__MAIN_TEXT__

Page 1

NATUURSTUDIEGROEP DIJLE LAND BEEKJUFFER SLEEDOORNPAGE SPITSKOPJE HAMSTER • HAVIK EIKELMUIS RATE APPELVINK , W ESPEKJDIEF! BOSRIETZANGER

·

�-

._,,

b

-

Tiidschrift van de Natuurpunt Natuurstudiegroep Diileland

Jaargang 34

-

maart 2006


NATUURSTUDIEGROEP DIJLELAND Regionale natuurhistorische werkgroep van Natuurpunt vzw

Bestuur Voorzitter: Maarten Hens, Dorpsstraat 48, 3078 Meerbeek, 0473.24.47.52 Secretaris: Frederik Fluyt, Spitsberg 4, 3040 Huldenberg, 0479.92.01.72 Penningmeester: Kris Van Scharen, Korbeekstraat 27, 3061 Leefdaal, 02.767.26.38, Bestuursleden: •

Monique Bekkers Oostremstraat 4, 3020 Herent, 016.23.13.38

Herwig Blockx, Rue du Culot 42, 1320 Tourinnes-la-Grosse, 010.86.24.66

Bart Creemers, Frederik Lintstraat 77, 3000 Leuven, 0496.89.31.06

Joris Menten, W. De Croylaan 49/21, 3001 Heverlee, 0495.27.53.93

Kelle Moreau, Celestijnenlaan 27a bus 0201, 3001 Heverlee, 0486.12.58.77

Hans Roosen, Abstraat l 01, 3090 Overijse, 02.687.95.18

André Verboven, Groeneweg 60, 3001 Heverlee, 016.23.81.84

Werkgroep vogels •

Themaverantwoordelijke en watervogeltelling, broedvogelmonitoring: Maarten Hens, Dorpsstraat 48, 3078 Meerbeek, 0473.24.47.52, maartenhens@yahoo.co.uk

Archivering en rapportering waarnemingen: Kelle Moreau, Celestijnenlaan 27a bus 0201, 3001 Heverlee, 0486.12.58.77, kelle.moreau@gmail.com

Trektellingen: Frederik Fluyt, Spitsberg 4, 3040 Huldenberg, 0479 92 01 72, freek@village.uunet.be

Werkgroep zoogdieren •

Themaverantwoordelijke, marterproject, archivering waarnemingen: Kelle Moreau, Celestijnenlaan 27a bus 0201, 3001 Heverlee, 0486.12.58.77, kelle.moreau@gmail.com

V leermuizen: Hans Roosen, Abstraat 101, 3090 Overijse, 02.687.95.18, roosenhans@yahoo.com

Werkgroep ongewervelden •

Themaverantwoordelijke: André Verboven, Groeneweg 60, 3001 Heverlee, 016.23 .81.84, andre.verboven@chello.be

Archivering en rapportering waarnemingen: Bart Creemers,Frederik Lintstraat 77, 3000 Leuven, 0496.89.31.06,

Werkgroep planten •

Themaverantwoordelijke: Joris Menten, W. De Croylaan 49/21, 3001 Heverlee, 0495.27.53.93 pjoris@advalvas.be

Website:

www.natuurpunt.be/dijleland

Rondzendlijst Dijleland: stuur een blanco e-mail naar dijlevallei-subcribe@yahoogroups.com


De Boom.klever Driemaandelijks tijdschrift van Natuursfudiegroep Di;le!and natuurhistorische werkgroep van Nafuurpunt vzw.

INl+DUD BUITEN GEKEKEN Wachten op de regen

. . . . . . .

"."."...".....................................2

Redactiekern Herwig Blockx, Frederik Fluyt, Maarten Hens, Paul Herroelen, Kelle Moreau en Kris Van

ONGEWERVELDEN

Scharen

Overzicht van de meest interessante libellen­ Redactie-adres Artikels of korte bijdragen worden verwacht op het redactiesecretariaat, p/a Frederik Fluyt, Spitsberg 4,

waarnemingen en de meest interessante libellen­ soorten van 2005 in het Dijleland"."".""."".""."""."."5 Op naar een nieuwe vlinderatlas"""""""."""""".""""14

3040 Huldenberg E-mail: freek@village .uunet .be Het copyright van de teksten

ZOOGDIEREN

en tekeningen blijft bij de auteurs en tekenaars. Over­

Hazelmuizen in Vlaams-Brabant."."."""".".""""""""".16

name is mogelijk mits hun uitdrukkelijke toelating

VOGELS

Abonnement Geïnteresseerden kunnen De Boomklever ontvangen door overschrijving van 5 EUR op rekeningnummer

001-1552168-50 van Studie­ groep Dijleland p/a Korbeek­

Opmerkelijke vogelwaarnemingen in de Dijlevallei en omgeving, december 2005 februari 2006""""".".21 -

Rad des Baszanger verpest verjaardagsetentje"" .""32

straat 27, 3061 Leefdaal met opgave van naam en adres. Een steunabonnement kost

l 0 EUR of meer.

AANKONDIGINGEN & ACTIVITEITEN

Natuurpunt

Nieuws van BRAKONA

vzw

. . . . . . . . . . . . . . .

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

. . . . . . . . . . . . . . . . . . .

34

Natuurpunt vzw is de grootste vereniging voor natuur en landschap in V laanderen. Ze telt 54.000 leden en beheert

14.000 hectaren natuurgebied. Lid worden van Natuurpunt v-z:.N kan door storting van 20 Euro op rekeningnummer

230-0044 233-21

.

www.hatuurpunt.be

Activiteiten." . ... .

. . .

. . "."" .." .... " .. ".".".."."."." .. "."." ........36 .


Buiten gekeken

Wachten op de regen El Planerón, 7 april 1995 "Oeoew-karr" .. ..... oeoew-karr

. "..

oeoew-karr". Wat is dat in godsnaam, vraag ik me

af terwijl ik het halfschemer intuur. Ik heb het daarstraks ook al gehoord maar toen was ik nog niet wakker genoeg om te oordelen of dit geluid uit dromenland

of onder de

sterrenhemel vandaan kwam. In het schemerduister tast ik naar mijn verrekijker. Ik heb hem gisteravond in een plastic zak gestopt en naast mijn slaapstee op de grond gelegd

Dat

blijkt geen overbodige voorzorgsmaatregel want het deken dat ik als bijkomende isolatie op mijn slaapzak had gelegd is nat van de ochtenddauw. "Trie-trieieiel" klinkt er nu opeens, van vlakbij. Mijn bewegingen moeten deze griel opgeschrikt hebben. Zijn gele ogen zien in dit halfduister veel meer dan die van mij want ondanks veel moeite van mijn kant zie ik alleen maar vage blauwgrijze schaduwen van struikjes en stenen. Zo wakker worden als je buiten geslapen hebt is telkens opnieuw een geweldige ervaring. Je warme slaapzak vormt een ideale voorpost in direct contact met de ontwakende natuur. De eerste vogelgeluiden, de geuren van de mediterrane kruiden in de frisse ochtendlucht: dat is pas vakantie. Het eerste roze ochtendlicht strijkt nu aarzelend over het landschap. Ik lig hier op een iets verhoogd talud van een derderangs grindweg. Ik ben hier gisteravond gestrand, op zoek naar een steppereservaat dat in de onmiddellijke buurt moet liggen. Eigenlijk moet ik in de plaats van "in the middle of nowhere" misschien wel "en el medio de nada" zeggen.Ik lig hier in de buik van Aragon: rond mij strekt zich de lege steppe van de Ebrovlakte uit. De horizon wordt beheerst door enkele hoger liggende "tafelheuvels" Door een hardere gesteentelaag op de top zijn ze wat beter bestand tegen de erosie die diepe kloven getrokken heeft in hun flanken. In de lagere dalen zijn er hier en daar tekenen van landbouwkundig ingrijpen.om een akker aan de stenige woestenij te onttrekken. Het valt af te wachten of dit optimistische ploegen dit jaar enige vruchten zal afwerpen. Het is hier droog, kurkdroog. Op de niet bewerkte bodem houden de steppespecialisten stug vol: pollen espartogras, ministruikjes thijm en een paar ganzevoetsoorten weet ik nog te herkennen. Bloemen of frisgroene blaadjes zijn er op deze volhouders evenwel niet te bespeuren: ze wachten op regen, al maanden lang... De afgelopen winter was immers één van de droogste "on record" in Spanje. Enkele dagen geleden stond ik aan de Laguna de Gallocanta. Hoewel het nu, begin april, te laat is voor kraanvogels dacht ik toch flink wat watervogels te kunnen noteren. Een modderige plas van 50 op 30 m midden in een wit uitgeslagen gebarsten moddervlakte was het enige dat overbleef van dit, in normale omstandigheden, behoorlijk grote steppenmeer. Mijn visioenen van krooneenden en ander fraai waterwild kon ik meteen opbergen. "Niets zo triestig voor een vogelkijker als een uitgedroogd moeras", schreef ik in mijn waarnemingenboek. Plots hoor ik het mysterieuze geluid van daarnet weer. Met een tussenpoos van enkele seconden weerklinkt het, telkens een fractie luider. Het moet een overvliegende vogel zijn. Ik speur de ochtendhemel af. Ja daar; een duifgrote stip komt dichterbij. Ze vliegt wel enkele tiental len meters

hoog. Redelijk d i k gezet, met e e n p i k z w a r t e buikvlek: een

zwartbuikzandhoen dat zijn territorium afbakent. Het is de vliegende embleemsoort van de steppe.die het al snel laat afweten als er teveel gecultiveerde percelen opduiken tussen de natuurlijke schrale vegetatie. Vooral aan irrigatie hebben zwartbuiken een broertje dood . Doet al dat artificiële groen pijn aan hun ogen ? Hun neefjes, de witbuikzandhoenders, zijn minder kieskeurig en komen ook wel meer op landbouwpercelen voor. Ik kijk even de horizon 2


Buiten gekeken

af: grijs, okerbruin, het lijkt wel een western-landschap. Zelfs met de verrekijker is op de verder afgelegen heuvels van de spaarzame vegetatie niks te zien. Dat is niet verwonderlijk. Er heerst hier een steppeklimaat met temperaturen die 's winters tot stijgt het kwik hier tot een slordige

+

-

15°C zakken. 's Zomers

44°C, in de schaduw wel te verstaan.

Alleen, ik kijk even om me heen, hier is helemaal niks om schaduw te werpen ...

Als ik in

deze woestenij de gemiddelde Benidormganger wil ontmoeten, kan ik wel wachten tot in de vijfentwintigste eeuw.

Of toch niet ? Langs de grintweg stijgt nu een stofwolk op. De

verrekijker onthult een jeep die snel nadert. Ter hoogte van mijn kampement houdt ze halt. Het zijn "guardias" en ik weet inmiddels hoe dat gaat. Ze komen hier zo weinig mensen tegen dat ze altijd nieuwsgierig zijn wat die zeldzame buitenlander hier uitspookt. "Oio, hos dormido aqui ? vraagt er één terwijl hij mijn slaapspulletjes aanwijst. Als ik bevestigend antwoord en uitleg dat ik hier vooral vogels kom kijken verwijzen ze mij naar El Planerón. Ik leg hen uit dat ik net dat reservaat zocht maar ze antwoorden dat ik een afslag te vroeg heb genomen en nu dus in deze halfwoestijn ben gestrand. Met veel gebaren en ratelend Spaans wijzen ze mij de weg. Na enige minuten is het ook voor hen duidelijk dat zonder een detailkaart de oriëntatie in deze wirwar van keienwegen geen sinecure is. Ze stellen voor om in te pakken en dan zullen zij een deel van de weg voorop rijden. Tien minuten later volg ik hen in het ochtendgloren. Ze houden er, naar Spaanse gewoonte, een stevig tempo op na: de stenen spatten alle kanten op ... Een goed kwartier cross-country brengt me al waar ik zijn moest: het steppevogelreservaat "El Planerón". Het reservaat zelf gelijkt als twee druppels water op de omgeving van mijn slaapplaats, alleen worden hier geen akkers aangelegd. Op de laagste delen is de uitgedroogde bodem wit uitgeslagen van het gekristalliseerde zout. De vegetatie is navenant: een soort zeekraal, een loogkruid achtige en wat zoutbestendige ganzevoetachtige struikjes. Ook op de plekken waar minder zout in de bodem zit, halen de verspreide struikjes nauwelijks kniehoogte. Hier en daar groeien er iets hogere struiken van een bremsoort. Hun twijgen zien er eveneens donker grijsgroen uit, van vers chlorofyl is geen sprake. Hoe lang kunnen die planten dat nog volhouden ? Voor hen is de zon alweer aan een wolkenloze marteltocht begonnen ... Wat verder langs de weg staan 2 Duitse vogelkijkers ook al ter plaatse. Een hevig zingende leeuwerik heeft hun aandacht gevangen: een borrelend grauwe gorsachtig deuntje doorweven met enkele echte leeuwerikfluittonen "Ein Sprosser" zegt één van hen. Dat moet dan wel een kleine kortteenleeuwerik zijn, denk ik bij mezelf. Enkele minuten later weerklinkt een heel ander geluid, iets waar we allen op staan te wachten "Ja, das ist er, der Dupont" weet één van mijn oosterburen. Het geluid is heel anders, enigszins melancholisch in hoogte dalend en stijgend met vooral melodieuze lijsterachtige fluittonen. Zonder enige voorkennis zou ik hier geen leeuwerik van maken. We turen de kale plekken tussen de verdroogde struikjes af. Dupont's leeuweriken lopen veel rond op de begane grond maar af en toe durven ze ook van op een geëxposeerd punt hun opvallende zang laten horen. Een kwartier lang horen we af en toe zijn zangstrofe maar van de vogel zelf vangen we zelfs geen glimp op. Hij doet zijn reputatie van "onzichtbare soort" vandaag alle eer aan. De Duitsers druipen enigszins teleurgesteld af. Ze zijn nog geen tien minuten weg vooraleer een bekend nasaal "kerr-err" uit de hemel weerklinkt. Ik kijk haast instinctief omhoog en jawel, daar zijn ze. Een groep witbuikzandhoenen komt hoog over, ongetwijfeld op zoek naar één van de schaarse drinkplaatsen. Ook de roofvogels worden nu actief en tijdens mijn ontbijt noteer ik enkele torenvalken, een vale gier en een prachtig mannetje grauwe kiekendief die enkele malen vlakbij langs zeilt. Ook andere vogels vinden deze vlakte jé van het. Hoog in de lucht zingen enkele

leeuweriken. Als er twee te kort in elkaars buurt komen breekt een territoriumgevecht

los waarbij ze elkaar zigzaggend achtervolgen. Hun zwarte ondervleugels en de typische luide zang, doorspekt met nabootsingen van andere vogelsoorten laat geen twijfel over: 3


Bullen gekeken

kalanderleeuweriken. Ik heb deze soort lereen waarderen in

gelijkaardige biotopen in

Extremadura: het is dus een prettig weerzien. "Die Duitse twitchers zijn juist op tijd vertrokken", mompel ik tegen mezelf. In zo'n desolaat landschap voel ik mij het best helemaal alleen. Het landschap buiten vraagt daar gewoon om. Alhoewel de zangactiviteit van de vogels nu opeens opvallend afneemt, blijf ik nog wat rondhangen om foto's te maken. De zon is nu al een tijdje op maar het licht is nog zacht genoeg om redelijke foto's maken. Terwijl ik positie kies om met de 200 mm een goede compositie te bekomen, komt er achteraan in beeld een nieuwe roofvogel in beeld. Even ben ik verward: het is onmiskenbaar een kiekendief, maar welke ?? . Terwijl hij de glooiingen in het terrein volgt bekijk ik hem wat grondiger. Wat ziet deze vogel er slecht uit!! De bovenzijde is in dit felle zonlicht afgebleekt vaalgrijs met een lichte "basale handvlek" op

zijn

ondervleugels. Verder is hij ook heel wat pennen kwijt in beide vleugels en zijn staart. Hij flapt nu langzaam mijn gezichtsveld uit. Over een vliegende clochard gesproken: zo'n lelijke bruine kiekendief heb ik nog nooit gezien ... Terwijl ik het reservaat verlaat en terug richting geasfalteerde beschaving rijd, danst er plots een zwart/wit vogeltje voor de wagen uit. Hij vat post op een kluit van een omgeploegde akker. Het is een blonde tapuit, ĂŠĂŠn van mijn favorieten waar ik maar al te graag mijn telescoop voor bovenhaal. Een niet te evenaren beeld levert dat op. Het smetteloze zwart en wit contrasteert prachtig met het subtiele okergeel van kruin en rug. Zijn zitplaats, een door de zon gebakken steenrode aardkluit, maakt dit levend schilderij "af". Nieuwsgierig kijkt hij in mijn richting. Af en toe buigt hij door zijn pootjes. Aan zijn keelveren kan ik nu zien dat hij zingt. Het is moeilijk om te horen want met gesloten snavel laat hij enkele korte binnensmonds geprevelde noten horen. Ik heb ondertussen een schetsje klaar van dit onweerstaanbaar tafereel. Net op tijd want hij vliegt nu op en landt een twintigtal meter verder op een uitgedroogde stengel. Als hij enkele minuten later definitief uit zicht verdwijnt ben ik zowel teleurgesteld als opgelucht. "Ge kunt hier niet de hele dag blijven tekenen, Herwig" overtuig ik mezelf terwijl ik de motor start. Enkele honderden meter verder bereik ik "de grote weg". Het is nog maar tien uur maar de temperatuur loopt al aardig op: boven het asfalt stijgt al warmtetrilling op. Voor ik de weg op draai kijk ik nog eens omhoog naar het eeuwige blauw. Regen zal er vandaag niet in zitten, vrees ik ...

