__MAIN_TEXT__

Page 1

NATUURSTUDIEGROEP DIJLE LAND BEEKJUFFER SLEEDOORNPAGE SPITSKOPJE HAMSTER • HAVIK EIKELMUIS RATEL AAR APPELVINK WESPE�-­ BOSRI ETZANGER

·

Tiidschrift van de Natuurpunt Natuurstudiegroep Diileland

Jaargang 34

-

september 2006


INHc:HJD

De Boom.klever Driemaandelijks tijdschrift van Nafuurstudiegroep Dij/eland natuurhistorische werkgroep van Nafuurpunt vzw.

BUITEN GEKEKEN Avond in de Evros..... ..........................................................66

ZOOGDIEREN

Redactiekern Herwig Blockx, Frederik Fluyt, Maarten Hens, Paul Herroelen,

De Das (Meles meles) in het Dijleland en aangrenzende

Kelle Moreau en Kris Van

gebieden: historische verspreiding, huidige situatie en

Scharen

toekomstperspectieven ........... . .................................. ....68

Redactie-adres Artikels of korte bijdragen

PADDENSTOELEN

worden verwacht op het

Graslandpaddenstoelen: indicatoren voor schrale

redactiesecretariaat, p/a Frederik Fluyt, Spitsberg 4 ,

graslanden .. ..... .................. ................................... ............78

3040 Huldenberg E-mail: freek@village.uunet.be

Nieuwe publicatie: Paddenstoelen in regio Leuven,

Het copyright van de teksten

verspreiding en ecologie

(1981 - 2004) .........................86

en tekeningen blijft bij de auteurs en tekenaars. Over­ name is mogelijk mits hun uitdrukkelijke toelating

P LANTEN Klaverbladflora: meer dan alleen maar klaver.............87

Abonnement Geïnteresseerden kunnen De Boomklever ontvangen door

ONGEWERVELDEN

overschrijving van 6 EUR op

Verspreiding van de Greppelsprinkhaan in het Dijleland:

rekeningnummer

001-1552168-50 van Studie­ groep Dijleland p/a Korbeek­ straat 27, 3061 Leefdaal met opgave van naam en adres.

een stand van zaken .... ......... ...........

.

....... ......................94 .

Zoektocht naar de Gewone Bronlibel in het Meerdaalwoud ....... ......... ... .............. .... .................... ........96 .

Een steunabonnement kost

12 EUR of meer.

V linders en warm weer..................... .............. ..................98 .

Het Bruin Blauwtje: nieuwe vlindersoort voor

Natuurpunt vzw Natuurpunt

V'ZW

is de grootste

vereniging voor natuur en

het Dijleland. ................. ....... .

.

......... ........ ... .........................99

landschap in V laanderen. Ze

VOGELS

telt 54.000 leden en behee

Opmerkelijke vogelwaarnemingen in de Dijlevallei en

14.000 hectaren natuurgebied. Lid worden van Natuurpunt V'ZW

.

.

.

omgeving, JUnl - augustus 2006.....................................101

kan door storting van 20

Euro op rekeningnummer

230-0044233-21. www.natuurpunt.be

ACTIVITEITEN A ctiviteitenkalender najaar 2006...................................112 65


Buiten gekeken

Avond in de Evros Evrosdelta, september '81 "Wanneer gaan we eindelijk wat vogels zien ?"zucht Marc. We zijn eindelijk aanbeland op het verste punt dat we in de delta kunnen bereiken. Een kanaal uit de Evrosdelta mondt hier in zee uit. Het is zeker niet ons eerste uitkijkpunt in de delta. We hebben vandaag al zeker 15 km afgelegd onder een loden Griekse septemberzon. Als je al enkele nachten slecht geslapen hebt, is dat geen pretje. Als een zombie sjokte ik achter de anderen aan. Het landschap was ook al niet om meteen wild enthousiast over te worden: zinderende katoenvelden, uitgedroogde moddervlakten en kaarsrechte zanddijken die zonder één enkel plekje schaduw tot ver achter de horizon leken door te lopen. Of was dat denkbeeld misschien te wijten aan de hittetrilling ? In deze door de zon geblakerde eenzaamheid hebben we bovendien maar weinig vogels gezien, heel weinig vogels. En dat in de befaamde Evrosdelta: waar zijn hier die zwarte ibissen, die vorkstaartplevieren, de legendarische sporenkievit ? Ondanks enkele opkikkers zoals roodpootvalk, schreeuwarend en kroeskoppelikaan bleven vooral de steltlopers ondermaats. De zon is nu echter van haar verzengende troon aan het dalen en de temperatuur is nu heel draaglijk geworden. Mijn inzinking van de zondoorstoofde namiddag ben ik nu grotendeels te boven. Op de plaats waar we nu staan kunnen we een redelijk mooi kweldergebied bekijken. Ook hier is eigenlijk maar één soort écht algemeen: de tureluur. Goeie tweede is de kleine zilverreiger. "Alweer zo'n tutu-bende" zucht Marc als opnieuw enkele tientallen tureluurtjes invallen bij de bende die reeds aanwezig is in de plasjes aan de overkant van het kanaal . Als ik even later het luchtballet van twee elkaar achtervolgende zilverreigertjes bewonder, wordt het duidelijk dat bij hém de namiddagse braadpan nog niet volledig afgekoeld is." Weeral twee zeverreigers "bromt hij voor zich uit. "Ginder hangt een visarend" roept plots iemand van de anderen uit. "Daar in de verte, achter die vervallen vissershutjes". Het duurt even voor iedereen hem gezien heeft want de vogel blijft redelijk ver van ons rondjes draaien. "De eerste die we hier zien in Griekenland" deel ik mee aan Marc want hij heeft onze groep nog maar een paar dagen geleden vervoegd. "Ja, maar volledig binnen de verwachtingen" luidt zijn antwoord.

Boven het

kanaal komen nu 2 bekende vogeltjes aansnorren. Laag over het water zitten ze, luid "tie­ tie"roepend achter elkaar aan. "Ijsvogels"klinkt het nu vijfmondig. "Kijk, die zijn groen. Zijn dat wel gewone ijsvogels?"roept Stefan als eerste verbaasd uit. Als één van de twee landt op een houten paal aan de overkant van het kanaal kunnen we het schitterend zien: alle delen die normaal blauw gekleurd zijn, zijn nu intens groen. "Dat is het effect van dat avondlicht, zeker?" vraagt Stefan en wij knikken in instemmend. Er is jammer genoeg maar één soort ijsvogel in Europa. We kijken nog één maal de horizon af en mét succes: een reuzenstern patrouilleert boven de zeereep en plonst enkele keren spectaculair in het water. We hebben ze nu in Griekenland al zowat op elke redelijk grote plas genoteerd, zelfs in de haven van Thessalonikhi, maar het blijft toch steeds een imposante verschijning. "We moeten verder, mannen. Die bus wacht niet en we moeten nog minstens 2 uur stappen eer we de delta uit zijn."maant Dirk ons aan om de terugweg aan te vatten. Op de terugweg besluiten we een stuk af te snijden om zo uiteindelijk op de centrale ontsluitingsweg te belanden. We verlaten dus de zandweg op de kanaaldijk en lopen een uitgedroogde zeekraalvlakte op. Nog geen 100 m verder vliegt er plots een verspreide groep vogels op. "Grielen" roept Marc. Omdat de vogels in verspreide slagorde laag boven de schaars begroeide schorre verdwijnen is het moeilijk de ganse bende zomaar in één beeldJe vangen. "Daar, tussen die twee kleine tamarisken zijn er een paar geland" deel ik mijn kompanen mee. Terwijl we terug korterbij lopen discussiëren we over het aantal? "Vijfendertig, nee, het 66


Buiten gekeken waren er veel meer" meent Dirk. We zijn onden or;en op een redelijke afstand genaderd maar ons verwoed speurwerk levert welgeteld 3 grielenkoppen op. "Waar zijn die nu allemaal naartoe ? sakkert Bob. We begrijpen er niks van. Nog wat verder doorlopen brengt raad. besluiten we. Vijftig meter verder vliegen ze ineens "van onder onze voeten" allemaal op. Ze nemen wat hoogte en we kunnen ze nu ook beter tellen. Minstens vijftig, daar zijn we het nu wel over eens. Maar waar kwamen ze vandaan? Dirk gaat nog eens het terrein inspecteren vanwaar ze opvlogen. "En ...?" Hij schudt ongelovig zijn hoofd: "Niks, geen dekking. Zand, een beetje zeekraal, net als hier. Snap jij daar nu iets van, Herwig ? 't Is precies alsof ze allemaal in een konijnengat zaten." Mijn antwoord "Dirk, hier zitten geen konijnen" helpt hem natuurlijk geen zier verder. "Ik denk dat grielen bij onraad plat op de grond gaan liggen" oppert Marc. " Tja, dat kan niet anders", treden we hem bij. Het terrein waar we doorheen lopen verandert nu. Hier en daar staan groepjes tamarisken, meer struiken dan bomen. De bodem is nu vrijwel vegetatieloos: gebarsten modder, de spleten zijn bovenaan gemakkelijk 3 cm breed. Dirk, die al een tijdje naast mij loopt, merkt het het eerst op "Tiens, de anderen, ik zie die niet meer" Ik antwoord hem dat dat toch niet uitmaakt:" Als we hier rechtdoor lopen moeten we wél op de centrale dijk uitkomen en daar komen we de anderen dan wel tegen." Een fel gekleurde hagedis spurt nu voor ons uit en Dirk gaat er meteen achteraan. "Hier, hij is hier in die spleet verdwenen." "Kijk, daar is zijn staart. Heb jij geen zakmes bij ? " Onze poging tot het uitgraven van

het

dier moeten we opgeven. Hij kruipt namelijk almaar dieper en de ondergrond is steenhard gebakken door de zomerzon. Dirk is teleurgesteld: "Shit, dat zag er een interessante uit. Ah, daar zijn de anderen." We lopen naar de anderen toe die 300 meter links van ons op een laag heuveltje naar ons staan te kijken. Als we bij hen aankomen wacht ons een koude douche. "Schitterend zeg, die visarend. Die vloog maar 10 meter boven jullie hoofd over. Heb je daar foto's van, Dirk?" We kijken elkaar verbijsterd aan. "Hebben jullie die dan niet gezien ? En wat waren jullie daar eigenlijk in de grond aan het wroeten ? Op zoek naar water?" Wat verveeld met de situatie laten we dit trio maar wat lachen. Als we nog nooit een visarend hadden gezien, zouden we wel in de grond kruipen van schaamte, maar nu ... Terwijl de zon steeds verder naar de horizon neigt, bereiken we de ontsluitingsweg. Nu moeten we gewoon rechtdoor en en dan links. Desnoods kan dat ook in het donker. Waar de weg langs een tamariskenstruweel loopt, zie ik in de schemering iets op het zand liggen. De anderen vertragen en pakken eveneens hun kijker. "Daar , zie je? Ik denk een nachtzwaluw" fluister ik. De anderen horen de twijfel in mijn stem en Stefan boort met luide stem mijn suggestie onverbiddelijk de grond in: Dat, een nachtzwaluw ? Gij hebt te lang in de zon rondgelopen, Herwig, dat daar is een tak.. Daarachter steekt nog zo'n wortel uit. Allee mannen, kijkt 's en zeg nu zelf." Ik houd even mijn mond. God weet dat hij overschot van gelijk heeft over dat in de zon lopen ... Dirk is al wat korter bij gelopen en kijkt opnieuw: "Ik denk toch dat den Herwig gelijk heeft. Kijk nog es van hier" De anderen komen dichter bij en de discussie brandt terug los. Uiteindelijk zijn we het er allemaal over eens: het is wel degelijk een tak die daar in het zand ligt. Bob is de groep iets vooruit als ... de tak vleugels krijgt en als een grijze schim opgeslokt wordt in de schaduw van de tamariskstruiken. Wij kijken elkaar aan: "Hebt ge da gezien ? Ik zou gezworen hebben dat ..." "Dat een nachtzwaluw was." vul ik vlot aan. " Ik zei het toch al van in 't begin. Maar ja, de zon heeft waarschijnlijk teveel op jullie oren geschenen en als een serieuze mens ... " Jojo, Herwig, 't Is al goe. Zeg mannen, de laatste bus is om 20 na 8 . We moeten nu écht doorstappen" onderbreekt Marc ons gekibbel. Terwijl we verder de delta uitlopen, komt Bob even naast mij lopen: "Zeg Herwig, gij kunt toch moeilijk slapen, hè. Als ge nu morgen als eerste op staat en luid roept "zeg mannen, hier ligt een tak naast de tent maar ik weet nie goe of da wel nen tak is" Zouden ze dan vroeger opstaan, denk je?" Ik grinnik even. "Wel, het is ieder geval het proberen waard." Herwig 67


Zoogdieren

De das (Me/es me/es) in het Dijleland en aangrenzende gebieden: historische verspreiding, huidige situatie en toekomstperspectieven Haast iedereen heeft wel al eens van 'de das' gehoord. Heel wat mensen zijn geĂŻntrigeerd door dit dier. Daar zit zijn typische zwartwit getekende kop - dat hem trouwens een karakteristiek uitzicht geeft (Foto 1) - en zijn verborgen levenswijze voor heel wat tussen. De das heeft een hoge aaibaarheidsfactor. Vele - vaak onjuiste - verhalen maken hem echter ook minder geliefd: de das zou ziektes verspreiden, zou een belangrijke predator zijn e n zou

veel

schade

aanrichten

aan

landbouwgewassen. In dit artikel bespreek ik wat de gevolgen zijn van de confrontatie tussen de das en de mens. Ik wil het dan voornamelijk hebben over het voorkomen van onze V laamse panda in het Dijleland en aangrenzende gebieden vroeger en nu. Daarnaast geef ik aan of en in welke mate de das een toekomst heeft in deze regio. Om 't een en 't ander goed te begrijpen ga ik eerst kort in op de ecologie van de das. Voor een

uitvoerige

b eschrijving

van

de

lichaamskenmerken, voortplantingsbiologie

Foto !: De das met zijn typische koptekening (Foto: Rol/n i Vertinde)

en systematiek verwijs ik naar Verkem et al.

(2003) en Criel ( 1997).

Ecologie van de das Dassen zijn schuwe nachtdieren. Overdag verblijven ze in hun burcht, een ondergronds stelsel van tunnels en kamers. Deze burchten worden generaties na elkaar gebruikt en voortdurend gewijzigd door het graven van nieuwe toegangen. Anderen raken in onbruik. Hierdoor ontstaan complexe structuren van uiteenlopende grootte. Burchten kunnen een oppervlakte van enkele are tot 1 hectare en meer beslaan (Roper 1992). Dassen gebruiken steeds dezelfde routes, waardoor er duidelijke wissels vanaf de burchtsite vertrekken. Deze wissels leiden naar andere ingangen en naar andere belangrijke plaatsen zoals alternatieve burchten, voedselgebieden en mestputjes. Er bestaan twee types van burchten: de belangrijkste is de hoofdburcht, waar de meeste activiteit plaatsvindt. Hier worden ook de jongen geboren. Op hooguit 100 tot 150 meter afstand hiervan kunnen zich enkele bijburchten bevinden. Deze dienen als reserve en zijn regelmatig maar niet permanent bezet. Ze zijn via wissels met de hoofdburcht verbonden. Wanneer een populatie een nieuw gebied binnentrekt zullen de dassen eerder de eventueel aanwezige bestaande historische burchten, die een tijdlang in onbruik zijn gebleven, opnieuw betrekken en uitbreiden, dan dat ze nieuwe burchten graven. Ook bestaande 68


Zoogdieren

Na1 vossenburchten worden daarvoor gebruikt (pers. med. H. V ink). Nauwelijks te herkennen burchten in het veld bezitten vaak nog een intact ondergronds gangenstelsel dat opnieuw in gebruik kan genomen worden. Vossen kunnen ook hun intrek in een dassenburcht nemen. Wanneer de das en de vos samen een burcht bewonen betrekken ze elk een apart deel. Dassen leven in sociale groepen (Kruuk 1978, Thornton 1988, Raper 1992): elke groep - ook 'clan' genoemd - verdedigt een territorium waarin één hoofdburcht en enkele bijburchten liggen. Het aantal individuen per clan varieert van 3 tot 12 individuen (Kruuk 1978) en hangt o.a. af van de densiteit aan bezette burchten. Meestal is er maar één nest per clan per jaar. De das heeft een gevarieerd landschap nodig voor zowel burchtsite, verbindingszones als voedselgronden. Kleine en grote bossen, afgewisseld met weiden en akkers met bijhorende lineaire elementen vormen een ideaal dassenbiotoop (Foto 2). Grootschalige akkergebieden zijn minder gunstig maar ook hier kunnen dassen overleven indien er geschikte burchtlocaties voorhanden zijn. De densiteit zal er wel lager liggen. Voor het graven van een burcht wordt vaak een hellend, met bomen begroeid terrein gekozen. Een vorm van dekking nabij de burcht is zeer belangrijk omdat dit de dassen toelaat onopvallend te verschijnen en de jongen in de buurt van de ingang te laten spelen zonder opgemerkt te worden (Kruuk 1978). Grote oppervlaktes bos is geen vereiste om een burcht te bouwen. De ligging van de burcht is ook afhankelijk van de aanwezigheid van voedsel en water. De menselijke activiteit is eveneens van belang, maar zolang geen specifieke verstoring voorkomt, blijkt de das geen nadeel te ondervinden van de aanwezigheid van de mens (Anrys & Libois 1983). Voornamelijk in akkergebieden is de das aangewezen op kruidenrijke bermen, heggen, boomgaarden, houtkanten, graskanten, veldbosjes en andere kleine landschapselementen die voor afwisseling zorgen. De grootte van het leefgebied wordt hoofdzakelijk door het voedselaanbod bepaald, waarbij niet zozeer de voedselhoeveelheid dan wel de verspreiding van de plekken waar voedsel kan gevonden worden doorslaggevend is. Zo is de gemiddelde territoriumgrootte van een clan in Voeren 65 ha, in het Limburgse Haspengouw is dat ongeveer 200 ha (Scheppers et al. 2004). Door het wisselen van het voedselaanbod met de seizoenen is een grote verscheidenheid aan voedselgebieden van groot belang, vooral in de buurt van de burcht.

Foto 2: Een geschikt dassenbiotoop vind /e in het Di;Yeland op tal van locaties tervg (hier: omgeving van het Keihof in Sint-Agatha-Rode, mei 2006) (Foto: RLD vzw)

69


Zoogdieren

Dassen zijn alleseters die gebruik maken van verschillende, deels tijdelijke, voedselbronnen. Regenwormen zijn de belangrijkste voedselbron voor de das (Van Den Berge et al. 2000; Verkem et al. 2003). Het foerageergedrag van de das is aangepast aan de aanwezigheid van deze regenwormen terwijl andere voedselbronnen meer opportunistisch worden gebruikt. Insecten worden heel het jaar door gegeten, maar alleen in perioden van overvloed worden ze in grote hoeveelheden verorberd. Zoogdieren zoals knaagdieren, insekteneters en haasachtigen kunnen eveneens gedurende het hele jaar als voedsel worden benut, maar vormen slechts een kleine fractie van het menu. Als plantaardig voedsel zijn vooral granen (maïs, tarwe, haver) belangrijk, hoewel de ingenomen hoeveelheid sterk afhankelijk is van de beschikbaarheid, het weer en de aanwezigheid van alternatieve voedselbronnen. Granen worden vooral in de maanden augustus en september gegeten. Vruchten zoals pruimen, kersen, aardbeien, bosbessen, appels, peren, braambessen, frambozen, eikels en kastanjes, zaden en plantendelen die als reserve dienen zoals knollen en bollen vormen vooral in de late zomer en herfst een belangrijke voedselbron. Rond deze tijd bouwen dassen in snel tempo hun vetmassa op voor de winter. Verder zijn er nog een aantal minder belangrijke voedselbronnen zoals slakken, reptielen, amfibieën, fungi, vissen en eieren. Dassen kunnen op één nacht gemakkelijk enkele kilometers afleggen om voedsel te gaan zoeken. Door middel van deze 'dagdagelijkse' verplaatsingen (her)koloniseren dassen ook nieuwe gebieden. Zo'n herkolonisatieproces verloopt echter zeer traag. Zo duurt het enkele jaren vooraleer een nabijgelegen oude burcht op enkele kilometers gelegen van een bezette burcht permanent bewoond wordt (Kruuk 1978, Christian 1994, pers. med. H. V ink). Men moet wel rekening houden met de densiteit: hoe meer dassenclans er in een gebied gevestigd zijn, hoe minder ver en minder frequent dassen zich zullen verplaatsen. Naast deze bewegingen zijn er ook dieren die lange afstandsverplaatsingen maken. Dit kan 20 tot 40 km op één nachtelijke tocht zijn (pers. med. E. Dupae). Het gaat hier om zwervers. De kans dat deze dieren een plek (her)koloniseren is uitermate klein.

