__MAIN_TEXT__

Page 1

terra cotta incognita

Ruwe bolsters, bierdrinkers en haringeters

Redactie

Nina Linde Jaspers, Yurie Eijskoot & Kinie Esser

FotograďŹ e

Paul Crucq 1

special nr. 2 lente 2015

Huishoudelijk afval van de eigenaren, bewoners en ambachtslieden van de scheepswerf aan de Havenstraat te Vlaardingen (locatie Galeiwerf)


Fotografie en redactie

Fotograaf, vormgever

Auteur, redacteur, dtp

Auteur, projectleider

Auteur, redacteur

Paul Crucq (Ugchelen, 1979 - † Noordwijk aan Zee, 2014) studeerde Grafische Vormgeving in Utrecht (voltooid in 2001) en daarna Fotografie aan de Hogeschool voor de Kunsten Utrecht. Hij werkte vanuit Amsterdam als zelfstandig fotograaf en grafisch vormgever, zowel aan vrij werk (o.a. stadslandschappen en reisreportages) als in opdracht, waaronder objectfotografie voor archeologische opgravingen en kunsthistorische collecties. Hij verzorgde de objectfotografie en de stillevenfoto’s van de vondsten uit de Vlaardingse beerput van de locatie Galeiwerf. Ook ontwierp hij de huisstijl van Terra Cotta Incognita en de Specials.

Drs. Nina Linde Jaspers (Groningen, 1976) studeerde (post-)middeleeuwse archeologie (UvA). Specialiseerde zich in tinglazuuraardewerk uit Nederland, Italië en Frankrijk uit archeologische context en zet dat onderzoek voort aan de Universiteit Leiden. Volgde archeologie en kunstgeschiedenis in Portugal (Universidade de Coimbra), groef mee naar het 17e-eeuwse Nederlandse Fort Oranje, Brazilië en was bursaal aan het NIKI te Florence, Italië. Werkt sinds 2005 als aardewerkspecialist voor archeologische opgravingen uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd. Combineert sinds 2009 werk en onderzoek onder de vlag van haar bedrijf Terra Cotta Incognita in Amsterdam.

Drs. Yurie Eijskoot (Dordrecht 1974) studeerde archeologie van de late prehistorie en Romeinse tijd (UvA). Werkt als projectleider van archeologisch (veld)onderzoek naar vindplaatsen uit alle perioden en typen context, zowel in stedelijk als landelijk gebied. Hij is een resultaatgerichte projectleider die in zijn werk graag buiten de kaders denkt. Proactieve samenwerking met vakspecialisten vindt hij belangrijk, de beste weg naar aansprekende resultaten. Hij is bijzonder trots dat hij in het onderzoek naar de beerput met zoveel gedreven specialisten mocht samenwerken. Sinds 2001 is hij in dienst bij de gemeente Vlaardingen en was in deze hoedanigheid in 2002 direct betrokken bij de ontdekking van de beerput. Vanaf 2013 stuurde hij de uitwerking en analyse van de beerputinventaris aan.

Drs. Kinie Esser (Alblasserdam 1959) studeerde Ecologische Archeologie (UvA) en gespecialiseerde zich in de zooarcheologie. Is al meer dan twintig jaar (mede)eigenaar van Archeoplan Eco, een onderzoeksbureau dat op commerciële basis dierlijk bot uit opgravingen onderzoekt. Daarnaast is zij docente aan de Faculteit der Archeologie te Leiden. Ze is voorzitter van het Biologisch Archeologisch Platform dat zich de integratie en ontwikkeling van de bio-archeologie in de archeologie ten doel heeft gesteld en heeft regelmatig zitting in commissies die zich bezig houden met de ontwikkelingen in het archeologisch bestel.

2


Contactgegevens

Fotograaf, vormgever

Auteur, redacteur

Auteur, projectleider

Auteur, redacteur

Paul Crucq â€

Terra Cotta Incognita

Gemeente Vlaardingen

Archeoplan Eco

Fotografische vormgeving

Nina Linde Jaspers

Yurie Eijskoot

Kinie Esser

p/a Zandstraat 11

Zandstraat 11

Industrieweg 9

Oude Delft 224

1011 HJ Amsterdam

1011 HJ Amsterdam

3133 EE Vlaardingen

2611 HJ Delft

www.paulcrucq.nl

www.terracottaincognita.eu

www.geschiedenisvanvlaardingen.nl

www.archeoplan.nl

1


Administratieve gegevens van het onderzoeksgebied Provincie: Zuid-Holland Gemeente: Vlaardingen Plaats: Vlaardingen Toponiem: Locatie Galeiwerf (objectcode 1.102) Kadastrale gegevens: MO2442 Kaartblad: 37G CentrumcoÜrdinaat: 83277/436461 Projectverantwoordelijke: Y. Eijskoot, Vlaardings Archeologisch Kantoor (VLAK), gemeente Vlaardingen Bevoegd gezag: T. de Ridder, VLAK, gemeente Vlaardingen ARCHIS-onderzoeksmeldingsnummer (CIS-code): 408992 Terra Cotta Incognita-projectcode: 2012.2 Complex en ABR codering: Archeologische opgraving (AOP), Stad (NS) Periode(n) en ABR codering: Nieuwe Tijd B (NTB) Geomorfologische context: Antropogene afzettingen op ziltige oeverafzetting NAP hoogte maaiveld: 2 m +NAP Maximale diepte onderzoek: 1,5 m -NAP Uitvoering van het veldwerk: 16 mei 2002 – 25 september 2002 Beheer en plaats documentatie: Archeologisch depot, gemeente Vlaardingen

2


Ruwe bolsters, bierdrinkers en haringeters Huishoudelijk afval van de eigenaren, bewoners en ambachtslieden van de scheepswerf aan de Havenstraat te Vlaardingen (locatie Galeiwerf) N.L. Jaspers,Y. Eijskoot & E. Esser (red.) P. Crucq (Fotografie) Amsterdam, lente 2015 Terra Cotta Incognita Special nr. 2

Met bijdragen van Dick Brinkhuizen | Ichtyologie Otto Brinkkemper | Botanie | Brinkkemper Archeobotanisch Bureau Sandra Comis | Textiel | Archeologisch Textiel Paul Crucq | Fotografie | Paul Crucq - Fotografische Vormgeving | Grafische vormgeving Yurie Eijskoot | Historische achtergronden | VLAK, gemeente Vlaardingen | Spoor- en structuurbeschrijving Kinie Esser | Zoรถarcheologie | ArcheoPlan Eco Allard van Helbergen | Aardewerkrestauratie Krijn van der Hoofd | Engelse vertaling Nina Jaspers | Aardewerk | Terra Cotta Incognita | Keramisch bouwmateriaal | Metaal | Houtrapportage | Objecttekeningen aardewerk en glas | Grafische vormgeving en DTP Erik Kieft | Aardewerk- en glasrestauratie | De Verloren Scherf Jaap Kottman | Glas Silke Lange | Houtdeterminatie | Biax Consult Johan Langelaar | Metaalsoortbepaling | ADC ArcheoProjecten Marian Melkert | Natuursteen | MarianMelkert Jan van Oostveen | Tabakspijpen | Specialistic Archaeological Research Sebastiaan Ostkamp | Deventer Systeem redactie | Sebastiaan Ostkamp Specialistisch Archeologisch Onderzoek Sem Peters | Vergelijk beerputten | Gemeente Haarlem Marloes Rijkelijkhuizen | Bewerkt bot | Elpenbeen | Leer | Kralen Paul Schulten | Conservering | ArcheoPlan CRA James Symonds | Redactie Engelse samenvatting | Universiteit van Amsterdam Eli van Toledo | Visualisatie opgravingsgegevens | VLAK, gemeente Vlaardingen Erika Verloop | Archiefonderzoek | Stadsarchief gemeente Vlaardingen Gavin Williams | Redactie Engelse samenvatting | ADC ArcheoProjecten 3


4


Inhoud 1.

Inleiding (N.L. Jaspers & Y. Eijskoot)

6

Achtergrond bij het onderzoek 7 De beerputvullingen en hun datering 8 Materiaalspecialistische deelonderzoeken 9 Restauratie, tekenwerk en fotografie 10 Engelse samenvatting 10 Onderzoeksvragen 10 Opbouw deelrapportages 10

2.

Ligging, spoor- en structuurbeschrijving (Y. Eijskoot)

11

3.

Historische gegevens (Y. Eijskoot)

14

4.

De vondsten (N.L. Jaspers, red.)

16

Aardewerk: gebruikelijk gemeengoed Glas: kloeke bierbekers Tabakspijpen: alledaags rookgerei Metaal: spijkers, vishaken en naaigerei Hout: priktollen en haringtondeksels Textiel: wollen breisels en zijden weefsels Leer: een afgetrapte kinderschoen Bewerkt bot, barnsteen en git Natuursteen: een wetsteen en een zwerfkei Dierlijke resten: haring, schol en schelvis Botanische macroresten en pollen: gort met prumedanten Keramisch bouwmateriaal: landschaps- en schildpadtegels

5.

(N.L. Jaspers) 16 (J.F.P. Kottman) 40 (J. van Oostveen) 46 (N.L. Jaspers) 52 (S. Lange & N.L. Jaspers) 58 (S.Y. Comis) 64 (M. Rijkelijkhuizen) 70 (M. Rijkelijkhuizen) 74 (M.J.A. Melkert) 76 (D.C. Brinkhuizen & E. Esser) 80 (O. Brinkkemper) 88 (N.L. Jaspers) 100

Synthese (N.L. Jaspers, D.C. Brinkhuizen, O. Brinkkemper, S. Comis, P. Crucq, E. Esser, J.F.P. Kottman, J. van Oostveen & S.A.L. Peters) 106

Beantwoording van de onderzoeksvragen Vergelijking met andere beerputten Samenvatting en conclusie

106 121 127

Bijlagen

132

Bijlage Bijlage Bijlage Bijlage Bijlage Bijlage

Aardewerk en glas Aardewerk- en glascatalogus volgens Deventer Systeem Tabakspijpencatalogus Textilia Dierlijke resten Botanie

132 135 160 178 179 186

Lijst van figuren en tabellen Summary Literatuur Colofon

189 191 194 200

1 2 3 4 5 6

– – – – – –

Inhoud

5


Fig. 1: Ligging van het onderzoeksgebied (Tekening: Dienst Stadswerk; nabewerking E. van Toledo,VLAK, gemeente Vlaardingen)

6

Inleiding


1. Inleiding N.L. Jaspers & Y. Eijskoot

Een toilet is een jonge uitvinding. In de 18e eeuw was men aangewezen op de beerput. Voor archeologen is zo’n put een kleine schat, want er verdween bijna een heel mensenleven in: voedsel- en kookafval, afgedankte huisraad, kledingstukken en andere gebruiksvoorwerpen. De archeologen van de gemeente Vlaardingen waren dan ook blij verrast toen ze in 2002 een beerput ontdekten langs de Havenstraat (locatie Galeiwerf). De put lag tussen de resten van de scheepswerf van de vooraanstaande Vlaardingse familie Cleywerff-De Zeeuw. Misschien liet Ariaantje haar zoon Dirk de visgraten van het avondmaal wel in de put gooien... Hoofdstuk 3 vertelt ons meer over de mogelijke gebruikers van deze beerput. Slechts één keer eerder is een Vlaardingse beerput volledig opgegraven en uitgewerkt, namelijk die van de laat 18e-eeuwse Herberg De Visscher, op de binnenplaats van ‘Het Waaigat’.1 De beerput van de scheepswerf langs de Havenstraat is de tweede onderzochte beerput in Vlaardingen en was in gebruik in de late 17e en vroege 18e eeuw. Het afval is afkomstig van de familie Cleywerff-De Zeeuw, die met hun kinderen op het erf woonden en tevens eigenaar van de scheepswerf waren, en van de ambachtslieden die op de werf schepen bouwden. Voor het eerst krijgen we via de voedselresten en afgedankte huisraad een beeld van het dagelijks leven van een typisch Vlaardingse scheepsbouwersfamilie in de decennia rond het jaar 1700.

Achtergrond bij het onderzoek Het archeologische onderzoek op de locatie Galeiwerf is onderdeel van een serie opgravingen door het Vlaardings Archeologisch Kantoor (VLAK) van de gemeente Vlaardingen langs de Vlaardingse Kortedijk, Havenstraat, Buizengat en langs de Oude Haven (fig. 1).2 In de 17e en 18e eeuw bouwden de Vlaardingers

1

Laan, 2003.

2

Eijskoot, in voorbereiding; De vindplaats betreft objectcode 1.102. De centrumcoördinaat van het opgravingsterrein is 83277/436461. Het onderzoek heeft Archis-waarnemingsnummer 408992.

hier schepen op talrijke scheepswerven.3 Ook op de locatie Galeiwerf was een scheepswerf gevestigd. Hier bouwde Dammes Leendertz. rond 1600 het eerste Nederlandse Galeischip “de Rode Galei”. De lokalisering en identificatie van deze werf was dan ook een van de belangrijkste vraagstukken van de opgraving. Dit staat echter los van het onderzoek naar de beerput, want deze is namelijk van jonger datum. De context van de beerput ligt, blijkens de inventaris, in de late 17e en het eerste kwart van de 18e eeuw. We zullen daarom in de lopende tekst vooral spreken van de beerput aan de Havenstraat, omdat de Galeiwerf bijna een eeuw eerder in bedrijf was dan dat de onderzochte beerput in gebruik was. In die tijd bouwde de familie Cleywerff hier namelijk hun schepen. ‘Locatie Galeiwerf’ is in deze rapportage alleen nog in gebruik als toponiem van de onderzoekslocatie. De gebruiksfase van de beerput is een interessante periode. Tot 1731 is het bezit van de nazaten van Dammes Leendertz, in dat jaar verkrijgt Dirk de Zeeuw de scheepswerf. De familie De Zeeuw bouwt er tot 1895 of 1896 schepen. De eigenaren en werknemers van de scheepswerf alsmede de bewoners van de omliggende panden en hun kinderen vormen de sociale en economische context van de beerput en de daarin gevonden objecten. Deze rapportage doet verslag van het onderzoek naar de complete inventaris van de Vlaardingse beerput uit de tweede helft van 17e en de eerste decennia van de 18e eeuw. Tijdens de opgraving in 2002 is al het materiaal uit de beerput en veel van de vulling verzameld en daarna gezeefd, gecatalogiseerd, gedroogd en tijdelijk opgeslagen in afwachting van het specialistische onderzoek. Dit onderzoek startte in januari 2013. Beerputten zijn zeldzaam in Vlaardingen en dit is pas de tweede beerput waarvan de inventaris volledig is beschreven.4

3

Het scheepsbouwverleden van dit gebied is uitvoerig beschreven door Matijs Struijs 1997.

4

De eerder beschreven beerput betreft die van herberg “De Visscher” in het stadshart (Laan 2003).


De beerputvullingen en hun datering De beerput aan de Havenstraat heeft een groot scala aan vondsten opgeleverd. De materiaalcategorieën die zijn vertegenwoordigd zijn aardewerk, glas, tabakspijpen, metaal, hout, textiel, leer, bewerkt bot, barnsteen en git, natuursteen, dierlijk botmateriaal, botanische resten en keramisch bouwmateriaal. In augustus 2012 is een deel van het vondstmateriaal uit de beerput gescand (kenmerk 0500.1/0517). De materiaalcategorieën aardewerk, keramisch bouwmateriaal, natuursteen en glas zijn gescand door Nina Jaspers (Terra Cotta Incognita). De conserveringstoestand van de kwetsbare materiaalcategorieën hout, leer, textiel en metaal is door Paul Schulten (ArcheoPlan) bekeken. Kinie Esser (ArcheoPlan Eco) onderwierp het dierlijk botmateriaal aan een scan. De kleipijpen en de botanische resten waren reeds door andere specialisten onderzocht (resp. J. van Oostveen en O. Brinkkemper). Doel van de scan was om de conserveringstoestand van de vondsten in kaart te brengen en de verdere onderzoeksmogelijkheden voor het vondstmateriaal te formuleren. Tijdens de scan van de vondsten bleek dat de kwetsbare materialen goed geconserveerd waren. Ook het aardewerk en glas was weinig gefragmenteerd en voor een belangrijk deel tot min of meer complete objecten terug te puzzelen. Daarnaast bleek dat een deel van de vondstnummers samengevoegd konden worden omdat er vele onderling passende scherven in de vondstnummers aanwezig waren. Na het samenvoegen van deze vondstnummers waren er drie verschillende vullingen in de beerput te onderscheiden. De gebruiksfase van de beerput leverde de bulk van het materiaal en bevat vondsten uit de tweede helft van de 17e eeuw en de eerste decennia van de 18e eeuw (Vulling A). Een kleine concentratie vondsten uit een tweede vulling stamt uit de tweede helft van de 18e eeuw (Vulling B). Ten slotte is de beerput definitief gedicht met voornamelijk bouwpuin van omstreeks 1800 (Vulling C). Tabakspijpen leveren de scherpste datering voor vondstcomplexen, omdat deze een snelle omlooptijd hadden en met behulp van makersmerken soms tot op wel vijf jaar nauwkeurig gedateerd kunnen worden. Uit de analyse van de kleipijpen is een nauwkeuriger datering tussen ca. 1715 en 1735 voor de gebruiksfase van de beerput (Vulling A) naar voren gekomen. Deze datering is met het meeste aardewerk en glas in overeenstemming, al bevindt zich daaronder ook een duidelijke component uit het derde en vierde kwart van de

17e eeuw. Vulling A van de beerput is daarom gedateerd op 1675/1715-1735. De kleine vondstconcentratie (Vulling B) dateert op basis van de kleipijpen tussen ca. 1775 en 1795, wat in overeenstemming is met het aardewerk. Ten slotte is tussen het bouwpuin waarmee de beerput definitief is dichtgegooid (Vulling C) een tabakspijp van na 1830 aangetroffen en twee borden die uit het laatste kwart van de 18e of het eerste kwart van de 19e eeuw stammen. Op basis van de combinatie van deze elementen is een datering in het tweede kwart van de 19e eeuw voor Vulling C aannemelijk. Een overzicht van de datering van de drie vullingen uit de beerput en de bijbehorende samengevoegde vondstnummers is weergegeven in tabel 1.

Materiaalspecialistische deelonderzoeken Naar aanleiding van de scan van het vondstmateriaal uit de beerput onder coördinatie van Terra Cotta Incognita besloot gemeente Vlaardingen, afdeling Archeologie tot vervolgonderzoek. Doel hiervan is het integraal uitwerken van de verschillende materiaalcategorieën uit de beerput en het integreren van de resultaten van de afzonderlijke deelrapportages in een synthese. Om het goed geconserveerde materiaal zo sprekend mogelijk te ontsluiten is gekozen voor een rijk geïllustreerde archeologische rapportage met een catalogus van aardewerk en glas, welke desgewenst (in een later stadium) ook tot publieksboek kan worden omgevormd. Speerpunt is om de historische gegevens en de verschillende materiaalspecialistische deelrapportages te integreren tot één geheel om zo dichter bij het dagelijks leven van zowel de eigenaren als de werklui van de scheepswerf te komen, een plek waar tevens hun kinderen speelden. De coördinatie van de uitwerking, het redigeren van de deelrapportages en het integreren van deze resultaten in een synthese is uitgevoerd door Nina Jaspers (Terra Cotta Incognita). Daarnaast schreef zij de deelrapportages aardewerk, keramisch bouwmateriaal, hout en metaal. Voor de uitvoering van de afzonderlijke deelonderzoeken is samengewerkt met vele materiaalspecialisten. Jaap Kottman voerde de glasanalyse en -rapportage uit en Marian Melkert de analyse en rapportage van het natuursteen. Kinie Esser (ArcheoPlan Eco) heeft de deelonderzoeken naar de kwetsbare materiaalgroepen gecoördineerd: de metaalconservering door Paul Schulten (ArcheoPlan), de houtdeterminatie door Silke Lange (Biax Consult), het textielonderzoek door Sandra Comis (Archeologisch

Tabel 1: De datering van de vullingen van de beerput S278 en de samengevoegde vondstnummers

vulling

datering

vondstnummers

Vulling A

1675/1715-1735

246, 291, 292, 441, 492, 493, 496, 498, 502, 503, 504, 505, 506, 507

Vulling B

1775-1795

490

Vulling C

1825-1850

484, 485

8

Inleiding


textiel) en de analyse en rapportage van het bewerkt bot en leer door Marloes Rijkelijkhuizen (Elpenbeen). Ook verzorgde Kinie Esser samen met Dick Brinkhuizen (Brinkkemper Archeobotanisch Bureau) de rapportage voor respectievelijk het dierlijk botmateriaal en de visresten. Yurie Eijskoot (VLAK, gemeente Vlaardingen) schreef mee aan deze inleiding (hoofdstuk 1) en is de auteur van de hoofdstukken met de spoor- en structuurbeschrijving (hoofdstuk 2) en de historische achtergrond (hoofdstuk 3). Daarnaast stuurde hij het onderzoek aan naar de archiefstukken door Erika Verloop (stadsarchief gemeente Vlaardingen), de visualisatie van de archeologische opgraving door Eli van Toledo (VLAK, gemeente Vlaardingen), de botanische resten door Otto Brinkkemper (Brinkkemper Archeobotanisch Bureau) en de tabakspijpen door Jan van Oostveen (Specialistic Archaeologic Research).

Restauratie, tekenwerk en fotografie De ca. 2500 scherven aardewerk en glas zijn gepuzzeld en gelijmd door Nina Jaspers, Jaap Kottman en Allard van Helbergen. Vervolgens zijn de min of meer complete voorwerpen gerestaureerd en aangevuld met gips door Erik Kieft (De Verloren Scherf). Paul Crucq (Paul Crucq - Fotografische Vormgeving) heeft de fotografie van vrijwel alle materiaalcategorieën verzorgd.5 In de deelrapportages en de catalogus betreft dit technische, helder belichte foto’s op schaal. In de synthese is er echter voor gekozen om ook in de fotografie de integrale aanpak door te voeren, waarbij het onderzoek naar het aardewerk, glas, tabakspijpen, hout, metaal, leer, textiel, natuursteen en de botanische en zoölogische resten als leidraad gold. Dit heeft zich geuit in schilderachtige stillevenfoto’s waarbij vondsten uit de beerput zijn gecombineerd met vers fruit en verse vissoorten waarvan de pitten, pollen en graten in de beerput zijn aangetroffen. De stijl, belichting en achtergrond van de stillevenfoto’s is geïnspireerd op het werk van de schilder Adriaen Coorte, die in dezelfde periode werkzaam was als de gebruiksfase van de beerput. De objecttekeningen zijn vervaardigd door Nina Jaspers (aardewerk), Jaap Kottman (glas) en Marloes Rijkelijkhuizen (leren schoen).

Engelse samenvatting Bijzondere dank gaat uit naar het vertalen van de samenvatting naar het Engels (p. 191) door Krijn van der Hoofd en het redigeren hiervan door native speakers prof. dr. James Symonds (Universiteit van Amsterdam) en Gavin Williams (ADC ArcheoProjecten).

5

De tabakspijpen zijn gefotografeerd door de auteur van de deelrapportage zelf, Jan van Oostveen.

Onderzoeksvragen Aan de deelonderzoeken naar de verschillende materiaalcategorieën (hoofdstuk 4) liggen dezelfde onderzoeksvragen ten grondslag. Het beantwoorden van deze onderzoeksvragen geschiedt per afzonderlijke vulling van de beerput. De onderzoeksvragen zijn: • • • • • • • • •

Wat is de datering van de vondsten? Welke functiegroepen zijn er onder de vondsten aanwezig? Zijn er vondsten die wijzen op ambachtelijke activiteit? Hoe past het materiaal in de bestaande typochronologieën? Welke voedingsgewoonten zijn er uit de vondsten af te leiden? Zijn er uitspraken te doen over gezondheid en hygiëne van de gebruikers? Op welke handelsnetwerken waren de bewoners aangesloten en hoe verhouden de lokale/regionale vondsten zich ten opzichte van de importen? Welke sociaaleconomische positie van de bewoners kan uit het de vondsten worden afgeleid? Wat zeggen de vondsten over de tafel- en huishoudcultuur van de gebruikers?

Opbouw deelrapportages De deelrapportages van materiaalspecialismen volgens indeling: • • • • • • •

de afzonderlijke steeds een zelfde

Inleiding Datering Methodiek Vulling A Vulling B Vulling C Conclusie

Omdat de afzonderlijke materiaalcategorieën los van elkaar daterende elementen verschaffen, zijn deze per materiaalcategorie apart vermeld. De inhoud van de genoemde vullingen A t/m C worden steeds apart besproken. De synthese (hoofdstuk 5) beantwoordt vervolgens de onderzoeksvragen, waarbij de resultaten van de afzonderlijke deelonderzoeken in hun samenhang zijn geïntegreerd. Dan volgt een vergelijking van deze resultaten met een selectie andere beerputten, zowel in Vlaardingen zelf als in andere steden die een connectie hebben met de scheepvaart. Op deze wijze plaatst het de resultaten van dit intieme kijkje in het dagelijks leven van de bewoners van de familie Cleywerff en de ambachtslieden aan de Havenstraat in Vlaardingen in een breder kader. De synthese sluit af met een samenvattende conclusie waarin in vogelvlucht de belangrijkste resultaten van dit onderzoek de revue passeren.

Inleiding

9


Fig. 2: Een reconstructie van de opgegraven bebouwing in de 17e t/m 20e eeuw (Eijskoot, in voorbereiding). De onderzochte beerput is weergegeven als rode stip (S278) links van de mogelijke loods in fase 3d (1700-1750), maar het is niet uitgesloten dat deze al in de tweede helft van de 17e eeuw is aangelegd. De gereconstrueerde bebouwing rechts van de loods is gelegen op perceelnrs. B-72 en B-73.

10

Ligging, spoor- en structuurbeschrijving


2. Ligging, spoor- en structuur-​ beschrijving Y. Eijskoot

In de 17e en 18e eeuw is de locatie Galeiwerf bebouwd met uit steen opgetrokken panden. De beerput (S278) ligt bij een pand dat aanzienlijk dieper is dan de overige opgegraven panden op het terrein (fig. 2). De fundamenten van dit pand zijn zwaarder dan die van de woonhuizen. Het was mogelijk een loods van de werf. De projectie van de fundamenten (in rood) op de wijkkaart van 1847 bevestigt dit (fig. 3). De fundamenten van de mogelijke loods maakten onderdeel uit van perceel

B-76, deels gelegen aan de Havenstraat maar dit perceel strekte zich uit achter de vele kleinere percelen die eveneens aan de rooilijn van de Havenstraat gelegen waren. De kaart verbeeldt echter een situatie die 150 jaar jonger is dan de beerput. In die zin is er veel meer mogelijk. De perceelnrs. B-74 en B-75 liggen ook dichtbij en naar alle waarschijnlijkheid hebben hierop destijds ook huizen met erf gestaan. Hiervan is archeologisch echter niks teruggevonden omdat dit deel

Fig. 3:Wijkkaart 1847 (B) met daarop de resten van de mogelijke loods en de beerput S278 geprojecteerd in rood.

Ligging, spoor- en structuurbeschrijving

11


Fig. 4: Beerput (S278) met beerlagen (foto VLAK, inv. nr. 2002.107.13)

12


van het terrein reeds is verstoord tijdens de aanleg van een machinefabriek tussen 1895 en 1903. De beerput lag dus achter de percelen B-74 en B-75 en kan in de 17e of 18e eeuw daarom ook vanuit deze percelen zijn gebruikt. De families die de betreffende percelen in de 18e eeuw bezaten en soms ook bewoonden zijn het onderwerp van hoofdstuk 3.6 De bebouwing van de locatie begint snel na de egalisatie van het voorterrein. Het eerste pand is vermoedelijk al vroeg in het tweede kwart van de 17e eeuw gebouwd. In de tweede helft van de 17e eeuw volgen nog twee panden. In de eerste helft van de 18e eeuw ontstaat uit het oudste pand een groter pand. In het aangrenzende perceel is een smaller maar dieper pand opgetrokken. De in de reconstructietekening gesuggereerde ouderdom van dit gebouw in de eerste helft van de 18e eeuw is afgeleid van de tabakspijpen in de beerput. De beerput lijkt vanwege haar ligging een relatie te hebben met dit pand. Het aardewerk en glas in de beerput wijst echter op een vroegere startdatum van de vulling van de beerput, mogelijk reeds in het derde kwart van de 17e eeuw. Het pand kan dus net als de beerput al in de tweede helft van de 17e eeuw zijn gebouwd. Zeker is dit niet. Daarom is in de periodestrip een aanleg in de eerste helft van de 18e eeuw aangehouden. Tijdens de laatste bouwfase in de tweede helft van de 18e eeuw worden twee bestaande panden aangebouwd. In de 19e eeuw treden geen wezenlijke veranderingen in de bebouwing meer op. De beerput is vrijwel compleet overgeleverd. De oorspronkelijke koepel was afgebroken, maar de koker was nog grotendeels intact. Van de koker resteerde twee meter aaneengesloten opgaand metselwerk. De koker staat op een uit houten planken samengestelde plaat. Deze sloot de put aan de onderzijde af. De koker was maximaal 1,80 meter breed en voor ruim de helft dichtgestort met puin (Vulling C: 1825-1850). De beerlaag (Vulling A: 1675/1715-1735) zat vol met afgedankte gebruiksvoorwerpen (fig. 4). Ook de organische bestanddelen, o.a. bestaande uit hout, textiel, etensresten en ontlasting, waren daarin goed geconserveerd. Een tussenliggende fase (Vulling B: 1775-1795) is in het veld niet waargenomen, maar kon op basis van de onder die specifieke vondstnummers verzamelde keramiek en tabakspijpen in het laatste kwart van de 18e eeuw gedateerd worden.

6

Dit onderdeel van het onderzoek is tot stand gekomen in samenwerking met het stadsarchief Vlaardingen.

Ligging, spoor- en structuurbeschrijving

13


3. Historische gegevens Y. Eijskoot

Inleiding Archiefonderzoek is in feite de enige ingang om met enige zekerheid achter de namen en achtergronden van de eigenaar(s) van de beerput te komen.7 Voorwaarde hierbij is dat de beerput te relateren is aan panden op een kadastrale kaart. Voor de Vlaardingse situatie is dit de wijkkaart van 1847 (fig. 3, p. 11). De kadastrale gegevens stellen ons in staat terug in de tijd te gaan, naar de gebruiksfase van de beerput. Op basis van deze uitgangspunten zijn de potentiĂŤle eigenaars te vinden in relatie tot het huis en erf op perceel B-74 (kad.nr. A-60) en het huis en erf op perceel B-75 (kad.nr. A-59). De documenten met betrekking tot deze percelen vermelden meestal alleen de pandeigenaren. Dit zijn lang niet altijd de bewoners of gebruikers. Deze blijven helaas vaak onvermeld en daardoor onbekend. In de tijd dat de beerput in gebruik was zijn deze panden eigendom van respectievelijk de familie van Leeuwen (1664-1733) en van de familie Cleywerff-De Zeeuw (tot 1731). Deze families lijken de meest waarschijnlijke eigenaars van het materiaal in de beerput.

Archivalia Huis en erf op perceel B-74, kad.nr. A-60 Dit erf is vroeg in de 17e eeuw ingericht door Dammis Leendertszn. Cleywerff, de scheepsmaker van de Rode Galei, en in 1615 door hem verkocht aan ene Jan Oom. Hierna komt het tot 1832 niet meer in bezit van een Cleywerff of een De Zeeuw. Ook de eigenaren van dit pand bezaten meer huizen en erven, meestal in de directe omgeving zoals langs de Hoogstraat of de Kortedijk. In de 18e eeuw zijn de eigenaars mensen met beroepen als zeeman, stuurman, mr. timmerman, mandenmaker of meelverkoper. Deze mensen zijn minder welgesteld dat de eigenaren van de scheepswerf. Van 1695-1733 is het pand eigendom van de familie Van Leeuwen. Simon Corneliszn. van Leeuwen, zeeman en later mandenmaker. Hij koopt het pand van Maertje Pietersdr. Kagenaer, weduwe van Jochem Janszn.,

7

Archiefonderzoek naar de bewoners van de hier besproken percelen is uitgevoerd door Erika Verloop (Stadsarchief gemeente Vlaardingen).

ook een zeeman. Na het overlijden van Simon en zijn vrouw in achtereenvolgens 1707 en 1715 gaat het pand naar hun zoon Simon Simonszn. (1694-1732?), dan ca. 21 jaar oud. Hij erft in 1722, van zijn broer, ook een huis met erf aan de Hoogstraat. Dit was eens van hun ouders. Simon woont hier tot zijn dood in 1732 of ‘33, toen hij met een schip is vergaan op de Maas. Dit doet vermoeden dat hij tot 1722 in het pand langs de Havenstraat opgroeide en na het heengaan van zijn ouders zelfstandig woonde. Simon Simonszn. is daarom te beschouwen als een mogelijk eigenaar van ten minste een deel van de beerputinventaris. De nieuwe bewoners van dit pand, tussen 1722-1733, blijven onbekend. Simons weduwe verkoopt het huis en erf aan de Havenstraat aan Jacob Huijgenszn. van der Krans. Zijn zoon, Arij Jacobszn. verkoopt het pand in 1765 aan Jan Mooijman. Deze Jan bezit het pand maar kort. Ook is het onwaarschijnlijk dat hij er woonde. Hij bezat meer huizen met erf. In 1770 verkoopt hij het pand aan zijn verwant Cornelis Gerritszn. van der Struijs. Twee jaar later verkoopt hij deze man nog een huis en erf gelegen aan de westzijde van de Kortedijk. Perceel B-74 wordt pas in 1801 weer verkocht. Ook dit pand lijkt een groot deel van de 18e eeuw te zijn verhuurd en bewoond door mensen die niet naar voren komen uit de archieven. Huis en erf op perceel B-75, kad.nr. A-59 Dit huis en erf is tot januari 1731 onderdeel van de veel grotere scheepswerf van de familie Cleywerff. Op 26 januari 1731 koopt Ariaantje Dammisdr. Cleywerff (1674-1753), weduwe van Cornelis Harperszn. de Zeeuw deze werf van haar broer. Enkele dagen later verkoopt ze het pand op perceel B-75 aan Jan de Gorter. Dit is de oudste vermelding die specifiek betrekking heeft op perceel B-75. Het pand bleef echter in de familie. Jan was namelijk familie van haar overleden man en getrouwd met Annetje Pietsdr. de Kater, een dochter van haar zus. In 1749 hertrouwt Annetje. Haar nieuwe echtgenoot, Frans Abrahamszn. Stam, was bovendien eerder getrouwd met de in 1748 overleden


Aagje Cornelisdr. de Zeeuw. Dit kan ook een verwant zijn geweest. Ongeacht deze verhouding koopt Dirk de Zeeuw in 1766 het pand terug van Frans Abrahamszn. Stam. Vervolgens blijft het pand tot 1895/6 in bezit van de nazaten van Dirk.

toenmalige eigenaars van de werf wilde wonen. Het is dus goed mogelijk dat een aanzienlijk deel van de inventaris van de beerput van Dirk de Zeeuw en zijn directe familie was.

Conclusie

Dit brengt het beerputonderzoek wel heel dicht bij de geschiedenis van de scheepswerf. Het zijn zeer vooraanstaande figuren in de geschiedenis van de onderzoekslocatie Galeiwerf. Bij deze conclusie past echter enig voorbehoud. Tot rond 1800 zijn voor de panden rond de beerput alleen de eigenaren vermeld. Het is allerminst zeker dat deze mensen het pand ook bewoonden. Van Dirk en Simon is bekend dat ze ook elders langs de Havenstraat en in de stad panden en erven bezaten. Voorts is zeker dat de nazaten van Dirk het pand na 1801 verhuurden. Mogelijk deden de ouders van Dirk en Simon dit ook al en zijn beide mannen ergens anders geboren en opgegroeid. Het is daardoor niet met zekerheid te bepalen wie er in de 18e eeuw woonden.

Uit het archiefonderzoek komen Dirk Corneliszn. de Zeeuw, Simon Simonszn. van Leeuwen en hun ouders (resp. Simon Corneliszn. van Leeuwen en zijn vrouw en Ariaantje Dammisdr. Cleywerff, weduwe van Cornelis Harperszn. de Zeeuw) als meest aannemelijke eigenaars van de beerput naar voren. Het is verleidelijk om huis B-75 en bijbehorend erf te beschouwen als het geboortehuis van Dirk de Zeeuw. Zijn vader was stuurman en veel op zee. Het is denkbaar dat zijn moeder Ariaantje graag dicht bij haar broers, de

Opmerkelijk en vermeldenswaardig is dat de sluitdatum van de beerput op basis van de tabakspijpenanalyse op omstreeks 1735 is gesteld. Deze datum ligt dichtbij het jaar 1731 waarop zoals we gelezen hebben een groot deel van het terrein van eigenaar is veranderd. Wellicht is bij de verkoop van het terrein en de panden ook de beerput in onbruik geraakt. Het is een aantrekkelijke gedachte om de archeologische resten op deze manier aan de historisch bekende gegevens te koppelen. Zeker zullen we dit helaas echter nooit weten.

Werfcomplex op perceel B-76, kad.nr. A-58 Op 26 januari 1731 bestaat de scheepswerf van de familie Cleywerff uit twee huizen met erven, twee schuren, een helling en een scheepstimmerwerf met gereedschap. De beerput behoort ongetwijfeld tot deze bezittingen. Ariaantje Dammisdr. Cleywerff koopt deze dag de werf van haar broer. Dit deed ze voor haar zoon Dirk Corneliszn. de Zeeuw (1711-1798). Ook perceel B-77 (kad.nr. A-57) was onderdeel van deze koop. In de akten over de werf is geen nader onderscheid gemaakt in gebouwen. Er zijn daardoor geen specifieke feiten te koppelen aan de beerput.

Historische gegevens

15


4. De vondsten N.L. Jaspers (red.)

Aardewerk: gebruikelijk gemeengoed (N.L. Jaspers) Inleiding In totaal zijn er 986 scherven gebruiksaardewerk verzameld tijdens het uitgraven van de beerput, allemaal afkomstig uit de nieuwe tijd. De oudste fragmenten stammen uit het derde kwart van de 17e eeuw en de jongste van rond 1800. Het huishoudelijke aardewerk uit de beerput is in drie verschillende vullingen aangetroffen, waarbij de overgrote meerderheid van het materiaal afkomstig is uit Vulling A, oftewel de onderste en tevens gebruiksfase van de beerput (tabel 2). Vulling B ligt daar stratigrafisch boven en bevat aanzienlijk minder fragmenten. Uit Vulling C, de bovenste laag van de beerput die de put definitief heeft afgedekt, is voornamelijk keramisch bouwmateriaal verzameld met daartussen enkele fragmenten gebruiksaardewerk. Tabel 2 geeft een overzicht weer van de keramische inhoud van de verschillende vullingen en de datering per vulling. Hierin is af te lezen: het totaal aantal scherven, het Minimum Aantal Exemplaren en een schatting van het aantal potindividuen op basis van de randpercentages (i.e. Estimated Vessel Equivalents, afgekort EVE’s). Ook is in de tabel de aardewerkdatering weergegeven, gebaseerd op de omlooptijd van de keramiek. Daarnaast zien we de contextdatering van de depositie van de vullingen zelf, welke op basis van de tabakspijpenanalyse verder is aangescherpt. Het aardewerk is goed geconserveerd, veel van de passende fragmenten zijn tot min of meer complete stukken terug te puzzelen, wat een Minimum Aantal Exemplaren (MAE) van 165 opleverde. Op basis van de randpercentages komen we op een schatting van 85,7 potindividuen (i.e. Estimated Vessel Equivalents of EVE’s). Het verschil tussen het MAE van

165 en de EVE’s van 85,7 is te verklaren doordat er naast de vele relatief complete stukken ook een flink aantal incomplete stukken aanwezig zijn onder de vondsten. Een randpercentage van vijf procent van één bord zonder verdere passende scherven telt immers wel als één exemplaar. Datering Vulling A De oudste vondst uit Vulling A heeft een productiedatum in het eerste kwart van de 17e eeuw, en betreft een fragment van een steengoed kan uit Raeren. Daarnaast zien we enkele vondsten met een productiedatum in het derde kwart van de 17e eeuw, zoals twee Frechense baardmankruiken en enkele faience borden. Daarnaast zien we in Vulling A ook een paar keramische voorwerpen uit het laatste kwart van de 17e eeuw en vooral uit de eerste helft van de 18e eeuw. Er zijn in Vulling A geen gidsfossielen aangetroffen die wijzen op een datering na 1750, zoals industrieel witbakkend aardewerk. Het is het meest aannemelijk dat de 18e-eeuwse voorwerpen uit de eerste decennia van die eeuw stammen. We weten niet hoe lang de voorwerpen in omloop zijn geweest voordat ze in de beerput belandden, maar de tabakspijpenanalyse heeft een vrij scherpe datering opgeleverd voor Vulling A tussen ca. 1715 en 1735 (§ Tabakspijpen, p. 47). Voor een deel van de keramiek komt deze datering overeen, maar voor de 17e-eeuwse voorwerpen is deze datering duidelijk te laat. Wegens het vrijwel volledig ontbreken van kleipijpen uit de 17e eeuw gaan we er van uit dat

Tabel 2: Keramische inhoud per vulling en aardewerk- en contextdatering.

Vulling

n

MAE

EVE's

Aardewerkdatering

Contextdatering

Vulling A

958

132

46,95

1625-1725/1750

1675/1715-1735

Vulling B

18

31

3,85

1750-1800

1775-1795

Vulling C

10

2

0,7

1775-1850

1825-1850

Totaal

986

165

85,7 De vondsten - Aardewerk

17


het segment 17e-eeuws gebruiksaardewerk erg lang in gebruik is geweest, toch zeker enkele decennia tot een halve eeuw. Een andere verklaring voor het verschil in daterin is dat er een oudere fase in de beerput aanwezig is, een fase waarin er niet werd gerookt, en waarvan een restant in de beerput is achtergebleven na het periodieke legen van de beerput. Vulling B Het gebruiksaardewerk uit Vulling B is voor een deel niet nauwkeuriger dan in de 18e eeuw te dateren. De oudste vondst stamt uit de eerste decennia van de 18e eeuw, een kopje van Chinees porselein dat we kennen als zeemleergoed. We zien in Vulling B echter ook enkele fragmenten van industrieel wit aardewerk, een aardewerksoort dat zeker van ná 1750 dateert. Ook is er een stuk polychroom beschilderde faience aangetroffen dat uit de tweede helft van de 18e eeuw stamt. De tabakspijpenanalyse suggereert een datering tussen 1775 en 1795, wat in overeenstemming is met het aardewerkassemblage uit Vulling B, maar dat deze datering verder aanscherpt. Vulling C Vulling C bevat slechts de restanten van één roodbakkend bord van zogeheten Frankfurter waar, welke dateert uit het laatste staartje van de 18e eeuw of de eerste decennia van de 19e eeuw. De kleipijpenanalyse leverde een terminus post quem van 1830. De contextdatering is daarom vastgesteld op 1825-1850. Methodiek Het gebruiksaardewerk is uitputtend gepuzzeld, geplakt en gerestaureerd. Het puzzelen en plakken is uitgevoerd door de auteur in samenwerking met Allard van Helbergen. De restauratie is uitgevoerd door Erik Kieft. Om de vondsten die tijdens de opgraving Vlaardingen, locatie Galeiwerf in de beerput S278 zijn verzameld te kunnen vergelijken met vondsten die elders in ons land tevoorschijn kwamen en nog zullen komen, is het noodzakelijk dat ze typologisch op een standaardwijze worden ingedeeld en beschreven. Om tot een dergelijke standaard te komen, is in 1989 het zogeheten Deventer Systeem geïntroduceerd.8 De doelstellingen van dit systeem zijn meervoudig. Enerzijds kunnen met behulp van dit instrument op een snelle en eenvoudige wijze laat- en postmiddeleeuwse voorwerpen van glas en keramiek worden ingedeeld en beschreven. Anderzijds ontstaat door deze manier van werken gaandeweg een steeds groter wordende referentiecollectie voor de beschrijving van vondstgroepen uit de genoemde periodes. Daarnaast kan op basis van de aan dit systeem gekoppelde inventarislijsten van de beschreven vondstgroepen statistisch onderzoek worden verricht naar het bij de diverse sociale lagen behorende aardewerken en glazen bestanddeel van het huisraad. Zo kunnen bijvoorbeeld regionale verschillen in kaart worden gebracht. Op dit

8

Clevis & Kottman 1989.

moment bestaat al een aanzienlijke reeks van aan deze standaard gekoppelde publicaties.9 Ook het materiaal uit de Vlaardingse beerput S278 is volgens het Deventer Systeem gedetermineerd. De classificatie van aardewerk en glas met behulp van het Deventer Systeem volgt een vast stramien. Eerst worden de keramiek- en glasvondsten per vondstcontext naar de daarin voorkomende baksels/ materiaalsoorten uitgesplitst. Vervolgens worden per baksel of materiaalsoort (glas) codes toegekend aan de individuele objecten. Op basis hiervan wordt een tellijst van het minimum aantal exemplaren (MAE) samengesteld of vindt een schatting van het aantal potindividuen plaats op basis van de bewaard gebleven randpercentages (Estimated Vessel Equivalents of kortweg EVE’s). Voor de Vlaardingse beerput is gekozen om beide methodes te gebruiken, zodat de resultaten met zoveel mogelijk andere onderzoeken zijn te vergelijken. Beide kwantificeringen zijn in de tabellen en bijlagen terug te vinden. Omwille van de leesbaarheid van de lopende tekst spreken we daarin alleen van het Minimum Aantal Exemplaren. In bijlage 1.1 is per vulling van de beerput een tellijst van het aardewerk én glas opgenomen met het MAE en het aantal scherven per deventersysteemtype (§ Glas: p. 40). De aan de verschillende voorwerpen toegekende codes bestaan uit de drie volgende elementen: het baksel of de materiaalsoort (glas), het soort voorwerp en het op dat specifieke model betrekking hebbende typenummer. In bijlagen 1.2 en 1.3 is respectievelijk de verklaring van de gebruikte afkortingen voor de baksels en het soort voorwerp opgenomen. Zo krijgt een pispot van roodbakkend aardewerk de codering: r(oodbakkend aardewerk)-pis(pot)-, gevolgd door een typenummer (bijv. r-pis-5). Dit typenummer is uniek voor een bepaalde vorm. Wanneer een model nog niet eerder is beschreven, krijgt het een nieuw typenummer dat vervolgens in een centraal bestand wordt opgenomen.10 Door middel van de aan de voorwerpen toegekende codes kunnen deze vergeleken worden met soortgelijke objecten die eerder binnen het Deventer Systeem zijn gepubliceerd. Naast de inventarislijst is een representatieve selectie van (archeologisch) complete voorwerpen en bijzondere fragmenten opgenomen in een catalogus, die eveneens een standaard indeling heeft. De catalogus voor aardewerk en glas is ingedeeld naar de afzonderlijke vullingen van de beerput en daarbinnen weer naar baksel, vorm en type (bijlage 2).

9

Bitter, Ostkamp & Jaspers, 2012, 9-14.

10

De centrale database achter het Deventer-systeem wordt beheerd door de Stichting Promotie Archeologie (SPA) in Zwolle.


zoals borden, papkommen, kopjes, plooischotels etc. ‘Bereiding en tafelgerei’ is de grootste functiegroep uit de beerput, iets meer dan de helft van de voorwerpen valt hieronder (52%). Onder ‘Kookgerei’ (9%) verstaan we de voorwerpen die voor de warme bereiding van voedsel zijn gebruikt, zoals steelkommen, grapen, etc. ‘Opslag en schenkgerei’ (7%) behelst vooral potten en kannen. ‘Persoonlijke hygiëne en verzorging’ (3%) bestaat uit zalfpotten en pispotten. Onder de functiegroep ‘Speelgoed’ (2%) vallen in Vulling A van de beerput alleen knikkers. De groep ‘Verwarming en verlichting’ (13%) bestaat uit komforen, vuurtestjes, kooltjespannen, doofpotdeksels, etc. Ten slotte is er nog een deel niet op functie te determineren (‘Indetermineerbaar’, 17%).

s2 4% f 26%

r 51%

m 8% w 11%

Fig. 5: Beerput S278,Vulling A, bakselverdeling (MAE=130)

Vulling A Vulling A uit de beerput bevatte minimaal 130 exemplaren (969 scherven). Onder de keramische voorwerpen zijn in totaal vijf verschillende postmiddeleeuwse bakselgroepen te onderscheiden, waarvan de onderlinge verhouding is weergegeven in fig. 5. Met de klok mee zien we geglazuurd steengoed (s2), roodbakkend aardewerk (r), witbakkend aardewerk (w), majolica (m) en faience (f). Roodbakkend aardewerk vormt veruit de grootste groep, gevolgd door faience, witbakkend aardewerk, steengoed en majolica. Deze keramische vondsten bestaan vooral uit in verschillende regio’s van Nederland vervaardigd aardewerk (Friesland, Oosterhout, Bergen-op-Zoom, Nederrijns gebied, Delft, Gouda), maar er is ook een kleine groep geïmporteerd materiaal aanwezig (geglazuurd steengoed uit het Duitse Rijnland rond Keulen). Functiegroepen Het aardewerk uit de beerput aan de Havenstraat is onderverdeeld in zes functiegroepen en een groep ‘indetermineerbaar’ (fig. 6). Onder de functiegroep ‘Bereiding en tafelgerei’ scharen we zowel de voorwerpen voor de koude bereiding van voedsel, zoals kommen, potten en grapen, als de objecten om voedsel en dranken in op te dienen of te presenteren,

Steengoed (s2) De productie van geglazuurd steengoed is gestart in het Duitse Rijnland rond 1300 en loopt door tot op heden. De producten zijn meestal via de stad Keulen over de Rijn naar onze contreien vervoerd. Daarnaast is er in de regio van Aken in het huidige België geglazuurd steengoed vervaardigd dat via de Maas naar West-Nederland werd getransporteerd. In Vulling A van onze Vlaardingse beerput behoort 9% van de voorwerpen tot het geglazuurde steengoed (fig. 5, s2), dit zijn in totaal vijf exemplaren. We zien het steengoed vooral onder het ‘Opslag en schenkgerei’, maar ook onder het ‘Sanitair’. Nabij Aken, in het huidige België, is de productieplaats Raeren (1500-1630) gelegen, waarvandaan de producten via de Maas naar het noorden en westen werden getransporteerd. De kannen uit Raeren hebben een karamelkleurig glazuur en vaak verticale ribben op het lichaam in combinatie met decoraties bestaande uit allerlei soorten appliques en soms met kobaltkleurige decoratie. Er is één fragment van een dergelijke Raerense kan in de beerput gevonden, en dit is ook de oudste vondst uit de beerput. Dit incomplete fragment heeft eveneens een decoratie met kobaltoxide en dateert uit het tweede kwart van de 17e eeuw.

80 70 60 f

50

m

40

w

30

r

20

s2

10 0

Bereiding en tafelgerei

Kookgerei

Opslag en schenkgerei

Speelgoed

Verwarming en verlichting

Persoonlijke hygiëne en verzorging

Indetermineerbaar

Fig. 6: Beerput S278,Vulling A: Absolute verdeling van het Minimum Aantal Exemplaren per bakselgroep over de functiegroepen (MAE=130).

De vondsten - Aardewerk

19


De plaatsen uit het Duitse Rijnland waarvan we producten in de beerput hebben aangetroffen, zijn Frechen (productief: 1540-1700) en het Westerwald (productief: 1600-heden). Deze centra maken producten die op het oog goed van elkaar te onderscheiden zijn. Daarnaast is er nog één fragment van een kan verzameld die te incompleet is om op herkomst te duiden. Twee Frechense kannen uit de beerput zijn baardmankruiken van het type s2-kan-32, voorzien van zoutglazuur en een donkerbruine ijzerengobe met pantermotief. Hiervan is er één vrijwel compleet bewaard gebleven (cat. 1). De s2-kan-32 is een bolle kan met een schouder die overgaat in een hoge hals met een geribbelde kraagrand, op een standvlak. Baardmankruiken danken hun naam aan de applique van een bebaarde man die op de voorzijde tegenover het oor is aangebracht. De twee kannen zijn te dateren in het derde kwart van de 17e eeuw en werden gebruikt als schenkgerei voor het nuttigen van bier en wijn. Uit de kleinere exemplaren dronk men ook wel rechtstreeks. De gebruikers van de beerput in Vlaardingen lijken vooral bierdrinkers geweest te zijn, zo blijkt uit de analyse van de glasvondsten (zie ook fig. 116).

De voorwerpen uit het Westerwald hebben een grijs oppervlak met vaak fraai uitgewerkte reliëfdecors, waarover een transparant zoutglazuur en kobaltblauwe decoratie is aangebracht. In Vlaardingen is uit het Westerwald alleen een voorwerp uit de categorie ‘sanitair’ in de beerput beland: één relatief complete pispot van het type s2-pis-2 (cat. 2). Dit is een tonvormige pispot met een naar buiten geknikte rand met dekselgeul en een standvlak.11 Deze vorm is een imitatie van metalen voorbeelden. Op een kwart afstand van het oor zijn op de buik twee reliëfappliques aangebracht in de vorm van een rozet. Aan de voorzijde, tegenover het oor, zien we een drinkebroer met een flink glas in de hand met rondom hem een spreuk (fig. 7). Deze spreuk is helaas slechts deels te lezen, het eerste woord is onduidelijk. De resterende spreuk luidt: “[...] ER DRINKT UND DOCH KEINEN WEIN”. Soms werden op pispotten profane of spottende afbeeldingen en rijm aangebracht, wat hier ook het geval lijkt te zijn. Aan weerszijden hiervan zien we een klauwende leeuw. Een vergelijkbaar model, maar dan iets gedrongener, is bekend uit Duisburg met daarop het jaartal 1677. In een context in het Engelse Norwich gedateerd 1725-1775 komt een identiek exemplaar voor.12

Fig. 7: Reliëfapplique van een drinkebroer met twee klauwende leeuwen op een Westerwaldse pispot (s2-pis-2), ca. 1650-1700.

20

De vondsten - Aardewerk

11

Gaimster, 1997, 125.

12

Gaimster, 1997, 95.


Roodbakkend aardewerk (r) Het roodbakkende aardewerk is de meest gebruikte bakselgroep door de bewoners aan de Havenstraat, het behelst 51% van de voorwerpen uit Vulling A van de beerput (fig. 5, r). Dit zijn in totaal minimaal 67 voorwerpen (424 scherven). Vanaf de Late Middeleeuwen tot ver in de 17e eeuw huisvestte (vrijwel) iedere plaats van enige betekenis zijn eigen pottenbakkers van roodbakkend aardewerk. Deze pottenbakkers produceerden vooral voor de lokale stedelijke markt. Via de in de steden gehouden jaar-, week- en dagmarkten, maar ook via handelaren, raakten deze producten ook verspreid over het omringende platteland. De voorwerpen zijn in tegenstelling tot de laatmiddeleeuwse periode vrijwel volledig geglazuurd. De meeste roodbakkende producten zijn ongedecoreerd, maar voorwerpen met slibversiering komen ook voor. In de tweede helft van de 17e eeuw vindt een concentratie plaats van de productie van roodbakkend huishoudelijk aardewerk. Enkele productieregio’s, zoals Bergen op Zoom, Oosterhout, Gouda, Friesland en het Nederrijnse gebied specialiseren zich in toenemende mate op dit segment van de aardewerkmarkt. Lokaal geproduceerd aardewerk dat alleen een lokale/regionale verspreiding kent, verdwijnt in dit proces vrijwel volledig. In West-Brabant groeien productiecentra als Bergen op Zoom en Oosterhout uit tot de belangrijkste leveranciers van eenvoudig gebruiksaardewerk in onze streken. Daarnaast voorzien Gouda en Friesland in een groot deel van de landelijke vraag. Hoewel deze productieregio’s vergelijkbare producten vervaardigden, maken de stijlkenmerken van de afzonderlijke productiecentra het in sommige gevallen mogelijk de afzonderlijke producten aan de verschillende herkomstgebieden toe te wijzen. Uit het Nederrijnse gebied komen meer gespecialiseerde producten, voornamelijk borden, die met behulp van een ringeloor van een eenvoudige slibdecoratie zijn voorzien. Het vormenscala van het roodbakkend aardewerk is de meest uitgebreide van alle bakselgroepen. De roodbakkende vormen die in Vlaardingen zijn aangetroffen komen dan ook voor in alle functiegroepen.

cirkels aangebracht met daaroverheen een slingerlijn in groen glazuur en een witte ongeglazuurde rand. Dit is één van de meest voorkomende borden en type versieringen in de latere 17e en de eerste helft van de 18e eeuw. De andere vier Nederrijnse borden waren vooral in omloop in de 18e eeuw en zijn van het type r-bor-10, een diep bord met een platte bodem en een verdikte rand met lip aan de binnenzijde, waarvan er drie in de catalogus zijn opgenomen. Deze borden van het type r-bor-10 zijn een slag kleiner dan de r-bor-7, de diameters variëren tussen de 18 en 19,5 cm. Twee van de borden zijn voorzien van een vlakdekkende witte sliblaag en een radstempelversiering met daaroverheen een rode slingerlijn in de ringeloortechniek (cat. 4 en 5). Het derde bord is versierd met witte slibspatten en kleine accenten in een groen loodglazuur (cat. 6 en fig. 8). Alle Nederrijnse borden zijn alleen aan de binnenzijde van een transparant loodglazuur voorzien en hebben een ongeglazuurde, met witte slib bedekte rand. Waarschijnlijk uit het productiecentrum Oosterhout zien we nog twee andere borden, beide van hetzelfde type r-bor-18 maar elk van een heel ander formaat. De r-bor-18 is een bord met een holle spiegel en een naar buiten geknikte platte vlag en een van buiten aangedrukte rand, op een standring. Het ene exemplaar heeft een diameter van slechts 12,5 cm (cat. 7) en de andere van maar liefst 29 cm (cat. 8). Beide

Onder de functiegroep ‘Bereiding en tafelgerei’ zijn de borden en papkommen de meest frequent voorkomende voorwerpen. Daarnaast is er een fragment van een incomplete lekschaal aangetroffen. De meeste borden uit de beerput zijn ingevoerd uit het Nederrijns gebied, welke allemaal met een slibdecoratie zijn versierd. Er zijn onder de Nederrijnse exemplaren twee vormtypen te onderscheiden, de r-bor-7 (cat. 3) en de r-bor-10 (cat. 4-6). De r-bor-7 is een diep bord met platte bodem en een naar buiten geknikte vlag met verdikte lip, met een diameter van 24 cm. De witte slib is in de ringeloortechniek in concentrische

Fig. 8: Nederrijns bord (r-bor-10) met witte slib spatten en accenten in groen loodglazuur, ca. 1700-1800, schaal 1:2.

De vondsten - Aardewerk

21


Fig. 9: Roodbakkende papkom (r-kom-22) met mangaankleurig loodglazuur, ca. 1700-1750, schaal 1:2.

stukken zijn op de vlag van een slingerlijn in witte slib voorzien, bij het grote exemplaar afgewisseld met losse dwarsstreepjes. De vijf roodbakkende kommen en koppen uit de beerput zijn allemaal van het formaat papkom. De r-kom-22 kenmerkt zich door een knik tussen bodem en wand, een licht uitgebogen zijwand en en een verdikte lip, staande op een standring (cat. 16 en fig. 9). Deze papkom heeft twee horizontale worstoren en is volledig voorzien van een loodglazuur dat door toegevoegde mangaanoxide paars is gekleurd. Het is onduidelijk waar in Nederland deze papkom is vervaardigd. Een tweede papkom is van van het type r-kop-2, mogelijk afkomstig uit Gouda (cat. 17). De kop heeft een scherpe knik tussen bodem en wand en een iets uitgebogen rand en een standring. Dit type is al in omloop sinds het midden van de 16e eeuw en loopt door tot het eind van de 17e eeuw. De derde in de catalogus afgebeelde papkom is afkomstig uit Friesland, te herkennen aan de ijzeroxidespikkels in het baksel. Deze is van het

Fig. 10: Roodbakkende grape (r-gra-10) loodglazuur, gebruikt als beslagpot of roompot ca. 1600-1700, schaal 1:2.

