__MAIN_TEXT__

Page 1

'

NATUURSTUDIEGROKI? DIJLELAND �

BEEKJUFFER SLEEDOORN PAGE SPITSKOPJE HAMSTER • HAVIK EIKELMUIS RATELAA APPELVINK WESP BOSRIETZANGER

_,:-��,

Tiidschrift van de Natuurpunt Natuurstudiegroep Diileland

Jaargang 33

-

maart 2005


NATUURSTUDIEGROEP DIJLELAND Regionale natuurhistorische werkgroep van Natuurpunt vzw

Bestuur Voorzitter: Paul Herroelen, Mensenrechtenlaan 22, 1070 Brussel, 02.524.28.52 Secretaris: Frederik Fluyt, Spitsberg 4, 3040 Huldenberg, 0479 92 01 72 Penningmeester: Kris Van Scharen, Korbeekstraat 27, 3061 Leefdaal, 02.767.26.38, Bestuursleden: •

Monique Bekkers Oostremstraat 4, 3020 Herent, 016.23.13.38

André Verboven, Groeneweg 60, 3001 Heverlee, 016.23.81.84

Kelle Moreau, Celestijnenlaan 27a bus 0201, 3001 Heverlee, 0486.12.58.77

Joris Menten, W. De Croylaan 49/21, 3001 Heverlee, 0495.27.53.93

Herwig Blockx, Rue du Culot 42, 1320 Tourinnes-la-Grosse, 010.86.24.66

Maarten Hens, J. Vandezandestraat 2, 3050 Oud-Heverlee, 016.40.98.70

Hans Roosen, abstraat 101, 3090 Overijse, 02.687.95.18

Vogelwerkgroep •

Themaverantwoordelijke en watervogeltelling: Maarten Hens, J. Vandezandestraat 2,

3050 Oud-Heverlee, 016.40.98.70, maarten.hens@skynet.be •

Waarnemingen en archief, roofvogeltelling: Kelle Moreau,

Celestijnenlaan 27a bus 0201, 3001 Heverlee, 0486.12.58.77, kelle.moreau@bio.kuleuven.ac.be •

Project Bijzondere Broedvogels, trektellingen: Frederik Fluyt, Spitsberg 4, 3040

Huldenberg, 0479 92 01 72, freek@village.uunet.be Werkgroep zoogdieren Themaverantwoordelijke, IWB-marterproject, waarnemingen en archief: Kelle Moreau,

Celestijnenlaan 27a bus 0201, 3001 Heverlee, 0486.12.58.77, kelle.moreau@bio.kuleuven.ac.be

Werkgroep ongewervelden Themaverantwoordelijke: André Verboven, Groeneweg 60, 3001 Heverlee,

016.23 .81.84, andre.verboven@chello.be Plantenwerkgroep Themaverantwoordelijke: Joris Menten, W. De Croylaan 49/21, 3001 Heverlee, 0495.27.53.93

pjoris@advalvas.be of joris_menten@merck.com Website www .natuurpunt.be/dijleland

Rondzendlijst Dijleland: stuur een blanco e-mail naar dijlevallei-subcribe@yahoogroups.com


De Boom.klever

INHOJD

Driemaonde/J/ks ti;dschnff van Natuurstudiegroep Di;leland natuurhistorische werkgroep van Nafuurpunt vzw.

BUITEN GEKEKEN

Redactiekern Herwig Blockx, Frederik Fluyt,

Op weg naar de Zweedse lente ......... ..... . . .................. 2 . .

.

Maarten Hens, Paul Herroelen, Kelle Moreau en Kris Van Scharen

ONGEWERVELDEN

Redactie-adres Artikels of korte bijdragen worden verwacht op het redactiesecretariaat, p/a Frederik Fluyt, Spitsberg 4,

3040 Huldenberg

Onderzoek naar loopkevers in natuurreservaat 'De Doode Bemde' ............................................................5 De mystereuze Geurvlieg in Meerdaalwoud................. 12

E-mail: freek@village.uunet.be

Een Lederboktor in Leefdaal............. ......... .................... 13 .

Het copyright van de teksten en tekeningen blijft bij de auteurs en tekenaars. Over­

. .

De watervlooienfauna van de zuidelijke Dijlevallei ....... 14

name is mogelijk mits hun uitdrukkelijke toelating

Abonnement Geïnteresseerden kunnen De

VOGELS

Boomklever ontvangen door

Opmerkelijke vogelwaarnemingen in de Dijlevallei

overschrijving van 5 EUR op

en omgeving, december 2004 februari 2005 ............ 18 -

rekeningnummer

001-1552168-50 van Studie­ groep Dijleland p/a Korbeek. straat 27, 3061 Leefdaal met opgave van naam en adres.

Broedvogelinventarisaties in het voorjaar 2005 ............27 Exoten onder de vogels in regio Leuven, 2004...............32

Een steunabonnement kost

10 EUR of meer.

PLANTEN Natuurpunt

vzw

Natuurpunt vzw is de grootste

De E40 kleurt je landschap............................................37

vereniging voor natuur en landschap in V laanderen. Ze telt 54.000 leden en beheert

14.000 hectaren natuurgebied.

A CT/V/TE/TEN

Lid worden van Natuurpunt vzw kan door storting van 20 Euro op rekeningnummer

230-0044233-21. www.natuurpun.t.be

Activiteitenkalender voorjaar en zomer 2005 ..............39


Butfen gekeken

Op weg naar de Zweedse lente Kap Arkona, 10-4- '02 Als we uitstoppen, scheert de eerste langs. Een door de snelheid vertekende grauwe schim, hooguit 20 cm boven het wandelpad. "Door, een sperwer" roep ik hem achterna. Voelt hij zich bekeken? In ieder geval neemt hij "op zijn sperwers" een bruuske bocht. Ik kon nog net zijn staartbonden zien vooraleer hij de helling afzeilt en snel zigzaggend tussen de bomen verdwijnt. "Heb je hem gezien ? Hij kwam hier op 3 meter voorbij ... " vraag ik aan Hodewig moor alles bijéén heeft dit zich in een fractie van een seconde afgespeeld. "Nee, ik keek net naar de andere kont. We zullen moor zeker direct onze verrekijker nemen ?" Zo gezegd, zo gedaan. Terwijl ik de telescoop uit de koffer hooi, komt een tweede en een derde sperwer langs. Even spelen ze krijgertje op de opstijgende zeewind boven het talud moor vervolgen don in elkaars kielzog hun weg. De toon is gezet. Ik weet nu wat ik kon verwachten. Die laatste twee heeft Hodewig ook gezien: "Is dot normaal ? Zo direct 3 ochteréén ?" Het antwoord is éénvoudig. We staan op het noordelijkste puntje van Rügen: de kustlijn van het eiland buigt hier of en ligt hier ruwweg west-oost georiënteerd. Alle trekvogels die hier op het water van de Baltische zee "botsen" buigen noodgedwongen met de kustlijn mee oostwaarts of om uiteindelijk terecht te komen aan de vuurtoren van Kop Arkono, het "point of no return". We kunnen vanaf hier de rood/zwart gestreepte vuurtoren zien. Alle Scandinavische sperwers die, al of niet opzettelijk, via dit eiland Duitsland de rug toe keren, worden door de topografie van de westelijke en oostelijke kustlijn hier verzameld. Terwijl we het pad naar de vuurtoren aflopen, kijk ik voortdurend achterom. De kust is hier naar Belgische maatstaven wondermooi. Geen flatgebouwen, geen spuuglelijke campings, geen villa's in de duinen, niks ... Achter de kustlijn is er open veld met hier en door een boerderij weggestoken tussen groepjes bomen. De kuststrook is een steil talud met zo'n 30 m hoogteverschil. Op de helling zelf is er grazige vegetatie met lijsterbessenstruiken en ook hogere bomen die de stevige zeebries moeten trotseren. Op sommige plaatsen wordt de helling onderbroken door diepe erosiegeulen die dicht begroeid zijn met duindoornstruweel. Ik ben hier ol 2 mooi eerder geweest. Ik vraag me dikwijls of waarom ik toch altijd dezelfde plekken opzoek. Vandaag hoef ik niet long no te denken. Als je halverwege de helling naar omlaag kijkt kon je, omlijst door de tokken van de bomen, het strand en het blauwe zeewater zien. Bovenop het kusttolud loopt een wandelpad waar je door het hoogteverschil een vrij uitzicht hebt op kilometers Baltische Zee. Wie biedt meer? Ik weet ondertussen ook waar dot kanonnetje stoot waaruit al die sperwers worden afgeschoten. Met de kijker houd ik even het bewuste bosje in het oog: "Eén, twee, drie, vie, ... JA. Herladen nu: één, twee, drie, vier vijf, ... JA, euh, JA" Dot laatste was een dubbelschot want er doken twee sperwers tegelijk op aan de horizon. Het duurt ongeveer een minuut voor ze hier belanden. Het steile talud naar de zee toe is een zegen want de meeste vogels passeren hier op ooghoogte. "Door, was dot geen mannetje ? " wijst Hodewig als een volgende razende roelond longsjokkert. Zonder twijfel: oranje borst, blauwgrijze rug en gele ogen. De éne no de andere sperwer stormt ons voorbij, net alsof ze schrik hebben te loot te komen op een belangrijke afspraak.

2


Buiten gekeken

Sommigen naderen op kniehoogte boven het pad. Voor hen is het wandelpad een gedroomde jachttunnel tussen de struiken en het geboomte. Als ze ons zien , zwenken ze enkele meters uit en gaan dan vastberaden weer op koers. "Als je de gele ogen kan zien, laat je best je kijker hangen" luidt mijn advies bij deze Sturm und Drang. "Vliegen die nu ginder de zee op ?" gebaart Hadewig naar de vuurtoren. Dat moet bijna wel. De Zweedse lente begint nu (begin april) nog maar net, maar deze sperwers doen er kennelijk alles aan om niet te laat te zijn op hun lente-afspraak. Even later zie ik een vrouwtje sperwer laag over het strand naderen en plots schuin afslaan pal de zee in. Zonder een moment te aarzelen vliegt ze kaarsrecht door, een meter boven de golven. Stond daar op het strand een wegwijzertje "Zweden" ? "Die komt seffens nog terug" denk ik bij mezelf want haar soortgenoten wagen zich hier nog niet aan de oversteek. Enkele minuten later moet ik mijn ongelijk bekennen: de vogel is op een mum van tijd verdwenen. Hoe weten die vogels die hier oversteken dat 50 km verder het beloofde land ligt ? De overkant kan je immers pas zien na dik 35 km open water. Voor hetzelfde geld vliegt deze sperwer de open zee op, een zekere dood tegemoet, tenzij ... Tenzij hij weet dat er een bereikbare overkant is. Wordt er in de hersenen van een trekvogel al tijdens de eerste herfst "een landkaart uitgetekend" ? Op zee, het is en blijft de Baltische, is ook heel wat te zien. Groepjes langstrekkende zwarte zeeëenden, 3 parelduikers in vlekkeloos zomerkleed, eidereenden, een roodhalsfuut en vooral groepjes ijseenden. Eén van de redenen waarom we naar hier kwamen: ijseenden in zomerkleed. Dat laatste valt eerlijk gezegd een beetje tegen. De meeste vogels zitten midden in de rui van winter- naar zomerkleed en het overwegend donkere zomerpakje doet onder voor hetgeen we zo goed kennen van Brouwersdam. Ik zie nu een schim naderen, halfweg de helling. Andermaal een prachtig mannetje sperwer. Hij laveert snel tussen de bomen, ondertussen takken en twijgen vermijdend alsof het niets is. "Ik kan er even goed een jachtpartij van maken" is zijn reismotto. Een grotere roofvogel komt nu in zicht. Een rode wouw, statig passeert ze mijn staanplaats. Vanop nauwelijks 25 meter bekijken we elkaar: "Bleke ogen, gele washuid" denk ik. "Donkerbruine ogen, een bril"

denkt waarschijnlijk de wouw. Ze vliegt de sperwers achterna: met elastische

vleugelslagen vordert ze, richting vuurtoren. Boven de akkers is er ook roofvogeltrek: een mannetje en een vrouwtje bruine kiekendief worden gevolgd door een grote grijze valk ... Neen, toch niet. Laag boven de grond ·Scheert er een zoveelste sperwer langs: een afvallige die de beboste zeereep links laat liggen. Als ik me omdraai zie ik dat ik bijna een volgend prijsbeest gemist heb. Een magnifieke visarend, al even kortbij als die wouw daarnet. De arend draait één rondje, werpt ondertussen een strenge gele blik op die rare tweebener, en neemt zijn plaats terug in op de roofvogelostrade. Alhoewel ik hem hier wel verwacht had blijf ik zo'n visarend toch altijd geweldig vinden. Ongetwijfeld puur jeugdsentiment waarvan de roots stevig te Sint­ Agatha-Rode verankerd liggen. Ik kijk terug in de richting van het roofvogelkanon. En jawel, er wordt vandaag met scherp geschoten. Lange vleugels, een witte U op de borst, donker gevlekte buik, een gestreepte "wouwenkop". Zeis als ik zijn typische staarttekening niet zo goed zou gezien hebben, was er geen twijfel mogelijk. Als een ruigpootbuizerd zo op een presenteerblaadje op ooghoogte voorbijkomt, denk je alleen maar "nog van dat".

3


Buiten gekeken

En dat kan hier: binnen de volgende l 0 minuten komen er nog eens 2 ruigpootbuizerden beeldvullend in zicht. Als ik mijn blik afwend van de roofvogelophoestende horizon om het veld landinwaarts af te turen flapt ruigpoot nummer 4 laag langs. Ik laat me bijna vangen aan een korte bidsessie van zijnentwege: als ik me omdraai zie ik nog net de achterkant van een tweede rode wouw. Ik kan nog genieten van haar kantelende roestrode staart. "Morgen sta ik hier terug" denk ik bij mezelf. Ondertussen ben ik vlakbij de vuurtoren aanbeland. Waar is dat peloton roofvogels naartoe

? Vlakbij de vuurtoren ligt een flinke lap ruige graslanden. Versleten prikkeldraadafsluitingen en duindoornstruweel completeren deze "draaihals"spot. "Tien april is te vroeg voor draaihalzen" hou ik mijzelf voor terwijl ik de graslanden afspeur. In de kijker ontdek ik

7

stipjes. De telescoop verraadt dat de grotere roofvogels een pauze hebben ingelast: 2 rode wouwen, 2 bruine kieken en 3 ruigpootbuizerden zitten er van het zonnetje te genieten. Waarop wachten ze eigenlijk ? Moe gevlogen ? Gaan ze pas morgenvroeg door ? Is de inwendige kaart niet onfeilbaar en hebben ze een acute aanval van watervrees ? Van de tientallen sperwers is geen spoor meer. Zijn zij de kromsnavels met ĂŠcht vikingbloed ? We keren terug langs het strand. Het is bezaaid met prachtige granietblokken in alle maten, vormen en kleuren. Met een veel zwaardere rugzak dan daarstraks bereiken we de auto. Een paasvakantie kan raar verlopen: eigenlijk stonden we een week geleden klaar om zuidwaarts te vertrekken. Een serie uitzonderlijk zware regenstormen verijdelde dat plan: het regende op de plaats van bestemming al een week aan een stuk pijpenstelen. EĂŠn blik op de weerkaarten was voldoende om de tegengestelde richting in te slaan. Ik heb ondertussen weer wat bijgeleerd over het weer: in een hogedrukgebied "regent" het op sommige plaatsen sperwers. Geef mij toch maar die laatste, de pijpenstelen of oude wijven mogen ze van mij houden ...

Herwig

4


Onge wervelden

Onderzoek naar loopkevers (Coleoptera Carabidae) in Natuurreservaat "De Doode Bemde" (Huldenberg) Enkele jaren reeds voert de Natuurstudiegroep Dijleland onderzoek uit naar de loopkevers in de Doode Bemde. Het doel van het onderzoek is het beheer te toetsen aan andere organismen dan de traditionele planten en broedvogels. In dit artikel geven we een kort overzicht van de proefopzet en beschrijven we de eerste tussentijdse en onvolledige resultaten.

Studieopzet De Dijlevallei werd tot voor WOll gekenmerkt door een open, relatief boomvrije vlakte. De graslanden werden beheerd als hooiland, eventueel me nabegrazing in de zomer. In welke mate ze jaarlijks overstroomden is de vraag. Zeker is dat ze van tijd tot tijd overstroomden. Om dit gebruik mogelijk te maken werd de vallei ontwaterd door middel van zogenaamde leigrachten. De Leigracht waarvan in deze studie sprake sloot aan op de Dijle ter hoogte van Korbeek-Dijle. Na WO Il veranderde landbouwpraktijk, zodat er minder nood was aan hooiland.

De meeste graslanden werden omgezet naar meer winst gevende

populierenbossen en maĂŻsakkers. Het natuurbeheer in de Doode Bemde is in grote mate gericht op het herstel van deze historische graslanden. Hiervoor worden de akkers en populierenbossen terug omgezet naar grasland. Het doel is een areaal van co

50 ha hooilanden te bekomen. Andere delen van

de vallei zullen ontwikkelen tot (broek)bos, de natuurlijke climaxvegetatie. Een bijkomend ingreep die recent gebeurde is de aansluiting van de Leigracht op de ljse ter hoogte van haar monding in de Dijle. Door de aansluiting meer stroomopwaarts te plaatsen wordt het gebied minder sterk ontwaterd. Daarnaast kan bij hoge waterstand vanuit de ljse en de Dijle water in het gebied stromen De invloed van deze ingrepen kan duidelijk gezien worden

1). We zien een verhoging van de zomerminima en een maandenlange overstroming van het gebied tijdens de winters van 2002 en 2003.

in de gegevens van peilbuizen (Figuur

Op botanisch vlak lijken deze ingrepen positieve resultaten op te leveren. De beheerde terreinen evolueren naar dottergraslanden of grote-zegge-vegetaties (Figuur

2). Dit wordt

vastgesteld aan de hand van indicatorsoorten als Echte koekoeksbloem, Scherpe zegge of bijv. Grote Trosdravik. De vraag is of dit ook weerspiegeld wordt in de bijbehorende fauna. Om dit te bestuderen is in

1998 een loopkevermonitoring gestart. Twee recent omgevormde

proefvlakken zijn gekozen voor deze studie: l voormalig populierenbos en l voormalige

1997 omgezet naar grasland (door kapping van het bos en inzaaing van de akker). Daarnaast is een hooiland dat reeds 10 jaar in beheer was gekozen als referentie-proefvlak. De 3 uitgekozen proefvlakken liggen naast elkaar langsheen

maĂŻsakker. Beide terreinen werden in

de Leigracht, en bijgevolg kan verondersteld worden dat ze - buiten de uitgangssituatie gelijkaardig waren (Figuur

3).

