1ollen

l.S

0

lO 25

• ,Yat 'broedgevalleri' duiden '""'°E tier op geslaagae broedge-va en: he aan-lal «'erscr.lllence vrou\vt1es en.lo ooren die e Hectief me1 jcrlgen waorgenomen \•.torderi.

De associatie van Dodaars met structuur- en vegetatierijke plassen is gekend. Zo doet de soort het ieder jaar goed op Florival (veel overvegetatie, geen bodemwoelende vis) en op Neerijse Grote Bron (gevoed door mesotrofe bronnen, geen verkarpering). De Krakeend neemt ieder jaar nog toe als broedvogel in de streek.

Het feit de soort in 2006 niet tot

broeden kwam te Oud-Heverlee Noord, nochtans één van de historische 'kiem' gebieden van de soort in de Dijlevallei (cf. 2003), geeft aan dat ook deze soort troebele plassen mijdt. Net als de (niet-systematisch geïnventariseerde) Meerkoeten overigens, waar de soort zich al foeragerend vaak mee associeert. Misschien wel het meest frappant is de reactie van Kuif- en Tafeleend. Vijvers in heldere toestand huisvesten naar regionale en zelfs Vlaamse normen zeer hoge aantallen, zoals o.a. 13 (geslaagde) broedgevallen van Tafeleend op Oud-Heverlee Noord in 2003 en 25 broedgevallen van Kuifeend te Sint-Agatha-Rode in 2006. Dit fenomeen wordt overigens bevestigd op andere plaatsen: jaarlijks broeden grote aantallen van beide soorten op Neerijse Grote Bron, terwijl er zich in 2006 minstens 10 paar territoriale Tafeleenden ophielden op 1 helder' Oud-Heverlee Zuid (vergelijk ook hier met aantallen in 2003, toen Oud-Heverlee Zuid eerder troebel was; tabel 1). Hierbij dient de nuance gemaakt dat Kuif- en Tafeleenden allicht reageren op verschillende aspecten van deze 'heldere' vijvers. De Kuifeend is een soort die voor het grootbrengen van z'n jongen aangewezen is op ongewervelden. Net als de Dodaars, reageren Kuifeenden zeer goed op pionierssituaties (helder, vlug opwarmend water met zeer veel 'rondwriemelende' beestjes). Tafeleenden hebben een meer plantaardig dieet en 'troepen', net als Knobbelzwaan, Meerkoet en Krakeend, ondergedoken watervegetatie. 148

samen op plassen met een rijke


Themanummer vijvers van de Dij/eva/lei

Andere soorten, waaronder exclusieve viseters als Fuut (maar ook pleisterende Aalscholvers} en de •exotische' grasetende Canadese en Nijlganzen, lijken minder gevoelig te zijn aan de troebelheid van het water. De aantallen Slobeend, Zomer- en Wintertaling zijn dan weer te laag om enige conclusie aan te verbinden. Deze soorten zijn overigens minder gebonden aan 'open water' als de hierboven vermeldde soorten. Hun broedhabitat situeert zich veeleer in de structuur- en vegetatierijke natte zones in de buitendijkse gebieden van de vijvers. Overigens zijn de hier vastgestelde patronen niet enkel in het broedseizoen waarneembaar, maar jaarrond.

Ook bij de overwinterende watervogels treden duidelijke associaties op

tussen vijverkenmerken en bepaalde soort-clusters met gelijkaardige voedsel-ecologische niches. Maar dat is voer voor een andere bijdrage.

Dankwoord

Alle medewerkers aan de broedvogelinventarisatie zijn van harte bedankt. Het Agentschap voor Natuur en Bos, en in het bijzonder Jo Hendriks, wordt bedankt voor de toelating tot en de vlotte samenwerking bij deze broedvogelinventarisaties.

Referenties Hens M. (red.) (2000). Vogels in het Dijleland. De Vrienden van Heverleebos en Meerdaalwoud i.s.m. De Wielewaal afdeling Leuven, Leuven. Herroelen P. & De Fraine R. (1975). Inventaris van de vogels van Brabant, l 90�1974. De Wielewaal, afdeling Brussel. van Dijk A.J. (2004). Handleiding Broedvogel Monitoring P roject (Broedvogels inventariseren in proefvlakken). SOVON Vogelonderzoek Nederland, Beek-Ubbergen. Van S charen K. & Joiris C. (1972). Les oiseaux d'eaux dans la vallée de la Dyle (Brabant), de juilet 1964 à juin 1971. Aves 9: 141-186. Verheyen R. (1951). De watervogels van België (met uitzondering der eendvogels en der steltlopers). Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen, Brussel.

Maarten Hens maartenhens@yahoo.co.uk Frederik Fluyt frederik.fluyt@gmail.com Bruno Net nefbruno@yahoo.fr

149


Vogels

Opmerkelijke vogelwaarnemingen in de Dijlevallei en omgeving, september - november 2006

Klapekster. 21 oktober 2006, Korbeek-Dijle. Tekening: Marc Walravens

Dit overzicht van opmerkelijke en interessante vogelwaarnemingen in de Dijlevallei beslaat voornamelijk de periode september - november 2006. De bestreken regio omvat de gemeenten Kortenberg, Herent, Bertem, Leuven, Oud-Heverlee, Huldenberg, Overijse, Tervuren en de aangrenzende gebieden.

Waarnemingen van onder meer Knobbelzwaan, Krakeend, Sl obeend, W intertaling, Tafeleend, Kuifeend, Patrijs, Dodaars, Fuut, Aalscholver, Blauwe Reiger, Havik, Waterral, Kievit, Kleine Mantelmeeuw, Kerkuil, Steenuil, Gierzwaluw, Ijsvogel, Zwarte Specht, Groene Specht, Middelste Bonte Specht, Kleine Bonte Specht, Grote Gele Kwikstaart, Kramsvogel, Koperwiek, Tjiftjaf, Vuurgoudhaan, Glanskop, Matop, Kuifmees, Ringmus, Keep, Putter, Sijs, Kneu, Goudvink, Appelvink, Geelgors, Rietgors en alle exoten werden niet in dit verslag opgenomen maar wel verwerkt. Hetzelfde geldt voor alle niet-vermelde trekgegevens, en niet nader gedetermineerde zilverreigers, kiekendieven, strandlopers en valken. Ook onzekere meldingen van Purperreiger, Visarend, Bokje, Grote Pieper, Waterspreeuw, Beflijster, Taigaboomkruiper en Ortolaan werden niet weerhouden. Als nagekomen waarneming 150


Vogels

kunnen we wel nog een Draaihals in een tuin in Huldenberg in augustus vermelden, maar aangezien nauwkeurige gegevens ontbreken werd deze ook niet in het hoofdoverzicht opgenomen. Gebledsafkortlngen: WLS = Wilsele/Vijvers Bellefroid, LP = Kessel-Lo/leopoldspark (Provinciaal Domein), AVP

=

Heverlee/Abdij van

Park, ZW = Oud-Heverlee/Zoete Waters, OHN = Oud-Heverlee/N, OHZ = Oud-Heverlee/Z, Oppem =weilanden tussen Bogaerdenstraat (Oud-Heverlee- Korbeek-Dijle) en NGB. NGB =Neerijse/Grote Bron (deel Doode Bemde), NKV= Neerijse/Kliniekvijvers (deel Doode Bemde) en SAR= Sint-Agatha-Rode/ Grootbroek. SJW =Sint-Joris-Weert, Flo

=

Florival.