22

De vondsten - Aardewerk

type r-kop-4, een vorm die voortkomt uit de r-kop-2. Het is een kop met een scherpe knik tussen bodem en wand, een hoge wand en een standring (cat. 18). Zowel de r-kop-2 als de r-kop-4 is volledig bedekt met een transparant loodglazuur. De r-kop-2 is ongedecoreerd gelaten en de r-kop-4 is aan de binnenzijde voorzien van een gemarmerde sliblaag en aan de buitenzijde met schuine losse streepjes in witte slib. Voor de voedselbereiding in de keuken waar geen vuur bij komt kijken zijn een grape en een pot in gebruik geweest. Het feit dat beide voorwerpen volledig geglazuurd zijn en er geen sporen van verhitting te zien zijn, plaatst ze in de groep ‘Bereiding en tafelgerei’. De grape is van het 17e-eeuwse type r-gra-10, een bolle grape met kraagrand met dekselgeul, staande op poten (cat. 11 en fig. 10). Van hetzelfde type aardewerk en glazuur is een pot aangetroffen, de r-pot-59 (cat. 19). Dit is een wijde peervormige pot met een gladde kraagrand en een ribbel onderlangs de hals op een smalle standring. Zowel de grape als de pot is 16 cm hoog en kan dienst hebben gedaan als roompot, melkkan of beslagpot. Zowel de grape als de pot is waarschijnlijk van Friese makelij. Tien roodbakkende voorwerpen vallen onder de functiegroep ‘Kookgerei’. Deze zijn gebruikt om voedsel in te verwarmen en te bereiden, vaak te herkennen aan de sporen van roet aan de buitenzijde op de ongeglazuurde delen. Er zijn bakpannen, grapen, een sluitpandeksel en steelkommen in de beerput aangetroffen. De twee bakpannen zijn te incompleet bewaard gebleven om het type van vast te stellen. Er zijn fragmenten van minstens vier roodbakkende grapen met een kookfunctie verzameld, waarvan twee vrijwel compleet bewaard zijn gebleven. De r-gra-162 is als nieuw type aan het Deventer Systeem toegevoegd (cat. 12 en fig. 11). Deze grape met kraagrand is te herkennen aan de hoge vrijwel cilindrische vorm met een scherpe knik tussen bodem en wand én op de schouder, staand op poten. Het is een opvallend hoge, smalle grape met een schenklip, die meer wegheeft van een kannetje, mogelijk om melk in te verwarmen. De r-gra-163 is eveneens een type dat voor het eerst in Nederland is herkend onder de bodemvondsten en is als nieuw type in het Deventer Systeem opgenomen


zien we een vrouw die uit precies zo’n steelkom de vis overgiet met een botersaus (fig. 26). In de functiegroep ‘Persoonlijke hygiëne en verzorging’ zijn bij het roodbakkend aardewerk delen van een pispot en twee zalfpotten onder te brengen. Van de pispot en één van de zalfpotten is maar een klein onderdeel bewaard gebleven. De tweede zalfpot is van het type r-zal-3, een licht conisch versmallend zalfpotje met een naar buiten gebogen rand, staande op een standvlak (cat. 22 en fig. 12). Het roodbakkende aardewerk in de functiegroep ‘Verwarming en verlichting’ behelst een deksel, een komfoor, een kooltjespan en een vijftal vuurtesten. Het deksel valt in dit geval niet onder de groep ‘Opslag’ omdat het een doofpotdeksel betreft, te herkennen aan de asaanslag aan de ongeglazuurde binnenzijde. Het doofpotdeksel is van het type r-dek-16 en heeft

Fig. 11: Roodbakkende grape (r-gra-162) met loodglazuur tot buikknik, ca. 1650-1750, schaal 1:2.

(cat. 13). Het is een wijde grape of sluitpan met een scherpe knik tussen bodem en wand en een naar buiten geknikte brede verdikte afgeronde rand. Dergelijke sluitpannen kunnen met een deksel geheel afgesloten worden. Er is één deksel onder het kookgerei te rekenen, de r-dek-8 (cat. 9). Dit is een bolle deksel met een ingedeukte bovenzijde, een brede kraagrand en twee opstaande oren op de rand. Dit is een deksel die de pan extra goed afsloot en die door de ingedeukte bovenkant tegelijk gebruikt kon worden om iets au bain marie warm te houden. Ook bij de steelkommen zien we een nieuw type, de r-stk-35, er zijn van dit type zelfs drie exemplaren aangetroffen. Wellicht hebben we hier te maken met een voor de regio kenmerkend type. Slechts één hiervan is vrijwel compleet bewaard gebleven (cat. 20). Het is een bolle steelkom met een teruggebogen, aan de bovenzijde afgeplatte rand met groef, staande op poten. Deze steelkom is volledig geglazuurd. Op het schilderij ‘Keukenstuk met huisvrouw die vis bereidt’ van Reinier Covyn (werkzame periode 1647-1681),

Fig. 12: Roodbakkende zalfpot (r-zal-3), inwendig en deels uitwendig met loodglazuur, ca. 1650-1750, schaal 1:2.

Fig. 13: Roodbakkende doofpotdeksel (r-dek-16), uitwendig met loodglazuur, inwendig met as- en roetaanslaag, ca. 1700-1800, schaal 1:2.

De vondsten - Aardewerk

23


een dubbele sluitrand en opstaand oor (cat. 10 en fig. 13). De dubbele sluitrand fungeerde om de pot luchtdicht af te sluiten zodat de nog gloeiende kooltjes in de pot snel zouden doven door zuurstofgebrek. De overgebleven resten brandstof konden dan de volgende dag opnieuw worden gebruikt, dus verspilling werd op deze wijze tegengegaan. Ook kon hout in de doofpot verkolen tot houtskool. Daarnaast was de doofpot ook een belangrijk middel bij het voorkomen van brand. Resten van de bij de deksel behorende doofpot zijn niet aangetroffen in de beerput. Wel is een deel van een kooltjespan aangetroffen. Deze werd gebruikt om ‘s avonds voor het slapen gaan de kooltjes uit de haard in een kom over te hevelen voordat men ze in de doofpot deponeerde. De kooltjespan (r-kom-31, cat. 15) is zeer wijd en heeft een afgeplatte zijde welke op de grond kon leunen zodat de nog gloeiende kooltjes er makkelijk in konden worden geschoven. Hij staat op poten. Een komfoor had een andere functie, deze werd gebruikt om het eten warm te houden. Het fraaie komfoor uit de beerput aan de Havenstraat is ook weer een nieuwe aanvulling op het Deventer Systeem en heeft het typenummer r-kmf-24 gekregen. Het komfoor heeft een knik tussen bodem en wand, een licht uitgebogen zijwand met kraagrand en drie poten op de rand, staande op poten (cat. 14). Een komfoor plaatste men vaak op tafel, op de opstaande nokken

Fig. 14: Roodbakkende vierkante vuurtest (r-tes-1) met loodglazuur, ca. 1700-1800, schaal 1:2.

kon dan een bord rusten waarop eten warm gehouden werd. Het eerder genoemde schilderij met de huisvrouw die vis bereidt toont ons een wat vorm betreft vrijwel identiek komfoor, maar dan van witbakkend aardewerk (fig. 26). Op het komfoor rust een tinnen schotel met daarop de met boter overgoten vissen. Een ander voorwerp in de categorie ‘Verwarming en verlichting’ is de vuurtest. Er zijn fragmenten van vijf exemplaren van het type r-tes-1 in de beerput aan de Havenstraat aangetroffen (cat. 21 en fig. 14). Dit is een vierkante vuurtest met een scherpe knik van bodem naar wand en een iets uitwijkende wand met afgeronde rand op poten. Vuurtesten dienden niet voor de verwarming van voedsel, maar voor de verwarming van het lichaam. Wanneer het koud was kon je je handen warmen aan een met gloeiende kooltjes gevulde vuurtest, zoals de jongen op het schilderij van Godfried Schalcken doet voordat hij het in een houten stoof plaatst (fig. 15 en 16). De vuurtest op het schilderij is gelijk aan het exemplaar uit onze beerput. De houten stoof met vuurtest plaatste men vervolgens onder de tafel om de voeten te warmen, onder de rok van moeder de vrouw of zelfs in een vakje onder de zitting van een kinderstoeltje, om de baby of peuter warm te houden op koude winterdagen. Ook zie je vuurtesten op bijna alle genrestukken op cafétafels staan waar mannen aan het pijproken, bierdrinken en kaarten zijn. Dan fungeerden deze als een soort asbak en tegelijkertijd, met behulp van de gloeiende kooltjes, als aansteker voor je tabakspijp. Ten slotte zien we in de categorie ‘Speelgoed’ nog twee knikkers van roodbakkend aardewerk (fig. 115). Knikkers van aardewerk komen als kinderspeelgoed voor vanaf de 15e tot en met de 18e eeuw, en zien we regelmatig voorbij komen op opgravingen. Kinderen moesten de knikkers in een in de grond gegraven kuiltje stoten of andere knikkers raken.13

Fig. 15: 'Een meisje plaatst een kaars in een lantaarn en een jongen verzorgt een vuurtest voor een stoof', toegeschreven aan de Zuid-Hollandse schilder Godfried Schalcken, 1690-1706, Collectie Rijksmuseum, Amsterdam. 24

13

Willemsen, 1998, 78.


Fig. 16: Detail van jongen met vuurtest uit 'Een meisje plaatst een kaars [...] stoof', toegeschreven aan de Zuid-Hollandse schilder Godfried Schalcken, 1690-1706, Collectie 25 Rijksmuseum, Amsterdam.


Fig. 17: 'Het melkmeisje',Wybrand Hendriks, ca. 1800-1825, Collectie Teylers Museum, Haarlem.

26

De vondsten


Witbakkend aardewerk (w) Het witbakkende aardewerk was op de onderzoekslocatie Galeiwerf duidelijk minder in gebruik dan het roodbakkende aardewerk, het behelst 11% van de voorwerpen uit de beerput (fig. 5, w). Dit zijn in totaal minimaal veertien voorwerpen (142 scherven). Het witbakkend aardewerk uit Vulling A van de beerput komt voor in de functiegroepen ‘Bereiding en tafelgerei’ en ‘Verwarming en verlichting’ (fig. 6). De functiegroepen ‘Kookgerei’, ‘Opslag en schenkgerei’, ‘Persoonlijke verzorging en sanitair’ en ‘Speelgoed’ ontbreken onder het witbakkende aardewerk uit Vulling A. Lokale pottenbakkers produceerden in de Late Middeleeuwen al op zeer kleine schaal witbakkend aardewerk en in de loop van de 16e eeuw raakt de productie ervan breder verspreid. Witbakkend aardewerk werd in dezelfde pottenbakkerijen vervaardigd als het roodbakkende aardewerk, hoewel er beduidend minder van wordt gevonden. Het is vaak voorzien van loodglazuur met koperoxide, waardoor het oppervlak een groene kleur heeft. Deze groene kleur kan inwendig, uitwendig of aan beide zijden zijn aangebracht. Op de plaatsen met alleen een transparant loodglazuur zonder metaaloxidetoevoegingen, heeft het oppervlak van het witte baksel een gelige kleur. Daarnaast is het in de 18e eeuw tot in het begin van de 19e eeuw populair om met mangaanoxidetoevoegingen aan het glazuur een paarse kleur te bereiken. Dit is zowel vlakdekkend toegepast als met vlekken, het zogeheten vlekkengoed (fig. 19). De functies van het witbakkende aardewerk liggen in het verlengde van het roodbakkende aardewerk. De ontwikkeling die vanaf het midden van de 17e eeuw

Fig. 19:Witbakkende grape (w-gra-22) met loodglazuur en vlekken mangaanoxide, ca. 1700-1825, schaal 1:2.

Fig. 18: Detail van het melkmeisje die melk of room uitschenkt in een beslagpot, uit 'Het Melkmeisje',Wybrand Hendriks, ca. 1800-1825, Collectie Teylers Museum, Haarlem.

voor het roodbakkende aardewerk is waar te nemen, de verschuiving van lokale en regionale producties naar supraregionale specialisaties, gaat ook op voor het witbakkende aardewerk. Vooral Friesland en Gouda bedienen tijdens de gebruiksfase van de beerput een groot deel van de Nederlandse markt, met producten die op het oog tot op heden niet van elkaar zijn te onderscheiden. Het vormenscala van het witbakkende aardewerk komt ten dele overeen met dat van het roodbakkende aardewerk, maar deze is minder uitgebreid. Zo ook in de Vlaardingse beerput aan de Havenstraat. Onder het ‘Bereiding en tafelgerei’ zien we restanten van drie grapen, twee papkommen en een fragment van een lekschaal. Twee van de drie grapen zijn vrijwel compleet bewaard gebleven, van de derde is slechts een fragment in de beerput beland. De eerste grape is van het type w-gra-22, een wijdmondige grape met afgeronde buikknik en licht uitgebogen rand. De grape behoort tot het eerder genoemde vlekkengoed (cat. 23 en fig. 19) en is waarschijnlijk in de keuken gebruikt als melk- of roomkannetje, zoals we kunnen zien op het schilderij met ‘Het melkmeisje’ van Wybrand Hendriks uit het begin van de 19e eeuw (fig. 17 en 18). Het melkmeisje schenkt de melk of room uit een vergelijkbaar grape-achtig vlekkengoed kannetje over in een roodbakkende beslagpot.

De vondsten - Aardewerk

27


Fig. 20: Bodem van witbakkende roompot (w-gra-41) met van de pot afgebroken poten, afgesprongen loodglazuur en roetaanslag, 1700-1800, schaal 1:2.

De tweede grape (w-gra-41) kennen we als roompot (cat. 24).14 Dit is een biconische grape met een uitgebogen rand met een ribbel op de randaanzet en met verdikte afgeronde lip, en daarbij heeft dit Vlaardingse exemplaar ook een schenktuit. De verse melk zette men in de wijdmondige pot op een koele plaats. De room kwam dan bovenop drijven en kon afgeschonken worden via de tuit van de roompot. De melk bleef daarna gewoon bruikbaar en drinkbaar. Deze roompot is bijzonder intensief gebruikt getuige de bijzonder sterke slijt- en gebruikssporen. Het glazuur is er op veel plaatsen afgesprongen, de poten zijn er afgevallen en de bodem is zelfs zo dun geworden dat deze volledig doorgesleten is (fig. 20). De beroete onderzijde bewijst dat de roompot ook nog in het vuur heeft gestaan nadat de poten zijn afgebroken. Verhitting is geen onderdeel van het afromen van de melk, dus de pot heeft nog andere functies gehad dan als roompot alleen. De laatste twee voorwerpen in witbakkend aardewerk uit de categorie ‘Bereiding en tafelgerei’ worden papkommen genoemd, alhoewel ze ook voor andere doeleinden kunnen zijn gebruikt. Deze papkommen zijn van twee verschillende typen. De eerste is een w-kop-2, welke zich kenmerkt als een kop met een

14

Klijn, 1995, 92-94.

scherpe knik tussen bodem en wand en een iets uitgebogen wand, op een standring (cat. 25). Het is de witbakkende variant van de eerder besproken r-kop-2. Deze papkom heeft twee verticale aan de bovenkant aangeknepen lintoren. Het tweede type is de w-kop-30, welke een buikknik heeft en een verdikte afgeronde rand op een standring (cat. 26 en fig. 21). Deze papkom heeft twee horizontale worstoren.

Fig. 21:Witbakkende papkom (w-kop-30) met loodglazuur, ca. 1650-1750, schaal 1:2.


De grootste functiegroep onder het witbakkend aardewerk is ‘Verwarming en verlichting’ met daarin een zeer fragmentarisch bewaard gebleven kandelaar, vijf olielampen en twee vuurtesten. Alle olielampen zijn van hetzelfde type (w-oli-2), en drie hiervan zijn vrijwel compleet bewaard gebleven (cat. 27-29 en fig. 24). Dit type olielamp heeft twee schalen boven elkaar, gescheiden door een stam. De lamp heeft één worstoor en één van de lekschalen is afgeplat en heeft een geknikte rand. De afgeplatte zijde van de lekschaal diende om stabiel en waterpas tegen een muur aan te hangen, wanneer de olielamp aan het worstoor werd opgehangen, zoals we hier kunnen zien op de prent van de vrouw die zich aan het vlooien is (fig. 22 en 23). De bovenste schaal was gevuld met lampolie, waar de lont in lag, doordrenkt met olie. Het uiteinde van de lont stak iets uit bij de schenklip en werd daar aangestoken. De onderste iets bredere schaal kon dan de eventuele lekkende druppels olie opvangen. Dit soort olielampen komen zowel in aardewerk als in metaal voor, zoals het exemplaar op de prent illustreert. Van de twee witbakkende vuurtesten in de beerput is er één archeologisch compleet bewaard gebleven, de w-tes-3 (cat. 30). Dit is een vierkante vuurtest met een knik tussen bodem en wand met een rechte rand, op poten. Dit is de witbakkende tegenhanger van de eerder besproken roodbakkende r-tes-1 die ook in de beerput aan de Havenstraat is aangetroffen.

Fig. 22: 'Zich vlooiende vrouw', Gerard Valck, 1662-1726, Collectie Rijksmuseum, Amsterdam.

Fig. 24:Witbakkende olielamp (w-oli-2) met loodglazuur, ca. 1650-1750, schaal 1:2.

Fig. 23: Detail van metalen olielamp aan muur uit ' Zich vlooiende vrouw', Gerard Valck, 1662-1726, Collectie Rijksmuseum, Amsterdam.

29


Majolica De majolica beslaat 8% van de voorwerpen uit de beerput (fig. 5, m). Dit zijn in totaal tien voorwerpen (39 scherven) welke allemaal onder de functiegroep ‘Bereiding en tafelgerei’ vallen (fig. 6). In de vroege 16e eeuw verschijnt er op de Nederlandse markt een nieuw type keramiek: majolica. Het voornaamste kenmerk is dat het oppervlak aan de zichtbare zijde is voorzien van een dekkende witte laag glazuur, waarop een enkel- of meerkleurige decoratie is aangebracht (fig. 25a). Het dekkende wit is verkregen door tinoxide aan het glazuur toe te voegen. Om de voorwerpen tijdens het bakken in de oven te stapelen werden proenen gebruikt, een soort hanenpootvormige driehoeken. Deze werden in het midden van het bord geplaatst, waarop een volgend bord dan weer kon rusten. Bij het losbreken van de borden na het bakken ontstonden hierdoor drie littekens midden op de voorzijde (en dus de mooie kant) van het bord.

Het oppervlak aan de niet-zichtbare achterzijde (of de binnenkant van gesloten vormen) is bedekt met transparant loodglazuur (fig. 25b). Omdat majolica vrij in de pottenbakkersoven werd geplaatst, is de kwaliteit ervan naar onze maatstaven doorgaans pover. Majolica is voornamelijk gebruikt als tafelwaar en het was in de 16e eeuw een echt luxeproduct. Aan het eind van de 16e eeuw raakte het al breder verspreid, en met de opkomst van de hierna te bespreken faience in het tweede kwart van de 17e eeuw verliest majolica zijn luxe uitstraling geheel. Het wordt vanaf dan steeds grover uitgevoerd. Bovendien worden er bij de productie goedkopere grondstoffen gebruikt dan bij faience. De productie van majolica blijft zich in Friesland ontwikkelen, in steden als Harlingen15 en Makkum16, terwijl de productie in Holland sterk aan belang inboet. Toch bleven de plateelbakkers ook in Delft naast faience nog tot in de 18e eeuw majolica maken.17 Majolica is vanaf de late 17e eeuw verworden tot een soort boerenchique, het is pronkgoed van de gewone man.

Fig. 25a: Majolica schotel (m-bor-13) met tinglazuur aan voorzijde, ca. 1675-1700, schaal 1:2.

30

De vondsten - Aardewerk

15

Gierveld & Pluis, 2005; Pluis, 2005.

16

Tichelaar, 2004; Tichelaar, 2005a; 2005b.

17

Jaspers, in voorbereiding.


Het is niet duidelijk waar de majolica uit de beerput aan de Havenstraat is geproduceerd. Dit is vooral te wijten aan het feit dat er nog te weinig productieplaatsen van majolica archeologisch onderzocht zijn. Delft is de meest voor de hand liggende productieplaats omdat het zo dichtbij Vlaardingen gelegen is. De majolica uit de beerput vertoont echter geen gelijkenis met de contemporaine majolica misbaksels van plateelbakkerij Het Hart, de enige Delftse productieplaats waarvan de productlijn in kaart is gebracht.18 Het zou wel uit één van de vele andere Delftse productieplaatsen kunnen komen. Er zijn uit de beerput aan de Havenstraat alleen borden en schotels verzameld. Zes hiervan zijn monochroom in blauw beschilderd en vier borden zijn onbeschilderd. Met name de geheel witte Nederlandse majolica was in het laatste kwart van de 17e eeuw en het eerste kwart van de 18e eeuw sterk in trek.19 De beschilderde majolica borden stammen uit de

tweede helft van de 17e eeuw. Er zijn drie vormtypen te onderscheiden onder de borden, de m-bor-3, -12 en -13. De profielvormen van de m-bor-3 (een bord met een vlakke spiegel, een knik van spiegel naar vlag en een uitgebogen rand op standring) en de m-bor-12 (diep afgerond bord met uitgebogen rand op standring) zijn echter gereconstrueerd en slechts zeer gefragmenteerd bewaard gebleven en daarom niet afgebeeld. Van de m-bor-13 zijn wel drie exemplaren vrijwel compleet bewaard gebleven (cat. 31-33). De m-bor-13 is een schotel met een vlakke spiegel met een verhoogd middenstuk, een knik tussen spiegel en vlag en een uitgebogen rand op een standring. Alle drie de exemplaren zijn fors van formaat, de diameter ligt tussen de 30 en de 37 cm. Het eerste exemplaar is beschilderd in blauw en toont een bloemstuk in een mand met daaromheen grof geschilderd kantwerk (cat. 31 en fig. 25). De tweede schotel is in het midden in blauw beschilderd met een vrouw in een landschap met kerkje en daaromheen concentrische cirkels en

Fig. 25b: Majolica schotel (m-bor-13) met loodglazuur aan de achterzijde, ca. 1675-1700, schaal 1:2. 18

Jaspers, in voorbereiding.

19

Eliëns, 2013; Ostkamp, 2013. Ostkamp & Jaspers 2013.

De vondsten - Aardewerk

31


Fig. 26: 'Keukenstuk met huisvrouw die vis bereidt', Reinier Covyn, 1647-1681, Collectie Dordrechts Museum, Dordrecht.

een kartelrand, de vlag is onbeschilderd (cat. 32). De derde schotel is geheel wit gelaten (cat. 33). Op het schilderij ‘Keukenstuk met huisvrouw die vis bereidt’ uit de tweede helft van de 17e eeuw zien we dat een dergelijke majolica schotel ondersteboven gebruikt wordt om het eten mee af te dekken dat op een tinnen schotel ligt (fig. 26). Faience Ongeveer 26% van alle voorwerpen uit Vulling A van de beerput bestaat uit faience (fig. 5, f). In totaal kon een MAE van 34 voorwerpen in Nederlandse faience worden gereconstrueerd (280 scherven). Faience is technologisch gezien de opvolger van majolica, hoewel de twee soorten aardewerk lange 32

De vondsten - Aardewerk

tijd naast elkaar in productie blijven. Faience is tinglazuuraardewerk waarbij, in tegenstelling tot bij de majolica, het tinglazuur aan beide zijden van het voorwerp is aangebracht. Een ander verschil met majolica is dat de voorwerpen in kokers werden gebakken. In de wand van deze kokers zaten gaten, waardoor losse pennen naar binnen konden worden gestoken. Op drie van dergelijke pennen kon telkens één bord rusten. Deze wijze van stapelen zorgde voor drie littekens aan de achterzijde van de vlag van het bord. Faience werd vanaf het tweede kwart van de 17e eeuw in verschillende plaatsen in West-Nederland, maar ook in Friesland en in België, geproduceerd. Later concentreerde de faienceproductie zich voornamelijk in Delft, hoewel ook elders producties bleven bestaan. Na 1650 maakt de faience-industrie een explosieve


groei door. In Delft leidt de specialisatie ertoe dat de stad uitgroeit tot het internationale centrum voor de productie van faience en de term Delfts aardewerk wordt zelfs soortnaam voor dit product. Het grootste deel van de overige producenten van tinglazuuraardewerk in de Republiek moet als gevolg hiervan zijn poorten sluiten. Rond 1800 valt de productie van faience even hard terug als het ooit is opgekomen door de opkomst van het industrieel vervaardigde witte aardewerk vanaf het midden van de 18e eeuw (wat in Vulling A van de beerput niet is aangetroffen). Alle faience uit de beerput dateert van na 1650 en voor 1750 en is naar alle waarschijnlijkheid afkomstig uit Delft. Een deel van het alledaagse huishoudelijke aardewerk was tot dan toe alleen in rood- en witbakkend aardewerk uitgevoerd, en werd vanaf dat moment ook geproduceerd door faiencebakkers, wat een aantrekkelijk alternatief zal zijn geweest, aangezien tinglazuuraardewerk zich doorgaans beter laat reinigen en het witte oppervlak beter in de veranderende opvattingen rond hygiëne paste. Dezelfde vormen blijven ook bestaan in het goedkopere rood- en witbakkende aardewerk. Voor de bewoners van de werf aan de Havenstraat zien we deze tendens niet terug. De vormen in faience uit de beerput zijn vrijwel alleen in de functiegroep ‘[Bereiding- en] Tafelgerei’ onder te brengen (borden, een papkom, een kom en een plooischotel). Alleen een kan valt in de groep ‘Opslag- en Schenkgerei’. De goedkoopste varianten in faience zijn de voorwerpen die en van een bijzonder dunne laag tinglazuur werden voorzien en geheel wit zijn, wat aanzienlijk op de productiekosten bespaarde. De meeste voorwerpen uit de beerput vallen in deze goedkopere groep. Er zijn in witte faience overigens ook duurdere producten vervaardigd. De hogere prijs werd in dat geval veroorzaakt door een hogere component tinoxide in het tinglazuur of door het meermalen dopen van het voorwerp in het glazuur. De materiaalkosten waren dan aanzienlijk hoger omdat de tinoxide een relatief dure grondstof was. Uit dit hogere kwaliteitssegment zien we slechts twee voorwerpen in de beerput, namelijk een getordeerde kan (cat. 47) en een plooischotel (cat. 50 en fig. 27), beide onbeschilderd. De kan is een getordeerde variant van het type f-kan-1, een eivormige kan met een nauwe hoge hals, schenklip en verticaal oor en een platte bodem. De bovenkant van het oor is niet bewaard gebleven, wat vaker voorkomt. Dat is namelijk de plek waar een tinnen of soms zelfs zilveren deksel aan gemonteerd is.20 Bij breuk werd dit metalen deel van de kan af getikt en naar de tinnegieter gebracht die er dan nog wat centen voor gaf. Dit soort kannen zijn op schilderijen vooral gekoppeld aan het schenken van wijn, en niet aan het schenken van bier

of andere dranken.21 Dit is opvallend, omdat er verder nauwelijks aanwijzingen voor wijnconsumptie in de beerput zijn aangetroffen. Vrijwel al het glaswerk alsook de steengoed kannen zijn juist verbonden aan het drinken van bier (zie § Glas, p. 40). De witte plooischotel is een f-plo-1, met een knik van spiegel naar de geplooide vlag op een standring. Dergelijke schotels komen we meestal ook niet bij de laagste segmenten van de samenleving tegen. We zien de witte faience plooischotels al in vondstcontexten uit de eerste helft van de 17e eeuw opduiken, maar dan zijn het de importen uit het Franse Nevers en tegen het midden van de 17e eeuw ook uit Rouen.22 Rond het midden van de 17e eeuw begint de productie van witte faience plooischotels ook in Nederland. De schotel uit onze beerput behoort tot de Nederlandse variant, onder meer te herkennen aan de kwaliteit van het glazuur en de vorm van de standring.23 Opvallend is dat precies zo’n plooischotel óók weer het schilderij siert met de vrouw die de vis bereidt, gestapeld op een wijdmondige grape. (fig. 26). Een fragment van een tweede zeer incomplete plooischotel is van het type f-plo-10. Deze heeft een zelfde profiel als de f-plo-1, maar de plooien zijn niet radiaal verdeeld, maar zijn als het ware gedraaid rondom het midden. Witte faience was aan het eind van de 17e en het begin van de 18e eeuw duidelijk in de mode, maar werd niet alleen voor het hogere marktsegment gemaakt. Juist het ontbreken van een beschildering maakte de productiekosten lager. Dat, gecombineerd met een wat armer tinglazuur en een simpele vorm zorgde voor een relatief goedkoop product. We zien dit ook onder de faience uit de onzerzochte beerput. Een voorbeeld hiervan is een geheel wit bord van het type f-bor-2, een plat bord met een platte spiegel en een platte vlag die inwendig met een knik is afgezet (cat. 37). Dit is een van de meest voorkomende vormen onder de Nederlandse faience tussen 1650 en 1750. Daarnaast zien we twee simpele onbeschilderde borden met een overhangende rand en een standring van het type f-bor-11 (cat. 43 en 44 en fig. 28). Dit type is afgeleid van laat 16e- en eerste helft 17e-eeuwse importen uit Ligurische productiecentra24, maar de exemplaren uit Vlaardingen zijn zeker van Nederlandse origine. Een ander bordtype onder de geheel witte faience is de f-bor-19, een plat bord met een platte spiegel en een zeer brede vlag die inwendig met een knik is afgezet (cat. 46). Er is één witte faience kom van het formaat papkom aangetroffen, de f-kom-9, een veel voorkomende vorm in Nederlandse beerputten uit dezelfde periode (cat. 48). De f-kom-9 kenmerkt zich als een bolle kom met

21

20

Lambooy, 2013, 196-208.

Lambooy, 2013, 199.

22

Jaspers, 2013.

23

Jaspers, 2013, 57.

24

De i-bor-3 uit Savona en Albisola (Jaspers, 2013, 60).

33


Fig. 27: Faience plooischotel (f-plo-1) met tinglazuur, ca. 1675-1725, schaal 1:2.

34

De vondsten - Aardewerk


Fig. 28: Faience bord met overhangende rand (f-bor-11) met tinglazuur, ca. 1675-1725, schaal 1:2.

een kraagrand op een standring. Van het exemplaar uit de beerput aan de Havenstraat is slechts een klein fragment bewaard gebleven, maar wel met een intact profiel. Het laatste voorwerp in witte faience is een diepe kom met een overhangende rand, de f-kom-3. (cat. 49). Ook dit is een vorm die via ItaliĂŤ en Frankrijk in het Nederlandse vormassortiment is terechtgekomen en eerst als import onder onze bodemvondsten opdook. De kom uit Vlaardingen is echter duidelijk van Nederlandse makelij.25 Ongeveer zestig procent van de faience uit Vulling A is beschilderd in monochroom blauw (cat. 34-42, 45). Polychrome faience komt geheel niet voor in Vulling A. Veertig procent van de faience is geheel wit gelaten (cat. 43-44, 46-50).

25

Er is een MAE van 28 faience borden vastgesteld in Vulling A van de beerput. Hieronder zijn acht typen te onderscheiden, waarvan er al enkele de revue zijn gepasseerd bij het wit. Voor de beschilderde exemplaren beginnen we met de f-bor-1, een bord met een knik tussenspiegel en vlag op een standring, een vorm die is ontleend aan het Chinees porselein (cat. 34-36). Dit is met vijf MAE het meest voorkomende type bord uit de beerput, allemaal beschilderd. We zien bijvoorbeeld een bord met op de vlag een fries van rondom varende zeilschepen (cat. 34 en fig. 29). In het midden is een dorpsgezicht geschilderd en op de achterzijde zien we steeds drie min of meer radiaal geplaatste strepen met daartussen een ster. Een volgend voorbeeld van hetzelfde vormtype laat een decoratie met een latere variant van

Deze kom is tijdens het glazuuronderzoek naar Delfts Wit (multidisciplinair onderzoeksprojct onder coĂśrdinatie van het Haags Gemeentemuseum, afgerond in 2013) geanalyseerd en valt duidelijk binnen de Nederlandse groep faience (communicatie auteur en dr. L. Megens, RCE, Amsterdam). Jaspers, 2013, 61-62; Megens & Verhaar, 2013,

De vondsten - Aardewerk

35


Fig. 29: Faience bord (f-bor-1) met tinglazuur, ca. 1650-1675, schaal 1:2.

het groteskendecor zien (cat. 35). Ook is er een imitatie van een kraakporseleinen bord in faience aanwezig (cat. 36). De f–bor-7 is aan de f-bor-1 verwant, maar heeft een holle vlag (cat. 39). Dit exemplaar is eveneens beschilderd met een kraakdecor. Een andere variant op de f-bor-1 is de f-bor-10 (2 MAE), een bord met een platte spiegel, overgaand in een uitgebogen vlag, op een standring (cat. 40). Op dit exemplaar is mogelijk een landschap geschilderd, op de vlag een band van losjes geschilderde ruitjes. Dit soort decoratie is in de tweede helft van de 17e eeuw te dateren. Opvallend is dat drie borden van het type f-bor-1 en de f-bor-7 allemaal in het derde kwart van de 17e eeuw te dateren zijn, een datering die sterk afwijkt van de datering van Vulling A tussen ca. 1715 en 1735. De indruk ontstaat daardoor dat deze voorwerpen lange tijd in omloop zijn geweest, toch bijna een halve eeuw, maar er zijn ook andere redenen te bedenken die ten grondslag liggen aan dit dateringsverschil. zo zijn de borden incompleter dan veel van de jongere objecten uit de beerput. Mogelijk is de beerput toch al eerder in gebruik geweest en in 36

De vondsten - Aardewerk

de tussentijd geleegd, waarbij er enkele scherven in de beerput zijn achtergebleven. Dit is helaas niet meer te achterhalen. Er is echter ook een duidelijke 18e-eeuwse component onder de faience uit Vulling A aanwezig. Zo zien we op de f-bor-3 (afgerond bord met platte bodem en vrij brede vlag) een van de meest populaire 18e-eeuwse decors: een klein rozet in het midden met een brede streep over de vlag (cat. 38 en fig. 30). Bij drie andere voorbeelden van 18e-eeuwse faience is een gestileerd bladrankenmotief als beschildering aangebracht. Deze borden zijn van de eerder beschreven vormtypes f-bor-10 (cat. 41) en f-bor-11 (cat. 42). Het derde bord met gestileerd bloemmotief is een f-bor-16, een diep hol bord met uitgebogen lip (cat. 45). Deze heeft het formaat van een theeschoteltje en is ook als zodanig gebruikt in tegenstelling tot de eerdere besproken borden die voor het opdienen van voedsel zijn gebruikt. Er is in Vulling A van de beerput slechts een deel van één incompleet theekopje aangetroffen, eveneens met


Fig. 30: Faience bord (f-bor-3) met tinglazuur, ca. 1700-1775, schaal 1:4.

gestileerde bladranken en daterend uit de 18e eeuw. Dit past bij de sterk opgekomen theecultuur in de 18e eeuw. Vulling B (1775-1795) Vulling B uit de beerput bevatte slechts elf exemplaren (18 scherven). Ook hier zien we weer vijf verschillende postmiddeleeuwse bakselgroepen waarvan de onderlinge verhouding in een cirkeldiagram is weergegeven (fig. 31). Dit beeld is niet erg representatief voor deze fase van de beerput omdat het op zo’n klein aantal voorwerpen gebaseerd is. Met de klok mee zien we roodbakkend aardewerk (r), witbakkend aardewerk (w), faience (f), Aziatisch porselein (p) en industrieel wit aardewerk (iw). Witbakkend aardewerk vormt de grootste groep. In Vulling B is geen steengoed of majolica aangetroffen, terwijl we het Aziatisch porselein en het industrieel wit aardewerk als nieuwe bakselgroepen zien.

Functiegroepen Het aardewerk uit de onderzochte beerput is onderverdeeld in twee functiegroepen en een groep ‘indetermineerbaar’ (fig. 32). Onder de functiegroep ‘Bereiding en tafelgerei’ zien we fragmenten van twee theekopjes en een bord. De categorie ‘Speelgoed’ bestaat uit drie stuks poppengoed. de rest van de scherven is te gefragmenteerd om de vorm of functie van de te achterhalen. Roodbakkend aardewerk Onder het roodbakkend aardewerk uit Vulling B zien we één indetermineerbare losse scherf en een deel van een Nederrijns bord met concentrische witte slibcirkels. Witbakkend aardewerk Bij het witbakkend aardewerk zien we drie indetermineerbare losse scherven. Daarnaast zijn er wel twee bijzondere vondsten gedaan, namelijk twee voorwerpen in poppengoed: een vuurtest en een papkom (cat. 60, 61 en fig. 33). Poppengoed als

De vondsten - Aardewerk

37


5

iw 18%

r 18%

4 w

3

p 9%

r p

2

iw f

1 0

f 9% w 46%

Fig. 31:Vulling B, bakselverdeling (MAE=11)

kinderspeelgoed komt al sporadisch voor vanaf het eind van de middeleeuwen en neemt toe in de 16e eeuw tot een hausse in de 17e en 18e eeuw.26 Er bestaan ook miniaturen van een groter formaat, waarmee kinderen zelf konden spelen, vergelijk het huidige kinderservies. Het formaat van stukken uit de beerput is passend voor de poppen waar kinderen zich op hun beurt weer mee konden vermaken. Een derde formaat miniatuurgoed is dat wat in de inventaris van poppenhuizen werd gebruikt, wat nóg een slag kleiner is. De twee witbakkende stukken poppengoed uit Vulling B van de beerput dateren tussen ca. 1675 en 1800. Het is dan ook niet onmogelijk dat ze wel uit de gebruiksfase van de beerput in omloop waren maar pas later in de jongere laag van de beerput terecht zijn gekomen.

Fig. 33:Witbakkend poppengoed vuurtest (links) en papkom (rechts) met loodglazuur, ca. 1675-1800, schaal 1:2.

Faience Er zijn twee fragmenten van een faience theeschoteltje aangetroffen met een polychrome decoratie. Naast de gebruikelijke blauwe beschildering is er ook rode bovenglazuurbeschildering aangebracht. Dit soort decoratie zien we vaker rond het midden van de 18 eeuw. Industrieel wit aardewerk De naam industrieel witbakkend aardewerk geeft al aan dat het baksel wit is en dat het aardewerk op industriële wijze is vervaardigd. De structuur van het baksel is zeer fijn en het wordt afgewerkt met een transparant loodglazuur. Omdat de kleur van de scherf van zichzelf wit genoeg is, volstaat loodglazuur. De

26

Willemsen, 1998, 92.

Bereiding en tafelgerei

Speelgoed

Indetermineerbaar

Fig. 32:Vlaardingen locatie Galeiwerf, Vulling B: Absolute verdeling van het Minimum Aantal Exemplaren per bakselgroep over de functiegroepen (MAE=11).

klei wordt in mallen geperst en/of gegoten. Industrieel wit aardewerk komt pas in onze vondstcontexten voor vanaf het midden van de 18e eeuw en is in eerste instantie afkomstig uit Engeland. Het is een nieuw soort aardewerk dat kort na 1800 de faience van de markt zal drukken. Vanaf het begin van de 19e eeuw starten ook in Frankrijk, Luxemburg en België industrieën die dit vergelijkbare producten vervaardigen. Pas vanaf het midden van de 19e eeuw komt de productie in Nederland tot grotere bloei, in het bijzonder in de gedaante van de Maastrichtse fabriek van Petrus Regout. Er zijn twee voorwerpen van industrieel wit aardewerk in Vulling B aangetroffen (18%, fig. 31). De aanwezigheid van dit industriële aardewerk in de vulling maakt duidelijk dat deze van na 1750 dateert. De tabakspijpenanalyse sluit hierbij aan en heeft de contextdatering verder aangescherpt tot 1775-1795. Het eerste voorwerp betreft een bodem van een industrieel witte theekop van het type iw-kop-1, dit is een bolle kop met een rechte rand op een standring. Het tweede stuk betreft een dekseltje van opnieuw een stuk poppengoed (cat. 62 en fig. 34).

Fig. 34: Industrieel wit poppengoed dekseltje met loodglazuur, ca. 1750-1800, schaal 1:2.

Aziatisch porselein Er is één theekopje van Chinees porselein aangetroffen in Vulling B en dit behoort tot het zogeheten zeemleergoed, vernoemd naar de vlakdekkende kleur die op de buitenzijde is aangebracht (fig. 35). Het theekopje is van het type p-kop-4, een afgeronde kop met rechte rand op een standring. In de zeemleerkleur zijn uitsparingen vrijgelaten waarin bloesem geschilderd is in onderglazuur blauw en bovenglazuur rood (dat in de bodem zwart is verkleurd) en goud. Het betreft


Fig. 35:Theekopje (p-kop-4) van Chinees porselein, zeemleergoed met veldspaatglazuur, ca. 1700-1750, schaal 1:2.

een Chinese imitatie van het Japanse Imari-porselein en wordt door kunsthistorici in de eerste helft van de 18e eeuw gedateerd. Daarmee zou het ook uit de gebruiksfase van de beerput kunnen stammen, maar mogelijk is ook dit stuk, net als het witbakkende poppengoed, langer in omloop geweest. Vulling C (1825-1850) Vulling C bevatte naast een grote hoeveelheid bouwpuin en twee pijpenkoppen, de restanten van twee roodbakkende borden van hetzelfde type. Het betreft de r-bor-13, een diep bord met een platte bodem, een steile wand en een horizontale vlakke vlag met kraagrand. Beide borden zijn op dezelfde wijze gedecoreerd met aan de binnenzijde van een vlakdekkende witte sliblaag met groene slingerlijnen op de vlag en twee rode sliblijnen langs de rand van de vlag. Beide identieke borden hebben wel een verschillende diameter, de ene meet 30 cm en de ander 36 cm in doorsnede (fig. 36). Deze twee borden zijn vervaardigd in de traditie van het zogeheten Frankforter aardewerk, een nieuwkomer die de Nederlandse aardewerkmarkt vanaf ca. 1770 vanuit de omgeving van het Duitse Frankfurt overspoelde. De eerder beschreven status quo van de regionale

specialisatie in centra als Gouda, Bergen op Zoom, Friesland en het Nederrijns gebied werd daardoor ontregeld: ze kregen er geduchte concurrentie bij. De binnenlandse markt werd eerst beschermd met behulp van hoge accijnzen op de importen, maar toen dit niet lukte stapten de Nederlandse pottenbakkerscentra over op het produceren van namaak Frankforter aardewerk naast hun gebruikelijke assortiment. De productie van deze navolgingen startte in de jaren 80 van de 18e eeuw en liep door tot in de jaren 40 van de 19e eeuw.27 De twee borden die we hier zien behoren tot Nederlandse variant van de Frankforter waar en komen mogelijk uit Bergen-op-Zoom, maar dat is niet met zekerheid te zeggen. Vulling C bevatte geen ander gebruiksaardewerk. Conclusie De bulk van het gebruiksaardewerk is afkomstig uit Vulling A, de gebruiksfase van de beerput, en dateert tussen ca. 1650 en 1725. Over het algemeen betreft dit vrij eenvoudig aardewerk afkomstig uit productieplaatsen binnen de regio zoals Delft, Gouda en Oosterhout. Daarnaast zien we ook vondsten die buiten regio van Vlaardingen zijn geproduceerd zoals uit Friesland, het Nederrijns gebied of het Duitse Rijnland. De enige stukken die op iets meer luxe wijzen zijn een plooischotel en getordeerde kan van witte faience. Overzeese importen ontbreken in de gebruiksfase van de beerput. Het aardewerkensemble geeft wat functionaliteit betreft wel een breed scala van het huishouden op de scheepswerf aan de Havenstraat weer. Kookgerei, tafelwaar, verwarming, verlichting, sanitair, persoonlijke verzorging en speelgoed behoren tot het afval dat de bewoners hebben nagelaten.

Fig. 36:Twee roodbakkende borden (r-bor-13) in de Frankforter traditie, inwendig met loodglazuur en vlakdekkende sliblaag, ca. 1775-1850, schaal 1:2.

27

Van der Meulen en Smeele, 2000, 42.

39


40


Glas: kloeke bierbekers (J.F.P. Kottman) Inleiding In totaal bevatte de beerput 1455 glasfragmenten welke zijn te herleiden tot een Minimum Aantal Exemplaren (MAE) van 165 en een Estimated Vessels Equivalent (EVE’s) van 85,7 (tabel 3). Uit de indeling van de beerput in verschillende vullingspakketten, genoemd A, B en D, blijkt dat het overgrote deel van deze fragmenten in Vulling A zijn aangetroffen (1441 fragmenten).28 Uit Vulling B kwamen tien fragmenten29 en uit Vulling C vier fragmenten.30 De meeste glasfragmenten waren klein en in veel gevallen aangetast. Het uitpuzzelen van de fragmenten leverde toch een aantal tamelijk complete voorwerpen op. Er bleef maar weinig onduidelijk restmateriaal over. Datering Het glaswerk uit Vulling A van deze beerput is dateerbaar in het laatste kwart van de 17e eeuw en de eerste helft van de 18e eeuw. Geen van de gevonden glazen voorwerpen is bekend uit de eerste helft van de 17e eeuw en geen van de gevonden drinkglazen komt nog voor na 1725. Dit geldt zowel voor Vulling A als voor Vulling B. Wat de datering van het glas betreft is daar geen verschil tussen te zien. Alleen het vensterglas en enkele kleine flessen uit de put kunnen nog tot ca. 1800 doorlopen maar zijn minder bepalend voor de ensembledatering van het aangetroffen glas omdat ze ook al veel vroeger kunnen voorkomen. Kleurloos vensterglas dat algemeen wordt na ca. 1800, is niet aangetroffen. Vulling C bevat alleen vensterglas dat algemeen voorkomt tussen ca. 1600 en 1800 en bevat geen andere, scherper dateerbare glasvondsten.

Vulling A (1675/1715-1735) Bekers Hoge bekers voor bier vormen met negentien exemplaren de grootste groep in Vulling A. Vijf bekers zijn van het type gl-bek-5: een cilindrische beker met een opgestoken bodem zonder of met noppootjes (cat. 51). Dit bekertype, zonder de noppootjes, is heel basaal te noemen en is al eeuwen in gebruik. Maar in een kleurloze en dunwandige uitvoering behoord het tot de Venetiaanse stijl van de Renaissance. Zodanig is dit type bekend vanaf de late 16e eeuw en loopt dan de hele 17e eeuw door tot in het eerste kwart van de 18e eeuw. De in de put gevonden kleurloze hoge bekers van dit type hebben geen pootjes en zijn tamelijk dikwandig, de een wat meer dan de ander. Ze zijn daardoor wat lomp te noemen in vergelijk met exemplaren die uit het eerste drie kwart van de 17e eeuw bekend zijn. De lip is iets naar binnen afgerond of afgeschuind. Ze zijn sterk aangetast met een bruinzwarte aanslag zodat ze niet meer doorzichtig zijn. Zeven andere bekers zijn van het type gl-bek-8a (fig. 37 en cat. 52). Dit is een lichtconische hoge beker met een uitstaande lip en een opgestoken bodem met een

Methodiek De determinatie van het glas uit de beerput is volgens de richtlijnen van het Deventer Systeem gebeurd. Dit is dezelfde methode die al bij het aardewerk is beschreven (p. 18) en wordt hier verder als bekend verondersteld. Zie voor de tellijst bijlage 1.1, voor de verklaringen van materiaal- en bakselcodes bijlage 1.2 en voor de vormcodes bijlage 1.3. De complete en reconstrueerbare vormen van het glaswerk zijn opgenomen in de catalogus voor aardewerk en glas in bijlage 2.

Fig. 37: Beker voor de consumptie van bier (gl-bek-8a), schaal 1:2. Tabel 3: Glas inhoud per vulling en looptijd

Vulling

n

MAE

EVE's

Glasdatering

Contextdatering

Vulling A

1441

132

46,95

1675-1725

1675/1715-1735

Vulling B

10

31

3,85

1675-1725

1775-1795

Vulling C

4

2

0,7

1600-1800

1825-1850

Totaal

1455

165

85,7

28

Alle uit vondstnummer 502.

29

Vondstnummer 490.

30

Vondstnummer 485.

De vondsten - Glas

41


Fig. 38: Beker voor de consumptie van bier (gl-bek-10), schaal 1:2.

Fig. 39: Beker voor de consumptie van bier (gl-bek-66a), schaal 1:2.

voetring. Dit bekertype, meestal kleurloos of soms in helder blauw, is bekend uit vondstcomplexen vanaf ca. 1575 en loopt daarin door tot aan het tweede kwart van de 18e eeuw. Aanvankelijk heeft dit type een zware gladde of een geribde voetring die in de tweede helft van de 17e eeuw gaandeweg lichter en slordiger wordt. In het laatste kwart van de 17e eeuw wordt bij bekers, vaker dan daarvoor, de voetring en/of een opgelegde draad aan lip in blauw glas uitgevoerd.

zware geribde voetring of een geknepen voetring met wafelpatroon en zijn matig tot sterk aangetast, van bruin tot bruinzwart. Een variant op deze bekers is het type: gl-bek-68 (cat. 56). Dit type is te onderscheiden van de hiervoor genoemde bekers omdat het steunt op drie zware afgeplatte bolpootjes. Hiervan is één exemplaar in de beerput gevonden. De beker heeft een matige bruine aantasting. Zowel het bekertype, gl-bek-10 als de variant daarvan, gl-bek-68 zijn te dateren in de periode 1675-1725. Hoewel bekers met een netwerkpatroon al uit de 16e eeuw bekend zijn, is de dikwandigheid en de kleurloze uitvoering gecombineerd met de grove voetring en/of de mezza forma techniek kenmerkend voor de datering van deze bekers.

Bij de in de beerput gevonden bekers van dit type buigt het lichaam rond het midden ietsje uit waardoor de beker een slappe vorm krijgt. Ze hebben een bleekgroene kleur met een lichte tot matige bruine aantasting. De lip is afgezet met een slordig aangebrachte donkerblauwe draad (bruinzwart aangetast). De voetring is vervaardigd uit een donkerblauwe in dikte variërende platte draad, meestal geribd maar soms ook niet. Een volgend bekertype uit deze beerput is gl-bek-10 (cat. 53-54 en fig. 38). Dat is een cilindrische beker met netwerkpatroon in reliëf, of met alleen op het onderste deel een netwerkpatroon in reliëf uitgevoerd in het zogenaamde mezza forma met een opgestoken bodem en een voetring. Mezza forma of mezza stampaura (half-vorm) is een uit Italië afkomstige term voor het vervaardigen van verticale ribben op het onderste deel van een glazen voorwerp, door opnieuw toevoegen van glas aan de glasblaas (parison) en deze daarna in een geribde mal blazen. Bij de aangetroffen bekers met een volledig netwerkpatroon is bij vervaardiging uitgegaan van opgelegde verticale draden die daarna met een glasblazerspincet op bepaalde afstanden zijn samengeknepen. Er zijn vier hoge bekers van dit type gevonden, waarvan één in mezza forma. Ook deze hoge kleurloze bekers zijn relatief dikwandig. Ze hebben een 42

De vondsten - Glas

De laatste hoge beker uit de put is type gl-bek-66a: een kleurloze cilindrische beker met een draadomwonden bovenzijde een opgestoken bodem en een geribde voetring (cat. 55 en fig. 39). Dit bekertype wordt weinig opgegraven en valt in de Venetiaanse stijl uit de Renaissance onder te brengen. De bekende vondsten van dit type dateren uit de 17e eeuw. Overigens heeft het exemplaar uit de Vlaardingse put een kleine slordige voetring. Dat is kenmerkend voor bekers uit de tweede helft van de 17e eeuw. De aangetroffen beker is bovenaan iets verbreed en heeft daar ca. zes windingen van een dunne witte draad. De beker is iets dunwandiger dan de eerder genoemde hoge bekers en is nauwelijks aangetast. Flessen Flessen vormen met elf exemplaren de tweede groep uit de beerput. Vijf hiervan zijn door kleine fragmenten vertegenwoordigd en niet tot een bepaald type te herleiden. Het zijn kleine flessen van een opvallende goede kwaliteit in helder diepgroen glas. De meest


Fig. 40: Karaf (gl-fle-198), schaal 1:1.Tekening: Jaap Kottman.

complete is druppelvormig, zoals een zandloperglas. De voor een zandloperglas kenmerkende platte lip ontbreekt echter bij de gevonden fragmenten. De tweede lijkt op een bolvormige wijnfles in het klein. Een los gevonden hol worstoor zou erbij kunnen horen. De overige drie groene flesjes zijn slechts fragmentarisch aanwezig. EĂŠn daarvan, met een verticaal ribbelpatroon, behoord tot type gl-fle-35: een kleine cilindrische fles met verticale ribbels of cannelures zonder- of met korte hals en uitstaande lip en een opgestoken bodem. Kleine cilindrische flessen met verticale ribben of cannelures komen gedurende de hele 17e eeuw en de eerste helft van de 18e eeuw voor.

Vier andere flessen zijn van het type: gl-fle-9 (cat. 57). Dat is een, meestal, kleine bolvormige fles met lange hals en omgeslagen lip en een opgestoken bodem. Bolvormige kleine flessen met een lange hals zijn al bekend vanaf ca. 1400 tot in de 18e eeuw, maar met een omgeslagen lip zijn ze te dateren tussen 1600 en 1800. De gevonden flessen van dit type bestaan voornamelijk uit hals- en bodemstukken met een hoge in een punt opgestoken bodem in een lichte groene kleur. Ze hebben waarschijnlijk als medicijnflessen gediend. Dat geldt overigens voor de meeste flessen uit de beerput.

De vondsten - Glas

43


Vulling C In Vulling C zijn vier groene vensterglasfragmenten aangetroffen.32 Deze ruitfragmenten hebben dezelfde kenmerken als die uit Vulling B en waren eveneens in gebruik tussen 1600 en 1800.

Fig. 41: Kelkglas voor de consumptie van sterke drank, schaal 1:2.

Verder is er in de put een kleine kleurloze fleskaraf aangetroffen: gl-fle-198 (fig. 40 en cat. 58). Deze karaf is dunwandig met een bolvormig lichaam en een lange smalle hals en heeft en hol afgeplat worstoor dat begint bovenaan bij de hals en dan bij de schouder weer is vastgezet. Het lichaam heeft een netwerkversiering op de wand. Dit soort karafjes werd gebruikt voor alcoholische dranken, zoals de in de 18e eeuw populaire honingdrank: mede of een van de diverse likeuren uit die tijd. De karafjes van dit type zijn te dateren in de tweede helft van de 17e eeuw, maar bleven daarna ook nog in zwang in de vroegere 18e eeuw. Kelkglazen en Roemers Geschikt voor sterke drank zijn ook de drie gevonden kelkglaasjes. Van twee is vermoedelijk alleen een voetfragmentje aanwezig, de derde is gereconstrueerd tot een klein eenvoudig kelkglas dat onderaan de kelk drielobbig eindigt op een eveneens drielobbige massieve stam (cat. 59 en fig. 41). Soortgelijke kelkglaasjes met een kleine inhoud voor sterke drank komen in gebruik vanaf de latere 17e eeuw tot aan het tweede kwart van de 18e eeuw, Ze variĂŤren licht in stamopbouw en kelkvorm. Voor die tijd werden roemertjes voor sterke drank gebruikt, Tot in de 20e eeuw bleven kelkglaasjes voor sterke drank gebruikelijk. Van twee roemers zijn 25 kleine groene fragmenten teruggevonden. Het zijn cuppafragmenten en delen van een gewonden draadvoet. Specifieke roemertypen zijn uit deze fragmenten niet op te maken.

Conclusie De glasvondsten uit de beerput aan de Havenstraat zijn beperkt in aantal. Wel waren daaruit een aantal bijna complete en samenhangende glazen voorwerpen te reconstrueren met slechts weinig restscherven, een aanwijzing voor een zuiver vondstcomplex met een relatief korte omlooptijd. Hoge bierglazen in slechte kwaliteit vormen het drinkgerei. Lastig is het hieraan de sociale status te bepalen. Gebruiksglas was tot aan het vierde kwart van de 17e eeuw doorgaans van hoge kwaliteit. Door overproductie nam de concurrentie toe bij de in diverse Nederlandse steden opgerichte glasblazerijen. Veel van deze glasblazerijen gingen na een korte productieperiode failliet. Vermoedelijk konden enkele, zoals die van Groningen, nog even overleven met kwalitatief slechte en waarschijnlijk goedkope producten. Nog zwaardere concurrentie kwam in de late 17e eeuw echter van buitenlandse glasblazerijen. Vooral was dat het Barokke dikwandige glaswerk, zoals de conische bekers uit Bohemen en Duitsland en Engelse kelkglazen, die in de mode kwamen en in de 18e eeuw de Nederlandse tafelglasproductie bijna geheel deed verdwijnen. Het is dan opmerkelijk dat in de Vlaardingse beerput geen dikwandig Boheems glas is aangetroffen. Was dat niet de keuze van de gebruikers op de werf aan de Havenstraat, of is de omlooptijd van de put wat de glasvondsten betreft na ca.1700 geĂŤindigd? Duidelijk is wel dat de gebruikers van deze beerput een voorkeur hadden voor bier of sterke drank en niet voor, de toch wat verfijnder en luxueuzere, wijn.

Vulling B Uit Vulling B komt een kleurloos bekerfragment, vier kleurloze fragmenten van een niet herkenbaar voorwerp en vijf fragmenten groen vensterglas.31 Deze kleurloze fragmenten zijn in de 17e eeuw te dateren. De groene vensterglasfragmenten zijn van rechthoekige ruitjes met glad afgesneden randen en dateren uit de 17e of de 18e eeuw.

31

Vondstnummer 490.

32

Vondstnummer 485.


De vondsten

45


46


Tabakspijpen: alledaags rookgerei (J. van Oostveen) Inleiding In de beerput zijn in totaal 92 fragmenten van kleipijpen aangetroffen, welke zijn te herleiden tot een minimum aantal van 22 (tabel 4). De beerput wordt in een drietal vullingslagen onderverdeeld, vullingen A, B en C. In Vulling A zijn zeventig fragmenten van tabakspijpen aangetroffen (16 MAE), het leeuwendeel van de kleipijpen uit de beerput. Deze fragmenten hebben toebehoord aan een minimum aantal van zestien kleipijpen. Vulling B bevatte twintig fragmenten van kleipijpen (4 MAE) en Vulling C slechts twee fragmenten (2 MAE). Een selectie van de opgegraven tabakspijpen zijn afgebeeld in de Tabakspijpencatalogus in bijlage 3. Datering tabakspijpen De zeventig kleipijpfragmenten (16 MAE) zijn te dateren in de periode 1715-1735. Bij deze datering lijkt het accent op de jaren twintig van de 18e eeuw te liggen. Vullingen B en C hebben beiden slechts één dateerbare pijpenkop opgeleverd. Daarnaast zijn in Vulling B vier fragmenten van stelen aangetroffen met hierop een tekst/naam. Op basis van deze pijpenkop en de namen/tekst op de stelen kan Vulling B in de periode 1775-1795 gedateerd worden. Het accent van de datering lijkt op de jaren tachtig van de 18e eeuw te liggen. De kleipijp (cat. 34) uit Vulling C kan op basis van vorm en het gevoerde bijmerk in de periode 1740-1760 gedateerd worden. Op zich een vreemde constatering dat de pijp uit Vulling C ouder wordt gedateerd dan de tabakspijpen uit de hieronder liggende en dus oudere Vulling B, maar dit is goed te verklaren. Het materiaal uit Vulling C betreft een laatste, egaliserende vulling van de beerput. Hierbij is materiaal van elders op het terrein gebruikt om de put mee te dichten. Het is dan ook goed mogelijk dat er ouder ‘zwerfvuil’ in deze jonger vullaag is beland. De oudere tabakspijp uit Vulling C is om deze reden als opspit geïnterpreteerd. Daarnaast is een porseleinen tabakspijp in deze vulling aangetroffen. Deze porseleinen pijp kan in de 19e eeuw gedateerd worden.

Vulling A Binnen Vulling A zijn zeventig fragmenten van tabakspijpen aangetroffen (bijlage 3: Tabakspijpencatalogus, cat. 1 t/m 28).33 Deze fragmenten hebben toebehoord aan tenminste zestien verschillende tabakspijpen. Hieronder bevindt zich duidelijk één afwijkend exemplaar. Het betreft een in Rotterdam rond het midden van de 17e eeuw geproduceerde tabakspijp gemerkt met de letters DG (cat. 1). De overige exemplaren kunnen in de periode 1715-1735 gedateerd worden. Negen van deze tabakspijpen zullen een steellengte van ordegrootte 25 cm hebben gehad. Het betreft eenvoudig afgewerkte en ongemerkte producten (o.a. cat. 2 t/m 6). Bij sommige exemplaren heeft de pijpenmaker niet meer de moeite genomen om een (deel)radering rondom de ketelopening aan te brengen (cat. 4 t/m 6). Eén product is beter afgewerkt en gemerkt met “De Boom” (fig. 42 en cat. 7), doch deze tabakspijp zal ook een steellengte van hooguit 25 cm hebben gehad.

Fig. 42: Dopvormige ketel gemerkt “De Boom” en steel van de hand van de Goudse pijpenmaker Krijn Dircksz of Dirk Krijnsz.Veverloo (1715-1735). Schaal ketel 1:1. Foto: Jan van Oostveen. Tabel 4: Resultaten kleipijpenanalyse

Vulling

n

MAE

Datering tabakspijpen

Contextdatering

Vulling A

70

16

1715-1735

1715-1735

Vulling B

20

4

1775-1795

1775-1795

Vulling C

2

2

1740-1760 en 1830-1900

1825-1850

Totaal

92

22 33

Vondstnummers 493, 496, 498, 502 en 504 (34 fragmenten/ 7 MAE) zijn op basis van de aardewerkanalyse aan Vulling A toegeschreven. Daarnaast zijn tabakspijpen binnen de vondstnummers 497 (32 fragmenten/ 9 MAE) en vondstnummer 503 (4 fragmenten) aangetroffen. Op basis van de datering van deze tabakspijpen moeten deze vondsten aan Vulling A worden toegeschreven. Deze conclusie wordt ondersteund doordat een steelfragment van vondstnummer 497 past aan een ketel van vondstnummer 502.