Historische verspreiding in het Dijleland en aangrenzende gebieden De das was tot 1950 vrij algemeen voorkomend in het Dijleland - meer specifiek in de regio ten zuiden van de as Leuven-Brussel (Holsbeek et al. 1986, Bogaert 1996). Deze lijn komt niet toevallig ongeveer overeen met de steilrand van het leemplateau die het vlakke gebied in het noorden (Laag-België) scheidt van het heuvelachtige in het zuiden (Midden-België). De dichtheid aan dassen in het Dijleland tijdens de Tweede Wereldoorlog werd even hoog geschat als in de regio van de Beneden - Semois (optimaal dassengebied) voor 1950 (Ryelandt 1975). Gegevens over het voorkomen van dassen zijn onder andere afkomstig van oude jachtartikels en van inventarisaties van oude dassenburchten. Vanaf 1900 waren verschillende dassenclubs - zogenaamde "sociëteiten van dassenvangers" - actief in onze streek. Met goed getrainde honden gingen gemotiveerde mannen - vaak op uitnodiging - naar een bewoonde dassenburcht om gedurende enkele uren of zelfs dagen een of meerdere dassen uit te graven. In Dijleland en omstreken heeft zo een club tussen 1925 en 1940 meer dan 100 dassen uitgegraven. Er zijn gegevens uit Bertem (1908, 3 dassen gevangen; 1942, 1 das gevangen), Brussel (1912, Bos van Stockel, 10 dassen gevangen), Leuven en omgeving (1912, 1 das gevangen; omstreeks 1950, 2 dassen gevangen), Ottenburg (rond 1936, 2 dassen geschoten), Overijse (1946, 1 dode das), Vaalbeek (1947, bewoonde burcht aan kasteel Harcourt), Bossut-Gottechain (1948, bewoonde burcht; 1974, onbewoond) (Econnection 1990). Naar schatting kregen meer dan 603 van de dassenburchten een of meerdere keren bezoek van deze dassenclub. Tijdens de twee wereldoorlogen staakten de dassenclubs hun activiteiten waardoor de dassenpopulaties weer konden aangroeien. Eind jaren '50 sterft de georganiseerde dassenbouwjacht een stille dood. Uit de jachtverslagen blijkt 70


Zoogdieren

Aandachtsgebieden 1 gebied v;m en rond

2 3 4 �

LEUVEN

het Tcrsaartb<.'s

idmfüouwgeb1ed

van

La11gerode

Marg11sbos landbouwendave Wol fshagen Vossekoten 6 Brccrnbos 7 Stokkembos 8 Terge1ten

9 Mommaartshof 10 Bilandc-bosscn 1 1 Bo1� de� Tempher�

Bierbeek

12 Sint-Agatha-Rodebos 13 noo1deli1k dee-1 van hec Bos van Liurensart 14 zu1del11k deel van het Bos van Laurensan

••

1 5 bosgordel en kasteelpark ten wesren var. Nethen 16 klemschal1ge landbouwcnd<1ve Paradis 'Jrou aux Colons 1 i kleinschalige landbouwenclave Champ de Bossut 18 Savenel 19 Bo1s Saint-Nteaise 20 Valduc 21 w1dooslclljkc rand

-

Meerdaalwoud

22 Beis de Peer en Vuilenbos

23 Remmelenbos 24 overgangsgebied H everleebos, Kouterbos en Mecrda;1lwoud

(

·

Voor de das belangrijke gebiedseenheden

Prioritaire

_

aandachtsgebieden

Gelokaliseerde

Jr.

Niet-gelokaliseerde

burchtlocatie

burchtlocatie

Kaart: Aandachtsgebieden in de regio ten zUJden van Leuven met aanduiding van burchtlocaties (brochure 'Opnieuw dassen in Brabant: Econnection 2000).

trouwens dat de das niet alleen voorkwam in grote bossen, maar ook in kleinere veldbosjes en holle wegen. Ten tijde van de opmaak van het beschermingsplan voor de das (Econnection 1996) werd er in de regio uitvoerig gezocht naar dqssenburchten. Enkele belangrijke locaties voor dassen in het Dijleland waren de zuid- en oostrand van Meerdaalwoud en het plateau van Korbeek­ Dijle, Leefdaal, Neerijse, Loonbeek, Huldenberg, Duisburg, Eizer, Overijse, Terlanen, Tombeek en Ottenburg (Kaart, Foto 3). Momenteel zijn er in het Dijleland (dus zonder Waals-Brabant) 103 dassenburchten bekend. Daarvan werden er 30 als hoofdburcht en 30 als bijburcht gekatalogeerd. Het is belangrijk op te merken dat het niet evident is om bij oude, niet­ bewoonde dassenburchten een onderscheid te maken tussen hoofd- en bijburchten - enkel het aantal hoofdburchten is relevant in termen van een schatting van de populatiegrootte. Daarom zal een schatting van het aantal aanwezige dassen in het Dijleland niet nauwkeurig zijn. Een zoektocht naar (oude) toponiemen leverde enkele interessante gegevens op over het vroegere voorkomen van de das. Zo heb je de Dassenberg en Dassenstraat in Haasrode, Dassenhout (in 1942 in Heverlee) en de Dassendreef (Allée des Blaireaux) in Brussel (Criel 1997). Niet alleen in het Dijleland maar ook in de aangrenzende gebieden waren dassen vroeger een algemene verschijning. Zo zijn er voor het Hageland vrij veel gegevens beschikbaar over dassenuitgravingen (bijvoorbeeld in Sint-Pieters-Rode, Lubbeek, Kaggevinne, Sint-Joris­ Winge, Molenstede en Waanrode (Econnection 1990)). In Zuidoost-Brabant kennen we gegevens uit Goetsenhoven, Meldert, Ezemaal en Honsem. In Waals-Brabant zijn er gegevens 71


Zoogdieren

over dassen bekend uit de gemeenten Jodoigne, Hélécine, Chaumont-Gistoux, Grez­ Doiceau, Beauvechain, Lasne, Wavre, Rixensart, La Hulpe, Braine-1'Alleud, Braine-le-Chateau, Ittre en Nijvel (Libois 1982). Ook hier werden in sommige gebieden hoge densiteiten aan burchten aangetroffen. In Opprebais - 13 km ten zuiden van het Meerdaalwoud - werden bijvoorbeeld vijf onbewoonde dassenburchten gevonden in een bos van 150 ha (Libois 1982). Het Zoniënwoud (Sint-Genesius-Rode en Hoeilaart) herbergde eveneens een belangrijke dassenpopulatie (Criel 1997). In 1959 werd de das er nog gesignaleerd (Libois 1982). In een brede waaier rond het Zoniënwoud liggen een twintigtal oude dassenburchten (Criel 1997). Enkele gegevens uit private bossen in La Hulpe: 197 4, 1 das levend gevangen in een val; 1975, 1 das geschoten; 1978, 1 das gezien; in 1980 werd 1 burcht nog door 1 das bewoond (Libois et al. 1986). In het noorden van Vlaams-Brabant kwam de das vroeger eveneens voor (bijvoorbeeld Kampenhout in 1934, Wespelaar in 1933 (Econnection 1990)) maar waarschijnlijk in lagere densiteiten. Wellicht vormden het Dijleland, het Hageland en Zuidoost­ Brabant samen met Waals-Brabant één geheel dat in verbinding stond met de populatie in het Limburgse Haspengouw. Omwille van de intense jachtdruk ging het tijdens de jaren '50 en '60 sterk bergaf met de dassen. Wellicht waren de aantallen tot onder een kritisch niveau gezakt. Enkele gegevens uit de periode 1950 - 1988 zijn samengevat in Tabel 1. Tabel 1 : Overzicht van dassenwaarnemingen tijdens de jaren '50- '80 in het Dijleland en aangrenzende gebieden (*wellicht werd domein Hottat bedoeld} (Econnection 1990).

Locatie

Beschrijving

Periode

Huldenberg

1950 1950-1955 1956 1955-1960 1960 1961 1961 1963 1966 1967 1970 1972 1970 1974 1975 en 1976 1977 1982 1985 1985 1985 1986 1988

Overijse, Stokkembos

1 dode das 1 geschoten en 1 dood gevonden 1 das gevangen in Moorselbos 4 dassen uitgegraven

Sint-Pieters-Rode

das geschoten aan kasteel Horst

Horta*, Bierbeek

das gevangen

Leefdaal, Raffelberg Vossem

Korbeek-Lo, Vuilbos

das geschoten

Meerdaalwoud

1 bewoonde burcht

Heverleebos, kasteel Harcourt

burcht laatst bezet

Tussen Opvelp en Honsem

laatst gezien

Mollendaalbos, De Dauw

1 dier gezien 1 koppel gedood

Mollendaalbos, Holle weg Sint-Genesius-Rode

bewoonde burcht

Watermaal-Bosvoorde

1 das doodgereden 1 das waargenomen das heeft 2 jongen 1 das waargenomen 6(?) dassen in holle weg 1 das foeragerend in bosrand

Bertem Buurt van Meerdaalwoud Everberg Opvelp Nethen, kasteeldomein Savenel Honsem

bewoonde burcht

Gelrode

bewoonde burcht

Hamme-Mille

1 das waargenomen

72


Zoogdieren

In 1981 werd door de Bierbeekse natuurvereniging 'Het Vossenhol' een poging gedaan om de das in het Dijleland terug te brengen. Er werden in het Meerdaalwoud acht dieren uitgezet (Claessens 1983). In 1993 werden er nog sporen gevonden aan een burcht in Mollendaalbos -wellicht van één van de nakomelingen. Verstoring van de bewoonde burchten (stookolie. versperren ingang, vergiftiging, vernie.tiging burcht) was de voornaamste reden voor het mislukken van deze herintroductie. In het Zoniënwoud werd in dezelfde periode ook twee dassen uitgezet (Econnection 1990). Eveneens zonder succes. Zijn er.naast de intensieve dassenuitgravingen .nog andere oorzaken voor de uitroeiing van de das in het Dijleland en omgeving? Gegevens uit de 19de eeuw geven aan dat de das destijds reeds bejaagd werd omwille van zijn vlees (enkel bij hongersnood), vet (o.a. voor zalfjes) en haren (o.a. voor scheerborstels). Dassen werden eveneens gebruikt tijdens gevechten met honden (o.a. in drankslijterijen in Leuven (Ryelandt 1975)). De overheid organiseerde o.a. in 1953 en 1954 een campagne om de hondsdolheid in België terug te dringen. Dit deed ze door grootschalige vergassingscampagnes van burchten te organiseren -voornamelijk in Wallonië maar ook in (het toenmalige) Brabant. Alhoewel het de bedoeling was om vossen te verdelgen, waren het vooral de dassen die enorme klappen kregen. Schattingen geven aan dat in Wallonië de dassenpopulatie met 903 daalde (Ryelandt 1975). Daarnaast werd er de das actief bejaagd. Zo werden er tussen 1946 en 1950 tien dassen gedood aan een burcht in Mollendaalbos (Ryelandt 1975). Momenteel zijn het vooral twee andere redenen die een zware impact hebben op bestaande dassenpopulaties: de achteruitgang van het leefgebied (zowel kwaliteit als kwantiteit) door landbouw, bosbouw, urbanisatie .... en het verkeer (zie o.a. Dupae 2001). Zo worden er in Haspengouw en Voeren per jaar 30 à 40 dassen langs de weg opgeraapt (pers. med. T. Scheppers). 73


Zoogdieren

Huidige situatie van de das in het Dijleland en aangrenzende gebieden Momenteel komt er geen dassenpopulatie voor in het Dijleland. Hens (2004) vermeldt nochtans dat de das 'voorkomt' in het Dijleland. Zoals hierboven reeds aangehaald kan een das ettelijke kilometers op een nacht afleggen. Hierdoor is het mogelijk om over gans V laanderen dassen waar te nemen. Het gaat hier echter over zwervers. De term 'voorkomen' wordt dus best met enige voorzichtheid gebruikt. In Tabel 2 geef ik een overzicht van recente waarnemingen in het Dijleland en aangrenzende gebieden. Hoewel alle gegevens zo goed mogelijk gecontroleerd werden - alle zeer twijfelachtige waarnemingen zijn niet opgenomen - is het belangrijk om aan te geven dat wellicht niet alle gegevens in de tabel

1003 zeker

das betreffen. Vergissingen met wasbeer,

wasbeerhond, kat e.d. zijn goed mogelijk. Van de dieren die ingezameld werden in het kader van het project 'Ecologie van marterachtigen' van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) zijn we zeker dat het dassen zijn (Tabel 2). Daarnaast bewijst het geval van Sint-Joris-Winge in

2006

dat een waarneming van een dood dier op een bepaalde

locatie niet hoeft te betekenen dat het dier daar effectief spontaan is geraakt en op die

2). Ik veronderstel dat dit echter de uitzonderingen zijn. Het feit dat de overgrote meerderheid heel wellicht zwervers zijn, wordt bevestigd door de

locatie is gestorven (Tabel

bevindingen van de autopsies, uitgevoerd door Koen Van Den Berge in het kader van het IN BO-onderzoeksproject naar de ecologie van marterachtigen. Daarbij wordt o.a. gesteund op de leeftijd, conditie en voortplantingstoestand (pers. med. K. Van Den Berge). In ieder geval blijkt uit deze tabel dat er 'regelmatig' dassen in het Dijleland aanwezig zijn. De gegevens uit deze tabel zijn niet het resultaat van systematisch onderzoek maar eerder van toevallige waarnemingen. Wellicht lopen er daarom in het Dijleland en omstreken nog (veel?) meer dassen rond dan wat de tabel doet suggereren. Naast gegevens over waarnemingen van levende en dode dieren zijn er ook enkele recente gegevens bekend over de bezetting van een burcht. Zo werd er in

2003 voor een korte tijd

een burcht bezet in Korbeek-Dijle (Moreau 2004). In Bekkevoort was dit het geval in 2004. Tot nu toe is er echter geen enkel gegeven bekend van voortplanting. In Vlaanderen komt enkel nog een dassenpopulatie voor in Limburg: de grootte werd in

2003 geschat op 59 bezette hoofdburchten al. 2004). Recentere gegevens wijzen erop

in Voeren en

50 in

Haspengouw (Scheppers et

dat deze dassenpopulaties traag maar zeker

aangroeien. De das staat op de V laamse Rode lijst in de categorie 'Bedreigd' (Criel et al.

1994). In WalloniĂŤ is de das weer vrij algemeen voorkomend ten zuiden van Samber en Maas - zelfs aan de noordzijde van de Maasvallei zijn er bewoonde burchten gesignaleerd. Momenteel zou het aantal dassen ten zuiden van Samber en Maas zelfs hoger liggen dan voor de vergassingscampagnes (pers. med. D.-E. Ryelandt). Echter, ten noorden van Samber en Maas blijft de das een zeldzame verschijning. We kunnen met vrij grote zekerheid stellen dat enkel in de regio Nijvel-Ittre een kleine dassenpopulatie aanwezig is (tiental hoofdburchten). Dit is wellicht het laatste restant van de populatie die ooit in verbinding stond met het Dijleland. Een zoektocht in de regio V illers-la-Ville in maart

74

2006

leverde geen bezette burchten op.


Zoogdieren

Tabel 2: Overzicht van recente dassenwaarnemingen 1ĂŽ'I het Dijleland en aangrenzende gebieden (*ingezameld in het kader van het INBO-marternetwerk; 1Dier werd als verkeersslachtoffer meegenomen vanuit Tongeren en in Sint-Joris-Winge langs de kant van de weg gelegd. Dag erna was dier verdwenen.) Sporen kunnen op prenten, haren,etc. duiden.

Locatie

Beschrijving

Datum waarneming

Overijse(?),ten W van Hof ten Bos

dood (pikdorser)

1992

Bierbeek, Mollendaalbos

haren

16/5/1993

Ottenburg

bewoonde burcht

1994

Herselt,Aarschotsestwg

dood

3/9/1994

Sint-Genesius-Rode

dood

20/5/1996

Neerijse,Doode Bemde

zichtwaarneming

15/4/1998

Haasrode,holle weg

zichtwaarneming

oktober 1998

Oud-Heverlee, Fonteinstraat

verkeersslachtoffer

3/3/2001

Sint-Agatha-Rode, Keihof

zichtwaarneming (levend)

10/3/2001

Bierbeek,Mollendaalbos

sporen

27/7/2001

Heverlee,Heverleebos

zichtwaarneming

15/10/2001

Oud-Heverlee,kerk

dood

6/3/2002

Haasrode,expressweg

onbepaald

4/10/2002

Dunbergbroek

zichtwaarneming (levend)

2003

Bruulbos

zichtwaarneming (levend)

2003

Aarschot,Steenweg Nieuwrode

verkeersslachtoffer*

28/2/2003

Heverlee,Heverleebos

zichtwaarneming

1/3/2003

Heverlee,Heverleebos

sporen

1/4/2003

Korbeek-Dijle

sporen

april 2003

Keerbergen,Haachtsebaan

verkeersslachtoffer*

4/4/2004

Vaalbeek,Heverleebos

zichtwaarneming (levend)

30/11/2004

Neervelp,Dalem E40

verkeersslachtoffer

juni 2004

Kerkom,Malendries

dood

juni 2004

Hamme-Mille,Bois St.-Nicaise

sporen

20/6/2004

Rijmenam,Weynesbaan

verkeersslachtoffer*

23/2/2005

Lubbeek,Hazeputstraat

zichtwaarneming (dood)

1/3/2005 20/3/2005

Aarschot, Kloesebos

dood*

Bertem,Bertembosstraat

zichtwaarneming (levend)

11/4/2005

Rotselaar,Heikant

sporen

26/5/2005

Hamme-Mille,Valduc

sporen

1/6/2005

Sint-Genesius-Rode,Zevenbronnen

dood*

17/6/2005

L'Ecluse

zichtwaarneming

7/9/2005

Bierbeek,Naamsestwg

verkeersslachtoffer*

20/9/2005

Blanden,Mollendaalbos

zichtwaarneming (dood)

7/2/2006

Lubbeek,Butselbos

zichtwaarneming (levend)

15/2/2006

Sint-Joris-Winge

zichtwaarneming (dood)*1

31 /3/2006

Holsbeek,afrit E314

verkeersslachtoffer*

13/4/2006

Landen,oprit E40

verkeersslachtoffer*

18/4/2006

Blauberg,Averbodesestwg

verkeersslachtoffer*

31/8/2006

Toekomstperspectieven Gegevens uit Haspengouw en Voeren, WalloniĂŤ en Nederland leren ons dat het opnieuw beter gaat met de das: de populaties breiden langzaam maar zeker uit. Wat betekent dit voor het Dijleland? Is spontane herkolonisatie van het Dijleland mogelijk? En is er in het Dijleland plaats voor een levensvatbare populatie dassen? Herkolonisatie van het Dijleland zal hoogstwaarschijnlijk moeten gebeuren vanuit de brongebieden Haspengouw, Samber-Maas en/of Nijvel-Ittre. Het is op dit moment niet duidelijk in hoeverre de tussenliggende gebieden voldoende habitat bieden om 75