Grauwe Gans Anser anser 12/10

57 ex. Z te Leefdaal/plateau (K. Moreau, K. Van Scharen), 16 ex. Z te Meerbeek/ Dorpsstraat (M. Hens), 19 ex. Z te Wilsele/Dijledijk (S. D'Hont)

13/10

50 ex. Z te Leefdaal/plateau (F. Fluyt, K. Van Scharen, M. Hens). 11 ex. Z te Meerbeek/Pompstation {M. Hens)

17/10

19 ex. Z te Wilsele/Dijledijk (S. D'Hont)

29/10

10 ex. Z

01/11

10 ex. NW te OHZ

03/11

80 ex. Z te Wilsele/Dijledijk (S. D'Hont)

11/11

7 ex. vanuit Z invallend te SAR (voordien ws. in weilanden) (S. Bouillon)

+

1 ex. invallend te NGB (B. Saveyn, K. Moreau,

J. Kempeneers)

(J. Kempeneers)

Het is mogelijk dat de waarnemingen van 29/10 en 1 en 11/11 (of een deel ervan) betrekking hadden op hetzelfde groepje dat enkele dagen in de streek pleisterde. Naast de hoger vermelde waarnemingen werden ook de volgende individuen en duo's opgemerkt, die mogelijk van niet-wilde origine zijn: 05/09

1 ex. invallend te SAR (F. Fluyt)

03/10

1 ex. te Wilsele/Dijledijk (met 7 Canadese Ganzen) (S. D'Hont)

12/10

1 ex. langs spoorlijn Winksele-Herent (met Canadese Ganzen) (R. Ghijsen)

14/10 en 18/11 resp. 1 en 2 ex. te Kwerps/Z (R. Ghijsen)

Kolgans Anser a/b1frons 12/10

1 ex. Z te Leefdaal/Brede Weg (K. Moreau, K. Van Scharen)

13/10

3 ex. Z te Leefdaal/plateau (F. Fluyt, K. Van Scharen, M. Hens)

Bergeend Tadorna tadorna De eerste Bergeenden voor najaar 2006 waren 3 ex. op 7/10 te OHN

(L. Hendrickx). Vanaf

dan bleef de soort nagenoeg doorlopend in de streek aanwezig (versch. waarn.), met max. 8ex. (7 NGB, 1 SAR) op 12/11 (L. Hendrickx). Drie actief trekkende ex. vlogen op 12/10 zuidwaarts te Wilsele/Dijledijk (S. D'Hont).

Smient Anas penelope Smienten konden vanaf eind augustus tot op 7/10 worden bekeken te SAR (versch. waarn.), met max. 7 ex. op 15-1 7/09 (F. Fluyt, L. Hendrickx, ex. waargenomen te OHN

J. Nysten). Intussen werden op 23/09 ook 2

(J. Nysten). Dan kwamen er enkele weken zonder Smienten, tot

op 21/1O 5 ex. werden aangetroffen te OHZ (B. Net, L. Hendrickx, K. Van Scharen). Nadien volgden nog 1 ex. te SAR op 29/10 (K. Moreau,

J. Kempeneers, B. Saveyn), lv te LP op 1/11

(J. Nysten), 6 ex. te AV P en 1 ex. te NGB op 12/11 (L. Hendrickx) en 1 ex. te OHN op 27/11 (G. Vandezande). 151


Vo els

Pijlstaart Anas acuta Er werden voor de beschreven periode 46 waarnemingen van Pijlstaarten ontvangen, en allemaal kwamen ze vanuit SAR. Na een eerste ex. op 10/09 (F. F luyt) bleef de soort hier vanaf 22/09 nagenoeg doorlopend aanwezig (versch. waarn.). Het maximale aantal van 9 ex. werd ook op 22/09 geteld (K. Moreau, W. Desmet).

Zomertaling Anas querquedula SAR bleef tijdens de nazomer van 2006 ook het mekka van de Zomertaling in het Dijleland (versch. waarn.). Er werden nog max. 9 ex. gezien op 8 en 16/09 (M. Walravens, L. Hendrickx) en de laatste waarneming betrof 3 ex. op 7/10 (B. Nef). Buiten SAR werden enkel 2 ex. opgemerkt te OHN op 8/09 (M. Walravens).

Amerikaanse Wintertaling Anas carolinensis 02/11

1m te WLS/Z (met 2 niet nader gedetermineerde v) (B. Saveyn)

Dit betreft de vierde waarneming voor het Dijleland na een ex. op 2/05/04 te NK V, een ex. op 11/04/03 te OHZ en een langere pleisteraar van feb tot apr 1992 te NGB en OH. Het gaat bovendien om de eerste najaarswaarneming voor de streek. We spreken ons niet uit over de herkomst van deze dieren.

Krooneend Netto rufina Het mannetje in eclipskleed dat reeds vanop 26/08 te SAR pleisterde, bleef hier nog tot op 17/09 aanwezig (H. Roosen, L. Hendrickx, M. Hens, K. Moreau e.v.a.). Op 1/11 werd een mannetje waargenomen te LP

(J.

Nysten).

Grote Zaagbek Mergus merganser Ergens rond de 1Oe november werd een vrouwtje Grote Zaagbek waargenomen te NGB (K. Van Acker), de exacte datum kon niet meer worden achterhaald.

Kwartel Coturnix coturnix Er was nog ĂŠĂŠn septemberwaarneming van een ex. te Bertem/Bredeweg op 15/09 (S. Bouillon).

Geoorde Fuut Podiceps nigricollsi 20/09

1 imm te AVP (K. Moreau)

14-23/10

1 ex. te NGB

(J.

Nysten, L. Hendrickx, M. Hens, K. Moreau e.a.)

Grote Zilverreiger Casmerodius albus Er werden voor de periode september - november 2006 maar liefst 142 waarnemingen van Grote Zilverreigers ontvangen vanuit regio Leuven (versch. waarn.). De meeste kwamen vanuit de Dijlevallei ten Z van Leuven, en daarbinnen voornamelijk van SAR en OHN. Tot op 18/09 ging het daarbij in dit gebied slechts om waarnemingen van 1-2 ex. (F. Fluyt, e.a.). Vervolgens stegen de aantallen tot 3 ex. op 19-20/09 (L. Hendrickx, M. Schurmans e.a.), 4 ex. op 21/09 (W. Desmet e.a.), 5 ex. op 22/09 (M. Walravens e.a.), 6 ex. op 23-28/09 (L. Hendrickx e.v.a.) en uiteindelijk tot 7 ex. vanaf 29/09 (F. F luyt, S. Peten e.a.). Nadien werden geen enkele keer nog met zekerheid 7 ex. vastgesteld, maar op 31/10 waren er wel min. 6 ex. aanwezig te SAR (F. F luyt) (nog steeds?, of opnieuw?). In november werden nog max. 4 ex. samen gezien op 27/11 te OHZ (G. Vandezande). Buiten de Dijlevallei ten Z van Leuven 152


Vogels

werden Grote Zilverreigers waargenomen te Kwerps/N (1 ex. op 2/10;

J.

Rutten). WLS

(7

waarnemingen van 14/10 tot 19/11, met max. 3 ex. op 22/10; B. Saveyn, M. Hens, M. Schurmans. S. D'Hont. M. Bekkers. B. Creemers), Terlanen/Bilande (resp.

7

en 2 ex. op 14 en

28/1O: H. Roosen. M. Engelbeen), Heverlee/Duivelsweg (1 ex. ZW op 15/11:

J.

Kempeneers).

Leuven/station en stadspark ( 1 ex. ZW op 20/ 11; G. Beckers, e.v.a.) en Overijse/vijver Hagaardbos (1 ex. op 24/11: E. De Broyer). Ook de trektellingen leverden enkele actief overtrekkende Grote Zilverreigers op, met resp. 3, 1 en 1 ex. over Wilsele/Dijledijk op 26/09, 12 en 17/10 (S. D'Hont) en 1 ex. over Leefdaal/plateau op 12/10 (K. Moreau).

Kleine Zilverreiger Egretta garzetta 12/11

1 ex. opvliegend naar N te SAR (K. Moreau. B. Creemers. S. Horemans, F. Fluyt)

Roerdomp Botaurus stellaris De eerste Roerdomp voor dit najaar werd op 14/10 waargenomen te SAR

(J.