Eén exemplaar is significant beter afgewerkt en zal oorspronkelijk een steellengte van meer dan 40 cm hebben gehad. Echter in de 18e eeuw is deze pijp reeds gebroken en uit deze verkorte pijp is vervolgens door de gebruiker gerookt gezien de bijtsporen die op de steel zichtbaar zijn. Deze Goudse tabakspijp is gemerkt met het merk de gekroonde bloempot (cat. 8). Als pijpenmaker komt Jan Spiering in aanmerking. De resterende vier producten zullen een oorspronkelijke steellengte van tenminste 40 cm hebben gehad. Deze kwalitatief goed afgewerkte producten dragen verschillende merken (PT gekroond: cat. 9, GWV: cat. 10), roos: cat. 11, molen: fig. 40 en cat. 12 en doffer of duif: cat. 13) waaruit opgemaakt kan worden dat de gebruiker niet op merk heeft gerookt. Vermeldenswaardig is een steelfragment waarop de tekst “IND TO GOUDA”/”SANDLOPER” staat (cat. 14). Vooralsnog een unieke versiering waarvan de tekst mogelijk slaat op het merk dat op de hiel van de pijp was gestempeld: “De zandloper”. Steelversieringen die binnen deze vulling zijn aangetroffen lopen uiteen van getordeerde en geradeerde stelen (cat. 15 en 16) tot stelen waarop parelranden of tanden naast raderingen zijn aangebracht (resp. cat. 17 t/m 21 en cat. 22 en 23). De datering van deze typen steelversieringen past binnen de eerder genoemde datering van 1715-1735. Resumerend kan gesteld worden dat in Vulling A tenminste zestien tabakspijpen zijn aangetroffen. Eén exemplaar (fragment) wordt niet verder beschouwd omdat deze voor wat betreft de datering duidelijk afwijkt en dus naar alle waarschijnlijkheid opspit is. Eén

Fig. 43:Trechtervormige ketel gemerkt “Molen” van de hand van de Goudse pijpenmaker Arij Jacobsz. of Jacob Arijse Danens (1710-1730). Schaal ketel 1:1. Foto: Jan van Oostveen.

exemplaar gemerkt met het merk de boom betreft een zogenaamd dopmodel (fig. 42 en cat. 7) dat vooral in de jaren twintig van de 18e eeuw zijn hoogtij vierde. Het trechtervormige model is gangbaar voor de periode circa 1660 – circa 1730/1740 en vrijwel alle pijpenkoppen uit Vulling A van de beerput behoren tot dit type (fig. 43). Daarna gaat dit model over in een ovoïde model (fig. 44). Naast bovengenoemd dopmodel zijn er geen andere afwijkende modellen aangetroffen. Negen van de vijftien exemplaren moeten tot de eenvoudige afgewerkte producten worden gerekend. Door het ontbreken van makersmerken of karakteristieke productiecentra gebonden eigenschappen, kunnen deze tabakspijpen (vooralsnog) niet aan een productiecentrum worden toegeschreven (cat. 20 t/m 28). Als mogelijke productiecentra waar deze tabakspijpen zijn geproduceerd kan gedacht worden aan Aarlanderveen, Gorinchem of Gouda.34 Zes exemplaren zijn beter afgewerkt. Twee tabakspijpen hebben toen de gebruiker hieruit rookte, een steellengte van hooguit 25 cm gehad. De resterende vier gemerkte exemplaren zullen een steellengte van tenminste 40 cm hebben gehad. Alle gemerkte tabakspijpen zijn in Gouda geproduceerd. Het beeld dat hierdoor wordt verkregen is een sociaal economisch gemiddelde gebruiker voor de periode 1715-1735.35 Vulling B Binnen Vulling B zijn twintig fragmenten van tabakspijpen aangetroffen (bijlage 3: Tabakspijpencatalogus, cat. 29 t/m 32). Het zijn negentien steelfragmenten en

Fig. 44: Ovoïde ketel en steel van de hand van de Goudse pijpenmaker Leendert Slobbe (1775-1800). Schaal ketel 1:1. Foto: Jan van Oostveen. 34

48

De vondsten - Tabakspijpen

Zie Van Oostveen en Stam, 2011 voor het meest recente overzicht van productiecentra van Nederlandse tabakspijpen.

35

Van Oostveen en van Oostveen – Bonnema, 2001.


één complete ketel. Deze Goudse ovoïde36 tabakspijp is op de hiel van het merk de haan voorzien (fig. 44 en cat. 29). De afgebroken steel toont de naam van de pijpenmaker: “L. SLOBBE / IN GOUDA”. Bekend is dat de Gouwenaar Leendert Slobbe dit merk vanaf 1766 tot 182337 in zijn bezit heeft gehad. Typologisch kan dit product in de periode 1775-1800 worden gedateerd.38

Op basis van deze afzonderlijke pijpfragmenten is het kan deze vulling in de periode 1775-1795 gedateerde worden waarbij het accent in de jaren tachtig van de 18e eeuw lijkt te liggen. Het aangetroffen aantal tabakspijpen van Vulling B is te beperkt om verantwoorde conclusies over bijvoorbeeld de sociale status van de gebruikers, vast te stellen.

Een tweede steel uit deze vulling toont de naam “VERZYL” (cat. 30). Frans Verzijl is een bekende Goudse pijpenmaker. Nadat hij op 24 januari 1724 zijn gildeproef met succes had afgerond en acht gulden aan het gilde had betaald, werd hij de eigenaar van het merk de Leeuw in de Hollandse tuin. Zijn kwalitatief beste producten merkte Frans met het merk de leeuw in Hollandse tuin. Kwalitatief mindere producten werden voorzien van het merk de gekroonde L. Naast de tabakspijpenmakerij was Frans ook actief als tabakskoopman. De combinatie tabakskoopman die naast tabak ook tabakspijpen leverde is een gebruik dat we sinds de introductie van tabak in de Nederlanden tegen komen.39 Frans produceerde vooral kwalitatief hoogstaande producten. Een deel hiervan werd geëxporteerd naar vooral Duitstalige gebieden. Nadat Frans is overleden wordt in 1786 zijn activiteiten via de “Firma Frans Verzijl en Zonen” gecontinueerd. Deze firma heeft tot aan de dood van zijn dochter, Maria Verzijl (overleden 1819), bestaan.

Vulling C Binnen Vulling C zijn twee fragmenten van tabakspijpen aangetroffen (bijlage 3: Tabakspijpencatalogus, cat. 33 en 34).40 Het betreft een gekaste pijpaarden tabakspijp en een zogenaamde stummelvormige ketel gemaakt van porselein. Het eerste ketelfragment uit Vulling C (fig. 45 en cat. 33) is in afwijking tot de andere tabakspijpen die in de beerput zijn aangetroffen, gemaakt van porselein. Typologisch wordt dit model een Stummel genoemd. Het betreft het meest gangbare model porseleinen tabakspijp. Dit model werd in het laatste kwart van de 18e eeuw geïntroduceerd en is tot ver in de 20e eeuw geproduceerd. Tabakspijpen van porselein komen

Een derde steel toont de moeilijk leesbare naam “A.V.D.LIST” (cat. 31). Het is een verwijzing naar de Goudse pijpenmaker Arij van der List die vanaf 1764 tabakspijpen heeft gemaakt. Nadat Arij in 1784 was overleden continueerde zijn weduwe dit bedrijf tot 1789. Op basis van de afstand tussen de afzonderlijke letters moet dit steelfragment gedateerd worden in de periode 1775-1789. Een vierde steel uit deze vulling toont de tekst “IN GOUDA” en valt niet beter te dateren dat in de tweede helft van de 18e eeuw (cat. 32). De hierboven beschreven tabakspijpen zullen een oorspronkelijke lengte van tenminste 45 cm hebben gehad. Fig. 45: Stummelvormige ketel. De ketel zat middels een vochtzak met een meestal verticale houten steel verbonden. Zowel van de vochtzak als van de houten steel zijn geen overblijfselen (in Vulling C) aangetroffen. Schaal 1:1. Foto: Jan van Oostveen. 36

Het ovoïde model ontwikkelde zich in de periode 1730-1740 vanuit het

40

Vondstnummer 485.

trechtervormige model en is tot ver in de 20e eeuw in productie geweest. Van Oostveen en Stam, 2011. 37

Duco, 2003, p.132.

38

Een identiek exemplaar is aangetroffen in een Amsterdamse beerput (collectie Bureau Monumentenzorg en Archeologie van de gemeente Amsterdam, vondstnummer WLO 192; Zwanenburgerstraat 23). Deze Goudse en in Amsterdam gevonden tabakspijp wordt ook gedateerd in periode 1780-1800 en wordt toegeschreven aan een bovengemiddelde sociaaleconomische status van de gebruiker. Van Oostveen en De Haan, 2006, p.24.

39

Een

bekend

voorbeeld

uit

de

18e

eeuw

zijn

de

Amsterdamse

tabakshandelaren Van der Velde en Burgklij die in Gouda tabakspijpen lieten produceren waarop hun naam en niet de naam van de tabakspijpenmaker, staat vermeld. Tabak werd vervolgens samen met deze Goudse tabakspijpen naar de afnemers gestuurd.

De vondsten - Tabakspijpen

49


vanaf de 19e eeuw langzamerhand steeds meer binnen West-Nederlandse vondstcomplexen voor. Het is dus niet verbazingwekkend dat binnen een 19e-eeuwse vulling een porseleinen tabakspijp is aangetroffen. De porseleinen tabakspijp is eenvoudig met een rund beschilderd. Het tweede ketelfragment uit Vulling C is gemerkt met het merk de parel (cat. 34). De tabakspijp zal een steellengte van tenminste 45 cm hebben gehad. Het merk de parel werd voor het eerst in de 17e eeuw in Gouda op tabakspijpen geplaatst. Vanwege de aanwezigheid van een tweetal bijmerken in de vorm van het Goudse wapenschild onder de letter S, moet dit exemplaar na 1739 gedateerd worden.41 Bekend is dat het merk de parel in Gouda tot 1791 op tabakspijpen is gezet.42 Op typologische gronden en detaillering van het bijmerk wordt dit exemplaar echter in de periode 1740-1760 gedateerd. Als pijpenmaker komt Abraham Eling (tot 1771) in aanmerking. Gezien de 19e-eeuwse datering van de bijvondsten en de stratigrafische ligging van Vulling C is deze 18e-eeuwse ketel als opspit geïnterpreteerd. Het aangetroffen aantal tabakspijpen van Vulling C is te beperkt om verantwoorde conclusies over bijvoorbeeld de sociale status van de gebruikers vast te stellen. Conclusie De tabakspijpen uit de beerput geven inzicht in de rookcultuur van de gebruikers van deze beerput. Zo rond 1715-1735 is er gerookt uit zowel kortstelige als langere tabakspijpen. Deze kortstelige tabakspijpen passen eerder bij een ambachtsman die tijdens het uitvoeren van zijn ambacht een pijp rookt. Langstelige tabakspijpen zoals deze ook in Vulling B en C zijn aangetroffen passen het best in een omgeving van een rustig zittende roker in een stoel. De tabakspijpen voor zover deze gedetermineerd konden worden, zijn geproduceerd in Gouda. De ongemerkte en eenvoudig afgewerkte exemplaren zijn mogelijk afkomstig uit Aarlanderveen, Gorinchem of Gouda.

41

In 1739 krijgen de Goudse pijpenmakers een octrooi voor Holland en West-Friesland voor het plaatsen van het Goudse wapenschild op de kwalitatief beste tabakspijpen. Dit octrooi wordt in 1740 uitgebreid voor de gewone (“ Slegte” / fijne) en mindere (groffe) tabakspijpen. Op deze laatstgenoemde tabakspijpen (fijne en groffe kwaliteit) mochten de Goudse pijpenmakers als enige in Holland en West-Friesland het bijmerk het Goudse wapenschild onder de letter S (“Slegte” ) plaatsen.

42

Duco, 2003, p.145.


51


52


Metaal: spijkers, (N.L. Jaspers)

vishaken

en

naaigerei

Inleiding Er zijn in totaal 131 fragmenten metaal in de beerput gevonden. Vrijwel al het metaal is goed bewaard gebleven en in principe geschikt om geconserveerd te worden. Het grootste deel van de metalen vondsten zijn dat ook, op een deel van de spijkers na. De metaalsoortbepaling is uitgevoerd door J. Langelaar (ADC ArcheoProjecten). Metalen voorwerpen spelen in allerlei facetten van het dagelijks leven een rol. We vinden er echter aanzienlijk minder van terug dan van andere materiaalcategorieën zoals aardewerk of glas. Dit komt omdat metalen voorwerpen na breuk als materiaalsoort nog steeds een instrinsieke waarde behouden in tegenstelling tot de scherven van aardewerk en glas. Het metaal kan opnieuw omgesmolten worden en als grondstof dienen voor nieuw smeedwerk en voor het oude schroot werd dan ook betaald. Dit is een belangrijk verschil met andere materiaalassemblages. Het merendeel van de metalen voorwerpen die we wél in de beerput hebben aangetroffen zijn klein van formaat en waren dus minder waardevol voor hergebruik. Grotere voorwerpen zijn nauwelijks gevonden. Gezien de ligging van de beerput naast een scheepswerf konden we afgedankt scheepstimmergereedschap verwachten, maar dergelijke grote voorwerpen ontbreken, op een groot aantal spijkers na. Daarnaast zijn er allerlei voorwerpen van huishoudelijke aard aangetroffen.

te gebruiken. De voorwerpen passen binnen het beeld dat we kennen uit de 17e en 18e eeuw. De enige metalen vondst die mogelijk aanvullende info had kunnen opleveren is afkomstig uit Vulling A: een koperen munt (fig. 57). Helaas is hierop geen afbeelding noch jaartal (meer) te onderscheiden. Vulling A Vrijwel alle metaalvondsten komen uit Vulling A, 129 in totaal. De metalen voorwerpen zijn ingedeeld in zes functiegroepen, te weten: “Kook- en eetgerei”, “Kleding en naaigerei”, “Bouwmateriaal”, “Visserij”, “Speelgoed” en “Overig” (tabel 5). Kook- en eetgerei Het grootste voorwerp dat in de beerput is aangetroffen betreft kookgerei, het is een klein bronzen bakpannetje met een diameter van 12 cm en een hoogte van 2 cm

Datering Als aanknopingspunt voor het aanscherpen van de datering zijn ze de metalen vondsten uit de beerput niet Tabel 5: Beerput S278 - Vulling A, overzicht geconserveerde metalen voorwerpen per functiegroep

Functiegroep

Voorwerp

Aantal

Kook- en eetgerei

Bakpannetje

1

Lepel

1

Kleding en naaigerei

Gesp

3

Knoop

1

Haken en ogen

16

Naald

1

Spelden

26

Bouwmateriaal

Spijkers

27 (plus 58 niet geconserveerd)

Indetermineerbaar

3

Visserij

Vishaken

29

Speelgoed

Speelgoed vishaken

7

Overig

Ketting

12

Boekbeslag

1

Munt

1

Totaal

129

Fig. 46: Bronzen pannetje, vulling onbekend (vnr. 244), schaal 1:2.

De vondsten - Metaal

53


Fig. 48:Tinnen ééngats knoop, Vulling A, schaal 1:1.

Fig. 47:Tinnen lepel, Vulling A, schaal 1:1.

Fig. 49: IJzeren gesp, Vulling A, schaal 1:1.

(fig. 46). Het pannetje heeft een omgeslagen rand en twee uitstekende nagels waar een steel aan bevestigd kan worden. Van de steel is niets teruggevonden. Het pannetje is duidelijk in het open vuur gebruikt, gezien de zwarte aanslag aan de met name de buitenzijde. Van dit pannetje is het niet helemaal zeker of het wel bij Vulling A van de beerput behoort, omdat het onder een afwijkend vondstnummer is verzameld.43

Drie onderdelen behoren tot een ijzeren gesmede riemgesp met afgeronde hoeken en een verticale beugel, met een resterende breedte van 4,5 cm en een hoogte van 3,5 cm (fig. 49). Het is een rechthoekige gesp en het is onduidelijk of deze voor mensenkleding of mogelijk als paardentuig heeft gediend, waar vergelijkbare 18e-eeuwse ijzeren gespen ook wel aan worden toegeschreven.45

Het tweede voorwerp in de categorie Kook- en eetgerei is een deel van een tinnen eetlepel met een resterende lengte van 9,5 cm en een maximale breedte van de bak van 4,5 cm (fig. 47). De steel is afgebroken en er is geen merkteken bewaard gebleven. De ovale bak en de steel zijn middels een naaldverbinding met elkaar verbonden. De vorm van de bak maakt na het midden van de 17e eeuw een essentiële vormverandering door van rond naar vijgvormig naar ovaal.44 Tinnen eetlepels met een ovale bak zoals het exemplaar uit de beerput zijn in de 18e en de 19e eeuw heel gangbaar. Helaas is het uiteinde van de steel niet bewaard gebleven, daar kan soms een nauwkeuriger datering aan gekoppeld worden omdat deze aan mode onderhevig zijn.

Er zijn in totaal zestien haken en ogen aangetroffen van ijzerdraad die werden gebruikt als kledingsluiting (fig. 50). Dit zijn de meest eenvoudige kledingsluitingen die er zijn. Beide werden aan de kleding bevestigd door de dubbele oogjes aan het uiteinde met naaigaren aan de stof te bevestigen. De haken en oogjes haken werden tegenover elkaar geplaatst langs een opening in het

Kleding en naaigerei Onder kleding en naaigerei zien we metalen onderdelen van de dagelijkse kledij van de bewoners aan de Havenstraat. Zo zien we een tinnen ééngatsknoop met een diameter van 4 cm (fig. 48). Eéngatsknopen zijn platte schijven met een gat in het midden (knoopkernen) die werden omwonden door garen.

43

Vondstnummer 244.

44

Klijn, 1987, 119.

Fig. 50: IJzeren kledinghaken en -ogen, Vulling A, schaal 1:1.

45

Klomp, 2006, 17-19.


Fig. 51: Bronzen spelden, Vulling A, schaal 1:1.

Fig. 52: IJzeren naald, Vulling A, schaal 1:1.

kledingstuk en haakten in elkaar om het kledingstuk te sluiten. We zien ze in drie verschillende formaten. Het kleine formaat oog is 9 mm lang en 7 mm breed (9 stuks), de middenmaat meet 13 bij 11 mm (1 ex.) en het grote formaat is 17 bij 14 mm (1 ex.). De kleine haakjes meten 10 mm in lengte en 8 mm in de breedte (3 ex.), het grote formaat haak is 20 mm lang en 10 mm breed (1 ex.). De middenmaat is bij de haken niet aangetroffen. Dit soort haken en ogen komen vanaf het einde van de 16e eeuw voor (en mogelijk al vroeger) en lopen zeker door tot in de 18e eeuw.46 Tegenwoordig zijn ze ook nog steeds verkrijgbaar, al worden nog nauwelijks gebruikt. Getuigen van huishoudelijke nijverheid voor het uitvoeren van reparaties aan kleding zijn ook in de beerput aangetroffen. Zo zijn er vele spelden gevonden, 27 in totaal (fig. 51). De spelden zijn gemaakt van getrokken koperdraad en hebben een gewonden kop. Dergelijke spelden werden gebruikt voor herstelwerkzaamheden aan textiel en komen nog voor tot in de 19e eeuw. Daarnaast zien we een ijzeren naald waarvan het oog is afgebroken, met een resterende lengte van 5 cm (fig. 52). Bouwmateriaal Het grootste deel van de metaalvondsten uit de beerput betreft (delen van) smeedijzeren spijkers (fig. 53). Er zijn in totaal 85 stuks verzameld, waarvan er 27 zijn geconserveerd. De spijkers zijn met de hand gesmeed en zijn allemaal vierkant in doorsnede. Het is het meest voorkomende type bouwmateriaal en dat we op opgravingen tegenkomen, en in een beerput naast een scheepswerf zijn uiteraard veel spijkers te verwachten. Dit soort spijkers zijn gedurende de gehele 17e en 18e

46

Klomp, 2006. 22.

eeuw veel in gebruik geweest, tot in de 19e eeuw.47 Bij de complete exemplaren loopt de onderkant van de spijker meestal uit in een punt, maar er zijn ook een aantal met een beitelvormige of platte punt bij. De kop is in alle gevallen piramidevormig. De spijkers variĂŤren in lengte, waarbij de meeste 5 cm lang zijn en ca 4-5 mm breed. Ook zijn er spijkers met een lengte van 2,5 cm, 3 cm en 4 cm gevonden. Spijkers werden ingedeeld naar hun gewicht per duizend stuks. Visserij Zoals viel te verwachten in een beerput waarin vele visresten zijn aangetroffen, zijn een groot aantal vishaken uit de beerput gekomen, 29 in totaal. Er zijn hieronder twee varianten te onderscheiden, die van smeedijzer (fig. 54) en die van getrokken ijzerdraad (fig. 55). De smeedijzeren vishaken hebben een rond been in doorsnede, een boog en een naar binnen weerhaakje aan de binnenzijde van de punt. Deze hebben een lengte van ca. 6 cm en een breedte van 2,2 cm. In Amsterdam is een haak met een identieke vorm al in een context uit de 14e eeuw aangetroffen, maar ook in een 16e-eeuwse context. Grote trekvissen als steur en zalm werden in rivieren gevangen met dit soort haken.48 De vorm van deze vishaken blijven vrijwel onveranderd tot in de 18e eeuw. De vishaken van getrokken ijzerdraad eindigen aan de bovenkant in een oog en hebben aan de onderzijde een boog die eindigt in een punt waarin een weerhaak gekeept is. De complete exemplaren hebben een lengte van 4,4 cm en een breedte van het been tot aan de punt van 2,2 cm. Dit formaat vishaken kon gebruikt worden om kleinere riviervissen mee te vangen als paling of baars.49

47

Hume, 1969, 252.

48

Baart et al., 1977, 428.

49

Baart et al., 1977 430.

De vondsten - Metaal

55


Fig. 53: IJzeren spijkers, Vulling A, schaal 1:1.

Fig. 54: Smeedijzeren vishaken, Vulling A, schaal 1:2.

Fig. 55:Vishaken van getrokken ijzerdraad, Vulling A, schaal 1:2.

Fig. 56: Speelgoed vishaken van getrokken koperdraad, Vulling A, schaal 1:2.

56

De vondsten - Metaal


Speelgoed Opvallend genoeg is er nog een derde formaat op vishaken gelijkende metalen voorwerpen aangetroffen, namelijk zeven stuks van zeer dun getrokken koperdraad (fig. 56). De vorm komt overeen maar er zijn geen weerhaken in gekeept. De haken zijn echter te dun en te zwak om ook maar de kleinste soort vis te kunnen houden. Het lijkt daarom het meest aannemelijk dat we hier te maken hebben met een speelgoedvariant van de vishaak. Jong geleerd is oud gedaan kan op een werf tussen de Havenstraat en de Oude Haven betekenen dat jonge kinderen net als hun vader vissertje speelden. Overig In de beerput is één koperen munt aangetroffen, waarvan het oppervlak helaas te erg is aangetast om een voorstelling of eventueel jaartal te kunnen onderscheiden (fig. 57). De munt heeft een diameter van 2 cm.

Fig. 57: Koperen munt, Vulling A, schaal 1:1.

Fig. 58: Koperen boekbeslag met restant van leren band, Vulling A, schaal 1:1.

Onder de beerputvondsten is ook een restant van een trapeziumvormig boekbeslag met scharniertje aangetroffen (fig. 58). Aan het boekbeslag resteert nog een fragment van de leren kaft. Ten slotte zijn er nog twaalf onderdelen van schakels van een smeedijzeren ketting in de beerput aangetroffen

(fig. 59). We weten niet wat de functie van de ketting is geweest omdat kettingen voor allerlei doeleinden gebruikt werden. De langgerekte ovale schakels zijn afgerond in doorsnede en licht getordeerd. De afmetingen van de schakels bedragen 45 mm in de lengte en 22 mm in de breedte. Vulling B In Vulling B is geen metaal aangetroffen Vulling C In Vulling C, de puinlaag die de beerput definitief afdichtte, zijn slechts twee metalen voorwerpen aangetroffen. Dit zijn een vierkante, ijzeren spijker van 10 cm lang en 0,5 cm breed en een ijzeren kram van 5 cm lang en 2,5 cm breed (fig. 60).

Fig. 60: Spijker en kram van ijzer uit Vulling C, schaal 1:2.

Conclusie Vrijwel alle metaalvondsten zijn afkomstig uit de gebruiksfase van de beerput. Grotere voorwerpen ontbreken, het zijn vooral de kleinere stukken die zijn afgedankt. Er zijn vondsten uit uiteenlopende functiegroepen aanwezig die passen in de datering van de gebruiksfase in de late 17e en begin van de 18e eeuw die op basis van andere materiaalcategorieën uit de beerput is vastgesteld. Het merendeel bestaat uit spijkers die zowel van de scheepswerf afkomstig kunnen zijn als uit het huis zelf. Daarnaast is er ook een groot aantal spelden voor herstelwerkzaamheden en kledinghaakjes aangetroffen. De vele vishaken sluiten aan bij de te verwachten vondsten op een aan het water gelegen woon- en werkplaats waar vissersboten werden gebouwd en vis de meest gegeten diersoort op het menu was. De metalen voorwerpen uit de beerput aan de Havenstraat schitteren door hun eenvoud. Er zijn geen rijk versierde voorwerpen aangetroffen.

Fig. 59: IJzeren ketting, Vulling A, schaal 1:2.

De vondsten - Metaal

57


58


Hout: priktollen en haringtondeksels (S. Lange & N.L. Jaspers) Inleiding De houten vondsten zijn na conservering overgedragen voor een houtsoortbepaling en beschrijving aan BIAX Consult. De determinatie is uitgevoerd met een doorvallend lichtmicroscoop en vergrotingen tot 400x. De gebruikte determinatieliteratuur is die van Schweingruber.50 Er zijn in totaal twaalf houten voorwerpen verzameld, alle afkomstig uit Vulling A van de beerput. In vullingen B en C is geen hout aangetroffen. Datering De houten vondsten leveren geen aanvullende daterende informatie aan de contextdatering. Vulling A De houten vondsten uit Vulling A van de beerput aan de Havenstraat zijn in vijf verschillende functiegroepen in te delen, namelijk onder ‘Bouwmateriaal’ (6 exemplaren), ‘Bereiding en tafelgerei’ (1 ex.), ‘Opslag en schenkgerei’ (3 ex.), ‘Speelgoed’ (2 ex.) en ‘Kleding’ (1 ex.).

Bouwmateriaal Ten eerste zijn er dus de houten bouwmaterialen die naar alle waarschijnlijkheid een relatie hebben met de ambachtelijke activiteiten op de naastgelegen scheepswerf. Dit zijn verschillende pennen en spijlen (fig. 61).51 Van links naar rechts zien we eerst een mogelijke spijl van eikenhout (Quercus) met een lengte van 25 cm en een doorsnede van 1,5 bij 1 cm. De spijl is geknikt op 10 cm en is van gekliefd stamhout met een rechthoekige doorsnede. De uiteinden zijn niet toegespitst. Als tweede en derde van links zien we twee pennen van gekliefd stamhout van fijnspar (Picea abies) die compleet bewaard zijn gebleven. De lengte bedraagt in respectievelijk 18,5 en 18 cm en de doorsnede in beide gevallen 1,8 cm. De pennen zijn conisch van vorm en het uiteinde is vijfzijdig toegespitst over een lengte van respectievelijk 10 en 5 cm. Bij de iets kortere pen zijn twee inkervingen (breedte 0,8 cm, diepte 0,5 cm) op 2 cm onder kop aanwezig. Deze twee pennen zijn mogelijk gebruikt voor pen-gat verbindingen. Vierde van links zien we een fragment van een pen óf

Fig. 61: Houten voorwerpen: bouwmateriaal, schaal 1:2.

50

F. H. Schweingruber 1982, Mikroskopische Holzanatomie, Birmensdorf.

51

Vondstnummer 501.

De vondsten - Hout

59


een handvat, gemaakt van het hout van een kersachtige (Prunus-type). De pen of handvat is rond afgesleten en niet compleet bewaard gebleven. De resterende lengte is 13 cm en de doorsnede 2 cm. Op het radiaal gekliefde (stam?) hout is de aanzet van een zijtak zichtbaar. Vijfde van links zien we een spijl, mogelijk van een vogelkooi, van dennenhout (Pinus sylvestris). Het ene uiteinde is licht afgeschuind over een lengte van 2 cm, het andere uiteinde is afgebroken. De bewaard gebleven lengte is 9,2 cm en de doorsnede 0,5 bij 0,3 cm. Het zesde en laatste in deze reeks is mogelijk ook een deel van een pen, maar in dit geval van wilgenhout (Salix) zonder zichtbare bewerking. De lengte is 8 cm en de doorsnede 1 cm. Bereiding en tafelgerei Er is een handvat van buksboomhout (Buxus sempervirens) in de beerput aangetroffen (fig. 62).52 Mogelijk was dit handvat in gebruik als mesheft. Het handvat is gedraaid, met een restant van een ijzeren angel. De lengte is 10,2 cm en heeft een maximale doorsnede van 2,8 cm. De bovenkant is rond en licht bolvormig afgewerkt. Onderaan zijn enkele sierlijnen ingedraaid.

Fig. 62: Handvat van buksboomhout (Buxus sempervirens), schaal 1:2.

Opslag en schenkgerei In de categorie ‘Opslag en schenkgerei’ zien we drie houten voorwerpen. De eerste is een stop om fles of kruik mee af te sluiten (fig. 63).53 De stop is van wilgenhout (Salix) en is compleet bewaard gebleven. De stop heeft een driehoekige vorm met een spits toelopend uiteinde. De lengte bedraagt 5,2 cm en de doorsnede 2,2 cm.

Fig. 63: Stop van wilgenhout (Salix), schaal 1:2.

Het tweede voorwerp in de categorie opslag is een bijna complete deksel van eikenhout (Quercus), waarschijnlijk behorende bij een harington (fig. 64).54 De deksel heeft een doorsnede van 28 cm en een dikte van 1 cm. De deksel bestond oorspronkelijk uit vier planken waarvan er drie zijn geborgen, een plankje in het midden ontbreekt. Voor de planken heeft men eiken stamhout radiaal gekliefd. De afzonderlijke planken zijn met behulp van kleine pennetjes (doorsnede 4 mm) aan elkaar gevoegd. In een van de zijkanten zijn hiervoor twee gaten geboord. In sommige gaten

Fig. 64: Deksel van eikenhout (Quercus), waarschijnlijk voor harington, schaal 1:2.

52

Vondstnummer 493.

53

Vondstnummer 501.

54

Vondstnummer 505.


Fig. 65: Deksel of bodem van eikenhout (Quercus), waarschijnlijk voor harington, schaal 1:2.

resteren stukjes van de verbindingspennen. De rand van de deksel is rondom afgeschuind over een breedte van 2 cm. Oorspronkelijk waren de duigen van de kuip of ton voorzien van een groef onder de rand, waarin de dekselrand klem werd gezet. Op de bovenzijde van de deksel is een merkteken te zien. Het merkteken bestaat uit drie elkaar kruisende lijnen met een breedte van 2 mm en een diepte van 2 tot 3 mm. Dan is er nog een helft van een tweede deksel óf bodem van een kuip of (haring)ton aangetroffen in de beerput (fig. 65).55 Ook deze is van eikenhout (Quercus). De deksel of bodem had een diameter van 28 cm en een dikte van 1 cm, dezelfde afmetingen dus als het hierboven besproken exemplaar met merkteken. Voor de deksel of bodem is een plank uit stamhout radiaal gekliefd en op de uiteinden rond afgewerkt en afgeschuind. Op de zijkant is één gat voor een verbindingspen bewaard gebleven. Er zijn enkele fijne snijsporen waargenomen, afkomstig van een mes. Een merkteken, zoals bij de eerst beschreven deksel, is niet gedocumenteerd. Op één kant is een zwarte aanslag vastgesteld.

Fig. 66: Paddenstoelvormige tol van elzenhout (Alnus), schaal 1:2.

55

Vondstnummer 505.

Speelgoed Twee houten voorwerpen behoren tot de categorie ‘Speelgoed’.56 Het zijn houten priktollen, die voorheen een metalen punt aan de onderkant hebben gehad. De metalen punten zijn niet bewaard gebleven. Het spelen met een tol vereiste behendigheid. Om de tol wond het kind vanaf de punt naar boven een touwtje, waarna hij of zij de tol weggooide terwijl het touwtje werd vastgehouden. Hierdoor ging de tol draaien en bleef deze op de ijzeren punt staan zolang hij draaide. De tol kon vele meters ver weggegooid worden, dit werd slingeren genoemd. Met een zweep bestaande uit een houten stokje met daaraan een slagtouw, kon de tol dan in beweging gehouden worden.57 De eerste tol is van elzenhout (Alnus) en heeft een paddenstoelvorm (fig. 66). De tol is gedraaid met een rond gefacetteerde draaivoet en heeft een hoogte van 6,2 cm en een maximale diameter van 5,2 cm. De tweede tol is van esdoornhout (Acer platanoides) en heeft een bolle druppelvormige vorm (fig. 67). De tol is gedraaid, met aan de boven- en onderkant verdiepte, ingedraaide sierringen. De tol heeft een hoogte van 6 cm en een doorsnede van 5,5 cm.

Fig. 67: Druppelvormige tol van esdoornhout (Acer platanoides), schaal 1:2.

56

Vondstnummer 493.

57

Willemsen, 1998, 123.

61


Kleding Tot slot is er nog een kleine houten knoop in de beerput aangetroffen. Het is een ééngats-knoop met een diameter van 1 cm, hier op ware grootte afgebeeld (fig. 68). Eéngatsknopen zijn kleine ronde schijfjes met een gat in het midden, de knoopkernen. Deze werden omwonden met textieldraad.

Fig. 68: Houten ééngats-knoop (houtsoort onbekend), schaal 1:1.

Conclusie De houten voorwerpen uit de beerput zijn goed bewaard gebleven. Het handvol houten vondsten geeft een mooie dwarsdoorsnede van het dagelijks leven op en rond de scheepswerf in het begin van de 18e eeuw. De vondsten sluiten aan bij wat je op de combinatie van een woon- en ambachtelijke werkplaats kun verwachten. Er zijn enerzijds vondsten van huishoudelijke aard, gerelateerd aan eet- en drinkvoorziening, zoals het mesheft en de flessenstop. Typisch voor Vlaardingen als haringstad zijn anderzijds de haringtondeksel en daar mogelijk bijbehorende bodem. Een afgesprongen knoop is afkomstig van een kledingstuk van een van de bewoners of werklieden op het terrein. De reuring van spelende kinderen rond het ouderlijk huis en de werf zien we terug in de twee priktollen. Ten slotte zien we de scheepswerf zelf vertegenwoordigd in de houten pennen en spillen die gebruikt werden tijdens de bouw ter plaatse van haringbuizen of andersoortige schepen.

62

De vondsten - Hout


De vondsten - Hout

63


Textiel: wollen breisels en zijden weefsels (S.Y. Comis) Inleiding Gedurende de opgraving in Vlaardingen vonden medewerkers van VLAK in beerput S278 diverse textilia. Een deel van de textielvondsten kan op grond van begeleidende vondsten in de periode 1675/1715-1735 worden gedateerd.58 De textielfragmenten zijn zeer gefragmenteerd en in slechte staat. Een groot deel van de vondsten is door een mineralisatieproces in de loop der tijd verhard. Zowel de verharde vondsten als de soepele stoffen behoeven geen verdere behandeling. Vraagstelling en werkwijze Doel van het onderzoek is te achterhalen welke materialen en technieken zijn gebruikt. Om uitsluitsel over deze vragen te krijgen zijn alle fragmenten geanalyseerd op materiaal en weeftechnieken, waarna het minimum aantal weefsels kon worden vastgesteld (zie bijlage 4: Textilia). Bij elk weefsel werd verder gekeken naar kleur, afwerking en functie. Tevens werden de vondsten vergeleken met andere vondstcomplexen om eventueel vast of er sprake is van aanwijzingen voor ambachtelijke activiteit, importen, handelsnetwerken en om vast te kunnen stellen of de samenstelling van het vondstcomplex nadere informatie geeft omtrent de sociaaleconomische positie van de bewoners. Het textielonderzoek In totaal zijn bijna honderd textielfragmenten onderzocht waarvan 60 stuks die daadwerkelijk konden worden gedetermineerd.59 Verder zijn er nog 33 fragmenten die te klein zijn of een onduidelijke structuur hadden (bijlage 4).60 Het merendeel van de vondsten is gemaakt van wol. Voor slechts vier weefsels en zes garens is zijde gebruikt. Dierlijke vezels, zoals wol en zijde, blijven in Nederland in zure bodems met een hoge waterstand in een zuurstofarme omgeving goed bewaard. Linnen en katoenen weefsels, gemaakt van plantaardige vezels, zijn niet of slecht bestand tegen inwerking van bodemzuren. In de beerput S 278 ontbreken dan ook dergelijke textilia.

a

b

Fig. 69: a:Twist- en twijnrichting: Z- en S-getwiste draden; b: S(Z,Z)-getwijnde draad. 58

Vondstnummers 502, 505, 506 en 507

59

Uit vondstnummer 502.

60

Eveneens uit vondstnummer 502.

Voor de vervaardiging van textiel zijn meestal garens nodig die ontstaan door een pluk vezels uiteen te trekken en in een richting te draaien (=spinnen). Men kan in twee richtingen spinnen: in de Z-richting of de S-richting, dat wil zeggen dat de richting van de ineen gedraaide vezels overeenkomt met de schuine lijn in de hoofdletters Z of S (fig. 69). Met een enkele draad en twee of meer breinaalden kan men lussen en steken zodanig verbinden dat breiwerk ontstaat. Tijdens het breien kan men rechte en averechte steken breien. Combinaties van deze steken leveren een breiwerk met ribbels of met reliĂŤfmotieven op (fig. 73). Afhankelijk van het aantal steken en toeren per 10 cm spreekt men van grof (12-25 steken en 20-30 naalden per 10 cm), middelfijn (30-50 steken en 30-60 naalden per 10 cm) en fijn breiwerk (50-70 steken en 60-100 naalden per 10 cm). Weefsels bestaan uit twee dradenstelsels die elkaar loodrecht kruisen. Men spreekt hierbij van de ketting, bestaande uit draden die in de lengterichting van een weefsel lopen, en van de inslag, draden die in de breedterichting lopen. Het kruisen van de beide dradenstelsels, het weven, kan op verschillende manieren plaatsvinden. Zo kunnen bij de weefsels uit Vlaardingen twee basis/ weefsel-bindingen worden onderscheiden: effen- of platbinding en keperbinding (fig. 70). Bij de effen- of platbinding gaat de inslagdraad steeds over en onder een kettingdraad door. Bij de keperbinding gaat de inslagdraad over een en onder twee kettingdraden (driebindige keper K 1/2) of over twee en onder twee inslagdraden (vierbindige keper K 2/2). Bij elke inslag verspringt de draad waarbij de bindingspunten een schuine lijn in het weefsel vormen. Aan de lange zijkanten van een weefsel bevinden zich altijd zelfkanten, de plaats waar tijdens het weven de

a

b

Fig. 70: Schematische weergave weefselbindingen. a: effen- of platbinding: de witte inslagdraad gaat steeds over en onder een zwarte kettingdraad; b: vierbindige keper K 2/2.

De vondsten - Textiel

65


Fig. 71: Zijden garens, subnrs. 502a-f. Schaal 1:1.

Fig. 72: Zijden weefsels, subnrs. 502h-k. Schaal 1:1.

inslagdraad van richting verandert. Zelfkanten kunnen op verschillende wijzen worden gevormd: soms door een aantal kettingdraden wat dichter tegen elkaar te weven, door enkele dikkere kettingdraden te nemen of door de buitenste kettingdraden in een andere weefselbinding te weven. De kwaliteit van een weefsel hangt af van de wijze waarop de garens zijn gesponnen en het aantal draden per cm, hoe meer draden per cm hoe fijner de stof. De weefsels kunnen ingedeeld worden in drie categorieĂŤn: grove weefsels (tot 10 kettingdraden per cm), middelfijne weefsels (10-15 draden per cm) en fijne weefsels (meer dan 15 draden per cm). Deze indeling zegt echter niets over de kwaliteit; zo kunnen grove weefsels bestaan uit zeer regelmatig gesponnen garens terwijl fijne weefsels een onregelmatige structuur hebben omdat de garens slecht gesponnen zijn. Textiel werd tot het einde van de 19e eeuw geverfd met plantaardige grondstoffen die niet was- en/of lichtecht zijn. Bovendien lossen deze kleurstoffen in de zure bodems vrij snel op, waarna het textiel de bruine kleur van de grond aanneemt. Dit geldt voor vrijwel alle wollen en zijden stoffen uit de beerput. Alleen enkele zijden garens en een zijden weefsel hebben nu een goudgele kleur.

66

De vondsten - Textiel

Beschrijving van de textielvondsten Vulling A Volgens een eerste inventarisatie omvatte de textilia uit Vulling A (contextdatering: 1675/1715-1735), slechts vier stuks en een deel divers.61 Bij nadere beschouwing bleek het diverse deel te bestaan uit vele tientallen kleine brokstukjes weefsels, breiwerk en garens. Na microscopische analyse was het mogelijk het minimum aantal textilia vast te stellen. Zo zijn er zes zijden draden, een stuk wollen breiwerk en vier zijden en elf wollen weefsels te onderscheiden (bijlage 4). Alle zijden garens bestaan uit twee enkelvoudige Z-getwiste draden die in S-richting zijn getwijnd (subnrs. 502a–f, fig. 71). De dikte van deze garens varieert van 0,4 tot 1,0 mm. Het ontbreken van kleine golvingen die ontstaan kunnen zijn door naaien of weven, duidt erop dat dit hoogstwaarschijnlijk afgeknipte restjes zijn van naaigarens. Het wollen breiwerk (subnr. 502g), behoort tot de categorie middelfijn breiwerk met 45 steken en vijftig naalden per 10 cm. Het breigaren is S(Z,Z)-getwijnd. Hoe het breisel is vervaardigd is door de geringe afmetingen niet vast te stellen. Voor de basis is de rechte steek gebruikt terwijl als versiering sierstrepen

61

Vondstnummer 502.


Fig. 73: Breiwerk in tricotbinding, met twee sierstrepen, elke streep vervaardigd door boven elkaar 2 steken recht en 2 steken averecht te breien (subnr. 506a, voor- en achterzijde).

als reliĂŤfmotief zijn ingebreid. Bij twee van de zestien fragmentjes is namelijk een deel van een sierstreep aanwezig. Deze sierstreep is twee steken breed en is ontstaan door boven elkaar steeds twee steken recht en twee steken averecht te breien. De vier zijden weefsels zijn door de slechte conservering moeilijk te analyseren (subnr. 502h-k, fig. 72). Bij een klein fijn weefsel met zelfkant is sprake van effenbinding, maar het is onduidelijk of deze binding kenmerkend is voor het basisweefsel of voor de zelfkant. Een ander zijden weefsel zou geweven kunnen zijn in een keperbinding, van de overige twee weefsels is de binding niet vast te stellen. Duidelijk is wel dat alle zijden stoffen tot de categorie fijne weefsels horen (meer dan vijftien kettingdraden per cm).

De elf wollen weefsels zijn vervaardigd in effen- of platbinding (zeven stuks) en vierbindige keper K 2/2 (vier stuks, subnrs. 502l-v). EĂŠn weefsel (subnr. 502l) behoort met 5-6 Z-getwiste ketting- en 4-5 Z-getwiste inslagdraden per cm tot de categorie grove weefsels in effenbinding. De overige weefsels behoren tot de middelfijne of fijne stoffen waarbij wel opvalt dat bijna alle keperweefsels tot de fijnste stoffen behoren. Een wollen weefsel is in zeer slechte staat waardoor de binding niet is vast te stellen (subnr. 505). Tot vondstnummer 506 behoren twee textilia, waaronder twee fragmenten breiwerk (subnrs. 506a, fig. 73). Een van deze fragmenten heeft twee sierstrepen die op dezelfde wijze zijn vervaardigd als de ingebreide strepen van het breiwerk met subnr. 502g. Toch wijken De vondsten - Textiel

67


Fig. 74: Sterk vervilt wollen weefsel, subnr. 506b, voor- en achterzijde.

Fig. 75:Touwfragmenten, subnr. 502.

deze twee fragmenten af omdat subnr. 506a van fijnere kwaliteit is met 60 steken en 80 naalden per 10 cm. Ondanks dat het feit dat fragment subnr. 506b aan beide zijden sterk is vervilt, is op een enkele plek zichtbaar dat hier sprake is van een fijne stof die is geweven in vierbindige keper K 2/2 (fig. 74). Behalve de gewone weefselfragmenten is in Vulling A ook een wollen bandje62 aangetroffen dat, gezien de aanwezigheid van twee zelfkanten, een breedte heeft van 1,2 cm. Ondanks de slechte staat waarin dit lintje zich bevindt is nog zichtbaar dat het waarschijnlijk is geweven in een soort spitskeper. Beschrijving van de touwvondsten In de Vulling A van de beerputten bevonden zich ook enkele touwfragmenten, die niet verder onderzocht konden worden omdat ze door mineralisatie verhard zijn (fig. 75). Touw werd in die tijd gemaakt van vlas, hennep of andere plantaardige vezels. Analyse van de vezelsoort is door de verharding, die in de loop der tijd heeft plaatsgevonden, niet mogelijk.

62

Vondstnummer 507.

Conclusie Gezien de kwaliteit van de wollen en zijden textilia zullen de meeste stoffen in Nederland zijn vervaardigd. Mogelijk zijn één of meerdere zijden weefsels geïmporteerd uit Frankrijk of Italië. De textilia uit Vlaardingen komen eerder overeen met een huishouden van een eenvoudige burger en niet van een zeer rijke bewoner gezien het geringe percentage zijde, wat meestal een indicatie van rijkdom is. Helaas is het textiele vondstcomplex te klein om echte uitspraken te doen.


69


70


Leer: een afgetrapte kinderschoen (M. Rijkelijkhuizen) Inleiding In Vulling A van de beerput met daarin vondsten uit de tweede helft van de 17e eeuw en het eerste kwart van de 18e eeuw zijn onderdelen van een leren schoen aangetroffen. Leren schoenen werden reeds in de prehistorie vervaardigd en de wijze van vervaardiging heeft een lange ontwikkeling ondergaan. Vanaf de vroege middeleeuwen ontstond de aparte zool en langzamerhand kwamen er verschillende bevestigingsmethoden. In de Nieuwe Tijd werden

schoenen niet meer binnenstebuiten in elkaar genaaid, zoals in de middeleeuwen en ontstonden er eveneens dubbele zolen. Ook de snijpatronen van de schoenen en de schoentypen veranderden wederom in de Nieuwe Tijd. De puntige neus verdwijnt en vanaf het midden van de 17e eeuw kwam de hak in de mode. In de Nieuwe Tijd werden schoenen bovendien in toenemende mate vervaardigd van andere materialen, zoals verschillende soorten textiel.63

Fig. 76: Kinderschoen uit de beerput; rand, binnenzool (onderzijde, nerfzijde), delen bovenleer (versteviging van de neus, vleeszijde, buitenzijde; hielversteviging nerfzijde, binnenzijde), tussen- en buitenzool (tussenzool bovenzijde, nerfzijde; buitenzool, onderzijde), schaal 1:2.Tekening: Marloes Rijkelijkhuizen.

63

Goubitz 2007; 2011.

71


Fig. 77: Kinderschoen uit de beerput, schaal 1:1.

De schoen uit de beerput Van de schoen zijn verschillende onderdelen gevonden (fig. 76 en 77). Aanwezig zijn de zool en enkele delen van het bovenleer. De zool bestaat uit drie lagen leer en aan de hiel- en voorzijde zijn extra aparte stukken leer onder de buitenzool bevestigd. Deze extra delen aan de hiel- en voorzijde zijn vastgezet door middel van houten pennen. Voor 1800 werden houten pennen gebruikt, hierna werden vaak metalen nagels gebruikt. Dit komt overeen met de gegeven datering van de inhoud van de beerput.64 In deze periode zijn schoenen nog met de hand gestikt. Door middel van een brede dubbelgevouwen rand was het bovenleer en

64

Blom 2011.

de binnenzool aan de tussen- en buitenzool bevestigd. De lengte van de binnenzool is circa 14 cm, de lengte van de buitenzool circa 15 cm. Het betreft een kinderschoen. Van het bovenleer zijn slechts enkele delen aanwezig. Het hielpand werd vaak opgebouwd uit meerdere lagen en slechts de driehoekige hielversteviging, oorspronkelijk aan de binnenzijde van de schoen bevestigd, is aanwezig. Deze hielversteviging was waarschijnlijk circa 4,5 tot 5 cm hoog. Daarnaast is een klein deel van het voorpand aanwezig, dit betreft


waarschijnlijk een versteviging van de neus. De rest van de schoen en de bevestigingswijze ontbreekt. Hierdoor is niet te bepalen tot welk schoentype de schoen behoort. De schoen is gemaakt op een rechte leest, dat wil zeggen dat de schoen symmetrisch is en de linker- en de rechterschoen hetzelfde waren. Door de slijtage is af te leiden dat het waarschijnlijk een linkerschoen betreft. De aangetroffen onderdelen van de schoen zijn gemaakt van rundleer. Het leer is goed bewaard gebleven in de bodem en op sommige plaatsen zijn restanten van de draad aanwezig in de stikselnaden. Mogelijk waren ook andere materialen gebruikt voor de vervaardiging van de schoen. Het is niet met zekerheid vast te stellen of het een eenvoudige schoen betreft, omdat delen van de schoen ontbreken. Conclusie Er zijn enkele onderdelen uit de beerput opgegraven die behoren tot een kinderschoen. Door het ontbreken van delen van de schoen en de wijze van bevestiging is het schoentype niet te bepalen. De schoen is gemaakt op een rechte leest en gemaakt van rundleer. Mogelijk is de schoen gemaakt van een combinatie van leer en andere materialen. Aanbeveling voor conservering Schoenen uit de 18e eeuw zijn relatief weinig opgegraven/beschreven. De oorzaak hiervoor is onder andere dat schoenen uit de 18e en 19e eeuw vaak van andere materialen vervaardigd werden, of van leer dat op andere wijze is gelooid.65 De aanwezige delen zijn goed bewaard gebleven in de bodem en op sommige plaatsen zijn resten van de draad in de stikselgaten aanwezig. Het is daarom aan te bevelen de schoen te conserveren door middel van basisconservering (m.b.v. PEG). Aangezien het bovenleer van de schoen niet compleet is, wordt restauratie (reconstructie) niet aangeraden.

65

Goubitz 2001; 2007.

De vondsten - Leer

73


74


Bewerkt bot, barnsteen en git (M. Rijkelijkhuizen) Inleiding Uit de beerput, gedateerd in de 18e eeuw, zijn een tweetal knopen en fragmenten van vier kralen aangetroffen. De knopen en kralen zijn gemaakt van dierlijke en natuurlijke materialen, zoals bot, barnsteen (gefossiliseerde hars) en git (gefossiliseerd hout). Knopen Knopen konden gebruikt worden om de kleding te sluiten, maar werden tevens als versiering van de kleding gebruikt. Knopen werden van verschillende materialen vervaardigd, zoals hout, metaal, bot of ivoor. Verschillende typen worden onderscheiden aan de hand van de bevestigingsmethode van de knoop aan de kleding.66 Kleine ronde schijfjes met een gat in het midden zijn zogenaamde knoopkernen (type 1); deze werden omwonden met bijvoorbeeld textieldraad. Een tweede type zijn knopen met een oog aan de achterzijde ter bevestiging aan de kleding. Hierna kwamen knopen met ogen, zoals de knopen die nu nog gebruikt worden (type 3). De knopen kunnen aan de hand van het type gedateerd worden. Knoopkernen en knopen met een oog komen voornamelijk voor in de 18e eeuw, terwijl knopen met gaten vooral in de 19e en 20e eeuw gebruikt werden. Er zijn twee knopen met een oog aan de achterzijde aangetroffen (fig. 78). De beerput is aan de hand van het aardewerk gedateerd in de 18e eeuw, wat overeenkomt met de periode waarin dergelijke knopen het meest voorkomen. De knopen werden veelal gemaakt van bot of noot (Attalea funifera spec.).67 Beide knopen uit de beerput zijn gemaakt uit het compacte bot (compacta) van een bot van een groot zoogdier. Aan de achterzijde is bij beide knopen een roze/rode kleurstof zichtbaar, wat duidt op het gebruik dat dergelijke knopen ook gekleurd werden. De diameter van beide knopen is 20,8 mm; de dikte inclusief oog 8,8 en 7,7 mm.

Kralen In dezelfde beerput is een viertal kralen aangetroffen (fig. 79). Twee kralen zijn gemaakt van barnsteen. Barnsteen is gefossiliseerd hars dat gevonden wordt aan de kust en gebruikt werd voor kleine ornamenten, zoals sieraden en kralen. Barnsteen heeft een donkergele tot oranje of rode kleur. De complete kraal is niet volledig rond en heeft een diameter van circa 8,7 tot 9,5 mm. De dikte, gemeten van oog tot oog, is 9,1 mm. De tweede kraal is gebroken, maar de dikte is 8,2 mm. Het materiaal van een derde kraal kon niet met zekerheid gedetermineerd worden. Het betreft een fragment van een kleine rode kraal. De vierde kraal is geheel zwart van kleur en het oppervlak is bewerkt in vele kleine facetten. De facetten hebben vier tot zes zijden. De grondstof die voor deze kraal gebruikt is, is git. Git is gefossiliseerd hout en heeft een zeer zwarte kleur. Ook dit materiaal werd veelvuldig gebruikt voor sieraden en kralen. De diameter is 9 tot 9,4 mm; dikte is 7,4 mm

Fig. 79: Kralen van barnsteen en git, schaal 1:1

Conclusie In de beerput zijn twee knopen van bot en fragmenten van vier kralen opgegraven. De twee knopen bevestigen de datering van de inhoud van de beerput in de 18e eeuw. Opmerkelijk is de roze/rode kleurstof die nog aanwezig is aan de achterzijde van de knopen. De aanwezigheid van deze kleurstof toont aan dat knopen in de 18e eeuw gekleurd werden. De kralen zijn gemaakt van barnsteen en git, materialen die vaker gebruik werden voor de vervaardigen van sieraden en kralen, maar die niet in elk huishouden zullen voorkomen.

Fig. 78: Benen knopen met oog aan de achterzijde, schaal 1:1.

66

Gebaseerd op Rijkelijkhuizen 2004.

67

Rijkelijkhuizen & Van Wijngaarden 2006.

De vondsten - Bewerkt bot, barnsteen en git

75


76


Natuursteen: een wetsteen en een zwerfkei (M.J.A. Melkert) Inleiding Uit de beerput op de scheepswerf aan de Havenstraat zijn slechts twee vondsten natuursteen geborgen: één uit de gebruiksfase (Vulling A) en zeven bijeen horende fragmenten uit de fase van het dichtgooien van de beerput (Vulling C).68 Methodiek Natuursteen wordt standaard ingedeeld in bewerkt en onbewerkt materiaal, waarbij in de eerste categorie alle stenen vallen met productie- of gebruikssporen. De twee vondsten zijn macroscopisch, met het blote oog en een handloep, op steensoort gedetermineerd en, indien bewerkt, op artefactgroep geclassificeerd.69 Voor beide zijn zowel het vormtype (artificieel, breuksteen, zwerf/veldsteen, grind, brok) als de vorm genoteerd (plat, blok, bol, onregelmatig, etc.), naast afmetingen, eventuele bewerkings- en gebruikssporen, compleetheid, conservering en bijzonderheden.

muscoviet. Dit alles wijst op een herkomstgebied met een lage graad van metamorfose, zoals dat met name voor het grootste deel van de Ardennen geldt (en niet voor het Rijnland). Het wetsteentje zal daarom zeer waarschijnlijk via de Maas zijn aangevoerd, mogelijk uit de omgeving van Vielsalm. Daar waren van oudsher en nog tot in de vorige eeuw, groeven en productiecentra voor wetstenen.72 De wetsteen zelf heeft geen daterende kracht, maar de tabakspijpen uit deze gebruiksfase hebben een datering tussen 1715 en 1735 en het aardewerk dateert tussen ca. 1660 en 1725.

Vulling A De gebruiksfase heeft een compleet, staafvormig, geïmporteerd wetsteentje opgeleverd van donkergrijze leisteen (fig. 80).70 Dit stuk slijpgereedschap heeft afmetingen van 90 x 16 x 8 mm en een rechthoekige doorsnede. De conservering is goed. Een doorboring of insnoering is niet aanwezig, wel zijn op beide platte uiteinden met een loep nog productiesporen te zien in de vorm van fijne, parallelle en iets gebogen krassen. De ribben zijn niet afgerond en de vlakken niet zichtbaar af- of uitgeslepen, en toch is de wetsteen intensief gebruikt, want zowel op de twee brede vlakken als op de twee zijkanten zijn talloze, grotendeels ongeoriënteerde krasjes aanwezig. Ook deze vallen met het blote oog nauwelijks op en komen pas bij een 10x vergroting duidelijk aan het licht. Uit de combinatie van krasjes en het ontbreken van afgeslepen vlakken blijkt dat de wetsteen niet zozeer is gebruikt om scherpe voorwerpen mee te wetten (i.e. het slijpen van een mes) als wel om materiaal mee te polijsten. Dit moet vrij zacht materiaal zijn geweest, bijvoorbeeld hout of bot, want de leisteen waarvan het werktuig is gemaakt is van een zachte leisoort. De steen bevat weinig kwarts en zal vooral uit sericiet bestaan.71 Deze bladvormige sericietmineraaltjes zijn zo klein dat ze alleen met een petrografische microscoop te onderscheiden zijn. Een fyllitische glans ontbreekt dan ook - die wordt veroorzaakt door grotere mica’s zoals

Vulling C De tweede steen is van een andere orde. Dit is een gefragmenteerde, onbewerkte steen waarvan twee grote en vijf kleinere fragmenten aanwezig zijn (fig. 81). Vier kunnen aan elkaar worden gepast en de overige drie zijn van dezelfde steensoort en zullen zeker van dezelfde steen afkomstig zijn. De twee grootste stukken samen meten 180 x 155 x 89 mm; de complete steen zal nog groter zijn geweest en in de categorie ‘kei’ vallen (groter dan 20 cm). Verder laat vooral het grootste fragment een duidelijke, gladde afronding zien. Deze doet denken aan zwerfstenen die met rivieren getransporteerd zijn zoals Maaskeien, ook wel zuidelijke zwerfstenen genoemd.73 De stenen uit de Maasafzettingen zijn echter van harde steensoorten en dat is deze steen niet: het is een zachte, dun gebankte en waarschijnlijk kleirijke siltsteen. Net als de lei van de wetsteen is ook deze siltsteen licht metamorf, zoals te zien aan de ontwikkeling van een vage tweede oriëntatie. De steen is nauwelijks poreus, licht kalkhoudend en bevat ook ijzermineralen, want er is veel roestvorming opgetreden. Breuk vond plaats via de laagvlakken van de

68

Vulling A (werkput 2, spoor 278, vnr 502): wetsteen; Vulling C (werkput

72

Devleeschouwer et al. 2005; Goemaere 2007.

1, spoor 278): zeven fragmenten van een grote, afgeronde steen waarvan

73

Kruizinga 1918; Louwe Kooijmans 1974; Broertjes 1992.

Fig. 80: Wetsteen van donkergrijze leisteen, schaal 1:1.

minimaal vier passend. 69

Slijpgereedschap: naar Kars 1983 en Kars 2001.

70

Wetstenen vallen onder het slijpgereedschap. (Zie voor een classificatie Kars 1983; Kars 2001)

71

Sericiet is een verzamelnaam vooreen groep kleimineralen tot hele kleine mica’s.

De vondsten - Natuursteen

77


Fig. 81: Zwerfsteen, schaal 1:2.

dunne bankjes, maar ook wel via andere richtingen en de fragmentatie lijkt zich bovendien nog door te zetten: er zijn verschillende scheuren aanwezig, waarlangs de steen verder zal afbrokkelen. Een dergelijke zachte steen, die zo makkelijk in brokken uiteenvalt, kan niet over grote afstand met water getransporteerd zijn. De steen zou wel als ballast in een schip gediend kunnen hebben en vervolgens hier gedumpt – zwerfstenen werden wel vaker als ballast meegenomen.74 Een dergelijke toepassing leent zich ook goed voor een locatie als een scheepswerf. Ballast of niet, dit soort grote stenen is niet aanwezig in de ondiepe ondergrond rond Vlaardingen en zal door menselijke activiteiten naar de plek gebracht zijn. Niet bewerkt, maar wel gebruikt dus. Uit de aardewerkdateringen blijkt dat dit gebruik zich waarschijnlijk in of voor het tweede kwart van de 19e eeuw heeft afgespeeld - toen is de beerput dichtgegooid.

74

Zie Zandstra 1972; Reinders et al. 1986.

Conclusie De twee vondsten van natuursteen betreffen een artefact (wetsteen) en een in stukken gebroken kei. De wetsteen is gebruikt tijdens de gebruiksfase van de beerput voor het polijsten van een zachte materiaalsoort als hout of bot, en niet, zoals de naam doet vermoeden, voor het wetten (slijpen) van een mes. Alhoewel de kei niet door mensenhanden is bewerkt kan deze mogelijk toch als gebruiksvoorwerp hebben gediend als ballast in een schip. Natuursteen komt niet voor in de Vlaardingse bodem. Beide vondsten zijn van een steensoort uit zuidelijker streken, respectievelijk uit de Ardennen en mogelijk de Maasvallei. Beiden zijn dan via de handelscontacten van de riviervaart over de Maas naar Vlaardingen getransporteerd.


