__MAIN_TEXT__

Page 1

NATUURSTUDIEGROEP . DIJLE LAND

.

'i ��

Tiidschrift v!ln de Nat�urpunt �.'":� Natuurstud1egroep D11leland ��

Jaargang 31

-

december 2003


NATUURSTUDIEGROEP DIJLELAND Regionale natuurhistorische werkgroep van Natuurpunt vzw

Bestuur Voorzitter: Paul Herroelen Leuvensesteenweg 347, 3370 Boutersem,016.73.40.69 Secretaris: Frederik Fluyt, Spitsberg 4, 3040 Huldenberg,02.687.47.34 Penningmeester: Kris Van Scharen, Korbeekstraat 27, 3061 Leefdaal, 02.767.26.38, Bestuursleden: •

Monique Bekkers Oostremstraat 4, 3020 Herent,016.23.13.38

André Verboven, Groeneweg 60, 3001 Heverlee, 016.23.81.84

Kelle Moreau, Kerspelstraat 20,3001 Heverlee, 0486.12.58.77

Joris Menten, W. De Croylaan 49/21, 3001 Heverlee, 0495.27.53.93

Herwig Blockx, Rue du Culot 42,1320 Tourinnes-la-Grosse,010.86.24.66

Wouter Desmet, Studentenwijk Arenberg 21 (408), 3001 Heverlee,016.3202.64/0473.731788

Vogelwerkgroep •

Themaverantwoordelijke: Wouter Desmet, Studentenwijk Arenberg 21 (408), 3001 Heverlee

Waarnemingen en archief, roofvogeltelling: Kelle Moreau, Kerspelstraat 20,

3001 Heverlee, 0486.12.58.77, kelle.moreau@bio.kuleuven.ac.be •

Broedvogelatlasproject, trektellingen: Frederik Fluyt, Spitsberg 4, 3040 Huldenberg,

02.687.47.34, freek@village.uunet.be •

Watervogeltellingen, trektellingen: Kris Van Scharen, Korbeekstraat 27, 3061 Leefdaal,

02.767.26.38,kvschare@vub.ac.be

Werkgroep zoogdieren Themaverantwoordelijke, IWB-marterproject, waarnemingen en archief: Kelle Moreau,

Kerspelstraat 20, 3001 Heverlee, 0486.12.58.77,kelle.moreau@bio.kuleuven.ac.be

Werkgroep ongewervelden Themaverantwoordelijke: André Verboven, Groeneweg 60, 3001 Heverlee,

016.23 .81.84,andre.verboven@chello.be Planten Werkgroep Themaverantwoordelijke: Joris Menten,W. De Croylaan 49/21, 3001 Heverlee, 0495.27.53.93

joris menten@merck.com _

Website www.natuurpunt.be/dijleland

Rondzendlijst Dijleland: stuur een blanco e-mail naar dijlevallei-subcribe@yahoogroups.com


De Boom.klever

INHOUD

Driemaandelijks tijdschrtft van Natuurstudiegroep Dij/eland, natuurhistorische werkgroep van Natuurpunt vzw.

Redactlekern Herwig Blockx, Frederik Fluyt,

BUITEN GEKEKEN

Maarten Hens, Paul Herroelen, Kelle Moreau en Kris Van Scharen

De valkenkoningin

. . . .

.

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

.

. . . . . . . .

.

. . . . . . . . . . . . . . . . . .

106

Redactie-adres Artikels of korte bijdragen worden verwacht op het

ONGEWERVELDEN

redactiesecretariaat, p/a Frederik Fluyt, Spitsberg 4,

3040 Huldenberg E-mail: freek@village.uunet.be Het copyright van de teksten en tekeningen blijft bij de auteurs en tekenaars. Over足

Ongewerveldeninventarisatie van de Koeheide (Bertem) en omgeving............................. : .... 106 Ontdekking van de Spaanse vlag in het Dijleland

. . . . . . . . . . . . .

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

116

name is mogelijk mits hun uitdrukkelijke toelating

VOGELS

Abonnement Ge誰nteresseerden kunnen De Boomklever ontvangen door overschrijving van 5 EUR op rekeningnummer

001-1552168-50 van Studie足 groep Dijleland p/a Korbeek足 straat 27, 3061 Leefdaal met opgave van naam en adres. Een steunabonnement kost

10 EUR of meer.

Natuurpunt

vzw

Natuurpunt vzw is de grootste

Steenuilonderzoek in het Dijleland

. . . . . . .

.

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

118

Territoriumkartering van de grote gele kwikstaart in Leuven en omgeving in kader van het BBV project . . .

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

.

. . .

.

. . . . . .

.

. . .

.

. . . .

. 122 . .

Opmerkelijke vogelwaarnemingen in de Dijlevallei en omgeving, juni - november 2003 .............................. 136

ACTIVITEITEN

vereniging voor natuur en landschap in V laanderen. Ze telt 47 .000 leden en beheert

Activiteitenkalender januari - maart 2004 .................... 156

11.000 hectaren natuurgebied. Lid worden van Natuurpunt vzw kan door storting van 17,5 Euro op rekeningnummer

000-0000999-29.

105


Buiten gekeken

DE VALKENKONINGIN Bommeneede, 31-12-'94

De aanloop Het is me weer eens teveel geworden. Het scenario is bekend: je rotst de ganse Dijlevallei af in een waterige decemberzon en buiten het allergewoonste waterwild prijkt er niks op je ornithologisch palmares. "Zelfs geen torenvalk of nen buizerd, dat kan toch nie" zucht ik vertwijfeld als ik diep ontgoocheld in het tanende licht de terugweg aanvat. "Zo moet je je schaarse vrije tijd vooral verknoeien" , foeter ik in gedachten op mezelf. Er is maar één oplossing. Als de vogels niet naar hier willen komen, moet ik naar ze toe. "Volgende week ga ik naar Zeeland" zeg ik luidop tegen mezelf en zie, plots ziet de toekomst er al vééél beter uit. En in een opwelling voeg ik er nog aan toe: "En niet voor één dag maar 2 of zelfs 3 dagen". Een mens moet af en toe voor zichzelf zorgen, nietwaar?

Eenmaal ter plaatse Het is niet de eerste keer dat ik dit doe, een meerdaagse in het winterse Zeeland. Vooral het feit dat je alles op je dooie gemakje kan bekijken spreekt me erg aan. Als je een paar uur bij de ijseenden wil blijven aan de Brouwersdam, het kan. Een tekening maken van die slapende smienten aan de Flauwers Inlagen ? Geen probleem. Alleen was het de vorige keer wel veel beter weer. Ik heb nu al 2 dagen de ene na de andere bui getrotseerd. Gisteren had ik me eindelijk geparkeerd bij een groep brandganzen waarvan enkele vogelijkers me hadden verzekerd dat er een roodhalsgans tussen zat. Begon het daar toch niet opnieuw zeker? Een half uur, een uur: je zag niks meer door die bedampte ruiten. Als je ook maar even durfde het raam open te draaien kletterde het stonde pede naar binnen. Om de muren van omhoog te lopen als je, zoals ik, nog nooit een roodhalsgans hebt gezien ... De rest van de namiddag was toch nog best genietbaar: ik rond de 5 futensoorten af af met een roodhals en 3 geoorde in de buitenhaven van Stellendam. Een late namiddagwandeling aan de slikken van Flakkee in de invallende schemering leverde wél de verhoopte soorten op weliswaar als glimp in de verte (ruigpootbuizerd) of een langs jakkerend stipje (smelleken). Terwijl het dankzij de niet nader te determineren soep van laaghangende mist en wolken ontijdig vroeg donker werd, luisterde ik even naar het weerbericht op de Nederlandse radio. "Morgen wordt het beter", en ik dank de goden daarvoor

106


Buiten gekeken

Mijn laatste dag start onder een flauw oudejaarszonnetje. De ganzen blijven schitterend: er zit een groep van ettelijke duizenden brandjes in de Prunjepolder. Met de telescoop kan je er gemakkelijk de aparte families uithalen: telkens 2 oudervogels met 2 ,3 of zelfs 4 jongen. Af en toe doet een brandgans een uitval naar een soortgenoot als die te kortbij komt. Met een zijwaarts sprongetje wordt de kritische afstand dan weer hersteld. Zelfs sociaal levende vogels hebben ademruimte nodig. Als ik de hoofddijk oprijd, zit in een ruig graslandje aan de voet van de dijk een roofvogel die rustig "plat op zijn buik" blijft zitten. Ik stop heel, heel voorzichtig en hij blijft waar hij is. Voorzichtig de kijker uithalen bevestigt mijn vermoeden: de vlekkerige rugtekening, de gestreepte "wouwenkop" en de buikvlekken: dat moet opnieuw een ruigpootbuizerd zijn. Voorwaar geen alledaagse verschijning in Zeeland en na enkele minuten verheft hij zich in de lucht. De vaag afgelijnde brede eindband neemt het laatste zweem van twijfel weg: een jonge vogel. Traag zeilt hij weg, in zweefvlucht doen ze me dan altijd denken aan een blauwe kiekendief. Toch is dat zeker geen sluitend kenmerk. Ik heb me al ettelijke keren laten vangen aan een buizerd die "op zijn ruigpoot" rondvloog. Toch een prachtige waarneming, ik heb zelfs wat schetsjes kunnen maken vooraleer hij opging, alleen die kop, die zal ik straks nog moeten afwerken ...

The battle of... Zeeland Zelfs als je 3 dagen tijd hebt, slaag je er nog niet in om hier alle kanten en hoekjes af te speuren naar vogels... Kleine zwanen bijvoorbeeld: ze zijn er elke winter maar soms zie je er geen een op een hele dag. Nu zit er een kleine familiegroep op akkers nabij Zonnemaire; eergisteren vielen er verscheidene groepen bij valavond in op de Middelplaten. Ook dat is anders: vertrouwde plekken op andere momenten van de dag kunnen ook "verrassingen" opleveren. Deze zwanen zitten echter ruim ver en ik besluit verder te rijden naar een volgende parel aan de Zeelandse kroon. Vorige winter toevallig ontdekt toen ik wat aan het rondtuffen was door het noorden van Schouwen. Een slikken/schorrengebied vlakbij een uitgestorven haventje waar brilduikertjes en ik toen van het mooie weer profiteerden: oh, happy memory ... In de zomer is het er waarschijnlijk een "va et vient" van zeilboten. In de winter is er in

geen kilometers een menselijke ziel te bekennen. Hoe doen die

Nederlanders dat toch, in hun bijna dichtst bevolkte land ter wereld ? Als ik de kleine parking opdraai zie ik al onmiddellijk waarom Bommeneede nu al, bij mijn tweede bezoek, in mijn " Zeelandse favorietenlijst" prijkt. Als je hier richting Grevelingen kijkt, zie je een ogenschijnlijk ongerept landschap met "Saeftinghe" allures. Je kijkt uit op een vrije horizon waar slechts enkele punten eraan herinneren dat dit een "man-made" natuurgebied is. Honderden meters van hier, tegen het water aan,

is er onbegroeid slik. De overgang naar een

schorrenvegetatie wordt bekroond met brede rietkragen waarin wilgen- en duindoornstruiken opschieten. 107


Buiten gekeken

Naast het gebruikelijke waterwild in lage aantallen blijft de omgeving vogelgewijs leeg Maar dit is niet de plek noch het moment om me daar dik in te maken. De zon is nu door de wolken heen gebroken en het blauw van de Grevelingen, het okergeel van het riet en de oranje duindoornbessen doen me op slag alle regen van de voorbije dagen vergeten. Als uit het niets hangt er opeens een grote roofvogel boven de dijk te bidden. 11Toch niet alweer een ... ?11 schiet er door mijn hoofd. Ik heb hem nog maar net in beeld of hij draait zich plots bliksemsnel op zijn rug. Een donkerbruine schicht mist hem ei zo na om met een vaart terug de hoogte in te schieten. Ik volg het spektakel met opgetrokken wenkbrauwen. Een slechtvalk die vecht met een ruigpootbuizerd: dat noem ik pas een spetterende waarneming ... Alsof ze mijn inwendige juichkreten heeft begrepen, doet de slechtvalk er een schepje bovenop en zet onmiddellijk een zo mogelijk nog gemenere duikvlucht in. De ruigpoot pareert ook deze uitval: hij smijt zich in een fractie van een seconde ondersteboven en haalt met zijn geopende klauwen uit naar zijn kwelduivel. De slechtvalk lijkt het spelletje ••ruigpootpesten" beu te worden en wint nu wat hoogte. Altijd imposant wat een kracht en snelheid deze vogels uitstralen: ze klieven letterlijk de lucht met hun verende vleugelslagen. 11 Oh, wat ... ?!11 Het ene moment klom de valk nog steil omhoog om nu schuin achterover te kantelen en terug de ruigpootbuizerd te bestoken. Drie, vier keer, telkens denk ik: 1'Ai, daar gaan pluimen rondvliegen11• Het is ongetwijfeld een eerstejaars vrouwtje: een fors uit de kluiten gewassen valk met een borstkas om U tegen te zeggen. Alhoewel hij zich onder dit aanhoudend stuka-bombardement niet onbetuigd laat heeft de ruigpootbuizerd er nu toch genoeg van. Hij verdwijnt nu, richting polder. Mooi afgelijnde staartband: waarschijnlijk een volwassen vogel, noteer ik mentaal als ik hem uitgeleide doe met mijn verrekijker. En de slechtvalk, waar is die nu naar toe ? Zelfs met het blote oog zie ik onmiddellijk in de verte een geharrewar tussen 2 vogels. Deze keer heeft ze het aan de stok met een vrouwtje blauwe kiekendief. Bij elke schermutseling verdwijnen ze even naar beneden achter een rietkraag, even later komen ze weer omhoog om ••naar adem te happen". Een wervelende luchtshow wordt het: minuten lang houdt de kiekendief het vol maar de slechtvalk geeft niet op. Moegetergd zeilt de blauwe kiek tenslotte over de dijk en landt honderden meters verder op een akker. De valk vliegt aan op een laag paaltje en landt hierop met fladderende vleugels. Alle wulpen, scholeksters en kieviten zijn ondertussen met veel misbaar omhoog gegaan. De valk kijkt onaangedaan in het rond: 11ls er hier nog iemand die durft ... ?11 Ik grijp de gelegenheid om een vlug schetsje van deze kwaaie madam te maken. Lang duurt de rust niet: na amper 5 minuten stuift ze er weer als de weerlicht vandoor om . . . . .. een vogel te grijpen ? Neen, een volgend vrouwtje blauwe kiekendief is de pineut. Kantelend stribbelt deze kiek tegen maar hij wordt letterlijk het water ingedreven Vlak over het water laveert hij nu, richting slikken van Flakkee. Goed bekeken, 108


Buiten gekeken

want de slechtvalk geeft nu zijn piratenstreken snel op. Misschien riskeert ze wel een nat pak als ze dit getreiter boven open water te lang volhoudt. Als ik enkele minuten later terug de volledige omgeving afspeur, vind ik hare majesteit niet meer terug. Raar dat ze deze hardnekkige verdediging opgeeft, temeer daar ze elke confrontatie tot nu toe in haar voordeel geslecht heeft. Na enkele minuten vind ik toch een stipje terug, enkele honderden meters verder op die betonnen dijkwering, dat zou ze wel eens kunnen zijn. Is dat de troon van waarop ze haa.r jachtgebied vrij houdt van andere kromsnavels ?

Lang moet ik niet wachten op het antwoord. Tussen 2 rietkragen laveert plots een smetteloos mannetje blauwe kiekendief in mijn richting. Ik kan nog net even genieten van zijn smetteloos meeuwengrijs pak als ik vanuit de achtergrond een razende roeland zie naderen. Vlak over de toppen van het riet scheert ze, profiteert nu van een diepere slenk om ongezien te naderen. De verrassing is compleet en de kiekendief spat omhoog net voor de impact van deze gevederde torpedo. "Wat een spektakel" zucht ik bij mezelf als ook deze 2 een adembenemend luchtgevecht opzetten waarbij de kiekendief telkens tracht hoger te ontkomen. "Ze jaagt ze alle kanten uit" mompel ik terwijl ik het kiekendiefmannetje nakijk terwijl hij nog steeds hoogte winnend boven de akkers verdwijnt: Die komt vandaag niet meer terug ... Als vanouds richt ik mijn kijker terug op de dijkwering en ... jawel, ze zit daar terug, alsof er niks gebeurd is. Ik rijd met de wagen dichterbij en maak nog een schets van de valk op haar betonnen troon. Plots kijkt ze achterom en begint heftig te kopknikken. Ettelijke honderden meters verder langs de dijk hangt een torenvalkje te bidden. Slechtvalken strekken eerst hun vleugels en vliegen dan pas af, ik heb het daarstraks gezien en ook nu is dat het sein waarmee deze levende F-16 vertrekt. Laag over de grond vliegt ze af, in een mum van tijd bereikt ze een fenomenale snelheid, om pas op het allerlaatste moment steil op te trekken naar het onschuldigďż˝ torenvalkje...

Doodsangst, niks minder dan

dat, zaait deze bitch van een slechtvalk: de torenvalk gaat er volle bak vandoor, richting horizon. Ongetwijfeld, maar dat kan ik van hier niet zien, kijkt ze af en toe over haar schouder om te zien of het monster niet terug nadert. De "young falcon

que e n"

l a n ce e r t

inderdaad

nog

enkele

halfhartige

achtervolgingspogingen maar deze torenvalk is niet zo geĂŻnteresseerd in een ongetwijfeld levensgevaarlijk kat en muis spel. "Weg van hier": ik heb nog nooit een torenvalk zo snel zien vliegen. De slechtvalk is ondertussen een heel eind verder geland. Trots opgericht kijkt ze om zich heen. Je vraagt je dan af wat zo'n vogel nu denkt. Als je het mij vraagt komt het in de buurt van "Spijtig dat die laatste het zo snel opgaf, net nu ik mij een beetje begon te amuseren ... . "

Herwig

109


Onge wervelden

Ongewerveldeninventarisatie van de Koeheide (Bertem) en omgeving Tijdens 2003 deed de Natuurstudiegroep Dijleland enkele ongewervelden­ inventarisatie-tochten in de Koeheide en omgeving. Het onderzochte gebied betreft de Zuidrand van het plateau tussen Bertem en Veltem-Winksele. Het gebied wordt in het Oosten begrensd door de E314, in het Zuiden door de dopskern van Bertem, in het Westen door de steenweg Bertem-Meerbeek, en in het Noorden door het boscomplex Eikenbos-Bertembos. De volgende deelgebieden kregen minstens 1 bezoek: Zwanenberg (16 augustus), Koeheide (17 mei, 14 september), bosrand Eikenbos (13 juli), en Hellegracht (29 juni). Buiten Zwanenberg, dat grotendeels op het grondgebied Leuven ligt, bevinden deze gebieden zich in de gemeente Bertem.