Menten). Op

19/10 werden er hier voor het eerst 2 ex. opgemerkt (anoniem bericht SAR-kast). Vanaf dan werden er tot op het einde van de periode afwisselend 1-2 ex. waargenomen (16 data; versch. waarn.). Een erg bijzondere waarneming betrof de Roerdomp die tijdens de ochtend van 24/11 over Leuven/ station vloog

(J. Mergeay).

Ooievaar Ciconia ciconia 08/09

1 ex. Z te OHZ (M. Walravens)

16/09

1 ex. invallend te Heverlee/W van Geldenaakse Baan thv Sportoase (F. Lerouge)

18/09

1 ex. te Overijse/Ketelheide (med. J. Verroken)

30/1O

1 ex. op een verlichtingspaal te Wilsele/E314 (L. De Ceulaer)

Wespendief Pernis apivorus In de loop van september 2006 werden er verspreid over de regio nog 20 pleisterende en doortrekkende Wespendieven waargenomen. met dagmaxima van slechts 2-3 ex. (versch. waarn.). Het laatste ex. trok op 4/10 zuidwaarts te Leefdaal/plateau (K. Moreau).

Rode Wouw Milvus migrans 22/09

1 ex. Z te Oud-Heverlee/Bogaardenstraat (W. Desmet)

04/10

1 ex. Z te Leefdaal/plateau (K. Moreau), 1 ex. Z te Wilsele/Dijledijk (S. D'Hont)

20/1O

1 ex. boven PĂŠcrot (M. Walravens)

21/1O

1 ex. te Leefdaal/plateau (B. Wuyts)

Bruine Kiekendief Circus aeruginosus Tijdens september 2006 werden een 65-tal waarnemingen van pleisterende en doortrekkende Bruine Kiekendieven doorgegeven uit de regio Leuven (versch. waarn.). In oktober volgden nog 13 waarnemingen (versch. waarn.), met de laatste ex. op 20/10 te Erps/Dorenveld (S. D'Hont) en op 21/10 te Leefdaal/plateau (S. Horemans, M. Tomballe).

Blauwe Kiekendief Circus cyaneus In september 2006 werden Blauwe Kiekendieven enkel waargenomen op 15/09. met 1 v­ type te Bertem/plateau (S. Bouillon) en 1 ex. te Terlanenveld (E. De Broyer). Vanaf 14/10, wanneer 1 v-type werd waargenomen te Erps/Dorenveld (M. Hens), volgden daarop nog waarnemingen van in totaal 28 ex. (dubbeltellingen mogelijk). Daar waren 4 adulte mannetjes 153


Vogels

bij: op 27/10 over de E40 t.h.v. Leuven (P. Smets), op 12/11 te Haasrode/zandgroeve (D. Von Werne), op 23/11 te Leefdaal/plateau (H. Roosen) en op 28/11 in de Doode Bemde (N. Ryckeboer).

Grauwe Kiekendief Circus pygargus 03/09

1 ad v te Erps/Dorenveld (M. Hens)

16/09

1 ex. Z te OHZ

(J.

Rutten)

Visarend Pandion haliaetus 09/09

1 ex. Z te Huldenberg/Spitsberg (F. Fluyt; 7u15)

09/09

1 ex. ZW te SAR (B. Bergmans,

11/09

1 ex. Z te Wilsele/Dijledijk (S. D'Hont; 15u04)

12/09

1 ex. Z te SAR (R. Guelinckx, P. Lorent; 16u50)

13/09

1 ex. Z boven Dijlevallei thv NGB (vanop Leefdaal/plateau) (K. Moreau; 12u45)

J.

Kempeneers, A. Smets; 12u45)

16/09

1 ex. ZW Leefdaal/centrum (K. Van Scharen; 13u45)

16/09

1 ex. N te Leuven/Diestsestraat+Parkpoort (B. Thuysbaert, M. Vanderstukken; 17u20)

17/09

2 ex. Z te Oud-Heverlee/Bogaardenstraat (F. Fluyt, L. Hendrickx)

22/09

1 ex. Z te Huldenberg/Spitsberg (F. Fluyt)

23/09

1 ex. te SAR (M. Sobrie; 15u42)

04/10

1 ex. Z te Wilsele/Dijledijk, dalend en mogelijk invallend te WLS (S. D'Hont; 15u40)

09/10

1 ex. Z te Wilsele/Dijledijk, invallend te Holsbeek/Gasthuisbos (S. D'Hont; 15u15)

09/10

1 ex. boven Neerijse/Kerkenberg (B. Michiels; 12u50)

13/10

1 ex. te SAR (Anonymus; co 15u)

15/10

1 ex. Z te Leefdaal/plateau (F. Fluyt,

15/10

1 ex. op thermiek boven Doode Bemde (L. Desmet; 15u45)

J.

Nysten, K. Van Scharen; 7u45-13u20)

17/10

1 ex. te Leuven/Parkpoort (ochtend) (Forum ZW-V laanderen, naam onbekend)

20/10

1 ex. boven PĂŠcrot (M. Walravens; 13u00-13u30)

Smelleken fa/co columbadus 10/09

1 ex. Z te Leefdaal/plateau (F. Fluyt; 7u-13u)

15/09

1v Z te Erps/Dorenveld (A. Smets)

15/09

1 ex. te Bertem/plateau (S. Bouillon; 7u30-8u30)

04/10

1 ex. ZW te Leefdaal/Brede Weg (K. Moreau; 12u34)

10/10

1 v-type Z te Wilsele/Dijledijk (S. D'Hont; 14u55)

11/10

1 ex. Z te Wilsele/Dijledijk (S. D'Hont; 14u 10-15u35), 1 ex. Z te Heverlee/LUDIT (F.

13/10

1 ex. Z te Leefdaal/plateau (F. Fluyt, K. Van Scharen, S. D'Hont, M. Hens; 7u45-14u)

14/10

1 ex. ZW te Terlanen/Abstraat (H. Roosen; 13u00)

Van de Meutter; 15u43)

15/10

1 ex. Z te Leefdaal/plateau (F. Fluyt,

21/1O

1 ex. over OHZ (B. Nef, L. Hendrickx, K. Van Scharen)

21/10

1 ex. te Huldenberg/plateau (F. Fluyt)

22/10

1 ex. Z te Korbeek-Dijle/plateau Fluyt,

26/10

J.

Nysten,

J.

(J.

J.

Nysten, K. Van Scharen; 7u45-13u20)

Rutten; 8u36), 1 ex. Z te Leefdaal/plateau (F.

Derycke; 8u-12u)

1 ex. Z te Leefdaal/plateau (A. Smets, K. Van Scharen; 8u30-14u00)

27/10

1 ex. Z te Wilsele/Dijledijk (S. D' Hont; 14u40)

12/11

1 ex. te Leefdaal/plateau (S. Horemans)

154


Vogels L

t..

ex. N

Boomvalk Fa/co subbuteo De Boomvalk was in het najaar van 2006 goed voor maar liefst 62 doorgegeven waarnemingen (versch. waarn.)! Het merendeel daarvan kwam van SAR en OH (N, Z en centrum), waar nog tot maximaal 4 ex. samen werden gezien op 2 en 24/09 (SAR) en 8/09 (OHZ) (H. Roosen, e.a.). Op 7/10 was op beide locaties nog steeds 1 ex. aanwezig

J. Rutten),

(J. Nysten,

en volgens anonieme berichten in de SAR-kast bleef dat te SAR nog zo tot op 22/

10. Buiten de zuidelijke Dijlevallei werden Boomvalken in de beschreven periode nog waargenomen te Huldenberg/Spitsberg (telkens 1 ex. Z op 2 en 30/09; F. Fluyt), Wilsele/Dijledijk (telkens 1 ex. Z op 6, 11, 12/09 en 3/1O; S. D' Hont), Korbeek-Dijle - Leefdaal/plateau (telkens 1 ex. op 8, 9 en 29/09;

J.