79


80


Dierlijke resten: haring, schol en schelvis (D.C. Brinkhuizen & E. Esser) Inleiding Uit de beerput komen niet alleen vondsten van aardewerk, glas, textiel etc., maar ook dierlijke resten. Dat komt omdat de omstandigheden voor conservering van bot ter plaatse gunstig waren, zo gunstig zelfs dat het merendeel van de resten goed bewaard is gebleven en zelfs veertjes zijn gevonden. Omdat de dierlijke resten tijdens het leeghalen van de beerput niet alleen met de hand zijn verzameld, maar ook afkomstig zijn uit zeefresiduen van botanische monsters, zijn tevens kleine dierlijke resten verzameld die anders over het hoofd zouden zijn gezien. Hierdoor krijgen we een goed inzicht in de wijze waarop de beerputgebruikers met dieren omgingen. Materiaal en methode Om antwoord op de onderzoeksvragen te kunnen geven die in hoofdstuk 1 zijn gesteld, is van de resten eerst het type skeletelement bepaald. Daarna werden de elementen tot op soort, geslacht of familie gedetermineerd. Dit geschiedde door de botfragmenten te vergelijken met het corresponderende element uit het skelet van dieren waarvan de soort bekend is.75 Bij de vissen is de publicatie van Wouters, Muylaert & Van Neer (2007) gebruikt voor het op soort determineren van bepaalde resten van schol/bot/schar (Pleuronectes spec.). Voor de wetenschappelijke en inheemse naam van de vissoorten en visfamilies werd gebruik gemaakt van de publicatie van Nijssen & de Groot en De Nie.76 De diverse botfragmenten zijn geteld.77 Bij de geconsumeerde zoogdieren is tevens het gewicht van de resten vastgesteld, omdat het gewicht een maat is voor de hoeveelheid vlees die om de botten zit. Daarnaast is gekeken of een element informatie verschaft over de leeftijd waarop dat dier is geslacht of gestorven en of er snijsporen te zien zijn, of tekenen van vraat of iets dergelijks. De gegevens betreffende dit onderzoek zijn terug te vinden in bijlagen 5.1 en 5.2.78 Voor de berekening van de totale lengte van de vissen van Vlaardingen locatie Galeiwerf werd de proportional method gebruikt. Deze methode, die door Brinkhuizen verhoudingsmethode is genoemd79, is beschreven door Casteel.80 Aangenomen wordt dat de relatie tussen de grootte van een bepaald skeletelement en de totale

75

Hiervoor is de vergelijkingscollectie gebruikt van Archeoplan Eco te Delft

lengte van de vis lineair is volgens de vergelijking: TL = α x M. Hierin is M de lengte (breedte, hoogte) van dat skeletelement en TL de totale lengte van het individu. Het verhoudingsgetal (de factor α) geeft de helling van de rechte aan. Deze gaat door de oorsprong. De methode wordt toegepast als van een vissoort slechts één recent vergelijkingsexemplaar aanwezig is of slechts een klein aantal min of meer even lange vergelijkingsexemplaren beschikbaar zijn. Daarnaast is berekening volgens de verhoudingsmethode het eenvoudigst en snelst voor het verkrijgen van een indicatie over de totale lengte van het individu. Algemeen In totaal zijn 971 botfragmenten bestudeerd. Van deze zijn 949 fragmenten met de hand verzameld of verzameld bij het zeven van de beerputvulling over een maaswijdte van 4-5 mm. Daarnaast zijn 22 fragmenten aangetroffen in een botanisch monster die met een 1-2 mm zeef werd gezeefd. Zeker is dat zich aanzienlijk meer resten in dit monster bevinden, maar deze zijn niet apart verzameld.81 Dit betekent evenwel dat het resultaat van het onderzoek van de 1-2 mm zeeffractie niet in detail wordt behandeld, maar beperkt is tot een opmerking over spiering, een soort waarvan de resten niet zijn aangetroffen in het materiaal van de 4-5 mm fractie. Naast dierlijk bot zijn ook eierschaalfragmenten en veertjes gevonden. Vulling A Verreweg de meeste dierlijke resten komen uit Vulling A. Tabel 6 (p. 84) geeft een overzicht wat daarin is aangetroffen. De resten zijn in twee groepen te verdelen, voedselafval en ‘huishoudelijk’ afval. Het voedselafval geeft een beeld van het voedsel dat de gebruikers van de beerput hebben gegeten. Het ‘huishoudelijke’ afval laat zien welke dieren in de omgeving van de bewoners hebben geleefd en hoe de bewoners ermee omgingen. Huishoudelijk afval Tot de laatste groep, het ‘huishoudelijke’ afval, zijn de kat en de knaagdierresten te rekenen. De resten van de kat zijn afkomstig van een heel jong dier, een kitten. Kennelijk hielden de bewoners katten en is een van de jongen overleden en in de put gegooid; of daar zelfs in verdronken.

81

Mondelinge mededeling van archeobotanicus dr. O. Brinkkemper.

en die van Dick Brinkhuizen te Groningen. 76

Nijssen & de Groot, 1987; De Nie, 1996.

77

Aan elkaar passende of bij elkaar horende fragmenten zijn als één geteld.

78

De codering van de gegevens gebeurde aan de hand van de AHR-module Zoölogie 2003 en het Laboratorium Protocol Archeozoölogie van de voormalige ROB (Lauwerier 1997).

79

Brinkhuizen, 1989, 53.

80

Casteel, 1976, 104.

De vondsten - Dierlijke resten

81


Fig. 82: Huismuis (Mus musculus).

Wellicht moesten de katten het ongedierte in en rondom het huis bestrijden. Er zijn namelijk ook resten van de huismuis, de woelrat en de bruine rat gevonden, dieren die men niet graag om zich heen had. De huismuis (fig. 82) is een alleseter die zich graag ophoudt op plaatsen waar gemakkelijk voedsel is te vinden, zoals huizen, schuren en erven. Hij is vooral ’s nachts actief. Dat laatste geldt ook voor de bruine rat (fig. 83). Ook dit dier vertoeft graag in de directe omgeving van de mens en ook hij doet zich tegoed aan alles wat hij tegenkomt.

Fig. 83: Bruine rat (Rattus norvegicus).

Er zijn van de rat achttien skeletresten gevonden die allemaal afkomstig zijn van hetzelfde dier. De bruine rat heeft niet altijd in onze contreien geleefd. Hij komt oorspronkelijk uit Azië en is pas in de 18e eeuw voor het eerst in Europa gesignaleerd. Waarschijnlijk is hij samen met de scheepvaart vanuit Siberië of China hier terechtgekomen. Omdat het erg onduidelijk is wanneer dat precies is gebeurd, kan het voorkomen van dit dier helaas niet worden gebruikt om de vulling van de beerput te dateren.82 In de beerput is ook een bekken van een woelrat gevonden. De woelrat (fig. 84) is een vrij groot dier van zo’n 18-19 cm met een vrij lange staart. Hij is vooral te vinden in de buurt van stilstaand water, bijvoorbeeld greppels, maar komt ook in boomgaarden en akkers

82

Ervynck, Meillander & van de Walle 1991, 45.

Fig. 84: Woelrat (Arvicola terrestris).

voor. Woelratten hebben een voorkeur voor steile oevers die met gras zijn begroeid. De dieren kunnen goed zwemmen. Huismuizen, bruine ratten en woelratten zorgen voor overlast en zijn schadelijk voor de menselijke gezondheid. Ze eten ons voedsel en hun uitwerpselen veroorzaken vervuiling en zijn een bron van ziekten. Woelratten graven bovendien gangen en kunnen schade aan fruitbomen aanrichten omdat ze de wortels aanknagen. Kennelijk heeft men een poging gedaan zich van dit ongedierte te ontdoen en zijn daardoor resten van deze dieren in de beerput terechtgekomen. In de beerput zijn ook twee bikkels aangetroffen (fig. 85). Bikkels werden gebruikt bij het bikkelen, een behendigheidspel, waarbij meestal dierlijke sprongbeentjes dienstdeden als bikkel. Het ene sprongbeentje is afkomstig van een schaap of geit, het andere van een ree. Waarschijnlijk zijn deze botjes afkomstig uit voedsel dat eens is gegeten, maar zijn ze daarna gebruikt om ermee te spelen. Een aanwijzing daarvoor vormt de patina die op de botjes is te zien, dat wil zeggen een beetje vettige glans die normaliter niet op botten aanwezig is. Tevens lijken de hoeken een beetje afgerond. Dat één van de bikkels niet van een schaap is, maar van een ree, is bijzonder. Het sprongbeen kan oorspronkelijk deel hebben uitgemaakt van een op tafel geserveerde reebout. Dergelijk voedsel verscheen echter zelden op


Fig. 85: Bikkels van ree (boven) en schaap of geit (onder), schaal 1:1.

Fig. 86: Brilduiker (Bucephala clangula).

tafel en zeker niet bij iedereen. Grofwild was namelijk een luxeartikel en in de 17e en begin 18e eeuw nog min of meer voorbehouden aan de adel; of in ieder geval (zeer) welgestelde lieden.83 Omdat bikkels van hand tot hand gingen, hoeft de vondst er zeker niet op te wijzen dat de beerputgebruikers een reebout hebben gegeten en tot de upper class van Vlaardingen behoorde. Wat wel op tafel verscheen in het huishouden blijkt uit de overige resten die in de beerput zijn gevonden.

vogel. Het is waarschijnlijk afkomstig van een brilduiker (Bucephala clangula), een vrij kleine eendensoorten met een opvallend uiterlijk (fig. 86). De brilduiker is in Nederland een schaarse broedvogel, maar in de wintermaanden verblijven er duizenden in de natte gebieden van ons land.

Voedselafval Het voedselafval beperkt zich voornamelijk tot visresten. Zij komen hieronder dan ook volop ter sprake. De hoeveelheid resten van zoogdieren en vogels is zeer beperkt en tonen eigenlijk alleen maar aan dat het vlees van zowel runderen, schapen of geiten als varkens is gegeten.84 De consumptie betrof met name ribstukken; maar gezien het tongbeenfragment van een schaap en een (vergroeid) tweede teenkootje van een varken stonden ook schapentong en varkenspootjes op het menu.85 Het gevogelte bestond uit eend en gans. Of het daarbij ging om wilde of tamme eend (Anas platyrhynchos/ domesticus) of grauwe of tamme gans (Anser anser/ domesticus), wordt uit de skeletresten niet duidelijk. Soms zijn de skeletelementen zo groot dat het wel om tamme exemplaren moet gaan. Maar meestal, zoals hier, geeft de afmeting van de skeletelementen daar geen uitsluitsel over. Eén loopbeen is wel van een wilde

Fig. 87: Schol (Pleuronectes platessa).

Opvallend in het vondstcomplex is het ontbreken van kipresten. Kip wordt in de 17e-18e eeuw veel gegeten. Het heeft in de loop van tijd de eend en de gans van de eerste plaats verdrongen. Dat gebeurde eerst bij de welgestelde lieden; pas later ging ook de gewone man vooral kip eten.86 Hier op deze Vlaardingse werf werd kennelijk nog steeds eend gegeten. De conserveringsomstandigheden in de beerput waren zo goed dat er ook drie veertjes zijn gevonden. Het bleek helaas niet mogelijk om deze veertjes op soort te brengen. Het herkennen van een vogel aan zijn veren is slechts mogelijk aan de hand van enkele kenmerkende veren en deze ontbreken helaas. Vis De 22 resten uit het botanische monster konden alle gedetermineerd worden. Hieronder bevinden zich negen resten van spiering (Osmerus eperlanus). Van deze soort weten we dat de resten ervan door hun minieme grootte vrijwel alleen met een fijnmazige zeef (maaswijdte 2 mm en kleiner) verzameld kunnen worden.

Fig. 88: Bot (Platichthys flesus).

83

Swaen, 1948.

84

Hoewel er bij de aangetroffen skeletelementen eigenlijk geen onderscheid

Fig. 89: Schar (Limanda limanda).

gemaakt kan worden tussen schaap of geit, betreft het hier waarschijnlijk resten van schaap omdat geitenvlees weinig werd gegeten. 85

Het varken is minstens één jaar oud geworden (Habermehl 1975).

86

Bult & Robbers 1992, 138-139.

83


Tabel 6:Vlaardingen locatie Galeiwerf: aantal resten per soort/familie naar verzamelwijze n zeef betreft de resten op de 1-2 mm zeef; n: aantal; g: gewicht in grammen

Vulling A Zoogdier

Vogel

Zoetwatervis

Trekkende vis

Soort

n

Bos taurus

2

87,7

rund

Ovis aries/Capra hircus

2

8,1

schaap/geit

Sus domesticus

3

1,3

varken

Capreolus capreolus

1

5,2

ree

Felis catus

2

kat

Arvicola terrestris

1

woelrat

Mus musculus

2

huismuis

Rattus norvegicus

18

medium mammal

6

13,4

middelgroot zoogdier

mammal indet.

10

3,8

zoogdier, indet.

Subtotaal

47

119,5

Anas platyrhynchos/dom.

11

Bucephala clangula

1

brilduiker

Anser spec.

1

gans

Vis

n

g

bruine rat

1

wilde/tamme eend

7

Subtotaal

20

Abramis brama

2

brasem

Blicca bjoerkna

4

blei

Cyprinus carpio

1

karper

Leuciscus leuciscus

3

serpeling

Scardinius erythrophthalmus

1

rietvoorn

Cyprinidae

5

Perca fluviatilis

9

Subtotaal

25

1

Anguilla anguilla

8

4

paling

9

spiering

Subtotaal

8

13

Raja montagui

1

vogel, indet. 1

1

karperachtigen baars

gevlekte rog

Clupea harengus

243

6

haring

Sardina pilchardus

11

2

sardien

Clupea harengus/Sardina pilchardus

54

haring/sardien

Gadus morhua

21

kabeljauw

Melanogrammus aeglefinus

126

schelvis

Gadidae

69

kabeljauwachtigen

Trigla lucerna

1

rode poon

Psetta maxima

1

tarbot

Pleuronectes platessa

50

schol

Platichthys flesus

4

bot

Limanda limanda

2

schar

Pleuronectes platessa/P. flesus

78

schol/bot

Pleuronectidae

128

scholachtigen

Subtotaal

789

Pisces indet.

59

Totaal

84

g

aves indet.

Osmerus eperlanus

Zeevis

n zeef

Vulling B

948

De vondsten - Dierlijke resten

8 vis, niet te determineren 22

1


Tabel 7:Vlaardingen locatie Galeiwerf: geschatte en berekende totale lengtes (in cm)

10-15

15-20

20-25

25-30

30-35

35-40

40-45

45-50

50-60

95-105

105-115

Brasem

x

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

Kolblei

-

x

x

-

-

-

-

-

-

-

-

Karper

-

x

-

-

-

-

-

-

-

-

-

Serpeling

x

-

x

-

-

-

-

-

-

-

-

Rietvoorn

x

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

Baars

x

x

-

-

-

-

-

-

-

-

-

Paling

-

-

-

-

-

-

-

-

x

-

-

Haring

-

-

x

x

x

-

-

-

-

-

-

Sardien

-

-

-

x

-

-

-

-

-

-

-

Kabeljauw

-

-

-

-

-

-

-

-

-

x

x

Schelvis

-

-

-

-

-

x

x

x

-

-

-

Rode poon

-

-

-

-

-

-

x

-

-

-

-

Tarbot

-

-

-

-

-

-

-

x

-

-

Schol

-

-

-

-

x

x

x

x

x

-

-

Bot

-

-

x

x

-

-

x

-

-

-

-

Schar

-

-

-

x

-

-

-

-

-

-

-

Van het overige materiaal zijn 59 resten niet determineerbaar. Dit vertaalt zich in een determinatiepercentage van 93,3 %. In tabel 6 zijn de gevonden soorten en families vermeld. Duidelijk is dat verreweg de meeste van de gedetermineerde resten toebehoren aan zeevissoorten (96%). Het talrijkst binnen deze groep soorten zijn resten van de platvissen schol (Pleuronectes platessa, fig. 87), bot (Platichthys flesus, fig. 88) en schar (Limanda limanda, fig. 89) (totaal 31,9 %).87 Daarna volgen haring (Clupea harengus, fig. 90 en 91; 29,6 %) en schelvis (Melanogrammus aeglefinus, fig. 92 en 93; 15,3 %). De aantallen resten van soorten van het zoete water en trekkende soorten zijn zeer laag (resp. 3,0 % en 1,0 %). Binnen de zoetwatervissen zijn resten van de karperachtigen (brasem, kolblei, karper, serpeling, rietvoorn en niet-nader gedetermineerde karperachtigen) iets talrijker dan die van baars (resp. 1,9 % en 1,1%). Opmerkingen over enige soorten Het is voor het eerst dat bij een opgraving in Nederland resten van sardien (Sardina pilchardus, fig. 94 en 95) zijn aangetroffen. Het attenderend systeem van de Rijksdienst voor het Culturele Erfgoed (RCE) ‘BoneInfo’ maakt geen melding van vondsten van de soort.88 Sommige skeletelementen van sardien, ook wel pelser genoemd, zijn goed te onderscheiden van die van haring. Sardienen zijn langs de Nederlandse kust minder algemeen. Zij komen voornamelijk in de zomer voor; ze kunnen dan in het Kanaal worden gevangen. Van verscheidene individuen van de vissoorten kon

87

de totale lengte worden geschat aan de hand van vergelijking met recente exemplaren van bekende lengte of worden berekend met daarvoor opgestelde formules (tabel 7). Voor de zeevissoorten zijn resten van twee grote exemplaren aanwezig van kabeljauw, namelijk een individu met een totale lengte van 95 tot 105 cm en een individu met een lengte van circa 115 cm (fig. 96 en 97). Volgens de huidige norm is ook de tarbot groot (50-60 cm). De schelvissen hebben een lengte van 35-50 cm. De schol, tenslotte, had een lengte van 30 tot bijna 60 cm. De resten van de twee grote kabeljauwen zijn op vier botten na elementen van het kopskelet. Een ervan betreft een eerste wervel. Deze past naadloos op een basioccipitale (een skeletelement in het achterhoofd van een schedel) dat nog in situ vastzit aan het parasphenoideum (een skeletelement in de basis van de schedel). De grootte van het individu waartoe deze botten behoren, wijst op een individu met een totale lengte van 110 tot 115 cm. De drie overige botten die doorgesneden zijn, betreffen het anterieure deel van de achtste precaudale wervel, het posterieure deel van een caudale wervel en het distale deel van een rib. Op grond van de grootte van de achtste wervel werd de totale lengte berekend van het individu waarvan de wervel afkomstig is. Ook deze zal zo’n 110 tot 115 cm zijn geweest. Aannemelijk is dat het bot afkomstig is van het individu waartoe ook de eerste wervel, basiocipitale en paraphenoideum behoren. In geval dit juist is, is er slechts een kop met het voorste deel van

In tabel 6 is de bot beschouwd als zeevissoort, maar in principe is de soort katadroom (grootste deel van het leven in zoet of brak water en voortplanting in zee).

88

Peildatum: 21-11-2013.

De vondsten - Dierlijke resten

85


Fig. 90: Haring (Clupea harengus).

Fig. 92: Schelvis (Melanogrammus aeglefinus).

Fig. 91: Resten van haring (Clupea harengus), schaal 1:1.

Fig. 93: Ruggenwervels van schelvis (Melanogrammus aeglefinus), schaal 1:1.

de romp van een grote kabeljauw geconsumeerd. De dwars doorgesneden caudale wervel en de rib duiden op de consumptie van stokvis (grote windgedroogde kabeljauw).89

Conclusie De samenstelling van de dierlijke resten toont dat zowel huishoudelijk afval als voedselafval in de beerput terecht is gekomen. Wat betreft het voedselafval lijkt het vooral om tafelafval te gaan: resten die na het maal overblijven en worden weggegooid, zoals de ribbetjes van karbonades en koteletten, een tongbeentje uit een schapentong en vogel- en vissenbotjes. Keukenafval, afval dat ontstaat tijdens de bereiding van maaltijden, zoals uitgekookte pijpbeenfragmenten en grote wervelstukken, ontbreekt.

Met betrekking van de zoetwatervis valt op dat er slechts resten aanwezig zijn van zeer kleine exemplaren, bijvoorbeeld een brasem met een totale lengte van 12,3 cm en een karper die iets groter is dan 16,3 cm. Vulling B Het aantal dierlijke resten uit Vulling B is zeer mager. Het betreft slechts één vogelbotje. Het gaat om een middenhandsbeen van een wilde of tamme eend. Daarnaast is er een hoeveelheid eierschaalfragmenten gevonden. Gezien de dikte van de schaal (0,37-0,39 mm) betreft het waarschijnlijk kippen- of eendeneieren, of althans eieren van dat formaat. Het op soort brengen van archeologisch aangetroffen eierschaalfragmenten is met het blote oog niet mogelijk; er bestaan determinatiemogelijkheden, maar dat kan alleen met behulp van geavanceerde apparatuur (bijv. SEM, een rasterelek– tronenmicroscoop of een massaspectrometer).90 Vulling C Vulling C bevatte geen dierlijk botmateriaal.

89

Brinkhuizen 1994.

90

Sidell 1993, Stewart et al. 2013.

De geringe hoeveelheid zoogdier- en vogelbotten in het tafelafval kan te maken hebben met het feit dat men vooral ontbeend vlees en gevogelte heeft gegeten. Het is echter ook mogelijk dat men nauwelijks vlees en gevogelte heeft gegeten. Dit waren relatief dure producten die eerder bij de meer welgestelde op tafel verschenen. Wel is er behoorlijk veel vis geconsumeerd. Onderzoek aan middeleeuwse visresten heeft uitgewezen dat de afmeting van een vis al informatie over de sociaaleconomische status geeft. Grote exemplaren zijn beter en schaarser (dus luxer) dan kleine. De vissoort is niet belangrijk.91 Het is aannemelijk dat het voorgaande ook gegolden heeft in het begin van de Nieuwe Tijd. Met betrekking tot de grootte van de individuen van de locatie Galeiwerf zien we dat de zoetwatervis zonder uitzondering gerepresenteerd wordt door zeer kleine

91

Van Dam 2003.


Fig. 94: Sardien (Sardina pilchardus).

Fig. 96: Kabeljauw (Gadus morhua).

Fig. 95: Resten van sardien (Sardina pilchardus), schaal 1:1.

Fig. 97: Ruggenwervels van schelvis (Melanogrammus aeglefinus), schaal 1:1.

individuen. Ook de relatief kleine vissoort spiering is aanwezig. Deze verzameling visresten duidt zeker niet op een hoge sociale status van de consument. Zeevis wordt meer gewaardeerd dan zoetwatervis, en de Vlaardingers hebben gezien de ligging van hun stad makkelijk toegang tot zeevis. Daaronder bevinden zich weliswaar resten van (twee) grote kabeljauwen, maar gaat het slechts om een kop met het voorste deel van de romp en resten die duiden op de consumptie van stokvis (grote windgedroogde kabeljauw).92 Op grond hiervan en van de gevonden percentages is zeer aannemelijk dat de gebruikers van de beerput aan de Havenstraat een sociaaleconomische positie innamen die vergelijkbaar is met de meeste mensen in die tijd (ambachtslieden) en niet met de hogere sociale klassen. In de synthese (Hoofdstuk 5) wordt dieper op deze discussie ingegaan.

92

Brinkhuizen 1994.

De vondsten - Dierlijke resten

87


88

De vondsten - Botanie


Botanische macroresten en pollen: gort met prumedanten (O. Brinkkemper)

Inleiding Bij de uitwerking van de beerput zijn drie afzonderlijke lagen herkend en bemonsterd. De omvangrijkste Vulling A betreft de gebruiksfase van de beerput. Van deze laag is door medewerkers van het VLAK in 2003 een aantal bulkzakken gezeefd. Een deel van het materiaal is gezeefd over een fijnste maaswijdte van ¼ mm. Hoe groot het gezeefde volume was, is niet bekend, maar het moet gezien de grote hoeveelheid resterend residu om tientallen liters gaan. Op basis van het aardewerk is vulling A gedateerd tussen ca 1650 en 1725, op basis van de kleipijpen is dit nog iets nader gespecificeerd: 1715-1735 AD. Blijkens de archeobotanische database RADAR (versie 15-12-2012) is ongeveer 90% van alle 273 archeobotanisch onderzochte beerputten uit Nederland ouder dan deze datering. Opvallend genoeg zijn uit Vlaardingen in het geheel nog geen (als zodanig herkende) beerputten onderzocht, maar wel drie monsters van mest-/afvallagen uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd van de opgraving Vlaardingen Waaigat.93 Deze lagen hebben wel veel resten van akkeronkruiden opgeleverd, maar vrijwel geen resten van graan en fruit. Het betreft dan ook zeker geen menselijke uitwerpselen en dus ook geen beerputten, maar eerder dierlijke mest, waarbij wellicht dorsafval met akkeronkruiden aan het vee is gevoed. Al met al is het huidige onderzoek van locatie Galeiwerf het eerste onderzoek dat direct inzicht geeft in de voeding van vroegere bewoners van Vlaardingen, aangezien het hier overduidelijk menselijke beer betreft. Ter vergelijking, uit Amsterdam en Rotterdam zijn inmiddels elk ruim dertig beerputten onderzocht. Door middel van onderzoek van botanische macroresten (zaden, vruchten e.d.) en pollen wordt waar mogelijk antwoord gezocht op de onderzoeksvragen die in hoofdstuk 1 zijn verwoord. Materiaal en methode Van drie bulkzakken van Vulling A zijn zeefresiduen gemaakt. De residuen groter dan 2 mm zijn op het VLAK gedroogd en gesorteerd. Hiervan zijn de uitgeviste botanische resten van bulkzak 3 in het kader van dit onderzoek onderzocht. Het betrof in totaal 2775 gram resten. De fijnere residuen zijn niet op het VLAK gesorteerd. Hiervan zijn van de residuen groter dan 1 mm in het kader van dit onderzoek zowel het droge residu van bulkzak 2 als het vochtige residu van bulkzak 3 onderzocht. Tenslotte is van bulkzak 2 het natte residu groter dan ½ mm onderzocht. Van dit residu is 1/10e deel nagezeefd over ¼ mm, wat ook nog afdoende materiaal van deze fijnste fractie opleverde voor het onderzoek. De vermelde aantallen per soort zijn telkens berekend op de inhoud van één

93

Vermeeren et al. 1996.

bulkzak. De resultaten van de 1-mm-residuen van beide bulkzakken gaven afgezien van het ontbreken van enkele kwetsbare resten in het droge residu, geen aanleiding om te veronderstellen dat ze een wezenlijk andere samenstelling hadden. Het grofste residu is met het ongewapend oog doorzocht op aanwezige resten, alle andere residuen zijn onderzocht met behulp van een Wild M8 stereomicroscoop (vergroting 5-50 x). De pruimenpitten zijn nader gedetermineerd in de verschillende typen die zijn onderscheiden door Woldring.94 Het resultaat is met Woldring doorgenomen en waar nodig gecorrigeerd. Ten behoeve van het pollenonderzoek is 1cc kluitjes beer uit het 2-mm-residu van bulkzak 3 gecombineerd met 1cc van het natte 1/2 –mm-residu van bulkzak 2. Doordat al het materiaal gezeefd is, bestond de kans dat een groot deel van het ooit aanwezige pollen zou zijn weggespoeld, maar het uiteindelijke pollenpreparaat bevatte nog voldoende pollen voor een analyse. Hierbij is alleen gelet op voedselplanten, want pollen van wilde planten in een beerput kan een zeer variabele herkomst hebben en kan daardoor niet geïnterpreteerd worden in het licht van de begroeiing van het scheepswervencomplex. De pollenbereiding is uitgevoerd door mevr. A. Philip van de Universiteit van Amsterdam.95 De pollenanalyse is uitgevoerd met behulp van een Zeiss-Axioplan microscoop met doorvallend licht en vergroting van 400x. Graanpollen is in een aantal gevallen nader gedetermineerd met 1000x vergroting en fasecontrast-instelling. Vulling A Botanische macroresten De resultaten van het onderzoek aan botanische macroresten zijn opgenomen in bijlage 6.1. De overgrote meerderheid van de resten is afkomstig van voedselplanten, die met 38 verschillende soorten zijn vertegenwoordigd. Met name fruit is zowel wat betreft aantal soorten als aantal resten zeer goed vertegenwoordigd. Dit komt overeen met het algemene beeld bij beerputonderzoek. De meelvruchten (granen en boekweit) zijn in vergelijking met veel andere beerputten zeer schaars vertegenwoordigd. Regelmatig worden tienduizenden zemelen van granen aangetroffen, hier slechts 240. Waarschijnlijk is de schaarse aanwezigheid in Vlaardingen het gevolg van iets minder gunstige conserveringsomstandigheden voor plantenresten. Het zou ook kunnen (indien de monsters lang geleden gezeefd zijn) dat de langdurige

94

Woldring 2012; Van Zeist & Woldring 2000.

95

Instituut voor Biodiversiteit en Ecosysteem Dynamiek (IBED).

89


90 Fig. 98: Verse gekweekte aardbeien in Friese roodbakkende papkom (r-kop-2) uit de beerput locatie Galeiwerf (Vulling A).


Fig. 99: Verse gekweekte vijgen op wit faience bord (f-bor-11) uit de beerput locatie Galeiwerf (Vulling A).

opslag in gezeefde toestand zijn tol heeft geëist. Wel is bij de granen ook rijst (Oryza sativa) vertegenwoordigd. Dit gewas kan en kon niet in onze streken verbouwd worden, en moet zijn aangevoerd, waarschijnlijk uit het Mediterrane gebied. In beerputten elders in ons land wordt af en toe stekelige bies (Schoenoplectus mucronatus) aangetroffen. Dit is een akkeronkruid van rijstvelden rond de Middellandse Zee, die daarmee een bewijs levert voor de herkomst van de rijst. In het huidige onderzoek is deze biezensoort echter niet aangetroffen. Gierst (Panicum miliaceum) wordt tegenwoordig niet meer in onze streken geteeld, maar het vrijwel gelijktijdig met de onderzochte beerput gedateerde Herbarius van Stephaan Blankaart meldt over Panik-koorn dat “het wast op sandige bouw-landen en werd in de Lente gesaeit”.96 Kennelijk was het geen ongebruikelijk gewas, en is het “geen quaat voedsel […]. Van het meel werd ook brood, marsepein, makarons, enz. gebakken”. De grote hoeveelheid aardbeipitjes kunnen afkomstig zijn van de wilde bosaardbei (Fragaria vesca) of gekweekte grote bosaardbei (Fragaria moschata), die beide door Blankaart worden beschreven97, maar het is ook niet geheel uit te sluiten dat ze van onze

huidige gekweekte aardbei (Fragaria ananassa) afkomstig zijn, een kruisingsproduct van een Zuid- en een Noord-Amerikaanse aardbeisoort (Fragaria chiloensis x Fragaria virginiana), die respectievelijk in de 17e en 18e eeuw in Europa zijn geïntroduceerd (fig. 98).98 Ook vijgenpitten komen talrijk voor, zoals in vrijwel elke archeobotanisch onderzochte beerput (fig. 99). De ongeveer vierduizend pruimenpitten die in het monster zijn gevonden, maken dat de onderzochte beerput in de top drie van ons land staat qua aantallen. Slechts in twee Groninger beerputten zijn vergelijkbare aantallen beschikbaar. Verschillende typen zijn goed herkenbaar in het Vlaardingse materiaal (fig. 101). Van de talrijkst aanwezige pruimensoort (Prunus domestica ssp. domestica Gro-4), overeenkomend met een ras dat door Woldring in de Franse Dordogne is aangetroffen99, zijn in andere beerputten hoogstens enkele honderden exemplaren aangetroffen. De pitten waren opmerkelijk donker gekleurd in vergelijking met de overige typen pruimenpitten, wat waarschijnlijk samenhangt met de donkere kleur van het vruchtvlees.100 De in vergelijking

98

Van Haaster 1997: 88.

96

Blankaart 1698: 399-400.

99

Van Zeist & Woldring 2000, 569.

97

Blankaart 1698: 270-271.

100

Woldring, pers. meded. nov. 2012.

91


Fig. 100: Verse moderne pruimen op witte faience plooischotel (f-plo-3) uit de beerput locatie Galeiwerf (Vulling A).

92


93


Fig. 101: Verschillende typen pruimenpitten van Vlaardingen locatie Galeiwerf. Boven van links naar rechts de kroosjespruimen: Gro-1; Gro-5a; Gro-11; Gro-12 of -13; Gro-2; onder van links naar rechts de echte pruimen: Gro-4 en Gro-9. Foto: O. Brinkkemper, schaal 2:1.

met kroosjespruimen grotere ‘echte’ pruimen (fig. 100) nemen vooral in de Nieuwe Tijd in belangstelling toe, dus het overheersen van dit type past goed bij de 18e-eeuwse datering van de beerput. Ook nog meer dan 1000 pitten zijn aangetroffen van de Bonte kroospruim (Prunus domestica ssp. insititia Gro-1), een type dat al in de Late Middeleeuwen veelvuldig voorkomt. De pitten van het type GRO-9 lijken veel op de pitten van een ‘echte’ pruimenras dat nog in Zuid-Frankrijk voorkomt. Deze pruimen zijn omgekeerd eivormig tot ovaal van vorm en 3 tot 3,5 cm lang. De vorm van de pitten komt overeen met de pitten van pruimen die tegenwoordig in gedroogde vorm worden verhandeld.101 Deze pruimen, of de kloon Prune d’ente (verbasterd: pruimedanten) stonden in de Late Middeleeuwen en later bekend onder de naam Pruijmen van Damast (pruimen uit Damascus). Ze komen in veel recepten uit die tijd voor en werden onder andere in pasteien verwerkt.102 Nog aanzienlijk talrijker in het monster zijn de pitjes van aalbes/zwarte bes. De pitjes zijn niet nader te determineren, maar afgaande op de kenmerkende bloembases die bovenop de onderstandige vruchten zitten, zijn vooral aalbessen gegeten. Zwarte bes komt echter ook wel voor, en het pollenonderzoek (zie § Pollen, p. 98) heeft ook nog kruisbes opgeleverd. De twee grofste fracties van beide bulkzakken bestaan voor het grootste deel uit bessenzaden, het gaat om enkele tienduizenden stuks. Dergelijke grote aantallen

komen vier maal voor in RADAR, en opvallend is dat het telkens monsters uit de 18e eeuw betreft, drie maal uit Amsterdam (Herengracht 7 en 12 en Oudezijds Voorburgwal) en één maal uit Zaandam (Hogendijk).103 Ook de monsters met duizend of meer bessenzaden zijn allemaal uit de Nieuwe Tijd. Opmerkelijk is dat Dodonaeus in zijn Cruijdeboeck de kruisbes in het geheel niet noemt, en dat in Stephaan Blankaart’s Herbarius naast rode en zwarte bes ook nog een soort noemt met ‘bladen als de kruis-doorn’ (kruisbes), waarvan de rode bessen ‘walgelyk soet’ zouden zijn.104 Een fraaie illustratie van aalbes door Dodonaeus in weergegeven in fig. 102. Het aantal aangetroffen zaden van mispel (Mespilus germanica, fig. 103) is zelfs onovertroffen in RADAR. Het grote onderzochte volume zal hier debet aan zijn, maar de rotte mispels moeten toch ook zeer populair zijn geweest bij de 18e-eeuwse vullers van de beerput aan de Vlaardingse Havenstraat. Het kan ook gaan om personen die er alleen werkten en elders woonden. Blankaart schrijft over de vruchten van de Mispelboom dat “voor dat sy murw zyn, is het vlees witagtig, seer hard en sterk wrang. Maar ryp ende murw zynde, werd dit vlees bruin als het vlees van een rotten appel, het welke dan suuragtig smaakt en aangenaam”. De onrijpe vruchten werden echter wel medicinaal gebruikt, “in te grooten buik-loop, en vrouwe vloed, te veel braken, en tegen alle saken in welke het stoppen plaatse heeft”.

103 101

Van Zeist & Woldring 2000: 570.

102

Van Haaster 2005.

Amsterdam: Van Haaster 2006; 2007; 2010; Zaandam: Van Haaster & Van Smeerdijk 2002.

104

Dodonaeus 1544; Blankaart 1698.


Fig. 102: Struik van ‘Aelbesien’ in Dodonaeus’ Cruijdeboeck (1554).

Fig. 103: Mispelboom in Dodonaeus’ Cruijdeboeck (1554).

Perziken (Prunus persica, fig. 104, links) werden in de Late Middeleeuwen waarschijnlijk niet of nauwelijks in onze streken geteeld, de toen heersende ‘Kleine IJstijd’ zal ook niet bevorderlijk zijn geweest voor de vruchtzetting. Zowel Dodonaeus als Blankaart beschrijven echter dat ze in hoven in onze streken geplant werden, bij voorkeur op een zonnige, beschutte plaats. Het is dus niet uitgesloten dat de ene aangetroffen perzikpit (fig. 104, links) van een Nederlandse, wellicht zelfs Vlaardingse, boom afkomstig is. Ze worden vrijwel nooit in groten getale gevonden in beerputten, alleen in een beerput van Huis te Vleuten (1650-1750) zijn er enkele honderden aanwezig. Ook in een nog niet gepubliceerde, 18e-eeuwse beerput van jonkheer Van Lidth de Jeude uit Tiel zijn dergelijke grote aantallen aangetroffen.105 Het fragment van de harde schaal van amandel (Prunus dulcis, fig. 104, rechts) is in archeobotanisch opzicht de zeldzaamste vondst van Vlaardingen. Er zijn tot nu toe blijkens RADAR slechts elf eerdere vondsten van gedaan uit ons land, en alle uit de Nieuwe Tijd (tabel 8).

105

Marrie Tensen, gastmedewerster RCE, persoonlijke mededeling.

Fig. 104: Perzikpit (Prunus persica, links) en fragment van amandelschaal (Prunus dulcis, rechts) van Vlaardingen. Foto: . Brinkkemper, schaal 2:1.

De vondsten - Botanie

95


Tabel 8: Eerdere vondsten van amandel (Prunus dulcis) in RADAR.

plaats

toponiem

datering

aantal

auteur(s)

Alkmaar

Wortelsteeg

1575-1677

1

Esser & Gehasse 1995

Groningen

Martinikerkhof

1600-1650

1

Van Zeist et al. 2000

Harlingen

Voorstraat

1600-1700

1

Van Zeist 1992

Hoorn

Winstonbioscoop

1650-1700

11

Van Dijk et al. 2006

Den Haag

Zuidwal

1650-1700

1

Brinkkemper 1995

Amsterdam

Herengracht 12

1700-1750

1

Van Haaster 2010

Amsterdam

Waterlooplein II

1700-1750

1

Paap 1983

Amsterdam

Herengracht 7

1700-1800

1

Van Haaster 2007

Tiel

Koornmarkt

1701-1778

4

De Man 1996

Zaandam

Hogendijk

1720-1760

17

Van Haaster & Van Smeerdijk 2002

Groningen

Klooster/Rode Weeshuis

1780-1820

1

Van Zeist et al. 2000

Dodonaeus noemt in zijn Cruijdeboeck de volgende medicinale toepassingen van amandelen onder het kopje ‘Cracht ende werckinghe’ (fig. 105)106: A Amandelen voor spijse inghenome gheven luttel voetsels ende stoppen den buyck/ sonderlinghe sonder die fluymen inghenomen. B Die bitter Amandelen openen alle verstoptheyt van der longhene/ levere/ milte/ nieren ende van alle den inwendighen leden/ ende daer om zoo sijn sy goet ghebruyckt tseghen dat hoesten/ cortheyt van adem ende versweeringhen van der longhene met Terbenthijn vermenght/ ende gheleckt als Dioscorides scrijft. C Amandelen sijn oock goet den ghenen die bloetspouwen met Ameldonck vermenght ende inghenomen.

Fig. 105: Cracht ende werckinghe’ van de amandel in Dodonaeus’ Cruijdeboeck (1554).

106

Dodonaeus 1554, deel 6, blz. 767.

D Bitter Amandelen met sueten wijn oft bastaert inghenomen/ doen water maken/ ghenesen die droppelpisse/ ende sijn goet den ghenen die van den steen ende graveel ghequelt sijn. E Die vijf oft ses bitter Amandelen nuchter inneempt/ en sal dyen dach niet droncken worden. F Bitter Amandelen met azijn oft olie van Roosen vermenght genesen die pijne van den hoofde/ opt voorhooft gheleyt. G Die selve bitter Amandelen met huenich vermenght sijn goet gheleyt op alle quade vuyle voortsetende sweeringhen/ ende op die beten van den quaden ende verwoeden honden. H Bitter Amandelen suyveren oock die huyt/ ende doen alle vlecken ende plecken van den aensichte vergaen.


Net als perziken kunnen amandelen in onze streken met wisselend succes geteeld worden, en is een beschutte, zonnige plaats aanbevolen om de kans op bevriezing van de zeer vroege bloei te verminderen. Zeker niet inheems is peper (Piper nigrum). Dodonaeus merkt hierover op dat “Het Peper groeyet in die Eylanden van die Indiaensche zee/ als in Tapobrana diemen Sumatra heet/ ende in sommige andere Eylandekens daer ontrent”. In de Late Middeleeuwen, toen de handel in peper en andere Oosterse specerijen door de VOC gemonopoliseerd werd, was peper met recht ‘peperduur’ en alleen voor de zeer welgestelden weggelegd. Toen in de loop van de 15e eeuw peper minder exclusief werd, zochten de rijken naar andere exclusieve smaakmakers en kwam de West-Afrikaanse paradijskorrel (Aframomum melegueta) tijdelijk in zwang.107 Blijkens de vondsten in RADAR verdwijnt paradijskorrel in de loop van de 17e/18e eeuw weer grotendeels van het toneel en neemt peper weer toe. In maar liefst 33 van de 52 onderzochte beerputten vanaf 1700 komt peper voor, paradijskorrel in slechts acht. Venkel (Foeniculum vulgare) is in ruim driehonderd monsters vertegenwoordigd in RADAR (zie ook fig. 106). In de beerput aan de Havenstraat zijn geen complete zaden aangetroffen. Wel zijn losse strengen van oliekanalen aangetroffen, die mogelijk van venkelzaden afkomstig zijn. Mogelijk werd venkel, net als bijvoorbeeld kruidnagel (zie § Pollen, p. 108) gemalen verwerkt, maar het is ook mogelijk dat de kwetsbare zaden de langdurige opslag na het zeven niet hebben overleefd. Opvallend tussen de grote aantallen pruimenpitten is dat er ook pitten van wilde sleedoorn (Prunus spinosa) zijn aangetroffen. De voor onze begrippen zeer wrange sleepruimen worden iets zoeter als de vorst eroverheen geweest is. Blankaart beveelt het volgende aan voor de wrange vruchten:

“Dese pruimen droogt men, en men bewaartse tot zyn gebruik, welke met koken weder opswellen. Uit deselfige werd mede een sap geperst, of gekookt, welker vleis men dan door een haire teems [zeef] met een houte lepel wryft, doende dan by yder pond van dit vleis twee pond Suikers”.

Met deze hoeveelheid suiker zal het wel lukken om een drinkbaar sap te produceren! Frambozen (Rubus idaeus) zijn naast dauwbramen (Rubus caesius) onder de wild verzamelde vruchten gerangschikt, maar Blankaart constateert over frambozen dat “sy wasschen hier alleen in de hoven en boomgaarden”, terwijl hij van (dauw)bramen vermeldt dat ze in de duinen en langs sloten groeien, en kennelijk niet gekweekt werden. Beide soorten hebben zeer harde pitjes, en zullen gezien het relatief schaarse voorkomen slechts beperkt gegeten zijn. Het ontbreken van pitjes van bosbessen is opmerkelijk, aangezien ze in

107

Van Haaster 2008: 14.

Fig. 106: De ‘Venckel’ in Dodonaeus’ Cruijdeboeck (1554).

ruim vierhonderd (post-) middeleeuwse monsters (voornamelijk beerputten) zijn aangetroffen. De pitjes zijn minder hard dan die van de fruitsoorten die wel in het huidige onderzoek zijn aangetoond, mogelijk ook hier veroorzaakt door post-depositionele omstandigheden (inclusief de opslag na het zeven). Bij de wilde planten zijn voornamelijk akkeronkruiden vertegenwoordigd, die met het graan zijn meegeoogst, meeverwerkt en meegegeten. Veel zaden, vooral de wat grotere, zijn in dit proces ook gefragmenteerd geraakt. Enkele soorten zijn minder gebruikelijk bij archeobotanisch onderzoek. Zo is esdoorn-ganzenvoet (Chenopodium hybridum) slechts in vijftien eerder onderzochte monsters uit ons land aangetroffen, waarvan acht maal in beerputten. Tegenwoordig is het in Nederland een zeldzame soort van het rivierengebied. De verspreiding binnen Europa ligt voornamelijk ten oosten van ons land (fig. 107). In de huidige flora is ook akkerboterbloem een zeldzame verschijning, beperkt tot de Limburgse lössgronden en het rivierengebied. Van de 88 vondsten in RADAR liggen de 33 middeleeuwse vrijwel alle binnen het huidige areaal. In de Nieuwe Tijd wordt de verspreiding groter, waarschijnlijk samenhangend met grootschaligere graanhandel. Beide soorten kunnen destijds van nature op graanakkers rond Vlaardingen gegroeid hebben,

De vondsten - Botanie

97


Fig. 107: Verspreidingskaart van esdoorn-ganzenvoet (Chenopodium hybridum), bron: www.wilde-planten.nl.

gezien de ligging in het rivierengebied. Duidelijke aanwijzingen voor graanimport van elders, zoals de aanwezigheid van spiegelklokjes, vinkenzaad of naaldenkervel, ontbreken in het onderzochte materiaal uit de beerput aan de Havenstraat. Bij de dierlijke resten overwegen wervels van paling en niet nader gedetermineerde vissen. Daarnaast stond blijkens de karakteristieke, handvormige schubben ook baars op het menu. Resten van gegeten zoogdieren zijn opmerkelijk schaars in de zeefresiduen. Voor een vollediger beeld van het dierlijke aandeel in de voeding wordt verwezen naar het archeozoölogische onderzoek van de beerput (Brinkhuizen & Esser, deze bundel). Pollen Zoals gebruikelijk bij beerputmateriaal heeft het pollenonderzoek zich toegespitst op pollen van cultuurgewassen, maar enkele karakteristieke soorten die daar niet onder vallen, zijn eveneens opgenomen in bijlage 6.2.

is talrijker bij het pollen dan bij de macroresten gevonden. Waarschijnlijk zijn de meeste zaden dermate fijn gemalen dat ze niet meer herkenbaar waren. Het karakteristieke pollen van aalbes108 wordt niet vaak aangetroffen, maar de enorme hoeveelheid zaden uit de beerput is wel vergezeld gegaan van de nodige pollenvondsten. Opmerkelijk is dat ook kruisbes bij het pollenonderzoek is aangetroffen (één pollenkorrel buiten de getelde regels). Als macrorest zijn hiervan alleen de harige velletjes van de bessen te onderscheiden van de andere ribessen, maar na drogen worden dergelijke resten onherkenbaar. Het al gesignaleerde ontbreken van bosbessen bij de macroresten lijkt inderdaad een conserveringskwestie, want pollen is wel aangetroffen. Weliswaar kan het in theorie ook nog om veenbes gaan, maar het grotere aantal doet toch wel vermoeden dat het om consumptie van bosbessen gaat.

Het ontbreken van aan bepaalde graansoorten toe te wijzen zemelen wordt enigszins gecompenseerd door het pollenonderzoek. Binnen het aangetroffen graanpollen is tarwe (Triticum-type) het talrijkst vertegenwoordigd, daarnaast is gerst (Hordeum-type, in bereide vorm vaak met gort aangeduid) aanwezig. Eén pollenkorrel van het haver-type (Avena-type) kan van gekweekte haver, maar ook van wilde oot afkomstig zijn. De insektenbestuiver boekweit (Fagopyrum esculentum)

Bij de kruiden en specerijen zijn twee smaakmakers aangetoond die niet als macrorest waren gevonden, kervel (Anthriscus cerefolium, zie ook fig. 108) en kruidnagel (Syzygium aromaticum). Ze worden zeer regelmatig bij pollenonderzoek aan beerputten gevonden, en vrijwel nooit als macrorest. Bij kervel zal dit samenhangen met de consumptie van het bladgewas, wat nog wel smakelijk is als het in bloei is geschoten, terwijl de bladeren verdorren bij het rijpen van de zaden. Kruidnagel zal over het algemeen dermate fijngemalen

98

108

De vondsten - Botanie

Zie Verbeek-Reuvers 1977, ook voor het verschil met kruisbes.


ongeveer een eeuw heeft men deze parasieten in het rijke westen onder controle. Naar schatting zijn er tegenwoordig echter nog steeds één miljard mensen met spoelworm en evenveel met zweepworm besmet110, met name in ontwikkelingslanden waar het gebrek aan schoon drinkwater nog steeds een probleem vormt.

Fig. 108: De ‘Kervel’ in Dodonaeus’ Cruijdeboeck (1554).

zijn geconsumeerd, dat er geen macroscopische resten meer van herkenbaar zijn. Pollenvondsten komen in ons land voor vanaf de 14e eeuw, en op basis van de contexten zal het in de Middeleeuwen nog wel een exclusieve specerij zijn geweest. De 63 vondsten in de Nieuwe Tijd suggereren dat kruidnagels toen ook voor minder bedeelden wel beschikbaar waren. Het pollen van duivenboon/tuinboon (Vicia faba) maakt duidelijk dat deze groente waarschijnlijk ondervertegenwoordigd is bij de macroresten. De eiwitrijke zaden worden waarschijnlijk al in het maag-darmkanaal dermate verteerd, dat ze over het algemeen geen herkenbare resten meer achterlaten. Door toeval is een verkoolde duivenboon in de beerput geraakt, waardoor er toch een macrorest van kon worden aangetoond. Ten slotte dient te worden gewezen op het voorkomen van enkele eieren van de spoelworm, een darmparasiet die tot 30 cm lang kan worden. In een honderden beerputten tellende dataset kon geen relatie gevonden worden tussen de talrijkheid van eieren van darmparasieten en de sociale status van de gebruikers van de beerputten blijkens het aantal exotische voedselgewassen.109 Kennelijk hadden alle lagen van de bevolking met darmparasieten te kampen. In de Nieuwe Tijd blijkt spoelworm vaker voor te komen dan de veel kleinere zweepworm (Trichuris), die in de Middeleeuwen algemener voorkomt. Beide darmparasieten worden verspreid door verontreinigd water, en pas sinds

109

Zie voor meer informatie Brinkkemper & Van Haaster 2012.

Conclusie Het archeobotanisch onderzoek aan de beerput aan de locatie Galeiwerf in Vlaardingen heeft macroresten van 37 soorten voedselplanten opgeleverd. Doordat het materiaal al gezeefd en gedroogd was, ontbraken daarbij nog aanwijzingen voor de meeste graansoorten, waarvan de zemelen in goedgeconserveerde beerputten vaak in grote aantallen worden aangetroffen. Alleen haver en rijst konden op basis van een gemineraliseerde resten worden aangetoond. Het pollenonderzoek toonde echter ook het tarwe- en gerst-type aan, hoogstwaarschijnlijk ook van deze granen afkomstig. Wel heel talrijk zijn de hardere pitten van vijgen, druiven, pruimen en kersen. Minder gebruikelijke soorten zijn ook aangetroffen, waaronder perzik, amandel, peper en de al genoemde rijst. Peper en rijst kunnen onmogelijk in ons land gekweekt zijn. Voor perzik en amandel is lokale teelt niet geheel uit te sluiten, maar ook dit waren destijds gewassen die niet veelvuldig op het menu stonden. Het pollenonderzoek heeft nog een exotische smaakmaker opgeleverd in de vorm van kruidnagel. Tussen de duizenden pruimenpitten konden zeven verschillende pittypen worden onderscheiden, die deels ook aan rassen te koppelen zijn. Het algemeenste is een kroosjespruim waarvan de pitten overeenkomen met de huidige bonte kroospruim. Eveneens zeer talrijk waren de pitten van een ‘echte’ pruim die vooralsnog niet aan een tegenwoordig ras gekoppeld kan worden. Naast aanvullende informatie over gebruikte voedselplanten heeft het pollenonderzoek ook eieren van spoelwormen opgeleverd. Met name in de postmiddeleeuwse periode komen deze darmparasieten veelvuldig voor. Ze worden verspreid via vervuild drinkwater en vormen een afspiegeling van de toenmalig gebruikelijke hygiënische omstandigheden. Een vergelijking met onderzoek aan beerputten elders in ons land maakt duidelijk dat de vroegere gebruikers van de beerput aan de Havenstraat konden beschikken over een gevarieerd assortiment voedselplanten. Opmerkelijk is dat het allergrootste aantal gebruiksplanten dat in ons land is aangetroffen, afkomstig is van een andere scheepswerf, aan de Hogendijk in Zaandam. Wellicht dat het relatief grote aantal werknemers op dergelijke complexen aan een grote diversiteit heeft bijgedragen.

110

Watkins & Pollitt 1997.

99


100


Keramisch bouwmateriaal: landschapsschildpadtegels (N.L. Jaspers)

en

Inleiding Er zijn in totaal 256 fragmenten keramisch bouwmateriaal uit de beerput verzameld. De fragmenten zijn in alle drie de beerputvullingen aangetroffen, maar veruit de meeste zijn afkomstig uit Vulling C (1775-1825), maar liefst 98,4% van het keramisch bouwmateriaal (fig. 109). Keramisch bouwmateriaal uit beerputten vertelt ons weinig over consumptiepatronen van de bewoners, maar eerder iets over het gebruikte bouwmateriaal uit de omgeving. Vaak belandden de wandtegels en dergelijke pas in de beerput bij het dichtgooien daarvan, en dat lijkt hier ook het geval te zijn. Het bouwmateriaal uit de beerput is van verschillende kleisoorten en in verschillende technieken vervaardigd. Zo is er een deel van ĂŠĂŠn stoeptegel met een grijze scherf aangetroffen. Er is roodbakkend bouwkeramiek onder de vondsten aanwezig, zoals bakstenen, plavuizen en dakpannen, maar ook zijn er fragmenten van enkele plavuizen met een lichtgele scherf. Een groot deel van de bouwkeramiek is in de faiencetechniek vervaardigd. Dit betreft wandtegels die zijn bedekt met een wit tinglazuur, al dan niet met een decoratieve beschildering in blauw of mangaanpaars. Daarnaast zijn er industrieel vervaardigde wandtegels verzameld, met een decoratie in verschillende kleuren slib en bedekt met een loodglazuur. Een beknopt overzicht van deze resultaten per vulling van de beerput is af te lezen in tabel 9.

bodemarchief terechtkomen. De productiedatering van de bouwkeramiek en de contextdatering waarin deze worden aangetroffen kan daarom ver uiteen liggen. Vulling A en B bevatten bijzonder weinig bouwkeramiek, en de enkele fragmenten sluiten in principe aan bij de datering die op basis van het gebruiksaardewerk, glas 1,2%

0,4%

98,4%

beerput S278, Vulling A (1675/1715-1735)

Datering Bouwkeramiek is meestal relatief lang in omloop voordat het in een afvalcontext beland. De bakstenen en wandtegels waaruit een huis is opgebouwd kunnen immers honderden jaren in gebruik zijn geweest voordat deze door sloop als bouwpuin in het

beerput S278, Vulling B (1775-1795) beerput S278, Vulling C (1825-1850)

Fig. 109: Beerput S278, verdeling aantal fragmenten keramisch bouwmateriaal per vulling (n=256).

Tabel 9: Beerput S278, overzicht keramisch bouwmateriaal.

r

r

r

w

f

f

f

f

iw

baksteen

dakpan

plavuis

plavuis

wandtegel, onbeschilderd

wandtegel, blauwe beschildering, landschapje en spinnenkopje als hoekdecor

wandtegel, blauwe beschildering, zwevend landschapje zonder hoekdecor

wandtegel, mangaankleurige beschildering

wandtegel, schildpadmotief

2

1

beerput S278,Vulling A (1675/1715-1735) beerput S278,Vulling B (1775-1795)

Totaal

g

stoeptegel

(afkortingen bakselsoort: g= grijze scherf; r = rode scherf; w = geelwitte scherf; f=faiencetechniek; iw=industrieel wit)

Vulling

3 1

1

beerput S278,Vulling C (1825-1850)

2

1

24

7

4

136

7

14

9

48

252

Totaal

2

6

24

7

4

138

8

15

9

48

256

De vondsten - Keramisch bouwmateriaal

101


en tabakspijpen zijn gesteld. Wat Vulling C betreft, uit de analyse van de kleine hoeveelheden gebruiksaardewerk (omstreeks 1800) en de tabakspijpen (1830-1900) bleek al dat deze het jongste materiaal uit de beerput bevatte (contextdatering 1825-1850). Een deel van het bouwkeramiek sluit qua datering daarbij aan, met name de zogenoemde schildpadtegels waren in het begin van de 19e eeuw populair, alhoewel deze al vanaf 1750 tot ca. 1930 in gebruik waren.111 De handbeschilderde faience wandtegels uit Vulling C dateren uit de 17e of de 18e eeuw. Vulling A (1675/1715-1735) Vulling A is op basis van andere materiaalcategorieën gedateerd in de periode 1675/1715-1735, maar bevat ook materiaal uit het derde en vierde kwart van de 17e eeuw. Zoals we in de andere deelrapportages hebben kunnen lezen is dit de meest vondstrijke vulling uit de gebruiksfase van de beerput, maar wat bouwmateriaal betreft is de oogst bijzonder mager. Er zijn slechts drie fragmenten keramisch bouwmateriaal in aangetroffen (fig. 109, Vulling A: 1,2%).112 Het betreft twee fragmenten van een onbeschilderde faience wandtegel en een hoekfragment van een faience wandtegel met een landschapje en een spinnenkopje als hoekdecor in blauwe beschildering (zie ook: fig. 110). Vulling B (1750-1800) Vulling B is op basis van andere vondsten te dateren in de tweede helft van de 18e eeuw. Wat bouwkeramiek betreft is er slechts één fragment van een blauw beschilderde wandtegel met een landschapje, zonder hoekdecor aangetroffen die zowel uit de late 17e als uit de 18e eeuw kan stammen (fig. 109, Vulling B: 0,4%).113 Fig. 110: Faience wandtegel met landschapje en spinnenkopje als hoekdecor in blauwe beschildering. ca. 1660-1800, niet op schaal.

Vulling C (1825-1850) Vulling C bevat de overgrote meerderheid van de bouwkeramiek uit de beerput (fig. 109, Vulling C: 98,4%).114 In feite is met Vulling C de beerput definitief in onbruik geraakt en volgestort met bouwpuin, waarschijnlijk uit de nabije omgeving. Sterker nog, een aanzienlijk deel van de bouwkeramiek waarmee de beerput in het begin van de 19e eeuw is dichtgestort zou de wanden kunnen hebben gesierd van de huizen van de bewoners wiens afval in Vulling A van de beerput is beland. Het feit dat aan vrijwel alle opgegraven fragmenten mortelresten zitten, toont aan dat de stukken eerder deel uitmaakten van een bouwconstructie of de afwerking daarvan. In totaal zijn er 258 fragmenten bouwkeramiek in Vulling C aangetroffen. Dit bestaat onder meer uit zes stukken baksteen, 24 dakpanfragmenten, zeven fragmenten van rode plavuizen en vier fragmenten van witte plavuizen. De dakpannen en baksteen zijn ongeglazuurd. De roodbakkende plavuizen zijn aan de bovenzijde bedekt met een transparant loodglazuur. De witbakkende plavuizen zijn bedekt met een loodglazuur met een koperoxidetoevoeging, wat het een donkergroene kleur geeft. Al het keramisch bouwmateriaal is bedekt met een rijkgemagerde harde kalkmortel. Er zijn geen aanwijzingen voor tras in de mortel waargenomen, een toevoeging van gemalen tufsteen die in de 18e eeuw opkomt maar vooral in de 19e eeuw veel in gebruik raakt. In totaal zijn er zes baksteenfragmenten uit de beerput verzameld, waarvan twee exemplaren archeologisch compleet bewaard gebleven zijn. Beide bakstenen hebben een lente van 18,5 cm, een breedte van 8,5 Fig. 111: Faience wandtegels met landschapje zonder hoekdecor in blauwe beschildering. ca. 1700-1800, niet op schaal.

114 111

Pluis, 1997, 578.

112

Vondstnummers 492, 498 en 504.

113

Vondstnummer 490.

Vondstnummers 484, 485 en 492.


Fig. 112: Faience wandtegels met landschapje zonder hoekdecor in blauwe beschildering. ca. 1700-1800, niet op schaal.

cm en een dikte van 4,5 cm. De kleur van de breuk is lichtrood. Waarschijnlijk zijn deze bakstenen afkomstig van het opgaande werk van één van de gebouwen uit de nabije omgeving, alle fragmenten zijn aan alle zijden bedekt met een laag mortel. Het is helaas niet helemaal zeker of deze twee bakstenen tot Vulling C behoren, omdat er onder hetzelfde vondstnummer geen andere vondsten zijn verzameld die een indicatie geven over de datering.115 De overige vier baksteenfragmenten zijn te incompleet om de maten van te nemen116, maar ze lijken van hetzelfde soort te zijn als de twee complete exemplaren. De breedte en de dikte komen namelijk wel overeen, net als de kleur van de breuk.

115

Vondstnummer 481.

116

Vondstnummers 481 en 485.

De overgrote meerderheid van de bouwkeramiek (215 fragmenten) is afkomstig van wandtegels. Vrijwel géén van de wandtegels is compleet bewaard gebleven, waardoor slechts in enkele gevallen de lengte- en breedtemaat was vast te stellen. Deze bedraagt zowel bij de tinglazuurtegels, als bij die met loodglazuur steeds 13 bij 13 cm. De dikte is wel altijd te meten en deze ligt steeds tussen de 0,8 en de 0,9 cm. Aan alle fragmenten zitten mortelresten aan de achterzijde. In twee tegenovergestelde tegelhoeken zien we steeds een klein spijkergaatje. Hiermee werden ongebakken kleiplakken op hun plaats gehouden bij het op maat lossnijden tot vierkante wandtegels. De wandtegels zijn onder te verdelen in vijf decoratieve categorieën.