De eerste resultaten van deze excursies worden in dit artikel beschreven. De insektenordes waar meer uitgebreide inventarisaties van gebeurden, met name Dag- en Nachtvlinders (Lepidoptera) en Vliegen en Muggen (Diptera), zullen later worden beschreven. De groepen behandeld in dit artikeltje werden eerder oppervlakkig onderzocht. Hierdoor is het aantal soorten aangetroffen vrij laag. Deze resultaten moeten dan ook eerder gezien worden als een aanzet naar verder onderzoek dan een definitieve soortenlijst. De lijst van de waargenomen soorten (Tabel

1) bevat 46 soorten; het werkelijk aantal soorten dat in dit

natuurgebied voorkomt is wellicht tientallen malen zo groot! Er valt dus zeker nog heel wat te ontdekken.

Sprinkhanen (Othoptera) Negen soorten sprinkhanen werden waargenomen. Alle zijn vrij algemene soorten in de Vlaanderen. Drie soorten zijn gebonden aan open, droge graslanden en pioniersvegetaties. Dit zijn Gewoon doorntje, Bruine sprinkhaan, en Ratelaar. In grazigere, vochtigere stukken werden Krasser en Gewoon spitskopje aangetroffen. Eerder typisch voor bosranden, struwelen en hagen zijn de Struiksprinkhaan,

Boomsprinkhaan, Grote groene sabelsprinkhaan, en

Bramensprinkhaan.

Wantsen (Hemiptera Heteroptera) De wantsen zijn een relatief soortenrijke insektengroep. Ongeveer 620 soorten zijn bekend uit BelgiĂŤ. Helaas bestaat er slechts voor enkele deelgroepen van deze insektenorde Nederlandstalige determinatieliteratuur; enkel deze groepen werden onderzocht.

110


Onge wervelden

Boom- & Bodemwantsen (Pentatomoidea) De Boom- en Bodemwantsen vormen een superfamilie van de wantsen: de Pentatomoidea. Ze zijn te herkennen aan de antennen met vijf sprietleedjes; alle andere wantsen hebben er vier. Dit kenmerk werkt echter enkel voor de adulte dieren. De larven hebben slechts 4 sprietleedjes, net als andere wantsen. Zeven soorten werden opgetekend in de Koeheide. Het betreft vooral soorten van droge, warme graslanden. Een voorbeeld is de bekende Pyamawants. Deze soort was 20 jaar geleden enkel gekend uit het Zuiden van BelgiĂŤ. De laatse jaren heeft deze wants zich echter sterk uitgebreid, en ook in de omgeving van Leuven is het nu een algemene verschijning, vooral op Wilde peen.

Randwantsen (Coreidae) In 2002 gaf Natuurpunt een determineertabel uit voor deze wantsengroep. Zo zijn deze dieren ook makkelijk te determineren. Iets moeilijker is het de dieren te vinden en te onderscheiden van andere wantsengroepen. Twee soorten werden waargenomen in de Koeheide. De Zuringwants is onze meest algemene randwants en kan in alle graslanden waar zuring staat, aangetroffen worden.

Gonocerus acuteangulatus is een soort van besdragende struiken en werd gevonden op Meidoorn.

Figuur!: De Bessenwonts - Dolicoris boccorum. (Bron: www.bioimoges.org.ukj 111


Onge wervelden lnsektengroep

Soort

Sprinkhanen

Chortippus biguttulus (Ratelaar) Chortippus bruneus (Bruine sprinkhaan) Chortippus parallelus (Krasser) Conocephalus dorsalis (Gewoon spitskopje) Leptophyes punctatissima (Struiksprinkhaan) Meconema thalassinum (Boomsprinkhaan) Pholidoptera griseoptera (Bramensprinkhaan) Tetrix undulata (Gewoon doorntje) Tettigonia viridissima (Grote groene sabelsprinkhaan)

Wantsen Boom- en Bodemwantsen

Aelia acuminata Dolicoris baccarum (Bessenwants) Eurydema oleraceum (Koolwants) Eurygaster testudinaria Graphosoma lineatum (Pyamawants) Holcostethus vernalis Palomena prasina

Randwantsen

Coreus marginatus (Zuringwants) Gonocerus acuteangulatus

Kevers Lieveheersbeestjes

Adalia 2-punctata (2-stippelig LieveHeersBeestje) Calvia 10-guttata

( l 0-vlek

LHB)

Calvia 14-guttata (Roomvlek LHB) Coccinella 5-punctata (V ijfstippelig LHB) Coccinella 7-punctata (7-stippelig LHB) Halyzia 16-punctata (Meeldauw LHB) Harmonia axyridis (Veelkleurig Aziatisch LHB) Propylea 14-punctata ( 14-stippelig LHB) Psyllobora 22-punctata (22-stippelig LHB) Tythapis 16-punctata (16-punt LHB) Loopkevers

Bembidion lampros Notiophilus biguttatus Poecilus cupreus

Boktorren

Corymbia rubra (Rode smalbok) Leptura maculata (Gevlekte smalbok)

V liesvleugeligen Mieren

Formica fusca (Grauwzwarte mier) Myrmica rubra (Gewone steekmier) Myrmica ruginodis (Bossteekmier) Lasius fuliginosus (Glanzende houtmier) Lasius niger (Wegmier) Lasius flavus (Gele weidemier)

Plooivleugelwespen

Vespula vulgaris (Gewone wesp)

Hommels

Megabombus pascuorum (Akkerhommel) Bombus terrestris (Aardhommel)

Andere Ongewervelden Slakken

Trichia hispida (Behaarde slak)

Spinnen

Argiope bruennichi (T ijgerspin)

Netvleugeligen

Panorpa communis (Schorpioenvlieg)

Libellen en Waterjuffers

Aeschna cyanea (Blauwe glazenmaker)

Tabel 1: Ongewervelden (uitgezonderd Lep1doptera en Diptera) aangetroffen tijdens ongewervelden inventarisaties 2003 van de Koehe1de en Omgeving (Bertem-Leuven)


Ongewervelden

Kevers (Co/eopfera) De kevers zijn de soortenrijkste insektenorde van de wereld. Er wordt geschat dat 253 van alle diersoorten, kevers zijn. Het determineren van kevers is dan ook een specialisatie op z ich. Voor een aantal families bestaat goede Nederlandstalige literatuur; maar door de overvloed aan soorten blijft de determinatie moeilijk. Slechts van drie families werden kevers met zekerheid tot op de soort gedetermineerd: Lieveheersbeestjes, Loopkevers, en Boktorren.

Lieveheersbeestjes (Coccinellidae) De lieveheersbeestjes vormen, dank zij het lieveheersbeestjes-project, de best onderzochte kever-familie op onze inventarisatietochten. Tien soorten werden waargenomen. De meeste exemplaren werden gevangen tijdens het "slepen" met een net door kruiden en grassen. Het betreft dan ook vooral soorten van graslanden. Het 16-punt lieveheerbeestje, een typische soort van droge graslanden, was de meest waargenomen soort. Een andere kenmerkende soort is het 5-stippelig lieveheerbeestje, dat gebonden is aan droge, xerofiele pioniersvegetaties Doordat er geen struiken werden "geklopt", zijn er relatief weinig soorten die in bomen en struiken leven, waargenomen. Er is bv. geen enkele soort van de naaldbomen genoteerd, hoewel er enkele dennenaanplanten zijn in het onderzoeksgebied. Toch werden enkele typische bossoorten gevonden, met name het l 0-vlek lieveheerbeestje, Roomvlek lieveheerbeestje en Meeldauw lieveheerbeestje. Interessant, maar helaas niet erg positief, zijn de vangsten van het Veelkleurig aziatisch lieveheerbeestje. Deze exotische pestsoort werd in reservaat "De Hellegracht" en op de Zwanenberg waargenomen.

Loopkevers (Carabidae) De loopkevers vormen een van de best onderzochte insektengroepen in BelgiĂŤ en Nederland, met uitgebreide determinatie en ecologische literatuur vlot verkrijgbaar. Het is echter een soortenrijke familie (ongeveer 380 soorten zijn bekend uit BelgiĂŤ), waardoor een determinatie in het veld meestal onmogelijk is. Verder worden loopkevers niet zoveel in het veld tegengekomen, en moeten er voor een goede inventarisatie bodemvallen geplaatst worden. Dus als er iemand een fascinerende hobby zoekt voor volgend jaar - vrijwilligers zijn steeds welkom! Drie soorten loopkevers werden aangetroffen. Bemb1dio n la mpros en Poecilus cupreus zijn twee algemene cultuurvolgers, die veel op akkers en droge

weilanden te vinden zijn. Notioph1!us biguttatusis een algemene soort die vooral in droge bossen voorkomt.

113


Onge wervelden

Boktorren (Cerambycidae) Boktorren zijn in het larvale stadium gebonden aan dood hout, terwijl de volwassen kevers vaak erg afhankelijk zijn van bloeiende planten. Twee algemene soorten, de Gevlekte smalbok en de Rode smalbok werden in de Koeheide waargenomen.

Vliesvleugeligen (Hymenoptera) De orde van de Vliesvleugeligen of Hymenoptera omvat de mieren, bijen en wespen. Hoewel wereldwijd de kevers de soortenrijkste insektenorde zijn, tellen in België waarschijnlijk de Hymenoptera de meeste soorten. Uit Groot-Brittanië zijn 6200 soorten bekend; in België zijn minstens evenveel soorten te verwachten. Dus weerom een onderzoeksgebied waar heel wat te ondekken valt

Mieren (Formicidae) Van de 52 soorten mieren die in Vlaanderen in de vrije natuur werden aangetroffen, noteerden we er 6 tijdens de Koeheide inventarisatie-tochten. Alle waargenomen soorten zijn algemeen in Vlaanderen en staan als "Niet bedreigd" in de Rode Lijst van Mieren in Vlaanderen. Voor mensen die meer willen weten over mieren - een goed beginpunt is de uitstekende website van de Mierenw erkgro ep: www27 .br inkster.com/o ngewervelden/Mieren/ default.htm. Voor determinatie is het werk "Onze mieren" (Schoeters & Van kerkhoven, 2001) o no ntbeerlijk

en vers van de pers i s er een

"Verspreidingsatlas en voorlopige Rode Lijst van de mieren van Vlaanderen", te bestellen bij het instituut voor natuurbehoud ( www.instnat.be).

Figuur 2: De Grauwzwarte mier - Formica fusca [Bron: www27. bnnkster. com/ongewervelden/Mieren}

114


Onge wervelden

Andere ongewervelden Van andere groepen van ongewervelden werden enkel opvallende en gemakkelijk te herkennen soorten genoteerd. Een typisch voorbeeld is de enige spin op ons waarnemingslijstje: de welgekende Tijgerspin. Naast spectaculair en gemakkelijk te herkennen, is deze spin ook ecologisch erg interessant. Een van oorsprong mediterrane soort, heeft de Tijgerspin zich vanaf 1930 over geheel gematigd Europa verspreid. Tot een 10-tal jaar geleden was ze niet bekend uit Vlaanderen - maar net als de Pyamawants en zovele andere zuidelijke insekten­ soorten, komt de soort tegenwoordig in Vlaams-Brabant vrij algemeen voor. De kalkrijke holle wegen van Bertem zijn rijk aan slakkensoorten. Tijdens onze excursies werd er echter geen inventarisatie van de slakkenfauna gedaan. Slechts 1 algemene en gemakkelijk te herkennen soort werd genoteerd: de Behaarde slak. Doordat de Koeheide een droog gebied is zonder permanente open waterpa rtijen, werd er slechts 1 soort libel waargenomen: de Blauwe glazenmaker. Deze soort is een sterke vlieger, en plant zich wellicht buiten het onderzoeksgebied voor.

Besluit Tijdens 5 bezoeken aan de Koeheide en omgeving werden

46 soorten

ongewervelden (uitgezonderd Lepidoptera en Diptera) aangetroffen. Het betreft vooral soorten van droge graslanden en bosgebieden. De afwisseling van graslanden en akkers met struwelen en hagen zorgt voor een grote biodiversiteit. Het werkelijk aantal soorten dat in het gebied voorkomt, is zonder twijfel vele malen hoger.

Joris Menten

Rechtzetting In Boomklever 3, 2003 werd in het artikel "Over bevers, cowboys en rangers ... " de betrokkenheid van Geert Rossaert genoemd bij de illegale uitzettingen van bevers in de Dijlevallei, hierbij verwijzend naar een artikel dat verscheen in Knack

(6 aug 2003). Later kon dit door de heer Rossaert

in hetz e l f d e m a gazine weerlegd worden, doch de vermeende betrokkenheid werd door een onzorgvuldigheid overgenomen in de Boomklever. De redactie excuseert zich hiervoor.

115


Onge wervelden

Ontdekking van de Spaanse vlag in het Dijleland

-

een nieuwe vlindersoort voor Vlaanderen

Eind juli 2003, meldde Bram Markey het voorkomen van de Spaanse vlag Euplagia quadripunctaria (Poda, 1761) aan de geologische groeve aan de Kesselberg te Kessel-lo. De waarneming werd op 2 augustus bevestigd door Eddy Macquoy, digitaal vastgelegd en via het internet verspreid. In de vlindercatalogus van De Prins

( 1998) wordt

de soort niet vermeld voor Vlaanderen of Brabant (op dat ogenblik nog niet gesplitst in een Vlaams en een Waals gedeelte). Met uitzondering van Henegouwen werd de soort wél

in

alle

andere

Waalse

provinc ies

genoteerd. Vo or het opstellen van deze catalogus werden alle oude literatuurgegevens en alle gekende verzamelingen van Belgische vlinders grondig uitgekamd. In 2001 werd de soort te Ottignies in Waals-Brabant ontdekt door R. H. Nyst. De waarneming van de Kesselberg is de eerste gedocumenteerde en beschreven waarneming voor Vlaanderen. We kunnen met gerust gemoed stellen dat de Spaanse vlag in Vlaanderen, indien niet afwezig, dan toch zeker beperkt aanwezig geweest is. Het is een vrij grote, opvallend rood-wit-zwart gekleurde vlinder en bovendien overwegend dagactief. De Beervlinders

(Arct1idae), waartoe de Spaanse vlag behoort, zijn

omwille van hun schitterende kleur en tekening ook altijd sterk in trek geweest bij verzamelaars. Even nader kennismaken:

Naamgeving: Zoals vaak het geval is met insecten vind je in de literatuur verschillende wetenschappelijke namen voor de soort: naast

Euplagia wor den ook

Callimorpha en Panaxia als geslachtsnaam genoemd. Een greep uit de volksnamen: Nederlands: Spaanse vlag, Duits: Russischer Bär, Spanische Flagge, Römerzahl Frans: Callimorphe, Écaille chinée, Spaans : Calimorfa, Engels : Jersey Tiger.

Verspreiding De soort heeft een zéér groot verspreidingsgebied, van het Iberische schiereiland in het Westen tot ver in Rusland in het Oosten en van Turkije in het Zuiden tot Zuid-Scandinavië in het Noorden. In Nederland is de soort enkel gekend van de Sint Pietersberg en in Engeland komt de soort beperkt voor aan de kust in South Devon. 116


Biolo

De ko


Vogels

Steenuilonderzoek in het Dijleland Speur mee naar steenuilen De steenuil is de kleinste onder onze uilen. Hij is herkenbaar aan de geringe grootte (22cm). De helder citroengele ogen met de donkere pupil geven hem een streng uiterlijk. Zijn voedsel bestaat voornamelijk uit ongewervelden (insecten, wormen). Ook staan muizen (vooral veldmuis) en soms wel eens kikkers en kleine vogels op het menu. De steenuil is een vogel van het halfopen landschap met korte vegetatie. Belangrijk is dat er genoeg voedsel

en

voldoende

broedgelegenheid

aanwezig zijn. Hij nestelt vooral in boomholten (knotwilgen en oude fruitbomen). Het verdwijnen van hoogstamboomgaarden en oude knotwilgen hebben geleid tot grote veranderingen in de biotoop van de steenuil. Zowel het voedsel als de broedplaatsen gingen verloren. Van groot belang is het scheppen van nieuwe, natuurlijke broedplaatsen in geschikte biotopen. Maar helaas lukt dit niet altijd. Met het aanbieden van kunstmatige nestgelegenheid kunnen we de steenuil helpen. 1998 was dan ook een speciaal jaar: de start van een nieuw project rond de steenuil in de streek. Op het grondgebied van Overijse werden de eerste nestbakken geplaatst. Later kwamen Huldenberg, Tervuren, Bertem, Hoeilaart, Oud-Heverlee en Herent aan bod. Vorig jaar is men gestart met het plaatsen van nestbakken in Bierbeek en Kortenberg. Begin 2003 is Boutersem aan de beurt. T ijdens het voorbije broedseizoen beschikten de Steenuilen over niet minder dan 144 nestkasten. Voordien werd de regio doorkruist op zoek naar geschikte locaties. Heel wat gebieden leken ons geschikt voor de steenuil, maar bezaten weinig of geen broedgelegenheid. Zij kregen dan ook de voorkeur voor het plaatsen van een nestkast. De nestkasten worden betaald door de respectievelijke gemeenten. Ze worden vervaardigd naar het voorbeeld van een kast die in de regio Oost-Brabant succesvolle resultaten oplevert. De nestbakken zijn zodanig geconstrueerd dat, bij de diverse controles, de adulte vogels de kast niet verlaten. De verstoring blijft dan ook minimaal. 118


-

-

-----

- ----- ----- -..