Rutten e.a.) en Erps/Dorenveld (resp. 1 ex. N en 1 ad Z op 13/09 en

2/10; A. Smets).

Slechtvalk Fa/co peregrinus 01 en 07/09

1 juv te Erps/Dorenveld (A. Smets)

12, 19 en 22/09 telkens 1 ex. Z te Wilsele/Dijledijk (S. D' Hont) 29/09

1 ex. Z te Leefdaal/plateau (W. Desmet), 1 ex. te OHN

(J.

Hendriks,

M. Walravens) 1 ex. Z te SAR (S. Peten), 1 ad. te Erps/Dorenveld (A. Smets)

02/10 04-26/10

6 waarnemingen van 1 ex. te Leefdaal/Brede Weg (W. Desmet e.v.a.)

28/10

1 ex. te SAR

24/11

1 ex.

(J. Kempeneers, te NGB (E. De Broyer)

L. Hendrickx, B. Nef)

Kraanvogel Grus grus 29/10

>

350 ex. Z te Duisburg en Overijse (in 6 zwermen hoog over richting La Hulpe)

(E. De Broyer; 1Ou30-11u30) Dergelijke massale trek is een vreemd gegeven in een periode dat er nergens anders in V laanderen Kraanvogeltrek was (er was wel redelijk sterke Aalscholvertrek die dag).

Goudplevier P/uvialis apricano De najaarstrektellingen op het plateau te Leefdaal leverden op 9 data tussen 9/09 en 2/11 waarnemingen van pleisterende en doortrekkende Goudplevieren op (hoewel het vaak moeilijk uit te maken was in hoeverre het om actief doortrekkende dan wel om pleisterende ex. ging, versch. waarn.). Het ging telkens om groepjes van 1 tot 6 ex. Andere locaties waar Goudplevieren werden gezien waren Heverlee/Militair domein (1 Ă 2 ex. op 12/09; K. Moreau), Erps/Dorenveld (1 ex. op 15-16/09; A. Smets), Everberg/Duivendelle (2 ex. op 16/09; A. Smets), SAR (1 ex. Z op 17/09; J. Nysten) en Meerbeek/Pompstation (3 ex. Z op 25/10; A. Smets).

Kleine Strandloper Cal!dris minuta 18/09

3 ex. te OHN (M. Schurmans)

19-20/09

1 ex. te OHN (L. Hendrickx, M. Schurmans, W. Desmet, B. Bergmans e.a.)

21-24/09

1 juv. te ZW /westelijke vijver (K. Moreau, W. Desmet, M. Schurmans e.a.)

Bonte Strandloper Cal!dris alpino 08/09

1 ex. W te Leuven/centrum (F. Van de Meutter)

16/09

1 ex. Z te Everberg/Duivendelle {A. Smets)

17-20/09

2 ex. te OHN (M. Hens, F. Fluyt, L. Hendrickx,

27/09

1 ex. te OHN (L. Hendrickx)

J.

Nysten, M. Schurmans e.a.)

155


Vogels

Wulp Numenius arquata 16/09

3 ex te Erps/Dorenveld (A. Smets)

08/11

1 ex. over te Blanden/Korenbloemlaan (K. Moreau)

Zwarte Ruiter Tnnga erythropus 07/09-21/10

2 ex. te OHN (A. Smets, L. Hendrickx, K. Moreau,

28-29/10

4 ex. te OHN

29/10-01/11

3 ex. te OHN (B. Creemers, J. Kempeneers)

04/11

2 ex. Zte OHZ, l ex. te OHN, l ex. te NKV

J. Nysten, M. Hens e.v.a.)

(L. Hendrickx, K. Moreau, J. Kempeneers, B. Saveyn e.v.a.) (J. Nysten e.v.a.)

Tureluur Tnnga to/anus 21-22/09

1 ex. te OHN (L. Hendrickx, K. Moreau, K. Van Scharen,

J. Kempeneers, e.v.a.)

Groenpootruiter Tnnga nebulada Van 7/09 tot 6/1O waren er onafgebroken 1-2 Groenpootruiters aanwezig te OHN (versch. waarn.), met 3 ex. op 16 en 19-23/09 (L. Hendrickx, M. Schurmans, K. Van Scharen e.a.). Op 7/10 vloog het laatste ex. zuidwaarts over Oppem (L. Hendrickx).

Bosruiter Tnnga glareola 13/09

1 ex. te OHN (K. Moreau)

Witgat Tnnga ochropus Witgatjes waren doorlopend aanwezig te OHN (versch. waarn.), met een maximum van 21 ex. op 9/09 (L. Hendrickx, K. Moreau). Verder waren er waarnemingen te ZW (1 ex. van 1/09 tot 20/10 met 2 ex. op 23/09; K. Moreau e.a.), Leuven/Dijlebrug P aridaens (2 ex. op 6/09; P. Claes), in de Doode Bemde (7 waarnemingen tss 9/09 en 18/l l met max. 2 ex. op 27/09; L. Hendrickx, F. F luyt e.a.), SAR (1 ex. op 10/09; K. Moreau e.a.) en Kwerps/N (resp. 3 en l ex. op 9 en 14/10;

J. Wellekens, R. Ghijsen).

Oeverloper Actitis hypoleucos Ook Oeverlopers werden in september 2006 enkel genoteerd te OHN, met 27 waarnemingen (versch. waarn.) en een maximum van 5 ex. op 18/09 (M. Schurmans). Op 1 en 6/10 werden nog resp. 2 en 1 ex. opgemerkt (L. Hendrickx, W. Desmet).

Watersnip Galln i ago ga/!1nago Watersnippen werden tijdens het najaar van 2006 voornamelijk waargenomen te OH, met 69 ontvangen waarnemingen vanuit dit gebied (versch. waarn.). De maand maxima bedroegen 56 ex. op 21/09 (K. Moreau), 19 ex. op 29/10 (B. Creemers) en 49 ex. op 15/11

(J.

Rutten). In de Doode Bemde waren er 10 waarnemingen tussen 18/09 en 4/11 (versch. waarn.), met maximaal 15 ex. op l 4/ l O; J. Nysten e.a.). Overige waarnemingsplaatsen waren Huldenberg/Spitsberg (1 ex. Zop 2/09; F. Fluyt), Leefdaal/plateau (resp. l, 2, 4 en 2 ex. op 3 en 10/09, 1 en 4/10; K. Moreau e.a.), Wilsele/Dijledijk (1 ex. Zop 19/09; S. D'Hont), SAR (2 ex. op 30/09; L. Hendrickx), Kwerps/N (resp. 3 en 8 ex. op 9 en 14/1 O;

J. Wellekens, R. Ghijsen),

Terlanen/Bilande (2 ex. op 12/1O; H. Roosen) en Oppem (6 ex. op 12/1O; K. Moreau).

156


Vogels

Bokje Lymnocryptes minimus 21 en 24/10

telkens 1 ex. te Huldenberg/plateau (F. Fluyt)

18/11

2 ex. in de Doode Bemde (B. Bergmans, M. Bekkers e.a.)

Houtsnip Scolopax rusticola Waarneming buiten de gekende broedgebieden: 26/11

1 ex. te Veltem-Beisem/Molenbeekvallei

(J.

Wellekens)

Kemphaan Philomachus pugnax 16/09

1 ex. N te SAR (S. Bouillon)

Dwergmeeuw Larus minutus 04/11

3 ex. kortstondig pleisterend te SAR (B. Nef)

Pontische Meeuw Larus cachinnans 12, 19, 25-26/11 1 ad te SAR (F. F luyt, J. Nysten,

H. Roosen, 1. Nel e.a.)

Zwarte Stern Chlidonias niger 09/09

4 ex. te NGB (L. Hendrickx)

22-30/09

1 juv te OHN (K. Moreau, K. Van Scharen, W. Desmet, L. Hendrickx e.a.)