3 proefvlakken is een serie bodemvallen geplaatst. Een serie bestaat uit 3 vangstpotten geplaatst op een onderlinge afstand van 5 meter. Bemonstering gebeurde van einde maart tot einde juni gedurende de jaren 1998, 1999 en 2004, op wekelijkse basis. In elk van de

5


Ongewervelden

Overstromingen tijdens winter

/

, • •

;!

.') � .

).1

"

' " ..

.

L

t

+

""'-.

• "

.

1

+

." •

. . . ..

\

_,....,._ ­ --- �

"---•

___

Clll:tl1t:I!!

,.-"/

•. ..,. " ...

... ""_...

.. .

----··-----

�--

/

\--

-------­

....��-"'

--._"".,,.

S tlj ging zomerminima

1 :Q(I

Figuur !: Pijlbuisgegevens voor hel onderzochte gebied

Figuur 2: Proefv/ak "Ex-Bos" in hel jaar 2004: een goed ontwikkelde grole­ zeggen-vegelatie.

6


Onge wervelden

Figuur 3: Ligging van de 3 proefvlakken

Resultaten Momenteel zijn ongeveer 803 van de stolen uit 1998 gedetermineerd en verwerkt, 603 van de stolen uit 1999, en 353 van de stolen uit 2004. In totaal werden er 2290 exemplaren van 46 soorten gedetermineerd (Tabel 1). De vijf talrijkste soorten nemen daarvan meer dan 7 53 voor hun rekening. Van elk van deze soorten werden meer dan 100 exemplaren gevangen. Veruit de talrijkste soort is Poecilus cupreus met niet minder dan 1000 exemplaren. Het overgrote deel van deze exemplaren (>800) is in 1998 in de omgevormde akker gevangen. Het is een hygrofiele (vocht-minnende) soort van alluviale gronden. De literatuur vermeldt ook dat de soort de hoogste abundantie bereikt in cultuurland. wat overeenstemt met onze bevindingen. Drie andere zeer talrijke soorten ( Carobus granulatus, Agonum afrum. en Pterostichus nigrito) zijn ook hygrofiel en komen in alle vochtige gebieden voor (eurytoop). Pterostichus nigrito en Agonum afrum lijken talrijker te worden van 1998 tot 2004; mogelijk als gevolg van het natter worden van het gebied. Carabus granulatus lijkt stabiel in aantal. De i brevicolis, is eerder een cultuurtolerante en eurytope soort, zonder vijfde talrijke soort, Nebro specifieke binding aan vochtige gebieden. Deze soort lijkt achteruit te gaan in onze proefvlakken, mogelijk moet deze generalist plaats maken voor de meer gespecialiseerde soorten van vochtige gebieden. Er zijn tot nu toe 5 "Rode Lijst" soorten voor V laanderen (Desender, 1995) gevangen in ons onderzoek. Het betreft 1 bedreigde soort ( Chloenius nigricornis), 3 zeldzame soorten (Agonum viridicupreum, Bodister pe/tatus, en Tachys micros), en 1 achteruitgaande soort (Panagaeus cruxmajor). Alle vijf zijn het sterk hygrofiele soorten die gebonden zijn aan oevers en aan geleidelijke, natuurlijke overgangen van land naar stilstaand water. 7


())

Soort

Trend

Rode Lijst

Biotoop

Proefvlak

Agonum afrum

ns

N

Oevers van stilstaand. eutroof water

B

+++

N

Vochtig/ Bos - Eurytoop

Agonum morginotum

ns

N

Oevers van stilstaand. oligotroof water

A

--

15

Agonum muelleri

ns

N

Droog - Eurytoop

A+H

--

38

Agonum fuliginosum

Agonum thoyeri

+

N

Oevers van stilstaand. eutroof water

Agonum viduum

+

N

Oevers van stilstaand. eutroof water

'98

Evolutie ++

Aantal 224 2

2

Agonum viridicupreum

ns

Zeldzaam

Vochtig grasland

Amora aenea

ns

N

Droog - Eurytoop

+++

N

Vochtig - Eurytoop

Amara familiaris

ns

N

Droog - Eurytoop

Amora lunicollis

++

N

Vochtig - Eurytoop

2

Amara ovata

ns

N

Droge graslanden

2

Amora plebej a

ns

N

Vochtig - Eurytoop

B

Amora spreto

ns

N

Droog - Stenotoop

B

Anisodactylus binotatus

ns

N

Vochtig - Eurytoop

Alle

Asaphidion flavipes

ns

N

Droog - Eurytoop

Badister peltatus

ns

Zeldzaam

Vochtig/ Bos - Eurytoop

2

Bembidion biguttatum

ns

N

Oevers van stilstaand. oligotroof water

6

Bembidion bruxellense

ns

N

Oevers van stilstaand, oligotroof water

Bembidion guttula

ns

N

Vochtig - Eurytoop

Bembidion lampros

ns

N

Droog - Eurytoop

+++

N

Vochtig grasland

A

10

Corobus granulatus

ns

N

Vochtig/ Bos - Eurytoop

B+H

260

Chloenius nigricornis

- - -

Bedreigd

Oevers van stilstaand. eutroof water

Amara communis

Bembidion properans

A

18 4

A+H

5

H

4

7 -

6 25

46

A

4

++

14


r

Soort

Trend

Rode Lijst

Biotoop

Proefvlok '98 Evolutie

Aantal

Clivina fossor

ns

N

Droog - Eurytoop

Alle

16

Dyschirius globosus

ns

N

Vochtig - Eurytoop

4

++

N

Vochtig - Eurytoop

2

ns

N

Droog - Eurytoop

4

Loricera pilicornis

++

N

Vochtig - Eurytoop

A

Nebria brevicollis

+++

N

Droog - Eurytoop

B+H

Nebria salina

ns

N

Droge graslanden

6

Notiophilus substriatus

ns

N

Droge graslanden

2

Oodes helopioides

ns

N

Oevers van stilstaand. eutroof water

Oxyselophus obscurus

++

N

Vochtig - Eurytoop

Ponagaeus cruxmojor

-

Achteruitgaand Vochtig grasland

Elophrus cupreus Horpalus affinis

B+H

--

--

+

--

38 156

31

1000

Poecilus cupreus

ns

N

Vochtig - Eurytoop

A

Poecilus versicolor

ns

N

Droog - Eurytoop

B

47

Pseudoophonus rufipes

ns

N

Ruigten en akkers

A+H

10

Pterostichus anthracinus

ns

N

Oevers van stilstaand. eutroof water

B+H

Pterostichus diligens

ns

N

Vochtig - Eurytoop I Moeras

6

Pterostichus melonarius

ns

N

Droog - Eurytoop

5

Pterostichus nigrita s.I.

ns

N

Vochtig - Eurytoop

Alle

Pterostichus strenuus

+++

N

Eurytoop

B

17

Pterostichus vernalis

+++

N

Vochtig - Eurytoop

H

12

Stenolophus mixtus

++

N

Oevers van stilstaand. eutroof water

Zeldzaam

Oevers van stromend water

Tachys micros

ns

--

++

76

152

2

-

Tabel I: Loopkevers gevangen tijdens de loopkevermonitoring in de Doode Bemde (1998-2004). Kolommen "Trend': "Rode lijst': +++, - - - zeer sterke vooruitgang, achteruitgang; ++, "Biotoop": gegevens voor Vlaanderen uit Desender (1995). Trend: +, - vrji sterke vooruitgang, achteruitgang. Rode Lijst: N =momenteel niet bedreigd - - sterke vooruitgang, achteruitgang; Kolom Proefvlak '98: preferentie voor proefvlak (gegevens uil Doode Bemde, 1998): A =omgevormde akker; B =omgevormd

CD

bos;H =historisch grasland Evolutie: evolutie van '98/'99 naar 2004: ++,- - duidelijke vooruilang, achteruitgang;+, -moge/Jjke vooruitgang, achteruitgang. Aantal." aantal ex. gevangen tijdens onderzoek (voorlopige resultaten '98- 2004)

'"":'!l_B�=·---


Ongewervelden

Chlaenius nigricornis staat in de V laamse Rode Lijst als "bedreigd". Dit is gebaseerd op een sterke achteruitgang van het aantal vindplaatsen en de huidige zeldzaamheid van de soort.

1950 was de soort bekend uit van 41 UTM-hokken van 5X5 km; na 1950 slechts uit 8 UTM­ hokken (Figuur 4). Deze loopkever is gebonden aan oevers van stilstaand eutroof water met Voor

rijke open vegetatie. Ze is bedreigd door verdroging van vochtige graslanden. Mogelijk is ze ook gevoelig voor instroming van meststoffen. In ons onderzoek werd Chlaenius nigricornis niet gevangen tijdens

1998

en

1999,

maar ze werd in

2004

in redelijke aantallen (> 15 exx)

aangetroffen. Wellicht profiteert deze kritische soort van de vernatting in het gebied. Agonum vindicupreum is geklasseerd als "zeldzaam". De soort is bekend uit voor

1950,

en uit

1O

(niet noodzakelijk dezelfde) UTM-hokken na

inventarisatie-inspanning is na

1950,

1950.

10

UTM-hokken

Gezien er een grotere

kan dit betekenen dat de soort enigszins achteruit is

gegaan. Mogelijk is deze loopkever bedreigd door verlaging van de grondwaterstand in V laanderen. In Nederland wordt ze beschouwd als een bruikbare indicator voor de kwaliteit van natte schaduwrijke beekoevers en broekbossen met wisselende waterstand. In ons onderzoek, troffen we Agonum vindicupreum vooral aan in het voormalig akker-perceel. Beide in

1998

en

1999

9 exemplaren; in 2004 is er nog geen exemplaar 353 van de stalen van 2004 geanalyzeerd zijn, is dit nog geen

vingen we

aangetroffen. Gezien slechts

zekere indicatie van een achteruitgang. Van de resterende

3

"Rode Lijst"-soorten slechts enkele exemplaren waargenomen.

1998 is er getracht om de verschillen in uitgangssituatie van 3 proefvlakken te bepalen (kolom "Proefvlak '98" in tabel 1).

Op basis van de gegevens van de loopkeverfauna tussen de

Een aantal kenmerkende soorten van het akker-proefvlak betreft soorten van open grond of schaarse vegetatie. Voorbeelden hiervan zijn Bemb1dion-soorten en Elaphrus cupreus, die je vooral op kale modder aantreft. Bij de soorten die kenmerkend zijn voor het gekapte populierenbos treffen we een aantal soorten aan die eerder in droge terreinen voorkomen (Amara spreta, Poec!lus versicolor; Pterostichus strenuus). Mogelijke verklaringen hiervoor zijn de niveauverschillen die ontstaan zijn bij rooiing van de populieren, de dikke strooisellaag van de populieren, en het voortdurende effect van de verdrogende werking van de populieren.. Het dottergrasland vertoonde weinig of geen duidelijk kenmerkende soorten. Het vervolg van het onderzoek zal erin bestaan na te gaan of de keversamenstelling thuis hoort bij de natte, eerder voedselrijke graslanden. Indien dit het geval is, mag gesteld worden dat het doeltype, dottergrasland, gehaald is.

Figuur

4:

Verspreiding van Chloenius nigricornis in Vlaanderen. •: waarnemingen tot 1950;

o· waarnemingen no 1950. 10


Onge wervelden

Een eerste aanzet van de analyse van vooruitgang of achteruitgang van de verschillende loopkevers in ons onderzoek is gegeven in kolom "Evolutie" in tabel 1. Soorten die duidelijk talrijker waren in 2004 vergeleken met 1998 en 1999 zijn: Agonum ofrum, Chloenius nigrc i ornis, en Pterostichus nigrito. Een mogelijke vooruitgang werd vastgesteld bij Oodes helopiodes. Het betreft hier sterk hygrofiele soorten. De vernatting heeft dus zijn invloed gehad. Soorten duidelijk talrijker waren in 1998 en 1999 zijn: Agonum morginotum, Agonum muellen:

Loricero p1!icornis, Nebrio brevicollis, Poec1!us cupreus, en Pterostichus onthrocinus. Een mogelijke achteruitgang is vastgesteld bij een zestal andere soorten. In een aantal gevallen betreft het hier de meer droogteminnende soorten (Agonum mue//en: Amoro spreto) en de cultuurtolerante eurytope soorten (Nebrio brevicolls i , Lorc i ero ptlc i ornis). Waarschijnlijk moeten ze plaats ruimen voor de hygrofiele soorten die beter aangepast zijn aan de zeer vochtige omstandigheden. Een andere achteruitgaande groep zijn de soorten van open grond en schaarse vegetatie (Bemb1dion guttulo,

mogelijk ook Agonum morginotum en Agonum

virtdicupreum) die kenmerkend waren voor het akker-proefvlak in 1998. Door de ontwikkeling van een dichtere vegetatie verdwijnt het ideale biotoop van deze soorten. Bovenstaand trends moeten met een flinke korrel zout worden genomen. In deze fase van het onderzoek is het moeilijk om reeds duidelijke conclusies te trekken over vooruit- en achteruitgang van bepaalde soorten in onze proefvlakken.

Besluit Dit is slechts een tussentijdse stand van zaken van dit lopende onderzoek. Het is dan ook te vroeg om tot duidelijke conclusies te komen. Als voorlopige trends kunnen we het volgende naar voor schuiven: •

de loopkeverfauna het onderzoeksgebied is gekenmerkt door sterk hygrofiele soorten.

vele soorten hebben een specifieke binding aan oevers van stilstaand, eutroof water; hieronder enkele zeldzame en bedreigde soorten.

de meest hygrofiele soorten lijken vooruit te gaan van 1998 naar 2004 in het gebied, terwijl de eurytope cultuurvolgers en droogteminnende soorten lijken achteruit te gaan.

Meewerken? Ook in 2005 gaat dit onderzoek verder. We komen maandelijks bijeen om de vangsten te determineren. Wil je ook meewereken? Geef je dan op als medewerker: stuur een e-mail naar pjoris@advalvas.be. Met donk aan alle medewerkers van het onderzoek (Els Lommelen, Paul Nuyts. Johan Bogaert. Koenroad Reynaert. Kelle Moreou. André Verboven. René Meeuwis. Jon Verroken. David Muis); Natuurpunt Educatie en V rienden van Heverleebos en Meerdoolwoud voor het ter beschikking stellen van binoculaire microscopen en lokalen; de beheerders van Natuurreservaat "de Doode Bemde" voor de toelating voor het plaatsen van de bodemvallen en Nobby Thys voor het brengen van de bino's en het nakijken van onze determinaties.

Referenties Boeken M (2002) " De Loopkevers van Nederland en V laanderen" Jeugdbondsuitgeverij. Utrecht Desender K. et al. ( 1995) "Een gedocumenteerde Rode Lijst van de zandloopkevers en loopkevers van V laanderen" Mededelingen van het Instituut voor Natuurbehoud. Brussel Turin H (2000) "De Nederlandse Loopkevers. Verspreiding en Ecologie" Nederlandse Fauna 3. KNNV Uitgeverij. Utrecht

Joris Menten

Bart Vercoutere

pjoris@odvo/vos

bverc@scorlet.be 11


....

Onge wervelden

De mysterieuze Geurvlieg in Meerdaalwoud In de loop van 2004 bezocht ik regelmatig het Meerdoolwoud. om founogegevens te verzamelen in kader van de opmaak van het bosbeheerplon voor Meerdoolwoud en het bepalen van de nulsituotie in de omgeving van het toekomstige ecoduct (AEOLUS i.o.v. Aminol Bos & Groen en Aminobel cel NTMB). Op 17 juni 2004 liep ik samen met Geert De Knijf en Robin Guelinckx rond in de Prosperdreef (tussen Wolendreef en Kromme dreef). Deze ligt in het zuidelijk deel van Meerdoolwoud. net ten westen van de Noomsesteenweg (N25). niet ver van de Worondevijver. Onze aandacht werd getrokken door een groot. sloom. onbehendig insect. Omdat niemand van ons het dier kende en het er wel 'typisch uitzag'. maakte ik een reeks foto's. Ik zond deze op hoop van zege op naar onze vliegenspecialist ter zake. Joris Menten. En spoedig kwam het antwoord: het ging om een Geurvlieg

(Coenomyia ferruginea). De Geurvlieg is de enige Europese vertegenwoordiger van de familie der Geurvliegen

(Coenomy1idae). Dit zijn primitieve vliegen. De naam komt van de doordringende koosgeur die ze zouden verspreiden. moor dot hadden we op terrein niet opgemerkt. Als men de vliegen in een insectendoos bewaart. zou men jaren loter nog steeds de geur ruiken... Het is nogal een raadselachtig beest dot niet veel wordt waargenomen. moor wel erg wijd verspreid zou zijn. De soort heeft een heel korte vliegtijd (juni). In Nederland is ze zeldzaam en al gevonden in Zuid-Limburg en de omgeving van de Veluwe. Door is de soort onder andere gevonden door jonge eikenboompjes te schudden. De Geurvliegen vollen don gewoon op de grond wat hun sloomheid illustreert ... (Van Goot. 1985). In BelgiĂŤ is ze 'vrij zeldzaam in het Heuvelland'. Joris Menten nom de soort ooit waar in Elsenborn (Hoge venen). Voorts is ze bekend van Frankrijk. Duitsland. Denemarken. Polen. Europees Rusland. Zuid-SiberiĂŤ en Noord-Amerika.