Zoogdieren herkolonisatie toe te laten. Voor de populatie in Nijvel-Ittre is het trouwens niet zeker of en in hoeverre hier een echte expansie bezig is. Momenteel voert Regionaal Landschap Dijleland (RLD) vzw i.s.m. de dienst Natuurtechnische Milieubouw van de V laamse overheid het project 'Habitat- en connectiviteitsanalyse in het Dijleland en aangrenzende gebieden: de das (Me/es me/es) als meetsoort met inbegrip van voorstellen voor daadwerkelijke ontsnippering van lijnvormige transportinfrastructuur' uit. Doel is om onder andere uit te zoeken welke bronpopulatie de meest waarschijnlijke is in termen van herkolonisatie. Hierbij zullen harde barrières a.h.v. GIS-analyses opgespoord worden. Ongetwijfeld biedt het Dijleland momenteel nog steeds mogelijkheden om een dassenpopulatie te herbergen (Foto 2). Het is daarbij belangrijk om inspanningen te leveren die de kansen op een duurzame populatie verhogen. Ik denk hier dan in het bijzonder aan het nemen van ontsnipperingsmaatregelen. Het gaat dan niet alleen om de grotere wegen (E3 l 4, E40, E4 l l en HSL), maar ook om de gewestelijke (bijvoorbeeld N253 Egenhoven Overijse) en de gemeentelijke (Dupae 2001). Andere - niet minder belangrijke aandachtspunten zijn het stoppen van de achteruitgang van de kwaliteit en kwantiteit van het leefgebied, het sensibiliseren van de jacht (vnl. in het kader van de vossenbestrijding) en het in goede banen leiden van de alsmaar toenemende recreatiedruk (Pasteels 2005). Het feit dat een deel van het 'dassengebied' op Waals grondgebied ligt maakt deze uitdaging nog groter. Bij RLD vzw loopt het project: "Uitvoering van het beschermingsplan voor de das

(Me/es me/es) in het zuidelijk deel van de provincie V laams-Brabant en het taalgrensgebied" dat het nemen van bovenstaande maatregelen wil stimuleren. Het stopzetten van de achteruitgang van het leefgebied realiseert RLD vzw door o.a. de aanleg en herstel van kleine landschapselementen (holle wegen, houtkanten, ...) en hoogstamboomgaarden, het stimuleren van aangepast bosbeheer en het milderen van de invloed van de landbouw op kleine landschapselementen, weilanden en bossen (mest, pesticiden, erosie). Aandacht gaat voornamelijk naar de prioritaire gebieden: Tersaat, Langerode, Margijsbos, Vossekoten, Breembos, Mommaartshof en Mollendaal (Kaart). Het is duidelijk dat deze herstelmaatregelen niet alleen een gunstig effect hebben op de das maar ook op andere organismen (bijvoorbeeld geelgors, ringmus, patrijs, steenuil, sleedoornpage, akkerflora, ...). Uiteraard zijn deze realisaties enkel mogelijk met medewerking van de verschillende partners (natuurverenigingen, WBE's, landbouwers, boseigenaars, overheden, ....). De eerste verwezenlijkingen in het kader van dit project wijzen erop dat dit ook effectief mogelijk is. Het water is niet altijd zo diep als het lijkt! Een laatste vraag: kan je de das niet simpelweg terugbrengen door hem te herintroduceren? Alhoewel Econnection (1990) stelt dat herintroductie de enige manier is om de das in het Dijleland terug te brengen, bewijzen bovenvermelde knelpunten (o.a. wegverkeer, sensibilisatie, ...) dat het niet opportuun is om daar momenteel aan te denken. De vraag is bovendien: moeten we er zelfs ooit nog aan denken om dassen in het Dijleland uit te zetten? Herintroducties zijn niet eenvoudig. Wat kan/moet de herkomst van de uit te zetten dieren zijn? Hoeveel dieren moeten we uitzetten? Waar en wanneer zetten we ze uit? Zijn de oorzaken van uitsterven opgelost? Wie financiert dit?

Enzovoort. Het is trouwens - zoals

verschillende herintroductie-projecten in Nederland ons leren - geen garantie voor succes. Mijn devies is: laat ons blijven werken aan het landschap, de zaak goed opvolgen (monitoring!) en voor de rest ... geduld hebben. Wie weet 'komt' de das binnen l 0 Ă 20 jaar echt weer opnieuw 'voor' in het Dijleland!

Oproep Meldingen van dode of levende dassen of oude of nieuwe burchten zijn nog altijd welkom bij de auteur. Ook twijfelgevallen zijn welkom! Je kan bij hem ook terecht voor een fotobestand dat het herkennen van dassensporen en de vergelijking met gelijkende soorten zoals wasbeer en wasbeerhond moet vergemakkelijken. Tenslotte kan je je ook bij hem inschrijven voor de dassennieuwsbrief (graag naam en (mail-)adres achterlaten). 76


Zoogdieren Dankwoord

--

Alle medewerkers die meegeholpen hebben om gegevens

zamelen wil ik hierbij bedanken. Koen Van Den

Berge (INBO) donk ik voor het doorgeven van de gegevens uit de databank in het kader van het INBO­ onderzoeksproject naar de ecologie van marterachtigen. Vele gegevens uit dit artikel werden verzameld in het kader van het project "Uitvoering van het beschermingsplan voor de Dos (Me/es me/es) in de regio ten zuiden van Leuven en aangrenzende gebieden". Ik donk het Agentschap voor Natuur en Bos voor de financiële steun van dit project. In het najaar van 2005 werd een dassenwerkgroep in het Dijlelond opgericht. lij bestaat o.o. uit vertegenwoordigers van natuurverenigingen. WBE's en overheden. Een belangrijke taak van de werkgroep is de monitoring van de bekende dassenburchten in het Dijlelond. Bij deze wil ik alle leden van de werkgroep reeds bedanken voor hun inzet.

Referenties Anrys. P. & Libois, R.M. 1983. Choix de !'habitat chez Ie bloireou Européen (Me/es me/es) en Belgique. Cahiers d'Etho/ogie Fondamentale et Appliquee. 3: 15 - 38. Bogaert, J. 1996. Zoogdieren. Jaarbulletin Vn'enden van het Heverleebos enMeerdaalwoud ( 1996): 87-96. Christian, S. 1994. Dispersol and other inter-group movements in bodgers. Me/es me/es. Z. Sougetierk. 59: 218 223. Claessens, F. 1983. Wetenschappelijke analyse van een reïntroductieproject voor de dos (Me/es me/es) in het Meerdoolwoud (en op punt stellen van studiemethodes). Bndverhondeling Katholieke Universiteit Leuven. Criel. D., Lefevre, A., Van Den Berge, K.. Van Gompel. J. & Verhogen. J. 1994. Rode Lijst van de zoogdieren in V laanderen. AMINAL Brussel. België. Criel. D. 1997. De dos in V laanderen: een verhaal in zwart en wit. Provincie Limburg. Hosselt; Stichting Leefmilieu. Antwerpen en Uitgeverij Marc Van de Wiele, Brugge. Dupae, E. 2001. Dog Grimbert. hoe gaat het? LikonaJaarboek 2000. pp. 115-123. Econnection 1990. De verspreiding van de dos (Me/es me/es) in V laanderen. Rapport 1: Knelpunten en ontwikkelingsmogelijkheden. Intern rapport. AROL, Brussel. Pp. 138. Econnection 1996. Beschermingsplan voor de dos in het zuidelijk deel van de provincie V laams-Brabant en het toolgrensgebied. In opdracht van Afdeling Natuur. Ministerie van de V laamse Gemeenschap. Hens. M. 2004. Het Dijlelond: zoogdieren-hotspot van formaat. De Boom.klever. 32: 126-127. Holsbeek. L., Lefevre. A.. Van Gompel. J. & Vantorre. R. 1986. Zoogdieren-inventarisatie van V laanderen ( 197585). Bijdrage tot de kennis van het voorkomen en de verspreiding van de zoogdieren in het V laamse en het Brusselse Gewest. België. Eugleno extra uitgave, Nationale Zoogdierenwerkgroep. JNM-uitgeverij, Gent, België. Kruuk. H. 1978. Spatial organizotion and territoria! behoviour of the Europeon bodger Me/es me/es.Joumal of Zoo/ogy, 184: 1-19. Ubois, R.M. 1982. Atlas des mommifères souvoges de Wallonie (première portie). Cahiers d'Etho/ogie Fondamentale et Appliquee, 2 (suppl. 1-2): 207 p. Libois, R.M., Poquot, A. & Ryelondt, D.E. 1986. Aperçu de l'évolution des populations de bloireoux (Me/es me/es) en Wollonie au cours de la période 1982-1985. Cahiers d'Ethologie Fondamentale et App/q i uee, 6: 359-372. Moreou, K. 2004. Voorkomen van marterachtigen in regio Leuven, met nadruk op de periode 1997-2004. De Boom.klever. 32:144-149. Pasteels. B. 2005. Landschapsanalyse van historische dassenburchten in de regio ten zuiden van Leuven. Eindwerk. Erasmushogeschool departement HORTECO. V ilvoorde. Roper. T.J. 1992. BadgerMe/es me/es setts: architecture. internol environment and function.Mamma/ review. 22: 43-53. Ryelandt. D.-E. 1975. De Dos: komt hij nog voor in Meerdoolwoud? Jaarbulletin van de Vn'enden van Heverteebos enMeerdaalwoud. Pp. 51-59. Scheppers. T" Baert. P" Stevens. J. & Ollivier: F. 2004. Hobitatselectie voor burchtlocaties bij de Europese Dos (Me/es me/es) in Haspengouw en Voeren. Likona Jaarboek 2003. pp. 80-89. Thornton, P.S. 1988. Density and distribution of Bodgers in south-west Englond: o predictive model.Mamma/ review. 18: 11-23. Verkem. S" De Maeseneer. J" Vondendriessche. B" Verbeylen. G. & Yskout. S. 2003. Zoogdieren in V laanderen. Ecologie en verspreiding van 1987 tot 2002. Notuurpunt Studie & JNM-Zoogdierenwerkgroep. Mechelen & Gent. België. Van Den Berge. K" Quotoert, P. & Dewitte, S. 2000. Dossen op tafel: ziet u er wat in? LikonaJaarboek 1999. pp. 7483.

Koen Berwaerts, Regionaal Landschap Dijle/and

vzw

telefoon: 016/40.85.58 E-mail: koen.berwaerts@rld be

77

-


Paddenstoelen

Graslandpaddenstoelen: indicatoren voor schrale graslanden Resultaten van inventarisaties in het Dijleland In het kader van het paddenstoelenproject in Vlaams-Brabant wordt sinds het najaar 2004 gericht gezocht naar paddenstoelen in waardevolle en/of door Natuurpunt beheerde gras­ landen. In verschillende graslanden werden bedreigde paddenstoelen gevonden, die indi­ catief zijn voor stabiele, schrale graslanden met aanzienlijke natuurwaarden. Dit artikel geeft een overzicht van de vondsten van wasplaten in het Dijleland. Daarnaast wil het een aanzet geven om aktief op zoek te gaan naar wasplaten en andere graslandpaddestoelen in bota­ nisch interessante, matig vochtige tot droge graslanden met kenmerken en beheer zoals in dit artikel beschreven.

Graslandpaddenstoelen als indicatorsoorten Graslandpaddestoelen zijn van groot belang als indicatoren voor de ouderdom en mate van verstoring van graslanden. Er zijn vier groepen paddestoelen die kenmerkend zijn voor oude, voedselarme en soortenrijke graslanden: wasplaten (Hygrocybe), satijnzwammen (Entoloma), knotszwammen ( Clavu/inopsis) en aardtongen ( Geoglossum). Kuyper ( 1994) kende aan enkele specifieke graslandsoorten indicatorwaarden toe, verdeeld over acht groepen (tabel 1). Groepen 1-3 zijn indicatief voor schrale, stabiele graslanden en hun aanwezigheid kan zonder meer als positief beschouwd worden. Groep 4 bestaat uit pioniersoorten, die wijzen op potentiële natuurwaarden in ontwikkeling. Een vijfde groep wijst op een schraal, zuur en humusrijk milieu, zoals in heischrale graslanden. Groep 6 zijn soorten die in sterk bemeste graslanden weinig of niet voorkomen, maar in de beginfase van een verschralingsproces optreden. Groep 7 omvat soorten van sterk bemeste graslan­ den en groep 8 zijn storingsindicatoren in zeer voedselrijke situaties. Wasplaten worden beschouwd als de orchideeën onder de paddestoelen. Niet alleen door hun opvallende rode, oranje of gele kleuren, maar ook vanwege hun voorkeur voor bijzon­ dere soortenrijke milieus, hun geconcentreerde optreden in bepaalde gebieden, hun ach­ teruitgang en zeldzaamheid. Volgens Kuyper ( 1994) spreekt men van een 'wasplatenweide', als een grasland minstens vijf soorten wasplaten herbergt. Het aantal wasplatenweiden en hun oppervlakte in Vlaanderen is vrij beperkt. Bovendien krimpt het areaal aan historisch permanent grasland nog steeds.

Herkennen van graslandpaddestoelen De meest voorkomende wasplaten zoals Sneeuwzwammetje, Gewoon vuurzwammetje, Papegaaizwammetje en Zwartwordende wasplaat zijn in het veld eenvoudig te herkennen aan de hand van enkele zeer karakteristieke eigenschappen. In de brochure 'Paddenstoelen zoeken in Vlaanderen, een aanmoediging voor beginners' (Steeman, 2006) werden ze op­ genomen als vier van de 60 gemakkelijk herkenbare soorten. Beginnende paddenstoel­ zoekers zullen deze soorten uiteraard niet dagelijks aantreffen, maar wel probleemloos her­ kennen en op die manier eventueel nieuwe vindplaatsen kunnen ontdekken, wie weet zelfs in hun eigen tuin.

78


Paddenstoelen

Tabel 1. Indicatiewaarden van in het Dijleland waargenomen graslandpaddenstoelen volgens Kuyper (1994).

1 )

Indicatoren voor zeer oude, ongestoorde, schrale, extensief beweide of gehooide graslanden met zeer hoge natuurwaarden. Gele wasplaat (Hygrocybe chlorophana)

2)

Indicatoren voor oude, niet of weinig gestoorde, schrale, extensief beweide á gehooide graslanden met hoge natuurwaarden. Fijngeschubde aardtong (Geog/ossum fa/fax) Elfenwasplaat (Hygrocybe ceracea) Kleverige wasplaat (Hygrocybe g/utinipes) Ruige aardtong (Trichoglosum hirsutum)

3)

Indicatoren voor stabiele, schrale graslanden met aanzienlijke natuurwaarden. Sneeuwzwammetje (Hygrocybe virginea) Wormvormige knotszwam (C/ava ria fragilis) Sikk elkoraalzwam (Clavu/inopsis cornicu/ata) Gele knotszwam (Clavulinopsis helveola) Zwartworden de was plaat (Hygrocybe conica) Papegaaizwammetje (Hygrocybe psittacina)

4)

Indicatoren voor zich ontwikk elende, schrale graslanden (pionier soorten) met potentiële natuurw aarden. Heideknotszwam (Clavaria argillacea)

5 )

Indicatoren voor zure, heischrale graslanden. Slijmwasplaat (Hygrocybe laeta) Vu urzwammetje (Hygrocybe miniata)

6 )

Indicatoren voor begilnende verschraling vanuit een sterk bemeste situatie. Loodgrijze bovist (Bovista p/umbea) Ruitjesbovist (Ca/vatia utriformis) Roze pronkridder (Ca/ocybe cornea) Kleefsteelstropharia (Stropharia semiglobata) Oranjegeel trechter�e (Rickenella fibula) Paarsharttrechtertje (Rickenella swartzii) Ster spoorsatijnzwam (Ento/oma conferendum) Bruine satijnzam (Ento/oma sericeum) Okergele korrelhoed (Cystoderma amianthinum)

7)

Indi catoren voor sterk bemeste, permanente graslanden Gewone anijschampignon (Agaricus arvensis) Weidechampignon (Agaricus campestris) Giftige w eidetrechterzwam (Clitocybe rivulosa ) Weidekringzwa m (Marasmius oreades) Spilse vlekplaat (Panaeo/us acuminatus) Afgeplatte stuifzwam (Vasce//um pratense)

8)

Indi catoren voor voedselrijke, efemere standplaatsen in graslanden (storingsindicatoren) Wijnkleurige champignon (Agaricus se motus) Dooiergele m estzwam (Bolbitius vitel linus) Bleek breeksteeltje (Conocybe rickenii) Gazonvlekplaat (Panaeo/us f oenesecii)

79


Paddenstoelen

Aardtongen zijn macroscopisch niet uit elkaar te halen, dus met foto's of beschrijvingen kom je er niet. Maar wanneer de sporen rijp zijn is de microscopie van de aardtongen duide­ lijk. Het inzamelen van een aantal aardtongen is dus aangeraden om de soort te bepalen. Eens ze gedroogd zijn, kan je ze nog jaren bewaren en op naam laten brengen. Voor satijn­ zwammen geldt ongeveer hetzelfde. Een aantal soorten zijn wel te herkennen met een geoefend oog. Onder de knotszwammen zijn een aantal soorten, zoals de Gele knotszwam, gemakkelijk te herkennen. Het verschil tussen bijvoorbeeld Wormvormige knotszwam en Witte Sterspoorknotszwam is moeilijker: de stervormige sporen van de laatste vormen het grote onderscheid.

Waarnemingen van graslandpaddenstoelen in het Dijleland Er zijn 186 soorten paddestoelen kenmerkend voor schraalgraslanden, waarvan 883 als bedreigd wordt beschouwd (Arnolds & van Ommering,

1996).

Daarmee zijn van alle terrein­

typen de paddestoelen van voedselarme graslanden het meest bedreigd (Keizer,

2003).

Traditioneel wordt hoofdzakelijk gekeken naar paddenstoelen in bosgebieden. Daar zijn verschillende redenen voor: •

Bossen zijn veel soortenrijker want ze bezitten soorten uit de drie ecologische groepen (parasieten, saprofyten en symbionten), terwijl er in graslanden bijna uitsluitend saprofyten voorkomen.

Paddenstoelen in bossen zijn gemakkelijker te vinden doordat ze doorgaans groter zijn, meestal fellere kleuren hebben (met wasplaten als grote uitzondering) en een aantal groepen zijn gemakkelijker herkenbaar in het veld (bvb. amanieten).

Bosgebieden zijn doorgaans gemakkelijker toegankelijk, terwijl weilanden en gazons vaker privaat bezit zijn.

In wat volgt wordt een overzicht gegeven van de gekende waarnemingen in het Dijleland van graslandpaddenstoelen met een indicatieve waarde. Gebieden of percelen werden hierbij gegroepeerd naargelang het aantal wasplaten dat er tot op heden werd waarge­ nomen. Naast wasplaten, worden ook soorten uit de groepen van de knotszwammen, satijn­ zwammen en aardtongen vermeld.

Acht wasplaten: Koeheide, Bertem In het Natuurpunt-reservaat 'Koeheide' te Bertem werd in het najaar

2004

een hele

'was(platen)lijst' aangetroffen op één perceel. Het betreft een oud grasland dat continue door koeien begraasd werd en gelegen is op verschillend geëxponeerde hellingen met zandige ijzerzandsteenbodems met een plaatselijk afwezig tot een lokaal dik leemdek. De vegetatie heeft tal van overgangen van schraal kamgrasland naar glanshaver- en zuur struisgrasland, met op de soortenrijkste plaats bijmenging van begraasde bremvegetatie. De totnogtoe aangetroffen wasplaten zijn Slijmwasplaat, Zwartwordende wasplaat, Gewoon vuurzwammetje, Sneeuwzwammetje, Papegaaizwammetje, Weidewasplaat, Gele wasplaat en Grauwe wasplaat. Gezien de recente 'ontdekking' van dit paddenstoelenpareltje valt te verwachten dat op dit perceel nog bijkomende soorten wasplaten te ontdekken zijn. Opvolgen is de boodschap! De abiotische en vegetatiekundige mozaïek in dit grasland weerspiegelt zich ook in de mycoflora. Een breed spectrum van graslandpaddenstoelen voor oude graslanden komt hier voor, van indicatoren voor voedselarme tot voedselrijkere standplaatsen. Zo zijn Gele knotszwam, Sikkelkoraalzwam en Fijngeschubde aardtong indicatief voor voedselarmere 80


Paddenstoelen

standplaatsen.

Aanwezige indicatoren voor voedselrijkere standplaatsen zijn Dooiergele

mestzwam, Bleek breeksteeltje, Gazonvlekplaat, Gewone anijschampignon, Spitse vlekplaat, Afgeplatte stuifzwam, Kleefsteelstropharia, Bruine satijnzwam, Paarsharttrechtertje, oranje­ geel trechtertje, Roze pronkridder en Ruitjesbovist.