Herwig

4


Ongewervelden

Overzicht van de libellenwaarnemingen en de meest interessante libellensoorten van 2005 in het Dijleland Sinds de start van de elektronische rondzendlijst Dijlevallel is reeds veel informatie verzameld over het voorkomen en de verspreiding van flora en fauna in onze regio. Zonder archivering gaat die Informatie echter verloren voor natuurstudie. Tot op heden werd voor deze mailinglijst enkel waarnemingen van vogels en zoogdieren gearchiveerd. Maar het is de bedoeling om vanaf volgend jaar te beginnen met een heus archief voor ongewervelden. Als eerste aanzet wordt er hieronder een samenvatting gegeven van de vele interessante libellen­ waarnemingen die in 2005 werden gedaan. Voor libellenkenners moet dit artikel een impuls geven

om

ook

volgend

jaar

voldoende aandacht te besteden aan deze soortengroep en gericht te zoeken naar eventuele gaten. Voor niet kenners, kan deze bijdrage een eerste,

hopelijk

kennismaking

inspirerende,

zijn

met

de

libellenrijkdom in het Dijleland en aangrenzende gebieden. Viervlek, een van de schaarsere soorten in hel Dijle/and (Foto: Frederik Fluyl)

Inleiding In Vlaanderen komen in totaal soorten voor.

58

65

soorten worden

1996) als inheems beschouwd. Van deze 58 inheemse voorkomen van 2 soorten van deze groep was in 1996

volgens de rode lijst (De Knijf & Anseiin soorten zijn er

23

niet bedreigd. Het

echter onvoldoende gekend (Kanaaljuffer en Vuurjuffer). De andere inheemse libellensoorten behoren tot de categorieĂŤn 'zeldzaam', 'bedreigd', 'kwetsbaar', 'met uitsterven bedreigd' of 'uitgestorven in Vlaanderen'. Daarmee staan de libellen samen met de zoogdieren het meest onder druk van alle soortengroepen waarvoor rode lijsten gekend zijn (De Bruyn 2005). De rode lijst is aan vervanging toe ten gevolge van een aantal veranderingen in de Vlaamse libellenfauna (o.a. toename van zuidelijke soorten), maar een nieuwe lijst is nog niet beschikbaar. Die zal binnenkort, samen met de libellenatlas uitgebracht worden. Dan zal het ook mogelijk zijn om een vergelijking te maken met de omliggende regio's en andere delen van Vlaanderen.

1996 verscheen er ook een overzichtsartikel van alle libellenwaarnemingen in het Dijleland ten zuiden van Leuven. Deze bijdrage (Blockx 1996) vatte 350 gegevens samen verdeeld over 26 soorten, waarvan 11 juffers (gelijkvleugeligen of Zygoptera) en 15 'echte libellen' (ongelijkvleugeligen of Anisoptera), die werden verzameld sinds 1982 (de start van de In

libellenwerkgroep Gomphus), aangevuld met wat losse waarnemingen van voor deze periode.

5


Ongewervelden

Overzicht libellenwaarnemingen 2005 Tegenwoordig worden er met behulp van de digitale informatiesnelweg veel gemakkelijker waarnemingen verzameld en zijn er veel meer gegevens bekend. Op de rondzendlijst •

Dijlevallei' werden er in 2005 alleen al 212 libellenwaarnemingen doorgeven, verspreid over

42 berichten, 26 plaatsen en 27 soorten, waarvan 11 juffers en 16 echte libellen. Met uitzondering van één soort werden alle niet bedreigde soorten dit jaar in het Dijleland gezien. Deze werden nog aangevuld met een voor Vlaanderen zeldzame soort, een kwetsbare soort, een bedreigde soort en twee zuidelijke soorten die tot voor kort enkel bekend stonden als zeer zeldzame zwervers. Maar ook onder de niet bedreigde soorten bevonden zich enkele leuke soorten. De meest waargenomen soorten waren het Lantaarntje, de Grote keizerlibel, de Gewone oeverlibel met elk 25 gegevens, de Weidebeekjuffer { 19 waarnemingen) en de Azuurwaterjuffer {17 waarnemingen). Het gebied waar in 2005 de meeste aandacht naar toe ging was het Rodebos te Huldenberg (8 bezoeken) met in totaal 18 libellensoorten als gevolg, waaronder verschillende interessante soorten {zie verder). Andere goed geïnventariseerde gebieden waren Neerijse Grote Bron {14 soorten), de Tersaert groeve in Neerijse {14 soorten) en de vijvers van Oud-Heverlee {12 soorten). Bij deze laatste was vooral de zuidelijke vijver interessant, nl. 11 t.o.v. 5 soorten voor de noordelijke vijver. Het waterspaarbekken van Hamme-Mille had ondanks een matige aandacht, toch een relatief hoge soortenrijkdom { 12 soorten). Ook Meerdaalwoud, de Doode Bemde, Egenhovenbos {Langestaart) en een poel in Haasrode {Konijnenhoek) werden matig geïnventariseerd. Uit andere gebieden kwamen maar een of enkele meldingen. De voornaamste ondergeïnventariseerde gebieden in 2005 waren de vijvers van Abdij van Park te Heverlee en het Grootbroek in Sint-Agatha-Rode. Voor het laatste gebied ongetwijfeld omdat de vijver voor een groot deel van het jaar droog lag. Van de vijvers van Wilsele kwamen er zelfs geen berichten binnen. In het stadscentrum van Leuven werden in 2005 3 soorten libellen gezien, nl de Vuurjuffer, Paardenbijter en de Weidebeekjuffer. Aan tuinvijvers in de streek werden waarnemingen van Vuurjuffers en Grote keizerlibel gemeld, alsook een waarneming van de bijzondere interessante Zwervende Pantserjuffer. Het Rodebos was niet alleen het meest bezochte gebied voor libellen in 2005 in het Dijleland en had niet alleen de grootste soortenrijkdom, het was ook het gebied met het meeste aantal interessante soorten {zie hieronder), nl. 6 {Weidebeekjuffer, Blauwe breedscheenjuffer, Plasrombout, Smaragdlibel, Viervlek en Geelvlekheidelibel). Andere gebieden met meerdere interessante soorten waren Neerijse Grote Bron {Weidebeekjuffer, Blauwe breedscheenjuffer, Vuurlibel en Geelvlekheidelibel), Doode Bemde {Weidebeekjuff er, Viervlek en Geelvlekheidelibel), Tersaert zandgroeve in Neerijse {Tengere Grasjuffer, Watersnuffel en Steenrode heidelibel), de vijvers van O u d -Heverlee {Weidebeekjuff er, Blauwe breedscheenjuffer en Gewone pantserjuffer) en het waterspaarbekken van Hamme-Mille (Tengere grasjuffer en Zuidelijke oeverlibel). In het Meerdaalwoud werden er dit jaar maar 7 soorten gemeld op 2 bezoeken, waarvan slechts 1 interessante soort {Smaragdlibel). Dit is weinig in vergelijking met de 18 soorten die Blockx {1996) aangeeft voor dit gebied, met maar liefst 7 interessante soorten.

Interessante libellensoorten in 2005 De meest interessante soorten worden hieronder uitgebreider besproken. Naar voorbeeld van de bijdragen over opmerkelijke vogelwaar nemingen worden ook de details weergegeven van alle waarnemingen van de interessantste libellensoorten. Volgende 6


Ongewervelden

algemenere soorten worden niet in detail besproken, maar zijn wel gearchiveerd: Houtpantserjuffer, Lantaarntje, Vuurjuffer, Azuurwaterjuffer, Kleine roodoogjuffer, Blauwe glazenmaker, Paardenbijter, Grote keizerlibel, Platbuik, Gewone oeverlibel, Bloedrode heidelibel en Bruinrode heidelibel. De interessante soorten zijn in de eerste plaats rode lijstsoorten en zeldzame soorten (De Knijf & Anselin

1996).

Maar ook voor BelgiĂŤ minder algemene soorten, waaronder enkele zuidelijk

soorten en zwervers die niet op de rode lijst voorkomen en algemene soorten die minder algemeen zijn in onze streek, zijn de moeite waard om hier te vermelden. Voor onderscheid ik

15

waargenomen soorten, verdeelt over 6 juffers en

9

2005

echte libellen, die

interessant genoeg zijn om hieronder uitgebreider te bespreken. Ter aanvulling vermeld ik ook de soorten die, voor zover ik weet, al eens eerder in het Dijleland gezien werden, maar waarvan dit jaar geen waarnemingen binnenkwamen. De in

2005

waargenomen rode lijstsoorten waren de Smaragdlibel (Cordulio oeneo,

kwetsbaar) en de Tengere grasjuffer (lschnuro pum!Ă?io, bedreigd). De Weidebeekjuffer

(Colopteryx splendens) werd aangeduid met het statuut zeldzaam. Maar zowel de tengere pantserjuffer als de weidebeekjuffer zouden op de nieuwe rode lijst in de categorie 'niet bedreigd' thuishoren (Joris Luypaert,

2003), vermoedelijk door meer gerichtere inventarisaties

en de verbeterde waterkwaliteit van de beken en rivieren sinds de publicatie van de rode lijst. De Grote roodoogjuffer (Eryfhromma najas, kwetsbaar) is een rode lijstsoort die de voorbije jaren wel al gemeld is in het Dijleland, maar waarvan dit jaar geen gegevens binnenkwamen. Opmerkelijk want deze soort zou, net als de weidebeekjuffer en de tengere pantserjuffer, niet meer thuishoren op de nieuwe rode lijst. Nog andere gekende Rode lijstsoorten die dit jaar niet vermeld werden waren Bruine winterjuffer (Sympecma fusco, populatie in Abdij van Park) en de Gewone bronlibel (Cordulegasfer ba/tomi) beide in de categorie 'bedreigd'. De laatste soort werd vermeld door Blockx ( 1996) als pronkstuk van het Dijleland, met waarnemingen in Meerdaalwoud en het Rodebos. Niet bedreigde, maar nog steeds minder algemene soorten die dit jaar gezien werden waren de Plasrombout (Gomphus pulchel/us) en de Bruine glazenmaker (Aeshno grondis) in het Rodebos. Opmerkelijk waren de ontdekkingen van populaties van twee zuidelijke soorten, namelijk de Zwervende pantserjuffer (Lesfes borbarus) bij een poel in Haasrode en de Vuurlibel (Crocofhemis eryfhraea) aan Neerijse Grote Bron. Beide soorten zijn nieuw voor het Dijleland. De Zuidelijke oeverlibel (Orthetrum brunneum) is een derde zuidelijke soort die dit jaar gezien werd, maar deze was niet nieuw voor het Dijleland. In tegenstelling tot vorig jaar werden van de Zuidelijke glazenmaker (Aeshna affinis) geen gegevens verzameld (Van de Meutter

2004).

Een andere Zuid-Europese soort die dit jaar niet werd gezien was de Zwervende

heidelibel (Sympefrum fonscolombit). In

2003

werden veel zwervers van deze soort

waargenomen, o.a. aan de vijvers van Abdij van Park (eigen observatie).

In het Dijleland werden in

2005,

net als op veel plaatsen in V laanderen, veel zwervers

waargenomen van de Geelvlekheidelibel (Sympefrum f/aveolum) en ook in mindere mate van de Zwarte heidelibel (Sympetrum danae). Blockx ( 1996) vermeldde ook de Venwitsnuitlibel (Leucorrhinio dubio, kwetsbaar) en de Bandheidelibel (Sympelrum

pedemontanum, zelzaam) als zwervers in het Dijleland. 7


Onge we/Velden

Twee lar/Jjke soorten uil onze regio: copula Lantaarntje lschnura elegans (boven/en vrouwtje Pia/buik L1bellula depressa (onder). Foto's: Frederik Fluyt

8


Ongewervelden

Algemene soorten voor België die zeldzaam waren in het Dijleland in 2005 zijn de Gewone pantserjuffer (Les/es sponso ) , Watersnuffel (Enollogmo cyofhigerum), de Viervlek (Ltbellulo

quo drimoculafa ) en de Steenrode heidelibel (Symp efrum vu/gofum). De Blauw e breedscheenjuffer (P/afycnemis pennipes) komt grotere aantallen voor, maar erg lokaal.

De Kanaaljuffer ( Cercion lindem) was de enige niet bedreigde soort die dit jaar niet gezien werd in het Dijleland. Deze soort is vrij algemeen in het westen van V laanderen, maar daarbuiten zeldzaam. Van deze soort is er een waarneming bekend van 1977 bij Waver en een ander 1990 in Neerijse (Blockx 1996).

Weldebeekjuffer Calopteryx splendens Voorkomend langs zuurstofrijke beken en rivieren. In 1996 als zeldzaam beschouwd, maar sindsdien begonnen aan een uitbreiding als gevolg van de betere waterkwaliteit van de rivieren. Nu vrij algemeen. Ook in het Dijleland was deze juffer midden jaren negentig nog zeldzaam, met enkel lage aantallen langs de Dijle in de Doode Bemde en op een plaats in het Meerdaalwoud. Tegenwoordig is deze juffer een van de meest algemene soorten in de streek als gevolg van de verbeterde waterkwaltiteit van de Dijle. De soort is dit jaar met 3 waarnemingen in Leuven zelfs de meest gemelde libel in de stad. De uitbreiding van de weidebeekjuffer in het Dijleland sinds de jaren '90 is goed gedocumenteerd en is sinds vorig jaar ook bekend in de Wingevallei te Holsbeek (Vercoutere 2004a,b). Deze soort tegenwoordig te algemeen voor een gedetailleerde lijst met waarnemingen. Ik geef hier enkel de belangrijkste. In 2005 werd één waarneming ten noorden van Leuven ontvangen, nl. langs de Dijle in Wilsele (18/06, R. Meeuwis). De vroegste waarneming was een vrouwtje op 7 mei in de Doode Bemde (B. Markey). De laatste waarnemingen van weidebeekjuffers gebeurden op 14/08 te Neerijse Grote Bron (1ex, B. Nef) en in de Doode Bemde (1m, J. Kempeneers).

Zwervende pantserjuffer Lestes barbarus Zeldzame zuidelijke soort die zich sinds midden de jaren negentig in V laanderen heeft kunnen vestigen. Zwerft veel en is een kolonisator van ondiepe en droogvallende plassen. De waarnemingen in 2005 waren voor zover bekend de eerste voor het Dijleland. 27/07 20/09

24 copula's, 4 m en 1 v aan een poel in Haasrode/Konijnenhoek (F. Van de Meutter) 1 ex. aan een tuinvijver te Haasrode (K. Moreau). Vermoedelijk zwerver, mogelijk

van de 1,5 km verder gelegen poel te Konijnenhoek.