Geurvlieg Coenomyia ferruginea, boven- en zijaanzicht. Foto's: Jorg Lambrechts. 12


Onge wervelden

Frank Van de Meutter meldt m1J volgende waarnemingen van Geurvliegen in het Meerdaalwoud en Heverleebos: •

02-06-2002:

Heverleebos, Arboretum (aan de parking en langsheen de toen nieuwe

open plek):

6 ex.

05-06-2004: Meerdaalwoud, kruispunt Grezese baan-Walendreef (FS 193288): 2 ex. 05-06-2004 Meerdaalwoud. Grezese baan. aan dikke eik (FS 192297): 1 ex. (hier ook verschillende gouden torren rondvliegend)

Verder zag hij ze ook in de bossen van de Argonne (Noord-Frankrijk) en merkt voorts op dat ze vaak op de bladeren van de jonge bomen zitten. Referentie G OOT. V. S . VAN ( 1985). De snovelvliegen (Rhogiomdoe}, roofvle i gen (Asilidoe) en aanverwante fomt!ies van Noordwest-Europa. - Wetenschappelijke mededelingen van de K oninklijke Nederlandse Natuurhistorische

Vereniging 171: 66 S .. Hoogwoud.

Jorg Lambrechts - Jorglombrechts@hotmOJZcom

Een Lederboktor in Leefdaal Op 11 augustus

2004 vond ik een Lederboktor

(Prionus coriorius) in Leefdaal. Rond 21 uur

30.

in de avondschemering. liep het dier over het veldwegje aan de zuidwestrand van het bosgebied Weeberg, vlakbij het Tersaartbos (UTM FS

12 32).

De brede lichaamsbouw en

ontbreken van stekels op pronotum wijzen er op dat het een wijfjesdier was. Het bos ligt op het plateau (tussen Leefdaal en Neerijse) en wordt gedomineerd door Beuk. De Lederboktor (Prionus coriorius) is de grootste boktor (orde kevers Coleoptero. familie boktorren CerombyCJdoe)van België (tot

5 cm !)

en erg zeldzaam.

In 2002 is de soort waargenomen in het Hallerbos ten zuidwesten van Brussel (Vandekerkhove & Baeté,

2003)

en het Jongenbos in V liermaalroot in Limburg (schrift. med. L. Crevecoeur).

Recent ook in het bosreservaat Kolmont in Tongeren en Zoniënwoud in Brussel (Versteirt et al.,

2000).

Historisch is de soort al bekend van Meerdaalwoud (voor

1950).

van het West-V laams Heu­

velland en de Voerstreek. Recent is ze door diverse waarnemers vastgesteld in Meerdaal­ woud (Kelle Moreau, Wout Willems). Het voorkomen in de Voerstreek is ook recent bevestigd. Bij onderzoek in het Vrouwenbos en Konenbos. in het kader van de opmaak van een bosbeheerplan (E. Stassen & J. Lambrechts, AEOLUS i.o.v. Aminal Bos & Groen) zijn diverse exemplaren waargenomen. Deze soort blijft echter een goede indicator voor waardevolle oude bossen (met voldoende dood hout) en suggereert een hoge ecologische waarde van dit (private) bosgebied.

Referenties VANDE KERKHOVE. K. & H. BAETE (2003). Botanisch pareltje in zoodtuin wordt bosreservoot. Nieuwsbrief IBW. VERSTEiRT. V., DE SENDER. K., GE UDENS. G. & P. GROOTAERT (2000). Determinatie en bio-indicatie van bosgebonden ongewervelden. 3. Ecologische stondplootskorokterisotie van bossen aan de hond van de

everfouno

(Coleoptero). 4. Verkennend onderzoek naar de potentiële waarde van integrale bosreservoten voor het be­ houd van xylobionte orthropoden. KBIN rapport ENT.2001.03 en ENT.2000.04 in opdracht van AMINAL Bos & G roen

(B&G/29/98).

Jorg Lambrechts - Jorglombrechts@hotmo1Zcom 13

'


Onge wervelden

De watervlooienfauna van de zuidelijke Dijlevallei Inleiding De orde van de watervlooien of Cladocera behoort tot de klasse van de schaaldieren (Crustacea) en vormt in onze streken samen met de subklassen van de roeipootkreeftjes (Copepoda) en de mosselkreeftjes (Ostracoda) een belangrijke component van het zoöplankton. Ze komen in zowat alle zoetwatermilieus voor, gaande van tijdelijke poelen tot permanente meren. Watervlooien worden typisch omgeven door een tweekleppige schaal en bewegen zich voort door middel van hun antennen (Figuur

l).

De meeste soorten zijn

filtervoeders (o.a. organisch materiaal, bacteriën en fytoplankton) en kunnen hierdoor, wanneer ze in grote aantallen voorkomen, de heldere toestand van vijvers in stand houden. Bovendien maken ze een aanzienlijk bestanddeel uit van het dieet van juveniele vissen en vele macro-invertebraten.

Soortenlijst Historisch onderzoek naar watervlooien in België werd verricht door Luyten ( 1934). Voor zijn monografie bemonsterde hij verschillende vijvers verspreid over heel het land. In de zuidelijke Dijlevallei ging het om een drietal vijvers, namelijk het Meer van Genval (grondgebied Rixensart en Overijse), het Étang du Gris Moulin (Terhulpen) en de Zoete Waters (Oud­ Heverlee). In deze vijvers werden in totaal

18

watervlosoorten opgemerkt.

d

Figuur 1. Enkele voorbeelden van wotervlosoorten die voorkomen in de zuidelijke Dijlevolle1:· Ceriodophnio pulchello (o), Scopholeberis mucronoto (b), Bosmino longirostris (c), Dophnio pulex (d), Polyphemus pediculus (e), Stdo crystollino

(f),

Simocepholus vetulus (g) en Eurycercus lome/lotus (h) (Enge/hordt 1989). 14


Onge wervelden

Tijdens de periode 2002-2004 werden in het Vlaamse deel van de Dijlevollei ten zuiden van Leuven 31 stilstaande wateren ( 12 poelen en 19 vijvers) bemonsterd om een overzicht te krijgen van de wotervlooienfouno van de regio. De bemonsterde poelen omvatten o.o. poelen aangelegd door het Regionaal Landschap Dijlelond en de poelen gelegen aan hoeve Tersoert (Neerijse). De bemonsterde vijverselectie bestond uit ongeveer alle grote vijvers van de zuidelijke Dijlevollei op Vlaams grondgebied zoals o.o. vijvers van het kasteel van Arenberg (Heverlee), Oud-Heverlee Noord en Zuid, Neerijse Grote Bron, de Zoete Waters (Oud-Heverlee), vijvers van de Doode Bemde (Neerijse) en het Groot Broek (Sint-Agotho­ Rode). In de Molenbeekvollei werden ook de vijvers van de Abdij van Park opgenomen en in de Loonvollei werd de vijver aan het Rodebos (Sint-Agatha-Rode) bemonsterd. Er werden stolen genomen op verschillende tijdstippen in het jaar, door wotervlosoorten een seizoenole successie vertonen. Een momentopname zal dus nooit de volledige diversiteit aan watervlooien in een bepaald habitat weergeven. We wensen hierbij op te merken dot watervlooien net zoals andere zoöplonktongroepen ongunstige omstandigheden (perioden met een te loge watertemperatuur of een te korte fotoperiode, kortom onze winters) overbruggen onder de vorm van zogenaamde rusteieren. Dergelijke rusteieren zijn veelal tot op de soort te determineren, zodat een analyse van de in het sediment aanwezige ruststadia een vollediger beeld van de totale diversiteit aan watervlooien kon opleveren. Dergelijke analyses zijn echter zeer tijdrovend en van vele soorten werd de eimorfologie (nog) niet beschreven in de beschikbare wetenschappelijke literatuur. Bovendien zouden de gegevens van een sedimentanalyse niet te vergelijken zijn met de gegevens van Luyten ( 1934), die enkel naar individuen uit de actieve gemeenschap keek. Het nemen van meerdere stolen in eenzelfde poel of vijver, moor op verschillende tijdstippen, betekent dot de kans dot een zeldzamere soort wordt aangetroffen, groter wordt. Tot op heden werden 38 soorten aangetroffen in de regio op een totaal van 83 soorten die ooit werden waargenomen in België (Tabel 1). De wotervlooienfouno van de zuidelijke Dijlevollei kon bijgevolg als algemeen worden omschreven (463 van de Belgische fauna) en herbergt niet echt zeldzame soorten. We vonden 20 soorten die door Luyten ( 1934) niet werden aangetroffen. Wellicht waren enkele soorten toen ook al wel aanwezig, en volt de langere soortenlijst deels te verklaren door de opname van een groter aantal vijvers en poelen en een groter aantal staalnamen. Het is opvallend dot grotere waterpartijen doorgaans een rijkere wotervlooienfouno hebben, wat verklaard kon worden door het hoger aantal microhobitotten dot een grotere vijver herbergt. Mits het verbeteren van de waterkwaliteit (terugdringen van de eutrofiëring) en het herstel van de vijvers in het studiegebied naar woterplontrijkere wateren, kunnen in de toekomst zeker nog nieuwe soorten worden aangetroffen. Onder de waargenomen soorten vermelden we kort enkele taxa die een speciale voedingswijze hebben ontwikkeld. Zo foerageert S copholeberis mucronoto met de buikzijde aan het wateroppervlak, dit in tegenstelling tot de meeste wotervlosoorten die zich ophouden in de waterkolom of op de bodem en door met behulp van hun bladvormig afgeplatte poten (phyllopoden) het water filteren. Polyphemus pedi culus is één van weinige roofwotervlooien die door middel van zijn sterk verlengde antennen andere watervlooien vangt. Andere soorten hebben zich aangepast om zich te voeden tussen de waterplanten, zoals o.o. Sido crystollino die door middel van een nekzuignop zich kon vasthechten aan de waterplanten (Figuur 1 ) .

15


Ongewervelden

Naast de algemeen voorkomende watervlooien, kunnen in onze streek ook enkele soorten van de verwante, maar veel zeldzamere kieuwpootkreeftjes (Anostraca), kopschildkreeftjes (Notostraca) en schelpkreeftjes (Conchostraca) worden opgemerkt (Figuur 2). Deze groepen komen enkel voor in tijdelijke en meer troebele habitatten, zoals karrensporen. uitdrogende depressies en poelen. De vertegenwoordigers van deze groepen worden echter veel groter dan de watervlooien (de grootste watervlo Dophnio mogno wordt maximaal 6 mm groot; adulte Anostraca en Notostraca worden groter dan 2 cm).

Soort Acroperus harpae

1934 x

1

Afona affinis Afona costata

Poelen (12)

Vijvers (19)

Habitatvoorkeur

4

Waterplanten

1

5

Waterplanten

1,3

Waterplanten

0,7

x

Afona quadrangufaris

x

Afona rectangufa

x

3

Afone/la excisa Afone/la nana

x

Bosmina coregoni

x

Bosmina fongirostris

x

1

Grootte (mm)

2

Waterplanten

0,7

8

Waterplanten

0,5

1

Waterplanten

0,4

1

Waterplanten

0,3

Open water

1,5

14

Open water

1,2

Ceriodaphnia faticaudata

1

Waterplanten

0,9

Ceriodaphnia pufchella

9

Open water

0,9

Ceriodaphnia quadrangufa

3

Open water

0,9

13

Bodem

0,5

1

Open water

1,3

Chydorus sphaericus

x

4

Oaphnia ambigua Daphnia cucullata

x

Open water

2,5

Daphnia gafeata

1

12

Open water

2,5

Daphnia magna

2

11

Open water

6

Oaphnia obtusa

5

Open water

3,5

Daphnia parvuf a Daphnia pufex

3

3

Open water

1,3

6

Open water

2,5

Disparafona rostrata

x

5

Bodem

0,7

Eurycercus famellatus

x

4

Waterplanten

4

Graptofeberis testudinaria

x

1

Waterplanten

0,7

lliocryptus agilis

x

8

Bodem

1

10

Bodem

1, 1

3

Bodem

1,2

Leydigia feydigi

8

Bodem

1

Macrothrix faticornis

5

Bodem

0,7

Megafenestra aurita

1

Oppervlakte

2, 1

7

Waterplanten

0,8

Pfeuroxus denticufatus

1

Waterplanten

0,6

Pfeuroxus trigonellus

1

Waterplanten

0,7

2

Waterplanten

0,8

Pfeuroxus uncinatus

8

Waterplanten

0,8

Pofyphemus pedicufus

3

Open water

1,8

12

Oppervlakte

1,2

2

Waterplanten

4

7

Waterplanten

3

lliocryptus sordidus Leydigia acanthocercoides

Pfeuroxus aduncus

Pfeuroxus truncatus

Scaphofeberis mucronata

x

x

x

1

1

x

Sida crystallina Simocephafus vetufus

x

3

Tabel/. Soorten/ijst van de aangetroffen watervlooien in de zuidelijke Di;levallei Voor elke soort worden naast de welenschappeli;ke naam telkens ook de historische meldingen, hel aantal waarnem1ngsplaalsen 1n enerzi;ds poelen en anderzi;ds vi;'vers, de habtfatvoorkeur en de maximale grootte van de betreffende soort weergeven.

16


Onge wervelden

\

Figuur 2. Twee vertegenwoordigers van de veel grotere, moor ook zeldzamere kieuwpootkreeftjes (Anostroco) Bronchipus schoefferi(2 cm, links) en kopschildkreeftjes (Notostroco) Triops concriformis

(/0 cm,

rechts).

Historisch gezien komen er in België slechts drie onostroken { Chirocepholus diophonus, Siphonophones grubei en Bronchipus schoeffen), twee notostraken (Lep1durus opus en Triops concnformis) en één conchostrook (Limnodio lenticulors i ) voor {Loneux 2002). Tot slot merken we nog op dot er in onze regio ook een melding van een Oost-Europese vertegenwoordiger van de schelpkreeftjes bekend is. Leptestherio doholocensis ( 1 cm) werd waargenomen in één van de vijvers van de Abdij van Park {Heverlee) in 1988. De soort werd door onvrijwillig geïntroduceerd bij het bepoten van Karper { Cyprinus corpio) afkomstig uit Hongarije (Brendonck et al. 1989), moor werd sindsdien niet meer opgemerkt ondanks een specifieke monitoring van zowel de actieve plonktonpopuloties als de vijversedimenten (2002 en 2003). Eventuele waarnemingen van kieuwpoot-, kopschild- en schelpkreeftjes kunnen steeds worden doorgegeven aan de auteurs.

Referenties Brendonck L, Goddeeris B, Martens K (1989) Leptestherio doholocensis (Rüppel. 1837). a conchostrocan new lor the Belgian fauna. Bulletin van het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen, Biologie, 59:59-62. Engelhardt W (1989) Venen. plassen en poelen: flora en fauna. Thieme, Baarn. Loneux M (2002) Actual presence of large branchiopods in Belgium: appeal to the field naturalists. Bulletin van het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen, Biologie, 72 suppl.: 89-91. Luyten M (1934) Over de oecologie der Cladocera van België. Biologisch Jaarboek Dodonea. l :32-1 79.

Gerold Louette

Kelle Moreou

gerold.louette@bio.kuleuven.oc.be

kelle.moreou@bio.kuleuven.oc.be

17


Vogels

Opmerkelijke vogelwaarnemingen in de Dijlevallei en omgeving, december 2004 februari 2005 Dit overzicht van opmerkelijke en interessante vogelwaarnemingen in de Dijlevallei en omgeving beslaat voornamelijk de periode december 2004 - februari 2005. De bestreken regio omvat de gemeenten Kortenberg, Herent, Bertem, Leuven, Oud-Heverlee, Huldenberg, Overijse en Tervuren en de aangrenzende gebieden. De volgende rubriek zal de periode maart - mei 2005 omvatten. Waarnemingen worden voor 10 juni 2005 verwacht bij Kelle Moreau,

Celestijnenlaan

27 A,

bus

201,

3001

Heverlee,

t:

0486/125877,

e:

kelle.moreau@bio.kuleuven.ac.be.