De vondsten - Keramisch bouwmateriaal

103


Effen witte wandtegels Er zijn 136 fragmenten van effen witte tegels verzameld. Onbeschilderde, effen witte tegels komen al vanaf de 17e eeuw voor en blijven tot vandaag de dag in productie. Het tinglazuur kan er op gesprenkeld zijn, of (na 1900) gespoten.117 De exemplaren uit de beerput dateren echter allemaal ruim vóór 1900 en waarschijnlijk voor 1800, maar dit is niet met zekerheid te zeggen. Monochroom blauwe wandtegels met landschap en spinnenkopje als hoekdecor Er zijn zeven fragmenten van monochroom blauw beschilderde tegels met een detail van een klein landschapje in het midden aangetroffen met een spinnenkopje als hoekdecoratie (fig. 110). Er zijn hiervan geen complete voorbeelden gevonden, maar wel enkele halve tegels. De voorstelling is meestal nauwelijks te onderscheiden. We zien bij één exemplaar een wandelende figuur met een boerderij op de achtergrond. Spinnenkopjes komen voor vanaf ca. 1660 en blijven de gehele 18e eeuw in gebruik. Monochroom blauwe wandtegels met landschap zonder hoekdecor Van de in monochroom blauw geschilderde tegels met een klein landschapje in het midden zónder hoekdecoratie zijn veertien fragmenten opgegraven. Ook hier zien we weer een detail van een héél simpel geschilderd landschapje. De voorstellingen tonen een waterput, een kerkje, een woontoren, een boerderijtje of een boom als onderwerp. Er is steeds voor één centraal object gekozen op een zwevend grondje. Vijf van deze wandtegels zijn vrijwel compleet bewaard gebleven (fig. 111 en 112). Monochroom paarse wandtegels met verschillende voorstellingen De negen tegelfragmenten met een monochroom paarse decoratie wijken qua decoratie af van de blauwe tegels. Er zijn echter slechts enkele losse stukken aangetroffen en geen complete exemplaren. Op één van de fragmenten zien we een pauw met een bloemstuk afgebeeld. Het pigment voor de paarse kleur is gemaakt door mangaanoxide aan het tinglazuur toe te voegen. Paarse beschildering is met name in de 18e eeuw zeer populair.

of een marmerpatroon op aanbracht. Na de eerste bakgang volgde hierover een glanzende, transparante loodglazuur die tijdens een tweede bakgang werd afgebakken.118 Dergelijke schildpadtegels staan bekend als achterwandbedekking van haardplaatsen. Op dit soort donkere, gevlekte tegels viel de roetaanslag van het haardvuur niet zo op, wat een opgeruimd gezicht in het interieur verschafte. Dergelijke tegels zijn in verschillende uitvoeringen in gebruik geweest vanaf het midden van de 18e eeuw tot en met ca. 1930.119 Qua zijn deze wandtegels dus jonger dan de gebruiksfase van de beerput in de eerste helft van de 18e eeuw. Deze haardtegels hebben dus niet het interieur van de gebruikers van Vulling A van de beerput gesierd, maar mogelijk wel van hun nabestaanden die nog een kleine hoeveelheid huisraad in Vulling B deponeerden. Conclusie Vrijwel alle bouwkeramiek is afkomstig uit Vulling C van de beerput, oftewel de vulling waarmee de beerput definitief in onbruik raakte en gedicht is met bouwpuin. Dit gebeurde in de eerste helft van de 19e eeuw. Naast dakpannen, bakstenen en plavuizen bestaat de bulk van de vondsten uit wandtegels. De wandtegels die zijn bedekt met een wit tinglazuur met of zonder blauwe of paarse beschildering kunnen wat datering betreft deel uit gemaakt hebben van het interieur van de bewoners wiens afval in Vulling A van de beerput is terechtgekomen. Deze tegels zijn bijzonder simpel gedecoreerd en zullen dus tot het lagere marktsegment behoort hebben. Een groot deel van de tegels is ook onbeschilderd. De zogenaamde schildpadtegels met een mengeling van verschillende gekleurde engobes en bedekt met een loodglazuur zijn te jong om bij het interieur van de gebruikers van de beerput te horen. Deze tegels sierden waarschijnlijk de achterwand van de haard van hun nabestaanden. Fig. 113: Schildpadtegels met gemarmerde en gespatte engobes met ijzer- en mangaantoevoegingen en loodglazuur. ca. 1750-1930, niet op schaal.

Schildpadtegels In totaal 48 tegelfragmenten zijn afkomstig van zogeheten schildpadtegels (fig. 113). Alhoewel de kleisamenstelling en de afmetingen van deze wandtegels identiek is aan de wandtegels die met een laag tinglazuur zijn bedekt, wijkt de decoratietechniek sterk af. Er komt namelijk geen tinglazuur aan te pas. De tegelmaker bedekte de tegel in leerharde toestand eerst met een witte en/of rode engobe waarna hij er met mangaan en/of ijzerhoudende verf druppels

117

Pluis, 1997, 573.

118

Pluis, 1997, 574.

119

Pluis, 1997, 578.


105


106


5. Synthese N.L. Jaspers , D.C . Brinkhuizen, O. Brinkkemper, S. Comis , P. Crucq, E. Esser, J.F.P. Kottman, J. van Oostveen & S.A.L. Peters

Deze synthese beantwoordt in detail de onderzoeks– vragen per vulling van de beerput. De volgende paragrafen behandelen per onderzoeksvraag de samenhang van de afzonderlijke materiaalspecialistische bevindingen die in het voorgaande hoofdstuk zijn gepresenteerd. Het uitgangspunt bestaat uit de volgende onderzoeksvragen: • • • • • • • • •

Wat is de datering van de vondsten? Welke functiegroepen zijn er onder de vondsten aanwezig? Zijn er vondsten die wijzen op ambachtelijke activiteit? Hoe past het materiaal in de bestaande typochronologieën? Welke voedingsgewoonten zijn er uit de vondsten af te leiden? Zijn er uitspraken te doen over gezondheid en hygiëne van de gebruikers? Op welke handelsnetwerken waren de bewoners aangesloten en hoe verhouden de lokale/regionale vondsten zich ten opzichte van de importen? Welke sociaaleconomische positie van de bewoners kan uit de vondsten worden afgeleid? Wat zeggen de vondsten over de tafel- en huishoudcultuur van de gebruikers?

Vervolgens zijn deze onderzoeksresultaten vergeleken met enkele andere beerputten in het land. Tot slot worden de onderzoeksresultaten en belangrijkste bevindingen aan het eind van dit hoofdstuk in de conclusie kort samengevat.

Beantwoording van de onderzoeksvragen Vulling A Datering Het aardewerk en het glas uit Vulling A is te dateren in de periode 1650-1750. De tabakspijpen geven een scherpere datering tussen 1715 en 1735. Het accent lijkt daarbij op de jaren twintig van de 18e eeuw te liggen. Er lijkt een hiaat te zijn tussen de datering van het aardewerk en glas en die van de kleipijpen. Er zijn duidelijk keramische voorwerpen uit het derde kwart

van de 17e eeuw aanwezig. Als de gebruiksfase van de beerput gelijk is aan de datering van de kleipijpen, dan zou dat betekenen dat de voorwerpen uit het derde kwart van de 17e eeuw bijna een halve eeuw in omloop zijn geweest, voordat ze in de beerput belandden. Het is uiteraard ook mogelijk dat de gebruiksfase van de beerput langer is geweest, maar dat er in de tweede helft van de 17e eeuw nog niet op of rond de scheepswerf werd gerookt, maar dit is onwaarschijnlijk. Een andere mogelijkheid om het dateringsverschil te verklaren is dat de beerput langere tijd in gebruik is geweest, maar in de tussentijd vaker is geleegd, waarbij enkele oudere voorwerpen op de bodem zijn achtergebleven. De Rotterdamse tabakspijp gemerkt DG (bijlage 3, cat. 1) past in dit beeld. We zullen hier nooit met zekerheid achterkomen. De contextdatering is op basis van bovenstaande materiaalcategorieën nu, met enig voorbehoud, vastgesteld op 1675-1735, een gulden middenweg. De artefacten van metaal, hout, leer, bewerkt bot, bouwkeramiek en natuursteen verschaffen geen aanvullende daterende informatie. De aangetroffen soorten dierlijk bot, visresten, voedselplanten en wilde planten geven evenmin nauwkeurige informatie over de datering van de beerput. Dat de contextdatering op basis van het aardewerk, glas en de kleipijpen doorloopt in het eerste kwart van de 18e eeuw past goed bij het voorkomen van amandel, die in ons land tot nu toe niet of nauwelijks voor de 17e eeuw is aangetroffen. Functiegroepen Fig. 114 geeft de absolute verdeling weer van het Minimum Aantal Exemplaren per materiaalcategorie over de verschillende functiegroepen in Vulling A van de beerput locatie Galeiwerf. ‘Bouwmateriaal’ is het sterkst vertegenwoordigd (100 MAE), wat vooral te wijten is aan het grote aantal smeedijzeren spijkers dat in de beerput is aangetroffen. Andere bouwmaterialen zijn vensterglas, brokjes faience wandtegel en houten pennen voor pen-en-gat verbindingen.

Synthese

107


0

20

40

60

80

100

120

Bouwmateriaal

Bereiding- en tafelgerei

Kleding

Visgerei

Naaigerei

Opslag en schenkgerei

Verwarming en verlichting

Aardewerk

Glas

Tabakspijpen

Metaal

Hout

Textiel

Rookgerei Leer Speelgoed Overig Kookgerei Keramisch bouwmateriaal Persoonlijke hygiëne en verzorging

Overig

Niet determineerbaar

Fig. 114: Beerput locatie Galeiwerf,Vulling A (1675-1735). Absolute verdeling van het Minimum Aantal Exemplaren per materiaalcategorie over de verschillende functiegroepen (MAE=431)

De op één na grootste groep is het ‘Bereiding- en tafelgerei’ (94 MAE), welke voornamelijk bestaat uit een grote variëteit aan voorwerpen. Om het eten op te dienen en de tafel te dekken zien we borden, schotels, (pap) kommen en plooischotels in majolica, faience en/of rood- en witbakkend aardewerk. Bij het drinkgerei zijn de simpele glazen bierbekers goed vertegenwoordigd, en is er maar een enkel kelkglas en roemer gevonden voor het nuttigen van wijn of andere sterke drank. Uit de andere materiaalgroepen is er nog een deel van een tinnen lepel en een houten mesheft aangetroffen. We zien ook gebruiksaardewerk dat diende om het eten in te bereiden zonder het te verwarmen, zoals een lekschaal, roompotten en grapen. De objecten zijn bijzonder goed bewaard gebleven en in vele gevallen tot complete voorwerpen te herleiden. 108

Synthese

De derde functiegroep qua aantallen vondsten is ‘Kleding’ (59 MAE), wat vooral komt door de vele ijzeren kledinghaakjes die zijn gevonden. Ook zijn er knopen van tin, hout en bewerkt bot aangetroffen, vele kleine fragmenten van zijden en wollen weefsels, kralen van git en barnsteen en een leren kinderschoentje (fig. 115). Aangezien de textielfragmenten relatief klein zijn is het niet mogelijk om de precieze functie vast te stellen. De wollen en zijden stoffen kunnen gezien binding en fijnheid afkomstig zijn van kledingstukken. De wollen fragmenten breiwerk lijken delen te zijn van een lange kous met sierstrepen. De vierde functiegroep op rij is ‘Visgerei’ (29 MAE) welke vrijwel volledig is vertegenwoordigd door vishaken van verschillende formaten. De grote variant


Fig. 115: Beerput locatie Galeiwerf,Vulling A (1675-1735): Leren kinderschoen en speelgoed: twee houten tollen, twee aardewerken knikkers, speelgoed vishaakjes van getrokken koperdraad en benen bikkels van ree en schaap/geit.

is van smeedijzer en de kleinere variant van getrokken ijzerdraad. De vishaken zijn waarschijnlijk gebruikt voor het vangen van zoetwatervis. Daarnaast zijn er delen van twee houten haringtondeksels in de beerput aangetroffen. Het ‘Visgerei’ wordt direct gevolgd door het ‘Naaigerei’ (27 MAE), bestaande uit één ijzeren naald en voor de rest koperen spelden. Deze zijn in de huishoudelijke sfeer te plaatsen voor herstelwerkzaamheden aan kleding en niet op ambachtelijke schaal. Onder het ‘Opslag en schenkgerei’ (20 MAE) zien we kannen, deksels en een pot van steengoed, faience en/ of roodbakkend aardewerk. Daarnaast zijn er glazen medicijnflessen en een fleskaraf voor sterke drank aangetroffen. Opvallend genoegd ontbreken wijnflessen in het ensemble. Er is een wilgenhouten stop gevonden waarmee een fles afgedicht kon worden, en ook zijn er enkele eikenhouten tondeksels aangetroffen die naar alle waarschijnlijkheid tot een haringtonvaatje hebben behoord. ‘Verwarming en verlichting’ (17 MAE) is na ‘Bereiding en tafelgerei’ de grootste groep onder het keramiek. Er zijn doofpotdeksels, kandelaars, komforen,

kooltjespannen, olielampen en vuurtesten gevonden, allemaal van rood- en witbakkend aardewerk. Er zijn geen andere materiaalgroepen vertegenwoordigd, terwijl we van schilderijen weten dat metaal wel degelijk veel in gebruik was voor deze doeleinden. Zoals eerder gesteld zijn vooral de grotere metalen voorwerpen sterk ondervertegenwoordigd in beerputten, omdat die na breuk weer aan de oud-ijzerboer werden verkocht als grondstof om omgesmolten te worden. Het ‘Rookgerei’ (16 MAE) bestaat alleen uit tabakspijpen. Dat er kinderen op het erf rondliepen wisten we ook al uit de bronnen, en door het eerder genoemde leren schoentje, maar hun aanwezigheid wordt ook nog eens bevestigd door de vondsten van ‘Speelgoed’ (11 MAE) in de beerput (fig. 115). Er zijn twee aardewerken knikkers, twee benen bikkels, twee houten tollen en een serie van namaak vishaakjes die te zwak zijn om ook maar het kleinste visje mee uit het water te hengelen. Opvallend genoeg is het ‘Kookgerei’ (11 MAE) een vrij kleine groep in de beerput, mogelijk ook hier weer omdat een deel van het kookgerei wellicht uit metaal bestond en niet in de beerput terecht is gekomen. Het kookgerei is te onderscheiden van de voorwerpen voor Synthese

109


Fig. 116: Hedendaagse zeevissoorten (haring, sardien, schar en tong) waarvan resten in beerput locatie Galeiwerf zijn aangetroffen op roodbakkend Oosterhouts bord

(r-bor-18), met haringtondeksel, smeedijzeren vishaken, bierglas (gl-bek-8a) en Frechense baardmankruik (s2-kan-32) uit beerput locatie Galeiwerf (Vulling A). 110


111


koude bereiding door de aanwezigheid van roetsporen aan de buitenzijde. Er is slechts één klein metalen pannetje aangetroffen, de rest is van aardewerk: één bakpan, één deksel en meerdere grapes en steelkommen. ‘Persoonlijke hygiëne en verzorging’ (4 MAE) bestaat ook slechts uit enkele voorwerpen: twee pispotten van steengoed en roodbakkend aardewerk en resten van twee roodbakkende zalfpotten. Het is bekend dat het gat in het houten bankje in het secreethuisje boven de beerput vaak met een houten deksel werd afgedicht om de stank tegen te gaan, maar het is onwaarschijnlijk dat de tondeksels uit de beerput daarvoor gediend hebben. De tondeksels hebben geen knop of sporen van een bevestiging naar een handgreep, dus is deze mogelijkheid uitgesloten. Dan tot slot nog de categorie ‘Overig’ (3 MAE). Hieronder zien we een metalen munt, een stukje van een boekbeslag en meerdere schakels van een smeedijzeren ketting. Van minimaal 24 voorwerpen is het niet mogelijk de functiegroep vast te stellen (‘Niet determineerbaar’). Ambachtelijke activiteit Onder het aardewerk, glas, tabakspijpen en bouwkeramiek zijn geen vondsten aangetroffen die in verband kunnen worden gebracht met een ambachtelijke activiteit. Ook zijn er geen resten van verfplanten of andere gebruiksplanten aangetroffen die gerelateerd kunnen worden aan bepaalde ambachtelijke activiteiten. Weefsel en breiwerk werden in de 17e en 18e eeuw meestal lokaal vervaardigd. Dit geldt speciaal voor wollen stoffen, alleen zijden weefsels werden in grote steden in Nederland of buiten Nederland geweven. Het ontbreken van aanwijzingen voor weefgetouw, breipennen en (verf)ketels voor de vervaardiging en afwerking van wollen textilia duidt er op, dat de stoffen niet ter plekke zijn gemaakt en afgewerkt. Het betreft hier restanten van onder andere afgedankte kleding. Dit wordt ook bevestigd door de aanwezigheid van talrijke haakjes en oogjes die gebruikt werden als sluiting van kleding. De vele spelden en een naald duiden op naaien of herstelwerkzaamheden. We weten dat de beerput gelegen is naast een scheepswerf waar uiteraard voortdurend ambachtelijke activiteiten plaatsvonden. Het is zeer aannemelijk dat de vele smeedijzeren spijkers van de scheepswerf afkomstig zijn, al kunnen deze ook net zo goed voor constructies in huis gebruikt zijn. Ook de houten pennen voor pen-en-gat verbindingen zijn waarschijnlijk van de scheepswerf afkomstig. Ook het natuurstenen wetsteentje dat gebruikt lijkt te zijn voor

het polijsten van zachte materialen als hout of bot kan zowel voor ambachtelijke als huishoudelijke doeleinden zijn ingezet. Kortom, er zijn wel enkele vondsten aangetroffen die aansluiten bij de ambachtelijke activiteiten van de scheepswerf, maar de enorme hoeveelheden afval die een scheepswerf produceert, zoals houtsnippers, gereedschappen, touw, etc. zijn niet in de beerput beland. Typochronologieën Het aardewerk en glas is gedetermineerd volgens de richtlijnen van het Deventer Systeem en past binnen de bestaande typochronologieën in de periode 1650-1750. Onder het glas zijn geen nieuwe typen aangetroffen, maar onder het Vlaardingse gebruiksaardewerk zijn wel vier nieuwe vormtypen opgedoken, die nog niet eerder onder Nederlandse bodemvondsten zijn herkend. Deze zijn aan het Deventer Systeem toegevoegd. Het betreft twee grapen (r-gra-162 en -163), een komfoor (r-kmf-24) en een steelkom (r-stk-35). Toekomstig onderzoek zal uitwijzen of dit specifieke vormtypen voor de regio Vlaardingen zijn, of dat deze ook elders in het land voorkomen. De vele objecttekeningen die voor de beerput locatie Galeiwerf zijn gemaakt, maken het mogelijk een begin van een lokale typochronologie voor Vlaardingen op te stellen, zoals die eerder ook al voor andere steden en regio’s zijn vervaardigd.120 Het laat 17e- en vroeg 18e-eeuwse textiel dat bij de opgraving in Vlaardingen tevoorschijn is gekomen, is gezien de relatief eenvoudige weefsels en het ontbreken van gecompliceerde zijden weefsels goed vergelijkbaar met de laat 17e- en vroeg 18e-eeuwse vondsten van Spitsbergen. Daar zijn in de graven van Hollandse walvisvaarders, net als in beerput locatie Galeiwerf, voornamelijk wollen stoffen in effenbinding en in vierbindige keper aangetroffen. Ten aanzien van het wollen breiwerk met sierstrepen kan worden opgemerkt dat sierstrepen vaak worden aangetroffen op lange kousen die in de 17e en 18e eeuw werden gedragen door onder andere de walvisvaarders maar ook de geestelijken.121 De tabakspijpen uit Vulling A van de beerput zijn van het dop- en trechtervormige type. Het zijn gangbare typen voor de periode waarin de vulling is gedateerd. De artefacten van metaal, hout en natuursteen zijn minder gevoelig voor typochronologische ontwikkelingen dan het aardewerk, glas en de kleipijpen maar passen goed binnen de contextdatering van de gebruiksfase van de beerput. Voedingsgewoonten Wat het drinkgerei betreft zien we onder het glas voornamelijk grote, simpele bekers om bier uit te drinken. Ook de steengoed baardmankruiken werden gebruikt voor het schenken van bier. Uit de glazen karaf schonk men vooral sterke drank. Glazen die wijzen

120

(Post-)middeleeuwse lokale en regionale typochronologieën volgens het Deventer Systeem zijn inmiddels opgesteld voor: Amsterdam, Den Haag,

112

Synthese

Maastricht, Someren, Venlo en Walcheren. 121

Vons-Comis 1988, 99 ; Bitter 1999 ; Comis e.a. 2005, 81.


op het nuttigen van wijn zijn nauwelijks gevonden, op een kelkglas en een roemer na. Uit kelkglazen werd overigens ook sterke drank gedronken. De witte faience kan is mogelijk wel gebruikt voor het schenken van wijn. Sommige keramische voorwerpen uit de functiegroepen ‘Bereiding- en tafelgerei’ en ‘Kookgerei’ vertellen ons iets over het type voedsel dat daarin werd opgediend of klaargemaakt, maar uit bijvoorbeeld de aanwezigheid van borden kunnen we weinig zeggen over voedingsgewoonten, behalve dat er van gegeten werd. Zoals al eerder gezegd is er vrij weinig kookgerei aangetroffen, mogelijk gebruikte men daarvoor de metalen tegenhangers of is het gebroken keramische kookgerei op een andere wijze in het afval beland, want ook bij de dierlijke resten ontbreekt het keukenafval en zijn er vooral maaltijdresten. Er is één bakpan aangetroffen, waarin men eieren of pannenkoeken bakte. Daarnaast wijzen enkele grapen met roetaanslag aan de buitenzijde op het koken van soepen of het gaar stoven van eenpansgerechten van vlees, gevogelte of vis. Andere grapen zonder roetaanslag zijn eerder gebruikt voor koude bereiding, bijvoorbeeld om beslag te mengen. De exemplaren met een tuit kennen we als roompot van schilderijen. Papkommen werden, zoals de naam al aangeeft, vaak gebruikt voor het opdienen van pap, maar ook voor soepen, sauzen of stoofgerechten.

zijn dan ook bijzonder veel resten van haring in de beerput aangetroffen. Andere zeevissoorten die sterk zijn vertegenwoordigd in de beerput zijn schelvis, kabeljauw en schol(achtigen). In mindere mate zien we nog sardien, rode poon, tarbot, bot, schar en gevlekte rog. Van de trekkende vissoorten is er paling en spiering genuttigd. Het onderzoek aan botanische macroresten heeft 37 verschillende soorten voedselplanten opgeleverd, waaronder zeven typen pruimen. We kunnen zeggen dat bewoners op de locatie Galeiwerf over een voor hun tijd zeer gevarieerd menu konden beschikken, zowel wat de plantaardige kant van het assortiment betreft (fig. 117) als de variatie aan vissoorten. Een (fragment van) een amandelschaal is de zeldzaamste vondst, met slechts elf parallellen uit eerder onderzoek, die ook voor een belangrijk deel uit de 18e eeuw dateren. Ook de perzikpit is een ongewone verschijning, met een voorkomen in 47 eerder onderzochte monsters, waarvan vier uit de Romeinse tijd. Aangetroffen exotische importen zijn rijst en peper. Graanzemelen zijn, in vergelijking met de inhoud van andere beerputten uit ons land, slecht vertegenwoordigd. Zaden van mispel en aalbes komen juist opvallend vaak voor.

Er zijn maar weinig zoogdier- en vogelbotten onder het tafelafval aangetroffen, het beperkt zich tot enkele ribbetjes van karbonades en koteletten, een tongbeentje uit een schapentong en een kleine hoeveelheid vogelbotjes waarbij eend het meeste voorkomt. Dit suggereert dat er nauwelijks vlees en gevogelte op het menu stond, of dat het vlees al grotendeels was ontbeend toen het op tafel werd geserveerd.

Het pollenonderzoek heeft nog eens zes voedselgewassen opgeleverd die niet als macrorest waren aangetroffen, waaronder de granen tarwe en gerst. Net als bosbes die ook alleen als pollen is aangetoond, moet het ontbreken van beide graansoorten bij de macroresten aan minder gunstige post-depositionele omstandigheden worden geweten. Kruidnagel is een nieuw exotisch gewas dat op het menu stond van de gebruikers van de onderzochte beerput. Daarnaast zijn er voor het op smaak brengen van de gerechten kervel en koriander aangetroffen.

Visresten zijn daarentegen in overvloed aanwezig. Eén fragment van een grote, platte lekschaal van roodbakkend aardewerk is onder de vondsten herkend, en deze zien we op schilderijen vrijwel altijd in relatie tot het bereiden of opdienen van vis, maar ook grote roodbakkende borden lenen zich hiervoor (fig. 116). De vele vishaken zullen met de zoetwatervis meegekomen zijn of met de vissoorten uit de kustvisserij. De bewoners op de locatie Galeiwerf lijken in elk geval de zoetwatervissen brasem, blei, karper, serpeling, rietvoorn en baars op hun bord te hebben gehad. Een heleboel andere soorten kunnen bij de kustvisserij zijn gevangen, wellicht is daarom het visspectrum wel vrij breed. Sardien, poon en tarbot zijn geen alledaagse soorten. Als ze wel werden gevangen, maar te klein voor de markt, kunnen ze door de vissers zelf zijn gegeten. De twee houten tondeksels zijn waarschijnlijk afkomstig van een tonnetje gezouten haring. De haringvisserij vond plaats op open zee, een activiteit waar Vlaardingen een grote rol in speelde, en er

Gezondheid en hygiëne Wat de gezondheid van de bewoners betreft, de tabakspijpen uit de beerput geven aan dat er door sommigen op en rond de locatie Galeiwerf gerookt werd, een ongezonde maar ook destijds wijdverspreide gewoonte. Onder het aardewerk zijn twee zalfpotten aanwezig maar we weten niet welk goedje hierin gezeten heeft. Waarschijnlijk iets ter verzorging van het lichaam. De twee pispotten waren als nachtspiegel in gebruik, welke onder het bed stond zodat men daarin ‘s nachts zijn behoefte kon doen. De pispot leegde men dan overdag in de beerput zelf. Overdag deed men zijn behoefte in een daarvoor bestemd houten huisje, dat zich boven de gemetselde beerput zelf bevond. Hiervan zijn geen resten teruggevonden, maar dit is ook bijna nooit archeologisch aan te tonen. De beerput had aan de bovenzijde een gemetseld gewelf en een stortkoker dat in verbinding stond met het houten huisje, ook wel secreethuis genoemd. In het huisje bevond zich een rechthoekig houten bankje met daarin een rond gat

Synthese

113


Fig. 117: Hedendaagse fruitsoorten waarvan verwante voorgangers in beerput locatie Galeiwerf zijn aangetroffen op witte vermoedelijk Delftse faience plooischotel (f-plo-3)

uit de beerput (Vulling A). 114


115


dat vaak werd afgedekt met een houten deksel om het uitwasemen van de stank tegen te gaan. De zitting, de stortkoker en de beerput stonden in rechtstreekse verbinding met elkaar, waardoor de fecaliën en urine rechtstreeks in de beerput vielen. Het zou kunnen dat de stank rondom dit secreet aan de Vlaardingse locatie Galeiwerf bleef hangen, want pas in het derde kwart van 18e eeuw deed de S-bocht zijn intrede die dat probleem tegenging.122 De manier waarop de beerput gebruikt werd en hoe nat of droog deze was, had daar ook invloed op. In het onderzochte pollenmonster zijn enkele eieren van de spoelworm, een darmparasiet, aangetroffen. In beerputten uit de Nieuwe Tijd is dit een algemeen verschijnsel. Het wijst op voor die tijd gebruikelijke hygiënische omstandigheden, met consumptie van vervuild drinkwater wat de verspreiding van deze darmparasiet veroorzaakt. Verder blijkt uit het onderzoek naar dierlijk bot dat de woelrat, bruine rat en huismuis op het erf aanwezig waren, bekend als dragers en verspreiders van ziekten. De resten van een kitten tonen aan dat de bewoners ook katten als huisdier hadden, die in huishoudens geliefd waren om de ongewenste knaagdieren op een afstand te houden. Handelsnetwerken en lokale/regionale consumptie versus importen Importen van keramiek uit Zuid-Europa en Noord-Duitsland, die we in de eerste helft van de 17e eeuw nog veel zien onder de bodemvondsten, vallen vrijwel volledig weg vanaf de tweede helft van de 17e eeuw, evenals de keramiekproductie die alleen een lokale of regionale verspreiding kent. In de tweede helft van de 17e eeuw vindt een concentratie plaats van de productie van rood- en witbakkend huishoudelijk aardewerk in de productieregio’s Bergen op Zoom, Oosterhout, Gouda, Friesland en het Nederrijnse gebied, wat doorloopt in de 18e eeuw. De faienceproductie concentreert zich vooral in Delft en de majolicaproductie in Delft en de Friese steden als Harlingen en Makkum, evenals de productie van beschilderde wandtegels. Vooralsnog zijn deze productiecentra niet op het oog van elkaar te onderscheiden.123 De aanvoer over de rivieren van steengoed uit het Duitse Rijnland dat via Keulen werd verhandeld, blijft wel bestaan evenals de import van Chinees porselein door de VOC. Het keramiekassortiment van de Vlaardingse beerput bevestigt dit beeld. We zien rood- en witbakkende grapen, roompotjes, papkommen en vuurtesten uit Friesland en slibversierde borden uit Oosterhout en het Nederrijns gebied, het echte massagoed dus. Een

122

Van Oosten, 2013, 54.

123

Op dit moment wordt onderzoek gedaan naar de verschillen van Delfts en Harlings productieafval in decoratie en klei- en glazuursamenstelling door Sebastiaan Ostkamp en Nina Jaspers, in samenwerking met Erfgoed Delft (S. Jongma), Stichting Fries Aardewerk (Luut de Haan, Pieter Jan Tichelaar en Hugo ter Avest) en de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed (Luc Megens en Madelon Pronk). Het is nog te vroeg om de Vlaardingse vondsten aan één van beide productiecentra toe te kunnen schrijven.

deel van het witbakkende aardewerk komt overeen met dat wat we uit Gouda kennen, waar ook de gedetermineerde tabakspijpen vandaan komen. De ongemerkte exemplaren uit Vulling A kunnen mogelijk in Aarlanderveen, Gorinchem of Gouda geproduceerd zijn. Door het ontbreken van makersmerken valt hier geen uitspraak over te doen. Dat de faience en majolica uit de beerput uit Delft zou komen is de meest voor de hand liggende gedachte, gezien de nabije ligging van deze stad, maar ook in Harlingen is faience geproduceerd. Aangezien er ook Fries rood- en witbakkend gebruiksaardewerk onder de vondsten aanwezig is, is het uiteraard mogelijk dat er ook Fries tinglazuuraardewerk in Vlaardingen op de markt kwam. Het Rijnlandse steengoed zien we bij de kannen en pispot terug. Chinees porselein ontbreekt echter volledig in de beerput locatie Galeiwerf, terwijl dit in deze periode toch al veel meer gemeengoed is geworden. Voor zover waar te nemen is in de beerput locatie Galeiwerf alleen Nederlandse glaswerk aangetroffen, wat opmerkelijk is. Bij glas verschuift de productie tijdens de gebruiksfase van de beerput juist naar het buitenland. Door overproductie nam de concurrentie toe bij de in diverse Nederlandse steden opgerichte glasblazerijen en vele hiervan gingen daardoor failliet. Vermoedelijk konden enkele nog even overleven met kwalitatief slechte en waarschijnlijk goedkope producten, waartoe al het glas uit de beerput locatie Galeiwerf ook lijkt te behoren. Dit is opvallend omdat in die periode het kwalitatief betere glas uit Engeland en Bohemen sterk in opkomst was. Vooral het Barokke dikwandige glaswerk kwam in de mode, maar we zien dit niet terug in de beerput. De glazen uit de beerput zijn juist van vrij povere kwaliteit. De voorwerpen van metaal en hout uit de beerput lijken lokaal of in de regio te zijn geproduceerd. Er zijn geen exotische voorwerpen aangetroffen die reeds als artefact in den vreemde zijn vervaardigd. De bewoners zullen deze voorwerpen naar alle waarschijnlijkheid in de lokale winkels hebben aangeschaft. Voor de grondstoffen van de metalen artefacten ligt dit in sommige gevallen anders, maar hierover kunnen we geen gefundeerde uitspraken doen. IJzer werd in Nederland wel geproduceerd met behulp van klapperstenen en oerijzer, maar tin- en kopermijnen, die ook de grondstoffen voor brons leverden, kennen de Nederlanden niet. Dit moet van elders in Europa zijn aangevoerd, tinmijnen zijn onder meer bekend in Zuidwest Engeland (Cornwall) en kopermijnen in


verschillende delen van Europa (bijvoorbeeld in Zweden en Duitsland) maar het is binnen de doelstellingen van dit onderzoek niet te achterhalen waar de grondstoffen van de metaalvondsten uit Vlaardingen locatie Galeiwerf zijn gedolven. Er is in het onderzoek naar de houten vondsten van de locatie Galeiwerf wel een houtsoortbepaling gedaan maar geen herkomstanalyse uitgevoerd. Wat de herkomst van de gebruikte houtsoorten betreft weten we dat in Holland het meeste bos in de Middeleeuwen reeds is verdwenen als gevolg van ontginningen en mogelijk degeneratie van de bodem. Voor de houtvoorziening werd men vanaf dat moment sterk afhankelijk van de import.124 Van oudsher bestond er in de Late Middeleeuwen reeds een levendige houthandel met het Duitse Rijnland, maar ook via de Hanzehandel met Scandinavië.125 Via stedelijke houtmarkten werd dit verder verspreid. Gezien de kwaliteit van de wollen en zijden textilia zullen de meeste stoffen in Nederland zijn vervaardigd. Mogelijk zijn een of meerdere zijden weefsels geïmporteerd uit Frankrijk of Italië. Specifieke handelsnetwerken zijn niet vast te stellen. De wetsteen lijkt uit de Ardennen te komen, mogelijk uit de omgeving van Vielsalm waar nog tot in de vorige eeuw groeven en productiecentra voor wetstenen waren. Het wetsteentje zal daarom zeer waarschijnlijk via de Maas zijn aangevoerd. De paar zoogdier- en vogelresten vertellen ons niets over eventuele handelsnetwerken aangaande de consumptie van vlees. De vroegere Noordzeevisserij kende verschillende takken van bedrijf. De voornaamste waren de haringdrijfnetvisserij voor de oostkust van Schotland en Engeland, de beugvisserij op kabeljauw en schelvis op de Doggersbank en bij IJsland, en de kustvisserij vanuit vissersdorpen langs de westkust van ons land. Het scheepstype dat van omstreeks 1400 tot 1860 bij de haringdrijfnetvisserij gebruikt werd, was de buis. Brielle, Vlaardingen, Maassluis, Rotterdam, Delfshaven en nog enkele kleinere havens waren de thuishavens van de haringbuizen.126 Het geëigende schip voor de beugvisserij was de vishoeker. Dit type schip is ongeveer van 1620 tot 1886 gebruikt. De belangrijkste havens waren Maassluis, Vlaardingen en Zierikzee. Vanaf de hoekers werd op de gehele Noordzee, met name op de Doggersbank en

rond IJsland, met de beug en de kollijn op kabeljauw, schelvis en heilbot gevist. In geval dat de beugvisserij “te verse” (dicht bij huis) werd uitgeoefend, had de hoeker vanaf de 18e eeuw een bun om de vis levend te bewaren. De kustvisserij werd uitgeoefend vanuit vissersdorpen langs de gehele Nederlandse kust. Een veel gebruikt type schip hiervoor was de bomschuit. De visserij vanuit de Zijdse dorpen, zoals Scheveningen, Katwijk, Noordwijk, Zandvoort en Egmond was de meest omvangrijke. In 1753 voeren er landelijk gezien 82 bomschuiten uit. Tot 1857 mochten de Zijdse vissers de gevangen haring niet kaken. Aldus voerden zij ongekaakte, maar wel gezouten haring aan die tot bokking werd gerookt.127 Ook visten zij met de beug en met het zogenaamde schrobnet voor de kust. Uit het voorgaande is duidelijk dat Vlaardingen een van de thuishavens was voor een aantal schepen die ver van huis op haring en kabeljauw visten. Om de gevangen vis gedurende de lange tijd dat de vissers op zee verbleven te vrijwaren voor bederf, was veel zout nodig. Oorspronkelijk werd Zeeuws zelzout, het product van het darinkdelven gebruikt. Echter de achteruitgang van het darinkdelven en de toenemende vraag naar zout maakten invoer van zout noodzakelijk. Zout werd in eerste instantie geïmporteerd uit de baai van Bourgneuf (West-Frankrijk) alwaar het sinds het eind van de dertiende eeuw door kooplieden uit de Hanzesteden werd gehaald. Vanaf de 16e eeuw haalde men ook zout uit Setúbal (Portugal) en Sanlucar (Spanje). Hier was de zoutwinning minder van het weer afhankelijk dan in de baai van Bourgneuf. Vooral het zout van Setúbal werd spoedig veel voor visserij doeleinden gebruikt en aan het eind van de 18e eeuw ging men in de wetgeving op het behandelen van haring zelfs zover, dat het zouten uitsluitend mocht geschieden met Spaans en Portugees zout.128 Van Vlaardingen zijn tot 1771 over de kabeljauwvisserij in het geheel geen gegevens bekend.129 Bekend is evenwel dat in 1751 naast schepen uit Maassluis, Brielle, Schiedam, Rotterdam en Dordrecht twaalf schepen die thuishoorden in Vlaardingen voor de kabeljauwvangst naar IJsland voeren. Deze visserij nam in belangrijkheid toe tot 1768, toen er 75 schepen uit Maassluis en 68 schepen uit Vlaardingen uitvoeren op een totaal aantal van 160 schepen.130 Uit het aantal vertrekkende schepen is duidelijk dat er veel zout in Vlaardingen moet zijn aangevoerd.

124

De Vries, 1995, 109.

127

Van der Voort, 1975, 35.

125

De Vries, 1995, 110-111.

128

Kranenburg, 1946, 22.

126

Van der Voort, 1975, 24.

129

Kranenburg, 1946, 47.

130

Kranenburg, 1946, 48.

Synthese

117


De Vlaardingers visten zelf op die soorten zeevis die vertegenwoordigd zijn in het onderzochte vismateriaal. Duidelijke importen zijn niet aanwijsbaar. De twee botresten van kabeljauw met snijvlakken kunnen afkomstig zijn van stokvis, maar ook van zoutevis. De kabeljauw die niet vers kon worden aangevoerd wegens de grote afstand visgrond - thuishaven, werd onmiddellijk van de kop ontdaan en gestript. Ook werden de kaken van de kop gesneden, alsmede de keeltjes en lipjes. Gezouten werden deze producten in tonnen geslagen. In vele katholieke streken prefereerde men echter de in Noorwegen bereide stokvis boven zoutevis. Stokvis kon gemakkelijker worden vervoerd en was minder aan bederf onderhevig. De handel in zoutevis concentreerde zich in het Maasgebied; Frankrijk was het voornaamste afzetgebied.131 Botanische resten De exotische gewassen zullen op een of andere wijze middels handelsnetwerken met het Verre Oosten (peper en kruidnagel) en het mediterrane gebied (rijst, mogelijk ook perzik en amandel) zijn verkregen. Deze producten kunnen wel op een lokale markt beschikbaar zijn geweest. Verder zijn er twee bijzondere akkeronkruiden aanwezig met akkerboterbloem en esdoorn-ganzenvoet, maar deze soorten kunnen destijds in het rivierengebied rond Vlaardingen op akkers gegroeid zijn. Typische onkruiden van kalkrijke akkers, zoals vinkenzaad, naaldenkervel en spiegelklokjes, zijn niet aangetroffen. Indien aanwezig hadden zij gewezen op import van graan uit hetzij het Baltische gebied, hetzij meer zuidelijke löss- of kalkgebieden. Sociaaleconomische positie van de bewoners Het beeld dat uit de inhoud van de beerput naar voren komt is dat van een laag-midden milieu. Het aardewerk bestaat voornamelijk uit vrij simpel, goedkoop gebruiksaardewerk en tafelwaar van majolica en faience dat als massagoed is geproduceerd. Alleen de witte faience kan en plooischotel hebben een chiquere uitstraling die afwijkt van het beeld dat we verder zien. De hoge bierglazen in slechte kwaliteit vormen het voornaamste drinkgerei. Lastig is het hieraan de sociale status te bepalen. Gebruiksglas was tot aan het vierde kwart van de 17e eeuw doorgaans van hogere kwaliteit. Bij de kleipijpen zien we dat de verdeling tussen goed afgewerkte producten en eenvoudig afgewerkte producten gemiddeld is voor deze periode. Echter, juist de tabakspijpen hoeven niet alleen van de bewoners afkomstig te zijn, maar kunnen ook tot de werklieden op de scheepswerf hebben behoord en via hen in de beerput zijn beland. De tabakspijpen uit de beerput laten dus een gemiddelde zien van wat verwacht mag worden voor deze periode (1715-1735). Zelfs een

131

Kranenburg, 1946, 132.

pijp die reeds in de 18e eeuw was gebroken is door de gebruiker gerecycled (bijlage 3, cat. 8). Uit deze pijp met verkorte steel heeft de gebruiker vervolgens nog goed gerookt. Wat het textiel betreft is bij de beschrijving van de typechronologie al vermeld dat het vondstmateriaal uit Vlaardingen eerder overeenkomt met een huishouden van een eenvoudige burger en niet van een rijke bewoner gezien het geringe percentage zijde, wat meestal een indicatie van rijkdom is. Helaas is het textiele vondstcomplex te klein om gefundeerde uitspraken te doen. Het percentage zijde hoeft overigens niet bepalend te zijn voor de welstand. Op het Waterlooplein in Amsterdam zijn circa vijftig beerputten, die bij twee huizenblokken horen, archeologisch onderzocht. Uit historische bronnen is bekend in welke straten de bemiddelde kooplieden en waar de ambachtslieden woonden. In een van de beerputten, namelijk beerput 1, werden overwegend kostbare zijden stoffen gevonden en dat klopte ook met de historische gegevens. Tot verrassing van de onderzoekers werd in relatief “arme” beerputten ook zijde gevonden, mogelijk waren dit restanten van kleding gemaakt door een naaister of borduurwerker of afkomstig van afgedankte kleding van de mevrouw of meneer waar men in dienst was.132 De metalen kledinghaakjes zijn van het simpelste soort, er zijn geen meer geornamenteerde varianten aangetroffen. De spelden behoren tot de gebruikelijke inventaris van huishoudens om herstelwerk aan kleding te verrichten. Hieraan kunnen geen sociaaleconomische conclusies verbonden worden. De grote hoeveelheid spijkers en resten van houten pennen benadrukken nog eens de aanwezigheid van een werkplaats in de nabije omgeving, waar vast en zeker lieden uit verschillende sociale klassen rondliepen. De houten voorwerpen geven geen directe aanwijzingen voor een hogere status van de bewoners. Op basis van het geringe aantal zoogdier- en vogelbotjes is eigenlijk weinig te zeggen over de sociaal- economische positie van de bewoners. Het kan zijn dat het geringe aantal resten van deze dieren het gevolg is van het weinig consumeren van vlees, in de 18e eeuw een vrij duur product. De consumptie van vooral eend in plaats van kip kan daar ook op wijzen. In dat geval is de sociale positie van de bewoners niet hoog in te schatten. Het kan echter ook zijn dat men aan tafel vooral ontbeend vlees en gevogelte heeft gegeten. Het voorkomen van vooral kleine vissoorten duidt niet op een hoge sociale status van de consument. Ybma merkt op dat in de 16e en 17e eeuw diverse soorten kleine zoetwatervissen als lekkernij voor de armen golden.133 Toch is het spectrum vrij gevarieerd, wat

132

Vons-Comis 1985b, 103-104; Comis 1990, 68-69.

133

Ybma, 19632.


Fig. 118: Beerput locatie Galeiwerf,Vulling A (1675-1735):Verwarming (komfoor, vuurtest), verlichting (olielamp), bierbeker, rookgerei en bouwmateriaal van de scheepswerf.

waarschijnlijk ook niet verwonderlijk is voor een groep mensen die aan het water leeft en woont in een stad die bekend staat om zijn visserij. Smallegange, woonachtig in Zierikzee, geeft in 1696 een overzicht van de vissoorten die hij uit Zeeland kent en geeft voor een groot aantal soorten bijzonderheden.134 Over vis in het algemeen zegt Smallegange dat zeevis de beste is, want “door het zout is haar koude en vochtige aard wat verteerd en verdroogd”. De betere zeevis komt uit het midden van de zee, maar de beste is de vis die zich bij de klippen ophoudt. De reden hiervoor is, dat het water er altijd, ook bij stil weer, wordt bewogen, waardoor de vis ook beweegt en zuiverder wordt, dus lichter te verteren. Riviervis volgt op de zeevis. De vis van de grote rivieren is de beste, maar die in kleine rivieren of havens met goten, riolen en secreten en allerlei vuiligheid zijn “quaet en ongesont”. Voor 18e-eeuwse begrippen zijn de aangetroffen soorten (met de exotische gewassen rijst, peper en kruidnagel) op zich niet uitzonderlijk (afgezien van de amandelschaal). Het relatief grote assortiment is voor die tijd wel hoog te noemen, de vroegere bewoners en andere mensen die werkten op de scheepswerf op het onderzochte perceel hadden de beschikking over een

134

Smallegange, 1696.

tamelijk gevarieerd plantaardig voedselassortiment. De nog steeds toenemende kennis om plantenresten aan soorten of zelfs typen daarbinnen toe te schrijven, vertekent dit beeld mogelijk wel. In een uitgebreide Nederlandse dataset kon geen relatie worden gelegd tussen de talrijke eieren van darmparasieten en de mate van consumptie van exotische voedselgewassen als maat voor sociale status. Kennelijk hadden alle lagen van de bevolking in die tijd met darmparasieten te kampen. Tafel- en huishoudcultuur Uit alle materiaalcategorieën komt het beeld naar voren van een cultuur van ruwe bolsters (fig. 118). Zowel het aardewerk als het glas wijst over het algemeen op een minder verfijnd huishoudelijk leven en dit beeld wordt aangevuld door de bouwmaterialen. Duidelijk is dat de gebruikers van deze beerput een voorkeur hadden voor bier of sterke drank en niet voor, de toch wat chique en luxueuzere, wijn. Ook zijn er geen aanwijzingen voor een theecultuur, in de vorm van faience of porseleinen theekopjes, iets wat al zeker sterk in opkomst was rond 1700 en niet meer alleen aan de allerrijksten was voorbehouden, zoals in de eerste helft van de 17e eeuw

Synthese

119


wel het geval was. De tabakspijpen geven aan dat er gerookt werd. Dat er behoorlijk wat vis in de beerput is aangetroffen, heeft in de eerste plaats te maken met het milieu van schippers en vissers dat rond de scheepswerf bestond. Daarnaast heeft het ook te maken met het belang van dit product voor de vasten. In de 17e eeuw hield men zich nog redelijk aan de regels die aan de vasten waren verbonden en onthield men zich van vlees en gevogelte op deze dagen. De consumptie van vis was wel toegestaan en gezien de vele vastendagen die een jaar telde, verscheen vis regelmatig op het menu. Afgezien van de voedingsgewoonten (zie boven) heeft het archeobotanische onderzoek geen aanvullende informatie opgeleverd over de huishoudcultuur. Vulling B Datering Het gebruiksaardewerk en het glas uit Vulling B laten verschillende dateringen zien. Zo zijn er enkele vondsten aangetroffen die prima in de gebruiksfase (1675-1735) van de beerput kunnen vallen, zoals een Chinees porseleinen theekopje van zeemleergoed (1700-1750) en het witbakkende poppengoed. Ook enkele kleurloze fragmenten glas zijn in de 17e eeuw te dateren. Er is onder dezelfde vondstnummers135 echter ook industrieel wit aardewerk verzameld, een theekopje en een dekseltje van poppengoed, dat op zijn vroegst ná 1750 dateert. De fragmenten van tabakspijpen uit Vulling B zijn te dateren in de periode 1775-1795. Het accent lijkt daarbij op de jaren tachtig van de 18e eeuw te liggen. De groene vensterglasfragmenten van rechthoekige ruitjes met glad afgesneden randen komen gedurende de gehele 17e en 18e eeuw voor, dus dat geeft geen aanvullende daterende informatie, evenmin als een brokje van een faience wandtegel uit de tweede helft 17e of de 18e eeuw. Er zijn geen andere materiaalcategorieën van daterende waarde in Vulling B aangetroffen. Functiegroepen Vulling B bevatte weinig vondsten. Er is speelgoed (poppengoed) en drink- en tafelgerei in de vorm van theekopjes, een glazen beker en een bord aanwezig. Het bouwmateriaal bestaat uit slechts enkele fragmenten wandtegel en vensterglas. Daarnaast zijn enkele tabakspijpen aangetroffen voor het roken van tabak. Ambachtelijke activiteit Er zijn in Vulling B geen vondsten aangetroffen die verband houden met ambachtelijke activiteit. Typochronologieën Het aardewerk en glas past binnen de bestaande vormtypes die binnen het Deventer Systeem bekend zijn. De tabakspijpen die zijn aangetroffen zijn van het ovoïde type. Dit is het gangbare type voor de periode waarin de vulling is gedateerd.

135

Vondstnummers 489 en 490.

Voedingsgewoonten De aangetroffen skeletresten in Vulling B zijn te schaars om uitspraken over voedingsgewoonten op te baseren. Gezondheid en hygiëne De vondsten in Vulling B verschaffen hierover geen informatie. Handelsnetwerken en lokale/regionale consumptie versus importen Het aantal vondsten in Vulling B is te laag om verhoudingen van te berekenen. De groep keramiek bestaat uit elf voorwerpen waarvan er twee uit Engeland komen, één uit China, één uit het Nederrijns gebied en de overige zes uit Nederland. In Vulling B van de beerput is de enige vondst uit China aangetroffen, een porseleinen theekopje uit de eerste helft van de 18e eeuw. Dit werd door de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) uit China aangevoerd. Op dat moment had het porselein uit China al zijn exclusieve karakter verloren dat het in de eerste helft van de 17e eeuw wel had, het werd inmiddels door de VOC letterlijk met scheepsladingen vol aangevoerd en was voor grote delen van de bevolking verkrijgbaar via de winkelnering in de steden. De twee stukken industrieel wit aardewerk komen waarschijnlijk uit Engeland, omdat Nederland in de tweede helft van de 18e eeuw nog geen eigen productie kende. Het overige gebruikskeramiek uit Vulling B is afkomstig uit Nederland. Hetzelfde geldt waarschijnlijk voor de fragmenten glas. De overige materiaalcategorieën zijn te schaars om hierover uitspraken te doen. Sociaaleconomische positie van de bewoners De vondsten zijn te schaars om daarover uitspraken te doen. Ook het Chinees porselein is op dat moment al zo alomtegenwoordig, dat het geen indicator is om status van af te leiden. Tafel- en huishoudcultuur De theekopjes geven aan dat de theecultuur in de tweede helft van de 18e eeuw ook zijn intrede heeft gedaan bij de bewoners van de locatie Galeiwerf. In Vulling A ontbreekt deze functiegroep nog geheel terwijl de theecultuur toen al wel sinds de tweede helft van de 17e eeuw in opkomst was. Het poppengoed geeft aan dat er kinderen speelden. De paar tabakspijpen geven aan dat er gerookt werd op het terrein. Vulling C Datering De twee tabakspijpen uit Vulling C stammen uit verschillende perioden. De gekaste, van pijpaarde geproduceerde tabakspijp dateert uit de periode 1740-1760. De van porselein gemaakte tabakspijp kan daarentegen gedateerd worden in de periode 1830-1900. Twee aardewerken borden dateren uit


het laatste kwart van de 18e of het eerste kwart van de 19e eeuw. Vulling C bevat alleen vensterglas dat algemeen voorkomt tussen ca. 1600 en 1800 en bevat geen andere, scherper dateerbare glasvondsten. De bouwkeramiek bestaat uit faience wandtegels uit de late 17e of 18e eeuw en vele schildpadtegels die vanaf het midden van de 18e eeuw tot ca. 1930 in omloop waren. Op basis van deze combinatie van vondsten is het meest waarschijnlijk dat de beerput is gedicht met bouwpuin in het tweede kwart van de 19e eeuw. Functiegroepen Er is voornamelijk bouwpuin in Vulling C aanwezig. Mogelijk hebben er in het tweede kwart van de 19e eeuw sloopwerkzaamheden op het terrein plaatsgevonden. Daarnaast zijn er een smeedijzeren spijker en een kram aangetroffen die kunnen zijn gebruikt voor bouwwerkzaamheden aan huis of voor de scheepsbouw op de scheepswerf. Tussen het bouwafval zijn resten van twee borden en twee tabakspijpen aangetroffen. Ook is er een zwerfsteen gevonden die mogelijk als ballast op een schip is gebruikt. Ambachtelijke activiteit De enige vondsten in Vulling C die mogelijk in verband kunnen worden gebracht met ambachtelijke activiteit zijn een smeedijzeren spijker en een kram. Deze zijn waarschijnlijk afkomstig van de naastgelegen scheepswerf. Typochronologieën De resten bouwkeramiek zijn bekend binnen de bestaande overzichten van wandtegels. De twee borden zijn van bekende vormtypen binnen het Deventer Systeem. De tabakspijpen die zijn aangetroffen zijn van het ovoïde en stummelvormige type. Het ovoïde type lijkt opspit maar het stummelvormige is het gangbare type voor de periode waarin de vulling is gedateerd. Voedingsgewoonten De vondsten in Vulling C verschaffen hierover geen informatie. Gezondheid en hygiëne De vondsten in Vulling C verschaffen hierover geen informatie. Handelsnetwerken en lokale/regionale consumptie versus importen De bouwkeramiek is afkomstig uit Delft en/of Friesland en de zwerfkei is waarschijnlijk als ballast via de Maas in Vlaardingen terechtgekomen. De vondsten in Vulling C verschaffen geen verdere informatie. Sociaaleconomische positie van de bewoners De vondsten in Vulling C verschaffen hierover geen informatie.

Tafel- en huishoudcultuur De vondsten in Vulling C tonen alleen aan dat er gesloopt, gegeten en gerookt werd op het terrein.

Vergelijking met andere beerputten De resultaten uit het onderzoek naar de inhoud van de beerput locatie Galeiwerf is vergeleken met drie andere vindplaatsen die een relatie hebben met de zeevaart en/ of scheepsbouw. Gezien de beperkte omvang van het vondstmateriaal uit vullingen B en D, komt alleen Vulling A voor een vergelijk in aanmerking. Omdat onderzochte beerput uit de nabije omgeving niet contemporain is met die van de locatie Galeiwerf is ook een vergelijking gemaakt met contemporaine beerputten in andere steden. De beerputten waarmee een vergelijking is gemaakt zijn de Beerput van de Vlaardingse Herberg De Visscher (ca. 1770-1790)136, Vlissingen Dokkershaven, Context XXXVII (1700-1750)137 en Amsterdam, beerput Herengracht 12 (ca. 1675-1750).138 Een probleem met het vinden van goede vergelijkingscontexten is dat daarin niet alle materiaalcategorieën altijd even goed vertegenwoordigd zijn. De afwezigheid van bepaalde vondstcategorieën kan een weerspiegeling zijn van de historische werkelijkheid, maar het kan ook zijn dat bepaalde kwetsbare en meer vergankelijke materialen minder goed of niet bewaard zijn gebleven. Daarnaast kan er ook tijdens de afzonderlijke archeologische onderzoeken voor gekozen zijn om bepaalde materiaalcategorieën niet uit te werken, waardoor er geen onderzoeksgegevens beschikbaar zijn om mee te vergelijken. Voor het textiel uit de beerput locatie Galeiwerf bleek al snel dat in de geselecteerde vergelijkingscontexten geen textiel aanwezig was. Voor het textiel is daarom in de paragraaf over Vlaardingen locatie Galeiwerf een vergelijking gemaakt met andere sites die zich daar het beste voor lenen. Vanwege de weinige zoogdier- en vogelresten in de beerput locatie Galeiwerf heeft een vergelijking met andere contexten voor deze diersoorten niet zoveel zin. Dit is dan ook achterwege gelaten. De visresten zijn daar meer geschikt voor. De materiaalcategorieën hout, metaal, bouwmateriaal en natuursteen zijn niet in de vergelijking meegenomen, omdat er in de andere contexten te weinig vondstmateriaal aanwezig is om een zinvolle vergelijking te maken. Vlaardingen, beerput locatie Galeiwerf (1675-1735) Aardewerk In de beerput aan de locatie Galeiwerf is in verhouding meer kookgerei en gerei voor de bereiding van maaltijden gevonden dan in de andere beerputten; de beerput van Herberg De Visscher in Vlaardingen, de

136

Laan, 2003.

137

Claeys, Jaspers & Ostkamp, 2010.

138

Gawronski & Jayasena, 2013.

Synthese

121


beerput van Dokkershaven in Vlissingen en de beerput van Herengracht 12 in Amsterdam. Ook zijn tussen het materiaal van de locatie Galeiwerf majolica borden aanwezig die bij de andere contexten goeddeels ontbreken. Het gaat hier waarschijnlijk om relatief goedkope producten, vergeleken bij de kwalitatief betere borden van faience en porselein uit de andere contexten. Het meest opvallend is misschien wel het vrijwel geheel, op een kop van faience na, ontbreken van thee- en koffiegoed. Mogelijk dronken de eigenaars van de beerput aan de locatie Galeiwerf, anders dan de bezoekers van de Herberg De Visscher, de eigenaars van de beerput uit Vlissingen Dokkershaven en de rijke koopmansfamilie uit Amsterdam geen koffie of thee. Er was geen sprake van een koffie- en theecultuur. Waarschijnlijk weerspiegelt dit ook het verschil in status tussen de verschillende gebruikers van de teruggevonden voorwerpen.

putten aanwezig zijn, maar ontbreken bij de beerput aan de Vlaardingse locatie Galeiwerf. Tabakspijpen Het betreft tabakspijpen die in de periode 1715-1735 worden gedateerd. Dit is de periode dat voor Vlaardingen verwacht mag worden dat de tabakspijpen uit Gouda en mogelijk ook uit Gorinchem worden aangevoerd.140 Tabakspijpen die eenduidig aan het productiecentrum Gorinchem kunnen worden toegeschreven ontbreken. Wel zijn er negen eenvoudig afgewerkte tabakspijpen aangetroffen die mogelijk in Aarlanderveen, Gorinchem of Gouda zijn geproduceerd. De verhouding eenvoudig/ beter afgewerkte tabakspijpen die Vulling A bevat is gemiddeld voor afvallagen en -putten uit de periode 1715-1735. We kunnen dit zeggen omdat er voor tabakspijpen statistisch verantwoord vergelijkingsmateriaal beschikbaar is. Reeds in 2001 zijn hiervoor grafieken gepubliceerd.141 Voor Vulling A die gedateerd wordt in de periode 1715-1735 zijn zeven fijne/porseleinen en negen grove tabakspijpen aangetroffen. Statistische analyse142 toont aan dat de Vlaardingse tabakspijpen een gemiddelde verdeling voor de periode rond het jaar 1725 hebben. De tabakspijpen uit de Vlaardingse beerput zijn tevens vergeleken met de voor de locatie Galeiwerf geselecteerde beerputvullingen.

Glas Het glas uit de beerput van de locatie Galeiwerf is ten opzichte van de andere putten beperkt in omvang en variatie. Doorgaans vormen drinkgerei, flessen en vensterglas de grootste vondstgroepen binnen een afvalcomplex. In de 17e- en vroege 18e-eeuwse periode zijn dat meestal hoge en lage bekers, kelkglazen en roemers. De overige voorwerpen zijn dan vooral wijnflessen en medicijnflessen. Bij de beerput van de locatie Galeiwerf echter, zijn alleen hoge bierbekers gevonden met daarbij drie kelkglaasjes, twee roemers, slechts één fragment van een wijnfles, een karafje en vier medicijnflesjes. De aangetroffen bekers zijn of slordig gemaakt, of tamelijk lomp te noemen. Ze zijn relatief dikwandig en eenvoudig van vorm of met grove netwerkversieringen van opgelegde draden. Deze kwalificatie van het in de put gevonden glaswerk is afgezet tegen de bekerglazen die meestal in 17e-eeuwse context worden aangetroffen. Dat zijn vooral strak vormgegeven dunwandige glazen, naar Venetiaans voorbeeld uitgevoerd. De datering van de in de beerput op de locatie Galeiwerf gevonden glasvondsten is grofweg te plaatsen vanaf het laatste kwart van de 17e eeuw tot aan het tweede kwart van de 18e eeuw. In een opgegraven glasoven in Groningen met een productieperiode tussen 1687 en 1698, is soortgelijk glaswerk vervaardigd.139 Opvallend is dat conische dikwandige Boheemse bekers, die typerend zijn voor de 18e eeuw, wel in de hierboven vergeleken

Textiel Het laat 17e- en vroeg 18e-eeuwse textiel dat bij de opgraving in Vlaardingen tevoorschijn is gekomen is gezien de relatief eenvoudige weefsels en het ontbreken van gecompliceerde zijden weefsels goed vergelijkbaar met de laat 17e- en vroeg 18e-eeuwse vondsten van Spitsbergen, waar in de graven van Hollandse walvisvaarders eveneens voornamelijk wollen stoffen in effenbinding en in vierbindige keper zijn aangetroffen. Slechts twee wollen kledingstukken waren geweven in satijnbinding en damast, een binding met motieven die ontstaan door afwisselend een ketting- en een inslagsatijn te weven.143 Vergelijkbare wollen stoffen zijn opgegraven in de Grote of St. Laurenskerk te Alkmaar waar in de graven talrijke kledingstukken werden aangetroffen.144 Weliswaar dateert deze kleding uit het einde van de 18e en begin van de 19e eeuw, maar geeft wel een goed beeld van de kleding van de gewone burger. Fragmenten van zijden kledingstukken of zijden

139

140

Broekhuizen et al., 1988.

Van Oostveen, 2004. Vondsten uit de asput kunnen echter iets later gedateerd worden dan deze vondsten van de Galeiwerf.

141

Van Oostveen en van Oostveen – Bonnema, 2001. Nader onderzoek heeft geleerd dat de verdeling voor vondstcomplexen van rijkere huishoudens afwijkend kan zijn. Immers bij deze vondstcomplexen dragen naast de welgestelden ook het personeel dat eventueel bij hun in dienst was, bij aan de vorming van het afval. Dit omdat zij bijvoorbeeld hun persoonlijke tabakspijp mee namen naar hun werkgever en bij breuk bij deze werkgever werd weg gegooid (Oostveen, 2005, 200).

142

Fischer exact test: N = 16; p= 0,14. Getoetst is tegen de verdeling zoals deze voor het jaar 1725 is opgesteld.

122

Synthese

143

Vons-Comis 1988, 111-116.