Gewone pantserjuffer Lestes sponsa In België een algemene soort bij stilstaand water met veel oeverbegroeiing. Net als in 1996 in onze streek echter schaars vertegenwoordigt. Blockx (1996) vermeldde Sint-Agatha-Rode en F lorival als voorkomen. Deze soort was toen talrijker onmiddellijk ten noorden van Leuven. 10/06

1 ex. Oud-Heverlee/Z (B. Net)

Blauwe breedscheenjuffer Platycnemis pennipes Algemene soort van traag stromende beken, rivieren en kanalen en bij grotere zuurstofrijke plassen. Volgens Blockx (1996) kon je deze soort aantreffen in het Rodebos en de Doode Bemde, alsook in Waver. Dit jaar massaal aanwezig in het Rodebos en de zuidelijke vijver van Oud-Heverlee, maar daarnaast zeer beperkt. 9


Ongewervelden

12/05

aanwezig in Rodebos (B. Nef)

25/05 18/06

1ex in Rodebos (F. Van de Meutter) aanwezig in Rodebos (B. Nef)

03/07 10/07

min. 50 ex. te Oud-Heverlee/Z (B. Nef) min. 50 ex. te Oud-Heverlee/Z (B. Nef)

10/07

aanwezig te Neerijse/Grote Bron (B. Nef)

10/07 15/07

min. 60 ex. in Rodebos (B. Nef)

04/09

1 ex. in Rodebos (B. Nef)

min. 30 ex. in Rodebos (B. Nef}

Tengere grasjuffer lschnura pumilio Net als de Zwervende pantserjuffer een uitgesproken pionier van recent ontstane, ondiepe en weinig begroeid plassen. Lijkt op het algemene lantaarntje, maar is vrij zeldzaam. In 1996 beschouwd als bedreigd, maar zou tegenwoordig niet meer thuishoren op de rode lijst. In Zuidoost Brabant werd deze soort bijvoorbeeld na gericht zoeken in 10 van 12 geschikt lokaties (zandgroeven, wachtbekkens, recente poelen, ... ) teruggevonden (Joris Luypaert 2003). De toename aan vindplaatsen zou kunnen verklaard worden door het feit dat er meer mensen naar libellen kijken en gericht op zoek gaan of doordat de tengere grasjuffer, zoals andere zuidelijke soorten, profiteert van de zachte winters van afgelopen jaren (Lambrechts & Guelinckx 2003). De Tengere grasjuffer werd niet vermeld door Blockx ( 1996). In 2005 werden op twee plaatsen populaties gevonden. Aan het waterspaarbekken van Hamme-Mille werd een groot aantal individuen waargenomen en in de Tersaert zandgroeve in Neerijse waren vele net uitgeslapen exemplaren aanwezig. 18/06

aanwezig te Hamme-Mille/waterbekken (B. Nef)

03/07

30 ex. te Hamme-Mille/waterbekken (B. Nef)

02/08

7 m en 4 v (2 van aurantiaca vorm) te Neerijse/Tersaert zandgroeve (F. Van de Meutter)

04/08

1 m en 1 v (van aurantiaca vorm) te Neerijse/Tersaert zandgroeve (M. Schurmans)

Watersnuffel Enallagma cyathigerum Komt in België algemeen voor op waters van uiteenlopende aard, maar vooral op zandgrond en bij vennen. In het Dijleland komt deze soort weinig voor, vooral in de Dijlevallei zelf is hij bijna niet te vinden. Blockx ( 1996) vermeldt deze soort enkel in Oud-Heverlee, Sint-Agatha­ Rode en Meerdaalwoud. Dit jaar kwamen er maar 2 meldingen binnen van eenzelfde plaats. 19/06

1 m te Neerijse/Tersaert zandgroeve (F. F luyt)

02/08

1 m en 1 v te Neerijse/Tersaert zandgroeve (F. Van de Meutter)

Plasrombout Gomphus pulche/lus In België vrij algemeen, maar zeldzamer in het westen en de leemstreek. Voorkomend aan water met weinig vegetatie, plassen en kanalen. In het Dijleland niet bekend in 1996. De Plasrombout werd dit jaar waargenomen in het Rodebos. 25/05 1 ex. in Rodebos (F. Van de Meutter) 1 ex. in Rodebos (B. Nef) 18/06

Bruine glazenmaker Aeshna grandis Heeft in Europa een noordelijk en oostelijk areaal, is vrij algemeen in België, maar heeft nergens grote aantallen en is achteruitgaand. Voorkomend op stilstaande wateren. Is volgens 10


Onge wervelden

Blockx (1996) niet stabiel aanwezig in het Dijleland. Twee waarnemingen bekend van Sint Agatha-Rode uit de jaren '80, waaronder een eierleggend vrouwtje. In 2005één waarneming uit het Rodebos.

04/09

1 ex. in Rodebos (B. Nef)

Smaragdllbel Cordulia aenea Deze soort behoort in V laanderen tot de categorie kwestbaar. Vrij zeldzaam, maar zou algemeen zijn op laagveen en plassen met veel bomen langs de kanten. Volgens Blockx ( 1996) in het Dijleland enkel bekend van op één plas met zandige bodem uit het Meerdaalwoud. Ook in 2005 werd deze soort waargenomen in het Meerdaalwoud, maar ook meerdere waarnemingen uit het Rodebos werden doorgegeven.

26/05 1 ex. in Rodebos (F. Van de Meutter) 28/05 1 m in Rodebos/Onderbos (F. Fluyt) 18/06 min. 6 ex. in Rodebos (B. Nef) 03/07 1 ex. in Meerdaalwoud/De Kluis ( (B. Nef) 10 /07 1 ex. in Rodebos (B. Nef) Vlervlek L1be//u/a quadrimaculata Algemeen in België. Vooral bij vennen, maar ook bij andere stilstaande wateren met rijke vegetatie. Volgens Blockx (1996) in het Dijleland enkel bekend van op één plas met zandige bodem uit het Meerdaalwoud (samen met smaragd libel). Bij ons behoort een opvallende influx van zwervers tot de mogelijkheden. In 2005 een klein aantal waarnemingen uit Meerdaalwoud en de Doode Bemde.

07/05 18/06 15/07

aanwezig in Doode Bemde (B. Markey)

1 ex. in Rodebos (B. Nef) 1 ex. in Rodebos (B. Nef)

Zuidelijke oeverllbel Orthetrum brunneum Zuidelijke libel die tot voor kort zeèr zeldzaam was in België. Pas in 1994 werden de eerste zuidelijke oeverlibellen in V laanderen vastgesteld (Van de Meutter 2004). Kolonisatie gebeurd via het oosten. Na Limburg, lijken nu ook Antwerpen en Vlaams-Brabant gekoloniseerd (Van de Meutter 2005). De soort heeft een voorkeur voor zeer ondiep water in vaak snel opwarmende habitatten (zandgroeven e.d.). In het Dijleland werd vorig jaar een mogelijke reproductieve populatie ontdekt in het Waterbekken van Hamme-Mille (Van de Meutter

2004). De aanwezigheid van deze soort in 2005 op dezelfde plaats lijkt dit te bevestigen. 03/07

2 ex. te Hamme-Mille/waterbekken

Vuurlibel Crocothemis e+rythraea De vuurlibel werd door De Knijf & Anselin (1996) als inheems beschouwd, hoewel die van oorsprong een zuidelijker areaal heeft en voor 1990 amper gekend was in V laanderen en sindsdien in toenemende mate wordt gezien. In 1996 niet in het Dijleland gekend. Tot voor kort werden vuurlibellen enkel opgemerkt aan de randen van het Dijleland. In 2002 waren er meerdere mannetjes aanwezig in een zandgroeve in Bierbeek (Lambrechts & Guelinckx

2003) en in 2004 werden meerdere exemplaren en tekenen van voortplanting (copula) waargenomen in de Gasthuisbossen te Holsbeek (F. Van de Meutter). Op 3 juli 2005 rees 11


Ongewervelden

voor het eerst het vermoeden dat vuurlibellen aanwezig waren aan de vijver van Neerijse Grote Bron {B. Nef).

17/07 14/08

2 weken later kon dit bevestigd worden.

meerdere ex. te Neerijse/Grote Bron {F. Fluyt)

3

ex. te Neerijse/Grote Bron {B. Nef)

Zwarte heidelibel Sympetrum danae In Vlaanderen vrij algemeen in de kempen, daarbuiten beslist zeldzamer. Blockx {1996) vermeldde meerder waarnemingen van zwervers, slechts één gegeven in de voorzomer. De enige waarneming van deze soort in 2005 in het Dijleland vond laat op het jaar plaats en is dus wellicht ook een zwerver.

25/09

1

ex. te Florival {B. Nef)

Geelvlekheidelibel Sympetrum f /aveolum Vrij algemeen in de duinen en op zandgronden. T ijdens invasies {uit het oosten) vrijwel overal waar te nemen, andere jaren geheel ontbrekend. In

1996

niet vermeld voor het Dijleland,

maar deze zomer veel te zien, net als op veel plekken in Vlaanderen.

15/07 15/07 22/07 04/08 14/08 23/08 28/08 04/09

9 ex. te Neerijse/Grote Bron 12 ex. in Rodebos {B. Nef)

{B. Nef)

meerdere ex. in Rodebos {F. Fluyt, M. Lehouck en R. Joris)

1 m te Sint-Agatha-Rode/Grootbroek {M. Schurmans) 8 ex. te Neerijse/Doode Bemde {B. Nef) 1 ex. te Sint-Joris-Weert/Doode Bemde (J. Bogaert) 1 m en 1 v te Vlierbeek/Kortrijkstraat (B. Creemers) min 20 ex. te Neerijse/Grote Bron (B. Nef)

Steenrode Heidelibel Sympetrum vulgatum Algemeen in België. Voorkomend bij allerlei stilstaand water. Zwervers zijn overal te vinden. Blockx

(1996)

gaf 8 gebieden in het Dijleland op waar deze soort werd gezien. Dit jaar kwam

maar één bericht binnen.

04/08

meerdere ex. Neerijse/Tersaert zandgroeve (M. Schurmans)

Slotbemerkingen

27

2005 in het Dijleland waargenomen. Aangevuld met een (mogelijk onvolledige) lijst van 8 andere soorten waarvan gegevens bekend zijn sinds 1982, bevat de soortenlijst van het Dijleland momenteel 35 soorten (543 van het aantal voorkomend in Vlaanderen), waarvan 14 juffers en 21 echte libellen. soorten libellen werden in

Net als voor vogelwaarnemingen zijn waarnemingen van zeldzamere libellensoorten onderhevig aan homologatieplicht voordat ze gebruikt kunnen worden voor bijvoorbeeld rode lijsten, atlassen en dergelijke. Voor de soorten die in dit artikel vermeld werden is homologatieplicht in mindere of meerdere mate verplicht voor de Bruine winterjuffer, de Tengere grasjuffer, de Kanaaljuffer, de Zuidelijke glazenmaker, Gewone bronlibel, Zuidelijke oeverlibel en Zwervende heidelibel. Meer informatie is te vinden op de website van de libellenwerkroep Gomphus. 12


Ongewervelden

Referenties Blockx, H.1996. Libellen.

In Vercoutere, B. (red.) Natuur in hel Dij/eland. De vrienden van

Hevereleebos en Meerdaalwoud, Leuven. p.53-57. Bos, F. & Wasscher, M. 1997. Veldgids libellen. KNNV, Utrecht. De Knijf. G. & Anselin, A. 1996. Een gedocumenteerde Rode lijst van de libellen van V laanderen. Mededelingen van het Instituut voor Natuurbehoud 1996 (4). Brussel. 90 pp. Luypaert, L. 2003. Libelleninventarisatie van de belangrijkste poelen, vijvers en waterplassen in afdeling Velpe-Mene. Jaarboek natuurstudie 2002. Natuurpunt Oost-Brabant vrvv" p. 26-31. Lambrechts, J. & Guelinckx, R. 2003. Een overzicht van bijzondere waarnemingen in Zuidoost­ Brabant in 2002. Jaarboek natuurstudie 2002. Natuurpunt Oost-Brabant vrvv., p. 32-41. Van de Meutter, F. 2004. Zuidelijke libellen op bezoek in het Dijleland. Boom.klever 32. p. 95-96. Van de Meutter, F. 2005. \l "VandeMeutter" De Zuidelijke oever1ibel (Othetrum brunneum F onscolombe, 1837): een schuchtere nieuwkomer in Vlaanderen. Gomphus. 20( 1 ). p. 16-20. Vercoutere, B. 2004a. Weidebeekjuffer. Boom.klever 32, p. 84. Vercoutere. B. 2004b. De Weidebeekjuffer in 2004. Boom.klever 32. p. 84. De Bruyn. L. 2005. Rode lijsten. In Dumortier M., De Bruyn L" Hens M" Peymen J., Scneiders A.. Van Daele T., Van Reeth W" Weyembergh G. en Kuijken E. (red) . Natuurrapport 2005. Toestand van de notuur in V laanderen: cijfers voor het beleid. Mededeling van het lnstituuut voor Natuurbehoud nr. 24, Brussel. p. 4149. www.users.pandoro.be/toilly/lib/gomphusindex.htm www.users.pondora.be/libellen/html/stort .html

Medewerkers Louis-Philippe Arnhem, Koen Berwoerts, Geert Bleys, Johan Bogaert. Bart Creemers. Leonder De Ceuloer. F rederik Fluyt, Robert Joris. Jochen Kempeneers. Elfriedel Le Docte. Mark Lehouck, Eddy Macquoy. Brom Morkey, René Meeuwis, Joris Menten, Kelle Moreou, Bruno Nef, Maarten Schurmons, Erik Toormon, F rank Van de Meutter. Hans Vonkerckhoven,

Bart Creemers badcreeme�@gma�com

13


Ongewervelden

Op naar een nieuwe vlinderatlas ! De vorige vlinderatlas van Vlaanderen is ondertussen alweer meerdere jaren oud en de dagvlinders hebben in die tijd niet echt stilgezeten. De verspreiding van verschillende soorten is vermoedelijk veranderd (voor de ene in de gunstige voor de andere in minder gunstige zin) en om daar een beter beeld van te krijgen is het Instituut voor Natuur­ en Bosonderzoek (INBO) begonnen aan de voorbereiding van een nieuwe vlinderatlas. Het onderzoek zal gebeuren in 4 luiken: •

vlindermonitoringsroutes

het verzamelen van losse waarnemingen op basis van lxl km UTM-hokken

hokonderzoek van SxS km UTM atlashokken: =>

de helft van de atlashokken van Vlaanderen zal onderzocht worden

=>

voor elk SxS km hok wordt een volledige soortenlijst opgesteld

=>

voor 8 van de 25 1 xl km hokken uit elk atlashok wordt een steekproef onderzoek gedaan om het voorkomen van de algemenere soorten beter te bepalen

=>

aandachtsoorten: populaties van zeldzamere soorten worden actief opgezocht

De precieze methodologie van elk van de 4 luiken wordt in de loop van 2006 bepaald. Het veldonderzoek in Vlaanderen loopt over de jaren 2007-2009. Meer informatie over het volledige inventarisatieproject wordt in de loop van 2007 bekendgemaakt op de website van het INBO (www .inbo.be, doorklikken naar Kenniscentrum - Fauna - Insecten - Dagvlinders - Nieuwe Atlas). Hier zal ook, tegen begin 2007, een invoerportaal voor losse waarnemingen opgezet worden.

Wat gebeurt er in het Dijleland ? Natuurlijk doen we met de Natuurstudiegroep Dijleland mee aan alle luiken van het atlasproject: •

Een vlindermonitoringsroute wordt al sinds jaren gelopen in de Doode Bemde. Op de Kesselberg liep er gedurende enkele jaren ook een route, we hopen deze route terug nieuw leven in te blazen.

Vanaf 2006 zal er een archivering gebeuren van alle losse vlinderwaarnemingen die gemeld worden op de Dijleland mail-list (verantwoordelijke: Bart Creemers).

Binnen ons studiegebied liggen een tiental SxS km hokken die vanaf 2007 geïnventariseerd worden. Coördinatie van deze inventarisatie gebeurt vanuit de NSG Dijleland (verantwoordelijke: Bart Vercoutere).

Een aantal van de Vlaamse aandachtsoorten komt in onze regio voor. Het gaat om lepenpage, Grote weerschijnvlinder, en Kleine ijsvogelvlinder. Daarnaast zijn er een aantal soorten waarvan de verspreiding in de Dijlevallei slecht gekend (bv. Eikenpage) is of die schijnbaar achteruit zijn gegaan (bv. Argusvlinder). Met gerichte inventarisaties proberen we zicht te krijgen op de verspreiding van deze soorten in de Dijlevallei.

14


Onge wervelden

We doen zelfs meer. Met iedereen in het veld op zoek naar vlinders, worden er zeker en vast een hoop andere waarnemingen van insecten en andere ongewervelden gedaan. Het zou zonde zijn om deze waarnemingen ook niet te verzamelen. Daarom starten we met een archivering van alle losse ongewervelden-waarnemingen uit de regio. Bijzondere aandacht zouden we willen vragen voor libellen en sprinkhanen, twee groepen die vrij gemakkelijk op naam gebracht kunnen worden. Een apart inventarisatieformulier voor deze groepen zal verspreid worden aan de atlasmedewerkers.

Wat is er in 2006 al te doen ? Het eerste is: geef je op als medewerker! Een tiental SxS km hokken moeten geïnventariseerd worden. Zo'n hok is best wel groot en een aantal vlindersoorten, zoals allerlei pages en de Kleine ijsvogelvlinder en Grote weerschijnvlinder, zijn niet gemakkelijk te vinden. Dus zijn we best met minstens 2 waarnemers per hok en hebben we zo'n 20-tal medewerkers nodig. Daarnaast beginnen we in 2006 al een eerste inventarisatie van moeilijke soorten en minder gekende gebieden. Ook willen we meer soortenkennis uitbouwen over libellen en sprinkhanen Hiervoor doen we in de loop van 2006 een aantal inleidende excursies. In de kalender vind je al een aankondiging voor 2 tochten. Gezien de afhankelijkheid van goed weer voor een geslaagde insecteninventarisatie, zullen bijkomende excursies via de mail-lijst worden aangekondigd.

