__MAIN_TEXT__

Page 4

VOGELS

IN

DE VOLKSWEERKUNDE

Roger Meulemans

Geen enkel natuurverschijnsel oefent zoveel invloed uit op het menselijk gemoed en gestel dan het weder en e·en aandachtige kijker zal die invloed nog meer vast­ stellen bij de dieren. Hun instinkt doet ze reageren op de meteorologische prikkels. Van oudsher heeft de mens aandacht besteed aan de gedragingen die hij bij sommige dieren op bepaalde tijdstippen waarnam. De mens stelde zich de vraag hoe het kwam dat een hond soms onrustig rondliep, dat hij zich krabde en gras at. ook waarom een paard of een ezel zich tegen een muur wreef, waarom een haan op ongewone uren kraaide, enz... Als natuurliefhebber proberen wij zoveel mogelijk buiten te zijn en het loont de moeite even te kijken hoe onze grootouders hebben bijgedragen tot de volksweer­ kunde en welke rol de vogels daarin hadden. Bij VORST luidde het als volgt: 't Zal vriezen als het Winterkoninkje in de hoven en tuinen verschijnt, als de Bonte Kraaien zich dicht bij de huizen vertonen. Als de kraaien (bedoeld zijn vooral de Roeken: Red.) zwijgen, zal het blijven vriezen. Langdurige koude, vaak gevolgd door sneeuw, is te verwachten als de vogels samentroepen en hun voedsel rond de steden komen zoeken. Als de leeuwerik niet hoog stijgt, mag men zich aan koude verwachten. Het zal gaan vriezen als de wilde ganzen in V-vorm vliegen, ook als ze zoals de Wilde Eenden uit het noorden komen... als de ganzen naar het westen trekken, als de watervogels uit kreken en kleine waters naar grotere plassen vliegen. Als de Reiger droef en ·

roerloos aan de oever zit, als 's winters de haan 's avonds kraait. Bij SNEEUW komen geen vogels te pas maar wel mollen; die moet men in het oog houden. Molshopen tijdens de winter duiden op sneeuw; de mollen wroeten 's winters gewoon verder door de grond zolang die niet bevroren is. Vandaar dat men wel eens verse molshopen op de witbesneeuwde velden en weiden aantreft. Tijdens de winter zouden mollen zelfs actiever zijn dan anders. Wanneer de temperatuur in de bodem daalt, gaan de wormen en larven het wat kalmer aan doen en komen ze niet meer zo vlug terecht in de molspijpen die dienst doen als valkuilen. Het gevolg is dat mollen hun gangensysteem gaan uitbreiden om toch aan voldoende voedsel te geraken. Vandaar het gezegde komt er geen vorst.

14

:

zolang de mol wroet,

Profile for Natuurstudiegroep Dijleland

De Boomklever December 1995  

De Boomklever December 1995  

Profile for nsgd
Advertisement