Vogels

Met de eigenaars werden afspraken gemaakt om de rust van de locatie te garanderen. Bijkomende broedgelegenheden aanbieden is dus de hoofddoelstelling van het project. De nestbakken laten ons ook toe om de broedsels op te volgen. Dit moet ons meer gegevens leveren i .v.m. het broedsucces en de voedselgewoonten van de steenuil. Alle vogels krijgen tevens een ring om de poot, wat ons dan weer moet toelaten om hun verplaatsingen te controleren. Bezetting van de nestkasten In 2003 werd een derde van de nestkasten bewoond door steenuil. Ofwel werd een broedgeval vastgesteld, verbleef er l exemplaar of werden duidelijke sporen van aanwezigheid vastgesteld (braakballen, verse prooien,".). Andere bewoners namen een ander derde in beslag. Hiervan waren de spreeuwen en koolmezen veruit het talrijkst. Nieuw was de roodborst die zijn jongen grootbracht in een nestkast. Ook de steenmarter durft af en toe een bezoek te brengen aan enkele kasten, met steevast problemen voor de bewoners als gevolg. Het laatste derde van de kasten bleef leeg. Het aandeel van deze kasten is natuurlijk afhankelijk van het aantal nieuw geplaatste. De 40 nestkasten die in het voorjaar 2003 werden bevestigd maakten weinig kans om onmiddellijk ingenomen te worden, zeker door steenuilen. Broedbiologisch onderzoek Van grote betekenis, is het broedbiologisch onderzoek. Het heeft betrekking op legselstart, legselgrootte, broedtijd, uitkomstsucces, sterfte van de jongen en uitvliegsucces.

In 2003 werd in 32 nestkasten een broedgeval vastgesteld. In totaal werden l 16 eieren geteld. Ze waren als volgt verdeeld: 4 broedsels met 2 eieren, 12 broedsels met 3 eieren, 8 broedsels met 4 eieren en 8 broedsels met 5 eieren. Gemiddeld zijn dit 3,6 eieren per broedsel (4,5 in 2001 en 3.9 in 2002). Uit 116 eieren werden 91 steenuiltjes geboren. 25 eieren kwamen niet uit, wat overeenkomt met een gemiddelde van 0,8 per broedsel. Uiteindelijk vlogen 68 jongen uit. Gemiddeld zijn er dit slechts 2, l per broedsel. Ver onder het gemiddelde van de vorige jaren (2,5) en voor het tweede jaar op rij zelfs onder de 2,35 jongen per broedsel die volgens Exo & Hennes (1980) nodig zijn om de soort in stand te houden. Dit jaar vallen zeker de kleinere broedsels op. Bovendien mislukken er 9 van de 32 (283) Populatieonderzoek Populatieonderzoek heeft betrekking op zaken als paarvorming, plaatstrouw, overlevingskansen van oude en uitgevlogen jongen en de vestigingskans van nieuwe broedvogels in het gebied. 119


Vogels

Alleen ringonderzoek kan hier tot de gewenste informatie leiden. Tijdens de nestcontroles krijgen alle broedende wijfjes een ring om de poot. Later is dat het geval voor alle jongen die op uitvliegen staan. De mannetjes, die meestal enkel de nestkast bezoeken om voedsel aan te voeren, worden gevangen met behulp van een valletje. Sinds de start van het project werden reeds 299 steenuilen geringd, waarvan 66 adulte vogels en

233 nestjongen.

Door de vogels individueel herkenbaar te maken komt men ook meer te weten over hun verplaatsingen. Het valt op dat deze bijna steeds gemaakt worden door eerstejaarsvogels. Opmerkelijk is dat echter niet, want de verplaatsingen kaderen in de normale dispersie van de jongen. En alhoewel jonge steenuilen meestal uitzwermen over kleinere afstanden

( < 10 km), toch zijn er enkele

individuen die het verder zijn gaan zoeken. Zo maakte een steenuil, geboren in Neerijse, een verplaatsing naar het

23 km verderop gelegen Glabbeek. Een

jonge vogel uit Hoeilaart werd enkele maanden later dood aangetroffen in een fruitnet te Braine-l'Alleud (afstand

13 km). De huidige recordhouder is echter

een vogel die geboren werd in Overijse en liefst 51 km verder, in Oosterlo, op zoek ging naar een partner. In het Dijleland werden ook vogels gecontroleerd die geringd werden buiten het studiegebied. Dit is het geval voor

2 vogels uit de Waals-Brabantse

gemeenten Céroux-Mousty en Lasne-Chapelle die beiden teruggevonden werden in nestkasten te Overijse.. Verder werd in een kast te Duisburg een steenuil gecontroleerd die geringd werd in Kortenberg. De verste verplaatsing

(20 km)

staat hier op naam van een vogel die in 1998 geringd werd in Relegem (Asse) en dit jaar broedde in Tervuren

Dichtheden en verspreiding De bezetting van de nestkasten vertelt reeds één en ander over dichtheden. Zo hebben we o.a. al enkele kerngebieden kunnen lokaliseren. Een betrouwbaar beeld van de huidige steenuilpopulatie kan echter alleen verkregen worden als periodiek en volgens een standaardmethode de bestaande populatie nauwkeurig wordt geïnventariseerd. Een dergelijke, gebiedsdekkende monitoring is bovendien noodzakelijk om gegronde uitspraken te doen over aantallen en effecten van ingrepen in het landschap. Nu wensen we in het voorjaar

2004 met een monitoring van start te gaan. Een

aantal (kern)gebieden zoals het plateau tussen Voer en IJse krijgen voorrang. Afhankelijk van de menskracht (lees aantal vrijwilligers) kunnen ook andere delen van het Dijleland geïnventariseerd worden. Iedereen kan meespeuren naar steenuilen ... We willen dit project dan ook van harte aanbevelen bij iedereen die de steenuil een warm hart toe draagt. Tijd kan amper een probleem zijn. De drempel voor deelname is bewust laag gehouden en wat is er leuker dan in je eigen gebied 120


Vogels

een aantal (zwoele) voorjaarsavonden op pad te gaan, bij voorkeur in aangenaam gezelschap (van ....?), en na afloop meerdere paren op de kaart te kunnen intekenen. En eindelijk de bevestiging te krijgen van je vermoeden dat er op die plek verdorie toch steenuilen moeten zitten. Volgens een gestandardiseerde methode laat je op vooraf bepaalde punten het geluid van de steenuil horen. Als er een uiltje in de buurt zit, zal hij antwoorden. Eind januari, begin februari organiseren we een infoavond (datum en locatie worden later meegedeeld) waarop de te volgen methode haarfijn uit de doeken wordt gedaan. In samenspraak met de aanwezigen, en rekening houdend met de prioriteiten, zullen we dan ook beslissen welke gebieden in 2004 voor monitoring in aanmerking komen. In de maand maart gaan we dan het terrein op. Medewerkers ontvangen het nodige kaartmateriaal, formulieren voor de waarnemingen en een casette of CD met het geluid van de uil. Voel je je geroepen om, al was het maar enkele avonden, je steentje bij te dragen aan de bescherming van de steenuil, geef dan snel je naam, adres, telefoon en e-mailadres door aan Luc Vonden Wyngaert. Hoe vlugger we een idee hebben over het aantal medewerkers, hoe vlugger we een zicht krijgen over het gebied dat mogelijk geĂŻnventariseerd kan worden. Misschien wordt deze eerste stap een aanzet tot een meer actievere rol binnen het Steenuilproject Dijleland. Er is zeker nood aan bijkomende medewerkers die een rol kunnen spelen op het vlak van voedselonderzoek, informatiemateriaal, educatie ...

Steenuilproject Dijleland Luc Vonden Wyngaert Wolfshaegen 1 27 3040 Neerijse 0476/26 26 82 luc.vandenwyngaert@pandora.be

121


Vogels

Territoriumkartering van grote gele kwikstaart in Leuven en omgeving in kader van het BBV project Inleiding Het Bijzondere Broedvogel project is in 1993 opgestart om te voldoen aan de frequente vraag vanuit het beleid naar gegevens over voorkomen en trends van enerzijds zeldzame broedvogels en anderzijds kolonievogels en exoten. Het project omvat samen een 90-tal soorten (Anselin et al. 2003). Tot de groep van de zeldzame vogels behoort ook de grote gele kwikstaart (Motacilla

Cinerea Tunst 1771). Tijdens de afgelopen inventarisatiejaren voor de broedvogelatlas stond dit project op een laag pitje. Vanaf dit jaar heeft men echter gepoogd vanuit het Instituut voor Natuurbehoud, waar het project gecoรถrdineerd wordt, om het BBV project terug op te starten en hiermee voort te bouwen op de kennis en ervaring van de vrijwilligers, opgedaan met het atlasproject, i.v.m. het inventariseren van broedvogels. Vermits ik aan het atlasproject

niet

heb

meegedaan

was

mijn

ervaring

i .v.m.

broedvogelinventarisaties nihil. Uit interesse ben ik gaan luisteren naar een coรถrdinerende vergadering van de Natuurstudiegroep Dijleland i.v.m. het BBV project. Daar bleek dat niemand tijd zou kunnen (of willen) maken om in het stadscentrum van Leuven te gaan zoeken naar de aanwezige grote gele kwikstaarten. Dit terwijl ik al wilde verhalen had gehoord dat er in de Leuvense regio bijna evenveel koppels binnen de ring zouden zitten, dan er buiten. Ik zelf wist op dat moment maar van een koppel in het Groot Begijnhof en een zangpost aan de Naamsepoort in 2002, maar ik wou graag weten wat er nu juist was van die verhalen. Als die waarheid zelfs maar een deel van de wilde verhalen weergeven, dan zou het zonde zijn moesten de gegevens over het aantal koppels grote gele kwik in Leuven ontbreken in de gegevens van het BBV-project. Op die vergadering heb ik dan beloofd om eens eenmalig de Dijle binnen de ring van Leuven af te lopen om een ruwe schatting te krijgen van het werkelijk aantal territoria. Na een eerste ochtendwandeling in mei , is de grote gele kwik mij echter blijven intrigeren en heb ik nog tijd gevonden, tussen wat examens door, om extra gegevens te verzamelen en zo een betrouwbaar zicht te krijgen op het aantal grote gele kwikken in Leuven.

122


Vogels

Uiteindelijk is dit uitgemond in onderstaand artikel, met niet alleen de resultaten van deze inventarisatie maar ook wat verzamelde literatuur om te gebruiken tijdens een eventuele volgende inventarisatie en zo meer efficiënt te werk te gaan. Ik ben namelijk van plan, als de tijd mij toelaat, om dit in 2004 nog eens over te doen, samen met de achtergrondkennis die ik dit jaar ontbrak. Opmerkingen i.v.m. het inventariseren van de grote gele kwik in de stad heb ik ook uitgeschreven en ik hoop hiermee ook om enkele mensen warm te maken voor het inventariseren van grote gele kwikken in het stadscentrum van Leuven en daarbuiten.

Verspreiding, areaaluitbreiding en evolutie van de aantallen Het verspreidingsgebied van de nominaatvorm van grote gele kwikstaart loopt van Europa, Noordwest-Afrika (Atlasgebergte) tot Iran en de Kaukasus in het Oosten. Er is een ondersoort in centraal Azië (Oeralgebergte en Afghanistan) en een in Oost-Azië (o.a. Kamtchatska en Japan). Nog eens drie ondersoorten bevinden zich geïsoleerd op eilanden (Madeira, Kanarische eilanden en Azoren) (Cramp

1988).

Vanaf de 19e eeuw kende de soort vanuit Zuidelijk Europa een areaaluitbreiding door een zachter klimaat en kon hij zich vestigen in centraal Europa iets na

1850.

Hierbij koloniseerde hij ook laaggelegen streken, aanvankelijk met behulp

van door mensen gemaakte constructies langs waterlopen (Segers

1964).

Denemarken, Zweden en Noorwegen werden in het begin van de 2CY eeuw gekoloniseerd. Het duurde tot in

1988).

1976 voor hij het eerst in Finland broedde (Cramp

Op het einde van de 20e eeuw schoof de verspreiding in Scandinavië

nog steeds op in noordelijke richting (Kwak 2002). Op de Faroer en ljsland is de hij een dwaalgast (Cramp

1988).

In België was de grote gele kwikstaart in de

1�

eeuw alleen bekend in Hoog­

België. De grote gele kwikstaart werd in Vlaanderen voor het eerst vermeld in het begin van de

2oe

eeuw in Brabant en te Wijnegem. Na WOll is het

broedgebied uitgebreid tot Limburg en liep de noordelijk grens in Brabant over een lijn Brussel-Diest. Daarbuiten waren er nog enkele toevallige broedgevallen in het noorden van Brabant en nabij Antwerpen. In de jaren zeventig was er een uitbreiding in het zuiden van Oost-Vlaanderen en het noorden van Brabant en kwam de soort nog steeds voor rond Wijnegem. Het geschatte aantal broedparen was toen misschien talrijker dan in de jaren zestig (zie Tabel

1) omwille

van opeenvolgende zachte winters (Jacob 1988 en referenties daarin). De regio Leuven had toen een van de grootste dichtheden van Vlaanderen. Zoals elders bereikte de populatie van grote gele kwikstaart in Vlaanderen een dieptepunt

1985-1986 ten gevolge van een opeenvolging van strenge winters (Sieneart 1989). Vanaf 1988 kon de populatie zich herstellen met de eerste twee broedgevallen van grote gele kwikstaart in West-Vlaanderen in het jaar 1994 (Devos en Anselin 1996). Uit de gegevens van het BBV-project was het moeilijk in

123


Vogels

regio

België

periode

aantal koppels

referentie

1961-1968

1500

Lippens en Wille (Jacob 1988)

1973-1977

2600 waarvan 803 in Hoog-België

Jacob 1988

1989-1991

2300-3650

? (geciteerd in Gabriëls 1994)

1980-1982

mogelijk

> 100

Maes et al. 1985 (Devos en Anselin 1996)

1985-1986

11-50 ('schaarse broedvogel')

Sienaert 1989

1985-1988

60-300

? (geciteerd in Gabriëls 1994)

1989-1992

110-140

Anselin en Devos ( 1992)

1994

175-190

Devos en Anselin 1996

1995

170-190

Anselin et al. 1998

1996

170-190

Anselin et al. 1998

2000-2003

350-500

website IN

1983

35

Gabriëls 1985

1992

100

Gabriëls 1994

1995

90-100

Anselin et al. 1998

1996

80-90

Anselin et al. 1998

West-

1994

2 (Ooigem en Brugge)

Devos en Anselin 1996

Vlaanderen

1995 of 1996? 1 (Ooigem)

Vlaanderen

Limburg

Anselin et al. 1998

2000-2001

zeker broedgeval in Reningelst ? 2002

Vlaamse

1988-1990

30-35

Menschaert 1991 (Gabriëls '94)

Ardennen

1994

45-55

Devos en Anselin 1996

1996

50-tal verondersteld

Anselin et al. 1998

1953

40 tussen Gastuche en Linden

F. Grootaers in Nef 1953

1966

sterk achteruitgegaan als

F. Walterus

broedvogel in het Leuvense

(pers. med. P. Herroelen)

en Dijlevallei, hoogstens nog 5 koppels: Heverlee 3-4, Zoete Waters 1 Regio Leuven 1973-1977

rechthoek Leuven:

Jacob 1988

categorie 26-125 koppels 1973-1977

rechthoek Duisburg:

Jacob 1988

categorie 6-25 koppels 1973-1977

rechthoek Erps-Kwerps:

Jacob 1988

categorie 1-5 koppels 1985

weinig GGK opgemerkt als

M. Herremans

gevolg van strenge winter

(pers. med. P. Herroelen)

1984-1985 1994

15-20

Devos en Anselin 1996

Tabel 1: aantal broedparen voor België, Vlaanderen en enkele regio's sinds de jaren zestig. De basis van de schattingen verschillen vaak tussen de publicaties. Zij kunnen zowel gebaseerd zijn op algemene indrukken, l!leratuurgegevens en extrapolaties, als bijna exacte inventarisaties. 124


Vogels

om af te leiden of de koudere winter van 1995-1996 een invloed heeft gehad op de Vlaamse populatie, omwille van onbrekende gegevens van sommige onvolledig geïnventariseerde regio's w aaronder de Vlaamse Ardennen en Leuven. Alhoewel er wel een lichte vermindering was in de Limburgse populatie (Anselin et al. 1998). De strenge winter van 1996-1997 kan verklaren waarom de aanwezigheid van territoria van de grote gele kwikstaart bij molens in Oost­ Vlaanderen terugviel van 833 (24 op 29 molens) naar 503 ( 18 op 36 molens) (Meganck 1997). Sindsdien hebben we nog alleen maar zachte winters gehad, waardoor de populatie van de grote gele kwik in Vlaanderen een ongekende hoogte heeft bereikt (website IN). Het verspreidingsgebied bevindt zich nog steeds in Vlaams-Brabant en het zuiden van de provincies Oost-Vlaanderen en Limburg en, opvallend, de 'enclave' ten oosten van Antwerpen. Verder zijn er occasionele broedsels verspreid over de rest van Vlaanderen (zie Fig.

l).

Fig. 1: verspreiding van de grote gele kwikstaart in Vlaanderen voor de atlasjaren 2000-2003. (Overgenomen van de website van het Instituut voor Natuurbehoud).

Methode van de inventarisatie Binnen en net buiten de ring van Leuven werden alle armen van de Dijle en de voortkom bezocht op zoek naar territoria en nesten van de grote gele kwikstaart. Dit komt overeen met een uitgebreide territoriumkartering (Hustings et al.1985) binnen een strook van 200-500 m dwars door Leuven van Zuid naar Noord. Dit is iets meer dan 2 km in vogelvlucht. De Dijle stroomt in totaal over een lengte van 4,8 km bovengronds plus dan nog eens 2,4 km overdekt door het stadscentrum (pers. med. Werner Verhoeven). Bij het inventariseren werd zo goed als mogelijk de strikte richtlijnen van het IN gevolgd. Vermits deze richtlijnen echter laat op het seizoen werden ontvangen, kon met de kartering pas begonnen worden vanaf midden mei. Hier en daar werd omwille van pragmatische redenen de regels lichtjes omgebogen (zie 'resultaten v an de inventarisatie').