Waarnemingen doorsturen Wat doe je met je waarnemingen? Vanaf 2007 k omt er een invoerportaal voor vlinderwaarnemingen binnen het vlinderatlasproject. Dit jaar al zijn alle waarnemingen uit de regio welkom bij de NSG Dijleland. Alle vlinder- en andere insectenwaarnemingen kunnen naar de Dijlevallei mail-lijst gestuurd worden. Vanaf dit jaar gebeurt er een systematische archivering van alle ongewervelden­ waarnemingen die daar verschijnen. Als je je waarnemingen niet naar de mail-lijst wil sturen (je hebt bv. een jaar lang alle Kleine koolwitjes die je tegenkwam opgeschreven), kan je ze ook doorsturen naar het mailadres van de Ongewerveldenwerkgroep (dijleland.ongewervelden@yahoo.com). Alle waarnemingen hebben minstens de volgende informatie: Naam van de waarnemer •

Plaats: toponiem en gemeente, liefst ook UTM-code (lxl km hok)

Datum

Soortnaam (Nederlandse naam is voldoende voor dagvlinders en libellen, voor alle andere insecten ook de wetenschappelijke naam)

Bijkomende informatie als aantallen (mannetjes/wijfjes), gedrag, voedselplant, e.d. is steeds welkom. Wanneer je niet 1003 zeker bent van je determinatie, bijvoorbeeld omdat je de vlinder niet dicht genoeg kon zien of je andere gelijkende soorten niet volledig kon uitsluiten - kan je je waarneming ook steeds doorsturen, maar zet er dan uitdrukkelijk bij dat het om een 11mogelijke" of 11waarschijnlijke" waarneming gaat. Indien je een voor de streek zeldzame soort hebt gezien, stuur dan een korte beschrijving van de waarneming en/of een fotootje naar het dijleland.ongewervelden@yahoo.com. Voor de samenstelling van een nieuwe atlas zijn absoluut zekere waarnemingen noodzakelijk. Verwacht je dus aan een kritische beoordeling van alle onverwachte vondsten. Joris Menfen 15


Zoogdieren

Hazelmuizen in Vlaams-Brabant, tegenwoordige of verleden tijd? Inleiding De Hazelmuis Muscardinus avellanarius behoort tot de familie van de sloopmuizen (Gliridoe}. In V laanderen worden slechts twee vertegenwoordigers van deze groep aangetroffen. De olgemeenste is de Eikelmuis Eliomys quercinus, die voornamelijk langs de V laamse zuidgrens wordt teruggevonden. De gegevens van de laatste jaren lijken erop te wijzen dot deze soort ook sterk achteruit aan het gaan is (Verkem et al., 2003}. Voor de Hazelmuis is de toestond echter nog meer kritiek, de soort stoot op de V laamse Rode Lijst (Criel et al., 1994} don ook als 'bedreigd' genoteerd (moor deze is verouderd en dit moet waarschijnlijk 'ernstig bedreigd' worden}. Moor ook op een grotere geografische school doet ze het niet goed. De speciale beschermingsstatus wordt ge"illustreerd door de opname in bijlage 3 van de Conventie van Bern (als een te beschermen soort}, bijlage IV van de EU Hobitotrichtlijn ĂŠn op de Rode Lijst van de IUCN (International Union for the Conservotion of Nature; als bijna bedreigde soort} (Verbeylen, 2005}. Hazelmuizen zijn gemakkelijk te herkennen dieren. De combinatie van een oranjegele pels, volledig behoorde stoort, zwarte ogen en grijppoten maakt dot ze bij ons moor moeilijk met andere zoogdieren verword kunnen worden. Het zijn bovendien erg kleine sloopmuizen, met een maximale kop-romplengte van amper 9 cm. Tijdens de actieve zomerperiodes

16


Zoogdieren

brengen ze ongeveer de hele tijd in bomen en struwelen door, en komen ze slechts zelden op de grond. Ze gebruiken dan meerdere zomernesten en verhuizen regelmatig. Overwinteren doen ze wel op de grond, in een winternest dat tussen de gevallen bladeren verstopt ligt. Hazelmuizen stellen erg hoge eisen aan hun habitat. Ze verkiezen voornamelijk structuurrijke gemengde loofbossen en bosranden met veel voedselbomen. Dot een uitgesproken structuurvariatie aanwezig moet zijn in hun habitat wordt grotendeels verklaard door hun seizoensgebonden eisen. De zomerperiode brengen Hazelmuizen graag door in eerder droge struwelen langs de bosrand, bij voorkeur langs zonbeschenen zuidronden, waar de vruchtzetting het grootst is en dus veel voedsel te vinden volt. In de winterperiode, wanneer ze hun winterslaap houden, vereisen ze daarentegen gebieden met een hoge en stabiele luchtvochtigheid. Dergelijke omstandigheden worden eerder gevonden iets dieper in het bos, of in N- en NW-geĂŤxposeerde bosranden of rivierdalen. Een grote diversiteit aan voedselplanten op een beperkte oppervlakte stoot garant voor een continu voedselaanbod binnen hun kleine leefgebieden, waarbij noten en bessen van verschillende plantensoorten (hazelaar, sleedoorn, meidoorn, wilde kamperfoelie e.a.) elkaar in de tijd opvolgen. De samenstelling van het gevarieerde voedselpakket van Hazelmuizen varieert inderdaad sterk in tijd en ruimte, en naast het vermelde stapelvoedsel nuttigen ze ook bladeren, jonge planten, schors, bloemen en insecten. Omwille van hun loge dichtheden en hun beperkte dispersievermogen hebben Hazelmuizen zwaar te leiden onder fragmentatie van hun leefgebieden. GeĂŻsoleerde populaties krijgen immers slechts uiterst moeilijk (genetische) versterking van buitenaf, en geschikte maar lege gebieden worden slechts moeilijk ge(her)koloniseerd. Bovendien brengen ze in tegenstelling tot de meeste knaagdieren weinig jongen voort, en zijn er aanwijzingen dat ze een langdurige monogame bond onderhouden. Ook deze factoren werken het herstel van een bedreigde populatie niet bepaald in de hand.

Hazelmuizen in Vlaanderen en Vlaams-Brabant De kennis van de verspreiding en de aantallen van de Hazelmuis in Vlaanderen is zeer beperkt. Haar verborgen levensstijl en het gebrek aan systematische inventarisaties zijn daar uiteraard niet vreemd aan. In de recentste Vlaamse zoogdierenatlas (Verkem et al., voor de periode

2003)

worden

1987-2002 slechts meldingen uit 14 hokken (5 km x 5 km) gegeven, en meestal

ging het don nog om vondsten van de nochtans niet altijd gemakkelijk te determineren nesten. De meeste waarnemingen kwamen uit het zuiden van Limburg oosten van Vlaams-Brabant

(3 hokken) (Mercelis, 2003).

(8

hokken) en het

In Vlaams-Brabant ging het om de

volgende gevallen: een slapend exemplaar in een nestkast in Glabbeek in januari

1994

(toponiem Rolwei), een onzekere waarneming in Overijse in 2000 en twee verloten nestjes in het Koebos te Lovenjoel in januari 2002. Verder vermeldt de eerste Vlaamse zoogdierenotlos (Holsbeek et al.,

1986) de mogelijke aanwezigheid van de Hazelmuis in het ZoniĂŤnwoud op het einde van de l 9e eeuw, en ook twee waarnemingen nabij Tienen in 1980 (verkeerdelijk in 1986 gesitueerd in Verkem et al., 2003). Het Vlaams-Brabantse Hazelmuisproject Tot voor kort werden er in ons landsgedeelte weinig tot geen specifieke acties ondernomen om de bestaande kennislacune omtrent het voorkomen en de verspreiding van de Hazelmuis in t e vullen.

Vanaf

2004

kwam daar verandering in. Onder impuls van de

Zoogdierenwerkgroep van Natuurpunt werden tijdens het najaar van dot jaar in eerste instantie de Limburgse gebieden onderzocht op de aanwezigheid van Hazelmuizen. Enkel in de Voerstreek bleek er nog sprake van een levensvatbare populatie, historische waarnemingen op andere locaties konden niet worden bevestigd (Verbeylen,

2004).

In

17


Zoogdieren

navolging van deze inventarisatie (die in

2005 verder liep - en weer tot nieuwe vindplaatsen

leidde - en dat ook in de toekomst zal blijven doen) sloegen de Zoogdierenwerkgroep van Natuurpunt, de Natuurstudiegroep Dijleland en Natuurpunt Studie tijdens de lente van

2005

de handen in elkaar, en dienden een projectaanvraag in bij de provincie Vlaams-Brabant (Verbeylen, 2005). Het project werd goedgekeurd zodat reeds tijdens het najaar van 2005 kon worden gestart met het Vlaams-Brabantse veldwerk. De toegekende fondsen werden uitbetaald aan Natuurpunt Studie, en werden onder meer aangewend om Dominique Verbelen tijdelijk als professionele medewerker aan te werven om het project te coördineren. Ook Frederic Van Lierop werd tijdelijk vergoed voor de technische ondersteuning die hij leverde (aanmaken kaarten, opvolgen onkostenvergoedingen vrijwilligers, ...). Beiden namen ook een belangrijk deel van het veldwerk voor hun rekening. Er werd in het kader van het Vlaams-Brabantse Hazelmuisproject op verschillende manieren te werk gegaan: �

kritische evaluatie van de reeds gekende gevallen

In verband met de mogelijke aanwezigheid van Hazelmuizen in het Zoniënwoud op het einde van de l 9e eeuw wordt in Holsbeek et al.

( 1986) verwezen naar Bernard ( 1959), een

referentie die in de literatuurlijst van dit werk niet wordt teruggevonden. Omdat gevangen dieren in de l 9e eeuw en de eerste helft van de

2oe eeuw vaak werden ingezameld, werd

de zoogdierencollectie van het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen (KBIN) er op nagekeken. Er werden hier inderdaad twee Brabantse Hazelmuizen aangetroffen, beide afkomstig van de omgeving van Brussel. Eentje werd op een ongekende datum verzameld, de andere in

1872. Meer details omtrent de exacte verzamelplaatsen waren

niet bekend. Afgaande op andere specimens die door dezelfde verzamelaars aan het KBIN werden geleverd, kan met enige voorzichtigheid echter worden aangenomen dat een van de beide exemplaren vermeld in Bernard

( 1959) betrekking heeft op een van de exemplaren

uit de KBIN-collectie, en dat dit afkomstig is van de noordrand van het Zoniënwoud. Hoe het ook zij, informatie over het historische voorkomen van de Hazelmuis in Vlaams-Brabant kon via het KBIN niet worden bekomen. Met betrekking tot de in Holsbeek et al. (één op

( 1986) vermeldde waarnemingen uit Tienen in 1980 10 mei in een holle weg en één op 10 november in een kreupelhoutbos, telkens

door een zekere Govaerts) leverde navraag bij de auteurs van deze verspreidingsatlas geen aanvullende informatie op. De melding van een slapende Hazelmuis in een boomkruipernestkast in een eiken­ haagbeukenbos te Glabbeek op

15 januari 1994 door Erwin Collaerts werd voorzien van

een erg nauwkeurige beschrijving, zodat er over de betrouwbaarheid van dit geval nauwelijks twijfel bestaat. Het stopzetten van het hakhoutbeheer en het gedeeltelijk omvormen van het gebied tot een populierenbos maakten dat de destijds aanwezige geschikte situatie (met goed ontwikkelde mantel-zoomvegetatie, veel hazelaars en dichte braamstruwelen) intussen verloren ging. De locatie is momenteel dus nog nauwelijks geschikt te noemen voor Hazelmuizen. Bij de onzekere waarneming in Overijse in

2000 was er dan naar alle waarschijnlijkheid weer

geen Hazelmuis in het spel. Na navraag bij waarneemster Renate Ghazi bleek immers dat ze een haar onbekend beestje zag met een pluimstaart, dat een komvormig nestje uit boomschors bezette. Mogelijk had hier een Eikelmuis een door een vogel vervaardigd nest gekraakt. De meest intrigerende Vlaams-Brabantse reeks van waarnemingen komt uit de omgeving van het Koebos in Lovenjoel. Hier werden sinds juni

2001 enkele Hazelmuis-verdachte nestjes

gevonden. Een eerste werd ontdekt door conservator Frank Claessens en ingezameld door Jorg Lambrechts op 18

16 juni 2001. In dit nestje werden geelbruine haren teruggevonden,


Zoogdieren

maar na controle door Annemarie van Diepenbeek, een Nederlandse autoriteit op het vlak van dierensporen, werd echter geconcludeerd dat deze afkomstig waren van Bosmuis of Grote Bosmuis. Ook de vondst van veel mos in het nest maakt dat het maar moeilijk als Hazelmuisnest weerhouden kan worden. �

Bevragingen naar bijkomende gegevens

Dat de zoogdierencollectie van het KBIN werd nagekeken op V laams-Brabantse Hazelmuizen, en dat dit niets opleverde, werd reeds hoger vermeld. Contactname met het secretariaat van het Koninklijk Belgisch Verbond voor de Bescherming van de Vogels leidde dan weer wel tot positieve informatie: in de periode 1991-2004 werden in totaal immers 12 Hazelmuizen opgenomen de Opvangcentra voor Vogels en Wilde Dieren, maar om administratieve redenen konden voorlopig geen verdere details worden verstrekt over de herkomstlocaties van deze dieren. Ook een aantal in België erg actieve natuurfotografen, waarvan gekend was dat ze hazelmuisbeelden in hun archieven hebben zitten, werden bevraagd. Enkel Norbert Huys bleek de soort in V laanderen gefotografeerd te hebben, en het ging hier bovendien om een nieuwe vindplaats voor Voeren. Oproepen bij de Belgische ringers, via de Natuur.flits en op het interne circuit van de professionele medewerkers van Natuurpunt en het INBO leverden niets op. Maar er werden nog andere kanalen aangesproken om een oproep naar informatie over het mogelijke voorkomen van de Hazelmuis in Vlaams-Brabant te lanceren. Zo werd een bericht verspreid via de regionale maillijsten van Dijleland, Velpe­ Mene-Gete, Hageland, West-Brabant en het Mechels Rivierengebied, alsook via de nationale mailgroep Belgian Birds. Zo werd onder meer informatie verkregen over een zekere waarneming in Zegelsem (Oost-V laanderen) in

1976

zekere vondst van een dood exemplaar in Voeren in

door Lieven Caekebeke en over een

1992 door

Herwig Blockx. Wat V laams­

Brabant betreft, leidde het rondvragen in het kader van dit project echter quasi enkel tot enkele valse en enkele niet verifieerbare hazelmuismeldingen. Een eerste gerucht had betrekking op een waarneming op de Hellegracht in Bertem in november 1986. Navraag bij waarnemer Eric Malfait leerde echter dat het hier om een Eikelmuis ging. Op

1994 vond wildbioloog

11

februari

Koen Van Den Berge een heel waarschijnlijk hazelmuisnestje aan de

zuidrand van het Bertembos (Bertem). Het ging om een bolrond nest opgebouwd uit schors van wilde kamperfoelie, maar aangezien het niet werd ingezameld of fotografisch gedocumenteerd en de omgeving van de vindplaats intussen sterk veranderde, konden hier geen extra zekerheden rond worden bekomen. Ook twee waarnemingen op november 2004 en eind september bleken op Eikelmuizen te slaan.

2005

17

in Sint-Agatha-Berchem door Hugo Meulenijzer

In het Koebos werd echter andermaal een nestje ingezameld, ditmaal door Frank Claessens. Deze vondst kwam pas door opzoekingwerk in het kader van dit project aan het licht en staat dus niet vermeld in Verkem et al. (2003). Op 9 oktober 2005 werd dit nest voorgelegd aan Ludy Verheggen, een zeer ervaren hazelmuisonderzoeker uit Nederland. Op basis van de samenstelling en de structuur werden de vermoedens dat hier een Hazelmuis aan het werk was geweest na deze consultatie enkel sterker, maar Verheggen waarschuwt dat er enkel gebaseerd op een nestvondst niet met zekerheid mag worden besloten tot het voorkomen van de Hazelmuis in een bepaald gebied. Hiervoor blijft een zichtwaarneming of een vondst van zekere hazelmuisharen noodzakelijk. Er zal in dit gebied dus zeker nog heel wat moeite gedaan worden om de soort op te sporen. Het ophangen van een aantal nestkasten leverde vooralsnog geen resultaten op.