30/09

1 juv te SAR (zelfde als te OHN)

(J.

Nysten)

Velduil Asio flammeus 13 en 21/10

1 ex. te Leefdaal/plateau (S. Horemans, M. Tomballe)

Boomleeuwerik Lul/vla arborea Het najaar van 2006 werd met 34 positieve tellingen een goed najaar voor de Boomleeuwerik in het Dijleland. De eerste 5 ex. vlogen op 30/09 over Heverlee/Bremstraat (G. Bleys), nadien werd de soort waargenomen op volgende locaties: Wilsele/Dijledijk (49 ex. op 8 data tss 3/ 10 en 3/11, max. 11 ex. op 30/1O; S. D' Hont), Leefdaal/plateau (125 ex. op 7 data tss 4 en 26/ 10, max. 54 ex. op 12/1O; trektelteam NSGD e.a.), Huldenberg/Spitsberg (telkens 1 ex. op 8, 14, 25, 31/10 en 1/11; F. F luyt), Bierbeek/Korbeek-Losestraat (1 ex. Z op 8/10; D. Von Werne), Leuven/omgeving stadspark (telkens 1 ex. Z op 11 en 26/1O; F. Van de Meutter, B. Saveyn), Terlanen/Bilande (2 ex. Z op 14/1O; H. Roosen, M. Engelbeen), Terlanen/ Abstraat (13 ex. Z op 14/10; H. Roosen), Bertem/ Koeheide (10 ex. op 17/10; G. Bleys), OHZ (3 ex. op 20/10; M. Walravens), Meerbeek/ Pompstation (44 ex. Z op 25/1O; A. Smets), Overijse/Smeiberg (1 ex. over op 27/1O; R. Guelinckx e.a.), Neerijse/RWZI (1 ex. oud op 27/1O; W. Desmet) en Meerbeek/ Dorpsstraat (1 ex. Z op 2/11; M. Hens). Solitaire nakomers vlogen op 19 en 22/11 resp. zuidwaarts over OHN (K. Moreau) en Wilsele/Dijledijk (S. D' Hont).

Boerenzwaluw Hirundo rustica Laatste waarneming: 1 ex. Z te Huldenberg/Spitsberg op 26/10 (F. F luyt). Aan de najaarstrek van deze soort was voordien een 'einde' gekomen op 12/10.

157


Vogels

Duinpieper Anfhus campestris 10/09

2 ex. Z te Leefdaal/plateau (F. Fluyt)

12/09

1 ex. Z te Wilsele/Dijledijk (S. D' Hont)

13/09

1 ex. Z te Leefdaal/plateau (A. Smets, K. Moreau, S. D'Hont)

15/09

1 ex. Z te Erps/Dorenveld (A. Smets)

Boompieper Anthus trivia/is Doortrekkende Boompiepers werden waargenomen tot op 12/10, maar het ging nooit om grote aantallen. De voornaamste locaties waren Huldenberg/Spitsberg (33 ex. op 7 data tss 2/09 en 8/10, max. 12 ex. op 9/09; F. Fluyt), Leefdaal/plateau (49 ex. op 8 data tss 9/09 en 12/ 10, max. 15 ex. op 9/09 en 4/10; trektelteam NSGD) en Wilsele/Dijledijk (23 ex. op 5 data tss 11/09 en 10/10; S. D'Hont), en er werden ook Boompiepers opgemerkt over OH/centrum (resp 1, 3 en 4 ex. op 8, 16/09 en 1/1O;

J.

Rutten), OHN (1 ex. op 16/09; W. Desmet, M.

Vanderstukken) en Heverlee/Bremstraat (1 ex. Z op 30/09; G. Bleys). Pleisteraars werden aangetroffen te Haasrode/zandgroeve (resp. 2 en 1 ex. op 7 en 12/09; K. Moreau) en te Heverlee/Militair domein (1 ex. op 12/09; K. Moreau).

Roodkeelpieper Anthus cervinus 12/10

1 ex. Z te Leefdaal/plateau (K. Moreau)

Waterpieper Anfhus spinoletta De eerste Waterpiepers voor najaar 2006 waren 3 ex. te OHN op 15/10 {K. Moreau). Vanaf dan werden er nog 23 waarnemingen van pleisterende en doortrekkende Waterpiepers ontvangen, met als grootste concentratie co 20 ex. te Oppem op 12/11 (L. Hendrickx).

Gele Kwikstaart Motac1ïla flava Een bijzonder laat ex. zat op 17/11 te OHN (M. Walravens).

Rouwkwikstaart Motaci/la yarel/1ï 15/10

1m te OHN (K. Moreau)

Klapekster Lanius excubitor 22-26/09

1 ex. te SAR (S. Bouillon, K. Moreau, W. Desmet, F. Fluyt)

27/09-04/10 08-22/10

1 ex. te Neerijse/Doode Bemde (F. Fluyt, J. Godts, K. Moreau) 1 ex. te Korbeek-Dijle/plateau (met gebroken poot) (W. Desmet e. a.)

11/10

1 ex. te Huldenberg/Spitsberg (F. Fluyt)

02-04/11

1 ex. te Leefdaal/plateau (plantage Plantoon) (B. Bergmans, M. Hens)

Pestvogel Bombyc1ïla garrulus 30/11

1 ex. te Overijse/Schavei (in zelfde tuin als vorige winter) (M. Demol)

Blauwstaart Tarsiger cyanurus De meest onverwachte vogel van 2006 was ongetwijfeld de Blauwstaart die op 17/1O werd geringd te Korbeek-Lo

(J. Vanautgaerden, J. De Baere). Het betreft slechts het derde geval

van deze soort voor België en de eerste ringvangst (eerdere gevallen: 25-27-09/01 Blankenberge en 15/10/05 Zeebrugge).

158


Vogels

Gekraagde Roodstaart Phoenicurus phoenicurus 11/10

1v te Leefdaal/Korbeekstraat (K. Van Scharen)

Roodborsttapuit Saxicola rubicola Een beknopt overzicht per waarnemingslocatie: Erps/Dorenveld (resp. 1 juv, 6 ex., 2m 1v en 1m op 4, 7, 15 en 28/09; A. Smets), Herent/Groenstraat langs Kastanjebos (resp. 4 en 3 ex. op 4 en 23/09; R. Ghijsen), Oppem (resp. 1mljuv, 1 ex., 1m1v, 1m en 1m op 22/09, 7, 12, 29/10 en 12/11; J. Nysten e.a.), Korbeek-Dijle/Dijlevallei (1adljuv op 30/09; F. Fluyt), Leefdaal/plateau (1 ex. op 1/10; M. Hens e.a.), Heverlee/Duivelsweg (telkens 1 ex. op 6/10, 1, 12 en 15/11; J. Kempeneers, W. Goussey), Meerbeek/Pompstation (resp. 1m1v en 1m op 12 en 21/10; A. Smets), OHN (lm op 14/10; L. Hendrickx e.a.), OHZ (lmlv op 29/10; K. Moreau e.a.) en de weilanden ten Z van SAR (1 ex. op 11/11; S. Bouillon).