125


Vogels

Er werden drie rondes gelopen waarbij minstens eenmaal de volledige strook werd doorlopen. Elke bezoekronde was gespreid over 1 of 2 deelbezoeken binnen een tijdsspanne van 3 dagen en de dagen van de verschillende ronden lagen minstens 13 dagen uit elkaar. De eerste ronde was midden mei, de tweede midden juni en de derde eind juni. Delen van het gebied werden op twee extra bijkomende dagen in juli nog eens bezocht om bevestigende en uitsluitende waarnemingen te verzamelen. De waarnemingen op de verschillende plaatsen en op verschillende momenten werden op kaart ingetekend en dan samen geĂŻnterpreteerd om een zo betrouwbaar mogelijke neerslag te geven van het werkelijk aanwezige aantal territoria (broedparen) te bepalen. Opnieuw werd hiervoor geprobeerd de formele regels geleverd door het IN (Anselin et al. 2003) zo goed als mogelijk te volgen.

Resultaten van de inventarisatie De activiteit van de grote gele kwikstaart in het centrum van Leuven tijdens de inventarisatie van 2003 was verdeeld in drie deelgebieden: een zuidelijke (stroomopwaarts), een centrale en een noordelijke zone (stroomafwaarts). Elke cluster was gescheiden door een stuk van 200-300m waar ik tijdens mijn bezoeken nooit een grote gele kwikstaart heb waargenomen. Nog iets grotere afstanden lagen tussen de zones waar er ook 'geldige' waarnemingen werden opgetekend. Geldige waarnemingen zijn waarnemingen van koppels, territorium-indicerende (b.v. zang) en nest-indicerende waarnemingen (bv. vogel met voedsel in de bek) en nestvondsten. Een vogel die geen gedrag vertoont (bv. een foeragerende vogel) dat naar een territorium of een nest verwijst is bij het inventariseren van territoria van de grote gele kwikstaart een ongeldige waarneming. In het zuiden van Leuven was er zeker een territorium van grote gele kwikstaart met zeker een geslaagd (derde?) broedsel van minimum drie jongen (zie boven). Hoogst waarschijnlijk was er zowel een koppel aanwezig op de plek waar de Dijle Leuven binnenstroomt (voedselaanvoer in waarschijnlijke nestholte op 28 juni) en een koppel in het Groot Begijnhof (nestbouw op 14 mei), maar het is niet voor l 003 uit te sluiten dat dit hetzelfde koppel was. Tijdens het broedvogelatlasproject werden op deze twee plaatsen ook al grote gele kwikstaarten opgemerkt (pers. med. Filip Vandekeybus). Aan de Naamsepoort en t.h.v. de Schapenstraat werden ook grote gele kwikken gezien, maar hier werden te weinig waarnemingen verricht om definitieve territoria te staven. In 2002 was er wel zeker een broedkoppel aanwezig in het kraakpand van Schapenstraat (pers. med. Wouter Desmet). In het historisch centrum van Leuven bevonden zich langs de Dijle twee territoria. Bij een van deze twee koppels werd voedselaanvoer naar een nestholte met hoorbaar bedelende jongen waargenomen op 15 juni (tweede of derde broedsel?). In het noorden van Leuven werd de grootste concentratie aan grote gele kwik waarnemingen geregistreerd. Bij de Sint-Geertrui abdij werden door mij geen evidenties 126


Vogels

gevonden voor een territorium, maar in de buurt (brug over Dijle in Mechelsestraat) hebben ze wel gebroed (pers. med. Robin Guelinckx). Mogelijk was dit een eerste broedsel, nog voordat ik begon met de inventarisatie. Dit koppel heeft het nest hierna misschien verplaatst naar een plek weg van de Dijle, waarna dit stuk enkel een foerageerplaats werd, waar andere, rivaliserende koppels elkaar konden tegenkomen. Dit kan een waarneming op 28 juli van twee vogels in een 'kletterende' ruzie verklaren. Een territorium met zeker twee broedsels met respectievelijk zeker 2 ( 15 juni) en 4 ( 12 juli) jongen (tweede en het derde broedsel?) bevond zich t.h.v. de Sluisstraat en de Glasblazersstraat. Bij de brug aan de Vaartstraat (bij de brandweerkazerne) was er waarschijnlijk een ander koppel, maar uitsluitende waarnemingen met het nabijgelegen koppel van de Glasblazersstraat was onmogelijk (beide territoria gescheiden door bebouwing). Zeker nog een ander territorium bevond zich ergens op de site 'tussen twee waters'. Hoog op het interbrew gebouw naast de brandweerkazerne bevond zich op 16 mei een zingende vogel, terwijl het koppel aan de Vaartstraat aanwezig was. De vogel op het gebouw van interbrew zong ook nog op 15 juli. Mogelijk was er nog een bijkomend territorium in de buurt van het parkje waar de Dijle het Centrum van Leuven buitenstroomt, aan het Artoisplein (waarnemingen van zingende vogels en mannetje met voedsel in de bek), maar het valt niet uit te sluiten dat de waarnemingen op deze plek tot het territoria van de Vaartstraat (vluchten van vogels afkomstig van de Vaartstraat naar deze plek werden genoteerd) en/of de 'interbrew' vogel behoorden en dat deze plaats voornamelijk diende als foerageerplek. Dicht bij het centrum van Leuven bevonden zich ook nog territoria van grote gele kwikken: een ten zuiden van Leuven aan het kasteel van Arenberg (Heverlee) en ten noorden van Leuven, in de buurt van het waterzuiveringstation langs de Dijle, in Kessel-Lo. Samenvattend (zie ook Tabel 2) waren er formeel gezien vijf territoria in het centrum van Leuven voor 2003, verdeeld over drie zones (zuidelijke cluster, centrale cluster en noordelijke cluster). Dit komt overeen met de vijf koppeltjes die Piet Mulier vond (Mulier 1977). Ik schat het aantal werkelijke territoria echter minstens op acht. In onze regio werden dit voorjaar minstens 26 vastgelegd (zie Fig. 2). Het aantal koppels in de stad is dus ongeveer een derde van het totaal aantal voor de regio. Omwille van enkele nadelen bij het inventariseren in de stad is het formeel aantal territoria (vijf) op basis van inventarisatieregels (Anselin et al. 2003) zeker een onderschatting. Uitsluitende waarnemingen in een stadsomgeving zijn bijvoorbeeld zeer moeilijk te verzamelen. In een stad kan men daarom misschien ter compensatie een iets mindere zeker criterium beschouwen als uitsluitende waarneming, anders worden werkelijke territoria niet meegeteld. Naast tegelijk vastgestelde verschillende vogels, kan men ook waarnemingen van vogels die na elkaar langs de route zijn geobserveerd en waarvan het onwaarschijnlijk is dat het om hetzelfde individu gaat, beschouwen als een uitsluitende 127


Vogels

waarneming (van Dijk

1996). Om toch nog een extra zeker te zijn is het misschien

aangewezen om toch nog iets voorzichtiger te zijn en alleen tot zo'n uitsluitende waarneming te besluiten als men meermaals het onwaarschijnlijk acht dat het om dezelfde vogels gaat. Misschien kan bij eventueel volgende inventarisaties de relevantie van deze interpretatie nagegaan worden met behulp van simultane waarnemingen, verricht door meerdere waarnemers. Als dan kan geconcludeerd worden dat slechts een of enkele na elkaar volgende waarnemingen voldoende is om tot een uitsluitende waarneming te besluiten, dan kan het eventueel inventariseren in volgende jaren op minder intensieve basis gebeuren. Met behulp van Paul Claes en Roger Meeus heb ik in laatste instantie (juli) nog geprobeerd simultane waarnemingen te doen, maar ondanks dat deze methode veel belovend lijkt, vond ik onvoldoende aanwijzingen voor uitsluitende waarnemingen. Dit vooral omdat de determinatie van het geslacht van een vogel niet altijd even makkelijk is. Als eerste zomer mannetjes aanwezig zijn (zie 'herkenning van de geslachten') of op het einde van het seizoen, wanneer de vogels mogelijk al terug ruien naar hun winterkleed, dan is het onderscheid met vrouwtjes niet altijd duidelijk. Zo heb ik meermaals een vogel gedetermineerd als een vrouwtje, die dan begon te zingen, terwijl ik nergens in de literatuur heb kunnen lezen dat vrouwtjes van de grote gele kwik ook zingen. Dat vrouwtjes zingen is natuurlijk niet uitgesloten, evenmin het feit dat ik voor de determinatie van de geslachten bij de grote gele kwik ervaring mis. Voor eventueel volgende inventarisaties voorzie ik dan ook een systematische notatie van de kleuring van de keel en eventueel ook van de romp onder de vorm van een code in mijn notities. Dit kan helpen om individuen tijdens een zelfde bezoek uit elkaar te houden. Naast de moeilijkheid voor uitsluitende waarnemingen, zijn er nog redenen waarom een hogere schatting dan het formeel aantal gevonden territoria in Leuven verantwoord is. Ik heb mij bij het inventariseren alleen geconcentreerd op de stadsdelen langs de Dijle (en de voortkom). Het totale gebied binnen de ring van Leuven is ongeveer 4 maal groter dan het geĂŻnventariseerde gebied. Het is niet uitgesloten dat er zich hier ergens nog een koppeltje schuilhoudt bij een kleine stadsvijver of een verdoken grachtje dat niet kan bezocht worden omwille van de beperkte tijd of onbereikbaarheid van op de openbare weg. Waarnemingen van

2003 van grote gele kwikstaarten tijdens het voorjaar in de

buurt van de Parkstraat (pers. med. Bert Saveyn) en een eenmalige zangpost aan de Naamsepoort (in

2002

zag ik hier zelfs meermaals een vogel zingen)

suggereren deze mogelijkheid. Misschien kunnen er bij eventueel volgende inventarisaties als steekproef een beperkt aantal keren andere delen van de stad bezocht worden om de mogelijkheid van zo'n gevallen te kunnen inschatten. Ten slotte wil ik er nog op wijze dat ik de inventarisatie maar ben begonnen halverwege de maand mei, op het moment dat de meeste eerste broedsels voorbij waren (zeker gezien het schitterende voorjaar van

2003)

en

mogelijk sommige koppels hierna niet meer tot broeden kwamen. Dit was 128


Vogels

misschien het geval voor het koppel aan de brug van de Mechelsestraat (zie boven), die weliswaar in de schatting is meegerekend omdat dit aanvullend door iemand werd meegedeeld, maar voor andere koppels was dit misschien niet het geval. Het absolute maximum aan territoria in 2003 dur f ik niet meer te schatten dan 12 (zie Tabel 2). Dit is waarschijnlijk overdreven, maar op basis van de nabijheid waarmee sommige zich langs de Dijle bevinden vermoed ik dat er plaats is voor een totaal van circa 15 mogelijke territoria binnen de ring van Leuven. De afstand tussen de centra (plaats van gevonden of vermoedelijk nest) van nabijgelegen territoria lag tussen de 150 en 200m. Dit is dus niet overdreven in vergelijking met de 40 tot loom van Herroelen ( 19 55).

stadsdeel

formeel

geschat minimum

maximum

Zuiden

2

Noorden

l 2 2

4

4 3 5

Totaal

5

8

12

Centraal

2

Tabel 2: Het formeel, geschat minimum en maximum aantal temloria binnen het stadscentrum van Leuven opgedeeld volgens het stadsdeel.

De schatting van 15 mogelijke territoria lijkt zeer veel, maar deze zijn waarschijnlijk nooit allen in een zelfde jaar bezet en waarschijnlijk zal het aantal koppels in het centrum van Leuven zelden meer zijn dan l 0 per jaar. Anderzijds vond Maarten Hens (pers. med.) midden jaren negentig, tussen het sportkot en de samenvloeiing van twee Dijle takken t.h.v. de brug van de Redingenstraat (nog geen 700m in vogelvlucht en ongeveer een v i e rde v a n het gehele inventarisatiegebied) al 5-6 territoria. De enigste factor bij het inventariseren van de grote gele kwikstaart waar men mogelijk beter moet mee uitkijken in de stad, dan op het platteland, is het feit dat koppels mogelijk vlugger een nieuwe nestplaats zullen uitkiezen voor een nieuw broedsel, omdat nestholten niet beperkend zijn. Hierdoor is er meer kans dat de concentratie aan waarnemingen binnen een territoria lichtjes verplaatsen over het seizoen. Men moet dan oppassen dat hiervoor geen twee afzonderlijke koppels worden geteld.

129


Vogels

Zijn 'urbane' grote gele kwikken zeldzaam en een recent fenomeen? Cramp (1988) vermeldt alvast dat de grote gele kwikstaart ook in menselijke nederzettingen broedt, maar minder algemeen dan witte kwikstaart. Broedende grote gele kwikken in urbane omgevingen, zoals in een dorpskom of in steden, zijn dus geen zeldzaamheid maar zijn blijkbaar vaak geïsoleerde gevallen

(l

koppel, eenmalig). Een intensieve zoektocht op het internet en enkele mailtjes leverde een paar voorbeelden op, maar deze zijn vanzelfsprekend onvolledig, zeker buiten de grenzen van Vlaanderen. Voor Nederland heb ik een geval gevonden van een broedkoppel in het centrum van Hasselt (Mensink

2003).

De

grote gele kwikstaart floreert midden in de stad Ashford (Engeland) waar de rivier 'Great stour' een groene corridor (parklandschap) vormt dwars door de stad. Daarom is dit eigenlijk geen mooi voorbeeld van 'urbane' grote gele kwikken. Het mooiste voorbeeld heb ik gevonden voor de stad Osnabrück (Duitsland), waar meerdere zich langs de Hase gevestigd hebben (drie koppels vermeld door Elstrodt en Zucchi 1991). Voor V laanderen heb ik vooral gegevens gevonden voor Oost-Vlaanderen. In het centrum van Geraardsbergen kwam in

2002

waarschijnlijk een koppel tot broeden (Vanheuverswyn

2002).

Hier zou

echter jaarlijks een broedgeval zijn (pers. med. Wouter Faveyts). Verder zou er ook langs de Dender aan de stadsrand van Ninove regelmatig worden gebroed, waarbij de vogels in de stad komen foerageren (pers. med. Wouter Faveyts). In Aalst heb ik alleen gegevens van broedgevallen gevonden in

1997: een bij een

watermolen en een ander aan het Dendersas (Meganck 1997) Alhoewel ik Aalst niet ken en mij moet baseren op stadsplannen, vermoed ik dat er in Aalst wel vaker gebroed wordt, een vijftal koppels is volgens mij in theorie niet ondenkbaar. In

2002

was er in Oudenaarde een koppel aan de Sluis en een ander in volle

stadscentrum aan d e Abdij Van Maegden d aele n ab i j d e Schelde (Vanheuverswyn

2002).

Een van de twee eerste broed gevallen van West­

Vlaanderen bevond zich in de stad Brugge (Devos en Anselin 1996). Ik vermoed dat ze ook in Halle en voorsteden van Brussel zitten, maar daar heb ik weinig tot geen gegevens over kunnen verzamelen. Langs een kanaal in Anderlecht waren er waarschijnlijke broedgevallen in

1997

1987 en 1988

en zekere broedsel in

1996

en

(pers. med. P. Herroelen)."