144

Bitter 1999.


linten met complex ingeweven motieven ontbreken in beide voornoemde vindplaatsen maar worden wel aangetroffen in rijkere beerputten zoals bijvoorbeeld in beerput 1 op het Waterlooplein te Amsterdam.145 In deze beerput domineren de zijden weefsels, veelal gemaakt in een complexe weefselbinding zoals fluweel of zijde met ingeweven motiefjes. In een enkel geval is in een weefsel kostbaar (verguld?) zilverdraad verwerkt. Naast gewoon zijden vlechtwerk is een sjerp vervaardigd in sprangtechniek, een soort vlechttechniek, aangetroffen. Dierlijk bot en vis Als de resultaten van het visrestenonderzoek van de locatie Galeiwerf worden vergeleken met die van de diverse andere onderzoeken (tabel 10)146, valt een aantal zaken op, zoals zal blijken. Over het geringe aantal zoogdier- en vogelresten valt weinig te zeggen, maar ten aanzien van de vis is bij de locatie Galeiwerf het aandeel haring veel groter (29,5%) dan in de beerputten van de andere vindplaatsen (1,9%, 8,8% en 14,6%, in respectievelijk Vlissingen, Amsterdam en de Herberg). Ook is het aandeel schelvis er veel groter (14,9%) dan bij de andere putten (respectievelijk 3,4%, 0,8% en 3,0%). Daarentegen is het aandeel kabeljauw van de locatie Galeiwerf aanzienlijk lager (2,5 %) dan dat van de andere vindplaatsen (respectievelijk 12,2%, 24,8% en 17,5%). In het vismateriaal van de locatie Galeiwerf zijn resten van de meer exclusieve vissoorten als steur, snoek, zalm, heilbot en tong niet aanwezig. De enige soort die wel bij de locatie Galeiwerf is aangetroffen en op de andere vindplaatsen ontbreekt, is de sardien. Smallegange die het onderscheid tussen de soorten sardien en sprot nog niet kende, zegt dat de “sardein oneindig veel voorkomt” en “van de slechte lieden veel gekocht wordt. In den rook gedroogt, worden sy tot sprot, die mede bysondere aengenaemheit heeft”. Spiering, die in zout en zoet water voorkomt, wordt om de verandering “nog dikwils gesocht”. Botanie Bij een aantal minder algemeen voorkomende soorten is in de botanische deelrapportage al ingegaan op het voorkomen ervan buiten Vlaardingen, dat wordt hier niet herhaald. Wel is achterhaald hoe de 37 in Vlaardingen voorkomende gebruiksplanten zich verhouden tot de resultaten die elders geboekt zijn. Hierbij zijn pollenvondsten buiten beschouwing gelaten, omdat die met name bij ouder onderzoek vaak niet zijn

145

Vons-Comis 1985a ; Comis 1990, 68-71, 76-79.

146

In tabel 10 is de bot beschouwd als katadrome soort.

onderzocht. In fig. 119 is het aantal gebruiksplanten uitgezet tegen het gemiddelde van de begin- en einddatering van elk onderzocht beerputmonster in RADAR. Uit dit scatterdiagram blijkt dat de Vlaardingers over een voor hun tijd zeer gevarieerd menu konden beschikken, althans wat de plantaardige kant van het assortiment betreft. Van de vier meest gangbare exoten die onmogelijk in onze streken verbouwd kunnen zijn (rijst, peper, paradijskorrel en granaatappel) zijn er twee in de Vlaardingse beerput aangetroffen. Dat is voor de 18e eeuw een redelijk gemiddelde score. Het pollenonderzoek heeft daar nog kruidnagel aan toegevoegd, maar die is zoals gezegd ook niet ongebruikelijk in de 18e eeuw. De vergelijking met het nabijgelegen Rotterdam wordt bemoeilijkt doordat daar weliswaar veel beerputten zijn onderzocht, maar net geen enkele uit de 18e eeuw. De enige 19e-eeuwse beerput uit de buurstad heeft met 41 soorten gebruiksplanten een goed vergelijkbaar assortiment opgeleverd. Hoewel voortschrijdende identificatiemogelijkheden ook een rol spelen (de eerste publicatie voor het onderscheiden van de pruimenpitten dateert van 2000!), blijft de conclusie gerechtvaardigd dat de gebruikers van de onderzochte beerput beschikten over een grote diversiteit aan plantaardige voedselbronnen. Het hoeft geen betoog dat toekomstige kansen op het verkrijgen van vergelijkingsmateriaal binnen de gemeente Vlaardingen met beide handen moeten worden aangegrepen, want één enkele onderzochte beerput steekt wel schril af tegen de stand van onderzoek naar de plantaardige component van de voedselvoorziening via beerputten in veel andere Nederlandse steden. Beerput van Herberg De Visscher (ca. 1770-1790).147 Deze beerput is jonger dan de beerput van de locatie Galeiwerf. De vergelijking is dan ook gericht op de veranderingen in eetgewoontes en tafelcultuur tussen de jaren rond 1700 (locatie Galeiwerf) en de tweede helft van de 18e eeuw (Herberg De Visscher). Hierbij moet wel gelet worden op het verschil in de aard van beide vindplaatsen (scheepswerf versus herberg).

147

Laan, 2003.

Synthese

123


Tabel 10: Soortenspectrum van Vlaardingen locatie Galeiwerf,Vlaardingen Herberg De Visscher,Vlissingen Dokkershaven Context XXXVII en Amsterdam Herengracht 12

Vlaardingen, locatie Galeiwerf Zoetwatervis

N

%

Vlaardingen, Herberg De Visscher N

%

Vlissingen, Dokkershaven Context XXXVII N

%

Amsterdam, Herengracht 12 N

%

Brasem (Abramis brama)

2

0,2

4

0,4

-

-

-

-

Kolblei (Blicca bjoerkna)

4

0,5

7

0,8

-

-

-

-

Brasem/Kolblei (Abramis brama/B. bjoerkna)

-

-

3

0,3

-

-

-

-

Karper (Cyprinus carpio)

1

0,1

10

1

-

-

51

19,5

Serpeling (Leuciscus leuciscus)

3

0,4

1

0,1

-

-

-

-

Blankvoorn (Rutilus rutilus)

-

-

2

0,2

-

-

-

-

Rietvoorn (Scardinius erythrophthalmus)

1

0,1

-

-

-

-

-

-

Karperachtigen (Cyprinidae)

6

0,7

102

11,3

-

-

28

10,7

Snoek (Esox lucius)

-

-

21

2

-

-

2

0,8

Baars (Perca fluviatilis)

9

1

40

4

-

-

8

3,1

Subtotaal

26

3,1

190

21

0

0

89

34

-

-

6

0,7

-

-

-

-

12

1,4

121

13,4

4

0,7

-

-

-

-

1

0,1

-

-

-

-

Katadrome/Anadrome vis Europese/Atlantische Steur (Acipenser sturio/A. oxyrinchus) Paling (Anguilla anguilla) Elft (Alosa alosa) Houtingachtigen (Coregonus spec.)

-

-

6

0,7

-

-

-

-

Zalm (Salmo salar)

-

-

-

-

-

-

6

2

Zalm/Zeeforel (Salmo salar/S. trutta)

-

-

6

0,7

-

-

-

-

Spiering (Osmerus eperlanus)

9

1

7

0,8

-

-

-

-

Bot (Platichthys flesus)

4

0,6

1

0,1

8

1,4

-

-

Subtotaal

25

3

148

16,4

12

2,1

6

2,3

Stekelrog (Raja clavata)

-

-

-

-

1

0,2

2

0,8

Gevlekte rog (Raja montagui)

1

0,1

-

-

-

-

-

-

Rog (Rajidae)

-

-

-

-

1

0,2

-

-

Haring (Clupea harengus)

249

29,5

132

14,6

11

1,9

23

8

Sardien (Sardina pilchardus)

13

1,5

-

-

-

-

-

-

Haring/Sardien (Clupea harengus/Sardina pilchardus)

54

6,4

-

-

-

-

-

-

Zeevis

Kabeljauw (Gadus morhua)

21

2,5

158

17,5

69

12,2

65

24,8

Schelvis (Melanogrammus aeglefinus)

126

14,9

27

3

19

3,4

2

0,8

Wijting (Merlangius merlangus)

-

-

6

0,7

-

-

-

-

Leng (Molva molva)

-

-

-

-

1

0,2

19

7,3

Kabeljauwachtigen (Gadidae)

69

8

77

8,5

49

8

-

-

Rode poon (Trigla lucerna)

1

0,1

-

-

-

-

-

-

Zeewolf (Anarhichas lupus)

-

-

1

0,1

-

-

-

-

Tarbot (Scophthalmus maximus)

1

0,1

3

0,3

1

0,2

-

-

Griet (Scophthalmus rhombus) Schol (Pleuronectes platessa)

-

-

-

-

-

-

1

0,4

50

5,9

7

0,8

7

1,2

4

1,5

Schar (Limanda limanda)

2

0,2

1

0,1

-

-

-

-

Schol/Bot (Pleuronectes platessa/P. flesus)

78

9

1

0,1

-

-

-

-

Scholachtigen (Pleuronectidae)

128

15,2

146

16,2

394

69,7

51

19,5

Heilbot (Hippoglossus hippoglossus)

-

-

3

0,3

-

-

-

-

Tong (Solea solea)

-

-

4

0,4

-

-

-

-

Subtotaal

793

94

566

62,6

553

97,9

171

65,3

Vis: gedetermineerd

844

100

904

100

565

100

100

262

Vis: niet-gedetermineerd*

59

Vis: totaal Determinatiepercentage

576

903

102

1480 93,5

667 61,1

84,7

* Dit zijn niet-determineerbare fragmenten en niet nader gedetermineerde ribben, vinstralen, vinstraaldragers, branchiostegalia en elementen van het kieuwboogskelet.


Fig. 119: Aantal gebruiksplanten in beerputten afgezet tegen de gemiddelde datering. Het Vlaardingse monster is met een turquoise stip aangegeven, beerputten uit het nabijgelegen Rotterdam met rode ruitjes en beerputten uit de rest van Nederland met blauwe ruitjes.

Aardewerk Een relatief klein deel van de vondsten uit deze beerput behoort tot de functiecategorieën kookgerei en voedselbereiding. Een veel groter deel bestaat uit tafelwaar, vooral thee- en koffiegoed. Het gaat onder andere om kop en schotels van porselein, industrieel wit (creamware), Engels steengoed en faience. In de beerput van de locatie Galeiwerf is slechts één faience kop aangetroffen. Een van de redenen hiervoor kan zijn dat de vraag naar koffie en thee vanaf het tweede kwart van de 18e eeuw sterk toenam. De belangrijkste reden is echter dat het hier om de inventaris van een uit historische bronnen bekende herberg gaat. Dit afval geeft duidelijk een heel ander beeld te zien dan het afval van een scheepswerf. Glas De beerput van Herberg De Visscher heeft een groot aantal glazen voorwerpen opgeleverd. Gezien de omloopperiode (1742-1805), zijn de glasvondsten in deze put als opvolgers van die uit de locatie Galeiwerf te beschouwen. Een opvallend verschil is het grote aantal wijnglazen ten opzichte van de weinig aangetroffen bierglazen van de herbergput. Een ander verschil is de aanwezigheid van acht conische dikwandige (Boheemse) bekers die voor verschillende dranksoorten konden dienen.

Tabakspijpen Het aantal tabakspijpen uit de Vlaardingse beerput dat in het laatste kwart van de 18e eeuw gedateerd kan worden is te beperkt (één ketel) om een vergelijk met de tabakspijpen uit de beerput van Herberg De Visscher te kunnen maken. Dierlijk bot en vis De beerput van Herberg De Visscher bevat aanzienlijk meer zoetwatervis (met name karper) en paling dan bij de locatie Galeiwerf (21,0% en 13,4% versus 3,1% en 1,4%).148 Helaas zijn de visresten uit de herberg niet gemeten, zodat het onbekend is of we hier met grotere zoetwatervissen en palingen te maken hebben dan op de locatie Galeiwerf. Gezien de context van het materiaal – resten van een herberg - is dit wel te verwachten. De vis moet immers een economisch aantrekkelijke grootte hebben gehad, anders was die niet in de herberg te serveren. De verschillen die tussen de beerput van de herberg en die van de locatie Galeiwerf te zien zijn, zullen waarschijnlijk eerder hiermee samenhangen dan met veranderende eetgewoonten door de tijd. Daarom zijn naast de paling ook de overige trekvissen veel beter vertegenwoordigd. Met uitzondering van de paling komen deze vissen in bepaalde perioden van het jaar massaal in de rivieren voor, waar ze gevangen worden voor de verkoop. Kennelijk was de herberg een gretig afnemer van deze vis.

148

Esser, van Dijk & Verhagen 1997.

Synthese

125


Botanie Van deze beerput is geen regulier archeobotanisch onderzoek uitgevoerd. Tijdens het archeozoölogische onderzoek door Kinie Esser viel haar de aanwezigheid van verschillende zaden op. Het grof gezeefde en gedroogde residu is vervolgens voorgelegd aan Caroline Vermeeren (BIAX Consult) die 24 verschillende soorten voedselplanten aantrof. Daarbij waren twee exotische soorten, die onmogelijk in onze streken verbouwd konden worden, granaatappel en rijst. Perzik, abrikoos, amandel en meloen werden mogelijk wel in ons land gekweekt, maar niet op grote schaal. Ook dit zijn luxueuzere gewassen. Ongetwijfeld zijn veel soorten gemist door de grove zeefmaaswijdte en het drogen van het materiaal. Deze omstandigheden in aanmerking genomen, komen de twee Vlaardingse beerputten qua botanische samenstelling behoorlijk met elkaar overeen en zijn er uit de beschikbare data geen duidelijke veranderingen gerelateerd aan de tijd of de aard van de vindplaats af te leiden. Vlissingen Dokkershaven, Context XXXVII (1700-1750).149 Deze beerput dateert uit de eerste helft van de 18e eeuw en is gelegen in een havenwijk in Vlissingen. De inhoud is grotendeels contemporain met die van de locatie Galeiwerf, al bevat de beerput van de locatie Galeiwerf ook duidelijk vondsten uit de tweede helft van de 17e eeuw. Aardewerk Opvallend aan dit vondstcomplex is dat porselein de grootste materiaalgroep vormt. Het gaat om porseleinen borden en kop en schotels uit China. In de beerput van de locatie Galeiwerf ontbreekt porselein geheel. Alhoewel porselein in de eerste helft van de 18e eeuw in grote aantallen geïmporteerd werd, zal het toch nog voorbehouden zijn geweest aan meer bemiddelde huishoudens. Vermoedelijk kan hieruit een verschil in status tussen de eigenaars van beide beerputten afgelezen worden. Glas Een vergelijking met een beerbak uit Vlissingen (1700-1750) laat zien dat deze beerbak geen hoge bierglazen bevat, maar alleen dikwandige conische bekers. Verder komen uit deze bak dertien kelkglazen voor wijn met daarbij negen wijnflessen. Het ene wijnflesfragment en het kleine kelkglaasje uit de put van de locatie Galeiwerf steekt daarbij schril af.

149

Claeys, Jaspers & Ostkamp, 2010, 350-362, 606-620, 644, 691-697.

Tabakspijpen Opvallend is dat in de Vlissingse beerput de goedkope grove pijp ontbreekt. Echter het aantal tabakspijpen dat in de periode 1715-1735 gedateerd kan worden is beperkt (n=4).150 Door de onderzoeker van de beerput wordt geconcludeerd dat de gebruiker van deze Vlissingse beerput de beter afgewerkte Goudse producten prefereert. Echter gezien de beperkte hoeveelheid tabakspijpen die in Vlissingen voor de periode 1715-1735 zijn aangetroffen kan deze voor Vlissingen opgestelde conclusie niet op statistische gronden onderbouwd worden.151 Zowel de Vlaardingse als de Vlissingse tabakspijpen kunnen tot dezelfde statistische verdeling worden gerekend. Dierlijk bot en vis Zoetwatervis is in de 18e-eeuwse beerbak uit Vlissingen Dokkershaven afwezig vanwege het gegeven dat op Walcheren zoetwatervoorkomens met zoetwatervis schaars zijn.152 Verder vertoont het spectrum aan vissoorten vooral gelijkenis met die van de locatie Galeiwerf. Botanie Het archeobotanisch onderzoek heeft in Vlissingen wat betreft exotische gebruiksplanten een tiental fragmenten van peperkorrels en enkele pollenkorrels van kruidnagel opgeleverd. Ook de verdere lijst voedselgewassen is beperkt met 31 soorten, waarvan een groot deel als pollen is aangetoond. Amsterdam, Herengracht 12, beerput 1675-1750.153 De beerput aan de Amsterdamse Herengracht 12 behoorde tot een welgestelde koopmansfamilie in Amsterdamse grachtengordel. Aardewerk De keramische voorwerpen uit deze beerput weerspiegelen duidelijk een heel ander sociaal niveau dan de vondsten van de locatie Galeiwerf. Zo is er sprake van duurdere faience, afgaande op de kwaliteit van de decoraties, en van relatief kostbare onderdelen van theeserviezen van Chinees porselein. Ook zijn er oudere borden, overleveringsstukken, van relatief kostbaar kraakporselein gevonden. In de beerput van de locatie Galeiwerf is zoals hiervoor al werd vermeld geen porselein aangetroffen.

150

Eén exemplaar uit context XXXVII-C (datering 1700-1730) en drie exemplaren uit context XXXVII-d met de merken posthoorn, varken en SVS.

151

Van deze Vlissingse beerput kunnen slechts viertabakspijpen aan de periode 1715-1735 worden toegeschreven. Wanneer de Fisher exact test op deze Vlissingse tabakspijpen en de in 2001 gepubliceerde verdeling wordt toegepast, moet geconcludeerd worden dat ook deze Vlissingse tabakspijpen tot dezelfde gepubliceerde Amsterdamse verdeling kunnen worden gerekend (toetsingsjaar: 1725, N = 4, p = 0,07).

126

Synthese

152

Van Dijk 2010.

153

Gawronski & Jayasena, 2013.


Glas Het contrast met een beerput van welgestelden in de Amsterdamse grachtengordel 1675-1750 is groot. Daarin is veel glazen drinkgerei aangetroffen. Wel 36 bekers, 25 kelkglazen en 22 roemers. Van enkele bekers is het type genoemd, een reliĂŤfbeker (gl-bek-15) en een zogenaamde kometenbeker (gl-bek-29). Van de overige bekers zullen alleen fragmenten zijn aangetroffen. Enkele meer luxueuze kelkglazen zijn zogenaamde vleugelglazen dat zijn kelkglazen met een sierlijke uit draden opgebouwde stam. Naast dit drinkgerei zijn er 48 wijnflessen gevonden en zeventien medicijnflessen. Zowel de kwaliteit als de kwantiteit van het aangetroffen glaswerk in deze Amsterdamse put maakt het onderscheid met het glaswerk van de locatie Galeiwerf beerput. Tabakspijpen Voor een vergelijk met de in Amsterdams aangetroffen tabakspijpen is de gerapporteerde periode 3 (1700-1740) van belang. Gerapporteerd wordt dat voor deze periode tien grove en 22 fijne/porseleinen tabakspijpen zijn aangetroffen. Wanneer deze verdeling wordt vergeleken met de in 2001 gepubliceerde statistische verdeling, kan aangetoond worden dat hier sprake is van een meer dan gemiddelde gebruiker.154 Dit in tegenstelling tot de Vlaardingse tabakspijpen die tot een gemiddelde gebruiker moeten worden gerekend. Dierlijk bot en vis Met het contemporaine afval in de beerput van de welgestelde koopmansfamilie is een duidelijk verschil te zien. Die beerput bevat bijvoorbeeld veel meer resten van zoogdieren en vogels. Tevens is de variatie aan consumptiesoorten veel groter. Zo is daar haas en konijn op tafel verschenen en prijkte kalkoen en duif op het menu. Kip voerde de ranglijst van gevogelte aan. In het afval van de werfbewoners ontbreken dergelijke vondsten geheel.

Botanie Van Haaster heeft van deze beerput het archeobotanisch onderzoek uitgevoerd.155 Hier zijn vier afzonderlijke lagen uit de beerput geanalyseerd, twee uit de eerste en twee uit de tweede helft van de 18e eeuw. In deze beerput zijn opvallend veel exotische voedselgewassen vertegenwoordigd, met kappertje, citrus, olijf, rijst, peper, amandel, perzik, granaatappel, tomaat en, middels pollenonderzoek aangetoond, kruidnagel. In fig. 119 zijn deze monsters afzonderlijk opgenomen, maar als geheel heeft deze beerput 56 soorten gebruiksplanten opgeleverd.

Samenvatting en conclusie De beerput op de scheepswerf aan de Havenstraat, locatie Galeiwerf is de tweede volledig uitgewerkte beerput in Vlaardingen. Deze beerput stamt uit een vroeger tijdvak dan de eerste gepubliceerde Vlaardingse beerput van de Herberg De Visscher, uit de twee decennia tussen 1770 en 1790. We hebben daarmee voor het eerst inzicht gekregen in de dagelijkse leefomgeving en voedingspatronen van Vlaardingers in de decennia rond het jaar 1700, en meer specifiek van de familie Cleywerff, de eigenaren van de scheepswerf aan de Havenstraat en van de ambachtslieden die op de scheepswerf werkzaam waren. De onderzochte beerput bestaat uit drie vullingen, Vulling A, B en D, waarbij Vulling A de gebruiksfase van de beerput vertegenwoordigt uit de periode 1675-1735, Vulling B een kortstondige dump van enkele vondsten lijkt te zijn in de laatste decennia van de 18e eeuw en Vulling C het definitief dichtstorten van de beerput belichaamt in het tweede kwart van de 19e eeuw.

Het hoogste percentage voor de zoetwatervis vinden we hier, bij de Herengracht (34,0%). De ligging van Amsterdam in een zoet/zwakbrakke omgeving is hier debet aan. Daarnaast is het opvallend dat, ondanks dat er is gezeefd, voornamelijk resten van grote vissoorten zijn gevonden. Zo behoren de kabeljauw en volwassen schelvis tot de grote zeevissen, de steur, zalm en paling tot de grote trekvissen en de volwassen snoek en karper tot de grote zoetwatervissen.

Vulling A De gebruiksfase van de beerput, Vulling A, bevatte het leeuwendeel van de vondsten en de datering is vastgesteld op ca. 1675-1735. Onder de vondsten zijn, in volgorde van meest voorkomen, de volgende functiegroepen aangetroffen: bouwmateriaal, bereiding- en tafelgerei, kleding, visgerei, naaigerei, opslag- en schenkgerei, verwarming en verlichting, rookgerei, speelgoed, kookgerei, persoonlijke hygiĂŤne en verzorging en overig. De vondsten zijn enerzijds van huishoudelijke aard maar tonen ook een fraai beeld van wat er zoal op en rond een woonwerkplaats aanwezig was, met een relatie tot ambachtelijke scheepsbouw en visserij.

154

155

Fisher exact test, toetsingsjaar 1725, N= 32, p = 0,02.

Van Haaster 2007.

Synthese

127


Het bouwmateriaal is het meest talrijk vanwege de vele ijzeren spijkers, maar bestaat ook uit hout, glas en bouwkeramiek. Voor het bereiden van eten en het dekken van de tafel zien we een ruim scala aan goed geconserveerde voorwerpen in keramiek en glas, met name bierglazen, en een enkele tinnen lepel en houten mesheft. Kleding scoort hoog op de lijst vanwege de vele metalen kledinghaakjes, naast de knopen van tin, hout en bewerkt bot, de vele stukjes van zijden en wollen weefsels, de kralen van git en barnsteen en het leren kinderschoentje. Het visgerei bestaat uit vele metalen vishaken in verschillende formaten, geschikt voor het vangen van zoetwatervis en twee houten haringtondeksels. Het naaigerei betreft koperen spelden voor de huiselijke nijverheid en een naald. Het opslag- en schenkgerei behelst keramieken bierkannen, deksels en een pot, glazen medicijnflessen, een fles voor sterke drank en een houten stop. Wijnflessen ontbreken opvallend genoeg. De voorwerpen ten behoeve van verwarming en verlichting zijn alleen in keramiek uitgevoerd en het rookgerei bestaat louter uit tabakspijpen. Kinderen op het terrein speelden met aardewerken knikkers, benen bikkels, houten tollen en een serie metalen namaak vishaakjes, waarmee ze de visactiviteiten van de volwassenen konden imiteren. Het kookgerei is slechts schaars vertegenwoordigd door enkele keramieken pannen en grapen en een metalen pannetje evenals de twee pispotten en twee zalfpotten in keramiek. Ten slotte bestaat de categorie overig uit een metalen munt, een stukje boekbeslag en schakels van een smeedijzeren ketting. De meerderheid van het aardewerk en glas past grotendeels in de bestaande typochronologieën uit de periode 1650-1750, maar onder het Vlaardingse aardewerk zijn wel vier nieuwe vormtypen herkend welke aan het Deventer Systeem zijn toegevoegd. Het textiel uit de beerput vertoont gelijkenis met vondsten uit de nederzetting van Hollandse walvisvaarders op Spitsbergen uit dezelfde periode. De tabakspijpen zijn gangbare typen (dop en trechtervormige ketels) voor de gebruiksfase van Vulling A, maar vallen vooral in de periode 1715-1735. De artefacten van metaal, hout en natuursteen passen eveneens goed binnen de contextdatering. Met betrekking tot eten en drinken valt in de eerste plaats op dat er schijnbaar door de bewoners van de werf niet of nauwelijks wijn of thee gedronken werd, terwijl dat verfijndere drinkgedrag in die periode wel al gangbaar was. Aanwijzingen voor bierconsumptie zijn er daarentegen wel in overvloed in de vorm van bierbekers en –kannen, en een karaf wijst op het schenken van sterke drank. Dit sluit aan bij het wat ruigere milieu dat we op een scheepswerf verwachten. Vlees en gevogelte lijkt maar weinig op het menu te hebben gestaan, tenzij men vooral gefileerd vlees heeft gegeten, terwijl een keur aan zoet- en zoutwatervissoorten, zowel van de

128

Synthese

kustvisserij als uit open zee, juist wel in overvloed aanwezig is. Ook de grote schotels en vele vishaken bevestigen dit beeld. De Vlaardingers waren zeer actief in de haringvisserij, er zijn dan ook bijzonder veel resten van haring aangetroffen. Ook schelvis, kabeljauw en schol(achtigen) zijn sterk vertegenwoordigd, maar er zijn daarnaast nog vele andere soorten genuttigd. Wat vis betreft een bijzonder gevarieerd menu dus. Ook het botanisch onderzoek wijst op een voor die tijd zeer gevarieerd menu met 37 verschillende soorten voedselplanten en met nog zes aanvullende gewassen die uit het pollenonderzoek naar voren komen. Met name de pruimen, mispel en aalbes zijn in vergelijking met andere beerputten in ons land goed vertegenwoordigd. Het keramieken kookgerei uit de beerput is schaars, mogelijk zijn er vooral metalen pannen gebruikt, welke je maar hoogst zelden in beerputten terugvindt omdat deze na breuk nog omgesmolten konden worden. In de aardewerken bakpannen zullen waarschijnlijk eieren of pannenkoeken gebakken zijn, voor welke bereiding ook de beslagkommen zullen zijn gebruikt. De grapen dienden voor het koken van eenpans stoofgerechten of soepen. De steelkommen en papkommen wijzen op de bereiding en consumptie van pap, een gerecht dat ook uit het botanisch onderzoek naar voren komt. Wat gezondheid en hygiëne betreft zien we de gangbare artefacten voor die tijd, zoals zalfpotjes die producten ter verzorging van het lichaam bevatten en pispotten voor de nachtelijke behoeften die vervolgens overdag in de beerput geleegd werden. Overdag deed men zijn of haar behoefte rechtstreeks in de beerput via een houten bank met een gat erin, afgeschermd voor de nodige privacy met een houten huisje, al zijn hiervan geen resten aangetroffen tijdens het veldwerk. De eieren van de spoelworm geven aan dat de in die tijd zeer wijdverspreide darminfectie ook de bewoners van de Vlaardingse werf getroffen heeft. Dit is een gevolg van algemene slechte hygiënische omstandigheden en het drinken van vervuild drinkwater. Knaagdieren als woelrat, bruine rat en huismuis, bekend als dragers en verspreiders van ziekten, waren ook aantoonbaar op het erf aanwezig. De handelsnetwerken waar de bewoners van de Vlaardingse werf op waren aangesloten bevinden zich vooral binnen Nederland of hangen sterk samen met het stroomgebied van de rivieren en de Noordzee. Baltische, Zuid-Europese en Chinese importen ontbreken opvallend genoeg volledig in de gebruiksfase van de beerput. Het keramiekassortiment van de Vlaardingse beerput is afkomstig uit Friesland, Gouda, Delft, Oosterhout, het Nederrijns gebied en het Duitse Rijnland. De tabakspijpen lijken vooral uit Gouda te komen. Het glas uit de beerput, voornamelijk van povere en dus waarschijnlijk goedkopere kwaliteit, komt opvallend genoeg uitsluitend uit Nederland, terwijl in de late 17e en 18e eeuw juist de


hoogwaardiger producten uit Engeland en Bohemen de markt overnamen. De voorwerpen van metaal en hout uit de beerput lijken lokaal of in de regio te zijn geproduceerd en aangeschaft. Naar de herkomst van de grondstoffen is binnen het kader van deze publicatie geen onderzoek gedaan, al zullen die voornamelijk geïmporteerd zijn. Gezien de kwaliteit van de wollen en zijden textilia zullen de meeste stoffen eveneens in Nederland zijn vervaardigd, al is het niet helemaal uit te sluiten dat er importen uit Frankrijk of Italië tussen zitten. Dit is echter niet te achterhalen. De wetsteen lijkt uit de Ardennen te komen, en is zeer waarschijnlijk via de Maas aangevoerd. De zoogdier- en gevogeltebotten uit de beerput zijn te schaars om ons iets over de handelsnetwerken te vertellen. De vroegere Noordzeevisserij kende verschillende takken van bedrijf, waarin onder andere de haven van Vlaardingen een belangrijke rol speelde. De voornaamste waren de haringdrijfnetvisserij voor de oostkust van Schotland en Engeland en de beugvisserij op kabeljauw en schelvis op de Doggersbank en bij IJsland. Daarnaast was er de kustvisserij vanuit vissersdorpen langs de westkust. Op de in de beerput aanwezige soorten zeevis werd door de Vlaardingers zelf gevist. Duidelijke importen zijn niet aanwijsbaar. Voor de conservering van haring en kabeljauw, dat ver van huis gevangen werd, was zout nodig, heel veel zout. Hiervan zijn geen aantoonbare resten gevonden maar historisch gezien weten we dat dat zout in de gebruiksfase van de beerput vooral uit het West-Franse Bourgneuf, het Portugese Setúbal en het Spaanse Sanlucar werd geïmporteerd. Opvallend genoeg zijn er nauwelijks andere artefacten of gewassen uit deze streken in de beerput aangetroffen. De meeste aangetroffen voedselgewassen zijn afkomstig van Nederlandse bodem. Enkele exotische gewassen in de beerput zullen waarschijnlijk eveneens op de lokale markt verkrijgbaar zijn geweest, maar komen oorspronkelijk uit het Verre Oosten (peper en kruidnagel) en het mediterrane gebied (rijst, mogelijk ook perzik en amandel). Aanwijzingen voor de consumptie van Baltisch graan zijn niet waargenomen. De sociaaleconomische positie van de bewoners lijkt die van een laag-midden milieu te zijn, al moeten we rekening houden met het feit dat de bezittingen van de bewoners en eigenaars van de scheepswerf vermengd zijn geraakt met eigendommen van de werklui op de werf. De keramiek, het glas en de kleipijpen in het huishouden betreffen vooral het simpelere massagoed, uitgezonderd enkele chiquere stukken witte faience en enkele goed afgewerkte tabakspijpen. Het geringe percentage zijde onder het textiel wijst ook op een eenvoudig huishouden. Ook de metalen kledinghaakjes zijn van het simpelste soort. De schaarste aan zoogdieren vogelbotjes kan betekenen dat men weinig vlees at, in de 18e eeuw een vrij duur product. Maar het kan ook zijn dat men aan tafel vooral ontbeend vlees en gevogelte heeft gegeten. Het voorkomen van vooral

kleine vissoorten duidt niet op een hoge sociale status van de consument. Wel is het soortenspectrum vrij gevarieerd, wat waarschijnlijk vooral te maken heeft met de ligging van Vlaardingen aan het water en de actieve rol die het vervulde in de visserij. Ook het plantaardig voedselassortiment is voor 18e-eeuwse begrippen hoog te noemen, al zijn er geen opvallend luxe, of uitzonderlijke ingrediënten in de beerput aangetroffen die op een hoge status duiden. Uit de vergelijking met drie andere aan de zeevaart gerelateerde beerputten (de beerput van de Vlaardingse Herberg De Visscher, ca. 1770-1790; de beerbak uit de havenbuurt Vlissingen Dokkershaven, Context XXXVII, ca. 1700-1750; de beerput van een rijke Amsterdamse koopmansfamilie aan de Herengracht 12, ca. 1675-1750) zijn een aantal zaken opvallend. Ten eerste ontbreekt het in de beerput aan de locatie Galeiwerf vrijwel volledig aan porselein, fijnere faience en drinkgerei bestemd voor het nuttigen van wijn, koffie en thee. Ook is er überhaupt relatief weinig glaswerk gevonden. Dit in tegenstelling tot de inhoud van de drie andere genoemde beerputten. Een verschil in status en een ruigere cultuur lijkt hieraan ten grondslag te liggen. De bewoners van de locatie Galeiwerf hebben in vergelijking met de gasten in de Vlaardingse herberg en de Amsterdamse koopmansfamilie, die meer riviervis nuttigden, veel zeevis op het menu gehad. Dit geldt ook voor de bewoners van de Vlissingse Dokkershaven. Met de opvallend hoge hoeveelheid haringresten in de beerput doen de Vlaardingers van de locatie Galeiwerf hun faam als bewoners van de haringstad eer aan. Aan de Amsterdamse Herengracht zien we onder de zeevis vooral de grotere en luxere soorten vertegenwoordigd met daarnaast een grote variatie aan zoogdier en gevogelte. Dit laatste lijkt aan de locatie Galeiwerf vrijwel geheel te ontbreken. Ondanks dat de variatie in plantaardig voedsel aan de locatie Galeiwerf hoog te noemen is, overtreft de inhoud van de beerput aan de Amsterdamse Herengracht de variatie aan soorten ruim.

Kortom, de beerput schetst ons een beeld van een cultuur van ruwe bolsters, met over het algemeen een minder verfijnd huishoudelijk leven en omgeven door bouwwerkzaamheden op de scheepswerf, terwijl hiertussen ook het kleine grut rondliep en speelde. De bewoners en werklui rookten en dronken bier of sterke drank en geen wijn, thee of koffie, ook al was dat laatste al een wijdverspreide gewoonte rond 1700. Het milieu van schippers en vissers dat rond de scheepswerf aanwezig moet zijn geweest zorgde voor veel zeevis op het dagelijks menu, aangevuld met een voor die tijd toch opvallend gevarieerd scala aan fruit, groente en kruiden.

Synthese

129


Vulling B De depositie van de weinige vondsten uit Vulling B dateert waarschijnlijk tussen 1775 en 1795. Er is poppengoed aangetroffen en drink- en tafelgerei in de vorm van theekopjes, een glazen beker en een bord. Daarnaast bevat Vulling B bouwmateriaal (stukjes wandtegel en vensterglas) en enkele tabakspijpen. In tegenstelling tot in Vulling A, zijn er in Vulling B geen vondsten aanwezig die wijzen op ambachtelijke activiteit, alhoewel de naastgelegen scheepswerf nog wel in bedrijf was. Het aardewerk en glas past binnen de bestaande typochronologieën, er zijn geen nieuwe types waargenomen. De tabakspijpen hebben een ovoïde ketel, het meest gangbare type voor de periode waarin de vulling is gedateerd. De schaarse vondsten verschaffen geen informatie over voedingsgewoonten, gezondheid, hygiëne en de sociaal-economische positie van de gebruikers van de beerput. Ook over handelsnetwerken zijn nauwelijks uitspraken te doen. Wel zien we onder de keramiek voorwerpen uit Nederland zelf, het Nederrijns gebied dat via de rivieren op Vlaardingen was aangesloten, en daarnaast uit het overzeese Engeland en China, van waaruit de

130

Synthese

VOC de Nederlanden bevoorraadde. Wat de tafel- en huishoudcultuur betreft bewijzen de theekopjes dat de theecultuur in de late 18e eeuw de bewoners van de werf inmiddels wel bereikt heeft in tegenstelling tot de voorafgaande periode. Van het poppengoed leiden we af dat er nog steeds kinderen op het terrein speelden. Vulling C Vulling C betreft de vulling waarmee de beerput definitief is dichtgestort en bestaat voornamelijk uit bouwpuin, waaronder veel wandtegels, bakstenen, plavuizen, een zwerfkei en ook een spijker en een kram die mogelijk van de scheepswerf afkomstig zijn, enkele stukken gebruiksaardewerk en tabakspijpen (ovoïdeen stummelvormige ketel). Het dichtstorten lijkt naar alle waarschijnlijkheid in het tweede kwart van de 19e eeuw te zijn gebeurd, mogelijk gelijktijdig met sloopwerkzaamheden op het terrein. De vondsten zijn afkomstig uit Delft en/of Friesland en het stroomgebied van de Maas. Over voedingsgewoonten, gezondheid, hygiëne, sociaaleconomische positie en tafel- en huishoudcultuur zijn geen uitspraken te doen op basis van de vondsten uit Vulling C.


131


Bijlagen Bijlage 1 – Aardewerk en glas Bijlage 1.1 - Tellijst deventersysteemtypes Onderstaande tabellen geven de tellijsten van de opgegraven deventersysteemtypes, uitgesplitst per vulling van de beerput. Per vormtype is het aantal scherven (n), het Minimum Aantal Exemplaren (MAE) en de som van de randpercentages of Estimated Vessel Equivalents (EVE) weergegeven. In totaal zijn er uit de drie vullingen van de beerput 997 fragmenten aardewerk verzameld (MAE: 145/ EVE: 51,5) en 1455 fragmenten glas (MAE: 34/ EVE: 20,08). Vulling A (1675/1715-1735) baksel

vorm

type

n

MAE

EVE

kan

vorm

type

n

MAE

EVE

Roodbakkend aardewerk, vervolg

Steengoed met oppervlaktebehandeling (s2) s2

baksel

2

2

r

kop

2

8

1

1

kop

4

8

2

0,25

s2

kan

32

60

2

0,8

r

s2

pis

2

22

1

1

r

lek

1

1

0,1

84

5

1,8

r

pis

7

1

0,2

r

pot

8

1

r

pot

59

4

1

0,3

r

stk

35

14

3

2,2

1

17

5

1,35

2

1

0,2

3

1

0,6

424

67

20,35 0,25

subtotaal s2 Roodbakkend aardewerk (r) r

186

r

bak

r

bor

r

bor

10

21

1

3

2

3

2

0,3

r

tes

16

4

1,55

r

zal

r

zal

3

r

bor

18

8

2

1,6

r

bor

7

3

1

0,15

subtotaal r

r

dakpan

1

1

0,05

Witbakkend aardewerk (w)

r

dek

1

1

0,1

w

gra

7

1

r

dek

9

1

0,7

w

gra

22

16

1

0,7

gra

41

16

1

0,65

16

8

1

1

w

8

4

1,05

w

kdl

1

1

10

23

1

0,9

w

kop

2

18

1

gra

162

20

1

1

w

kop

30

15

1

0,8

gra

163

22

1

1

w

lek

1

1

0,15

r

kmf

24

10

1

0,5

w

oli

11

1

0,15

r

kni

2

2

2

w

oli

36

4

3,2

r

kom

22

15

1

0,85

w

tes

1

1

0,3

tes

20

1

1

142

14

8,2

r

dek

r

gra

r

gra

r r

r

kom

r

kop

132

8

31

13

2

0,2

w

1

1

0,2

subtotaal w

Bijlage 1 - Aardewerk en glas

2 3

1


Vulling B (1775-1795)

Vulling A (1675/1715-1735), vervolg baksel

vorm

type

n

MAE

EVE

Majolica uit de Nederlanden (m)

baksel

vorm

type

m

bor

4

4

0,05

r

m

bor

13

29

3

2,75

r

m

bor

3

5

2

0,15

subtotaal r

m

kom

12

1

1

0,15

Witbakkend aardewerk (w)

39

10

3,3

w

subtotaal m Faience uit de Nederlanden (f) f

w

bor

f

bor

f

bor

min

MAE

1

1 1

0,05

2

2

0,05

3

3

0,05

5

2

5

2

2,05

13

6

0,8

1

36

5

1,55

bor

7

8

1

0,5

f

bor

10

7

2

0,65

Aziatisch porselein (p)

f

bor

11

30

4

2,15

p

f

bor

16

1

1

0,4

subtotaal p

f

bor

19

1

1

0,1

Industrieel witbakkend aardewerk (iw)

f

bor

2

8

5

1,65

iw

kop

1

1

f

bor

3

8

3

1,3

iw

min

1

1

f

kan

1

15

1

0,05

subtotaal iw

f

kom

3

30

1

0,95

Glas (gl)

f

kom

9

1

1

0,25

gl

f

kop

1

6

1

0,5

gl

f

plo

1

0

f

plo

10

1

1

0,15

f

plo

3

36

1

0,3

280

34

11,3

subtotaal f

EVE

1

2

subtotaal w

78

f

n

Roodbakkend aardewerk (r)

Faience (f) f

2

subtotaal f kop

2 1

1

1 7

7

bek

0,05 1

1

2

0,05

0,7

0,7

2

1

1

1

1

0,05

4

1

0

vensterglas

5

subtotaal gl

10

2

0,05

totaal Vulling B

28

13

3,9

n

MAE

EVE

10

2

0,7

10

2

0,7

2

0,7

Glas (gl) gl

bek

5

240

5

2,45

gl

bek

8a

266

7

6,15

gl

bek

10

261

4

4,55

gl

bek

66

21

1

0,2

gl

bek

68

96

1

1

gl

bek

97

4

1

0,25

gl

fle

65

0

Vulling C (1825-1850) baksel

vorm

type

Roodbakkend aardewerk (r) r

bor

0

subtotaal r

13

gl

fle

9

37

4

4

Glas (gl)

gl

fle

35

5

1

0

vensterglas

4

4 14

gl

fle

38

1

1

subtotaal gl

gl

kel

19

3

1

totaal Vulling C

gl

roe

198

25

2

0,15

gl

15

2

0

vensterglas

47

indetermineerbaar

302

subtotaal gl

1441

32

20,75

totaal Vulling A

2410

164

67,7

Bijlage 1 - Aardewerk en glas

133


Bijlage 1.2 - Verklaring baksel- en materiaalcodes Binnen de typologie van het Deventer Systeem worden de onderstaande afkortingen voor baksels gebruikt. Daarnaast is de meest algemene datering van de looptijd van de betreffende bakselgroepen weergegeven. Alleen de baksels die de beerput (S278) van Vlaardingen, locatie De Galeiwerf zijn aangetroffen, zijn in dit overzicht opgenomen. De volgorde van de baksels in deze tabel wordt ook aangehouden in de beschrijving van de baksels en in de catalogus.

bakselcode

omschrijving

datering looptijd

s2

steengoed 2 (met glazuur/engobe)

1300-1550

r

roodbakkend aardewerk

1150-heden

w

witbakkend aardewerk

1350-heden

m

majolica uit de Nederlanden

1475-heden

f

faience uit de Nederlanden

1625-heden

iw

industrieel wit

1750-heden

gl

glas

Bijlage 1.3 - Verklaring vormcodes Binnen de typologie van het Deventer Systeem worden de onderstaande afkortingen voor vormen gebruikt. Alleen die vormen die in de beerput (S278) van Vlaardingen, locatie De Galeiwerf zijn aangetroffen, zijn in dit overzicht opgenomen. De volgorde van de vormen in deze tabel is alfabetisch en wordt ook aangehouden in de catalogus. vorm

omschrijving

bak

bakpan

bek

beker

bor

bord

dek

deksel

fle

fles

gra

grape

kan

kan

kdl

kandelaar

kel

kelkglas

kmf

komfoor

kni

knikker

kom

kom

kop

kop

lek

lekschaal

min

miniatuur

oli

olielamp

pis

pispot

plo

plooischotel

pot

pot

roe

roemer

stk

steelkom

tes

test

zal

zalfpot

134

Bijlage 1 - Aardewerk en glas


Bijlage 2: Catalogus aardewerk en glas uit de beerput van de locatie De Galeiwerf,Vlaardingen Nina Jaspers (Aardewerk en objecttekeningen) Jaap Kottman (Glas en objecttekeningen) Paul Crucq (Fotografie) Beerput S278,Vulling A (1675-1735)

Opbouw van de catalogusblokjes 1a vondstnummer 1b vondstcontext (complexdatering) 2 code van het type 3 objectdatering 4a maten in centimeters (grootste diameter / hoogte) 4b beschrijving van het type 5a baksel 5b kleur / glazuur 5c beschrijving van de decoratie 5d diversen 6a bodem 6b oor / steel 6c compleetheid 7 functie 8 productiecentrum 9 literatuur De afbeeldingen in deze catalogus zijn schaal 1:4 tenzij anders vermeld.

Cat. 1

Cat. 2

1a DG_1.102AW493.23 1b beerput S2.278, Vulling A (1675-1735) 2 s2-kan-32 3 1650-1700 4a 13/19 4b bolle kan met schouder overgaand in hoge hals met geribbelde kraagrand, standvlak 5a steengoed met oppervlakte- behandeling 5b zoutglazuur met ijzerengobe 5c oppervlak bruine panter- motief, baardmanapplique 5d 6a standvlak 6b lintoor, verticaal 6c vrijwel compleet 7 baardmankruik 8 Frechen 9

1a DG_1.102AW498.21 1b beerput S2.278, Vulling A (1675-1735) 2 s2-pis-2 3 1650-1700 4a 17/15,5 4b tonvormige pispot met naar buiten geknikte rand met dekselgeul, standvlak 5a steengoed met oppervlakte- behandeling 5b zoutglazuur: kobaltdecoratie 5c blauwe decoratie en appliques: rozet, klauwende leeuwen, spreuk rond drinkebroer: “[...] ER DRINKT UND DOCH KEINEN WEIN� 5d 6a standvlak 6b lintoor, verticaal 6c vrijwel compleet 7 pispot 8 Westerwald 9 Gaimster, 1997, 95, 125.

Bijlage 2 - Catalogus aardewerk en glas

135


Cat. 3

Cat. 4

Cat. 5

1a DG_1.102AW498.41 1b beerput S2.278, Vulling A (1675-1735) 2 r-bor-7 3 1650-1750 4a 24/4b diep bord op standvlak, naar buiten geknikte vlag met verdikte lip 5a roodbakkend aardewerk 5b loodglazuur: inwendig (uitwendig -) 5c witte slibdecoratie, ringeloor; concentrische cirkels, groene slingerlijn, witte ongegla- zuurde rand 5d 6a standvlak (ontbreekt) 6b 6c fragment, gereconstrueerd profiel 7 bord 8 Nederrijns gebied 9

1a DG_1.102AW498.42 1b beerput S2.278, Vulling A (1675-1735) 2 r-bor-10 3 1700-1800 4a 18/4b diep bord met verdikte rand met lip aan de binnenzijde, standvlak 5a roodbakkend aardewerk 5b loodglazuur: inwendig (uitwendig -) 5c witte slibdecoratie, vlak dekkend, rode slib ringeloor slingerlijn, groene slingerlijn, radstempel, witte ongeglazuurde rand 5d 6a standvlak (bodem ontbreekt) 6b 6c fragment, gereconstrueerd profiel 7 bord 8 Nederrijns gebied 9

1a DG_1.102AW498.44 1b beerput S2.278, Vulling A (1675-1735) 2 r-bor-10 3 1700-1800 4a 19,5/2,5 4b diep bord met verdikte rand met lip aan de binnenzijde, standvlak 5a roodbakkend aardewerk 5b loodglazuur: inwendig (uitwendig -) 5c witte slibdecoratie, vlak- dekkend, rode slib ringeloor slingerlijn, groene slingerlijn, witte ongeglazuurde rand 5d 6a standvlak 6b 6c fragment, compleet profiel 7 bord 8 Nederrijns gebied 9

136

Bijlage 2 - Catalogus aardewerk en glas


Cat.

Cat. 6

Cat.

7

1a DG_1.102AW498.43 1b beerput S2.278, Vulling A (1675-1735) 2 r-bor-10 3 1700-1800 4a 19/3 4b diep bord met verdikte rand met lip aan de binnenzijde, standvlak 5a roodbakkend aardewerk 5b loodglazuur: inwendig (uitwendig -) 5c witte slibdecoratie, ringeloor: stippen, groene spatten, witte ongeglazuurde rand 5d 6a standvlak 6b 6c vrijwel compleet 7 bord 8 Nederrijns gebied 9

1a DG_1.102AW498.50 1b beerput S2.278, Vulling A (1675-1735) 2 r-bor-18 3 1650-1750 4a 12,5/3 4b bord met holle spiegel en naar buiten geknikte platte vlag met van buiten aange- drukte rand, op standring 5a roodbakkend aardewerk 5b loodglazuur: inwendig (uitwendig -) 5c witte slibdecoratie, ringeloor: slingerlijn over vlag 5d 6a standring 6b 6c vrijwel compleet 7 bord 8 Oosterhout 9

8

1a DG_1.102AW498.54 1b beerput S2.278, Vulling A (1675-1735) 2 r-bor-18 3 1650-1750 4a 29/6 4b bord met holle spiegel en naar buiten geknikte platte vlag met van buiten aange- drukte rand, op standring 5a roodbakkend aardewerk 5b loodglazuur: inwendig (uitwendig -) 5c witte slibdecoratie, ringeloor: slingerlijn over vlag 5d 6a standring 6b 6c vrijwel compleet 7 bord 8 Oosterhout 9

Bijlage 2 - Catalogus aardewerk en glas

137


Cat. 9

Cat. 10

1a DG_1.102AW498.56 1b beerput S2.278, Vulling A (1675-1735) 2 r-dek-8 3 1675-1750 4a 23,5/5 4b bol deksel met ingedeukte bovenzijde, brede kraagrand en twee oren bovenop 5a roodbakkend aardewerk 5b loodglazuur 5c 5d 6a 6b twee opstaande worstoren 6c vrijwel compleet 7 deksel voor sluitpan 8 Nederland 9

1a DG_1.102AW498.48 1b beerput S2.278, Vulling A (1675-1735) 2 r-dek-16 3 1650-1750 4a 20/8 4b doofpotdeksel met dubbele sluitrand en oor 5a roodbakkend aardewerk 5b loodglazuur: uitwendig (inwendig -) 5c 5d inwendig beast 6a 6b worstoor, opstaand 6c vrijwel compleet 7 doofpotdeksel 8 Nederland 9

138

Bijlage 2 - Catalogus aardewerk en glas


Cat. 11

Cat. 12

Cat. 13

1a DG_1.102AW498.63 1b beerput S2.278, Vulling A (1675-1735) 2 r-gra-10 3 1600-1700 4a 13/16 4b bolle grape met kraagrand met dekselgeul 5a roodbakkend aardewerk met ijzeroxidespikkels 5b loodglazuur 5c 5d 6a poten 6b worstoor, verticaal 6c vrijwel compleet 7 grape 8 Friesland 9

1a DG_1.102AW498.45 1b beerput S2.278, Vulling A (1675-1735) 2 r-gra-162 3 1650-1750 4a 13/17,5 4b hoge vrijwel cilindrische grape met scherpe knik bodem-wand en schouder met kraagrand, poten 5a roodbakkend aardewerk met ijzeroxidespikkels 5b loodglazuur: inwendig geheel, uitwendig bovenste helft 5c 5d uitwendig beroet 6a poten 6b verticaal geknepen lintoor 6c compleet 7 grape 8 Nederland 9

1a DG_1.102AW498.61 1b beerput S2.278, Vulling A (1675-1735) 2 r-gra-163 3 1650-1750 4a 23,5/11 4b wijde grape/sluitpan met scherpe knik bodem-wand, naar buiten geknikte brede verdikte afgeronde rand 5a roodbakkend aardewerk 5b loodglazuur: inwendig (uitwendig -) 5c 5d uitwendig beroet 6a poten 6b steel, krom, geribd 6c vrijwel compleet 7 grape 8 Nederland 9

Bijlage 2 - Catalogus aardewerk en glas

139


Cat. 14

Cat. 15

1a DG_1.102AW498.71 1b beerput S2.278, Vulling A (1675-1735) 2 r-kmf-24 3 1650-1750 4a 26/4b komfoor met knik bodem- wand, licht uitgebogen zij- wand met kraagrand en drie poten op de rand, poten 5a roodbakkend aardewerk 5b loodglazuur 5c 5d 6a poten 6b nokken, worstoor verticaal, worstoor horizontaal 6c fragment, compleet profiel 7 komfoor 8 Nederland 9

1a DG_1.102AW498.66 1b beerput S2.278, Vulling A (1675-1735) 2 r-kom-31 3 1650-1750 4a -/15,5 4b wijde kom (kooltjespan) met zware kraagrand en een afgeplatte zijde, poten 5a roodbakkend aardewerk 5b loodglazuur op rand 5c 5d inwendig asaanslag 6a poten 6b 6c fragment, compleet profiel 7 kooltjespan 8 Oosterhout 9

140

Bijlage 2 - Catalogus aardewerk en glas


Cat. 16

Cat.

1a DG_1.102AW498.47 1b beerput S2.278, Vulling A (1675-1735) 2 r-kom-22 3 1650-1750 4a 15,5/7 4b kom met knik bodem-wand, licht uitgebogen zijwand en verdikte lip, op standring 5a roodbakkend aardewerk 5b loodglazuur: geheel, uitwen- dig met mangaanoxide 5c paars oppervlak 5d inwendig beast 6a standring 6b worstoren, horizontaal 6c vrijwel compleet 7 kom 8 Nederland 9

1a DG_1.102AW498.62 1b beerput S2.278, Vulling A (1675-1735) 2 r-kop-2 3 1650-1700 4a 13/8 4b kop met scherpe knik bodem-wand en iets uitgebogen rand, op standring 5a roodbakkend aardewerk 5b loodglazuur 5c 5d 6a standring 6b lintoren, verticaal geknepen 6c vrijwel compleet 7 papkom 8 Nederland, Gouda? 9

17

Cat.

18

1a DG_1.102AW498.55 1b beerput S2.278, Vulling A (1675-1735) 2 r-kop-4 3 1675-1800 4a 15/7,5 4b kop met scherpe knik bodem-wand, hoge wand, standring 5a roodbakkend aardewerk met ijzeroxidespikkels 5b loodglazuur 5c witte slibdecoratie, ringe- loor: bodem gemarmerd, buitenkant slingerlijn 5d 6a standring 6b 6c fragment, compleet profiel 7 papkom 8 Friesland 9

Bijlage 2 - Catalogus aardewerk en glas

141


Cat. 19

Cat. 20

Cat. 21

1a DG_1.102AW498.65 1b beerput S2.278, Vulling A (1675-1735) 2 r-pot-59 3 1675-1800 4a 16/13,5 4b wijde peervormige pot met gladde kraagrand en ribbel onderlangs de hals, op smalle standring 5a roodbakkend aardewerk 5b loodglazuur 5c paars oppervlak 5d inwendig beast 6a standring 6b 6c fragment, gereconstrueerd profiel 7 pot 8 Friesland 9

1a DG_1.102AW498.49 1b beerput S2.278, Vulling A (1675-1735) 2 r-stk-35 3 1650-1750 4a 16,5/7,5 4b bolle steelkom met terug gebogen aan de bovenzijde afgeplatte rand met groef, poten 5a roodbakkend aardewerk 5b loodglazuur 5c 5d 6a poten 6b 6c compleet 7 steelkom 8 Nederland 9

1a DG_1.102AW498.59 1b beerput S2.278, Vulling A (1675-1735) 2 r-tes-1 3 1650-1750 4a 13/8,5 4b vierkante vuurtest met scherpe knik bodem-wand en iets uitwijkende wand, afgeronde rand, poten 5a roodbakkend aardewerk 5b loodglazuur 5c 5d 6a poten 6b lintoor, verticaal geknepen 6c vrijwel compleet 7 vuurtest 8 Nederland 9

142

Bijlage 2 - Catalogus aardewerk en glas


Cat. 22

Cat. 23

Cat. 24

1a DG_1.102AW502.1 1b beerput S2.278, Vulling A (1675-1735) 2 r-zal-3 3 1650-1750 4a 5/5 4b licht conisch versmallend zalfpotje met naar buiten gebogen rand op standvlak 5a roodbakkend aardewerk 5b loodglazuur: inwendig (uitwendig -) 5c 5d 6a standvlak 6b 6c vrijwel compleet 7 zalfpot 8 Nederland 9

1a DG_1.102AW498.34 1b beerput S2.278, Vulling A (1675-1735) 2 w-gra-22 3 1675-1725 4a 14/12,5 4b wijdmondige grape met af- geronde buikknik en licht uitgebogen rand 5a witbakkend aardewerk 5b loodglazuur: geheel, uitwendig met vlekken mangaanoxide 5c uitwendig paarse vlekken 5d 6a poten 6b verticaal worstoor 6c vrijwel compleet 7 grape 8 Friesland 9

1a DG_1.102AW498.37 1b beerput S2.278, Vulling A (1675-1735) 2 w-gra-41 3 1675-1725 4a 19/4b biconische grape met uitgebogen rand met ribbel op randaanzet en met verdikte afgeronde lip 5a witbakkend aardewerk 5b loodglazuur 5c 5d 6a zeer versleten, onderzijde beroet, oorspronkelijk met poten 6b twee verticale, geknepen lintoren 6c vrijwel compleet 7 roompot 8 Gouda 9

Bijlage 2 - Catalogus aardewerk en glas

143


Cat. 25

Cat. 26

Cat.

1a DG_1.102AW498.28 1b beerput S2.278, Vulling A (1675-1735) 2 w-kop-2 3 1675-1725 4a 14/9 4b kop met scherpe knik bodem-wand en iets uitgebogen wand, op standring 5a witbakkend aardewerk 5b loodglazuur 5c 5d 6a standring 6b twee verticale geknepen lintoren 6c compleet 7 papkom 8 Gouda of Friesland 9

1a DG_1.102AW498.26 1b beerput S2.278, Vulling A (1675-1735) 2 w-kop-30 3 1650-1700 4a 15,5/7 4b diepe kop met scherpe knik bodem-wand en lage wand, op standvlak 5a witbakkend aardewerk 5b loodglazuur 5c 5d 6a standvlak 6b twee horizontale worstoren 6c fragment, compleet profiel 7 papkom 8 Gouda of Friesland 9

1a DG_1.102AW498.30 1b beerput S2.278, Vulling A (1675-1735) 2 w-oli-2 3 1675-1725 4a 14,5/11,5 4b olielamp met twee schalen en stam, 1 worstoor, lekschaal afgeplat, geknikte rand 5a witbakkend aardewerk 5b loodglazuur 5c 5d 6a standvlak 6b verticaal ophangoor 6c vrijwel compleet 7 olielamp 8 Gouda of Friesland 9

144

Bijlage 2 - Catalogus aardewerk en glas

27


Cat.

28

1a DG_1.102AW498.31 1b beerput S2.278, Vulling A (1675-1735) 2 w-oli-2 3 1675-1725 4a 15/12 4b olielamp met twee schalen en stam, 1 worstoor, lekschaal afgeplat, geknikte rand 5a witbakkend aardewerk 5b loodglazuur 5c 5d 6a standvlak 6b verticaal ophangoor 6c compleet 7 olielamp 8 Gouda of Friesland 9

Cat. 29

Cat. 30

1a DG_1.102AW498.32 1b beerput S2.278, Vulling A (1675-1735) 2 w-oli-2 3 1675-1725 4a 14,5/11 4b olielamp met twee schalen en stam, 1 worstoor, lekschaal afgeplat, geknikte rand 5a witbakkend aardewerk 5b loodglazuur: geheel met koperoxide 5c groen oppervlak 5d 6a standvlak 6b verticaal ophangoor 6c compleet 7 olielamp 8 Gouda of Friesland 9

1a DG_1.102AW498.29 1b beerput S2.278, Vulling A (1675-1735) 2 w-tes-3 3 1675-1725 4a 13/9 4b vierkante vuurtest met knik bodem-wand en rechte rand, op poten 5a witbakkend aardewerk 5b loodglazuur 5c 5d 6a poten 6b 6c vrijwel compleet 7 vuurtest 8 Gouda of Friesland 9

Bijlage 2 - Catalogus aardewerk en glas

145


Cat. 31 1a DG_1.102AW493.3 1b beerput S2.278, Vulling A (1675-1735) 2 m-bor-13 3 1650-1725 4a 30/4,5 4b bord met vlakke spiegel met verhoogd midden, knik spiegel-vlag en uitgebogen rand, op standring 5a majolica (lichtgele scherf) 5b tinglazuur inwendig, lood- glazuur uitwendig 5c decoratie in kobaltoxide (blauw); sp: bloemstuk met mand/ vl: grof geschilderd kantwerk 5d 3 geelbakkende proen- afdrukken op spiegel 6a standring 6b 6c vrijwel compleet 7 bord 8 Nederland 9

146

Bijlage 2 - Catalogus aardewerk en glas


Cat. 32 1a DG_1.102AW498.17 1b beerput S2.278, Vulling A (1675-1735) 2 m-bor-13 3 1650-1700 4a 31/5,5 4b bord met vlakke spiegel met verhoogd midden, knik spiegel- vlag en uitgebogen rand, op standring 5a majolica (lichtgele scherf) 5b tinglazuur inwendig, loodgla- zuur uitwendig 5c decoratie in kobaltoxide (blauw); sp: vrouw in landschap met kerkje, concentrische cirkels en kartelrand/ vl: 5d 3 geelbakkende proen- afdrukken op spiegel 6a standring 6b 6c compleet 7 bord 8 Nederland 9

Bijlage 2 - Catalogus aardewerk en glas

147


Cat. 33 1a DG_1.102AW493.6 1b beerput S2.278, Vulling A (1675-1735) 2 m-bor-13 3 1675-1725 4a 37/6 4b bord met vlakke spiegel met verhoogd midden, knik spiegel-vlag en uitgebogen rand, op standring 5a majolica (lichtgele scherf) 5b tinglazuur inwendig, lood- glazuur uitwendig 5c geheel wit 5d 3 geelbakkende proen- afdrukken op spiegel 6a standring 6b 6c compleet 7 bord 8 Nederland 9

148

Bijlage 2 - Catalogus aardewerk en glas


Cat. 34

Cat. 35

1a DG_1.102AW493.2 1b beerput S2.278, Vulling A (1675-1735) 2 f-bor-1 3 1650-1675 4a 24/24/3 4b bord met knik spiegel-vlag, standring 5a faience (lichtgele scherf) 5b tinglazuur 5c decoratie in kobaltoxide (blauw); sp: Hollands landschap met meer, mens, boerderij en brug/ vl: scheepjes/ vl-achter: afwisselend drie langwerpige radiale strepen en sterren 5d 3 langwerpige roodbakkende moeten op achterzijde vlag 6a standring 6b 6c vrijwel compleet 7 bord 8 Nederland 9

1a DG_1.102AW498.7 1b beerput S2.278, Vulling A (1675-1735) 2 f-bor-1 3 1640-1675 4a 34/4,5 4b bord met knik spiegel-vlag, standring 5a faience (lichtgele scherf) 5b tinglazuur 5c decoratie in kobaltoxide (blauw): sp/vl: grof geschil- derde grotesken 5d 1 langwerpige geelbakkende moet op achterzijde vlag 6a standring 6b 6c fragment, compleet profiel 7 bord 8 Nederland 9

Bijlage 2 - Catalogus aardewerk en glas

149


Cat. 36

Cat.