Tijdens de winter 2004-2005 werden de Dijlelandse vogelkijkers niet bepaald verwend met schaarse wintergasten die onze streken onder invloed van extreme klimatologische omstandigheden aandeden. Zoals we dat tegenwoordig gewoon zijn winterde het in de behandelde periode dan ook nauwelijks, met een gemiddelde wintertemperatuur van 3,3 °C (ten opzichte van het langjarig gemiddelde van 3, 1 °C) en een totale zonneschijnduur van 197 uren (t.o.v. 168 uren in de gemiddelde winter) kunnen we van een eerder zachte winter spreken. Ook de neerslag gedroeg zich normaal (neerslagtotaal van 191,5 l/m2 t.o.v. 186,8 l/m2 ; aantal neerslagdagen 58 t.o.v. 55). Traditionele wintersoorten als Grauwe Gans, Bergeend, Blauwe Kiekendief, Pontische Meeuw en Waterpieper werden tijdens de afgelopen winter regelmatig opgemerkt, zoals dat tegenwoordig de gewoonte is. Nonnetje (9 onafhankelijke gevallen), Grote Zilverreiger (tot min. 10 ex.), Smelleken (8 waarnemingen op 4 locaties) en Watersnip (grootste groep 123 ex.) lieten zich in positieve zin opmerken, en voor het eerst overwinterde er een Kleine Zilverreiger in de Dijlevallei. Soorten als Smient, Pijlstaart, Grote Zaagbek (slechts 1 ex.), Witgat, Bokje (3 ex. op één dag) en Barmsijs vielen dan weer wat tegen. Opmerkelijk waren ook de bijzonder lage aantallen overwinterende Kepen en Sijzen. Roerdomp en Klapekster, beiden soorten die de voorbije winters voor redelijk wat animo zorgden, ontbraken volledig tijdens de echte wintermaanden. Als tegengewicht voor deze erg matige vogelwinter kregen we wel wat Pestvogels en nooit geziene aantallen Noordse Goudvinken te verwerken, terwijl ook de reeds eerder ingeweken Kruisbekken mooi verspreid over de regio aanwezig bleven. Verder duNen steeds meer zangvogels (soorten die normaal naar Z-Europa en N-Afrika trekken) tegenwoordig al eens overwinteren. Zo waren er deze keer, naast de steeds vaker opgemerkte Tjiftjaffen, enkele midwinterwaarnemingen van Zwartkop, en er overwinterde minstens één Roodborsttapuit in de streek. Ook de Zwarte Roodstaart werd enkele keren opgemerkt. Van Ooievaar, Goudplevier en Slechtvalk kon tijdens de winter telkens één geval worden genoteerd. Bij de lokale standvogels vielen enkele waarnemingen van Middelste Bonte Specht buiten de gekende broedgebieden op, en ook de Cetti's Zanger verspreidde zich verder over de regio. Enkele zingende Kruisbekken deden hopen op wat broedgevallen in de streek. In februari lieten de eerste stuiptrekkingen van de voorjaarstrek zich optekenen onder de vorm van onder meer een Ooievaar, een Wulp en een Boomleeuwerik. Waarnemingen van onder meer Knobbelzwaan, Krakeend, Slobeend, W intertaling, Tafeleend, Kuifeend, Patrijs, Dodaars, Fuut, Aalscholver, Blauwe Reiger, Havik, Waterral, Kievit, Houtsnip, Kerkuil, Steenuil, Ijsvogel, Zwarte Specht, Kleine Bonte Specht, Veldleeuwerik, Grote 18


Vogels

Gele Kwikstaart, Witte Kwikstaart, Graspieper, Kramsvogel, Koperwiek, Vuurgoudhaan, Glanskop, Matkop, Ringmus, Keep, Putter, Sijs, Goudvink, Appelvink, Geelgors, Rietgors en alle exoten werden niet in dit verslag opgenomen, maar wel verwerkt. Hetzelfde geldt voor niet nader gedetermineerde ganzen en zilverreigers. Ook een anonieme melding van een Zeearend op 22/01 te Sint-Agatha-Rode/Grootbroek werd niet weerhouden.

Grauwe Gans Anser anser De herkomst van Grauwe Ganzen in het Dijleland wordt de laatste jaren steeds moeilijker te beoordelen. Vooral langdurig pleisterende individuen en duo's worden er vaak van verdacht van niet-wilde oorsprong te zijn, zelfs wanneer ze een schuw gedrag en alle uiterlijke kenmerken van wilde Grauwe Ganzen vertonen. In deze categorie kunnen voor de winter 2004/2005 drie afzonderlijke gevallen (2 solitaire ex. in december en een pleisterend duo van begin januari tot minstens half maart; versch. waarn.) worden ondergebracht. De volgende gegevens hebben zeker betrekking op trekkende en pleisterende wilde Grauwe Ganzen: 01/01

3 ex. naar Zover Oud-Heverlee/Z (J. Rutten: l 2u45)

15/01

7 ex. naar N over Huldenberg/Spitsberg (F. Fluyt: voormiddag)

13/02

52 ex. naar NO over Huldenberg/Spitsberg (F. F luyt; co l 4u), 67 ex. pleisterend te Leefdaal/plateau (M. Hens,

J. Rutten: co l 5u), vertrekken om 15u19 in N-richting

(M. Hens), 17 ex. naar N over Florival (R. Guelinckx: co l 8u) 16/02

35 ex. te Oud-Heverlee/N (weilanden) (S. Horemans: 17u)

21/02

16 ex. naar NO over Overijse/Maleizen (S. Peten: l 4u12)

Bergeend Tadorna ladorna Er werden tijdens de winter 2004/2005 in totaal 57 waarnemingen van deze soort doorgegeven. Op de Grote Bron te Neerijse en het Grootbroek te Sint-Agatha-Rode, de traditionele Bergeendenvijvers in de zuidelijke Dijlevallei. werd het najaarsmaximum van 7 ex. op 25 en 28/11 pas overschreden wanneer op 26/12 in totaal 8 ex. geteld werden (B. Net, L. Hendrickx). Op 29/12 verbleven 10 ex. te Oud-Heverlee/N (W. Desmet, P. Van Nuys) en vanaf 02/01 werden het er 12, nu terug te Neerijse (K. Moreau). Vervolgens groeide de groep als volgt: 20 ex. vanaf 15/01 (meestal te Sint-Agatha-Rode; M. Hens e.a.), 25 ex. vanaf 25/01 (Oud-Heverlee/N; K. Moreau), 26 ex. vanaf 19/02 (Sint-Agatha-Rode; F. Fluyt), 28 ex. vanaf 20/02 (SAR en Neerijse; K. Moreau, F. F luyt, B. Creemers) en 33 ex. vanaf 27 /02 (SAR; F. Fluyt). Buiten het gebied van Oud-Heverlee tot Sint-Agatha-Rode werden Bergeenden waargenomen te Gastuche (resp. 1 en 6 ex. op 18/ 12 en 09/01; B. Net) en in het park van Tervuren (2 ex. op 25/02; A. Reygel). Te Kwerps werd de soort vanaf 18/ 12 elf keer opgemerkt (R. Ghijsen, F. Vandekeybus, M. Depauw, M. Hens,

J. Rutten), met waarnemingen van meer (J. Rutten). Te

dan ĂŠĂŠn ex. op l 0/02 (2 ex.), op 21/02 (min. 4 ex.) en van 22 tot 28/02 (2 ex.)

W ilsele zaten resp. l en 2 ex. op 12 en 13/02 (K. Moreau, M. Bekkers, M. Hens).

Smient Anas penelope 24 waarnemingen tijdens de behandelde periode. Nadat tijdens december en begin januari slechts maximaal 4 Smienten door de Dijlevallei zwierven (W. Desmet e.a.) zaten er op 07/01 16 ex. te Oud-Heverlee/N (W. Desmet). Tot het einde van de periode waren hier nadien meestal l O ex. aanwezig (G. Vandezande e.v.a.), met grotere aantallen op 15/01 (22 ex.: M.

J. Nysten) en op 12/02 (12 ex.; K. Moreau, M. Hens). Ten N van Leuven waren er waarnemingen in het Provinciaal Domein te Kessel-Lo ( 1 v op 23/ 12; E. Hens, K. Van Scharen, B. Creemers,

Toorman) en te W ilsele (resp. 2m en l ml v op 31/12 en 07/01: S. D'Hont, K. Moreau, M. Hens). 19


Vo els

Pijlstaart Anas acuta Tijdens de winter 2004/2005 was de P ijlstaart in de Dijlevallei quasi permanent vertegenwoordigd, zij het in bijzonder lage aantallen. Er werden 33 waarnemingen ontvangen, allemaal van ten Z van Leuven, en slechts drie keer ging het om meer dan 2ex.: 2m1v te Oud-Heverlee/N op 29/12 (W. Desmet) en te Neerijse/Grote Bron op 05/01 (K. Moreau) en 3m 1v te Sint-Agatha-Rode/Grootbroek op 26/02 (F. Fluyt).

Kuifeend Aythya fulg i ula 26/12

x

Tafeleend Aythya tenno

1v te Oud-Heverlee/N

(L.

Hendrickx)

Nonnetje Mergellus albe/lus Alle waarnemingen: 28 en 31/12 3v te W ilsele (S. D'Hont)

O 1/01

1m1 v eerst te NGB en later te OHN (M. Walravens)

05-07 /01

1v te Wilsele (S. D'Hont, K. Moreau, M. Hens)

09/01

2v te Sint-Agatha-Rode/Grootbroek (F. Dondeyne)

15-23/01

2v te Wilsele

06/02

1m te Sint-Agatha-Rode/Grootbroek (arriveert uit N om 14u10) (K. Moreau, (B.

(J.

Nysten, M. Bekkers, S. D' Hont)

Creemers, F. Fluyt) 12/02

3m2v te Wilsele (K. Moreau, M. Bekkers)

13/02

2m2v te Sint-Agatha-Rode/Grootbroek (F. Fluyt, M. Hens)

19-20/02

1m1v te Sint-Agatha-Rode/Grootbroek (F. Fluyt) en Neerijse/Grote Bron (K. Moreau)

Grote Zaagbek Mergus merganser 26/12

1v te Neerijse/Grote Bron (L. Hendrickx)

Grote Zilverreiger Casmerodius albus Er werden maar liefst 91 waarnemingen van Grote Zilverreigers ontvangen met betrekking tot de periode december 2004 - februari 2005. Hoewel in november 2004 tot 6 ex. in de Dijlevallei verbleven, werd van begin december tot op de 22e van deze maand nooit meer dan 1 ex. vastgesteld (versch. waarn.). Vanaf 23/ 12 werden regelmatig 3 ex. waargenomen in de vallei (P. Verbist e.v.a.) en op 06/01 kon worden besloten dat er weer minstens 5 ex. aanwezig waren (K. Van Scharen, K. Moreau, G. Vandezande,

J. Rutten).

Dat bleef zo tot op

26/02, soms samen op één locatie (dan meestal te Sint-Agatha-Rode/Grootbroek) en soms verspreid over de regio (versch. waarn.). Een nieuw fenomeen was het regelmatige pleisteren van 1-2 ex. aan de Zoete Waters te Oud-Heverlee tijdens de eerste helft van januari (versch. waarn.). Op 27 /02 werden tenslotte minstens 10 ex. simultaan geteld, waarvan 6 te Sint­ Agatha-Rode/Grootbroek

(J.

Nysten, M. Walravens, F. Fluyt), min. 3 te Oud-Heverlee/Z

(J.

Kempeneers) en 1 te Kwerps (de enige waarneming buiten de zuidelijke Dijlevallei) (F. Verdonckt). De waarneming van de grootste groep op één locatie volgde één dag later, met 7 ex. te Sint-Agatha-Rode/Grootbroek op 28/02 (G. Augustijns).

Kleine Zilverreiger Egretta garzetta Op 04/01 werd een Kleine Zilverreiger aangetroffen langs de Zoete Waters te Oud-Heverlee, rustend in een boom (K. Moreau). De vogel werd hier nog dagelijks teruggezien tot op 11/ 01, maar telkens tot ten laatste 11u (versch. waarn.), waar de vogel later op de dag verbleef was onbekend. Op 15/01 werd hij 's avonds herontdekt toen hij kwam slapen te Sint-Agatha20


Vogels

Rode/Grootbroek (F. Fluyt). Nadien werd de vogel achtereenvolgens opgemerkt op 19 en 20/01 aan de Zoete Waters (H. Roosen), op 31/01 in de Doode Bemde (S. Sys), op 12/02 in de weilanden langs de Bogaardenstraat te Oud-Heverlee (M Hens, F. F luyt. K. Moreau. B. Creemers, M. Bekkers). en op 14 en 17/02 terug aan de Zoete Waters (H. Roosen). Vanaf 19/ 02 tot op het einde van de periode bleef hij continu ter plaatse aan het leeglopende Grootbroek (F. Fluyt e.v.a.). Het gaat hier om de eerste waarneming van een Kleine Zilverreiger in het Dijleland in de periode november - februari (een waarneming van 2 ex. op 19/11/72 werd niet aanvaard). Gezien het lange en ononderbroken verblijf kunnen we dus tevens over de eerste overwinteraar spreken. Ooievaar Ciconia ciconia

07/01 14/02

1 ex. laag naar Z over de Doode Bemde (M. Hens; 14u25-14u30) 1 ex. naar N over Leuven/centrum (P. Collaerts; co 13u20) (wellicht dezelfde vogel maakte rond l 4u aanstalten om te landen ter hoogte van Kloosterbos in de Wingevallei op de grens van Holsbeek en Wezemaal)

Blauwe Kiekendief Circus cyaneus

Blauwe Kiekendieven werden tijdens de winter 2004-2005 26 keer opgemerkt. Zestien keer ging het om een solitair vrouwtjestype op de plateaus ten westen van de Dijlevallei: 2 keer te Terlanen (22/01 en 27/02; S. & E. De Broyer, H. Roosen). 1 keer te Tombeek (27/02; H. Roosen), 1 keer te Huldenberg (02/01; F. Fluyt), 9 keer te Leefdaal (verspreid over de hele periode; W. Desmet. S. Horemans. H. Roosen. J. Verroken), 2 keer te Bertem (14/ 12 en 09/01; E. Le Docte. A. Verboven) en 1 keer te Heverlee (03/01; G. Bleys). In de Dijlevallei werd slechts één keer een ex. waargenomen. een immatuur op 02/01 te Pécrot (K. Moreau). Op de grens van Erps-Kwerps en Nederokkerzeel (Dorenveld/Molenveld) werd telkens een vrouwtje gezien op 20/12. 22 en 31/01 (A. Smets) en op 28/02 werd een immatuur opgestoten te Haasrode (K. Moreau). Mannetjes waren er op 01/01 in het Wijgmaalbroek (M. Lehouck), op 14/01 te Meerbeek (F J Moerman). op 20/01 te Sint-Joris-Weert (P. De Becker) en op 06/02 te Terlanen/ Bilande (B. Creemers). Hier werd op 27/02 tenslotte ook het enige duo (1m1v) gezien (F. Vandeputte). Smelleken fa/co columbarius

08 en 20/12. 17 en 22/01 19/12 en 01/01 05/01 21/01

1v op de grens van Erps en Nederokkerzeel (A. Smets) 1 ex. te Leefdaal/plateau (W. Desmet. Horemans) 1m op de grens van Pécrot en SAR (D. Vanderlinden) 1m te Heverlee/T ivolistraat (J. Kempeneers)

Slechtvalk fa/co peregrinus

17/01 1 ad op de grens van Erps en Nederokkerzeel (A. Smets). later (17u30) 1 ad m te Duisburg (M. Louette) (mogelijk 2 keer hetzelfde ex.?) Goudplevier Pluvialis apricaria

14/12

1 ex. over Oud-Heverlee/N (B. Nef)

Wulp Numenius arquata

21/02

1 ex. naar N over Overijse/Maleizen (S. P eten; 14u14)

21


Vo

els

Witgat Tringo ochropus Deze soort was tijdens de voorbije winter opvallend schaars, er werden voor de drie wintermaanden slechts 24 gegevens ontvangen. Negentien van de waarnemingen kwamen van de natte komgronden van Oud-Heverlee (versch. woorn.), met maximaal 3 ex. op 05/ 12 en 12/02

(K.

Moreou). Verder waren er enkel waarnemingen van solitaire ex. te Gostuche

op 18 en 12/12 (B. Nef), langs de Neerijsboon te Sint-Joris-Weert op 09/01 (J. Nysten), in de Doode Bemde op 15/12 (M. Wolrovens) en op 12/02 te Neerijse/Grote Bron

(K.

Moreou).

Watersnip Gollinogo gollinogo Tussen de 42 waarnemingen van pleisterende Watersnippen die tijdens de winter 2004-2005 werden verzameld in het Dijleland, vollen de 123 ex. die op 03/12 te Pécrot werden geteld enorm op (M. Wolrovens). Op 04/12 werden hier min. 66 ex. aangetroffen

(K. Moreou). Verder

werden enkel in de natte komgronden en de weilanden rond de Bogoordenstroot te Oud­ Heverlee noemenswaardige aantallen opgetekend (versch. woorn.). Een overzicht van de moondmoximo in dit gebied: min. 52 ex. op 04/12 (S. Horemons, J. Nysten), 48 ex. op 15/01 en 30 ex. op 12/02 (M. Hens e.o.).

Bokje Lymnocryptes minimus 12/02

2 ex. in de Doode Bemde, 1 ex. ten Zvan de Bogoordenstroot te Oud-Heverlee

(M. Hens, F. Fluyt, B. Creemers, M. Bekkers,

K.

Moreou)

Kleine Mantelmeeuw Lorus groels1ï 04/01

1 imm naar Zover Oud-Heverlee/centrum (M. Hens)

14/01

1 ad naar Zover Oud-Heverlee/Z (J. Rutten; 1Ou14)

13/02

1 ex. naar Zover Oud-Heverlee/Z (J. Rutten; 1Ou06)

Pontische Meeuw Lorus cochinnons 26/12

1 ad te Oud-Heverlee/N (B. Nef)

15/01

1 ad te Wilsele (J. Nysten, M. Bekkers)

16 en 25/01

1 ad te Oud-Heverlee/N

25-27/02

1 ad te SAR (F. Fluyt, M. Wolrovens)

(F.

Fluyt,

K.

Moreou)

Middelste Bonte Specht Dendrocopos medius Net zoals op 1 6/03/04 werd deze soort tijdens de afgelopen winter terug vastgesteld in het Rodebos en de nabijgelegen Loonvollei te Sint-Agatha-Rode. Er waren waarnemingen van een ex. op 05/12, 03 en 06/01

(K.

Van Schoren, M. Wolrovens,

K.

Moreou). Nadien werd er

nog tevergeefs naar deze vogel gezocht (versch. woorn.). Buiten de gekende broedgebieden in Meerdoolwoud werd ook een ex. waargenomen in een tuinbosje aan het station van Oud-Heverlee op 11/02 (J. Rutten).

Boomleeuwerik Lul/ulo orboreo 27/02

1 ex. naar N over Heverlee/Celestijnenloon

(K.