Actieve zoektochten in potentieel geschikte gebieden Na een eerste infoles die doorging te Heverlee in juli 2005 werd overgegaan tot het vastleggen �

van de gebieden die datzelfde jaar zouden worden onderzocht. In eerste instantie werden de gebieden waarvan uit de periode

1987-2002

waarnemingen voorliggen weerhouden. 19


Zoogdieren

Aan dit korte lijstje werden op basis van de veldkennis van een hele hoop veldwaarnemers vervolgens nog een 25-tal potentieel geschikte gebieden uit de oostelijke helft van Vlaams­ Brabant toegevoegd. Na het aanvragen en verkrijgen van de nodige vergunningen (dit lukte voor de meeste gebieden, de overige werden uiteraard niet betreden) werden de gebieden verdeeld over de beschikbare vrijwilligers. In de loop van september (samen met oktober de beste periode om hazelmuissporen te zoeken) voerden dezen een prospectie uit, met als doel het scoren van de habitatkwaliteit van alle bosranden en -percelen in de geselecteerde gebieden. Het beoordelen van de habitatkwaliteit gebeurde op basis van de indeling die in het kader van de Nederlandse hazelmuismonitoring werd opgesteld voor bosranden, bospercelen en kleine landschapselementen (houtkanten, graften,

"

.). Hierbij

zijn vooral de aanwezigheid van braamstruweel (of ander besdragend struweel) en de structuur de belangrijkste criteria. Uiteindelijk worden habitatplekken ondergebracht in de categorieën niet-geschikt, marginaal en optimaal geschikt. Na prospectie door talrijke vrijwilligers, waarbij ook werd gevraagd om aangeknaagde hazelnoten in te zamelen (de vraatsporen zijn immers soortspecifiek en zouden desgevallend dus aan Hazelmuizen kunnen worden toegewezen), bleek echter dat er slechts met moeite optimaal geschikte habitatplekken konden worden teruggevonden. Een aantal gebieden (voornamelijk die gebieden waar zekere of waarschijnlijke historische meldingen van voorliggen en enkele gebieden in de onmiddellijke omgeving ervan) werden nadien in groter detail onderzocht door de professionele projectmedewerkers, en tevens met een groter aantal medewerkers tijdens het speciaal georganiseerde Vlaams-Brabantse Hazelmuisweekend van 29 september tot en met 2 oktober 2005. Hierbij werden de meest geschikt lijkende habitats grondig geïnspecteerd en werden zoveel mogelijk hazelnoten ingezameld (maar 2005 was een erg slecht hazelnotenjaar), maar spijtig genoeg leverden ook deze inspanningen niets concreets op. Voorlopig kunnen we dus niet anders dan besluiten dat er in Vlaams-Brabant geen zekere informatie bestaat over het huidige of recente voorkomen van de Hazelmuis. Enkele intrigerende indirecte, maar wel waarschijnlijke gevallen (waarbij spijtig genoeg nooit een Hazelmuis zelf betrokken was) laten de deur echter nog op een kier staan. De zoektocht is dus nog niet ten einde!

Referenties : Criel D., Lefevre A., Van Den Berge K., Van Gompel J. & R. Verhogen (1994) - Rode Lijst van de zoogdieren in Vlaanderen. AMINAL, Brussel, België. Holsbeek L., Lefevre A., Van Gompel J. & R. Vantorre ( 1986) - Zoogdiereninventarisatie van V laanderen ( 19761985). Bijdrage tot de kennis van het voorkomen en de verspreiding van de zoogdieren in het V laamse en het Brusselse Gewest, België. Euglena extra uitgave, Nationale Zoogdierenwerkgroep, JNM-uitgeverij, Gent, België. Mercelis S. (2003) - Hazelmuis. In: Zoogdieren in V laanderen. Ecologie en verspreiding van 1987 tot 2002 (Verkem, S., De Maeseneer, J., Vandendriessche, B., Verbeylen, G. & S. Yskout, Eds.). Natuurpunt Studie & JNM­ Zoogdierenwerkgroep. Mechelen & Gent, België, 263-267. Verbeylen G. (2004) - Inventarisatie 2004 en bescherming van de hazelmuis (Muscardinus avellanarius) in Zuid­ Limburg (Vlaanderen). Rapport Natuurpunt Studie 2004/4, Natuurpunt Zoogdierenwerkgroep, Mechelen, België. Verbey1en G. (2005) - Voorkomen en verspreiding van de hazelmuis in Vlaams-Brabant. Projectaanvraag Natuurpunt Zoogdierenwerkgroep, Natuurstudiegroep Dijleland en Natuurpunt Studie bij Provincie V laams­ Brabant. Verkem S" De Maeseneer J., Vandendriessche B., Verbeylen G. & S. Yskout (2003) - Zoogdieren in V laanderen. Ecologie en verspreiding van 1987 tot 2002. Natuurpunt Studie & JNM-Zoogdierenwerkgroep, Mechelen & Gent, België.

Kelle Moreau, Dominique Verbelen & Goedele Verbeylen 20


Vogels

Opmerkelijke vogelwaarnemingen in de Dijlevallei en omgeving, december 2005

-

februari 2006 Dit overzicht van opmerkelijke en interessante vogelwaarnemingen in de Dijlevallei beslaat voornamelijk de periode december 2005 -februari 2006. De bestreken regio omvat de ge­ meenten Kortenberg, Herent, Bertem, Leuven, Oud-Heverlee, Huldenberg, Overijse en Ter­ vuren en de aangrenzende gebieden. De volgende rubriek zal de periode maart - mei 2006 omvatten. Waarnemingen w o rden voor 10 juni 2006 verwacht bij Kelle Mo reau, Celestijnenlaan 27A, bus 201, 3001 Heverlee, 0486/12.58.77, kelle.moreau@gmail.com.

Samenvatting: In relatie tot de winterwaarnemingen van soorten als Grote Zilverreiger, Blauwe Kiekendief, Smelleken, Slechtvalk, Bokje, Klapekster, Cetti's Zanger en Kleine Barmsijs mogen we wat de winter van 2005-2006 betreft niet ontevreden zijn. Brilduiker, Nonnetje, Grote Zaagbek, Roer­ domp, Pontische Meeuw en Noordse Kauw vormden daarentegen eerder bescheiden ver­ toningen. De invasies van Grote Barmsijs, Noordse Goudvink en Appelvink bleven het win­ terse palet op spectaculaire wijze kleuren, en er werden ook weer enkele Pestvogels opge­ merkt. Enkele exemplaren van 'traditionele zomergasten' als Zwarte Roodstaart, Roodborst­ tapuit, Zwartkop en Tjiftjaf brachten de winter ook weer in onze contreien door, en aan dit rijtje aseizoenale waarnemingen mogen we ook een Kleine Zilverreiger in december en één of twee Bruine Kiekendieven, een Dwergmeeuw en een Goudplevier in januari toevoegen. Verder werden er ook weer enkele minder alledaagse soorten opgemerkt. In december waren dat bijvoorbeeld een Krooneend, een Eider en enkele Baardmannetjes, en in januari - februari werden twee Zwartkopmeeuwen waargenomen. T ijdens deze maanden werden ook enkele Boomleeuweriken gezien, en doken er weer Middelste Bonte Spechten op bui­ ten de broedgebieden. Februari bracht opmerkelijke aantallen pleisterende ganzen naar het Dijleland, met in de eerste decade voornamelijk Kol- en Toendrarietganzen en in de tweede decade vooral Grauwe Gan.zen. Ook pleisterden tijdens deze periode enkele Wulpen in de regio. In de tweede helft van deze maand leken enkele Kraanvogels, enkele Ooie­ vaars en een Rode Wouw wat op de lente vooruit te lopen. Waarnemingen van onder meer Knobbelzwaan, Krakeend, Slobeend, Wintertaling, Tafel­ eend, Kuifeend, Patrijs, Fuut, Aalscholver, Blauwe Reiger, Havik, Waterral, Kievit, Watersnip, Kerkuil, Steenuil, Ijsvogel, Zwarte Specht, Kleine Bonte Specht, Grote Gele Kwikstaart, Water­ pieper, Kramsvogel, Koperwiek , Glanskop, Matkop, Keep, Putter, Sijs, Goudvink, Geelgors, Rietgors en alle exoten werden niet in dit verslag opgenomen maar wel verwerkt. Hetzelfde geldt voor ongedetermineerde Anser-ganzen, onzekere Bruine Kiekendieven en Slechtvalken, en telkens een mogelijke Geoorde Fuut, Rouwkwikstaart en Pestvogel.

Gebiedsafkortingen: WLS = Wilsele/ V ijvers Bellefroid, AVP = Heverlee/Abdij van Park, ZW = Oud-Heverlee/Zoete Waters, OHN = Oud-Heverlee/N, OHZ = Oud-Heverlee/Z, NGB = Neerijse/Grote Bron (deel Doode Bemde), Oppem =weilanden tussen Bogaerdenstraat (Oud-Heverlee - Korbeek­ Dijle) en NGB, NK V= Neerijse/Kliniekvijvers (deel Doode Bemde) en SAR= Sint-Agatha-Rode/ Grootbroek. 21


Vogels

Grauwe Gans Anser anser Enkel waarnemingen die met zekerheid betrekking hebben op wilde vogels werden opgenomen: 21/01

5 ex. NO te SAR (B. Nef)

03/02

5 ex.+ 24 ex. NO te WLS (S. D'Hont)

05/02

4 ex. te Pécrot/Grand Pré (F. Fluyt)

08/02

meerdere 10-tallen ex. oud N te Leuven (F. Van de Meutter)

09/02

15 ex. N te Korbeek-Dijle/plateau

10/02

60 ex. N te OH, dan terug Z

11/02

een dag met veel beweging, een overzicht: 12 ex. over Leuven (F. Van de Meutter),

(J.

(J. Rutten)

Rutten)

1 pleisterend ex.+ 51 ex. Z te Huldenberg/plateau (F. Fluyt), min. 45 ex. vallen in te NGB, dan N (L. Hendrickx), 77 ex. te OHZ, later te Oppem (S. Horemans), achter­ eenvolgens 55, 59 en> 50 ex. te Ormendael

(L. Hendrickx, F. Fluyt, J. Kempeneers);

bij verschillende van deze waarnemingen was wellicht dezelfde groep vogels betrokken 12/02

min . 30 ex. te Korbeek-Dijle/Dijlepad (F. Fluyt)

17/02

32 ex. N te Leuven/Naamsestraat (F. Van de Meutter)

18/02

24 ex. te OHN (F. Fluyt, e.a .), 14 ex. N te Pécrot/Grand Pré (K. Van Scharen)

19/02

8 ex. te OHN, later N (F. Fluyt)

Kolgans Anser a!btfrons 01/01

oud Z te Tourinnes-la-Grosse (H. Blockx)

02/01

> 30 ex. N te Tourinnes-la-Grosse (H. Blockx)

21/01

co 50 ex. N te Pécrot (B. Nef)

04/02

13 ex. invallend te Oppem (L . Hendrickx), later 27 ex. te OHZ

05/02

27 ex. te Oppem (F. Fluyt,

(J.

Nysten)

J. Nysten, K. Van Scharen, J. Kempeneers, S. Horemans),

nadien hier 46 ex. die vertrekken naar W (L. Hendrickx), later 7 ex. te Pécrot/Grand Pré (F. Fluyt, L . Hendrickx), nog later oud over Bertem (S. Bouillon) 06/02

11 ex. te Pécrot/Grand Pré (K. Moreau, S. Peten)

07/02

9 ex. te Pécrot/Grand Pré (K. Moreau, M. Schurmans)

08/02

9 ex. te Pécrot/Grand Pré (M. Hens), gaan 's avonds slapen te SAR (F. Fluyt)

11/02

klein groepje oud over Bierbeek (M. Vandeput)

11/02

46 ex. over Leuven (F. Van de Meutter)

Pleisterende Kolganzen komen in het Dijleland slechts uiterst zelden voor. Uit de voorbije 10 jaren zijn er bijvoorbeeld geen dergelijke gegevens bekend.

Toendrarletgans Anser fabalis rossicus 05/02

19 ex. te Oppem (12 tp+ 7 invallend) (F. Fluyt, vertrekken naar W

(L.

J. Nysten, e .a.), nadien hier 8 ex. die

Hendrickx), later 20 ex. te Pécrot/Grand Pré (F. Fluyt, L .

Hendrickx) 06/02

19 ex. te Pécrot/Grand Pré (K. Moreau, S. Peten), 13 ex. in de Doode Bemde, dan Z (K. Moreau)

07/02

27 ex. te Pécrot/Grand Pré (K. Moreau, M. Schurmans)

08/02

co 28 ex. te Pécrot/Grand Pré (M. Hens), gaan 's avonds slapen te SAR (F. Fluyt)

19/02

1 ex. te Leefdaal/plateau (F. Fluyt)

Ook pleisterende Toendrarietganzen vormen in het Dijleland een erg zeldzaam gegeven. De vorige pleisteraars verbleven hier in december 1996, met 5 ex. te Herent op de 12e en 5 ex. te Haasrode op de 3oe.

22


Vogels

Pleisterende Toendrarielgans op een akker Ie Leefdaal.

9 februari 2006.

(Foto Frederik Fluyl}

Bergeend Tadorna tadorna Het winterse voorkomen van Bergeenden in de Dijlevallei ten Z van Leuven volgde weer het vaste patroon dat we kennen van andere jaren. Na slechts twee waarnemingen in de derde decade van november namen de aantallen in december gestaag toe en werd de piek­ aantallen pas bereikt in januari-februari (versch. waarn.). De maximumtelling vond plaats op 21/01, toen verspreid over de vallei 43 ex. werden geteld (B. Nef). NGB en in mindere mate OHN waren daarbij weer favoriete verblijfplaatsen. De absolute voorkeur van de Berg­ eenden ging deze winter echter uit naar Basse Wavre, waar op 18/02 de maximale concen­ tratie van 35 ex. geteld werd (B. Nef). De grootste groep op V laams grondgebied bestond uit min. 26 ex. te NGB op 28/01 (L. Hendrickx). Vanaf 9/02 werd de soort ook te Kwerps opge­ merkt (R. Guelinckx, P. Luyten, J. Rutten, M. Hens), met een maximum van 8 ex. op 19-20/02 (M. Hens, J. Rutten). Ten N van Leuven was er enkel de waarneming van 1 ex. te WLS op 27/

02 (S. D'Hont). Smient Anas penelope Smienten verkiezen in het Dijleland duidelijk de vijver van OHN. De soort werd hier tijdens de behandelde periode op 19 data doorgegeven (versch. waarn.), met achtereenvolgens maandmaxima van 6 ex. voor december (op 25/12; B. Nef, L. Hendrickx), min. 18 ex. voor januari (op 22/01; L. Hendrickx) en 23 ex. voor februari (op 18/02; F. F luyt, J. Nysten, J. Men­ ten, H. Vandevoorde). Verder werden Smienten enkel doorgegeven van NGB (3 ex. op 3/

12 ; B. Nef) en SAR (5 ex. op 3/12; B. Nef en 1-3 ex. op 4-7/02; J. Nysten, K. Moreau). 23


Vogels

Pijlstaart Anas acuta Tijdens het winterhalfjaar 2005-2006 werden Pijlstaarten ten Z van Leuven waargenomen te OHN (9 data vanaf 21/01; versch. waarn. - max. 6 ex. op 21/01 en 11/02; B. Nef, L. Hendrickx, J. Kempeneers, F. F luyt), OHZ (5 ex. op 03/12; B. Nef), NGB (resp. 1m en 1m1v op 08 en 29/01; L. Hendrickx, J. Rutten, L. Janssens), SAR (5 data vanaf 03/12; B. Nef, L. Hendrickx - max. 11 ex. op 18/02; B. Nef) en Gastuche (4 ex. op 25/12 en 21/01; B. Nef). Ten N van Leuven waren er enkel de volgende waarnemingen: 1 m te LP (K. Moreau)

25/01 29/01 & 03/02

resp. 1 m en 2mlv te WLS (B. Saveyn, S. D'Hont)

i a Krooneend Netto rufn 17 & 29/121v te LP (M. Hens, K. Moreau, E. Toorman)

Kuifeend Aythya fu/igula x Tafeleend Aythya tenno 17-18/12

1v te Leefdaal/Kasteelvijver (K. Van Scharen)

Eider Somateria mollisima 03/12

1m te OHN (B. Nef)

Deze tweede Eider in 2005 (na een 1e jaars op 4/09 te Overijse) brengt het aantal waarne足 mingen van deze soort in het Dijleland op 13. De maandverdeling wijzigt hierdoor tot: sep足 tember 2 - oktober 4 - november 4 - december 2 - januari 1.