Vier wasplaten Kortenberg Elkenhof

Groenendaal arboretum

Gewoon vuurzwammetje

x

x

Zwartwordende wasplaat

x

x

Sneeuwzwammetje

x

x

Papegaaizwammetje

x

Elfenwasplaat

x

De gegevens over deze vindplaatsen zijn afkomstig uit de FUNBEL-databank van de Konink­ lijke Antwerpse Mycologische Kring. Exacte lokaties zijn doorgaans niet gekend, omdat de gegevens opgeslagen werden onder IFBL-codes van de geïnventariseerde km2-hokken. Bovendien zijn deze gegevens niet meer al te recent, zodat het aangeraden is om deze gebieden te doorzoeken naar wasplaten. Zo dateren de gegevens van Groenendaal van in de jaren '30.

Drie wasplaten Leuven

Bierbeek

Leuven

Tervuren

Tervuren

Oud-Heverlee

Roeselberg

Hazen berg

Kesselberg

Vier armen

Arboretum

Heverleebos

Sneeuwzwammetje

x

x

Papegaaizwammetje

x

x

Gewoon vuurzwammetje

x

x

Zwartwordende wasplaat

x

x x

x x

Ruige aardtong

x

Fijngeschubde aardtong

x

Gele knotszwam

x

Wormvormige knotszwam

x

Heideknotszwam

x

x

x

x

x

x

x

x x

De Hazenberg (Bierbeek) en de Roeselberg (grens Leuven/Herent) zijn eveneens 'ontdek­ kingen van 2004, terwijl de Kesselberg en Heverleebos bijna jaarlijks door de Zelfstandige 1

Werkgroep voor Amateur Mycologen (ZWAM) bezocht worden. Het is natuurlijk niet zo dat de wasplaten die als locatie Heverleebos krijgen, werkelijk in het bos gevonden werden. Wasplaten hebben vaak maar een kleine strook, permanent gras­ land nodig. Als de locatie een bos is, gaat het wellicht om een grasland berm langs het bos of een pad in het bos.

Twee wasplaten Everberg Huntsman Sneeuwzwammetje

x

Zwartwordende wasplaat

x

Papegaaizwammetje

Heverleebos arboretum

Oud-Heverlee schapenweide

x x

Vuurzwammetje

x

Kleverige wasplaat

x

81


Paddenstoelen

Eén wasplaat Wiiseie

Papegaaizwammetje

Herent Haasrode Wijgmaal Bertem Bertem Bierbeek Kastanjebos Bremberg Kasteeldomein Hellegracht rusthuis Meerdaalwoud

x

Sneeuwzwammetje

x

x

Gewoon vuurzwammetje

x x

x

Elfenwasplaat

x

Gele knotszwam

x

Sikkelkoraalzwam

x

Fijngeschubde aardtong

x

x

Sterspoorsatijnzwam

x

x

Beheer van wasplatenweiden De gebieden waar wasplaten gevonden werden, hebben een aantal gemeenschappe­ lijke kenmerken van graslanden met een aanzienlijke natuurwaarde: continue extensief gebruik en/of beheer hellingen vaak een kalkrijke bodem geen of weinig bemesting maaibeheer met afvoeren Het feit dat bijna alle wasplatenweiden op hellingen gelegen zijn is niet toevallig. Hellingen zijn namelijk moeilijker intensief in gebruik te nemen en kennen dus vaak ook een historisch extensief beheer. Bovendien zijn graslanden bovenop een helling doorgaans iets voedsel­ armer door erosie of uitspoeling van voedingsstoffen naar lagergelegen delen. Graslandbeheer dat gericht is op de instandhouding van soortenrijke vegetaties is door­ gaans ook gunstig voor paddestoelen. De belangrijkste elementen in graslandbeheer zijn het streven naar verschraling en continuïteit in het beheer van beweiding of hooien. Slechts een klein deel van de graslandpaddestoelen kan ook in nattere graslanden groeien. Het zijn vooral hellingsgraslanden en iets minder natte graslanden die interessant zijn voor grasland­ paddenstoelen. Tabel 2 vat een aantal beheermaatregelen samen die een gunstig effect hebben op de diversiteit aan paddenstoelen in graslanden. Daarnaast worden ook ongunstige situaties en ingrepen opgesomd. Vaak volstaan enkele kleine aanpassingen, om het beheer op pad­ destoelen te richten.

82


He1deknotszwam. foto V0m Veraghtert

Vuurzwammetje. foto Wim Veraghtert

83


Paddenstoelen

Zwortwordende wosploot. Foto VY/in Veroghtert

Tabel 2. Gunstige en ongunstige beheermaatregelen voor de soortenrijkdom aan paddestoelen in permanente graslanden.

r'lloalen pL1; a••.-c.:-r.er· (blaat In de zc..-nsr ot 2...; "'ooran 'lczomar

r

p·oduct'B••B vapata

iesl of hooi"sn me·

VE«ulgr.g en •.·end lng

nc;;�w�<_iin·: r·

h••'C �bo1� tcrroncn rnaciï.cr mc1 ··�i::iric: rnochi!l(l'S duie-431{1< "'Brmss·s oploef-}

o. fplogQ-en "or

a�kal� �,,

\'(lP

'Je!il•. ..t t:"l'l:';l� ;:;rn�lrltid&.-1.

rd en een- est ');;) 1jon •etst mei

sk: m. si

t'. e ·1sc ha

ru�e

r6'1èi

rloge grond.vat.�m·anden 1

he1

whterhol�om

len�ef gebruikte 17mlan.den or2��w(;:ÎQ"·::11 '.'!JOrlr•)I ten

Con inuo VG•schralr•:;::Jsbehe6f

f>.•1aok::n mçl �"''Dm mrx;h·ncs. of h no•to :'.!ri::JdGn A"plogo;:ien van ov::le. \:Ja·ctsatarrne k}l tamelijk vt>::d�e�i71:� 10• br -d�n z�mder re-;;ènre vei tnt-11 n•; Vcrlror.;piPg von woo1da:;vollc delen, i lcnsicvc.:: be-.veldin 6

P1oa en. egalwran

r___.,...---.,._ ...,,,-e-n--d-r_ "Il? o -J v.:i g e of pf'1clsellng •1.•aierst a;n . c over.ltr·;:imina_in zomer1'hei·s1 •

Onder t:rn �j ng )Jan qrmtandbehete'

Gefmeer-c bG-heGr (= Ier eind8lsn ri•a ja�liks rnot;1i�r11

84


--

--

----------------·

Paddenstoelen

Zelf op pad Dit najaar gaan er meerdere excursies door in onze streek die zich specifiek richten op graslandpaddestoelen. Op zondag 29 oktober gaat er in het natuurgebied de Hazenberg in Opvelp (Bierbeek) een thema-excursie door over het beheer van schrale graslanden in functie van paddenstoelen. Eind oktober zijn hier soorten als Papegaaizwammetje. Sneeuwzwammetje, Zwartwordende wasplaat, Gele knotszwam, Wormvormige knotszwam. Spitsvormige knotszwam, Ruige en Kleverig aardtong te bewonderen. Afspraak om 9u30 uur aan de Moordenaarseweg (holleweg) te Opvelp (600 m na het cen­ trum van Opvelp op de weg richting Meldert-Hoegaarden). Info: Roosmarijn Steeman (015 29

72

22,

r o os m arijn.steeman@natuurpu nt.b e )

of

Hugo

Abts

(016

73

30

23.

hugo.abts@pandora.be) Op zondag 5 november organiseert Natuurstudiegroep Dijleland een inventarisatie-excur­ sie op en rond de Koeheide, onder leiding van Eddy Macquoy. Afspraak om 1OuOO aan Café d'aa Boon, Oude Baan, Bertem. Info: Maarten Hens (0473 24 47 52) Daarnaast organiseren zowel de ZWAM (info: Jos Monnens, 016 25 35 28), verschillende Natuur­ punt afdelingen (info:

www.natuurpunt.be/oost-brabant),

Roosmarijn, 015 29 72 22 of

www.natuurpunt.be

paddenstoelwerkgroepen (info:

>fauna en flora >paddenstoelen) als de

Vrienden van Heverleebos en Meerdaalwoud (info: Infocentrum, 016 23 05 58) in de loop van oktober en november meerdere paddenstoelenexcursies. Voor beginnende paddenstoelenliefhebbers vormt de recent verschenen brochure 'Padden­ stoelen zoeken in V laanderen, een aanmoediging voor beginners' (Steeman. 2006) een handig hulpmiddel. Hierin worden 60 gemakkelijk herkenbare soorten voorgesteld aan de hand van duidelijke foto's, duidelijke uitleg en een aantal determinatiesleutels. Verkrijgbaar in de Natuurpunt-winkel (3 EUR excl. verzendingskosten). Referenties

Arnolds E. & van Ommering G. ( 1996). Bedreigde en kwetsbare paddestoelen in Nederland. Toelichting op de Rode Lijst. Rapport IKC Natuurbeheer 24. Buelens G. (2003). Een wasplatengrasland te Pellenberg. Jaarboek Natuurstudie Natuurpunt Oost-Brabant 2002: 42-49. Keizer P.J. (2003). Paddestoelvriendelijk natuurbeheer. KNNV, Utrecht. 88p. Kuyper Th. (1994). Paddestoelen en natuurbeheer. KNNV in samenwerking met NMV, Utrecht. lOOp. Steeman R., Lambrechts J. & Vervoort L. (2005). Onverwacht waardevolle mycoflora in Oost-Brabantse graslanden: Ontdekking van enkele nieuwe 'wasplatenweiden' in 2004. Jaarboek BRAKONA 2004: 70-83 Steeman R. (2006). Paddenstoelen zoeken in V laanderen: een aanmoediging voor beginners. Handleiding nr. l / 2006, Natuurpunt Studie, Mechelen. 43 p.

Roosmarijn Steeman Nafuurpunf Studie Roosmarijn.steeman@natuurpunf.be

85


Paddenstoelen

Nieuwe publicatie: Paddenstoelen in de regio Leuven, verspreiding en ecologie (1981-2004) De Zelfstandige Werkgroep voor Amateur Mycologen (ZWAM) is reeds 25 jaar zeer actief in de regio Leuven en ook de K oninklijke Antwerpse Mycologische Kring (KAMK) richtte hier heel wat inventarisaties in. Grote oude bos­ gebieden zoals Heverleebos en Meerdaal­ woud trekken heel wat mycologen aan. Boven­ dien zijn deze bosgebieden met hun kalkrijkere en vrij zware bodems beter gebufferd tegen verzurende factoren, waardoor hier nog soor­ ten voorkomen, die elders reeds verdwenen zijn. Het Walenbos, met zijn talrijke gradiënten, herbergt een zeer grote diversiteit aan paddenstoelen. Jarenlange inventarisaties leveren heel wat informatie op omtrent voor- en achteruitgang van soorten en hun verspreiding. Traditioneel ging de aandacht van de mycologen vooral uit naar grote boscomplexen. Natuurpunt Studie leverde extra inspanning en motivatie voor inventarisatie van zwarte ga­ ten en minder bezochte, mogelijks interessante gebieden in de regio Leuven. Vooral de nieuwe interesse voor schrale graslanden leverde interessante vondsten op. Natuurpunt Stu­ die kon met steun van de provincie V laams-Brabant, een overeenkomst aangaan met ZWAM en KAMK, waarbij de gegevens van de regio Leuven gedigitaliseerd en gebundeld werden tot een heuse 'ecologische atlas'. Deze atlas kan dienen als beleidsinstrument en richt zich bovendien niet alleen tot de spe­ cialisten paddestoelkenners, maar ook tot natuurbeheerders, liefhebbers en wandelaars. In dit naslagwerk werden de gegevens van de ZWAM ( 1980-2004) vastgelegd voor de toe­ komst. In totaal worden een 1500-tal soorten besproken, waarvan 702 met een verspreidings­ kaartje. Bij 534 soorten wordt aangegeven in welke maanden van het jaar ze gevonden werden. Tenslotte volgt een bespreking van 20 belangrijke gebieden voor paddenstoelen en 19 zeldzamere soorten met een belangrijke verspreiding in de regio Leuven. De vele foto's van paddenstoelen zijn exclusief afkomstig uit de regio Leuven. Dit maakt van deze atlas een mooi kijk- en leesboek, voor een groot en divers publiek. De atlas zal in november voorgesteld en verkocht worden in het provinciehuis. Wie hierop aanwezig

wil

zijn,

contacteert

Roosmarijn

Steeman

(01 5

29

72

22,

roosmarijn.steeman@natuurpunt.be) e n dan krijgt u een uitnodiging. Nadien kan d e atlas besteld worden bij de Natuurpunt winkel. Kostprijs: 18 euro voor leden of 20 euro voor niet­ leden. Steeman R., Monnens J., Langendries R., Walleyn R., Buelens G. & De Pauw S. (2006). Paddenstoelen in de regio Leuven, verspreiding en ecologie (1981-2004). Een uitgave van Natuurpunt Studie, Mechelen. 432 p. il/.

86


Planten

Klaverbladflora: meer dan alleen maar klaver Botanische inventarisatie van de bermen van de E40 in Bertem en Leuven los speurwerk naar leuke plantensoorten langs de E40 autosnelweg leverde in 2004 twee locaties op met een ruim soortenpalet aan (kalk)orchideeën. Mede omdat vanaf 2005 het beheerplan voor de bermen van de E40 in werking trad, inventariseerden medewerkers van de Natuurstudiegroep Dijleland - in samenspraak met de Vlaamse overheid - in het voor­ jaar van 2005 en 2006 de voornaamste bermen en graslandterreinen langs de E40 tussen Everberg en Oud-Heverlee. Eens alles in kaart gebracht, bleek onze streek weer een stukje onvermoede kwaliteitsnatuur rijker ...

Wegbermen vormen in Vlaanderen een omvangrijk areaal aan onbemeste en weinig be­ treden graslanden, houtkanten en bosjes, die zowel voor planten als ongewervelden van belang zijn als leefgebied of als verbinding tussen verschillende leefgebieden. Een aantal zeldzame plantensoorten komt in Vlaanderen zelfs hoofdzakelijk of uitsluitend in wegber­ men voor. Zo ook in het Dijleland, waar het merendeel van de vondsten van Bijenorchis

(Ophrys apifera) in de jaren

'70 en '80 betrekking had op exemplaren in wegbermen, onder­

meer in Heverleebos langs de in 1970-72 aangelegde ES autosnelweg (huidige E40). Ook de twee gekende groeiplaatsen van Soldaatje

(Orchis militads)

in Vlaams Brabant werden

midden jaren '90 ontdekt langs diezelfde E40 autosnelweg. Deze historische 'hints' vormden mee de aanleiding om in 2004 een aantal gebieden langs de E40 tussen de verkeerswisselaar E40/E314 en Heverleebos in detail uit te kammen. Deze excursies leverden, naast de reeds gekende populatie Soldaatjes, ondermeer vondsten op

(Anacamptis pyramida!is), Bijenorchis, Bosorchis (Dactylorhiza fuchsli)en (Orobanche minO!j (zie Hens, 2005, voor een gedetailleerd verslag).

van Hondskruid Klavervreter

In het Dijle/and zijn snelwegbermen - hier E40 ter hoogte van Everberg - door hun oppervlakte van wezenlijk belang als habitat voor plantensoorten gebonden aan voedselarme tot matig voedselrijke, droge leembodems. Foto: Fredenk Fluyt.

87


Planten

Gestimuleerd door deze opmerkelijke weelde aan zeldzaamheden, werd voor 2005 het idee opgevat om een reeks publiek niet-toegankelijke bermen en graslandterreinen langs de E40 tussen Everberg en Oud-Heverlee systematisch te inventariseren. In samenspraak met de (toenmalige) afdeling Wegen en Verkeer van het Ministerie van de V laamse Gemeen­ schap werd een actieplan uitgewerkt, waarbij de inventarisatieresultaten tevens konden dienst doen als 'nulmeting' voor het bermbeheerplan voor de E40 dat vanaf het maai­ seizoen 2005 operationeel werd. Op het traject tussen kilometerpaal (kmp) 13 (Everberg) en kmp 21 (Heverleebos) werden tussen midden mei en midden juli 2005 vijf sectoren grondig onderzocht (tabel 1). In mei en juni 2006 werden de sectoren 'klaverblad E40/E314' en 'E40 Dijlevallei' opnieuw in detail onderzocht. Per sector werd een soortenlijst opgesteld door het gebied met twee tot vijf personen zo dekkend mogelijk af te stappen en alle waargenomen plantensoorten te note­ ren. Aanvullend op deze 'streeplijst'-tochten, werden een reeks vegetatie-opnamen ge­ maakt en bodemstalen verzameld in de interessante vegetaties. De inventarisaties werden uitgevoerd door Frederik Fluyt, Rik Lenaert, Joris Menten, Jos Monnens, Bart Vercoutere en Maarten Hens. In totaal werden tijdens zo'n 26 inventarisatie-uren ruim 170 plantensoorten genoteerd. De meest opmerkelijke vondsten werden gedaan in de sectoren 'klaverblad E40/E314' en 'E40 Dijlevallei'. In deze bijdrage bespreken we bondig de resultaten voor deze twee sectoren. Een uitgebreid verslag met resultaten en bespreking van alle sectoren is op aanvraag ver­ krijgbaar.

Tabel 1. Situering van de sectoren langs de E40 Brussel Luik die botanisch geïnventariseerd werden in -

periode mei-juli 2005.

Situering

IFBL uurhok

Gemeente(n)

Tussen kmp 13 en kmp 14

e5-21

Kortenberg

Graslanden op afrit 22

e5-22

Bertem

Bermen Bertem

Tussen kmp 17 en kmp 18

eS-22

Bertem

Klaverblad E40/E314

Bermen en graslanden op

e5-22

Bertem. Leuven

eS-23

Leuven. Oud-Heverlee

Ncam Bermen Everberg Afritcomplex E40/N3

verkeerswisselaar E40/E314 E40 Dijlevallei

Tussen kmp 19 en kmp 21

Klaverblad E40/E314 Op de verkeerswisselaar E40/E314 bevinden zich tussen de verschillende baanvakken en op- en afritten zo'n 20 ha grasland en grazige bermen. De grootste aaneengesloten stuk­ ken bevinden zich in het NW -gedeelte (5.2 ha) en ten oosten van het E314-baanvak richting Leuven/Lummen (5.3 en 3.7 ha resp. ten Z en N van E40). Deze graslanden liggen op een deels vergraven leembodem, waarbij op sommige plaatsen onverweerde leem (rijk aan calciumcarbonaat) aan de oppervlakte is komen te liggen.

88


Planten

Na een eerste bezoek op 8 juni

2005

werden de verschillende 'kwadranten' van het klaver­

blad zowel in juni-juli

2005 als tussen 17 mei en eind juni 2006 meermaals doorlopen. In totaal noteerden we 129 soorten kruidachtige vaatplanten, waaronder 1O soorten die in V laanderen zeer tot vrij zeldzaam zijn (tabel 2). Opmerkelijke vondsten waren ondermeer Geelhartje (Linum catharticum), Zomerbitterling (Blackstonia perfola i ta), Scherpe fijnstraal (Erigeron acetj en Hondskruid.

Tabel 2. Totaal aantal waargenomen kruidachtige soorten, hun verdeling over zeldzaamheidsklassen en zeldzame soorten in sectoren 'Klaverblad E40/E314' en 'E40 Dijlevallei', perioden mei-juli 2005 en mei-juni 2006.

Klaverblad 129

Totaal aantal soorten Zeldzame soorten (KFK 1-4) Algemene(re) soorten (KFK

E40/E314

10 (7.8 %)

�)

Zeer algemene soorten {KFK 9-10)

E40

Dijlevallei

75 6 (8.0%)

34 (26.4 %)

18 (24.0%)

85 {65.9 %)

51 (68.0%)

Zeldzame soorten Uiterst zeldzaam (KFK 1)

Bergnachtorchis Soldaatje

Zeer zeldzaam (KFK 2)

Hondskruid

Hondskruid

Bijenorchis

Bijenorchis

Graslathyrus Geelhartje Zeldzaam (KFK

3)

Z omerbit terling

Bosorchis

Paardenbl oemstreepzaod Klein timoteegras Vrij zeldzaam (KFK 4)

Gewone bermzegge

Fraai hertshooi

Fraai hertshooi Scherpe fijnstraal

De kilometerhokfrequentieklasse (KFK) is een maat voor de zeldzaamheid van een soort in V laande­ ren tijdens de periode 1972-2004. De indeling gaat van 0 (niet meer gevonden in 1972-2004) tot 10 (uiterst algemeen) (Van Landuyt et al., 2006).