Moreou)

Waterpieper Anfhus spinoletto We beperken ons hier tot de gegevens die werden gegenereerd door soortgerichte tellingen, die voor de tweede opeenvolgende winter op maandelijkse basis werden georganiseerd in

22


Vogels

de Dijlevallei. In de winter 2003/2004 werden daartoe slaapplaatstellingen verricht, maar omwille van voortdurende wijzigingen in de bezetting van de verschillende slaapplaatsen en een tekort aan medewerkers om al deze plekken simultaan te kunnen bemannen, werd in 2004/2005 overgeschakeld op gebiedsdekkende, maar veel arbeidsintensievere dagtellingen. De resultaten worden gegroepeerd in 4 zones, van N naar Z zijn dit: (zone 1) van de Celestijnenlaan (Heverlee) tot de E40, (zone 2) van de E40 tot de Bogaaerdenstraat (Oud-Heverlee), (zone 3) van de Bogaardenstraat tot de Neerijsebaan (Sint-Joris-Weert) en (zone 4) van de Neerijsebaan tot Florival/Z. 04/12

min. 70 ex. in zone 2, min. 42 ex. in zone 3, min. 71 ex. in zone 4 (totaal: min. 183 ex.)

09/01

39 ex. in zone 2, 44 ex. in zone 3, 33 ex. in zone 4 (totaal: 116 ex.)

06/02

10 ex. in zone 1, min. 60 ex. in zone 2, 25 ex. in zone 3, 101 ex. in zone 4 (totaal: min. 196 ex.)

De vaste waterpiepertelploeg bestond uit F. Fluyt, J. Nysten, M. Hens, K. Van Scharen en K. Moreau en de gegevens werden aangevuld met 'losse tellingen' van B. Net en M. Walravens.

Pestvogel Bombycillo gorrulus De afgelopen winter 2004/2005 werd in geheel West-Europa onder meer gekenmerkt door een bijzonder omvangrijke invasie van Pestvogels. Voor regio Leuven betrof het zonder twijfel de spectaculairste invasie ooit (vergelijk met Herroelen, 2003 in Boomklever 31 (1): 9-13). Nadat deze regio tijdens het najaar van 2004 gespaard bleef van deze leuke gasten (de hoofdmoot trok in november zuidwaarts over V laanderen zonder in te vallen en bracht de midwinter verder zuidelijk door), deden er tijdens het voorjaar van 2005 wel enkelen de streek aan, met min. 2 ex. op appels te Neerijse/Donkerstraat op 06/02 (B. Gilles) en 1 ex. op hulst te Overijse/ centrum op 18/02 (M. Demol). De dag nadien, op 19/02, pleisterden 3 ex. kort op Gelderse Roos te Overijse/Ketelheide (J. Verroken). Geen van deze vogels kon opnieuw worden gelokaliseerd (versch. waarn.). Voor wat V laanderen betreft speelde het hoogtepunt van de invasie zich echter pas eind februari en tijdens de eerste helft van maart af. Ook bij ons leverde dat Pestvogels op, namelijk min. 19 ex. te Haasrode op 28/02 (eerst 7 ex. naar ZW over Brem berg, een halve dag later werden in de buurt 19 ex. teruggevonden) (K. Moreau). Wordt vervolgd...

Zwarte Roodstaart Phoenicurus ochruros Twee winterwaarnemingen in stad Leuven: 02/12

1 ex. in de Penitentinenstraat (B. Creemers)

07/02

1 ex. in de Naamsestraat, kort zingend (K. Moreau)

Roodborsttapuit Soxicolo rubicolo Overwintering van deze soort in de Dijlevallei is een feit! Nadat een koppel tot minstens op 21/11 aanwezig was in de weilanden ten Z van de Bogaardenstraat (Korbeek-Dijle), werd hier op 04/12 en 09/01 telkens 1m waargenomen (J. Nysten). Zoekacties tijdens het vervolg van januari en februari leverden niets op (versch. waarn.), maar op 26/02 bleek hier toch nog een mannetje te verblijven (K. Moreau, B. Net, G. Adam).

Cetti's Zanger Cettio cetti 06/12

1 ex. oud te Oud-Heverlee/Z (W. Desmet)

08/12

1 ex. in de Doode Bemde (Koebrug) (W. Desmet)

14/12

1 ex. te Florival (B. Net)

16/12

1 zingend ex. in de Doode Bemde (Sjampetter) (P. De Becker) 23


Vo

els

J. Kempeneers)

06/02

1 ex. te Oud-Heverlee/Z (B. Nef,

20/02

1 ex. ten N van de Bogoordenstroat te Oud-Heverlee (K. Moreou)

Zwartkop Sylvia otricopillo Enkele midwintergevallen: 02-07/01

1v te Overijse/centrum (voederplaats in tuin) (S. De Broyer)

15 en 30/01

resp. lv en lmlv in tuin te Wilsele-Putkopel (S. D'Hont)

Tjiftjaf Phy/loscopus col/ybito Het aantal winterwaarnemingen van Tjiftjaffen blijft in regio Leuven jaarlijks toenemen: 03/12

1 ex. te Oud-Heverlee/Z, l ex. te Sint-Agotho-Rode/Grootbroek (M. Wolrovens)

05/12

l ex. in de Doode Bemde (kijkhut Roerdomp) (K. Moreou)

22/12

de voorbije weken meermaals een ex. te Heverlee/Duivelsweg

27/12

1 ex. in tuin te Wilsele-Putkopel (S. D'Hont)

29/12

l ex. Erps/Dorenveld-Molenveld (A. Smets)

(J. Kempeneers)

06/01

l ex. in Loonvollei (K. Moreou)

15/0l

sinds begin januari l ex. in tuin en koolzaadveld te Wilsele-Putkopel (S. D'Hont)

22/01

l ex. te Heverlee/Abdij van Park (J. Kempeneers)

11/02

l ex. in de ljsevollei (aan vijver in Zwoneloon)

12/02

2 ex. te Wilsele (K. Moreou, M. Bekkers)

20/02

1 ex. te Oud-Heverlee/Z (K. Moreou)

(J. Verroken)

Barmsijs Cordue/is coboret/flommeo 18/12

l ex. op mezenbollen te Sint-Joris-Weert/Neerijseboon (P. De Becker)

25/01

l ex. Kleine Bormsijs C. cabaret te Oud-Heverlee/Z (K. Moreou)

Kruisbek Loxio curvirostro De influx van Kruisbekken die in het Dijlelond reeds tijdens de eerste decade van juni 2004 aanving, leek tijdens de winter 2004-2005 gewoon voort te gaan (39 winterwaarnemingen). Van gerichte bewegingen was er evenwel geen sproke, pleisteraars en overvliegende vogels/ groepjes konden verspreid over de regio gezien worden. Rond de jaarwisseling werden enkele zingende mannetjes opgemerkt: op 30/12 te Heverlee bos/ Arboretum (K. Moreau) en te Huldenberg/ Spitsberg (F. Fluyt), op 07/01 in Mollendoolwoud (G. Bleys) en op 09/01 te Sint­ Agotho-Rode/ Vette Weide (F. Fluyt).

Noordse Goudvink Pyrrhulo pyrrhulo pyrrhulo De mysterieuze trompetterende Noordse Goudvinken, waarvan pleisterende ex. sinds november 2004 ook in het Dijlelond werden opgemerkt, bleven de hele winter door volhouden en braken alle records. Tijdens dit zesde winterhalfjaar met Noordse Goudvinken in de streek (no 1956/1957, 1965/1966, 1972/1973, 1977/1978 en 2001/2002) werd niet enkel het grootste aantal waarnemingen genoteerd, moor ook de grootste groepen (vorige grootste groep bestond uit l0 ex. op 20/01/02 in Rodebos; Fluyt & Herroelen, 2002 in Boomklever 30(2):3943). We kunnen dus veilig stellen dot het om de meest omvangrijke invasie ooit ging. Over de exacte oorsprong van deze vogels werd in internationale vogelkijkersmiddens veel gespeculeerd. Pos nadat geluidsopnamen opdoken van 'trompetteroors' nabij Utsoki (N­ Finlond) en in Komi (NO-Europees Rusland) werd duidelijk uit welke regio deze vogels stommen, en tevens dot Noordse Goudvinken met een trompetgeluid veel dichter bij West­ Europo broeden don aanvankelijk werd gedocht (Neijts, 2005 in Dutch Birding 27(l) :84-86).

24


Vogels

' f t t�· 1, ' ; < li ' t,

�" �

De Grote Zilverreiger. Tot voor enkele jaren een zeldzame verschijning, tegenwoordig een vertrouwde wintergast. Neerji se, december 2004. Foto: Fredenk Fluyt

Noordse Goudvinken met Russisch accent hielden zichtijdens de winter 2004 -2005 op in de DijYelandse Bossen. Rodebos, 11 december 2004. Foto: Fredenk Fluyt

25


Vogels

Een overzicht van de winterwaarnemingen uit regio Leuven: Overijse/Ketelheide

3 ex. op 20/02 (B. Creemers)

Rodebos/Lanebroeken

13 ex. op 04/12 (F. Fluyt, M. Walravens), 1 ex. op 05/12 (K. Van Scharen), min. 4 ex. op 06/12 (S. P eten), 2 ex. oud op 13/12 (M. Walravens), 5 ex. op 16/12 (F. Vandeputte), 3v op 31/12 en 02/01 (F. Fluyt), 2 ex. op 04/01 (K. Moreau)

F lorival/N

1 ex. op 09 en 23/01 (R. Guelinckx)

F lorival/Veeweide

9 ex. op 04/12 (R. Guelinckx, P. Lorent e.a.), 2v op 13/12 (M. Walravens)

Pécrot

1m3v op 04/12 (K. Moreau), 3m2v op 13/12 (M. Walravens), oud op 14/12 (B. Nef), 2 ex. oud op 02/01 (K. Moreau), 1m1v op 03/01 (M. Walravens)

Sint-Agatha-Rode/Grootbroek 16 ex. op 04/12 (M. Walravens), 1 ex. op 25/01 (K. Moreau) Doode Bemde

7 ex. op 16/12 (D. Vanautgaerden)

Oud-Heverlee/Z

ws. groepje op 04/12 (F. Fluyt,

J. Nysten), 3 ex. op 20/12

(J. Rutten) Mollendaalwoud

co 5 ex. op 07/01 (G. Bleys), 1m6v op 09/01, 3v op 19/02 (F. Fluyt)

Meerdaalwoud

min. 2 ex. op 26/02 (F. Van de Meutter)

Heverlee/Celestijnenlaan 3 ex. naar N op 09/01 (K. Moreau)

Grauwe Gors Emberizo colondro 08 en 29/12, 17/01

resp. 10 ex., 6 ex. en 1 ex. te Erps/Dorenveld-Molenveld (A. Smets)

29/12

1 ex. te Vrebos (A. Smets)

24/01

6 ex. langs Z-rand Mollendaalwoud (K. Moreau)

30/01 - min. 27/02

enkele ex. in grote groep gorzen te Terlanen/Bilande (H. Roosen, F. F luyt)

Samenstelling Kelle Moreau, kelle.moreau@bio.kuleuven.ac.be Medewerkers en correspondenten: Louis-Philippe Arnhem, Geert Augustijns. Monique Bekkers. Peter Bellen, Bruno Bergmons, Geert Bleys, Herwig Blockx, Johan Bogaert, Steven Bouillon, Veerle Cielen, Paul Claes, Peter Colloerts, Bart Creemers, Piet De Becker, Erik & Stijn De Broyer, Johan De Meirsmon, More Demo!, Mark Depouw, Wouter Desmet, Steven D'Hont, V incent Dielen. Hodewig Dierickx. Francis Dondeyne, Gerold Driessens, Frederik Fluyt, Jo Fronckx, Frons Geenen, Raf Ghijsen, Benoît Gilles, Robin Guelinckx, Luc Hendrickx, Jo Hendriks, Maarten Hens, Paul Herroelen, Stefaan Horemons, Jochen Kempeneers, Jorg Lambrechts, Elfriede Le Docte, More Lehouck, Michel Louette, Eddy Mocquoy, Brom Morkey, Frieder Jon Moermon. Kelle Moreou, Bruno Nef, Paul Nuyts, Johan Nysten, Lorenzo Juan Perez, Stephan Peten, Peter Roeymokers, Fons Romoekers. Alain Reygel, Hans Roosen, Jos Rutten, Etienne Ruys. Hugo Sente, Axel Smets. Philippe Smets. Geert Sterckx, Luc Storms, Stefaan Sys, Erik Toormon, Filip Vondekeybus, Frank Van de Meutter, Thomas Vandenberghe, Jorn Van Den Bogaert, Filip Vondeputte, Dirk Vonderlinden, Gilbert Vondezonde, Carl Vonherck, Koen Vonormelingen, Kris Van Schoren, Pascal Verbis!, André Verboven, Jon Verroken en More Wolrovens.

26


Vogels

Broedvogelinventarisaties in het voorjaar 2005 Voor iedere vogelaar wat wils De broedvogelatlas is er ... wat nu? In het kader van het otlosproject werd tijdens drie broedseizoenen

(2000-2002) de verspreiding

en de aantallen van in Vlaanderen broedende vogels gebiedsdekkend in kaart gebracht.

2004 gepubliceerde 'Atlas van de Vlaamse Broedvogels' (Vermeersch 2004) geeft per vastgestelde soort een gedetailleerde beschrijving van voorkomen en

De eind november et al.,

verspreiding in Vlaanderen. In Vlaams-Brabant kwamen tijdens de otlosperiode

126 'zuivere' soorten (waarvan 8 exoten)

met zekerheid tot broeden, naast zekere broedgevollen van vier gedomesticeerde soorten en één ondersoort (Engelse Gele Kwikstaart). Van vier soorten werden waarschijnlijke broedgevollen opgetekend. De soortenrijkste otloshokken bevinden zich in de Dijlevollei ten zuiden van Leuven, in de Demervollei, rond Zemst en in de Molenbeekvollei (Herent­ Kompenhout). Op Vlaams niveau bevat Vlaams-Brabant belangrijke populaties van volgende soortgroepen: soorten van loof- en naaldbossen, roofvogels, okkervogels en exoten. De hotspots wat betreft Rode Lijst-soorten situeren zich in de valleien van Dijle en Demer. Van de soorten opgenomen in de Rode Lijst-categorie 'met uitsterven bedreigd' kwamen enkel Woudaap en Watersnip tijdens de periode

2000-2002 met zekerheid tot broeden in de

provincie Vlaams-Brabant. Belangrijker is echter dot alle soorten uit de categorie 'bedreigd' nog in Vlaams-Brabant voorkomen, en vaak in op Vlaamse school belangrijke concentraties. De meest in het oog springende categorie hierbij zijn de agrarische zangvogels ( 'okkervogels'), zoals Graspieper, Geelgors en Grauwe Gors, naast soorten als Zomertortel, Goudvink en Wielewaal. Het lijkt logisch om toekomstige inspanningen voor studie en bescherming in het Dijlelond prioritair te richten op Rode Lijst-soorten waarvan in Vlaams-Brabant belangrijke kernpopuloties voorkomen. Hierbij kunnen drie soortcotegorieën onderscheiden worden: Akkervogels (hogervermelde soorten+ Veldleeuwerik, Patrijs), soorten van struwelen en 'open bossen' (Goudvink, Wielewaal, Nachtegaal, Boompieper, Zomertortel, Gekraagde Roodstaart) en een reeks moerasvogels (Woudaap, Zomertaling, Watersnip, Rietzanger, Rietgors, Porseleinhoen). Vooral van de eerste twee categorieën herbergt Vlaams-Brabant op Vlaams niveau relevante populaties. Op Vlaams niveau loopt in

2005 enkel het monitoringproject 'Bijzondere Broedvogels

Vlaanderen'. Om enerzijds de inventarisatie-expertise opgebouwd in het kader van de broedvogelotlos te 'onderhouden' en anderzijds tegemoet te komen aan concrete vragen vanuit het natuurbeheer, werd besloten om in

2005 op regionaal vlok twee bijkomende

broedvogelprojecten op te zetten. Om in te spelen op de kennisleemten omtrent de soorten van struwelen en 'open bossen' organiseren we een gebiedsdekkende inventarisatie van Nachtegaal en Wielewaal. Daarnaast trachten we via een gedetailleerde inventarisatie van

12 steekproefgebieden zich te krijgen op het voorkomen en de verspreiding van

broedvogels in het agrarisch gebied in relaties tot landschapskenmerken en landgebruik.

27


Vogels

1. Project bijzondere broedvogels Het Project Bijzondere broedvogels Vlaanderen (BBV) heeft als doel de jaarlijkse aantolsontwikkeling te volgen van zeldzame en weinig algemene, koloniebewonende en 'exotische' broedvogels.