Voor Leuven kan men ervan uitgaan dat de grote gele kwikstaart zeker een broeder is vanaf WOll (pers. med. Paul Herroelen): P. Herroelen zag op 3 februari

1944 drie exemplaren in de Minderbroederstraat en op 28 april 1946 vonden de gebroeders Mulier, naast een nest van een grote gele kwikstaart aan de watermolen van het kasteel van Heverlee, ook een koppel met aas aan de watermolen op de Dijle op het grondgebied van Leuven (de Dijlemolens?) (Segers 1946). Herroelen

(1955) merkte op dat nesten in de stad dichter bij elkaar

kunnen liggen dan in de vlakte. Waarschijnlijk was die stad Leuven. Mogelijk broedt de grote gele kwik al in het stadscentrum van Leuven sinds het moment dat hij onze regio koloniseerde, waarschijnlijk ergens eind 1 c:;e eeuw, want men is 130


Vogels

maar echt begonnen met het bestuderen van de grote gele kwikstaart in Vlaanderen na Wortelaers ( 1943). Broedende grote gele kwikstaarten in de stad, in het bijzonder voor Leuven, zijn dus niet zeldzaam en evenmin een recent fenomeen. Maar hoe komt het dat een vogel die geassocieerd wordt met snelstromend en zuivere bergbeekjes niet alleen overleeft, maar ook nog eens blijkt te floreren in een stad langs een

1 1

J

'fel verontreinigde' (Mulier

1977) en relatief traag stromende rivier? Vaak wordt,

naast de wintergevoeligheid voor een algemene afname, het vervuilen en kanaliseren van beken en rivieren genoemd als reden waarom grote gele kwikken plaatselijk achteruitgaan (bv. Gabriëls

1994) en toch lijkt dit de grote

gele kwikstaart in Leuven niet te deren. De directe beperkende factoren voor de grote gele kwikstaart zijn niet een groene omgeving en snelstromend en zuiver water, wel of de grote gele kwik plaats vindt om te nesten en of er voedsel in de buurt is, zoals voor elke vogel. Als deze twee factoren (nestgelegenheid en voedsel) niet aanwezig zijn, is broeden onmogelijk. Het feit dat een historisch en gedeeltelijk verouderd industrieel centrum zoals in Leuven, met overal waar men kijkt verweerde muren, plaats biedt aan ontelbare mogelijke nestplaatsen, is volgens mij de voornaamste reden waarom de grote gele kwikstaart in zo'n grote dichtheden voorkomt in Leuven. Hierbij treed ik Herroelen ( 1955) bij als hij zegt dat de grote gele kwik zich op de vlakte noodgedwongen moet beperken tot het bewonen van bruggen, watermolens en andere gebouwen tegen de rivier, zodat hier de dichtheden lager liggen. De grote gele kwikstaart is in die zin mijns inziens niet verschillend van de zwarte roodstaart die steden opzoekt, niet omwille van een 'aanpassing' (welke een genetische verandering inhoud) maar omwille van een oportuniteit. Dat een van de twee eerste broedsels van grote gele kwikstaart voor West-Vlaanderen (zie Tabel

1) zich bevond in het

stadscentrum van Brugge, omringd door polders, illustreert volgens mij dit feit. Het aanbrengen van extra nestgelegenheid in rurale gebieden, onder de vorm van halfopen nestkasten kan een positieve invloed hebben op het aantal broedende koppels (bv. Jekervallei, Gabriëls

1994). Als de nestgelegenheid op

het platteland niet beperkend zou zijn, dan was een vermeend effect van vervuiling in de stad misschien wel duidelijk. Het 'effect' van vervuiling speelt zich af op het niveau van die andere beperkende factor, het voedsel. 'Hoe meer vervuiling, hoe minder voedsel' zou simplistisch kunnen klinken. Er is inderdaad geen voedsel voor de grote gele kwikstaart en dus ook geen mogelijkheid om te broeden langs een waterloop die zwaar verontreinigd en dus biologisch dood is. Maar een matige vervuiling (zoals voor het Dijlewater dat Leuven binnen en buiten stroomt, website vmm) hoeft niet nefast te zijn voor de hoeveelheid voedsel. Matige vervuiling heeft alleen een uitgesproken effect op de biodiversiteit. Meer nog, omdat een stadsomgeving een microklimaat creëert, is het mogelijk dat insecten langer tijdens het jaar in grotere massa's in de stad voorkomen, dan er buiten, wat meer kansen biedt op een extra broedsel. Mijn gok is dat áls vervuiling in Leuven de grote gele kwikstaarten 131


Vogels

\

Utm1 .shp CJ 1 2-3 4 5 /

i

/\

I I'

'

\\ \ / // \/

Wtldijle

Fig. 2: verspreiding van de grote gele kwikstaart in de regio Leuven in hef BBV­ jaar 2003. 132


Vogels

meer parten speelt dan in bijvoorbeeld de Dijlevallei ten zuiden van Leuven, dat dit dan gebeurt via de kwaliteit van het voedsel. Meer bepaald via een grotere aanwezigheid van toxische stoffen die via het proces van bio­ accumulatie inspelen op het broedsucces. Dus ondanks de grote gele kwik lijkt te floreren in de stad Leuven, is het volgens mij niet zeker dat de stad een optimaal broedbiotoop is voor deze vogel. Een extra factor die kan meespelen bij het broedsucces is de mate verstoring. Dit zou logischerwijs meer aanwezig moeten zijn in een stad. Anderzijds zijn nesten in de stad moeilijker bereikbaar voor eirapers, waarvan geruchten de ronde doen dat deze actief zijn in de Dijlevallei. Dit alles is natuurlijk pure speculatie die voor een kritische lezer eigenlijk wat beter zou moeten onderbouwd zijn met literatuur. Maar, net zoals voedsel en nestgelegenheid voor een vogel, kan tijd om te schrijven en plaats op papier voor een auteur, die zijn wilde ideeën wil gepubliceerd zien, beperkende factoren zijn. Met deze ideeën hoop ik sommige mensen warm te maken om volgend voorjaar wat mee te helpen met inventarisaties van de grote gele kwik in de stad. Mij lijkt het meest interessant indien we de broedsuccessen zouden kennen van de grote gele kwik in de stad en die kunnen vergelijken met bijvoorbeeld vogels van langs de ljse. Maar dit is praktisch bijna niet realiseerbaar. Een andere manier om te onderzoeken of de stad een marginaal, dan wel een ideaal broedbiotoop is, is het aantal territoria in de stad elk jaar op volgen en bekijken of dat na strenge winters deze territoria vlugger of minder vlug worden verlaten dan elders. Die monitoring kan eventueel gecombineerd worden met andere makkelijk te tellen vogels in de stad waarvoor er algemene interesse is, zoals de huiszwaluw. Hopelijk kan deze monitoring dan nog gebeuren in kader van het BBV-project van het Instituut voor Natuurbehoud, want het oorspronkelijk criterium voor de opname van een soort als een zeldzame broedvogel in dit project was een maximum van

2003).

150 geschatte broedparen

voor heel Vlaanderen (Anselin et al

Maar ondertussen heeft de populatie aan grote gele kwikken in

Vlaanderen een grootte bereikt die twee tot viermaal groter is (zie Tabel

1).

Men heeft aangekondigd het BBV-project te herzien, waarbij een aantal soorten uit het project zullen vallen. Anderzijds is de grote gele kwik net zoals de ijsvogel een wintergevoelige soort, met populatiefluctuaties als gevolg, die een opvolging binnen het BVV project legitimeert (Anselin et al

2003).

Maar dit kan

een hele klus zijn voor sommige regio's waar de soort hoge dichtheden haalt, zoals in de regio Leuven.

Toekomst voor de grote gele kwikstaart Alhoewel de kans groot is dat volgende inventarisaties van grote gele kwikstaarten in de stad eerder sporadisch zullen gebeuren, zie ik de toekomst van de grote gele kwikstaarten in Leuven rooskleurig in. Indien de concrete en 133


Vogels

minder concrete plannen over het (her)openen van momenteel overkapte delen van de Dijle worden doorgezet, kan dit nieuwe broedgelegenheden scheppen voor de grote gele kwik. Een eventuele invloed van vervuiling wordt met het groeiende milieubewustzijn mogelijk minder belangrijk. Het enigste probleem dat zich volgens mij kan voordoen is dat er bij stadsvernieuwing 'steriele' constructies worden gebouwd waarin geen nestplaatsen zullen te vinden zijn voor de grote gele kwik. Op een grotere schaal kunnen we misschien de kolonisatie van 'watersteden' zoals Gent (als ze daar al niet aanwezig zijn) en Brugge verwachten, alhoewel stilstaand water in grachten mogelijk een remmende factor kan zijn.

Dankbetuiging Op het einde van een artikel zijn er natuurlijk een heel aantal mensen te bedanken. Als eerste bedank ik Paul Herroelen voor het opsturen van een groot deel van de literatuur die ik hierboven geciteerd heb. Ik bedank Bart Vercoutere voor het aanmaken van het verspreidingskaartje van grote gele kwik in de regio Leuven. Verder wil ik ook de mensen bedanken die mij persoonlijk of via de mailinglist informatie hebben toegestuurd. Dit zijn o.a.: Wouter Desmet, Wouter Faveyts, Robin Guelinckx, Maarten Hens, Kelle Moreau, Bert Saveyn, Filip Vandekeybus en Werner Verhoeven. Natuurlijk bedank ik ook Paul Claes en Roger Meeus die meehielpen met het verzamelen van simultane waarnemingen.

Contact De mensen die interesse zouden hebben om volgend seizoen, te helpen bij bijvoorbeeld het verzamelen van simultane waarnemingen kunnen mij altijd contacteren op volgend mailadres: b artcreemers4@hotmail.com. Ook waarnemingen van bijvoorbeeld broedende grote gele kwikken in de stad, in Leuven of ergens anders, zijn welkom. Referenties Anselin A. et al. 1998. Broedvogelrapport 1995-1996. Instituut voor Natuurbehoud, Brussel. Anselin A, Devos K. en Vermeersch G. 2003. Handleiding P roject Bijzondere Broedvogels V laanderen. Instituut voor Natuurbehoud, Brussel. 27 blz. Cramp, S 1988. Motac!lla Cinerea Grey wagtail. In Birds of the Western Palearctic, Vol 5

Tyrant flycatchers to thrushes. Oxford University P ress, Oxford. p. 442-453. Devos K. en Anselin A. 1996. Broedvogelrapport 1996. Instituut voor Natuurbehoud, Brussel. Elstrodt W. en Zucchi H. 1991. Zur räumlichen und zeitlichen Habitaitnutzung sowie zur

Brutbiologie de Gebirgsstelze (Motacilla c1nerea Tunst 1771 ) . Ökol Vögel (Ecol. Birds) 13: 159179. Gabriëls J. 1994 . Grote gele kwikstaart Motacilla c1nerea. In Broedvogelatlas van Limburg. Likona p.198-200. Herroelen P. 1955. Over de grote gele kwikstaart Motacilla c1nerea Tunst. Giervalk 45: 117126.

Hustings F., Kwak R., Opdam P. en Reijnen M. 1985. Natuurbeheer 1n Nederland, deel 3:

134


Vogels

vogelinventarisatie. Achtergronden, richtlijnen en verslaggeving. P udoc Wageningen, Ned. Ver. Tot Bescherming van Vogels, Zeist, 495 blz. Jacob J.-P.1988. Grote gele kwikstaart Mofacilla cinerea. In Devillers et al., Red. Aflas van de

Belgische Broedvogels. Brussel, Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen. p.226227. Megonck G. 1997. Inventarisatie Grote gele kwikstaart: resultaten 1997. Swaeneblomme p. 14-16. Mensink 2003: Nieuwsbrief SOVON Overijse! West (District 6) voorjaar 2003 p. 3-5. Mulier P. 1977. De grote gele kwikstaart in Leuven. Boomklever 5: 6-7. Mulier gebr. & Segers F. 1946. De Wielewaal 12: 193 Nef L. 1953. Gerfaut 43: 44 Segers F. J.

1964. Grote gele kwikstaart (Mofac1/la caspica). De Wielewaal. 30: 165-167.

Sienoert R. 1989. Grote gele kwikstaart MofaC1lla cinerea. In Vogels in V laanderen, Voorkomen

en verspreiding. V laamse avifauna commissie. 1.M.P., Bornem. p. 286-287. van D i j k

A.J.

1996. Broedvogels inventariseren en p roefvlokken.

Ha ndleiding

Broedvogelmomitoring P roject (BMP). 62 blz. Worteloers F. 1943. De grote gele kwikstaart (Mofac1/la c. cinerea Tunst). De Wielewaal 10: 76-78.

Webpagina's Website nestkostonderzoek van Nederlandse vogelwerkgroepen: http://home.tiscoli.nl/-oc6363/vogelwerkgroep_Losser.htm Vonheuverswyn 2002. De Grote gele kwikstaart in Oost-V laanderen in 2002 - Stond van za­ ken onderzoek op 1 mei 2002. http://users.skynet.be/wielewool/sp-grote320gele320kwik.htm Instituut voor Natuurbehoud: verpreiding grote gele kwikstaart http://www.instnot.be/broedvogels website vmm: http://www.vmm.be

Bart Creemers

135


Vogels

Opmerkelijke vogelwaarnemingen in de Dijlevallei en omgeving, juni - november 2003 Dit overzicht van opmerkelijke en interessante vogelwaarnemingen in de Dijlevallei en omgeving beslaat voornamelijk de periode juni - november

2003.

De bestreken regio omvat de gemeenten Herent, Bertem, Leuven, Oud-Heverlee, Huldenberg, Overijse en Tervuren. De volgende rubriek zal de periode decem­ ber

2003

-

februari

2004 omvatten.

Waarnemingen worden voor

verwacht bij Kelle Moreau, Kerspelstraat

20, 3001

Heverlee, t:

10 maart 2004 0486/125877, e:

kelle.moreau@bio.kuleuven.ac.be .

Met een gemiddelde temperatuur van 19 .7°C (ten opzichte van het langjarig gemiddelde van

l 6.S°C) zorgde

de zomer van

2003

voor een wel erg bijzon­

dere situatie , een dergelijk hoge gemiddelde temperatuur komt theoretisch immers slechts één keer per

200 jaar(!!) niet meer zo'n

l 00

jaar voor en in dit geval was het al minstens in

warme zomer geweest. Zowel de maanden juni, juli

en augustus bleven voortdurend abnormaal droog en zonnig. In juni resulteerde dat onder meer in redelijk wat Kwartels , en er waren tijdens deze maand ook nog wat uitlopers van de voorjaarstrek merkbaar, met soorten als Zwarte Ooie­ vaar, Zwarte Wouw, V isarend en Zwarte Stern. Voor de streek leuke soorten wa­ ren bijvoorbeeld ook Rietzanger, Scholekster en Kluut (eerste juniwaarneming voor de regio). Wat het broedvoorkomen betreft kwam er goed nieuws van heel wat soorten, waaronder Krakeend, Zomertaling

(l

broedgeval), Kuifeend

x

Tafeleend (hy­

bride die zich zelf verder voortplantte), Dodaars, Wespendief (7 territoria), Porseleinhoen

(3

territoria) , en Cetti's Zanger

(l

territorium). Ook de Braamslui­

per kende een goed jaar, wat niet kan worden gezegd van bijvoorbeeld Spot­ vogel, Europese Kanarie en Grauwe Gors. Vanaf de maand juli begon de steltlopertrek al weer op gang te komen. Dit leverde in de natte komgronden langs de Dijle vele waarnemingen van Groen­ pootruiter, Bosruiter, Witgat en Watersnip op, maar steeds in kleine aantallen. Voorts was de eerste helft van de maand op avifaunistisch vlak zeer kalm , op een kort pleisterende V isdief na. In de tweede helft van juli konden een Zwart­ kopmeeuw, enkele Kleine Zilverreigers en een ringvangst van een Snor bijzon­ der genoemd worden. Op het einde van de maand werden de eerste over­ trekkende Ooievaars en Regenwulpen gemeld, samen met de eerste waarne­ mingen van Grauwe Kiekendief en Slechtvalk. Dit was ook de periode van de ontdekking van een mannetje Woudaap dat tijdens de maand augustus nog door vele vogelkijkers werd bezocht. De eerste decade van augustus was ook eerder kalm, al trokken er toen al

2

vroege Rode Wouwen door en werden er nog waarnemingen van V isdief en 136


Vogels

Regenwulp genoteerd. Opmerkelijk vroeg was ook een mannetje Witoogeend, maar van deze stond de wilde herkomst niet vast. Vanaf half augustus versche­ nen er traditiegetrouw meer doortrekkende roofvogels, met waarnemingen van Wespendief, Zwarte Wouw, Grauwe Kiekendief, Visarend en Slechtvalk. Er werd ook een slaapplaats met max. 4 Bruine Kiekendieven ontdekt. Wulp en Draai­ hals werden elk één keer vastgesteld, en twee keer trok er een Duinpieper door. Net ten Z en net ten 0 van onze regio werd telkens één Noordse Nachtegaal geringd. In september 2003 daalden de temperaturen uiteraard wat, maar in termen van zonneschijnduur liep het mooie zomerweer gewoon door, en dat bleef tij­ dens het grootste deel van de herfst eigenlijk zo. T ijdens de eerste helft van september bleef er wat vogels betreft dan ook heel wat te beleven in regio Leuven, met waarnemingen van Roodhalsfuut, Zwarte Ruiter, Dwergmeeuw, Zwarte Stern, Roodkeelpieper, Bonte Vliegenvanger en Europese Kanarie. Ook begon in deze periode de doortrek van Smellekens (die dit jaar overigens erg geslaagd was), pleisterde een Visarend en trokken nog 2 Duinpiepers langs. Pas eind augustus werden weer enkele 'speciallekes' gezien, met onder meer Kleine Zilverreiger, Rode Wouw, Bonte Strandloper en nog 2 Zwarte Ruiters. T ijdens de eerste 2 decaden van oktober 2003 arriveerden enkele typische overwinteraars van het Dijleland, zoals Grote Zilverreiger, Blauwe Kiekendief, Bokje (o.a. 2 ringvangsten) en Waterpieper. Intussen werden de laatste Kleine Zilver­ reigers genoteerd en bleven Ooievaar, Rode Wouw, Smelleken, Slechtvalk en Zwarte Stern doortrekken. Verder waren er ook nog leuke waarnemingen van Krooneend, Roerdomp, Ruigpootbuizerd, Kraanvogel, Bonte Strandloper, Grote Pieper, Bladkoning (ringvangst), Europese Kanarie en Barmsijs. De laatste decade van oktober werd het heel wat kalmer, met Buidelmees en Frater (ringvangst) als absolute hoogtepunten. Aan het einde van de maand werd ook duidelijk dat soorten als Goudplevier, Boomleeuwerik, Boompieper, Paapje en Tapuit in het Dijleland een behoorlijke doortrek gekend hebben. In november valt de najaarstrek zowat volledig stil. De opmerkelijkste trek­ waarnemingen die in deze maand toch verricht werden hebben betrekking op Kraanvogels, al waren het er lang niet zo veel als de vorige jaren. Andere vermeldenswaardige soorten uit de eerste helft van november 2003 waren Roer­ domp, Houtsnip, Rouwkwikstaart, Noordse Kauw en een arend sp. Ook ging het aantalsrecord van de Slobeend eraan maar verder lieten de watervogels het wat afweten dit najaar. De laatste dagen van november werd het heel interes­ sant in de zuidelijke Dijlevallei, met de eerste Grote Zaagbek van het najaar, maar bovenal met een pleisterende Witwangstern, de eerste winterwaarneming voor de streek, en mogelijk ook voor België. Baardmannetjes en Barmsijzen wer­ den in het Dijleland verspreid over de hele maand november gezien. Waarnemingen van onder meer alle exoten, Knobbelzwaan, Tafeleend, Kuif­ eend, Patrijs, Fuut, Havik, Waterral, Kievit, Witgat, Watersnip, Kleine Mantelmeeuw, alle uilen, Ijsvogel, Zwarte Specht, Middelste Bonte Specht, Kleine Bonte Specht, Grote Gele Kwikstaart, Graspieper, Blauwborst, Kramsvogel, Koperwiek, 137


Vogels

Sprinkhaanzanger, Tjiftjaf, Vuurgoudhaan, Glanskop, Ringmus, Keep, Sijs, Putter, Goudvink, Appelvink, Geelgors en Rietgors werden niet in dit verslag opgeno­ men, maar wel verwerkt. Ook ongedetermineerde zilverreigers, kiekendieven en valken werden niet vermeld, wat tevens geldt voor anonieme en/of zeer onzekere waarnemingen van Vale Gier en mogelijke Grote Karekiet. Enkele bij­ zondere soorten die net buiten de regio werden vastgesteld (Ruigpootbuizerd, Kraanvogel, Snor, Noordse Nachtegaal, Bladkoning) werden dan weer wel op­ genomen. Uit de enorme massa trekgegevens werden enkel de bijzonderste soorten toegelicht. Een getal tussen haakjes achter een soortnaam slaat op het aantal waarnemingen dat tijdens de behandelde periode voor de betreffende soort werd ontvangen.