Opmerkelijk was dat er binnen dit graslandencomplex uitgesproken overgangen voorkwa­ men in productiviteit, bloeiaspect en soortensamenstelling. Ruwweg konden drie grasland­ types onderscheiden worden: hoog-productieve grasvegetaties met beperkt bloeiaspect (bovengrondse planten-biomassa rond 4 ton droge stof/ha); matig productieve vegetaties

(2.5-3

ton droge stof/ha) met een uitbundig bloeiaspect; en een zeer laag productieve

(schrale) vegetatie gekenmerkt door een mix van grasland- en pioniersoorten

(1.2-1.6

ton

droge stof/ha). Vegetatiekundig behoren deze drie types, op basis van de voorkomende grassoorten, alle tot het Glanshaver-verbond (Arrhenathenon elatiods). De vegetatie op de schrale groeiplaatsen bevat evenwel zeer veel elementen van andere natuurtypen, waar­ onder het verbond van Gewoon struisgras (Plantagini-Festucion), een aantal pioniers89


Planten

gemeenschappen en zelfs kalkgrasland (Mesobromion) (Zwaenepoel et al., 2002). Gezien deze overgangssituatie omschrijven we deze vegetatie verder op basis van haar stand­ plaats als een 'een type schraal grasland op matig droge, kalkrijke, voedselarme leem­ bodem'.

Matig tot zeer productief Glanshaver-grasland Het bloeiaspect verschilt hier sterk tussen de matig productieve en de zeer productieve groeiplaatsen. Op de meest productieve locaties wordt dit vegetatietype visueel gedomi­ neerd door grassen en is het niet bloemenrijk, terwijl minder productieve locaties doorheen het voorjaar uitbundige bloei vertonen van ondermeer Scherpe boterbloem (Ranunculus acds). Grote klaproos (Papaver rhoeas), Margriet (Leucanthemum vu/gare), Gewone rol­

klaver (Lotus corniculatus) en Rode klaver (Trifolium pratense). Doorgaans bevinden deze bloemrijke plekken zich in de zones die in het verleden en omwille van veiligheidsredenen frequenter gemaaid werden/worden (o.a. middenberm en hellende bermen van E314-baan­ vakken) en bijgevolg aanzienlijk verschraald zijn in vergelijking met de productieve zones. In één van deze bloemrijke plekken bloeide in 2005 een enkele plant

Hondskruid. In 2006 werd

de soort niet teruggevonden in het gebied. In de ogenschijnlijk oninteressante productieve vegetaties zat bij nader toezien heel wat fraais 'verstopt'. Verspreid over het ganse gebied staan groepjes van enkele tot meerdere 10-tallen Bijenorchissen. Het betrof opvallend forse exemplaren (tot 40-50 cm hoog, met veel bloemen), die zich kennelijk goed weten te handhaven tussen de dichte, 80 tot 120-cm hoge grasvegetatie. Ook de onopvallende Graslathyrus (Lathyrus nissolia) is plaatselijk zeer talrijk in deze vegetaties. Beide soorten zijn zeer zeldzaam in Vlaanderen (KFK 2; tabel 2). Bijenorchis wordt algemeen beschouwd als een pioniersoort, die vaak voorkomt op opge­ spoten en vergraven terreinen (weg-, rivier-, kanaalbermen). Sinds enkele jaren neemt zo­ wel het aantal vindplaatsen als het aantal planten opvallend toe in Vlaanderen. De aan­ tallen op het klaverblad - in totaal meerdere 100-en planten - maken dit de belangrijkste gekende groeiplaats in het Dijleland. Gelet op het pionierachtige karakter van de soort, valt af te wachten of deze populatie op lange termijn weet stand te houden. Concentraties van Graslathyrus werden vaak aangetroffen op of in de onmiddellijke omge­ ving van Bijenorchis-groeiplaatsen. Dit sluit aan bij de bevindingen van Zwaenepoel (1998), die de soort omschrijft als een 'pionierssoort met vertraging': een soort die vaak opduikt op plaatsen die een tijd geleden gestoord geweest zijn.

Grasland op matig droge, kalkrijke, voedselarme leembodem In de graslanden ten oosten van de E314 bevinden zich aanzienlijke oppervlakten van een zeer schraal graslandtype, waarin ondermeer Rood zwenkgras (Festuca rubra), Kleine kla­ ver (Tdfolium dubium), Wilde peen (Daucus carota) en Muizenoor (Hieracium p1losella) talrijk aanwezig zijn. Opmerkelijk was evenwel dat op meerdere locaties Geelhartje (Linum catherticum) en Scherpe fijnstraal (Edgeron ace!) in zeer hoge dichtheden voorkwamen. Dit zijn twee Rode Lijstsoorten gebonden aan voedselarme bodems (tabellen 2 en 3). Andere leuke soorten die we op deze schrale plekken aantroffen waren ondermeer Zomerbitterling (Blackstonia perfola i ta), Hertshoornweegbree (Plantago coronopus) en Paardenbloemstreepzaad ( Crepis po!ymorpha) en Echt duizendguldenkruid ( Centaurium erythraea). 90


--

Planten

De vondst van Zomerbitterling betreft een nieuwe soort voor Vlaams-Brabant en de Vlaamse leemstreek. In 2005 ging het om een 30-tal planten op één lokatie. In 2006 werd de soort aangetroffen in een merkelijk ruimere zone, met verspreid meerdere 10-tallen planten. Het is een pionier van zandige, kalkrijke bodems op natte tot vochtige plaatsen. Oorspronkelijk kwam de soort in Vlaanderen vooral in duinvalleien voor, maar tegenwoordig overtreffen de populaties op met kalkrijk zand opgespoten terreinen vele malen de populaties in de kustduinen. Zo bevinden de grootste populaties zich tegenwoordig in het Antwerps haven­ gebied. Verder komt de soort voor in de Gentse kanaalzone en nabij Zeebrugge (opgespo­ ten terreinen) (Van Landuyt et al., 2006). Ook van Geelhartje zijn geen (recente) waarnemingen bekend uit het Dijleland. De ontdek­ king van een zeer omvangrijke populatie op het klaverblad is dan ook opmerkelijk. De Flora­ atlas (Van Landuyt et al., 2006) geeft voor de periode 1972-2004 één vindplaats voor Vlaams­ Brabant, nl. het Torfbroek te Berg (Kampenhout). Het Geelhartje is zeer zeldzaam en gaat sterk achteruit in Vlaanderen. De soort komt voor in natte duinpannen, vochtige duin­ graslanden, op krijthellingen, maar eveneens op open plekken in kalkmoerasgebieden en oevers van vennen onder invloed van basenrijke kwel. Constante factor op al deze groei­ plaatsen is hun voedselarm karakter. De verspreiding van Scherpe fijnstraal in Vlaanderen is beperkt tot een aantal kerngebieden: in de duinen en in het Antwerpse havengebied is het een vrij algemene soort. Elders is de soort zeldzaam tot uiterst zeldzaam. De soort komt in het binnenland onder andere voor op zandige opgespoten terreinen en in neutrale, open, zandige pioniersmilieus en graslanden. De soort gaat behoorlijk achteruit en is dan ook aangeduid als Rode Lijstsoort (tabel 3). De opvallende soortensamenstelling van deze schrale plekken hangt samen met twee fac­ toren: de zeer voedselarme condities en de recente verstoring van een deel van deze ter­ reinen door motorcrossers. Bij de aanleg van het klaverblad is op deze locaties onverweerde leembodem aan de oppervlakte komen te liggen. De beschikbaarheid van fosfor (een es­ sentieel voedingselement) voor opname door plantenwortels is in deze bodems zeer laag, zowel omdat ze nooit bemest zijn geweest en omdat fosfaat zeer sterk bindt aan het talrijk aanwezige calciumcarbonaat. Hoewel een belangrijk deel van de aanwezige soorten een pionierachtig karakter hebben, en dus bij verdere successie zal verdwijnen, vormt de lage beschikbaarheid van voedings­ stoffen in deze bodems een prima garantie voor de ontwikkeling van een zeer soortenrijke graslandvegetatie. Binnen het Dijleland gaat het alvast om een unieke vegetatie, die een mogelijke hint geeft over de soortensamenstelling van voormalige schraalgraslanden op de leemplateaus van het Dijleland. Dat deze terreinen niet enkel botanisch interessant zijn, blijkt uit de resem vondsten die in 2006 in de marge van deze inventarisatiecampagne verricht werden: •

eerste recente binnenlandvondst van de Grofgeribde duinslak ( Candidula gigaxli). een kenmerkende soorten voor schrale, droge, kalkrijke graslanden (Vercoutere, 2006);

een aantal opmerkelijke mossoorten, waaronder Gewoon wintermos (Microbryum dava/lianum), Kortstelig plaatjesmos (Pterygoneurum ovatum) en Kalkkleimos ( Tortula lanceo/a). Alle zijn pioniersoorten van open kalkrijke grond of gestoorde kleigrond (Men­ ten & De Beer, 2006).

Een korte zoektocht in het najaar 2005 naar bijzondere graslandpaddenstoelen leverde (en­ kel) Sneeuwzwammetje (Hygrocybe virginea) op (med. J. Monnens) 91


Planten Tabel 3. Rode Lijstsoorten aangetroffen in sectoren 'Klaverblad E40/E314' en 'E40 Dijlevallei', perioden mei-juli 2005 en mei-juni 2006. r<1ov-etblod E40/ESl4

1:40 OIJievcllel

Met verdwrjnin'9 bedreigd S�dtelgd

Geelhor1le Scherpe fljnstraal

Kwei�boor

E40

Dijlevallei

Deze sector kenmerkt zich vooral door de opvallende concentratie aan kalkorchideeën op twee groeiplaatsen in eerder marginaal of atypisch habitat (zie Hens [2005] voor een uitvoe­ rige beschrijving).

Tijdens 2 'echte' streep-uren werden in totaal 75 soorten kruidachtige

vaatplanten genoteerd, waaronder 6 soorten die in V laanderen zeer tot vrij zeldzaam zijn (tabel 2). Maar liefst vijf van deze zes soorten betroffen aan kalk- of mineralenrijke bodem gebonden orchideeën. De meest opmerkelijke vondst betrof een

Bergnachtorchis (Platanthera chlorantha) op groei­

plaats 2 in 2005. In 2006 stonden er op deze locatie twee bloeiende planten. Deze mooie orchidee is, mede door haar vrij specifieke standplaatsvereisten, uiterst zeld­ zaam in V laanderen (KFK

1). Volgens de Flora-atlas betreft deze vondst de tweede, actuele

groeiplaats in V laams-Brabant. Ondanks deze fragmentarische verspreiding, situeerde het historische zwaartepunt (begin twintigste eeuw) van de verspreiding zich in en rond de val­ leien van de Dijle en de Zenne, en in Voeren. De

Soldaatjes op groeiplaats

1 boerden, ondanks een beheer 'op maat van', in 2005 en

2006 achteruit. Waar er in 2004 nog 13 bloeiende exemplaren stonden, waren er dit in 2005 nog zes en in 2006 geen meer. De populaties van de andere orchideeënsoorten (Honds­ kruid, Bijenorchis en Bosorchis) bleven in 2005 en 2006 min of meer stabiel. Dankwoord Dit artikel kon slechts tot stand komen dankzij de volgehouden streep- en determinatie-ijver van het volledige 'bermen'-team: Frederik Fluyt, Rik Lenaert, Joris Menten, Jos Monnens en Bart Vercoutere. Bijkomende, losse waarnemingen werden ondermeer aangebracht door Eddy Macquoy en Robin Guelinckx. Leen Vandenbussche en Katrien De Cock van de projectgroep Natuurtechniek, Agentschap infrastructuur, Vlaamse overheid, worden bedankt voor de goede samenwerking en het verlenen van de nodige vergunningen. Referenties

Hens M. (2005). De E40 kleurt je landschap. Onverwachte orchideeënrijkdom op en rond snelwegbermen. Boom.klever 33, 37-42. Menten J. & De Beer D. (2006). Mossen van het klaverblad E4CH:314. Boom.klever 34, 41-42. Projectgroep Natuurtechniek, Afdeling Wegenbeleid en Beheer, Ministerie van de V laamse Gemeenschap (2004). Bermbeheersplan voor de autosnelweg E40/A3, Provincie V laams Brabant, vanaf Brussel tot Waals Brabant. 83 p. Stuckens J. & Vercoutere B. (2003). Verspreidingsatlas van de planten in het Diileland, 1975-2002. Een uitgave van Vrienden van Heverleebos en Meerdaalwoud VNV, Natuurstudiegroep D1jleland en Flo.Wer VNV. 34 T p. Van Landuyt W" Hoste 1., Vanhecke L., Van den Bremt P., Vercruysse W. & De Beer D. (2006) Atlas van de flora van Vlaanderen en het Brussels Gewest. Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Nafionare Plantentuin van België & Flower. 1008 p. Vandenbussche L. (2004). Kiik! ' Ecologische bermen'. In: Boone N. & Lorent J. (red.) Werken aan natuur in het Dijleland. Jaarboek 2004. Vrienden van Heverleebos en Meerdaalwoud VNV, Leuven. Vercoutere B. (2006). Duinslakken in de berm? Boom.klever 34, 43. Zwaenepoel A. (1998). Werk aan de berm! Handboek botanisch bermbeheer. Stichting Leefmilieu vzw/Krediet­ bank, Antwerpen, in samenwerking met Aminal afdeling Natuur, Brussel. 296 p. Zwaenepoel A., T' Jollyn F" Vandenbussche V. & Hoffmann M. (2002). Systematiek van natuurtypen voor V laande­ ren. 6. Graslanden. Instituut voor Natuurbehoud, Brussel. 471 p. (www .inbo.be/docupload/l 507.pdf)

Maarten Hens maartenhens@te/e2allin.be 92


l

l

ook begonnen aan de veroven'ng van geschikte weg­

Op meerdere plaatsen op de verkeerswisselaar E40/ EJ 14 tref je concentraties van meerdere JO-tallen

bermen? Foto: Fredenk Fluyt

Bijenorchissen aan. Foto: Fredenk Fluyt

Zomerbitter/ing: na de Vlaamse havengebieden nu

Muizenoor en Geelhartje zijn aspectbepalend 1'n dit schraalgrosland Foto: Maarten Hens

Soldaatje (!t'nks), een van de kolkm1'nnende orchideeĂŤn langs de E401i1 de Dij/eva/lei en Scherpe ftji1stmal (1echls) een uitgesproken pioniersoort op en rond motorcross-sporen op de verkeerswisselaar E40/L3 I 4. Foto's: Frederik F!uyt

93


Ongeweve/den �������

Verspeiding van de Greppelsprinkhaan in het Dijleland: een stand van zaken De greppelsprinkhaan (Metrioptera roeselt) is een sabelsprinkhaan die op de voorlopige rode lijst (Decleer et. al 2000) aangeduid staat als "kwetsbaar". De soort is herkenbaar door het klankloos gezoem van de mannetjes, dat doet denken aan een achteruitdraaiende fietsketting of het gezoem van sommige elektriciteitspalen. De greppelsprinkhaan komt voor in halfhoge, matig voedselrijke, maar steeds vrij dichte vegetaties. Hij is vooral aan te treffen in niet jaarlijks gemaaide bermen, in grachtkanten, op dijken en in verruigde graslanden. In recente jaren worden er steeds meer waarnemingen gedaan van deze soort. Zo werden er in 2000 drie voorheen ongekende populaties ontdekt in Vlaams-Brabant (Guelinckx & Lambrechts, 2001). Twee hiervan bevonden zich op het grondgebied van het Dijleland: 1 Een kleinere populatie net ten noordoosten van Leuven, te Kessel-la. In 2000 betrof het een tiental roepende mannetjes in het Provinciaal Domein en een solitair mannetje aan de Abdij van Vlierbeek. (drie km-hokken) 2 Een erg grote populatie met als kern de driehoek tussen de Wiesbeek, de Molenbeek en de denkbeeldige lijn Kwerps-Beisem. Maar verspreid werden er solitaire exemplaren gevonden tot aan het Kastanjebos te Veltem-Beisem en de spoorweg Leuven-Brussel. (acht km-hokken) In 2004 werd in Kessel-la een nieuwe kern ontdekt met de waarneming van 10 zingende mannetjes en 1 vrouwtje op de Kesselberg (J. Lambrechts, website Satabel). Deze was zeker

� N

Legende

D bozetto hokJ<on lo 2000 2 0 �

2 Klometern

1

•1 populatie 2004-2006

verspreide individoon 2004-2006

M niJwa11memlngen 2004-2006

Kaart: verspreiding van de Greppelsprinkhaan in het Dijleland 94


nog niet aanwezig in 2002 en er werd geopperd dat de kolonisatie vermoedelijk in 2003 plaatsvond. In de warme zomer van 2003 werden in Vlaanderen namelijk veel (langvleugelige) zwervers gevonden. Ook in 2005 werd de greppelsprinkhaan waargenomen op de Kesselberg tijdens een insectenexcursie eind juli (pers. med. Joris Menten). Eind augustus van dat jaar kon ik jammer genoeg de oorspronkelijke kern in het provinciaal domein niet meer terugvinden. Deze laatste kern is vermoedelijk verdwenen na de aanleg van meerdere voetbalvelden. Hiervoor werd al bij de ontdekking van deze populatie in 2000 gevreesd (Guelinckx & Lambrechts, 2001 ). In 2005 vond ik in Kessel-la echter een derde kern met een tiental zoemende mannetjes in een soortenarm cultuurgrasland en verruigde bermen en zomen langs de Kortrijksestraat (Vlierbeek). Dit is iets meer stroomopwaarts van de Molenbeek t.o.v. de plek waar in 2000 een mannetje werd waargenomen. Ook dit jaar werden er enkele exemplaren op die plaats teruggevonden. Gerichte zoektochten op andere plekken in Vlierbeek in augustus leverden niets op, maar eerder op het jaar, op 22 juli. zag ik op een willekeurig stuk braakliggende bouwgrond in de Lemingbeekvallei (tussen Vlierbeek en de Kesselberg) wel een kortvleugelig exemplaar wegkruipen. Mogelijk is de greppelsprinkhaan dus tussen Vlierbeek en de Kesselberg nog in een aantal kleine kernen terug te vinden. Meer nog, in 2004 was er een melding op de mailinglijst van een zoemend mannetje aan de Dijlemeander te Wilsele (B. Markey) en werd er opgemerkt dat greppelsprinkhanen redelijk talrijk zijn langs wegen net ten noorden van Leuven (F. Van de Meutter). In 2005 werden er meerdere zoemende mannetjes gehoord langs de Mechelsesteenweg, ter hoogte van de oprit van de E314 en te Herent. Mogelijk staat de 'populatie' in Kessel-la dus met behulp van verspreid voorkomende kernen ten noorden van Leuven in verbinding met de grote populaties in Veltem-Beisem en de Winge-vallei (de derde populatie die in 2000 in Vlaams-Brabant werd gevonden). Van de populatie in Veltem-Beisem en Erps-Kwerps zijn er mij, sinds 2000, geen bruikbare waarnemingen bekend, d.w.z. geen waarnemingen op een kilometerhok aanwijsbaar. In 2004 werd de aanwezigheid van greppelsprinkhaan wel gemeld in het Silsombos en gezien de grootte van de populatie in 2000, zal ze ook nu nog steeds een vaste voet hebben. Sinds 2000 werden, buiten de kernen net ten noorden van Leuven, ook nog bijkomende populaties (meerdere exemplaren op dezelfde plek) aangetroffen op de Koeheide/Bertem (sinds 2005, pers. med. H. Roosen e.a.} en op het plateau te Leefdaal (2006). De populatie in Leefdaal werd ontdekt door Koen Berwaerts op 24 juli van dit jaar. Hij vond een tiental roepende mannetjes ten noordenwesten van Weebergbos (Leefdaal) en een eenzaam exemplaar in een holle weg in hetzelfde UTM-hok. Deze kleine kern lijkt voorlopig vrij geĂŻsoleerd te zijn van de andere populaties. Het is een vijftal km in vogelvlucht verwijderd van de Koeheide en een zevental km van de populatie in Veltem-Beisem en Erps-Kwerps. Bovendien werd eind juli en begin augustus een groot aantal andere hokken ten zuiden van de populatie in Leefdaal tot aan de taalgrens door Koen Berwaerts onderzocht met aandacht voor insecten, maar zonder nieuwe vondsten. De nieuwe vindplaatsen in onze regio zijn maar voor een deel te wijten aan de verhoogde aandacht voor de soort. De greppelsprinkhaan is in Vlaanderen vermoedelijk aan het uitbreiden, net als in Nederland en Groot-BrittaniĂŤ (Decleer et. al 2000). De soort heeft recent o.a. in de Wingevallei en aan de kust nieuwe plaatsen gekoloniseerd en er zijn ook nieuwe waarnemingen in de buurt van Gent.