Daartoe werd Vlaanderen verdeeld in BBV-regio's, vaak

samenvallend met het werkingsgebied van een vogelwerkgroep. Een regionale coördinator begeleidt het inventorisotiewerk en geeft op het einde van het broedseizoen de verzamelde gegevens door aan de BBV-coördinotor van het Instituut voor Natuurbehoud. Deze gegevens dienen op hun beurt voor het opstellen van beheerplannen, als referentiekader voor populotietrends in de Vogelrichtlijngebieden en bij evaluatie van schade (o.o. veroorzaakt door Aalscholvers). Om broedgegevens op langere termijn te kunnen vergelijken, werd een gestandaardiseerde inventorisotiemethode ontwikkeld. Aan de hond van regelmatige bezoekrondes in vooraf afgebakende gebieden worden de territoria in kaart gebracht en volgens strikte criteria geïnterpreteerd. Wat BBV-regio Leuven betreft, maakt de uitgestrektheid en vaak ook de ontoegankelijkheid van het o nderzoeksgebied,

in combinatie met een beperkt aantal ervaren

broedvogelinventoriseerders, de toepassing van een dergelijke methode in de praktijk onmogelijk. Daarom wordt geopteerd om de gekende broedlocoties van BBV-soorten jaarlijks op te volgen. Ook in 2005 zal het project eerder 'low profile'opgevolgd worden, temeer door we dit jaar een selectie aandachtssoorten centraal stellen (zie verder). Broedgevollen of broedindicerende waarnemingen van o.o. Knobbelzwaan, Zomertaling, Wouwaapje, Porseleinhoen, Havik, Wespendief, Ijsvogel, Grote Gele Kwikstaart, Middelste Bonte Specht, Europese Kanarie, Grauwe Gors, Blauwe Reiger, Roek, Oeverzwaluw en alle exoten kunnen overgemaakt worden aan de regiocoördinator. Achtergrondinformatie en handleiding: www.instnot.be (kenniscentrum Coördinator BBV-project regio Leuven: Frederik Fluyt,

>

fauna

>

vogels)

0479 92 01 72, freek@villoge.uunet.be

2. Aandachtssoorten: Koekoek, Nachtegaal en Wielewaal De gebiedsdekkende inventarisatie van Nachtegaal, Wielewaal en Koekoek in het voorjaar van 2005 sluit aan bij het oondochtssoortenproject van de Vlaams-Brabantse Koepel voor Natuurstudie (Brokono). De Koekoek, Nachtegaal en Wielewaal zijn alle longeofstondstrekkers die in onze streken aankomen tussen midden opril en midden mei om er te broeden en die ten zuiden van de Sahara overwinteren. Weinig natuurgeluiden zijn zo verbonden met de lente als de zong van deze soorten. Naast hun opvallende en eenvoudig herkenbare zong hebben de drie soorten nog een gemeenschappelijk kenmerk: hun broedpopuloties in Vlaanderen en Vlaams-Brabant vertonen de voorbije 30-40 jaar een stelselmatig doorzettende afname. Op de recente Rode Lijst van de broedvogels in Vlaanderen is de Koekoek opgenomen als 'achteruitgaand', de Nachtegaal als 'kwetsbaar' en de Wielewaal als 'bedreigd'. De Koekoek is een broedporositoire soort. Gastheren of woordsoorten zijn in onze streken vooral riet- en struweelvogels als Bosrietzonger, Kleine Karekiet en Zwartkop. Ook agrarische

28


Vogels

soorten als Graspieper en Gele Kwikstaart zijn in trek. Tijdens de atlasperiode werd de Koekoek vastgesteld in

(2000-2002)

863 van de Vlaams-Brabantse 25 km2-hokken. Men kan de

koekoek dan ook overal aantreffen op voorwaarde dat er voldoende potentiĂŤle gastheren en voldoende voedsel (in het bijzonder grote rupsen) in het gebied aanwezig zijn. Verschillende regionale studies in Vlaanderen tonen aan dat de Koekoek, net als in de ons omringende landen, de voorbije decennia stelselmatig achteruitgegaan is. Dit kan niet los gezien worden van de trend van de woordsoorten en van de vlinderfauna. Hoge dichtheden worden inderdaad voornamelijk genoteerd in vallei- en moerasgebieden, terwijl in het landbouwgebied de terugval het sterkst lijkt.

Het in kaart brengen van Wielewoolterritorio en -hobitots (zoals hier in de Dij/eva/lei te Neerijse) kon nuttige informatie voor de inrichting en beheer van bossen opleveren. foto: fredenk fluyt

De Nachtegaal is vooral bekend van z'n prachtige zang die vaak 's nachts te horen is. In Vlaams-Brabant werd de Nachtegaal in de periode

2000-2002 aangetroffen in 423 van de

atlashokken. De verspreiding is sterk geconcentreerd in een aantal kerngebieden, waaronder de ruime omgeving van samenvloeiing van Dijle en Demer (Rotselaar, Haacht), het Silsombos en het Mechels Rivierengebied. Het merendeel van de (Vlaamse) populatie broedt momenteel in moerasbosjes, populierenbossen met weelderige ondergroei en andere struweelbossen op natte gronden. Het aantal Nachtegalen gaat gestaag achteruit in Vlaanderen. Naar schatting is de voorbije 30 jaar 40-503 van de broedpopulatie verdwenen. Vooral op de drogere zand, zandleem- en leembodems is de achteruitgang sterk. Dat het echter ook in valleigebieden bergaf gaat, bewijst de situatie in de Dijlevallei ten zuiden van Leuven, waar de soort in

2003 en 2004 niet meer gehoord werd. 29


Vogels

De opvallend geel-zwartgekleurde

Wielewaal is een schuwe bosvogel wiens aanwezigheid

vooral opgemerkt wordt door z'n opvallende, karakteristieke zang. Wielewalen verkiezen bosbestanden met een dicht bladerdek. Een aanzienlijk deel van de V laamse populatie broedt in populierenaanplantingen. In de periode

2000-2002 was 613 van de V laams­

Brabantse atlashokken bezet. De aantallen per hok zijn echter zeer laag. Het zwaartepunt van de verspreiding bevindt zich in het oosten van de provincie (Hageland, Haspengouw). Net zoals de andere twee soorten, brokkelt ook het Wielewalenbestand stelselmatig af, zowel in V laanderen als in onze buurlanden. Een aantal factoren worden geregeld aangehaald voor deze sterke achteruitgang, maar naar hun relatief belang blijft het gissen: de algemene afname van grote insecten, verdroging en het rooien van vele populierenbossen, het verdwijnen van hoogstamboomgaarden, toegenomen recreatie in bossen en de jacht in het Middellandse Zeegebied.

Opzet en werkwijze Met dit project willen we een zo gebiedsdekkend mogelijk zicht te krijgen op de aanwezigheid van deze drie soorten in het Dijleland in 2005. In de eerste plaats worden alle geïnteresseerden en losse waarnemers opgeroepen om hun waarnemingen van deze soorten door te geven. Ook de afwezigheid van de soorten is daarbij van belang. Daarnaast wensen we voor Nachtegaal en Wielewaal ook de relatie tussen hun aan/afwezigheid en biotoopkenmerken onder de loep te nemen. Een handleiding voor de inventarisatie en herkenning van deze soorten

(inclusief geluidsopnames) i s downloadbaar

op d e

Brakona-website

(www.vlaamsbrabant.be/brakona). De resultaten van deze inventarisatie zullen ondermeer gepubliceerd worden in het Brakona Jaarboek van

2005, met vermelding van alle

medewerkers en waarnemers. Wat moet je doen? Stuur al je waarnemingen en meldingen door naar onderstaande coördinaten of maak ze kenbaar op het waarnemingsnetwerk Dijleland (groups.yahoo.com/Dijlevallei). Vermeld zeker het aantal waargenomen vogels en geef een zo nauwkeurig mogelijke plaatsaanduiding (toponiem, straatnaam, IFBL- of UTM-hok, ...). Een beschrijving van het biotoop of de vegetatie waar de zangpost zich bevindt, maakt je waarneming helemaal 'af'. Vergeet ten slotte je naam en contactgegevens niet te vermelden.

Achtergrondinformatie en handleiding: www.vlaamsbrabant.be/brakona Contactpersoon: Maarten Hens, 016 40 98 70, maartenhens@skynet.be

3. Gebiedsgerichte monitoring: agrarisch gebied Ruwweg

473 van de oppervlakte van V laanderen wordt benut voor landbouwproductie.

Veel van de bij ons voorkomende plant- en diersoorten zijn dan ook gebonden aan agrarische biotopen als akker-, gras- en weiland, bermen en kleine landschapselementen. Het voortdurend streven naar efficiëntere en effectievere productiemethoden in de landbouw gaat in veel gevallen gepaard met verlies van habitats en habitatkwaliteit voor de agrarische fauna en flora. Karakteristieke akkervogels als Patrijs, Veldleeuwerik, Geelgors en Grauwe Gors zijn de voorbije

15-30 jaar in V laanderen en gans Noordwest-Europa sterk tot zeer sterk 2004; Birdlife International, 2004).

achteruitgegaan (Vermeersch et al.,

Sinds enkele jaren worden er, zowel vanuit de landbouwsector (beheerovereenkomsten) als vanuit het natuurbehoud (akkerreservaten, randenbeheer), initiatieven genomen om de 30


Vogels

avifaunistische 'leegloop' van het agrarisch gebied te stoppen. Een vuistregel hierbij is dat maatregelen ontworpen dienen te zijn op maat van de te beschermen soort( en) en dat ze ingezet dienen te worden in de (resterende) kernpopulaties (Dochy & Hens, 2005). Wat een goede kennis van de lokale broedvogelpopulatie veronderstelt. Met dit project willen we onze kennis over de broedvogels van de landbouwgebieden in het Dijleland vergroten. Hoe talrijk zijn Veldleeuwerik en Patrijs nog? Doet de Gele Kwikstaart het hier o o k bij ons goed? Wat is het verband tussen de dichtheid aan kleine landschapselementen (graften, holle wegen, heggen) en het voorkomen van de Geelgors ?

De inventarisatie gebeurt in

12 steekproefgebieden ( 1-5 km2), min of meer gelijkmatig

gespreid over het ganse D i j l e land, e n omvat een uitgebreide kartering van broedvogelterritoria, teelten en kleine landschapselementen in de periode maart-juli 2005. De proefvlakken werden zodanig geselecteerd dat ze een dichtheidsgradiënt aan kleine landschapselementen vertegenwoordigen. Bovendien bevatten ze een uiteenlopende waaier

aan

agrarische

landgebruiksvormen (grasland, a k kerla nd,

reservaten,

-

beheerovereenkomsten). Bij dit gebiedsgericht project is het verder de bedoeling om de inventarisatie

van

de

steekproefgebieden driejaarlijks te herhalen, om zodoende te komen tot een effectieve monitoring van de

broedvogels

van

de

landbouwgebieden in de streek. Achtergrondinformatie handleiding:

verkrijgbaar

en op

aanvraag Contactpersoon: Maarten Hens,

·

016 40 98 70, maartenhens@skynet.be De Geelgors, sterk gebonden aan kleine landschaps­ elementen. Foto: Fredenk Fluyt

Referenties Birdlife International. 2004. Birds in Europe. Population estimates. trends and conservation status. Birdlife Conservation Series no. 12. Cambridge. UK. 374 p. Dochy O. & Hens M. 2005. Van de stakkers van de akkers naar de helden van de velden. Beschermingsmaatregelen voor akkervogels. Rapport IN.R.2005.01. Instituut voor Natuurbehoud. Brussel i.s.m. Provinciebestuur West­ Vlaanderen. Brugge. Vermeersch G" Anselin A., Devos K" Herremans M" Stevens J. . Gabriëls J. & Van Der Krieken B" 2004. Atlas van de V laamse broedvogels 2000-2002. Mededelingen van het Instituut voor Natuurbehoud 23. Brussel. 496 pp.

Maarten Hens

Frederik Fluyt

maarlenhens@skynet.be

freek@vi/lage. uunet. be 31


Vogels

Exoten onder de vogels in regio Leuven, 2004 Dit overzicht van ontsnapte en verwilderde vogelsoorten in regio Leuven beslaat het volledige kalenderjaar 2004 en omvat hoofdzakelijk de gemeenten Kortenberg, Herent, Bertem, Leuven, Oud-Heverlee, Huldenberg, Overijse en Tervuren. De volgende exotenrubriek zal het jaar

2005 omvatten. Waarnemingen worden voor 10 maart 2006 verwacht bij Kelle Moreau, Ce lestijnenlaan 27 A (bus 201 ) , 3001 H e v e r l e e , t e l . : 0486/125877, e-mail : kelle.moreau@bio.kuleuven.ac.be.

Zoals traditioneel komt het grootste deel van de exotische vogelsoorten in regio Leuven uit de familie van de eendachtigen (Anatidae). Canadese Gans en Nijlgans zijn tegenwoordig zo prominent aanwezig dat een volledig overzicht van de waarnemingen van deze soorten ons veel te ver zou leiden. We belichten bij deze soorten daarom enkel een aantal aspecten van hun voorkomen, zoals maximale concentraties, broedgevallen en slaapplaatsgedrag. Andere min of meer regelmatige exoten die in 2004 werden waargenomen in het Dijleland waren Zwarte Zwaan, Grauwe Gans, Brandgans, Mandarijneend en Carolina-eend. Magelhaengans, Casarca, Bahamapijlstaart en Rosse Stekelstaart werden minder vaak waargenomen. De eerste Zilvertaling (sinds 2003 aanwezig) was ook nog present. Enkele soorten die de laatste jaren steeds vaker werden vastgesteld zoals Rosse Fluiteend en Ringtaling werden in 2004 niet waargenomen. De papegaaiachtigen waren in 2004 niet zo sterk vertegenwoordigd: op de vele Halsbandparkieten na was er slechts één geval van een Grasparkiet. Officieel nieuw voor de Leuvense exotenlijst (eerste gearchiveerde gevallen) waren Zwaangans, Hawaïgans, Knobbeleend, Helmparelhoen, Japanse Nachtegaal, Roze Spreeuw en Zebravink, al zullen sommige van deze soorten vroeger ook al wel eens door de streek gedoold hebben.

Geliefd of niet, Nij/gonzen voelen zich opperbest in hel Dij/eland. Foto: Frederik f/uyl.

32


Vogels

We beginnen dit verslag met de wel erg vreemde vondst van een kadaver van een struisvogelachtige vogel zonder kop op het plateau te Leefdaal op 9/02 (W. Desmet). Wellicht werd hier een dode Emoe Dromoius novoehollondioe gedumpt. Deze soort werd op basis van deze vondst uiteraard niet aan de Leuvense exotenlijst toegevoegd.

Zwarte Zwanen Cygnus ofrofus werden tijdens 2004 23 keer doorgegeven in het Dijleland. Aansuitend op de waarnemingen in november en december 2003 verbleven 2 ex. minstens tot op 1/05 in de buurt van Florival (versch. waarn.). Meestal werden ze op de Dijle gezien, soms tot ter hoogte van het dorp van Sint-Agatha-Rode, en vanaf 11/04 zaten ze op de vijver van Florival/Zwaar vermoedelijk een nest werd gebouwd (B. Net, K. Moreau, M. Hens). Een geslaagd broedgeval werd het alleszins niet, want na 1/05 werden geen Zwarte Zwanen meer gezien in de streek. Pas op 14/11 verscheen er terug een ex. in de Dijlevallei ten Z van Leuven, ditmaal op de Zoete Waters te Oud-Heverlee (G. Vandezande) en tussen 16/11 en het jaareinde werden weer regelmatig 2 ex. opgemerkt, verspreid over het gebied tussen Oud-Heverlee/N en Florival/Veeweide (versch. waarn.). Het ex. van het Provinciaal Domein te Kessel-Lo werd nog doorgegeven tot op 14/04, maar was daar nadien waarschijnlijk nog steeds aanwezig (B. Markey). Ontsnapte/verwilderde/gedomesticeerde Grauwe Ganzen

Anser onser verblijven steeds vaker in regio Leuven. Volgende gevallen behoorden in 2004 wellicht tot deze categorie: 1 ex. op de Vaart ter hoogte van Remy op 6/02 (B. Markey), 3 ex. naar Zover Sint-Joris-Weert op 4/04, 3 ex. naar Zover Oud-Heverlee/Zop 6/04 (L. Vekemans), 1 ex. tussen Canadese Ganzen te Kessel-Lo/Provinciaal Domein op 11/11 (B. Markey) en 1 ex. te Sint-Agatha-Rode/Grootbroek op 14/12 (M. Walravens). De eerste Zwaanganzen Anser

cyno1des voor het Dijleland waren 3 ex. op 8-9/12 langs de Duivelsweg te Heverlee (J. Kempeneers). De Canadese Gans Bron to conodensis werd op enkele jaren tijd één van de meest doorgegeven vogelsoorten in regio Leuven. In 2004 werden maar liefst 377 waarnemingen van deze soort in het lokale archief opgenomen. Broedgevallen waren er te Heverlee/Abdij van Park (4 pulli uit één broedgeval vanaf 30/04; versch. waarn.), te Tervuren/ Park KMMA (11 pulli uit 4 broedgevallen vanaf 1/06; A. Reygel), te Kessel-Lo/Provinciaal Domein (5 pulli uit één broedgeval op 15/06; E. Toorman) en te Pécrot (5 pulli uit één broedgeval op 2/07; M. Hens). De grootste ruigroepen verbleven in de nasleep van het broedseizoen te Tervuren (max. 117 ex. op 17/06; A. Reygel) en te Kessel-Lo (max. 142 ex. op 24/06; B. Markey). Later op het jaar verspreidden de Canadese Ganzen zich weer meer over de regio, met als grootste dagconcentraties bijvoorbeeld co 100 ex. te Heverlee/ Arenbergpark op 2/09 (K. Moreau),

>

100 ex. te Korbeek-Dijle/plateau op 4/10 (J. Verroken)

en co 140 ex. te Oud-Heverlee/Zop 11/11 (B. Markey). In de regio werd slechts één slaapplaats regelmatig gebruikt, namelijk die in het Provinciaal Domein te Kessel-Lo. De grootste groep van het najaar verbleef hier op 16/11 toen 152 ex. geteld werden (B. Markey). Een andere regelmatige slaapplaats was er net ten Z van de regio in Gastuche, met max. 122 overnachtende ex. op 26/09 (B. Net). Tot slot vermelden we nog de waarneming van een albino Canadese Gans te Tervuren/park KMMA op 1/10 (A. Reygel). Ook de Brandgans

Bronto leucopsis wordt in regio Leuven steeds vaker genoteerd. In 2004 was dat 19 keer het geval. Het is onwaarschijnlijk dat hier wilde ex. tussen zitten. In het begin van het jaar waren er waarnemingen van 2 ex. te Overijse/Meer van Genval op 4/01 (E. De Broyer) en 1 ex. te Kessel-Lo/Provinciaal Domein op 25/01 en 06/02 (B. Morkey). Op 11 /04 werden 2 ex. opgemerkt te Oud-Heverlee/Z (B. Net), loter op de dog en de dog erna verbleef dit duo te Sint-Agatho-Rode/Grootbroek (J. Nysten, K. Moreau). T ijdens de vroege zomer werden vervolgens nog 3 ex. gezien te Oud-Heverlee/N op 13/05 (L. Vekemans, K. Moreou) en 1 ex. te Sint-Agatha-Rode op 5/06 (B. Net). Te Tervuren/park KMMA zaten resp. 2 ex., 1 ex. en 1 ex. op 11/05, 3/06 en 26/07 (A. Reygel). September bracht vervolgens een wat grotere groep naar de streek. Nadat op 2/09 reeds 2 ex. in het Arenbergpork te Heverlee zaten, werden hier op 4/09 12 ex. geteld (iets eerder vlogen 11 ex. naar N over Leefdaal/plateau) en op 7I 33


Vogels

09 1 0 ex. (K. Moreau, B. Creemers). Op 3/ 1 0 vloog vervolgens 1 ex. met Canadese Ganzen naar zw over Leefdaal/plateau (versch. waarn.) en op 1 5/ 1 0 zaten 12 ex. te Tervuren (A. Reygel). De laatste Brandgans voor 2004 zat op 1 1 /1 1 te Kessel-Lo (B. Markey). Vermoedelijke hybriden

Brandgans

x

Canadese Gans Bronto leucopsis

x

conodensis werden genoteerd

op 25 en 3 1 /0 1 in hetzelfde domein ( 1 ex.; B. Markey, K. Moreau, J. Kempeneers, B. Creemers), op 2 en 7/09 te Heverlee/ Arenbergpark ( 1 ex.; K. Moreau), op 4/09 naar N over Leefdaal/ plateau (2 ex. met 1 1 Brandganzen; K. Moreau) en op 8-9/12 te Heverlee/Duivelsweg Kempeneers). Drie vermoedelijke hybriden

Canadese Gans

x

(J.