Paapje Saxicola rubefra De grootste aantallen Paapjes werden tijdens het najaar van 2006 waargenomen te Erps­ Dorenveld, met een maximum van 32 ex. op 15/09 (A. Smets). Verder verbleven hier resp. l, 5, 19, 13 en 2 ex. op l, 7, 13, 16 en 28/09 (A. Smets). Andere locaties met september­ waarnemingen waren Heverlee/Duivelsweg (telkens 1 ex. op 1 en 4/09; J. Kempeneers), Korbeek-Dijle- Leefdaal/plateau (5 data met als maximum 3 ex. op 15/09; S. Bouillon e.v.a.), Ter1anenveld (2 ex. op 15/09; E. De Broyer), Erps/Zuurbeekvallei (3 ex. op 16/09; R. Ghijsen) en OHN (4 ex. op 20/09; K. Moreau). Het laatste Paapje voor 2006 zat op 4/10 te Leefdaal/ plateau (K. Moreau).

Tapuit Oenanfhe oenanfhe Tapuiten werden tijdens de periode september - november 2006 waargenomen te Haasrode/ industrieterrein (1 ex. op 1 /09; J. Kempeneers), Erps/Dorenveld (resp. 3, 1, 20, 18, 3 en 1 ex. op 4, 7, 15, 16, 28/09 en 2/1 O; A. Smets), Korbeek-Dijle - Leefdaal/plateau (9 data met als maximum 4 ex. op 17/09; K. Moreau e.v.a.), Bierbeek/Oude Geldenaaksebaan (lv op 10/ 09; K. Moreau), Everberg/Duivendelle (5 ex. op 16/09; A. Smets) en Terlanenveld (3 ex. op 30/ 09; E. De Broyer).

Beflijster Turdus forquafus 12/10

1 ex. Z te Leefdaal/plateau (K. Moreau, K. Van Scharen)

Cetti's Zanger Cetfia cetti T ijdens de beschreven periode zongen er minstens 4 verschillende Cetti's Zangers te OH (versch. waarn.), waarvan 2 te OHN (met simultane uitsluitende waarnemingen op 20 en 22/09; L. Hendrickx, M. Walravens). Ook te OHZ bleven er dus minstens 2 exemplaren actief (met zuidwaarts waarnemingen tot bijna tegen de Bogaardenstraat) (versch. waarn.). Op 21/10 en 4/11 werden op deze laatste locatie zelfs resp. 4 en 5 zp gemeld (B. Nef e.a.). In de Doode Bemde zong op 27/09 een ex. langs het knuppelpad (F. Fluyt), en op 8/10 werd er eentje gehoord langs de Leibeekstraat te Sint-Joris-Weert (W. Desmet). Ook te SAR werd nog regelmatig een ex. opgemerkt (versch. waarn.).

Zwartkop Sylvia atricapi//a De laatste najaarswaarneming betrof een vrouwtje te OHZ op 4/11 (W. Desmet).

159


Vogels

Bladkoning Phyl/oscopus inornatus 1 ex. geringd te Korbeek-Lo (J. Vanautgaerden) 16/10 Deze vogel betrof de 7e Bladkoning voor het Dijleland (6 ringvangsten, 1 veldwaarneming).

Pallas Boszanger Phy//oscopus proregulus 1 ex. geringd te Korbeek-Lo (J. Vanautgaerden) 25/10 Het betreft hier de 3e of 4e Pallas' Baszanger voor het Dijleland, na ringvangsten op 26 en 30/10/04 te Korbeek-Lo en een veldwaarneming van een waarschijnlijke Pallas' op 5/11 te Oud-Heverlee/Damstraat.

Grauwe Vliegenvanger Muscicapa striata 20/09

1 ex. te Florival/Zuid (K. Moreau)

Bonte Vliegenvanger Ficedula hypoleuca 13/09

1 ex. te Everberg/Grubbe (A. Smets)

Baardmannetje Panurus biarmicus Op 20, 21, 22 en 29/10 werden resp. 3 Ă 5 ex., min. 1 ex., 5 ex. en min. 1 ex. waargenomen te OHZ (M. Walravens, M. Hens, A. Smets,

J.

Nysten).

Europese Kanarie Serinus serinus 12/10 23/10

1 ex. Z te Leuven/Naamsestraat (B. Saveyn, B. Thuysbaert) 1 ex. te Huldenberg/Spitsburg (F. Fluyt)

25/10

1 ex. Z te Meerbeek/Pompstation (A. Smets)

Kleine Barmsijs Carduelis cabaret 21/10

1 ex. te Huldenberg/Spitsberg (F. Fluyt)

i cabaret/flammea barmsijs sp. Carduels 26/10

1 ex. Z te Leefdaal/plateau (A. Smets, K. Van Scharen)

Kruisbek Loxia curvirostra Slechts twee waarnemingen: 28/10

5 ex. ZW te Terlanen/Abstraat (H. Roosen)

22/11

1 ex. te Meerdaalwoud/Ecoduct

(J.

Lambrechts)

ljsgors Ca/carius lapponicus 08/10

1 ex. Z te Leefdaal/plateau (W. Desmet, M. Schurmans, A. Vansteenbergen)

Grauwe Gors Embenza calandra 04/10

2 ex. N en invallend te Leefdaal/plateau (K. Moreau}

21, 24 en 26/11 resp. l 0, 10 en min. 5 ex. te Korbeek-Dijle - Leefdaal/plateau (H. Roosen, F. Fluyt}

160


l Vogels Ortolaan Emberiza hortulana 01/10

1 ex. pleisterend te Bertem-Korbeek-Dijle/plateau

(S.

Bouillon)

Samenstelling: Kelle Moreau & Bart Creemers kelle.moreau@gmail.com, bart.creemers@gmail.com De volgende rubriek zal de periode december 2006 - februari 2007 omvatten. Waarnemingen worden voor 10 maart 2007 verwacht bij Kelle Moreau, Korenbloemlaan 5, 3052 Blanden, 0486/12.58.77, kelle.moreau@gmail.com (let op de adreswijziging!). Medewerkers en correspondenten: Gert Arijs, Louis-Philippe Arnhem, Geert Beckers, Monique Bekkers, Bruno Bergmans, Koen Berwaerts, Geert Bleys, Herwig Blockx, Steven Bouillon, Otto Chrispeels, Paul Claes, Bart Creemers, Jos Cuppens, Johan De Baere, Erik De Broyer, Leander De Ceulaer, Marc De Coster, Marcel Demol, Johan Derycke, Louis Desmet, Wouter Desmet. Koen De Witte, Steven D'Hont. Gerald Driessens, Michiel Dusselier, Matthias Engelbeen, Ruben Evens, Frederik Fluyt. Raf Ghijsen, Jaak Godts, Werner Goussey, Robin Guelinckx, Brit Heip, Luc Hendrickx, Jo Hendriks, Maarten Hens, Marc Herremans, Stefaan Horemans, Marcel Jonckers, Jochen Kempeneers, Jorg Lambrechts, Frederik Lerouge, Benny L'Homme, Pieter Lorent. Joris Menten, Joachim Mergeay, Bruno Michiels, Kelle Moreau, Bruno Nef. Ingrid Nel, Paul Nuyts, Johan Nysten, Patrick Oosterlinck, Stephan Peten, Fons Ramaekers, Hans Roosen, Jos Rutten, Niels Ryckeboer, Bert Saveyn, Maarten Schurmans, Axel Smets, Philippe Smets, Maarten Sobrie, Roosmarijn Steeman, Geert Sterckx, Bram Thuysbaert, Marita Tomballe, Erik Toorman, Kasper Van Acker, Lieven Van Arboom, Johan Vanautgaerden, Désiré Vanautgaerden, Frank Van de Meutter, Yves Vonden Bosch, Anja Vandeperre. Geert Vandermeulen, Maarten Vanderstukken, Gilbert Vandezande, Myriam Van Ermen, Lieven Van Hellemont, Carl Vanherck, Geert Vanhorebeek, Kris Van Scharen, Axel Vansteenbergen, Johanna Van Tonder, André Verboven. Jan Verroken, Dirk Von Werne, Marc Walravens, Jan Wellekens en Bert Wuyts.