95


Ongeweve/den

Voor volgende jaren is het dus uitkijken of de greppelsprinkhaan nog op andere plaatsen opduikt. Kolonisatie gebeurt voornamelijk met de langvleugelige vorm. Dit type komt meer voor in warme zomers. Langvleugelige exemplaren werden o.a. in 2003 op meerdere plaatsen waargenomen in Vlaams-Brabant (Lambrechts & Guelinckx 2004). Als gevolg van de warme juni en juli maand is dit type ook hier en daar teruggevonden in 2006. Zoals het exemplaar dat werd gezien op 22 augustus in de Laanvallei

(J.

Lambrechts). Volgend jaar is het dus

extra uitkijken. Aanvullende waarnemingen zijn welkom op dijleland.ongewervelden@yahoo.com

Dankwoord Met dank aan alle waarnemers: Steven Bouillon, Bruno Bergmans, Koen Berwaerts, Bart Creemers, Robin Guelinckx, Jorg Lambrechts, Els Lommelen, Eddy Macquoy, Bram Markey, Hans Roosen, Frank van de Meutter en Tom Waegemans. Dank ook aan Bart Vercoutere voor het aanmaken van het kaartje.

Literatuur Decleer, K" Devriese, H., Hofmans, K., Loek, K., Barenburg, B. & Maes, D. (2000). Voorlopige atlas en 'rode lijst' va de sprinkhanen en krekels van BelgiĂŤ. Saltabel i.s.m. IN en KBIN, rapport IN2000/l0. Guelinkcx, R. & J. Lambrechts (2001). Een opvallende verschijning en toch over het hoofd gezien: de Greppelsprinkhaan. Jaarboek natuurstudie 2000. Natuurreservaten Oost-Brabant vzw. Pp 80-86. Lambrechts, J. & Guelinckx, R. (2004). Een overzicht van bijzondere waarnemingen in Zuidoost-Brabant in 2003 ! Jaarboek BRAKONA 2003: 82-101. Natuurpunt Oost-Brabant vzw, BRAKONA & Prov. V laams-Brabant. www.saltabel.org www .tech.groups.yahoo.com/group/saltabel

Bart Creemers dijleland.ongewervelden@yahoo.com

Zoektocht naar de Gewone Bronlibel in het Meerdaalwoud De gewone bronlibel

(Cordulegasterbo/tonn)

is een soort die tot de verbeelding spreekt. Hij

is in Vlaanderen maar bekend van drie regio's: de Vlaamse Ardennen, de Kempen en het Dijleland. In het Dijleland werd de gewone bronlibel ontdekt in 1991 tijdens een JNM kamp. De soort is opvallend zwart gekleurd met gele tekening en groene ogen. Het vrouwtje is bovendien de grootste inheemse libel (tot 85mm). Toch leeft de bronlibel vrij verscholen aan beschaduwde bronbeekjes. meestal in (bron)bossen met open plekken. In 2005 werd in het Dijleland heel wat naar libellen gekeken (Creemers, 2005), maar geen enkele waarneming werd gedaan van de gewone bronlibel. Ook niet in het goed onder­ zochte Rodebos. waar hij voordien wel al werd gezien. De laatste waarnemingen van het pronkstuk van de libellenfauna in onze streek dateerden alweer van de jaren negentig (Blockx, 1996). Dit waren dus redenen genoeg om eens een speciale zoektocht te organiseren naar de meest uitgelezen plekken voor de bronlibel in het Dijleland. Op initiatief van Joris Menten werd op 8 juli een beekvalleitje in het Meerdaalwoud met vijf helpers grondig onderzocht. 96


Ongewevelden

De dag begon niet erg bemoedi­ gend met een nulwaarneming langs een eerste deel van het beekje en een frustrerende 'waar­ schijnlijke' bronlibel hoog onderaan een kruin van een boom. hangend aan een takje. op een open plek. Bij het terugkeren passeerden we weer langs het eerste stuk van de beek. waar een drie kwartier eer­ der geen waarneming werd ge­ daan. Met een laatste blik kon dit keer wel een libel worden gespot die vervolgens verdween tussen hoop reuzenpaardenstaarten. Dit leek het beste te vermoeden. Na enkele minuten geduldig wachten verscheen 'ze'. zo bleek. even la­ ter terug op enkele meters van het met grote ogen kijkend groepje waarnemers. Onze monden vielen vervolgens open toen de libel ook nog eitjes begon af te leggen in een ondiep grachtje met kwel­ water. Hierbij zat ze te 'bidden' juist boven het plasje en deponeerde ze haar achterlijfsuiteinde om de paar seconden in het water. Ver­ volgens vloog boven de reuzen­ Vindplaats van de Gewone Bronl1bel in het Meerdaalwoud. paardenstaarten ook nog een Foto: Frederik Fluyt mannetje rond. In een ander deel ---

van de vallei. meer stroomopwaarts. konden we tenslotte nog genieten van twee andere mannetjes. Deze exemplaren patrouil­ leerden laag (20-30 cm) over het ondiepe water. Zo konden we ze over enkele tiental me­ ters de grachtjes zien volgen. Op deze zoektocht werden er dus vier. mogelijk vijf exemplaren 'herontdekt'. Op 15 en 23 juli werden ook nog respectievelijk vier en drie bronlibellen op dezelfde plaats gezien door andere waarnemers. Deze waarnemingen kunnen erg verheugend worden genoemd. Op andere plekken in Meerdaal en Mollendaalwoud werden hier en daar door verschillende waarnemers nog korte bezoeken gebracht. Zonder resultaat echter. Dankwoord Met dank aan alle waarnemers.

Bart Creemers

di;!e/ond ongewervelden@yohoo.com

N. v.d.i:: Or laatstr waarn<•ming van c1·11 Cl'wonc Bro11/il1cl in lcwrlaalwo11cl <iallwt \\'('/ <i<•RdUk 1 a11 11a dr 1•r111111 i.rn•/i11g. ren waarnr111i11g van 1•c11 inclivic/11 op 30juni 2002 aan de Spri11gp11111•11

Ict 11.1111c

(1 /. IJ/ockx. Room. J lt•1·1•1 33(2): IG 17) 97


Ongewevelden

-

-------

Vlinders en warm weer Het droge en warme voorjaar. alsook de warme maand september hebben ertoe geleid dat er een toename aan zuiderse of beter 'exotische' soorten is waargenomen. Een overzicht van al de waarnemingen zal in een van de volgende nummers van de Boom.Klever gepubliceerd worden. We geven hier nu al een korte bespreking. Van alle vlinderwaarnemingen viel dit jaar in onze regio vooral de waarneming van een Keizersmantel (Neerijse/Doode Bemde. 16 en 23/07. M. Bouduin) en een Rouwmantel (Tabor/ Heverlee. 07 /08. J.-P. Ferette) op. Er werden ook een groot aantal Luzernevlinders. Kolibrievlinders. Distelvlinders e.d. gezien. Zij zijn in onze streek frequentere zomergasten. Bij langdurige warme perioden met windstroming uit het zuiden worden deze soorten verspreid doorheen Europa. Hoewel dit jaar intussen in het Dijleland beide (zowel gele als oranje) luzernevlinder aangetroffen zijn. is het in recente tijden vooral de Oranje Luzernevlinder geweest die op de Dijlelandlijst gemeld werd. De twee andere soorten zijn minder frequente bezoekers van de streek. De Rouwmantel is afkoms tig van de Poolse en (Oost-) Duitse populaties. In Nederland

(en

UK )

www.vlinderstichtin g.nl,

(http:// http://

www.butterfly-conservation.org)

zijn

ook dit jaar heel veel Rouwmantels vastgesteld. In de nieuwe vlinderatlas van Nederland is het voorlaatste

Keizersmantel. Foto Fredenk F luy t

ďż˝ --------

invasiejaar. 1995. gedetailleerd beschreven. Toen is de oostelijke herkomst met zekerheid vastgesteld. Op enkele plaatsen is in Nederland zelfs melding geweest van kortstondige voortplanting. Mogelijks blijven ze deze keer wel. Een soort om volgend jaar in het oog te houden dus. De Keizersmantel is dit jaar ook in Vlaanderen en Nederland opgedoken. De populaties waarvan deze vlinders afkomstig zijn is vooralsnog niet bekend. In het zuiden van het land bleken alvast heel veel exemplaren rond te vliegen. De vlinderstichting meldt alvast meer waarnemingen van de Rouwmantel dan de Keizersmantel. Een verschillend relatief aandeel zou een eerder zuidelijke oorsprong alvast kunnen staven (Nederland zal dan meer Rouwmantels ontvangen. terwijl Vlaanderen meer Keizersmantels zal ontvangen). Het is dus geenszins zo dat ten gevolge van warm weer alle 'exotische' vlinders uit het zuiden komen.

Bart Vercoulere 98


Ongeweve/den

Het Bruin Blauwtje: een nieuwe vlindersoort in het Dijleland Tijdens de maanden juni en juli 2006 werden op verschillende plaatsen ten oosten van het Dijleland (Tienen, Hoegaarden, Opvelp, Hoksem, Outgaarden) plots Bruine Blauwtjes Adcio ogestiswaargenomen. Aangezien het niet om een soort met een uitgesproken zwerfgedrag gaat stelde z i c h de vraag of het hier om een nieuw fenomeen van langzame areaalsuitbreiding ging, dan wel of de soort al een tijdje over het hoofd werd gezien. Kritisch herbekijken van foto's van enkele jaren oud leerde dat de tweede optie minstens lokaal van kracht was. Eind juli werd de soort dan ook nog gevonden te Bever. aan het andere uiteinde van de provincie V laams-Brabant en dus ten westen van het Dijleland. Geïnspireerd door deze vondsten. en dan vooral door de aanwezigheid van Bruin Blauwtje in het nabije Opvelp, besloot ik op

29

juli

2006

om

in

enkele

oostelijke

grensgebieden van het Dijleland op zoek te gaan naar deze vlindersoort, en ik stortte mijn zoektocht

aan

de

zandg roeve

van

Haasrode. Uiteraard had ik niet verwacht dot ik reeds na een half uur prijs zou hebben, maar h e t blauwtje dat ik toen in mijn vlindernet had liet zich in detail bekijken zodat de determinatie als Bruin Blauwtje gauw rond was. Twee uren en vele lcarusblauwtjes

Polyommotus icorus later staakte ik de zoektocht, ik was weliswaar op slechts één Bruin Blauwtje blijven steken maar was door Hef BruinBlauwtje, eennieuwkomer of toch over het hoofd gezien? Foto Frederik Fluyt

bijzonder enthousiast over. Tijdens de maand augustus bleef het vervolgens opvallend kalm rond de soort. en werden er in V laams-Brabant geen nieuwe

zekere vindplaatsen vastgesteld (zowel binnen als buiten het Dijleland). Ik ondernam tijdens deze maand ook nog meerdere zoektochten in Haasrode en Bierbeek. en bleef daarbij steeds vruchteloos. Rond eind augustus - begin september kwam er echter weer verandering in deze situatie. en begonnen Bruine Blauwtjes terug in grotere aantallen op te duiken (voornamelijk op de reeds gekende plaatsen maar ook onder meer nieuwe vindplaatsen in Goetsenhoven. Vertrijk en mogelijk Gelrode). Op 12 september rendeerden de voortgezette tochten in het Dijleland dan ook weer, en kon ik zelf terug van deze soort genieten. Die dag kon ik drie ex. waarnemen op het Militair Domein van Heverlee, gevolgd door terug een ex. aan de zandgroeve van Haasrode, dat ook kon worden gefotografeerd. Na 12/09 werden op geen van beide vindplaatsen nog Bruine Blauwtjes aangetroffen. Drie dagen later fotografeerde Hans Roosen echter nog een Bruin Blauwtje in onze regio, namelijk in zijn tuin in de Abstraat te Terlanen. Voor de volledigheid vermelden we dat er op 6 augustus een mogelijke waarneming was van een ex. op de Kesselberg (Bruno Bergmans).

99


Ongeweve/den

Het Bruin Blauwtje stelt geen bijzonder hoge eisen aan zijn omgeving. Hij kan in principe onder veel verschillende klimatologische omstandigheden worden aangetroffen, en dat zowel op droge als vochtige plaatsen, zolang ze maar bloemrijk zijn en ook zijn favoriete waardplanten herbergen (enkele soorten Ooievaarsbek Geranium sp., Reigersbek Erodium sp., en Zonneroosje Helianthemum sp.). Daarbij gaat het tegenwoordig vooral om droge, schrale graslanden met korte vegetatie en opgespoten terreinen met pioniersvegetatie, veelal op zandgrond. De vindplaatsen in Haasrode en Heverlee beantwoorden beide mooi aan dit beeld. In Haasrode ging het bij de eerste waarneming op 29 juli om een divers, bloemenrijk, braakliggend perceel aan de zuidkant van de zandgroeve. Begin augustus werd dit perceel gemaaid en vanaf dan werden daar nagenoeg geen vlinders meer waargenomen (ook de plaatselijk talrijke lcarusblauwtjes niet). Het Bruin Blauwtje van 12/09 werd dan ook op een andere plek in het gebied opgemerkt. Dit ex. verplaatste zich namelijk doorheen de vegetatie langs één van de plasjes in de groeve zelf. In het Militair Domein van Heverlee bestond de bodem ook uit zand. Grote delen van dit terrein zijn erg voedselrijk en overwoekerd met netels en bramen, maar de drie Bruine Blauwtjes vlogen op een klein, schraler stukje met onder meer Zandblauwtje en langs de randen veel Boerenwormkruid en havikskruiden. Bruine Blauwtjes vliegen doorgaans in twee generaties per jaar, één van midden mei tot midden juni en één van begin juli tot eind september. Het ging bij deze waarnemingen dus om de tweede generatie. Het Bruin Blauwtje heeft een bewogen geschiedenis in Vlaanderen. Aanvankelijk was hij in ons landsgedeelte talrijk te vinden in de duinen en op zandgronden (in W- en 0-Vlaanderen, rond Antwerpen, in en rond Brussel), maar tussen het begin van de 2oe eeuw en de jaren '70 kromp zijn verspreidingsgebied geleidelijk in. Vanaf de tweede helft van de jaren '70 zette zich dan weer een omgekeerde trend in en breidde het Bruin Blauwtje weer uit. Tegenwoordig vormen het noorden van West- en Oost-Vlaanderen de belangrijkste kern van de soort in Vlaanderen, en is er ook een populatie aanwezig in de Maasvallei. De algemene trend is er één van uitbreiding en vooruitgang, mogelijk passen de recente waarnemingen in het Dijleland en Vlaams-Brabant daar ook in. Het Bruin Blauwtje, areaalsuitbreiding of over het hoofd gezien? Wellicht een beetje van beide.

Referenties Maes D. & Van Dyck H.

(1999)

-

Dagvlinders in Vlaanderen: Ecologie, verspreiding en behoud,

Stichting Leefmilieu/Antwerpen i.s.m. Instituut voor Natuurbehoud en Vlaamse Vlinderwerkgroep/Brussel. Tolman T. & Lewington R.

(1999)

-

De nieuwe vlindergids, Tirion Uitgevers BV, Baarn.

Wynhott 1., van Swaay C. & van der Made J.

(2001)

-

Veldgids Dagvlinders, Stichting Uitgeverij

KNNV, Utrecht, en de Vlinderstichting, Wageningen.

Kelle Moreau

100


Vogels

Opmerkelijke vogelwaarnemingen in de Dijlevallei en omgeving, Juni - augustus 2006 Dit overzicht van opmerkelijke en interessante vogelwaarnemingen in de Dijlevallei beslaat voornamelijk de periode juni - augustus 2006. De bestreken regio omvat de gemeenten Kortenberg, Herent, Bertem, Leuven, Oud-Heverlee, Huldenberg, Overijse, Tervuren en de aangrenzende gebieden. De volgende rubriek zal de periode september- november 2006 omvatten. Waarnemingen worden voor 10 juni 2006 verwacht bij Kei Ie More au,

Korenbloemlaan 5, 3052 Blanden, 0486/12.58.77, kelle.moreau@gmail.com (let op de adreswijziging!).

Samenvatting: Tegenwoordig is een maand vanuit klimatologisch standpunt pas bijzonder als er gĂŠĂŠn records worden gebroken. Zoals zovele voorgaande seizoenen kenmerkte de zomer van 2006 zich ook door enkele nieuwe records. De warmste maand juli sinds het begin van de metingen kon op heel wat enthousiasme rekenen, in het geval van de natste augustus ooit was dat al heel wat minder het geval. Wat vogels betreft bracht 2006 een erg afwisselende zomer. Allereerst vormden 13 Ooievaars, enkele Visdieven, Zwarte Sternen, en een Hop de staart van het voorjaar. Plaatselijke 'goede' en succesvolle broedvogels waren onder meer 2 koppels Bergeenden en een koppel Zomertalingen, alsook 3 koppels Boomvalken. Porseleinhoenen broedden mogelijk op een tweetal locaties, en het opduiken van zingende Cetti's Zangers op nieuwe locaties opent perspectieven voor de toekomst. Onder meer Zomertortel en W ielewaal blijven hun neerwaartse trend verder zetten. Tijdens de zomermaanden werden ook enkele opmerkelijke data genoteerd voor een aantal eendensoorten. Zo was er een koppel ljseenden in juni, een Krooneend in juni en augustus, enkele Smienten in juli en augustus en 2 Pijlstaarten in augustus. Ook reigerachtigen deden het goed de voorbije zomer: Purperreiger op 5 data. Grote Zilverreigers, 1 Kleine Zilverreiger, 1 Koereiger (de 3e voor het Dijleland), 1 Kwak, min. 3 Woudapen en 1 Roerdomp werden genoteerd, enkel de Ralreiger ontbrak deze zomer. Andere leuke 'watervogels' waren min. 4 Geoorde Futen, 1 Roodhalsfuut, een Lepelaar, een Krombekstrandloper (de 7e voor het Dijleland), wat Groenpoot- en Bosruiters. en enkele Visdieven en Zwarte Sternen. De topvogel van de zomer bleef echter de 1e Orpheusspotvogel voor de streek. Ook bepaalde vinkachtigen verschenen dit jaar weer erg vroeg, zo was er deze zomer zelfs reeds een Keep in augustus, naast enkele zomerse Sijzen en Kruisbekken. De beginnende najaarstrek bracht onder meer 27 Zwarte en 43 Witte Ooievaars, 2 Visarenden, 5 Slechtvalken, tot max. 20 Morinelplevieren, 1 Zilverplevier; wat Regenwulpen. 1 Dwergmeeuw en 3 Bonte Vliegenvangers naar het Dijleland. Waarnemingen van onder meer Knobbelzwaan, Krakeend, Slobeend, W intertaling, Tafeleend, Kuifeend, Patrijs, Dodaars, Fuut, Aalscholver, Blauwe Reiger, Wespendief, Havik, Waterral, Kievit, Houtsnip, Kleine Mantelmeeuw, Koekoek, Kerkuil, Steenuil, Gierzwaluw, Ijsvogel, Zwarte Specht, Groene Specht, Middelste Bonte Specht, Kleine Bonte Specht. Veldleeuwerik, alle zwaluwen, Graspieper, Gele Kwikstaart, Grote Gele Kwikstaart, Blauwborst, Zwarte Roodstaart, Sprinkhaanzanger, Kleine Karekiet, Bosrietzanger, Grasmus, Tuinfluiter, Fitis, Vuurgoudhaan, Matop, Kuifmees, Putter, Kneu, Goudvink, Appelvink, Geelgors, Rietgors en alle exoten werden niet in dit verslag opgenomen maar wel verwerkt. Hetzelfde geldt voor ongedetermineerde kiekendieven en valken, en enkele mogelijke/waarschijnlijke Geoorde 101


Vo els

Futen en Porseleinhoenen. Ook meldingen van telkens een mogelijke Temmincks Strandloper, Graszanger en Grauwe Fitis werden niet weerhouden. Gebledsafkortlngen: WLS =Wilsele/Vijvers Bellefroid, AVP=Heverlee/Abdij van Park, ZW =Oud-Heverlee/Zoete Waters, OHN=Oud­ Heverlee/N, OHZ = Oud-Heverlee/Z, Oppem = weilanden tussen Bogaerdenstraat (Oud-Heverlee - Korbeek­ Dijle) en NGB, NGB=Neerijse/Grote Bron (deel Doode Bemde), NKV=Neerijse/Kliniekvijvers (deel Doode Bemde) en SAR= Sint-Agatha-Rode/Grootbroek, SJW =Sint-Joris-Weert, Flo= Florival.