Indische Gans Bron to

conodensis x Anser indicus (of juveniele Indische Ganzen) werden op 23/ 1 2 gefotografeerd te Kessel-Lo (E. Toorman). De eerste

HawaĂŻgans Bronto sondvicensis

voor het Dijleland

pleisterde op 1 4/ 1 1 te Oud-Heverlee/N (met Canadese Ganzen; K. Moreau) en de enige

Magelhaengans Chloephogo picto van 2004 op 8/04 te Heverlee/Arenbergpark (W. Desmet, Nijlganzen Alopochen oegyptiocus (354 gearchiveerde waarnemingen

M. Schurmans).

tijdens 2004) worden hier op dezelfde beperkte wijze besproken als de Canadese Gans hoger in deze bijdrage. De grootste concentraties verbleven tijdens de eerste maanden van 2004 te Wilsele (vooral januari-februari; max. 34 ex. op 1 5/02; K. Van Scharen, J. Nysten, H. Vanderheyden) en te Oud-Heverlee/N (vooral februari-maart; max. 22 ex. op 22/02; B. Nef). Broedgevallen deden zich onder meer voor te Kessel-Lo/Provinciaal Domein (min. 5 broedsels met l, l, enkele, 1 en 6 pulli; M. Jonckers, B. Markey, E. Toorman, K. Van Scharen e.a.), te Heverlee/Abdij van Park (1 broedsel met 8 pulli; G. Louette, W. Leers, J. Kempeneers, K. Moreau, K. Gielen), te Oud-Heverlee/N (nest; M. Hens), te Oud-Heverlee/Zoete Waters (2 broedsels met 1 en 4 pulli; B. Nef, K. Moreau, L. Vekemans), te Neerijse/Grote Bron ( 1 broedsel; B. Nef), zuidelijker in de Doode Bemde ( 1 broedsel met 6 pulli; K. Moreau, B. Nef, L. Vekemans, W. Desmet), te Neerijse/ Ganzemansstraat ( 1 broedsel met 5 pulli; B. Creemers), te Sint-Agatha­ Rode/Grootbroek ( 1 broedsel met 4 pulli; P. Dubois), te Basse Wavre ( 1 broedsel met 8 pulli; B. Nef), te Gastuche (2 broedsels met 8 en 4 pulli; B. Nef) en te Rodebos (nest; A. Verboven), maar dit lijstje is ongetwijfeld onvolledig. Zo werden bijvoorbeeld van Tervuren/park KMMA geen broedgegevens ontvangen. Hier werd wel de grootste ruiconcentratie van het jaar opgevolgd (A. Reygel), met als maximum tot 230 ex. op 1 4/07 (M. Hens)! Te Neerijse/Tersaert, een andere klassieke ruiplek voor Nijlganzen, werden maximaal co 1 50 ex. geteld op 3/09 (B. Vercoutere). Later op het jaar bleef een omvangrijke groep Nijlganzen aanwezig te Tervuren, met resp. 15 1 ex., 1 37 ex. en 20 1 ex. op 5/ 1 1 , 3 en 1 7/ 1 2 (A. Reygel). Opmerkelijk was ook de waarneming van een groep van 72 ex. die op 2 1 / 1 1 overnachtten in de Doode Bemde (B. Nef). Ongeringde Casarcas Todorno ferrugineo zaten op 23/04 te Oud-Heverlee/ N (2 ex.; F. Fluyt, W. Desmet) en op 28-29/07 te Tervuren/Park ( 1 v; A. Reygel). Op laatstgenoemde locatie verbleef ook nog de

Zilvertaling Anos versicolor

die daar in

2003 reeds twee keer werd gezien (waarnemingen van 10/02 tot 1 1 /06 en terug op 1 3/12). Een adulte

Bahamapijlstaart Anos bohomensis zot

op 5/12 op de Dijle in de Doode Bemde

(K. Moreau). In 2004 werden op twee locaties in Overijse juveniele

Mandarijneenden Aix

golericuloto genoteerd: op 20/06 zat een vrouwtje met 2 juvenielen in de ljsebroeken en op 1/07 werden 2 juvenielen gezien op de Laan te Tombeek (J. Verroken). Een beknopt overzicht van de overige waarnemingen: Kessel-Lo/Provinciaal Domein (resp. 1 m, 1 m en 1m 1 v op 24/ 0 1 , 3 1 /0 1 en 30/03; F. Van de Meutter, B. Markey, J. Kempeneers, B. Creemers, K. Moreau), V lierbeek (broekbos langs Holsbeeksesteenweg) ( 1 m 1 v op 1 0/04; B. Markey), Heverlee/Abdij van Park (resp. 1 ex., 1 m, 1 v, 2 v-kleed" 1 m en 1 ex. op 1 /0l, 1 1 /05, 25/06, 26/07, 22/09 en 1 6/ 1 0; Y. Vonden Bosch, K. Moreau, J. Kempeneers, S. Stock, B. Creemers), Wilsele/N (leucistisch m op 1 1- 1 2/04; K. Van Scharen, K. Moreau), Heverlee/Arenbergpark (lm op 1 3/01; E. Toorman), Oud-Heverlee (N&Z) (resp. 1 m 1 v, 1 v, 1m 1 v, 2m, 1 v, 1 m en 1m 1 v op 3-7/03, 4/04, 1 2/04, 23/04, 25/04, 1 7/05 en 14/ 1 2; B. Creemers, B. Nef, K. Moreau, W. Desmet), Tervuren/ park KMMA (resp. 1 m, 1 m en 3m 1 v op 25/05-2/07, 7/ 1 2 en 1 3/ 1 2; A. Reygel), Laanvallei (resp. 34


Vogels

2m2v en 1m1v op 17/01 en 26/07; H. Roosen, F. Fluyt), Overijse/ljsebroeken (1 v op 13/11:

J.

Verroken) en Overijse/Meer van Genval (1m op 13/04; E. De Broyer). De meest regelmatige locatie voor Caroline-eend Aix sponso in het Dijelond anno 2004 waren de vijvers van Wilsele. Van 7/01 tot en met 1/05 werd hier regelmatig een koppel doorgegeven (soms ook op de naburige Dijle) (K. Moreou, K. Van Schoren, F. Fluyt, J. Nysten, H. Blockx, S. D'Hont, B. Morkey, M. Hens). Ook in Leuven/centrum werden in de periode januari-maart geregeld Corolino­ eenden gemeld op de Dijle, met resp. 2m1 v, 1m1v, 1m1 v, 2m2v en 1m op 27/01,

_

,

7/03, 13/

03 en 11/04 (L. Van Hellemont, B. Creemers, P. Claes). Op 22/11 werd hier terug een mannetje gezien (H. Dierickx). Nog een nieuwe exoot voor het Dijlelond was het vrouwtje Knobbeleend Sorkidiornis melonotos dot op 23/07 werd gezien te Oud-Heverlee/N (W. Desmet). Van 9 tot en met 12/04 pleisterde een vrouwtje Rosse Stekelstaart Oxyuro jomoicensis te Neerijse/ Grote Bron (A. Smets, B. Nef,

J. Nysten, K. Moreou). Op 25/04 zot een

(hetzelfde?) vrouwtje te

Sint-Agotho-Rode/Grootbroek (B. Nef) en op 1/05 te Florivol/Z (K. Moreou, M. Hens). Een ontsnapte witte vorm Helmparelhoen Num1do meleogrs i zot van 2 tot en met 6/10 te Heverlee/ Celestijnenloon (K. Moreou). Voor de Dijlelondse locaties waar permanent Halsbandparkieten Psittoculo kramer verblijven /

(vnml. Sint-Agotho-Rode/Grootbroek, Neerijse/Kasteelpark - Doode Bemde en de onmiddellijke omgevingen van deze gebieden) geven we hier geen bespreking, in al deze gebieden bleef de soort dit jaar aanwezig. Het lijkt er bovendien ook op dot de soort zich gestaag naar het N uitbreidt. De streek van de vijvers van Oud-Heverlee tot Ormendool (met de bosjes met de reigerkolonie en aangrenzende tuinen) werd in de loop van 2004 definitief gekoloniseerd. Vanaf 22/08 bleek uit de woornemingenlijstjes dot het voortaan onmogelijk is om in dit gebied rond te lopen zonder Holsbondporkieten waar te nemen (versch. woorn.). Verder waren er onder meer waarnemingen te Heverlee/ Arenbergpark (1 ex. dot nestmateriaal verzamelt op 13/03; B. Vogels), te Kwerps (o.o. op 1/05; M. Hens, K. Moreou), te Kessel-Lo/Spoorstraat (dagelijks vanaf co half augustus tot minstens begin september; W. Goussey), te Bertem/dorp (walnoten etend in tuin op 6-7/09; S. Bouillon) en te Heverlee/ Abdij van P ark (resp. 3 ex. naar N en 1 ex. ter plaatse op 3 en 7/11; J. Kempeneers). Tijdens de jaarlijkse nojoorstrektellingen op de plateaus ten W van de Dijlevollei (Leefdaal, Huldenberg, Eizer, Overijse) werden heel wat verplaatsingen van Holsbondporkieten opgemerkt, 's ochtends vooral w¡ of NW vliegend (richting Dijlevollei) en 's avonds in de omgekeerde richting (naar Brusselse slaapplaatsen) (versch. woorn.). Enkele keren werden ook verzamelende groepen waargenomen, met als grootste groep min. 40 ex. te Huldenberg/ Schonen berg op 13/11

(J.

Verroken). De enige Grasparkiet Melopsittocus undulotus voor

2004 was een geelbont ex. op 26/08 te Heverlee/ Abdij van P ark (veelal in de rietkragen) (K. Moreou). Dot niet enkel uitheemse eendochtigen, hoenders en Holsbondporkieten zich succesvol bij ons kunnen voortplanten, moor dot ook bepaalde exotische zongvogelsoorten daarin kunnen slagen bewees het koppel Japanse Nachtegalen Leiothrix luteo dot een nest jongen uitbroedde in de tuin van het restaurant "De Mol" te Korbeek-Lo (de jongen werden uit het nest gehoold en in een konorienest ondergebracht, waar ze niet overleefden) (med. P. Claes). Of de oudervogels konden overwinteren is niet geweten. Een Zebravink Poeph1/o guttoto zot op 3/09 te Huldenberg/ Spitsberg (F. Fluyt). En tot slot een niet alledaags gegeven: een exoot die er in slaagde twitchers naar regio Leuven te doen afzakken. Uiteraard ging het om een soort die in principe als wilde vogel mogelijk moet zijn, en was de escape-status van het individu op dot moment nog niet bewezen. Het ging om een adulte Roze Spreeuw Sturnus roseus die op 1 4 en 16/11 op de Notuurpunt Vogellijn werd ingesproken en foerageerde in een groepje Spreeuwen Sturnus vu/gons te Wijgmool/Driesstraot (med. G. Driessens). 35


Vogels

De ontsnapte Roze Spreeuw van Wijgmaal. Foto: Axel Smets

Op 20/ l l werd de vogel hier teruggevonden (A. Verboven) en hij werd de daarop volgende dagen nog meermaals geobserveerd (versch. waarn.). Tot duidelijk werd dat hij was geringd met een type ring dat afwijkt van de courante wetenschappelijke ringen, de aandacht voor deze vogel was onmiddellijk verdwenen... De reeds van in het begin aanwezige vermoedens werden dus bevestigd; de eerste Roze Spreeuw voor het Dijleland betreft een escape. Achteraf bleek trouwens nog dat meerdere buurtbewoners deze vogel maar al te goed kenden en dat hij daar reeds lange tijd aanwezig was.

Samenstelling: Kelle Moreau, kelle.moreau@bio.kuleuven.ac.be Voor een overzicht van de medewerkers en correspondenten verwijzen we naar de reguliere waarnemingenoverzichten met betrekking tot het jaar 2004 in de vorige jaargang van dit tijdschrift.

36


Planten

Vogels

De E40 kleurt je landschap Onverwachte orchideeënrijkdom op en rond snelweg bermen 'Ook gekende plekken herbergen steeds weer verrassingen' is één van die immer geldende wetmatigheden voor de veldwaarnemer. Zo ook weer voorjaar 2004, toen speurwerk in de omgeving van enkele gekende orchideeënplekjes in de streek leidde tot een aantal leuke vondsten, waaronder nieuwe groeiplaatsen van Bijeorchis, Hondskruid en Rietorchis. Vooral het soortenpalet in de zone van de E40 autosnelweg bleek van onverwacht zuiderse signatuur. Een overzicht.

Met de verspreidingsotlos van planten in het Dijlelond (Stuckens & Vercoutere. 2003) onder de arm. bezocht ik tussen midden mei en begin juli 2004 een aantal groeiplaatsen van orchideeën in de streek. Van de ene waarneming kwam de andere. met als resultaat dot we tegen begin juli met een aantal waarnemers (waaronder Frederik Fluyt. Marc Herremons, Bart Vercoutere en ikzelf) een aantal gebieden grondig uitgekamd hadden. In IFBL-uurhok e5-23, langs de E40 autosnelweg tussen Bertem en Oud-Heverlee. lokaliseerden we twee zones met een opvallende concentratie aan orchideeën. Op groeiplaats 1 werden in mei en juni 2004 13 bloeiende Soldaatjes Orchis m1/itoris en 32 bloeiende Bijeorchissen Ophrys opifero geteld. Op groeiplaats 2 werden naast 19 Bijeorchissen. ook 12 bloeiende planten Hondskruid Anocompfis pyromidolis en 20-25 Bosorchissen Doctylorhizo fuchstï gevonden. De drie eerste soorten zijn uitgesproken

kalkminnende orchideeën. die in V laanderen zeer tot uiterst zeldzaam zijn. Op beide groeiplaatsen komen ook de meer algemene Grote keverorchis Lisfero ovoto en Brede wespeorchis Epipocfis helleborine talrijk voor.

Noor aanleiding van deze vondsten werd een terreinbezoek georganiseerd met de beheerders van de groeiplaatsen om de mogelijkheden e n wensen voor een orchideeënvriendelijk beheer te bespreken (Herremons & Hens, 2004). En omdat er allicht nog ontdekkingen te doen zijn. organiseert de natuurstudiegroep in mei en juni twee inventarisatie-excursies. Dit artikel belicht kort enkele ecologische kenmerken van de vier aangetroffen 'kolk' soorten en bespreekt hun huidige status in het Dijlelond en in V laanderen.

Soldaatje De aanwezigheid van Soldaatjes op groeiplaats 1 werd voor het eerst opgemerkt in 1997. toen twintig bloeiende planten geteld werden (Meeuwis, 1998). Voor 1990 was de soort er zeker afwezig (med. M. Herremons). In 1998 werden eveneens 20 bloeiende planten geteld, terwijl de groeiplaats in 1999 sterk verstoord was en er slechts negen ex. aangetroffen worden

(R.

Lenoert). In 2001 bloeiden er opnieuw 20 ex. en in 2004 13 ex.

Een tweede groeiplaats van Soldaatjes in de streek bevindt zich in de berm van de E40 op grondgebied Everberg (IFBL-uurhok e5-21). Deze populatie werd ontdekt in 1994 (één bloeiend ex., 2001 (25

R. Lenoert) en heeft zich sindsdien gestaag uitgebreid tot 30 bloeiende ex. in mei. R. Lenoert) en minstens 59 bloeiende ex. in 2004 (R. Lenoert, J. Monnens. R.

Meeuwis). 37


Planten

Het Soldaatje komt bij voorkeur op niet al te droge kalkgraslanden en het liefst op grazige plaatsen voor. Soms is de soort ook in bosranden en open plekken in loofbossen te vinden. Vaak staat ze in lichte schaduw van struikjes en ook in bosranden. In Vlaanderen is de soort uiterst zeldzaam en bedreigd (tabel). In de periode 1995-2004 werd de soort op acht lokaties in Vlaanderen aangetroffen, waaronder de twee in onze streek (gegevens Florabank).