Brilduiker Bucephala clangula 29/01

lv te NGB (J. Rutten, L. Janssens)

11/02

1m te NGB (L. Hendrickx)

11-13/02

1m te WLS (J. Lambrechts, S. D'Hont)

18-23/02

1m1v te SAR (L. Hendrickx, K. Van Scharen, S. Peten)

25/02

1m2v te NGB (L. Hendrickx, J. Kempeneers, K. Van Acker, J. Nysten)

Nonnetje Mergellus albe/lus Nonnetjes werden tijdens de voorbije winter erg weinig waargenomen in de Leuvense re足 gio. Ten Z van Leuven was er enkel de waarneming van een vrouwtje op 27/12 te NGB {L. Hendrickx). De enige locatie waar de soort regelmatig werd opgemerkt was WLS. Op 27/12, 14 en 22/01 werden hier telkens lmlv opgemerkt (S. D'Hont, M. Hens, M. Bekkers, B. Berg足 mans), en op 11, 13 en 19/02 werden er resp. 3m2v, 2m2v en 4m3v geteld {J. Lambrechts, S. D'Hont, M. Hens).

Grote Zaagbek Mergus merganser 03, 10 & 11/12

1v te OHN (B. Nef, J. Nysten, K. Hansen)

16/12

1m Z te Leuven/Provinciehuis {K. Moreau)

13/01

lv te LP {B. Vantorre)

25/01

1m invallend te LP {K. Moreau)

Dodaars Tachybaptus ruficollis De nieuwe zandvang op de Dijle te Heverlee/Langestaart blijkt erg in trek bij in het Dijleland overwinterende Dodaarzen. De hele winter was de soort hier met minstens 4 ex. aanwezig (versch. waarn.). Het maximum betrof 9 ex. op 9/01 {K. Moreau e.a.). 24


Vogels

Grote Zilverreiger Casmerodius afbus Er werden tijdens de periode december 2005 - februari 2006 weer maar liefst 73 waarnemin­ gen van Grote Zilverreigers ontvangen uit de Dijlevallei ten Z van Leuven. Meestal ging het hierbij om 1 of 2 ex., een enkele keer ook om 3 ex. Op enkele data leek het er op dat er 4 ex. aanwezig waren (versch. waarn.), maar enkel op 14/01 werden er daadwerkelijk 4 ex. sa­ men gezien in de slaapbomen in de Doode Bemde (M. Hens). Buiten de Dijlevallei waren er waarnemingen van een ex. te Tervuren/park KMMA op 12/12 (A. Reygel) en van 2 ex. die naar NW vlogen over de Hoveniersdreef te Heverlee op 02/01

(J.

Kempeneers).

Kleine Zilverreiger Egretta garzetta 26/12

1 ex. in weilanden tussen OHZ en de Bogaerdenstraat (FJ Moerman, E. Le Docte)

Roerdomp Botaurus stellaris 15/12

1 ex. te OHZ (F. Fluyt)

25/12

1 ex. te OHN (L. Hendrickx), 1 ex. te SAR (B. Nef)

14/01

1 ex. te Gastuche (B. Nef)

05/02

1 ex. te SAR (F. Fluyt, L. Hendrickx)

25/02

1 ex. te OHZ (L. Hendrickx)

Ooievaar Ciconia ciconia 25/02

2 ex.

28/02

4 ex. NO te Haasrode/industrieterrein (M. Van Ermen)

+

3 ex. NO te Heverlee/Bremstraat (G. Bleys)

Rode Wouw Milvus migrans 22/02

1 ex. N te Bierbeek/Builoog (J. Cuppens)

Bruine Kiekendief Circus aeruginosus Opmerkelijke winterwaarnemingen: 08/01

1 ad m jagend te OHN, dan N (K. Moreau)

09/01

1 ex. over Leuven/lnterleuven (L. Storms)

Blauwe Kiekendief Circus cyaneus Waarnemingen van Blauwe Kiekendieven waren er tijdens de behandelde periode op 32 data. Meestal gaat het daarbij om vrouwtjes en immature ex. maar er werden ook opmer­ kelijk veel waarnemingen van mannetjes doorgegeven. We geven hier enkel een chronolo­ gisch overzicht van deze laatsten: 02/12

1m te Bierbeek (R. Huybrechts)

12/12

1m te Neerijse/plateau (F. Fluyt)

13/12

1m te Leefdaal/Blokkenstraat (F. Fluyt)

30/12

voorbije dagen enkele keren 1m te Huldenberg/Ganspoel (N. Ryckeboer)

30/12

1m te Vossem/Veldeken (F. Fluyt)

06/01 15/01

1m te Terlanenveld (E. De Broyer) 1 m Z boven Pécrot (J. Rutten, R. Mahieu, L. Janssens)

24/01

1m ten ZO van Meerbeek (E. Le Docte)

28/01

1 m te Vaalbeek/Franciscanenabdij (B. Bergmans)

06/02

1m te Leefdaal/plateau (K. Moreau)

11/02

1m te Neerijse/Ganzemansstraat {F. Fluyt)

18/02

1 m te Eizer/plateau (F. Fluyt) 25


Vogels

Smelleken Fa/co columbarius 29 /12 15/01 27/01

1 v-kleed te Leefdaal/plateau (F. Fluyt) 1v O te SAR (J. Rutten, L. Hendrickx) 1 ex. jagend en dan W te Neerijse/Tersaert (H . Roosen)

12/02

1 v-type te Huldenberg-Eizer-Duisburg/plateau (F. Fluyt)

25/02

1 ex. te OHZ (L. Hendrickx)

26/02

1 v-type pleisterend te Leefdaal/plateau (F. Fluyt)

28/02

1 v te Erps/Dorenveld (A. Smets)

Slechtvalk Fa/co peregrinus 01/12

1 ex. N te Leuven/Diestsevest (M. Boyen, D . Devolder, R . Nilis)

12/12

1 ex. met volle krop zet zich in boom te Leefdaal/Weeberg (F. Fluyt)

30/12

1 ad jagend te Leefdaal/plateau (F. Fluyt)

02/01 12/02

1 ex. over L'Ecluse (G. Bleys, F. Geenen) 1 ad met prooi te Neerijse/Zingende Wind-Langestraat (F. Fluyt)

1 ad te Erps/Dorenveld (A. Smets) 28/02 Het hopen op een vestiging van deze soort als broedvogel in de Leuvense binnenstad heeft niets uitgehaald, de nestkast op de toren in het Sint-Maartensdal bleef immers onbezet. Ook aan de nestkast te Herent/Cargill werd geen activiteit opgemerkt.

Kraanvogel Grus grus 19 /02

4 ex. NO boven Vaalbeek-Blanden-Haasrode (F. Fluyt)

Goudplevier Pluvia/is apricaria 22/01

1 roepend ex. te Huldenberg/plateau (F. Fluyt)

Wulp Numenius arquata 25/12

1 ex. over PĂŠcrot (B. Nef)

04/02

3 ex. N te SAR (L . Hendrickx)

06/02

1 ex. te Korbeek-Dijle/plateau (K . Moreau)

Naast deze waarnemingen was er in februari een opvallende aanwezigheid van Wulpen in het gebied Oppem-OH-Ormendael (versch . waarn .). Op 4/02 werden hier immers 2 pleiste­ rende ex. ontdekt (F. Fluyt, L. Hendrickx), vanaf de dag nadien waren er dat 3 e.a.) en op 11/02 werden er 4 ex. opgemerkt

(J. Kempeneers (F. Fluyt). Nadien werden er tot op het einde

van de maand nooit meer dan 2 gezien (versch. waarn.)

Wltgat Tringa ochropus Winter 2005-2006 was een matige winter wat Witgatjes betreft. Hoewel de soort 23 keer werd doorgegeven ging het slechts op 4 data om meer dan 2 ex.: 03/12 1 ex. te OHN, 2 ex. te NGB, 1 ex. te Nethen (B. Nef) 24/12 1 ex. te OHN, 6 ex. te Oppem (K . Moreau) 25/12

4 ex. te NGB (B. Nef)

18/02

3 ex. te Oppem (F. Fluyt,

J. Nysten, J. Menten, H. Vandevoorde)

Waarnemingen buiten de Dijlevallei: 31/12

1 ex. te Haasrode/Brabanthallen

23/01

1 ex. te Wijgmaabroek (S . D'Hont)

18/02

1 ex. te Leefdaal/kasteelvijver (K. Van Scharen)

26

(J. Kempeneers)


Vogels

Bokje Lymnocryptes minimus 15/12

1 ex. te OH/Snippenwei (F. Fluyt)

24/12 02/01

2 ex. te Oppem (K. Moreau) 1 ex. te SAR (F. Fluyt)

04/01

1 ex. opgeraapt te Herent/Molenbeekvallei en overgebracht naar Vogel opvangcentrum Opglabbeek, daar nadien gestorven (med.

J.

Wellekens)

20/01

de voorbije dagen min. 3 ex. te Herent/Molenbeekvallei (terreinploeg NP)

06/02

1 ex. in de Doode Bemde (K. Moreau) 1 ex. te LP (D. Vanautgaerden)

07/02

Houtsnip Scolopax rustico/a 03/12

1 ex. te Pécrot (B. Nef)

25/12

1 ex. te Florival (B. Nef)

09/01

1 ex. te Korbeek-Lo

09/01

2 x 1 ex. over Heverlee/Langestaart (K. Moreau e.a.)

14/01

1 ex. te Oppem (K. Moreau, R. De Keyser)

(J.

& D. Vanautgaerden)

01/02

1 ex. te Heverlee/Haanhofweg (open en bloot in achtertuin)

05/02

1 ex. te SAR (L. Hendrickx, F. Fluyt)

14/02

4 ex. te Florival/N, 1 ex. te Bois de Laurensart (R. Guelinckx)

(J.

Kempeneers)

Dwergmeeuw Larus minutus 25/01

1 imm te LP (K. Moreau)

Deze soort wordt in onze contreien slechts zelden tijdens de winter vastgesteld, toch is het niet de eerste keer dat dit in het Dijleland gebeurt. Zo vloog op 16/12/00 bv. een ad winter rond te SAR.

Zwartkopmeeuw Larus melanocepha/us Op 5/01 werd te LP een eerste winter Zwartkopmeeuw ontdekt (F. Van de Meutter). De vogel bleef hier nog minstens tot het einde van de periode aanwezig (F. Van de Meutter, K. Moreau, M . Schurmans, B. Saveyn, M. Hens) maar werd hier ook vaak niet waargenomen (versch. waarn.). Op 17/02 verbleef �r te LP ook een adult winter en waren er dus 2 Zwart­ kopmeeuwen aanwezig (K. Moreau). Het gaat hier om de 11e en 12e Zwartkopmeeuwen voor het Dijleland. De eerste winter betreft het 3e immature ex. (na een 1e win N te SAR op 7/ 10/90 en een 1e zom te OHZ op 13/06/97) en het eerste ex. dat langer dan 2 dagen wordt waargenomen (na een ad win te LP op 11-12/02/98). De maandverdeling van de vorige 10 ex. zit als volgt: januari 2 - februari 3 - april 1 - juni 1 - juli 1 - oktober 1 - december 1.

Kleine Mantelmeeuw Larus grae/s1ï 27/12 3 ex. Z te OH/Dijlevallei (J. Rutten) 25/02 1 ex. Z te Korbeek-Dijle/plateau (J. 26/02 1 ex. N te OHC (J. Rutten)

Rutten)

Pontische Meeuw Larus cachinnans 08/01

1 ad te NGB (F. Fluyt)

21/01 22/01

1 ad te NGB

04/02

1 ad te SAR (F. Fluyt)

25/02

1 ad te NGB (L. Hendrickx; 1Ou)

1 ad te Pécrot (B. Nef)

(L.

Hendrickx), 1 ad te SAR

(J. Nysten)

27


Vogels

Middelste Bonte Specht Dendrocopos medius Waarnemingen buiten de gekende broedgebieden: 14/01

1 ex. te Terlanen/Abstraat {op zomereik en pseudoacacia) {H. Roosen)

28/01

1 ex. te Vaalbeek/Franciscanenabdij {B. Bergmans)

10/02

1 ex. te OHC {in berk, dan 0 richting Heverleebos) {K. Moreau, M. Van Ermen)

Boomleeuwerik Lul/ulo arborea 15/01

3 ex. pleisterend te SAR {F. Fluyt)

19/02

1 ex. over OHN {F. Fluyt)

Pestvogel Bombycilla garrulus 09/12

3 x oud te Leuven/A. Degreefstraat, niet terug gevonden {F. Van de Meutter)

18 & 27/01

1 ex. te Blanden/Kartuizerstraat {T. Verbeeck)

Klapekster Lanius excubitor Klapeksters werden het voorbije winterhalfjaar op drie locaties waargenomen: OHZ : 1 ex. op 09/12, 02 & 08/01, 04-05 & 27/02 {B. Wuyts,

J.

Kempeneers e.a.)

Doode Bemde: 1 ex. op 17-18, 30/12, 02/01 {S. Horemans, M. Tomballe, K. Moreau e.a.) SAR: 1 ex. op 14, 21 & 28-29/01, 18 & 23/02 {F. Fluyt, M. Hens e.a.) Op 02/01 werd duidelijk dat het zeker om 2 verschillende ex. ging, de waarnemingen in de Doode Bemde en te SAR hadden mogelijk betrekking op dezelfde vogel.

Zwarte Roodstaart Phoenicurus ochruros 13/12

l m te Leuven/T iensestraat {K. Moreau), l ex. te Leuven/St-Maartensdal

21/12

1v op Gasthuisberg {B. Bergmans)

01/01

1 ex. te Meerbeek {M. Hens)

(J.

Cuppens)

Roodborsttapuit Saxico/a rubico/a In de weilanden tussen de Bogaerdenstraat en Neerijse/Grote Bron vond voor het tweede jaar op rij overwintering plaats: op 24/12, 08, 14 en 25/01 werden hier resp. 1ml v, min. 1 ex., 1m en.2 ex. waargenomen {K. Moreau, F. Fluyt, R. De Keyser, S. Horemans, M.Tomballe). Op 08/02 werd ook een ex. opgemerkt te Pécrot/Grand P ré {M. Hens).

Cetti's Zanger Cettia cetfi Deze soort werd tijdens de behandelde periode nog opgemerkt op alle locaties waar tij­ dens het voorjaar van 2005 Cetti's Zangers aanwezig waren. De meeste waarnemingen vonden plaats te OHZ, en dat verspreid over de hele periode (versch. waarn.). Op 27/02 werd hier zowel aan de N- als aan de Z-zijde een ex. gezien {J. Kempeneers). Te OHN waren er enkel waarnemingen op 08/01 en op 19/02 (K. Moreau, F. Fluyt) en in de Doode Bemde enkel op 17 & 25/12 (K. Moreau, B. Nef).

Zwartkop Sylvia atricapil/a 26/01

1m te Heverlee/Celestijnenlaan {K. Moreau)

28/01

1 ex. te Heverlee/Mezenlaan {K. Hansen)

04-05/02

1m te Winksele {P. Luyten)

28


Vogels

Tjiftjaf Ph yl/oscopus collybita 04/12

1 ex. te Florival/Veeweide (F. Fluyt)

07/12 11/12

1 zingend ex. te Heverlee/Celestijnenlaan (K. Moreau) 1 ex. te OH/centrum (J. Rutten)

(J.

24/12 & 02/01

1 ex. te AV P

24/12

1 ex. te Haasrode/Brabanthal

02/01

1 ex. te OHN

Kempeneers)

(J.

(J.

Kempeneers)

Kempeneers)

08/01

1 ex. te Haasrode/zandgroeve (K. Moreau)

08/01

1 ex. in de Doode Bemde (K. Moreau)

09 & 16/01 04/02

1 ex. te Korbeek-Lo (J. & D. Vanautgaerden, T. Verbeeck) 1 ex. te Leuven/Provinciehuis (H. Blockx, D. Verbelen)

17/02

1 ex. te LP (K. Moreau)

Baardmannetje Panurus biarmicus 03/12

1m2v te OHN (K. Moreau)

Noordse Kauw Corvus monedula monedula 24 & 29/01 1 ex. tss Kauwen te Heverlee/Groenveld (verschillende ex.) (K. Moreau)

Kleine Barmsijs Carduelis cabaret 03/12 14/12

2 ex. te Heverlee/Celestijnenlaan (Campus 300) (K. Moreau) 1 ex. te Neerijse (F. Fluyt)

02/01

3 ex. te Heverlee/Tivolistraat

02/02

1 ex. te Herent/Bijlokstraat (M. Bekkers)

03/02

co 5 ex. te Haasrode/Brabanthallen

(J.

Kempeneers)

(J.