Hernieuw nu uw abonnement voor 2007 en ontvang gratis het boek 'Agrarische natuur in het Dijleland' Met dit decembernummer loopt uw abonnement op de Boom.Klever 2006 ten einde". De redactie hoopt dat u veel plezier heeft beleefd aan de voorbije vier nummers en dat u ook wat opgestoken hebt uit dit tijdschrift van de Natuurstudiegroep Dijleland. Wij zijn er dan ook van overtuigd dat u in 2007 deze driemaandelijkse publicatie niet zal willen missen ... Hernieuw daarom vandaag nog uw abonnement door storting van slechts 7 EUR, welke u naar believen mag verhogen naar 12 EUR (of meer!) waardoor u meteen steunend lid wordt, op rek 001-1552168-50 van de studiegroep Dijleland. Graag bij de "mededeling" vermel­ den: ABO 2007 +uw naam en adres. Als extraatje bieden wij aan alle abonnees van 2007 gratis de publicatie 1Agrarische natuur in het Dijleland1 aan, in de reeks van de uitstekende jaarboeken van de Vrienden van Heverleebos en Meerdaalwoud. (verschijnt najaar 2007) Wij sturen geen afzonderlijke herinnering of overschrijvingsformulier. Dit bericht geldt als uit­ nodiging tot betaling. Uitstellen =vergeten, doe het dus vandaag nog!!

Het bestuur van de Natuurstudiegroep Di;leland

161

1


Buiten gekeken

Fisherman's pride Brouwersdam/Goeree, 27-1-'85 11Misschien even een wandelingetje plegen ? Met dit weer is het feitelijk zonde om heel de tijd in de auto te zitten." laat André een proefballonnetje op. Ik zie dat ook onmiddellijk zitten:"Ja, even verder is er dat gat in de duinen vanwaar je het strand op kunt." ..."Ah ja, daar aan die baai waar nogal eens ijseenden zitten" vult André vlot aan. Als je al zoveel keren ergens samen naar vogels gekeken hebt, is een halve zin of een vragende blik soms al genoeg. Enkele minuten later parkeren we op de bewuste plek. Monique, die door de autoruit met haar kijker het strand afkijkt, zucht:"We gaan hie toch nie wandele, hie zienekik geen vogels, zulle". Onze suggestie dat watervogels nu éénmaal niet graag op droog zand zitten, brengt haar terug bij haar ornithologische positieven. Terwijl we de telescopen uit de koffer halen, heb ik even vestimentaire twijfels. Monique heeft dat dadelijk gezien:"Hoe, gij doe gene jas aan. Zeg, 't is wel winter, hè." We geven haar direct een uitvoerig relaas van vorige verblijven aan de Brouwersdam toen het écht, écht koud was. Vandaag is het een aangename 13

°

C en er staat geen zuchtje wind:"Nee, dit is het

beste weer dat we hier al ooit gehad hebben. Wedden dat we zelfs in onze pull te warm gaan hebben ?" ketsen we haar welgemeende bekommernis om onze gezondheid af. Aan de zeekant van de Brouwersdam ligt hier bij laagwater een zandige landtong die noordwaarts afbuigt en een ondiepe minilagune vormt. Enkele honderden meters stappen brengt ons oog in oog met de Noordzeebranding. Alhoewel, branding ? Vandaag ligt de zee er vrijwel spiegelglad bij. Met de verrekijker is het meteen duidelijk dat de vorst van de voorbije weken veel watervogels heeft doen verhuizen naar het zoute water. "Wow, wat een massa brilduikers" merkt André als eerste op. 11 Ja, fameus, en ginder ver zitten er nog, kijk maar, dat zijn er honderden" vul ik aan. Het duurt even voor Monique ze in de kijker heeft maar uiteindelijk lukt het haar wel: "Ik zie zo éne mee ne groene kop, is da een manneke ? Lap, nu duikt 1m toch wel nie onder, zeker" Vooraleer ik kan antwoorden, roept mijn maat geagiteerd:"Kijk daar, dat zijn geen brilduikers, ja, het zijn ijseenden, zeker een stuk of tien.11 Vrijwel onmiddellijk zie ik dit groepje ook. Ze zitten dan ook nauwelijks 50 m ver op zee. André is al druk aan het schuiven met statiefpoten: "Hopelijk blijven die daar nog even zitten". Ik ruik dit buitenkansje ook en al vlug staan er twee telescopen gericht op ... een uniek tafereel. Zeven mannetjes ijseend, het merendeel in smetteloos prachtkleed, zwemmen rond 4 vrouwtjes. Af en toe spetteren een paar mannetjes laag over het wateroppervlak achter elkaar aan. Kennelijk willen ze allemaal zo kort mogelijk bij een vrouwtje vertoeven en proberen ze daarom de concurrentie op een aanvaardbare afstand te houden. Af en toe rijst er één verticaal hoog uit het water en kijkt enkele seconden met een lange nek naar een vrouwtje. "Waaw, hebde da gezien, Herwig? Zouden die dat watertrappelend doen?" vraagt André zich luidop af bij dit vreemde schouwspel. Ik moet het antwoord schuldig blijven: ik heb nog nooit baltsende ijseenden gezien. Even plots als het begonnen is valt het spektakel van de achter elkaar aan ravottende ijseendwoerden still. Eén of twee vogels beginnen te duiken en de rest volgt, zo'n ijseend petst in een oogwenk onder water. "V lak veu dat die onder gaan, doen die precies hun vleugels ope" draagt Monique haar steentje bij. De hele groep gaat telkens ongeveer gelijktijdig onder water. Geen enkele andere eend blijft zo lang onder water als een ijseend. Geen wonder want ze kunnen tot 50 meter (!) diep duiken. Minutenlang vergapen we ons aan het zonovergoten tafereel van de schitterende ijseendjes, duikend in een groenblauwe zee. Dan barst er weer tumult uit tussen de mannetjes en spetteren ze achter elkaar aan. "Oh, die drie daar, ze vliegen weg" zucht Monique ontgoocheld. Even lijkt dat inderdaad 162


Buiten gekeken

zo. Maar de 3 mannetjes blijven in elkaars kielzog, maken een wijde slingerende bocht en vallen dan terug in bij de achterblijvers. Het achtergebleven kwartet eendenmacho's dat zijn kans op een vrouwtje al met een sprong had zien stijgen, ziet dat echter niet zitten. Met veel vertoon wordt de 'nieuwkomers' duidelijk gemaakt dat ze andermaal niet welkom zijn. Ik kijk even op mijn horloge. Oei, al half drie: zelfs als de zon schijnt is een winterdag in Zeeland zo voorbij ... "Zullen we maar ... Ge weet nooit

of er niks beters te zien is op Goeree ...?" opper ik

voorzichtig. André kijkt mij, volkomen terecht overigens, erg sceptisch aan: "Beter dan dit? Tja, we gaan niks mooier meer zien maar OK dan maar. Naar de Kwade Hoek dan , of ...?" "Ja, dat lijkt me nog haalbaar. Normaal kunnen we nu tot ongeveer half vijf vogels kijken" stem ik in. Terwijl we terug naar de auto lopen, genieten we nog even na: " Amai, die kleuren van diejen bek?" "Hadde gij ijseenden al zo goed gezien?". André schudt van neen : "Daarom wou ik nog effe langer blijven maar"." Een kwartier later rijden we richting Goedereede-Havenhoofd. We zijn druk in gesprek als we, vlak voor het dorp, aan de brug over het kanaal komen. Rechts van ons ligt, enkele meters lager dan de auto, het nog steeds bevroren kanaal. Vooraan, op luttele meters van de auto is er een wak en ... Je kan er gewoon niet naast kijken! Onze verbaasde uitroepen klinken dan ook door elkaar in de auto:"Shit, kijk daar, VLAKBIJ, in dat wak: middelste zaagbekken.""Nee, da zijn grote, kijk maar naar de mannetjes" André is gestopt en we hebben in een wip de autoramen opengedraaid. Met opgezette kuif en licht knorrende geluiden zwemmen de zaagbekken geagiteerd naar de achterste ijsrand van het wak maar gelukkig vliegen ze niet weg. De kommentaar uit de auto is unaniem lovend. André:"Prachtig zeg , die zalmroze mannetjes. Mijn fotogerief zit natuurlijk weer in de koffer Il