Soldaatje op groeiplaats /, IFBL-uurhok e5-23,

Hondskruid op groeiplaats 2, IFBL-uurhok e5-23, 30

3 I mei 2004. Foto: More Herremons

juni 2004. Foto: Frederik Fluyt

Hondskruid DĂŠ ontdekking van het orchideeĂŤnvoorjaar 2004 waren 12 bloeiende planten Hondskruid op 30 juni 2004 op groeiplaats 2 (F. Fluyt). Het betreft een nieuwe en - voor zover bekend momenteel de enige vindplaats in de streek. Meeuwis ( 1998) meldt eerdere vondsten van Hondskruid in een wegberm (periode niet gespecifieerd) en een grasland (midden jaren '90) in de Laanvallei (IFBL-uurhok eS-42), maar daar is de soort ondertussen verdwenen. De soort is overigens niet opgenomen in de recent gepubliceerde verspreidingsatlas van de planten in het Dijleland (Stuckens & Vercoutere, 2003). In Vlaanderen is Hondskruid uiterst zeldzaam en bedreigd (tabel). Waar de soort tussen 1900 en 1970 slechts tweemaal aangetroffen werd in Vlaanderen, is de soort na 1990 op een 12tal (nieuwe) locaties plaatsen aangetroffen (gegevens florabank). 38


Planten

Hondskruid houdt van volle zon. een open vegetatie en verkiest daarbij kalkrijke, droge plaatsen. Het is een typische soort voor kolkgroslonden. die in V laanderen is aangetroffen in kalkrijke duingroslonden. opgespoten terreinen en in wegbermen. Soms groeit ze ook in iets minder kalkrijke plaatsen, moor in die gevallen stoot ze doorgaans vochtiger. waarbij ze beïnvloed wordt door minerolenrijk grondwater. Het is een typische pioniersoort. die even plots terug kon verdwijnen als zij verschenen is.

Bijeorchis Op groeiplaats l werden voor het eerst Bijeorchissen opgemerkt in 1997 (3 ex., R. Lenoert). Uit de periode 1998-2003 liggen geen oantolstellingen voor. In 2004 bestond deze populatie uit 32 bloeiende exemplaren (24 juni. M. Hens) . Op groeiplaats 2 werden op 30 juni en l juli 2004 minstens 19 bloeiende planten geteld (M. Hens). Voor zover bekend is dit een nieuwe vindplaats van Bijeorchis. Opvallend is dot de bloemen van de planten op groeiplaats l uiterlijk sterk verschillen van de bloemen op groeiplaats 2 (zie foto's). De afwijkende bloemvorm van de planten op groeiplaats l wijst allicht op een genetische fout in deze populatie. Aangezien Bijeorchis. in tegenstelling tot de meeste andere Ophrys-soorten. zich via zelfbestuiving kon voortplanten. kon een fout in één enkele ouderplont zich gemakkelijk verspreiden over meerdere individuen in de omgeving.

Bijeorchis op groeiplaats l(L) en groeiplaats 2 (R), IFBL-uurhok e5-23, 30 juni 2004. De kroonlip van de planten op groeiplaats lis hol en glad en wijkt sterk of van de normale Bi;'eorchis-kroonlip (bol en fluwelig), zoals de planten op groeiplaats 2. Foto's: Fredenk Fluyt 39


Planten

De Bijeorchis heeft een voorkeur voor kalkgraslanden waar ze het liefst op grazige plaatsen staat. In Vlaanderen komt de soort doorgaans voor op verstoorde plaatsen (opgespoten terrein, industriegebieden, bermen, na grondwerken, ... ) waar ze optreedt als pionierplant. De soort kan plots ergens opduiken, gedurende enkele jaren uitbundig bloeien, om vervolgens terug volledig te verdwijnen. Enige vorm van menselijke verstoring is blijkbaar een noodzakelijke factor, en hangt samen met het (door de ingreep) beschikbaar komen van kalk en andere mineralen. In bepaalde gevallen kan Bijeorchis aangetroffen worden onder open loofhout en in lichte naaldbossen. Op dergelijke plaatsen groeit ze echter nooit optimaal. In het Dijleland is de soort reeds op verschillende plaatsen opgedoken (en ondertussen weer verdwenen), ondermeer in de bermen van de E40 in Heverleebos (jaren '70), in de Doode Bemde en in de Laanvallei (Rodebos) (med. M. Herremans en P. De Becker; Meeuwis,

1998).

Meeuwis ( 1998) citeert verder meldingen dat de soort op verlaten industrieterreinen aan het kanaal Leuven-Dijle zou voorkomen. In Vlaanderen is de soort zeer zeldzaam (tabel).

Bosorchis De Bosorchis is op Vlaams niveau de minst

zeldzame

van

de

vier

aangetroffen 'kalk'soorten en de laatste jaren wordt ze op steeds meer plaatsen genoteerd. Hierbij moet wel in rekening gebracht worden dat de Bosorchis pas recent als afzonderlijke soort wordt onderscheiden van de Gevlekte orchis Dacty/orhiza maculata. De

kennis

van

de

historische

verspreiding van de Bosorchis is dus uitermate beperkt. Bovendien is het onderscheiden van beide soorten niet steeds eenvoudig. Beide soorten hebben echter een verschillende biotoopvoorkeur: de Bosorchis komt voor op iets voedselrijkere, basische groeiplaatsen, terwijl de Gevlekte orchis behoefte heeft aan voedselarme, eerder zure standplaatsen. De regionale plantenatlas voor het Dijleland (Stuckens & Vercoutere, 2003) vermeldt het voorkomen van Bosorchis en Gevlekte orchis in respectievelijk negen en acht kwartierhokken. In een aantal gevallen gaat het hierbij om dezelfde hokken (Rodebos/Laanvallei, vallei van de Molenbeek in Kortenberg en Herent).

Bosorchis op groeiplaats 2, IFBL-uurhok eS-23, 30 juni 2004. Foto: Frederik Fluyt

40


Planten

Op basis van haar biotoopvoorkeur is het waarschijnlijk dat de meeste waarnemingen uit het Dijleland teruggaan op de Bosorchis. Voor uurhok e5-23 vermelden zowel Meeuwis ( 1988) als Stuckens & Vercoutere (2003) noch Bosorchis noch Gevlekte orchis. De vondst van 20-25 Bosorchissen op groeiplaats 2 bete­ kent dus een nieuwe lokatie voor de soort in het Dijleland.

Rode lijst-status en kwartierhokfrekwentie (KFK) in Vlaanderen en in het Dijleland van de orchideeën op groeiplaatsen 1 en 2, IFBL-uurhok eS-23 Soort

Rode lijst categorie

KFK Vlaanderen

KFK

Soldaatje

Bedreigd / Uiterst zeldzaam

1

2

Hondskruid

Bedreigd / Uiterst zeldzaam

1

Bijeorchis

Zeer zeldzaam

2

1 2

Bosorchis

Zeldzaam

3

3

Grote keverorchis

Momenteel niet bedreigd

5

6

Brede wespeorchis Momenteel niet bedreigd

9

9

De kwortierhokfrekwentie is een tiendelige school die de zeldzaamheid van een soort aangeeft

( 1 zeer 2003). =

zeldzaam,

10

=

zeer algemeen) in V laanderen en in het Di;lelond (Stuckens & Vercoutere,

Vanwaar die plotse weelde ? Soldaatje, Hondskruid en Bijeorchis staan, zoals hierboven beschreven, te boek als typische pioniersoorten. Ook de Bosorchis neemt soms een pioniersrol op zich (Meeuwis, 1988). De bovenste bodemlaag op beide groeiplaatsen bestaat uit gebiedsvreemde grond, aange­ voerd tijdens de aanleg van de E40 autosnelweg in de periode 1969-1971. Allicht gaat het hierbij om onverweerd bodemmateriaal van diepere lagen, met een voor de soorten in kwestie voldoende hoge beschikbaarheid van kalk en/of andere noodzakelijke mineralen. Voor zover bekend, werd de bodem op beide groeiplaatsen sinds de aanleg, en zeker ge­ durende de voorbije l 0-15 jaar, niet verder omgewoeld of verstoord. Dit plaatst het 'pio­ niers-karakter' van de vestiging (tot eind de jaren '80 kwamen hier met zekerheid geen bloeiende planten van deze soorten voor) toch in een ietwat ander daglicht. en brengt ons bij een mogelijk tweede luik van verklaring: klimaatverandering. V laanderen ligt aan de noordrand van de verspreiding van veel kalk- en warmteminnende orchideeën. Hoewel moeilijk 'hard' te bewijzen. speelt de geleidelijke toename van de ge­ middelde temperatuur gedurende de voorbije twintig jaar waarschijnlijk een rol bij het vrij plots opduiken van bloeiende planten van deze soorten op plaatsen waar ze voorheen niet voorkwamen. De opmerkelijke toename van vondsten van soorten als Bijeorchis en Honds­ kruid ook elders in V laanderen. doorgaans op allerhande 'verstoorde' bodems (van kerkho­ ven over bermen en dijken tot opgespoten terreinen en voormalige akkers) (gegevens Flora­ bank). zet deze hypothese kracht bij. Dit laat bovendien vermoeden dat er de komende jaren nog meer nieuwe groeiplaatsen te ontdekken vallen.

41


Planten

Duurzame vestiging en beheer ?

In een overzicht over het huidige en historische voorkomen en verspreiding van orchideeën in het Dijleland. rangschikt Meeuwis (1988) exact de vier aangetroffen soorten onder de noemer 'toevallige passanten': soorten die- alleszins ten tijde van het artikel-geen stabiele populaties hadden in het Dijleland en doorgaans even snel verdwijnen als ze verschijnen. Zeker voor soorten als Bijeorchis en Hondskruid lijkt soortgericht beheer weinig zinvol. Voor deze soorten is een grote dynamiek van opduiken en weer verdwijnen van populaties te verwachten. Voor Soldaatje en Bosorchis nuanceert Meeuwis (1988) z'n 'toevallige passan­ ten '-indeling evenwel door aan te geven dat populaties van beide soorten versterkt en uitgebreid kunnen worden door een gepast beheer van het habitat. Voor het Soldaatje lijkt dit ondertussen bevestigd te worden. De populatie in Everberg is in 11 jaar tijd fors uitgebreid met een niet al te specifiek beheer (jaarlijkse maaibeurt begin augus­ tus) (Vandenbussche. 2004). De populatie op groeiplaats 1 vergt iets meer toewijding: het habitat is erg klein en heeft de neiging om te verruigen en snel te verbossen. Mede door het gebrek aan uitbreidingsmogelijkheden. is deze populatie sinds de ontdekking in 1997 min of meer stabiel gebleven. Het beheer, uitgevoerd door AMINAL afdeling Natuur. dient gericht te zijn op het open en voldoende grazig houden van de vegetatie (Meeuwis, 1998; Herremans & Hens. 2004). Op alle vindplaatsen van Bosorchis in het Dijleland gaat het om vrij kleine aantallen. Bij een gepast beheer (verschraling, open houden van vegetaties) kan deze soort echter, net als Brede orchis Doctylorhizo fistuloso, sterk uitbreiden (Meeuwis. 1988). Naar aanleiding van deze vondsten werden in overleg met de beherende instanties (AMINAL afdeling Wegen en Verkeer. afdeling Natuur) een aantal voorstellen uitgewerkt voor het orchideeënvriendelijk beheer van potentiële groeiplaatsen (Herremans & Hens , 2004). Uit­ gangspunt hierbij was dat ondermeer de bermen van de E40 grote mogelijkheden hebben om uit te groeien tot botanisch waardevolle hooilanden. Hooilanden op kalkrijke leem , ze­ ker de verschraalde vorm. zijn immers zeldzaam in V laanderen. Een zorgvuldig uitgevoerd verschralend maaibeheer en het tegengaan van verbossing zou op relatief korte termijn mooie resultaten moeten opleveren. Dankwoord Dit artikel kon slechts tot stond komen dankzij de waarnemingen, beheertips, foto's en het determinatie-advies die ik kreeg van Piet De Becker. Frederik Fluyt. More Herremons. Rik Lenoert. René Meeuwis, Jos Monnens en Wouter Van Londuyt.

Referenties Florobonk. http://floro.instnol.be/floro/ Herremons M. & Hens M.

(2004). Verslag bezoek orchideeëngroeiplootsen bermen E40 Brabant. Interne nota. 15 juli 2004.

Notuurpunt Studie & Notuurstudiegroep Dijlelond, Mechelen.

( 1998). Orchideeën in het Dijlelond. In: Joorbulletin 1998. De Vrienden van Heverleebos en Meer­ 37-53. Stuckens J. & Vercoutere B. (2003). Verspreidingsotlos van de planten in het Dijlelond. 1975-2002. Een uitgave van Vrienden van Heverleebos en Meerdoolwoud vzw. Notuurstudiegroep Dijlelond en Flo.Wer vzw. 341 p. Meeuwis R.

doolwoud vzw. Leuven. p.

Vondenbussche L.

(2004). Kijk! 'Ecologische bermen'. In: Boone N. & Lorent J. (red.) Werken aan natuur in het 2004. Vrienden van Heverleebos en Meerdoolwoud vzw. Leuven.

Dijlelond. Jaarboek

Maarten Hens moortenhens@skyne!. be 42


Activiteiten

Activiteitenkalender

-

voorjaar

&

zomer

2005

Natuurstudie-praatcafé Telkens in café Via Via op de Naamsesteenweg te Heverlee (nabij het station van Heverlee) Coördinatie: Maarten Hens (tel.: 016 40 98 70, e-mail: maartenhens@skynet.be ) •

Woensdag 13 april vanaf 20u00. Thema: aandachtssoorten Nachtegaal en Wielewaal

Woensdag 11 mei vanaf 20u00 . Thema: nog te bepalen

Woensdag 8 juni vanaf 20u00. Thema: opvolging en planning inventarisaties amfibieën, reptielen en project akkervogels.

30 april: Big Day 2005 Na een jaar lang 'verantwoord' vogels tellen en inventariseren benaderen we de vogelarij vanuit een ludieke en sportieve invalshoek: teams of individuele deelnemers nemen het tegen elkaar op om in 24 uur zoveel mogelijk soorten te spotten binnen de grenzen van het Dijleland. soorten.

In 2004 won het team 'Hens - Moreau - Louette' de wedstrijd met precies 100 Wie doet dit jaar beter ? Reglement, streeplijst en inschrijvingen: contacteer Kris

van Scharen, kris.van.scharen@telenet.be

Ongewerveldeninventarisaties natuurgebieden Leuven Coördinatie: Joris Menten (tel.: 0495 27 53 93, e-mail: joris.menten@advalvas.be) Meebrengen: netje, loepe, determinatieboeken. •

Zaterdag 23 april: Kesselberg Afspraak:

l 3u45 Bodart-parking Leuven of 14:00 Parking Kesselberg(Koningsstraat)

Zaterdag 21 mei: Wijgmaalbroek Afspraak: 8u45 Bodart-parking Leuven of 9:00 Kerk Wijgmaal (centrum)

Zaterdag 4 juni: Kesselberg (speciale aandacht voor nachtvlinders) Afspraak: l 8u45 Bodart-parking Leuven of 19:00 Parking Kesselberg(Koningsstraat)

Zondag 19 juni: Omgeving spoorweg en havengebied Afspraak: 9u00 Bodart-parking Leuven

Zondag 3 juli: Wijgmaalbroek (speciale aandacht voor nachtvlinders) Afspraak: l 8u45 Bodart-parking Leuven of 19:00 Kerk Wijgmaal (centrum)

Zaterdag 30 Juli: Kesselberg Afspraak: 8u45 Bodart-parking Leuven of 9:00 Parking Kesselberg (Koningsstraat)

Zondag 21 augustus: Omgeving spoorweg en havengebied Afspraak: 9u00 Bodart-parking Leuven 43


Activiteiten

Demonstratie nachtvlindervangst Zaterdag 14 mei. Afspraak om 22u30 parking Reigersstraat Oud-Heverlee. Leiding: André Verboven.

Amfibieën- en reptieleninventarisaties Hyla, de amfibieën- en reptielenwerkgroep van Natuurpunt. voorziet in 2010 de uitgave van een nieuwe verspreidingsatlas van de amfibieën en reptielen van Vlaanderen. In de aan­ loop van deze atlas. plant Natuurstudiegroep Dijleland enkele inventarsiatietochten in regio Leuven. In 2005 gaat de aandacht uit naar de poelen van het boscomplex Meeerdaalwoud - Heverleebos. Coördinatie: Maarten Hens (tel.: 016 40 98 70, e-mail: maartenhens@skynet.be ) •

Zaterdag 11 juni. Afspraak om 09u00 kruising Weertsedreef - Naamsesteenweg (voetgangersbrug)

Zaterdag 9 juli. Afspraak om 09u00 kruising Weertsedreef - Naamsesteenweg (voetgangersbrug)

Zaterdag 6 augustus. Afspraak om 09u00 kruising Weertsedreef - Naamsesteenweg (voetgangersbrug)

Waarnemingen van amfibieën en reptielen kunnen tevens overgemaakt worden via het Hyla-invulformulier, te vinden op de website van Natuurpunt. (Fauna & flora >amfibieën en reptielen ) .

In de rubriek Natuurloket zijn recente verspreidingskaarten van alle in V laande­

ren voorkomende soorten terug te vinden.

Vuursalamander; Mollendaa/. foto: Frederik f/uy/

44


Bijeorchis met afwijkende bloemvorm, Dijleland, 2004, foto: Frederik Fluyt


VUBPRESS

€ 17,95

Uitgeverij VUBPRESS Waversesteenweg 1077 B-11 60 Brussel

fax 32 2 629 26 94 e-mail: vubpress@vub.ac.be www

.vubpress.be

Ook verkriigbaar in de Natuurpunt•boekhandel

Profile for Natuurstudiegroep Dijleland

De Boomklever Maart 2005  

De Boomklever Maart 2005  

Profile for nsgd
Advertisement