1a DG_1.102AW498.18 1b beerput S2.278, Vulling A (1675-1735) 2 f-bor-1 3 1650-1675 4a 25,5/4 4b bord met knik spiegel-vlag, standring 5a faience (lichtgele scherf) 5b tinglazuur 5c decoratie in kobaltoxide (blauw); wanli-porselein- imitatie/ vl-achter: kruisen en bollen 5d 6a standring 6b 6c fragment, compleet profiel 7 bord 8 Nederland 9

1a DG_1.102AW493.12 1b beerput S2.278, Vulling A (1675-1735) 2 f-bor-2 3 1650-1750 4a 22/2,5 4b plat bord met platte spiegel, platte vlag inwendig met knik afgezet, standvlak 5a faience (lichtgele scherf) 5b tinglazuur 5c geheel wit 5d zwart uitgeslagen glazuur 6a standvlak 6b 6c fragment, compleet profiel 7 bord 8 Nederland 9

150

Bijlage 2 - Catalogus aardewerk en glas

37


Cat.

38

1a DG_1.102AW498.4 1b beerput S2.278, Vulling A (1675-1735) 2 f-bor-3 3 1700-1800 4a 22/2,5 4b afgerond bord met vrij brede vlag, standvlak 5a faience (lichtgele scherf) 5b tinglazuur 5c decoratie in kobaltoxide (blauw); sp: rozet/ vl: band langs rand 5d 1 grove geelbakkende moet op achterzijde en 1 geelbak- kende moet aan voorzijde vlag; sterk versleten rand 6a holle bodem (opgebolde ziel) 6b 6c fragment, compleet profiel 7 bord 8 Nederland 9

Cat. 39

Cat. 40

1a DG_1.102AW498.19 1b beerput S2.278, Vulling A (1675-1735) 2 f-bor-7 3 1650-1675 4a 22/4,5 4b diep bord met holle spiegel, knik spiegel-vlag, smalle vlag, op standring 5a faience (lichtgele scherf) 5b tinglazuur 5c decoratie in kobaltoxide (blauw); wanli-porselein- imitatie/ vl-achter: radiale strepen en bollen 5d primaire doorboring in stand- ring, langwerpige geelbakkende moet op achterzijde vlag 6a standring 6b 6c fragment, compleet profiel 7 bord 8 Nederland 9

1a DG_1.102AW493.4 1b beerput S2.278, Vulling A (1675-1735) 2 f-bor-10 3 1650-1700 4a 14/2 4b bord met spiegel overgaand in uitgebogen vlag, standring 5a faience (lichtgele scherf) 5b tinglazuur 5c decoratie in kobaltoxide (blauw): sp: landschap?/ vl: band van losjes geschilderde ruitjes, concentrische cirkels 5d 6a standring 6b 6c fragment, compleet profiel 7 bord 8 Nederland 9

Bijlage 2 - Catalogus aardewerk en glas

151


Cat. 41

Cat. 42

Cat. 43

1a DG_1.102AW498.3 1b beerput S2.278, Vulling A (1675-1735) 2 f-bor-10 3 1700-1750 4a 22/3 4b bord met spiegel overgaand in uitgebogen vlag, standring 5a faience (lichtgele scherf) 5b tinglazuur 5c decoratie in kobaltoxide (blauw): gestileerd floraal motief en bladranken 5d 3 langwerpige geelbakkende moeten op achterzijde vlag 6a standring 6b 6c fragment, compleet profiel 7 bord 8 Nederland 9

1a DG_1.102AW493.1 1b beerput S2.278, Vulling A (1675-1735) 2 f-bor-11 3 1675-1725 4a 22/4 4b diep afgerond bord zonder vlag met ver uitgebogen rand, standring 5a faience (lichtgele scherf) 5b tinglazuur 5c decoratie in kobaltoxide (blauw): sp: rozet met concentrische cirkels, kraaien- pootjes en gestileerde bladran- ken/ vl: concentrische cirkels 5d 6a standring 6b 6c vrijwel compleet 7 bord 8 Nederland 9

1a DG_1.102AW493.18 1b beerput S2.278, Vulling A (1675-1735) 2 f-bor-11 3 1650-1750 4a 20/3,5 4b diep afgerond bord zonder vlag met ver uitgebogen rand, standring 5a faience (lichtgele scherf) 5b tinglazuur 5c geheel wit 5d 1 ronde geelbakkende moet aan achterzijde 6a standring 6b 6c fragment, compleet profiel 7 bord 8 Nederland 9

152

Bijlage 2 - Catalogus aardewerk en glas


Cat. 44

Cat. 45

Cat. 46

1a DG_1.102AW493.19 1b beerput S2.278, Vulling A (1675-1735) 2 f-bor-11 3 1650-1750 4a 22/4 4b diep afgerond bord zonder vlag met ver uitgebogen rand, standring 5a faience (lichtgele scherf) 5b tinglazuur 5c geheel wit 5d 2 ronde geelbakkende moeten onder rand 6a standring 6b 6c fragment, compleet profiel 7 bord 8 Nederland 9

1a DG_1.102AW498.2 1b beerput S2.278, Vulling A (1675-1735) 2 f-bor-16 3 1700-1750 4a 11/2 4b diep hol bord met uitge- bogen lip, standring 5a faience (lichtgele scherf) 5b tinglazuur 5c decoratie in kobalt- oxide (blauw); sp en vl: kikkerdrilmotief, bladranken en concentrische cirkels/ sp-achter: merkteken “II� 5d ronde geelbakkende moet op achterzijde 6a standring 6b 6c fragment, compleet profiel 7 bord 8 Nederland 9

1a DG_1.102AW493.11 1b beerput S2.278, Vulling A (1675-1735) 2 f-bor-19 3 1650-1750 4a 23/4 4b plat bord met platte spiegel, zeer brede vlag inwendig met knik afgezet, standvlak 5a faience (lichtgele scherf) 5b tinglazuur 5c geheel wit 5d zwart uitgeslagen glazuur 6a standvlak 6b 6c fragment, compleet profiel 7 bord 8 Nederland 9

Bijlage 2 - Catalogus aardewerk en glas

153


Cat.

47

1a DG_1.102AW493.20 1b beerput S2.278, Vulling A (1675-1735) 2 f-kan-1 3 1650-1725 4a 11,5/20 4b eivormige kan met nauwe hoge hals, schenklip en verticaal oor, platte bodem 5a faience (lichtgele scherf) 5b tinglazuur 5c geheel wit 5d getordeerd potlichaam 6a standvlak 6b lintoor, verticaal 6c fragment, gereconstrueerd profiel 7 kan 8 Nederland 9

154

Cat.

48

1a DG_1.102AW493.8 1b beerput S2.278, Vulling A (1675-1735) 2 f-kom-9 3 1650-1750 4a 17/6,5 4b bolle kom met kraagrand, standring 5a faience (lichtgele scherf) 5b tinglazuur 5c geheel wit 5d zwart uitgeslagen glazuur 6a standring 6b worstoor, horizontaal 6c fragment, compleet profiel 7 papkom 8 Nederland 9

Bijlage 2 - Catalogus aardewerk en glas

Cat. 49 1a DG_1.102AW493.7 1b beerput S2.278, Vulling A (1675-1735) 2 f-kom-3 3 1650-1750 4a 29,5/12 4b afgeronde kom met uitgebo- gen rand op standring 5a faience (lichtgele scherf) 5b tinglazuur 5c geheel wit 5d drie geelbakkende moeten onder rand 6a standring 6b 6c compleet 7 kom 8 Nederland 9


Cat. 50 1a DG_1.102AW493.17 1b beerput S2.278, Vulling A (1675-1735) 2 f-plo-3 3 1650-1700 4a 33/7 4b plooischotel met platte spiegel en grof geplooide vlag, scherpe knik spiegel- vlag, standring 5a faience (lichtgele scherf) 5b tinglazuur 5c geheel wit 5d 9 plooien 6a standvoet 6b 6c vrijwel compleet 7 plooischotel 8 Nederland 9

Bijlage 2 - Catalogus aardewerk en glas

155


Cat.

51 (schaal 1:2)

1a DG_1.102GLS502.3 1b beerput S2.278, Vulling A (1675-1735) 2 gl-bek-5 3 1675-1725 4a 8,5/14,2 4b cilindrische of licht conische beker, opgestoken bodem met pontilmerk, zonder of met noppootjes 5a glas 5b kleurloos 5c 5d bruinzwarte aantasting 6a opgestoken, pontilmerk 6b 6c vrijwel compleet 7 beker 8 9

156

Cat.

52 (schaal 1:2)

1a DG_1.102GLS502.2 1b beerput S2.278, Vulling A (1675-1735) 2 gl-bek-8a 3 1675-1725 4a 9,5/14,5 4b cilindrische of licht conische beker met uitstaande (a) of rechte (b) lip, opgestoken bodem met pontilmerk, voetring 5a glas 5b groen, blauw 5c blauwe voetring en blauwe draad rond de lip 5d 6a opgestoken, voetring, pontilmerk 6b 6c compleet 7 beker 8 9 Bitter, Dijkstra, Roedema & van Wilgen (red.) 1997, 94, cat. 280.

Bijlage 2 - Catalogus aardewerk en glas

Cat.

53 (schaal 1:2)

1a DG_1.102GLS502.4 1b beerput S2.278, Vulling A (1675-1735) 2 gl-bek-10 3 1675-1725 4a 8,5/15 4b cilindrische beker met netwerk- patroon in reliëf of alleen op onderste deel netwerkpatroon in reliëf mezza forma, opgestoken bodem met pontilmerk. 5a glas 5b kleurloos 5c onderste deel netwerkpatroon in reliëf ‘messa stampaura’ 5d 6a opgestoken, geribde voetring, pontilmerk 6b 6c vrijwel compleet 7 beker 8 9


Cat.

54 (schaal 1:2)

1a DG_1.102GLS502.5 1b beerput S2.278, Vulling A (1675-1735) 2 gl-bek-10 3 1675-1725 4a 9/15,2 4b cilindrische beker met netwerk- patroon in reliëf of alleen op onderste deel netwerkpatroon in reliëf mezza forma, opgestoken bodem met pontilmerk. 5a glas 5b kleurloos 5c netwerkpatroon in reliëf 5d bruinzwarte aantasting 6a opgestoken, in wafelpatroon geknepen voetring, pontilmerk 6b 6c vrijwel compleet 7 beker 8 9

Cat.

55 (schaal 1:2)

1a DG_1.102GLS502.6 1b beerput S2.278, Vulling A (1675-1735) 2 gl-bek-66a 3 1650-1700 4a 9/15,5 4b cilindrische beker met uit- staande (a) of rechte (b) lip, met draadomwonden bovenzijde, opgestoken bodem met pontil merk, voetring 5a glas 5b kleurloos,wit 5c met witte draad omwonden bovenzijde 5d 6a opgestoken, geribde voetring, pontilmerk 6b 6c fragment 7 beker 8 9

Cat.

56 (schaal 1:2)

1a DG_1.102GLS502.8 1b beerput S2.278, Vulling A (1675-1735) 2 gl-bek-68 3 1675-1725 4a 9,5/16 4b cilindrische beker met netwerk- patroon in reliëf of alleen op on- derste deel in reliëf mezza forma, opgestoken bodem met pontilmerk, voetring, drie afgeplatte bolpootjes 5a glas 5b kleurloos 5c netwerkpatroon in reliëf 5d lichte aantasting 6a opgestoken, voetring, afgeplatte bolpootjes, pontilmerk 6b 6c vrijwel compleet 7 beker 8 9 Claeys, Jaspers & Ostkamp (red.) 2010, 599 cat. 240


Cat.

57 (schaal 1:2)

1a DG_1.102GLS502.9 1b beerput S2.278, Vulling A (1675-1735) 2 gl-fle-9 3 1600-1800 4a 9/11 4b bolvormige fles met lange hals en omgeslagen lip, opgestoken bodem met pontilmerk, ook met verticaal of diagonaal ribbelpatroon 5a glas 5b groen 5c 5d 6a opgestoken 6b 6c fragment 7 fles, medicijnfles 8 Duitsland, Nederlanden 9

158

Cat.

58 (schaal 1:2)

1a DG_1.102GLS502.11 1b beerput S2.278, Vulling A (1675-1735) 2 gl-fle-198 3 1650-1725 4a 11,3/16,5 4b bolvormige fles met lange smalle cilindrische hals met draad ruim onder rechte lip, netwerkversiering in reliĂŤf, oor, opgestoken bodem, pontilmerk 5a glas 5b kleurloos 5c netwerk in reliĂŤf 5d bruine aantasting 6a opgestoken, pontilmerk 6b hol worstoor 6c vrijwel compleet 7 karaf 8 9 Henkes 1994, 272, cat. 56.1

Bijlage 2 - Catalogus aardewerk en glas

Cat.

59 (schaal 1:2)

1a DG_1.102GLS502.13 1b beerput S2.278, Vulling A (1675-1735) 2 gl-kel3 1675-1725 4a 64b lichtconisch kelkglas met versmalt ingebogen bodem en met geprofileerde massieve stam, schijfvoet met pontilmerk 5a glas 5b kleurloos 5c 5d 6a schijfvoet, pontilmerk 6b vierledig geprofileerde stam 6c fragment 7 kelkglas 8 Nederland 9 Lenting, van Gangelen & van Westing (red.) 1993, 357 afb. 14


Beerput S278,Vulling B (1775-1795)

Cat.

60 (schaal 1:2)

1a DG_1.102AW489.1 1b beerput S2.278, Vulling B (1775-1795) 2 w-min 3 1675-1800 4a 3/2 4b 5a witbakkend aardewerk 5b loodglazuur 5c 5d poppengoed 6a standvlak 6b oor, verticaal 6c vrijwel compleet 7 vierkante bak, miniatuur vuurtest 8 Nederland 9

Cat.

61 (schaal 1:2)

Cat.

1a DG_1.102AW489.2 1b beerput S2.278, Vulling B (1775-1795) 2 w-min 3 1675-1800 4a 3/2 4b 5a witbakkend aardewerk 5b loodglazuur 5c 5d poppengoed 6a standvlak 6b oor, verticaal 6c vrijwel compleet 7 ronde bak, miniatuur papkom 8 Nederland 9

62 (schaal 1:2)

1a DG_1.102AW489.3 1b beerput S2.278, Vulling B (1775-1795) 2 iw-min 3 4a 2,5/1,5 4b 5a industrieel wit aardewerk 5b loodglazuur 5c geheel wit 5d poppengoed 6a 6b knop 6c compleet 7 miniatuur deksel 8 Nederland 9

Bijlage 2 - Catalogus aardewerk en glas

159


Bijlage 3: Catalogus kleipijpen Voor de beschrijving van de producten wordt een uniforme systematiek gehanteerd die gebaseerd is op de deductieve kenmerken van de kleipijp en zoals o.a. is gepubliceerd in Westerheem (Van Oostveen en Van Oostveen - Bonnema 2001). De uniforme beschrijving is als volgt: Identificatie 1a. Objectnummer 1b. Vindplaats, context Deductieve kopkenmerken 2a. Model

Beschrijving model conform Van Oostveen en Stam, 2011.

2b. Zijmerk links/ zijmerk rechts Beschrijving van het zijmerk aan de linkerzijde van de pijpenkop/ beschrijving van het zijmerk aan de rechterzijde van de pijpenkop. De linker- en rechterzijde van de pijpenkop zijn de desbetreffende zijden zoals de roker deze ziet. 2c. Bijmerk links/ bijmerk rechts

Beschrijving van het bijmerk aan de linkerzijde van de pijpenkop/ beschrijving van het bijmerk aan de rechterzijde van de pijpenkop.

2d. (Hiel)merk

Beschrijving van het makersmerk meestal geplaatst op het uitstekende deel, de hiel, van de kleipijp.

2e. Oppervlaktebehandeling

Beschrijving van eventuele oppervlaktebehandeling bijvoorbeeld middels een agaatsteen waardoor een geglaasd oppervlak ontstaat.

2f. Behandeling kopopening Bijvoorbeeld de met een botter afgewerkte scherpe randen van de kopopening. 2g. Afwerking ketelopening Beschrijving van bijvoorbeeld de hele of halve radering rondom de ketelopening. 2h. Overig Overige opmerkingen. Deductieve steelkenmerken 3a. Versiering

Beschrijving van de eventueel aanwezige steelversiering.

3b. Oppervlaktebehandeling Beschrijving van eventuele oppervlaktebehandeling met een agaatsteen. 3c. Overig Overige opmerkingen Conclusies op basis van deductieve kopkenmerken 4. Datering 5.

Mogelijk productiecentrum

6.

Mogelijke pijpenmaker/ atelier

Overig 7. Literatuurverwijzing

Verwijzing naar soortgelijke producten uit de literatuur.

Afbeeldingen van de ketel van de tabakspijp zijn in schaal 1:1 afgebeeld. Details zoals hielmerk, bijmerk en steelversiering, zijn niet op schaal. Foto’s kleipijpencatalogus: Š Jan van Oostveen (http://kleipijp.home.xs4all.nl).

160

Bijlage 3 - Catalogus kleipijpen


Cat. 1 1a.

DG_1.102PIJP502

1b.

Vlaardingen, Galeiwerf, beerput S278, Vulling A (1675-1735)

2a. 2b. 2c. 2d.

DG

2e. 2f. 2g. 2h. 3a. 3b. 3c. 4.

1640-1660

5.

Rotterdam

6.

Dirck Gerritsz.

7.

Cat. 2 1a.

DG_1.102PIJP493

1b.

Vlaardingen, Galeiwerf, beerput S278, Vulling A (1675-1735)

2a.

Trechter

2b.

-/-

2c.

Halve maan / zespuntige ster

2d.

-

2e.

Ongeglaasd

2f.

Gebotterd

2g.

Radering voorzijde ketelopening

2h. 3a.

-

3b.

Ongeglaasd

3c. 4.

1710-1735

5. 6. 7.

Bijlage 3 - Catalogus kleipijpen

161


Cat. 3 1a.

DG_1.102PIJP493

1b.

Vlaardingen, Galeiwerf, beerput S278, Vulling A (1675-1735)

2a.

Trechter

2b.

-/-

2c.

-/-

2d.

-

2e.

Ongeglaasd

2f.

Gebotterd

2g.

Radering voorzijde ketelopening

2h. 3a. 3b. 3c. 4.

1710-1735

5. 6. 7.

Cat. 4 1a.

DG_1.102PIJP497

1b.

Vlaardingen, Galeiwerf, beerput S278, Vulling A (1675-1735)

2a.

Trechter

2b.

-/-

2c.

-/-

2d.

-

2e.

Ongeglaasd

2f.

Gebotterd

2g.

Geen radering rondom ketelopening

2h. 3a. 3b. 3c. 4.

1715-1735

5. 6. 7.

162

Bijlage 3 - Catalogus kleipijpen


Cat. 5 1a.

DG_1.102PIJP497

1b.

Vlaardingen, Galeiwerf, beerput S278, Vulling A (1675-1735)

2a.

Trechter

2b.

-/-

2c.

-/-

2d.

-

2e.

Ongeglaasd

2f.

Gebotterd

2g.

Geen radering rondom ketelopening

2h. 3a. 3b. 3c. 4.

1715-1735

5. 6. 7.

Cat. 6 1a.

DG_1.102PIJP497

1b.

Vlaardingen, Galeiwerf, beerput S278, Vulling A (1675-1735)

2a.

Trechter

2b.

-/-

2c.

Zespuntige ster / halve maan

2d.

-

2e.

Ongeglaasd

2f.

Gebotterd

2g.

Geen radering rondom ketelopening

2h. 3a. 3b. 3c. 4.

1715-1735

5. 6. 7.

Bijlage 3 - Catalogus kleipijpen

163


Cat. 7 1a.

DG_1.102PIJP497

1b.

Vlaardingen, Galeiwerf, beerput S278, Vulling A (1675-1735)

2a.

Dop

2b.

-/-

2c.

-/-

2d.

Boom

2e.

Geglaasd

2f.

Gebotterd

2g.

Gehele radering rondom ketelopening

2h. 3a.

Raderingen afgezoomd met tanden

3b.

Geglaasd

3c. 4.

1715-1735

5.

Gouda

6.

Krijn Dircksz of Dirk Krijnsz Veverloo

7. Cat. 8

1a.

DG_1.102PIJP502

1b.

Vlaardingen, Galeiwerf, beerput S278, Vulling A (1675-1735)

2a.

Trechter

2b.

-/-

2c.

-/-

2d.

Bloempot gekroond

2e.

Geglaasd

2f.

Gebotterd

2g.

Gehele radering rondom ketelopening

2h. 3a.

Raderingen afgezoomd met tanden (vondstnummer 497)

3b.

Geglaasd

3c. 4.

1715-1730

5.

Gouda

6.

Jan Spiering

7.

164

Bijlage 3 - Catalogus kleipijpen


Cat. 9 1a.

DG_1.102PIJP497

1b.

Vlaardingen, Galeiwerf, beerput S278, Vulling A (1675-1735)

2a.

Trechter

2b.

-/-

2c.

-/-

2d.

PT gekroond

2e.

Geglaasd

2f.

Gebotterd

2g.

Gehele radering rondom ketelopening

2h. 3a. 3b. 3c. 4.

1715-1735

5.

Gouda

6.

Mattijs Pietersz Slingerland

7.

Cat. 10 1a.

DG_1.102PIJP497

1b.

Vlaardingen, Galeiwerf, beerput S278, Vulling A (1675-1735)

2a.

Trechter

2b.

-/-

2c.

-/-

2d.

GWV

2e.

Geglaasd

2f.

Gebotterd

2g.

Gehele radering rondom ketelopening

2h. 3a.

Raderingen afgezoomd met tanden

3b.

Geglaasd

3c. 4.

1715-1735

5.

Gouda

6.

Gijsbert Willemsz van der Valk

7.

Bijlage 3 - Catalogus kleipijpen

165


Cat. 11 1a.

DG_1.102PIJP497

1b.

Vlaardingen, Galeiwerf, beerput S278, Vulling A (1675-1735)

2a.

Trechter

2b.

-/-

2c.

-/-

2d.

Vijfbladige roos

2e.

Geglaasd

2f.

Gebotterd

2g.

Gehele radering rondom ketelopening

2h. 3a.

Raderingen afgezoomd met tanden

3b.

Geglaasd

3c. 4.

1715-1735

5.

Gouda

6.

Arij de Moor

7.

Cat. 12 1a.

DG_1.102PIJP497

1b.

Vlaardingen, Galeiwerf, beerput S278, Vulling A (1675-1735)

2a.

Trechter

2b.

-/-

2c.

-/-

2d.

Molen

2e.

Geglaasd

2f.

Gebotterd

2g.

Gehele radering rondom ketelopening

2h. 3a.

Parelrand

3b.

Geglaasd

3c. 4.

1710-1730

5.

Gouda

6.

Arij Jacobsz of Jacob Arijse Danens

7.

166

Bijlage 3 - Catalogus kleipijpen


Cat. 13 1a.

DG_1.102PIJP497

1b.

Vlaardingen, Galeiwerf, beerput S278, Vulling A (1675-1735)

2a.

Trechter

2b.

Doffer / Duif

2c.

-/-

2d.

-

2e.

Ongeglaasd

2f.

Gebotterd

2g.

Geen radering rondom ketelopening

2h. 3a. 3b. 3c. 4.

1715-1735

5.

Gouda

6. 7.

Cat. 14 1a.

DG_1.102PIJP497

1b.

Vlaardingen, Galeiwerf, beerput S278, Vulling A (1675-1735)

Foto pijp niet op schaal

2a. 2b. 2c. 2d. 2e. 2f. 2g. 2h. 3a.

“IND TO GOUDA” / “SANDLOPER”

3b.

Geglaasd

3c. 4.

1715-1735

5.

Gouda

6. 7.

Bijlage 3 - Catalogus kleipijpen

167


Cat. 15 1a.

DG_1.102PIJP497

1b.

Vlaardingen, Galeiwerf, beerput S278, Vulling A (1675-1735)

2a. 2b. 2c. 2d. 2e. 2f. 2g. 2h. 3a.

Getordeerde en geradeerd

3b.

Ongeglaasd

3c. 4.

1715-1735

5.

Gouda

6. 7.

Cat. 16 1a.

DG_1.102PIJP502

1b.

Vlaardingen, Galeiwerf, beerput S278, Vulling A (1675-1735)

2a. 2b. 2c. 2d. 2e. 2f. 2g. 2h. 3a.

Getordeerde en geradeerde steel

3b.

Ongeglaasd

3c. 4.

1700-1750

5. 6. 7.

168

Bijlage 3 - Catalogus kleipijpen


Cat. 17 1a.

DG_1.102PIJP497

1b.

Vlaardingen, Galeiwerf, beerput S278, Vulling A (1675-1735)

2a. 2b. 2c. 2d. 2e. 2f. 2g. 2h. 3a.

Raderingen afgezoomd met parelranden

3b.

Ongeglaasd

3c. 4.

1715-1735

5.

Gouda

6. 7.

Cat. 18 1a.

DG_1.102PIJP497

1b.

Vlaardingen, Galeiwerf, beerput S278, Vulling A (1675-1735)

2a. 2b. 2c. 2d. 2e. 2f. 2g. 2h. 3a.

Raderingen afgezoomd met parelranden

3b.

Ongeglaasd

3c. 4.

1715-1735

5.

Gouda

6. 7.

Bijlage 3 - Catalogus kleipijpen

169


Cat. 19 1a.

DG_1.102PIJP497

1b.

Vlaardingen, Galeiwerf, beerput S278, Vulling A (1675-1735)

2a. 2b. 2c. 2d. 2e. 2f. 2g. 2h. 3a.

Raderingen afgezoomd met parelranden

3b.

Ongeglaasd

3c. 4.

1715-1735

5.

Gouda

6. 7.

Cat. 20 1a.

DG_1.102PIJP502

1b.

Vlaardingen, Galeiwerf, beerput S278, Vulling A (1675-1735)

2a. 2b. 2c. 2d. 2e. 2f. 2g. 2h. 3a.

Raderingen afgezoomd parelrand

3b.

Geglaasd

3c. 4.

1700-1740

5. 6. 7.

170

Bijlage 3 - Catalogus kleipijpen


Cat. 21 1a.

DG_1.102PIJP502

1b.

Vlaardingen, Galeiwerf, beerput S278, Vulling A (1675-1735)

2a. 2b. 2c. 2d. 2e. 2f. 2g. 2h. 3a.

Parelrand

3b.

Geglaasd

3c. 4.

1700-1740

5. 6. 7.

Cat. 22 1a.

DG_1.102PIJP502

1b.

Vlaardingen, Galeiwerf, beerput S278, Vulling A (1675-1735)

2a. 2b. 2c. 2d. 2e. 2f. 2g. 2h. 3a.

Raderingen afgezoomd met tanden

3b.

Geglaasd

3c. 4.

1700-1740

5. 6. 7.

Bijlage 3 - Catalogus kleipijpen

171


Cat. 23 1a.

DG_1.102PIJP502

1b.

Vlaardingen, Galeiwerf, beerput S278, Vulling A (1675-1735)

2a. 2b. 2c. 2d. 2e. 2f. 2g. 2h. 3a.

Raderingen afgezoomd met tanden

3b.

Geglaasd

3c. 4.

1700-1740

5. 6. 7.

Cat. 24 1a.

DG_1.102PIJP502

1b.

Vlaardingen, Galeiwerf, beerput S278, Vulling A (1675-1735)

2a.

Trechter

2b.

-/-

2c.

Twee punten boven elkaar / -

2d.

-

2e.

Ongeglaasd

2f. 2g. 2h. 3a. 3b. 3c. 4.

1700-1730

5. 6. 7.

172

Bijlage 3 - Catalogus kleipijpen


Cat. 25 1a.

DG_1.102PIJP502

1b.

Vlaardingen, Galeiwerf, beerput S278, Vulling A (1675-1735)

2a.

Trechter

2b.

-/-

2c.

-/-

2d.

-

2e.

Ongeglaasd

2f.

Gebotterd

2g.

Geen radering rondom ketelopening

2h. 3a. 3b. 3c. 4.

1710-1730

5. 6. 7.

Cat. 26 1a.

DG_1.102PIJP502

1b.

Vlaardingen, Galeiwerf, beerput S278, Vulling A (1675-1735)

Niet afgebeeld; sleetse afdruk

2a. 2b. 2c. 2d. 2e. 2f. 2g. 2h. 3a.

“IN GOUDA”

3b.

Geglaasd

3c. 4.

1730-1800

5. 6. 7.

Bijlage 3 - Catalogus kleipijpen

173


Cat. 27 1a.

DG_1.102PIJP503

1b.

Vlaardingen, Galeiwerf, beerput S278, Vulling A (1675-1735)

2a. 2b. 2c. 2d. 2e. 2f. 2g. 2h. 3a.

Kruismotief ingestempeld in steel

3b.

Ongeglaasd

3c. 4.

1680-1750

5. 6. 7.

Cat. 28 1a.

DG_1.102PIJP504

1b.

Vlaardingen, Galeiwerf, beerput S278, Vulling A (1675-1735)

2a.

Trechter

2b.

-/-

2c.

Halve maan / -

2d.

-

2e.

Ongeglaasd

2f.

Gebotterd

2g.

Radering voorzijde ketelopening

2h. 3a. 3b. 3c. 4.

1710-1730

5. 6. 7.

174

Bijlage 3 - Catalogus kleipijpen


Cat. 29 1a.

DG_1.102PIJP490

1b.

Vlaardingen, Galeiwerf, beerput S278, Vulling B (1775-1795)

2a.

Ovoïde

2b.

-/-

2c.

Gouds wapenschild + S / Gouds wapenschild + S

2d.

Haan

2e.

Geglaasd

2f.

Gebotterd

2g.

Gehele en radering rondom ketelopening

2h. 3a.

“L:SLOBBE”/”IN GOUDA”

3b.

Geglaasd

3c. 4.

1775-1800

5.

Gouda

6.

Leendert Slobbe

7.

Cat. 30 1a.

DG_1.102PIJP490

1b.

Vlaardingen, Galeiwerf, beerput S278, Vulling B (1775-1795)

Foto pijp niet op schaal

2a. 2b. 2c. 2d. 2e. 2f. 2g. 2h. 3a.

“VERZYL”

3b.

Geglaasd

3c. 4.

1750-1800

5.

Gouda

6. 7.

Bijlage 3 - Catalogus kleipijpen

175


Cat. 31

Foto pijp niet op schaal

1a.

DG_1.102PIJP490

1b.

Vlaardingen, Galeiwerf, beerput S278, Vulling B (1775-1795)

2a. 2b. 2c. 2d. 2e. 2f. 2g. 2h. 3a.

“A.V.D.LIST”

3b.

Geglaasd

3c. 4.

1775-1789

5.

Gouda

6.

(weduwe) Arij van der List

7.

Cat. 32

Foto pijp niet op schaal

1a.

DG_1.102PIJP490

1b.

Vlaardingen, Galeiwerf, beerput S278, Vulling B (1775-1795)

2a. 2b. 2c. 2d. 2e. 2f. 2g. 2h. 3a.

“IN GOUDA”

3b.

Geglaasd

3c. 4.

1740-1790

5.

Gouda

6. 7.

176

Bijlage 3 - Catalogus kleipijpen


Cat. 33 1a.

DG_1.102PIJP485

1b.

Vlaardingen, Galeiwerf, beerput S278, Vulling C (1830-1900)

2a.

Stummel

2b. 2c. 2d. 2e. 2f. 2g. 2h. 3a. 3b. 3c. 4.

1830-1900

5.

Duitsland

6. 7.

Cat. 34 1a.

DG_1.102PIJP485

1b.

Vlaardingen, Galeiwerf, beerput S278, Vulling C (1830-1900)

2a.

Ovo誰de

2b.

-/-

2c.

Gouds wapenschild + S / Gouds wapenschild + S

2d.

Parel

2e.

Geglaasd

2f.

Gebotterd

2g.

Gehele en radering rondom ketelopening

2h. 3a. 3b. 3c. 4.

1740-1760

5.

Gouda

6.

Benjamin Eling

7.

Bijlage 3 - Catalogus kleipijpen

177


502 b

18A

draad

1

7,0

0,5

zijde

Z,Z

S

goudgeel

cm

K

I

502

502 c

18A

draad

1

2,0

0,8

zijde

Z,Z

S

goudgeel

502

502 d

18A

draad

1

3,5

0.4

zijde

Z,Z

S

goudgeel

502

502 e

18A

draad

1

5,0

0,7

zijde

Z,Z

S

bruin

502

502 f

18A

draad

1

5,5

0,5

zijde

Z,Z

S

bruin

502

502

502 g

502 h

18A

18A

breiwerk

weefsel

16

2

2,5

2,5

1,5

1,0

wol

zijde

tricot

effen

Z,Z

-

S

-

45 st/10 cm

30-35

opmerking

donkerbruin

502

I

naadzoom

S

K

zelfkant

Z,Z

weeffout

zijde

vervilt

1,0

kleur

materiaal

6,0

binding

dikte (mm)

1

(0,5 cm)

draad

breedte

hoogte

18A

(0,5 cm)

aantal

502 a

type

datering

502

vnr

subnr

twistrichting

twijnrichting

aantal draden/

Bijlage 4:Textilia

50 nld10 / cm

6-7

donkerbruin

2 fragmenten hebben een sierstreep: 2 steken averecht en 2 steken recht boven elkaar

goudgeel

1

onduidelijk of dit alleen de zelfkant of het basisweefsel is verhard weefsel, binding en dradental niet vast te stellen

502

502 i

18A

weefsel

1

5,0

1,0

zijde

?

-

-

?

10

donkerbruin

1

502

502 j

18A

weefsel

2

2,5

1,5

zijde

K 2/2 ?

-

-

30

30

(donker)bruin

1

weefsel

4

3,5

1,0

zijde

keper?

-

-

?

?

(donker)bruin

502

502 k

18A

502

502 l

18A

weefsel

2

1,5

1,0

wol

effen

Z

Z

5-6

4-5

lichtbruin

502

502 m

18A

weefsel

2

3,0

1,5

wol

effen

S

S

12

10

lichtbruin

502

502 n

18A

weefsel

1

2,0

1,5

wol

effen

Z

S

12

8

bruin

502

502 o

18A

weefsel

2

2,5

1,5

wol

K 2/2

S

S

20

14

bruin

binding niet zichtbaar door mineralisatie

502

502 p

18A

weefsel

1

2,0

1,0

wol

K 2/2

S

S

12

12

bruin

soepel weefsel

502

502 q

18A

weefsel

2

1,5

1,0

wol

K 2/2

Z

S

20

20

donkerbruin

soepel weefsel

502

502 r

18A

weefsel

1

3,0

2,5

wol

K 2/2

Z

-

30

30

donkerbruin

502

502 s

18A

weefsel

1

1,0

1,0

wol

effen

Z

S

18

12

donkerbruin

502

502 t

18A

weefsel

1

2,0

0,5

wol

effen

Z

Z

15

15

bruin

502

502 u

18A

weefsel

1

1,0

1,0

wol

effen

Z

Z

18

14

bruin

502

502 v

18A

weefsel

1

1,0

1,0

wol

effen

Z

Z

16

16

donkerbruin

502

502

505

13

13 fragmenten van onbekend aantal wollen donkerbruine weefsels, die aan beide zijden sterk vervilt en geruwd zijn

20

20 fragmenten van onbekend aantal wollen weefsels, bruin en donkerbruin, verhard door mineralisatie uitgedroogd weefsel, uiteengevallen. Binding niet vast te stellen

weefsel

1

5,0

2,0

wol

keper?

Z

506

506 a

breiwerk

2

6,0

7,0

wol

tricot

Z,Z

506

506 b

weefsel

1

11,5

3,0

wol

K 2/2

Z

10

totaal: ca 12 cm

1,2

wol

spitskeper?

?

507

178

weefsel

soepel weefsel

Bijlage 4 - Textilia

Z

?

30

bruin

60 st/10cm

80 nld/10 cm

bruin

Z

30

20

bruin

Z

?

20

donkerbruin

S

1

met twee sierstrepen, elke streep vervaardigd door boven elkaar 2 steken recht en 2 steken averecht te breien fijn weefsel, beide zijden sterk vervilt

2

2

bandje


Bijlage 5: Dierlijke resten

5

1

0

B

mammal indet

zoogdier, indet.

indet.

onbekend

0

1

10

3,8

B

Ovis aries/ Capra hircus

schaap/geit

hyoid

axiaal

1

2

1

0,7

B

Sus domesticus

varken

phalanx 2

niet bepaald

9

6

2

1

502

B

Ovis aries/ Capra hircus

schaap/geit

astragalus

rechts

9

6

1

7,4

met patina: bikkel?

502

B

Capreolus capreolus

ree

astragalus

rechts

9

6

1

5,2

met patina: bikkel?

502

B

medium mammal

middelgroot zoogdier

costa

onbekend

3

2

1

5,4

502

B

medium mammal

middelgroot zoogdier

costa

onbekend

3

1

1

1

B

medium mammal

middelgroot zoogdier

costa

onbekend

3

2

1

3

502

B

Sus domesticus

varken

phalanx 1

onbekend

4

3

1

0,3

502

B

medium mammal

middelgroot zoogdier

vertebrae

axiaal

3

1

3

502

B

Anas platyrhynchos/ dom.

wilde/ tamme eend

carpometacarpus

links

9

6

502

B

Anas platyrhynchos/ dom.

wilde/ tamme eend

carpometacarpus

rechts

9

502

B

Anas platyrhynchos/ dom.

wilde/ tamme eend

ulna

links

B

Bucephala clangula

brilduiker

tarsometatarsus

502

B

Anas platyrhynchos/ dom.

wilde/ tamme eend

phalange manis

502

B

aves indet

vogel, indet.

502 502

502

502

vergroeid

N.v.t.

bc

met beeraanslag

3,9

sh

losse epi, waarvan ex. met hs

1

0

sh

door tipje prox kop

6

1

0

2

4

1

0

links

8

5

1

0

niet bepaald

9

6

6

0

costa

onbekend

8

5

2

0

9

6

3

0

9

6

2

0

B

aves indet

vogel, indet.

phalange pedis

502

B

Anas platyrhynchos/ dom.

wilde/ tamme eend

carpale

links

kleiner dan vorige

middelgrote vogel

502

B

anser spec.

gans

scapula

onbekend

3

1

1

0

502

B

aves indet

vogel, indet.

indet.

onbekend

0

2

2

0

502

B

aves indet

vogel, indet.

veertjes

n.v.t.

B

Arvicola terrestris

woelrat

pelvis

niet bepaald

8

5

1

0

502

B

Rattus norvegicus

bruine rat

pelvis

axiaal

9

6

2

0

Rat1

502

B

Rattus norvegicus

bruine rat

scapula

niet bepaald

1

0

Rat1

B

Rattus norvegicus

humerus

niet bepaald

1

0

Rat1

B

Rattus norvegicus

femur

niet bepaald

1

0

Rat1

B

Rattus norvegicus

tibia

niet bepaald

1

0

Rat1

B

Rattus norvegicus

radius

niet bepaald

1

0

Rat1

502 502 502

bruine rat bruine rat bruine rat bruine rat

bc: witgrijs

sh: aan beide zijden

502

502

sh: dwarsdoor

sh

sh

niet bepaald

502

M3

Element

502

Opmerking

8

M2

links

M1

carpometacarpus

P4

C

490

dP4

19,3

BR

1

PA

1

VR

1

BE

links

Ass

Gewicht (g)

pelvis

Sexe

Aantal

rund wilde/ tamme eend

B

Lft alg

Bos taurus Anas platyrhynchos/ dom.

498

Distaal

68

Proximaal

Frag

1

Symmetrie

3

Bos taurus

soortnaam

2

B

Ned.

niet bepaald

504

Soort

costa

Vulling

rund

Vnr

Deel

Bijlage 5.1: Zoogdier en vogel

0

3 stuks

Bijlage 5 - Dierlijke resten

zowel links als rechts

179


0

Rat1

502

B

bruine rat

mandibula

axiaal

2

0

Rat1

502

B

Mus musculus

huismuis

mandibula

rechts

1

0

tibia

niet bepaald

1

0

humerus

niet bepaald

8

5

onvergroeid

onvergroeid

juveniel

1

0

kat1?

femur

niet bepaald

8

5

onvergroeid

onvergroeid

juveniel

1

0

kat1?

502 502 502 490

B B B C

Mus musculus Felis catus Felis catus aves indet

180

huismuis kat kat vogel, indet.

Element eierschaal

n.v.t.

Bijlage 5 - Dierlijke resten

Opmerking

5

M3

axiaal

M2

vertebrae

M1

bruine rat

Rattus norvegicus

P4

B

502

dP4

Rat1

BR

0

PA

1

VR

axiaal

BE

sacrum

Ass

Gewicht (g)

bruine rat

Rattus norvegicus

Sexe

Aantal

B

502

Lft alg

Rat1

Distaal

0

Proximaal

3

Rattus norvegicus

Frag

niet bepaald

Deel

costa

Symmetrie

bruine rat

soortnaam

Rattus norvegicus

Ned.

Vulling B

Soort

Vnr 502

zowel links als rechts

cf kitten kitten waarschijnlijk kip of eend


Bijlage 5.2: Determinatiegegevens vis Vnr.

Zeefmaas

Soort

Element

Symmetrie

Aantal

Opmerking

502

HV en 4-5 mm

abbra

ope

r

1

TL ongeveer als TL abbra ope l.

502

HV en 4-5 mm

abbra

ope

l

1

gr.hoogte ope= 10.2 mm. TL DCB 529= 326 mm, gr.h. ope= 27.0 mm => TL= 123 mm

502

HV en 4-5 mm

blbjo

ope

l

1

hoogte ope iets > 15.8 mm. TL DCB 534= 230 mm, gr.h. ope= 19.4 mm => TL= iets > 187 mm

502

HV en 4-5 mm

blbjo

opi

l

1

koordelengte opi= 11.3 mm. TL DCB 534= 230 mm, koordel.opi= 12.3 mm => TL= 211 mm

502

HV en 4-5 mm

blbjo

cle

r

2

TL geschat 15-20 cm (beide)

502

HV en 4-5 mm

cycar

ope

l

1

gr.hoogte ope= minimaal 15.9 mm. TL DCB 33= 344 mm, gr.h. ope= 33.6 mm => TL iets > 163 mm

502

HV en 4-5 mm

leleu

ope

r

2

gr.hoogte ope= 10.2 mm (1), 17.1 mm (2). TL DCB 856= 246 mm, gr.h. ope= 17.8 mm => TL= 141 mm (1), 236 mm (2)

502

HV en 4-5 mm

leleu

ope

l

1

gr.hoogte ope= 10.1 mm. TL DCB 856= 246 mm, gr.h. ope= 17.8 mm => TL= 140 mm

502

HV en 4-5 mm

scery

ope

r

1

gr.hoogte ope= 11.7 mm. TL DCB 620= 257 mm, gr.h. ope= 22.5 mm => TL= 134 mm

502

HV en 4-5 mm

cypri

ope

l

1

fragment

502

HV en 4-5 mm

cypri

pro

r

1

TL geschat: 20-25 cm

502

HV en 4-5 mm

cypri

pro

l

1

TL iets < TL cypri pro r.

502

HV en 4-5 mm

cypri

vca

a

2

502

HV en 4-5 mm

peflu

par

a

1

502

HV en 4-5 mm

peflu

fro

r

1

gr.l.fro= 15.4 mm. TL DCB 554= 132 mm, gr.l.fro= 14.6 mm => TL= 139 mm

502

HV en 4-5 mm

peflu

fro

l

1

gr.l.fro= 15.6 mm. TL DCB 554= 132 mm, gr.l.fro= 14.6 mm => TL= 141 mm

502

HV en 4-5 mm

peflu

den

r

1

gr.l. den= 11.7 mm. TL DCB 554= 132 mm, gr.l.den= 11.2 mm => TL= 138 mm

502

HV en 4-5 mm

peflu

den

l

1

gr.l. den= 17.0 mm. TL DCB 554= 132 mm, gr.l.fro= 11.2 mm => TL= 200 mm

502

HV en 4-5 mm

peflu

art

r

1

gr.l. art= 17.9 mm. TL DCB 554= 132 mm, gr.l.art= 12.4 mm => TL= 191 mm

502

HV en 4-5 mm

peflu

ope

l

1

gr.l. ope= 10.9 mm. TL berekend vlgs Brinkhuizen (1989:101): 135 mm

502

HV en 4-5 mm

peflu

cle

r

1

koordelengte: 22.1 mm. TL berekend vlgs Brinkhuizen (1989:101): 143 mm

502

HV en 4-5 mm

peflu

cle

l

1

fragment. TL gelijk aan TL peflu cle r. (voorgaand record)

502

HV en 4-5 mm

anang

cle

r

1

koordelengte: 26.8 mm. TL berekend vlgs Brinkhuizen (1989:162): 593 mm

502

HV en 4-5 mm

anang

cle

r

1

TL geschat: 55 cm (iets < voorgaande cleithrum)

502

HV en 4-5 mm

anang

vpc

a

3

502

HV en 4-5 mm

anang

vpc

a

1

502

HV en 4-5 mm

anang

vca

a

1

dwars doorgesneden, caudaal deel aanwezig

502

HV en 4-5 mm

anang

vca

a

1

distorsie

502

HV en 4-5 mm

ramon

aca

s

1

stekel uit de mediane of uit de linker/rechter laterale stekelrij van de staart

502

HV en 4-5 mm

clhar

par

a

3

502

HV en 4-5 mm

clhar

neu

r

3

proรถticum

502

HV en 4-5 mm

clhar

neu

l

1

proรถticum

502

HV en 4-5 mm

clhar

pto

l

1

502

HV en 4-5 mm

clhar

fro

r

3

502

HV en 4-5 mm

clhar

fro

l

3

502

HV en 4-5 mm

clhar

den

r

11

502

HV en 4-5 mm

clhar

den

l

10

TL geschat: 23-32 cm

502

HV en 4-5 mm

clhar

max

r

10

TL geschat: 23-32 cm

TL geschat: 23-32 cm

502

HV en 4-5 mm

clhar

max

l

6

TL geschat: 23-32 cm

502

HV en 4-5 mm

clhar

max

l

1

supramaxillare II

502

HV en 4-5 mm

clhar

art

r

4

Vnr.

Zeefmaas

Soort

Element

Symmetrie

Aantal

502

HV en 4-5 mm

clhar

art

l

5

502

HV en 4-5 mm

clhar

ope

r

18

502

HV en 4-5 mm

clhar

ope

l

9

502

HV en 4-5 mm

clhar

sub

r

8

502

HV en 4-5 mm

clhar

sub

l

7

502

HV en 4-5 mm

clhar

hyo

r

7

502

HV en 4-5 mm

clhar

hyo

l

10

502

HV en 4-5 mm

clhar

qua

r

1

gr.hoogte qua= 10.3 mm. TL DCB 224= 232 mm, gr.hoogte qua= 7.3 mm => TL= 327 mm

502

HV en 4-5 mm

clhar

qua

l

1

gr.hoogte qua= 8.4 mm. TL DCB 224= 232 mm, gr.hoogte qua= 7.3 mm => TL= 267 mm

502

HV en 4-5 mm

clhar

cer

r

7

502

HV en 4-5 mm

clhar

cer

l

7

Opmerking

Bijlage 5 - Dierlijke resten

181


Vnr.

Zeefmaas

Soort

Element

Symmetrie

Aantal

502

HV en 4-5 mm

clhar

epi

l

1

Opmerking

502

HV en 4-5 mm

clhar

cle

r

8

502

HV en 4-5 mm

clhar

cle

l

6

502

HV en 4-5 mm

clhar

pos

r

2

502

HV en 4-5 mm

clhar

pos

l

2

502

HV en 4-5 mm

clhar

cor

r

1

502

HV en 4-5 mm

clhar

vca

a

86

502

HV en 4-5 mm

clhar

vca

a

1

distorsie

502

HV en 4-5 mm

sapil

den

r

1

TL geschat: 25-27 cm

502

HV en 4-5 mm

sapil

ope

r

2

TL iets < TL DCB 318= 257 mm (2x)

502

HV en 4-5 mm

sapil

ope

l

1

TL iets < TL DCB 318= 257 mm

502

HV en 4-5 mm

sapil

pro

l

1

502

HV en 4-5 mm

sapil

sub

r

1

502

HV en 4-5 mm

sapil

hyo

r

2

TL circa gelijk aan TL DCB 318= 257 mm (2x)

502

HV en 4-5 mm

sapil

hyo

l

1

TL circa gelijk aan TL DCB 318= 257 mm

502

HV en 4-5 mm

sapil

cle

r

1

502

HV en 4-5 mm

sapil

cle

l

1

502

HV en 4-5 mm

clhsap

pro

r

17

502

HV en 4-5 mm

clhsap

pro

l

17

502

HV en 4-5 mm

clhsap

int

r

1

502

HV en 4-5 mm

clhsap

int

l

4

502

HV en 4-5 mm

clhsap

bra

s

15

502

HV en 4-5 mm

gamor

par

a

1

502

HV en 4-5 mm

gamor

suo

a

2

502

HV en 4-5 mm

gamor

exo

r

1

TL geschat: 105-115 cm. (TL > TL DCB 456= 1003 mm)

502

HV en 4-5 mm

gamor

uro

a

2

TL (1): geschat 95-105 cm, TL (2): 105-115 cm.

502

HV en 4-5 mm

gamor

art

r

1

met passend angulare. TL geschat 105-115 cm.

502

HV en 4-5 mm

gamor

hyo

r

1

met basioccipitale nog in situ. Gr.breedte art.bas= 18.7 mm. TL DCB 456= 1003 mm, gr.br. articulatievlak bas= 16.2 mm => TL= 1158 mm

502

HV en 4-5 mm

gamor

cle

r

1

TL geschat: 105-115 cm (TL> TL DCB 456= 1003 mm)

502

HV en 4-5 mm

gamor

cle

l

1

breedte bocht= 20.8 mm. TL DCB 456= 1003 mm, br. bocht= 22.0 mm => TL= 948 mm.

Vnr.

Zeefmaas

Soort

Element

Symmetrie

Aantal

Opmerking

502

HV en 4-5 mm

gamor

cle

l

1

ventrale punt

502

HV en 4-5 mm

gamor

sc

r

1

502

HV en 4-5 mm

gamor

sc

l

1

502

HV en 4-5 mm

gamor

cor

l

1

502

HV en 4-5 mm

gamor

poc

r

2

502

HV en 4-5 mm

gamor

at

a

1

gr.br.ant.art.vlak at= 18.6 mm. TL DCB 456= 1003 mm, gr.br. ant.art.vlak at= 16.6 mm => TL= 1124 mm. Past naadloos aan bovenvermelde basioccipitale

502

HV en 4-5 mm

gamor

vpc

a

1

nr. 8. dwars doorgesneden, caudaal deel ontbreekt. Gr. breedte ant.art.vlak vert.8= 21.4 mm. TL DCB 456= 1003 mm, gr.br. ant.art.vlak vert.nr.8= 19.3 mm => TL= 1112 mm

502

HV en 4-5 mm

gamor

vca

a

1

dwars doorgesneden, caudaal deel aanwezig. Stokvis?

502

HV en 4-5 mm

gamor

co

?

1

doorgesneden, distaal deel aanwezig. Stokvis

502

HV en 4-5 mm

gamor

sag

l

1

sagitta

502

HV en 4-5 mm

meaeg

par

a

1

kl.breedte par= 2.7 mm. TL DCB 687= 520 mm, kl.breedte par= 3.7 mm => TL= 379 mm

502

HV en 4-5 mm

meaeg

vom

a

1

gr.breedte= 9.8 mm

502

HV en 4-5 mm

meaeg

bas

a

1

gr.breedte art.vlak= 7.7 mm. Past naadloos op de gevonden eerste wervel. met passende frontale

502

HV en 4-5 mm

meaeg

suo

a

1

502

HV en 4-5 mm

meaeg

pto

r

1

502

HV en 4-5 mm

meaeg

pto

l

1

502

HV en 4-5 mm

meaeg

sph

r

1

502

HV en 4-5 mm

meaeg

sph

l

1

502

HV en 4-5 mm

meaeg

ept

r

1

502

HV en 4-5 mm

meaeg

ept

l

1

502

HV en 4-5 mm

meaeg

exo

r

1

502

HV en 4-5 mm

meaeg

neu

r

1

182

Bijlage 5 - Dierlijke resten

ectethmoideum


Vnr.

Zeefmaas

Soort

Element

Symmetrie

Aantal

Opmerking

502

HV en 4-5 mm

meaeg

neu

r

1

proรถticum

502

HV en 4-5 mm

meaeg

neu

l

1

proรถticum

502

HV en 4-5 mm

meaeg

neu

r

1

opistoticum

502

HV en 4-5 mm

meaeg

uro

a

1

TL geschat: 40-45 cm (TL DCB 685= 372 mm < TL < TL DCB 687= 520 mm)

502

HV en 4-5 mm

meaeg

inr

r

1

infraorbitale 1 (lacrimale). TL geschat: 45 cm (TL DCB 685= 372 mm < TL < TL DCB 687= 520 mm)

502

HV en 4-5 mm

meaeg

inr

l

1

infraorbitale 1 (lacrimale). TL geschat: 45 cm (TL DCB 685= 372 mm < TL < TL DCB 687= 520 mm) TL geschat: 45 cm (TL DCB 685= 372 mm < TL < TL DCB 687= 520 mm)

502

HV en 4-5 mm

meaeg

max

r

1

502

HV en 4-5 mm

meaeg

max

l

1

TL geschat: 45 cm (TL DCB 685= 372 mm < TL < TL DCB 687= 520 mm)

502

HV en 4-5 mm

meaeg

prm

r

1

TL geschat: 45 cm (TL DCB 685= 372 mm < TL < TL DCB 687= 520 mm)

502

HV en 4-5 mm

meaeg

art

r

1

gr.l. art= 29.0 mm. TL DCB 687= 520 mm, gr.lengte art= 31.8 mm => TL 474 mm

502

HV en 4-5 mm

meaeg

art

l

1

gr.l. art= 28.3 mm. TL DCB 687= 520 mm, gr.lengte art= 31.8 mm => TL 463 mm

502

HV en 4-5 mm

meaeg

ope

r

1

gr.l. ope= 19.1 mm. TL DCB 687= 520 mm, gr.lengte art= 22.3 mm => TL 445 mm

502

HV en 4-5 mm

meaeg

ope

l

1

TL geschat: 45 cm (TL DCB 685= 372 mm < TL < TL DCB 687= 520 mm)

502

HV en 4-5 mm

meaeg

pro

r

1

TL geschat: 45 cm (TL DCB 685= 372 mm < TL < TL DCB 687= 520 mm) TL geschat: 45 cm (TL DCB 685= 372 mm < TL < TL DCB 687= 520 mm)

502

HV en 4-5 mm

meaeg

sub

r

1

502

HV en 4-5 mm

meaeg

epi

r

1

klein fragment

502

HV en 4-5 mm

meaeg

cer

l

1

cer+epi. Kleinste hoogte cer= 5.7 mm. TL DCB 687= 520 mm, kl.h. cer= 6.7 mm => TL 442 mm

502

HV en 4-5 mm

meaeg

pal

r

1

TL geschat: 43 cm (iets kleiner dan TL bij volgend record [palatinum links])

Vnr.

Zeefmaas

Soort

Element

Symmetrie

Aantal

Opmerking

502

HV en 4-5 mm

meaeg

pal

l

1

TL geschat: 45 cm (TL DCB 685= 372 mm < TL < TL DCB 687= 520 mm)

502

HV en 4-5 mm

meaeg

qua

r

1

gr.breedte qua= 5.0 mm. TL DCB 687= 520 mm, gr.breedte qua= 6.1 mm => TL 426 mm

502

HV en 4-5 mm

meaeg

ect

r

1

502

HV en 4-5 mm

meaeg

ect

l

1

502

HV en 4-5 mm

meaeg

hyo

r

1

502

HV en 4-5 mm

meaeg

hyo

l

1

TL geschat: 45 cm (TL DCB 685= 372 mm < TL < TL DCB 687= 520 mm)

502

HV en 4-5 mm

meaeg

pos

r

1

gr.lengte pos= 26.5 mm. TL DCB 687= 520 mm, gr.lengte pos= 29.0 mm => TL 475 mm

502

HV en 4-5 mm

meaeg

pos

l

1

gr.lengte pos= 24.8 mm. TL DCB 687= 520 mm, gr.lengte pos= 29.0 mm => TL 445 mm

502

HV en 4-5 mm

meaeg

suc

r

2

gr.hoogte suc (1)= 18.7 mm. TL DCB 687= 520 mm, gr.hoogte suc= 23.8 mm => TL 409 mm; (2) iets > (1)

502

HV en 4-5 mm

meaeg

suc

l

2

gr.hoogte suc (1)= 21.2 mm. TL DCB 687= 520 mm, gr.hoogte suc= 23.8 mm => TL 463 mm; (2) iets > (1)

502

HV en 4-5 mm

meaeg

cle

r

1

Koordelengte cle= 60.5 mm. TL DCB 687= 520 mm, koordelengte cle= 72.7 mm => TL 433 mm. Snijspoortje aan de dorsale zijde van de pachyostose.

502

HV en 4-5 mm

meaeg

cle

l

1

Koordelengte cle= 61.2 mm. TL DCB 687= 520 mm, koordelengte cle= 72.7 mm => TL 438 mm. Snijspoortje aan de dorsale zijde van de pachyostose.

502

HV en 4-5 mm

meaeg

cle

l

3

pachyostotisch verdikte deel 1x, dorso-superior deel 2x

502

HV en 4-5 mm

meaeg

at

a

1

gr.breedte at= 9.1 mm. TL DCB 687= 520 mm, gr.breedte at= 10.4 mm => TL 455 mm

502

HV en 4-5 mm

meaeg

vpc

a

24

waarvan 19 lichtbruin van kleur

502

HV en 4-5 mm

meaeg

vca

a

53

waarvan 33 lichtbruin van kleur

502

HV en 4-5 mm

meaeg

sag

r

1

sagitta

502

HV en 4-5 mm

gadid

pel

r

1

502

HV en 4-5 mm

gadid

poc

r

1

502

HV en 4-5 mm

gadid

bra

s

4

502

HV en 4-5 mm

gadid

kie

r

1

epibranchiale III

502

HV en 4-5 mm

gadid

kie

l

2

epibranchiale IV

502

HV en 4-5 mm

gadid

pte

s

20

van rugvin/anaalvin, waarvan 5 stuks van ind. met TL > TL DCB 456= 1003 mm

502

HV en 4-5 mm

gadid

lep

s

19

van rugvin/anaalvin

502

HV en 4-5 mm

gadid

lep

s

18

van borstvin

TL geschat: 43 cm (iets kleiner dan TL bij volgend record [hyomandibulare links])

waarsch. van schelvis

502

HV en 4-5 mm

gadid

vca

a

1

klein exemplaar gamor/memer

502

HV en 4-5 mm

gadid

vpc

a

1

sterk verweerd

502

HV en 4-5 mm

gadid

v

a

1

gecalcineerd fragment van fors ind.

502

HV en 4-5 mm

trluc

par

a

1

kl.breedte par= 5.5 mm. TL DCB 142= 484 mm, kl.breedte par= 5.9 mm => TL= 451 mm

502

HV en 4-5 mm

scmax

squ

s

1

huidplaatje van linker(=oog)zijde romp. Groot ind. TL geschat: 50-60 cm.

502

HV en 4-5 mm

plpla

oan

a

2

TL geschat: 25 cm (iets < TL DCB 562= 288 mm)

502

HV en 4-5 mm

plpla

oan

a

1

TL geschat: 35 cm (iets > TL DCB 562= 288 mm)

502

HV en 4-5 mm

plpla

uro

a

11

TL geschat: 30 cm (3x), 40 cm (6x), 45 cm (1x), 50 cm (1x)

502

HV en 4-5 mm

plpla

neu

l

1

praefrontale

502

HV en 4-5 mm

plpla

fro

r

3

Bijlage 5 - Dierlijke resten

183


Vnr.