Grauwe Gans Anser anser 12/08

1 ex. te SAR (L. Hendrickx)

Het betrof hier niet de 'boerengans' die de ganse zomer in het gebied verbleef. Omwille van de toenemende aantallen broedende Grauwe Ganzen in V laanderen ligt het in de lijn der verwachting dat deze soort ook buiten de trek- en winterperiodes steeds vaker in onze regio zal opduiken.

Bergeend Tadorna tadorna De familie Bergeenden met 9 pulli die sinds 27/05 te Neerijse/Tersaert werd opgemerkt bleef nog minstens tot op 10/06 voltallig (L. Vonden Wyngaert, F. Fluyt). Op 13/06 waren hier nog 8 pulli aanwezig (F. Van de Meutter). Een tweede broedgeval deed zich voor te OHN, met min. 6 pulli op 4/06 (W. Desmet). Van 12 tot 18/06 werd deze familie opgemerkt te Heverlee/ Langestaart (B. Bergmans, G. Rycken, F. Fluyt), en vanaf 7 /07 verbleven ze terug te OHN, nu nog met slechts 4 juvenielen (M. Walravens, S. Horemans). Naast deze families verbleven intussen ook steeds enkele niet broedende Bergeenden te OHN en Heverlee/ Langestaart (versch. waarn.). Op 23/07 kreeg de familie van OHN gezelschap van doortrekkende Bergeenden, en verbleven er hier plotseling min. 17 juvenielen (W. Desmet, L. Hendrickx e.a.). De volgende dagen liepen de aantallen geleidelijk terug (K. Van Scharen e.a.) tot de laatste waarneming van 2 juvenielen te OHN op 31/07 (M. Hens).

Smient Anas penelope 13-17/07

1m2v te SAR (F. Fluyt, M. Walravens, A. Smets, A. Boeckx, S. Hotton e.a.)

26 en 29/08

resp. 2 ex. en 1m te SAR

(J.

Nysten, L. Hendrickx)

Pijlstaart Anas acuta 19/08

2 ex. te SAR

(J.

Nysten)

Zomertaling Anas querquedula SAR was tijdens de zomer van 2006 de absolute place-to-be voor Zomertalingen in het Dijleland. Na een enkele juniwaarneming van 1m op 25/06 (F. Fluyt) werden er voor de periode juli-augustus 46 waarnemingen van deze plaats ontvangen (versch. waarn.). Tot op 18/07 ging het hierbij steeds om 2-6 ex. (F. Fluyt, M. Walravens, K. Van Scharen, W. Desmet). Op 19/ 07 was het dan eindelijk prijs en werd er een geslaagd broedgeval vastgesteld, vanaf deze dag werd er immers meermaals een vrouwtje met 6 pulli waargenomen (F. Fluyt) ! Tot begin augustus werden tot 12 ex. geteld, met vervolgens maxima oplopend tot 21 ex. op 6/08 en 22 ex. op 8/08 (M. Walravens, F. Fluyt e.a.). De maxima voor de 2e en 3e decaden van augustus bedroegen resp. min. 13 ex. op 16/08 (H. Roosen) en min. 8 ex. op 22/08 (L. Hendrickx). Op 29/08 verbleven nog 6 ex. te SAR (F. Fluyt). Buiten SAR werden er slechts 4 waarnemingen van Zomertalingen opgetekend in de Dijlevallei: 1m te OHZ op 5/07

(J. Rutten), 1v te NGB op

7/07 (M. Walravens) en 2 ex. te OHN op 31/07 en 6/08 (M. Hens, J. Kempeneers). 102


1 Vogels

Krooneend Netto rufina 05/06 26-30/08

l m te SAR (F. Fluyt) l m te SAR (A. Smets, L. Hendrickx, J. Nysten, F. Fluyt)

ljseend Clangula hyemalsi Groot was de verrassing toen op 5/06 bekend werd gemaakt dat de dag voordien een koppel adulte ljseenden in zomerkleed te AVP zat (F. Lerouge)! Op 6/06 begaven verschillende vogelkijkers zich ter plaatse en werd bevestigd dat de vogels hier nog steeds aanwezig waren (S. Peten e.v.a.) en tot op 12/06 profiteerden nog velen van de unieke kans om deze soort eens in zomerkleed te zien. Er bestaat natuurlijk de mogelijkheid dat het hier uit een waterwild-collectie ontsnapte exemplaren betrof, maar het scenario waarbij ze door de aanhoudende NNW-wind op hun voorjaarstrek werden onderschept, en tot in West-Europa werden geblazen (met op 6/06 ook waarnemingen in Midden-Frankrijk en Nederland) blijft voor velen erg aanlokkelijk. Ook het natuurlijk lijkend gedrag, de onberispelijke verenkleden en de afwezigheid van ringen zitten een wilde herkomst niet in de weg.

Kwartel Coturnix coturnix Er werden Kwartels gehoord op 4/06 ten N van AVP (W. Goussey), op 5/06 te Duisburg/ Bredeweg (M. Hens), op l l /06 te Huldenberg/Spitsberg (F. Fluyt), op l /07 te Korbeek-Dijle/ plateau (min. 4 zp; K. Hansen), op 4 en 8/07 te Herent/Terbankstraat (resp. l en 2 zp; F. Vandekeybus), te Leefdaal/plateau op 5/07, 12/07 en l /08 (resp. 2 zp, enkele zp en l ex.; B. Bergmans, W. Desmet, M. Hens), op l 0/07 te Loonbeek/plateau (B . Pasau, V. Daems), op 29/ 07 te Haasrode/zandgroeve (K. Moreau) en op 16/08 te Erps/Dorenveld (A. Smets). Boven het centrum van Oud-Heverlee werden 's nachts (trekkende?) Kwartels gehoord op 19/06,

l 6/07 en 20/07

( J.

Rutten).

Geoorde Fuut Podiceps nign'collis 06-15/07

2 ad te SAR (F. Fluyt, M. Walravens, W. Desmet)

23-3 l /07

l juv te NGB (M. Walravens, W. Desmet, M. Hens)

05-28/08

l juv te SAR (L. Hendrickx, H. Roosen, M. Walravens, A. Smets,

29-30/08

l juv + l ad te SAR (L. Hendrickx, F. Fluyt)

J.

Nysten)

Roodhalsfuut Podiceps gn'segena 30/07- l 0/08 13-16/08

l juv te NGB (L. Hendrickx, W. Desmet, M. Hens, e.a.) l juv te SAR (F. Fluyt, H. Roosen)

Purperreiger Ardea purpurea Nadat er tussen 17 /04 en 6/05 reeds 7 waarnemingen van een Purperreiger werden ontvangen vanuit de omgeving van OHN en de Doode Bemde, werd de soort ook tijdens de drie zomermaanden genoteerd. Een 2e-jaars ex. liet zich te SAR bekijken op 17, 22 en 25/ 06 (F. Fluyt, L. Hendrickx, J. Nysten, P. Smets), waarna op 3/07 een ex. werd geobserveerd te OH (J. Kempeneers). Op 30/08 tenslotte, vloog een ex. laag boven de Dijle te Korbeek-Dijle (T. Pattyn).

103


Vogels

Grote Zilverreiger Casmerodius albus De laatst overgebleven Grote Zilverreiger van het voorjaar, die sinds 28/05 in de Doode Bemde verbleef, werd hier nog waargenomen op 2 en 3/06 (K. Van Scharen, W. Desmet, R. Ghijsen, L. Hendrickx) en zat op 5/06 te SAR (F. F luyt). Dan was het wachten tot van l 7 tot 24/ 07 terug een ex. werd aangetroffen te SAR (K. Van Scharen e.a.). Vanaf 24/07 tot op het einde van de periode verbleven er met zekerheid terug 2 ex. in de Dijlevallei, met het merendeel van de waarnemingen te OHN en te SAR (M. Walravens e.v.a.).

Kleine Zilverreiger Egretta garzetta l 0/07

l ex. te OHZ (W. Desmet)

Koereiger Bubulcus ibis 16/07

l ex. te SAR (F. F luyt, A. Smets, A. Boeckx, S. Hotton)

23/07

l ex. te OHN (M. Walravens, L. Hendrickx), wellicht zelfde ex.

Het betreft hier de 3e Koereiger voor het Dijleland, na telkens een ex. te SAR op l /05/98 en te OHN op 24/04/01. Het gaat dus ook om de eerste zomerwaarnemingen.

Kwak Nycticorax nycticorax 10/07

l ex. overvliegend te Tervuren/park KMMA (H. Roosen, D. Vangeluwe, L. Vonden

Wyngaert, B. Van Rossum, V. Bulteau, e.a.; co 22u30)

Woudaap lxobrychus minutus Zomer 2006 bracht voor het vijfde opeenvolgende jaar een mannetje Woudaap naar AVP, waar de eerste waarneming werd opgetekend op 4/06 (W. Goussey). Reeds die dag werd er een vermoeden geuit dat er mogelijk 2 mannetjes aanwezig waren, maar op 6/06 werd nog steeds slechts l m waargenomen (E. Toorman e.v.a.). Vanaf 7/06 waren er echter met zekerheid 2m ter plaatse (M. Herremans e.v.a.), en beide ex. werden nog tot eind juni gemeld (op 15 data; versch. waarn.), met een laatste waarneming op 3/07 (M. Vandervelpen). Een gerichte zoektocht op 5/07 leverde niets meer op (B. Bergmans e.a.). Maar ook buiten AVP werden er dit jaar Woudapen opgetekend: op 25/06 werd een vrouwtje waargenomen te NGB

(J. Nysten) en op 2/08 ging het om een vrouwtje te OHN

(S. D'Hont).

De vorige waarneming van deze soort in de Dijlevallei ten Z van Leuven dateerde reeds van 1974.

Roerdomp Botaurus stellads l 0-14/06

l ex. te AVP (M. Walravens, W. Goussey, R. Conings, J. Van Tonder e.v.a.) (mogelijk

reeds op 7/06; E. Toorman)

Zwarte Ooievaar Ciconia nigra Het werd een nooit eerder geziene zomer wat Zwarte Ooievaars betreft. In augustus werden maar liefst 27 ex. doorgegeven! 07/08 2 ex. Z over Haasrode (D. Von Werne) 12/08

4 ex.

15/08

3 ex. boven Neerijse/Ganzemansstraat, l ex. gaat verder Z, de 2 andere (juv)

+

7 ex. over Huldenberg/Spitsberg (F. Fluyt)

vallen in en overnachten te Neerijse/Tersaert (met l juv Ooievaar) (S. Horemans, 16/08

104

M. Tomballe, D. van der Linden, M. Hens) 8 ex. W te Erps/Dorenveld (A. Smets)


Vogels

19/08

1 juv ZW te Kessel-lo/ V lierbeek (B. Bergmans, B. Creemers e.a.)

20/08

1 ex. Z te Oppem en invallend in de Doode Bemde

28/08

1 ex.

(+

2 Ooievaars) pleisterend te Huldenberg

(J.

(J.

Nysten, L. Hendrickx)

Van Acker)

Ooievaar Ciconia ciconia 13/06

5 ex. laag boven NGB (F. Van de Meutter)

22/06

2 ex. thv Leuven/KBC

(J.

Tuerlinckx)

23/06

1 ex. over de Doode Bemde (ongeringd) (M. Walravens)

27/06

5 ex. Z te Heverlee thv AV P (K. Moreau)

15/08

1 juv boven Neerijse/Ganzemansstraat, invallend en overnachtend te Neerijse/

22/08

13 ex. ZW over Bertem/Koeheide

26/08

35 ex. tp en Z te Erps/Dorenveld (A. Smets)

27/08

1 ex. ZW te Kessel-lo/Platte-Lostraat X Diestsestwg (E. Toorman)

28/08

2 ex.

Tersaert (met 2 juv Zwarte Ooievaars) (S. Horemans, M. Tomballe, e.a.)

(+

(J.

Rutten)

1 Zwarte Ooievaar) pleisterend te Huldenberg

(J.

Van Acker)

Lepelaar Platalea leucorodia 26/07-05/08

1 juv in de Doode Bemde (P. De Becker, D. Vanautgaerden, F. Fluyt e.a.)

De vogel droeg een combinatie van kleurringen, en bleek na melding op 29/05/06 als nestjong geringd te zijn geweest in het Sloegebied te V lissingen, Nederland

(0.

Overdijk via F. Fluyt).

Het gaat hier om de 2e waarneming van een Lepelaar in de regio dit jaar (na een 1e win te SAR op 1/04), en om de 146 waarneming van deze soort in het Dijleland sinds 1955. De 14 voorgaande waarnemingen werden echter allemaal tussen 30/03 en 8/05 opgetekend, het gaat hier dus om de eerste zomerwaarneming in meer dan een halve eeuw!

Bruine Kiekendief Circus aeruginosus Tijdens de eerste helft van juni werd de Bruine Kiekendief nog 5 keer vastgesteld in het Dijleland: op 3/06 1 imm m te Leefdaal/plateau en later in de Doode Bemde (W. Desmet, R. Ghijsen), op 4/06 1 ex. te OHZ

(J. Rutten), op 5/06 1 ad v te Korbeek-Dijle/plateau (J. Rutten) + 1 imm te Korbeek-Dijle/plateau (M.

en 1 imm m te OHN (B. Nef) en op 15/06 1 v-type

Schurmans). Vanaf 1/07 kon de soort weer overal worden verwacht, met in juli 13 waarnemingen van 15 exemplaren (incl. mogelijke dubbeltellingen), en in augustus maar liefst 51 waarnemingen van 80 ex. (incl. mogelijke dubbeltellingen) (versch. waarn.).

Blauwe Kiekendief Circus cyaneus Het eerste ex. voor het najaar van 2006 was een juveniel op 26/08 te Erps/Dorenveld (P. Dubois). Ten Z van de regio hing er eind augustus ook reeds een ex. rond te Tourinnes-La­ Grosse (H. Blockx).

Visarend Pandion haliaetus 19/08

1 ex. te Meerbeek/Dorpsstraat (M. Hens)

27/08

1 ex. te OHN

(J.

Nysten)

Boomvalk Fa/co subbufeo Er werden voor de periode juni - augustus 2006 maar liefst 104 waarnemingen van 1-4 Boomvalken doorgegeven in regio Leuven (versch. waarn.). De meest bijzondere vaststelling is dat er zich zeker 3 broedgevallen voordeden, met 3 juv te Wilsele-Wijgmaal (S. D'Hont), min. 1 juv te OHN (W. Desmet e.a.) en min. 2 juv te SAR (F. Fluyt e.a.). 105


Vo els

Slechtvalk Fa/co peregrinus 28/07

1 juv te Erps/Dorenveld (A. Smets)

08/08

1 ex. over Leuven/centrum (G. Sterckx e.a.) en Leuven/Geertruihof

22/08

1 ex. te Erps/Dorenveld (A. Smets, W. Desmet)

25/08

1 ex. te Erps/Dorenveld (R. Nossent, K. Lossy, F. Beeldens, P. Dubois, W. Laureins)

29/08

1 ex. W te NGB (L. Hendrickx)

(J. Kiebooms)

Porseleinhoen Porzana porzana 10-11/07

1 ex. te. OHN (W. Desmet)

28/07

1 ad te SAR (F. F luyt)

30/07

1 juv te SAR (F. F luyt)

Het is onzeker of het hier om vroege doortrekkers gaat of dat de waarnemingen erop duiden dat de soort in OHN en/of SAR gebroed heeft. Uit de Doode Bemde bereikten ons dit jaar geen gegevens.

Scholekster Haematopus ostralegus De Scholekster die op 7/06 werd waargenomen te AVP (E. Toorman), werd in het voorgaande waarnemingenoverzicht verkeerdelijk op 7/05 gemeld.

Kleine Plevier Charadrius dubius Van 12 tot 18/06 verbleven 4 ex. te Heverlee/Langestaart, waaronder een koppel dat broedverdacht gedrag vertoonde (G. Rycken, B. Bergmans, B. Vercoutere, F. F luyt). Tot een broedgeval kwam het echter niet, en na 18/06 werd de soort hier in juni niet meer gezien. Van 1 tot 23/07 waren hier weer 1-2 ex. aanwezig (F. F luyt, W. Desmet, L. Desmet). Verder waren er 8 waarnemingen te OHN van 7 tot 31/07 (versch. waarn.), met max. 5 ex. op 9/07 (F. Fluyt). Te SAR werd een juv gezien op 31/07 (F. F luyt), en te NK V zat telkens een ex. op 16/ 07 (M. Walravens) en op 3-4/08 (K. Van Scharen, L. Hendrickx, M. Hens, F. F luyt).

Morinelplevier Charadrius marine/lus 22/08

15 ex. (7 ad 8 juv) te Erps/Dorenveld, 4 ex. vertrekken naar Z, 11 ex. blijven ter plaatse (A. Smets, K. Moreau, W. Desmet, M. Hens)

23/08

eerst 3 juv te Erps/Dorenveld (A. Smets), later 7 ex. (A. Boeckx)

24/08

20 ex. (14 ad 6 juv) te Erps/Dorenveld

25-26/08

1 ad te Erps/Dorenveld (W. Leers, R. Nossent, K. Lossy,

(A.

Smets, L. Hendrickx e.v.a.)

A.

Smets e.a.)

Morinelplevieren blijven in regio Leuven een bijzonder schaars goed, het gaat hier immers om de eerste waarnemingen van deze soort buiten 1 ex. te Heverlee op 2/09/90 en 3 ex. te Leefdaal op 18/08/04 (tijdens de jaren '30 van de vorige eeuw zou de soort wel regelmatig geschoten zijn te Loonbeek/plateau).

Goudplevier Pluvialis apricaria 06/08

1 ex. zom te Leefdaal/plateau (F. F luyt)

09, 16, 24, 26 en 29/08

resp. 2 ex., 1 ex. oud, 1 ex. Z, 3 ex. en 1 ex. oud te Erps/ Dorenveld

31/08

106

(A.

Smets, L. Hendrickx)

1 ex ZW te Leuven/A. Degreefstraat (F. Van de Meutter)


Vogels

Zilverplevier Pluvialis squatarola 30/08

1 ex. Z te Leefdaal/plateau (L. Hendrickx)

Krombekstrandloper Calidris ferruginea 16/07

1 ad in najaarsrui te SAR (F. Fluyt)

Het gaat hier slechts om het 7e geval van deze soort in het Dijleland . De vorige waarneming betrof een ex. te SAR op 6/04/97. Tevens gaat het om het eerste juligeval, en dus de vroegste najaarswaarneming. De maandverdeling ziet er nu als volgt uit: april 1, mei 1, juli 1, augustus 1 , september 2, oktober 1 .

Regenwulp Numenius phaeopus 22/08

6 ex. Z te Korbeek-Dijle - Ormendael (S . Horemans)

23 en 29/08

resp . 1 en 6 ex. Z te Erps/Dorenveld (A. Smets)

Wulp Numenius arquata 03/06

1 ex. Z te OHZ (L . Hendrickx)

28/06

1 ex. oud over SAR (F. Fluyt)

16/07

1 ex. invallend te SAR (F. Fluyt; avond)

12/08

1 ex. W te SAR (F. Fluyt)

Groenpootruiter Tringa nebu/aria De eerste najaarstrekkende Groenpootruiter viel op 4/07 in te SAR (F. Fluyt). In juli werd de soort vervolgens nog gezien te OHN (1 ex. op 8-14/07; S. Horemans, W. Desmet. M. Hens, B. Wuyts), SAR (resp. 1 ex. tpl en 1 ex. Z op 11 en 13/07; F. Fluyt) en te NKV (1 ex. op 15/07; W. Desmet). In augustus werden terug pleisterende Groenpootruiters waargenomen te OHN (resp. 3 en 1 ex. op 6 en 16/08; J. Kempeneers) en te NKV (1 ex. op 19-24/08; J. Nysten, L. Hendrickx). Zuidwaarts trekkende ex. werden deze maand opgemerkt over Huldenberg/ Spitsberg (1 ex. op 5/08; F. Fluyt) en Erps/Dorenveld (resp . l, 1 en 2 ex. op 22, 25 en 26/08; A. Smets, W. Desmet, K. Moreau).