Grauwe Gans Anser onser Naast wat waarnemingen van ontsnapte en verwilderde ex. werden de vol­ gende najaarstrekkers waargenomen: 27 /09

3 ex. naar Z over de Dijlevallei (B. Nef)

11/l0

6 ex. naar Z over Leefdaal/telpost (W. Desmet, F. Fluyt, H. Roosen, K. Moreau)

12/10

55 ex. naar 0 over Leefdaal/tel post (trektelploeg 12/l 0)

17 /10

14 ex. naar 0 over Leefdaal/telpost (K. Moreau, G. Louette, A. Smets, W. Desmet,

J.

Wellekens, K. Van Scharen, M. Depauwj

31/10

l 0 ex. naar Z over Heverlee/Korbeek-Losestraat (W. Claes)

09/11

26 ex. over Kessel-Lo/Acacialaan (B. Markey)

26/11

co 50 ex. naar N over OHN

(J.

Vanhappen)

Bergeend Todorno todorno 09/06

2 ad te Neerijse/Tersaert (F. Fluyt)

21/06

2 ad te Sint-Agatha-Rode/Grootbroek (B. Nef)

13 en 17 /08

l juv en 1 ex. te Oud-Heverlee/N (W. Desmet, B. Nef)

29/11

3 ad te Neerijse/Grote Bron (F. Fluyt), later te Oud-Heverlee/N

30/l l

3 ad te Oud-Heverlee/N (K. Moreau)

(J. Nysten)

Smient Moreco penelope ( 12) De eerste najaarswaarnemingen vonden plaats op 11/09 met l ex. te Oud­ Heverlee/N en 6 ex. te Sint-Agatha-Rode/Grootbroek (B. Nef). Vanaf dan werd de soort sporadisch opgemerkt met nog max. 4 ex. op 25/ l 0 (2 ex. te Sint-Agatha­ Rode en 2 ex. te Oud-Heverlee/Z; F. Fluyt) en op 30/11 (l m3v te Oud-Heverlee/ N; K. Moreau).

Krakeend Moreco sfrepero ( l 02) De Krakeend kon tijdens het hele zomerhalfjaar van 2003 in kleine aantallen in de Dijlevallei worden waargenomen. Er deden zich bovendien niet minder dan 138


Vogels

10 broedgevallen voor, waarvan 3 te Oud-Heverlee/N, 3 te Neerijse/Grote Bron, 3 te Neerijse/Doode Bemde (B. Nef) en 1 te Heverlee/Abdij van Park (K. Mor­ eau, B. Creemers). Tevens verbleef er tijdens het broedseizoen een koppel te Oud-Heverlee/Zen één te Sint-Agatha-Rode/Grootbroek (versch. waarn.). Vanaf half augustus begonnen de pleisterende aantallen dan weer op te lopen tot op 30/08 een eerste piek bereikt werd met in totaal 120 ex. in de V laamse Dijlevallei, waarvan 88 ex. te Oud-Heverlee/N (B. Nef). Na deze datum namen de aantal­ len weer af om enkel rond de maandwisseling oktober - november nogmaals de hoogte in te schieten met max. 99 ex. te Oud-Heverlee/N op 02/11 (K. Mor­ eau). De grote aantallen van de vorige winters werden evenwel niet gehaald.

Slobeend Anas clypeata (86} Nadat enkel op 13/05 te Oud-Heverlee/N een vrouwtje Slobeend met min. 6 pulli kon worden geobserveerd (K. Van Scharen), kon nergens in de vallei nog broedbevestiging worden verkregen voor deze moeilijke soort, maar telkens één mannetje verbleef tijdens het hele broedseizoen te Oud-Heverlee/N en te Neerijse/Grote Bron (B. Nef). In het najaar begonnen de aantallen eind augus­ tus op te lopen tot op 11/09 93 ex. in de Dijlevallei verbleven, waarvan 82 ex. te Oud-Heverlee/N (B. Nef). Vanaf eind oktober arriveerde duidelijk weer een nieuwe lading Slobben en op 02/11 waren te Oud-Heverlee/N maar liefst 210 ex. aanwezig (K. Moreau), een nieuw streekrecord! Op 15/11 werden hier nog steeds 162 ex. waargenomen (K. Van Scharen, F. Fluyt, J. Nysten, B. Creemers, K. Moreau).

Pijlstaart Anas acufa Oud-Heverlee/N

resp. 1v, 1v, 1m en 1v op 25/10, 02, 11 en 15/11 (F. Fluyt, K. Moreau, B. Creemers, K. Van Scharen, J. Nysten)

Neerijse/Grote Bron 1m op 9/10, 08 en 29/1 l (M. Walravens, J. Nysten, F. Fluyt) Sint-Agatha-Rode

5 ex. op 30/11 (F. Fluyt)

Wintertaling Anas crecca (92} Terwijl solitaire en kleine groepjes Wintertalingen de hele zomer zowat overal in de vallei konden worden opgemerkt, kwamen waarnemingen van broed­ verdachte paren slechts van 3 plaatsen: 1 à 2 koppels in de Doode Bemde, 1 koppel te Sint-Agatha-Rode/Grootbroek (B. Nef) en 1 koppel te Florival (M. Walravens). Tijdens het najaar werden nooit echt hoge aantallen bereikt in de Dijlevallei. De grootste aantallen werden waargenomen op 27 /09, met 122 ex. verspreid over de vallei, waarvan 102 ex. te Oud-Heverlee/N (B. Nef).

Zomertaling Anas querquedula ( 15} Aanvulling: de eerste waarneming voor regio Leuven anno 2003 betrof 2 ex. te Kwerps op 15/03 (M. Depauw). 139


Vogels

Eindelijk was er wat de Zomertaling betreft positief nieuws van het broedvogel­ front, tijdens de maanden juli en augustus werden in de Doode Bemde regel­ matig 1

à 2 ex. gezien (B. Nef, P. De Becker) en uiteindelijk was er ook een waar­

neming van een vrouwtje met 3 jongen (P. De Becker). Vervolgens werden er 1 1 najaarswaarnemingen genoteerd waarvan 9 in augustus, met als grootste con­ centratie 5 ex. te Oud-Heverlee/N op 24 en 25/08 (K. Moreau, B. Nef), en 2 in september: 1 1/09

2 ex. te Oud-Heverlee/N, 1 ex. te Neerijse/Grote Bron (B. Nef)

27/09

3m te Oud-Heverlee/Z (L. Vekemans)

Krooneend Netto rufn i o 1 0/10

rond 17u kortstondig 1 ad m te Heverlee/Abdij van P ark, zeer schuw (K. Moreau)

Witoogeend Aythyo nyroco 08- 1 7/08 1 ad m eclips te Oud-Heverlee/Zoete Waters (B. Nef, K. Moreau, B. Saveyn, W. Desmet, B. Creemers, J. Nysten) Een vroege waarneming voor deze soort in de streek, en ook locatie en gedrag (niet schuw) lijken in de richting van een ontsnapt exemplaar te wijzen, maar een wilde herkomst kon niet met zekerheid worden uitgesloten, temeer daar op 08/08 ook te Longchamps (Namen) een m Witoogeend werd ontdekt (A. Smets).

Kuifeend

x

Tafeleend Aythyo fu/igulo x A. tenno

07-12/06

1 v te Oud-Heverlee/N

17/06-13/07

1 v te Neerijse/Grote Bron

Op 28/06 bleek dit vrouwtje vergezeld te zijn van een pullus, en ook op 05/07 was dat nog zo (alle waarnemingen B. Nef).

Grote Zaagbek Mergus mergonser 28/ 1 1

l v te Heverlee/Abdij van P ark (D. Von Werne)

Kwartel Coturnix coturnix 12/06

om 2u l ex. oud over Meerbeek (A. Smets)

1 3/06

rond 23u 1 ex. auditief tussen Schoonaarde en Kwerps (M. Depauw)

14/06

2 ex. visueel te Leefdaal/plateau (W. Desmet), om 20u25 1 roepend ex. te Haasrode/ zandgroeve (K. Moreau)

1 5/06

l zp te Leefdaal/plateau ( JP Ferette, A. Smets)

In de tweede helft van juni riep tevens een ex. in de Doode Bemde (P. De Becker, T. Roels).

15/07

rond 1 9u30 1 ex. auditief te Blanden, verm. overvliegend (K. Moreau)

1 9/07

rond Ou30 enkele keren 1 ex. roepend te Leuven/Groot Begijnhof, verm. overvliegend

140

(J. Lambrechts)


Vogels

23/07 rond 3u 's nachts 2 x een roepend ex. te Heverlee/Bremstraat, verm. overliegende ex. (G. Bleys)

Dodaars Tochyboptus rufc i o/lis ( 192) Een broedvogelinventarisatie in de Dijlevallei ten Z van Leuven leverde voor het V laamse deel 17 broedparen op, namelijk 5 te Oud-Heverlee/N, 1 te Oud­ Heverlee/Z, 8 te Neerijse/ Grote Bron, l te Neerijse/Doode Bemde en 2 te Sint­ Agatha-Rode/Grootbroek (B. Nef). Let op, in deze telling werden enkel de vij­ vers binnen de Dijlevallei zelf meegerekend. Zoals gewoonlijk klommen de aan­ tallen Dodaarzen vanaf de derde decade van juli weer de hoogte in, met vol­ gende maxima tot resultaat: Neerijse/Grote Bron

80 ex. op 23/08 (B. Nef)

Heverlee/Abdij van Park

44 ex. op 12/08 (M. Walravens)

Geoorde Fuut Podiceps nigrico/lis 01 /07

1 ad zom te Sint-Agatha-Rode/Grootbroek (P. Claes)

04/08

l ad zom te Heverlee/Abdij van Park (K. Moreau, B.

Creemers) 30/08, l l, 13 en 21/09

l ex., l juv., l ex. en l ex. te Sint-Agatha-Rode/Groot

broek (B. Nef, W. Desmet,

J.

Nysten)

Roodhalsfuut Podiceps grisegeno 11/09

l ex. te Neerijse/Grote Bron (S. Bouillon)

Aalse holver Pho/ocrocorox corbo sinensis Nadat de maximale aantallen Aalscholvers op de slaapplaatsen in het Dijleland tijdens de vorige winters steeds ongeveer constant bleven of zelfs lichtjes daal­ den, werden in het najaar van 2003 nieuwe records bereikt met in totaal resp. 286 ex. en 345 ex. op 19/10 en 15/l l (K. Van Scharen, F. Fluyt, K. Moreau,

J.

Nysten). In november werd te Leefdaal/Kasteelvijver een nieuwe slaapplaats in gebruik genomen (met 52 ex. op 15/l l; K. Van Scharen).

Purperreiger Ardeo purpureo 31/07

l ad pleisterend te Oud-Heverlee/Z (B. Nef, W. Desmet)

Grote Zilverreiger Cosmerodius albus ( 35) Het enige junigeval en tevens de laatste voorjaarswaarneming voor 2003 betrof een ex. te Oud-Heverlee/Z op 06/06 (M. Schurmans). Terwijl in de Waalse Dijlevallei op 30/08 al terug 2 ex. werden opgemerkt te Gastuche (B. Nef), was het in het V laamse deel wachten tot op 21/09, toen 1 ex. over Sint-Agatha-Rode vloog

(J.

Nysten). Maar pas vanaf 19/10 verbleef de soort weer continu in de Dijlevallei 141


Vogels

(meestal te Oud-Heverlee en te Sint-Agatha-Rode) en vanaf 21/10 tot op het einde van de behandelde periode kon worden geconstateerd dat er 2 ex. aanwezig waren (versch. waarn.). Ook ten N van Leuven werd de Grote Zilver­ reiger weer opgemerkt, namelijk te Heverlee/Abdij van Park op 04/10 en op 25/ 11 (W. Claes, D. Von Werne) en te Wilsele op 15 en 30/11

(K. Moreau, J.

Lambrechts). Op beide waarneminsdata te Wilsele bleef deze vogel daar ook slapen.

Kleine Zilverreiger Egretto gorzetto J. Wellekens)

24 en 28/07

1 ex. te Kwerps/N (F. Verdonckt,

27/09

l ex. te Nethen/Sint-Joris-Weert (B. Nef)

04/l 0

1 ex. te Neerijse/Kasteel (L. Vekemans), 1 ex. te Sint-Agatha-Rode/ Grootbroek (J. Nysten)

16/ l 0

rond l 8u45 5 ex. laag naar Z over Bertem (S. Bouillon)

Woudaap lxobrychus minutus Na het succesvolle broedgeval van vorig jaar verbleef er vanaf eind juni 2003 terug een mannetje Woudaap op het domein van de Abdij van Park in Heverlee

(J.

Grootjans). Dit ex. werd onafhankelijk nogmaals ontdekt op 27/07 (K. Van

Scharen) en nadien waargenomen op 28/07 (F. F luyt, K. Moreau), dagelijks van 8 tot en met 13/08 (H. Blockx e.v.a.), op 15/08 (J. Nysten, S. Horemans, B. Saveyn) en op 02/09 (K. Moreau).

Roerdomp Botourus stelloris 17/10

1 ex. te Oud-Heverlee/Z (M. Schurmans)

08/ l l

1 ex. te Oud-Heverlee/N (F. F luyt)

Ooievaar Ciconio ciconio 31/07

om 19u 13 ex. naar Z over Heverlee/Groenstraat (A. Verboven)

16/08

om l 8u45 3 ex. cirkelend boven Winksele en dan naar Z

(J. Vonden

Eede) 06/09

rond 17u vallen 2 ex. in op een akker te Neerijse/Tersaert (F. F luyt, L. Vandenwyngaert), één ervan droeg een wetenschappelijke ring en bleek die op 07 /06/03 als nestjong te hebben meegekregen te Biebesheim, Darmstadt, Duitsland (Vogelwarte Helgoland, L. Vandenwyngaert)

28/09

rond 12u30 2 ex. boven Loonbeek/Margijsbos (F. F luyt), rond 13u 2 ex. boven Winksele/Lipselaan (J. Wellekens)

08/10

rond 9u 1 ex. naar ZW over Leefdaal (S. Bouillon)

Zwarte Ooievaar Ciconio nigro 03/06 142

1 ex. boven de Doode Bemde (P. De Becker)


Vogels

Wespendief Pernis apivorus

(74)

2003 bracht wellicht een zeer goed broedseizoen voor deze soort met zich mee. Hoewel broedbewijzen uitbleven konden volgende territoria worden onderschei­ den : 2 te Meerbeek/ Bertem, 1 te Loonbeek/Margijsbos, 1 te Terlanen/Laan­ vallei, 1 in de Doode Bemde, 1 te Sint-Agatha-Rode/omgeving Grootbroek en 1 te Oud-Heverlee/omgeving Zoete Waters (versch. waarn.). Wat de najaarstrek betreft verdient 24/08 een vermelding, op deze dag trokken tussen 9u40 en 11 u45 immers maar liefst 20 ex. naar Zover Leefdaal/telpost (K. Van Scharen, J. Wellekens, K. Moreau, F. Fluyt). Nadat de Wespendieventrek half september volledig stilviel volgde de laatste waarneming op 04/10 met 1 ex. te Sint-Agatha­ Rode

(J.

Nysten).

Rode Wouw Milvus m1lvus 02/08

rond 15u 1 ex. ter hoogte van Herent/Roeselberg (F. Vanlerberghe)

03/08

om 16u55 1 ex. naar Z boven Winksele/Lipselaan

28/09

om 14u30 1 ex. naar NW over Herent/Mechelsesteenweg (F. Van de

(J.

Wellekens)

Meutter) 13/10

rond 8u 1 ex. naar Zover Leefdaal/telpost (F. Vandeputte)

15/10

rond 9u30 1 ex. naar Zover Leefdaal/telpost (A. Verboven), om 9u45 1 ex. naar Z over Meerbeek/Pompstation (A. Smets)

17/10

1 ex. naar Zover Meerdaalwoud (R. Guelinckx), 1 ex. naar Zover Leef daal/telpost (A. Smets,

19/10

J.