Zeefmaas

Soort

Element

Symmetrie

Aantal

502

HV en 4-5 mm

plpla

fro

l

4

Opmerking

502

HV en 4-5 mm

plpla

pto

r

2

502

HV en 4-5 mm

plpla

sph

l

1

502

HV en 4-5 mm

plpla

prm

l

5

502

HV en 4-5 mm

plpla

den

r

2

(beide 6 tanden)

Vnr.

Zeefmaas

Soort

Element

Symmetrie

Aantal

Opmerking

502

HV en 4-5 mm

plpla

den

l

2

502

HV en 4-5 mm

plpla

art

r

4

gr.lengte art= 15.2 mm, 18.0 mm, 2x n.t.m. TL DCB 563= 511 mm, gr.l.art= 24.0 mm => TL= 324 mm, 383 mm, n.t.m. (2x)

502

HV en 4-5 mm

plpla

art

l

8

gr.lengte art= 17.6 mm (1), 19.4 mm (2), 19.6 mm (3), n.t.m. (4), 20.1 mm (5), 21.5 mm (6), 23.4 mm (7), 26.1 mm (8). TL DCB 563= 511 mm, gr.l.art= 24.0 mm => TL= 336 mm (1), 370 mm (2), 374 mm (3), 374 mm <TL< 383 mm (4), 383 mm (5), 410 mm (6), 446 mm (7), 498 mm (8)

502

HV en 4-5 mm

plpla

pal

l

1

gr.lengte pal= 18.4 mm. TL DCB 563= 511 mm, gr.l.pal= 16.8 mm => TL= 560 mm

502

HV en 4-5 mm

plpla

ect

l

1

gr.lengte ect= 20.7 mm. TL DCB 563= 511 mm, gr.l.ect= 18.1 mm => TL= 584 mm

502

HV en 4-5 mm

plpla

cle

l

1

TL geschat: 30-35 cm (TL iets > TL DCB 562= 288 mm)

502

HV en 4-5 mm

plpla

opi

l

1

gr.lengte opi= 12.3 mm. TL DCB 562= 288 mm, gr.l.opi= 10.4 mm => TL= 341 mm

502

HV en 4-5 mm

plfle

oan

a

1

TL geschat: 30 cm (ongeveer gelijk TL DCB 384= 306 mm); aan rechterzijde van de distale punt een viertal snijspoortjes

502

HV en 4-5 mm

plfle

uro

a

1

TL geschat: 45 cm (iets < TL DCB 560= 465 mm)

502

HV en 4-5 mm

plfle

art

r

1

gr.lengte art= 12.2 mm. TL DCB 384= 306 mm, gr.l.art= 16.3 mm => TL= 229 mm

502

HV en 4-5 mm

plfle

at

a

1

502

HV en 4-5 mm

plafle

par

a

1

502

HV en 4-5 mm

plafle

bas

a

7

502

HV en 4-5 mm

plafle

vom

a

2

502

HV en 4-5 mm

plafle

max

r

4

502

HV en 4-5 mm

plafle

max

l

2

502

HV en 4-5 mm

plafle

ope

l

1

502

HV en 4-5 mm

plafle

sub

?

4

502

HV en 4-5 mm

plafle

int

?

11

502

HV en 4-5 mm

plafle

pro

?

16

502

HV en 4-5 mm

plafle

hyo

r

8

502

HV en 4-5 mm

plafle

hyo

l

3

502

HV en 4-5 mm

plafle

qua

r

6

502

HV en 4-5 mm

plafle

qua

l

4

502

HV en 4-5 mm

plafle

cer

l

1

TL geschat: 40-45 cm

502

HV en 4-5 mm

plafle

hya

l

1

hypohyale dosale

502

HV en 4-5 mm

plafle

hya

r

1

hypohyale ventrale

502

HV en 4-5 mm

plafle

cle

l

1

TL geschat: 30 cm ceratobranchiale III

502

HV en 4-5 mm

plafle

kie

l

1

502

HV en 4-5 mm

plafle

at

a

1

502

HV en 4-5 mm

plafle

vpc

a

3

502

HV en 4-5 mm

lilim

uro

a

1

502

HV en 4-5 mm

lilim

hyo

r

1

TL geschat: 25 cm (circa TL DCB 256= 250 mm)

502

HV en 4-5 mm

pleur

neu

l

4

proรถticum

502

HV en 4-5 mm

pleur

exo

l

1

502

HV en 4-5 mm

pleur

pel

r

1

502

HV en 4-5 mm

pleur

kie

l

1

ceratobranchiale II

502

HV en 4-5 mm

pleur

kie

r

2

epibranchiale IV

502

HV en 4-5 mm

pleur

at

a

1

502

HV en 4-5 mm

pleur

vpc

a

38

Vnr.

Zeefmaas

Soort

Element

Symmetrie

Aantal

502

HV en 4-5 mm

pleur

vca

a

75

502

HV en 4-5 mm

pleur

vca

a

2

502

HV en 4-5 mm

pleur

urs

a

1

502

HV en 4-5 mm

pleur

urp

a

1

502

HV en 4-5 mm

pleur

pte

s

1

184

Bijlage 5 - Dierlijke resten

TL geschat: 30 cm (iets > TL DCB 256= 250 mm)

Opmerking

distorsie

hypurale


Vnr.

Zeefmaas

Soort

502

HV en 4-5 mm

indet

Element

502

1-2 mm

cypri

vca

502

1-2 mm

anang

vca

Symmetrie

Aantal

Opmerking

59

15 fragm. van rib/branchiostegale/graat etc., 2 wervelfragm. en 42 fragm. Anders (plaatvormig, fragm. neurocranium, etc.)

a

1

TL ind. 10-15 cm

a

2

502

1-2 mm

osepe

vca

a

2

502

1-2 mm

clhar

vpc

a

2

TL ind. 10 cm

502

1-2 mm

clhar

vca

a

2

502

1-2 mm

anang

vca

a

2

502

1-2 mm

osepe

vpc

a

5

zeer kleine ind. (TL< 10 cm)

502

1-2 mm

osepe

vca

a

2

zeer kleine ind. (TL< 10 cm)

502

1-2 mm

clhar

vpc

a

1

502

1-2 mm

clhar

vca

a

1

502

1-2 mm

sapil

vpc

a

2

Bijlage 5 - Dierlijke resten

185


Bijlage 6: Botanie Bijlage 6.1: Botanische macroresten (beerput Vulling A, vnr. 502) Tenzij anders vermeld betreft het onverkoolde zaden. (gemin.) = gemineraliseerd; (verk.) = verkoold; cf. = determinatie onzeker. CULTUURGEWASSEN Meelvruchten

aantal

Nederlandse naam

Avena sativa (gemin.)

1

Gekweekte haver

Cerealia indet. Fragm.

240

Graan

Oryza sativa kaffragm. (gemin.)

3

Rijst kaf

Panicum miliaceum (gemin.)

1

Gierst

Panicum miliaceum kaf

18

Idem, kaf

Fagopyrum esculentum heel

2

Boekweit

Fagopyrum esculentum vruchtklep

4

Idem

Ficus carica

7400

Vijg

Fragaria spec.

8200

Aardbei

Malus domestica

382

Appel

Malus domestica endocarpfr.

420

Idem, klokhuisfr.

Mespilus germanica

3200

Mispel

Morus nigra

3

Zwarte moerbei

Prunus avium

800

Zoete kers

Prunus cerasus

1600

Zure kers

Prunus domestica subsp. domestica (Gro-4)

2400

Pruim â&#x20AC;&#x153;Dordogneâ&#x20AC;?

Prunus domestica subsp. domestica (Gro-9)

18

Pruim van Damast

Prunus domestica subsp. insititia (Gro-1)

1096

Bonte kroospruim

Prunus domestica subsp. insititia (Gro-2)

152

Pruim Bonne de Bry

Prunus domestica subsp. insititia (Gro-5a)

240

Kroosjespruim boerenwitte

Prunus domestica subsp. insititia (Gro-11)

8

Gewoon boerenblauwtje

Prunus domestica subsp. insititia (Gro-12 of 13)

56

Smal boerenblauwtje

Prunus persica

1

Perzik

Pyrus communis

21

Peer

Pyrus communis steencellen

5000

Idem

Pyrus communis vruchtbasis

8

Idem

Ribes nigrum bloembasis

5

Zwarte bes

Ribes rubrum bloembasis

194

Aalbes

Ribes rubrum vrucht (gemin.)

8

Idem

Ribes spec.

20000

Bes

Vitis vinifera

3050

Druif

Vitis vinifera besfr.

1

Idem

Cannabis sativa

1

Hennep

Cornus mas

1

Gele kornoelje

Corylus avellana fragm.

36

Hazelnootschaal

Corylus avellana spermodermfr.

15

Idem, schil van noot

Cucumis sativus fragm.

1

Komkommer

Juglans regia

61

Walnoot

Papaver somniferum

10

Maanzaad

Prunus dulcis fragm.

1

Amandel

Vicia faba var. minor (verk.)

1

Duivenboon

Fruit

Oliehoudende zaden en noten

186

Bijlage 6 - Botanie


CULTUURGEWASSEN (VERVOLG) Kruiden en specerijen

aantal

Nederlandse naam

Castanea sativa fragm.

22

Tamme kastanje

Coriandrum sativum

2

Koriander

Coriandrum sativum fragm.

10

Idem

cf. Coriandrum sativum oliekanalen

90

Idem?

Foeniculum vulgare cfgen oliekanalen

30

Venkel?

Piper nigrum fragm.

33

Zwarte peper

Prunus spinosa

24

Sleedoorn

Rubus caesius

11

Dauwbraam

Rubus idaeus

15

Framboos

2

Waterpeper

Wild verzamelde vruchten

WILDE PLANTEN Stikstofminnende pioniers Persicaria hydropiper

Zomergraanakkeronkruiden en ĂŠĂŠnjarige ruderalen Brassica nigra

5

Zwarte mosterd

Brassica nigra fragm.

390

Idem

Chenopodium album

64

Melganzenvoet

Chenopodium hybridum

1

Esdoorn-ganzenvoet

Echinochloa crus-galli

3

Europese hanenpoot

Setaria pumila

1

Geelrode naaldaar

Solanum nigrum

43

Zwarte nachtschade

Sonchus asper

1

Gekroesde melkdistel

Spergula arvensis

5

Gewone spurrie

Stellaria media

3

Vogelmuur

Agrostemma githago fragm.

323

Bolderik

Centaurea cyanus fragm.

1

Korenbloem

Fallopia convolvulus

31

Zwaluwtong

Ranunculus arvensis

4

Akkerboterbloem

Raphanus raphanistrum

16

Herik

Raphanus raphanistrum hauwfr.

7

Idem

Vicia hirsuta (gemin.)

1

Ringelwikke

10

Beemdkroon

Erica tetralix blad

10

Dophei

Erica tetralix takje

1

Idem

Atriplex patula/prostrata

4

Uitstaande/Spiesmelde

Avena spec. fragm.

1

Haver

Persicaria lapathifolia

31

Beklierde duizendknoop

Rhinanthus spec.

1

Ratelaar

Rumex acetosella

55

Schapenzuring

Rumex acetosella vruchtklep

1

Idem

Wintergraanakkeronkruiden

Vochtige graslanden Knautia arvensis fragm.

Heide en venen

Niet in te delen planten

Bijlage 6 - Botanie

187


DIERLIJKE RESTEN Insekten

aantal

Nederlandse naam

Coleoptera schild

44

Kever

Sepsidae pop

1

Wenkvlieg

Discus rotundatus

2

Boerenknoopje (landslak)

Zoetwatermossel parel

1

Mollusken

Vissen Perca fluviatilis schub

3

Baars

Anguilla anguilla wervel

48

Paling

Pisces bot

4

Vis

Pisces graten

100

Idem

Pisces wervel

234

Idem

Aves eischaal fragm.

38

Vogel

Aves eivlies fragm.

2

Idem

1

Rat?

Vogels

Zoogdieren cf Rattus spec. bot

Overige resten Stukje weefsel (gemin.)

2

Bijlage 6.2: Pollen (beerput Vulling A, vnr. 502) Meelvruchten Avena-type

1

Haver-type

Hordeum-type

5

Gerst-type

Triticum-type

11

Tarwe-type

Fagopyrum esculentum

12

Boekweit

Fruit Ribes rubrum

62

Aalbes

Ribes uva-crispa

+

Kruisbes

Vaccinium-type

11

Bosbes-type

Vitis

4

Druif

6

Duivenboon

Groenten Vicia faba

Kruiden en specerijen Anthriscus cerefolium

5

Kervel

Coriandrum sativum

1

Koriander

Syzygium aromaticum

2

Kruidnagel

2

Korenbloem

Wilde planten Centaurea cyanus Filipendula

7

Spirea

Sphagnum

2

Veenmos

Mariene organismen Hystrichosphaeridae

1

Darmparasieten Ascaris spec.

188

Bijlage 6 - Botanie

6

Spoelworm


Verantwoording figuren

Fig. 1 Fig. 2 Fig. 3 Fig. 4 Fig. 5 Fig. 6 Fig. 7 Fig. 8 Fig. 9 Fig. 10 Fig. 11 Fig. 12 Fig. 13 Fig. 14 Fig. 15 Fig. 16 Fig. 17 Fig. 18 Fig. 19 Fig. 20 Fig. 21 Fig. 22 Fig. 23 Fig. 24 Fig. 25a Fig. 25b Fig. 26 Fig. 27 Fig. 28 Fig. 29 Fig. 30 Fig. 31 Fig. 32 Fig. 33 Fig. 34 Fig. 35 Fig. 36 Fig. 37 Fig. 38 Fig. 39 Fig. 40 Fig. 41 Fig. 42 Fig. 43 Fig. 44 Fig. 45 Fig. 46 Fig. 47 Fig. 48 Fig. 49 Fig. 50 Fig. 51

Ligging van het onderzoeksgebied. Tekening: Dienst Stadswerk; nabewerking E. van Toledo,VLAK, gemeente Vlaardingen 6 10 Een reconstructie van de opgegraven bebouwing in de 17e t/m 20e eeuw (Eijskoot, in voorbereiding). Wijkkaart 1847 (B) met daarop de resten van de mogelijke loods en de beerput S278 geprojecteerd in rood. 11 Beerput (S278) met beerlagen (foto VLAK, inv. nr. 2002.107.13) 12 Vulling A, bakselverdeling (MAE=130), door: Nina Linde Jaspers. 19 Vulling A: Absolute verdeling van het MAE per bakselgroep over de functiegroepen (MAE=130), door: Nina Linde Jaspers. 19 Reliëfapplique op Westerwaldse pispot (s2-pis-2), foto: Paul Crucq. 20 Nederrijns bord (r-bor-10) met witte slib spatten en accenten in groen loodglazuur, foto: Paul Crucq. 21 Roodbakkende papkom (r-kom-22) met mangaankleurig loodglazuur, foto: Paul Crucq. 22 Roodbakkende grape (r-gra-10), foto: Paul Crucq. 22 Roodbakkende grape (r-gra-162), foto: Paul Crucq. 23 Roodbakkende zalfpot (r-zal-3), foto: Paul Crucq. 23 Roodbakkende doofpotdeksel (r-dek-16), foto: Paul Crucq. 23 Roodbakkende vierkante vuurtest (r-tes-1), foto: Paul Crucq. 24 'Een meisje plaatst een kaars in een lantaarn en een jongen verzorgt een vuurtest voor een stoof', toegeschreven aan Godfried Schalcken, 1690-1706, Collectie Rijksmuseum, Amsterdam. 24 Detail van jongen met vuurtest uit 'Een meisje plaatst een kaars [...] stoof', toegeschreven aan de Zuid-Hollandse schilder Godfried Schalcken, 1690-1706, Collectie Rijksmuseum, Amsterdam. 25 'Het melkmeisje', Wybrand Hendriks, ca. 1800-1825, Collectie Teylers Museum, Haarlem. 26 Detail van ‘Het Melkmeisje’, Wybrand Hendriks, ca. 1800-1825, Collectie Teylers Museum, Haarlem. 27 Witbakkende grape (w-gra-22), foto: Paul Crucq. 27 Bodem van witbakkende roompot (w-gra-41), foto: Paul Crucq. 28 Witbakkende papkom (w-kop-30), foto: Paul Crucq. 28 'Zich vlooiende vrouw', Gerard Valck, 1662-1726, Collectie Rijksmuseum, Amsterdam. 29 Detail van metalen olielamp aan muur uit ‘ Zich vlooiende vrouw’, Gerard Valck, 1662-1726, Collectie Rijksmuseum, Amsterdam. 29 Witbakkende olielamp (w-oli-2), foto: Paul Crucq. 29 Majolica schotel (m-bor-13) voorzijde, foto: Paul Crucq. 30 Majolica schotel (m-bor-13) achterzijde, foto: Paul Crucq. 31 'Keukenstuk met huisvrouw die vis bereidt', Reinier Covyn, 1647-1681, Collectie Dordrechts Museum, Dordrecht. 32 Faience plooischotel (f-plo-1), foto: Paul Crucq. 34 Faience bord met overhangende rand (f-bor-11), foto: Paul Crucq. 35 Faience bord (f-bor-1), foto: Paul Crucq. 36 Faience bord (f-bor-3), foto: Paul Crucq. 37 Vulling B, bakselverdeling (MAE=11), door: Nina Linde Jaspers. 38 Vulling B: Absolute verdeling van het MA per bakselgroep over de functiegroepen (MAE=11), door: Nina Linde Jaspers. 38 Witbakkend poppengoed vuurtest (links) en papkom (rechts), foto: Paul Crucq. 38 Industrieel wit poppengoed dekseltje, foto: Paul Crucq. 38 Theekopje (p-kop-4) van Chinees porselein, foto: Paul Crucq. 39 Twee roodbakkende borden (r-bor-13), foto: Paul Crucq. 39 Beker voor de consumptie van bier (gl-bek-8a), foto: Paul Crucq. 41 Beker voor de consumptie van bier (gl-bek-10), foto: Paul Crucq. 42 Beker voor de consumptie van bier (gl-bek-66a), foto: Paul Crucq. 42 Karaf (gl-fle-198), tekening: Jaap Kottman. 43 Kelkglas voor de consumptie van sterke drank, foto: Paul Crucq. 44 Dopvormige ketel gemerkt “De Boom” en steel van Goudse pijpenmaker Krijn Dircksz of Dirk Krijnsz.Veverloo, foto: Jan van Oostveen. 47 Trechtervormige ketel gemerkt “Molen” van Goudse pijpenmaker Arij Jacobsz. of Jacob Arijse Danens (1710-1730), foto: Jan van Oostveen. 48 Ovoïde ketel en steel van Goudse pijpenmaker Leendert Slobbe (1775-1800), foto: Jan van Oostveen. 48 Stummelvormige ketel, foto: Jan van Oostveen. 49 Bronzen pannetje, foto: Paul Crucq. 53 Tinnen lepel, foto: Paul Crucq. 54 Tinnen ééngats knoop, foto: Paul Crucq. 54 IJzeren gesp, foto: Paul Crucq. 54 IJzeren kledinghaken en -ogen, foto: Paul Crucq. 54 Bronzen spelden, foto: Paul Crucq. 55

Verantwoording figuren

189


Fig. 52 Fig. 53 Fig. 54 Fig. 55 Fig. 56 Fig. 57 Fig. 59 Fig. 58 Fig. 60 Fig. 61 Fig. 62 Fig. 63 Fig. 64 Fig. 65 Fig. 66 Fig. 67 Fig. 68 Fig. 69 Fig. 70 Fig. 71 Fig. 72 Fig. 73 Fig. 74 Fig. 75 Fig. 76 Fig. 77 Fig. 78 Fig. 79 Fig. 80 Fig. 81 Fig. 82 Fig. 83 Fig. 84 Fig. 85 Fig. 86 Fig. 87 Fig. 88 Fig. 89 Fig. 90 Fig. 91 Fig. 92 Fig. 93 Fig. 94 Fig. 95 Fig. 96 Fig. 97 Fig. 98 Fig. 99 Fig. 100 Fig. 101 Fig. 102 Fig. 103 Fig. 104 Fig. 105 Fig. 106 Fig. 107 Fig. 108 Fig. 109 Fig. 110 Fig. 111 Fig. 112 Fig. 113 Fig. 114 Fig. 115 Fig. 116 Fig. 117 Fig. 118 Fig. 119

190

IJzeren naald, foto: Paul Crucq. 55 IJzeren spijkers, foto: Paul Crucq. 56 Smeedijzeren vishaken, foto: Paul Crucq. 56 Vishaken van getrokken ijzerdraad, foto: Paul Crucq. 56 Speelgoed vishaken van getrokken koperdraad, foto: Paul Crucq. 56 Koperen munt, foto: Paul Crucq. 57 IJzeren ketting, foto: Paul Crucq. 57 Koperen boekbeslag met restant van leren band, foto: Paul Crucq. 57 Spijker en kram van ijzer, foto: Paul Crucq. 57 Houten voorwerpen: bouwmateriaal, foto: Paul Crucq. 59 Handvat van buksboomhout (Buxus sempervirens), foto: Paul Crucq. 60 Stop van wilgenhout (Salix), foto: Paul Crucq. 60 Deksel van eikenhout (Quercus), waarschijnlijk voor harington, foto: Paul Crucq. 60 Deksel of bodem van eikenhout (Quercus), waarschijnlijk voor harington, foto: Paul Crucq. 61 Paddenstoelvormige tol van elzenhout (Alnus), foto: Paul Crucq. 61 Druppelvormige tol van esdoornhout (Acer platanoides), foto: Paul Crucq. 61 Houten ééngats-knoop (houtsoort onbekend), foto: Paul Crucq. 61 Twist- en twijnrichting: Z- en S-getwiste draden; S(Z,Z)-getwijnde draad, tekeningen S. Comis. 63 Schematische weergave weefselbindingen, tekeningen S. Comis. 63 Zijden garens, subnrs. 502a-f, foto: Paul Crucq. 64 Zijden weefsels, subnrs. 502h-k, foto: Paul Crucq. 64 Breiwerk in tricotbinding met twee sierstrepen (subnr. 506a, voor- en achterzijde), foto: Paul Crucq. 65 Sterk vervilt wollen weefsel, subnr. 506b, voor- en achterzijde, foto: Paul Crucq. 66 Touwfragmenten, subnr. 502, foto: Paul Crucq. 66 Kinderschoen uit de beerput, tekening: Marloes Rijkelijkhuizen. 69 Kinderschoen uit de beerput, foto: Paul Crucq. 70 Benen knopen met oog aan de achterzijde, foto: Paul Crucq. 73 Kralen van barnsteen en git, foto: Paul Crucq. 73 Wetsteen van donkergrijze leisteen, foto: Paul Crucq. 75 Zwerfsteen, foto: Paul Crucq. 76 Huismuis (Mus musculus). 80 Bruine rat (Rattus norvegicus). 80 Woelrat (Arvicola terrestris). 80 Bikkels van ree (links) en schaap of geit (rechts), foto: Paul Crucq. 81 Brilduiker (Bucephala clangula). 81 Schol (Pleuronectes platessa). 81 Bot (Platichthys flesus). 81 Schar (Limanda limanda). 81 Haring (Clupea harengus). 84 Resten van haring (Clupea harengus), foto: Paul Crucq. 84 Schelvis (Melanogrammus aeglefinus). 84 Ruggenwervels van schelvis (Melanogrammus aeglefinus), foto: Paul Crucq. 84 Sardien (Sardina pilchardus). 85 Resten van haring (Clupea harengus), foto: Paul Crucq. 85 Kabeljauw (Gadus morhua). 85 Ruggenwervels van schelvis (Melanogrammus aeglefinus), foto: Paul Crucq. 85 Verse gekweekte aardbeien in Friese roodbakkende papkom (r-kop-2), foto: Paul Crucq. 88 Verse gekweekte vijgen op wit faience bord (f-bor-11), foto: Paul Crucq. 89 Verse moderne pruimen op witte faience plooischotel (f-plo-3), foto: Paul Crucq. 90 Verschillende typen pruimenpitten van Vlaardingen locatie Galeiwerf, foto: Otto Brinkkemper. 92 Struik van ‘Aelbesien’, Dodonaeus’ Cruijdeboeck (1554). 93 Mispelboom, Dodonaeus’ Cruijdeboeck (1554). 93 Perzikpit (Prunus persica, links) en fragment van amandelschaal (Prunus dulcis, rechts), foto: Otto Brinkkemper, schaal 2:1. 93 Cracht ende werckinghe’ van de amandel in Dodonaeus’ Cruijdeboeck (1554). 94 De ‘Venckel’ in Dodonaeus’ Cruijdeboeck (1554). 95 Verspreidingskaart van esdoorn-ganzenvoet (Chenopodium hybridum), bron: www.wilde-planten.nl. 96 De ‘Kervel’ in Dodonaeus’ Cruijdeboeck (1554). 97 Beerput S278, verdeling aantal fragmenten keramisch bouwmateriaal per vulling (n=261), door: Nina Linde Jaspers. 99 Faience wandtegel met landschapje en spinnenkopje als hoekdecor in blauwe beschildering, foto: Paul Crucq. 100 Faience wandtegels met landschapje zonder hoekdecor in blauwe beschildering, foto: Paul Crucq. 100 Faience wandtegels met landschapje zonder hoekdecor in blauwe beschildering, foto: Paul Crucq. 101 Schildpadtegels met gemarmerde en gespatte engobes met ijzer- en mangaantoevoegingen en loodglazuur, foto: Paul Crucq. 102 Vulling A (1675-1735). Absolute verdeling van het MAE per materiaalcategorie over de functiegroepen (MAE=431), door: Nina Linde Jaspers. 106 Beerput locatie Galeiwerf,Vulling A (1675-1735). Leren kinderschoen en speelgoed:, foto: Paul Crucq. 107 Beerput locatie Galeiwerf,Vulling A (1675-1735). Hedendaagse zeevissoorten (haring, sardien, schar en tong) op roodbakkend Oosterhouts bord (r-bor-18), met haringtondeksel, smeedijzeren vishaken, bierglas (gl-bek-8a) en Frechense baardmankruik (s2-kan-32), foto: Paul Crucq. 108 Beerput locatie Galeiwerf,Vulling A (1675-1735). Hedendaagse fruitsoorten waarvan verwante voorgangers in beerput locatie Galeiwerf zijn aangetroffen op witte vermoedelijk Delftse faience plooischotel (f-plo-3), foto: Paul Crucq. 112 Beerput locatie Galeiwerf,Vulling A (1675-1735).Verwarming (komfoor, vuurtest), verlichting (olielamp), bierbeker, rookgerei en bouwmateriaal van de scheepswerf, foto: Paul Crucq. 117 Aantal gebruiksplanten in beerputten afgezet tegen de gemiddelde datering, door: Otto Brinkkemper. 123

Verantwoording figuren


Summary

The cesspit from the shipyard on Havenstraat (Harbour street), location Galeiwerf (Galley wharf) is the second cesspit to be completely investigated in the town of Vlaardingen. The first published cesspit belonged to the Herberg De Visscher (The Fisherman Inn) and held finds dating from 1770 -1790. The cesspit from the Havenstraat is earlier in date and for the first time we are able to insights into the daily life and dietary patterns of the Vlaardingen people in the decades around the year 1700, and more specifically of the Cleywerff family, the owners of the shipyard on Havenstraat, and of the craftsmen who worked on the shipyard. The cesspit consists three fills: Fills A, B and D. Fill A contains material from the period of use between 1675 – 1735, Fill B was a more short-lived deposit with some finds from the last decades of the 18th century and Fill C contains finds from the end use and closure of the cesspit in the second quarter of the 19th century.

Fill A The first period of use of the cesspit, represented by Fill A, contains the majority of the finds that were recovered and has been dated to the years between c. 1675 – 1735. The finds represent the following functional groups, in order of frequency: building materials, food preparation and tablewares, clothing, fishing tackle, sewing material, personal hygiene and care, and other miscellaneous items. On the one hand the finds are of a domestic nature, but they also give a fine picture of the kinds of things that may be found in places where people lived and worked when they were engaged in traditional shipbuilding and fishing. The building material is the most numerous single class of find because of the large number of iron nails, but this also consisted of wood, glass and ceramics building materials, such as tiles. There was a large assemblage of items that will have been used when preparing food and laying the table. In particular, there is a wide range of well-preserved ceramic and glass objects, especially beer glasses. Table utensils were less apparent. Only

a single tin spoon and one wooden knife handle were recovered from this fill. Clothing ranks high on the list because of the many metal hooks and eyes. Besides buttons made of tin, wood and worked bone, there were many small pieces of silk and woolen fabrics, beads of jet and amber, a leather child’s shoe. The fishing tackle consists of many metal fishhooks of various sizes, suitable for catching freshwater fish, and two wooden lids from stave-built herring-barrels. The sewing items consist of copper pins for domestic use and a needle. The storage and pouring vessels include ceramic beer mugs, a ceramic pot, and various lids, glass medicine bottles, a liquor bottle and a wooden stopper. The absence of wine bottles is remarkable. Other ceramic finds included objects used in domestic heating and lighting, and clay tobacco pipes. Children on the site played with earthenware marbles, bone knucklebones, wooden tops and a series of metal toy fishhooks which imitated the fishing activities of the grown-ups. Cooking utensils are only scarcely represented by a few ceramic pans and pipkins and a small metal pan. There are just two chamber pots and two other ceramic jars, which will have contained ointments. Finally, the miscellaneous category of finds comprised a metal coin, a metal and leather part of a book cover and links of a wrought-iron chain. The majority of the earthenware and glass finds fit very well within into existing typochronologies for the period c. 1650 – 1750, but the Vlaardingen earthenware does show four new morphological types, which have been added to the Dutch Classification System for (Post)Medieval Ceramics and Glass (a.k.a. The Deventer System). Interestingly, the textiles and fabrics from the cesspit resemble the finds from the settlement of Dutch whalers in Spitsbergen from the same period. The tobacco pipes are of the usual type (i.e., lid and funnel-shaped bowls) for the period of use of Fill A, but mainly belong to the period 1715 – 1735. The artefacts of metal, wood and stone also fit in well within the dating of the deposit.

Summary

191


The striking thing about the evidence for eating and drinking practices is that the inhabitants of the wharf

seem to have consumed little or no wine or tea, in the very period in which it became fashionable in the Low Countries. Indications for the consumption of beer on the other hand are abundant in the form of beer mugs and tankards, and a decanter points to the pouring of liquor. This can be connected to the somewhat rougher social environment of a working shipyard. Faunal remains show a similar level of frugal practicality. Meat and fowl do not seem to have been on the menu very often, unless the meat had been deboned elsewhere, and food residues are dominated by an abundance of all kinds of fresh and salt water fish, both from coastal waters and open sea fishing. This image is confirmed by the presence of big serving dishes and many fishhooks. The Vlaardingen people took an active part in herring-fishing, shown by the very many herring bones. Haddock, cod and plaice are also very well represented, but besides these staples many other kinds of fish were consumed indicating a varied diet of many sea foods. Botanical investigations also point to a very varied menu at this time, with 37 different kinds of food plants and a further six plants that have emerged from pollen analysis. In terms of fruits, plums, medlar and currant are very well represented compared to other excavated cesspits in the Netherlands. Ceramic cooking utensils from the cesspit are scarce, possibly because metal pans were chiefly used and these are hardly ever found in cesspits as they could be melt-down and re-used after breakage. The earthenware frying pans will have been used for frying eggs or baking pancakes, along with the mixing bowls. Pipkins were used for cooking one-pan stews or soups. The handled bowls and porringers point to the preparation and consumption of porridge, a dish which also emerges from the identification of oats by the botanical investigations.

As regards health and hygiene we see the artefacts that are commonly found for this period, such as ointment jars containing products for personal hygiene, and chamber pots for the nocturnal calls of nature. In the daytime people answered natureâ&#x20AC;&#x2122;s calls directly into the cesspit by means of a wooden seat containing a hole, protected for the necessary privacy by a wooden cabin, although no remainders of this structure were found during fieldwork. The presence of round-wormsâ&#x20AC;&#x2122; eggs in feaces indicates that the inhabitants of the Vlaardingen yard suffered from intestinal infection, a very widespread disease at the time. Intestinal parasites and diseases spread as a consequence of poor hygienic and contaminated drinking water. Faunal analysis also confirmed the presence of many rodents on the shipyard, such as water rats, brown rats and house mice, which will also have carried and distributed diseases.

192

Summary

The trade networks that the inhabitants of the Vlaardingen shipyard were part of were mainly inside the Netherlands or were closely connected to the river basins and the North Sea. It is remarkable that Baltic, South European and Chinese imports are completely lacking from this cesspit. The ceramic assemblage recovered from the Vlaardingen cesspit originates from Friesland, Gouda, Delft, Oosterhout, the Lower Rhine area and the German Rhineland. The tobacco pipes seem to come from Gouda, in particular. The glass from the cesspit, mainly of poor and therefore probably cheaper quality, originates exclusively from the Netherlands, which is striking, as elsewhere in the late 17th and the 18th century high-quality glass products from England and Bohemia took over the market. The metal and wooden objects from the cesspit also seem to have been produced and acquired locally or regionally. The origin of the raw materials has not been investigated within the scope of this publication, although they will have been imported for the greater part. Considering the quality of the woolen and silk textiles most of the textile fabrics will also have been produced in the Netherlands, although it cannot be entirely ruled out that imports from France and Italy may be included in the assemblage. The single honestone seems to originate from the Ardennes and was very likely imported through the Meuse. The mammal and fowl bones from the cesspit are too scarce to tell us anything about trade networks, however, the earlier North Sea fisheries had several branches of business, in which among other things the Vlaardingen harbour played an important part. Most important was herring driftnet fishing near the east coast of Scotland and England and longline fishing for cod and haddock on Dogger Bank and near Iceland. There was also coastal fishing from fishing villages along the west coast. The Vlaardingen people themselves fished for the kinds of sea fish present in the cesspit. Clear imports cannot be proved. A huge amount of salt was needed to preserve herring and cod which were caught far from home, and this commodity could be prohibitively expensive. No demonstrable rests have been found, but from historical sources we know that salt in this period was imported from West French Bourgneuf, Portuguese SetĂşbal and Spanish Sanlucar. It is remarkable that hardly any other artefacts or plants from these areas have been found in the cesspit. The food plants most often found were grown on Dutch soil. Some exotic plants in the cesspit will probably also have been available on the local market, but originally they are from the Far East (pepper and clove) and the Mediterranean (rice, possibly also peach and almond). Strangely, no evidence was found for the consumption of imported Baltic corn. The socio-economic position of the inhabitants seems to have been of lower middle class, although we must take into account the fact that the possessions of the inhabitants and owners of the shipyard have become


mixed with those of the workmen on the yard. The domestic ceramics, glass and clay pipes are mainly the simpler mass-produced articles, except for some more fashionable pieces of white faience and some well finished tobacco pipes. The small percentage of silk among the textiles also points to a simple household tastes. The metal hooks and eyes are also of the simplest kind. As said, the scarcity of mammal and fowl bones may also mean that little meat was consumed, a fairly expensive product in the 18th century. But it is also possible that at table people chiefly had deboned meat and fowl. The occurrence of many small types of fish does not point to high social status of the consumer. But it is true that the range of types is rather varied, which is probably due to the location of Vlaardingen on the water and the active part it played in fishing. Also the vegetable food range can be called high by 18th-century standards, although no striking luxury or exceptional ingredients, which could indicate high status, were found in the cesspit. There are a few striking observations that may be made in comparison with three other published cesspits connected with Dutch seagoing families (the cesspit of the Vlaardingen Herberg De Visscher, ca. 1770 – 17901; the cesspit from the harbour area of Vlissingen Dokkershaven, Context XXXVII, ca. 1700 – 17502; the cesspit of a rich Amsterdam merchant family on the Herengracht 12, ca. 1675 – 1750)3. First, the cesspit of the Galeiwerf location shows an almost complete lack of porcelain, finer faience and drinking vessels for the consumption of wine, coffee and tea. Also comparatively little glassware was found in any case. This is in contrast with the contents of the three other published cesspits. A difference in status and a lower class culture would seem to be at the root of this. The inhabitants of the Galeiwerf location had a lot of sea fish on the menu, compared with the Amsterdam merchant family and the guests of the Vlaardingen inn, who consumed more freshwater fish. This also goes for the inhabitants of the Vlissingen Dokkershaven. With the remarkably high quantity of herring remains in the cesspit the Vlaardingen people of the Galeiwerf location live up to their fame as inhabitants of a herring town. On the Amsterdam Herengracht we see that among the sea fish the bigger and more luxurious types are well represented, along with a great variety of mammal and fowl bones. The latter seem to be almost completely lacking on the Galeiwerf location. In spite of the fact that the variety of vegetable foods on the Galeiwerf location can be called high, the contents of the Amsterdam Herengracht cesspit show a much higher variety. In short, the cesspit gives us a picture of a culture of ‘rough diamonds’; artisans who led a less refined domestic life and who were surrounded by building activities on the shipyard, while among all this also the toddlers were

1

Laan, 2003.

2

Claeys, Jaspers & Ostkamp, 2010.

3

Gawronski & Jayasena, 2013.

walking around and playing. The inhabitants and workmen smoked and had beer or liquor and no wine, tea or coffee, even though the latter had been a widespread custom elsewhere from around 1700. The social environment of sailors and fishermen that must have been present round the shipyard provided the daily menu with lots of sea fish, supplemented with a, for that period, remarkably varied range of fruit, vegetables and spices.

Fill B The relatively few finds from Fill B date from between c. 1775 – 1795. Ceramic dollhouse miniatures and drinking vessels and tableware in the form of teacups, a glass beaker and a plate were found. In addition, Fill B contained building materials (pieces of wall tile and window glass) and some tobacco pipes. In contrast to Fill A there were no finds in Fill B that pointed to activities according to traditional crafts, although the adjacent shipyard was still in use. The earthenware and glass fit within the existing typochronologies and no new types have been detected. The tobacco pipe assemblage includes an ovoid bowl, the most common type for this period. The scarce finds do not provide any further information on dietary patterns, health, hygiene, or the socio-economic position of the users of the cesspit. Hardly any statements can be made on trade networks, however, among the ceramic assemblage there are objects from the Netherlands, the Lower Rhine area, which was linked by tributaries to Vlaardingen, in addition to overseas goods from England and China, brought by the East India Company. As regards the table and domestic culture the teacups prove that, in contrast with the preceding period, the tea culture of the later 18th century had reached the inhabitants of the yard by this time. From the dollhouse miniatures we can conclude that children were still playing on the premises.

Fill C Fill C was the upper deposit that sealed the cesspit in the early 19th century and this layer mainly consisted of building rubble, with numerous wall tiles, bricks and floor tiles. This fill also included a boulder and a nail and a clamp that may have come from the shipyard. The ceramic assemblage includes a few pieces of utilitarian earthenwares. Some clay tobacco pipes (ovoid and stummelshaped bowl) were also recovered. In all probability the filling and closure of the cesspit seems to have taken place in the second quarter of the 19th century, possibly coinciding with demolition work elsewhere on the premises. The finds originate from Delft and/or Friesland and the basin of the Meuse. No further statements can be made about dietary patterns, health, hygiene, or the socio-economic position of the inhabitants of the ship yard and the table and domestic culture on the basis of the finds from Fill C.

Summary

193


Literatuur AA.VV., 2000: Töpfer - Kramer - Pottenbakkers. Keramiek tussen IJssel en Berkel. Borken. Baart, J. et al.. 1977: Opgravingen in Amsterdam, Haarlem. Bitter, P. (red.), 1999: “Goed gevonden, textielvondsten uit archeologische opgravingen in de Grote of St. Laurenskerk te Alkmaar”, Rapporten over de Alkmaarse Monumentenzorg en Archeologie 7. Blankaart, S., 1698: Den Nederlandschen Herbarius, Amsterdam (herdruk 1980, Groningen). Blom, M.C., 2011: “Leer”, in: J.J. Lenting, Archeologisch onderzoek naar het magazijn van oorlog aan de Oudeschans 2 te Delfzijl (Gr.), ARC Publicaties 214, Groningen. Brinkhuizen, D.C., 1989: Ichthyo-archeologisch onderzoek: methoden en toepassing aan de hand van Romeins vismateriaal uit Velsen (Nederland). Thesis, Rijksuniversiteit Groningen, Groningen. Brinkhuizen, D.C., 1994: “Some notes on fish remains from the late 16th century merchant vessel Scheurrak SO 1”, in:W. van Neer (ed.), Fish exploitation in the past (= Annales du Musée Royal de l’Afrique Centrale, Sciences Zoologiques 274), Tervuren, 197-205. Brinkkemper, O., 1995: Een botanisch feestmaal uit Den Haag. Botanisch onderzoek aan een zeventiende eeuwse beerkelder van de opgraving Zuidwal, Leiden (BIAXiaal 10). Brinkkemper, O., & H. van Haaster 2012: “Eggs of intestinal parasites whipworm (Trichuris) and mawworm (Ascaris): Non-pollen palynomorphs in archaeological samples”, Review of Palaoebotany and Palynology 186, 16-21 (Festschrift Bas van Geel). Broekhuizen, P.H., A. Carmiggelt, H. van Gangelen & G.L.G.A. Kortekaas,1988: Kattendiep Doorgraven, Historisch-archeologisch onderzoek aan de noordzijde van het Gedempte Kattendiep te Groningen, Groningen. Broertjes, J.P., 1992: “Zwerfstenen ten zuiden van de grote rivieren”, Grondboor & Hamer 3, 77-80. Bult, E.J. & H. Robbers, 1992: “Animal bones/Dierlijk bot”, in: E.J. Bult (red.), 1992: Archeologisch onderzoek tussen Oude Delft en Westvest. IHE/ Delft bloeit op een beerput, 135-150. Casteel, R.W., 1976: Fish Remains in Archaeology and Paleo-environmental Studies, London/New York/San Francisco. Claeys, Jaspers & Ostkamp, 2010: Vier eeuwen leven en sterven aan de Dokkershaven in Vlissingen, (ADC Monografie 9), Amersfoort. Comis, S.Y., 1990: Zijde voor arm en rijk, bodemvondsten uit de 13e-18e eeuw, in: B. Brommer (red.), Van kimono tot ruimtepak, zijde-kunstzijdekunstvezel. Helmond, 61-79. Comis, S.Y., K. Geerts, J.Veeckman, M.Vandenbruaene & E. De Valck, 2005: Franciscus Harts en Franciscus Xaverius De Blanger, pastoors van Terzieken. Berichten en Rapporten over het Antwerps Bodemonderzoek en Monumentenzorg (Brabom 6). Antwerpen, 45-105 (Textielresten onder de loep: 64-85 en 100-105).

194

Literatuur


Dam, P.J.E.M. van, 2003: “Feestvissen en vastenvissen. Culturele, ecologische en economische aspecten van de visconsumptie in de Nederlanden in de Late Middeleeuwen”, Tijdschrift voor Sociale Geschiedenis 29 (4), 467-496. Dautzenberg, S., P. Floore & B. Kist (red.), 2001: “Zaanse Scheepsbouw. Opgravingen aan de Hogendijk te Zaandam. De resultaten van de opgravingscampagnes van 1998 en 1999”, (Hollandia reeks 4), Zaandijk. De Nie, H.W., 1996: Atlas van de Nederlandse Zoetwatervissen. Doetinchem. Devleeschouwer, X., C. Mullard & E. Goemaere, 2005: “Underground workings of slate vein and coticule in the commune of Vielsalm (Belgium); geological risk management through database and GIS”, Post-Mining 2005, November 16-17, Nancy, France. Dijk, J. van, 2010: “Archeozoölogie”, in: J. Claeys, N.L. Jaspers & S. Ostkamp (red.), 2010: Vier eeuwen leven en sterven aan de Dokkershaven (ADC Monografie 9), Amersfoort, 177-198. Dijk, J. van, B. Beerenhout & A.L. de Sitter-Homans, 2006: Het onderzoek op het terrein van de voormalige Winston bioscoop te Hoorn. Het ecologisch materiaal van de campagne 2004, Hoorn (Verslagen van de Archeologische Dienst Hoorn 4). Dodoens, R., 1554: Cruydeboeck, Antwerpen. Duco, D.H., 2003: Merken en merkenrecht van de pijpenmakers in Gouda, Amsterdam. Eijskoot,Y., (in voorbereiding): Galeiwerf 1.102. Basisverslag van het archeologische onderzoek aan de Havenstraat op de locatie Galeiwerf, VLAK-verslag 12. Eliëns, T. (red.), 2013: Delfts wit. Het is niet alles blauw wat er blinkt. Delfts aardewerk, Geschiedenis van een nationaal product V. Den Haag/ Zwolle. Ervynck, A.,V. Meillander & R. van de Walle, 1991: Ratman. Een verhaal van mensen en ratten, Gent. Esser, E., J. van Dijk & M.Verhagen, 1997: “Eten in Herberg De Visscher. Een klein zoöarcheologisch onderzoek”, Ossicle 22, Delft. Esser, E., & E.F. Gehasse 1995: Onderzoek van huisafval. Het organisch materiaal, in: P. Bitter (red.), Geworteld in de bodem, archeologisch en historisch onderzoek van een pottenbakkerij bij de Wortelsteeg in Alkmaar, Alkmaar, 77-87. Gaimster, D., 1997: German Stoneware 1200-1900. Archaeology and Cultural History. Londen. Gawronski, J. & R. Jayasena, 2013: “Een beerput van welgestelden in de Amsterdamse grachtengordel 1675-1750. Archeologische Opgraving Herengracht 12, Amsterdam (2006)”, Amsterdamse Archeologische Rapporten 71. Gierveld, A.J. & J. Pluis, 2005: Fries Aardewerk deel V:Harlingen. Bedrijfsgeschiedenis & Producten tot 1720, Leiden. Goemaere, E. (Ed.), 2007: Ardoise et coticule en Terre de Salm. Des pierres et des Hommes. Brussel. Goubitz, 2001/2007: Stepping through time. Archaeological footwear from prehistoric time until 1800, Zwolle. Haaster, H. van, 1997: “De introductie van cultuurgewassen in de Nederlanden tijdens de Middeleeuwen”, in: A.C. Zeven (red.), De introductie van onze cultuurplanten en hun begeleiders van het Neolithicum tot 1500 AD, Wageningen, 53-104. Haaster, H. van, 2005: Roode marmelade, paradijskorrels en vennekoel. Resultaten van het archeobotanisch onderzoek aan een 17e-eeuwse beerput in Tiel, Amsterdam (BIAXiaal 225). Haaster, H. van, 2006: ‘Tot yeders believen’: een botanisch onderzoek naar de voedingsgewoonten op de Oudezijds Voorburgwal in Amsterdam tussen 1550 en 1900, Zaandam (BIAXiaal 263). Haaster, H. van, 2007: Archeobotanisch onderzoek aan enkele 18e-eeuwse beerputmonsters uit Amsterdam, Zaandam (BIAXiaal 305). Haaster, H. van, 2008: Archeobotanica uit ’s-Hertogenbosch. Milieuomstandigheden, bewoningsgeschiedenis en agrarische ontwikkelingen in en rond een (post)middeleeuwse groeistad, Groningen (Groningen Archaeological Studies 6).

Literatuur

195


Haaster, H. van, 2010: Archeobotanisch onderzoek aan enkele 18e-eeuwse beerputmonsters uit Amsterdam, Zaandam (BIAXiaal 457). Haaster, H. van, & D.G. van Smeerdijk, 2002: Gierst met krenten en toverkoek. Resultaten van het archeobotanisch onderzoek aan een 18e-eeuwse beerput in Zaandam, Zaandam (BIAXiaal 142). Habermehl, K.-H., 1975: Die Altersbestimmung bei Haus- und Labortieren, Berlijn. Hume, I.N., 1969: A guide to artifacts of Colonial America, Philadephia. Jaspers, N.L., 2013: “Roomwit en de Melkmeyt. Buitenlandse witte faience uit Nederlandse bodem (1500-1680)”, in:T. Eliëns (red.), 2013: Delfts wit. Het is niet alles blauw wat er blinkt. Delfts aardewerk, Geschiedenis van een nationaal product V. Den Haag/Zwolle. Jaspers, N.L., in voorbereiding: “Plateelbakkerij ’t Hart (1678-1782). De werkplaats en de producten” (werktitel). In: S. Jongma, Opgraving Ursulaklooster III (werktitel), Delft. Kars, E.A.K., 2001: “Natuursteen”, in: Verhoeven A.A.A. & O. Brinkkemper (red.), Twaalf eeuwen bewoning langs de Linge bij de Stenen Kamer in Kerk-Avezaath, Amersfoort (Rapportage Archeologische Monumentenzorg 85), 341 - 361. Kars, H., 1983: “Early Medieval Dorestad, An Archaeo-Petrologcal study. Part V: the whetstones and the Touchstones”, Berichten van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek 33, 1-37. Klijn, E.M.Ch.F, 1987: Eet- en sierlepels in Nederland tot ca. 1850. Lochem/Gent. Klijn, E.M.Ch.F., 1995: Loodglazuuraardewerk in Nederland. De collectie van het Nederlands Openluchtmuseum. Arnhem. Klomp, M. 2006: Metaalvondsten Werkeren. (Archeologische Rapporten Zwolle 42), Zwolle. Kranenburg, H.A.H., 1946: De zeevisscherij van Holland in den tijd der Republiek, thesis, Amsterdam. Kruizinga, P., 1918: “Bijdrage tot de Kennis der Sedimentaire Zwerfsteenen in Nederland”, Verhandelingen van het Geol.-Mijnbouwk.Genootschap voor Nederland en Koloniën, Geologische Serie IV, 1-271. Laan, C., 2003: Drank & Drinkgerei. een archeologisch en cultuurhistorisch onderzoek naar de alledaagse drinkcultuur van de 18de-eeuwse Hollanders. Lambooy, S.M.R., 2013: “De verspreiding van het witte tinglazuuraardewerk in Europa vanaf de zestiende eeuw tot heden”, in: T. Eliëns (red.), 2013: Delfts wit. Het is niet alles blauw wat er blinkt. Delfts aardewerk, Geschiedenis van een nationaal product V. Den Haag/Zwolle. Lauwerier, R.C.G.M., 1997: Laboratorium protocol Archeozoölogie (R.O.B.), Amersfoort. Louwe Kooijmans, L.P. , 1974: “The Rhine/Meuse delta, four studies on its prehistoric occupation and holocene geology”, Analecta Praehistorica Leidensia 7. Leiden. Man, R. de, 1996: Botanische resten uit een viertal L.M.E. beerputten te Tiel, Interne Rapporten Archeobotanie ROB 1996/12, Amersfoort. Megens, L. & G.Verhaar, 2013: “Herkomstbepaling van tinglazuuraardewerk door chemische analyse van het glazuur”, in:T. Eliëns (red.), 2013: Delfts wit. Het is niet alles blauw wat er blinkt. Delfts aardewerk, Geschiedenis van een nationaal product V. Den Haag/Zwolle. Meulen, A. van der & P. Smeele, 2000: ‘De opbloei van de aardewerknijverheid in Gelderland en Overijssel na 1800 en de rol van Duitse immigranten’, in: AA.VV., 2000: Töpfer - Kramer - Pottenbakkers. Keramiek tussen IJssel en Berkel. Borken. Nijssen, H. & S.J. de Groot, 1987: De vissen van Nederland. (Natuurhistorische Bibliotheek van de Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging 43). Utrecht. Van Oosten, R.M.R, 2013: De stad, het vuil en de beerput. Een archeologisch-historische studie naar de opkomst, verbreiding en neergang van de beerput in stedelijke context (13de tot 18de eeuw). Dissertatie Rijksuniversiteit Groningen (digitale versie). Oostveen, J. van & A. van Oostveen-Bonnema, 2001: “Kleipijpen; een statistische analyse”, Westerheem, 50e jaargang, nummer 1, pp. 13-27.

196

Literatuur


Oostveen, J. van, 2004: Kleipijpen gevonden in de asput in Vlaardingen; project 1.095, Tiel (versie 1.0). Oostveen, J. van, 2005: “Roken op Werkeren:, in: H. Clevis en M. Klomp: Havezate Werkeren; De Heren van Werkeren en hun kasteel, Zwolle. Oostveen, J. van & R. De Haan, 2006: Tabakspijpen gevonden bij opgravingen op het Waterlooplein in Amsterdam, Tiel. Oostveen, J. van & R. Stam, 2011: Productiecentra van Nederlandse kleipijpen; een overzicht van de stand van zaken, Tiel/Leiden. Oostveen, J. van, in voorbereiding: Tabak en tabakspijpenmakers in Rotterdam (1600-1675), werktitel, Rotterdam. Ostkamp, S., 2013: “Delfts wit als onderdeel van het faience assortimentin de zeventiende en achttiende eeuwse Republiek”, in:T. Eliëns (red.), 2013: Delfts wit. Het is niet alles blauw wat er blinkt. Delfts aardewerk, Geschiedenis van een nationaal product V. Den Haag/Zwolle. Ostkamp, S & N.L. Jaspers, 2013: “Enkele voorbeelden van bakafval van tinglazuuraardewerk”, in: T. Eliëns (red.), 2013: Delfts wit. Het is niet alles blauw wat er blinkt. Delfts aardewerk, Geschiedenis van een nationaal product V. Den Haag/Zwolle. Paap, N.A., 1983: “Economic Plants in Amsterdam: Qualitative and Quantitative Analysis”, in: M. Jones (ed.), Integrating the Subsistence Economy. Symposia of the Association for Environmental Archaeology nr. 4. (BAR International Series 181), 315-325. Pluis, J., 2005: Fries aardewerk deel VI: Harlingen - Producten 1720-1933, Leiden. Reinders, H.R., H. van Veen, K. Vlierman & P.B. Zwiers, 1986: Het wrak van een 16e eeuw vissersschip in Flevoland. Het onderzoek van een vissersschip, gevonden op kavel W10 in Flevoland. Opgravingsverslag 1. Lelystad (Flevobericht 140). Rijkelijkhuizen, M.J., 2004: Dierlijke materialen in Amsterdam. Ongepubliceerde doctoraalscriptie Amsterdams Archeologisch Centrum Universiteit van Amsterdam. Rijkelijkhuizen, M.J. & L.H.Van Wijngaarden-Bakker, 2006: “Nuts in the Netherlands: Attalea and other nuts from archaeological contexts, dating from the 16th to 19th century AD”, Journal of Environmental Archaeology 11 (2), 247-251. Sidell, E.J., 1993: “A methodology for the identification of avian eggshell from archaeological sites”, Archaeofauna 2: 45-51. Smallegange, M., 1696: Nieuwe Cronyk van Zeeland, Middelburg. Stewart J.R.M., R.B. Allen, A.K.G. Jones, K.E.H. Penkman & M.J. Collins, 2013: ZooMS: making eggshell visible in the archaeological record, Journal of Archaeological Science 40 (2013) 1797-1804. Struijs, A.M., 1997: Om een bevaeren schip te maecken. Geschiedenis van de Vlaardingse scheepswerven,Vlaardingen. Swaen, A.E.H., 1948: Jacht-Bedryff, naar het handschrift in de Koninklijke Bibliotheek te ’s-Gravenhage, Leiden. Tichelaar, P.J., 2004: Fries Aardewerk: Een studie in delen. Leiden. Tichelaar, P.J., 2005a: Fries Aardewerk deel III:Tichelaar - Makkum 1700-1876, Leiden. Tichelaar, P.J., 2005b: Fries Aardewerk deel IV:Tichelaar - Makkum 1886-1963, Leiden. Verbeek-Reuvers, A.A.M.L., 1977: “Grossulariaceae”, Review of Palaeobotany and Palynology 24, 107-116. Vermeeren, C., H. van Haaster & W. Kuijper 1996: Vlaardings verleden verkend. Archeobotanisch en malacologisch onderzoek aan monsters uit het centrum van Vlaardingen, Amsterdam (BIAXiaal 31). Vons-Comis, S.Y., 1985a: “Achttiende-eeuwse textiel opgegraven op het Waterlooplein te Amsterdam”, Verslag van de Textieldag, 11 november 1983. ‘s-Gravenhage, 5-18. Vons-Comis, S.Y., 1985b: “Archeologisch textiel: rangen en standen in de zeventiende en achttiende eeuw”, in: S.E. van der Leeuw (red.): Raakvlakken, bijdragen aan een studiedag archeologie/antropologie, 30 september 1983, Amsterdam, 98-105.

Literatuur

197


Vons-Comis, S.Y., 1988: “Kleren maken de man; zeventiende- en achttiende-eeuwse kleding van Spitsbergen”, in: L. Hacquebord en W.Vroom (red.): Walvisvaart in de Gouden Eeuw, opgravingen op Spitsbergen. Amsterdam, 97-118. Van de Voort, J.P., 1975: Vissers van de Noordzee, ‘s-Gravenhage. Watkins, W.E., & E. Pollitt 1997: “Stupidity or worms: do intestinal worms impair mental performance?” Psychological Bulletin 121 (2), 171–191. Willemsen, A., 1998: Kinder delijt: Middeleeuws speelgoed in de Nederlanden, Nijmegen. Woldring, H., 2012: “Traditional plum varieties in the northern Netherlands: modern occurrences and archaeological evidence”, Palaeohistoria 53-54, 393-423. Wouters, W, L. Muylaert & W. Van Neer, 2007: “The distinction of isolated bones from plaice (Pleuronectes platessa), flounder (Platichthys flesus) and dab (Limanda limanda): a description of the diagnostic characters”, Archaeofauna 16, 33-72. Ypma,Y.N., 1962: De geschiedenis van de Zuiderzeevisserij. Proefschrift Universiteit van Amsterdam, Amsterdam. Zandstra, J.G., 1972: “De stenenvondst onder het Waterlooplein te Amsterdam”, Grondboor & Hamer 26, 133-137. Zeist,W. van, 1992: De geconsumeerde gewassen, in: H.P. ter Avest et al. (red.), Opmerkelijk afval.Vondsten uit een 17e eeuwse beerput in Harlingen, Leeuwarden, 91-97. Zeist, W. van, R.T.J. Cappers, M.G. Ouderkerken, R.M. Palfenier-Vegter, G.J. de Roller & F. Vrede 2000: Cultivated and Wild Plants in Late- and Post-Medieval Groningen. A Study of Archaeological Plant Remains, Groningen. Zeist, W. van, & H. Woldring 2000: “Plum (Prunus domestica L.) Varieties in Late- and Post-Medieval Groningen: the Archaeobotanical Evidence”, Palaeohistoria 39/40, 563-576.

198

Literatuur


199


Colofon Terra Cotta Incognita Special nr. 2

Ruwe bolsters, bierdrinkers en haringeters. Huishoudelijk afval van de eigenaren, bewoners en ambachtslieden van de scheepswerf aan de Havenstraat te Vlaardingen (locatie Galeiwerf).

Auteurs

Nina Linde Jaspers,Yurie Eijskoot & Kinie Esser (red.)

Fotografie

Paul Crucq

Tekeningen

Aardewerk: Nina Linde Jaspers (Terra Cotta Incognita); Glas: Jaap Kottman; Leer: Marloes Rijkelijkhuizen (Elpenbeen)

Grafische vormgeving

Paul Crucq

DTP Nina Linde Jaspers (Terra Cotta Incognita); In opdracht van

Vlaardings Archeologisch Kantoor (VLAK), gemeente Vlaardingen

Collectie

Archeologisch Depot, gemeente Vlaardingen

Drukwerk en distributie

SPA Uitgevers (www.spa-uitgevers.nl)

ISSN

2214-5109

Uitgever

Terra Cotta Incognita

Š Terra Cotta Incognita

Amsterdam, lente 2015

Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.

200


201


Een toilet is een jonge uitvinding. In de 18e eeuw was men aangewezen op de beerput.Voor archeologen is zo’n put een kleine schat, want er verdween bijna een heel mensenleven in: voedsel- en kookafval, afgedankte huisraad, kledingstukken en andere gebruiksvoorwerpen. De archeologen van de gemeente Vlaardingen waren dan ook blij verrast toen ze in 2002 een beerput ontdekten langs de Havenstraat (locatie Galeiwerf). De put lag tussen de resten van de scheepswerf van de vooraanstaande Vlaardingse familie Cleywerff-De Zeeuw. Misschien liet Ariaantje haar zoon Dirk de visgraten van het avondmaal wel in de put gooien… De beerput van de scheepswerf langs de Havenstraat is de tweede onderzochte beerput in Vlaardingen en was in gebruik in de late 17e en vroege 18e eeuw.Voor het eerst krijgen we via de voedselresten en afgedankte huisraad een beeld van het dagelijks leven van een typisch Vlaardingse scheepsbouwersfamilie in de decennia rond het jaar 1700. Een huishouden op een erf waar ook ambachtslieden schaafden en timmerden en kinderen speelden. Gemeente Vlaardingen gaf opdracht tot de specialistische én integrale uitwerking van de beerput met als speerpunt de historische gegevens en de afzonderlijke materiaalsonderzoeken te integreren tot één geheel. Ook in de fotografie is deze aanpak doorgevoerd, waarbij het onderzoek naar het aardewerk, glas, kleipijpen, metaal, hout, leer, textiel, afgekloven botten, visgraten, pitten en zaden als leidraad gold. Het resultaat zijn schilderachtige stillevenfoto’s van de gerestaureerde vondsten uit de beerput gecombineerd met hedendaagse vis- en fruitsoorten die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen. Deze Terra Cotta Incognita Special nr. 2 biedt een schat aan informatie voor archeologen en historici die zich bezighouden met huishoudcultuur en voedingsgeschiedenis. Maar ook diegenen met een liefde voor de historie van Vlaardingen en het dagelijks leven kunnen hierin hun hart ophalen.

202

Profile for Nina Jaspers

Terra Cotta Incognita Special nr. 2 Vlaardingen (Jaspers, Eijskoot & Esser 2015)  

Special nr. 2 contains the results of the research on an 18th century cesspit on a shipyard alongside the Havenstraat (Harbourstreet) in Vla...

Terra Cotta Incognita Special nr. 2 Vlaardingen (Jaspers, Eijskoot & Esser 2015)  

Special nr. 2 contains the results of the research on an 18th century cesspit on a shipyard alongside the Havenstraat (Harbourstreet) in Vla...

Advertisement