Kempeneers)

(J.

04/02

2 ex. te Oud-Heverlee/Hoveniersdreef

28/02

3 ex. te Heverlee/ljzermolenstraat (K. Moreau)

Kempeneers)

Buiten deze locaties werden ook in het centrum van Oud-Heverlee Kleine Barmsijzen waar­ genomen. Tijdens de volledige periode december 2005-februari 2006 was hier een grote gemengde groep barmsijzen aanwezig, die hoofdzakelijk uit Grote Barmsijzen bestond (zie verder), maar minstens op 12 data yverden er ook Kleine Barmsijzen in ontdekt. Het maxi­ mum van> 7 ex. werd hier op 28/12 geteld

(J.

Rutten).

Grote Barmsijs Carduelis flammeo De invasie van Grote Barmsijzen, die reeds sinds eind oktober 2005 in de lage landen aan de gang was, liep tijdens de behandelde periode gewoon verder. De meest honkvaste groep verbleef tijdens het eerste deel van de winter te Oud-Heverlee/centrum, en bleef daar eens het plaatselijke voedsel op was verder verzamelen vooraleer 's avonds naar een oostelijker gelegen slaapplaats te vertrekken. Er werden van deze groep maar liefst op 35 verschil­ lende data gegevens ontvangen co 77 ex. op 01/01

(J.

(J.

Rutten, T. Roels). De maximale groepsgrootte bedroeg

Rutten). Hoger werd reeds aangehaald dat het hier niet altijd enkel

Grote Barmsijzen betrof, maar ze waren overduidelijk in de meerderheid. Verder waren er waarnemingen op volgende locaties: OHN (co 25 ex. op 03/12; K. Moreau), omgeving Huldenberg/Spitsberg (resp. 2 ex., min. 45 ex., 1 ex. en 1 ex. N op 4, 11, 18/12 en 22/01; F. Fluyt), Florival/Veeweide (1 ex. op 4/12; F. Fluyt), OH/Bogaardenstraat (1 ex. op 9/12; J. Rutten), AV P (resp. een zwerm, 4 ex. en 10 ex. op 10, 11/12 en 2/01; J. Kempeneers, K. Van Scharen), Leuven/Gasthuisberg (24 ex. op 10/12; F. Fluyt), Neerijse (5 ex. op 14/12; F. Fluyt), de Doode Bemde (60 ex. op 15/12; F. Fluyt), Haasrode/Brabanthallen-lndustrieterrein (resp. co 30 ex., 1 ex. en 1 ex. op 17, 31/12 en 15/01;

J. Kempeneers, F. Fluyt), Heverlee/ Tivolistraat

(2 ex. op 24/ 29


Vogels 12; J. Kempeneers),Oppem (4 ex. Z op 24/12; K. Moreau, F. Fluyt), Heverlee/Militair Domein (2 ex. op 7/01; K. Moreau), Heverlee/Celestijnenlaan (3 ex. op 4/01; K. Moreau), Heverlee/ Elisabethlaan (meerdere ex. op 18/01; K. Moreau), Beisem/ Molenbeekvallei (meerdere ex. op 22/01; B. Bergmans),LP (2 ex. op 25/01 en 17/02; K. Moreau),Heverlee/Leeuwerikenstraat (min. 42 ex. op 5/02; K. Moreau), Pécrot/Grand Pré (7 ex. op 6/02; K. Moreau) en Kessel-Lo/ Coosemansstraat (20 ex. op 27 /02; W. Goussey)

barmsijs sp. Carduelis cabaret/flammea Naast waarnemingen van tot op de soort gedetermineerde Kleine en Grote Barmsijzen werden er nog een hele hoop waarnemingen van niet nader gedetermineerde barmsijzen doorgegeven. Naar analogie met de trend die uit de rest van de waarnemingen naar vo­ ren komt hebben deze waarschijnlijk grotendeels betrekking op Grote Barmsijzen. Een over­ zicht: Haasrode/ Brabanthallen (resp. co 10 ex., 6 ex. over en co 30 ex. ZO op 9, 22/12 en 2/ 01; J. Kempeneers), de Doode Bemde (resp. 1 ex., 1 ex. en 2 ex. op 10, 17 en 25/ 12; K. Leysen, K. Moreau, B. Nef),OHZ (resp. 1 ex., 4 ex. en 1 ex. op 13, 25/12 en 2/01 ; J. Rutten, B. Nef, J. Kempeneers), Bierbuik/Builoog (co 10 ex. op 24/12; J. Kempeneers), NGB/parking­ Kleine Broekstraat (resp. 3 ex. en 1 ex. op 29/12 en 4/02; F. Fluyt), Leefdaal/plateau (1 ex. op 29/12; F. Fluyt),Overijse/centrum (10 ex. op 29/12 en 2/01; E. De Broyer), AV P (co 10 ex. en co 30 ex. op 2 en 7/01; J. Kempeneers, B. Bergmans), OH/Bogaerdenstraat (1 ex. oud op 3/01;

J. Rutten),Herent/Molenbeekvallei (min. 60 ex. op 19/01; J. Wellekens), Heverlee/Pleinstraat (2m1v op 26/01; K. Gielen), Huldenberg/Spitsberg (1 ex. over op 28/01; F. Fluyt), Heverlee/ Celestijnenlaan (co 20 ex. op 8/02; K. Moreau), Heverlee/Hoegaardsestraat (2 ex. over op 9/02; J. Kempeneers), SAR (oud op 18/02; F. Fluyt, J. Nysten, J. Menten, H. Vandevoorde) en Kessel-Lo/Acacialaan (3 ex. op 19/02; B. Markey).

Kruisbek Loxia curvirostra 14/12

9 ex. te SAR (F. Fluyt)

18/12

1 ex. te OHN (K. Moreau)

08/01

1 ex. te Heverlee/Arenbergpark (K. Moreau)

15/01

1 ex. te Heverlee/IMEC-200F KUL (W. Desmet)

22/01

1v te Beisem/Molenbeekvallei (B. Bergmans)

Noordse Goudvink Pyrrhula pyrrhula pyrrhula Noordse Goudvinken van het teutertype pleisterden tijdens de maanden december 2005 tot en met februari 2006 op de volgende plaatsen in het Dijleland: Huldenberg/Spitsberg (2 ex. op 4/12, 2-3 ex. op 11-15/12, 4m3v op 21-29/01, 3 ex. op 5/02; F. Fluyt), Florival/N&Z (resp. meerdere ex., 2 ex., 13 ex. en 1 ex. op 4, 9/12, 8/01 en 6/02; R. Guelinckx, P. Lorent, K. Mor­ eau), AV P (1 ex. op 6/12; R. Guelinckx), OH/centrum (1 ex. op 10 en 20/12; J. Rutten), Kor­ beek-Lo (resp. 1m1v,8 ex. en 2m3v op 10/12,9 en 16/01; J. & D. Vanautgaerden,T. Verbeeck), de Doode Bemde (resp. 1 ex., 5m2v, 1 ex., 2v, min. 3 ex., 1 ex. en 4m2v op 10, 12, 17, 18, 29/ 12, 9 en 21/01; K. Leysen,F. Fluyt,e.a.), tussen OHN & OHZ (1 ex. op 12/12 en 23/02; J. Rutten), de Laanvallei (1 ex. op 17/12; H. Roosen), Haasrode/Brabanthallen (resp. 9-10 ex., 1m1v, 4 ex.,1m1v,1m,2 ex.,1v en 5 ex. op 19-22/12,2-7,11,16,30/01, l, 3-9 en 14/02 ; J. Kempeneers, B. Saveyn), Korbeek-Dijle/Dam-Pastoorsbos (resp. 1 ex., 3v en 1v op 24/12, 9/01 en 11/02; K. Moreau, L. Vervoort S. Horemans), Pécrot ( 1 m2v en oud op 25/ 12 en 21/01; B. Nef), Heverleebos/ Arboretum (1 ex. op 8/01; K. Moreau), Meerbeek/Schoonaardestraat (1v op 10/01; M. Hens), Terlanen/Abstraat (1 ex. op 14/01; H. Roosen), Bertem/Koeheide (2 ex. op 21-22/01; E. Macquoy,E. Malfait), Beisem/Molenbeekvallei (4v op 22/01; B. Bergmans), Vaal­ beek/ Franciscanenabdij (resp. 7 ex. en 1v op 28 en 30/01; B. Bergmans),Bierbeek/Krijkelberg (1 ex. op 2/02; J. Cuppens) en Leuven/Van Waeyenberghlaan (4v op 22/02; B. Bergmans). De meest regelmatige groep zat echter aan de rand van het Egenhovenbos ter hoogte van IMEC en gebouw 200F van de K.U.Leuven: op 9/01 werden hier 1m5v ontdekt (W. Des30


Vogels met) en vanaf 15/01 tot op het einde van de perle pebleven 1m4v aanwezig (versch. waarn.). Vermeldenswaardig is verder de ringvangst van een Noordse Goudvink die niet tot het teuter­ type behoorde te Heverlee op 15/01 (M. Herremans).

Appelvlnk Coccothraustes coccothraustes Voor Appelvinken bleef de winter 2005-2006 ook een geweldige periode. Buiten de gekende locatie te Terlanen/Abstraat (waar de soort al jaren hele winters op de voederplank komt; H. Roosen), werden in navolging van het najaar van 2005 op heel wat plaatsen groepjes van deze doorgaans moeilijk waarneembare vink opgemerkt. Net zoals tijdens de maanden januari-februari 2002 was de soort bovendien prominent aanwezig binnen de Leuvense Ring, met waarnemingen rondom de Kruidtuin {resp. 2 ex. ZW, 3 ex. ZW, min. 8 ex. en min. 3 ex. op 3, 5/12, 11 en 16/02; F. Van de Meutter, e.a .), rondom het Stadspark (10 data van 31/01 t.e.m. 27/02 - versch. waarn. - met max. 21 ex. op 21/02

-

J.

Mergeay), aan de kruising

Vaartstraat - Kardinaalstraat (min. 6 ex. en min. 5 ex. op 21 en 28/02; H. Roosen) en aan de kruising W eldadigheidsstraat - Bayotstraat (3 ex. op 21/02; E. Macquoy). Net buiten de Ring werden resp. 2 ex. en 1 ex. opgemerkt aan het Lemmensinstituut op 2/01 en 11 /02 (B. Berg­ mans). Ook de omgeving van de Brabanthallen en het industrieterrein van Haasrode vormde een betrouwbare locatie, met 18 waarnemingen tussen 10/12 en 9/02 {J. Kempeneers, J. Nysten, e.a.) en een maximum van ca 10 ex. op de eerste dag waren er in de regio waarnemingen te W ijgmaalbroek

(1

(J.

Kempeneers). Verder

ex. op 2/12; S. D'Hont), Hulden­

berg/Spitsberg (resp. 2 ex. over, 1 ex. en 1m op 3/12, 28/01 en 26-28/02; F. Fluyt), Kessel-Lo/ Platte-Lostraat (1 ex. N op 27/12; J. Lambrechts), OHN (resp. 2 ex. en 1 ex. op 28 en 30/12; Kempeneers, J. Nysten), Overijse/Ketelheide T ivolistraat (resp. 5 ex. en 1 ex. op 7 en 8/01;

(1

ex. op l, 8 en 20/01;

J. Kempeneers),

J.

J.

Verroken), Heverlee/

Heverlee/ Leeuwerikenstraat (3

ex. op 7JO1; K. Moreau), Heverlee/Militair Domein { 1 ex. op 7JO1; K. Moreau), LP (1 ex. op 8/ 01 en 9/02; J. Kempeneers, K. Moreau), Kessel-Lo/Martelarenlaan (2 ex. 0 op 8/01; J. Lambrechts), Korbeek-Lo (1 ex. over op 16/01;

J. & D. Vanautgaerden, T. Verbeeck), Blanden/

Kartuizerstraat (resp. 1 ex., 3 ex. en 1 ex. op 16, 25 en 27/01; 1. Verhuizen, T. Verbeeck) en Pécrot/Grand Pré (1m op 7/02; K. Moreau).

Grauwe Gors Emberiza calandra 29-30/12

4 ex. op de overwinterende graanakker te Leefdaal/plateau (F. Fluyt}

Samenstelling Kelle Moreau, kelle.moreau@gmail.com Medewerkers en correspondenten Hugo Abts, Louis-Philippe Arnhem, Koen Baert, Monique Bekkers, Bruno Bergmans, Geert Bleys, Herwig Blockx, Jan Bossier, Steven Bouillon, Otto Chrispeels, Paul Claes, Karel Coenen, Bart Creemers, Jos Cuppens, Christine Daenen, Erik De Broyer, Krista De Greet, Rien De Keyser, Johan De Meirsman, Michel De Meyere, Lieven Deschampelaere, Chantal Deschepper, Louis Desmet, Wouter Desmet, Steven D'Hont, Gerald Driessens, Joris Elst, Frederik Fluyt, Frans Geenen, Raf Ghijsen, Karin Gielen, Sven Goethals, Werner Goussey, Robin Guelinckx, Krien Hansen, Luc Hendrickx, Jo Hendriks, Maarten Hens, Marc Herremans, Paul Herroelen, Erwin Hoebrechts, Stefaan Horemans, Tim Huysegems, Luc Janssens, Jochen Kempeneers, Jorg Lambrechts, Elfriede Le Docte, Walther Leers, Koen Leysen, Pieter Lorent, Patrick Luyten, Macquoy Eddy, Rita Mahieu, Eric Malfait, Hans Marijns, Bram Markey, Joris Menten, Joachim Mergeay, Frieder Jan Moerman, Jean-Paul Moerman, Moreau Kelle, Nef Bruno, Johan Nysten, Stephan Peten, Fons Ramaekers, Alain Reygel, Toon Roels, Hans Roosen, Jos Rutten, Niels Ryckeboer, Bert Saveyn, Sally Schrauwens, Maarten Schurmans, Hugo Sente, Axel Smets, Philippe Smets, Geert Sterckx, Luc Storms, Stefaan Sys, Marita Tomballe, Erik Toorman, Koen Trappeniers, Kasper Van Acker, Christel Van Asselberghs, Désiré Vanautgaerden, Johan Vanautgaerden, Frank Van de Meutter, Yves Vonden Bosch, Frank Van Den Houte, Michaël Vandeput, Filip Vandeputte, Hilde Vandevoorde. Gilbert Vandezande, Myriam Van Ermen, Geert Vanhorebeek, Hans Vankerckhoven, Kris Van Scharen, Johanna Van Tonder, Bart Vantorre, Thomas Verbeeck, Dominique Verbelen, André Verboven, Irene Verhuizen, Jan Verroken, Johan Verschuren, Luc Ver­ voort, Stijn V ranckx, Jan Wellekens, Wim Willems, Katty Wouters, Bert Wuyts

31


Vogels

Raddes Boszanger verpest verjaardagsetentje Op de avond van 7 oktober 2005 merkte ik in onze tuin te Huldenberg een op insecten jagende zanger Phylloscopus

spec. op. De waarneming duurde amper enkele seconden, maar de aanwezigheid van een zeer markante lichte wenkbrauwstreep wees meteen op een uitzonderlijke tuingast.

De combinatie van dit kenmerk samen met een

donkere mantel en het ontbreken van een lichte vleugelstreep, duidde in de richting van Bruine Baszanger

P.fuscalusof Raddes Baszanger P. schworzi. De aanvankelijke Help, er zit een baszanger in euforie begon echter snel om te slaan in een lichte paniek. mijn tuin! Huldenberg, Omdat het snel donker werd en de vogel zich had 8 oktober 2005 (Foto F. Fluyt} teruggetrokken in de ruigtevegetatie, konden verder geen kenmerken waargenomen worden die zouden leiden tot een zekere determinatie. Een doemscenario leek zich aan te kondigen: je staat op een zucht van dĂŠ vondst van je leven, maar nooit of te nimmer zul je te weten komen welke van de twee gelijkende soorten je nu hebt gezien. Dat zo'n verdwaald Aziatische zangertje in volle trekperiode langer dan een dag op dezelfde plaats zou blijven rondhangen, kon ik immers wel vergeten - dacht ik. In een ultieme poging om dit geval te documenteren alvorens het voor goed zou verdwijnen samen met het laatste daglicht, spurtte ik naar mijn fototoestel. Terug ter plaatse werd het toestel ingesteld op de hoogste resolutie en gericht op de vegetatie waarvan ik vermoedde dat de kleine rakker er zich in had verborgen. Met uitgeklapt flitslicht werd op deze wijze in het wilde weg een tiental foto's genomen.