Wellekens, W. Desmet, M. Depauw)

1 ex. boven Bertembos (G. Bleys, F. Geenen)

Zwarte Wouw M1/vus migrans 01/06

1 ex. etend in een boom te Oud-Heverlee, later naar 0 (F. Vandekeybus)

20/08

rond 16u 1 ex. naar Zover Leefdaal/telpost (W. Desmet)

Bruine Kiekendief Circus aeruginosus (75) Bijzonder dit najaar was dat er te Leefdaal/plateau een slaapplaats van Bruine Kiekendieven werd ontdekt. Op 11/08 bleken hier 2 imm, 1 'è j m en 1 ad v te verblijven (K. Moreau, B. Saveyn, F. F luyt) en ook op 24/08 was de plek nog in gebruik, ditmaal nog bemand door 3 v/imm (S. Bouillon). De najaarstrek bleef tot eind september quasi continu doorgaan, en er volgden nog 3 oktober­ gegevens: 04/10

2 imm

11/10

1 ad v naar Zover Everberg/Meerbeek (A. Smets)

21/10

1 ex. te Oud-Heverlee/Z (G. Vandezande)

+

1 ad m naar Zover Eizer/Horenberg (F. Fluyt)

143


Vogels

Blauwe Kiekendief Circus cyoneus ( 18) De eerste waarneming voor het najaar van 2003 betrof een ad v dat naar Z trok over Leefdaal/ tel post op 17/ l 0 (A. Smets,

J. Wellekens, W. Desmet, M. Depauw).

Vanaf dan volgden de waarnemingen elkaar mooi gespreid over de 2 volgende maanden op. Mannetjes waren er in de regio op volgende data: 29/ l O

1 ad m te Leuven/E314 thv KBC-gebouw (G. Stockx)

11 /11

1 ad m naar ZW over Bertem (S. Bouillon)

Grauwe Kiekendief Circus pygorgus 30/07

rond 17u 1 juv jagend te Veltem-Beisem/Molenbeekvallei

21/08

's avonds 1 ad v jagend te Leefdaal/plateau (F. Fluyt)

(J. Wellekens)

Ruigpootbuizerd Buteo logopus 17/1O

rond de middag 1 juv te Bierbeek, dan naar ZW en 15 min later terug

ter plaatse, verdween dan naar OZO (H. Blockx)

Arend sp. verm. Aquilo sp. 05/ l l

l ex. naar Z over Bertem, (S. Bouillon)

Visarend Pondion holioetus 08-09/06 l ex. te Sint-Agatha-Rode/Grootbroek 14/06

l ex. te Sint-Agatha-Rode

(J. Nysten),

(J. Nysten, B. Nef)

l ex. te Oud-Heverlee/Zuid

(B. Nef) 28/06

l ex. te Oud-Heverlee (F. Fluyt, B. Nef)

25/08

1 ex. te Oud-Heverlee/Z (K. Moreau, G. Louette, E. Michels)

07-09/09 1 ex. te Oud-Heverlee/N (F. F luyt, W. Desmet, K. Cools, L. Vekemans, E. Michels, G. Louette, G. Vandezande) 13/09

l ex. even biddend te Oud-Heverlee/N

(J. Nysten)

Boomvalk Folcu subbuteo ( 55) Tijdens het broedseizoen van 2003 konden in regio Leuven spijtig genoeg ner­ gens zekere broedbewijzen voor deze soort worden verzameld. Nochtans is het waarschijnlijk dat te Korbeek-Dijle/plateau toch een koppel succesvol een broed­ sel heeft voltooid. Tijdens de zomer werd hier regelmatig een koppel opgemerkt (S. Horemans, W. Desmet, B. Saveyn), en in de maand september waren hier continu min. 3 Boomvalken, waaronder 2juv., aanwezig (W. Desmet, B. Creemers, A. Smets, K. Van Scharen, M. Depauw, A. Boeckx). De laatste waarneming be­ trof een ex. te Oud-Heverlee/N op 04/ l 0 (B. Creemers).

144


Vogels

Smelleken Fa/co columbarius 06/09

1 ex. te Overijse/Eizer (F. Fluyt)

14/09

1 ex. naar Zover Leefdaal/telpost (W. Desmet, A. Smets, K . Van Scharen)

27/09

1 ex. te Meerbeek/Pompstation (FJ Moerman)

01/10

1 ad m naar Zover Huldenberg-Duisburg/plateau (F. Fluyt)

04/10

1 ad m naar Zover Overijse/Eizer (F. Fluyt)

05/10

1 ad m naar Zover Leefdaal/telpost (K. Moreau)

09/10

1 ex. naar Zover Everberg/Meerbeek (A. Smets)

11/10

1 ex. naar Zover Leefdaal/telpost (W. Desmet, F. Fluyt, H. Roosen, K. Moreau)

18/10

1 ex. naar Zover Bertem/plateau (S . Bouillon)

Slechtvalk Fa/co peregrinus 30/07

1 ex. langs het nieuwe provinciegebouw te Leuven/station (J. De Boe)

31/08

om 16u15 1 jagend ex. te Heverlee/Kerspelstraat (K . Moreau)

24/09

om 8u 12 1 ex. over Leuven (B. Markey)

29/09

's ochtends 1 ex. laag naar ZW over Leuven/Bondgenotenlaan (J. Mergeay)

30/09

rond 16u30 1 ex. over Leuven/stadspark (J. Mergeay)

15/10

om 14u30 1 ad laag naar 0 over Leefdaal/telpost (J. Wellekens)

23/11

om 15u25 1 ad naar ZW over Leefdaal/Heide (M. Janssens)

Porseleinhoen Porzana parva Tijdens het voorbije broedseizoen werden in de Doode Bemde 3 territoria van deze soort opgetekend (1 op grondgebied Neerijse en 2 op Sint-Joris-Weert) (P. De Becker)!

Kraanvogel Grus grus 05/09

1 waarschijnlijk ex. naar Zover de Dijlevallei (W. Desmet, B. Creemers)

17/10

rond de middag 3 ex. naar Zover Bierbeek (H. Blockx)

12/11

om 21u49 co 40 ex. naar N over Leuven/Tiensepoort (LP Arnhem), om 21 u55 hangen ze boven Kessel-Lo/Leopoldspark (J. Kempeneers, P. Tuerlinckx, L . Van Roeien)

30/11

om 16u05 1 ex. naar Zover Leefdaal/Brede Weg (JP Ferette)

Goudplevier Pluvialis apricaria 24/08

2 ex. naar Zover Eizer/Horenberg, dan invallend en op 25/08 nog aan wezig (F. Fluyt)

06/09

3 ex. invallend en kortstondig pleisterend te Eizer (F. Fluyt)

20/09

7 ex. naar Zover Kessel-Lo/Kesselberg (B. Markey)

04/10

1 ex. oud naar Zover Eizer/Horenberg (F. Fluyt) 145


Vogels

05/ l O

2 invallende ex.+ l ex. naar Zover Leefdaal/telpost (K. Moreau)

12/l O

2 ex. naar 0 over Leefdaal/telpost (trektelploeg 12/l 0)

26/ l O

l ex. laag naar Zover Leefdaal/telpost (F. Fluyt, K. Van Scharen, K.

Moreau) 01/l l

l ex. op akker te Sint-Agatha-Rode (K. Moreau)

02/11

l ex. te Leefdaal/plateau (F. Fluyt)

Kleine Plevier Charadrius dubius 09 /06

succesvol broedsel te Archennes/Florival met 2 ad + l pullus (F. Fluyt,

B. Nef)

16-21/06 l ex. te Archennes/Florival (F. Fluyt) 05/07

l ad + l juv te Oud-Heverlee/Z (S. Horemans)

08/07

l juv te Oud-Heverlee/Z (F. Fluyt, K. Moreau)

03/08

l juv te Oud-Heverlee/N (L. Hendrickx,

W. Desmet)

Scholekster Haematopus ostralegus 06/06

2 ex. over Oud-Heverlee/N (M. Schurmans)

Kluut Recurvirostra avosetta 15/06

l pleisterend ex. te Oud-Heverlee/Z (F. Fluyt)

Het betreft hier het eerste juni-geval voor de Dijlevallei.

Bonte Strandloper Calidris alpino 28/09

l ex. te Oud-Heverlee/N

l 0/l 0

l ex. te Oud-Heverlee/N (M. Schurmans)

(J.

Nysten)

Regenwulp Numenius phaeopus 31/07

rond 21u 30 ex. naar ZZO over Heverlee/Korbeek-Losestraat

l 0/08

(W. Claes)

rond 5u30 en rond 8u30 telkens een groep oud naar Zover Heverlee/ Korbeek-Losestraat (W. Claes)

Wulp Numenius arquata 23/08

l ex. te Oud-Heverlee/N

(B. Nef)

Zwarte Ruiter Tringa ertyhropus 05/09

l ex. te Oud-Heverlee/N (K. Moreau)

28/09

2 ex. te Oud-Heverlee/N

(J.

Nysten)

Tureluur Tnnga to/anus 03/07 146

l ex. te Oud-Heverlee/N (K. Moreau)


-

Vogels

11/10

1 ex. naar Z over Leefdaal/telpost (K. Moreau, W. Desmet, F. Fluyt, H. Roosen)

28/10

1 ex. oud over Heverlee/Arenbergpark (W. Desmet)

Groenpootruiter Trt'nga nebularia 02-07/06

1 ex. in de Doode Bemde (F. Fluyt, A . Smets, B. Net)

25 en 28/06

1 ex. te Oud-Heverlee/N (B. Nef)

28/06 en 01/07

resp. 2 en 1 ex. in de Doode Bemde (F. Fluyt)

02, 05, 06, 10 en 13/07 resp. 1, l, l, 2 en 1 ex. te Oud-Heverlee (F. Fluyt, B. Creemers, K. Moreau, B. Net) 13, 18, 19, 20 en 23/08 resp. l, 1, 2, 2 en 1 ex. te Oud-Heverlee/N (W. Desmet, S. Horemans, B. Saveyn, B. Net) 25/08

rond 22u30 min. 2 ex. oud over te Kessel-Lo/Korenstraat (F. Verdonckt)

30/08

2 ex. te Oud-Heverlee/Z, 1 ex. te Nethen (B. Net)

02, 05, 07 en 08/09

1 juv te Oud-Heverlee/N (W. Desmet, K. Moreau, B. Saveyn, F. Fluyt)

11/09

1 ex. over Sint-Agatha-Rode (B. Nef)

Bosruiter Trt'nga glareola 28-30/06, 02, 05, 09 en 20/07 1 ex. te Oud-Heverlee (F. Fluyt, B. Net, e.a.) 06/07

2 ex. te Sint-Agatha-Rode/Grootbroek (B. Net)

02/08

1 ex. te Kwerps/N

08/08

1 ex. te Heverlee/Abdij van Park (K. Moreau)

08-13, 14-23 en 24/08

resp. 1 juv, 2 juv en 1 juv te Oud-Heverlee/N

(J. Wellekens)

(B. Net, K. Moreau,

J. Nysten, e.a.)

Oeverloper A c ttfis hypoleucos ( 80} Na t wee junigevallen, namelijk 3 ex. in de Doode Bemde op 22/06 (F. Vandekeybus) en 1 ex. te Oud-Heverlee/Z op 26/06 (B. Net), volgden er 31 juli-, 38 augustus- en 9 september-waarnemingen. De grootste aantallen werden vastgesteld op volgende data: 31/07

6 ex. te Oud-Heverlee/N, 4 ex. te Neerijse/Grote Bron, 7 ex. te Sint­ Agatha-Rode (B. Nef), 2 ex. te Kwerps/N

(J. Wellekens), 1 ex. te

Heverlee/ Abdij van Park (W. Desmet) 17 /08

6 ex. te Oud-Heverlee/N, 3 ex. te Oud-Heverlee/Zoete Waters, 2 ex. te Sint-Agatha-Rode (B. Net)

Te Heverlee/Abdij van Park werden op andere data soms ook grotere aantalen waargenomen, zoals 5 ex. op 29/07 (K. Moreau, B. Net, M. Walravens e.a.). De laatste waarneming betrof 1 ex. langs de Dijle in de Leuvense binnenstad op 26/09 (P. Claes).

147


Vogels Watersnip Gollinogo gollinogo (71} Na 27 /04 was het in de V laamse Dijlevallei wachten tot op 05/07 vooraleer de soort terug verscheen, met op die dag 1 ex. in de Doode Bemde (B. Nef). Het najaarsmaximum bedroeg min. 50 ex. te Oud-Heverlee/N op 11/10

(J. Nysten).

Bokje Lymnocryptes minimus 11 en 16/10

telkens 1 ex. geringd te Neerijse (L. Vandenwyngaert)

19/10 en 19/11

telkens 1 ex. te Veltem-Beisem/Molenbeekvallei

(J. Wellekens)

Houtsnip Scolopox rusticolo 04-05/11 l raamslachtoffer te Leuven/Aula Pieter De Somer 12/l l

1 ex. boven de Doode Bemde

(J. Cuppens)

(K. Moreau)

Dwergmeeuw Lorus minutus 03/09

om l 8u20 plots een juv te Haasrode/zandgroeve en dan verder naar

Z

(K. Moreau) Zwartkopmeeuw Lorus melonocepholus 16/07

kortstondig 1 ad zom te Heverlee/Abdij van Park

(K. Moreau)

Pontische Meeuw Lorus cochinnons 19 / l 0

l l e win te Wilsele/N

(K. Moreau)

Visdief Sterna hirundo

K. Moreau, B. Nef)

06/07

l ad te Oud-Heverlee/Z (F. Fluyt,

02/08

l ex. te Oud-Heverlee/N (F. Fluyt, W. Desmet)

Zwarte Stern Chlidonios niger Aanvulling uit de vorige periode: op 17 /05 om l 6u 3 ex. te Sint-Agatha-Rode (L. Hendrickx). 01/06

2 ex. te Neerijse/Grote Bron (B. Nef)

04/09

l ex. te Sint-Agatha-Rode/Grootbroek (R. Guelinckx)

04-05/l 0 l juv te Oud-Heverlee/N (S. Horemans, B. Creemers, F. F luyt,

K. Moreau) Witwangstern Chl!donios hybndo Op 26/11 werd te Sint-Agatha-Rode/Grootbroek een ie winter Witwangstern

(J. Vanhappen). De vogel bleef minstens tot op 04/12 aanwezig (F. Fluyt, J. Nysten, K. Van Scharen, K. Moreau e.v.a.). ontdekt

148


--

· ------- ---

Vogels

Het betreft hier de ge waarneming van aéZe soort voor het Dijleland en de eer­ ste in november-december (mei: 4 , juni: 2, augustus: l, november-december: l). Een waarneming op 18 april 2000 te Sint-Agatha-Rode (Boomklever 28:57) wordt herroepen door de waarnemer. Voor V laams-Brabant gaat het om het 14e geval. In België werden één keer eerder een oktober- en een december­ waarneming gemeld, op 16/10/93 te Turnhout en op 30/12/94 te Denderbelle, maar beide waarnemingen werd niet ingediend bij het BAHC. Na goedkeuring zou het hier dus om de eerste officiële Belgische winterwaarneming van Wit­ wangstern gaan.

Zomertortel Streptope/ia turtur 15/06

1 ex. oud te Heverlee/Militair Domein (B. Creemers)

28/06, 03 en 05/07 resp. 1 zp, 1 ex. en 1 ex. in de Doode Bemde (F. F luyt, E. Macquoy, W. Vanwesemael, B. Creemers) 28/06

1 ex. te Leefdaal/holle weg (F. Fluyt)

02/08

rond l 8u20 1 ex. te Heverlee/Abdij van Park (K. Moreau)

03/09

2 ex. te Haasrode/zandgroeve

+

1 ex. langsvliegend

(K. Moreau)

Draaihals Jynx torquilla 29/08

l ex. te Heverlee/Bremstraat (G. Bleys)

Boomleeuwerik Lul/ulo arborea 04/10

3 ex. naar Zover Eizer/Horenberg (F. F luyt)

05/l0

2 ex. naar Zover Leefdaal/telpost (K. Moreau, Fluyt)

09/l0

2 ex. naar Zover Leefdaal/telpost (W. Desmet)

11/l0

l ex. naar Zover Leefdaal/telpost (W. Desmet, H. Roosen, K. Moreau)

12/1O

8 ex. naar Z over Leefdaal/telpost (trektelploeg 12/ l 0), 1 ex. naar Z over Bertem/ Heiberg (F. Geenen, G. Bleys)

13/10

1 ex. naar Zover Ottenburg (F. Vandeputte)

15/ l 0

1 ex. naar Zover Leefdaal/telpost (A. Verboven)

18/ l 0

1 ex. over Bertem/Heiberg (G. Bleys, F. Geenen)

19/10

2 ex. over Bertem/Heiberg (G. Bleys, F. Geenen)

28/10

l ex. over Leuven/Peterseliegang (F. Van de Meutter), 2 ex. naar ZW over Heverlee/ Bremstraat (G. Bleys)

31/l0

4 ex. pleisterend te Leefdaal/De Heide (G. Bleys)

04/11

min. 3 ex. over Leuven/Van Monsstraat (K. Moreau)

06/11

l ex. naar Zover Huldenberg/Spitsberg (F. F luyt)

10/10

2 ex. te Overijse/Eizer (F. Vandeputte)

Rouwkwikstaart Mofacil/a yarelli 10 en 12/11

1 ad m tss 50tal foeragerende Wite Kwikstaarten te Heverlee (ak­

kers in de hoek tss. de Meerdaalhoflaan en de Geldenaaksebaan) (B. Creemers) 149


Vogels

Duinpieper Anthus campestris 21/08

rond 9u 1 ex. naar Zover Bertem/plateau (S. Bouillon)

26/08

rond 11u 1 ex. naar NW over Heverlee/Bremstraat

14/09

2 ex. naar Zover Leefdaal/telpost (W. Desmet,

A.

(G.

Bleys)

Smets,

K. Van Scharen)

Grote Pieper Anthus richardi 05/1O

om 1Ou56 1 ex. laag en meermaals roepend naar Z over Leefdaal/ telpost (K. Moreau)

Boompieper Anthus trivia/is (27 data) Zangposten werden nog vastgesteld op 03/06 te Haasrode/Blandenstraat (K. Moreau) en op 13/06 te Meerdaalwoud/Militair Domein

(J.

Menten). Vanaf 21/

08 kwam dan de najaarstrek op gang met 2 ex. naar Zover Heverlee/Zwanen­ berg

(G. Bleys). De grootste aantallen trekkers werden vastgesteld op volgende

data: 24/08

7 ex. naar Zover Eizer/Horenberg (F. Fluyt)

14/09

13 ex. naar Zover Leefdaal/telpost (Kris Van Scharen, e.a.)

15/09

11 ex. naar Zover Leefdaal/telpost (W. Desmet,

21/09

10 ex. naar Zover Leefdaal/telpost

(A.

A.

Smets)

Smets, K. Van Scharen, e.a.)

De laatste 2 ex. vlogen op 12/10 naar Z over Leefdaal/tel post (TT-ploeg 12/10).

Roodkeelpieper Anthus cervinus 14/09

om 9u40 1 ex. naar Zover Leefdaal/telpost (K. Van Scharen)

09/10

om 1Ou30 1 waarschijnlijk ex. naar Zover Everberg/Meerbeek

(A. Smets)

Waterpieper Anthus spinoletta (21) De eerste Waterpieper voor het najaar van 2003 vloog op 12/10 naar Z over Leefdaal/telpost (trektelploeg 12/10). Nadien was het wachten tot op 29/10 vooraleer de eerste 3 ex. pleisterden te Oud-Heverlee (W. Desmet, M. Walravens). De grootste groep pleisteraars verbleef hier op 10/11 met 1 5 ex. (W. Desmet). Toch waren er in de streek grotere aantallen aanwezig, zoals bleek op 30/11 toen in de Doode Bemde min. 57 ex. kwamen slapen (K. Moreau).