Bosruiter Tringa glareola Pleisterende Bosruiters werden waargenomen op dezelfde drie locaties als pleisterende Groenpootruiters. Te OHN zat eerst telkens 1 ex. op 9-11 , 24 en 30-31/07 (F. Fluyt. W. Desmet, K. Van Scharen, M. Hens), gevolgd door resp . 3, 2 en 4 ex. op 1, 3 en 4/08 (K. Moreau, K. Van Scharen, M . Hens). SAR huisvestte telkens 1 ex. op 31/07, 2-3 en 5/08 (F. Fluyt) en te NKV werden resp. 1, 1 en 2 ex. gezien op 1-2, 4 en 6/08 (F. Fluyt, K. Moreau, M. Hens, B . Vercoutere, L. Hendrickx).

Witgat Tringa ochropus Eerste najaarswaarneming: 1 ex. te Neerijse/Tersaert op 13/06 (F. Van de Meutter) Maximumconcentratie: 43 ex. te OHN op 1/08 (K. Moreau) In totaal werden er voor de maanden juni - augustus 2006 101 waarnemingen van Witgatjes uit regio Leuven ontvangen. Buiten de Dijlevallei werd de soort genoteerd te Wilsele-Putkapel (telkens 1 ex. Z op 16/06 en 4/08; S . D'Hont), Overijse/Bisdompoel (2 ex. op 26/06; E. De Broyer), Kwerps/N (2 ex. op 11/08; R. Ghijsen), Heverlee/Zwanenberg (1 ex. ZO op 23/08; G. Bleys), Terlanen (2 x oud op 24/08; H . Roosen) en Erps/Dorenveld (telkens 3 ex. Z op 25 en 26/ 08; R. Nossent, K. Lossy, F. Beeldens, A. Smets).

107


Vogels

Oeverloper Actitis hypo/eucos Eerste najaarswaarneming: 2 ex. te OHN op 7/07 (M. Walravens) Maximumconcentratie: 23 ex. te SAR op 5/08 (F. Fluyt) Tijdens de zomer van 2006 werden 70 waarnemingen van Oeverlopers opgetekend in het Leuvense, waarvan de meerderheid van OHN en SAR kwam. Buiten deze gebieden werd de soort ook gezien te Tervuren/park KMMA (5 ex. op 13/07; K. Moreau), Overijse/ljsbroeken (resp.

J. Verroken), NKV

en 5 ex. op 13 en 15/07; E. De Broyer,

l

(tekens lex. op 15-16/07, 12

en 21/08; W. Desmet, B. Creemers, M. Walravens, D. Vanautgaerden, L. Hendrickx), AVP (resp.

l

en 3 ex. op 25 en 30/07; B. Bergmans, J. Kempeneers), Heverlee/Langestaart

(l

ex. op 30/

07; W. Desmet), NGB (resp. 15 en 2 ex. op 30/07 en 5-8/08; W. Desmet, L. Hendrickx, J. Kempeneers, K. Van Scharen), Neerijse/zandgroeve Ganzemansstraat Fluyt), Overijse/Bisdompoel

(l

(l

ex. op 31/07; E. De Broyer) en Wilsele/Dijledijk

ex. op 30/07; F.

(l

ex. Z op 29/08;

S. D'Hont).

Watersnip Gallinago gallinago De eerste najaarswaarneming voor 2006 betrof

l

ex. te OHN op 14/07 (W. Desmet). In dit

gebied volgden daarop nog 9 waarnemingen (versch. waarn.), tot op

l 0/08 het maximum

van 10 ex. werd bereikt (L. Hendrickx). Verder werden Watersnippen in de Dijlevallei ook

l , 2 en 3 ex. op 19, 21, 26/07 en 6/08; F. Fluyt) en te NKV (resp. 5 en 2 ex. op 12 en 19-20/08; D. Vanautgaerden, J. Nysten). Buiten de vallei waren er waarnemingen te Leefdaal/plateau (resp. l, l 0 en l ex. op l , 27 en 28/08; M. Hens, J. Nysten, L. Hendrickx)

gezien te SAR (resp. 4,

en te Erps/Dorenveld (2 ex. Z op 26/08; A . Smets).

Dwergmeeuw Larus minutus 21/08

l

ex. te SAR (L. Hendrickx)

Stormmeeuw Larus conus 12/07

l

ad. te SAR (F. Fluyt)

Zomerwaarnemingen van deze soort zijn in onze streken zeker bijzonder te noemen!

Visdief Sterna hirundo 2 ex. kort tpl te SAR, dan W (F. Fluyt)

05/06

06, 08, 17, 19-20/06

resp. 2, 2 ( l geringd),

l

en

l

ex. te AVP (A . Smets, e.a.)

25/06

2 ex. te Veltem-Beisem/Molenbeekvallei, dan Z

l l /08

l l

12/08

(J.

Wellekens)

ex. te Kwerps/Z (R. Ghijsen) ex. te Tervuren/park KMMA (Vossemvijver) (E. De Broyer)

Zwarte Stern Chlidonias niger 03/06

2 ad te Tervuren/park KMMA (Vossemvijver) (N. Boone)

02/07

2 ad te Tervuren/park KMMA (Vossemvijver) (B. Pasau, V. Daems, E. De Broyer)

06/08

ljuv te NGB

(J.

Kempeneers, L. Hendrickx)

Zomertortel Streptopelia turtur Er werden slechts 12 waarnemingen van Zomertortel doorgegeven tijdens de zomer van 2006. Te OHZ was

l

zp aanwezig op 3/06

(J. Rutten),

met nadien nog waarnemingen van

l

ex. op 7/07 en l/08 (M. Walravens, K. Moreau). In SAR werden enkel op 5, 23 en 25/06 resp. 2, 2

en

l

ex. gehoord (F. Fluyt, M. Schurmans, P. Smets, M. Walravens). De overige

waarnemingen: lzp te Bierbeek/plateau op 13/06 (K. Moreau), lzp te Neerijse/Kasteel op 108


Vogels

23/06 (M. Walravens), 1 zp te Meerdaalwoud/Paddepoel op 12/07

(F. Fluyt e.a.), 1 ex. te

NKV op 4/08 (M. Hens), 1 ex. te Bertem/Koeheide op 8/08 (G. Bleys) en 1 ex. te Erps/ Dorenveld op 22/08 (K. Moreau, A. Smets, W. Desmet).

Hop Upupa epops Er kwam weer een melding van een tuin-Hop binnen. Ditmaal was het begin juni prijs in Haasrode, toen een ex. werd opgemerkt in een tuin in de A. Verheydenstraat (M. Van Goetsenhoven).

Duinpieper Anthus campestds 19 /08

3 ex. te Heverlee/Bremstraat (B. Bergmans, G. Bleys)

26/08 27-28/08

1 ex. ZW te Leuven/Van Waeyenberghlaan (B. Bergmans) 1 ad te Leefdaal/plateau (M. Hens, J. Nysten, L. Hendrickx, e.a.)

Boompieper Anfhus tdvia/is Er was slechts één juniwaarneming: 1 ex. oud te SAR op 5/06 (F. Fluyt). Dan was het wachten op de eerste najaarstrekkers. Dat waren 2 ex. over Erps/Dorenveld en 2 ex. over Vrebos op 13/08 (A. Smets). Nadien volgden nog waarnemingen van trekkende Boompiepers te Oud­ Heverlee/centrum (telkens 1 ex. op 17 en 22/08; J. Rutten), Heverlee/Bremstraat (enkele ex. op 18/08; G. Bleys) en Wilsele/Dijledijk (resp. 3, 11 en 2 ex. op 21, 28 en 29 /08; S. D' Hont).

Gekraagde Roodstaart Phoenicurus phoenicurus Het zingende mannetje van AV P werd hier nog tot op 7/06 waargenomen

(J.

Kempeneers,

K. Moreau, E. Toorman).

Roodborsttapuit Saxicola rubicola De zone tussen Veltem en Erps bleek tijdens de zomer van 2006 de beste plaats in de regio om Roodborsttapuiten waar te nemen. Op 3/06 werden verspreid over dit gebied een koppel met jongen en 3 solitaire mannetjes gezien (A. Smets). Te Veltem werd de soort nadien nog gezien op 28-29 /06, 14/07, 14, 20 en 26/08, met op die data resp. 3 ex., 2m2v-type, 2m2v­ type, 1 m2v-type en 1m1vljuv (R. Ghijsen, B. Bergmans). In de weiden te Korbeek-Dijle verbleef nog een koppel op 18/06 (F. Fluyt) en te OHN zat 1 v-type op 1/08 (K. Moreau). De tweede helft van augustus bracht dan nog 5 waarnemingen te Erps/Dorenveld met zich mee: resp. 1 ex., 2m, 1 ex" 2mljuv en 1 juv op 18, 24, 25, 26 en 29 /08 (A. Smets, L. Hendrickx).

Paapje Saxicola rubetra Het eerste Paapje voor het najaar van 2006 zat op 13/08 te Erps/Dorenveld (A. Smets). Hier volgde tot eind augustus nog 10 waarnemingen (A. Smets, W. Desmet, L. Hendrickx, P. Dubois, W. Laureins, B. Bergmans) met een absoluut maximum van 31 ex. op 25/08 (A. Smets). Overige waarnemingsplaatsen waren Terlanenveld (7 ex. op 16/08; E. De Broyer), Veltem (resp. 2 ex. en lv op 20 en 26/08; R. Ghijsen, B. Bergmans), Heverlee/Zwanenberg (4 ex. op 23/08; G. Bleys), Leefdaal/plateau (resp. 4 ex. en 8 ex. op 27 en 28-30/08; J. Nysten, M. Hens, L. Hendrickx), Korbeek-Dijle/plateau (2 ex. op 27/08; op 29 /08; F. Fluyt).

J.

Nysten) en Huldenberg/ plateau (1 ex.

109


Vogels

Tapuit Oenanthe oenanthe Pleisterende Tapuiten werden enkel opgemerkt op het Dorenveld te Erps en het plateau te Leefdaal (versch. waarn.). De eerste 2 ex. zaten te Erps op 13/08 (A. Smets), waar nadien nog 14 waarnemingen volgden (A. Smets e.a.) met maximaal 15 ex. op 25/08 (R. Nossent, K. Lossy, F. Beeldens). In Leefdaal ging het om resp. 3, 4 en 5 ex. op 27, 28 en 29-30/08 Hendrickx, M. Hens,

J.

(L.

Nysten).

Cetti's Zanger Cettia cetti Naast de gekende zangposten te Oud-Heverlee en aan de Koebrug in de Doode Bemde werden Cetti's Zangers tijdens de zomer van 2006 ook enkele keren op andere locaties vastgesteld. Zo werd te SAR een ex. gehoord op 21, 23/07 en 8/08 (F. F luyt, M. Walravens, L. Hendrickx) en te NKV ĂŠĂŠn op 5/08 (H. Roosen).

Spotvogel Hippo/ais icterina Spotvogels werden ons vanuit de ruime regio Leuven gemeld te Veltem - Erps (5 zp op 3/06: A. Smets), Everberg/De Grubbe (1 zp op 5 en 19/06; M. Hens), Bierbeek/plateau (1 zp op 13/ 06; K. Moreau), Neerijse/Ganzemansstraat (2 zp op 13/06; F. F luyt, J. Nysten, B. Bergmans, P. & K. Vranckx, M. Lehouck), Haasrode/industrieterrein (1 ex. op 14/06;

J.

Kempeneers),

Meerbeek (resp. 4 zp en een 5e zp op 14 en 19/06; M. Hens), Heverlee/ Haanhofweg (1 zp op 23/06;

J.

Kempeneers), Korbeek-Dijle/plateau (1 zp op 1/07; K. Hansen), Loonbeek/plateau

(1 zp op 10/07; B. Pasau, V. Daems) en Leefdaal/plateau (resp. 3 en 2 ex. op 12 en 17/07; W. Desmet).

Orpheusspotvogel Hippo/ais polyglotta Met plezier herhalen we dat de eerste Orpheusspotvogel voor het Dijleland van 31/05 tot 2/ 06 te Huldenberg/Spitsberg zat (F. F luyt e.a.).

Rietzanger A crocephalus schoenobaenus 19 en 24/07

1 ex. te SAR (F. Fluyt)

Braamsluiper Sylvia curruca 1 zp te Bierbeek/plateau (K. Moreau)

13/06 14 en 18/06

telkens 1 zp te Meerbeek/Dorpsstraat en Meerbeek/centrum (M. Hens)

26/06

1 zp te Haasrode/industrieterrein (Materialise)

30/08

1 ex. te Huldenberg/spitsberg (F. Fluyt)

(J.

Grauwe Vliegenvanger Muscicapa striata 28/06

1 ex. te AVP (B. Pecceu)

07/07

3 ex. (1 familie) in de Doode Bemde (M. Walravens)

25/07

1 ex. te SAR (S. D'Hont)

01/08

1 ex. te Leuven/kruidtuin (B. Bergmans)

13/08

1 ex. te Erps/Dorenveld (M. Hens)

23/08

1 ex. te Blanden/Lijsterstraat (K. Moreau)

29/08

1 ex. te NKV (L. Hendrickx)

29/08

1 ex. te Huldenberg/Spitsberg (F. Fluyt)

110

Kempeneers)


Vogels

Bonte Vliegenvanger Ficedula hypoleuca 13/08

1 ex. te Erps/Dorenveld (M. Hens)

18/08

1 ex. te Heverlee/Bertembosstraat

22/08

1 ex. te Heverlee/Leeuwerikenstraat (K. Moreau)

(G.

Bleys)

Wielewaal Oriolus oriolus In de Doode Bemde waren er nog waarnemingen van 1 ex. op 2 en 15/06 (K. Van Schoren, B. Vercoutere), en te OHZ werd 1zp+1 ex. opgemerkt op 3/06 J. Rutten). Verder werd de soort enkel waargenomen te SAR, met 11 waarnemingen van 1-2 ex. tussen 5/06 en 6/08 (F. Fluyt, M. Walravens, M. Schurmans, P. Smets).

Keep Fring1l/a montifn'ng1l/a Een erg vroeg adult mannetje Keep in zomerkleed werd op 11/08 gefotografeerd in een tuin te Leuven/Regastraat

(J.

Van Tonder). Er bestaat natuurlijk ook de kans dot het een uit

gevangenschap ontsnapt ex. betrof.

Sijs Carduelis spinus 24/06

2 ex. over Vrebos (A. Smets)

10/07

1 ex. te OHC

22/08

1 ex. oud te OHC

(J.

Rutten)

(J.

Rutten)

Kruisbek Loxia curvirostra 18/06

4 ex.+7 ex. 0 te Rodebos (F. Van de Meutter)

23/06

2 ex. te OHZ, 1 ex. Z te OH/centrum

27/06

enkele ex. over Kessel-Lo/Martelarenlaan (K. Moreau)

08/07

groepje te Meerdaalwoud (L. De Schampheloere)

18/07

oud te Bertem/Bertembos (B. Bergmans)

24/07

1 ex. te Heverlee/Leeuwerikenstraat (K. Moreau)

27/07

oud naar 0 te Huldenberg/Spitsberg (F. Fluyt)

11-12/08

5-tal ex. te Heverlee/Leeuwerikenstraat (K. Moreau)

(J.

Rutten)

Samenstelling: Kelle Moreau & Bart Creemers kelle.moreau@gmail.comL..bart.creemers@gmail.com Medewerkers en correspondenten:

Raf Aerts, Louis-Philippe Arnhem, Filip Beeldens, Bruno Bergmans, Koen Berwaerts, Geert Bleys, HerwiQ Blockx, Alain Boeckx, Niko Boone, V incent Bulteau, Esther Buysmans, Paul Claes, René Conings, Bart Creemers, V eronique Daems, Johan De Baere, Piet De Becker, Erik De Broyer, Rien De Keyser, Lieven De Schampelaere, Louis Desmet. Wouter Desmet, An Devroey, Steven D'Hont, Gerald Driessens, Philippe Dubois, Frederik Fluyt, Herman Fonck, Raf Ghijsen, Werner Goussey, Krien Hansen, Luc Hendrickx, Maarten Hens, David Herman, Marc Herremans, Stefaan Horemans, Sylvian Hotton, Jochen Kempeneers, Jean Kiebooms, Kevin Lambeets, Eva Lambrecht, Jorg Lambrechts, Willy Laurens, Elfriede Le Docte, Walther Leers, Mark Lehouck, Frederik Lerouge, Koen Leysen, Benny L'Homme, Ken Lossy, Eddy Macquoy, Kelle Moreau, Bruno Net. Regis Nossent, Johan Nysten, Dirk Ottenburghs, Otto Overdijk, Bernard Passau, Tine Pattyn, Bert Pecceu, Stephan Peten, Yvon Princen, Laurent Raty, Hans Roosen, Jos Rutten, Niels Ryckeboer, Geert Rycken, Bert Saveyn, Maarten Schurmans, Axel Smets, Philippe Smets, Guy Somers, Geert Sterckx, Tom Teek, Marita Tomballe, Erik Toorman, Jos Tuer1inckx, Jeroen Van Acker, Kasper Van Acker, Désiré Vanautgaerden, Johan Vanautgaerden, Filip Vandekeybus, Frank Van de Meutter, Yves Vonden Bosch, Maarten Van den Eynde, Luc Vonden Wyngaert, Dirk Vanderlinden, M. Vonder Stichel, Maarten Vandervelpen, Gilbert Vandezande, Didier Vangeluwe, Van Goetsenhoven Mariette, Marc Van Meeuwen, Bart Van Rossum, Kris Van Scharen, Johanna Van Tonder, Jan Vanwijnsberghe, Véronique Verbist, Kar1ien Vercautere, Bart Vercoutere, Guy Verrijdt, Jan Verroken, Nico Verwimp, Dirk Von Werne, Paul Vranckx, Stijn Vranckx, More Walravens, Jan Wellekens en Bert Wuyts.

111


Activiteiten

Activiteitenkalender

-

najaar 2006

Watervogeltellingen •

Zaterdag 14 oktober

Zaterdag 18 november

Zaterdag 16 december

Maandelijkse voormiddag-excursie waarbij de pleisterende watervogels op de vijvers in de Dijlevallei ten zuiden van Leuven geteld worden. Afspraak telkens om 8u30 aan het Station van Oud-Heverlee. Meer info: Maarten Hens (0473 24 47 52, maarten.hens@tele2allin.be)

Simultaantrektellingen Zondag 1 en 22 oktober. Afspraak vanaf 7u00 Bredeweg Leefdaal. Coördinatie: Frederik Fluyt (GSM 0479 920 172)

Paddestoelenexcursies •

Zondag 8 oktober: Bertembos, georganiseerd door NP afdeling Herent

Zondag 29 oktober: Natuurpunt beheer, Hazenberg, Opvelp

Zondag 5 november: Koeheide (Bertem), lOuOO Café d'aa Boon, Oude Baan, Bertem

Natuurstudie-praatcafé •

Wo 8 november - thema broedvogelmonitoring

Wo 13 december - thema zoogdieren

Telkens vanaf 20u00 in de Via Via, Naamsesteenweg 227, Heverlee.

Meer info: Maarten

Hens (0473 24 47 52, maarten.hens@tele2allin.be)

Braakballenpluisavond Dinsdag 21 november: lokaal VHM in deelgemeentehuis Heverlee, Waversebaan 66, Heverlee. Meer info: Kelle Moreau. kelle.moreau@gmail.com

Stort nu uw abonnementsbijdrage voor 2007 Na deze Boom.Klever heeft u nog één nummer te goed.

U kunt nu reeds uw abonnement

verlengen (jaargang 2007) door storting van 6 EUR op rekeningnummer 001-1552168-50 van de studiegroep Dijleland. Graag met vermelding: ABO 2007 +uw naam en adres. Vanaf 12 EUR of meer bent u steunend lid.

112


Herfststemming. Kromme dreef Meerdaalwoud. (foto DesirĂŠ Vanautgaerden

Profile for Natuurstudiegroep Dijleland

De Boomklever September 2006  

De Boomklever September 2006  

Profile for nsgd
Advertisement