Ik: '' Ge kunt zelfs die ganzestrepen in de nek van de mannetjes zien. Daarvoor moeten ze echt vlakbij zittenlt Monique "Zeg, die vrouwkes zouden beter 's naar de coiffeur gaan, die hunne kuif zit hielemaal dooriejen" Als duidelijk is dat dit tableau er niet aan denkt weg te vliegen neem ik de omgeving even op. Het kanaal is een kleine 10 m breed. V lak tegen de dijkweg aan zit het wak van zo'n 25 meter lang. Aan de kanten drijft plastic en een houten palet. Een grote mantelmeeuw zit wat verloren op het ijs rond te stappen en een uitgemergelde blauwe reiger wacht op vloeibaar water. Aan de overkant, zo'n 40 m ver, beginnen de huizen van het dorp. Soms kan je op de lelijkste plekken de knapste vogels zien. "Er zit ook een manneke tafeleend, daar vanachter", geeft Monique aanvullende informatie maar André en ik concentreren ons op de zaagbekken. André heeft ze in een oogwenk geteld: "Acht mannetjes en zes vrouwtjes zie ik nu. Toch wel prachtige vogels, zeg " Regelmatig duiken één of meerdere boterbuiken onder. Als ze bovenkomen, zie je het water van hun rug af parelen: een schitterend schouwspel. Dikwijls kijken ze eerst met hun kop half onder water even rond om dan pas af te zetten naar de diepte. Ze duiken vooral vlak tegen de ijsrand . André denkt hetzelfde als ik:" Kijk, hebde da gezien ? Die gaan zeker onder dat ijs op vis jagen .. "" Hoe, eten die vis, da zijn toch eenden ?" vraagt Monique zich plots af. Mijn uitleg dat zaagbekken viseters zijn en ... wordt plots onderbroken door een gespetter van jewelste. Alle zaagbekken haasten zich naar een vrouwtje dat net terug aan de oppervlakte komt. In het opspattend water zien we drie zaagbekken met elkaar vechten. André: "Kijk, die heeft een paling gevangen. Zie, die anderen proberen die af te pakken. Gefascineerd volgen we het geworstel. Een tweede zaagbek krijgt het andere eind van de 163


Buiten gekeken

wriemelende paling te pakken en sleurt verwoed aan het groene kleinood. "Amai, straks trekken ze dieje nog in stukke" vat Monique de precaire situatie voor de paling samen. De originele visser slaagt er, na wat heftig heen -en weer gesleur, echter in om haar buit opnieuw los te trekken en er prompt mee onder water te verdwijnen. De andere zaagbekken blijven op hun honger zitten. Gespannen kijken ze de beperkte wateroppervlakte af: vroeg of laat moet de buit terug boven water komen. "Zouden die zo'n vis onder water kunnen inslikken ? " opper ik tegen niemand in het bijzonder. Voor iemand kan antwoorden verschijnt het vrouwtje zaagbek boven water. Haar kompanen stuiven er opnieuw als de weerlicht op af maar ze heeft nu haar lesje geleerd en verdwijnt ijlings onder water. "Ze had hem al verder ingeslikt dan daarnet", denkt André luidop en ik beaam dat. Als ze voor de derde keer boven komt is dat helemaal achteraan tegen de ijsrand en hebben de anderen het nakijken. Ze drinkt even en komt dan recht uit het water waarbij ze even met haar vleugels slaat. "Typisch gedrag voor grote zaagbekken" kan ik niet nalaten om de anderen erop attent te maken. Het blijft slechts enkele minuten rustig waarvan een aantal mannetjes profiteert om een vrouwtje het hof te maken. Met omhooggestoken "kapsel" en een dik "keelzakje" zwemmen ze , ondertussen binnenskeels knorrend rond een vrouwtje. De rust is maar stilte voor de storm want andermaal komt een grijze onderzeeër boven, met een dikkere paling deze keer. Haast onmiddellijk moet hij in de clinch met de andere kapers op de kust en speelt zijn vangst kwijt aan een andere zaagbek die er zonder veel vijven en zessen mee onder water verdwijnt. "Ze gaat hem gegarandeerd terug kwijtspelen, mompel ik. Als ze terug bovenkomt is het pandemonium kompleet als de grote mantelmeeuw even boven de vechtende vissersbende hangt. Ik trek even mijn aandacht weg van dit zaagbekkencirkus. De blauwe reiger staat aan de rand van het wak strak toe te kijken. Telkens er tumult ontstaat over een opgedoken paling, zet hij zijn kruinveren en kuif recht ! " Zie da daar ne keer af. Ik heb gvd al dagen nie gegeten": je ziet het hem denken. "Zullen we maar eens verder rijden ? vraagt André tijdens een korte pauze tussen de palingschermutselingen in. Mijn aarzelend antwoord "Tja, iets neiger gaan we vandaag niet meer zien" doet hem glimlachen. Zijn antwoord "Mmm, da kunde nooit weten " doet ons in lachen uitbarsten. Monique kijkt nog eens achterom terwijl we al langzaam verder rijden: "Ik denk dat ze opnieuw een vis beet hebben, manne". André en ik kijken elkaar even aan maar uiteindelijk geeft hij toch gas. Je weet maar nooit wat er straks allemaal nog volgt.

Herwig

164


Activiteiten

Activiteitenkalender

-

winter & vroeg voorjaar 2007

Watervogeltellingen Coördinatie: Maarten Hens (GSM 0473 24 47 52, e-mail: maartenhens@yahoo.co.uk)

==> Zaterdag 12 januari 2007. Afspraak om 8u30 aan het station van Oud-Heverlee ==> Zaterdag 17 februari 2007. Afspraak om 8u30 aan het station van Oud-Heverlee ==> Zaterdag 17 maart 2007. Afspraak om 8u30 aan het station van Oud-Heverlee

Natuurstudie-praatcafé Coördinatie: Maarten Hens (GSM 0473 24 47 52, e-mail: maartenhens@yahoo.co.uk) Telkens vanaf 20u00 in de Via V ia, Naamsesteenweg 227, Heverlee

==> Woensdag 7 februari 2007. Thema: planning inventarisatie ongewervelden 2007 ==> Woensdag 7 maart 2007. Thema: vogelprojecten 2007

BRAKONA-contactdag 2007 Zaterdag 3 februari 2007 Vanaf 9u00. Consciencegebouw, Brussel. Programma & inschrijvingen: www.vlaamsbrabant.be/brakona Meer info: Kelle Moreau, medewerker Brakona (kelle.moreau@natuurpunt.be)

Jaarvergadering Natuurstudiegroep Dijleland Zaterdag 20 januari 2007

om

20u00

Programma: Verslag werking 2006 & planning 2007

-

Maarten Hens

Jaaroverzicht 2006 in beeld - Fredenk Fluyt Broedvogels en moerasbeheer in de Dijlevallei

-

Kelle Moreau

Ongewervelden en atlaswerk in 2007: aandachtsgebieden en -soorten

-

Bart Creemers

Plaats: GC De Wildeman, Schoolstraat 15, 3020 Herent (achter gemeentehuis) Hapjes, topjes en toegang gratis - iedereen welkom

165


...

... ..

....

Knobbelzwanen Cygnus olor in een wak op de grote vijver in de Doode Bemde (Foto DesirĂŠ Vanautgaerden)

. . .

""

De Boomklever December 2006  
De Boomklever December 2006  
Advertisement