Noordse Nachtegaal Luscinia /uscinia Er werden dit jaar op twee verschillende plaatsen net buiten de Leuvense regio Noordse Nachtegalen geringd. Eerst was er een vangst op 18/08 te Hamme­ Mille (med.

J.

Leclerq), en vervolgens op 20/08 één te Korbeek-Lo

(J.

Vanautgaerden). Een foto van deze laatste ringvangst is afgebeeld op de binnenkaft van deze Boomklever. 150


----------- ·---

Vogels

Gekraagde Roodstaart Phoenicurus phoenicurus tijdens de eerste 3 weken l ad m te Oud-Heverlee/Vaalbeekstr.

Juni

(T. Roels) 06 en 29/07

l ex. te Heverlee/Kerspelstraat (K . Moreau)

07/09

l v/l e jaars te OHZ (F. Fluyt)

05-06/l 0

l ad v te Overijse/centrum (E. De Broyer)

09/l 0

l ex. te Blanden/ A. Vermaelenstraat (J. De Baere)

Paapje Soxicolo rubetro (31) Er was dit jaar één juniwaarneming op 16/06 met l ex. ten Z van Mollendaal­ woud (G. Bleys). De eerste najaarspleisteraars verschenen op 09/08 met 2 ex. te Leefdaal/pla­ teau en l ex. te Neerijse/plateau (F. Fluyt). De grootste concentraties werden vastgesteld op volgende data: 23/08

l 0 ex. te Terlanenveld (H. Roosen)

07/09

11 ex. te Huldenberg/plateau (F. Fluyt)

14/09

11 ex. te Kwerps/Zuurbeekvallei (M . Depauw)

De laatste waarneming betrof een ex. te Terlanenveld op 27/09 (H. Roosen).

Roodborsttapuit Soxicolo rubico/o 07, 14 en 15/06

resp . 2ml v , l ml v en l m2juv te Kwerps/Zuurbeekvallei (M. Depauw, F. Vandekeybus,

A.

Smets)

09-10/08

l ml v3juv te Leefdaal/plateau (F. Fluyt)

02 en 14/09

resp. 3 ex. en l ml v3juv te Kwerps/Zuurbeekvallei

(A. 12/l 0

Smets, M. Depauw)

2 ex. ter plaatse te Bertem/zuidrand Bertembos (S. Bouillon)

Tapuit Oenonthe oenonfhe (28) Op 16/08 werd te Huldenberg/plateau de eerste najaarstapuit voor 2003 opge­ merkt (F. Fluyt). De grootste aantallen werden in de streek geteld op volgende data: 30/08

2 ex. te Leefdaal/plateau (F. Fluyt, F. Vandeputte), 5 ex. te Huldenberg/plateau, l juv te Huldenberg/Spitsberg (F. Fluyt), 3 ex. aan Bertembos (F. Geenen)

06/09

2 ex. te Overijse/Eizer, 5 ex. te Huldenberg/plateau, 4 ex. te Neerijse/ plateau (F. Fluyt)

Net zoals het laatste Paapje werden de twee laatste Tapuiten op 27/09 geob­ serveerd te Terlanenveld (H. Roosen).

Snor Locustello luscinioides 19/07

l l e jaars ex. geringd te Korbeek-Lo (J . Vanautgaerden & ringgroep

Leuven) 151


Vogels

Cetti's Zanger Cettia cetti De Cetti's Zanger die reeds van op 04/05 in de Doode Bemde zong werd hier tot op 06/07 nog regelmatig waargenomen (A. Smets, B. Nef, A. Boeckx, F. Vandekeybus, W. Desmet, F. Fluyt, T. Roels, K. Moreau, e.a.). Na deze datum bereikte ons nog slechts één melding, namelijk van op 23/08 (B. Nef).

Spotvogel Hippo/ais ictenna Van deze soort werd tijdens de zomermaanden enkel veldwaarnemingen vast­ gesteld te Leefdaal/plateau, met een alarmerend ex. op 03/06 (G. Meeus), een ex. op 21/06 (JP Ferette) en een zangpost op 06/07 (K. Moreau).

Rietzanger Acrocepha/us schoenobaenus 05 en 06/06

resp. 1 ex. en 1 zp te Oud-Heverlee/N (L. Deschampelaere,

M. Schurmans)

Braamsluiper Sylvia curruca 12/06

1 zp aan de monding van de Molenbeek in de Dijle te Leuven (R. Guelinckx)

14/06

1 zp te Haasrode/zandgroeve (K. Moreau)

28/06

1 zp langs de Dijle te Leuven/Waaiberg - Facultyclub (B. Creemers)

In juni ook een zp te Heverlee/Bremstraat (G. Bleys) 01/09

tot op deze datum aanwezig te Leuven/Kolenmuseum (K. Moreau)

14/09

1 ex. te Leuven/stadspark (J. Rutten)

Bladkoning Phyl/oscopus inornatus 13/10

1 1e j geringd te Korbeek-Lo (J. Vanautgaerden, R. Ackermans,

T. Verbeeck) Bonte Vliegenvanger Ficedula hypoleuca

05/09

1 1e win te Heverlee/ Abdij van Park (M. Schurmans)

Grauwe Vliegenvanger Muscicapa striata

19 en 23/06, 14/07 resp. 2 ex., 2 ex. en 1 ad + 1 juv te Leuven/ Kolenmuseum (K. Moreau) 05/07

1 ad met jongen te Sint-Agatha-Rode/Rodebos (B. Creemers)

26-27 /07

1 ex. te Huldenberg/Spitsberg (F. Fluyt)

02/08

2 ad+ 1 juv te Blanden/ A. Vermaelenstraat (K. Moreau)

20/08

2 ex. te Neerijse/plateau (W. Desmet)

152


Vogels

Baardmannetje Panurus biarmicus 09/ 1 1

3 ex. (min . 1 m 1 v) foeragerend op lisdoddes te Oud-Heverlee/N

(J.

Nysten)

1 1 /1 l

meerdere ex. oud te Oud-Heverlee/Z (F. Fluyt)

1 5/ 1 1

l ad v te Oud-Heverlee/N (K. Van Scharen, F. Fluyt, J. Nysten, B. Creemers, K. Moreau)

30/ 1 1

1 ad v te Oud-Heverlee/N (K. Moreau)

Buidelmees Remiz pendu/inus 25/ 1 0

1 ex. tussen Oud-Heverlee/N en OH/Z (F. Fluyt)

Noordse Kauw Corvus monedula monedula Exemplaren met kenmerken van deze ondersoort werden opgemerkt op vol­ gende data: 1 1 /1 1

1 ex. te Haasrode/Konijnenhoek (K. Moreau)

1 6/ 1 1

1 ex. te Leefdaal/plateau (F. Fluyt)

Europese Kanarie Serinus serinus begin juni - 03/07

1 zp te Huldenberg/Spitsberg (F. Fluyt)

02/09

1 ex. naar Zlangs Bertembos (S . Bouillon)

04/09

1 ex. naar Z over Bertem/plateau (S . Bouillon)

1 2/ 1 0

1 ex. naar Zover Leefdaal/telpost (trektelploeg 1 2/ 1 0)

Barmsijs Cardue/is flammea/cabaret 05/ 1 0

l ex. naar Zover Leefdaal/telpost (K. Moreau)

1 5/ 1 0

tss 8u45 en 1 1 u30 1 ex. naar Zover Meerbeek/Pompstation

1 9 Il 0

2 ex. (v / 1 e win) te Huldenberg/Spitsberg, 1 ex. oud over Leefdaal/

(A.

Smets)

plateau, 8 ex. te OH (F. Fluyt) Te Huldenberg/Spitsberg werden vervolgens resp. 2, l, 6, 2, 8 en 2 ex. waarge­ nomen op

2 1 , 26 en 28/ 1 O en 02, 08-09 en 1 6/ 1 1 (F. Fluyt). Hier ging het om

Kleine Barmsijzen 28/ 1 0 1 1 /1 1

C. cabaret.

2 ex. te Wilsele-Putkapel (S . D' Hont) 3 ex. te Haasrode/zandgroeve, zitten eerst op berkenzaad te foerageren en vliegen later op langs de bosjes langs de brug over de E40, ik zag de vogels absoluut niet goed en determineerde hen aan­ vankelijk op het geluid dus welke (onder)soort het was? (K. Moreau)

30/ 1 1

2 ex. foeragerend op berken ten W van OHN, dan naar Z (K. Moreau)

Frater C arduelis flavirostris 27 / l 0

1 1 e jaars m geringd te Overijse/Maleizen

(J.

Van Stalle,

Ringgroep ljsedal). De vorige ringvangst op deze locatie dateert van 02/ 1 1 /92, toen hier ook een 1 e jaars m werd geringd. 153


Vogels

Kruisbek Loxio curvirostro 22/06

3 ex. over Meerbeek/Vrebos (A. Smets)

13/07

l imm/v over te Eikenbos/Meerbeek (F. F luyt

16/07

2 ex. over Kessel-Lo/Tiensepoort (F. Verdonckt)

20/07

enkele ex. oud in Mollendaalwoud/ZW (G. Bleys)

02/08

groepje oud te Blanden/Mollendaalwoud (K. Moreau)

06 en l 0/11

l ex. op voederplaats te Kessel-Lo/ Acacialaan (B. Markey)

23/ 11

l ex. over Korbeek-Dijle/Korbeekveld (M. Janssens)

+

NSG Dijleland)

Grauwe Gors Emberizo colondro 07, 09 en 14/06

nog steeds aanwezig te Kwerps/Zuurbeekvallei (M. Depauw, A. Smets, F. Vandekeybus)

09/06

l ex. te Neerijse/Ganzemansstraat (A. Boeckx, 0. Henneau)

28/06

l ex. over te Leefdaal/Brede Weg (F. F luyt)

26/08

l ex. te Huldenberg/plateau (F. F luyt)

08/09, 05 en 22/l 0 l zp te Leefdaal/telpost (K. Moreau, W. Desmet) Samenstelling Kelle Moreau, kelle.moreau@bio.kuleuven.ac.be Medewerkers en correspondenten Stijn Ackoert, Roger Ackermons, Louis-Philippe Arnhem, Monique Bekkers, Christophe Bert, Geert Bleys, Herman Bleys, Herwig Blockx, Alain Boeckx, Steven Bouillon, V incent Bulteou, Jon Butoye, Paul Claes, War Claes, Simon Clous, Peter Colloerts, Kjell Cools, Bart Creemers, Jos Cuppens, Johan De Boere, Piet De Becker, Jon De Boe, Erik De Broyer, Mark Depouw, Lieven Deschompeloere, Wouter Desmet, Steven D'Hont, Hodewig Dierickx, Joris Elst, Jeon­ Philippe Ferette, Frederik Fluyt, Frons Geenen, Raf Ghijsen, Paul Grootoers, Jos Grootjons, Robin Guelinckx, Luc Hendrickx, Ollivier Henneou, Maarten Hens, Paul Herroelen, Stefaan Horemons, Stefaan Hublou, Michel Janssens, JNM Leuven, Jochen Kempeneers, Eva Lombrecht, Jorg Lambrechts, Jacques Leclerq, Elfriede Le Docte, Wolther Leers, Mark Lehouck, Gerold Louette, Michel Louette, Eddy Mocquoy, Brom Morkey, Gert Meeus, Joris Menten, Joachim Mergeoy, Erik Michels, B. Michiels, Frieder Jon Moermon, Kelle Moreou, Bruno Net, NSG Dijlelond, Johan Nysten, Stephan Peten, Jelle Quortier, Alain Reygel, Toon Roels, Nadine Rogiers, Hans Roosen, Jos Rutten, Bert Soveyn, Maarten Schurmons, Axel Smets, Geert Sterckx, Gerrit Stockx, Morito Tombolle, Paul Tuerlinckx, Johan Vonoutgoerden, Filip Vondekeybus, Frank Van de Meutter, Jos Vonden Eede, Chris Van Den Haute, Luc Vondenwyngoert, Filip Vondeputte, Dirk Vonderlinden, Geert Vondermeulen, Gilbert Vondezonde, Joost Vonhoppen, Lieven Van Hellemont, Frederik Vonlerberghe, Koen Vonormelingen, Lisette Van Roeien, Kris Van Schoren, Luc Van Schoor, Jos Vonstolle, Willy Vonwesemoel, Leo Vekemons, Thomas Verbeeck, Andre Verboven, Bart Vercoutere, Freek Verdonckt, Guy Verrijdt, Vogelworte Helgoland, Dirk Von Werne, More Wolrovens, lgnoz Wonders en Jon Wellekens. Trektelploeg 12/10: K. Van Schoren, F. Fluyt, A. Verboven, M. Depouw, J. Wellekens, W. Des­ met, J. Nysten, B. Creemers, R. Gheysen, K. Moreou, F J Moermon, D. Vonderlinden, F. Vondeputte, J. Menten, M. Bekkers e.o.

154


Studiegroep

Een kleine bijdrage voor uw vertouwde Boomklever

-

Abonnementsbijdrage 2004

Het bestuur van Natuurstudiegroep Dijleland heeft beslist enkele wijzigingen door te voeren aangaande de abonnementsbijdrage 2004 van de Boomklever. Zo wordt het gratis abonnement voor "medewerkers" afgeschaft en komt er naast het gewone abonnement, ook een steunabonnement. Het drukken en verzen­ den van telkens 160 Boomklevers kost immers handenvol geld.

De enige toe­

lage die de studiegroep ontvangt is een subsidie voor verenigingen van de Stad Leuven en dankzij de bereidwillige sponsoring van VUB-press kunnen we u een 'klever' met kleurenkaft aanbieden.

Van MINA-subsidies is al lang geen

sprake meer"" Voor amper 5 EUR ontvangt u in 2004 verder de Boomklever. Wie voor de wer­ king van Natuurstudiegroep Dijleland een extraatje over heeft, neemt een steun­ abonnement aan l 0 EUR. We zetten alles even op een rijtje:

Abonnement 2004: 5 EUR Steunabonnement 2004: 10 EUR Te storten op rekeningnummer 001-1552168-50 van Werkgroep Dijleland p/a Korbeekstraat 27, 3061 Leefdaal met opgave van naam en adres.

U wordt vriendelijk uitgenodigd op de 3de

Jaarvergadering Natuurstudiegroep Dijleland vrijdag 23 januari 2004

om

20u00

Gastspreker is streekringer Johan Vanautgaerd n. A.d.h.v. een boeiende diareportage vo rt hij on me ".

Van West naar Oost: opmerkelijke ringvangsten in Korbeek-Lo en de Sinaï Plaats: Oud-g emeentehuis van Heverlee, Waver ebaan 66 Info: Paul Herroelen, 016/73 40 69 De toegang is gratis

j

155


Activiteiten

Activiteitenkalender januari - maart 2004 De plaats van samenkomst blijft ongewijzigd nl. de Bodart-parking naast de ring (tegenover Capucienenvoer) te Leuven. Een tweede afspraakplaats wordt aangeduid bij iedere activiteit. Bij slechte weersomstandigheden worden de belangstellenden verzocht sowieso contact op te nemen met de verantwoor­ delijke van de activiteit. Tenzij anders aangegeven, vindt u de gegevens van de contactpersonen op de binnenkaft van deze Boom.klever. Zondag 4 januari: Simultane slaapplaatstelling Waterpiepers in de Dijlevallei Voor praktische afspraken, neem contact op met Frederik Fluyt. Zondag 11 januari: Roofvogeltelling regio Leuven. Voor regio-indeling en kaarten, contacteer Kelle Moreau. Zaterdag 17 januari: Watervogeltelling in de Dijlevallei We spreken af aan het station van Oud-Heverlee om 09u00 olv Kris Van Scharen Vrijdag 23 januari: Jaarvergadering Natuurstudiegroep Dijleland iedereen is welkom vanaf 20u00 in het oud-gemeentehuis te Heverlee Zondag 7 februari: Simultane slaapplaatstelling Waterpiepers in de

Dijlevallei

Voor praktische afspraken, neem contact op met Frederik Fluyt. Woensdag 11 februari: Vergadering medewerkers project Bijzondere Broedvo­ gels Vlaanderen - planning inventarisatiejaar 2004 regio Leuven Vergaderlokaal V ia V ia te Heverlee (onder voorbehoud!) om 20u00. Neem vooraf contact met regiocoördinator Frederik Fluyt. Zaterdag 14 februari: Watervogeltelling in de Dijlevallei We spreken af aan het station van Oud-Heverlee om 09u00 olv Kris Van Scharen Woensdag 25 februari: Braakbalonderzoek. Na het succes van de pluisavond in november houden we een tweede winter­ sessie.

Lokaal van De Vrienden ( l ste verd.) in het oud gemeentehuis van

Heverlee, Waversebaan 66. Aanvang: 20u00. Meer info: Kelle Moreau. Zaterdag 13 maart: Watervogeltelling in de Dijlevallei Zondag 14 maart: Nachtvlinders zoeken op wilgenkatjes Af spraak om 20u00

aan café "Berg Taborg" op het kruispunt van de

Tervuursesteenweg en de Celestijnenlaan in Heverlee. Leiding: André Verboven 156


- --

-· --· ---�- �--"" -

Bladkoning, Korbeek-Lo 13 oktober 2003 (foto J. Vanautgaerden)

Noordse Nachtegaal, Korbeek-Lo 20 augustus 2003 (foto J. Vanautgaerden)


----

Uitgeverii VUBPRESS Woversesteenweg 1 077 B-1160 Brussel

fax 32 2 629 26 94 e-mail: vubpress@vub.ac.be www.vubpress.be

Ook verkriigbaar in de Natuurpuntâ&#x20AC;¢boekhandel

--

1

Profile for Natuurstudiegroep Dijleland

De Boomklever December 2003  

De Boomklever December 2003  

Profile for nsgd
Advertisement