De fotosessie diende voortijdig te worden

afgebroken, want er wachtte mij nog enkele dringende sociale verplichtingen die avond. Uitgerekend deze dag moest ik zo nodig verjaren en dat vieren aan een gereserveerde restauranttafel. Toch werden eerst nog de resultaten van de photoshoot in snel tempo bekeken. De eerste foto's toonden enkel overbelichte brandnetels. Dit zag er helemaal niet goed uit. En ook de twijfel begon steeds harder toe te slaan.

Heb ik niet gewoon naar een rare fitis zitten

kijken? Naarmate de plaatjes een voor een passeerden, nam ik me al voor om van dit hele geval uiteindelijk niks te gebaren.

'Hier kom ik toch nooit uit... '. Plots scheen er een klein

maar helder lichtje in de donkere tunnel. Een van de laatste foto's toonde, verborgen in een vlinderstruik, een reflecterend oogje. Bij het inzoomen verscheen zowaar een vogelkopje mĂŠt de onmiskenbare wenkbrauwstreep. Opluchting alom. De fitistheorie werd dan wel van tafel geveegd, doch het Raddes/Bruine boszangerdillema bleef hardnekkig overeind. De beschrijving van de roep en de tekening leek volgens de ANWB-gids op Bruine Bos, doch de vage streep voor het oog en de stevige snavel op de korrelige foto wezen dan weer in de richting van Raddes. Die avond aan tafel scheen ik niet echt aangenaam gezelschap te zijn geweest voor mijn disgenoten. Ondanks dat de tegenstrijdigheden me parten bleven spelen, stelde ik mijn laatste hoop op de mist die hardnekkig kwam opzetten. Zangertjes zijn immers nachttrekkers bij uitstek, op voorwaarde dat ze kunnen beschikken over een heldere sterrenhemel waarop ze zich kunnen oriĂŤnteren. Zou de mist tot morgenvroeg aanhouden? De volgende ochtend bleek dat gelukkig zo te zijn. De nachtelijke uren voordien werden besteed aan het raadplegen van foto's op het internet en aan het inprenten van alle subtiele kenmerken en verschillen tussen beide soorten. Het eerste zichtbare licht gaf aanleiding om in de tuin post te vatten. Wanneer niet lang daarna een kort maar onmiskenbaar 'TEK' uit de brandnetelruigte weerklonk, was het meteen duidelijk dat de vogel er nog zat. Oef! 32


Vogels Eenmaal de vogel in beeld en de voorncft. YSte kenmerken afgecheckt konden worden. stond het vast dat het een Raddes Baszanger betrof. Het nieuws werd bekendgemaakt, zodat heel wat vogelkijkers de kans hadden om met deze soort kennis te maken. De vogel werd de hele dag gezien . Rond 19u00 zocht de Raddes Baszanger op ooghoogte een vlinderstruik op om te slapen. zette zich 'dik' en verborg zijn kop onder een vleugel. Na een heldere sterrennacht bleek de vogel de volgende ochtend verdwenen te zijn. De Raddes Boszanger gesitueerd De Rad des Baszanger is een broedvogel van Z en ZO- Siberië die in ZO-Azië overwintert (Flint et al 1984). In West-Europa is hij een schaarse maar jaarlijkse dwaalgast. De waarneming in Huldenberg maakte deel uit van een bescheiden doortrekgolf die zich in de eerste decade van oktober voordeed in NW- en Centraal Europa. De eerste Raddes Baszanger verscheen op 30 september in het Zweedse Uppland. De dagen daarna doken er exemplaren op in Finland, Noorwegen, Groot-Brittannië en Hongarije. België werd in het najaar 2005 uiteindelijk ruim bedeeld met drie exemplaren, allen in het binnenland. Er waren ringvangsten op 7 oktober te Beaufays en op 8 oktober te Kinrooi. (Vogellijn website) De vogel van Huldenberg is inmiddels gehomologeerd door het BAHC en betreft het 2de geval voor V laams-Brabant na een ringvangst van een 1ste winter te Korbeek-Lo op 16 oktober 1999 (website BAHC). Referenties Flint V., Boehme R., Kostin Y. & Kuznetsov A.

( 1984) - A Field guide to the birds of Russia and adjacent territories.

Princeton University Press. New Jersey, VS. Website Belgisch Avifaunistisch Homologatie Comité: Website Natuurpunt Vogellijn:

www.bahc.be

www .natuurpunt.be

Fredenk Fluyt- freek@v1ïlage.uunet.be

Beschrijving Raddes Boszanger

-

7 en 8 oktober 2005, Huldenberg

Grootte en bouw:Formaat van Fitis, maar geeft eerder gedrongen indruk. Bovendelen: Kop grijzig bruin met olijfgroene zweem. als mantel. Zeer markante lichtbeige wenkbrauwstreep ver achter het oog reikend, ongeveer drie maal zo lang achter. dan voor het oog. Wenkbrauwstreep breedst en mooi afgelijnd achter het oog. voor het oog minder scherp afgelijnd en doorlopend tot boven de snavel. Waarneembare donkere zijkruinstreep. Donkere, vrij brede oogstreep. Donkere, doch weinig geaccentueerde teugel. Oorstreek met onopvallende gespikkeld. Lichte keel.

Onderdelen licht grijzig-bruin met een vage aanzet tot streping op de flanken. Keel en bovenste deel van borst lichter. Onderstaartdekveren beige-achtig.

Bovendelen: Mantel, schouder, rug en stuit grijzig bruin met groene zweem. Vleugel: arm- en handpennen donkerbruin met fijne, groenig-gele zoom. uitgezonderd de toppen. Op een foto zijn zeshandpentoppen voorbij tertials zichtbaar.

Staart: donkerbruine staartpennen met groenig-gele zoom en indruk van lichtere toppen. Naakte delen: Donkere iris en onvolledige lichte oogring, zichtbaar boven en onder het oog. Vrij stevige snavel, in vergelijking met snavel van Tjiftjaf met bredere basis. herinnert enigszins aan snavel van Tuinfluiter. Snavelkleur variërend al naargelang de kijkhoek, geeft tweekleurige indruk (licht oranjeachtig en donker), lichte snavelpunt. Poten vleeskleurig-oranje, lichte nagels.

Gedrag: vooral 's morgens en in de voormiddag actief naar insecten (muggen en bladluizen) speurend. vaak loog in de vegetatie of zelfs op de grond. Manoeuvreert zich moeiteloos doorheen dichte ruigte (brandnetel en boerenwormkruid), moor geregeld ook onbeschut bovenop een hoog en zelfs de top van een treurwilg (co. 5 meter hoogte). Vrij onrustig, moor niet schuw. Loot zich tot op 3 meter benaderen. In de latere namiddag minder actief en voor langere tijd schijnbaar afwezig.

Geluid: T ijdens het foerageren een makkelijk herkenbaar TEK roepend, als 'twee keitjes tegen elkaar'. Doffer en minder scherp don roep van Zwartkop. Roep wordt geregeld tweemaal achter elkaar herhaald of in een Vrij luidruchtig 's voormiddags op 8110/2005 en daardoor makkelijk te lokaliseren. 's 811012005 werd meermaals een pruttelende 'zang' waargenomen.

stotterende reeks. Namiddags op

33


Aankondigingen & activiteiten

NIEUWS VAN BRAKONA Vlaams-Brabantse Koepel voor Natuurstudie Begin 2000 werd de Vlaams-Brabantse Koepel voor Natuurstudie opgericht, een initiatief dat kadert binnen het provinciale milieubeleidsplan. Brakona heeft als hoofddoel om het potentieel aan natuurkennis te opti­ maliseren in functie van natuurbehoud en -beheer in de provincie Vlaams-Brabant, en wil tevens als contact­ orgaan het lokale studiewerk een meerwaarde bieden door het organiseren van een gestructureerd overleg tussen de bestaande natuurverenigingen en -werkgroe­ pen. Zowel professionelen als vrijwilligers worden hierbij betrokken. We wensen hier kort de aandacht te vestigen op en­ kele van de verschillende wijzen waarop Brakona zich naar de buitenwereld toe profileert.

Project Aandachtssoorten Natuurstudie heeft bij een groot deel van de bevolking de

reputatie

van een

exc lusieve s pecialisten­

aangelegenheid te zijn. Nochtans zit er ook veel kennis van onze fauna en flora verborgen in de geheugens en notitieboekjes van de talrijke 'amateurs' die de provincie Vlaams-Brabant rijk is. Om de natuur­ studie enigszins te democratiseren en de overvloed aan waardevolle waarnemingen te ontsluiten startte Brakona in het najaar van 2004 met het project' Aandachtssoorten', waar­ bij op regelmatige basis enkele soorten bij een breed publiek onder de aandacht worden gebracht. Teneinde zoveel mogelijk mensen tot medewerking te bewegen gaat het meestal om makkelijk herkenbare soorten met een relatief grote trefkans in onze provincie. De ont­ vangen gegevens zullen worden gebruikt om een provinciedekkend zicht te krijgen op het voorkomen van de gekozen soorten en om eventuele wijzigingen in hun verspreiding en/of aantallen te evalueren. Tot op heden werden reeds 13 dergelijke aandachtssoorten gelan­ ceerd, namelijk Maretak, Weidebeekjuffer, Hazelworm, Levendbarende Hagedis, Groene Specht, Grote Gele Kwikstaart, Koekoek, Nachtegaal, Kuifmees, Wielewaal, Eikelmuis, Ko­ nijn en Steenmarter. Zowel huidige als historische waarnemingen van al deze soorten zijn welkom, en zullen na archivering en bespreking in de Brakona-publicaties (zie verder) ook worden overgemaakt aan de betrokken nationale thematische werkgroepen. Waarnemin­ gen kunnen worden doorgegeven via de vijf mailgroepen die het grondgebied van de provincie Vlaams-Brabant beslaan (Hagelandse Heuvelstreek, Velpe-Mene-Gete, Dijleland, West-Brabant, Mechels Rivierengebied), of rechtstreeks aan de professionele Brakona-me­ dewerker. Meer info over de aandachtssoorten en het doorgeven van waarnemingen kan

U ook vinden op de lager vermelde websites.

Brakona-jaarboek 2004 Sinds kort is het Brakona-jaarboek 2004 verkrijgbaar. Het gaat reeds om de vierde editie in deze reeks natuurstudiejaarboeken. Het is weer een boeiend en erg gevarieerd werk ge­ worden, want ook in 2004 werd in Vlaams-Brabant een hele hoop natuurstudiewerk verzet. Bij de samenstelling van dit jaarboek wordt gestreefd naar een evenwichtige verdeling van de bijdragen over de ganse provincieoppervlakte. 34


Aankondigingen & activiteiten

Vrijwilligers worden sterk aangemoedigd (en ondersteund) om dit medium te gebruiken om de resultaten van studies en inventarisaties te presenteren. Anderzijds komen ook bijdragen van de hand van professionele onderzoekers aan bod. Dit resulteerde in negen artikels over uiteenlopende onderwerpen.

Een overzicht van de bijdragen: •

Kale behaarde, of harige kale rode bosmieren in Elewijt? Wouter Dekoninck & David Muis

Plantenwerkgroepen in Vlaams-Brabant. Anne Ronse

De purperreiger in Noordwest-Brabant. frank Van Den Haute & Kelle Moreau

De Spaanse Vlag gevestigd op de Hagelandse Heuvels! Jorg Lambrechts & Luc Vervoort

Het Vinne, weer meer! Natuur en recreatie gaan hand in hand in heringericht provinciedomein. lngnd Beerens

Het visbestand in de Zenne, Dijle en Demer: een overzicht. Jan Breine, Ger/inde Van Thuyne & Hugo Verreycken

Vleermuizen en winterslaapplaatsen in Vlaams-Brabant. Wout Wtïlems & Kris Boers

Ecologie en verspreiding van vliegend hert in Vlaams-Brabant. Arno Thomaes & Kris Vondekerkhove

Onverwacht waardevolle mycoflora in Oost-Brabantse graslanden: Ontdeking van enkele nieuwe 'wasplatenweiden, in

2004. Roosmarijn Steeman, Jorg Lambrechts

&

Luc Vervoort

2004 kan worden besteld door 6,38 a over te maken op rekening­ 001-0762218-68 van Natuurpunt Oost-Brabant met vermelding "Jaarboek Brakona 2004". Ook het jaarboek van 2003 kan op dezelfde wijze en tegen dezelfde prijs nog verkre­ gen worden, maar dan onder de vermelding "Jaarboek Brakona 2003 (of 2003-2004)". Het Brakona-jaarboek

nummer

Bra kona-nieuwsbrieven Brakona verzorgt ook de publicatie van een driemaandelijkse nieuwsbrief die telkens acht bladzijden beslaat en informatie over de Brakona-projecten, allerhande natuurstudienieuws uit de provincie Vlaams-Brabant en aankondigingen van studiegerelateerde activiteiten en cursussen bevat. De nieuwsbrief wordt gratis via de post geleverd na opgave van naam en adres op onderstaande coördinaten. Info over Brakona, het doorgeven van waarnemingen, bestellen van jaarboeken of intekenen op de nieuwsbrieven:

Kelle Moreou, mede werker Brokono kelle.moreou@notuurpunt.be, 016/25.25. 93

35


Activiteiten Natuurstudiegroep Dijleland Voorjaar

&

zomer

2005

Werkgroep Ongewervelden Coördinatie: Jans Menten, ema1Z- dijlelandongewervelden@yahoo.com, GSM: 0495/275.393 •

Woensdag 12 april: Determinatieavond Bijen, Wespen en Mieren

We determineren hymenoptera die we verzameld hebben tijdens de ongewervelden-inventa­ risaties van de afgelopen jaren. Literatuur en stereomicroscopen zijn, in beperkt aantal. aanwe­ zig. Vanaf 20:00 in de lokalen van de V rienden van Heverleebos en Meerdaalwoud. Inschrijven per e-mail of telefonisch bij Joris Menten. •

Woensdag 24 mei: Determinatieavond Loopkevers

We determineren loopkevers uit de bodemvallen in de Doode Bemde. Literatuur en stereo­ microscopen zijn, in beperkt aantal. aanwezig. Vanaf 20:00 in de lokalen van de V rienden van Heverleebos en Meerdaalwoud. Inschrijven per e-mail of telefonisch bij Joris Menten. •

Zaterdag 27 mei: Vlinder- en Llbellenlnventarisatle Molenbeek en Zuurbeek

We inventariseren de Molenbeek en Zuurbeek-vallei op vlinders en libellen. Hiervoor gaan we met de fiets langs een aantal vijvertjes en graslanden. Afspraak om 14:00 aan de kerk van Beisem. Dit is een fietsexcursie. Gaat niet door bij regen. bij twijfel neem contact op met Joris Menten. •

Zaterdag 8 juli: Vlinder- en Libellenlnventarisatle Meerdaalwoud

We gaan op zoek naar Bronlibel en Kleine ijsvogelvlinder in Meerdaalwoud en Mollendaalbos. Hiervoor gaan we met de fiets langs een aantal beekjes en vijvers in het bos. Afspraak om 14:30 aan de ingang van het bos aan de Weertsedreef (kant Sint-Joris-Weert). Dit is een fietsexcursie. Gaat niet door bij regen; bij twijfel neem contact op met Joris Menten.

Werkgroep amfibieën en reptielen Coördinatie: Frederik Fluyt, ema1Z- nsgdij/eland@yahoo.com, GSM 0479/920172 I.s.m. Hyla worden in het Dijleland vier inventarisatietochten gehouden n.a.v. de realisatie van de V laamse verspreidingsatlas van amfibieën en reptielen. Dit jaar focussen we ons op de poelen en plassen in de ljsevallei en de Doode Bemde. •

Zaterdag 22 april: Doode Bemde (Neerijse)

Afspraak Kerk Neerijse (baan Leuven - Overijse. parking tegenover KBC) - 09u00 Leiding: Frederik Fluyt •

Zaterdag 20 mei: ljsevallel

Afspraak Gemeenteplein Huldenberg - 09u00. Leiding: Frederik Fluyt •

Zaterdag 17 juni: Doode Bemde (Neerijse)

Afspraak Kerk Neerijse (baan Leuven - Overijse, parking tegenover KBC) - 09u00 Leiding: Frederik Fluyt •

36

Zaterdag 15 juli: ljsevallei

Afspraak Gemeenteplein Huldenberg - 09u00. Leiding: Frederik Fluyt


Noordse Goudvinken van Russische oorsprong werden voor de tweede opeenvolgende winter veelvuldig waargenomen in de regio Leuven. Huldenberg, januari 2006. (Foto: Frederik Fluyt)


Mannetje Geelvlekheidelibel Sympetrum flaveolum , een opvallende invasiegast tijdens de zomer van 2005. Rodebos Huldenberg, juli 2005 (Foto Frederik Fluyt)

Profile for Natuurstudiegroep Dijleland

De Boomklever Maart 2006  

De Boomklever Maart 2006  

Profile for nsgd
Advertisement